Vodafone versus belastingdienst inzake fiscale truc
Gerechtshof zet streep door deel renteaftrek Vodafone
De belastingdienst en Vodafone zijn al jaren penvrienden inzake rente die het Vodafone in Nederland ten laste van de winst brengt. Volgens de belastingdienst betaalde de Nederlandse tak van Vodafone (de houdster) te hoge en onzakelijke vergoedingen binnen het concern waardoor de Nederlandse winst een stuk lager is uitgevallen. Het woord was eerst aan de Rechtbank Den Haag en daarna kwam een tussenuitspraak van het Gerechthof en op 5 augustus 2026 kwam het Gerechtshof Den Haag tot haar slotconclusie.
In dit artikelen behandelen wij deze casus en geven aan waar de angel zit en welke mogelijkheden er zijn. De rente ging grotendeels van 5% naar 2,21%. Per saldo bleef € 900 miljoen aan aftrek rente en commitments fees in stand en wordt € 380 miljoen niet geaccepteerd.
Renteaftrek binnen internationaal concern
Vodafone heeft enkele jaren op rij winsten verplaatst naar het buitenland (Luxemburg) door in Nederland te hoge rentes te betalen. De belastingdienst legt uiteindelijk voor € 250 miljoen aan aanslagen op, een deel hiervan blijft overeind. Vodafone zou onzakelijke rentes hebben betaald over leningen van een moedermaatschappij (in Luxemburg) waardoor de Nederlandse winst zou worden uitgehold, internationaal een veel voorkomende opzet.
Volgens de rechter had Vodafone de onderliggende interne documentatie niet op orde en is op lichtvaardige wijze aangifte gedaan, een bijzondere conclusie over een bedrijf met deze omvang. Vodafone was al beetje uitgegaan van een probleem, in de jaarrekening wordt een reservering gemaakt van € 27 miljoen (aldus een artikel in het financieel dagblad). Meestal worden procedures over internationale intercompany pricing geschikt, de zaken die voor de rechter komen gaan vaak over veel geld. In een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam d.d. 11 september 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:2377) ging het om winstcorrecties van bijna € 2 miljard bij Britisch American Tobacco (BAT), de belastingdienst is grotendeels in het gelijk gesteld, de boete van ruim € 100 miljoen ging wel in de prullenbak.
In deze zaak bij Vodafone ging het om een financieringsopzet van Vodafone Europe en hun Nederlandse dochter. De houdstermaatschappij houdt de belangen in diverse Vodafone dochters in de hele wereld. Om die dochterondernemingen te financieren leent Vodafone Europe miljarden uit aan andere entiteiten. De belastingdienst legt in deze casus aanslagen op omdat de rentes die worden betaald aan de moedermaatschappij in Luxemburg te hoog (en onzakelijk) zijn. De rechtbank was het nog wel (grotendeels) met Vodafone eens maar het Gerechtshof ging er eens goed voor zitten. De rechters volgen de belastingdienst zeker niet in al haar stellingen maar een groot deel wordt gevolgd. Wat opvalt is dat het Gerechtshof heeft vastgesteld dat diverse transferpricing documenten belangrijke gebreken vertonen. Ook achct het Gerechtshof het niet aannemelijk dat bij het doen van de aangiften vennootschapsbelasting een kredietwaardigheidsanalyse beschikbaar is geweest, dit om de zakelijkheid van de rente te onderbouwen en beoordelen.
Conclusie van het Gerechtshof is dan ook dat er op lichtvaardige wijze aangifte is gedaan, van een groot opererende onderneming mocht - aldus de raadsheren - meer zorgvuldigheid worden verwacht. Betere comparables (zoals obligatiess van concurrenten) hadden volgens het Hof bij Vodafone een lampje moeten laten branden en aanwijzingen moeten opleveren dat all in tarieven onzakelijk waren. Ook is navordering toegestaan (de belastingrente wordt wel verlaagd).
Het at arm's length-beginsel (art. 8b Wet Vpb)
Sinds 1 januari 2002 is het at arm's length-beginsel gecodificeerd in art. 8b Wet Vpb 1969. De bepaling schrijft voor dat gelieerde lichamen - zoals bij Vodafone internationaal - in hun onderlinge rechtsverhoudingen dezelfde voorwaarden — waaronder de prijs — moeten hanteren als onafhankelijke derden onder vergelijkbare omstandigheden zouden overeenkomen.
Vóór de codificatie vloeide hetzelfde beginsel reeds voort uit het totaalwinstbegrip (art. 3.8 Wet IB 2001 jo. art. 8 Wet Vpb). Voor de invulling grijpt de rechter terug op de OESO-richtlijnen voor verrekenprijzen (versie 2022), in het bijzonder Hoofdstuk X inzake financiële transacties, en op het nationale Verrekenprijsbesluit 2022 (Besluit van 14 juni 2022, Stcrt. 2022, 16685). Art. 8b lid 3 legt bovendien een zelfstandige documentatieverplichting op: de belastingplichtige moet in zijn administratie vastleggen hoe de gehanteerde verrekenprijzen tot stand zijn gekomen.
Afbakening: art. 8b is een prijs-, geen kwalificatievraag
Het onderscheid met de „klassieke” renteaftrekbeperkingen is voor de praktijk cruciaal. Bij art. 10a Wet Vpb (winstdrainage) wordt de aftrek van rente op een schuld aan een verbonden lichaam gewéígerd wanneer die schuld verband houdt met een besmette rechtshandeling, tenzij de belastingplichtige slaagt in de dubbele zakelijkheidstoets of aannemelijk maakt dat sprake is van een compenserende heffing.
Bij de onzakelijke lening (Hoge Raad 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442) draait het om de vraag of een derde het debiteurenrisico zonder winstdelende rente zou hebben aanvaard; is dat niet zo, dan wordt de rente via de borgstellingsanalogie gefixeerd en is een afwaarderingsverlies niet aftrekbaar. Beide leerstukken raken de kwalificatie of de aftrekbaarheid als zodanig.
De lening wordt fiscaal gerespecteerd; het is en blijft vreemd vermogen. Alleen de hoogte van de vergoeding wordt gecorrigeerd naar een zakelijk niveau. Het hof koos hier bewust voor deze route: geen aftrekweigering wegens misbruik, maar een kwantitatieve prijsaanpassing. A contrario (uit het tegendeel geredeneerd) betekent dit dat de fiscus de zwaardere bewijslast van fraus legis (wetsontduiking) niet hoefde te dragen — een pragmatische keuze die het arrest juist zo bruikbaar maakt als precedent.
Bewijslast en documentatie intercompany pricing Vodafone
De onus probandi (bewijslast) verschuift naarmate de onderbouwing van de belastingplichtige tekortschiet. Voldoet de verrekenprijsdocumentatie niet aan de eisen van art. 8b lid 3, dan kan dat leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast (art. 25 lid 3 en art. 27e AWR), en materieel tot een aanzienlijk bewijsnadeel. In deze zaak constateerde het hof „fundamentele gebreken” in de onderbouwing van de bv — een omstandigheid die de uitkomst mede heeft bepaald.
Fiscaal advies voor internationale bedrijven
- Documenteer robuust. Een deugdelijke functionele analyse, actuele benchmarkstudie en een onderbouwde credit rating van de debiteur (inclusief implicit support) zijn beslissend; ontbreken zij, dan verschuift de bewijslast in het nadeel van de belastingplichtige.
- Onderbouw commitment fees afzonderlijk. Omdat het hof rente en fees samenvoegt, moet duidelijk zijn dat óók de beschikbaarstellingsvergoeding zakelijk is; anders „lekt” zij mee in de correctie.
- Overweeg vooroverleg of een APA. Een advance pricing agreement biedt zekerheid vooraf over de gehanteerde methode en voorkomt jarenlange procedures.
- Denk aan de doorwerking van earningsstripping. Zelfs een als zakelijk aanvaarde rente kan sinds 2019 alsnog worden beperkt door de generieke earningsstrippingmaatregel (art. 15b Wet Vpb; thans aftrekbeperking van het saldo aan renten voor zover dat 20% van de gecorrigeerde winst/EBITDA of € 1 mln te boven gaat). Voor 2012–2017 speelde dat nog niet, maar de lege ferenda (naar toekomstig recht) is dit een dubbele toets geworden.
- Kwalificatie. Is sprake van vreemd vermogen? Toets de fiscale herkwalificatie (schijnlening, deelnemerschapslening, bodemlozeputlening).
- Art. 10a-toets. Bestaat er verband met een besmette rechtshandeling? Zo ja: dubbele zakelijkheidstoets en/of compenserende heffing.
- Onzakelijke lening. Kan een zakelijke rente worden bepaald zonder dat deze winstdelend wordt, zie hiervoor ook de Hoge Raad uitspraak die hierboven wordt genoemd (uit 2011)
- Art. 8b-prijstoets. Is de vergoeding at arm's length? Beoordeel rente én commitment fees als één all-in vergoeding per faciliteit.
- Kredietwaardigheid. Bepaal de rating van de debiteur: stand-alone versus mét impliciete concernsteun.
- Vergelijkbaarheid. Zijn er bruikbare comparables qua looptijd, valuta, zekerheden, achterstelling en volume?
- Documentatie. Voldoet de vastlegging aan art. 8b lid 3 (master file, local file, functionele analyse)? Vermijd omkering van de bewijslast.
Noot fiscaal jurist inzake Vodafone arrest en intercompany pricing
Wat dit arrest zo interessant maakt (en hierdoor tof om te lezen), is niet de uitkomst maar de route. De inspecteur had zich kunnen vastbijten in art. 10a of fraus legis — het klassieke, maar bewerkelijke en risicovolle pad. In plaats daarvan koos hij, en het hof volgde, voor de zuivere art. 8b-prijscorrectie.
Dat is fiscaaltechnisch elegant en goed bedacht: de lening blijft staan, de structuur wordt niet als misbruik weggezet, en tóch verdampt € 380 miljoen aan aftrek. De keerzijde is dat de rechter daarmee de facto (feitelijk) op de stoel van de transferpricing-econoom gaat zitten: het hof stelt zélf een zakelijke rente vast (2,21% waar het concern 5% rekende). Dat roept de vraag op hoe ver de rechterlijke schattingsvrijheid reikt binnen een range die per definitie geen exact punt kent. Hier ligt prima facie (op het eerste gezicht) een aantrekkelijk cassatiemiddel voor de belastingplichtige.
De echte les voor het telefoonbedrijf, zit in de onus probandi. Dit dossier is niet verloren op de rentevoet, maar op de documentatie. „Fundamentele gebreken” in de onderbouwing zijn dodelijk: zij verschuiven het bewijsrisico en geven de rechter de ruimte om zijn eigen — voor de fiscus gunstige — schatting te maken. Wie vandaag concernfinanciering opzet, moet de benchmark, de credit rating en de zakelijkheid van de commitment fee mutatis mutandis (met de nodige aanpassingen) even zorgvuldig vastleggen als de leningsovereenkomst zelf. Verdedigbaarheid begint bij het dossier, niet bij de pleitnota. Dictum sapienti sat — voor de goede verstaander is dit voldoende.
Het Vodafone-arrest (maar ook andere uitspraken) bevestigen dat de Belastingdienst winstverschuiving via concernfinanciering effectief kan bestrijden zónder de zware misbruikleerstukken: een gerichte prijscorrectie op grond van art. 8b Wet Vpb volstaat.
Voor de adviespraktijk is de boodschap tweeledig.
- Ten eerste is de hoogte van de rente — bepaald door de rating van de debiteur en de zekerheden — het beslissende slagveld, niet langer alleen de vraag óf de rente aftrekbaar is.
- Ten tweede is verrekenprijsdocumentatie geen formaliteit maar een materiële verdedigingslinie: zonder deugdelijke onderbouwing verliest de belastingplichtige het bewijsgevecht nog vóór het over de cijfers gaat.
De praktische adviesrichting: benchmark tijdig en realistisch, onderbouw de credit rating expliciet, behandel commitment fees niet als „restpost”, en zoek bij grote financieringsstromen zekerheid vooraf via een APA. Zijn er vragen? Neem gerust contact met ons op!
Oh ja, wij bellen zelf via KPN, maar dat maakt voor de casus geen verschil.
Bron en vindplaatsen inzake renteaftrek Vodafone
Rechtbank Den Haag d.d. 14 juli 2023 ECLI:NL:RBDHA:2023:12061
Gerechtshof Den Haag d.d. 29 oktober 2025 ECLI:NL:GHDHA:2025:3019
Gerechtshof Den Haag d.d. 5 augustus 2026 ECLI:GHDHA:2026:2462
Woonplaatsonderzoek en kort geding belastingdienst
Informatiebeschikking en civiel kort geding
De Rechtbank Den Haag doet op 2 september 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:25140) een uitspraak inzake een kort geding van de belastingdienst tegen een belastingplichtige. De zaak betreft een belastingplichtige die sinds 1992 in het buitenland woont. De belastingdienst denkt dat de belasitngplichtige in Nederland woont en stelt een woonplaatsonderzoek in (periode 2018-2024). Aanleiding is dat de belastingplichtige vastgoed, bedrijven en bankrekeningen in Nederland heeft. Ook heeft hij de Nederlandse nationaliteit en familie in Nederland (dit lijk me logisch). De belastingdienst vraagt informatie op (artikel 47 AWR) en als niet alle informatie wordt verstrekt wordt een informatiebeschikking (artikel 52a AWR) toegestuurd. Omdat nog niet alle informatie wordt verstrekt begint de belastingdienst een civiele procedure (kort geding), dit laatste is mogelijk ex Hoge Raad d.d. 25 oktober 2013 ECLI:NL:HR:2013:1042.
Belangrijke conclusie inzake woonplaatsonderzoek
De belastingdienst kan dus gelijktijdig met een informatiebeschikking een kort geding starten.
Woonplaatsonderzoek, welke informatie moet worden verstrekt
De rechter herhaalt de (erg ruime) maatstaf voor artikel 47 AWR. Het is - volgens de civiele rechter - voldoende dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt stelt dat de gevraagde informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing. De inspecteur hoeft dus kennelijk niet aannemelijk te maken dat iemand daadwerkelijk inwoner van Nederland is en/of de gevraagde informatie fiscaal relevant is. De informatie die wordt gevraagd is bedoeld om te onderzoeken of iemand inwoners is en dan kan dus de informatie relevant worden. De aanknopingspunten (bedrijven en vastgoed in Nederland) waren kennelijk voldoende.
In dit geval had de belastingplichtige zelf een woonplaatsrapportage opgesteld en deze aan de belastingdienst gestuurd. Deze eigen woonplaatsrapportage was - zonder enige toelichting of reactie van de belastingdienst - onvoldoende. De inspecteur hoeft dus niet zonder meer genoegen te nemen met een eigen interpretatie van de feiten door belastingplichtige en/of diens fiscalist. Dit laatste is begrijpelijk edoch een reactie waarom dit onvoldoende is was passend geweest.
Privacy en woonplaatsonderzoek
De belastingplichtige stelt dat het verstrekken van de (omvangrijke) gegevens een ernstige inbreuk maken op zijn privacy. Dit argument slaag niet omdat artikel 47 een legitiem doel is en nu eenmaal inmening met zich meebrengt. De belastingdienst heeft kennelijk in brieven uitleg gegeven over de fiscale relevantie.
Welke informatie wordt bij woonplaatsonderzoek opgevraagd ?
De volgende informatie moet worden verstrekt:
- alle telefoon abonnementen en gespecificeerde telefoon rekeningen
- alle Nederlandse en buitenlandse bankafschriften
- alle debit en creditcard afschriften
- schulden en vorderingen
- gegevens over het Nederlandse vastgoed
- belangen in bedrijven en samenwerkingsverbanden
- inkomsten uit Nederland
- onderliggende stukken inzake betrokkenheid bij ondernemingen in Nederland
- werkzaamheden in Nederland
- verblijf adressen in Nederland
Vaak worden de volgende stukken ook nog opgevraagd
- opstelling dagen in Nederland en Buitenland
- vluchtinformatie
- informatie energie gebruik in Nederland
De belastingdienst vraagt enkel informatie over Nederlandse activiteiten. Je zou denken dat voor het bepalen van de woonplaats alle activiteiten (ook in het buitenland) relevant zouden moeten zijn. Het lijkt erop dat de belastingdienst een loep op Nederland gaat leggen om te kijken of dit voldoende is voor een woonplaats in Nederland. De activiteiten in het buitenland worden dus niet meegenomen. Dit is vreemd.
De belastingdienst wilde in kort geding ook direct duidelijkheid over toekomstige vragen en benodigde informatie. Deze blanco cheque wordt niet akkoord bevonden. Toekomstige vervolgvragen vallen niet onder deze uitspraak.
Dwangsom bij woonplaatsonderzoek
Volgens de rechtbank is de uitvraag van de belastingdienst niet disproportioneel. Als de informatie niet wordt verstrekt bedraagt de dwangsom € 50.000 per dag met een maximum van € 5.000.000.
Noot fiscaal jurist inzake kort geding bij woonplaatsonderzoeken
Een woonplaatsonderzoek is geen discussie over de uitkomst (bent u inwoner?) maar begint vaak met een strijd om de informatie en met name welke informatie moet worden verstrekt. Hierbij moet de informatieplicht (artikel 47 AWR) niet worden onderschat. De drempel in dit artikel "informatie moet fiscaal van belang kunnen zijn" is vrij laag. Daarnaast moet de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is (Hoge Raad d.d. 18 december 2015 ECLI:NL:HR:2015:3602 en Hoge Raad 11 juni 2021 ECLI:NL:HR:2021:778).
Dit is een ruime beoordelingsvrijheid voor de inspecteur en maakt het voor belastingplichtige vaak lastig. De stelling is al snel dat het aan de inspecteur is om te beoordelen of informatie fiscaal relevant is, en dus niet aan de belastingplichtige. De grenzen worden gevormd door:
- algemene beginselen van behoorlijk bestuur (evenredigheid / proportionaliteit / fair play)
- soms werkt een beroep op het vertrouwensbeginsel (zie uitspraak Hoge Raad)
- privacy (artikel 8 EVRM / AVG)
- nemo tenetur (artikel 6 EVRM).
Via een u bocht kan de belastingdienst ook via een kort geding de informatie (kennelijk) verkrijgen. Zelfs als de procedure over de informatiebeschikking nog loopt.
De Rechtbank acht zich kennelijk internationaal bevoegd en neemt het spoedeisende belang aan. Opmerkelijk hierbij is dat de belastingdienst in november 2025 door de Rechtbank Zeeland - West Brabant is teruggefloten (uitspraak op bezwaar mocht niet worden opgeschort in afwachting van informatie verzoek buitenlandse informatie).
Deze uitspraak verstrekt de positie van de belastingdienst bij woonplaatsonderzoeken. De combinatie van artikel 47 AWR, de informatie beschikking en een civiel kort geding met dwangsom zet de druk volledig op een belastingplichtige. Het procederen tegen een informatie beschikking betekent dus niet automatisch dat een kort geding niet meer mogelijk is.
Voor de belastingplichtige en diens fiscalist zie ik de volgende lessen:
- Vertrouw niet op "ik woon niet in Nederland dus er is niks aan de hand"
- Schakel direct een fiscale specialist in
- Bekijk zorgvuldig hoe de belastingdienst denkt bij een woonplaatsonderzoek (zie Woo verzoek)
- Bekijk de aankopingspunten in deze kamerbrief d.d. 7 april 2025
- Neem met uw fiscalist de instructies woonplaatsonderzoeken d.d. 27 augustus 2024 door
- Doe zelf - eventueel met hulp van AI - een eigen woonplaatsonderzoek en verstrek dit aan de belastingdienst
- Maak een woonplaats analyse met checklist en stappenplan voor de emigratie en toets jaarlijks of belastingplichtige voldoet aan "ik woon in het buitenland" criterium
- Zorg ervoor dat de onderliggende informatie aansluit bij de woonplaats definitie
- Bekijk welke informatie fiscaal relevant is en welke informatie niet. De insteek "privacy"blijkt steeds vaker redelijk kansloos. De insteek relevantie, proportionaliteit, beschikbaarheid voor belastingplichtige, voldoende concreet en wilsafhankelijk materiaal is dan een betere keuze.
Een interessant spanningsveld blijft echter wel of de belastingrechter niet eerst had moeten oordelen over de informatiebeschikking en eventueel informatie uit het buitenland, voordat het kort geding in beeld komt.
Vindplaats en bron bestanden
Rechtbank Den Haag doet op 2 september 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:25140
Hoge Raad d.d. 25 oktober 2013 ECLI:NL:HR:2013:1042
Woonplaats CFO in Monaco of Nederland
In deze procedure staat de woonplaats van een CFO centraal, met name speelt het beroep van de CFO op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel. De CFO krijgt een mooi steuntje in de rug van de Hoge Raad.
Klaas in sinds 2012 bestuurder van een NV. Medio 2012 wordt Klaas benoemd als lid van de Raad van Bestuur (overeenkomst van opdracht). Klaas woont tot en met 18 april 2016 in Monaco en en verhuist daarna naar Nederland. Er worden aan Klaas zogenaamde RSU rechten Restricted Stock Units) toegekend. De vraag is of Klaas in 2016 het gehele jaar in Nederland woonde (standpunt inspecteur en Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 10 juli 2024 ECLI:NL:GHSHE:2024:2230) of pas sinds 18 april 2026 (standpunt Klaas en de Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 21 april 2022 ECLI:NL:RBZWB:2022:2156). Na de wisseldende uitspraken komen partijen uiteindelijk bij de Hoge Raad die op 7 augustus 2026 uitspraak doet (ECLI:NL:HR:2026:1340).
De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur - tijdens de aanslag- en bezwaarfase - het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat Klaas (de CFO) in de periode tot 18 april 2016 niet in Nederland woonde. Uit alle stukken volgt namelijk dat de inspecteur in eerste aanleg zelfs stelde dat Klaas in het gehele jaar 2016 niet in Nederland woont. Later is dit aangepast tot "wonen in Nederland vanaf 18 april 2016". Dit standpunt is totstand gekomen na een uitgebreid onderzoek van de inspecteur. De Hoge Raad is van mening dat het hof heeft verzuimd dit juist en volledig te onderzoeken. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel is onvoldoende onderzocht. Al met al met een ander hof (Arnhem Leeuwarden) het huiswerk nog eens overdoen (dus verwijzing).
Waarom het over veel meer gaat dan één streep op de kalender voor de CFO
Bij binnenlandse belastingplicht is het wereldinkomen van Klaas belast (artikel 2.1 jo. 2.3 Wet IB 2001), maar staan ook de persoonsgebonden aftrek van € 1.548.572 (afkoop alimentatie) en de negatieve inkomsten uit eigen woning van € 20.344 open. Bij buitenlandse belastingplicht vervallen die posten in beginsel — maar dan komt de bestuurdersfictie in beeld.
Artikel 7.2, lid 2, aanhef en letter b (en lid 7 laatste volzin) Wet IB 2001 bepaalt dat de buiten Nederland vervulde functie van bestuurder of commissaris van een in Nederland gevestigd lichaam steeds geacht wordt in Nederland te zijn vervuld. Nederland heeft geen belastingverdrag met Monaco, dus er is geen verdragsrechtelijke rem (vergelijk artikel 16 OESO-Modelverdrag, dat het heffingsrecht over bestuurdersbeloningen juist aan de vestigingsstaat toewijst).
De inspecteur combineerde dat vervolgens met interne compensatie: hij aanvaardde alsnog de aftrekposten, maar rekende óók het aan de Monegaskische kleindochter toegerekende deel van het loon (€ 1.519.145) tot het Nederlandse inkomen, omdat volgens hem de gehele beloning bestuurdersbeloning van Klaas was.
Kortom: buitenlandse belastingplicht kan hier duurder uitvallen dan binnenlandse belastingplicht. Wie in een emigratie- of immigratiedossier alleen naar "wonen ja/nee" kijkt, mist de helft van het plaatje.
Woonplaats van een CFO ex artikel 4 AWR
De norm is open: waar iemand woont, wordt naar de omstandigheden beoordeeld. De vaste maatstaf luidt sinds jaar en dag: bestaat er een duurzame band van persoonlijke aard tussen de betrokkene en Nederland? Een overzicht van diverse jurisprudentie voor de liefhebber:
- Hoge Raad 3 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6962 Woonplaats "(mede)" in Nederland; een woonplaats naar Spaans recht staat daaraan niet in de weg
- Hoge Raad 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466 Geen rubricering in juridische/economische/sociale binding; een economische band is niet vereist.
- Hoge Raad 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285 Het middelpunt van het maatschappelijk leven hóéft niet in Nederland te liggen
- Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ2085 Artikel 4 AWR kan niet uitsluiten dat iemand naar buitenlands recht óók elders woont (bpm-zaak)
- Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6824 Woonplaatsbegrip in de volksverzekeringen = fiscaal woonplaatsbegrip; dubbele woonplaats mogelijk, maar uitzonderlijk
De rode draad: de Hoge Raad weigert consequent om de open norm te vullen met subregels, vuistregels of een gezichtspuntencatalogus. De feitenrechter weegt; cassatie toetst op begrijpelijkheid van de gekozen route. In dit geval ging dit voor Klaas goed en volgt verwijziging naar het Gerechtshof Arhem Leeuwarden voor nader onderzoek.
Vertrouwensbeginsel en woonplaats van ee CFO
De maatstaf staat netjes omschreven in dit arrest (r.o. 4.1.3) en verwijst naar een eerdere uitspraak van de Hoge Raad op 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069 en Hoge Raad 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:439 . Vereist is dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of, en zo ja hoe, de inspecteur in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. "Kon en mocht " is een geobjectiveerde maatstaf. Dat lijkt een detail. Het is de crux van dit arrest. Klaas mocht er zeker op vertrouwen dat de inspecteur in een later stadium niet zomaar terugkwam op eerdere standpunten.
Motiveringsplicht en artikel 8:29 Awb
Elke rechterlijke beslissing moet zodanig gemotiveerd zijn dat zij voor partijen én derden — de hogere rechter daaronder begrepen — controleerbaar en aanvaardbaar is (Hoge Raad 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, lees met name RO 3.4, voor de snelle lezer). Wordt mede beslist op grondslag van stukken waarvoor beperkte kennisneming is toegestaan (artikel 8:29, lid 3, Awb), dan is die plicht begrensd tot de mate van motivering die mogelijk is zonder geheim te houden gegevens prijs te geven — maar hij vervalt niet.
De conclusie van A-G Koopman: geen herijking van het woonplaatsbegrip
A-G Koopman nam op 25 april 2025 conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:500) en adviseerde afdoening met artikel 81 Wet RO — op alle vier de middelen. Voor de liefhebber is dit een goed te lezen en strak onderbouwde conclusie (met een verkeerde conclusie, dat dan weer wel).
De A-G verwerpt uitdrukkelijk de premisse "zonder woning geen woonplaats" (R.E.C.M. Niessen, WFR 2025/116). Een dakloze, een digital nomad of een rondtrekkende artiest kan wel degelijk inwoner zijn, aldus de AG. De Kamerbrief van 7 april 2025 (bijlage bij Kamerstukken II 2024/25, 25 087, nr. 346) concludeert dat de open norm naar behoren functioneert; aanpassing is niet aan de orde. De humor in de mening van de AG (RO 5.15) is wel tof om te lezen "dat Nederland geen verdrag met Monaco heeft, laat zich volgens de A-G "wellicht verklaren door het zonnige fiscale klimaat van deze stadstaat".
Waar het Gerechtshof de fout in ging bij beoordeling vertrouwensbeginsel
Het Hof maakte geen rekenfout; het maakte een dogmatische fout.
- Subjectivering van het vertrouwensbeginsel. Het Hof achtte niet aannemelijk dat vertrouwen was gewekt bij Klaas, en woog daarbij mee (i) dat Klaas zich er pas ter zitting in hoger beroep op beriep, en (ii) dat uit zijn eigen verweerschrift viel af te leiden dat ook hij meende dat het onderzoek van de inspecteur alleen de tweede periode betrof. De juiste vraag is of een redelijk denkende belastingplichtige uit de gedragingen van de inspecteur redelijkerwijs kon en mocht afleiden hoe deze zijn bevoegdheid zou uitoefenen.
- De proceshouding als bewijsmiddel. Het moment waaróp een rechtsgrond wordt aangevoerd, zegt niets over de vraag of de feiten die grond dragen. Tardiviteit is een zelfstandig leerstuk (goede procesorde) met een eigen toetsingskader. Wie de stelling toelaat — en dat deed het Hof — moet haar vervolgens naar de juiste materiële maatstaf beoordelen. Het Hof mengde twee kaders en gebruikte het procesrechtelijke argument als materieel bewijs. Dat is een categoriefout.
- Het gelijkheidsbeginsel getoetst op een onjuiste premisse. Doordat het Hof belanghebbende ten onrechte als inwoner aanmerkte, stond ook de vergelijkingsmaatstaf scheef. De Hoge Raad wijst de weg (r.o. 4.4.4 en 4.6.4): nu Klaas in de eerste periode als niet-inwoner geldt, kunnen alleen medebestuurders die evenmin in Nederland woonden gelijke gevallen zijn. Het verwijzingshof moet onderzoeken of die medebestuurders inwoner waren van: een niet-verdragsland, óf een verdragsland waarvan het verdrag het heffingsrecht over bestuurdersbeloningen aan Nederland toewijst (de artikel 16 OESO-lijn). Zo ja, en heeft de inspecteur bij hen de salary split wél aanvaard, dan kan het verwijzingshof niet zonder nadere motivering oordelen dat de gevallen ongelijk zijn.
Wat het verwijzingshof (Arnhem-Leeuwarden) moet doen
- Uitgaan van niet-inwonerschap in de eerste periode (bindend, r.o. 4.6.3).
- Het beroep op het vertrouwensbeginsel inzake de RSU's opnieuw beoordelen, nu óók met de ruling als zelfstandige grond — en met inachtneming van het niet-inwonerschap.
- Het beroep op het gelijkheidsbeginsel opnieuw beoordelen, op basis van de ongeschoonde stukken, langs de hierboven genoemde toets — en dat gemotiveerd.
- Faalt het gelijkheidsberoep, dan alsnog de door het Hof onbesproken gelaten stelling van de inspecteur beoordelen dat de gehele beloning toerekenbaar is aan de werkzaamheden voor de vennootschap (r.o. 4.6.5) — de kern van de salary-splitdiscussie.
Checklist Het woonplaatsdossier (artikel 4 AWR)
Leg per kalenderjaar vast en bewaar minimaal zeven jaar:
- Dagenadministratie: verblijfsdagen per land, onderbouwd met boardingpasses, pintransacties, tankbonnen, telefoonlocatiedata, agenda
- Woningbeschikbaarheid: eigendom/huur, feitelijke bewoonbaarheid, verhuurcontracten, leegstandperiodes, energieverbruik
- Gezinssituatie: waar verblijft de partner, waar gaan de kinderen naar school, gezamenlijke verblijfsdagen
- BRP-inschrijving en buitenlandse registraties (let op: bewijsvermoeden, geen doorslaggevend criterium)
- Arbeidsrechtelijke basis: arbeidsovereenkomsten, managementovereenkomsten, ontbindingen — inclusief de contractuele tijdsverdeling
- Bestuursfuncties: statutaire benoemingen, plaats van bestuursvergaderingen, notulen
- Financieel: bankrekeningen, verzekeringen, hypotheken, effectenrekeningen, pensioenopbouw
- Sociaal: lidmaatschappen, abonnementen, huisarts- en tandartsbezoek, sportclubs
- Intentiebewijs: e-mails, verhuisplannen, offertes verhuizers, makelaarsopdrachten, schoolinschrijvingen
- Verdragspositie: bestaat er een verdrag? Zo nee — toets Bvdb 2001 inclusief de onderworpenheidseis vóórdat u op voorkoming rekent
- Sociale zekerheid: het woonplaatsbegrip in de volksverzekeringen loopt gelijk op (HR 12 april 2013); check A1-verklaring en Vo. 883/2004
- Scenarioberekening: binnenlands vs. buitenlands belastingplichtig, inclusief PGA, eigen woning, heffingskortingen en bestuurdersfictie
Checklist vertrouwensbeginsel in een procedure
- Welke schriftelijke uitlatingen heeft de inspecteur gedaan? Verzamel ze chronologisch: voornemen tot afwijken, aanslagtoelichting, vragenbrieven, e-mails, verslag hoorgesprek, uitspraak op bezwaar.
- Is er een uitdrukkelijke standpuntbepaling (een oordeel over een concreet punt) of slechts een impliciete gedraging (bijvoorbeeld het volgen van een aangifte)? Alleen het eerste geeft sterke bescherming.
- Heeft de inspecteur onderzoek verricht en van welke feiten heeft hij kennisgenomen? Vraag het dossier op grond van artikel 8:42 Awb integraal op — juist het onderzoeksdossier bewijst de bewuste standpuntbepaling.
- Welke periode / welk bestanddeel dekt het standpunt? Wees hier scherp: het Hof struikelde precies hier.
- Heeft de inspecteur zijn standpunt gewijzigd? Zo ja: het eerdere standpunt blijft binden, en de wijziging bewijst dat hij de kwestie heeft beoordeeld.
- Is de informatie van uw kant juist en volledig geweest? Op onjuiste of onvolledige gegevens gebaseerd vertrouwen wordt niet beschermd — dit is de belangrijkste tegenwerping van de fiscus.
- Is er een ruling, vaststellingsovereenkomst of standpuntbepaling van een kennisgroep die (mede) van toepassing is? Voer die als zelfstandige grond aan.
- Kan het standpunt ook derden binden (concernvennootschappen, medebestuurders, aandeelhouders)? Formuleer dat expliciet.
- Loopt er een parallel gelijkheidsberoep? Vraag om overlegging van vergelijkingsgevallen en, bij weigering, om toepassing van artikel 8:29 Awb mét rechterlijke beoordeling op grondslag van die stukken.
- Voer het beroep op het vertrouwensbeginsel schriftelijk en zo vroeg
mogelijk aan. De Hoge Raad heeft de subjectieve toets nu weliswaar afgewezen,
maar tardiviteit blijft een zelfstandig procesrisico.
Advies over beroepsprocedure, waar moet je op letten !
- Reconstrueer de tijdlijn van standpunten — één document, twee kolommen: gedraging van de inspecteur / gevolgtrekking die u daaruit redelijkerwijs mocht afleiden.
- Vorder het volledige dossier op grond van artikel 8:42 Awb, inclusief interne memo's en het onderzoeksdossier woonplaats.
- Formuleer per vertrouwensgrond een zelfstandig betoog, met een genummerde conclusie per grond.
- Objectiveer uw stellingen: schrijf "uit brief X mocht redelijkerwijs worden afgeleid dat…", nooit "belanghebbende ging ervan uit dat…".
- Anticipeer op interne compensatie: welke alternatieve heffingsgrondslag heeft de inspecteur nog achter de hand? Betrek die nu al in uw stellingen.
- Bewaak de motivering: constateert u dat de rechter een dragende stelling onbesproken laat of een oordeel volstrekt onbemotiveerd laat wegens artikel 8:29 — leg dat vast in het proces-verbaal.
- Bepaal het beoogde cesuurmoment en maak dat uiterlijk waarneembaar: woning, gezin, contracten, registraties — allemaal op hetzelfde moment en maak hiervan een tekening of tijdlijn, desnoods via AI
- Vermijd een overlapperiode met beschikbare woningen in twee landen; is die onvermijdelijk, houd hem kort en documenteer het tijdelijke karakter.
- Toets de verdragspositie vooraf, met bijzondere aandacht voor de bestuurders- en commissarissenbepaling (artikel 16 OESO-Modelverdrag) en voor de vraag of er überhaupt een verdrag ís.
- Reken de bestuurdersfictie door vóórdat u een salary split contractueel vastlegt; onderbouw de split met tijdsbesteding, notulen en functieomschrijvingen — niet met een percentage in een contract alleen.
- Vraag vooroverleg en leg de uitkomst vast in een ruling of vaststellingsovereenkomst, met een expliciete periode-, bestanddeel- en persoonsafbakening.
- Regel equity-instrumenten apart: RSU's, opties en bonussen kennen eigen genietingsmomenten; koppel de fiscale behandeling aan het vestingschema en niet aan het kalenderjaar.
- Richt de dagenadministratie in vóór vertrek, niet achteraf. Achteraf
reconstrueren kost een veelvoud en overtuigt minder.
Evalueer jaarlijks — een woonplaats verschuift geruisloos.
Noot fiscaal jurist inzake procedure over woonplaats en vertrouwen op inspecteur !
Een uitdrukkelijk standpunt van de inspecteur is een activum. Wordt het ingenomen na eigen onderzoek en met kennis van de relevante feiten, dan bindt het — ook als de inspecteur later beter inzicht krijgt, en ook nog in (hoger) beroep. Er bestaat geen vrije herroepbaarheid hangende de procedure.
Elke brief waarin de inspecteur een feitelijk oordeel vastlegt ("in de periode dat Klaas woonachtig was in Monaco") is potentieel dossierbepalend. Vraag bij twijfel om schriftelijke bevestiging na het hoorgesprek (artikel 7:2 Awb). Neem in uw eigen brieven expliciet op voor welke periode u een reactie vraagt. Overweeg ook om zelf als belastingplichtige of adviseur gesprekken richting de inspecteur vast te leggen.
Reken bij salary splits altijd twee scenario's door. Buitenlandse belastingplicht plus bestuurdersfictie kan duurder uitpakken dan binnenlandse belastingplicht mét persoonsgebonden aftrek. Toets ook of het verdrag met het andere land een artikel 16-bepaling kent — is dat zo, dan werkt de bestuurdersfictie onverkort door.
Het woonplaatsbegrip is niet veranderd. De duurzame-bandtoets blijft casuïstisch en dossiergedreven. Het is de dagenadministratie, de woningbeschikbaarheid, de gezinssituatie en de uiterlijk waarneembare intentie die de zaak winnen — niet een juridische theorie.
Dit arrest gaat maar zijdelings over woonplaats. Het gaat over de betrouwbaarheid van de fiscus als procespartij. De inspecteur onderzocht een heel jaar, nam driemaal expliciet stelling, wijzigde zijn standpunt en draaide vervolgens in hoger beroep alsnog volledig om. Het Hof liet dat passeren op een subjectieve toets die de Hoge Raad nu categorisch afwijst.
De boodschap is helder en tweeledig.
- Voor de Belastingdienst: wie onderzoekt en stelling neemt, is daaraan gehouden.
- Voor de adviespraktijk: het dossier van de inspecteur is uw dossier. Elke brief, elk voornemen, elk verslag van een hoorgesprek is potentieel een bindende standpuntbepaling — mits u hem objectiveert, tijdig aanvoert en gescheiden van uw andere gronden presenteert.
- En voor de internationaal werkende bestuurder of DGA: de duurzame band van persoonlijke aard blijft een open norm die zich niet laat wegplannen met een enkel BRP-uitschrijvingsformulier. Wat de zaak wint, is een dossier dat vóór het vertrek is opgebouwd.
Woonplaatsdiscussies zijn zelden een juridisch probleem en bijna altijd een bewijsprobleem. En vertrouwensberoepen worden verloren op formulering, niet op inhoud.
Bewijslast verdeling bij bepalen fiscale woonplaats
Fiscale woonplaats na emigratie: Hoge Raad begrenst bewijs-extrapolatie door de Belastingdienst
In dit artikel behandelen wij de uitspraak van de Hoge Raad 17 juli 2026 ECLI:NL:HR:2026:1287. In deze uitspraak kijkt ons hoogste rechtscollege kritisch naar een eerdere uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 5 juni 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:1872) en tikt dit Gerechtshof terecht over de spreekwoordelijke vingers (de Rechtbank maakte in 2022 (ECLI:NL:RBZWB:2022:5286 dezelfde fout).
Extrapoleren van gegevens bij bepalen fiscale woonplaats
- Het Gerechtshof ging niet in de fout doordat het pintransacties, familiebanden, vastgoedbezit en verblijfsdagen relevant achtte voor de fiscale woonplaats.
- De wezenlijke fout was dat het hof zijn oordeel over de periode tot en met 31 december 2017 mede baseerde op een door de inspecteur opgesteld Excel-overzicht dat slechts liep tot 1 juli 2016.
- De inspecteur had de pinbetalingen en andere gegevens van belanghebbende over de periode 1 januari 2011 tot 1 juli 2016 verwerkt in een verblijfskalender. Voor 2017 was geen vergelijkbare analyse opgesteld.
- De inspecteur verklaarde ter zitting zelfs dat hij voor dat jaar geen specifiek overzicht en geen relevante specifieke gegevens over het gebruik van gezondheidszorg had gevonden.
- Desondanks oordeelde het hof dat belanghebbende gedurende alle jaren 2011 tot en met 2017 de meeste tijd in Nederland verbleef.
Daarmee extrapoleerde het hof een feitenpatroon uit eerdere jaren naar een latere periode zonder een toereikende feitelijke brug te slaan. Hoe dan over de periode na 1 juli 2026 is bepaald dat de belastingplichtige in Nederland woonde is onduidelijk.
De Hoge Raad corrigeert dit expliciet: het was aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat belanghebbende ook vanaf 1 juli 2016 een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland behield. Belanghebbende hoefde niet te bewijzen dat die band was verbroken.
De fout van het hof betreft dus niet primair de waardering van één bewijsmiddel, maar de temporele reikwijdte van het bewijs. Bewijs over tijdvak A kan niet zonder nadere motivering beslissend worden geacht voor tijdvak B.
Fiscale woonplaats bepalen, formeel geëmigreerd, materieel sterke banden met Nederland
Jan had de Nederlandse nationaliteit en was in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. In 2000 sloten Jan en zijn echtgenote (we noemen haar Truus) een overeenkomst tot beëindiging van hun samenwoning. Daarin werd vastgelegd dat belanghebbende zich in Zwitserland zou vestigen en zijn echtgenote in Nederland zou blijven wonen.
Jan schreef zich uit Nederland uit en werd in Zwitserland ingeschreven. Hij beschikte daar over een woning en werd in Zwitserland als inwoner in de belastingheffing betrokken. In Nederland deed hij voor 2011 tot en met 2017 aangifte als buitenlands belastingplichtige.
Daar stonden echter omvangrijke Nederlandse aanknopingspunten tegenover:
- het huwelijk tussen Jan en Truus bleef in stand;
- Truus, kinderen en het kleinkind woonden in Nederland;
- Jan en Truus bezaten gezamenlijk meerdere Nederlandse onroerende zaken;
- Jan verbleef tijdens zijn aanwezigheid in Nederland bij Truus in de woning;
- Jan beschikte over Nederlandse bankrekeningen en verrichtte veel Nederlandse pinbetalingen;
- Jan gebruikte Nederlandse postadressen en Nederlandse gezondheidszorg;
- Uit de analyse van de inspecteur volgde voor de onderzochte jaren een aanzienlijk verblijf in Nederland.
Het hof achtte daarom zowel naar nationaal recht als voor verdragsdoeleinden sprake van inwonerschap van Nederland.
Nationaalrechtelijke woonplaats: duurzame band van persoonlijke aard
Op grond van artikel 4, lid 1, AWR wordt waar iemand woont naar de omstandigheden beoordeeld. Beslissend is of tussen de betrokken persoon en Nederland een duurzame band van persoonlijke aard bestaat. Voor deze nationale woonplaatstoets gelden twee belangrijke uitgangspunten.
- Ten eerste hoeft de band met Nederland niet sterker te zijn dan de band met een ander land. Het is naar nationaal recht dus mogelijk dat iemand zowel met Nederland als met een andere staat een voldoende duurzame persoonlijke band heeft. Een dubbele nationale woonplaats zal zich volgens de Hoge Raad slechts in uitzonderlijke gevallen voordoen.
- Ten tweede vereist artikel 4 AWR geen mechanische optelsom. Alle relevante omstandigheden moeten in onderlinge samenhang worden beoordeeld.
Relevante factoren voor het bepalen van de fiscale woonplaats zijn onder meer:
- de duurzame beschikbaarheid van woonruimte in Nederland;
- de verblijfspatronen;
- de woonplaats van partner en gezinsleden;
- sociale en familiale betrekkingen;
- zakelijke en economische belangen;
- bankrekeningen, verzekeringen en voertuigen;
- medische en administratieve aanknopingspunten;
- de feitelijke inrichting van het dagelijkse leven;
- de nationaliteit.
Met bovenstaande factoren stonden voor Jan de meeste spreekwoordelijke fiscale lichten op rood. Hoewel - fiscaal gezien - aan geen van deze omstandigheden exclusieve of doorslaggevende betekenis toe komt. De eigen woning, inschrijving in een buitenlandse gemeente en een buitenlandse fiscale woonplaatsverklaring zijn belangrijk, maar vormen niet zelfstandig het bewijs dat geen Nederlandse woonplaats meer bestaat.
De interne instructie van de Belastingdienst bevestigt bovendien dat de woonplaats in beginsel moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het desbetreffende jaar zelf. Omstandigheden uit andere jaren kunnen licht werpen op de duurzaamheid van de banden, maar kunnen het feitenonderzoek over het relevante jaar niet volledig vervangen.
Wat wel een fiscaal issue is, is dat de Nederlandse belastingdienst met name kijkt naar de gedragingen en feiten in Nederland. Strikt formeel kan dit maar materieel is dit niet juist, tenminste niet volledig.
Verdragswoonplaats is een afzonderlijke en vergelijkende toets
Nadat is vastgesteld dat iemand naar Nederlands recht inwoner is, moet afzonderlijk worden beoordeeld of het toepasselijke belastingverdrag Nederland ook als woonstaat aanwijst. Voor 2012 tot en met 2017 was in deze procedure artikel 4 van het belastingverdrag Nederland-Zwitserland 2010 van toepassing. Wanneer een natuurlijke persoon volgens het nationale recht van beide staten inwoner is, wordt de verdragswoonplaats volgens de zogenoemde tiebreaker achtereenvolgens vastgesteld aan de hand van:
- het duurzaam tehuis;
- het middelpunt van de persoonlijke en economische levensbelangen;
- het gewoonlijk verblijf;
- de nationaliteit;
- onderling overleg tussen de bevoegde autoriteiten.
Anders dan artikel 4 AWR bevat de verdragsrechtelijke toets dus wel een vergelijkend element. Bij het middelpunt van de levensbelangen moeten de persoonlijke en economische betrekkingen met beide staten tegenover elkaar worden geplaatst. Het bestaan van een duurzame band met Nederland is daarom niet zonder meer voldoende om Nederland ook als verdragswoonstaat aan te wijzen.
- Bij de nationale woonplaatstoets staat de vraag centraal of voldoende Nederlandse binding bestaat;
- bij de verdragsrechtelijke tiebreaker gaat het om de vraag met welke van beide staten de persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn. Bij 2 woningen (in beide landen) wordt het nog iets complexer (lees artikel)
Het hof verwees voor zijn verdragsrechtelijke oordeel in belangrijke mate naar zijn nationale woonplaatsoverwegingen. Dat is niet per definitie onjuist, omdat dezelfde feiten voor beide toetsen relevant kunnen zijn. De juridische kwalificatie en de weging verschillen echter.
Voor de periode vanaf medio 2016 kon ook het verdragsrechtelijke oordeel niet in stand blijven, omdat het mede steunde op dezelfde onvoldoende onderbouwde conclusie over het aantal Nederlandse verblijfsdagen.
Onderzoek fiscale woonplaats door de belastingdienst waarop letten?
Vraag altijd (tijdens de bezwaarfase) om een hoorgesprek en zeker om dossierinzage. Hierbij is het volgende van belang:
- de oorspronkelijke gegevensbestanden;
- de legenda en kleurcodering van het overzicht;
- de aannames over tussenliggende dagen;
- de kwalificatie van buitenlandse transacties als reisdag;
- de verwerking van cashbetalingen en transactieloze dagen;
- een uitsplitsing per kalenderjaar en zo nodig per gedeelte van een kalenderjaar.
- interne correspondentie bij de belastingdienst
- derdenonderzoeken en informatie hieruit
- vastleggingen van feiten
Maak na ontvangst van deze informatie een tijdlijn of laat een dergelijke tijdlijn door AI opstellen en AI een beoordeling maken. Het wil niet zeggen dat dit juist is maar AI kan u hierbij prima op weg helpen.
Bewijslast fiscale woonplaats : geen fictie van voortgezet inwonerschap
De Hoge Raad formuleert voor de verwijzingsprocedure uitdrukkelijk dat de stelplicht en bewijslast voor het Nederlandse inwonerschap vanaf 1 juli 2016 op de inspecteur rusten.
De inspecteur had betoogd dat belanghebbende feiten moest stellen waaruit bleek dat zijn duurzame band met Nederland na medio 2016 was verbroken. Dat standpunt wordt verworpen. Het is niet voldoende dat de inspecteur een sterke Nederlandse woonplaats voor eerdere jaren aannemelijk maakt en vervolgens van de belastingplichtige verlangt dat hij het einde daarvan bewijst.
Dat betekent niet dat in iedere woonplaatsprocedure de volledige bewijslast steeds bij de inspecteur ligt. De bewijslastverdeling is mede afhankelijk van:
- de aard van de aanslag;
- de door partijen ingenomen stellingen;
- de vraag wie zich beroept op een belastingvermeerderende of belastingverminderende omstandigheid;
- een eventuele informatiebeschikking;
- de vraag welke partij het beste toegang heeft tot de relevante gegevens;
- de fase en het jaar waarop het geschil betrekking heeft.
In de regel zal de inspecteur als eerste gemotiveerd moeten stellen en aannemelijk maken waarom iemand ondanks zijn gestelde emigratie in Nederland binnenlands belastingplichtig is. De belastingplichtige moet deze gemotiveerde stelling vervolgens voldoende gemotiveerd weerspreken. De eigen instructie van de Belastingdienst benadrukt eveneens dat een beslissing over de woonplaats niet mag worden genomen voordat de relevante feiten en omstandigheden zijn vergaard.
Betekenis voor geëmigreerde DGA’s en ondernemers
Voor DGA’s, vermogende particulieren en ondernemers die naar het buitenland verhuizen, is uitsluitend een formele emigratie onvoldoende. De fiscale woonplaats wordt niet bepaald door de uitschrijving uit de Basisregistratie Personen, een buitenlandse verblijfsvergunning of één buitenlandse belastingaanslag, maar door de feitelijke inrichting van het leven.
Bij ondernemers en DGA’s kunnen onder meer de volgende omstandigheden zwaar wegen:
- de plaats van waaruit de onderneming of vennootschap feitelijk wordt aangestuurd;
- de locatie waar strategische beslissingen worden genomen;
- de plaats waar de administratie wordt gevoerd;
- de aanwezigheid van kantoorruimte in Nederland;
- de plaats waar werknemers en adviseurs worden aangestuurd;
- de Nederlandse woning en de gebruiksmogelijkheden daarvan;
- de woonplaats van de partner;
- frequent en structureel verblijf in Nederland;
- Nederlandse managementvergoedingen, bankrekeningen en verzekeringen;
- gebruik van Nederlandse voertuigen, verenigingen, zorgverleners en postadressen.
Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de woonplaats van de natuurlijke persoon en de fiscale vestigingsplaatsvan zijn vennootschap (als die er nog is). Een DGA kan persoonlijk emigrerenterwijl de vennootschap in Nederland gevestigd blijft. Omgekeerd kan een gestelde buitenlandse verplaatsing van de vennootschap worden bestreden wanneer de werkelijke leiding feitelijk vanuit Nederland wordt uitgeoefend.
Daarnaast moet bij emigratie afzonderlijk worden onderzocht of een conserverende aanslag ontstaat voor bijvoorbeeld een aanmerkelijk belang, pensioen- of lijfrenteaanspraken. Een conserverende aanslag voor een aanmerkelijk belang heeft volgens de Belastingdienst geen reguliere eindtermijn; voor andere bestanddelen geldt veelal een termijn van tien jaar. De exacte voorwaarden voor uitstel van betaling, zekerheidstelling en invordering moeten per land en per vermogensbestanddeel worden beoordeeld. ([Belastingdienst][1])
Checklist fiscale emigratie
1. Beoordeel de woonplaats vóór de feitelijke verhuizing
- Stel vast welk belastingverdrag van toepassing is.
- Analyseer afzonderlijk de nationale woonplaats en de verdragswoonplaats.
- Bepaal welke banden met Nederland na emigratie blijven bestaan.
- Maak een risicoanalyse van de Nederlandse woning, partner, kinderen, onderneming en bestuursfuncties.
- Leg de beoogde emigratiedatum en de feitelijke veranderingen rond die datum vast.
2. Zorg voor een daadwerkelijk duurzaam tehuis in het buitenland
- Verkrijg een woning die duurzaam en niet slechts incidenteel beschikbaar is.
- Sluit lokale nutsvoorzieningen, internet en verzekeringen af.
- Richt de woning daadwerkelijk in als hoofdverblijf.
- Registreer u bij de buitenlandse gemeente en belastingautoriteiten.
- Vraag een buitenlands fiscaal identificatienummer en zo mogelijk jaarlijks een woonplaatsverklaring aan.
Een buitenlandse woonplaatsverklaring ondersteunt de onderworpenheid als inwoner in het buitenland, maar beslist niet automatisch waar het verdragsrechtelijke middelpunt van de levensbelangen ligt.
3. Herzie de beschikbaarheid van Nederlandse woonruimte
- Verkoop of verhuur de Nederlandse woning wanneer deze niet langer als hoofdverblijf moet functioneren.
- Leg bij verhuur vast dat de woning niet vrij ter beschikking staat.
- Vermijd een onbeperkte sleutel- en gebruiksmogelijkheid.
- Documenteer incidenteel verblijf in hotels, vakantiewoningen of bij familie.
- Controleer of de partnerwoning feitelijk permanent beschikbaar blijft.
Een woning hoeft niet in eigendom te zijn om een duurzaam tehuis te vormen. De feitelijke en juridische beschikkingsmacht is beslissend.
4. Breng het persoonlijke leven werkelijk over
- Verplaats het dagelijkse gezins- en sociale leven.
- Bouw lokale sociale relaties en activiteiten op.
- Regel lokale huisarts, tandarts en verzekeringen zonder onnodig medische inhoud vast te leggen.
- Sluit lokale telefoon-, internet- en bankcontracten.
- Registreer voertuigen in het woonland.
- Laat lidmaatschappen, abonnementen en correspondentie aansluiten bij de feitelijke situatie.
