Streep door teruggaaf dividendbelasting aan Canadese trusts
Op 20 mei 2026 heeft Gerechtshof ’s-Hertogenbosch drie uitspraken gedaan over de teruggaaf en naheffing van Nederlandse dividendbelasting in verband met zogenoemde dividendarbitrage-activiteiten. In alle drie de zaken ging het om naar Canadees recht ingestelde trusts die betrokken waren bij de uitvoering van pensioenregelingen voor werknemers. In dit soort zaken zien we steeds vaker dat de economische werkelijkheid prevaleert boven de juridische vorm.
Het belang in de procedure was ruim € 3.700.000. Follow the money heeft meerdere dividendstripping zaken onderzocht waarbij de belangen soms opliepen tot ver boven de € 200.000.000 (artikel), dit speelde bij de Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 22 december 2025 ECLI:NL:RBZWB:2025:9122.
De trusts hadden Nederlandse dividendbelasting teruggevraagd die was ingehouden op dividenduitkeringen op Nederlandse aandelen. Zij stelden dat zij vergelijkbaar waren met een in Nederland vrijgesteld pensioenfonds en daarom recht hadden op teruggaaf op grond van artikel 10, lid 3, Wet op de dividendbelasting 1965.
De inspecteurs stelden daartegenover dat de trusts feitelijk deelnamen aan commerciële dividendarbitrage-activiteiten, waaronder zogenoemde (reverse) cash-and-carry-transacties, en daarom niet vergelijkbaar waren met een vrijgesteld Nederlands pensioenfonds. Het hof volgt het standpunt van de inspecteur in alle drie de zaken: de trusts hadden geen recht op teruggaaf en eerder verleende teruggaven mochten worden nageheven.
Achtergrond: teruggaaf dividendbelasting voor buitenlandse pensioenlichamen
Nederlandse dividendbelasting wordt in beginsel ingehouden op dividenden die worden uitgekeerd door in Nederland gevestigde vennootschappen. Voor bepaalde binnenlandse lichamen, zoals pensioenfondsen, drukt die dividendbelasting uiteindelijk niet. Zij zijn onder voorwaarden vrijgesteld van vennootschapsbelasting en kunnen ingehouden dividendbelasting terugvragen.
Om te voorkomen dat vergelijkbare buitenlandse lichamen ongunstiger worden behandeld, kent artikel 10, lid 3, Wet op de dividendbelasting 1965 een teruggaafregeling. Een buitenlands lichaam kan op grond van die bepaling Nederlandse dividendbelasting terugvragen als het lichaam vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigd lichaam dat niet aan vennootschapsbelasting is onderworpen of daarvan is vrijgesteld.
Die vergelijkbaarheid wordt niet uitsluitend beoordeeld aan de hand van de juridische vorm of de buitenlandse fiscale kwalificatie. Van belang is vooral of het buitenlandse lichaam, beoordeeld naar Nederlandse maatstaven, dezelfde kenmerken heeft als een Nederlands vrijgesteld lichaam. Bij pensioenlichamen betekent dit dat de werkzaamheden in beginsel moeten zijn gericht op de uitvoering van pensioenregelingen. Commerciële activiteiten of beleggingsactiviteiten die verder gaan dan normaal vermogensbeheer kunnen eraan in de weg staan dat sprake is van voldoende vergelijkbaarheid.
Morgan Stanley arrest inzake dividendstripping
De onderhavige uitspraken betreffen feiten uit 2013 - 2015, de dividendstripping problematiek heeft de afgelopen jaren ook de wetgevende aandacht gekregen. Per 2024 zijn er ook wetswijzigingen doorgevoerd om de problemen van dit fenomeen aan te pakken. Voor de feiten die voor 2024 liggen - waaronder de onderhavige zaak - is ook het Morgan Stanley arrest van de Hoge Raad d.d. 19 januari 2024 ECLI:NL:HR:2024:49 van belang. De Hoge Raad oordeelt dat artikel 25 lid 2 Wet Vpb (de anti-dividendstrippingmaatregel) een uitputtende regeling vormt van de gevallen waarin de opbrengstgerechtigde niet als uiteindelijk gerechtigde kan worden aangemerkt. Anders dan Hof Amsterdam had geoordeeld, kan de inspecteur zich niet beroepen op doel en strekking of een "samenstel van transacties"-benadering buiten de wettelijke kaders om. Deze zaak is nu terugverwezen naar het Gerechtshof Den Haag. Dit arrest wordt door velen gezien als tegenslag voor de belastingdienst, dit keert zich echter soms ook omdat Gerechtshoven kunstmatige constructies pareren via de route van fraus legis.
Achtergrond: (Reverse) Cash-and-carry transacties en beoogd fiscaal voordeel
Bij een cash-and-carry-transactie wordt op een aandelenpositie gecombineerd met een tegengestelde derivatenpositie, bijvoorbeeld een future, forward of (equity-)swap. Een partij koopt dan aandelen vóór de dividenddatum en dekt het koersrisico op die aandelen grotendeels af door gelijktijdig een tegengestelde positie aan te gaan. Daardoor wordt de partij juridisch aandeelhouder en ontvangt zij formeel het dividend, terwijl het economische risico op de aandelen in belangrijke mate is geneutraliseerd. Bij een reverse cash-and-carry-transactie gebeurt dit in omgekeerde richting: de partij neemt juist een shortpositie in het aandeel in en combineert die met een longpositie via een derivaat.