Wanneer de echtgenoot of partner in Nederland blijft wonen, verdient de feitelijke relatie bijzondere aandacht. Een formele samenlevingsovereenkomst of scheidingsovereenkomst heeft weinig betekenis wanneer de feitelijke gedragingen daarmee niet overeenstemmen.
5. Houd een controleerbare verblijfskalender bij, zeg een dagenteller!
Bewaar per kalenderjaar:
- vlucht-, trein- en ferryboekingen;
- tol-, parkeer- en brandstofgegevens;
- agenda’s en zakelijke afspraken;
- hotel- en restaurantnota’s;
- mobiele telefoon- en roaminggegevens;
- pin- en creditcardtransacties;
- toegangspassen en kantoorregistraties;
- paspoortstempels en verblijfsdocumenten;
- verklaringen over langere verblijfsperioden.
Een reconstructie die pas na aankondiging van een woonplaatsonderzoek wordt opgesteld, is doorgaans minder overtuigend dan een contemporane administratie.
6. Maak ieder jaar een afzonderlijk woonplaatsdossier
De belangrijkste les uit het arrest is dat bewijs per relevante periode moet worden opgebouwd. Maak daarom niet één algemeen “emigratiedossier”, maar een dossier per belastingjaar met:
- een jaaroverzicht van verblijfsdagen;
- wijzigingen in woningen en gezinssituatie;
- buitenlandse en Nederlandse aangiften;
- woonplaatsverklaringen;
- zakelijke activiteiten;
- bijzondere Nederlandse verblijven;
- bestuursbesluiten en managementactiviteiten;
- relevante bank-, verzekerings- en nutsgegevens.
Beschrijf expliciet wanneer zich gedurende een jaar een materiële wijziging voordoet. Een fiscale woonplaats kan ook gedurende een kalenderjaar veranderen.
7. Analyseer de DGA- en ondernemingsaspecten
Onderzoek vóór vertrek ten minste:
- de conserverende aanslag over het aanmerkelijk belang > waarde van de aandelen in de BV laten opstellen!;
- pensioen- en lijfrenteaanspraken;
- rekening-courantverhoudingen;
- voorgenomen dividenduitkeringen;
- de plaats van werkelijke leiding van vennootschappen;
- vaste-inrichtingsrisico’s;
- gebruikelijk loon en loonheffingen;
- sociale verzekeringspositie;
- schenk- en estateplanning;
- testamenten en huwelijksvermogensrecht.
8. Dien de juiste aangiften in
Over het jaar waarin iemand slechts een deel van het jaar in Nederland woont door emigratie, moet in beginsel een M-aangifte worden ingediend. Na emigratie kan voor Nederlandse inkomensbronnen nog buitenlandse belastingplicht bestaan.
Controleer ook of de emigratie leidt tot een conserverende aanslag en welke handelingen binnen de uitstelperiode tot invordering kunnen leiden.
9. Reageer gestructureerd op een woonplaatsonderzoek
- Vraag op welke jaren en tijdvakken het onderzoek betrekking heeft.
- Vraag welke concrete aanwijzingen aanleiding voor het onderzoek vormden.
- Verzoek om een uitsplitsing van de feiten per jaar.
- Controleer of de inspecteur eerdere jaren zonder nadere onderbouwing extrapoleert.
- Vraag om de onderliggende data van verblijfskalenders en Excel-overzichten.
- Bestrijd onjuiste aannames over tussenliggende dagen.
- Bewaak proportionaliteit, subsidiariteit en privacy.
- Laat medische inhoud buiten het dossier wanneer die niet relevant is.
- Controleer of een informatiebeschikking is genomen voordat omkering van de bewijslast wordt gesteld.
- Overweeg bij een verschil tussen twee staten naast bezwaar en beroep ook een onderlinge overlegprocedure.
De Belastingdienst erkent in zijn eigen instructie dat woonplaatsonderzoeken diep kunnen ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer en daarom extra proceswaarborgen, zorgvuldige verslaglegging en een proportionele gegevensuitvraag vereisen.
Noot fiscaal jurist inzake emigratie en fiscale woonplaats
Wekelijks zijn wij betrokken bij emigraties, zetelverplaatsingen en/of woonplaatsonderzoeken. In deze casus had de inspecteur zijn huiswerk goed gedaan, de insteek was hierbij de woonplaats van het gezin, de woning in Nederland en pintransacties. Pintransacties kunnen sterke aanwijzingen geven over de fysieke aanwezigheid van een belastingplichtige in een land. Een transactie op een bepaalde dag kan fysieke aanwezigheid aannemelijk maken, maar rechtvaardigt niet automatisch de conclusie dat belanghebbende ook alle voorafgaande of daaropvolgende dagen in Nederland verbleef. Iedere interpolatie moet berusten op kenbare en controleerbare uitgangspunten. In Nederland contant betalen kan dan soms ook minder onnodige vragen opleveren.
Overigens bevat de hofuitspraak in rechtsoverweging 4.26 een kennelijke verschrijving: daar staat dat het middelpunt van de levensbelangen in Zwitserland lag, terwijl het hof vervolgens concludeert dat belanghebbende verdragsinwoner van Nederland was. De Hoge Raad heeft deze overweging begrijpelijkerwijs gelezen als een verwijzing naar Nederland. De cassatie berust dus niet op deze verschrijving, maar op het ontbreken van een draagkrachtige feitelijke motivering voor de latere periode.
De Hoge Raad geeft met het arrest van 17 juli 2026 geen nieuwe definitie van het fiscale woonplaatsbegrip. De betekenis van het arrest ligt vooral in de bewijsrechtelijke disciplinering van woonplaatsprocedures.
Een sterk feitencomplex uit eerdere jaren ontslaat de inspecteur niet van de verplichting om de Nederlandse woonplaats ook voor latere jaren en latere gedeelten van een jaar aannemelijk te maken. Verblijfsgegevens mogen context bieden, maar mogen niet zonder nadere motivering worden geëxtrapoleerd naar een periode waarover gegevens ontbreken.
Voor belastingadviseurs is de boodschap tweeledig. Enerzijds moet kritisch worden getoetst of het dossier van de inspecteur daadwerkelijk ieder bestreden tijdvak dekt. Anderzijds moet een emigrerende belastingplichtige niet volstaan met formele documenten. Een fiscaal houdbare emigratie vereist een consistente feitelijke verplaatsing én een jaarlijks bijgehouden bewijsdossier waarin wonen, werken, gezin, vermogen en verblijf met elkaar in overeenstemming zijn.
Vragen? Neem gerust contact met ons op!
Schema fiscale woonplaats
Emigreren met vroegpensioen? Zorgverzekering komt soms te vervallen
Voor de snelle lezer: als u na 1 november 2026 gaat emigreren (voor uw pensioen) moet u wellicht in uw nieuwe woonland een ziektekostenverzekering regelen !
Als u gaat emigreren of in het buitenland woont kunt u in Nederland (soms) een zorgverzekering afsluiten. Het zal afhangen van de feitelijke situatie. Wie voor de AOW leeftijd stopt met werken en naar een ander EU Land verhuis rekende er tot nu toe op dat Nederland de zorgkosten in het nieuwe woonland blijft betalen. Dit wordt - voor mensen met een vroegpensioen of overbruggingsuitkering - anders vanaf 1 november 2026. Dit komt door de wijziging van een EU verordening (nummer 883/2004).
Nieuwe regeling ziektekosten bij wonen in het buitenland, in het kort
- Ontvangt u een AOW, ANW, WAO, WIA of Wajong uitkering dat verandert er niets (als u in het buitenland woont)
- Nieuwe emigranten (vroeg gepensioneerden) zonder wettelijk pensioen - die op of na de ingangsdatum in het buitenland gaan wonen- moeten zich in het buitenland (woonland) verzekeren.
- Bestaande CAK klanten behouden hun rechten (via overgangsrecht)
De huidige ziektekostenregeling bij wonen in het buitenland
Wie een Nederlands pensioen of uitkering ontvangt en in een verdragsland (EU/EER of Zwitserland) woont, valt in beginsel niet onder een gewone Nederlandse zorgverzekeraar, maar onder de verdragsregeling.
- U schrijft zich in bij het zorgstelsel van uw woonland;
- Nederland blijft financieel verantwoordelijk voor de kosten.
- Als tegenprestatie betaalt u een verdragsbijdrage aan het CAK.
De juridische basis ligt in artikel 24 (en 25) van Verordening (EG) nr. 883/2004: een pensioengerechtigde zonder eigen wettelijk zorgrecht in het woonland ontvangt verstrekkingen van het woonlandorgaan, voor rekening van de pensioenstaat. Het Hof van Justitie bevestigde dit systeem onder meer in HvJ 28 oktober 2021, C-636/19 (CAK). Cruciaal detail: onder de huidige tekst gaf niet alleen een wettelijk pensioen recht op de CAK-route, maar in de praktijk ook een niet-wettelijk (tweede-pijler) vroegpensioen. Via een verwijzing naar een arbeidsvoorwaarde voor gewezen werknemers tussen 55 en 65 jaar was feitelijk een keuzerecht ontstaan: wie zich bij het CAK meldde, kreeg zorg ten laste van Nederland.
Zorgverzekering en wonen in het buitenland
Of u bij het wonen in het buitenland een Nederlandse basiszorgverzekering kunt of moet afsluiten hangt vooral af van de vraag of u volgens de sociale zekerheidsregels nog verzekerd bent voor de Wet Langdurige Zorg (WLZ). De volgende situaties zijn te onderscheiden:
Wat verandert er ten aanzien van de zorgverzekering bij wonen in het buitenland?
De Europese instellingen hebben ingestemd met een ‘opschoning’ van Bijlage XI. Wat overblijft geeft nog recht op een CAK-zorgverzekering in het buitenland:
- AOW (ouderdomspensioen)
- Anw (nabestaandenuitkering SVB)
- WAO, WIA of Wajong (arbeidsongeschiktheid)
Het CAK communiceert een verwachte ingangsdatum van 1 november 2026. De nieuwe regels raken uitsluitend toekomstige gevallen. U krijgt met de wijziging te maken als u cumulatief:
- nog geen CAK-klant bent, én
- op of na de ingangsdatum emigreert of met (vroeg)pensioen gaat, én
- in de EU/EER of Zwitserland woont of gaat wonen, én
- uitsluitend een niet-wettelijk pensioen/uitkering heeft (dus nog geen AOW/Anw/WAO/WIA/Wajong).
Bestaande klanten CAK en zorgverzekering bij wonen in buitenland
Bestaande klanten: geen paniek. Wie op de ingangsdatum al een CAK-zorgverzekering op basis van een vroegpensioen heeft, behoudt die rechten via het overgangsrecht. De wijziging werkt niet met terugwerkende kracht.
Van buitenlandse dekking naar Nederlandse dekking voor ziektekosten
Wie met vroegpensioen naar bijvoorbeeld Spanje verhuist, valt eerst mogelijk onder Nederland, daarna (onder de nieuwe regels) niet meer, en zodra de AOW ingaat opnieuw wel – als verplicht verdragsgerechtigde. U gaat dus van Nederlandse dekking, naar zelf regelen in het woonland, en later terug naar verplichte CAK-dekking. Onhandig, en riskant op een leeftijd waarop een private verzekeraar u niet meer met open armen ontvangt. Er kan dus gedoe in uw huidige woonland ontstaan omdat u niet of lastig te verzekeren bent.
De documentatieverplichting inzake ATAD2 (hybridemismatches)
Internationaal opererende bedrijven (hoe groot of klein ook) die onderworpen zijn aan de Nederlandse vennootschapsbelasting zijn verplicht om jaarlijks in hun administratie gegevens op te nemen waaruit blijkt in hoeverre en op welke wijze de regels van de Anti-Tax Avoidance Directive 2 (ATAD2) van toepassing zijn. Er geldt geen drempel (zoals bijvoorbeeld bij transfer pricing regels en de ATAD2-regels kunnen van toepassing zijn op vergoedingen, (veronderstelde) betalingen, lasten en verliezen. De regels hebben dus een brede toepassing.
Als niet aan de documentatieverplichting wordt voldaan, geldt er een hogere bewijslast wanneer de inspecteur hierover vragen stelt. In dit artikel bespreken wij onder meer de achtergrond van deze documentatieverplichting, hoe hieraan in de praktijk invulling kan worden gegeven en in welke situaties ATAD2 bijzondere aandacht verdient.
Achtergrond van de Anti Tax Avoidance Directive
Nederland wil een einde maken aan structuren waarbij bedrijven belasting ontwijken door gebruik te maken van de verschillen in belastingstelsel van landen, de zogenaamde hybridemismatches. Per 1 januari 2019 is de implimentatie van ATAD1 in werking getreden. Deze richtlijn omvat de volgende maatregelen:
- earningstrippingregeling
- regeling voor exitheffingen
- algemene anti misbruik bepalingen
- de CFC regeling
In ATAD2 zijn maatregelen opgenomen die zouden moeten werken bij de bestrijding van hybridemismatches tussen EU lidstaten en tussen EU lidstaten en derde landen. Bovendien is ATAD2 (t.o.v.) ATAD1 uitgebreid zodat meer hybridemismatches worden bestreden. ATAD2 is in 2020 ingevoerd (deel ook in 2022).
De ATAD2-regels zijn ingevoerd per 1 januari 2020 als gevolg van Europees beleid tegen internationale belastingontwijking (Richtlijn EU 2017/952) en zijn gericht op het bestrijden van zogenoemde ‘hybride mismatches’.
Hybride mismatches bij de ATAD2
‘Hybride mismatches’ ontstaan in internationale situaties wanneer een betaling, (financiële) instrument of de belastbare aanwezigheid van een onderneming in een land internationaal fiscaal verschillend wordt beoordeeld. Dit kan resulteren in een belastingvoordeel, zoals een dubbele aftrek van kosten (double deduction, DD), een aftrek zonder heffing (deduction non-inclusion, D/NI) of dubbele niet-heffing. Dit belastingvoordeel wordt als ongewenst gezien en de ATAD2-regels zijn bedoeld om deze belastingvoordelen weg te nemen door bijvoorbeeld de aftrek te weigeren of een ontvangen betaling alsnog in de heffing te betrekken.
De regels zien niet enkel op bedrijven die bewuste intentie hebben om een belastingvoordeel te creëren en kunnen in specifieke situaties ook van toepassing zijn op betalingen aan derden. Hierdoor kennen de regels een zeer breed toepassingsbereik en dient elk internationaal opererend bedrijf hier rekening mee te houden en in de administratie hierover iets vast te leggen.
Documentatieverplichting bij de Anti Tax Avoidance Directive
De Nederlandse wet kent geen standaard format of een gedetailleerde documentatieplicht. Aan deze verplichting zal doorgaans worden voldaan wanneer uit de administratie het volgende blijkt:
- de feitelijke geldstromen, overeenkomsten en concernstructuur relevant voor ATAD2
- de juridische en fiscale kwalificatie van betrokken entiteiten
- de fiscale behandeling van betalingen en ontvangsten
- de juridische en fiscale kwalificatie van betalingen, eventuele financiële instrumenten en vaste inrichtingen
- indien relevant, of in een andere staat het belastingvoordeel al wordt weggenomen
In de praktijk wordt vaak een ATAD2-analyse of notitie opgesteld waarin het bovenstaande is opgenomen en wordt geconcludeerd in hoeverre de ATAD2-regels van toepassing zijn of niet. Wanneer de situatie niet wezenlijk verandert, kan deze notitie jaarlijks worden bijgewerkt en is de jaarlijkse tijdsbesteding te overzien.
Praktijksituaties en voorbeelden van de Anti Tax Avoidance Directive
Hieronder bespreken wij enkele situaties die wij in de praktijk tegenkomen waarin wij adviseren de mogelijke toepassing van de ATAD2-regels in meer detail te onderzoeken.
- Vaste inrichtingen (PE mismatch) – Bij activiteiten in het buitenland kan er sprake zijn van een ‘vaste inrichting’. Kort gezegd betreft dit een belastbare aanwezigheid in het andere land, zonder dat sprake is van een lokale entiteit. De Nederlandse vennootschap wordt zelf belastingplichtig in het buitenland of een buitenlandse vennootschap wordt zelf belastingplichtig in Nederland. Een gedeelte van de bezittingen en het resultaat moet dan aan het andere land worden toegerekend. Wanneer tussen de betrokken landen een verschil zit in deze toerekening, kan het zijn dat de ATAD2-regels van toepassing zijn.
- Het US Check-the-Box systeem - In Amerika geldt een fiscaal keuzeregime waarbij bepaalde binnenlandse en buitenlandse entiteiten kunnen worden aangemerkt als fiscaal transparant of zelfstandig belastingplichtig. Deze kwalificatie geldt niet automatisch voor andere landen. Wanneer zich binnen een structuur dergelijke vennootschap voordoen, kan dit leiden tot een hybride mismatch waarop de ATAD2-regels van toepassing zijn.
- Samenwerkingsverband (partnership) – De kwalificatie van een internationaal opererend samenwerkingsverband is altijd een fiscaal aandachtspunt, omdat landen een dergelijk samenwerkingsverband fiscaal verschillend kunnen kwalificeren. Ook dit kan een hybride mismatch tot gevolg hebben.
- Hybride financieringen – Eerder schreven wij al over de fiscale kwalificatie van een financiering (De fiscale kwalificatie van een financiering - Jongbloed Fiscaal Juristen). Tussen landen kan een verschil ontstaan in de kwalificatie van een financiering, waardoor het ene land het inkomen ziet als (vrijgesteld) dividend en het andere land als (aftrekbare) rente. De ATAD2-regels vereisen in dat geval mogelijk een correctie om een eventueel belastingvoordeel weg te nemen.
Op basis van onze ervaring verdienen de volgende entiteiten in de praktijk extra aandacht in het kader van ATAD2: US LLC, US Limited Partnership (bijvoorbeeld een Delaware LP), UK LLP, Luxemburgse SCSp en (investerings)fondsen. Dit sluit echter niet uit dat andere entiteiten, waaronder de Nederlandse BV, ook tot een hybride mismatch kunnen leiden.
Daarnaast verdienen de volgende financiële instrumenten extra aandacht: converteerbare leningen (convertible loans), winstafhankelijke leningen (PPL’s), perpetual notes en vergelijkbare instrumenten.
Schema ATAD 2 regeling
Voldoet u aan de ATAD2 documentatieverplichtin
Met de invoering van ATAD2 zijn er maatregelen bekend geworden om ongewenste fiscale gevolgen van hyride mismatches stevig aan te pakken. De belangrijkste maatregel is de documentatieverplichting voor iedere Nederlandse vennootschap die deel uit maakt van een internationale structuur. Belastingplichtigen moeten gegevens in de adminstratie opnemen waaruit klip en klaar blijkt of de hybride mismatch maatregel al dan niet van toepassing is. Voor het indienen van een juiste en volledige aangifte vennootschapsbelasting moet dit dus worden beoordeeld. De gegevens moeten ook bij dit dossier worden bewaard. De volgende informatie moet (tenminste) goed gedocumenteerd beschikbaar zijn:
- beoordeling van de gebruikte financiële instrumenten
- beoordeling van mogelijke hybride lichamen binnen de structuur
- beoordeling fiscale merites bij een vaste inrichting in het buitenland
- wereldwijd concernschema
- buitenlandse aangiften en aanslagen (m.b.t. gevolgen financiele instrumenten)
- eventuele adviezen en/of opiniestukken van deskundigen (fiscalisten)
Als de belastingdienst deze stukken opgevraagd krijgt u hiervoor een redelijke termijn (meestal 6 weken). Een termijn verlening (bij complexe zaken) is vaak geen probleem. Als u niet (of niet volledig) voldoet aan de documentatieverplichting en de inspecteur heeft het vermoeden dat de hybride mismatch van toepassing is kunt u te maken krijgen met een verzwaring van uw bewijslast (in het ergste geval omkering van de bewijslast).
Noot fiscaal jurist inzake ATAD2
De ATAD2 regels zijn zeer complex en kennen een groot toepassingsbereik. Te snel concluderen dat deze regels niet van toepassing zijn, omdat er bijvoorbeeld geen bedoeling is om een fiscaal voordeel te behalen, zonder dit goed te documenteren kan nadelige gevolgen hebben.
De ATAD2-documentatieverplichting is niet het meest leuke onderdeel van de fiscale wetgeving, en dan drukken wij ons nog voorzichtig uit. Het is echter wel van belang om aan deze documentatieverplichting te voldoen. Allereerst om potentiële ATAD2-mismatches tijdig te identificeren en correcties te voorkomen, en om te voorkomen dat een hogere bewijslast gaat gelden bij vragen van de Belastingdienst.
Het heeft daarom de voorkeur om de ATAD2-documentatie zo in te richten en vorm te geven dat deze bij ongewijzigde omstandigheden jaarlijks met beperkte tijdsbesteding kan worden aangevuld zodat op efficiënte wijze aan deze wettelijke verplichting wordt voldaan. Uiteraard assisteren wij hier graag bij.
Bron en vindplaatsen Anti Tax Avoidance Rules
Richtlijn EI 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016
Richtlijn EU 2017/952 van de Raad d.d. 29 mei 2017
Wet implimenatie eerste EU richtlijn antibelastingontwijking ATAD1
Woonplaatsonderzoek belastingdienst
De belastingdienst voert sinds 2025 aantoonbaar veel meer woonplaatsonderzoeken uit. Wij krijgen wekelijks aanvragen omtrent de begeleiding van dergelijke onderzoeken en het beantwoorden van de gestelde vragen. Uit de instructie woonplaatsonderzoeken volgt het opvoeren van de intensiteit en de wijze waarop dergelijke onderzoeken plaatsvinden blg-1190580.pdf
Begeleiding woonplaatsonderzoek belastingdienst
Als u in het buitenland woont en nog binding heeft met Nederland (tijdelijk wonen of werken) is de kans vrij groot dat de belastingdienst een zogenaamd woonplaatsonderzoek start. Binnen een dergelijk onderzoek wordt bepaald in welk land u fiscaal inwoner bent. De belastingdienst hecht veel waarde aan het vaststellen van iemands fiscale woonplaats en doet hierbij een grondig onderzoek, zeker bij vermogende personen of ondernemingen. In sommige gevallen zal de belastingdienst ook zwaarder geschut inzetten (strafrechtelijk onderzoek of strafrechtelijke stappen). In dit artikel beschrijven we een dergelijk onderzoek en kijken naar mogelijke risico’s.
Wie is fiscaal inwoner van Nederland bij een woonplaatsonderzoek?
Er is geen vaste wettelijke definitie van het fiscale inwonerschap. Of u in Nederland woont wordt na omstandigheden beoordeeld, aldus artikel 4 AWR. De jurisprudentie (uitspraken van rechters) geven meer duidelijkheid. Rechters spreken over de “duurzame band van persoonlijke aard”. Hierbij wordt gekeken naar de intensiteit van de band met Nederland. Dit is niet per definitie de verbleven dagen, intensiteit of uw fysieke aanwezigheid. Er wordt met name gekeken naar
- Vestigingsplaats onderneming / directievoering BV
- Woning of verblijf in Nederland
- Verblijfplaats van uw partner, kinderen of familie
- Sociale aangelegenheden in Nederland
- Formele indicaties (huisarts, inschrijving registers, etc.)
- Middelpunt levensbelangen
Geen enkel aspect wordt echt gewogen er wordt meer gekeken naar de combinatie. De relevante factoren worden omschreven en er wordt dan gekeken of dit voldoende is voor een fiscale woonplaats in Nederland. Soms merken wij hierbij een tunnelvisie waarbij personen ineens in Nederland “fiscaal” wonen. De doorslag zou moeten liggen bij het land waar het centrum van uw levensbelangen het grootst zijn. Het probleem is dat de belastingdienst in Nederland met name kijkt naar uw situatie in Nederland en niet (of minder) naar uw situatie in het buitenland.
Waarom is het belangrijk om uw fiscale woonplaats te kennen?
Soms denkt u dat u in het buitenland woont, aldaar wordt dan ook belasting betaald. Als de Belastingdienst van mening is dat u in Nederland woont zou u ook ineens in Nederland belasting moeten betalen (binnenlands belastingplichtig voor alle 3 de boxen). Een helder beeld van uw fiscale woonplaats voorkomt dus dubbele belasting (en premies) en ook fiscale en financiële verrassingen. Dit kan ook invloed hebben op dividend uitkeringen, heffing over uw buitenlandse salaris, uw buitenlandse vermogen, schenkbelasting en erfbelasting. Daarnaast kan een onjuiste inschatting leiden tot naheffingen, belastingrente en boetes.
Een woonplaatsonderzoek door de belastingdienst
Als de belastingdienst twijfelt aan uw opgegeven woonplaats kunnen zij een woonplaatsonderzoek starten. Dit onderzoek wordt veelal gestart zonder dat u het weet. De belastingdienst kan ook een vragenbrief sturen waarin u wordt verzocht om informatie te verstrekken over uw feitelijke situatie. Dit lijkt vaak erg onschuldig maar kan grote consequenties hebben.
Een woonplaatsonderzoek begint steeds vaker met een vragenbrief, soms gecombineerd met een derdenonderzoek. De belastingdienst vraagt u om veel persoonlijke informatie via een brief en in navolging wordt het onderzoek dan vaak intensiever (zoals onderzoek naar uw vluchtgegevens, prive bankrekeningen, bezoek aan sportclub of huisarts, pintransacties, energieverbruik, telefoonverkeer, etc.) Hierbij wegen de feitelijke omstandigheden dus erg zwaar en wordt er kritisch gekeken naar uw verblijfplaats in Nederland, uw gezinssituatie, uw werk, en formele aspecten.
Aanleiding voor een woonplaatsonderzoek door de belastingdienst
De aanleiding voor een woonplaatsonderzoek kan erg divers zijn. Het kan zijn dat er signalen uit het buitenland komen, signalen van banken of overige informatieverstrekkers, uw aangifte inkomstenbelasting vragen oproept of dat er informatie op sociale media wordt geraadpleegd. Ook kan de uitschrijving uit de basisadministratie een belletje doen rinkelen.
Informatie vanuit de belastingdienst over een woonplaatsonderzoek
De belastingdienst publiceert zelf informatie over woonplaatsonderzoeken en ook via zogenaamde Woo verzoeken is interne informatie van de belastingdienst bekend geworden. Op de site van de belastingdienst staat informatie over de fiscale woon- of vestigingsplaats. Daarnaast zijn er via Woo verzoeken documenten bekend geworden. De belangrijkste informatie treft u hier aan:
- Interne instructie woonplaatsonderzoek Belastingdienst (23 pagina's)
- Documenten inzake internationale woonplaatsonderzoek (zip bestand)
- Wat is gewoonlijk verblijf bij woonplaatsonderzoek (84 pagina''s)
- Dubbele woonplaats van vermogende Nederlanders
- Besluit inzake internationale woonplaatsonderzoeken (4 pagina's)
- Evaluatie woonplaatsonderzoeken (kamerbrief 7 april 2025 (5 pagina's)
- Documenten bij besluit belastingconstructies en woonplaats DGA
- Evaluatie vaststelling van een fiscale woonplaats (9 pagina's)
- Besluit belastingplicht bij kort verblijf in Nederland (7 pagina's)
- Evaluatie handhaving en uitvoeringspraktijk omtrent vaststelling fiscale woonplaats (5 pagina's)
- Fiscale behandeling woonplaatsonderzoek topsporters in Monaco (4 pagina's)
- Begrip duurzame woongelegenheid en woonplaatsonderzoek (8 pagina's)
- Data onderzoek bij woonplaatsonderzoek door de belastingdienst (5 pagina's)
- Kamervragen over emigratie vermogende particulieren en miljonairs naar belastingparadijzen
- Evaluatie inzake vaststelling fiscale woonplaats
- Woonplaatsonderzoeken bij emigratie van piloten en verkeersvliegers
- Besluit Woo onderzoek naar geemigreerde piloten (zip bestand)
- Onderzoek informatie beschikking bij MKB ondernemingen en fiscale woonplaats (150 pagina's)
Hulp bij een woonplaatsonderzoek door de Belastingdienst
Alles wat u zegt moet waar zijn maar u hoeft niet alles te zeggen. Vragen moeten fiscaal relevant zijn en niet relevante informatie hoeft u dus niet te delen. Hulp bij het invullen van het vragenformulier is hierbij – in vrijwel alle situaties – wenselijk en eigenlijk ook noodzakelijk. Verzamel ook alle informatie die uw fiscale inwonerschap in het buitenland kunnen onderstrepen en verstrek deze informatie ook (wordt vaak niet om gevraagd). Wij helpen u bij het volgende:
- Communicatie met de belastingdienst
- Verstrekken van relevante stukken (en niet meer dan dat)
- Fiscale begeleiding bij extra vragen en / of onderzoeken
- Juridische bijstand bij een woonplaatsonderzoek
- Oplossen van dubbel woonplaatsen, discussie over interpretatie belastingverdrag, aangiften in Nederland of overleg situaties tussen 2 of meer landen.
Belastingontwikkelingen in Europa
In dit artikel een weergave van de belangrijkste ontwikkelingen binnen de fiscale stelsels binnen Europa. Wat zijn trends en ontwikkelingen binnen het fiscale spectrum binnen de EU. De informatie komt uit het Annual Report on Taxation 2026 (130 pagina's) van de Europese Commissie . Wat betekent het voor ondernemers, beleggers en particulieren?
De groei in de EU is lager dan verwacht en de inflatie blijft gedoe veroorzaken. Door spanningen in de wereld draait de economische motor minder snel. De belastingdruk neemt in de meeste landen toe (in 80% van de landen steeg de belastingdruk). Landen grijpen bij voorkeur naar loon- en inkomstenbelasting en sociale premies om extra middelen op te halen, omdat dit politiek minder gevoelig ligt dan bijvoorbeeld btw-verhogingen.
Wat zijn de belangrijkste fiscale ontwikkelingen in de EU?
- De gemiddelde belastingdruk in de EU steeg in 2024 naar 39,4% van het bbp en loopt volgens de Europese Commissie op naar 40,1% in 2026.
- De laagste belastingdruk is er in Ierland (21,7%), de hoogste in Denemarken (45,2%).
- Het vennootschapsbelastingtarief (Vpb) loopt uiteen van 9% in Hongarije tot 35% in Malta (met een uitzonderlijk terugbetalingsstelsel).
- Cyprus verhoogde zijn Vpb-tarief per 1 januari 2026 van 12,5% naar 15%.
- Bijna 400 belastinghervormingen zijn in 2025/2026 door de lidstaten
doorgevoerd, vooral in de inkomstenbelasting en btw.
Vennootschapsbelasting in Europa, wat zijn de fiscaal gunstigste landen?
Steeds meer landen worden afhankelijk van de winstbelasting bij bedrijven. Bedrijven verplaatsen zich naar fiscaal gunstige landen, dit komt door de verdere digitalisering en de openheid van onze economie. Ierland, Malta, Cyrpus en Luxemburg zijn de echte koplopers. Het rapport waarschuwt expliciet voor de kwetsbaarheid die dit met zich meebrengt: het vertrek of herstructureren van één grote multinational kan voor deze landen een fors budgettair gat slaan. Nederland is mondiaal qua wetgeving minder sterk en ook in ons land zal de invloed de komende jaren duidelijk merkbaar zijn, veel groter bedrijven zijn al vertrokken de laatste jaren.
Welke wijzigingen brengen europese landen aan in hun belasting wetgeving?
- Inkomstenbelasting (IB): twaalf lidstaten verlagen tarieven, gericht op lage en middeninkomens (onder meer Griekenland, Italië, Portugal, Zweden). Een minderheid – waaronder Slowakije, Frankrijk, Nederland en Roemenië – verhoogt juist tarieven of grondslagen om extra inkomsten te genereren.
- Omzetbelasting: twintig lidstaten voerden 51 wijzigingen door, met tariefverlagingen die ruim twee keer zo vaak voorkomen als verhogingen – vooral op voeding, horeca, cultuur, energie en huisvesting. Roemenië is de grote uitzondering met een forse verhoging van het standaardtarief.
- Vennootschapsbelasting: een gemengd beeld. Cyprus, Litouwen en Polen (voor banken) verhogen tarieven, mede door de mondiale minimumbelasting; Duitsland en Portugal verlagen juist geleidelijk. Tegelijk breiden veel landen R&D-aftrekken en investeringsfaciliteiten uit.
- Milieu- en gezondheidsbelastingen: vooral tariefsverhogingen op tabak, alcohol en suiker, terwijl elektrisch vervoer in meerdere landen fiscaal wordt gestimuleerd.
Belastingtarieven per EU-land (stand januari 2026)
Onderstaand overzicht toont het standaardtarief vennootschapsbelasting (Vpb), het hoogste tarief inkomstenbelasting (IB-toptarief), het standaard btw-tarief en de totale belastingdruk (belasting- en premie-inkomsten als % van het bbp) per lidstaat.
Noten bij onderstaande opstelling
- Cyprus: Per 1 januari 2026 verhoogd van 12,5% naar 15%
- Estland en Letland belasten alleen uitgekeerde winst; ingehouden/herinvesteerde winst blijft onbelast (effectief 0%).
- Voor grote ondernemingen (omzet vanaf ca. €1,5 miljard) geldt tijdelijk een extra heffing die het effectieve tarief tot 36,1% kan optrekken.
- Malta kent een nominaal hoog tarief, maar het terugbetalingsstelsel (refund system) verlaagt de effectieve druk voor veel aandeelhouders sterk.
- Voor commerciële banken is het tarief in 2026 verhoogd naar 30%. ·
- Het nationale Vpb-basistarief daalt geleidelijk met 1 procentpunt per jaar naar 17% in 2028; het weergegeven cijfer omvat lokale en staatstoeslagen.
Relevante fiscale ontwikkelingen in het fiscale landschap in europa
- België: Meeste hervormingen van de EU (43 maatregelen): grondslagverbreding IB (afbouw kortingen op pensioenen, huwelijksquotiënt, WW-uitkeringen), btw omhoog op hotels, sport, afhaalmaaltijden en pesticiden, lagere sociale lasten via werkbonus.
- Bulgarije: Nieuwe R&D-superaftrek, versnelde afschrijving voor elektrische auto's, hogere tabaksaccijns; behoudt vlaktaks van 10%.
- Cyprus: Ingrijpende hervorming per 2026: Vpb naar 15%, dividendbelasting (SDC) van 17% naar 5%, nieuwe aangifteplicht ter verhoging van compliance; koploper in btw-wijzigingen (8 maatregelen).
- Denemarken: Nieuwe hoogste IB-schijf boven ca. €375.000 (toptarief van 55,6% naar 60,5%); groeiende Vpb-afhankelijkheid van de farmaceutische sector; lagere onroerendezaakbelasting op natuurgrond.
- Duitsland: Geleidelijke verlaging van het federale Vpb-deel van 15% naar 10% tussen 2028-2032; belastingvrije toeslag op premie-inkomen; restaurantmaaltijden naar verlaagd btw-tarief (7%).
- Estland: Uniek Vpb-stelsel (0% op herinvesteerde winst) blijft ongewijzigd; motorrijtuigenbelasting verlaagd voor gezinnen; op één na minst actieve hervormer van de EU.
- Finland: IB-toptarief fors verlaagd (van 51,5% naar 45%); nieuwe belastingkorting voor grote klimaatneutrale investeringen; hogere alcohol- en suikeraccijns.
- Frankrijk: Algemene sociale bijdrage +1,5%; verlaagd btw-tarief op energie afgeschaft; vliegtaks verhoogd; tijdelijke Vpb-opslag voor grote ondernemingen verlengd tot en met 2026.
- Griekenland: Herstructurering IB-schijven met gerichte verlaging voor gezinnen, jongeren onder 30 en medisch personeel; hogere premies voor zelfstandigen en agrariërs; hogere toeristenbelasting.
- Hongarije: Behoudt het laagste Vpb-tarief van de EU (9%) én het hoogste btw-tarief (27%); uitgebreide vrijstellingen voor moeders met twee kinderen en moeders onder de 30.
- Ierland: Vpb-afhankelijkheid loopt verder op (23,2% van de belastinginkomsten); R&D-krediet van 30% naar 35%; koolstofbelasting naar €71/ton CO₂; eenmalige meevaller van €14 miljard uit de Apple-staatssteunzaak.
- Italië: Tweede IB-schijf van 35% naar 33%; suikertaks opgeschort tot 2027; hogere tabaksaccijns; EU-koploper in gebruik van fiscaal dienstverleners (25% van de belastingplichtigen).
- Kroatië: Vooral maatregelen in de milieubelastingen; relatief beperkt aantal hervormingen.
- Letland: Een van de sterkste stijgers in belastingdruk; hogere btw op boeken in niet-EU/OESO-talen; hogere accijns op alcohol en frisdrank; kent het Estse 0%-model voor herinvesteerde winst sinds 2018.
- Litouwen: Vpb-standaard- en verlaagd tarief beide +1 procentpunt; unificatie van progressieve IB-tarieven; nieuwe accijns op gezoete dranken; op één na actiefste hervormer van de EU (30 maatregelen).
- Luxemburg: Vpb verlaagd naar 23,9%, maar het aandeel Vpb in de belastingmix steeg sterk dankzij een enorme instroom buitenlandse investeringen; hogere CO₂-heffing op energie; laagste btw-tarief van de EU (17%).
- Malta: Grootste stijging van de belastingdruk in 2024; nieuwe IB-schijven voor gezinnen met kinderen; hogere toeristenbelasting; nominaal hoogste Vpb-tarief, effectief vaak veel lager door het terugbetalingsstelsel.
- Nederland: Eerste en tweede IB-schijf +0,05%, beperktere inflatiecorrectie van de schijven; voorstel tot aanpassing van het Box 3-forfait; kortverblijfaccommodatie van 9% naar 21% btw; koploper in milieubelastinghervormingen, vliegtaks omhoog per januari 2027.
- Oostenrijk: Belastingvrije werknemersbonus ingevoerd; nul-btw op zonnepanelen afgeschaft; IB-toptarief van 55% verlengd tot 2030 in plaats van terug te vallen naar 50%.
- Polen: Vpb voor commerciële banken van 19% naar 30%; belastingdruk stijgt gestaag richting bijna 38% van het bbp in 2027.
- Portugal: Marginale IB-tarieven in de 2e t/m 5e schijf met 0,3% verlaagd; btw-verlagingen voor de cultuursector; basis-Vpb daalt geleidelijk.
- Roemenië: Ingrijpende btw-hervorming: standaardtarief fors verhoogd en verlaagde tarieven van 5%/9% samengevoegd tot 11%; dividendbelasting van 10% naar 16%; hogere onroerendezaakbelasting op woningen.
- Slovenië: Een van de sterkste stijgers in belastingdruk; aanpassingen in de spaartaks binnen de inkomstenbelasting.
- Slowakije: Verhoging van de progressiviteit in de IB met twee nieuwe schijven (30% en 35%); Vpb van 21% naar 24%; zorgpremie +1 procentpunt; laagste ervaren aangiftegemak van de EU.
- Spanje: Sterkste stijging van de belastingdruk sinds de coronapandemie (+2,9 procentpunt); nieuwe solidariteitsbijdragen boven de maximale premiegrondslag; hervormingen vooral gericht op sociale premies.
- Tsjechië: R&D-aftrek uitgebreid naar 150% (tot CZK 50 miljoen); relatief laag ervaren aangiftegemak onder burgers.
- Zweden: Verlaging van de arbeidsbelasting om consumptie en werkgelegenheid te stimuleren; tijdelijk lagere werkgeverspremies voor jongeren; hoogste ervaren aangiftegemak van de EU (87%).
De fiscaal aantrekkelijkste EU-landen
Wie puur naar de tarieven kijkt, komt al snel bij een vaste groep landen die al jaren de fiscale ranglijsten aanvoert – al is "aantrekkelijk" lang niet altijd hetzelfde als "laag tarief":
- Hongarije heeft met 9% het laagste Vpb-tarief van de EU, al maakt het hoogste btw-tarief (27%) het land minder aantrekkelijk voor consumptiegedreven bedrijven.
- Bulgarije combineert een vlaktaks van 10% voor zowel vennootschapsbelasting als inkomstenbelasting met een relatief lage administratieve last.
- Ierland blijft met 12,5% Vpb en de laagste totale belastingdruk van de EU (21,7% van het bbp) het schoolvoorbeeld van een op buitenlandse investeringen gericht belastingklimaat – al maakt juist die afhankelijkheid het land kwetsbaar, zoals het rapport zelf benadrukt.
- Cyprus blijft ondanks de verhoging naar 15% concurrerend dankzij de IP-box (effectief circa 2,5% op kwalificerende IP-inkomsten) en het aantrekkelijke non-dom-regime voor particulieren.
- Luxemburg voert al jaren het laagste btw-tarief van de EU (17%) en blijft, mede dankzij een enorme instroom van buitenlandse investeringen, een vaste waarde voor internationale holdingstructuren.
- Malta heeft nominaal het hoogste Vpb-tarief van de EU (35%), maar het bijzondere terugbetalingsstelsel kan de effectieve belastingdruk voor (buitenlandse) aandeelhouders terugbrengen tot een fractie daarvan.
- Estland en Letland kennen als enige EU-landen een stelsel waarbij herinvesteerde winst helemaal niet wordt belast – pas bij winstuitkering is Vpb verschuldigd. Voor groeiende, herinvesterende ondernemingen is dat uniek in Europa.
De fiscaal minst gunstige EU-landen
Aan de andere kant van het spectrum staan landen met een hoge belastingdruk én hoge toptarieven:
- Denemarken combineert de hoogste totale belastingdruk van de EU (45,2% van het bbp) met het hoogste toptarief inkomstenbelasting (60,5% sinds de nieuwe topschijf van 2026).
- Frankrijk koerst af op een belastingdruk van 44,3% van het bbp in 2026, heeft een IB-toptarief van 55,4% en legt grote ondernemingen tijdelijk een extra Vpb-opslag op die het effectieve tarief tot 36,1% kan opstuwen.
- Oostenrijk houdt zijn IB-toptarief van 55% aan tot 2030 (in plaats van terug te vallen naar 50%) en kent een belastingdruk die oploopt naar 44,1% van het bbp. Qua schenk en erfbelasting wel weer gunstig.
- België voert dan wel geen recordtarieven, maar is met 43 hervormingen in één jaar veruit het meest actieve (en daarmee minst voorspelbare) fiscale landschap van de EU, gecombineerd met een belastingdruk van bijna 43% van het bbp.
- Duitsland kent met 30,1% het hoogste Vpb-tarief van de grote EU-economieën, al is vanaf 2028 een geleidelijke verlaging voorzien.
- Finland en Zweden combineren hoge btw-tarieven (25,5% respectievelijk 25%) met hoge IB-toptarieven (45% en 52,3%).
Belangrijk om te beseffen: een hoog tarief zegt niet alles. Landen met een hoge belastingdruk bieden doorgaans ook uitgebreidere publieke voorzieningen, en effectieve tarieven na aftrekken, vrijstellingen en verdragen kunnen sterk afwijken van de nominale tarieven in bovenstaande tabellen. Voor een concrete situatie is altijd maatwerk nodig. Soms is de heffing over pensioen of erfenissen laag en dus juist gunstig voor bepaalde groepen mensen. Vraag hiertoe gerust onze fiscaal juristen.
Wat is het gemiddelde vennootschapsbelastingtarief in de EU in 2026?
Gemiddeld genomen ligt het statutaire Vpb-tarief in de onderzochte Europese landen rond de 21,6%, met een grote spreiding: van 9% in Hongarije tot 35% in Malta.
Welk EU-land heeft de laagste vennootschapsbelasting?
Hongarije, met een vlak tarief van 9%. Bulgarije (10%) en Ierland (12,5%) volgen op de tweede en derde plaats.
Welk EU-land heeft de hoogste belastingdruk?
Denemarken, met een belastingdruk van 45,2% van het bbp in 2024, gevolgd door Frankrijk en Oostenrijk.
Is Nederland fiscaal aantrekkelijk binnen de EU?
Nederland zit met een Vpb-tarief van 25,8%, een btw van 21% en een belastingdruk van rond de 39% van het bbp in de Europese middenmoot: niet het goedkoopste land, maar ook niet het duurste. De aantrekkingskracht zit vaak elders, bijvoorbeeld in het verdragennetwerk, infrastructuur en specifieke regelingen.
Europese Commissie onderzoekt ruimere renteaftrek
Kort en goed: rente binnen bedrijven is aftrekbaar, edoch met beperkingen. Wordt er meer dan 1 miljoen rente betaald (of 24,5% van de fiscale EBITDA) dan komt de renteaftrek te vervallen. In Europa ligt de grens een stuk hoger maar Nederland was wederom de keurige (budgettaire) jongen van Europa. Volgens de heren en dames in Brussel moet de grens verplicht omhoog - voor alle lidstaten - tot € 3 miljoen.
Earningstripping maatregel en europese commissie
De Europese Commissie werkt aan een vereenvoudigingspakket voor onder andere de vennootschapsbelasting. Onderdeel daarvan is een mogelijke aanpassing van de Europese renteaftrekregels. Uit conceptvoorstellen blijkt dat Brussel onderzoekt of ondernemingen binnen de Europese Unie meer ruimte moeten krijgen om rentelasten fiscaal af te trekken.
Voor Nederland kan dit grote gevolgen hebben. De Nederlandse earningsstrippingmaatregel behoort namelijk tot de strengste implementaties van de Europese renteaftrekbeperking. Wanneer Brussel kiest voor verdere harmonisatie, kan de Nederlandse wetgever mogelijk minder ruimte krijgen om strengere nationale beperkingen te hanteren.
Hoe werkt de huidige renteaftrekbeperking in de vennootschapsbelasting?
Sinds de invoering van de Europese Anti Tax Avoidance Directive (ATAD) geldt binnen de Europese Unie een generieke beperking van renteaftrek. Het generieke karakter kenmerkt zich doordat de regeling alle leningen raakt. Het maakt niet uit of geld wordt geleend van een gelieerde maatschappij (bijv. een moedermaatschappij) of van een externe bank. Daarnaast kijkt de maatregel puur naar het saldo van de totale verschuldigde rente minus de totale ontvangen rente. Overstijgt de som van de rentelasten een bepaalde drempel, dan komt het meerdere niet in aftrek op de fiscale winst. De Europese Unie heeft in haar richtlijn het volgende opgenomen ten aanzien van de renteaftrekbeperking bij vennootschapsbelastingplichtige onderneming:
Het maximumbedrag dat aan netto rentelasten in aftrek mag worden gebracht is het hoogste van de volgende twee bedragen:
- renteaftrek tot maximaal 30% van de fiscale EBITDA; of
- ten minste € 3 miljoen;
Aangezien het een richtlijn is die in de nationale wetgeving dient te worden geïmplementeerd en het een minimumnorm is staat het lidstaten vrij om de regeling strenger te implementeren. Nederland heeft van die mogelijkheid gebruikgemaakt. Onder de Nederlandse earningsstrippingmaatregel is rente slechts aftrekbaar tot 24,5% van de fiscale EBITDA, waarbij een drempel geldt van € 1 miljoen.
Daardoor worden ondernemingen sneller dan is voorgeschreven geconfronteerd met niet-aftrekbare rentelasten dan in veel andere Europese lidstaten.
Wat wil Brussel veranderen bij de renteaftrek beperking ?
Volgens het voorstel voor direct tax omnibus (24 juni 2026) onderzoekt de Europese Commissie meerdere aanpassingen. De belangrijkste voorstellen zijn:
- vrijheid voor strengere implementatie (zoals Nederland heeft gedaan) wordt ingetrokken
- de Europese norm voor alle lidstaten wordt 30% (vanaf 2029) van de fiscale EBITDA en een vaste drempel van € 3 miljoen (vanaf 2032);
- meer ruimte voor renteaftrek op externe financieringen, zoals reguliere bankleningen;
- beperking van de mogelijkheid voor lidstaten om aanvullende nationale beperkingen op te leggen.
Daarnaast maakt de mogelijke aanpassing voor de renteaftrek onderdeel uit van een breder pakket aan maatregelen waarmee de Europese Commissie investeringen en innovatie wil stimuleren. Ook wordt gekeken naar ruimere fiscale faciliteiten voor onderzoek en ontwikkeling (R&D). Een aantal aanvullende maatregelen zijn:
- rente op derdenleningen is gewoon aftrekbaar: derden leningen moeten worden gebruikt voor de eigen onderneming (niet doorlenen of storten op eigen vermogen binnen de groep)
- groepsuitzonderingen inzake debt equity ratio's (kennen we in Nederland nog niet)
- uitzondering als in een jaar de EBITDA met meer dan 50% daalt (t.o.v. jaar ervoor)
- uitzondering (tijdelijk) voor de defensie-industrie
Gevolgen voor vastgoedsector door renteaftrekbeperking
Vastgoedondernemingen maken doorgaans veel gebruik van vreemd vermogen. Hierdoor worden zij relatief hard geraakt door renteaftrekbeperkingen. Een verruiming van de Europese regels zou voor veel vastgoedstructuren kunnen leiden tot een lagere fiscale winst en daarmee een lagere vennootschapsbelasting. Ook woningcorporaties, infrastructuurbedrijven en andere kapitaalintensieve ondernemingen zouden kunnen profiteren van een ruimere renteaftrek.
Wijzigingen in Nederland inzake renteaftrekbeperking of wachten we nog even?
Opvallend is dat het Nederlandse kabinet recent heeft besloten voorlopig geen nieuwe maatregelen te treffen tegen renteconstructies binnen vastgoedstructuren. Er wordt al langere tijd gesignaleerd dat vastgoedvennootschappen over meerdere vennootschappen worden verspreid om telkens opnieuw gebruik te maken van de drempel van € 1 miljoen. Het zogenoemd opknippen van vennootschappen.
Volgens het kabinet kunnen bestaande renteaftrekbeperkingen in bepaalde gevallen onvoldoende effectief zijn. Verschillende oplossing zijn onderzocht, waaronder:
- een concernbenadering binnen de earningsstrippingmaatregel;
- verlaging van de drempel voor vastgoedlichamen;
- uitbreiding van artikel 10a Wet VPB 1969.
Toch heeft staatssecretaris ervoor gekozen eerst de Europese ontwikkelingen af te wachten. Wanneer Brussel de renteaftrekregels daadwerkelijk versoepelt, kan dit immers directe gevolgen hebben voor eventuele Nederlandse antimisbruikmaatregelen.
Renteaftrekbeperking in Nederland
Voorlopig verandert er nog niets. Het gaat momenteel om voorstellen die nog door de Europese lidstaten moeten worden besproken. Toch is het verstandig om de ontwikkelingen nauwlettend te volgen wanneer uw onderneming:
- veel gebruik maakt van externe financiering;
- actief is in vastgoed;
Indien de Europese plannen doorgaan, kan dit leiden tot aanzienlijk ruimere renteaftrekmogelijkheden dan momenteel in Nederland gelden.
Conclusie inzake renteaftrekbeperking
Een verruiming van de renteaftrekregels zou vooral gunstig kunnen uitpakken voor kapitaalintensieve ondernemingen zoals vastgoedbedrijven en woningcorporaties. Voor Nederland is de ontwikkeling extra interessant omdat de huidige earningsstrippingmaatregel strenger is dan de Europese minimumnormen. Mocht Brussel daadwerkelijk kiezen voor verdere harmonisatie, dan kan dat de Nederlandse wetgever dwingen de bestaande renteaftrekbeperking aan te passen.
De komende maanden zal duidelijk worden of de conceptvoorstellen uitgroeien tot daadwerkelijke Europese wetgeving. Tot die tijd blijft het afwachten, maar de mogelijke impact op de Nederlandse vennootschapsbelasting is aanzienlijk.
Noot van een fiscalist inzake renteaftrekbeperking
De afgelopen jaren lag de nadruk binnen de EU juist op het bestrijden van belastingontwijking en het beperken van renteaftrek binnen concernstructuren. Met de huidige voorstellen lijkt de Europese Commissie een deel van die koers te willen wijzigen.
Zoals eerder opgemerkt behoort de Nederlandse earningsstrippingmaatregel tot de strengste van Europa. Waar de Europese richtlijn uitgaat van een renteaftrek tot 30% van de fiscale EBITDA en een drempel van € 3 miljoen, heeft Nederland thans gekozen voor een beperking tot 24,5% van de EBITDA en een drempel van € 1 miljoen. Hierdoor worden met name vastgoedondernemingen en andere kapitaalintensieve ondernemingen relatief zwaar getroffen.
Indien de Europese Commissie daadwerkelijk kiest voor een hogere drempel en ruimere renteaftrek moet Nederland meebewegen. Dit ligt politiek gevoelig. Het kabinet onderzoekt immers nog steeds mogelijkheden om ongewenste renteconstructies binnen vastgoedstructuren verder aan te pakken. Het is raadzaam om de ontwikkelingen de komende periode nauwlettend te volgen en desgewenst contact met ons op te nemen. De Europese regelgeving heeft namelijk een aanzienlijke invloed op de effectieve belastingdruk.
Duits ouderdomspensioen (Rente) in Nederland deels belastingvrij
Samenvatting — Een inwoner van Nederland (we noemen hem Klaus) ontving in 2018 een ouderdomsuitkering uit de Duitse gesetzliche Rentenversicherung. De inspecteur belastte die volledig in box 1. Klaus stelde daartegenover: in Duitsland kreeg ik maar over 45% van mijn premies belastingaftrek, dus mag Nederland ook maar 45% van de uitkering belasten. Het Hof (ECLI:NL:GHARL:2022:9842) gaf hem gelijk en op 19 juni 2026 doet de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2026:961) dat ook — zonder veel zichtbare sympathie voor de staatssecretaris. Beide cassatiemiddelen falen. De uitkering valt onder de bijzondere regeling van artikel 3.82, aanhef en letter b, Wet IB 2001 (buitenlands pensioen) en wordt alleen belast voor zover zij berust op in Duitsland afgetrokken premies. Een arrest waarop lang is gewacht — en dat meteen de vraag oproept wat er nu gebeurt met alle jaren waarin de fiscus wél 100% heeft belast.
De uitkeringen uit het Duitse Pensioen van Klaus mogen in Nederland dus slechts voor 45% in de inkomstenbelasting worden betrokken. De premie was namelijk ook maar voor 45% aftrekbaar in Duitsland !
De casus in het kort
- Klaus woonde en werkte van 1 januari 1980 tot 13 april 1997 in Duitsland en was daar verplicht verzekerd op grond van de Deutsche Rentenversicherung.
- In 2018 woonde hij het hele jaar in Nederland en ontving hij een ouderdomsuitkering uit die regeling.
- De inspecteur rekende het volledige bedrag tot het belastbare inkomen uit werk en woning.
- Klaus betoogde dat van de door hem betaalde premies in totaal maar 45% aftrekbaar was geweest voor de Duitse loon- en inkomstenbelasting, en dat dus ook maar 45% van de uitkering in de Nederlandse heffing mag worden betrokken.
- Dat percentage van 45 stond uiteindelijk vast: de inspecteur had het niet, althans niet voldoende gemotiveerd, weersproken.
Drie artikelen, één winnaar
De hele zaak draait om de kwalificatie: gaat het hier om pensioen, en zo ja, onder welk wetsartikel valt het?
De inspecteur kwam met twee routes die beide tot volledige belasting leiden.
- Primair: loon uit vroegere dienstbetrekking op grond van artikel 3.81 Wet IB 2001, met een beroep op het oude arrest HR 19 juli 1994 (ECLI:NL:HR:1994:ZC5719), waarin de Duitse Rente voor een ingezetene volledig belast werd geacht.
- Subsidiair (het voorwaardelijke tweede middel): de uitkering is een eerstepijler-/socialezekerheidsuitkering en dus een aangewezen periodieke publiekrechtelijke uitkering die volledig belast is op grond van artikel 3.100, lid 1, letter a, Wet IB 2001.
Hof én Hoge Raad kiezen voor de derde weg: artikel 3.82, aanhef en letter b, Wet IB 2001. Die bepaling rekent uitkeringen uit een buitenlandse pensioenregeling (in de zin van artikel 1.7, lid 2, letter c) tot het loon, “behoudens voor zover aannemelijk is dat over de aanspraken al een met de Nederlandse loon- of inkomstenbelasting vergelijkbare heffing heeft plaatsgehad.” Daarmee bereikt de wet een spiegelbeeld van de omkeerregel: voor zover de premies in Duitsland níét aftrekbaar waren (hier 55%), is over die aanspraak in feite al geheven en blijft dat deel in Nederland onbelast. Alleen het met aftrek opgebouwde deel — de 45% — is hier belast.
De Hoge Raad maakt korte metten met beide middelen. Artikel 3.82, letter b, is een bijzondere regeling ten opzichte van het algemene loonbegrip van artikel 3.81; aan artikel 3.81 (en dus aan het arrest uit 1994, dat zag op een jaar waarin artikel 3.82 nog niet bestond) komt men niet toe. En door de rangorderegeling van artikel 2.14 Wet IB 2001 komt men evenmin toe aan artikel 3.100. Het beroep in cassatie is ongegrond; de Hoge Raad ziet zelfs geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Eerder had A-G Pauwels al op 6 oktober 2023 tot ongegrondverklaring geconcludeerd.
Restant pensioen Duitsland in box 3?
Hier zit voor de praktijk een staart aan. Het Hof gaf nog aan dat het niet in box 1 belaste deel in box 3 thuishoort — de onderliggende aanspraak verschuift dan naar de rendementsgrondslag. De Hoge Raad noemt dat niet uitdrukkelijk; hij laat het oordeel van het Hof in stand, maar wijdt er geen overweging aan. Dat laat een reële vraag open voor de afwikkeling van de lopende zaken: als 55% van de uitkering niet als loon wordt belast, verschuift de waarde van die aanspraak dan inderdaad naar box 3, en zo ja, voor welke waarde en vanaf welk moment? Wie nu een teruggaaf claimt op de box 1-heffing, doet er goed aan deze box 3-component meteen mee te nemen — anders levert u met de ene hand in wat u met de andere terugkrijgt.
Schema Pensioen uit buitenland
Geen bezwaar gemaakt dan ambtshalve vermindering?
De olifant in de kamer: de jaren die al vaststaan. Op dit arrest is lang gewacht. De belanghebbenden in deze problematiek hebben inmiddels een gevorderde leeftijd, en de vrees leefde dat het probleem stilletjes via een natuurlijk verloop zou worden opgelost. Nu er een arrest ligt, dringt de echte praktijkvraag zich op: wat gebeurt er met alle eerdere jaren waarin de fiscus de Duitse Rente voor 100% heeft belast?
Voor aanslagen die nog niet onherroepelijk vaststaan — waartegen tijdig bezwaar of beroep loopt — is de zaak helder: die volgen dit arrest. Lastiger is het voor wie géén bezwaar heeft gemaakt en bij wie de aanslag onherroepelijk is. De route is dan een verzoek om ambtshalve vermindering (artikel 9.6 Wet IB 2001 jo. artikel 45aa Uitvoeringsregeling IB 2001). Maar daar zit precies de bekende adder onder het gras: een vermindering wordt in beginsel niet verleend als de onjuistheid van de aanslag pas voortvloeit uit ná het onherroepelijk worden gewezen rechtspraak. Kennen we de fiscus, dan zal men op die uitsluiting wijzen en niet thuis geven.
Mogelijk valt hieruit nog iets te leren: op 25 juni 2026 wordt een arrest verwacht over de vraag wat er moet gebeuren met de mensen die géén bezwaar tegen hun box 3-aanslag hebben gemaakt. Dat kan een aanwijzing geven over hoe rechter en wetgever omgaan met de groep niet-bezwaarmakers. Tegelijk een waarschuwing: de box 3-saga kende een massaalbezwaarprocedure en stevige politieke druk; deze Duitse-Rente-kwestie niet per se. Eén-op-één doortrekken is dus riskant — maar de uitkomst van 25 juni is het volgen meer dan waard.
Wat betekent dit voor de praktijk
- Duitse Rente is in Nederland niet automatisch 100% belast. Sinds artikel 3.82, letter b, geldt: splitsen naar het deel waarover in het buitenland al een vergelijkbare heffing heeft plaatsgehad. Wie in Duitsland maar gedeeltelijk premieaftrek had, houdt het corresponderende deel van de uitkering buiten de Nederlandse heffing.
- Maak uw aftrekpercentage hard. In deze zaak stond de 45% vast doordat de inspecteur het niet weersprak. Reken daar niet op. Verzamel de Duitse bescheiden (Rentenbescheid, fiscale behandeling van de premies) en onderbouw het percentage cijfermatig.
- Kom nú in actie voor de open jaren. Voor nog niet onherroepelijke aanslagen: bezwaar of beroep. Voor afgesloten jaren: een verzoek om ambtshalve vermindering, maar houd rekening met de uitsluiting voor nieuwe jurisprudentie en verwacht tegenstand.
- Vergeet box 3 niet — en houd 25 juni in de gaten. Neem de mogelijke verschuiving naar box 3 mee in elke teruggaafclaim, en let op het op 25 juni 2026 verwachte arrest over de niet-bezwaarmakers.
Vindplaats en bronbestanden
Hoge Raad 19 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:961 (zaaknummer 22/04928).
Conclusie A-G Pauwels 6 oktober 2023, ECLI:NL:PHR:2023:891.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9842.
Vergelijk het oudere HR 19 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5719.
Meer informatie of een second opinion?
Voor vragen over de Nederlandse belastingheffing van Duitse pensioenen en Rente: mr. E.D.H. (Eric) van Nugteren, fiscaal jurist verbonden aan Jongbloed Fiscaal Juristen N.V. (Duitsland-desk). U kunt hem eenvoudig per e-mail of telefonisch bereiken.
De fiscale kwalificatie van vergelijkbare buitenlandse rechtsvormen
De fiscale kwalificatie van buitenlandse rechtsvormen is sinds 1 januari 2025 in een nieuw wettelijk kader geplaatst. Met de codificatie van de rechtsvormvergelijkingsmethode is meer structuur aangebracht in de beoordeling van de vraag met welke Nederlandse rechtsvorm een buitenlands lichaam voor de toepassing van onder meer de vennootschapsbelasting, inkomstenbelasting, dividendbelasting en de bronbelasting vergelijkbaar is. Het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen werkt deze rechtsvormvergelijkingsmethode nader uit en bepaalt dat de vergelijking plaatsvindt aan de hand van de aard en de inrichting van de buitenlandse rechtsvorm.
Vergelijking buitenlandse rechtsvorm met Nederlandse rechtsvorm
Voor de vergelijking van een buitenlandse rechtsvorm met een Nederlandse rechtsvorm wordt in beginsel getoetst of de buitenlandse rechtsvorm naar aard en inrichting vergelijkbaar is met een Nederlandse rechtsvorm. Recente kennisgroepstandpunten bieden nuttige handvatten voor deze vergelijking. De kwalificatie van de rechtsvorm hangt namelijk niet louter af van civielrechtelijke benaming, maar van een inhoudelijke vergelijking van wezenlijke kenmerken van de buitenlandse rechtsvorm.
In dit artikel staat de achterliggende systematiek van de rechtsvormvergelijking centraal. Aan de hand van recente kennisgroepstandpunten en het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen wordt bezien hoe de toets naar aard en inrichting in de praktijk uitwerkt, welke kenmerken daarbij zwaar wegen en waarom niet ieder civielrechtelijk verschil tot een andere fiscale uitkomst leidt. Daarmee beoogt dit artikel inzicht te geven in de vraag hoe de vergelijking van buitenlandse rechtsvormen sinds 2025 in de praktijk functioneert.
De rechtsvormvergelijking in twee stappen
De rechtsvormvergelijking bestaat uit twee opeenvolgende stappen.
- Eerst wordt beoordeeld wat de aard is van de buitenlandse rechtsvorm.
- Daarna wordt bezien hoe de inrichting van die rechtsvorm is vormgegeven.
Aan de hand van voornoemde twee factoren kan worden vastgesteld met welke Nederlandse rechtsvorm een buitenlands lichaam voor fiscale doeleinden vergelijkbaar is.
De eerste stap betreft de vraag naar de aard van de buitenlandse rechtsvorm. Daarbij wordt op basis van het buitenlandse recht onderzocht welke plaats de betreffende rechtsvorm in het desbetreffende rechtsstelsel inneemt en welke bedoeling de buitenlandse wet- of regelgever met die rechtsvorm heeft gehad. De kernvraag is of de rechtsvorm naar haar wezen moet worden beschouwd als een kapitaalvennootschap of een personenvennootschap.
Nadat de aard van de buitenlandse rechtsvorm is vastgesteld, volgt de beoordeling van de inrichting. Daarbij wordt onderzocht hoe de wezenlijke kenmerken van de rechtsvorm concreet zijn vormgegeven en in hoeverre die kenmerken aansluiten bij de relevante Nederlandse referentierechtsvorm.
De kenmerken van de vergelijking
Bij de beoordeling van de inrichting wordt in de kennisgroepstandpunten steeds gekeken naar een reeks wezenlijke kenmerken van de buitenlandse rechtsvorm. Tot die kenmerken behoren onder meer het al dan niet bestaan van in aandelen verdeeld kapitaal, rechtspersoonlijkheid, de aansprakelijkheidspositie van participanten, winstgerechtigdheid, stemrecht, bestuur en vertegenwoordiging, statuten en de overdraagbaarheid van participaties of aandelen.
Een eerste belangrijk kenmerk is de vraag of er sprake is van in aandelen verdeeld kapitaal. Bij kapitaalvennootschappen is dit een sterk aanknopingspunt. Dat blijkt onder andere uit de kennisgroepstandpunten over de Liechtensteinse AG (KG:211:2025:5), de Braziliaanse S.A. (KG:211:2025:12) en de Ierse DAC (KG:211:2026:2). In voornoemde kennisgroepstandpunten wordt telkens vastgesteld dat het kapitaal in aandelen is verdeeld en dat daarmee een belangrijk kenmerk van de Nederlandse N.V. of B.V. aanwezig is. Daarmee is overigens nog niet alles gezegd, maar het vormt wel een sterke indicatie dat de rechtsvorm in de richting van de kapitaalvennootschap wijst.
Het kennisgroepstandpunt over de Hondurese SRL (KG:211:2026:9) laat echter zien dat dit kenmerk niet doorslaggevend is. Hoewel de Hondurese SRL formeel geen in aandelen verdeeld kapitaal kent, wordt zij toch vergelijkbaar geacht met de Nederlandse N.V. of B.V.. Daarbij is met name van belang dat de SRL naar haar aard als kapitaalvennootschap kwalificeert en dat haar overige kenmerken materieel nauw aansluiten bij die van de Nederlandse N.V. of B.V.. Het ontbreken van formele aandelen staat dan dus niet in de weg aan vergelijking met een Nederlandse kapitaalvennootschap.
De vergelijking kan evenwel ook in een andere richting uitvallen. Dat blijkt uit het kennisgroepstandpunt over de Belgische commanditaire vennootschap (KG:211:2025:4). In dat kennisgroepstandpunt wordt niet gezocht naar gelijkenis met de N.V. of B.V., maar juist binnen de (Nederlandse) categorie personenvennootschappen. Vervolgens wordt in dit kennisgroepstandpunt op het niveau van de inrichting onderzocht in hoeverre de kenmerken van de Belgische commanditaire vennootschap overeenkomen met de Nederlandse commanditaire vennootschap.
De vergelijking tussen de kennisgroepstandpunten over de Belgische commanditaire vennootschap en de Hondurese SRL biedt in dit verband dus een bruikbare illustratie. In beide gevallen is sprake van een rechtsvorm die niet zonder meer één-op-één samenvalt met een Nederlandse rechtsvorm. Bij de Hondurese SRL ontbreekt formeel aandelenkapitaal, toch wordt de SRL vergeleken met de Nederlandse N.V. of B.V.. Bij de Belgische commanditaire vennootschap is juist wel sprake van rechtspersoonlijkheid, maar dat verhindert vergelijking met de Nederlandse commanditaire vennootschap evenmin. In beide gevallen geldt dus hetzelfde methodische uitgangspunt: een enkel afwijkend kenmerk is niet doorslaggevend, zolang de totale structuur van de rechtsvorm voldoende duidelijk in de richting van één Nederlandse categorie wijst.
Wat als een buitenlandse rechtsvorm niet vergelijkbaar is?
Het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen bevat ook voorbeelden van rechtsvormen die niet vergelijkbaar zijn met een Nederlandse rechtsvorm. Dit geldt onder meer voor de Belgische coöperatieve vennootschap, de Duitse Kommanditgesellschaft, het Curaçaose Stichting Particulier Fonds en de Ierse Unlimited Company.
Wanneer een buitenlandse rechtsvorm niet vergelijkbaar is met een Nederlandse rechtsvorm, betekent dit niet dat er geen fiscale beoordeling meer plaatsvindt. In dat geval wordt op een andere manier bepaald hoe Nederland deze rechtsvorm fiscaal behandelt. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de vestigingsplaats van het lichaam en naar de wijze waarop het lichaam in het buitenland fiscaal wordt behandeld. Zo kan toch worden vastgesteld of het lichaam voor Nederlandse belastingdoeleinenden zelfstandig wordt belast of dat de resultaten van lichaam worden toegerekend aan de betrokken aandeelhouders of participanten.
Stroomschema rechtsvorm vergelijking vanaf 2025
Conclusie inzake vergelijking buitenlandse rechtsvormen en Nederlandse
De rode draad in de kennisgroepstandpunten is dat de kennisgroep de kenmerken van de buitenlandse rechtsvorm als een samenhangend geheel bekijkt. Niet ieder kenmerk weegt even zwaar en niet ieder verschil heeft dezelfde betekenis. Sommige verschillen raken slechts de civielrechtelijke uitwerking van een verder herkenbare structuur. Andere verschillen raken juist aan de kern van de rechtsvorm en kunnen daarom wel degelijk beslissend zijn. Wat de standpunten vooral laten zien, is dat de vergelijking steeds moet plaatsvinden tegen de achtergrond van de vraag of de buitenlandse rechtsvorm in haar geheel functioneert als kapitaalvennootschap of als personenvennootschap. Pas binnen dat kader kan worden beoordeeld welke verschillen marginaal zijn en welke verschillen de uitkomst werkelijk beïnvloeden. Voor de praktijk betekent dit dat de kwalificatie van een buitenlandse rechtsvorm niet kan worden gebaseerd op één afzonderlijk kenmerk, maar steeds een integrale beoordeling van aard en inrichting vergt.
Noot fiscaal jurist inzake buitenlandse rechtsvormen in Nederlands perspectief
De praktijk sinds 2025 laat zien dat de kwalificatie van buitenlandse rechtsvormen complexer is geworden, tegelijkertijd is deze ook beter voorspelbaar als de systematiek goed wordt bekeken. In grensoverschrijdende structuren - met name bij holdings, joint ventures en investeringsvehikels, kan een kleine afwijking wezenlijke fiscale gevolgen in Nederland hebben, bijvoorbeeld t.a.v. de VPB plicht, transparantie, dividendbelasting of bronbelasting.
Voor DGA's en familiebedrijven die internationaal opereren betekent dit dat bestaande structuren opnieuw tegen het licht moeten worden gehouden en/of ordentelijk moeten worden opgezet.
Wilt u zekerheid over de fiscale kwalificatie van uw buitenlandse entiteit en/of wilt u een dergelijke structuur opzetten? Neem gerust contact op met onderstaande adviseurs.
Bronnen vergelijkbare buitenlandse rechtsvormen
Besluit 12 december 2025 vergelijking buitenlandse rechtsvormen
Besluit 9 november 2024 houdende besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen
Hoge Raad d.d 24 januari 2020 inzake prejudiciele beslissing Duits Spezial Sondervermogen
Kennisgroep standpunt belastingdienst inzake Liechtensteinse AG KG:211:2025:5
Kennisgroep standpunt belastingdienst inzake Braziliaanse SA KG:211:2025:12
Kennisgroep standpunt belastingdienst inzake Ierse DAC Limited by shares KG:211:2026:2
Kennisgroep standpunt belastingdienst inzake Belgische Commanditaire vennootschap KG:211:2025:4
Kennisgroep standpunt belastingdienst inzake Dutse Sondervermogen per 2025 KG:211:2024:16
Kennisgroep standpunt belastingdienst inzake buitenlandse personenvenootschappen KG:211:2024:12
Kennisgroep standpunt belastingdienst inzake Spaanse AIE KG:211:2026:8
Ontslagvergoeding uit het buitenland
Internationale structuren en werkzaamheden vragen om maatwerk. Wij adviseren wekelijks over internationale fiscale situaties (vanuit het Nederlandse perspectief en bij toepassing van belastingverdragen). In dit artikel behandelen we de casus die voorkwam bij de Rechtbank Gelderland op 1 april 2026 ECLI:NL:RBGEL:2026:2507. In deze zaak ging het om de belastingheffing over een ontslagvergoeding en de inkomsten uit een onderneming die na het ontslag is begonnen.
Werken in het buitenland via een eenmanszaak? Loon of onderneming?
Steeds vaker kiezen Nederlandse professionals ervoor om via een eenmanszaak internationaal te werken. Fiscaal aantrekkelijk? Niet altijd. Een recente uitspraak van de Rechtbank Gelderland laat zien dat de Belastingdienst kritisch kijkt naar schijnzelfstandigheid — met grote gevolgen voor de belastingheffing én de voorkoming van dubbele belasting.
In de zaak ECLI:NL:RBGEL:2026:2507 stond het volgende centraal:
- Belanghebbende ontvangt een ontslagvergoeding van € 633.750
- Start vervolgens een eenmanszaak
- Werkt als consultant in Oman en verdient € 143.819
- Geeft dit aan als winst uit onderneming
- Claimt aftrek ter voorkoming van dubbele belasting
De inspecteur weigert de aftrek. Volgens hem is geen sprake van ondernemerschap. Oordeel rechtbank: géén ondernemer, maar werknemer. De doorslaggevende criteria voor de rechtbank waren:
- Werkzaamheden verricht onder gezag
- Geen wezenlijk ondernemersrisico
- Feitelijke situatie prevaleert boven contractuele vorm
Toetsen ondernemerschap of loon uit dienstbetrekking
Voor ondernemerschap wordt er kritisch gekeken. Voor een onderneming zijn kenmerkend dat de werkzaamheden onafhankelijk en niet in een gezagsverhouding worden verricht, dat wordt gestreefd naar continuïteit door het verkrijgen van verschillende opdrachten en dat ondernemersrisico wordt gelopen, zie hiertoe de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 20 december 2000 ECLI:NL:HR:2000:AA9094. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een onderneming, omdat niet aannemelijk is geworden dat aan alle voorwaarden daarvoor is voldaan. Daarna bewandelde de rechtbank de route en toetsing van de zogenaamde Deliveroo arrest.
Gevolgen hiervan waren vrij eenvoudig. De inkomsten worden belast als
loon en niet als winst uit onderneming. Maar wie mag er dan heffen? Omdat
de arbeid feitelijk in Oman werd verricht heeft Oman het primaire heffingsrecht
(arbeidslandbeginsel). Nederland moet voorkoming van dubbele belasting
verlenen (belastingverdrag Nederland - Oman).
De rechtbank corrigeert de inspecteur dus op dit punt,
de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting moet wél worden verleend.
De overwegingen hierbij zijn de volgende (de
183 dagen regeling):
- de werknemer fysiek aanwezig is in Oman gedurende meer dan 183 dagen in een jaar; of
- de beloning die de werknemer ontvangt wordt betaald door of namens een werkgever in Oman; of
- de beloning die de werknemer ontvangt ten laste komt van een vaste inrichting die zijn Nederlandse werkgever heeft in het werkland.
Normaal gesproken wordt hierbij de (ongunstige) verrekeningsmethode toegepast. Op grond van een besluit uit 2017 mag echter de (gunstige) vrijstellingsmethode worden toegepast. Dit zorgt ervoor dat de aanslag met ruim € 70.000 wordt verminderd, zijnde € 143.000 (buitenlands inkomen) / € 1.112.000 (wereld inkomen) x € 564.000 (Nederlandse belastingen over wereld inkomen) = € 73.000 (allen afgeronde bedragen).
Is de ontslagvergoeding belast in Nederland of in het buitenland?
Dit onderdeel heeft financieel de meeste impact en hierbij wordt de inspecteur in het gelijk gesteld. De ontslagvergoeding mag volledig in Nederland worden belast. Dit komt door een bewijs issue, het is niet aannemelijk dat de vergoeding ten laste komt van een buitenlandse werkgever, of toerekenbaar is aan een buitenlandse vaste inrichting, tja dan gaat het mis ! Belanghebbende stelt dat de ontslagvergoeding te maken heeft met zijn dienstbetrekking in het VK en in Oman, op grond van het commentaar bij het OESO modelverdrag zou dan de zogenaamde 4+ methode moeten worden toegepast, zie ondermeer de uitspraak van de Rechtbank Gelderland d.d. 21 februari 2022 ECLI:NL:RBGEL:2022:904. De Rechtbank volgt belanghebbende niet, dit onderverwijzing naar Hoge Raad d.d. 11 juni 2004 ECLI:NL:HR:2004:AF7816. De band van de ontslagvergoeding met het arbeidsverleden in de genoemde werkstaten, wordt onvoldoende geacht om te kunnen zeggen dat de ontslagvergoeding een beloning vormt ter zake van de uitoefening van de dienstbetrekking in die staten.
Noot fiscaal jurist inzake werkzaamheden in buitenland en wonen in Nederland
De aanslag wordt verminderd met € 73.000 maar belastingplichtige moet altijd nog een een kleine € 500.000 in Nederland afrekenen. Steeds meer mensen werken over de grens en steeds vaker zien wij dat hierover fiscaal niet juist of volledig wordt geadviseerd. Vragen? Neem gerust contact met ons op.
Verhuizen naar Duitsland om Box 3 te ontlopen? Let op: Duitsland probeert ook te heffen
Samenvatting — Steeds meer Nederlanders overwegen een verhuizing naar Duitsland, mede vanwege de huidige en toekomstige Box 3-heffing. Duitsland kent immers nu geen vermogensbelasting. Maar Duitsland probeert via verschillende wegen wél te heffen over inkomen, winsten en vermogen die Nederland op zijn eigen manier belast — of juist niet belast. De Duitse rechter heeft zich hier inmiddels drie keer over uitgesproken. Het patroon: Duitsland wint alleen als Nederland zelf de bal laat vallen.
Waarom verhuizen Nederlanders naar Duitsland?
Wij krijgen de laatste tijd steeds vaker vragen van Nederlanders die overwegen om naar Duitsland te verhuizen. De reden: de Nederlandse vermogensrendementsheffing in Box 3. Het huidige forfaitaire stelsel en de aankomende Wet werkelijk rendement (naar verwachting 2028) doen het houden van vermogen in Nederland fiscaal steeds zwaarder aanvoelen. Duitsland kent op dit moment geen vermogensbelasting. Verkoopwinsten op privévermogen zijn in Duitsland na een jaar houden zelfs geheel onbelast. Voor vastgoed is dat een termijn van 10 jaar. Dat verschil trekt.
Maar wie denkt dat de Duitse fiscus stilzit, komt bedrogen uit. De afgelopen jaren heeft het Duitse Finanzamt herhaaldelijk geprobeerd om zijn heffingsgrondslag zo breed mogelijk te maken wanneer Nederlanders naar Duitsland verhuizen of van daaruit Nederlands inkomen of vermogen genieten. Tot dusver zonder veel succes — maar met een belangrijke les.
Waar gaat het over?
Het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland (DBA 2012/2016) verdeelt de heffingsrechten tussen beide landen. Op meerdere punten ontstaat spanning wanneer Nederland inkomen of vermogen op een andere manier belast dan Duitsland verwacht. Drie situaties hebben inmiddels tot rechtspraak geleid: de verkoop van aandelen in een Nederlandse B.V. na verhuizing naar Duitsland, de toepassing van de Nederlandse 30%-regeling bij grensarbeiders, en de verkoop van een Nederlands pand door iemand die in Duitsland woont. In alle drie de zaken probeert de Duitse fiscus het Nederlandse deel van het inkomen alsnog in Duitsland te belasten. Het resultaat: een helder patroon.
Zaak 1: verkoop B.V.-aandelen na emigratie (BFH, 26 oktober 2021)
De eerste zaak gaat over het klassieke emigratiescenario. Een Nederlander richt in 1998 een B.V. op met €18.000 kapitaal, verhuist in 2006 naar Duitsland, en verkoopt in 2016 zijn aandelen voor ruim €1,4 miljoen.
Het probleem: bij emigratie had de Nederlandse fiscus een conserverende aanslag moeten opleggen — een aanslag die de waardestijging van de aandelen vaststelt en de belasting daarover voorwaardelijk oplegt. Door een fout van de Belastingdienst is dat niet gebeurd. Wel is later in een brief bevestigd dat de waarde bij emigratie €1.112.240 bedroeg.
De Duitse wet (§17 Abs. 2 Satz 3 EStG) voorziet in een zogenaamde Wertverknüpfung: (ook wel bekend als “step-up”) als het vertrekland de waardestijging tot aan de emigratie heeft belast met een heffing die vergelijkbaar is met de Duitse Wegzugsbesteuerung, dan gebruikt Duitsland niet de oorspronkelijke aanschaffingskosten maar de emigratiewaarde als startpunt. Dat scheelt de belastingplichtige aanzienlijk.
Het Bundesfinanzhof (BFH) oordeelt: die Wertverknüpfung geldt alleen als er daadwerkelijk een aanslag is opgelegd. Een brief waarin de waarde wordt bevestigd is niet genoeg. Omdat de Belastingdienst de conserverende aanslag nooit heeft opgelegd, mag Duitsland de volledige waardestijging belasten — vanaf de oorspronkelijke €18.000 tot de verkoopprijs van €1,4 miljoen.
Maar — en dit is het principiële punt: de BFH maakt tegelijk duidelijk dat “unterlegen” (onderworpen zijn aan belasting) niet betekent dat de belasting daadwerkelijk betaald hoeft te zijn. Als Nederland de conserverende aanslag wél had opgelegd — ook al zou de belasting zijn uitgesteld en na tien jaar kwijtgescholden — dan had Duitsland de emigratiewaarde moeten respecteren. Een conserverende aanslag is dus heffing, ook zonder betaling.
De les: als Nederland zijn werk goed doet, respecteert Duitsland dat. Maar als Nederland een steek laat vallen, pakt Duitsland het belastingsubstraat op.
Vindplaats: BFH 26 oktober 2021, IX R 13/20, ECLI:DE:BFH:2021:U.261021.IXR13.20.0.
Zaak 2: de 30%-regeling (BFH, 10 april 2025) bij wonen in Duitsland en werken in Nederland
De tweede zaak gaat over de Nederlandse 30%-regeling voor expats. Een werknemer woont in Duitsland en werkt in Nederland. Zijn werkgever past de 30%-regeling toe: 30% van het loon wordt onbelast uitbetaald als forfaitaire vergoeding voor extraterritoriale kosten.
Het Finanzamt wilde dit onbelaste deel alsnog in Duitsland belasten via de subject-to-tax-clausule in artikel 22 DBA: Duitsland stelt Nederlands inkomen alleen vrij als dat in Nederland daadwerkelijk wordt belast. Volgens het Finanzamt is het 30%-deel niet belast.
De BFH oordeelt anders. De 30%-regeling is geen belastingvrijstelling, maar een forfaitaire kostenvergoeding. Het loon wordt in Nederland wél in de heffingsgrondslag betrokken. Dat Nederland de kosten forfaitair vaststelt in plaats van op basis van werkelijke kosten, maakt geen verschil. Duitsland moet het volledige loon vrijstellen — alleen Progressionsvorbehalt is toegestaan.
De Duitse fiscus heeft zich hierbij neergelegd. Op 19 december 2025 is het BMF-Schreiben aangepast: Randziffer 421 uit het oorspronkelijke schrijven van 12 december 2023, die het Finanzamt opdroeg de 30%-regeling als niet-daadwerkelijk-belast te behandelen, is geschrapt.
Vindplaats:BFH 10 april 2025, VI R 29/22, BStBl 2025 II, p. 594 (ECLI:DE:BFH:2025:U.100425.VIR29.22.0).
Zaak 3: verkoopwinst op een Nederlandse woning (FG Berlin-Brandenburg, 13 november 2025)
De derde zaak raakt de grootste groep: iedereen die in Duitsland woont en een woning in Nederland bezit.
Een echtpaar woonachtig in Duitsland verkoopt een vakantiewoning in Nederland binnen tien jaar na aankoop. Naar Duits recht is die verkoopwinst belastbaar als privé-vervreemdingswinst (§23 EStG). Naar het verdrag heeft Nederland als land waar het vastgoed staat het heffingsrecht. Duitsland moet dat vrijstellen — tenzij Nederland niet daadwerkelijk heft.
Nederland kent geen directe belasting op de verkoopwinst van een woning. Maar de woning valt wél in Box 3, waar Nederland een forfaitair rendement belast op basis van de WOZ-waarde. Volgens het Finanzamt is dat geen daadwerkelijke belastingheffing over de verkoopwinst.
Het FG Berlin-Brandenburg oordeelt: de Box 3-heffing kwalificeert wél als daadwerkelijke belastingheffing. De waardestijging van de woning wordt via de jaarlijks vastgestelde WOZ-waarde doorlopend in de heffingsgrondslag betrokken. Dat Nederland een forfait hanteert in plaats van de werkelijke winst te belasten, doet er niet toe.
De revisie (cassatie) is toegelaten. De zaak gaat naar de hoogste Duitse belastingrechter, het BFH. Maar de richting is duidelijk, en het principiële kader van de eerdere uitspraken ondersteunt dit oordeel.
Vindplaats: FG Berlin-Brandenburg 13 november 2025, 13 K 10170/23 (revisie = cassatie loopt)
Het patroon: Duitsland wint alleen als Nederland de bal laat vallen
De drie zaken laten hetzelfde zien. De Duitse fiscus probeert herhaaldelijk zijn heffingsgrondslag te verbreden — en de Duitse rechter trekt tot dusver steeds dezelfde lijn:
Als Nederland heft — ook op zijn eigen manier — respecteert Duitsland dat. Een forfaitaire kostenvergoeding (zaak 2) en een forfaitair rendement op vermogen (zaak 3) kwalificeren als daadwerkelijke belastingheffing. Zelfs een conserverende aanslag die nooit wordt betaald is voldoende (zaak 1).
Alleen als Nederland zelf verzuimt, pakt Duitsland het op. In zaak 1 verloor de belastingplichtige niet omdat het Nederlandse systeem niet deugt, maar omdat de Belastingdienst vergat de conserverende aanslag op te leggen.
Emigratie naar Duitsland in verband met box 3 verstandig?
U overweegt te verhuizen naar Duitsland vanwege Box 3. Duitsland kent inderdaad momenteel geen vermogensbelasting en verkoopwinsten op privévermogen zijn na een jaar (vastgoed 10 jaar) houden onbelast. Maar de Duitse fiscus kijkt wel degelijk naar wat er aan de Nederlandse kant gebeurt. Als u na uw verhuizing nog Nederlands vermogen aanhoudt — aandelen in een B.V., vastgoed, beleggingen — spelen verdragskwesties als deze mee. Laat u goed adviseren over de totale fiscale positie in beide landen.
U bezit aandelen in een Nederlandse B.V. en emigreert naar Duitsland
Zorg dat bij emigratie de conserverende aanslag correct wordt opgelegd. Het verzuim in zaak 1 kostte de belastingplichtige honderdduizenden euro’s aan extra belasting. Dit is vermijdbaar. Ook als u niet uitsluit ooit weer naar Nederland terug te verhuizen, is advies op zijn plaats. Duitsland kent ook een conserverende aanslag bij vertrek. Maar die moet u in principe wél betalen.
U woont in Duitsland en bezit vastgoed in Nederland
Bij verkoop binnen tien jaar kunt u zich op de uitspraak van het FG Berlin-Brandenburg beroepen. De definitieve beslissing van de BFH volgt nog, maar de eerste aanleg én het principiële kader van de eerdere zaken bieden een stevige basis.
U woont in Duitsland en werkt in Nederland met de 30%-regeling
Het belastingvoordeel blijft intact. De kwestie is definitief beslecht.
Goed om te weten: Box 3 verandert in Nederland
De Nederlandse Tweede Kamer heeft in februari 2026 ingestemd met de Wet werkelijk rendement box 3. Naar verwachting wordt vanaf 2028 het daadwerkelijke rendement belast — inclusief gerealiseerde verkoopwinsten en bij de meeste vermogenscategorieën ook ongerealiseerde waardestijgingen. Bij onroerend goed wordt alleen de gerealiseerde winst belast.
Dit is ook relevant voor de hier besproken verdragskwesties. Als Nederland straks werkelijke verkoopwinsten belast, verdwijnt het argument van de Duitse fiscus dat Nederland de winst niet daadwerkelijk belast. Paradoxaal genoeg versterkt de versobering van Box 3 daarmee de Nederlandse verdragspositie.
Veelgestelde vragen over emigratie naar Duitsland
Ik heb een B.V. en overweeg naar Duitsland te verhuizen. Waar moet ik op letten?
Zorg dat bij emigratie de conserverende aanslag voor uw aanmerkelijk belang correct wordt opgelegd. Zonder die aanslag kan Duitsland de volledige waardestijging belasten — ook het deel dat vóór uw verhuizing is ontstaan. Laat dit vooraf regelen met uw adviseur én de Belastingdienst.
Mag Duitsland heffen over de verkoopwinst van mijn Nederlandse woning?
Alleen als u de woning binnen tien jaar na aankoop verkoopt én Nederland het inkomen niet daadwerkelijk belast. Het FG Berlin-Brandenburg heeft geoordeeld dat de Box 3-heffing wél als daadwerkelijke belastingheffing kwalificeert. De definitieve beslissing van het Bundesfinanzhof volgt nog.
Ik overweeg te verhuizen naar Duitsland vanwege Box 3. Is dat fiscaal verstandig?
Dat hangt sterk af van uw persoonlijke situatie: de samenstelling van uw vermogen, de vraag of u Nederlands vastgoed of aanmerkelijk belang aanhoudt, en uw toekomstplannen. Duitsland kent geen vermogensbelasting en verkoopwinsten op privévermogen zijn na een jaar onbelast. Maar er spelen ook andere kwesties, zoals de Wegzugsbesteuerung bij aanmerkelijk belang en de verdragstoepassing bij Nederlands vermogen. Ook het successie- en schenkingsrecht blijft u nog 10 jaar volgen. Laat de totale positie doorrekenen vóór u beslist.
Kan ik bezwaar maken als het Finanzamt mij eerder wél heeft belast?
Als uw aanslag nog niet onherroepelijk vaststaat, kunt u een beroep doen op deze rechtspraak. Voor de 30%-regeling is de kwestie bestuurlijk afgerond via het BMF-Schreiben van 19 december 2025. Voor de vastgoedkwestie loopt de zaak nog bij het BFH, maar u kunt vragen om uw bezwaar aan te houden in afwachting van het definitieve oordeel.
Wat verandert er als de Wet werkelijk rendement box 3 ingaat?
Als Nederland vanaf 2028 werkelijke verkoopwinsten belast, is er geen twijfel meer dat de verkoopwinst daadwerkelijk in de Nederlandse heffing wordt betrokken. Het argument van het Finanzamt dat Nederland de winst niet belast, vervalt dan volledig.
Dit artikel is geschreven door Jongbloed Fiscaal Juristen. Overweegt u een verhuizing naar Duitsland of heeft u vragen over de belastingheffing van uw Nederlandse vermogen vanuit Duitsland? Neem contact met ons op voor een persoonlijk adviesgesprek.
Fiscale constructies via buitenlandse structuren
De Belastingdienst heeft de afgelopen jaren intensief onderzoek gedaan naar internationale belastingstructuren die door Nederlandse mkb-ondernemers werden gebruikt om box-2-heffing te vermijden (zie artikel FD maart 2026). Er zijn zo’n 400 dossiers onderzocht en er zijn voor tientallen miljoenen aan navorderingen en boetes opgelegd. Betrokken ondernemers zijn voornamelijk vermogende mkb-DGA’s met enkele miljoenen vermogen, veelal in hun BV. In dit artikel nemen wij u mee in de wondere wereld van internationale structuren. Voor de snelle lezer "deze structuren zijn sinds 2015 een stuk minder interessant en boefjes worden vrijwel altijd - en terecht - aangepakt".
Constructie via buitenlandse belastingparadijzen
De constructies werden doorgaans opgezet via een netwerk van buitenlandse entiteiten (een zogeheten “kerstboomstructuur”), waarbij winsten uit Nederlandse ondernemingen werden doorgesluisd naar jurisdicties zoals Cyprus, Dubai, Panama of Luxemburg. De kern van de constructie was als volgt:
- Nederlandse BV genereert winst.
- Winst wordt via tussen vennootschappen of stichtingen in laagbelastende jurisdicties doorgesluisd.
- De gelden keren terug naar de ondernemer: als lening, of als gift.
Volgens de betrokken adviseurs zou hierdoor geen belastingheffing in box 2 (dividend) plaatsvinden. De Belastingdienst heeft deze structuren echter fiscaal geherkwalificeerd als verkapte dividenduitkeringen.
Fiscale kwalificatie: verkapt dividend
De fiscus en rechter oordelen dat deze geldstromen materieel moeten worden aangemerkt als winstuitdelingen aan de aandeelhouder. Volgens vaste jurisprudentie is sprake van een verkapte dividenduitkering indien:
- een vermogensverschuiving van de vennootschap naar de aandeelhouder plaatsvindt;
- die verschuiving wordt gedekt door winst(reserves);
- en zowel vennootschap als aandeelhouder zich bewust zijn van de bevoordeling (dubbele bewustheid).
In dat geval wordt de uitkering belast als inkomen uit aanmerkelijk belang (art. 4.12 Wet IB 2001).
Juridische procedures en strafrechtelijke aspecten
De bestrijding van dergelijke structuren is onderdeel van een bredere strategie van de Belastingdienst en FIOD tegen fiscale schijnconstructies. In meerdere gevallen zijn strafrechtelijke onderzoeken gestart. Enkele adviseurs achter de constructies zijn veroordeeld tot taakstraffen en boetes. Celstraffen bleven uit. De opsporing werd mede mogelijk gemaakt door internationale informatie-uitwisseling, waaronder bankgegevens uit Luxemburg.
Fiscale drielandenpuntconstructie
De DGA verhuist naar België of Zwitserland. De Vennootschap wordt verplaatst naar Malta of Luxemburg. Doel is belastingvrij dividend uitkeren en voorkomen van box-2-heffing. De structuren waren veelal slecht opgezet en lek als een mandje.
De drielandenconstructie behelst dus een dubbele verhuizing, De DGA verhuist naar een gunstig land voor de box 2 heffing (bijvoorbeeld Zwitserland of Luxemburg) en de BV verhuist naar een fiscaal vriendelijk land (zoals Malta, Cyrpus of Singapore). Doel van deze opzet is het beperken of ontwijken van de Nederlandse heffing over de winstreserves en lopende winsten. Deze route via drielanden wordt actief bestreden (zie kamervragen in maart 2025).
De rechtspraak draait daarbij om 5 kernvragen
- Waar zit de feitelijke leiding van de BV
- Werkt de Nederlandse oprichtingsfictie voor de BV door onder het verdrag;
- Is de BV voor verdragsdoeleinden inwoner van Nederland (dus volledig met haar winst in Nederland onderworpen)
- Blokkeert een verdrag Nederlandse dividendbelasting wegens het verbod extraterritoriale heffing;
- Hoe werkt dat uit de sfeer van de conserverende aanslag, zie ondermeer het arrest van de Hoge Raad over een drielanden constructie Hoge Raad d.d. 28 februari 2001 ECLI:NL:HR:2001:AB0296
Het Klassieke drielandenarrest van de Hoge Raad
Het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad d.d. 28 februari 2001 ECLI:NL:HR:2001:AB0296 wordt gezien als het klassieke drielandenarrest. Uit de conclusie van de AG volgt de basisstructuur. Een aandeelhouder emigreert naar Belgie en de BV verhuist naar de Nederlandse Antillen. In geschil was of Nederland nog dividendbelasting mocht heffen over uitkeringen van de BV. De kern van het arrest is dat de Hoge Raad niet simpelweg bleef hangen in de nationale oprichtingsfictie maar verder keek naar de verdragsinwonerstoets. In dit geval mocht Nederland geen dividendbelasting heffen (maar België). Nederland zou wellicht ook (beperkt) dividendbelasting mogen heffen maar slechts over een beperkt tarief en slechts indien de BV aangemerkt kan worden als inwoner van Nederland (voor het verdrag). Aangezien de werkelijke leiding van de BV op de antillen zat was Nederland slecht gerechtigd te heffen over het deel van het inkomen dat op grond van de BRK (Belasting Regeling Koninkrijk) aan Nederland wordt toegewezen.
Deze route is sinds 2015 minder interessant omdat vanaf dat moment de conserverende aanslag eeuwig durend is geworden (en niet meer naar 10 jaar vervalt). Tegenwoordig wordt er meer gekeken naar de woonplaats van de DGA (woonplaatsonderzoek), substance vereiste en de daadwerkelijke leiding van de BV.
Malta zaken bij internationale structuren
De volgende sleutelprocedure zijn de zogenaamde Malta arresten (Hoge Raad d.d. 27 februari 2015 ECLI:NL:HR:2015:465). Deze zaak liep via vele instanties en kreeg in 2020 opnieuw de aandacht. Het Gerechtshof Den Haag deed op 24 juni 2020 (ECLI:NK:GHDHA:2020:1044) over deze Malta zaak een scherpere uitspraak. De feiten waren als volgt:
- Een naar Nederlands recht opgerichte BV verplaatst haar statutaire bestuur naar Malta
- Een trustkantoor wordt bestuurder op Malta
- Bestuursvergaderingen vinden op Malta plaats
- De aandeelhouder is geëmigreerd naar Zwitserland
- In 2011 en 2012 (oud recht voor de conserverende aanslag) worden forse dividenden uitgekeerd.
Het Hof stelt dat formele beslissingen op Malta worden genomen maar de feitelijke beslissingen niet. De werkelijke leiding van de BV lag in Nederland zodat de BV voor verdragsdoeleinden inwoner van Nederland is gebleven. In de conclusie van AG Wattel d.d. 30 maart 2021 ECLI:NL:PHR:2021:310 wordt hierop een heldere toelichting gegeven, ook krijgt de Rechtbank Den Haag d.d. 21 maart 2019 ECLI:NL:RBDHA:2019:2918) nog een tikje over de vingers van de AG. De Belastingdienst hoeft dus niet meer het drielandenarrest omver te blazen maar kan bewijzen dat de zetelverplaatsing een papieren geheel is.
Een latere uitspraak van de Hoge Raad op 20 september 2024 ECLI:NL:HR:2024:1243 gaat niet over een Malta structuur of drielanden discussie maar is wel van belang voor de grote lijn. De Hoge Raad stelt in dit arrest dat bij een terugkeer naar Nederland (remigratie) geen step up van de verkrijgingsprijs in box 2 hoeft te worden gegeven.
Noot fiscaal jurist inzake internationale structuren
Belastingheffing beperken of vermijden is van alle tijden en zal nooit te stoppen zijn. De moraal om gewoon belasting te betalen is er in Nederland zeker maar wordt door een minder goed functionerende overheid of belastingdienst soms wel kritisch beoordeeld. In een artikel in het FD (fiscus int 110.000.000 na doorprikken dubbele verhuizing vermogende particulieren) wordt hier naar gekeken en enkele maanden daarna worden hier ook kamervragen over gesteld. In dit artikel wordt de drielandenstructuur nog eens kritisch bekeken.
Gevolgen drielanden constructie voor de DGA
De DGA valt in Nederland onder het box 2 regime. Door de emigratie worden de aandelen in zijn BV fictief vervreemd. De DGA krijgt een conserverende aanslag opgelegd (over de waarde van zijn BV met de deelnemingen). De in Nederland opgebouwde winsten en waarde wordt dus altijd in Nederland belast (was tot 2015 nog maximaal 10 jaar). De drielanden constructie is vanaf dat moment ook een stuk minder aantrekkelijk.
Als er vervolgens dividend wordt uitgekeerd is het de vraag wie er mag heffen. Stel een BV wordt verhuist naar Malta of Singapore. De DGA vertrekt met zijn gezin naar Zwitserland. De BV keert vervolgens dividend uit aan de DGA. Wie mag er dan dividendbelasting heffen? Naar Nederlands recht mag Nederland heffen. Voor de toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en de het vestigingsland van de BV is dit heffingsrecht niet zomaar aan Nederland toegewezen (verdrag Nederland - Zwitserland). Volgens het drielanden arrest is Nederland niet heffingsbevoegd (wel wordt de conserverende aanslag ingevorderd, bij emigratie buiten de EU kan de Nederlandse belastingdienst ook zekerheid eisen). In de uitspraak van de Hoge Raad in 2015 kiepte het drielanden arrest om omdat de BV geen beroep kon doen op het belastingverdrag tussen Nederland en Malta.
Gevolgen voor de BV en de vennootschapsbelasting bij de drielanden constructie
De BV wordt verplaatst naar een land met een laag VPB tarief. Als de BV in Nederland is opgericht blijft deze in Nederland belastingplichtig (op grond van de Nederlandse wetgeving). Als de feitelijke leiding van de BV ook wordt verplaats naar een ander land (meestal via emigratie van de DGA of via een trustkantoor) is de BV meestal inwoner van dit andere land (verdragstoepassing). De winsten zijn dan grotendeels belast in het andere land.
Veel internationale belastingstructuren voor mkb-ondernemers zijn door de Belastingdienst succesvol bestreden doordat zij materieel worden aangemerkt als verkapte winstuitdelingen aan de DGA, waardoor alsnog box-2-heffing, naheffingen en boetes volgen. De oorsprong van vele onderzoeken ligt bij structuren die zijn opgezet door een advieskantoor (Haags Juristen College, aldus het FD).
Het drielanden arrest is nog niet van tafel maar de belastingdienst kan via de Malta arrest (feitelijke leiding) de gevolgen om zeep helpen. Mede doordat de conserverende aanslag niet meer na 10 jaar vervalt zijn dit soort structuren een stuk minder aantrekkelijk. De overheid heeft ook aangegeven om constructies inzake belastingontwijking stevig aan te pakken.
Grensoverschrijdend thuiswerken
Door de krappe arbeidsmarkt en de opkomst van thuis of remote werken komt het steeds vaker voor dat bedrijven samenwerken met ondernemers of werknemers in het buitenland. Als een werknemer vanuit het buitenland werkt en in Nederland op de loonlijst staat kunnen er fiscale complicaties ontstaan. In bepaalde situaties kan een buitenlandse thuiswerkplek worden aangemerkt als een vaste inrichting (permanent establishment – PE) van de Nederlandse onderneming of werkgever. Het gevolg hiervan kan zijn dat de Nederlandse werkgever / onderneming vennootschapsbelasting moet betalen in het buitenland en tevens veel administratie rompslomp erbij krijgt (jaarrekening, aangifteplicht etc.) . In 2025 heeft de OECD nieuwe regels (richtlijnen) bekend gemaakt, in dit artikel een toelichting.
Waar moet ik belasting betalen als ik grensoverschrijdend ga thuiswerken?
Steeds meer werknemers werken deels of volledig vanuit het buitenland. Het kan gaan om een werknemer die in het buitenland woont en vanuit zijn eigen woning gaat werken maar ook om zogenaamde remote werknemers en/of digital nomads, die lekker vanaf het strand of zonnige locatie voor een Nederlandse werkgever werken. Voor de werkgever ontstaat dan een nieuwe werkelijkheid. Moet er in dat land ook belasting worden betaald?
De 50% regel bij werken in het buitenland
De nieuwe regeling introduceert een praktische drempel. Als een werknemer minder dan 50% van zijn totale werktijd voor het bedrijf werkt vanuit een huis of andere plaats in het buitenland (gedurende periode van 12 maanden) wordt die locatie doorgaans niet als bedrijfslocatie van zijn werkgever gezien. Als de drempel van 50% wel wordt gehaald (of overschreden) is een verdere analyse van de de feiten en omstandigheden nodig.
Commerciële werkzaamheden in buitenland en vaste inrichting
De belangrijkste factor is of er een commerciële reden is voor de fysieke aanwezigheid van de werknemer in het buitenland. Als de werkgever daadwerkelijk bekend wordt en de activiteiten worden bevorderd (door de thuiswerkende werknemer) kan er sprake zijn van een fiscale vaste inrichting in het buitenland. Het OECD commentaar geeft een aantal voorbeelden:
- De werknemer werkt 30% in het buitenland vanuit zijn woning: geen vaste inrichting
- De werknemer werkt 80% in het buitenland vanuit zijn woning en op het strand en bezoekt regelmatig klanten: vaste inrichting is waarschijnlijk aanwezig vanwege vaste en commerciële redenen voor de werkgever
- De werknemer werkt vrijwel uitsluitend vanuit zijn woning om realtime diensten te leveren aan klanten in een andere tijdzone: vaste inrichting zou aanwezig kunnen zijn omdat deze regeling de activiteiten van de werkgever vergemakkelijkt.
- Werknemer werkt 80% thuis en bezoekt incidenteel een klant of relatie: geen vaste inrichting omdat commercieel belang ontbreekt.
Dus als de fysieke aanwezigheid van de werknemer in het land bijdraagt aan de business van de Nederlandse werkgever (onderneming) is sprake van een vaste inrichting, hierbij moet de 50% grens wel worden gehaald. Het moet dan gaan om relevante activiteiten, klantenbezoek, toegevoegde waarde (tijdzones of lokale resources). Enkel thuiswerken omdat het zo gemakkelijk is en om tijd te besparen vorm nimmer een vaste inrichting.
Wat is een vaste inrichting?
De meeste belastingverdragen zijn gebaseerd op artikel 5 van het OECD-Modelverdrag. Volgens dit artikel ontstaat een vaste inrichting wanneer sprake is van:
- een vaste plaats van bedrijfsuitoefening;
- met voldoende duurzaamheid;
- waar de onderneming haar activiteiten geheel of gedeeltelijk uitoefent.
Voorbeelden van vaste inrichtingen zijn onder meer een kantoor, filiaal, fabriek of werkplaats. Gevolgen van een vaste inrichting zijn
- Lokale belastingplicht voor de vennootschapsbelasting
- transfer pricing issues / winsttoerekening
- extra formele vereisten, audit en controles.
Noot fiscaal jurist inzake digital nomads en thuiswerkers in het buitenland
Sinds corona is hybride werken (combinatie kantoor en thuis) uitgegroeid tot een onderdeel van de moderne arbeidscultuur. Steeds meer werknemers werken ook vanuit het buitenland. Voor de fiscale liefhebber wordt er als snel gedacht aan het zogenaamde 14 oktober arrest van de Hoge Raad (d.d. 14 oktober 2022 ECLI:NL:HR:2022:1436). Bij een strategisch voordeel voor de werkgever leggen sommige landen de grens voor een vaste inrichting vrij laag (voorbeelden : Oostenrijk, Denemarken en Zweden).
Als een werknemer meer dan 50% in het buitenland werkt moet u als werkgever oppassen voor fiscale gevolgen in dit land. Het moet hierbij wel gaan om belangrijke commerciële functies, onderhandelingen over contracten en/of het bedienen van klanten in andere tijdzones en/of in dit land (of de buurlanden). Denk hierbij aan consultants, sales medewerkers en projectleiders. Bij interne ondersteuning is er meestal geen sprake van een vaste inrichting in het buitenland.
Als de buitenlandse thuiswerkplek als vaste inrichting wordt aangemerkt heeft dit fiscale gevolgen. De onderneming zal winst moeten toerekenen aan de locatie en hierover in dat land vennootschapsbelasting betalen. Laat uw werknemer de arbeidstijd bijhouden en analyseer het soort werk en de bevoegdheden van de werknemer.
Grensoverschrijdend thuiswerken wordt steeds gebruikelijker, maar brengt nieuwe fiscale risico’s met zich mee. De OECD-update van 2025 geeft meer duidelijkheid over wanneer een buitenlandse thuiswerkplek kan leiden tot een vaste inrichting. De praktische 50%-werktijdtoets en de commerciële-reden-toets vormen daarbij belangrijke richtsnoeren. Toch blijft de beoordeling sterk afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het specifieke geval.
Wederom geen teruggaaf dividendbelasting voor buitenlandse beleggingsfondsen
Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 5 november 2025 (ECLI:NL:GHSHE:2025:3240) uitspraak gedaan in een massaal bezwaarprocedure van 46 buitenlandse beleggingsfondsen over de teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting. In lijn met eerdere jurisprudentie van onder meer de Hoge Raad concludeert het hof dat geen recht bestaat op teruggaaf.
Waarom geen teruggaaf dividendbelasting voor buitenlands beleggingsfonds?
De fondsen voerden aan dat het weigeren van de teruggaaf in strijd is met het Europese recht, met name de vrijheid van kapitaalverkeer.