In het kader van dividendstripping zijn dergelijke transacties relevant omdat zij kunnen worden gebruikt om de juridische gerechtigdheid tot het dividend tijdelijk onder te brengen bij een partij met een gunstigere dividendbelastingpositie, terwijl het economische belang bij de aandelen geheel of gedeeltelijk bij een andere partij blijft of daarnaar terugvloeit. Het fiscale voordeel ontstaat dan niet zozeer door koerswinst op de aandelen, maar door het verschil in behandeling van de ingehouden dividendbelasting.
De feiten in hoofdlijnen inzake teruggave dividendbelasting
In alle drie de zaken ging het om een naar Canadees recht ingestelde trust die in Canada was geregistreerd als pensioenfonds en aldaar was vrijgesteld van belastingheffing naar het inkomen. Hoewel de trusts formeel waren ingericht voor de uitvoering van pensioenregelingen, was de feitelijke pensioenfunctie beperkt. In de relevante jaren nam telkens slechts één deelnemer deel aan de pensioenregeling. De deelnemers, of in dit geval deelnemer, mochten op grond van het pensioenreglement niet zelf bijdragen en de werkgever was verplicht de pensioenbijdragen te voldoen. Die bijdragen waren, afgezet tegen de omvang van de beleggings- en arbitrageactiviteiten, beperkt.
Naast de pensioenregeling namen de trusts via samenwerkingsovereenkomsten deel aan transacties in aandelen en derivaten. Die transacties vonden onder meer plaats rond dividenddata en betroffen onder meer zogenoemde (reverse) cash-and-carry-transacties. Daarbij werden aandelenposities gecombineerd met tegengestelde derivatenposities, waardoor het koersrisico op de aandelenposities geheel of gedeeltelijk werd afgedekt. De trusts ontvingen dividenden op Nederlandse aandelen waarop dividendbelasting was ingehouden en verzochten vervolgens om teruggaaf van die dividendbelasting. In enkele gevallen had de Belastingdienst daadwerkelijk teruggaaf verleend, waarna naheffingsaanslagen werden opgelegd.
Uitspraak hof: geen vergelijkbaarheid met een vrijgesteld pensioenfonds
De centrale vraag in de procedure was of de Canadese trusts vergelijkbaar waren met een Nederlands vrijgesteld pensioenlichaam. Alleen dan kon op grond van artikel 10, lid 3, Wet op de dividendbelasting 1965 recht bestaan op teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting.
Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. Daarbij acht het hof van belang dat de activiteiten van de trusts niet beperkt bleven tot de uitvoering van pensioenregelingen en normaal vermogensbeheer. De trusts namen via samenwerkingsovereenkomsten deel aan commerciële effectenhandel en arbitrageactiviteiten.
Volgens het hof pasten deze activiteiten niet binnen de werkzaamheden van een Nederlands vrijgesteld pensioenlichaam. Daardoor waren de trusts niet vergelijkbaar met een Nederlands vrijgesteld pensioenfonds. Het gevolg daarvan is dat géén recht bestaat op teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting.
Beroep op het Unierecht slaagt niet
Belanghebbende deed daarnaast een beroep op het Unierecht. Ook dat beroep slaagt niet. Het hof wijst erop dat de trusts in Canada waren gevestigd. Zij konden zich daarom niet beroepen op een gelijke behandeling met pensioenfondsen die binnen de Europese Unie zijn gevestigd.
Voor zover een beroep werd gedaan op het vrije kapitaalverkeer, oordeelt het hof dat de trusts ook dan niet in een vergelijkbare positie verkeerden met een Nederlands vrijgesteld pensioenlichaam. Omdat die vergelijkbaarheid ontbreekt, is volgens het hof geen sprake van een verboden discriminatie of belemmering.
Vertrouwensbeginsel en teruggave dividendbelasting
In twee van de drie zaken deden de trusts een beroep op het vertrouwensbeginsel. Zij wezen erop dat de Belastingdienst in het verleden had bevestigd dat zij onder voorwaarden in aanmerking konden komen voor teruggaaf van dividendbelasting.
Het hof verwerpt dat beroep. Volgens het hof beschikten de inspecteurs bij die eerdere bevestigingen niet over alle relevante feiten. Met name de aard en omvang van de dividendarbitrage-activiteiten waren niet volledig kenbaar. De eerdere correspondentie met de Belastingdienst kon daarom niet worden opgevat als een onvoorwaardelijke toezegging dat ook bij volledige kennis van de feiten teruggaaf zou worden verleend.
Noot fiscaal jurist inzake dividendbelasting buitenlandse trust
Deze uitspraken passen in een bredere ontwikkeling waarin teruggaafverzoek dividendbelasting en, meer specifiek, dividendstripping steeds meer door de Belastingdienst in detail worden beoordeeld. De inspecteur kijkt niet alleen naar de juridische huls van de belastingplichtige, maar vooral naar de feitelijke werkzaamheden, de economische functie van de transacties en het daarbij genoten fiscale voordeel. Buitenlandse partijen die om een teruggaaf van dividendbelasting verzoeken kunnen dan ook een (uitgebreide) vragenbrief van de Belastingdienst verwachten en doen er goed af om vooraf te (laten) beoordelen of ze daadwerkelijk recht hebben op teruggaaf. Uiteraard helpen wij hier graag bij.
Zie in dat verband ook de conclusie van A-G Wattel van 20 februari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:184, waarin eveneens de vraag centraal stond of bij een kunstmatig opgezette dividendstructuur recht bestond op verrekening van dividendbelasting.