Het hof erkent dat sprake kan zijn van een belemmering, maar verwijst naar eerdere uitspraken van de Hoge Raad en het HvJ EU waaruit volgt dat deze belemmering kan worden gerechtvaardigd door de noodzaak om de interne samenhang van het Nederlandse belastingstelsel te behouden, mits het proportionaliteitsbeginsel in acht wordt genomen (zie o.m. Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1674 en Hoge Raad 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1112). Dit kan anders zijn indien wordt ingestemd met een vervangende betaling; in deze zaak gingen de belanghebbenden daar echter niet mee akkoord.
En de afdrachtsvermindering voor buitenlandse beleggingsfondsen?
Als ten laste van een Nederlandse fiscale beleggingsinstelling (fbi) dividendbelasting is ingehouden, kan deze onder voorwaarden worden verrekend met de dividendbelasting die de fbi moet afdragen bij uitkeringen aan haar participanten. De buitenlandse fondsen wensen deze afdrachtsvermindering ook toe te passen en in dat kader een teruggaaf van dividendbelasting te ontvangen.
Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad uit 2021 en 2024 (ECLI:NL:HR:2021:506 en ECLI:NL:HR:2024:1176) oordeelt het Hof ook op dit punt in het nadeel van de belanghebbenden omdat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting.
Vrijgestelde participanten
Belanghebbenden voeren aan dat zij recht hebben op teruggaaf voor zover sprake is van vrijgestelde participanten. Het hof oordeelt dat de belanghebbenden niet zelf enig recht hebben op een teruggaaf van dividendbelasting in dit kader. In andere woorden: voor zover vrijgestelde participanten al recht hebben op teruggaaf, moeten zij zelf een teruggaafverzoek doen.
Een beleggingsfonds met één participant en dividendbelasting
Een beleggingsfonds met slechts één participant wordt voor fiscale doeleinden als transparant aangemerkt. Dit betekent dat belanghebbenden zelf geen aanspraak kunnen maken op een teruggaaf, maar dat dit op het niveau van de participant moet worden beoordeeld en deze vervolgens zelf een teruggaafverzoek moet doen.
(Immateriële) schadevergoeding
Normaal gesproken wordt bij overschrijding van de redelijke termijn door de Belastingdienst of de rechtspraak een vergoeding toegekend van € 500 per half jaar waarmee de termijn is overschreden.
In dit geval oordeelt het hof echter dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn moet worden verlengd en dus geen vergoeding wordt toegekend. Deze bijzondere omstandigheden zijn: de zeer omvangrijke stroom van zaken over dit onderwerp, het stellen van prejudiciële vragen door de Hoge Raad, diverse tussentijdse regiezittingen en de complexe fiscale materie.
Noot fiscaal jurist inzake teruggaaf dividendbelasting voor buitenlandse entiteiten
De teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting aan buitenlandse fondsen blijft onderwerp van discussie in de jurisprudentie, niet alleen in Nederland maar ook op Europees niveau. Deze uitspraak is in lijn met de eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad. In de literatuur wordt soms betoogd dat deze (eerdere) jurisprudentie van de Hoge Raad mogelijk niet in lijn is met het Europese recht. Het is dan ook de verwachting dat belanghebbenden in cassatie zullen gaan tegen deze uitspraak van het hof en de Hoge Raad zullen verzoeken om nogmaals prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Vragen? Wij adviseren u vlot en kundig. Neem gerust contact op met onderstaande adviseurs.
De fiscale kwalificatie van een financiering
De Profit Participating Loan (PPL), Contingent Convertible (CoCo), Simple Agreement for Future Equity (SAFE), Obligation Remboursable en Actions (ORA), Perpetual Bonds, Keep It Simple Security (KISS), Easy Prepayment On Shares (EPOS) en Agreement of Subscription against Advance Payment (ASAP). Dit zijn allemaal financieringsvormen bedacht om zo flexibel mogelijk financiering te bieden. Financieringsvormen met pakkende namen die veel worden gebruikt door Private Equity, Venture Capital & Start-/Scale-ups.
In de fiscale wereld worden minder pakkende termen gebruikt en wordt sinds jaar en dag onderscheid gemaakt tussen ‘eigen vermogen’ en ‘vreemd vermogen’. Dit lijkt overzichtelijk, maar elke financieringsvorm moet in één van deze twee categorieën worden ingedeeld. En dat is zo simpel nog niet.
In onderstaand artikel wordt ingegaan op de relevantie van het verschil tussen eigen vermogen en vreemd vermogen voor de vennootschapsbelasting. Daarnaast worden handvatten gegeven om te beoordelen hoe een bepaalde financieringsvorm fiscaal kwalificeert en wordt afgesloten met aandachtspunten voor de praktijk.
Waarom is het fiscale verschil tussen eigen vermogen en vreemd vermogen relevant?
Ter achtergrond, het verschil tussen eigen vermogen en vreemd vermogen is vanuit fiscaal perspectief om verschillende redenen van belang.
- Aftrekbaarheid betalingen – Betalingen onder een financiering die fiscaal kwalificeert als eigen vermogen (dividend) zijn in beginsel niet aftrekbaar voor de betaler. Als een financiering kwalificeert als ‘vreemd vermogen’ zijn de betalingen (rente) wel aftrekbaar, tenzij een onzakelijke rente wordt gehanteerd. Bij een onzakelijke rente komt enkel de zakelijke rente in aftrek. In het kort is de zakelijke rente de rente die betaalt zou worden aan een onafhankelijke derde, indien nodig met toepassing van een borgstelling. Voor de geldverstrekker is dit punt minder relevant, want het uitgangspunt is dat de inkomsten in beide gevallen zijn belast.
- Aftrekbaarheid kosten – Kosten die samenhangen met de financiering, zoals emissiekosten, bankkosten en advieskosten volgen de (fiscale) behandeling van de vergoeding (aftrekbaar of niet-aftrekbaar). Kosten die samenhangen met het vertrekken van eigen vermogen zijn dus in beginsel niet aftrekbaar. Dit punt is zowel relevant voor de geldverstrekker als de geldnemer.
- Afwaardering – De afwaardering van een financiering die kwalificeert als vreemd vermogen mag in beginsel fiscaal in aftrek worden gebracht door de geldverstrekker. Dit is anders indien sprake is van een ‘onzakelijke lening’. Een vermindering van de waarde van een financiering die kwalificeert als eigen vermogen mag niet in aftrek worden gebracht. Voor de geldnemer kan een kwijtschelding van vreemd vermogen resulteren in belastbare winst, dit is niet mogelijk bij eigen vermogen.
- Deelnemingsvrijstelling – Voor het toepassen van de deelnemingsvrijstelling is (onder meer) een belang van ≥5% nodig. Een financieringsvorm die fiscaal als eigen vermogen kwalificeert kan een belang van ≥5% geven en daarmee recht geven op toepassing van de deelnemingsvrijstelling. Als de deelnemingsvrijstelling van toepassing is, zijn de (dividend)ontvangsten vrijgesteld van vennootschapsbelasting.
Hoe bepaal je of een financiering fiscaal wordt gezien als eigen vermogen of vreemd vermogen?
Om de fiscale kwalificatie van een financiering te bepalen, moet eerst worden gekeken naar de civielrechtelijke kwalificatie. Het doorslaggevende criterium voor de civielrechtelijke kwalificatie is de terugbetalingsverplichting. Het is bijvoorbeeld niet relevant of een (onafhankelijke) derde dezelfde lening zou hebben verstrekt, onzakelijke voorwaarden zijn overeengekomen, de terugbetaling onzeker/voorwaardelijk is of hoe het instrument door partijen wordt genoemd.
Tot voor kort was de terugbetalingsverplichting nog geen onderwerp van discussie geweest omdat in veel gevallen duidelijk zal zijn of er een dergelijke verplichting bestaat. Als immers uit de onderliggende documentatie blijkt dat de geldnemer het nominale bedrag in geld moet terugbetalen, ook al is dit omgeven met mitsen en maren, dan is sprake van een terugbetalingsverplichting en kwalificeerde de lening civielrechtelijk als vreemd vermogen. Het is dan nog wel mogelijk dat fiscaal wordt afgeweken van deze kwalificatie in een drietal specifieke situaties: de schijnlening, deelnemerschapslening en de bodemlozeputlening (hierover later meer).
De terugbetalingsverplichting en de beoordelingscriteria
Sinds het ORA-arrest van 17 mei 2024 staat de terugbetalingsverplichting meer in de belangstelling. ORA staat voor ‘Obligation Remboursable en Actions’. Dit is een type converteerbare obligatie waarbij de houder (de geldverstrekker) aan het einde van de looptijd de obligaties kan inwisselen voor aandelen in de uitgever van de ORA’s (de geldnemer).
In de ORA-zaak was tussen de Belastingdienst en de uitgever in geschil of er daadwerkelijk een terugbetalingsverplichting geldt. Kenmerken van de ORA’s in dit geval zijn onder meer dat aflossing na de looptijd in principe plaatsvindt in aandelen en dat slechts in specifieke gevallen uitbetaling plaatsvindt in geld.
Hof Amsterdam oordeelde - en de Hoge Raad bevestigde – dat er in de ORA-zaak géén (afdwingbare) terugbetalingsverplichting is op basis van de volgende feiten en omstandigheden:
- Geldverstrekkers kunnen na drie maanden verzoeken om inwisseling in aandelen;
- Geldverstrekkers kunnen niet (afdwingbaar) verzoeken om terugbetaling van een geldsom ten bedrage van de nominale waarde van de ORA’s;
- In het geval van liquidatie (vrijwillig dan wel verplicht) dient de geldnemer wel de nominale waarde van de ORA’s terug te betalen in geld;
- Na afloop van de looptijd vindt verplichte aflossing plaats in aandelen, waarbij één ORA één aandeel vertegenwoordigt;
- De geldverstrekker loopt het risico minder te ontvangen dan de nominale waarde van de ORA’s bij uitgifte;
- De aandelen die worden verkregen bij conversie zijn volledig risicodragend;
- De geldverstrekker kan aflossing in aandelen slechts in bepaalde situaties afdwingen, het initiatief tot aflossing in aandelen ligt in beginsel bij de geldnemer;
- Voor verslaggevingstandaarden (IFRS in dit geval) kwalificeren de ORA’s als eigen vermogen (equity shares).
De ORA’s kwalificeren fiscaal gezien dus als ‘eigen vermogen’. In deze zaak was met name in geschil of de emissiekosten en orgaankosten (die fors kunnen zijn bij de uitgifte van obligaties) aftrekbaar zijn. Nu sprake is van eigen vermogen, zijn deze kosten niet-aftrekbaar voor de debiteur.
Uitzonderingen op het civielrechtelijke uitgangspunt
Al lang voor de ORA-zaak is geoordeeld dat zelfs als sprake is van een terugbetalingsverplichting (en de civielrechtelijke kwalificatie dus vreemd vermogen is), er zich situaties kunnen voordoen waarbij de financiering fiscaal toch wordt behandeld als eigen vermogen. Dit geldt in de volgende drie specifieke gevallen:
- schijnlening – van een schijnlening is sprake als partijen eigenlijk een kapitaalstorting hebben beoogd, maar dit – bijvoorbeeld om fiscale motieven – hebben ingekleed als geldlening.
- deelnemerschapslening – als aan de volgende drie voorwaarden
wordt voldaan, is sprake van een deelnemerschapslening:
(i) de vergoeding is afhankelijk van de winst;
(ii) de lening is achtergesteld bij concurrerende schuldeisers; en
(iii) de lening kent geen vaste looptijd of een looptijd van ≥ 50 jaar. - bodemlozeputlening – als op voorhand vaststaat dat de lening niet (volledig) zal worden terugbetaald, is sprake van een bodemlozeputlening.
Bovenstaande leningen worden fiscaal dus aangemerkt als eigen vermogen. Dergelijke leningen komen met name voor tussen verbonden entiteiten (een DGA- of concernstructuur), maar kunnen zich ook voordoen tussen (nog) niet-verbonden partijen (investeerder/kredietverleners en geldnemers).
Aandachtspunten bij financieringen en kredietverlening
- Financieringen tussen niet-verbonden partijen vallen ook binnen de reikwijdte van het beoordelingskader;
- Beoordeel vooraf wat de fiscale gevolgen zijn. Bij een ‘plain vanilla’ leningsovereenkomst (vast rente, korte looptijd en terugbetaling hoofdsom) of een aandelenuitgifte zal dit voor de hand liggen, maar bij financieringsvormen met complexere voorwaarden (alternatieve of onzekere terugbetaling, winstafhankelijke rente, lange looptijd) kan dit anders zijn;
- Als er onduidelijkheid bestaat over de fiscale kwalificatie, overleg met de wederpartij om te voorkomen dat een verschillend standpunt wordt ingenomen;
- Zorg voor vastlegging van de fiscale kwalificatie, intern maar eventueel ook in de financieringsdocumentatie met de wederpartij;
- Specifiek voor grotere kredietverleners & investeringsmaatschappijen: informeer (account)managers en neem fiscale criteria op in de financieringsbeoordeling.
Uiteindelijk zal op basis van de onderliggende financieringsdocumentatie moeten worden beoordeeld of sprake is van eigen vermogen of vreemd vermogen voor de vennootschapsbelasting. Neem gerust vrijblijvend contact met ons op om mee te denken over een bepaalde financiering of als u vragen heeft.
Terugbetaling kapitaal is belastingvrij voor DGA
Natuurlijk lezen wij dagelijks onze vaktechniek, jurisprudentie en diverse kranten. In het FD stond een artikel over een kapitaaluitkeringsconstructie bij het ijsmerk Magnum. Voor u als Directeur Groot Aandeelhouder (DGA)/ondernemer betekent dit meer dan beursnieuws. Hoe is het binnen het Nederlandse bestel mogelijk de scheidslijn tussen dividenduitkering (box 2), terugbetaling van kapitaal (fiscaal erkend) of agio te gebruiken zonder dat sprake is van mogelijke misbruikconstructies? Formeel is er niks mis met deze regeling en past deze binnen de fiscale regels.
De magnum kwestie en terugbetaling van kapitaal
Aandeelhouders van Magnum betalen de komende jaren geen dividendbelasting omdat gestort (fiscaal erkend) kapitaal aan de aandeelhouders wordt terugbetaald. Voor Nederlandse aandeelhouders maakt dit niet veel uit (meestal is de ingehouden dividendbelasting in Nederland gewoon verrekenbaar). Voor buitenlandse aandeelhouders (zoals britten) is dit fiscaal aantrekkelijk omdat zij niet altijd in Nederland ingehouden dividendbelasting kunnen verrekenen in de UK. Magnum maakt netjes gebruik van bestaande fiscale regelingen die niet altijd onomstreden blijken te zijn, het voordeel kan oplopen tot 15% van de ontvangen uitkering. Magnum (of Unilever) is niet het eerste bedrijf dat gebruik maakt van deze regelingen, ze zijn in goed gezelschap van Shell, AkzoNobel, TomTom, Van Lanschot en Heineken. Magnum heeft over vorenstaande een overeenkomst met de Nederlandse belastingdienst gesloten.
De terugbetaling van kapitaal, wat speelt er precies ?
De kern is dat de BV (of NV) in plaats van een winstuitkering (dividend) kiest voor de terugbetaling van fiscaal erkend kapitaal (zoals gestorte aandelen of een agioreserve). In beginsel is zo'n terugbetaling niet onderworpen aan de heffing van dividendbelasting (box 2). De Wet Dividendbelasting 1965 kent namelijk een uitzondering op de teruggave van hetgeen op aandelen is gestort voor zover er zuivere winst is gemaakt, soms is deze belast en soms niet.
Volgens de kennisgroep van de belastingdienst (KG:024:2022:5) is de terugbetaling van kapitaal onderworpen aan formele vereisten. Op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel d, Wet DB is de (gedeeltelijke) teruggaaf van hetgeen op aandelen is gestort, indien en voor zover er zuivere winst is, een opbrengst voor de dividendbelasting, tenzij tevoren de AvA tot deze teruggaaf heeft besloten en de nominale waarde van de desbetreffende geplaatste aandelen bij statutenwijziging met een gelijk bedrag is verminderd. Volgens de Hoge Raad d.d. 14 januari 1959 (ECLI:NL:HR:1959:AY0753) mag er geen sprake zijn van ongelijk gebruik. Op het moment van de teruggaaf moet er duidelijkheid zijn over de fiscale gevolgen verbonden aan de teruggave (Hoge Raad. 3 april 1991 ECLI:NL:HR:1991:ZC4545) .
Al met al, als u de koninklijke en fiscaal juiste route bewandeld gaat het goed (lees belastingvrij) en anders krijgt u te maken met de fiscaal en regide spelregels. Terugbetaling van kapitaal (fiscaal erkend) is onbelast als dit in lijn is met de geest en letter van de wet, aldus onze staatsscretaris (zie kamerstukken uit 2024).
Noot fiscaal jurist inzake terugbetaling van kapitaal
Uit de casus bij Magnum volgt dat hetgeen de aandeelhouder heeft gestort op de aandelen ook weer belastingvrij kan worden terugbetaald, dit zowel in binnenlandse als buitenlandse situaties. Bij de keuze van de DGA (of aandeelhouder/bestuur) voor terugbetaling van kapitaal in plaats van een (belaste) dividenduitkering, kunnen bedrijfseconomische redenen van belang zijn. Omdat fiscaal erkend kapitaal aanwezig moet zijn voor een onbelaste terugbetaling van kapitaal, blijft de dividendbelastingclaim (box 2 of dividendbelasting) rusten op de winstreserves. Dit is een heldere en bewuste keuze van de wetgever geweest. Het kabinet ziet daarom geen aanleiding voor de introductie van nieuwe maatregelen, aldus het vraag en antwoorden spel inzake Heineken. Omdat de terugbetaling van kapitaal als zodanig niet kan worden aangemerkt als belastingontwijking, houdt de Belastingdienst de terugbetalingen niet bij in een apart bestand.
Belastingontwijking wordt via diverse teams bij de belastingdienst bestreden (zoals coördinatiegroep taxhavens en concernfinancieringen (CTC) en de coördinatiegroep constructiebestrijding (CCB).
Wat is voor de praktijk van de DGA van belang?
- fiscaal erkend kapitaal: zorg ervoor dat u het geplaatste en gestorte fiscaal erkende kapitaal goed in beeld heeft, inclusief agio. Alleen op fiscaal erkend kapitaal (en Agio) kan onbelaste terugbetaling plaatsvinden;
- procedurevereisten: voor een onbelaste terugbetaling moet vooraf een aandeelhoudersbesluit zijn genomen en vaak ook een statutenwijziging via de notaris. De nominale waarde van de aandelen moet dan worden verminderd. Vaak is het kapitaal (tenminste) € 18.000, dit kan dus onder de regeling vallen;
- winstreserves: als er winstreserves zijn en ook fiscaal erkend kapitaal, is een juiste fiscale advisering van belang (zie kennisgroep standpunt hierboven);
- vastlegging: documenteer de economische motieven en bedrijfs-/kapitaalstructuur op zorgvuldige wijze. Misbruik (winstreserves omzetten in fiscaal erkend agio) wordt altijd aangepakt. Formeel kan de belastingdienst er vaak niets mee (zie beantwoording kamervragen inzake chemiebedrijf OCI d.d. 22 mei 2024) . In 2024 ontving mevrouw Carvalho Heineken belastingvrij € 130 miljoen, hierover zijn meer dan voldoende kamervragen gesteld, edoch vooralsnog zonder wetswijziging.
Vragen? Neem gerust contact met ons op!
Teruggaafverzoek dividendbelasting
Indien geen beroep kan worden gedaan op een inhoudingsvrijstelling, of de inhoudingsvrijstelling ten onrechte niet is toegepast, dan kan mogelijk nog wel sprake zijn van een recht op teruggaaf. De opbrengstgerechtigde van het dividend kan dan zelf een verzoek indienen bij de Belastingdienst tot (gedeeltelijke) terugbetaling van de dividendbelasting die is ingehouden door de uitkerende entiteit. Hieronder volgt een overzicht van situaties waarin mogelijk sprake kan zijn van een recht op teruggaaf
Lichaam dat niet aan de vennootschapsbelasting is onderworpen en teruggave dividendbelasting
In Nederland gevestigde lichamen die niet zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting (bijvoorbeeld bepaalde (charitatieve) stichtingen en verenigingen) hebben recht op teruggaaf van dividendbelasting. Hetzelfde geldt voor lichamen die zijn gevestigd in de EU/EER of een ander land waarmee Nederland internationaal informatie uitwisselt. Voor deze laatste groep is het wel van belang dat het lichaam ook in Nederland zou zijn vrijgesteld als het (hypothetisch gezien) in Nederland zou zijn gevestigd. Als een buitenlands lichaam zich in het eigen vestigingsland kan beroepen op een vrijstelling en Nederland kent geen soortgelijke vrijstelling, dan moet alsnog dividendbelasting worden ingehouden.
Deze inhoudingsvrijstelling is overigens niet van toepassing als de opbrengstgerechtigde een fiscale beleggingsinstelling of vrijgestelde beleggingsinstelling is, of een daarmee vergelijkbare functie vervult.
Daarnaast dient voor het toepassen van de inhoudingsvrijstelling in deze situatie een kwalificatiebeschikking te worden verkregen van de Belastingdienst die is opgenomen in de administratie van de inhoudingsplichtige op het moment dat het dividend ter beschikking wordt gesteld. Als deze kwalificatiebeschikking ontbreekt, dan mag de inhoudingsvrijstelling niet worden toegepast.
Natuurlijk persoon die niet aan de inkomstenbelasting is onderworpen en teruggave dividendbelasting
Aan een natuurlijk persoon die woonachtig is in de EU/EER of een ander land waarmee Nederland internationaal informatie uitwisselt,wordt op verzoek teruggaaf verleend wanneer die persoon niet belastingplichtig is voor de inkomstenbelasting. Daarnaast moet de belastingdruk zwaarder zijn dan wanneer deze persoon in Nederland zou wonen. Om te bepalen of hier sprake van is, moet een individuele drukvergelijking worden gemaakt. Gezien het belastingtarief van 15%, zal een persoon met een belang van ≥5% over het algemeen niet zwaarder worden belast dan een Nederlandse inwoner.
Verdragssituaties en teruggave dividendbelasting
In bepaalde belastingverdragen heeft Nederland afgesproken dat door Nederland geen of slechts beperkt belasting mag worden geheven over dividenduitkeringen aan inwoners van het andere land. Als in deze situaties geen inhoudingsvrijstelling kan worden toegepast, zal de uitkerende vennootschap de dividendbelasting moeten inhouden en afdragen. Vervolgens kan de opbrengstgerechtigde de dividendbelasting terugvragen van de Belastingdienst via een teruggaafverzoek.
Of een opbrengstgerechtigde van dividenduitkeringen door een Nederlandse vennootschap recht heeft op teruggaaf moet op basis van het van toepassing zijnde belastingverdrag worden beoordeeld. Meestal wordt een recht op teruggaaf op basis van een belastingverdrag enkel verleend aan bepaalde typen aandeelhouders. Enkele bekende voorbeelden hiervan zijn:
- Aandeelhouders met een substantieel belang (meestal 20% of meer)
- Pensioenfondsen
- Charitatieve instellingen
- Overheidsinstellingen (incl. centrale banken)
EU recht inzake teruggave dividendbelasting
In binnenlandse situaties kan de opbrengstgerechtigde de ingehouden dividendbelasting vaak verrekenen met de verschuldigde vennootschapsbelasting. Vóór 1 januari 2022 kon dit ook leiden tot een teruggaaf van dividendbelasting als die niet volledig kon worden verrekend. Per saldo was dan eigenlijk geen dividendbelasting verschuldigd door de opbrengstgerechtigde. Buitenlandse opbrengstgerechtigden hebben deze mogelijkheid in beginsel niet. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in onder meer het Sofina-arrest en de Zaak XX geoordeeld dat ingezetene opbrengstgerechtigden hiermee worden bevoordeeld en dat dit een ongeoorloofde beperking kan vormen van het vrije verkeer van kapitaal. Hiervoor is wel vereist dat een buitenlandse opbrengstgerechtigde zich in een voldoende vergelijkbare situatie bevindt als een ingezetene opbrengstgerechtigde. Als dit het geval is, moet Nederland een teruggaaf verlenen van de ingehouden dividendbelasting. Er worden op dit moment meerdere rechtszaken gevoerd door onder meer buitenlandse pensioenfondsen, verzekeraars en beleggingsfondsen die betogen dat zij voldoende vergelijkbaar zijn met ingezetene opbrengstgerechtigden die effectief niet zijn onderworpen aan dividendbelasting.
Aangezien vanaf 1 januari 2022 geen teruggaaf meer wordt verleend aan Nederlandse ingezetenen (en het voordeel dus is weggenomen), is het de vraag of zich sindsdien nog steeds situaties kunnen voordoen waarin buitenlandse lichamen nadeliger worden behandeld dan Nederlandse lichamen die in strijd is met het EU-recht.
Noot fiscaal jurist inzake teruggave dividendbelasting
Aangezien het recht op teruggaaf sterk afhankelijk is van de specifieke feiten en omstandigheden én aanvullende voorwaarden van toepassing kunnen zijn, adviseren wij om eerst het recht op teruggaaf te analyseren alvorens een teruggaafverzoek in te dienen bij de Belastingdienst. Indien u hulp nodig heeft bij een analyse over het recht op teruggaaf of het indienen van een teruggaafverzoek, neemt u dan contact met ons op.
Inhoudingsvrijstelling en dividendbelasting
In bepaalde gevallen kan een entiteit die een dividenduitkering doet een inhoudingsvrijstelling toepassen. Dit betekent dat er géén 15% dividendbelasting ingehouden hoeft te worden op de dividenduitkering en de gehele (bruto) dividenduitkering kan worden uitgekeerd aan de ontvangende entiteit (ook wel de ‘opbrengstgerechtigde’ genoemd).
Hieronder is een overzicht opgenomen van de meest voorkomende situaties waarin een inhoudingsvrijstelling van toepassing kan zijn. Om voor een inhoudingsvrijstelling in aanmerking te komen, moet de opbrengstgerechtigde aannemelijk maken dat die de uiteindelijk gerechtigde is. Kort gezegd is de uiteindelijk gerechtigde diegene die het economisch belang heeft bij een opbrengst en die daarover ook daadwerkelijk kan beschikken. Een persoon kwalificeert bijvoorbeeld niet als uiteindelijk gerechtigde als deze persoon de opbrengst geheel of gedeeltelijk direct of indirect moet doorbetalen aan een ander, bijvoorbeeld op basis van een overeenkomst.
Fiscale eenheid en deelnemingssituaties
Als de uitkerende en ontvangende entiteit tot dezelfde fiscale eenheid behoren, dan hoeft geen dividendbelasting te worden ingehouden.
Dividendbelasting hoeft ook niet te worden ingehouden wanneer de opbrengstgerechtigde een belang bezit waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing is. In een puur binnenlandse situatie (de uitkerende entiteit en de opbrengstgerechtigde zijn allebei in Nederland gevestigd) zal dit vaak het geval zijn en kan de inhoudingsvrijstelling in beginsel worden toegepast. Uitzonderingen hierop zijn de uitkerende entiteit die is vrijgesteld van vennootschapsbelasting en de ontvangende entiteit die kwalificeert als beleggingsinstelling.
Wanneer de opbrengstgerechtigde in het buitenland is gevestigd, moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
- de opbrengstgerechtigde is gevestigd in een staat die onderdeel uitmaakt van de EU/EER of een staat waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten;
- de opbrengstgerechtigde zou de deelnemingsvrijstelling kunnen toepassen als die in Nederland zou zijn gevestigd;
- het belang wordt niet gehouden om belastingheffing bij een ander te ontgaan (de subjectieve toets) of er is geen sprake van een kunstmatige constructie (de objectieve toets).
Voor een nadere uitleg van de inhoudingsvrijstelling in deelnemingssituaties wordt verwezen naar het artikel ‘Inhoudingsvrijstelling in deelnemingssituaties"
Lichaam dat niet aan de vennootschapsbelasting is onderworpen
Op dividenduitkeringen aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon die niet onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting (bijvoorbeeld bepaalde (charitatieve) stichtingen en verenigingen) hoeft geen dividendbelasting te worden ingehouden. Hetzelfde geldt voor lichamen die gevestigd zijn in de EU/EER. Voor deze laatste groep is het wel van belang dat het lichaam ook in Nederland zou zijn vrijgesteld als het (hypothetisch gezien) in Nederland zou zijn gevestigd. Als een buitenlands lichaam zich in het eigen vestigingsland kan beroepen op een vrijstelling en Nederland kent niet een soortgelijke vrijstelling, dan dient alsnog dividendbelasting te worden ingehouden.
Deze inhoudingsvrijstelling is overigens niet van toepassing indien de opbrengstgerechtigde een fiscale beleggingsinstelling of vrijgestelde beleggingsinstelling is, of een daarmee vergelijkbare functie vervult.
Daarnaast dient voor het toepassen van de inhoudingsvrijstelling in dit geval een kwalificatiebeschikking te worden verkregen van de Belastingdienst die is opgenomen in de administratie van de inhoudingsplichtige op het moment dat het dividend ter beschikking wordt gesteld.
Inkoop van aandelen
Als een beursgenoteerd bedrijf aandelen inkoopt, anders dan ter tijdelijke belegging, is daarmee in beginsel sprake van een belaste winstuitdeling. Een dergelijke winstuitdeling via de inkoop van aandelen is tot een bepaalde hoogte en onder voorwaarden vrijgesteld. Zo gelden er onder meer diverse drempels om te voorkomen dat dergelijke bedrijven contante dividenduitkeringen vervangen door de inkoop van eigen aandelen. De toepassing van deze inhoudingsvrijstelling is complex, daarom kan de inkopende vennootschap een verzoek doen bij de Belastingdienst om zekerheid vooraf.
Beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe)
Dergelijke instellingen kopen en verkopen regelmatig eigen aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid om verschillende redenen. Als dit niet is bedoeld als inkoop ter tijdelijke belegging, dan is in beginsel dividendbelasting verschuldigd. Inhouding mag in die gevallen desondanks achterwege blijven voor zover het bedrag van de opbrengst in mindering wordt gebracht op de agioreserve of herbeleggingsreserve.
Groene beleggingen en NSW-lichamen
Van een ‘groene belegging’ is sprake bij aandelen in en geldleningen aan aangewezen groene fondsen. Voorbeelden van aangewezen groene fondsen zijn ING Sustainable Finance en het Triodos Groenfonds. Particuliere investeerders zijn tot een maximumbedrag geen inkomstenbelasting verschuldigd over investeringen in dergelijke fondsen (‘groene beleggingen’). Het is echter waarschijnlijk dat deze vrijstelling, en daarmee ook de inhoudingsvrijstelling, per 2027 of 2028 komt te vervallen.
Natuurschoonwetlichamen (NSW-lichamen) zijn rechtspersonen die zich hoofdzakelijk bezighouden met de instandhouding van aangewezen landgoederen. Deze lichamen zijn onder meer vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Op dividenduitkeringen aan dergelijke lichamen hoeft dan ook geen dividendbelasting te worden ingehouden.
Noot fiscaal jurist inzake inhoudingsvrijstelling
Het toepassen van een inhoudingsvrijstelling is een (groot) voordeel voor de ontvanger van de dividenduitkering. De inhoudingsvrijstelling moet echter worden toegepast door de uitkerende vennootschap.
Voor de ontvanger is het dus van belang om de uitkerende vennootschap tijdig op de hoogte te stellen van de mogelijkheid om een inhoudingsvrijstelling toe te passen en dit ook voldoende te onderbouwen, bijvoorbeeld met een fiscale notitie van een belastingadviseur.
Voor de uitkerende vennootschap is het van groot belang om te beoordelen of het toepassen van de inhoudingsvrijstelling inderdaad gerechtvaardigd is. Immers, wanneer de inhoudingsvrijstelling ten onrechte wordt toegepast of niet aan alle voorwaarden is voldaan, dan is het mogelijk dat de uitkerende vennootschap alsnog zelf de dividendbelasting moet betalen, die mogelijk ook nog wordt gebruteerd.
Mocht u als inhoudingsplichtige of als ontvangende vennootschap willen
weten of een bepaalde inhoudingsvrijstelling kan worden toegepast, neemt
u dan gerust contact met ons op.
Fiscale maatregelen Duitsland in 2026
In Nederland presenteerde het kabinet op Prinsjesdag de Miljoenennota. Het is nu afwachten of en hoe de Tweede Kamer de plannen gaat aanpassen. In Duitsland ligt dat anders: daar heeft de regering concrete belastingmaatregelen vastgesteld, waarvan een belangrijk deel is opgenomen in het “Gesetz für ein steuerliches Investitionssofortprogramm zur Stärkung des Wirtschaftsstandorts Deutschland”.
Nieuws uit Duitsland – Belastingmaatregelen vanaf 2026
Voor consumenten betekent dit dat uit eten in Duitsland vanaf 2026 weer duidelijk goedkoper wordt, omdat het btw-tarief op maaltijden (exclusief dranken) teruggaat van 19% naar 7%. Voor Nederland is ook van belang dat Duitsland zijn vennootschapsbelasting vanaf 2028 stapsgewijs verlaagt van 15% naar 10%. Daarmee daalt de totale belastingdruk naar circa 25% en neemt de fiscale concurrentie met Nederland toe.
Belangrijkste maatregelen voor burgers in Duitsland in 2026
- Reiskostenvergoeding (Pendlerpauschale): vanaf 2026 38 cent per kilometer vanaf de eerste km (nog parlementaire goedkeuring nodig).
- Lagere energiekosten: afschaffing van de gasspeicherumlage en subsidie op stroomnettarieven (parlementaire behandeling loopt).
- Mietpreisbremse: huurprijsbeperking verlengd tot eind 2029 (wet, al in werking).
- Mütterrente III: uitbreiding pensioenrechten voor ouders met vóór 1992 geboren kinderen naar 3 jaar (gepland, beoogd 2027).
Belangrijkste maatregelen voor bedrijven in Duitsland in 2026
- Versnelde afschrijving: tijdelijk degressief afschrijven (30%) op investeringen in 2025–2027 (wet).
- Vennootschapsbelasting: daling in vijf stappen van 15% naar 10% (2028–2032) (wet).
- E-mobiliteit: lage bijtelling voor elektrische auto’s geldt nu tot € 100.000 cataloguswaarde; extra afschrijving van 75% in het eerste jaar (wet).
- Onderzoeks- en ontwikkelingsaftrek: verruimd tot € 12 mln en minder bureaucratie (wet).
- Lagere stroombelasting voor industrie en landbouw (gepland, nog goedkeuring nodig).
Overige fiscale maatregelen in Duitsland in 2026
- Landbouw: herinvoering van de agrardieselteruggave (gepland), minder administratieve verplichtingen (wet).
- Vrijwilligers: verhoging vrijstellingen en vergoedingen, ruimer aansprakelijkheidsprivilege (gepland, onderdeel Belastingwijzigingswet 2025).
Fiscaal advies Duitsland
Met deze maatregelen wil Duitsland burgers en bedrijven structureel ontlasten en internationaal aantrekkelijker worden. Een deel van de plannen is al in werking, andere wachten nog op goedkeuring door Bundestag en Bundesrat.
Bronnen:
Bundesregierung (25-9-2025), Bundesfinanzministerium, BGBl 2025 I Nr. 161,
NWB OAAAK-00616.
Fiscale gevolgen voor piloot werkzaam bij Ryanair
Een in Nederland wonende piloot (zelfstandig ondernemer) werkt via een Ierse constructie voor Ryanair. In dit artikel behandelen wij een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 15 juli 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:4349. De centrale vraag was of de piloot over diverse onkostenvergoedingen in Nederland belasting moest betalen of niet.
Piloot is zelfstandig ondernemer bij Ryanair
De (co) piloot is enig aandeelhouder en bestuurder van een Ierse Ltd. Via deze Ltd werkt de piloot voor Ryanair. De beloning wordt gefactureerd door deze Ltd en vervolgens wordt deze doorbetaald aan de piloot. De inspecteur wijkt af van de door de piloot ingediende aangiften inkomstenbelasting over 2015 - 2017. Uiteindelijk komen partijen er niet uit en wordt de gang naar de rechter gekozen. In eerste instantie is het aan de Rechtbank Gelderland die op 22 augustus 2023 uitspraak doet (ECLI:NL:RBGEL:2023:4764). De centrale discussie gaat om de onkostenvergoedingen, het fiscale loon en de hoogte van de voorkomingsbreuk. Het bescheiden basisloon bedraagt zo'n € 60.000. De rechtbank is het op onderdelen met de piloot eens, er mag rekening worden gehouden met een gerichte vrijstelling van € 4.666 en tevens met de vrije ruimte binnen de WKR.
De piloot claimde dat ook zijn stand-by diensten in Duitsland plaatsvonden, aangezien hij binnen 60 minuten paraat moest zijn op het Duitse vliegveld. Hij onderbouwde dit met een verklaring van de CEO. De inspecteur stelde echter dat stand-by diensten vaak gewoon thuis konden worden vervuld en dat de piloot onvoldoende bewijs had geleverd dat hij zich daadwerkelijk in Duitsland bevond tijdens die uren.
De rechtbank gaf eerder al géén aftrek voor deze stand-by diensten. De piloot gaan in beroep bij het Gerechtshof. In hoger beroep werd dit oordeel bevestigd: de piloot kon niet aantonen dat de stand-by diensten daadwerkelijk in Duitsland zijn vervuld. Ook was er geen sprake van specifieke beloning voor deze uren.
Noot fiscaal jurist inzake belastingheffing bij piloten, Ryainair constructie werkt niet
Henk woont in Nederland en werkt voor een werkgever in Ierland en heeft als standaard vertrekplaats Duitsland. Hierbij speelt dus een drielanden situatie die fiscaal complex is. Wij adviseren wekelijks piloten die via een drielanden situatie of twee landen situatie werkzaam zijn voor buitenlandse of binnenlandse luchtvaartmaatschappijen. Sommige piloten wonen in Nederland en sommige in het buitenland. De daadwerkelijke feiten zijn bij dergelijke belastingheffing van cruciaal belang.
Zorg als piloot altijd voor duidelijke onderbouwing, zoals roosters, hotelboekingen of GPS-gegevens, waaruit blijkt waar u op welk moment was. Niet alle werkzaamheden tellen mee. Alleen taken die onlosmakelijk verbonden zijn met vluchten (zoals briefing of taxiën) kunnen als in het buitenland uitgevoerd worden beschouwd. Het geniet de voorkeur dat stand by tijden ook apart worden vergoed.
In deze casus ging het ook nog om de belastingheffing over gemaakte onkosten, zoals parkeerkosten, medische kosten, ziektekostenverzekering, zakelijke overnachtingen, reiskosten en algemene kosten (zoals telefoon en internetkosten). Volgens de rechtbank vielen deze onder de gerichte vrijstellingen en wordt voldaan aan het gebruikelijkheidscriterium. Een aantal onderdelen zullen wij nader toelichten
Standby activiteiten van een piloot en belastingheffing
Onderdeel van de werkzaamheden van Henk (een co piloot) is de standy tijd, dus het beschikbaar zijn buiten het reguliere vliegrooster. Volgens de rechtbank moet de omvang van de voorkoming worden bepaald aan de hand van het inkomen dat toerekenbaar is aan de vluchtduur (scheduled block hours), hierbij mag ook het rijden (taxien) op het vliegveld en de overige werkzaamheden (briefing) worden meegenomen. De standby tijd wordt dus niet meegenomen omdat deze niet aannemelijk wordt gemaakt (was de co piloot ook in Duitsland) en het onduidelijk is of voor de standby tijd een vergoeding wordt betaald. Het Hof komt tot dezelfde conclusie, tijdens deze procedure is wel helder geworden dat de standby tijd niet wordt betaald en dat Henk op uurtje van het vliegveld woont, hij kan dus ook thuis zitten als het standby zou moeten staan.
Heffingsbevoegdheid vergoeding voor een piloot
Het Gerechtshof kijkt naar het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland en dan naar artikel 14 (niet zelfstandige arbeid, dus in dienstbetrekking). De heffingsbevoegdheid wordt in dergelijke situaties in de basis toegewezen aan Nederland (het woonland), dit is anders als de dienstbetrekking in het buitenland wordt uitgeoefend en aan de aanwezigheidsdrempel wordt voldaan, dan krijgt Duitsland (het werkland) ook fiscale rechten. Volgens het hof moet Nederland een deel van het salaris loslaten en een voorkoming van dubbele belasting verlenen, dit ondanks het feit dat de werkgever niet in Duitsland gevestigd is. Of het hof denkt dat Henk meer dan 183 dagen in Duitsland heeft gewerkt wordt niet duidelijk, dit zou een brug kunnen zijn naar een vaste inrichting van Ryanair in Duitsland. In een andere procedure (Gerechtshof Den Haag 26 juni 2025 ECLI:NL:GHDHA:2025:1303) kwam het Gerechtshof tot een andere (meer juiste) vaststelling. Er was wel een vaste inrichting in Duitsland maar het salaris kwam niet ten laste van deze vaste inrichting. Waarom het Gerechtshof in deze procedure niet geeft gekeken naar artikel 14 lid 4 (verdrag NL-DU 2012) welke speciaal voor piloten is geschreven is ons niet geheel duidelijk, wellicht heeft het Gerechtshof deze brug niet gemaakt omdat Ryanair in Ierland is gevestigd.
Werk jij als piloot of crew member met standplaats in het buitenland? Neem contact op met onze specialisten voor advies over optimale fiscale structurering, bezwaarprocedures en internationale verdragsinterpretatie.
Dividenduitkeringen vanuit buitenlandse deelnemingen
Wanneer is vrijstelling van bronbelasting (nog) mogelijk?
Veel aandeelhouders van een Nederlandse besloten vennootschap (BV) zijn bekend met het idee dat binnen de Europese Unie dividenduitkeringen tussen vennootschappen in principe belastingvrij kunnen plaatsvinden. Dat is ook precies het doel van de zogenoemde Moeder-Dochterrichtlijn. Deze Europese richtlijn beoogt dubbele vennootschapsbelasting op winstuitdelingen binnen internationale concernstructuren te voorkomen. Naast deze richtlijn hebben landen ook onderling belastingverdragen gesloten. Daarin is vaak geregeld dat bronbelasting over dividenden beperkt is tot bijvoorbeeld 5% of 15%, of in sommige gevallen helemaal achterwege blijft.
International structuren en strengere toetsing bronheffing
In de praktijk hebben internationale structuren – vaak met tussen geschakelde holdings – optimaal gebruik gemaakt van deze regelingen. Daarbij waren de uiteindelijke aandeelhouders regelmatig natuurlijke personen die via een buitenlandse holding deelnamen in een werkmaatschappij. Zou de persoon de aandelen rechtstreeks houden, dan zou hij of zij in het land van uitkering van de dividenden vaak wel dividendbelasting verschuldigd zijn. Door gebruik te maken van een tussenholding kon deze heffing (grotendeels) worden vermeden.
Juist dit type structuren is de laatste jaren onder vuur komen te liggen. Het Europese Hof van Justitie heeft in een reeks uitspraken duidelijk gemaakt dat misbruik moet worden tegengegaan. Lidstaten mogen – en moeten – een toets op misbruik uitvoeren. Daarbij moet de belastingplichtige in de gelegenheid worden gesteld om tegenbewijs te leveren. Alle feiten en omstandigheden moeten worden meegewogen, zoals de reële aanwezigheid van activiteiten van de tussenholding.
Duitse dochteronderneming en dividend uitkering. Strenge toets en lange wachttijden
In Duitsland is deze discussie al jaren actueel. De Duitse fiscus houdt standaard 25% Kapitalertragsteuer in, tenzij er vooraf een vrijstelling is aangevraagd op basis van de richtlijn of het belastingverdrag. Het geld kan ook achteraf worden teruggevraagd. Deze aanvragen zijn in de loop der jaren steeds complexer geworden en de behandelingstermijn loopt inmiddels op tot gemiddeld 20 maanden.
Bij de beoordeling kijkt de Duitse fiscus nauwkeurig of sprake is van misbruik. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de functie van de holding binnen het concern. Is het houden van de aandelen wel een activiteit die past binnen de onderneming van de holding, of fungeert deze enkel als doorgeefluik?
Een rechtszaak bij de Duitse rechter (FG Köln, 21.06.2023 - 2 K 1315/13) illustreert deze aanpak. In die zaak stond de vraag centraal of de holding een reële functie vervulde, en dus recht had op de vrijstelling.
Dividenduitkering Nederlandse BV aan buitenlandse moeder
Nederland lijkt inmiddels ook kritischer te zijn gaan kijken naar dit soort structuren. In een arrest van De Hoge Raad op 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1162) oordeelde de Hoge Raad dat een Belgische vennootschap geen recht had op een vrijstelling van dividendbelasting. Deze Belgische vennootschap bezat slechts de aandelen in de Nederlandse BV en twee oldtimers. De Belastingdienst en uiteindelijk ook de Hoge Raad concludeerden dat sprake was van misbruik van recht.
Wat opvalt is dat Nederland in het verleden richting Duitsland nog verdedigde dat het houden van deelnemingen via een holdingstructuur gebruikelijk en legitiem is, mede omdat er bij verdere uitkering naar een Nederlandse natuurlijk persoon nog een belastingheffing in box 2 volgt. In het verdrag met Duitsland is zelfs vastgelegd dat hiermee rekening wordt gehouden. Maar in de genoemde zaak oordeelde de Nederlandse fiscus dat de Belgische vennootschap op haar beurt ook een substantiële heffing kende (namelijk 30% bij uitkering aan haar aandeelhouder), en toch was dat voor Nederland onvoldoende reden om af te zien van inhouding.
Noot fiscaal jurist inzake internationale structureren en dividenduitkeringen
De recente ontwikkelingen maken duidelijk dat dividenduitkeringen binnen internationale structuren steeds kritischer worden bekeken – zowel in Duitsland als in Nederland. De hoofdregel van vrijstelling of verlaging van bronbelasting blijft in principe bestaan, maar wordt steeds vaker doorbroken bij signalen van misbruik. In een uitspraak van het Hof van Justitie van de EU wordt Italie op de vingers getikt omdat er een lokale belasting wordt geheven over buitenlandse deelnemingsdividenden. In dit geval ging het om een Italiaanse bank die dividenden ontving uit ondermeer Ierland en Spanje. Er was sprake van strijdigheid met de moeder dochterrichtlijn (uitspraak 1 augustus 2025 ECLI:EU:C:2025:599)
Voor aandeelhouders van Nederlandse vennootschappen met buitenlandse deelnemingen is het dan ook van belang om goed te (laten) toetsen of een vrijstelling kans van slagen heeft. Wij begeleiden met regelmaat cliënten bij het aanvragen van vrijstellingen of het terugvorderen van ingehouden dividendbelasting. Dit doen wij altijd samen met lokale experts in het betreffende land, zoals Duitsland of België.
Wilt u weten of uw structuur nog aansluit bij de huidige praktijk? Neem dan contact met ons op.
Fiscale woonplaats directeur
De fiscale woonplaats van een persoon heeft grote fiscale gevolgen. Belasting betalen in Nederland of in ander land ! Een woonplaats onderzoek van de belastingdienst wordt steeds vaker uitgevoerd. Een dergelijk onderzoek heeft ingrijpende gevolgen en is tevens een inbreuk op de privacy van een belastingplichtige. De beoordeling van de fiscale woonplaats vindt namelijk plaats op grond van vele (persoonlijke) feiten en omstandigheden. Er wordt met name gekeken naar de duurzame band van persoonlijke aard van de persoon met Nederland. Tevens wordt er gekeken naar pingedrag, bezoek tandarts, gebruik energie in huis, telefoongegevens, reis informatie, locatie overige gezinsleden, etc.
In dit artikel beoordelen wij de casus die nu nog bij de adviseur van de Hoge Raad is ondergebracht, de uitspraak van de Hoge Raad volgt in de loop van 2025. De Rechtbank en het Gerechtshof waren het al niet met elkaar eens, dus is het nu aan de Hoge Raad. De inzet ? Is een bonus van ruim 2.000.000 euro belast in Nederland of in Monaco?
Fiscale woonplaats ondernemer België
Henk is Nederlander en hij stelt dat hij medio 2015 is geëmigreerd naar België. De Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 25 februari 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:1232) is het met de inspecteur eens dat Henk (in 2017 en 2018) nog gewoon in Nederland woont. De duurzame band van persoonlijke aard is met Nederland het grootst". De belangrijkste redenen zijn:
- De nieuwe partner van Henk woont in Nederland
- De kinderen van Henk wonen nog in Nederland
- Henk heeft een woning in Nederland en
- Henk is eigenaar van meerdere Nederlandse woningen in Nederland
- Henk is eigenaar van meerdere ondernemingen in Nederland.
Het box 2 inkomen wordt met ruim € 4.400.000 verhoogd en de conserverende aanslag komt te vervallen. Met alle gezeur omtrent (a) misbruik van recht (b) niet verstrekken relevante stukken (c) stukken met verschoningsrecht, doet de rechter niks.
Woonplaats directeur in Monaco of Nederland?
Henk werkt sinds 2012 voor een internationaal bedrijf en woont in Monaco. Het hoofdkantoor wordt in 2016 verplaatst naar Nederland. Henk ontvangt begin 2016 een bonus van ruim 2.000.000 euro. Henk is van mening dat hij sinds april 2016 (na ontvangst bonus) in Nederland woont (en dus niet eerder). Volgens de Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 21 april 2022 (ECLI:NL:RBZWB:2022:2156) woonde Henk in 2016 niet in Nederland. Het Gerechtshof 's Hertogenbosch kwam op 10 juli 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:2230) tot een ander oordeel, Henk woonde in geheel 2016 in Nederland omdat hij ook voor de verhuizing naar Nederland een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland zou hebben. De advocaat Generaal (Parket Hoge Raad) geeft op 25 april 2025 een uitgebreide toelichting op het woonplaatsbegrip en het open karakter van artikel 4 AWR (ECLI:NL:PHR:2025:500) . Bij discussie over de woonplaats en een mogelijke woonplaats in 2 landen moet de tiebreaker regel uitleg geven. Er wordt in deze casus met name gekeken naar de duurzame band met Nederland (Zie ook Hoge Raad 9 juni 2023 ECLI:NL:HR:2023:873). Al met al zal de fiscale woonplaats discussie altijd een feitelijke beoordeling zijn, deskundig advies (en hierna handelen en leven) is essentieel.
Fiscale woonplaats van een directeur van een internationaal concern, de feiten
In deze zaak stond wederom de fiscale woonplaats centraal. In dit geval ging het om een een bestuurder van een internationaal concern. Deze bestuurder woonde tot eind 2015 in Monaco, maar verhuisde in 2016 terug naar Nederland.
In geschil is of hij al per 1 januari 2016 als inwoner van Nederland moet worden aangemerkt, of pas vanaf 18 april 2016, het moment waarop hij zich formeel in Nederland vestigde. De fiscale inzet is hoog: in de eerste maanden van 2016 ontving belanghebbende ruim € 2,3 miljoen aan looninkomsten. Indien hij toen al inwoner van Nederland was, is hij daarover volledig belastingplichtig. Daartegenover staat dat hij dan ook recht heeft op aftrek van een aanzienlijke persoonsgebonden post in verband met afgekochte alimentatie.
Waarom het Hof oordeelt dat hij inwoner is van Nederland
Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelde dat belanghebbende vanaf 1 januari 2016 in Nederland woonde. Het Hof baseerde dit op de volgende feiten:
- Hij beschikte over een woning in Nederland die hem ter beschikking stond;
- Hij verbleef in de eerste maanden van 2016 meer dagen in Nederland (48) dan in Monaco (44);
- Zijn echtgenote en vier kinderen woonden in Nederland;
- Hij had de Nederlandse nationaliteit;
- Zijn werk werd vanaf dat moment in Nederland uitgeoefend;
- Hij was vanaf 18 april 2016 formeel inwoner van Nederland.
Belangrijk daarbij is dat volgens het Hof niet vereist is dat Nederland het middelpunt van het maatschappelijk leven vormt, of dat de band met Nederland sterker is dan met een ander land. Zelfs als sprake is van een band met meerdere landen, kan sprake zijn van een dubbele woonplaats.
De conclusie van de Advocaat-Generaal: een herijking is niet nodig
Belanghebbende klaagt in cassatie dat het woonplaatsbegrip in art. 4 AWR te vaag en onvoorzienbaar is geworden. Hij pleit voor een helderder en strikter normenkader. De Advocaat-Generaal (A-G) R.J. Koopman verwerpt dit betoog en stelt dat:
- De wetgever bewust voor een open norm heeft gekozen (“naar de omstandigheden beoordeeld”);
- De norm biedt ruimte voor maatwerk en aansluiting bij de werkelijkheid;
- Pogingen tot codificatie of een ‘vuistregelencatalogus’ zijn in het verleden overwogen, maar terecht niet doorgevoerd;
- De mogelijkheid van een dubbele woonplaats past bij dit systeem en is sinds 1927 erkend in de jurisprudentie;
- In grensgevallen biedt een belastingverdrag met tiebreakerbepaling vaak een oplossing – hoewel dat in deze zaak ontbreekt omdat Nederland geen verdrag heeft met Monaco.
De A-G benadrukt dat het huidige systeem goed functioneert en geen aanleiding geeft tot herziening. De open norm maakt het mogelijk recht te doen aan individuele gevallen, ook in een dynamische en internationale samenleving.
Vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel: klachten falen
De A-G verwerpt ook de overige klachten van belanghebbende:
- Van gewekt vertrouwen door de Belastingdienst is geen sprake;
- De situatie van belanghebbende is niet vergelijkbaar met die van andere
bestuurders waarop hij zich beroept.
Slotbeschouwing: bevestiging van de bestaande lijn
De conclusie van de A-G bevestigt de bestaande lijn: het fiscale woonplaatsbegrip
blijft een open norm die naar omstandigheden wordt ingevuld. Voor uitzonderlijke
gevallen – zoals een dubbele woonplaats – biedt de jurisprudentie voldoende
houvast. Een vaste lijst of strakke vuistregel zou eerder tot rechtsverharding
dan rechtszekerheid leiden. Voor belanghebbenden met complexe internationale
situaties blijft het zaak om hun feiten goed te documenteren. Denk aan
verblijfspatronen, gezinssituatie, werk, woning en persoonlijke bindingen.
Wilt u weten hoe dit voor u uitpakt? De fiscale woonplaats is van groot
belang voor de inkomstenbelasting, schenk- en erfbelasting en sociale verzekeringen.
Twijfelt u over uw fiscale woonstatus of die van uw cliënten? Wij adviseren
u graag – ook in complexe, grensoverschrijdende gevallen. Neem
gerust contact met ons op.
Woonplaatsonderzoeken door de belastingdienst
Bij de belastingdienst zijn er interne instructies voor een woonplaatsonderzoek, deze kunt u hier raadplegen. Deze instructie gaat over de woonplaats van een natuurlijk persoon. Uit deze interne instructie van de belastingdienst valt op te maken dat er met name wordt gekeken naar
- informatie op het internet en sociale media (ook via AI) via speciale afdeling (OSINT), deze werkt volgens de leidraad juridisch kader internetonderzoek.
- medische gegevens
- informatie van derden en
- informatie van buitenlandse autoriteiten.
Vragenbrief belastingdienst over woonplaats ontvangen. Wat moet ik doen?
De start van het onderzoek is veelal een vragenbrief aan de belastingplichtige zelf. Vooraf is het fiscale belang (meestal schenkbelasting, erfbelasting of inkomstenbelasting) al in beeld gebracht. Er wordt informatie in beeld gebracht over:
- het feitelijk verblijf in Nederland
- de economische binding met Nederland
- de sociale binding met Nederland
- de aanwezigheid van duurzame woongelegenheid in Nederland
Bovenstaande volgt uit het rapport. Bijzonder hierbij is dat er kennelijk geen informatie over het buitenland in beeld wordt gebracht. Als er enkel naar de situatie in Nederland wordt gekeken krijgt de belastingdienst nooit een volledig beeld van alle feiten. Kennelijk wordt er enkel een onderzoek gedaan met als doen "wonen in Nederland". Dit lijkt ons niet de juiste invalshoek. Ontvangt u een vragenbrief laat u dan vanaf het eerste moment begeleiden door een specialist.
Jacht op fiscale constructies
Belastingadviseurs bedenken soms wandelpaden die ervoor zorgen dat er minder belasting kan worden betaald. Als de adviseur en zijn klant op de normale wandelpaden blijven is er niet veel aan de hand, je mag immers zelf je (fiscale) route bepalen. Verstoppen (ontduiken) tijdens de fiscale wandeling mag niet maar steeds vaker wordt er ook gekeken naar de speciale wandeling waarbij men niet geniet van de natuur maar enkel belasting wil besparen (fraus legis). De coordinatiegroep constructiebestrijding (CCB) en de coordinatiegroep Taxhavens en concernfinancieringen (CTC) bekijkt deze structuren en informeert de Belastingdienst (en bewindslieden) hierover. In het FD in mei 2025 stond hierover een speciale bijdrage. In dit artikel duiken wij in de mogelijkheden en onmogelijkheden van het fiscale landschap.
Waarschuwing coordinatiegroep constructiebestrijding
De coordinatiegroep constructiebestrijding (hierna CCB)heeft een aantal belangrijke taken:
- ontwikkelen van beleid (en wetgeving) tegen de bestrijding van constructies
- ondersteunen Belastingdienst
- Informeren van de Belastingdienst over bestaan en aanpak fiscale constructies
Via zogenaamde WOO verzoeken komen soms leuke rapporten naar voren over constructies binnen het fiscale landschap. Deze bijdrage uit 2021 (25 pagina's) geeft inzicht in enkele structureren die vaker voorbij komen bij de Belastingdienst. Constructies die voorbij komen zijn:
- Omleiden winst en salaris via buitenlandse rechtspersonen
- Vermogen onderbrengen in trust, stichting of APV (zie document)
- BTW constructies (vrijgestelde ondernemers gaan joint ventures aan met dienstverlenende bedrijven, dit speelt met name bij scholen en ziekenhuizen) (zie document)
- Overdrachtsbelasting constructies (kopen bedrijf met vastgoed zonder overdrachtsbelasting en vervolgens bedrijf weer terugverkopen, dit speelt soms bij hotels, restaurants, etc.) (zie document)
- Stalling immateriele rechten in taxhavens (zie document)
- Woonplaatsonderzoeken (zie 1document zie 2 document)
De structuren komen aan het licht bij fiscale procedures maar ook via de Panama papers of andere openbare bronnen.
Ook in 2025 is via een WOO verzoek informatie bekend geworden, deze kunt u hier raadplegen (82 pagina's). Hieruit volgt het volgende:
- Er zijn steeds meer woonplaatsonderzoeken.
- Er is redelijk wat weerstand tegen verstrekken van informatie (en veel informatiebeschikkingen).
- Constructies waarbij emigratie en zetelverplaatsing leiden tot lagere heffing op box 2 heffing hebben de aandacht. De Box 2 claim blijft vaak in Nederland
- Veel onderzoeken naar de feitelijke leiding van rechtspersonen. Neemt het bestuur ook de feitelijke besluiten in het buitenland? Trustkantoren worden vaak onderuit gehaald.
- APV en trust structuren hebben de aandacht van de belastingdienst.
Jacht op schenk - en erfbelasting constructies
Inspecteurs moeten bepaalde schenkingsconstructies en vermogensoverdrachten actiever bestrijden, aldus het CCB. Voorbeelden worden genoemd in een notitie (hier te raadplegen op grond van Woo verzoek). De belangrijkste voorbeelden zijn:
- Erfpacht ouders en kind: oudes verkopen grond onder een eigen woning aan de kinderen (of een stichting of familie fonds). De grond wordt beheert t.b.v. de kinderen. Hiermee kan vermogen worden overgedragen zonder schenk of erfbelasting
- Verkoop pand tegen lage prijs: de huurder voldoet aan de verhuurder een afkoopsom voor de resterende huurperiode. Vervolgens wordt het vastgoed tegen een lagere prijs door de verhuurder verkocht aan de huurder. Grondslag overdrachtsbelasting is hiermee lager.
- Terugbetaling van agio of kapitaal (zie bericht staatscourant)
- Samenwerkingsverbanden tussen eenmanszaak en BV (van dezelfde eigenaar).
- Wijzigen van de huwelijksgemeenschap in het zicht van overlijden.
- Vermogensoverheveling opa / oma aan kleinkinderen (zie document)
De grens tussen belastingadvies, belastingplanning, belastingontwijking en belastingontduiking blijft een grijs gebied voor de overheid, de klant en de adviseur. Vermogensoverdracht binnen de familie moet zoveel mogelijk met zo min mogelijk belastingheffing plaatsvinden. Ook heeft de belastingbetaler steeds meer problemen met de belastingheffing over zijn box 3 vermogen.
Navorderingstermijn bij cryptovaluta
De Belastingdienst heeft de afgelopen jaren haar vizier nadrukkelijk gericht op cryptovaluta. Waar digitale munten als bitcoin jarenlang onder de radar bleven van de fiscus, geldt tegenwoordig het tegenovergestelde: bezitters van cryptovaluta lopen een steeds groter risico op naheffing – zelfs tot twaalf jaar terug in de tijd. In dit artikel bespreken wij de toepassing van de verlengde navorderingstermijn bij cryptovaluta, de juridische grondslag hiervan, en wat dit concreet betekent voor belastingplichtigen.
Nieuws: Crypto vanaf 1 janauri 2026 automatisch in uw aangifte inkomstenbelasting. Crypto aanbieders zijn vanaf dat moment verplicht om gegevens uit te wisselen met de belastingdienst. Het wetsvoorstel (link) hierover is in juli 2025 naar de tweede kamer gestuurd. Eerste rapportage is dan op 31 januari 2027 (over 2026).
Wat is de verlengde navorderingstermijn?
In principe mag de Belastingdienst een navorderingsaanslag opleggen tot vijf jaar na het betreffende belastingjaar. Deze termijn wordt echter verlengd tot twaalf jaar wanneer sprake is van inkomsten of vermogensbestanddelen die zich in het buitenland bevinden (art. 16, lid 4 AWR). De termijn van 5 of twaalf jaar wordt verlengd met het uitstel dat is verkregen voor het indienen van de aangifte.
De ratio achter deze verruiming is gelegen in de beperkte controleerbaarheid van buitenlandse vermogens. Maar de vraag rijst: vallen cryptovaluta hier ook onder?
Is cryptovaluta als ‘buitenlands vermogen’?
Om deze vraag te kunnen beantwoorden is voor de lezers met minder kennis van crypto eerste een korte introductie nodig. Cryptovaluta zijn feitelijk unieke rechten die digitaal zijn vastgelegd op de blockchain en een bepaalde waarde kunnen vertegenwoordigen. Kort samengevat is een blockchain een digitale keten waarin individuele transacties chronologisch worden opgeslagen. Deze transacties kunnen nadien niet meer worden aangepast of gemanipuleerd. De transacties worden beheerd en opgeslagen in een gedecentraliseerde database. Dat is een wereldwijd netwerk van computers, het zogeheten peer-to-peernetwerk. Om een transactie met cryptovaluta te kunnen uitvoeren is zowel een ‘public key’ als een ‘private key’ nodig. Deze sleutels worden bewaard in een wallet en kunnen worden beheerd door binnenlandse of buitenlandse cryptoplatformen maar kunnen ook worden bewaard in een wallet in eigen beheer.
In de fiscale literatuur wordt verschillend gedacht over de verlengde navorderingstermijn. Enerzijds zou aangesloten kunnen worden bij hoe en waar deze worden bewaard (buitenlandse exchange) onder het bereik van de verlengde navorderingstermijn kunnen vallen. Anderzijds wordt betoogd dat het gedecentraliseerde peer-to-peer netwerk bepalend is en dat deze feitelijk over al nergens is. Statisch gezien vindt de meeste handel in cryptovaluta vindt buiten Nederland plaats waardoor de verlengde navorderingstermijn van toepassing is.
Hoewel er (nog) geen duidelijke Hoge Raad-uitspraak is die dit bevestigt, is de praktijk dat de Belastingdienst bij niet-aangegeven cryptoactiva routinematig de twaalfjaarstermijn hanteert.
De bewijslast en informatieverplichting
De bewijslast voor het aanhouden van buitenlands vermogen ligt in beginsel bij de Belastingdienst. In het geval van cryptovaluta maakt zij steeds vaker gebruik van internationale gegevensuitwisseling (zoals via het DAC8-kader) en data van buitenlandse exchanges. Daarnaast geldt voor de belastingplichtige een informatieverplichting (art. 47 AWR): bij vragen over cryptoactiva dient openheid van zaken te worden gegeven. Wanneer geen openheid van zaken wordt gegeven De belastingdienst kan op dat moment overgaan tot het opleggen van een informatiebeschikking en zich beroepen op omkering en verzwaring van de bewijslast. Wanneer de belastingdienst niet overgaat tot het opleggen van een informatiebeschikking maar direct tot het opleggen van een aanslag, dan kan de belastingplichtige in een procedure niet geconfronteerd worden met de verzwaarde bewijslast.
Wat kunt u doen?
Wij adviseren belastingplichtigen met cryptovaluta om:
- Te zorgen voor een volledige en transparante administratie van hun cryptoportfolio;
- Volledig Audit trail van transacties, stortingen/onttrekkingen;
- Periodiek te toetsen of aangifteverplichtingen correct zijn nagekomen (box 1 of box 3?);
- Vrijwillig inkeertraject bij verzwegen (of vegeten) cryptovermogen teneinde maximale vergrijpboete(s) te voorkomen.
Geen nieuw feit dus geen navorderingsaanslag
De Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt op 5 juni 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:3526) dat de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2020 en de belastingrentebeschikking onterecht aan belanghebbende (X) zijn opgelegd. De inspecteur beschikte namelijk niet over een nieuw feit en maakte een beoordelingsfout.
- Henk diende op 29 maart 2021 zijn aangifte IB 2020 in met een belastbaar inkomen van € 68.422.
- De inspecteur stelde op 13 augustus 2021 een onderzoek in naar de aangifte IB 2019 van Henk, wat op 11 maart 2022 leidde tot een correctie.
- Desondanks werd de definitieve aanslag IB 2020 op 18 maart 2022 automatisch vastgesteld, zonder rekening te houden met deze eerdere correctie.
- Op 30 mei 2022 ontving de inspecteur nadere gegevens vanuit Luxemburg, waarna op 21 juni 2022 een navorderingsaanslag werd opgelegd voor een inkomen van € 87.293, inclusief € 1.030 belastingrente.
Er is geen nieuw feit, omdat de inspecteur bij het vaststellen van de oorspronkelijke aanslag IB 2020 het dossier had moeten raadplegen. Daaruit bleek al dat de aangifte onjuist was (correctie 2019). Er is geen sprake van een kenbare fout, omdat de inspecteur een verwijtbare beoordelingsfout maakte. Hij had maatregelen moeten nemen om automatische verwerking van de aangifte 2020 te voorkomen. De rechtbank vernietigt zowel de navorderingsaanslag IB 2020 als de belastingrentebeschikking van Henk. De inspecteur had zijn controledossier beter moeten benutten en de aanslag zorgvuldiger moeten opleggen.
Noot fiscaal jurist inzake navordering
De gevolgen van verkeerd aangegeven of verzwegen cryptovaluta kunnen groot zijn. Wij adviseren dagelijks over de vraag of opbrengsten van cryptovaluta box 1 of box 3 vermogen is. Verder begeleiden wij ook dagelijks inkeertrajecten ten aanzien van niet aangegeven cryptovermogen. De praktijk leert dat het wenselijk is uw tijdig te laten adviseren. Heeft u behoefte aan ondersteuning door een fiscaal jurist? Neem dan vrijblijvend contact op via onderstaand formulier of stuur ons een email.
Liquidatieverlies aftrekbaar op buitenlandse dochtervennootschap
Op 2 september 2021 oordeelde het Gerechthof in Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2021:1714) dat een liquidatieverlies van ruim €200 miljoen op een Ierse dochtervennootschap in Nederland aftrekbaar is. Op 21 maart 2025 oordeelde de Hoge Raad hetzelfde. In deze procedure van Aegon mag dus een liquidatieverlies van een Ierse dochtervennootschap in mindering worden gebracht op de Nederlandse winst. Het geschil draait om een aanslag vennootschapsbelasting over 2013 waarin de Belastingdienst van mening was dat sprake was van ‘enigerlei tegemoetkoming bij de belastingheffing ter zake van verliezen die bij de Plc onverrekend bleven’ waardoor het liquidatieverlies niet in mindering van de winst mocht worden gebracht. De Hoge Raad (en ook de feitenrechters) oordeelden in het voordeel van Aegon.
Liquidatieverlies regeling kost overheid 1 miljard
De uitspraak kan de overheid flink in de papieren lopen. Volgens de Hoge Raad mocht AEGON ruim € 100 miljoen aan liquidatieverliezen van 2 buitenlandse (Ierse) dochterondernemingen ten laste van de Nederlandse winst brengen. De belastingdienst weigerde de aftrek omdat er in Ierland al een tegemoetkoming is verstrekt (group relief regeling). Volgens de Hoge Raad is deze regeling geen "tegemoetkoming voor de belastingheffing voorzover deze voor de liquidatie heeft plaatsgevonden" en dus echt iets anders. De beoordeling moet plaatsvinden op het moment van liquidatie, en toen waren de verliezen niet meer verrekenbaar. De Hoge Raad oordeelde dat Aegon het volledige liquidatieverlies in aftrek mag brengen, en passeerde daarmee het advies van de procureur-generaal (ECLI:NL:PHR:2022:361). Dit "geintje" kost de belastingdienst jaarlijks 65 miljoen en over verleden ongeveer 1 miljard euro, aldus een brief van de staatssecretaris op 20 juni 2025. Vermoedelijk zal de liquidatieverliesregeling voor de toekomst worden aangepast, dit zal tijdens prinsjesdag 2025 duidelijk worden.
Wat is de liquidatieverliesregeling?
De deelnemingsvrijstelling voorkomt dat winsten die reeds bij de dochtervennootschap in de heffing zijn betrokken, nogmaals worden belast bij de moedervennootschap. Eveneens voorkomt de vrijstelling dat verliezen die op het niveau van de dochter zijn verwerkt, nogmaals in aanmerking worden genomen bij de moedervennootschap. Zonder de deelnemingsvrijstelling zou sprake kunnen zijn van dubbele heffing over dezelfde winst of dubbele aftrek van hetzelfde verlies.
De liquidatieverliesregeling (artikel 13d Wet op de Vennootschapsbelasting 1969) is een uitzondering op de deelnemingsvrijstelling. De liquidatieverliesregeling maakt het mogelijk om liquidatieverliezen op een deelneming fiscaal in aftrek te brengen. Dit betekent dat indien een deelneming wordt geliquideerd en de moedervennootschap lijdt daarbij een verlies dan mag dat verlies onder voorwaarden ten laste van de fiscale winst worden gebracht.
Let op!
De afgelopen jaren is de liquidatieverliesregeling aanzienlijk veranderd. Het geschil in onderhavige casus speelt zich af over belastingjaar 2013 waardoor de thans geldende voorwaarden kunnen afwijken ten opzichte van het onderhavige geschil.
Enigerlei tegemoetkoming lid 9 (thans lid 14, lid a)
Zowel onder de thans geldende wetgeving als in 2013 speelt de zinsnede ‘enigerlei tegemoetkoming bij de belastingheffing ter zake van verliezen die bij het ontbonden lichaam onverrekend zijn gebleven’ een rol. Indien aan de hiervoor genoemde voorwaarde wordt voldaan kan de liquidatieverliesregeling niet worden toegepast en kan dit niet in mindering worden gebracht op de Nederlandse vennootschapsbelasting. De bepalingbeoogt oneigenlijk gebruik van de liquidatieverliesregeling te voorkomen. Het is namelijk niet de bedoeling dat een buitenlands liquidatieverlies in Nederland in aftrek kan worden gebracht op het moment dat de inmiddels geliquideerde buitenlandse dochtervennootschap binnen een concern nog in aanmerking kan komen voor verliescompensatie.
Wat wordt verstaan onder ‘enigerlei tegemoetkoming’?
Uit parlementaire geschiedenis, beleid en jurisprudentie blijkt dat dit zeer ruim wordt uitgelegd. Als in het vestigingsland van de dochter bijvoorbeeld een group relief-regeling (hierover later meer) geldt waarmee verliezen aan groepslichamen kunnen worden overgedragen, dan wordt al aangenomen dat sprake is van ‘enigerlei tegemoetkoming’. Zelfs als die mogelijkheid niet is benut.
Group relief-regeling
De Ierse group relief-regeling is een verliesverrekening binnen een groep. De regeling maakt het mogelijk dat een vennootschap haar fiscale verliezen overdraagt aan een andere groepsmaatschappij, zodat deze de nog verrekenbare verliezen kan verrekenen met haar belastbare winst. Om de verliezen binnen de groep over te kunnen dragen gelden een aantal voorwaarden. De belangrijkste voorwaarden zijn:
- Er moet een groepsrelatie van minimaal 75% bestaan;
- De verliezen kunnen slechts worden overgedragen binnen hetzelfde belastingjaar.
Uitspraak Hoge Raad inzake internationaal liquidatieverlies
In de uitspraak van de Hoge Raad gaat het om een gelijkwaardige casus. Een Nederlandse moeder (Aegon) hield een belang in een Ierse Ltd. en Plc (vergelijkbaar met een NV in Nederland). Laatstgenoemde beschikte over verrekenbare verliezen en de Ltd. had een overschot. De Plc had in het verleden verliezen deels overgedragen (ruim € 115 miljoen) aan ander Iers groepslichaam met behulp van de ‘group relief-regeling’. De Plc had achteraf bezien nog € 650.000 meer verliezen kunnen overdragen. Voorts beschikte de Plc bij de ontbinding over nog eens € 110 miljoen aan verrekenbare verliezen. In 2013 werd zowel de Plc als de Ltd. geliquideerd en zijn hun vermogens vereffend. De activiteiten van beide vennootschappen waren nauw met elkaar verweven, waardoor het liquidatieverlies van de Plc en de liquidatiewinst van de Ltd. tezamen werd genomen. Dit resulteerde in een liquidatieverlies (lees: opgeofferd bedrag minus liquidatie-uitkering) van ruim € 202 miljoen en is in de Nederlandse aangifte vennootschapsbelasting ten laste van de winst gebracht.
Standpunt Inspecteur inzake liquidatieverlies
Volgens de inspecteur is niet voldaan aan de voorwaarde waardoor de Ierse group-reliefregeling niet is aan te merken als ‘enigerlei tegemoetkoming bij de belastingheffing ter zake van verliezen die bij het ontbonden lichaam onverrekend zijn gebleven’ en heeft het liquidatieverlies geweigerd.
Standpunt Hoge Raad inzake liquidatieverlies
De Hoge Raad boog zich allereerst over de vraag wanneer een liquidatieverlies in aanmerking wordt genomen. Dat tijdstip is niet eerder dan het moment waarop de vereffening van het lichaam is voltooid. Vervolgens rijst de vraag op welk moment moet worden beoordeeld of wordt voldaan aan de ‘niet-tegemoetkomingseis’. Dit is niet op te maken uit de wettekst maar uit de wetsgeschiedenis. Hieruit volgt dat de niet-tegemoetkomingseis moet worden beoordeeld naar het tijdstip waarop de vereffening van het ontbonden lichaam is voltooid. Dit betekent dat bij de beoordeling buiten beschouwing kan blijven of de group relief-regeling voorafgaandaan het moment van liquidatie van de dochtervennootschap is toegepast
Het enkele feit dat in het verleden verliezen overdraagbaar waren, doet dus niet af aan de aftrekbaarheid van het liquidatieverlies indien ten tijde van vereffening geen recht op tegemoetkoming meer bestaat.
Dubbele verliesneming
Dit betekent dat door het bestaan van de Ierse group-reliefregeling ’dubbele verliesneming’ kan ontstaan, maar dat is inherent aan de liquidatieverliesregeling zoals deze in de wet is geïmplementeerd. Immers heeft de wetgever ervoor gekozen om het liquidatieverlies van de dochter vast te stellen op hetgeen de moedervennootschap heeft geïnvesteerd in haar dochtervennootschap (opgeofferde bedrag) en er niet voor heeft gekozen om het verrekenbare verlies van een dochtervennootschap als liquidatieverlies naar de moeder over te hevelen.
De omvang van de nog verrekenbare verliezen van de dochtervennootschap ten tijde van de liquidatie houdt dus geen verband met het bij de moedervennootschap in aanmerking te nemen liquidatieverlies. Door de liquidatieverliesregeling op deze wijze vorm te geven heeft de wetgever (mogelijk onbewust) het risico aanvaard dat verliezen dubbel in aftrek kunnen worden gebracht.
Noot fiscalist inzake liquidatieverlies
Ook uit deze uitspraak blijkt maar weer dat de liquidatieverliesregeling een zeer ingewikkelde regeling is, de AG stelt nog voor om de zaak opnieuw te verwijzen (hieraan gaat de Hoge Raad voorbij). De interpretatie van de wet in combinatie met de wetsgeschiedenis moest antwoord geven op de vraag of er sprake van enigerlei tegemoetkoming. Ook is de liquidatieregeling de afgelopen jaren aanzienlijk veranderd. Hierbij valt te denken aan maximumbedragen, maar ook het moment van liquidatieverlies. De regeling kan bij een hoog opgeofferd bedrag nog tot een aanzienlijke aftrekpost leiden, maar dan is het wel van belang om vast te stellen of daadwerkelijk aanspraak bestaat op de liquidatieverliesregeling.
Ook nu luidt het advies weer: laat u goed adviseren! Heeft u een (dochter)vennootschap geliquideerd en bent u benieuwd naar de mogelijkheden om de liquidatieverliesregeling toe te passen? Schroom niet om contact op te nemen met één van de onderstaande adviseurs.
Bron liquidatieverlies
Rechtbank Den Haag d.d. 31 oktober 2019 ECLI:NL:RBDHA:2019:11878
Gerechthof Den Haag d.d. 2 september 2021 ECLI:NL:GHDHA:2021:1714
Inhoudingsvrijstelling dividendbelasting
Wil je dividend uitkeren aan je holdingvennootschap? Dan kun je mogelijk gebruik maken van de inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting. In dat geval hoeft de uitkerende vennootschap géén 15% dividendbelasting in te houden. Deze vrijstelling kan in de praktijk een aantrekkelijk voordeel opleveren, mits aan alle voorwaarden wordt voldaan.
Voorwaarden en misbruiktoets inhoudingsvrijstelling
De hoofdregel luidt dat een Nederlandse vennootschap dividendbelasting moet inhouden bij uitkering van dividend aan haar aandeelhouders. Er zijn echter uitzonderingen op deze regel. Eén daarvan is de inhoudingsvrijstelling, die onder voorwaarden kan worden toegepast bij uitkeringen aan verbonden lichamen. In dit artikel bespreken wij de belangrijkste voorwaarden en recente ontwikkelingen.
Voorwaarden voor de inhoudingsvrijstelling
De inhoudingsvrijstelling is opgenomen in artikel 4, lid 2 en 3, van de Wet op de dividendbelasting 1965. Om hiervoor in aanmerking te komen, moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
- De dividenduitkering vindt plaats tussen vennootschappen, waarbij de ontvangende moedermaatschappij is gevestigd in Nederland, de EU/EER of een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten;
- Het desbetreffende belastingverdrag bevat een bepaling inzake dividendbelasting;
- De moedermaatschappij houdt ten minste 5% van de aandelen in de uitkerende vennootschap;
- Er is géén sprake van misbruik.
Misbruiktoets inhoudingsvrijstelling
Om misbruik te voorkomen, wordt getoetst aan twee criteria:
- Main Purpose Test (subjectieve toets)
Hierbij wordt beoordeeld of de structuur is opgezet met als voornaamste doel om belasting te ontwijken. Een belangrijke vraag hierbij is of er dividendbelasting verschuldigd zou zijn geweest als het dividend direct aan de uiteindelijke aandeelhouders was uitgekeerd (de zogeheten 'doorkijkbepaling'). - Artificial Construction Test (objectieve toets)
Deze toets kijkt of sprake is van een kunstmatige structuur zonder zakelijke realiteit. De structuur moet gebaseerd zijn op valide zakelijke redenen die de economische werkelijkheid weerspiegelen. Is dat niet het geval, dan kan de inhoudingsvrijstelling worden geweigerd.
Indien onvoldoende substance aanwezig is, ligt de bewijslast bij de belastingplichtige om aan te tonen dat desondanks geen sprake is van misbruik.
Voldoende substance?
De toetsing van substance vindt plaats aan de hand van artikel 1bis van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting. Tot 1 januari 2020 golden vaste substance-eisen. Voldoe je hieraan, dan gold een zogenoemde safe harbor. Sindsdien zijn deze eisen slechts een indicatie en zorgt het ervoor dat de bewijslast voor misbruik wordt verschoven naar de Inspecteur. Zelfs als aan de genoemde voorwaarden wordt voldaan, kan de Inspecteur dus misbruik aannemelijk maken.
Een aantal factoren die een rol spelen bij de beoordeling van voldoende substance:
- Zijn de bestuurders woonachtig in het vestigingsland van de tussenhoudster en beschikken zij over reële beslissingsbevoegdheid?
- Is er sprake van een fysiek kantoor met daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten?
- Heeft de tussenhoudster eigen personeel?
- Worden bankrekeningen en administratie daadwerkelijk in het betreffende land aangehouden?
Bovenstaande lijst is geen limitatieve opsomming en de beoordeling hiervan is sterk afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het individuele geval.
Recente ontwikkelingen inzake inhoudingsvrijstelling
Met name bij tussenhoudsters zonder materiële onderneming ontstaat discussie over de toepassing van de inhoudingsvrijstelling. In die gevallen moet per situatie worden beoordeeld of voldoende zakelijke redenen bestaan voor de structuur. Maar een recente uitspraak van het Hof Amsterdam d.d. 2 juni 2022 ECLI:NL:GHAMS:2022:1732 toont aan dat zelfs wanneer de holding een materiële onderneming drijft er sprake kan zijn van een kunstmatige constructie zonder economische realiteit.
Hoewel deze rechtspraak ter discussie staat – anders zou iedere holdingstructuur met een buitenlandse moeder potentieel riskant zijn – is op dit moment nog geen duidelijkheid. De Hoge Raad moet zich hierover nog uitspreken in een lopende zaak met een Belgische moedermaatschappij. Een afwijkend oordeel van de Hoge Raad zou mogelijk nieuwe inzichten geven.
Vooruitlopende op de uitspraak van de Hoge Raad heeft de adviseur van ons hoogste rechtscollege (de AG, in deze Peter Wattel). Deze ervaren AG - die zich ook al boog over het rechtsherstel in box 3 en fraus legis bij aftrek van rente - verwees beide zaken naar de spreekwoordelijke prullenbak en hij volgt derhavel de uitspraak van het Gerechtshof in Amsterdam. In een tweetal toelichtingen (Parket Hoge Raad d.d. 26 mei 2023 ECLI:NL:PHR:2023:541 en ECLI:NL:PHR:2023:572 wordt uitgebreid ingegaan op:
- Historie van de wetgeving en parlementaire geschiedenis
- Misbruiktoetsen
- Rechtspraak Hof van Justitite over anti misbruik bepalingen
- De MDR (EU Moeder dochter richtlijn) > de moeder voor artikel 4 lid 3 letter c Dividendbelasting
De centrale vraag is of het Gerechtshof in Amsterdam de subjectieve en objectieve toets - binnen het EU Recht en de Nederlandse wetgeving - juist heeft uitgelegd.
Noot van een fiscaal jurist inzake inhoudingsvrijstelling
Of de Hoge Raad de motivering van de AG en het Gerechtshof Amsterdam gaat volgen is thans nog niet duidelijk, het wachten is op het slotoordeel van de Hoge Raad.
In een andere zaak (over inwoners op Curacao) heeft het Gerechtshof in Den Haag op 19 oktober 2022 (ECLI:NL:GHDHA:2022:2201) geoordeeld dat aan de subjectieve en objectieve voorwaarde is voldaan. Het wegdenken van de rechtspersoon uit de structuur heeft een hogere belastingheffing tot gevolg. Daarnaast kent de rechtspersoon geen materiele onderneming en vervult zij geen wezenlijke functie voor de bedrijfsuitoefening, heeft zij geen schakelfunctie en is er een beperkte substance. Alle vlaggen stonden dus op rood. De belastingplichtige mag echter tegenbewijs leveren, en dat lukte. De structuur is namelijk gebruikelijk, de bestuurder emigreerde om niet fiscale redenen en er was sprake van voldoende tijdsverloop tussen moment emigreren en het uitkeren van dividend. De Hoge Raad op 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:669 (bewijslast) en ECLI:NL:HR:2025:668 (verdeling bewijslast), uitspraak gedaan over deze kwestie. De Hoge Raad kijkt met name naar de formele en/of kunstmatige kant waarvoor een economische en commerciele rechtvaardiging aanwezig moet zijn. Als het voornaamste doel is "verkrijgen fiscaal voordeel in strijd met doel en strekking" moet de structuur in prullenbak. Er moet dus sprake zijn van een zakelijke reden. Ook over deze kwestie had Peter Wattel een oordeel (ECLI:NL:PHR:2023:701), hij is echter van mening dat deze zaak anders ligt dan de zaak bij het Gerechtshof in Amsterdam (omdat belanghebbenden niet vrijelijk over het ontvangen dividend konden beschikken).
Heb je een Nederlandse vennootschap waarvan de aandelen worden gehouden door een buitenlandse holdingmaatschappij? Dan kan het zijn dat je bij dividenduitkeringen wél dividendbelasting moet inhouden. Een goede analyse van je internationale structuur is essentieel.
Blijkt uit de analyse dat inhouding noodzakelijk is, dan is het soms mogelijk de structuur zo aan te passen dat alsnog gebruik kan worden gemaakt van de inhoudingsvrijstelling. Hierbij zou u kunnen denken aan:
- feitelijke beschikkingsmacht over ontvangen dividenden bij het bestuur van de rechtspersoon (in combinatie met)
- aansturing van de Nederlande rechtspersoon door de buitenlandse moedermaatschappij
- beschikking over activiteiten, personeel, kantoorruimte en/of rechten in lijn met de Nederlandse activiteiten.
Wij denken hierin graag met je mee. Stuur gerust een e-mail voor een kennismakingsgesprek
Renteaftrek groepsfinancering in internationaal verband
De Belastingdienst en een internationaal bedrijf (Ericsson) zijn al lang met elkaar in discussie over de renteaftrek op leningen die via een Nederlandse BV lopen. De belastingdienst heeft volgens het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 1 april 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:2063 terecht een renteaftrek van 100 miljoen afgewezen. Er is een financieringsstructuur opgetuigd die alleen is bedoeld om (in Zweden) belastingvoordeel te behalen. Gekunstelde renteaftrek is niet toegestaan, aldus het Gerechtshof. Centraal staat de dubbele zakelijkheidstoets en de vrijheid van vestiging van rechtspersonen.
Europese versoepeling renteaftrek en innovatiebox
De Europese Commissie onderzoekt in een concept wetsvoorstel een mogelijke aanpassing van de Europese renteaftrek beperkingen binnen de Vennootschapsbelasting. De Anti Tax Avoidance Directive (ATAD) moet hiertoe worden aangepast. Nederland heeft de ATAD renteaftrek beperking strenger geïmplementeerd in de earningstrippingmaatregelen. Rente is in Nederland niet aftrekbaar voor zover het saldo van de verschuldigde en de ontvangen rente meer bedraagt dan 24,5% van de fiscale EBITDA en hierbij de drempel van € 1.000.000 wordt overschreden. Via de omnibus herziening wordt deze regel in de toekomst dus wellicht gunstiger. Ook moet er meer geld naar R&D investeringen, wellicht dat de innovatiebox dus ook wordt aangepast. Tja .. de laatste vraag is dan "wanneer?".
Renteaftrek beperking bij overnames en fraus legis
Er zijn de laatste jaren diverse uitspraken van de rechters geweest over de renteaftrek bij overnames. De belangrijkste arresten zijn het Hunkemoller arrest (ECLI:NL:HR:2021:1152) , Auto Bar arrest, Hans Anders (ECLI:NL:HR:2022:1085) arrest en Italiaanse beursvennootschap arrest. Er is veel over geschreven en het lijkt erop dat de Hoge Raad nog niet 1 lijn heeft ontdekt. Het zakelijkheidsbeginsel wordt in veel doctrine aan de orde gesteld. De vraag die aan de orde komt heeft betrekking op de aftrek van rente bij overnames. Bij de overname van Hans Anders en de koffieautomatenexploitant Autobar was de Hoge Raad in eerste aanleg van mening dat bij de buitenlandse investeerders geen sprake van belastingtontwijking (door rente in aftrek te brengen over leningen waarmee de overnames zijn betaald). Vanaf de invoering van het beroemde artikel 10a VPB is de vraag of de aldaar beschreven situaties uitputtend waren of niet. Ook is toen de route van "fraus legis" aan de orde gesteld. Het enkel lezen van artikel 10a is dan niet voldoende. In een recent arrest van de Hoge Raad (5 september 2025 ECLI:NL:HR:2025:1250) is door de Hoge Raad bevestigd dat er sprake is van fraus legis bij aftrek van rente bij overname van een Nederlandse retailketen. Ook al zijn er zakelijke motieven dan nog kan fraus legis in beeld komen, aldus ons hoogste rechtscollege. Bij gekunstelde structuren wordt alsnog de rentaftrek om zeep geholpen (strijd met doel en strekking). In de meeste zaken speelt hierbij de winstdrainage problematiek waarbij de holding geen echte rol heeft vervuld en enkel is opgezet om om de renteaftrek te regelen, de financiele spilfunctie ontbreekt en de holding is enkel doorgeefluik van geld.
Een terugblik inzake renteaftrek binnen een concern
In eerste aanleg boog de Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 23 april 2014 ECLI:NL:RBZWB:2014:2734 zich (10 jaar geleden) over deze zaak. De rechtbank was destijds al van mening dat de rente niet aftrekbaar is (10a VPB). Daarna is het aan het Gerechtshof 's Hertogenbosch op 18 december 2020 (ECLI:NL:GHSHE:2020:4019), gevolg is dat deel van de rente aftrekbaar is. Omdat het belang groot genoeg en de wet kennelijk onduidelijk, stappen partijen naar de Hoge Raad, die doet op 3 maart 2023 (ECLI:NL:HR:2023:330) uitspraak, die gaat er na een uitgebreide notitie van de AG (ECLI:NL:PHR:2021:780) eens goed voor zitten en verwijst de zaak uiteindelijk naar het Gerechtshof in Arnhem.
De Belastingdienst en Ericsson liggen dus al ruim 10 jaar met elkaar overhoop over de renteaftrek kwestie. De zaak heeft ook direct gevolgen voor Nederland als ideal vestigingsland voor internationaal operende bedrijven (multinationals) die zich in Nederland vestigen in verband met financieringsactiviteiten. Gekunstelde renteaftrek structuren wil de belastingdienst bestrijden, thans lopen er nog veel meer zaken over dit onderwerp.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden komt in zijn arrest van 1 april 2025 (geen grap) in dit (langlopende) conflict tot dezelfde conclusie als eerder het hof in Den Bosch. Tegen die eerdere uitspraak ging Ericsson in beroep bij de Hoge Raad. Die verwees de zaak nog maar een keer door naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Procedure renteaftrek bij Ericsson
Ericsson is gevestigd in Zweden. De Zweedse moedermaatschappij heeft meer dan voldoende compensabele verliezen. Ericsson haalt een in Italië gevestigde rechtspersoon (dochterbedrijf) van de beurs en voldoet hiervoor ruim € 200 miljoen. De betaling verloopt niet rechtstreeks maar via een Nederlandse dochteronderneming, deze dochter leent het geld van de moedermaatschappij in Zweden. De betaalde rente in Nederland wordt afgetrokken van Nederlandse winsten (ruim 30 miljoen besparing aan VPB). De ontvangen rente in Zweden blijft onbelast omdat Ericsson de rente inkomsten in Zweden kan verrekenen met aldaar aanwezige compensabele verliezen uit het verleden.
Noot fiscaal jurist inzake renteaftrek bij Ericsson
Het Gerechtshof beschouwt dit als gekunsteld en kunstmatig opgezette geldstromen waardoor belasting wordt ontweken. Betaalde rente over concernleningen zijn in Nederland alleen aftrekbaar als er een zakelijke reden is voor de schuld en als de voorwaarden voor de leningen zakelijk zijn, de bewijslast hiervoor ligt bij belastingplichtige. De Nederlandse dochter moet dus een echte (spil) functie hebben binnen de opzet. Volgens het Gerechtshof is van een spilfunctie (deze term heeft de Hoge Raad geïntroduceerd) geen sprake en heeft de Nederlandse dochter verder geen rol binnen deze opzet (anders dan doorgeefluik), derhalve geen verdere substance.
Vorenstaande wil niet zeggen dat alle concernfinancieringen in de fiscale put verdwijnen, de feiten en omstandigheden kunnen immers in elk geval weer verschillen. Er zal vast cassatie volgen maar dit zal vermoedelijk niet echt succesvol aflopen omdat de Hoge Raad niet nogmaals de feiten zal gaan toetsen.
Werken in Duitsland en belastingheffing
In een steeds internationaler opererende arbeidsmarkt werken en verblijven
veel mensen regelmatig voor korte of langere tijd het buitenland. De fiscale
gevolgen kunnen aanzienlijk zijn. Maar hoe werkt dat precies?
Nationaal belastingrecht: Grenzen aan de heffingsbevoegdheid
Het nationale belastingrecht geldt in principe binnen de landsgrenzen.
Dit betekent dat een land in beginsel alleen belasting heft over inkomsten
die binnen dat land zijn verdiend. Maar wat gebeurt er als een medewerker
tijdelijk in het buitenland werkt?
In dat geval komen internationale belastingverdragen om de hoek kijken.
Deze verdragen zijn bedoeld om dubbele belasting te voorkomen en te bepalen
welk land belasting mag heffen.
Werken in het buitenland: wanneer en waar belasting betalen?
Wanneer een medewerker in het buitenland werkt, is het belangrijk om vast te stellen waar hij of zij belastingplichtig is. Hierbij spelen verschillende factoren een rol, zoals:
- De duur van het verblijf in het buitenland: Werkt iemand minder dan 183 dagen in een ander land? Dan blijft de heffing vaak in Nederland, tenzij het loon wordt betaald door of ten laste komt van een buitenlandse entiteit.
- De aard van het werk en de locatie van de werkgever: Als het werk voor een buitenlandse werkgever wordt uitgevoerd, kan het andere land ook direct het heffingsrecht krijgen.
- Dubbele belastingheffing voorkomen: Nederland heeft met veel landen
verdragen gesloten om te voorkomen dat iemand dubbel belasting betaalt.
Woonplaatsbepaling: In welk land bent u fiscaal woonachtig?
Naast het werken in het buitenland hebben steeds meer mensen banden
met meerdere landen. Zo kan iemand een huis bezitten in het ene land, maar
een relatie hebben in een ander land. In dat geval rijst de vraag: In welk
land woont men fiscaal gezien?
Het land waarin iemand fiscaal woonachtig is, heeft namelijk het recht
om alle wereldwijde inkomsten te belasten. Het geeft dan een tegemoetkoming
voor de belasting die al in andere landen is betaald.
Het probleem ontstaat wanneer twee landen vinden dat iemand er fiscaal
woont. In belastingverdragen wordt dit opgelost met een beslisschema, waarbij
onder andere wordt gekeken naar:
- De locatie van de permanente woonplaats
- Persoonlijke en economische banden (bijvoorbeeld familie en werk)
- Waar men het meeste verblijft gedurende het jaar
Strenger Duits beleidsbesluit over woonplaatsbepaling
Op 12 december heeft Duitsland een nieuw besluit gepubliceerd dat aanwijzingen
geeft aan de Duitse belastingdienst om te beoordelen of iemand in Duitsland
woont en daar aangifte moet doen voor zijn of haar wereldwijde inkomen.
Met dit nieuwe besluit is het Duitse beleid verscherpt. Dit betekent dat
iemand eerder door de Duitsers fiscaal als inwoner van Duitsland wordt
beschouwd. Dat zal vaker tot een dubbele fiscale woonplaats leiden en er
zal dus vaker een oplossing via het belastingverdrag moeten worden gezocht.
Wat is er precies veranderd?
- Strengere acceptatie van woonplaatsverklaringen: Duitsland accepteert niet langer zonder meer een woonplaatsverklaring van een buitenlandse belastingdienst.
- Striktere controle bij vertrek naar het buitenland: De Duitse belastingdienst zal bij emigratie scherper nagaan of er daadwerkelijk sprake is van emigratie.
- Detacheringseis aangescherpt: Pas bij een detachering van 5 jaar of langer naar het buitenland gaat Duitsland ervan uit dat iemand emigreert.
- Bij emigratie van Duitsland naar Nederland kan dit dus betekenen dat er een briefwisseling met het Finanzamt (de Duitse belastingdienst) ontstaat.
Wegzug – fiscale gevolgen van emigratie uit Duitsland
Als er sprake is van emigratie van Duitsland naar Nederland, is er volgens het Duitse belastingrecht sprake van een Wegzug. Hieraan zijn fiscale consequenties verbonden, vergelijkbaar met de gevolgen van emigratie uit Nederland. Let op: De details van deze fiscale gevolgen verdienen een uitgebreider artikel en worden hier niet verder behandeld.
Praktische gevolgen voor Werkgevers en Werknemers
Voor werkgevers betekent dit dat ze goed moeten nagaan waar hun medewerkers werken en welke fiscale gevolgen dat heeft. Denk bijvoorbeeld aan:
- Loonheffingen: Moeten deze in Nederland worden ingehouden of in het land waar de medewerker werkt?
- Sociale verzekeringen: Is de medewerker sociaal verzekerd in Nederland of in het werkland? Dit hangt vaak af van Europese regelgeving of bilaterale afspraken.
Voor medewerkers is het van belang om te weten waar ze belasting moeten betalen en of zij een belastingaangifte moeten doen in zowel Nederland als het buitenland. Dit kan een complexe puzzel zijn, zeker als er in meerdere landen is gewerkt.
Noot fiscaal jurist inzake fiscale complexiteit vraagt om deskundig advies
Werken over de grens brengt fiscale uitdagingen met zich mee. Niet alleen voor de medewerker, maar ook voor de werkgever. Het nationaal belastingrecht houdt bij de grens op, maar internationale belastingverdragen zorgen voor een complex speelveld. Met de recente aanscherping van het Duitse beleid is het nog belangrijker geworden om goed te kijken naar de fiscale woonplaats. Het risico op dubbele belasting of onenigheid met de belastingdienst is reëel. Jongbloed fiscaal juristen staat klaar om te helpen met deskundig advies en begeleiding bij grensoverschrijdende fiscale vraagstukken. Neem contact met ons op voor een persoonlijk advies op maat.
Onderhandelingen belastingverdragen 2025
De staatssecretaris van Financiën heeft in een recente kamerbrief de Tweede Kamer geïnformeerd over de lopende en geplande onderhandelingen ten aanzien van de Nederlandse belastingverdragen. In deze brief blikt de Staatssecretaris terug en vooruit op deze verdragsonderhandelingen. Dit artikel geeft een inhoudelijke samenvatting van de kamerbrief van de Staatssecretaris.
De teller staat op dit moment bijna op 100 belastingverdragen. Nederland onderhandelt in 2025 met 11 landen over een belastingverdrag, namelijk: Aruba, België, Benin, Brazilië, Ecuador, Mozambique, Uganda, Portugal, Roemenië, Suriname en Zweden. Gedurende het jaar kunnen ook nieuwe onderhandelingen worden gestart. Met Duitsland, Spanje en Thailand is eerder een akkoord bereikt en er wordt met deze landen een moment gepland voor ondertekening. De ondertekende belastingverdragen met Bangladesh en Sint Maarten worden voorgelegd aan de Tweede en Eerste Kamer. In dit artikel een overzicht.
Het Belang van Belastingverdragen
Nederland heeft momenteel met 98 landen een werkend belastingverdrag. Deze verdragen zijn essentieel om dubbele belastingheffing te voorkomen en proberen het vestigingsklimaat van Nederland te verbeteren. In de notitie fiscaal verdragsbeleid 2020 staat het doel dat Nederland nastreeft bij verdragsonderhandelingen. Nederland staat in principe open voor een belastingverdrag met ieder land maar door capaciteitsbeperking, politieke afwegingen en budgettaire impact hebben sommige landen meer prioriteit dan andere landen.
Terugblik belastingverdragen in 2024
Afgelopen jaar zijn verschillende belastingverdragen afgerond en goedgekeurd. Enkele van deze belastingverdragen zijn:
- Curaçao: De gewijzigde belastingregeling is goedgekeurd en vanaf 1 januari 2025 van toepassing. Artikel inzake belastingheffing op Curacao
- Moldavië: wijziging van het bestaande verdrag is goedgekeurd en vanaf 1 januari 2025 van toepassing.
- Andorra en Kirgizië: Nieuwe verdragen zijn door het parlement goedgekeurd en worden per 1 januari 2025 van kracht.
- Bangladesh: Een nieuw verdrag is ondertekend, waarin anti-misbruikbepalingen zijn opgenomen. Artikel over verdeling heffing Nederland - Bangladesh
Belastingverdragen en onderhandelingen in 2025
De Staatssecretaris heeft ook zijn agenda voor 2025 gedeeld in de kamerbrief.
Nederland zet in op onderhandelingen met de volgende landen:
- België: Verdere gesprekken over een thuiswerkregeling voor grenswerkers om belastingtechnische obstakels te verminderen. Artikel over wonen in Belgie
- Duitsland: Akkoord over de fiscale behandeling van thuiswerkende grenswerkers. Ondertekening wordt in 2025 verwacht. In dit onderdeel diverse artikelen over de belastingheffing in Duitsland.
- Portugal: Nederland streeft naar een volledige bronstaatheffing op pensioenen om belastingontwijking te voorkomen. In dit onderdeel diverse artikelen over de belastingheffing in Portugal.
- Suriname: Modernisering van het belastingverdrag, inclusief de implementatie van anti-misbruikbepalingen.
- Zweden: Herziening van fiscale afspraken, waaronder een mogelijke bronstaatheffing op pensioenen. Beide landen hebben akkoord gegeven om verdragsonderhandelingen te starten. In februari 2025 heeft de eerste onderhandelingsronde plaatsgevonden. Hierbij een overzicht omtrent de heffingsbevoegdheden.
- Benin: Eerste onderhandelronde heeft plaatsgevonden, er is nog geen akkoord bereikt.
- Mozambique: Er zijn al eerdere onderhandelingen geweest. Laatste onderhandeling was in 2023, tot op heden is geen akkoord bereikt.
- Uganda: Er zijn gesprekken geweest over het herzien van het bestaande verdrag in 2021, verdere onderhandelingen worden overwogen.
- Brazilië: Nederland wil het verdrag moderniseren en aanpassen aan de internationale minimumnormen tegen belastingontwijking.
- Ecuador: Nederland en Ecuador hebben uitgesproken een verdrag te willen sluiten. In 2020 heeft hier een verkennend gesprek plaatsgevonden, daarna geen ontwikkelingen meer.
- Thailand: Een nieuw verdrag is op ambtelijk niveau overeengekomen, er wordt gestreefd naar een ondertekening in 2025. Hierbij een artikel over de remittance base bepaling in Thailand.
- Spanje: Het belastingverdrag is goedgekeurd door de ministerraad, ook dit verdrag wordt naar verwachting in 2025 getekend. Wij adviseren veel mensen bij hun emigratie naar Spanje, in dit onderdeel diverse artikelen.
- Roemenie: Met Roemenië wordt onderhandeld om het huidige belastingverdrag te moderniseren op het gebied van pensioenen. In een onderlinge overlegprocedure bleek namelijk dat beide landen pensioenuitkeringen vanuit Nederland aan inwoners van Roemenië belasten.
Uitdagingen en Prioriteiten bij gesprekken over belastingverdragen
De onderhandelingen met sommige landen blijken complex. Zo zijn de gesprekken met Marokko voorlopig stopgezet wegens te grote verschillen van inzicht. Tegelijkertijd heeft Nederland zich gecommitteerd aan onderhandelingen met ontwikkelingslanden, waarbij het bereid is om ruimere heffingsrechten toe te kennen aan deze landen.
Nederland streeft ernaar om de internationale minimumstandaarden tegen verdragsmisbruik en belastingontwijking te implementeren. Een ander streven is een bronstaatheffing over door Nederland fiscaal faciliteerde pensioenen.
Noot fiscaal jurist inzake emigratie en belastingverdragen
Gaat u emigreren, werken in het buitenland of krijgt u bijvoorbeeld pensioen uit het buitenland? Dan is het belangrijk te onderzoeken of u daarover in Nederland belastingplichtig bent. Gezien de mogelijke financiële impact en de complexiteit van de belastingverdragen is het belangrijk hier tijdig advies over in te winnen bij een belastingadviseur. Onze fiscalisten hebben veel ervaring met de complexe belastingverdragen. Neem daarom gerust contact op met één van onderstaande auteurs wanneer u vragen heeft. Zij kijken dan vrijblijvend naar uw vragen en geven een offerte af voor onze werkzaamheden.
De 183 dagenregeling nader beschouwd
In dit artikel gaan wij in op de werking en toepassing van de zogenaamde 183 dagenregeling. We beschrijven eerst in welke situaties hij van toepassing is en vervolgens gaan wij in op de wijze waarop wordt vastgesteld of er aan het dagencriterium wordt voldaan. We sluiten af met een korte weergave van de fiscale gevolgen, de regeling kan namelijk voordelig uitpakken voor belastingplichtigen.
Als er niets tussen landen zou worden geregeld zou een werknemer die in Nederland en in het buitenland werkt twee keer belasting moeten betalen, in het werkland omdat hij hier werkt (loonbelasting) en in het woonland omdat hij hier woont (inkomstenbelasting). Om dit te voorkomen heeft Nederland (veel) belastingverdragen gesloten. De meeste belastingverdragen bepalen dat het buitenland (werkland) het recht heeft om belasting te heffen over het loon dat de werknemer daar heeft verdiend.
Niet relevant voor de fiscale woonplaats in Nederland
In de praktijk bestaat een veel voorkomend misverstand. Wij horen vaak van mensen dat zij geen inwoner meer zijn van Nederland want ze zijn meer dan 183 dagen buiten Nederland. Dat is een misvatting die tot vervelende gevolgen kan leiden. Dit criterium is namelijk niet relevant voor het vaststellen van de fiscale woonplaats in Nederland. Zolang je een duurzame band van persoonlijke aard hebt met Nederland ben je op basis van de nationale wet fiscaal inwoner. Uiteraard kun je op basis van de toepassing van belastingverdragen dan alsnog fiscaal inwoner van een ander land zijn, de 183 dagenregeling staat hier echter los van.
Wel relevant voor de belastingheffing
De 183 dagenregeling is wel relevant voor de belastingheffing voor werknemers (en soms ook zelfstandigen) die in Nederland wonen en buiten Nederland werken in een land waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten.
Wanneer je als werknemer gedurende een jaar of binnen een periode van 12 maanden [1] meer dan 183 dagen in een land verblijft in verband met daar te verrichten werkzaamheden, dan verschuift het recht op belastingheffing naar dit land. Nederland zal dan voor de inkomsten die aan deze werkzaamheden zijn toe te rekenen voorkoming van dubbele belasting moeten verrekenen.
Dit kan natuurlijk gunstig uitpakken voor de betreffende werknemer. Ook wanneer het andere land geen belasting heft of wanneer het tarief daar lager is dan in Nederland wordt door Nederland voorkoming van dubbele belasting verleend.
Welke dagen tellen mee
De bepaling waarop de 183 dagen regeling is gebaseerd komt voort uit het OESO modelverdrag. In de Engelse versie wordt gesproken over: “the recipient is present in the other state not exceeding 183 dagen”. In de Nederlandse tekst is present vertaald als verblijf. Dit betekent dat het niet alleen gaat om de gewerkte dagen, ook dagen waarop niet wordt gewerkt tellen mee. Dit blijkt ook uit het arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2017 ECLI:NL:HR:2017:1326. De Hoge Raad verwijst naar het commentaar bij het OESO modelverdrag waarin staat:
- “Uit het commentaar op artikel 15 van het modelverdrag volgt dat als dagen van verblijf in de werkstaat niet alleen meetellen de dagen waarop daadwerkelijk in de werkstaat is gewerkt, maar tevens alle overige dagen waarop de belastingplichtige in de werkstaat aanwezig is geweest en die enig verband houden met de werkzaamheden aldaar, zoals zaterdagen, zondagen, nationale feestdagen, vakanties en vrije dagen voor, tijdens of na beëindiging van de werkzaamheden of korte onderbrekingen daarvan.”
Gevolgen voor de belastingheffing
Wanneer voldaan wordt aan de 183 dagen regel mag voor de inkomsten die toerekenbaar zijn aan deze dagen in de Nederlandse aangifte Inkomstenbelasting voorkoming van dubbele belasting worden geclaimd. In het belastingverdrag is vervolgens bepaald hoe deze voorkoming moet worden gegeven. Meestal is dit de vrijstellingsmethode oftewel evenredigheidsmethode. Je berekend dan eerst de in Nederland verschuldigde belasting over het totale wereldinkomen in box 1. Vervolgens krijg je een korting op de in Nederland te betalen belasting die gelijk is aan de uitkomst van de breuk buitenlands inkomen/ wereldinkomen.
Dit kan dus voordelig uitpakken vooral wanneer in het werkland een lager tarief wordt geheven of zelfs geen belasting wordt geheven.
Advies
In de praktijk adviseren wij regelmatig over deze en vergelijkbare situaties en verzorgen wij tevens de aangifte Inkomstenbelasting. Het kan dan gaan om uitzendingen, piloten, zeevarenden, maar ook mensen die voor hun werk niet gebonden zijn aan een vaste werkplek.
Mocht je hierover vragen hebben of advies willen inwinnen dan zijn wij je graag van dienst, stuur hiertoe gerust een e-mail.
Bron 183 dagen regeling
Rapport belastingdienst inzake buitenlandse arbeidskrachten
Hoge Raad 25 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1723 (auto van de zaak).
Hoge Raad 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AP1424 (Dagenbreuk).
Hoge Raad 22 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1705 (Beschikbaar in buitenland).
Hoge Raad 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1261 (Ondersteunende werkzaamheden)
[1]Beide smaken komen voor, per land zal daarom het belastingverdrag geraadpleegd moeten worden
Mbappe fiscale wetgeving in Spanje
De officiële naam van deze wetgeving is niet "Mbappe wet" maar het lijkt erop dat deze nieuwe wet de lokale voetbalclub wel gaat helpen. De verwachting is dat ongeveer 30.000 mensen gebruik kunnen maken van deze nieuwe fiscale wetgeving in de regio Madrid. De regeling is van toepassing voor mensen die veel verdienen en willen investeren in de regio. Als een persoon aan de voorwaarden voldoet kan er een korting op de regionale belasting worden verkregen van 20%. De bedoeling van de wetgeving is om werkgelegenheid te creëren, nieuwe bedrijven te laten starten en/of bestaande bedrijven te laten groeien via buitenlands geld.
Belastingwetgeving in Spanje en Nederland, een vergelijking
In Nederland wordt er inkomstenbelasting voldaan aan de staat. In Spanje kennen we een stelsel waarbij er inkomstenbelasting wordt betaald aan de staat en aan de provincie / regio. De regio Madrid heeft in 2024 een nieuwe fiscale wetgeving bedacht voor grootverdieners. Deze wet doet een beetje denken aan de Beckham regeling die al bijna 20 jaar in Spanje bestaat. De verwachting is dat Mbappe per maand een salaris gaat ontvangen van ruim 3.500.000 (inclusief tekengeld compensatie), dit is zeker een grootverdiener. Als een groot verdiener (zoals Mbappe) aan de voorwaarden voldoet is hij - in de regio Madrid - slechts 24,5% inkomstenbelasting verschuldigd. De wetgeving moet formeel nog worden goedgekeurd en heeft dan terugwerkende kracht tot 1 januari 2024.
Bedoeling Mbappe wetgeving in Madrid
De bedoeling van de nieuwe wetgeving is dat investeerders uit het buitenland nieuwe banen gaan creëren in de regio Madrid en om nieuwe ondernemingen in de regio aan te trekken. Het is een wetsvoorstel van de regering in Madrid.
Voorwaarden en uitleg Mbappe wetgeving
De wetgeving kent wel enkele strikte voorwaarden, de belangrijkste:
- de laatste 5 jaar heeft de persoon niet in Spanje gewoond;
- aftrekpost van 20% op investeringen in bestaande of nieuwe bedrijven (of de Spaanse staat) of onroerend goed projecten;
- de persoon mag geen leidinggevende of uitvoerende rol hebben binnen het bedrijf;
- persoon met niet (met familie) voor meer dan 40% het bedrijf controleren;
- korting op regionale belastingen (maximaal tarief is 20,5% boven inkomen van € 57.000)
- de overheidsbelasting (staatsbelasting) van 24,5% blijft gewoon verschuldigd
- de investeringen moeten 6 jaar worden aangehouden
Fiscale advisering Spanje
Wij adviseren wekelijks ondernemers en DGA's bij een mogelijke emigratie naar Spanje, hierbij adviseren wij over de nationale gevolgen van uw emigratie. Omtrent de gevolgen en wetgeving in Spanje overleggen wij altijd met een lokale adviseur. Als u vragen of opmerkingen heeft of een advies wilt ontvangen kunt u ons een e-mail sturen of contact opnemen met onderstaande adviseurs.
Formulier wereldinkomen invullen
Het formulier opgaaf wereld inkomen (het NiNbi formulier) is bedoeld om uw Nederlandse en niet Nederlandse inkomen bij elkaar op te tellen. De Belastingdienst gebruikt dit bedrag om de definitieve hoogte van uw toeslagen en de buitenland bijdrage voor de zorgverzekeringswet vast te stellen.
Als u een formulier wereldinkomen ontvangt dan bent u verplicht dit in te vullen. U ontvangt dit formulier van de belastingdienst als u of uw partner niet in Nederland woont en wel inkomen of toeslagen uit Nederland heeft ontvangen. Maar wat is uw wereldinkomen en hoe moet dit formulier worden ingevuld? In dit artikel een uitleg en als u nog met vragen zit kunt u contact met ons opnemen.
Waarom formulier opgaaf wereld inkomen
Met het formulier opgaaf wereldinkomen geeft u aan de belastingdienst uw totale wereld inkomen door. Dit formulier wordt u alleen toegestuurd als u niet meer in Nederland woont in een belastingjaar. U bent verplicht om dit formulier in te vullen.
Wat als ik het formulier wereldinkomen niet zou invullen?
Als u het formulier wereldinkomen niet zou invullen dat gaat de belastingdienst - op grond van bij haar bekende informatie - een schatting maken van uw wereldinkomen en op grond hiervan aanslagen opleggen.
Wat moet er worden opgegeven op het formulier voor de opgave van wereldinkomen?
Op het formulier voor de opgave van wereldinkomen moet het totaal van het Nederlandse en niet-Nederlandse inkomen worden opgegeven. Dit omvat specifiek het wereldinkomen uit werk en woning, en eventuele voordelen uit sparen en beleggen. Het formulier vraagt expliciet naar het bedrag van de rendementsgrondslag en het heffingsvrij vermogen. Het is van belang dat bij de opgave van het wereldinkomen niet wordt uitgegaan van buitenlandse maatstaven, zoals 'Portugese maatstaven', maar dat de opgave conform de Nederlandse fiscale vereisten wordt gedaan.
Stappenplan voor invullen formulier wereld inkomen
- Zoek de juiste documenten bij elkaar: jaaropgaven, belastingaangiften etc.
- Vul uw eigen inkomen in (formulier is persoonsgebonden)
- Tel uw Nederlandse inkomen op bij uw buitenlandse inkomen
- Stuur het ingevulde formulier op (en maak een kopie voor verzending)
Kan ik een boete krijgen als ik het formulier wereldinkomen niet juist invul
Het niet correct opgeven van deze gegevens kan worden gezien als grove schuld (zie Gerechtshof Amsterdam d.d. 4 april 2023 ECLI:NL:GHAMS:2023:811). Ook in een andere uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd dat er een boete kan worden opgelegd als het inkomen niet juist of volledig wordt ingevuld (Rechtbank Noord Holland d.d. 20 mei 2022 ECLI:NL:RBNHO:2022:4511).
Wat is uw wereldinkomen?
Het wereldinkomen is het totale inkomen van u uit Nederlandse en buitenlandse bron. Dit kan gaan om arbeidsinkomen en inkomen uit vermogen. Als u een partner heeft dan krijgt uw partner veelal ook een dergelijk formulier toegezonden. De belastingdienst brengt u inkomen meestal in kaart om uw toeslagen in Nederland juist en volledig te kunnen bepalen.
Met het formulier opgaaf wereldinkomen doet u echter geen aangifte voor de inkomstenbelasting. De informatie wordt dus niet gebruikt om te kunnen bepalen of u in Nederland inkomstenbelasting en/of premies volksverzekeringen moet betalen.
Wanneer krijg ik een formulier wereld inkomen toegezonden?
Dit formulier wordt u toegezonden in de volgende situaties:
- er is een conflict met de belastingdienst over buitenlandse belastingplicht
- u bent zpper en heeft in het buitenland een onderneming
- u bent geemigreerd of gaat emigreren of u woont in het buitenland
- u otnvangt toeslagen
- u bent geremigreerd of gaat naar Nederland emigreren
- u ontvangt een uitkering of pensioen uit het buitenland
- u ontvangt een uitkering of pensioen uit Nederland en woont in het buitenland
Welk bedrag moet ik invullen bij toetsingsinkomen bij opgave wereld inkomen?
Dit toetsingsinkomen staat in uw aangifte inkomstenbelasting over het jaar. Als u geen aangfite heeft gedaan dan is dit het belastbare inkomen dat u als loon heeft ontvangen. Dit staat op uw jaaropgave en kunt u ook nazien via de vooraf ingevulde aangifte inkomstenbelasting (inloggen bij de belastingdienst)
Waar moet het formulier wereld inkomen naar toe?
Het formulier moet u versturen aan
- Belastingdienst
- Eenheid kennis en expertise centrum Buitenland
- Postbus 2523
- 6401 DA Heerlen (Nederland)
Krijg ik een reactie van de belastingdienst nadat ik formulier wereld inkomen heb ingeleverd?
Nadat u het formulier heeft ingevuld en verzonden krijgt u van de belastingdienst een bevestiging (beschikking). Deze beschikking Niet in Nederland belastbaar inkomen (NiNbi) bevat uw werldinkomen dat dan bestaat uit uw inkomen in Nederland en uw inkomen uit het buitenland. Als u al een aanslag inkomstenbelasting over het jaar hebt ontvangen staat op deze opgave uw verzamelinkomen. Is er geen aangifte inkomstenbelasting over het jaar ingediend dan zal de belastingdienst uitgaan van de informatie welke bij hen bekend is.
Hulp bij invullen formulier opgave wereld inkomen
Wij verzorgen dagelijks M biljetten en/of opgaven wereld inkomen. In dergelijke situaties kunnen wij u adviseren over de gevolgen van uw emigratie over de belastinggevolgen op basis van Nederlandse belastingregels. Voor een advies over het nationale belastingstelsel in een ander land zal een lokale belastingadviseur worden ingeschakeld, deze is op de hoogte van als relevante feiten in het buitenland. Wij beschikken over een groot netwerk in het buitenland.
Ook adviseren wij belastingplichtigen over procedures in bezwaar of beroep bij een onjuiste NiNbi beschikking. In een procedure bij de Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 25 oktober 2023 is dit inkomen te hoog vastgesteld. Dit was ook aan de orde bij een uitspraak van dezelfde Rechtbank op 14 juni 2023. Er ontstaat vaak discussie over "wie mag heffen". Als een uitkering is toegewezen aan het buitenland dan gaat het in de opgave wereldinkomen om "niet in Nederland belastbaar inkomen". Tevens is er regelmatig discussie over aftrekposten (eigen woning en zorgkosten) die bij een niet kwalificerende belastingplichtige mogen worden meegenomen.
Voor een wat complexere zaak verwijzen wij ook naar de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag op 12 januari 2021. Als u het inkomen niet juist of volledig zou opgeven kan een boete worden opgelegd (Rechtbank Noord Holland d.d. 20 mei 2022 ECLI:NL:RBNHO:2022:4511)
Bron opgave wereld inkomen
Belastingheffing in Frankrijk
Op vrijdag 21 juni 2024 speelt Nederland tegen Frankrijk, een mooie reden om te kijken hoe het fiscale stelsel in Frankrijk werkt. Een mooi land dat zeker geen belastingparadijs is. Qua tarieven en wetgeving lijkt het redelijk op Nederland.
Algemene informatie Frankrijk
Frankrijk is een West-Europees land en heeft een gevarieerd landschap, van de bergketens van de Alpen en de Pyreneeën tot de prachtige kusten langs de Middellandse Zee en de Atlantische Oceaan. De Franse cultuur staat wereldwijd bekend om zijn kunst, literatuur, mode en keuken. Het land heeft een lange traditie van toonaangevende kunstenaars, schrijvers en ontwerpers voortgebracht, en de Franse keuken wordt beschouwd als een van de beste ter wereld. Niet te vergeten heeft Frankrijk ook erg goede wijnen.
Belastingheffing in Frankrijk
Frankrijk heeft een zeer uitgebreid belastingstelsel en heeft met veel landen een belastingverdrag gesloten. Zo ook met Nederland (sinds 1973). In dit artikel gaan wij kort in op het Franse belastingstelsel.
Net zoals de meeste andere Europese landen is Frankrijk geen belastingparadijs. Ze hanteren een progressief belastingstel. Ze hebben een personenbelasting wat vergelijkbaar is met de Nederlandse inkomstenbelasting en een afzonderlijke bedrijvenbelasting (vergelijkbaar met de Nederlandse vennootschapsbelasting).
Inkomstenbelasting in Frankrijk
Frankrijk hanteert progressieve schijven. Onderstaand volgt een opsomming van de schijven:
- 0% voor inkomens tot € 11.294
- 11% voor inkomens tussen € 11.295 en € 28.797
- 30% voor inkomens tussen € 28.798 en € 82.341
- 41% voor inkomens tussen € 82.342 en € 177.106
- 45% voor inkomens boven de € 177.107
Particulieren moeten nog steeds een aangifte indienen meestal tussen mei en juni na het afgesloten kalenderjaar
Kapitaalwinstbelasting in Frankrijk
30% op roerende goederen en 19% op onroerend goed.
Kapitaalinkomstenbelasting in Frankrijk
Er wordt een forfaitair bedrag van 30% geheven (12,8% inkomstenbelasting en 17,2% sociale bijdragen).
Erfbelasting in Frankrijk
Voor de erfbelasting gelden progressieve tarieven tot 45%.
Vermogenswinstbelasting in Frankrijk
19% plus 17,2% sociale bijdragen
Vennootschapsbelasting in Frankrijk
Het tarief vennootschapsbelasting bedraagt: 25%. Er geldt onder voorwaarden een verlaagd tarief voor de verkoop van onroerend goed van 19%. Ook kunnen kleine- en nieuwe ondernemingen onder voorwaarden onder een verlaagd tarief vennootschapsbelasting vallen. Tot slot zijn vermogenswinsten op de verkoop van aandelen onder voorwaarden grotendeels vrijgesteld onder de deelnemingsvrijstelling. Verliezen uit andere jaren mogen worden verrekend, maar kunnen zijn aan een maximum gebonden.
Omzetbelasting in Frankrijk
Het standaard hoge tarief is 20%. Voorts zijn er verlaagde tarieven van 10% en 5,5%.
Overdrachtsbelasting in Frankrijk
Frankrijk kent ‘slechts’ een overdrachtsbelasting van 5% tot 6% op onroerende zaken. Vennootschappen waarin hoofdzakelijk onroerende zaken zitten is een tarief van 0,1% verschuldigd.
Noot Fiscaal Jurist inzake belastingstelsel Frankrijk
Het Franse belastingstelsel is erg complex en uitgebreid, met veel verschillende soorten belastingen die door zowel bedrijven als particulieren moeten worden betaald. Bij emigratie is het noodzakelijk er overleg gaat plaatsvinden tussen uw Nederlandse en Franse adviseur. Wij kunnen u vFrankrijk kent ook vele tegemoetkoming in de vorm van verlaging van tarieven bij bijvoorbeeld kleine ondernemingen. Dit maakt het belastingstelsel onder andere ook zo ingewikkeld. Voor actuele en volledige info verwijzen wij u graag naar: France Highlights 2024 (deloitte.com)
Polen en belastingen
Nederland speelt tijdens de EK voetbal op zondag 16 juni tegen Polen. Een mooie aanleiding om iets te vertellen over dit land en natuurlijk haar fiscaliteit.
Geografie en Bevolking
Polen, gelegen in Centraal-Europa, is een land met een rijke geschiedenis en een diverse cultuur. Het land grenst aan Duitsland in het westen, Tsjechië en Slowakije in het zuiden, Oekraïne en Wit-Rusland in het oosten, en Litouwen en de Russische enclave Kaliningrad in het noordoosten. Het heeft ook een kustlijn aan de Oostzee in het noorden. De hoofdstad en grootste stad van Polen is Warschau, terwijl andere belangrijke steden Krakau, Łódź, Wrocław, Poznań en Gdańsk zijn.
Polen heeft een bevolking van ongeveer 38 miljoen mensen, waarmee het een van de grootste landen in de Europese Unie is.
Geschiedenis en Cultuur
Polen heeft een rumoerige geschiedenis doorgemaakt, gekenmerkt door periodes van onafhankelijkheid en bezetting. Het Koninkrijk Polen werd in de 10e eeuw gesticht en vormde later de Pools-Litouwse Gemenebest, een van de grootste en meest invloedrijke staten van Europa in de 16e en 17e eeuw. In de 18e eeuw werd Polen echter opgedeeld tussen Pruisen, Oostenrijk en Rusland, en het land verdween van de kaart tot het opnieuw onafhankelijk werd in 1918. Na de Tweede Wereldoorlog kwam Polen onder communistische controle en bleef een satellietstaat van de Sovjet-Unie tot de val van het communisme in 1989.
De Poolse cultuur is rijk en divers, met een sterke nadruk op muziek, literatuur en kunst. Polen heeft een aantal wereldberoemde componisten voortgebracht, zoals Frédéric Chopin, evenals schrijvers als Adam Mickiewicz en Nobelprijswinnaar Wisława Szymborska. Traditionele volksmuziek en dans blijven populair, net als moderne kunstvormen.
Fiscaliteit in Polen
Belastingstelsel in polen
Het Poolse belastingstelsel bestaat uit verschillende soorten belastingen, waaronder inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, btw en accijnzen.
Inkomstenbelasting in polen
In Polen wordt de inkomstenbelasting (PIT) geheven op individuen en varieert afhankelijk van het inkomen. Er zijn twee schijven:
- 12% voor inkomens tot 120.000 PLN per jaar.
- 32% voor inkomens boven 120.000 PLN per jaar.
Daarnaast is er een solidariteitsheffing van 4% op jaarinkomens boven 1 miljoen PLN. Zelfstandigen en freelancers kunnen kiezen voor een vlaktaks van 19% of forfaitaire tarieven op basis van het soort activiteit. De belastingvrije som bedraagt € 8.000.
Vennootschapsbelasting in polen
De vennootschapsbelasting (CIT) in Polen bedraagt 19%, maar kleine ondernemingen met een jaaromzet tot 2 miljoen EUR kunnen in aanmerking komen voor een verlaagd tarief van 9%. Polen heeft ook een uitgebreid netwerk van belastingverdragen om dubbele belastingheffing te vermijden.
BTW in polen
De btw (VAT) in Polen heeft een standaardtarief van 23%. Er zijn ook verlaagde tarieven van 8% en 5% voor bepaalde goederen en diensten, zoals levensmiddelen, farmaceutische producten en sommige boeken en tijdschriften.
Andere Belastingen in polen
- Andere belangrijke belastingen in Polen zijn accijnzen op alcohol, tabak en brandstoffen, evenals milieubelastingen en lokale belastingen zoals onroerendgoedbelasting.
- Er geldt een partnerregeling in Polen (mits gehuwd)
- Speciale tarieven voor innovatie
- Speciale regeling voor monumenten
- Premieheffing voor werkgevers voor bruto loon werknemers 19-22%. Werknemers dragen 14% bij.
- Polen kent voor ingezetenen een schenk en erfbelasting
- Polen kent een exit heffing van 19% (soms 3%) voor bedrijven.
Heffing over huurinkomsten in Polen
Daarnaast wordt er over particuliere huurinkomsten 8,5% belasting geheven tot € 25.000 per jaar en 12,5% over het meerdere. Kosten zijn niet aftrekbaar.
Belastingheffing voor niet ingezetenen
Specifieke inkomsten voor niet ingezetenen zijn belast tegen een lokaal tarief van 20%, geen aftrek van kosten (tenzij belastingverdrag van toepassing is). Dit gaat ondermeer om:
- auteursrechten en vergoedingen IE of handelsnaam
- vergoeding lease
- inkomsten uit sport, cultuur, onderwijs, journalistiek
- commissaris vergoedingen
- inkomsten persoonlijke diensten
- management en bestuurswerzaamheden
Fiscale Hervormingen en Beleid in Polen
Polen heeft de afgelopen jaren verschillende fiscale hervormingen doorgevoerd om het belastingstelsel te vereenvoudigen en de belastinginkomsten te verhogen. Een van de belangrijkste hervormingen was de invoering van de zogeheten "Polski Ład" (Pools Akkoord), dat onder andere lagere belastingtarieven voor lage inkomens en hogere belastingvrije drempels omvat.
Daarnaast heeft Polen stappen ondernomen om belastingontwijking en -ontduiking tegen te gaan. Dit omvat strengere regels voor transfer pricing, de introductie van een algemene antimisbruikbepaling (GAAR) en verbeterde samenwerking met andere EU-lidstaten en internationale organisaties zoals de OESO.
Conclusie
Polen is een dynamisch land met een rijke cultuur en een gevarieerd landschap. Het land heeft een stevig belastingstelsel dat voortdurend wordt aangepast om aan de veranderende economische omstandigheden te voldoen. Met zijn strategische ligging in Europa en zijn lidmaatschap van de Europese Unie, blijft Polen een belangrijke speler op het continent, zowel economisch als politiek.
De Poolse belastingdienst is onderverdeeld in 2 afdelingen (1) beheren en innen (2) beroepszaken.
Curaçao en belastingheffing
Onze collega Henk Davina verblijft beroepsmatig regelmatig op Curaçao, vanuit dit mooie eiland heeft hij onderstaande artikel geschreven.
Curaçao stond altijd bekend als een belastingparadijs. Door de internationale druk op belastingparadijzen heeft Curaçao haar wetgeving aangepast en in overeenstemming gebracht met geldende internationale bepalingen. Onze collega Henk Davina komt regelmatig op Curaçao. Omdat wij als kantoor regelmatig vragen krijgen over emigratie naar Curaçao heeft hij in grote lijnen de huidige fiscale wetgeving van Curaçao op een rijtje gezet. Hier vindt u nog meer informatie over "waar moet ik belasting betalen". De regeling tussen Nederland en Curaçao kunt u hier raadplegen.
Schema belastingstelsel op Curacao
Inkomstenbelasting op Curacao
Indien men op Curaçao woont en werkt zijn inkomsten uit arbeid, winst uit onderneming, rente en dividend volledig belast. Inkomsten uit onroerende zaken, b.v. verhuur 2e woning, worden voor 65% belast, waarbij de rente op de hypotheek wel aftrekbaar is. In principe komt het erop neer dat alles in ‘Box 1’ wordt belast. Afhankelijk van het inkomen bedraagt het belastingtarief tussen de 9,75% en 46,5%.
Penshonadoregeling op Curacao
Werkt men niet meer of is men van plan om te stoppen met werken om op het tropische eiland Curaçao te gaan genieten van het leven, dan kan men gebruik gaan maken van de Penshonado-regeling. Hoe lekker is dat? Hiermee kunt u onder bepaalde voorwaarden gebruik maken van zeer gunstige belastingtarieven.
De Pensonadoregeling is per 1 januari 2016 door de invoering van de nieuwe belastingregeling (BRNC) wel veranderd. De verdeling Van de heffingsrechten tussen Nederland en Curaçao is op dat moment gewijzigd. Deze verandering gelden echter niet voor personen die al op 5 juni 2014 op Curaçao waren gaan wonen, en het pensioen op die datum al was ingegaan.
Belastingvoordeel Penshonadoregeling op Curacao
De Penshonado-regeling is een regeling die belastingvoordeel kan opleveren voor buitenlandse inkomsten en kent twee vormen. De kern van beide regelingen is dat onder bepaalde voorwaarden inkomsten uit het buitenland tegen een tarief van 5% (oude regeling) of 10% kunnen worden belast. Ook kan er gekozen worden om een forfaitair buitenlands inkomen van ANG 150.000,- (oude regeling) of ANG 500.000,- te belasten tegen het normale tarief, ongeacht het werkelijk genoten buitenlands inkomen.
Wanneer komt u in aanmerking om zich als Penshonado op Curaçao te laten registreren?
Voorafgaand aan het aanvragen van de Penshonado-status mag u niet op
Curaçao gewoond hebben gedurende een aaneengesloten periode van minimaal
5 jaar
De Penshonado-regel is o.a. opgezet om buitenlands vermogen naar Curaçao te krijgen. Vandaar dat het niet mogelijk is voor mensen die al lange tijd op Curaçao wonen.
U bent 50 jaar of ouder op het moment van inschrijven in bevolkingsregister
van Curaçao
Ook al ruim voordat u de pensioengerechtigde leeftijd hebt bereikt (in Nederland), is het mogelijk om dat u zich via de Penshonado-regeling op Curaçao vestigt.
U bent ingeschreven als inwoner van Curaçao en ook daadwerkelijk woonachtig
op Curaçao
U moet wel echt op Curaçao gaan wonen. Een ‘grijze’ constructie waarbij uw werkelijke dagelijks leven zich toch in een ander land afspeelt is niet toegestaan.
Binnen 2 maanden na aankomst op Curaçao moet u de lokale Belastingdienst informeren over de intentie om gebruik te gaan maken van de Penshonado-regeling
Deze voorwaarde is wel belangrijk om te onthouden; na de emigratie is men vaak druk met van alles en dan zijn die 2 maanden zo voorbij.
Binnen 18 maanden na aankomst op Curaçao heeft u een woning in bezit
van minimaal NAF 450.000 (daadwerkelijk beschikbaar), of woont u in een
monumentaal huurhuis met een waarde van minimaal NAF 450.000
Omdat de regel bedoeld is om Curaçao aantrekkelijk te maken voor mensen met buitenlands vermogen, is een eis gesteld voor een koopwoning of monumentale huurwoning van minimaal NAF 450.000 (ongeveer € 230.000). U moet ook zelf in de koopwoning gaan wonen; als de koopwoning verhuurd wordt telt dit niet mee voor de Penshonado-regeling. U werkt niet op Curaçao. Wel mag u bestuurder zijn van een vennootschap (40% aandeelhouder)
Inkomsten uit arbeid worden belast tegen het gewone Curaçaose tarief
voor inkomstenbelasting
Het voordelige belastingtarief geldt alleen voor geld dat van buiten Curaçao komt. Dit kan bv. ook een uitkering vanuit Nederland zijn.
Premieplicht op Curacao
Als u gebruik maakt van de Penshonado-regeling bent u alsnog verplicht verschillende premies te betalen. Dit betreft de premie voor de Basisverzekering Ziektekosten (BVZ), Algemene Verzekering Bijzondere Ziektekosten (AVBZ) en afhankelijk van uw leeftijd ook de premie voor Algemene Ouderdomsverzekering (AOV) en Algemene Weduwen- en Wezenverzekering (AWW).
Het heffingsrecht vanaf 1 januari 2016
Door de veranderingen per 2016 mag Nederland voortaan volledig heffen over het AOW-inkomen, en mag Nederland daarnaast ten minste 15% heffen over ander pensioeninkomen. Vervolgens gaat het heffingsrecht over naar Curaçao. Hoe dit uitwerkt is voor iedereen natuurlijk anders. Bepalend is o.a. de hoogte van uw pensioen en of u bijvoorbeeld een overheidspensioen ontvangt. Daarnaast is ook de premieheffing in Nederland en Curaçao van belang. Afhankelijk hoeveel pensioen u ontvangt bedraagt de belastingdruk (zonder premieheffing) meer dan 10% indien de Penshonado-regeling van toepassing is. Het bijzondere hieraan is dat niet in Curaçao maar aan Nederland afgedragen moet worden. De Curaçaose Penshonado-regeling is daardoor ook een beetje een Nederlandse regeling geworden….
Winstbelasting op Curacao
Rechtspersonen, zoals NV’s, BV’s, Stichting particulier fonds (SPF) en bijvoorbeeld verenigingen en stichtingen die een bedrijf uitoefenen zijn aan winstbelasting onderworpen.
Er zijn verschillende tarieven van toepassing voor de winstbelasting. Het winstbelastingtarief bedraagt 22% (algemeen tarief). Per 1 juli 2018 is de vrijgestelde vennootschap omgevormd tot een Curaçaose Beleggingsvennootschap (zie hierna) die voor zijn winst belast is naar een tarief van 0%. Verder is de winst voor de lichamen die als doelvermogens aangemerkt zijn, belast naar een tarief van 10/T (T= het algemeen tarief). Voor de E-zone vennootschappen zijn hun winsten belast naar een tarief van 2%. Dit belastingtarief voor de E-zone vennootschappen is van toepassing tot en met het jaar 2022. Tot slot is er een tarief van 3% voor lichamen die aangemerkt zijn als laag belaste activiteiten. Deze laag belaste activiteiten zijn:
- Bouw, reparatie en onderhoud aan schepen en vliegtuigen;
- Ondersteunende diensten;
- Opslag en logistieke verwerking;
- Diensten aan beleggingsfondsen.
Het tarief voor de laag belaste activiteiten is niet van toepassing op notarissen, advocaten, openbare accountants, fiscale adviseurs en directievoering.
Geen belastingparadijs meer voor ondernemingen!
Curaçao stond al jaren op de ‘black list’ als belastingparadijs. Internationale fiscale ontwikkelingen hebben er in 2001 toe geleid dat het bekende offshore-regime geleidelijk werd afgeschaft. Dit was echter nog niet voldoende om aan de internationale richtlijnen te voldoen. Onder internationale druk van de OESO heeft Curaçao in 2018 en vervolgens in 2019 (omdat men in 2018 nog niet aan de voorwaarden voldeed) haar fiscale wetgeving wederom aangepast.
Curaçaose Beleggingsvennootschap
Gelijktijdig met het afschaffen van diverse voordelen is de Curaçaose Beleggingsvennootschap (CBV) geïntroduceerd. De CBV vertoond grote gelijkenis met de afgeschafte vrijgestelde vennootschap. Om voor de status van CBV in aanmerking te komen dienen zowel de statutaire doelomschrijving alsmede de feitelijke werkzaamheden van de vennootschap te bestaan uit het uitsluitend of nagenoeg uitsluitend verrichten van kredietuitzettingen, het beleggen in effecten en deposito’s of het ontwikkelen en exploiteren van intellectuele en industriële eigendomsrechten en soortgelijke vermogensrechten.
Voor de CBV geldt dat deze entiteit reële aanwezigheid in Curaçao moet hebben. Op basis van de winstbelastingwetgeving dienen vennootschappen die gebruikmaken van een speciaal tarief of regime in beginsel te beschikken over reële aanwezigheid (‘substance’) in Curaçao. Van een reële aanwezigheid is sprake indien de vennootschap:
- een bij de aard en omvang van de activiteiten van het lichaam, dan wel het concern passend aantal gekwalificeerde lokale voltijd werknemers, al dan niet in dienstbetrekking heeft;
- een bij de aard en omvang van de activiteiten van het lichaam, dan wel het concern passend bedrag aan jaarlijks terugkerende lokale operationele kosten heeft; en
- de kernactiviteiten die de inkomsten genereren in of vanuit Curaçao worden verricht.
Echter de CBV wordt als subjectief belastingplichtige aangemerkt voor de winstbelasting, en dient voorlopige en definitieve aangiften Winstbelasting in te dienen. De CBV is niet vrijgesteld van winstbelasting maar onderworpen aan een belastingtarief van 0% over kwalificerend inkomsten.
Stichting Particulier Fonds op Curacao
Ingaande 1 januari 2019 is de SPF ook aangifteplichtig voor de winstbelasting. De vrijstelling van winstbelasting blijft wel bestaan indien de ‘winst’ van de SPF niet voortvloeit uit een bedrijf. Deze SPF wordt door de Nederlandse Belastingdienst gezien als afgezonderd particulier vermogen (APV). Het vermogen wordt toegerekend aan de inbrenger van het vermogen (box 3) dan wel aan de erfgenamen.
Omzetbelasting op Curacao
Curaçao kent net als de meeste landen ook een omzetbelasting.
Men hanteert een drietal tarieven:
- 6%, het algemene tarief,
- 7% ter zake van verzekeringen en het verstrekken van logies in een hotel/appartement voor kortdurend verblijf,
- 9% voor goederen en diensten zoals, levering van auto’s en boten, horecabestedingen (maaltijden, dranken), tabak, telefoons, vuurwerk e.d.
Daarnaast kent men, net als in Nederland, ook een groot aantal vrijstellingen. Het grote verschil met Nederland is dat men geen aftrekrecht heeft op de omzetbelasting die aan een ondernemer in rekening wordt gebracht. Elke schakel in een proces wordt dus (cumulatief) belast met OB.
Tenslotte
Aruba, Curacao en Sint Maarten zijn zelfstandige landen binnen het Koninkrijk. Op basis van de belastingregeling Nederland en Curacao zijn er afspraken gemaakt tussen Nederland en Curacao. Voor Sinte Maarten is andere regeling van toepassing. De BES Eilanden (Bonaire Sint Eustatius em Saba) worden gezien als openbare lichamen (zeg een soort gemeente) van Nederland. Caribisch Nederland kent een geheel eigen belastingstelsel (zie hier), bij vragen over bovenstaande artikel kunt u contact met ons opnemen.
Overdracht onderneming naar buitenland
Het Tabaksconcern British American Tobacco (artikel NRC) heeft ruim 1,7 miljard aan winst buiten de boeken gehouden en krijgt naast een belastingaanslag een boete van ruim 100 miljoen euro. Vorenstaande volgens een uitspraak van de Rechtbank Noord Holland d.d 15 december 2023 (ECLI:NL:RBNHO:2023:2635) en een eerdere uitspraak van dezelfde rechtbank d.d. 17 oktober 2022. Het tabaksconcern gaat vast in hoger beroep en is teleurgesteld, de belastingdienst is tevreden. De centrale vraag in deze procedures is of er activa zijn overdragen naar het buitenland zonder dat hierover belasting is betaald.
Volgens de rechtbank wordt de winst op kunstmatige wijze laag gehouden via diverse internationale doorbelastingen. Dit ging om kosten - ten laste van de Nederlandse winst - inzake garantstellingen, hulp bij kostenbesparingen, vergoeding voor interne dienstverleningen inzake productie, etc. Daarnaast is een deel van de Nederlandse activiteiten zonder eindafrekening overgedragen aan een vennootschap in het Verenigd Koninkrijk, dit zou een Nederlandse winst opleveren van 1,7 miljard.
Reorganisatie binnen internationaal concern
De rechtbank is van mening dat X BV (groot concern) overdrachtswinst had moeten nemen over de verkoop van ondernemingsactiviteiten aan een vennootschap in het Verenigd Koninkrijk. Kort en goed is sprake van het volgende:
Mijn excuses, het lijkt erop dat er een probleem is met het ophalen van de uitspraken via de tool voor rechtspraak. Desalniettemin kan ik een samenvatting geven op basis van de inhoud die u hebt verstrekt:
- Traditioneel werden er zelden boetes opgelegd in transfer pricing geschillen tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst, met uitzondering van zaken met duidelijke opzet. Een beleidsmatige, maar niet geformaliseerde, toezegging van de staatssecretaris en het ontbreken van gedetailleerde wetgeving droegen hieraan bij.
- De algemene perceptie was dat het hebben van transfer pricing (TP) documentatie boetes kon voorkomen.
- De boetes (ruim € 107.000.000) in deze procedure zijn gerelateerd aan twee kwesties: vaststelling van factoring fees en het overdragen van een onderneming naar een Britse aandeelhouder.
- De rechtbank beschouwde de handelingen rondom de ondernemingsoverdracht als een substantiële verandering die resulteerde in een winstuitdeling en eindafrekening gebaseerd op historische kasstromen. X BV was van mening dat er sprake is van onbelast stopzetten van licentiecontracten en dat er geen sprake is van overdracht van activa naar het buitenland. Volgens de rechtbank en de Belastingdienst zijn een belangrijk deel van de Nederlandse activiteiten stopgezet en verplaatst naar het VK. De moeder in het VK moet zich hebben gerealiseerd dat er sprake was van een soort van winstuitdeling en dat hierover een eindafrekening in Nederland moet plaatsvinden.
- De uitspraak van de rechtbank benadrukt dat het bezitten van professioneel opgestelde TP-documentatie geen garantie biedt tegen boetes. Ook blijkt dat TP-documentatie onvoldoende kan zijn wanneer de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard.
- De rechtbank onderzocht kritisch de kwaliteit van TP-rapporten en beschouwde het zogenaamde 'shopgedrag' tussen rapporten als bewijs van (voorwaardelijke) opzet van de tabaksfabrikant. TP-documentatie bleek onvolkomenheden en onvolledigheden te bevatten en de fabrikant kon niet aantonen dat haar interpretatie volledig juist was.
- De zaak dient als een serieuze waarschuwing: TP-documentatie geeft geen volledige bescherming tegen boetes en kan ontoereikend zijn onder een verzwaarde bewijslast.
Noot fiscaal jurist inzake overdracht bedrijfsactiviteiten
De tabaksfabrikant heeft bedrijven in Nederland en in het buitenland. Voor de productie en verkoop van deze producten vinden er binnen het concern transacties plaats, hiervoor worden intern vergoedingen met elkaar afgesproken, de fiscale verrekenprijzen (of transferpricing). De belastingdienst en de rechters zijn van mening dat deze verrekenprijzen niet zakelijk zijn en dat de Nederlandse BV dus teveel kosten betaalde. Het gevolg is dat er over een aantal jaren te weinig vennootschapsbelasting in Nederland wordt betaald.
Tevens wordt in 2016 een deel van de activiteiten gestaakt (of verkocht dat is de vraag). De belastingdienst is van mening dat de activiteiten zijn overgebracht naar het buitenland en dat hierover in Nederland nog moet worden afgerekend.
De rechtbank stelt de belastingdienst grotendeels in het gelijk. Van een groot deel van de intercompany doorbelastingen is niet voldoende bewezen dat de overeengekomen vergoedingen ook tussen onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen. Tevens is de rechtbank van mening dat er bedrijfsactiviteiten binnen het concern zijn verkocht.
Het gevolg is een stevige aanslag vennootschapsbelasting met een extreem forse boete (qua bedrag). In deze film wordt de situatie nog een uitgelegd. De boete was in eerste aanleg nog hoger en is - in verband met overschrijding van de redelijke termijn - iets verlaagd.
Bij de " emigratie van een onderneming " moet er in Nederland een exit heffing worden betaald. Dit is niet anders dan bij een normale overdracht van activiteiten door een BV of onderneming.
In onze dagelijkse praktijk hebben we wekelijks te maken met klanten die naar het buitenland verhuizen. Het verplaatsen van de fiscale woonplaats heeft grote fiscale gevolgen op het gebied van belastingheffing en premiesheffing sociale verzekeringen. Bij de overdracht van bedrijfsactiviteiten (of een BV) moet er ook rekening worden gehouden met een eindafrekeningwinst binnen de BV.
Heeft u vragen over een emigratie of uw vertrek naar het buitenland neem dan gerust contact met ons op.
Werken in het Buitenland voor een Buitenlandse Werkgever
Op grond van het normale internationale recht zijn inkomsten uit dienstbetrekking belast in het land waar de dienstbetrekking wordt verricht. Op grond van de zogenaamde 183 dagen regeling kan dit anders zijn. Lees voor een uitgebreide uiteenzetting ook dit rapport van de belastingdienst uit 2023. De situatie kan per land en belastingverdrag verschillen (overzicht belastingverdragen). In deze blog behandelen we ondermeer een rechtbank uitspraak uit mei 2024 over werkzaamheden op Cyprus en wonen in Nederland.
In veel gevallen is de heffing in het buitenland lager dan in Nederland, het kan dan voordelig zijn om om belasting in het buitenland te betalen (salary split). Als er in het buitenland niet wordt geheven kan soms geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting in Nederland worden verkregen, het buitenlandse inkomen wordt dan dus alsnog in Nederland belast.
Voorkoming dubbele belasting ook voor opgebouwde verlofdagen
De aftrek ter voorkoming van dubbele belasting betreft niet alleen het loon over de fysiek aan boord (bijvoorbeeld van schip of vliegtuig) gewerkte dagen maar ook over de verlofdagen die de werknemer met zijn werk opbouwt en op een later moment opneemt, dit aldus een uitspraak van de Rechtbank Noord Nederland d.d. 20 mei 2025 ECLI:NL:RBNNE:2025:1923. In dit voorbeeld ging het om iemand die op een schip werkte en aftrek ter voorkoming van dubbele belasting claimde. In de kern gaat het om de uitleg van belastingverdragen, meestal staat hierin opgenomen "de ter zake daarvan verkregen beloning". De inspecteur was van mening dat dit enkel op "geld" ging en dus niet om verlofuren. De rechtbank keek bij deze uitspraak mede naar een arrest van de Hoge Raad d.d. 23 september 2005 ECLI:NL:HR:2005:AP1424, omdat de belastingplichtige 12 uur per dag werkte.
De Fiscale Gevolgen voor een Inwoner van Nederland
Werken in het buitenland voor een buitenlandse werkgever terwijl je in Nederland woont, kan fiscaal gezien complex zijn. Hieronder bespreken we de belangrijkste fiscale gevolgen en aandachtspunten voor deze situatie. Als het tarief in het buitenland lager is dan in Nederland kan werken in het buitenland een financieel voordeel opleveren, dit noemen we de zogenaamde salary split. De werkzaamheden moeten dan ook daadwerkelijk in het buitenland worden verricht binnen een onderneming en onder gezag (zie uitspraak gerechtshof Amsterdam d.d. 31 oktober 2007) van een buitenlandse werkgever (of deelneming van uw binnenlandse werkgever). De beloning moet in overeenstemming zijn met de kwaliteit en kwantiteit van de werkzaamheden die aldaar worden uitgevoerd, zie uitspraak Hoge Raad d.d. 1 december 2006 ECLI:NL:HR:2006:AT3928. Essentieel is dus dat het salaris wordt betaald door een buitenlandse vaste inrichting of entiteit. Het is verstandig om het aantal dagen (zie Gerechtshof Den Haag d.d. 11 december 2009) in het buitenland bij te houden en hiervan bewijs te bewaren.
Belastingplicht in Nederland
Als inwoner van Nederland ben je in principe belastingplichtig voor je wereldwijde inkomen. Dit betekent dat je al je inkomsten, inclusief je salaris uit het buitenland, in Nederland moet aangeven bij de Belastingdienst. De 183 dagen regeling voorkomt dat u in beide landen belasting zou betalen over uw salaris. Normaal gesproken mag het werkland heffen over uw inkomen. Dit kan soms anders zijn, bijvoorbeeld bij toepassing van de 183 dagen regeling. De 183 dagen regeling is van toepassing als aan 3 voorwaarden wordt voldaan:
- U verblijft niet langer dan 183 dagen in het werklanden, en
- U wordt betaald door of namens een werkgever die niet in het werkland is gevestigd, en
- U werkt niet voor een vaste inrichting van uw werkgever (zie Hoge Raad 12 oktober 2001 ECLI:NL:HR:2001:ZC8023)
Als van bovenstaande sprake is mag het woonland heffen.
Als u in Nederland woont dan is sprake van binnenlandse belastingplicht. Uw wereldwijde inkomen en vermogen moet u dan in uw Nederlandse aangifte opnemen. Vervolgens wordt op grond van de 183 dagenregeling bekeken over welk deel van uw inkomen u aftrek ter voorkomen van dubbele belasting kunt krijgen.
Belastingheffing in het Werkland
Het werkland kan ook belasting heffen over het salaris dat je daar verdient. Dit kan leiden tot dubbele belastingheffing, waarbij zowel Nederland als het werkland belasting heft over hetzelfde inkomen. De auto van de zaak die door de buitenlandse werkgever ter beschikking is gesteld aan de werknemer valt ook onder het arbeidsartikel (zie Hoge Raad d.d. 3 december 2004 ECLI:NL:HR:2004:AR6883). In een situatie waarbij er geen belasting op Cyprus is betaald en er ook een auto aldaar te beschikking is gesteld mag volgens de rechtbank zeeland west brabant d.d. 16 mei 2024 (ECLI:NL:RBZWB:2024:3270) geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting worden geclaimd.
Project in buitenland voor Nederlandse werkgever
Het komt regelmatig voor dat een in Nederland wonende werknemer voor zijn Nederlandse werkgever een project in het buitenland mag uitvoeren. Vaak wordt er dan in het buitenland geen belasting betaald. Het zou dan financieel voordelig zijn als er wel aftrek ter voorkoming van dubbele belasting kan worden verkregen, deze situatie stond centraal in een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem d.d. 5 december 2017 ECLI:NL:GHARL:2017:10604 (cassatie Hoge Raad 19 juli 2019) Vaak gaat dit mis op grond van de 183 dagen regeling, de discussie zal zich dan toesplitsen of er in het buitenland sprake is van een vaste inrichting van de Nederlandse werkgever.
Dubbele Belastingverdragen
Om dubbele belastingheffing te voorkomen, heeft Nederland met veel landen verdragen gesloten. Deze belastingverdragen bepalen welk land belasting mag heffen over welke inkomsten. Vaak geldt dat het werkland het recht heeft om belasting te heffen over je salaris en dat Nederland dan een voorkoming van dubbele belasting geeft.
Voorkoming Dubbele Belasting
Nederland biedt verschillende methoden om dubbele belasting te voorkomen, zoals de vrijstellingsmethode of de verrekeningsmethode. De exacte methode hangt af van het belastingverdrag met het werkland.
- Vrijstellingsmethode: Nederland verleent een vrijstelling voor het in het buitenland verdiende inkomen, zodat dit inkomen niet nogmaals in Nederland wordt belast.
- Verrekeningsmethode: De in het buitenland betaalde belasting wordt verrekend met de in Nederland verschuldigde belasting.
Veelal wordt de vrijstellingsmethode (met progressie voorbehoud) toegepast bij buitenland inkomen. Bij inkomen voor bestuurders mag enkel de in het buitenland betaalde belasting in mindering worden gebracht (credit methode). In een besluit uit 2017 is goedgekeurd dat bij werkzaamheden in ondermeer Oman, Saudi Arabie en VAE ook de vrijstellingsmethode mag worden toegepast.
Aangifte Inkomstenbelasting en werken in het buitenland
Bij je jaarlijkse aangifte inkomstenbelasting in Nederland moet je het in het buitenland verdiende salaris opgeven. Afhankelijk van het belastingverdrag en de toegepaste methode voor voorkoming van dubbele belasting, geef je het bedrag op en vraag je om vrijstelling of verrekening.
Sociale Verzekeringen en werken in het buitenland
Naast de belastingheffing is het belangrijk om te weten waar je sociaal verzekerd bent. Dit is afhankelijk van de duur van je werkzaamheden in het buitenland en de afspraken die Nederland heeft met het werkland.
- Verdrag over Sociale Zekerheid:Nederland heeft met sommige landen verdragen gesloten om dubbele sociale verzekeringspremies te voorkomen.
- EU-regelgeving: Binnen de Europese Unie gelden specifieke regels die bepalen waar je sociaal verzekerd bent. In de meeste gevallen ben je sociaal verzekerd in het land waar je werkt.
Lees ook deze uitleg over de fiscale kwalificatie van buitenlandse sociale zekerheden.
90-dagenregel
In sommige belastingverdragen bestaat de zogenaamde 90-dagenregel, die bepaalt dat als je minder dan 90 dagen in een belastingjaar in het werkland verblijft, je inkomen alleen in Nederland belastbaar is. Dit geldt echter niet voor alle verdragen en situaties.
Fiscale Faciliteiten en voordelen bij werken in buitenland
Er zijn ook fiscale faciliteiten zoals de 30%-regeling, die je kunt onderzoeken als je van plan bent langdurig in het buitenland te werken voor een buitenlandse werkgever. Deze regeling kan belastingvoordelen bieden voor werknemers die naar Nederland komen om te werken, maar kan soms ook van toepassing zijn in grensoverschrijdende situaties.
Noot fiscaal jurist bij werken in het buitenland
Gezien de complexiteit van grensoverschrijdende belastingzaken is het raadzaam om advies in te winnen bij een belastingadviseur met ervaring in internationale belastingwetgeving, bij ons kantoor werken meerdere fiscalisten met internationale fiscale advies ervaring. Dit helpt om onnodige belastingdruk te voorkomen en ervoor te zorgen dat je voldoet aan alle fiscale verplichtingen.
Het is essentieel om de belastingverdragen tussen Nederland en het werkland te begrijpen en de juiste methoden voor voorkoming van dubbele belasting toe te passen. Sociale verzekeringsaspecten moeten ook zorgvuldig worden overwogen. Met de juiste planning en professioneel advies kun je je fiscale situatie optimaliseren en mogelijke problemen voorkomen.
Teruggaaf dividendbelasting
De recente ontwikkelingen op het gebied van de teruggave van dividendbelasting hebben gevolgen voor bedrijven en financiële dienstverleners. Met de inwerkingtreding van de conditionele bronheffing op dividenden en de nieuwe procedures voor gebundelde teruggaafverzoeken, is het van belang om goed op de hoogte te zijn van de nieuwste regels en vereisten. Er worden een aantal wijzigingen per 1 januari 2024 beoogd. De belangrijkste is dat dividendbelasting wordt geheven bij een dividenduitkering (binnen concern) aan een lichaame gevestigd in een laag belaste jurisdictie waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten ter voorkoming van dubbele belasting. Daarnaast zijn diverse administratieve zaken aangepast. Dit artikel biedt een uitgebreide gids over deze wijzigingen, gericht op het waarborgen van een correcte en efficiënte teruggave van dividendbelasting.
De dividendbelasting in internationaal perspectief
Dividendbelasting is een belasting die wordt geheven op dividenden die worden uitgekeerd door Nederlandse vennootschappen. Recentelijk zijn er enkele belangrijke wijzigingen doorgevoerd die van invloed zijn op de procedures en vereisten voor het terugvragen van deze belasting. Deze wijzigingen hebben betrekking op zowel binnenlandse als buitenlandse ontvangers van dividenden.
In Nederlang gevestigde ontvanger van dividend
Een Nederlandse vennootschap (rechtspersoon) die deelnemingsdividenden (belang tenminste 5%) gaat uitkeren aan een andere Nederlandse vennootschap hoeft hierover geen dividendbelasting in te houden. Dit geldt indien de ontvangde vennootschap recht heeft op de deelnemingsvrijstelling. Over beleggingsdividenden wordt in de regel 15% dividendbelasting ingehouden. In Nederland gevestigd bedrijven of organisaties die niet aan vennootschapsbelasting zijn onderworpen zijn vrijgesteld (mits met kwalificatie en geen vrijgestelde beleggingsinstelling). Als er toch dividendbelasting is ingehouden dan kan deze worden verrekend met de te betalen vennootschapsbelasting.
Als aan de verdragsregeling voor het inwonerschap wordt voldaan zal de Nederlandse belastingdienst een zogenaamde woonplaatsverklaring verstrekken. Onder oudere belastingverdragen is soms een regeling voor verdragsinwonerschap opgenomen, dan wordt de woonplaatsverklaring alleen op basis van wederkerigheid (tussen beide landen) verstrekt. De aanvraag bij de Nederlandse belastingdienst kan per e-mail
In een procedure bij het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 14 november 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:9660) kwam het volgende aan de orde:
- Aan belanghebbende wordt een aanslag IB/PVV voor 2020 is opgelegd met een belastbaar inkomen uit werk en woning van €26.642 en uit sparen en beleggen (box 3) van €15.588. Bij deze aanslag werd €753 buitenlandse bronbelasting verrekend.
- Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag. De Inspecteur verklaarde het bezwaar gegrond en verhoogde de verrekening van buitenlandse bronbelasting naar €755. In het buitenland is € 2.800 aan bronheffing ingehouden, dit bedrag wil belanghebbende in Nederland terugontvangen.
- De vraag is: moet Nederland meer dan 15% bronheffing teruggeven of niet?
- Belanghebbende ging in beroep bij de Rechtbank Gelderland, maar deze verklaarde het beroep ongegrond. Het Gerechtshof doet hetzelfde en de Hoge Raad doet er niks mee.
- Belanghebbende stelde hoger beroep in. Hij beweerde recht te hebben op verrekening van €2.800 buitenlandse bronbelasting en beriep zich onder andere op het vertrouwensbeginsel (het aangifte programma van de belastingdienst had een fout gemaakt). Volgens oudere jurisprudentie van de Hoge Raad mag hieraan geen in rechten te ontlenen vertrouwen aan worden ontleend (Hoge Raad d.d. 7 december 2001)
- De verrekening van buitenlandse bronbelasting is beperkt tot 15% van het brutobedrag van de dividenden, conform de belastingverdragen met Zwitserland en Italië.
In het buitenland gevestigde ontvanger van dividenden
Voor dividenden die worden betaald aan een in het buitenland gevestigde moeder vennootschap geldt vaak een vrijstelling of een verlaagd tarief. U moet wel per belastingverdrag beoordelen wat het tarief is. De vennootschap die dividend gaat uitbetalen (het betaalkantoor of de inhoudingsplichtige) moet over het uit te betalen dividend - conform de bepalingen in het belastingverdrag - dividendbelasting inhouden, dit percentage is veelal 15%. Het formulier om in het buitenland dividendbelasting terug te vragen kunt u ook opvragen bij de Nederlandse belastingdienst, dit kan per e-mail.
Voorwaarden voor Teruggave van Dividendbelasting
Voor het indienen van een teruggaafverzoek is een eenmalige registratie vereist via het registratieformulier in Mijn Belastingdienst Zakelijk. Hierin moet worden aangegeven of de registratie wordt gedaan door de belastingplichtige zelf of door een gemachtigde financieel adviseur. Het formulier kunt u na inlog vinden onder "overige belastingen" en dan onder "teruggaaf dividendbelasting".
Na 1 juli 2024 kunnen teruggaafverzoeken alleen nog via Mijn Belastingdienst Zakelijk worden ingediend. Het oude portaal voor ondernemers zal niet langer beschikbaar zijn.
Voordat u hiervan gebruik kunt maken (als belastingplichtige of financieel dienstverlener) moet u zich eerst eenmalig registeren, dit kan ook onder mijn belastingdienst zakelijk, hiervoor heeft u wel een RSIN nummer nodig (krijgt u via de KvK).
Onderscheid tussen Deelnemings- en Beleggingsdividenden
- Deelnemingsdividenden (5%-belang of meer): Een Nederlandse vennootschap hoeft geen dividendbelasting in te houden als de deelnemingsvrijstelling van toepassing is. Indien er toch belasting is ingehouden, kan deze worden verrekend in de aangifte vennootschapsbelasting.
- Beleggingsdividenden: Hierop is in de regel 15% dividendbelasting verschuldigd. Bepaalde organisaties in Nederland kunnen echter vrijgesteld zijn, mits zij een geldige kwalificatiebeschikking hebben.
Teruggave voor Ontvangers in Nederland
- Niet-Vpb-plichtige Organisaties: Deze kunnen de ingehouden dividendbelasting terugvragen, mits zij voldoen aan de vereisten zoals een geldige kwalificatiebeschikking.
- Verlaagde tarieven onder Belastingverdragen: De toepasselijke tarieven en vereisten voor deelnemingsdividenden kunnen variëren per belastingverdrag. Bijvoorbeeld, onder het verdrag met België geldt een verlaagd tarief van 5% bij een direct aandelenbelang van ten minste 10%.
- Verdragspercentage: Als algemene regel moet de inhoudingsplichtige de dividendbelasting inhouden tot het geldende verdragspercentage, vaak 15%. Voor de VS geldt een aanvullende eis om een geldig certificaat formulier 6166 over te leggen.
- Gebundeld teruggaafverzoek: Met toestemming van de participanten kunnen deze entiteiten een collectief verzoek indienen bij de Belastingdienst. Het verzoek moet voldoen aan verschillende voorwaarden, zoals het indienen per verdragsland en het beschikken over geldige woonplaatsverklaringen.
Administratieve verplichtingen bij teruggave dividendbelasting
- Administratie: Bij het indienen van een aangifte dividendbelasting moet een overzicht van toegepaste verminderingen worden bijgevoegd. Een goede administratie van de onderliggende bewijsstukken is essentieel.
Fiscaal advies inzake dividendbelasting
De recente wijzigingen in de procedures voor de teruggave van dividendbelasting vereisen nauwkeurige naleving van de nieuwe regels en registratievereisten. Voor binnenlandse ontvangers is de kwalificatiebeschikking van groot belang, terwijl buitenlandse ontvangers goed moeten letten op de specifieke vereisten van belastingverdragen. Een efficiënte administratie en tijdige indiening van verzoeken zijn cruciaal om te profiteren van de teruggavemogelijkheden. Neem contact op met uw fiscale dienstverlener om te zorgen dat uw teruggaafverzoeken correct en tijdig worden ingediend. Er zijn een aantal aandachtspunten:
- Registratie voor teruggave is verplicht en moet via Mijn Belastingdienst Zakelijk.
- Deelnemingsdividenden en beleggingsdividenden kennen verschillende tarieven en vereisten.
- Voor buitenlandse ontvangers kunnen belastingverdragen specifieke voorwaarden stellen.
- Correcte administratie en naleving van de gestelde termijnen zijn essentieel.
Neem gerust contact met ons op voor verdere begeleiding bij de teruggave van dividendbelasting en andere fiscale vraagstukken.
Bron dividendbelasting in internationaal perspectief
Besluit
van 8 november 2023, nr. 2023-21489
Besluit
van 18 september 2023, nr. 2023-20339
Besluit
van 22 februari 2018, nr. 2018 -20130
Dubai en belastingheffing
Dubai (één van de zeven emiraten) is qua belastingheffing nog steeds een belastingparadijs. De staat is zich echter in ras tempo aan het aanpassen aan de wereldeconomie. Dubai (en ook de andere emiraten) willen van de fiscale sanctielijst af en ook minder afhankelijk worden van de inkomsten van olie. Mooi moment om dit land eens te bezoeken, onze collega Dennis Jongbloed, ging eens kijken in het land dat bekend staat om haar fiscale voordelen, zon, veiligheid, goed onderwijs en evenzo perfecte zorgsysteem.
Belastingen in Dubai
In 2018 is er omzetbelasting (BTW) ingevoerd (5%) en sinds 2023 kennen de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) ook een winstbelasting van 9%. Het land heeft echter aangegeven nimmer inkomstenbelasting, vermogensbelasting, schenkbelasting of erfbelasting te gaan invoeren. Zijn de emiraten (waarbij Dubai en Abu Dhabi de bekendste) nog steeds een aantrekkelijk fiscaal land?
Is Dubai (of VAE) na invoering winstbelasting geen belastingparadijs meer?
Sinds 1 juli 2023 (of vanaf het eerste boekjaar van het bedrijf daarna) wordt er 9% winstbelasting geheven van bedrijven die in de emiraten gevestigd zijn. Dit tarief was tot dat moment 0%. Bij het schrijven van dit artikel ben ik zelf voor enig onderzoek in Dubai en merk dat het voor sommige bedrijven even wennen is. De corporate tax wordt geheven bij alle ondernemers, dus natuurlijk personen (free lancers) of rechtspersonen.
De economie wordt in ras tempo klaargestoomd voor een normale economie, als de olie niet meer voldoende inkomen zou opleveren. Eerst heeft men dit vormgegeven via toerisme (10% toeristenbelasting), daarna BTW (5%) en nu dus de winstbelasting, kort en bondig:
- Voor meeste bedrijven voor het eerst over de winst in 2024
- Belastingtarief bedraagt 9%
- Tot zo'n € 95.000 winst is er geen winstbelasting verschuldigd (drempel voor kleine ondernemers)
- Tarief geldt voor natuurlijke personen (freelancers etc.) en rechtspersonen
- Salarissen kunnen binnen het bedrijf zelf worden bepaald en mogen in mindering worden gebracht op de winst.
- Voor directeuren, aandeelhouders en bestuurders die in de emiraten wonen zal het nieuwe winstbelasting tarief dus geen substantieel effect hebben, immers salarissen zijn belastingvrij (en er is geen vermogensbelasting).
Vestigingsplaats in Dubai
Een bedrijf moet wel voldoende substance in Dubai hebben omdat er anders wordt gesteld dat het bedrijf gewoon (fiscaal) in Nederland is gevestigd (met een fiscaal irrelevant postadres in Dubai). Lees hiertoe ook dit artikel over de fiscale vestigingsplaats en deze uitspraak over de vestigingsplaats van een bedrijf in Singapore.
Free zone Dubai en winstbelasting
In bepaalde aangewezen gebieden geldt in Dubai een ander regime, de zogenaamde free zone. Veel buitenlandse ondernemingen hebben binnen dit gebied hun bedrijf gevestigd. Er is aangegeven dat de regelingen binnen dit gebied (geen winstbelasting, wel een bijdrage aan de vergunning (tenminste € 2.500 per jaar)) vooralsnog zo blijven. Er gelden wel strekte regels, de belangrijkste:
- Geen concurrentie met lokale markt: de bedrijven binnen dit gebied mogen economisch niet de lokale markt betreden (dus geen vastgoed horeca, scholen, zorg, etc.);
- Het bedrijf moet - met toestemming en een beschikking - in de free zone gevestigd zijn. Er zijn ruim 40 free zone gebieden, elk met hun eigen regels;
- Het bedrijf moet 95% van haar inkomen binnen de free zone of internationaal verdienen;
- De jaarstukken moeten door een accountant gecontroleerd worden.
Belastingverdrag met de Verenigde Arabische Emiraten (waaronder Dubai)
Nederland heeft een belastingverdrag met de Verenigde Arabische Emiraten gesloten. Dit is een bijzonder belastingverdrag omdat Dubai niet altijd en over alle inkomsten of winsten belasting zal heffen. Daarnaast kent het belastingverdrag een bijzondere "inwoners" bepaling. Als inwoner wordt gezien:
- Bedrijf met vestiging (substance) in Dubai dat ook vanuit dit land wordt aangestuurd (normale bepaling).
- Natuurlijk persoon die in Dubai woont met een emiratie nationaliteit. Dit laatste is vrijwel onmogelijk en dus zullen natuurlijke personen zelden verdragsbescherming genieten.
Wonen of werken in Dubai en fiscale gevolgen
Gevolg van vorenstaande belastingverdrag zal zijn dat Nederland volledig dividendbelasting zal heffen als een Nederlands bedrijf dividend gaat uitkeren aan een persoon die in Dubai (of de VAE) woont. Dit zal ook gelden voor verkoopwinst op aandelen in een Nederlandse BV. De bepaling is discriminerend maar volgens Nederlandse rechters toegestaan in verdragsbepalingen. Veel Nederlanders die in Dubai gaan wonen zullen dus een conserverende aanslag krijgen en vervolgens in Dubai een geheel nieuwe holdingstructuur opzetten voor hun activiteiten die in Dubai worden uitgeoefend.
Fiscaal kunt u dus prima in Dubai wonen edoch voor inkomsten uit Nederlandse bron heeft u geen recht op verdragstoepassing.
Als een persoon in Dubai gaat werken voor een aldaar gevestigde werkgever (mag ook vestiging van Nederlands bedrijf zijn) en deze persoon verblijft ook feitelijk in Dubai en/of woont in Dubai (is eenvoudig te regelen met visa voor 2 tot 10 jaar) dan is er een fiscaal voordeel te behalen. De persoon moet wel minimaal 6 maanden in Dubai verblijven. Het bedrijf in Dubai mag de salariskosten niet doorbelasten aan een bedrijf in Nederland. Het volgende is dus van belang voor een fiscaal vriendelijk salaris in Dubai:
- Bedrijf moet substance in Dubai hebben
- U moet er minimaal 6 maanden werken/ verblijven
- Het salaris of de salariskosten mogen niet aan een Nederlands bedrijf worden doorbelast
- U moet een normale werknemer zijn (geen bestuurder)
Wonen in Nederland met activiteiten in Dubai
Als u in Nederland woont met een bedrijf in Dubai heeft u gewoon recht op toepassing van het belastingverdrag. Salarissen van activiteiten in Dubai mogen in Dubai worden belast. Omdat Dubai geen belasting heft mag Nederland bij heffen, onder verrekening van de in Dubai betaale belastingen (die meestal nihil is). Voor inkomen uit werkzaamheden geldt dus de voorkomingsmethode , er zijn echter ook uitzonderingen.
Het beleggen in vastgoed in Dubai, prive of zakelijk, is wel fiscaal voordelig. Vastgoed mag namelijk in Dubai worden belast en Nederland zal hiervoor de vrijstellingsmethode in Nederland hanteren (dus vrijwel geen heffing).
Fiscaal advies Dubai
Steeds meer ondernemers en bedrijven verplaatsen hun activiteiten (deels) naar het buitenland. Omdat belastingen steeds vaker als kosten of uitgaven worden gezien speelt hierbij ook emigratie van de ondernemer een rol. Nederland helpt hierbij - in negatieve zin - de ondernemer op weg (veel gehoorde kritiek: teveel regels, gewijzigde wetgeving, onduidelijk beleid, etc.).
Portugal kende de NHR regeling, maar deze is in 2024 afgeschaft. Spanje kent nog steeds de Beckham regeling, maar Spanje vereist fiscaal maatwerk en is geen belastingparadijs. Italie komt de laatste jaren ook met nieuwe fiscaal gunstige regels en ook zien wij ondernemers uitwijken naar de Canarische Eilanden. Deze eilandengroep behoort tot Spanje maar heeft een eigen fiscale status verworven. Het kent ook - een soort - Freezone (de Zona Especial Canaria) met een winstbelasting van 4%. Bij een emigratie lopen "het leven" en "fiscaliteit" hand in hand. Naast een zorgvuldige voorbereiding over de mogelijke emigratielanden is de samenwerking met een lokale fiscalist en een woonplaatsonderzoek cruciaal. Uit interne stukken van de belastingdienst blijkt namelijk dat er voor uw fiscale woonplaats teveel naar de feiten en gebeurtenissen in Nederland wordt gekeken, dit met allerlei fiscale procedures tot gevolg. De laatste jaren zijn er veel meer procedures over de fiscale woonplaats, bijvoorbeeld bij artiesten en ondernemers.
Er wordt dus door ondernemers ook steeds meer gekeken naar fiscaal gunstige landen of staten (zoals Dubai) waar de fiscale woonplaats is gelegen en wellicht een vakantiewoning in Nederland of Spanje wordt aangehouden. Mede hierom ben ik eens afgereisd naar Dubai.
Dubai is ook steeds vaker een tussenschakel met Afrika of andere delen van de wereld. Dit komt omdat de VAE met ruim 130 landen een belastingverdragen hebben gesloten. Hierdoor kan via een tussenholding in de VAE toegang worden verkregen tot vele belastingverdragen met diverse landen. Voor Nederlandse bedrijven - die in Afrika zaken willen doen - kan dit een prima oplossing zijn.
Dubai is bijzonder om te zien en te beleven, de emiraten hebben ongekende mogelijkheden. Edoch, het is geen democratie, in de zomer maanden veel te warm, weinig cultuur (hoewel Abu Dhabi hieraan werkt) en inkomensongelijkheid. De prijzen zijn redelijk vergelijkbaar met Nederland. Met grote luchthavens, prima logistiek, veel kennis en bijbehorende taalbeheersing kent het zakelijk voldoende mogelijkheden. Mede door de groei is de vastgoedmarkt in ontwikkeling en de fiscale tarieven zijn voordelig. Om gebruikt te maken van de fiscale en praktische regels in Dubai moet u of uw bedrijf wel substance in Dubai hebben, of plat gezegd "u moet er zijn en iets doen". De periode van een (brievenbus) bedrijf oprichten en factuurtjes sturen is voorbij. Er zijn echter voldoende mogelijkheden voor bijvoorbeeld het ontwikkelen van intellectueel eigendom, een klantenservice, logistiek of juridisch centrum of de rol van nevenvestiging of hoofdkantoor. U moet er wel iemand naar toe sturen en hier dus echt iets opzetten, anders gaat het (fiscaal) niet optimaal werken.
Bij een emigratie speelt fiscaliteit op korte termijn (inkomstenbelasting, vermogensbelasting en winstbelasting) en langere termijn (erfbelasting en schenkbelasting) steeds vaker een rol van betekenis. Omdat de DGA / ondernemer veelal in meerdere landen wil verblijven zal hierbij een woonplaats discussie kunnen spelen, dit vereist een zorgvuldige voorbereiding. Bij uw vertrek wordt een zogenaamde conserverende aanslag opgelegd, voor de inning zult u zekerheid moeten verstrekken (emigratie buiten EU).
Als u uw bedrijf in het buitenland wilt vestigen speelt substance een belangrijke rol. De eerste stap is dus wat het bedrijf in Dubai gaat doen en welke rol dit bedrijf binnen uw concern gaat vervullen. Zonder een helder beeld en echte activiteiten heeft fiscale advisering geen zin.
Wij werken bij onze fiscale advisering altijd samen met lokale adviseurs en beoordelen uw situatie vanuit Nederlands perspectief. Zijn er vragen? Neem gerust contact met ons op of stuur een e-mail.
De versobering van de 30% regeling
Een internationale uitzending gaat met extra kosten gepaard gaan, ook wil Nederland graag extra kennis inschakelen vanuit het buitenland. De Nederlandse belastingwet kent hiervoor speciale fiscale regelingen, de belangrijkste is de 30% regeling. Deze regeling wordt in Nederland afgebouwd en in het buitenland opgebouwd. De regeling is bedoeld om extra kosten fiscaal vriendelijk te vergoeden. De kennisgroep van de belastingdienst heeft nog eens gekeken wanneer een vergoeding als loon moet worden gezien en wanneer niet. In dit artikel een overzicht van de 30% regeling in 2024 en daarna. U moet een beschikking aanvragen bij de belastingdienst, wij adviseren u hierbij graag. De checklist voor de benodigde informatie kunt u hier vinden.
Standpunt kennisgroep inzake 30% regeling
In een standpunt van de kennisgroep van de Belastingdienst d.d. 17 oktober 2025 (KG:202:2025:21) wordt ingegaan op de toerekening van gezamenlijke inkomensbestanddelen en box 3 vermogen aan een partiële buitenlandse belastingplichtige. Dit standpunt is gebaseerd op een voorbeeld casus inzake fiscale partners waarvan één partner de partiële buitenlandse belastingplicht heeft toegepast. Er geldt voor 2025 en 2026 overgangsrecht voor personen die al eerder gebruik hebben gemaakt van de 30% regeling. Volgens onze fiscale afdeling (en die van andere fiscaal juristen) is dit standpunt niet juist, zie ook een artikel in het FD d.d. 19 november 2025 (abonnement nodig). Vaanf 1 januari 2027 is het genoemde standpunt wel relevant. In andere standpunten van de kennisgroep van de belastingdienst wordt ook een toelichting gegeven, de belangrijkste zijn:
- Step up bij einde 30% regeling (KG:003:2022:17)
- Aftopping vergoeding en eindejaarsberekening 30% regeling (KG:041:2024:22)
- Correctie bij onjuiste toepassing 30% regeling (KG:204:2023:21)
- Expatregeling einde looptijd (KG:041:2023:6)
- Step up bij einde 30% regeling (KG:003:2022:17)
- Expatregeling en wisseling van werkgever (KG:041:2025:5)
- Expatregeling vergoeding schoolgelden bij school buiten Nederland (KG:041:2023:12)
- 30% regeling en beschikking loon (KG:204:2022:16)
Formulier 30% regeling 2025
Werkgevers kunnen een werknemer uit het buitenland een onbelaste vergoeding geven voor de extra kosten voor tijdelijk verblijf in Nederland. Werkgevers die de Expatregeling gebruiken mogen zonder nader bewijs maximaal 30% van het loon – inclusief vergoeding – aanwijzen als gericht vrijgestelde vergoeding voor extraterritoriale kosten. Om gebruik te maken van de regeling is toestemming nodig van de Belastingdienst. Werkgevers die vanaf de eerste werkdag gebruikmaken van de Expatregeling moeten het verzoek binnen vier maanden na die dag indienen bij de Belastingdienst. Anders mag de werkgever pas gebruikmaken van de regeling vanaf de eerste dag van de maand waarin het verzoek gedaan wordt. Met dit formulier kan de werkgever ook een aanvraag doen om de regeling voor een nieuwe werknemer toe te passen die bij zijn vorige werkgever de regeling al liet toepassen. Het formulier voor de 30% regeling over 2025 is beschikbaar op de site van de belastingdienst.
Wetswijziging expatregeling (30% regeling) in 2025
De expatregeling is de nieuwe term voor de 30% regeling. Deze geldt voor ingekomen en uitgezonden werknemers. Met ingang van 1 januari 2024 is de regeling voor ingekomen werknemers versoberd, namelijk 30% voor eerste 20 maanden, dan 20% voor volgende 20 maanden en 10% voor laatste 20 maanden (totaal dus 60 maanden). Deze wijziging wordt per 2025 weer teruggedraaid. Het maximale percentage wordt in 2027 wel verlaagd van 30% naar 27%, dit geldt voor ingekomen en uitgezonden werknemers. Het percentage van 27% geldt dan gedurende de gehele looptijd. Voor 2025 en 2026 blijft voor alle ingekomen en uitgezonden werknemers het percentage nog gewoon 30%. Verdere wijzigingen zijn:
- Salarisnorm wordt per 2027 verhoogd van € 46.107 naar € 50.43 (voor werknemers jonger dan 30 jaar en masterdiploma van € 35.048 naar € 38.338). Dit wel met jaarlijkse index.
- Partiële buitenlandse belastingplicht: vanaf 2025 vervalt voor aantal werknemers de mogelijkheid om in de aangifte inkomstenbelasting te kiezen voor de toepassing van de partiële buitenlandse belastingplicht. Voor werknemers die al gebruik maken van de regeling in 2023 geldt een overgangsregeling (tot en met eind 2026). Voor werknemers die niet in Nederland wonen (en hier wel werken) kan soms de regeling nog wel gelden.
Voor vragen over de 30% regeling (of expatregeling) kunt u onze collega's om advies vragen, stuur ons hiertoe een e-mail.
De 30% regeling of 27% regeling
Onder voorwaarden kunnen buitenlandse werknemers in aanmerking komen voor de expatregeling. Als de regeling kan worden toegepast kan maximaal 30% (dadelijk 27%) van het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking onbelast (belastingvrij) worden vergoed. Deze vergoeding ziet op extra kosten die de werknemer moet maken voor huisvesting en levensonderhoud. De regeling zou vanaf 2024 worden afgebouwd. De eerste 20 maanden kan nog maximaal 30% van het WNT norm bedrag (233.000 euro) worden vergoed en de daarop volgende 20 maanden nog 20% en de laatste 20 maanden nog 10%. Na 60 maanden stopt de 30% regeling dan definitief. Deze versobering is teruggedraaid. Als een werkgever kan aantonen dat de kosten hoger zijn dan het forfait mogen ook de werkelijke extraterritoriale kosten (ET Kosten) worden vergoed.
30% Regeling wordt 27% regeling
Eind 2023 heeft de tweede kamer voorgesteld om de 30% regeling af te bouwen. Dit wordt in het belastingplan 2025 teruggedraaid (voor groot deel). In 2025 en 2026 blijft de 30% regeling nog gelijk en in 2027 gaat de 30% regeling naar een nieuwe 27% regeling.
De wetgeving aangaande de 30% regeling
Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen, in redelijkheid, ter zake van extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst (extraterritoriale kosten), met dien verstande dat voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen groepen werknemers die door een inhoudingsplichtige van buiten Nederland worden uitgezonden, onder daarbij te stellen voorwaarden, geldt dat vergoedingen van kosten van verblijf buiten het land van herkomst voor van buiten Nederland in dienstbetrekking genomen werknemers gedurende ten hoogste 96 maanden ten minste worden beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale kosten tot ten hoogste 30 percent van het loon, alsmede tot het bedrag van de daarbij aan te wijzen schoolgelden, Artikel 31a(2)(e) LB, nadere regels in hoofdstuk 4A Uitvoeringsbesluit loonbelasting.
Verlaging 30% regeling hottopic
De 30%-regeling is een hottopic op dit moment omdat veel weerstand is op de doorgevoerde versobering vanaf 1 januari 2024 maar ook ten aanzien van de vraag of Nederland wel een interessant genoeg vestigingsklimaat heeft voor internationaal opererende bedrijven. In het verleden kon een werknemer 12 jaar gebruik maken van deze regeling. Sinds 2024 is de regeling nog maar van toepassing voor 5 jaar en dan ook nog met een afbouw
- eerste 20 maanden: 30% van het loon
- volgende 20 maanden: 20% van het loon
- laatste 20 maanden: 10% van het loon.
Er geldt een uitzondering voor degenen die in 2023 al gebruik maakten van de 30% regeling. Daarnaast geldt er ook een maximum grondslag, deze bedraagt voor 2024 € 233.000 (geindexeerd).
30% regeling in 2025 weer gunstiger
In de kamerbrief d.d. 5 april 2024 wordt al beetje vooruit gekeken. De 30% regeling zal in 2025 waarschijnlijk iets gunstiger, in de huidige voorjaarsnota (15 april 2024) is hier nog weinig over te ontdekken. Wel wordt de regeling voor expats in Nederland t.a.v. box 2 en box 3 vermogen in het buitenland ongunstiger (met overgangsrecht).
Hopelijk is het zwalkende beleid op dit soort onderdelen een keer voorbij, hierdoor zullen ook internationale bedrijven eerder in Nederland blijven. De meest recente voorbeelden zijn ASML en Boskalis, zij hebben aangegeven te overwegen om te vertrekken uit Nederland. Een belangrijke overweging die zij hebben is dat het lastig is om geschikt personeel te komen. De 30% regeling is bij uitstek een goede regeling om juist deskundig personeel te werven en voordelig te belonen. De 30% regeling zorgt er namelijk voor dat deze werknemers een belastingvrije vergoeding krijgen over een gedeelte van hun loon, dit mede om dubbele huisvestingskosten en andere specifieke zaken te bekostingen.
Mocht de termijn voor de 30% regeling worden verkort tot 5 jaar ?
Henk maakt gebruik van de 30% regeling. In 2019 wordt de maximale looptijd voor de 30% regeling verkort naar 5 jaar. Het overgangsrecht is beperkt. De vraag die aan de Rechtbank Noord Holland wordt voorgelegd is "mag dit zomaar"? De rechtbank is op 8 maart 2024 (ECLI:NL:RBNHO:2024:2602) van oordeel is dat de beperkte werking van het overgangsrecht niet in strijd is met algemene beginselen van behoorlijke wetgeving, het non-discriminatiebeginsel (artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR) en het eigendomsrecht van artikel 1 EP EVRM. Verder kan de (vroegtijdige) beëindiging van de 30%-regeling niet worden gezien als een individuele en buitensporige last voor eiseres. Beroep van Henk is ongegrond. Of er hoger beroep is aangetekend is op het moment van schrijven van dit artikel niet bekend.
De 30% regeling vanaf 1 januari 2024
Aan de 30% regeling zitten specifieke voorwaarden verbonden. Dit zijn:
- De werknemer komt in loondienst van de in Nederland gevestigde werkgever.
- De werknemer beschikt over specifieke deskundigheid.
Specifieke deskundigheid wordt verondersteld vanaf een inkomen van ten minste € 46.107 per jaar. Voor werknemers die in het wetenschappelijk onderwijs een Nederlandse mastertitel hebben behaald of een gelijkwaardige buitenlandse titel, en die jonger zijn dan 30 jaar, is deze inkomensnorm € 31.891 exclusief de gerichte vrijstelling. Voor werknemers die wetenschappelijk onderzoek doen bij bepaalde instellingen en artsen in opleiding tot specialist, geldt een uitzondering
Er is sprake van een ingekomen werknemer.
Van een ingekomen werknemer is sprake wanneer de werknemer in de 24 maanden voorafgaand aan hun 1e werkdag in Nederland voor meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens woonde. Werknemers die in het grensgebied wonen komen dus niet in aanmerking voor de 30%-regeling.
De 30% regeling mag alleen toegepast worden wanneer de belastingdienst hiervoor een beschikking afgeeft.
Voor zover niks nieuws ten opzichte van eerdere jaren. Wanneer je de 30% regeling kunt toepassen is sprake van de volgende belastingvrijstelling:
- De eerste 20 maanden 30% belastingvrij;
- De daaropvolgende 20 maanden 20% belastingvrij;
- De laatste 20 maanden 10% belastingvrij.
Verder is de grondslag voor dit belastingvrije inkomen gemaximeerd op € 233.000 (Balkenende-norm). Vergeet ook de deskundigheidsvereiste niet. Het moet duidelijk zijn dat de persoon deskundig en schaars is, hierbij spelen de volgende factoren:
- opleidingsniveau
- ervaring van de werknemer
- verhouding beloning in Nederland en buitenland
Vóór 2024 was het kreeg de ingekomen werknemer een belastingkorting van 30% voor een periode van maximaal 5 jaar. Zoals u mogelijk begrijpt is deze regeling een stuk minder interessant dan voorheen. Voor ingekomen werknemers die voor 2024 al gebruik maakte van de 30% regeling is overgangsrecht van toepassing, zij kunnen gebruik blijven maken van de oude regeling.
Alternatief, vergoeden van werkelijke extraterritoriale kosten
De 30% regeling is bedoeld als tegemoetkoming voor de extra kosten die worden gemaakt voor het (tijdelijke) verblijf in Nederland, zogeheten extraterritoriale kosten. Wanneer de werknemer voldoet aan de voorwaarden van de 30% regeling kan er ook voor worden gekozen om de werkelijk gemaakte exterritoriale kosten te vergoeden. In de werkkostenregeling is hiervoor een gerichte vrijstelling opgenomen. Voorwaarde is wel dat in de loonadministratie de vergoeding worden bijgehouden. Bij de forfaitaire percentages is dit niet nodig.
Komt de werknemer uit het buitenland?
In de praktijk zien wij dat ondanks dat de voorwaarden van de 30% regeling duidelijk lijken in de praktijk nog wel eens een verschil van inzicht bestaat of de regeling kan worden toegepast. Zo ook in onderhavige Rechtbank uitspraak, uit januari 2024, betrof het een persoon met de Indiase nationaliteit (hierna: belanghebbende). Belanghebbende had een verblijfsvergunning in België om te studeren en heeft daar ook een masteropleiding afgerond.
Na zijn opleiding is belanghebbende naar Nederland gegaan om daar een baan te vinden. In eerste instantie ging belanghebbende aan het werk via een uitzendbureau, dit waren geen werkzaamheden in lijn met de opleiding van belanghebbende. Deze werkzaamheden duurden 3 maanden, daarna vond belanghebbende een baan in Eindhoven waar belanghebbende als trainee aan de slag ging.
Ten aanzien van het nieuwe dienstverband werd een beroep gedaan op de 30% regeling. De 30% regeling werd door de inspecteur afgewezen en later ook door Rechtbank Den Haag ongegrond verklaard. Reden hiervoor is dat belanghebbende niet aan de voorwaarden van een ingekomen werknemer voldoet.
De belanghebbende kon niet aannemelijk maken dat hij in een ander land is aangeworven en hij meer dan twee derde van de periode van 24 maanden voorafgaand aan de start van zijn dienstverband op meer dan 150 km van de Nederlandse grens woonachtig was. Gezien het geschetste tijdpad in onderhavige procedure kan geconcludeerd worden dat belanghebbende in de periode dat hij woonachtig was in België binnen 150 km van de Nederlandse grens woonde en om die reden niet kwalificeerde als ingekomen werknemer.
Noot fiscaal jurist inzake 30% regeling en internationaal advies
Of de 30% regeling in de toekomst verder zal worden versoberd is afhankelijk van de route die het volgende kabinet zal ingaan. Wat duidelijk is dat het voor grote internationale bedrijven een probleem is om geschikt personeel te vinden, de versobering van de 30% regeling draagt daar zeker niet aan bij.
Verder is ook aangekondigd dat de evaluatie van de versoberde 30% regeling nog voor de zomer zal plaatsvinden. Als daaruit blijkt dat de versobering van de 30% regeling ongewenste negatieve effecten heeft is beoogd deze nog in het belastingplan 2025 aan te passen. Wij volgen de ontwikkelingen met belangstelling en informeren jullie via de artikel op onze website.
Wanneer u vragen heeft over de 30% regeling kunt u contact opnemen met één van onze fiscalisten.
Bron 30% regeling
Rechtbank Den Haag d.d. 23 januari 2024 ECLI:NL:RBDHA:2024:714
Verzoek loonheffingen 30% regeling 2024
Kennisgroep Belastingdienst Schoolgelden buitenlandse school vergoeden binnen 30% regeling
Kennisgroep Belastingdienst vraag inzake wisseling werkgever
Kennisgroep Belastingdienst, zijn advieskosten voor aanvraag 30% regeling loon of niet?
Fiscale woonplaats bij behouden eigen woning in Nederland
In een uitspraak van het Hof Amsterdam d.d. 23 januari 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:721) wordt de complexiteit van de fiscale woonplaatsbepaling binnen de Nederlandse belastingwetgeving onderstreept. Deze casus, waarbij een belastingplichtige, hierna te noemen X, zowel in Nederland als in Duitsland substantiële banden had, illustreert de nuances van de fiscale woonplaatsbepaling en de consequenties daarvan voor de belastingplicht.
De Casus in Vogelvlucht, waar woont iemand?
X, met de Nederlandse nationaliteit, stond gedurende de jaren 2015 en 2016 grotendeels ingeschreven in Duitsland, maar behield het recht om tot 62 dagen per jaar in zijn verhuurde Nederlandse woningen te verblijven. Ondanks zijn inschrijving in Duitsland, bleef X economische activiteiten in Nederland verrichten en had hij familiebanden in Nederland. De inspecteur stelde dat X fiscaal inwoner van Nederland bleef, wat door zowel de rechtbank als het Hof Amsterdam werd bevestigd. De kern van deze bevestiging lag in de duurzame banden van persoonlijke aard die X met Nederland behield.
Fiscale woonplaats ondernemer België
Henk is Nederlander en hij stelt dat hij medio 2015 is geëmigreerd naar België. De Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 25 februari 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:1232) is het met de inspecteur eens dat Henk (in 2017 en 2018) nog gewoon in Nederland woont. De duurzame band van persoonlijke aard is met Nederland het grootst". De belangrijkste redenen zijn:
- De nieuwe partner van Henk woont in Nederland
- De kinderen van Henk wonen nog in Nederland
- Henk heeft een woning in Nederland en
- Henk is eigenaar van meerdere Nederlandse woningen in Nederland
- Henk is eigenaar van meerdere ondernemingen in Nederland.
Het box 2 inkomen wordt met ruim € 4.400.000 verhoogd en de conserverende aanslag komt te vervallen. Met alle gezeur omtrent (a) misbruik van recht (b) niet verstrekken relevante stukken (c) stukken met verschoningsrecht, doet de rechter niks.
Fiscale woonplaats werknemer Brunei
Piet is Nederlander en werkt voor cypriotische werkgever in Brunei (periode 2008-2011). Piet is van mening dat hij in 2009 in Brunei woont. Via een derdenonderzoek komt de belastingdienst Piet op het spoor, in 2011 volgt een navorderingsaanslag inkomstenbelasting (met vergrijpboete). Deze zaak was redelijk kansloos omdat
- Piet in Nederland bleef ingeschreven (deel van het jaar),
- hij in Nederland een hoofdverblijf had dat hem ter beschikking stond,
- hij ook nog in Nederland werkte voor Nederlandse werkgever,
- het in Nederland verzekerd was voor de zorgverzekeringen en
- hij in Brunei een woning huurde (tijdelijk) voor een korte periode
De Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 11 september 2023 (ECLI:NL:RBZWB:2023:6396) en het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 26 februari 2025 (ECLI:NL:GHSHE:2025:544) . De aanslag blijft in stand (dus woonplaats Nederland) en de vergrijpboete wordt vernietigd. Ook is geen sprake van resultaat uit overige werkzaamheden en/of winst uit onderneming.
Omtrent de boete (ruim € 50.000) stelt de inspecteur eerst dat Piet een "boefje is en listig gedrag heeft vertoodn", later wordt dit aangepast in "voorwaardelijke opzet" en vlak voor zitting (10 dagen stuk) verder aangepast in "grove schuld". De rechtbank acht opzet niet bewezen, immers geen sprake van " willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaarden om te weinig belasting te betalen". Het beroep op grove schuld (vlak voor zitting) is te laat.
Aandachtspunten voor de Bepaling van de Fiscale Woonplaats
Hieronder volgt een checklist met aandachtspunten die van belang zijn bij de beoordeling van de fiscale woonplaats:
- Persoonlijke banden: De aanwezigheid van familie in Nederland weegt zwaar mee in de beoordeling van de fiscale woonplaats. Het behouden van nauwe persoonlijke relaties in Nederland kan duiden op een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland.
- Economische activiteiten: Het blijven verrichten van economische activiteiten in Nederland, zoals het verhuren van onroerend goed, speelt een significante rol in de bepaling van de fiscale woonplaats.
- Verblijfsduur: De daadwerkelijke verblijfsduur in Nederland versus het buitenland is een belangrijke factor. Regelmatig verblijf in Nederland, zelfs voor korte perioden, kan wijzen op het behoud van duurzame banden met Nederland.
- Woningbezit en gebruik eigen woning in Nederland: Het aanhouden en gebruiken van een woning in Nederland, zelfs als deze tijdelijk wordt verhuurd, kan indicatief zijn voor een fiscale woonplaats in Nederland.
- Inschrijving en administratieve hHandelingen: Hoewel inschrijving in het buitenland een indicatie kan zijn van verplaatsing van de woonplaats, is het niet doorslaggevend. Administratieve handelingen, zoals het openen van een bankrekening of inschrijving in het buitenland, moeten in samenhang met andere factoren worden bekeken.
- Intentie en toekomstplannen: De intentie van de belastingplichtige, zoals blijkt uit contracten voor tijdelijke verhuur en toekomstplannen om terug te keren naar Nederland, zijn relevant voor de beoordeling van de fiscale woonplaats.
Fiscale woonplaats directeur CFO van bedrijf
Henk werkt sinds 2012 voor een internationaal bedrijf en woont in Monaco. Het hoofdkantoor wordt in 2016 verplaatst naar Nederland. Henk is van mening dat hij sinds april 2016 in Nederland woont (en dus niet eerder). Volgens de Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 21 april 2022 (ECLI:NL:RBZWB:2022:2156) woonde Henk in 2016 niet in Nederland. Het Gerechtshof 's Hertogenbosch kwam op 10 juli 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:2230) tot een ander oordeel, Henk woonde in geheel 2016 in Nederland omdat hij ook voor de verhuizing naar Nederland een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland zou hebben. De advocaat Generaal (Parket Hoge Raad) geeft op 25 april 2025 een uitgebreide toelichting op het woonplaatsbegrip en het open karakter van artikel 4 AWR (ECLI:NL:PHR:2025:500) . Bij discussie over de woonplaats en een mogelijke woonplaats in 2 landen moet de tiebreaker regel uitleg geven. Er wordt in deze casus met name gekeken naar de duurzame band met Nederland (Zie ook Hoge Raad 9 juni 2023 ECLI:NL:HR:2023:873). Al met al zal de fiscale woonplaats discussie altijd een feitelijke beoordeling zijn, deskundig advies (en hierna handelen en leven) is essentieel.
Fiscale woonplaats voetballer
Het kan ook anders, een voetballer had een huurwoning en daarna eigen woning in Nederland en in Duitsland, maar hij woonde volgens de rechtbank in Duitsland.
De Rechtbank Den Haag doet op 20 maart 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:6307) uitspraak over de woonplaats van een voetballer. De Rechtbank is van mening dat een voetballer (met familie in Nederland) in Duitsland woont en niet (zoals de inspecteur stelt) in Nederland. De voetballer heeft een woning in Nederland en in Duitsland, Henk (fictieve naam) stond nog ingeschreven bij de gemeente in Nederland. Henk is profvoetballer (salaris € 1,5 mln per jaar) en speelt na de zomer (vanaf augustus 2018) voor een Duitse voetbalclub. In 2022 maakt hij een transfer naar een andere Duitse voetbalclub. De vraag is waar Henk in 2018 tot en met 2020 woont. Volgens de inspecteur woont Henk in Nederland. Henk maakt volgens de rechtbank voor 2018 aannemelijk dat hij in Duitsland woont en voor de jaren erna is sprake van "doet blijken". Henk verbleef namelijk vanaf dat moment met zijn vriendin in een huurwoning in Duitsland en de afstand tot de huurwoning in Nederland was veel te groot. Duitsland ziet Henk ook als inwoner van Duitsland. De huurovereenkomst voor de woning in Nederland is afgesloten voordat Henk het contract in Duitsland sloot. Henk moet wel over zijn box 3 vermogen in Nederland belasting betalen (maar dat is gebruikelijk).
Wat waren de aanwijzigingen voor een woonplaats in Nederland?
- Nog ingeschreven in de basisadministratie
- Woning in Nederland (eerst een huurwoning en vanaf 2022 een koopwoning)
- Familie van Henk woont in Nederland
- Nederlandse bankrekening
- Abonnementen in Nederland (Ziggo, Netflix, mobiele telefoon, sportschool, huur woning, diverse verzekeringen, etc.
Wat waren de aanwijzingen voor een woonplaats in Duitsland?
- Dienstbetrekking in Duitsland
- Ziektekostenverzekering in Duitsland
- Auto op Duits kenteken
- Verklaringen van derden dat Henk meestal in Duitsland was voor zijn werk
- Inschrijving Duits woonadres
- Certificate of residence van de Duitse belastingdienst
De Rechtbank weegt alle omstandigheden en kijkt hierbij met name naar:
- Hoge Raad d.d. 4 maart 2011 ECLI:NL:HR:2011:BP6285 : Bij de uitleg van het woonplaatsbegrip uit artikel 4 van de AWR moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er volgens vaste rechtspraak op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en het desbetreffende land. Hierbij dient geen bijzondere betekenis te worden toegekend aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals bijvoorbeeld iemands sociale of economische binding met een land.
- Hoge Raad d.d. 12 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6824: Verder geldt dat de duurzame band met één land niet sterker hoeft te zijn dan de band met een ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven, ofwel het middelpunt van iemands persoonlijke levensbelangen, zich in Nederland bevindt. Daardoor bestaat (in uitzonderlijke gevallen) de mogelijkheid dat iemand zowel in Nederland als in een ander land woont.
De feiten afwegende komt de Rechtbank (RO 36) tot de volgende conclusie:
De rechtbank is op grond van de onderhavige feiten en omstandigheden, mede in onderlinge samenhang beschouwd, van oordeel dat - zoals verweerder heeft gesteld - eiser in de onderhavige periode een (bepaalde) duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft gehad. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit en beschikte in Nederland onder meer over (huur)woning 2 en over de (te bouwen) woning 3. Verder woont familie van eiser in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank kan evenwel niet worden gezegd dat eiser daarmee in de onderhavige periode, alle omstandigheden in aanmerking nemend, (alleen) in Nederland woonde. Eiser woonde, zoals ook hierna zal worden geoordeeld, in die periode namelijk in Duitsland. Hij werkte daar fulltime en heeft het overgrote deel van zijn tijd (met de vriendin) in Duitsland doorgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarmee geen sprake zijn van de zich alleen in uitzonderlijke gevallen voordoende situatie van een dubbele woonplaats. Echter, ook als ervan wordt uitgegaan dat eiser in de onderhavige periode (ook) in Nederland woonde, is eiser voor de toepassing van het Verdrag in de onderhavige periode inwoner van Duitsland. Kijkende naar de Tie Breaker regel (artikel 4 derde lid verdrag) zijn de persoonlijke en economische banden met Duitsland het grootst.
Noot fiscaal jurist inzake fiscale woonplaats
Deze uitspraak benadrukt het belang van een holistische benadering bij de bepaling van de fiscale woonplaats, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden in acht worden genomen. Voor fiscaal juristen en belastingadviseurs is het essentieel om zich bewust te zijn van de complexiteit van deze materie en de mogelijke impact op de belastingplicht van hun cliënten. Het zorgvuldig documenteren en beoordelen van de banden met Nederland speelt een cruciale rol in het adviseren over en het bepalen van de fiscale woonplaats. Ook in een procedure waarbij de belastingplichtige geen eigen woning in Nederland had is door de rechter vastgesteld dat belastingplichtige in Nederland (fiscaal) woonde, zie Gerechtshof Arnhem Leeuwarden (ECLI:N::GHARL:2019:4321).
Duurzame band met Bulgarije maar fiscale woonplaats in Nederland
In een uitspraak van de Rechtbank Gelderland op 16 juli 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:4520) stond de vraag centraal of de erflater (geboren in 1960) in 2014 en 2015 in Nederland woonachtig was. De rechtbank concludeerde dat dit het geval was, ondanks dat de erflater ook banden had met Bulgarije.
- Erflater was in gemeenschap van goederen getrouwd en ze waren sinds 1998 eigenaar van een woning in Nederland.
- In 2009 is erflater met zijn echtgenote geemigreerd en uitgeschreven uit de basisadministratie.
- In 2013 koopt erflater een woning in Bulgarije. Erflater is in Bulgarije niet geregistreerd als inwoner.
- In het kader van een boekenonderzoek komt de inspecteur in 2013 bij de woning. Tijdens het gesprek geven beide personen aan om in 2014 weer in Nederland te gaan wonen.
- In 2016 is erflater plotseling overleden.
- In Vanaf 2017 woont de echtgenote (volgens de basisadministratie) weer op dit adres.
- In geschil is of erflater in 2014 en 2015 in Nederland woont en hier aangifte inkomstenbelasting moet doen.
De vraag is of erflater een duurzame band met Nederland heeft (zie ook Hoge Raad d.d. 12 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6824). De wetgever heeft geen bijzondere betekenis willen toekennen aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals bijvoorbeeld iemands sociale of economische binding met een land (zie ook Hoge Raad d.d. 21 januari 2011 ECLI:NL:HR:2011:BP1416). Uit het beleid van de belastingdienst volgt dat er wordt gekeken naar; het duurzame tehuis, verblijfplaats gezin en belastingplichtige, sociale banden, bedrijfsmatige binding, financiele belangen, bestedingspatroon, intenties, inschrijving basisadministratie en nationaliteit.
Het betaalgedrag van de erflater, de beschikbare woning en auto’s in Nederland, zijn familiebanden, vastgoed in Nederland, zijn aanwezigheid bij het boekenonderzoek en zijn functie als bestuurder van Nederlandse vennootschappen speelden hierbij een belangrijke rol. De erfgenamen stellen dat erflater in Bulgarije woont omdat hij daar met zijn vriendin (en hun gemeenschappelijke dochter) woonden en hij daar ook een onderneming dreef. De pin betalingen zouden niet door erflater zijn gedaan maar door zijn echtgenote. Op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en Bulgarije werd vastgesteld dat de erflater voor belastingdoeleinden als inwoner van Nederland moest worden beschouwd. Het beroep tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen werd ongegrond verklaard.
Checklist woonplaatsonderzoek
In onze praktijk merken we dat de belastingdienst kijkt naar de situatie in Nederland (en dus minder naar de feiten en omstandigheden in het buitenland). Dit volgt ondermeer uit deze interne stukken van de Belastingdienst. De onderdelen die hierbij altijd aan de orde komen zijn: Waar woont uw gezin?
- Waar woont uw partner?
- Bent u verzekerd in Nederland?
- Heeft u een woonadres in Nederland?
- U doet belangrijke dingen in Nederland (huisarts, ziekenhuis bezoek, lid verenigingen, opleidingen, sporten, etc.)
- Heeft u sociale en beroepsmatige bindingen met Nederland?
- Beschikt u over een huis (duurzaam)?
- Waar verblijft uw gezin (partner) of u regulier?
- Heeft u financiële banden met Nederland (beleggingen, bedrijven, etc.)?
- Wat volgt uit uw pingedrag / bestedingen in Nederland?
Woonplaatsonderzoeken door de belastingdienst
Bij de belastingdienst zijn er interne instructies voor een woonplaatsonderzoek, deze kunt u hier raadplegen. Deze instructie gaat over de woonplaats van een natuurlijk persoon. Uit deze interne instructie van de belastingdienst valt op te maken dat er met name wordt gekeken naar
- informatie op het internet en sociale media (ook via AI) via speciale afdeling (OSINT), deze werkt volgens de leidraad juridisch kader internetonderzoek.
- medische gegevens
- informatie van derden en
- informatie van buitenlandse autoriteiten.
Vragenbrief belastingdienst over woonplaats ontvangen. Wat moet ik doen?
De start van het onderzoek is veelal een vragenbrief aan de belastingplichtige zelf. Vooraf is het fiscale belang (meestal schenkbelasting, erfbelasting of inkomstenbelasting) al in beeld gebracht. Er wordt informatie in beeld gebracht over:
- het feitelijk verblijf in Nederland
- de economische binding met Nederland
- de sociale binding met Nederland
- de aanwezigheid van duurzame woongelegenheid in Nederland
Bovenstaande volgt uit het rapport. Bijzonder hierbij is dat er kennelijk geen informatie over het buitenland in beeld wordt gebracht. Als er enkel naar de situatie in Nederland wordt gekeken krijgt de belastingdienst nooit een volledig beeld van alle feiten. Kennelijk wordt er enkel een onderzoek gedaan met als doen "wonen in Nederland". Dit lijkt ons niet de juiste invalshoek. Ontvangt u een vragenbrief laat u dan vanaf het eerste moment begeleiden door een specialist.
Noot fiscaal jurist inzake eigen woning in Nederland en fiscale woonplaats
Waar iemand woont is een feitelijke vraag. De inwonersvraag moet op grond van artikel 4 lid 1 AWR worden beoordeeld (feiten en omstandigheden). Dit is maatwerk en kan per situatie en rechter dan ook verschillen. Als u niet het risico wilt lopen dat u in Nederland woont is het van belang dat uw persoonlijke en economische belangen met Nederland beperkt zijn. Dus bij voorkeur geen beleggingen, activiteiten of woningen in Nederland. Vaak stelt een belastingplichtige de vraag "mag ik dan mijn woning in Nederland niet behouden?" Dit is een lastig te beantwoorden vraag. Uit onderstaande volgt dat de rechters hier kritisch naar kijken.
In situaties waarbij iemand nog een eigen woning in Nederland heeft komen wij soms bijzondere beoordelen tegen (uitspraak Gerechtshof Amsterdam 2024). Als uitgangspunt zou de materiële werkelijkheid de doorslag moeten geven. De rechter stelt vast of een persoon een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft. Hierbij is de band met de buitenland - in eerste instantie - minder van belang (voor de belastingdienst). Sterke banden met het buitenland zeggen nog niet direct iets over het inwonerschap in Nederland. Dit komt pas aan de orde bij de zogenaamde verdragsinwonervraag. Als een inwoner een duurzame band met Nederland heeft die niet wordt onderbroken zien we vaak discussie ontstaan over de fiscale woonplaats. Wat speelde in de hiervoor genoemde casus:
- De persoon heeft een eigen woning in Nederland die gedurende 2 jaar wordt verhuurd.
- Zijn vakantiewoning in Nederland wordt af en toe verhuurd.
- Belanghebbende heeft het recht van gebruik van de eigen woning gedurende ruim 60 dagen per jaar, hiervan maakt hij ook gebruik.
- Belanghebbende was dus soms in Nederland en was ook betrokken bij de verbouwing van de vakantiewoning in Nederland.
- Belanghebbende heeft pensioen en lijfrente uitkeringen uit Nederland
- De belangrijkste bezittingen van belanghebbende liggen of zijn ondergebracht in Nederland (economische activiteit)
- Belanghebbende heeft een appartement in Spanje en een eigen woning in Duitsland.
Omdat er woningen en duurzame betrekkingen zijn met Nederland en Duitsland moet via de tiebreaker regel voor het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland worden bepaald waar hij nu echt fiscaal woonachtig is. Centraal hierbij staat met welk land de persoonlijke en economische betrekkingen het sterkst zijn (middelpunt levensbelangen). De rechtbank en het gerechtshof vinden dat deze met Nederland het sterkst zijn.
Vragen over de fiscale woonplaats? Stuur ons gerust een e-mail
Forse boete buitenlandse bankrekening
Nog steeds duiken er buitenlandse bankrekeningen in Nederland op. Als de belastingdienst u op het spoor komt zult u over de laatste 12 jaar uw box 1 of box 3 belasting moeten betalen, deze wordt dan verhoogd met rente en een boete. De boete kan zomaar 75% of meer bedragen, hiermee bent u vrijwel uw gehele vermogen in het buitenland kwijt.
Wanneer is het verstandig een fiscaal jurist in te schakelen bij buitenlands vermogen?
In de volgende situaties is het verstandig om een fiscaal jurist in de arm te nemen:
- Er zijn - niet aangegeven - vermogensbestanddelen, zoals huizen, in het het buitenland
- Er zijn - niet aangegeven - banktegoeden, aandelen, effecten in het buitenland
- Er zijn crypto valuta in het buitenland die niet in uw aangifte inkomstenbelasting staan opgenomen.
- U heeft een brief van de Belastingdienst ontvangen met ‘verzoek om informatie’;
- U heeft onroerend goed, liquiditeit of aandelen ontvangen door een erfenis;
- U heeft een brief van een buitenlandse bank ontvangen met vragen naar uw woonplaats, of naar belastingaspecten
- U beschikt over contanten/inkomsten.
Blunder belastingdienst bij buitenlandse bankrekening
Soms gaat een onderzoek van de Belastingdienst inzake buitenlandse bankrekening niet helemaal goed. In het grootschalige onderzoek "Montenegro" was er een vermoeden dat duizenden belastingplichtigen een bankrekening in Zwitserland hadden, uit het eigen onderzoek bleek dat ruim 600 verdachten slechts contactpersoon waren (lees hier het onderzoek). De Belastingdienst en de FIOD sloegen dus de plank mis, concluderen ze in hun eigen evaluatie. Er blijkt in de overgrote meerderheid van de gevallen een afdoende verklaring te zijn voor de contacten, reden om te beoordelen of verdere actie nut heeft, constateert een tussenrapportage in 2019. Soms schiet je met een kanon op een mug en zou enig vooronderzoek veel ellende en onrust voorkomen. Aan de andere kant, mensen maken fouten, de belastingdienst is niet anders.
Buitenlandse rekening vermeld in vooraf ingevulde aangifte
Door de automatische gegevensuitwisseling tussen landen (zie onder) staat steeds vaker een buitenlandse bankrekening automatisch in uw aangifte inkomstenbelasting (vooraf ingevulde aangifte). Vorenstaande komt regelmatig voor in onze adviespraktijk. Veelal staat het de bankrekening in het buitenland - zonder saldo - in de aangifte. Verontrustende gesprekken en e-mails over dit onderwerp komen wekelijks voorbij. In sommige gevallen is er niet zoveel aan de hand (bedragen lager dan € 50.000, de vrijstelling in box 3) en/of betreft het een slapende rekening uit het verleden en/of hangt het samen met een erfenis.
Op het moment dat een buitenlandse bankrekening in uw vooraf ingevulde aangifte staat opgenomen zal de belastingdienst hierover ook een vragenformulier gaan sturen. Het is dan van belang dat u bewijs gaat aanleveren en met onderliggende informatie komt. Wij adviseren in dit soort trajecten diverse belastingplichtigen. Een boete kan oplopen tot 300%, dit is goed om te weten. Omdat de belastingdienst op de hoogte is van uw buitenlandse bankrekening kan geen gebruik meer worden gemaakt van de inkeerregeling. De belastingdienst kan echter uw medewerking en het geven van openheid wel "belonen" met een lagere boete, dit is de inspecteur echter niet verplicht. Onze ervaring leert dat de inspecteur - bij een correcte opstelling - vaak coulanter omgaat met uw situatie.
Boete bij bankrekening in Zwitserland
Henk heeft bankrekeningen bij de UBS bank in Zwitserland gedurende een langere periode. Na een huiszoeking door de FIOD worden er bankstukken en jaaroverzichten bij Henk thuis gevonden. Er worden aanslagen met vergrijpboetes opgelegd van 75%, totaal ruim € 132.000. Henk stelt dat hij in Zwitserland al (bron) belasting heeft betaald en dacht dat dit hiermee akkoord zou zijn. De rechtbank en het gerechtshof zijn het niet met Henk eens. De boete wordt wel verminderd met 15% omdat het allemaal wel erg lang heeft geduurd (overschrijding van de redelijk termijn). Het Hof geeft aan dat Henk opzettelijk een onjuiste aangifte inkomstenbelasting heeft ingediend door aanzienlijke bedragen over te schrijven naar een bankrekening in een land met een bankgeheim (Zwitserland). De boeten zijn passend en geboden, omdat Henk willens en wetens heeft volhard in zijn beboetbare gedragingen. Er is pas informatie aan de inspecteur verstrekt, nadat de FIOD bij een inval bij hem thuis stukken van de Zwitserse bank had aangetroffen. Gerechtshof Den Haag d.d. 19 juli 2023 ECLI:NL:GHDHA:2023:1392
Automatische gegevensuitwisseling tussen landen
Buitenlandse banken en financiele instellingen geven bankrekeningen in het buitenland vrijwel automatisch door aan de Nederlandse belastingdienst. Steeds vaker verschijnt er dan "zomaar" een buitenlandse bankrekening in uw vooraf ingevulde aangifte inkomstenbelasting, dit met vaak verstrekkende gevolgen. Vorenstaande geldt voor natuurlijke personen en rechtspersonen (bedrijven). De buitenlandse bank controleert de informatie en stuurt deze dus via computersystemen door aan de Nederlandse belastingdienst.
Ruim 100 landen hebben onderling afspraken gemaakt over de automatische uitwisseling van financiële gegevens van personen en organisaties volgens de Common Reporting Standard (CRS). De CRS is ontwikkeld door de OESO en is door de Europese Commissie overgenomen in een EU-richtlijn, de regeling is in 2016 in Nederland ingegaan. Vanaf 2026 zal een dergelijk systeem ook gaan gelden voor crypto. Banken en financiële instellingen zijn door dit systeem verplicht om de fiscale woonplaats door te geven aan de Nederlandse belastingdienst. De deelnemende landen kunt u hier vinden.
Advisering over buitenlands vermogen of crypto
Wij hebben veel belastingplichtigen bijgestaan in dit soort trajecten, zowel met buitenlands inkomen, als vermogen als crypto. Zijn er vragen stuur ons dan een e-mail of neem contact op met onderstaande specialisten.
DGA werkt in buitenland
Als je als directeur-grootaandeelhouder (DGA) in het buitenland werkt, kunnen de belastingregels complex zijn, omdat deze sterk kunnen variëren, afhankelijk van je specifieke situatie en het land waarin je werkt.
Algemene fiscale tips bij werken DGA in buitenland
- Belastingverdragen: Kijk of er een belastingverdrag is tussen Nederland en het land waarin je werkt. Deze verdragen zijn bedoeld om te voorkomen dat je dubbel wordt belast. Een belastingverdrag kan alleen bepalen waar er belasting mag worden geheven, het verdrag geeft een land dus een recht om te heffen. Of het land ook daadwerkelijk gaat heffen zal afhangen van de lokale (nationale) fiscale wetgeving.
- Inkomstenbelasting: Over het algemeen wordt je belast in het land waar je woont. Als je in een ander land werkt, moet je mogelijk belasting betalen in dat land op het inkomen dat je daar verdient. Als het recht om belasting te heffen is toegewezen aan het andere land dan zal Nederland niet (mogen) heffen. Om te voorkomen dat je in 2 of meerdere landen belasting moet betalen over dit inkomen zal Nederland een vrijstelling verlenen. Dit noemen we "aftrek ter voorkoming van dubbele belasting". Nederland kent 2 methoden, namelijk (1) de vrijstellingsmethode: hierbij wordt de verhouding genomen tussen het buitenlandse inkomen en het totale inkomen of (2) de verrekeningsmethode: hierbij mag de in het buitenland betaalde belasting in mindering worden gebracht op de in Nederland te betalen belasting. Deze belasting mag echter niet meer zijn dan de evenredigheidslimiet.
- Sociale zekerheid: Je moet ook nagaan hoe de sociale zekerheidsregelingen in het betreffende land zijn geregeld. In veel gevallen zal je premies moeten betalen in het land waar je werkt. Nederland heeft met diverse landen hierover afspraken gemaakt. Bij werkzaamheden binnen de EU geldt meestal de Europese verordening met nummer 883/2004.
- Vestigingsplaats van de vennootschap: De plaats van vestiging van de BV (rechtspersoon) kan ook van invloed zijn op de belastingheffing. Als de BV in Nederland is gevestigd, blijft de BV in beginsel onderworpen aan de Nederlandse vennootschapsbelasting, ook als jij als DGA in het buitenland werkzaam bent. Het is belangrijk hier rekening mee te houden. Het kan echter ook zijn dat sprake is van een vaste inrichting in het buitenland, bijvoorbeeld als de DGA gedurende een geruime periode op een kantoor in het buitenland werkt. In dat geval is (een deel van) de winst van de rechtspersoon belast in het buitenland.
Een DGA werkt in het buitenland, een voorbeeld
Een DGA werkt in 2023 gedurende 10 maanden in het buitenland (bijvoorbeeld India). De DGA verricht de werkzaamheden via zijn BV die is gevestigd in Nederland. Het gezin van de DGA blijft gewoon in Nederland wonen. De BV is statutair en volgens de KvK gevestigd op het woonadres van de DGA.
Wonen in Nederland en werken in buitenland door DGA
Op grond van artikel 16 (directeursbeloningen) mag Nederland heffen over de beloning van bestuurders. Volgens ons is echter het bestuurdersartikel hier niet van toepassing. De eerste vraag is of India niet van mening is dat er sprake is van werknemerschap tussen de DGA en de Indiase opdrachtgever. Hierbij zou India dus de Nederlandse BV negeren. In dat geval zal de totale beloning in India worden belast. Het loon van de DGA valt in dat geval onder artikel 15 (arbeidsartikel of niet-zelfstandige arbeid). Op grond van dit artikel mag India dan heffen. De DGA verblijft immers meer dan 183 dagen in India. Een bijkomende vraag is dan de heffing van sociale verzekeringen. Er is een verdrag inzake sociale zekerheid met India gesloten. Dit moet nader worden beoordeeld.
Winst BV en werken DGA in buitenland
De vraag die hierbij speelt is of de BV een vaste inrichting (artikel 5) heeft in India. Van een vaste inrichting is sprake als in India een kantoor is en/of feitelijk leiding wordt gegeven. Door de beperkte duur is er wellicht geen sprake van een vaste inrichting. Als de werkzaamheden gedurende een langere periode in India plaatsvinden zal de BV vermoedelijk in India winstbelasting moeten worden betalen. Het tarief voor winstbelasting is in India ongeveer gelijk aan Nederland (25%).
Fiscale advisering DGA die in buitenland werkt
Als DGA (directeur-grootaandeelhouder) kan het voorkomen dat je werkzaamheden verricht in het buitenland. Het is belangrijk om te weten waar je belastingplichtig bent en waar sociale verzekeringen verschuldigd zijn. Ook moet worden gekeken naar specifieke gevolgen voor het werken in het buitenland. Een aandachtspunt hierbij is het gebruikelijke loon van de DGA.
Winst vaste inrichting bij werken DGA in buitenland
Als een DGA werkzaamheden verricht in het buitenland, kan er sprake zijn van een vaste inrichting. Een vaste inrichting is een duurzame zakelijke aanwezigheid van een bedrijf in een ander land. De BV is in dat mogelijk belastingplichtig in het land waar de vaste inrichting zich bevindt. De winst die wordt behaald met de werkzaamheden die onder deze vaste inrichting vallen, kan in dat land worden belast. In een belastingverdrag valt te lezen wanneer er sprake is van een vaste inrichting.
Belastingheffing voor DGA’s
De belastingheffing voor DGA’s die werkzaamheden verrichten in het buitenland kan complex zijn. Het is belangrijk om contact op te nemen met één van onze specialisten. Elke situatie is namelijk uniek en afhankelijk van verschillende factoren, zoals het belastingverdrag tussen Nederland en het betreffende land. Wij zullen – indien nodig – de belastingheffing in het buitenland ook afstemmen met een lokale fiscalist binnen ons netwerk. In het rapport van de belastingdienst inzake grensoverschrijdende arbeid wordt hier een toelichting op gegeven.
Sociale verzekeringen en overige aandachtspunten
Naast belastingheffing is het ook belangrijk om te kijken naar de sociale verzekeringen. Als DGA ben je mogelijk in Nederland sociaal verzekerd, maar als je werkzaamheden verricht in het buitenland, kan dit veranderen. Het is essentieel om na te gaan waar sociale verzekeringen verschuldigd zijn en welke gevolgen dit heeft voor bijvoorbeeld je AOW-opbouw.
Jurisprudentie inzake werken over de grens
Er zijn de laatste jaren vele uitspraken geweest welke zien op het werken in het buitenland, een aantal belangrijke uitspraken nemen wij hierbij op.
- Vaste inrichting: salariskosten die via aan algemene verdeelsleutel zijn doorbelast kunnen worden geacht ten laste van de vaste inrichting in het buitenland te zijn gekomen (Hoge Raad d.d. 21 oktober 2001);
- Auto: de bijtellingsregeling valt onder het arbeidsartikel (artikel 15) van een verdrag (Hoge Raad d.d. 3 december 2004). De auto moet dan wel over de dienstbetrekkingen worden verdeeld (mits door meerdere werkgevers ter beschikking gesteld), aldus het Gerechtshof d.d. 9 januauri 2020 In het arrest van de Hoge Raad op deze uitspraak is dit niet aangepast.
- Wonen in buitenland en werken in Nederland: Bij thuiswerken of werken in het buitenland voor een Nederlandse werkgever kan soms aftrek ter voorkoming van dubbele belasting worden geclaimd, aldus de Rechtbank op 4 juli 2022.
- Werken in buitenland en wonen in Nederland: Als iemand voor korte projecten in het buitenland werkt via een Nederlandse BV en er in het buitenland geen belasting wordt betaald kan Nederland soms heffingsbevoegd blijven, aldus het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden op 17 februari 2015. Als er in het buitenland daadwerkelijk gezag was uitgeoefend had de heffing anders kunnen verlopen, bekijk hierover de Hoge Raad d.d. 1 december 2006.
Mogen wij jou als DGA adviseren?
Bij een DGA kan er discussie ontstaan omtrent de kwalificatie van zijn of haar werkzaamheden. Belastbaarheid in het werkland kan binnen concernverband worden voorkomen door een doorbelasting van de loonkosten aan een groepsmaatschappij achterwege te laten. Soms is belastbaarheid in het werkland gunstig (salary split).
Een dienstbetrekking die voor 90% of meer in het buitenland wordt ingevuld wordt geacht niet in Nederland te zijn vervuld (artikel 2 lid 4 Wet Loonbelasting), dit zou dus ook in voorkomende gevallen automatisch betekenen dat het salaris in het buitenland wordt belast.
In dit artikel is sprake van werkzaamheden in een verdragsland. Als geen belastingverdrag van toepassing is, kan mogelijk een beroep worden gedaan op het Besluit ter voorkoming van dubbele belasting. Hiervoor is wel vereist dat de inkomsten in het werkland aan belasting zijn onderworpen. Als in het werkland korter dan dertig dagen achtereen is gewerkt, wordt dit alleen aangenomen als daadwerkelijk belasting is betaald.
Wij adviseren dagelijks DGA's, ondernemers en particulieren die aanlopen tegen fiscale merites bij het internationaal zakendoen en/of bij een emigratie. Zijn er vragen of opmerkingen stuur ons gerust een e-mail voor een vrijblijvende offerte of een kennismakingsgesprek.
Bron werken Nederlandse DGA in buitenland
Overzicht belastingverdragen per 1 juli 2023
Overzicht landen met sociale zekerheidsverdragen
Piloot woonachtig in Nederland krijgt geen voorkoming dubbele belasting
Henk woont in Nederland en werkt sinds 2019 voor een engelse (Britse) luchtvaartmaatschappij. Henk maakt bezwaar tegen de door hemzelf ingediende aangifte inkomstenbelasting over 2019. Henk stelt dat hij recht heeft op op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Volgens Henk is het Verenigd Koninkrijk bevoegd om te heffine over zijn werkzaamheden omdat deze werkzaamheden op of boven het britse grondgebied hebben plaatsgevonden. De overige werkzaamheden (wachten en opleidingen) moeten pro rate worden verdeeld. Vorenstaande staat redelijk duidelijk in het commentaar bij het OESO modelverdrag. De rechtbank is het niet met Henk eens.
Nieuw besluit voorkoming dubbele belasting
Als u in Nederland woont wordt u voor uw wereldinkomen in Nederland belast. Voor het in het wereldinkomen begrepen buitenlandse inkomen wordt het heffingsrecht (op grond van belastingverdragen of andere regelingen) vaak toegewezen aan het andere land. Nederland verleent hierover een vermindering tot het voorkomen of vermijden van dubbele belasting. In het verdrag staat meestal opgenomen voor welke inkomsten - op welke wijze - een voorkoming wordt gegeven. Dit kan volgens de vrijstellingsmethode of de verrekeningsmethode. Dit kan worden aangevuld met een verrekening van buitenlandse bronbelasting. Er is sinds 2023 een nieuw besluit dat het oude besluit uit 2008 vervangt. Het nieuwe besluit kunt u hier raadplegen.
Noot inzake belastingheffing piloten
Nederland heeft met veel landen in de wereld een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting afgesloten. Hierin is standaard een artikel opgenomen (hierna: pilotenartikel) waarin kortweg staat waar inkomsten uit dienstbetrekking voor werkzaamheden verricht aan boord van een lucht- of zeevaartuig, geëxploiteerd in het internationale verkeer, mogen worden belast. Dit is óf het land waarvan de werknemer inwoner is, óf het land waar de maatschappij waarvoor wordt gevlogen is gevestigd. In het verdrag met de UK staat uitdrukkelijk dat het woonland mag heffen. Dat het commentaar iets anders zegt doet er dan niet meer toe.
Dat het soms complex kan zijn volgt uit een andere uitspraak;
- Een uitspraak uit 2016 gaat over een casus van een Easyjet piloot, wonend in Nederland, gestationeerd in Italïe, waarbij Easyjet is gevestigd in Engeland. Voor de liefhebber laat de Rechtbank in haar uitspraak mooi zien hoe bepaald dient te worden welk verdragsartikel van toepassing is en vervolgens of er sprake is van een vaste inrichting. Voor de piloot in kwestie ging het uiteindeliljk goed, in die zin dat de conclusie is dat Easyjet een vaste inrichting heeft in Italïe voor wiens rekening de loonkosten zouden moeten komen. Het gevolg daarvan is dat Italië mag heffen over de looninkomsten en dat Nederland voorkoming van dubbele belasting moet verlenen.
Het begrip internationaal verkeer en de daarop gebaseerde belastingheffing over inkomsten van piloten en cabinepersoneel is wel in beweging. Dit blijkt uit de procedure bij de Hoge Raad waarover de AG een stukje heeft geschreven. Dit betreft wel een twee landen situatie (leiding maatschappij in land 1, piloot fiscaal inwoner in land 2) waarbij men stelde dat alleen voor internationale vluchten voorkoming van dubbele belasting verleend moet worden. De AG stelt dat er een ruime uitleg aan de definitie internationaal verkeer moet worden gegeven waardoor ook de inkomsten die zien op binnenlandse vluchten en gronddagen onder deze bepaling vallen en daardoor belastbaar zijn in het woonland dan wel het land waar de feitelijke leiding is gevestigd van de maatschappij. De Hoge Raad volgt op 23 juni 2023 het standpunt van de AG.
Piloten lopen soms tegen forse naheffingen aan die jaren na dato worden opgelegd. In sommige gevallen wordt voor deze fiscale schade de luchtvaartmaatschappij aansprakelijk gesteld (lees hiertoe een lopende procedure bij de Hoge Raad inzake de KLM)
Praktijk
In de praktijk zie je dat er in de luchtvaart vaak drie of meer landensituaties voorkomen. Bijvoorbeeld luchtvaartmaatschappij gevestigd in Noorwegen, contractor in het VK, gestationeerd in Spanje en woonachtig in Nederland. Of er worden voor een maatschappij zowel internationale vluchten en binnenlandse vluchten gevlogen. Dan wordt het een leuke puzzel om uit te zoeken welke verdragsartikelen van toepassing zijn en waar belasting verschuldigd is. Dan hebben we het nog niet gehad over sociale verzekeringen.
Wij hebben veel ervaring met deze situaties en snappen hoe het werkt. Mocht u dus advies nodig hebben of u zoekt iemand voor het invullen van uw inkomstenbelastingaangifte, dan bent u bij ons aan het goede adres.
Wat kunnen wij - in fiscale zin - voor piloten betekenen?
- Advisering inzake welke landen fiscaal gunstig zijn voor een emigratie
- Belastingadvies inzake eigen woning / vermogen
- Verzorgen aangifte inkosmtenbelasting (M Biljet)
- Afstemming en overleg met de Belastingdienst
- Indienen vrijstelling loonheffing
- Afstemming buitenlandse fiscaal jurist inzake emigratie
Woo verzoek belastingdienst inzake woonplaats piloten
In een besluit (27 oktober 2025) worden interne documenten van de belastingdienst bekend gemaakt inzake woonplaats onderzoeken van de belastingdienst bij piloten. Er zijn diverse documenten, beleidsstukken en correspondentie bekend gemaakt. Uit de stukken (zie onder) volgt het volgende
- De belastingdienst is een breed onderzoek gestart naar de buitenlandse woonadressen van piloten.
- Aanleiding voor het onderzoek is politieke aandacht voor dit onderwerp en signalen dat piloten ogenschijnlijk zijn geëmigreerd met als oogpunt belastingbesparen. 4 landen worden in beeld gebracht omdat deze een gunstig fiscaal regime kennen en voor piloten. Er wordt getoetst met als insteek "duurzaam tehuis".
- Piloten kunnen relatief eenvoudig fysiek buiten Nederland wonen maar blijven tegelijkertijd in Nederland sociaal verzekerd en werknemer van in Nederland gevestigde luchtvaartmaatschappijen. Sommige piloten hebben ook nog een woning (huur of koop) in Nederland.
- Belastingheffing is toegewezen aan a) woonland b) land waar feitelijke leiding van de luchtvaartmaatschappij is gelegen
- Onderzoek heeft betrekking op de fiscale woonplaats, gezinssituatie, duurzame banden met Nederland en woonplaatsonderzoeken in het algemeen.
- Conclusie belastingdienst "duurzame band met Nederland is in veel gevallen niet verbroken", dus woonland is dan Nederland. De vraag is of dit juist is, soms is de woning in Nederland slechts een pied-a-terre vanwege vlieg rooster. De sociale verzekeringsplicht doet er verder veel minder toe. In sommige verdragen is "de woning" maar 1 onderdeel en niet doorslaggevend.
- Het golfstatenbesluit wordt in de documentatie ook beoordeeld. Ook wordt er gekeken naar het remittance base regime (VK en Ierland). Onder oude verdragen kan Nederland dan niet heffen.
- Document 1 woonplaats piloten en onderzoek belastingdienst
- Document 2 woonplaats piloten en onderzoek belastingdienst
- Document 3 woonplaats piloten en onderzoek belastingdienst
- Document 4 woonplaats piloten en onderzoek belastingdienst
- Document 5 woonplaats piloten en onderzoek belastingdienst
- Document 6 woonplaats piloten en onderzoek belastingdienst
- Document 7 woonplaats piloten en onderzoek belastingdienst
Wij adviseren veel piloten (en ondernemers) met een discussie over hun fiscale woonplaats. Vragen? Stuur ons gerust een e-mail of vul onderstaand formulier in. U kunt ook bellen met één van onze adviseurs.
Bron piloot die werkt in de UK
Rechtbank Noord Nederland d.d. 24 april 2023 ECLI:NL:RBNHO:2023:4544
Emigratie DGA en onderzoek Belastingdienst
Belastingplichtige bewijst dat geen sprake is van een misbruikconstructie
In internationale situaties worden soms constructies opgetuigd om te voorkomen dat belasting moet worden betaald (in een land waarin de heffing als hoog wordt ervaren). Belastingontwijking dus en geen -ontduiking. Daar waar de constructies geen reële betekenis hebben, worden die door de Belastingdienst en de wetgever bestreden. Soms schieten die maatregelen door of worden al te makkelijk toegepast. Als er vele jaren voorbij gaan tussen het moment van verkoop van een bedrijf (2015) en de emigratie van de DGA (in 2011), zal niet snel sprake zijn van misbruik.
Emigratie, woonplaats DGA en bedrijfsovername
Meneer Ids heeft via een Personal Holding aandelen in het familiebedrijf. Dat is al zo sinds 2007. In 2011 meldt zich een private-equity-fonds dat 85% van het familiebedrijf wil overnemen. Daartoe wordt in 2011 BV-3 opgericht. De aandelen van Ids worden ten behoeve van de overname ingebracht in BV-3. De aandelen BV-3 gaan naar een stichting (STAK) en familieleden krijgen de certificaten van aandelen BV-3 via hun persoonlijke holdings. Zo heeft meneer Ids ruim 11% van de (certificaten van) aandelen in BV-3 in zijn Personal Holding. In de Personal Holding vinden geen bedrijfsactiviteiten plaats; het is een kasgeldvennootschap.
Na deze handelingen verhuist meneer Ids eind 2011 naar Curaçao. Bijgevolg verhuist zijn Personal Holding mee. Die verhuizing is niet op grond van fiscale motieven, maar vermoedelijk omdat het daar lekker weer is (en zijn zoon woonde aldaar).
Eind 2015 verkoopt BV-3 het familieberdrijf aan een derde. De verkoopopbrengst wordt in 2016 door BV-3 als dividend uitbetaald aan de aandeelhouders; de STAK betaalt de verkoopopbrengst daarop uit aan de certificaathouders. Zo ontvangt de Personal Holding van meneer Ids een bedrag van zo’n € 13 miljoen. Dat geld blijft daar en wordt niet door-uitgekeerd aan meneer Ids. Over dat bedrag is in Nederland geen aangifte gedaan of dividendbelasting ingehouden.
Is er sprake van een misbruiksituatie?
Artikel 17, derde lid, aanhef en letter b, van de Wet Vpb is een antimisbruikbepaling. Op grond van deze bepaling behoort tot het Nederlandse inkomen, het belastbare inkomen uit een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap, indien de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt met als hoofddoel of één van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander (in casu meneer Ids) te ontgaan (de subjectieve voorwaarde) en sprake is van een kunstmatige constructie die niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen (de objectieve voorwaarde).
In wezen stelt de belastinginspecteur dat daarvan hier sprake is. De Personal Holding is oneigenlijk tussengeschoven.
Als aan de hiervoor bedoelde objectieve en subjectieve voorwaarden is voldaan, is sprake van misbruik. Daaraan kan de belastingplichtige alleen ontkomen als die bewijst dat van misbruik helemaal geen sprake is.
Subjectieve toets misbruik bij emigratie DGA
Volgens het Hof moet bij de subjectieve toets beoordeeld te worden of meer Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting verschuldigd zou zijn indien BV-3 de dividenduitkering rechtstreeks aan meneer Ids had gedaan (de ‘wegdenkgedachte’). Dat is het geval. Een rechtstreeks dividend aan meneer Ids zou op grond van de Belastingregeling Nederland - Curaçao, in de Nederlandse inkomstenbelasting worden belast naar een tarief van 15%. Het zou bovendien onderworpen zijn aan dividendbelasting naar een tarief van 15%. Toepassing van de wegdenkgedachte brengt mee dat de situatie zonder tussenkomst van belanghebbende zou leiden tot een hogere Nederlandse belastingclaim.
Objectieve toets misbruik bij emigratie DGA
Onder de objectieve toets is volgens het Hof de vraag aan de orde of sprake is van een kunstmatige constructie of reeks van constructies. Ook dat is het geval. De Personal Holding drijft geen materiële onderneming. Het belang in BV-3 kan niet aan het ondernemingsvermogen van de Personal Holding worden toegerekend. Evenmin vervult de Personal Holding een wezenlijke functie ten dienste van de bedrijfsuitoefening en heeft zij een zeer beperkte substance (activiteiten).
Tegenbewijs inzake misbruik door emigrerende DGA
Daarmee is het aan de belastingplichtige te bewijzen dat het geen kunstmatige constructie is. Daarin slaagt zij!
Het Hof oordeelt dat de structuur is ontstaan in het kader van het familiebedrijf, waarbij de diverse familieleden ieder via een persoonlijke houdstervennootschap een (indirect) belang hielden. Bij de oprichting was sprake van een gebruikelijke binnenlandse houdsterstructuur. Op dat moment bestond geen voornemen tot verplaatsing van de feitelijke leiding van belanghebbende. De familieleden gingen in 2011 via hun persoonlijke houdstervennootschappen participeren in de destijds opgerichte BV-3 in verband met de participatie van het private-equity-fonds in de onderneming.. De emigratie van meneer Ids (en daarmee zijn Personal Holding) vond plaats om niet-fiscale redenen, namelijk de wens van meneer Ids om na zijn pensionering op Curaçao te gaan wonen in de nabijheid van zijn zoon, die daar al jarenlang woonde. Van een verplaatsing die geen reële betekenis had, was derhalve geen sprake. Gelet op de hiervoor beschreven totstandkoming van de structuur, kan niet worden geoordeeld dat zij op enig moment bedoeld is geweest om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen. Gelet op het tijdsverloop tussen het opzetten van de structuur (2007), de verplaatsing van de feitelijke leiding naar Curaçao (2011) en de dividenduitkering (2016), is niet aannemelijk dat de structuur is vormgegeven met het oog op het ontgaan van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting ten aanzien van de dividenduitkering. Voor zover belanghebbende vanaf 1 januari 2016 in een gunstiger positie terecht is gekomen, is dit het gevolg van de vervanging van de Belastingregeling voor het Koninkrijk door de Belastingregeling Nederland - Curaçao, maar dit biedt geen grond voor de conclusie dat de structuur (volstrekt) kunstmatig is en dat hiermee is beoogd de heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan.
Van een (volstrekt) kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit en die is bedoeld om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen is dan ook geen sprake.
Trailing tax in Nederland
De laatste tijd wordt er veel gesproken over een extra fictie, de trailing tax. Een trailing tax is een extra verlengde belastingplicht die aan een emigrant wordt opgelegd om hem of haar nog enkele jaren na vertrek als binnenlands belastingplichtige aan te merken. Duitsland, Finland, Spanje, Portugal en Frankrijk kennen al een dergelijke belasting. Als Nederland een trailing tax wil toepassen moet er een wijziging worden aangebracht in het inwonersbegrip maar ook in belastingverdragen (Nederland heeft er ruim 100 gesloten met diverse landen) (artikel FD 4 december 2024, met inlog). Dit is niet eenvoudig, Finland heeft het in een paar belastingverdragen opgenomen maar kan deze ook regelmatig niet afdwingen (overeenkomen) met andere landen. Het effect zal de komende jaren dus beperkt zijn en tevens lang gaan duren. Het zou sneller kunnen als landen gezamenlijk een dergelijke belasting invoeren, dit dus in OESO verband. Op dit moment is nog niet bekend hoeveel mensen er daadwerkelijk vanuit fiscaal oogpunt naar aantrekkelijke landen emigreren, dit zal de komende jaren worden onderzocht, zie kamerbrief d.d. 4 december 2024 en beslisnota op 21 november 2024.
Dubbele verhuizing via drielanden constructie werkt niet
Een kleine 60 rijke Nederlanders hebben op creatieve wijze gebruik gemaakt van een zogenaamde drielandenpunt constructie. De rijken emigreerden naar Luxemburg of Zwitserland en hun bedrijf (BV) verplaatsen de zetel naar Malta (of Luxemburg). De Belastingdienst ging hier voorliggen via een projectmatige aanpak (sinds 2015) en kwam met diverse aanslagen (110 miljoen aan dividendbelasting). In deze stevige aanpak kreeg de Belastingdienst in veel zaken gelijk. Via deze route was de Vennootschapsbelasting beperkt en de dividendbelasting vrijwel nihil. Als de advisering zorgvuldig is uitgevoerd en ook wordt opgevolgd kan er veel belasting worden bespaard. De praktijk is echter anders, veel rijken laten de uitvoering rommelig verlopen (na enkele jaren). De (trust) directie heeft feitelijk weinig te vertellen en van een "echte" emigratie is ook niet altijd sprake. Gelukkig worden er zelden boetes opgelegd.
Sinds 2015 is de constructie niet meer echt interessant (door wetswijziging). Tot dat moment werden conserverende aanslagen na 10 jaar kwijtgescholden, sindsdien vervalt deze termijn en blijft de conserverende aanslag - zonder termijn - gewoon bestaan. De huidige exitheffing wordt vlak voor emigratie opgelegd en bij een emigratie binnen de EU nog niet direct geïnd (artikel 25 lid 8 invorderingswet). Inning zal plaatsvinden bij een dividenduitkering, overlijden, vervreemding of het liquideren van de vennootschap. Nederland heeft zich met deze regeling permanent het heffingsrecht over het aanmerkelijk belang van de Nederlandse DGA toegeëigend, zelfs als deze op enig moment al vele jaren buiten Nederland woont.
Vorenstaande is de lezen in een artikel van het FD op 31 januari 2025 (inlog). Voorbeelden voor procedures zijn Gerechtshof Den Haag d.d. 24 juni 2020 EC:I:NL:GHDHA:2020:1044 (en later Hoge Raad d.d. 1 juli 2022 ECLI:NL:HR:2022:976), Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 6 juni 2023 (ECLI:NL:GHSHE:2023:2393) en Gerechtshof Amsterdam d.d. 16 februari 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:808).
Opmerking fiscaal jurist inzake emigratie DGA
Van een (volstrekt) kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit en die is bedoeld om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen is geen sprake. Misbruik wordt bestraft!. Meneer Ids (of eigenlijk zijn Personal Holding) komt goed weg omdat deze erin slaagt te bewijzen dat van misbruik geen sprake is. Gelukkig bestaat die mogelijkheid. Dat is niet altijd het geval of de lat ligt erg hoog.
Bron emigratie DGA
Gerechtshof Den Haag d.d. 19 oktober 2022 ECLI:NL:GHDHA:2022:2200
Rechtbank Den Haag d.d. 22 november 2021 ECLI:NL:RBDHA:2021:12946
Fiscaal advies woonplaats van een piloot
Piloten en zeevarenden met een werkgever in Nederland of in het buitenland worden in het internationale fiscale verkeer anders belast dan 'normale' werknemers. Dit kan resulteren in fiscale voordelen, maar ook nadelen, dit afhankelijk van de feiten.
Woonplaatsonderzoeken door de belastingdienst
Bij de belastingdienst zijn er interne instructies voor een woonplaatsonderzoek, deze kunt u hier raadplegen. Deze instructie gaat over de woonplaats van een natuurlijk persoon. Uit deze interne instructie van de belastingdienst valt op te maken dat er met name wordt gekeken naar
- informatie op het internet en sociale media (ook via AI) via speciale afdeling (OSINT), deze werkt volgens de leidraad juridisch kader internetonderzoek.
- medische gegevens
- informatie van derden en
- informatie van buitenlandse autoriteiten.
Vragenbrief belastingdienst over woonplaats ontvangen. Wat moet ik doen?
De start van het onderzoek is veelal een vragenbrief aan de belastingplichtige zelf. Vooraf is het fiscale belang (meestal schenkbelasting, erfbelasting of inkomstenbelasting) al in beeld gebracht. Er wordt informatie in beeld gebracht over:
- het feitelijk verblijf in Nederland
- de economische binding met Nederland
- de sociale binding met Nederland
- de aanwezigheid van duurzame woongelegenheid in Nederland
Bovenstaande volgt uit het rapport. Bijzonder hierbij is dat er kennelijk geen informatie over het buitenland in beeld wordt gebracht. Als er enkel naar de situatie in Nederland wordt gekeken krijgt de belastingdienst nooit een volledig beeld van alle feiten. Kennelijk wordt er enkel een onderzoek gedaan met als doen "wonen in Nederland". Dit lijkt ons niet de juiste invalshoek. Ontvangt u een vragenbrief laat u dan vanaf het eerste moment begeleiden door een specialist.
Luchtvaartpersoneel en woonplaats
Luchtvaartpersoneel (en zeevarenden) worden in het internationale belastingrecht anders behandeld dan de werknemer die met de beide benen op de grond staat. Anders dan bij gewone werknemers, wordt in internationale belastingverdragen bepaald dat de piloot wordt belast óf in het land waar de onderneming waarvoor hij werkt is gevestigd, óf in het land waar de piloot woont. Goed advies is hierbij belangrijk, omdat de situatie per land kan verschillen. Over de woonplaats van een piloot is vaak discussie, vooraf goed oriënteren en laten adviseren is van cruciaal belang. Een advies inzake 'waar woon ik fiscaal' is van cruciaal belang. Wij adviseren maandelijks piloten, ondernemers, maar ook (voormalig) Tweede Kamerleden over hun fiscale woonplaats. Neem hiertoe gerust contact met ons op.
Piloot woont in Verenigd Koninkrijk en niet in Nederland
In een procedure voor het Gerechtshof Amsterdam d.d 21 april 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:1285) ging het om de Tiebreaker rule bij een piloot. Henk werkt als piloot voor een Maltese luchtvaartmaatschappij en is gestationeerd in het Verenigd Koninkrijk maar staat nog ingeschreven bij zijn ouders in Nederland. Henk krijgt geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting (wonen Nederland). De vraag is waar Henk woont (duurzame band). Het Gerechtshof is het met Henk eens, Henk woont in het VK. Zijn persoonlijke en economische belangen met het VK zijn het grootst. Het zwaarst hierbij weegt dat zijn vriendin in het VK woonde en hier ook zijn vriendenkring het grootst is. Dat Henk ook vrienden in Nederland had en zijn ouders hier wonen weegt minder zwaar. Het Hof verwijst terecht naar een oude uitspraak van de Hoge Raad d.d. 16 januari 2009 ECLI:NL:HR:2009:BP1466 inzake de dubbele woonplaats. Op basis van het belastingrecht van het Verenigd Konink rijk, waarbij het hof in rechtsoverweging 4.10 aandacht besteedt aan de statutory residence test, automatic residence test, sufficient ties test en automatic overseas tests, komt het hof tot het oordeel dat de belanghebbende in het Verenigd Koninkrijk als binnenlandse belastingplichtige heeft te gelden.
Daarna komt het Hof via de tie breaker rule (in het verdrag) tot een woonplaats in het VK. Vrienden en de vriendin geven hierbij de doorslag, een mooie menselijke maat! Er is afgezien van beroep in cassatie, de inspecteur legt zich er dus bij neer.
Piloot woont in Zwitserland en moet in Nederland belasting betalen
Het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 28 mei 2025 ECLI:NL:GHSHE:2025:1492 deed uitspraak over een in Zwitserland wonende piloot die sinds 1991 voor de KLM werkte. Hij werkte als (intercontinentale) piloot en verbleef zelden op Nederlands grondgebied. De piloot is af en toe bij zijn werkgever (KLM) voor trainingen. Kern is dat het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland in 2012 is gewijzigd. De piloot deed over 2012 - 2015 geen aangifte en daarom heeft de inspecteur navorderingsaanslagen opgelegd. Volgens het Hof is sprake van een nieuw feit, hierdoor gaat de deur voor het opleggen van aanslagen open. Ook is het Hof van mening dat de werkelijke leiding van KLM in Nederland is gelegen (en niet in Frankrijk). Waarom de belastingdienst zich niet heeft gemeld bij de werkgever (voor inhouding) loonbelasting wordt niet beantwoord. Een beroep op het evenredigheidsbeginsel (belangenafweging) gaat volgens de rechter niet op, de inspecteur mag volgens het hof kiezen waar de "fiscale rekening" wordt neergelegd. Ook de verwijziging naar een uitspraak van de Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 31 maart 2023 ECLI:NL:RBZWB:2023:2215 helpt hierbij niet. Dat in dit geval helemaal geen belangen zijn afgewogen maakt volgens het hof niet uit. Dat de piloot (vlak voor zijn pensioen) de aanslagen wellicht niet kan betalen is een andere discussie, aldus het hof. Er wordt wel een immateriele schadevergoeding van € 4.000 toegekend (redelijke termijn ex Hoge Raad d.d. 31 januari 2020 ECLI:NL:HR:2020:154) , deze pleister op de grote wond helpt niet echt. De uitspraak is redelijk in lijn met de uitspraak in eerste aanleg bij de Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 22 februari 2023 ECLI:NL:RBZWB:2023:1018.
Dat het heffingsrecht op grond van het nieuwe belastingverdrag aan Zwitserland gaat toekomen valt nog te billijken. Dat de inspecteur de claim niet heeft neergelegd bij de KLM is lastig te begrijpen. Volgens het Gerechtshof Den Haag d.d. 11 februari 2025 ECLI:NL:GHDHA:2025:126 is de KLM niet aansprakelijk voor de fiscale schade. Een werknemer is volgens het Hof zelf verantwoordelijk voor de correcte nakoming van zijn fiscale verplichtingen, de werkgever heeft daarbij enkel een adviserende taak. De Hoge Raad d.d. 22 september 2023 ECLI:NL:HR:2023:1276 heeft het hof gevraagd dit nader te onderzoeken "wat is goed werkgeverschap en wat niet en had de KLM een waarschuwings- en informatieplicht t.a.v. haar werknemers?".
Fiscale woonplaats voetballer
Oke een voetballer is geen piloot, maar deze uitspraak geeft wel heldere aanwijzingen.
De Rechtbank Den Haag doet op 20 maart 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:6307) uitspraak over de woonplaats van een voetballer. De Rechtbank is van mening dat een voetballer (met familie in Nederland) in Duitsland woont en niet (zoals de inspecteur stelt) in Nederland. De voetballer heeft een woning in Nederland en in Duitsland, Henk (fictieve naam) stond nog ingeschreven bij de gemeente in Nederland. Henk is profvoetballer (salaris € 1,5 mln per jaar) en speelt na de zomer (vanaf augustus 2018) voor een Duitse voetbalclub. In 2022 maakt hij een transfer naar een andere Duitse voetbalclub. De vraag is waar Henk in 2018 tot en met 2020 woont. Volgens de inspecteur woont Henk in Nederland. Henk maakt volgens de rechtbank voor 2018 aannemelijk dat hij in Duitsland woont en voor de jaren erna is sprake van "doet blijken". Henk verbleef namelijk vanaf dat moment met zijn vriendin in een huurwoning in Duitsland en de afstand tot de huurwoning in Nederland was veel te groot. Duitsland ziet Henk ook als inwoner van Duitsland. De huurovereenkomst voor de woning in Nederland is afgesloten voordat Henk het contract in Duitsland sloot. Henk moet wel over zijn box 3 vermogen in Nederland belasting betalen (maar dat is gebruikelijk).
Wat waren de aanwijzigingen voor een woonplaats in Nederland?
- Nog ingeschreven in de basisadministratie
- Woning in Nederland (eerst een huurwoning en vanaf 2022 een koopwoning)
- Familie van Henk woont in Nederland
- Nederlandse bankrekening
- Abonnementen in Nederland (Ziggo, Netflix, mobiele telefoon, sportschool, huur woning, diverse verzekeringen, etc.
Wat waren de aanwijzingen voor een woonplaats in Duitsland?
- Dienstbetrekking in Duitsland
- Ziektekostenverzekering in Duitsland
- Auto op Duits kenteken
- Verklaringen van derden dat Henk meestal in Duitsland was voor zijn werk
- Inschrijving Duits woonadres
- Certificate of residence van de Duitse belastingdienst
De Rechtbank weegt alle omstandigheden en kijkt hierbij met name naar:
- Hoge Raad d.d. 4 maart 2011 ECLI:NL:HR:2011:BP6285 : Bij de uitleg van het woonplaatsbegrip uit artikel 4 van de AWR moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er volgens vaste rechtspraak op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en het desbetreffende land. Hierbij dient geen bijzondere betekenis te worden toegekend aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals bijvoorbeeld iemands sociale of economische binding met een land.
- Hoge Raad d.d. 12 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6824: Verder geldt dat de duurzame band met één land niet sterker hoeft te zijn dan de band met een ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven, ofwel het middelpunt van iemands persoonlijke levensbelangen, zich in Nederland bevindt. Daardoor bestaat (in uitzonderlijke gevallen) de mogelijkheid dat iemand zowel in Nederland als in een ander land woont.
De feiten afwegende komt de Rechtbank (RO 36) tot de volgende conclusie:
De rechtbank is op grond van de onderhavige feiten en omstandigheden, mede in onderlinge samenhang beschouwd, van oordeel dat - zoals verweerder heeft gesteld - eiser in de onderhavige periode een (bepaalde) duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft gehad. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit en beschikte in Nederland onder meer over (huur)woning 2 en over de (te bouwen) woning 3. Verder woont familie van eiser in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank kan evenwel niet worden gezegd dat eiser daarmee in de onderhavige periode, alle omstandigheden in aanmerking nemend, (alleen) in Nederland woonde. Eiser woonde, zoals ook hierna zal worden geoordeeld, in die periode namelijk in Duitsland. Hij werkte daar fulltime en heeft het overgrote deel van zijn tijd (met de vriendin) in Duitsland doorgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarmee geen sprake zijn van de zich alleen in uitzonderlijke gevallen voordoende situatie van een dubbele woonplaats. Echter, ook als ervan wordt uitgegaan dat eiser in de onderhavige periode (ook) in Nederland woonde, is eiser voor de toepassing van het Verdrag in de onderhavige periode inwoner van Duitsland. Kijkende naar de Tie Breaker regel (artikel 4 derde lid verdrag) zijn de persoonlijke en economische banden met Duitsland het grootst.
Piloot en voorkoming dubbele belasting
Henk woont in Nederland en werkt als piloot in Turkije. Voor het turkse inkomen claimt Henk volgens de vrijstellingsmethode de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Volgens het belastingverdrag tussen Nederland en Turkije moet echter de verrekeningsmethode worden toegepast. Het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden komt op 9 augustus 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:4739) komt tot een opmerkelijke uitspraak. Het hof oordeelt dat het Nederlandse verdragsbeleid is gericht op het principe van kapitaalimportneutraliteit en dat mede daarom voor actieve inkomsten een vermindering van dubbele belasting moet worden verleend volgens de vrijstellingsmethode. De staatssecretaris heeft dit in het golfstatenbesluit ook goedgekeurd, hierin staat dat voor piloten de vrijstellingsmethode moet worden toegepast. De reden is dat ondermeer Bahrein en Oman geen inkomstenbelasting heffen en dan valt er niks te verrekenen voor in Nederland wonende werknemers die in die staten werken. Hierdoor zouden inkomsten uit die staten effectief in Nederland worden belast, dit is volgens het besluit onwenselijk. De regeling geldt voor werknemers die offshore werken of voor personeel van internationale lucht en scheepvaarttuigen. Er is geen objectieve en/of redelijke rechtvaardiging voor een ongelijke behandeling in de situatie met Turkije. Op het golfstatenbesluit valt wel wat af te dingen, veel belastingverdragen kennen geen kapitaalimportneutraliteit, denk hierbij aan bestuurders, piloten, sporters en artiesten, waarbij vaak de belastingverrekening wordt toegepast. Tegen de uitspraak van het Gerechtshof loopt nog cassatie.
Waar belasting betalen als piloot?
Indien een piloot bereid is om zich buiten Nederland te vestigen, kan dit gunstig uitpakken, afhankelijk van de inhoud van de belastingverdragen. Wanneer een piloot zichzelf verhuurt als zelfstandige of via een eigen Ltd. (dit gebeurt o.a. bij een Ierse prijsvechter), dan kan hij / zij op een slimme manier belasting besparen. De Ltd. kan zich bijvoorbeeld op Cyprus vestigen en gebruik maken van de aldaar geldende lage belastingtarieven. De piloot kiest domicilie in een land waar Cyprus een gunstig verdrag mee heeft gesloten. Het is wel belangrijk je te realiseren dat een woonplaats niet willekeurig te kiezen is. Indien je bijvoorbeeld een gezin hebt dat in Nederland blijft wonen, dan zal de conclusie al snel zijn dat de piloot zelf ook in Nederland woont.
Ook voor piloten in loondienst kan het voordelig uitpakken om buiten Nederland te gaan wonen. Spanje heeft een mooie regeling voor werknemers die niet in Spanje werken, maar er wel wonen. Daarnaast kan emigratie naar bijvoorbeeld Italië, Frankrijk of Malta ook gunstig uitpakken.
Rechters zijn kritisch over woonplaats van een piloot
Waar iemand woont wordt beoordeeld aan de hand van feitelijke omstandigheden. Een duurzame betrekking van persoonlijke aard met een Nederlandse woonplaats hoeft daarbij niet sterker te zijn dan de band met enig ander land.
Op 29 juni 2022 heeft het Hof Den Bosch een uitspraak gedaan inzake de belastingplicht van een piloot die werkzaam was voor een Turkse maatschappij. De conclusie is dat hij, gegeven de feiten en omstandigheden, als inwoner van Nederland gezien moet worden en dat hij daardoor belastingplichtig is in Nederland.
In een andere procedure bij de Rechtbank (november 2022) ging het om (startende) piloot die in 2017 in dienst is getreden bij een Spaanse luchtvaartmaatschappij. Daarna is hij overgestapt naar een Italiaanse maatschappij. Tijdens zijn verblijf in Spanje en Italië heeft hij in deze landen ook woonruimte gehuurd. De piloot doet zelf aangifte als binnnenlands belastingplichtige. Daarna komt hij tot de ontdekking dat het fiscaal voordeliger is dat hij metterwoon Nederland heeft verlaten. De Belastingdienst start een woonplaatsonderzoek. De Belastingdienst en de rechtbank zijn van mening dat de piloot gewoon in Nederland woont, hij heeft namelijk zijn duurzame betrekkingen (van persoonlijke aard) met Nederland gewoon onderhouden. De belangrijkste redenen zijn begrijpelijk:
- Ingeschreven bij de gemeente gedurende geheel 2017;
- Veel pinbetalingen in horeca en winkels in Nederland gedurende 2017;
- Voor zorgverzekering in Nederland woonachtig;
- Zorgtoeslag in Nederland ontvangen;
- Uit bank- en creditcardbetalingen volgt dat de piloot vaak in Nederland is.
Woo verzoek belastingdienst inzake woonplaats piloten
In een besluit (27 oktober 2025) worden interne documenten van de belastingdienst bekend gemaakt inzake woonplaats onderzoeken van de belastingdienst bij piloten. Er zijn diverse documenten, beleidsstukken en correspondentie bekend gemaakt. Uit de stukken (zie onder) volgt het volgende
- De belastingdienst is een breed onderzoek gestart naar de buitenlandse woonadressen van piloten.
- Aanleiding voor het onderzoek is politieke aandacht voor dit onderwerp en signalen dat piloten ogenschijnlijk zijn geëmigreerd met als oogpunt belastingbesparen. 4 landen worden in beeld gebracht omdat deze een gunstig fiscaal regime kennen en voor piloten. Er wordt getoetst met als insteek "duurzaam tehuis".
- Piloten kunnen relatief eenvoudig fysiek buiten Nederland wonen maar blijven tegelijkertijd in Nederland sociaal verzekerd en werknemer van in Nederland gevestigde luchtvaartmaatschappijen. Sommige piloten hebben ook nog een woning (huur of koop) in Nederland.
- Belastingheffing is toegewezen aan a) woonland b) land waar feitelijke leiding van de luchtvaartmaatschappij is gelegen
- Onderzoek heeft betrekking op de fiscale woonplaats, gezinssituatie, duurzame banden met Nederland en woonplaatsonderzoeken in het algemeen.
- Conclusie belastingdienst "duurzame band met Nederland is in veel gevallen niet verbroken", dus woonland is dan Nederland. De vraag is of dit juist is, soms is de woning in Nederland slechts een pied-a-terre vanwege vlieg rooster. De sociale verzekeringsplicht doet er verder veel minder toe. In sommige verdragen is "de woning" maar 1 onderdeel en niet doorslaggevend.
- Het golfstatenbesluit wordt in de documentatie ook beoordeeld. Ook wordt er gekeken naar het remittance base regime (VK en Ierland). Onder oude verdragen kan Nederland dan niet heffen.
- Document 1 woonplaats piloten en onderzoek belastingdienst
- Document 2 woonplaats piloten en onderzoek belastingdienst
- Document 3 woonplaats piloten en onderzoek belastingdienst
- Document 4 woonplaats piloten en onderzoek belastingdienst
- Document 5 woonplaats piloten en onderzoek belastingdienst
- Document 6 woonplaats piloten en onderzoek belastingdienst
- Document 7 woonplaats piloten en onderzoek belastingdienst
Wij adviseren veel piloten (en ondernemers) met een discussie over hun fiscale woonplaats. Vragen? Stuur ons gerust een e-mail of vul onderstaand formulier in. U kunt ook bellen met één van onze adviseurs.
Noot fiscaal jurist inzake fiscaal advies piloot of zeevarende
De discussie omtrent de woonplaats van een zeevarende en / of piloot wordt veel door ons gevoerd. Vooraf juist het leven inrichten en je aan de fiscale spelregels houden is van essentieel belang. Vooroverleg omtrent de woonplaats met de Belastingdienst is lastig, omdat de woonplaats sterk afhankelijk is van de daadwerkelijke feiten. In deze procedure is na een zorgvuldig opgezet woonplaatsonderzoek (door de Belastingdienst) bepaald dat de piloot in Nederland woont. De Belastingdienst kijkt hierbij enkel naar de Nederlandse feiten en omstandigheden, dit is niet (geheel) terecht. De inspecteur heeft in deze procedure ook de zogenaamde blockuren of blockhours tot het inkomen gerekend, dit is niet terecht. De blockhours zijn niet genoten inkomen, omdat deze niet afhankelijk zijn van de daadwerkelijk gewerkte uren.
Wij adviseren vele zeevarenden en piloten, neem gerust contact met ons op voor advisering of een juist stappenplan.
Bron fiscale woonplaats piloot
Rechtbank Den Haag 21 november 2022 ECLI:NL:RBDHA:2022:123985
Piloot geen fiscaal inwoner van Turkije
Piloot belastingplichtig in Nederland
Op 29 juni 2022 heeft het Hof Den Bosch een uitspraak gedaan inzake de belastingplicht van een piloot die werkzaam was voor een Turkse maatschappij. De conclusie is dat hij gegeven de feiten en omstandigheden als inwoner van Nederland gezien moet worden en dat hij daardoor belastingplichtig is in Nederland.
Piloot en voorkoming dubbele belasting
Henk woont in Nederland en werkt als piloot in Turkije. Voor het turkse inkomen claimt Henk volgens de vrijstellingsmethode de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Volgens het belastingverdrag tussen Nederland en Turkije moet echter de verrekeningsmethode worden toegepast. Het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden komt op 9 augustus 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:4739) komt tot een opmerkelijke uitspraak. Het hof oordeelt dat het Nederlandse verdragsbeleid is gericht op het principe van kapitaalimportneutraliteit en dat mede daarom voor actieve inkomsten een vermindering van dubbele belasting moet worden verleend volgens de vrijstellingsmethode. De staatssecretaris heeft dit in het golfstatenbesluit ook goedgekeurd, hierin staat dat voor piloten de vrijstellingsmethode moet worden toegepast. De reden is dat ondermeer Bahrein en Oman geen inkomstenbelasting heffen en dan valt er niks te verrekenen voor in Nederland wonende werknemers die in die staten werken. Hierdoor zouden inkomsten uit die staten effectief in Nederland worden belast, dit is volgens het besluit onwenselijk. De regeling geldt voor werknemers die offshore werken of voor personeel van internationale lucht en scheepvaarttuigen. Er is geen objectieve en/of redelijke rechtvaardiging voor een ongelijke behandeling in de situatie met Turkije. Op het golfstatenbesluit valt wel wat af te dingen, veel belastingverdragen kennen geen kapitaalimportneutraliteit, denk hierbij aan bestuurders, piloten, sporters en artiesten, waarbij vaak de belastingverrekening wordt toegepast. Tegen de uitspraak van het Gerechtshof loopt nog cassatie.
Belastingplicht van een piloot
De piloot in kwestie was een oud KLM-piloot die na zijn pensioen bij KLM nog enkele jaren in Turkije is gaan vliegen voor een Turkse maatschappij. Hij was gehuwd en had een dochter. Op basis van de nationale wetgeving van Turkije werd hij vanaf 2015 als inwoner van Turkije gezien. Doordat zijn vrouw en dochter in Nederland woonden en er in Nederland ook een woning beschikbaar was, is hij ook inwoner van Nederland volgens artikel 4 AWR van de Nederlandse wet.
In dit soort gevallen is de zogenaamde tie breaker regel van het belastingverdrag tussen twee landen van toepassing. Hierin is vermeld dat, wanneer je in beide staten een woning tot je beschikking hebt, je fiscaal inwoner bent in het land waarmee je persoonlijke en economische betrekkingen (ook wel middelpunt van levensbelangen genoemd) het nauwst zijn.
In principe was het plan om samen naar Turkije te emigreren. Door omstandigheden is het daar niet van gekomen. De piloot en zijn echtgenote verbleven samen in zowel de woning in Turkije als in Nederland. De piloot was hierbij met name in Turkije. Hier komt bij dat beiden gewend zijn om gescheiden van elkaar te leven en dus ook ieder een zelfstandig leven leiden. De vraag is dan of je als echtgenoot van een ander land inwoner kunt zijn dan het land waar je partner woont. Dit is zeker mogelijk, echter in casu overwoog het Hof als volgt:
Belanghebbende en zijn echtgenote waren in de in geschil zijnde jaren gehuwd. Gehuwden zijn (civielrechtelijk) niet verplicht samen te wonen om toch een huwelijkse samenleving te hebben. In zoverre heeft belanghebbende gelijk dat de woonplaats in Nederland van het gezin (echtgenote en dochter) niet dwingt tot de conclusie dat de persoonlijke en de economische betrekkingen van belanghebbende het nauwst met Nederland zouden zijn, omdat de echtgenoot zich zou moeten voegen bij de in Nederland wonende echtgenote. Maar in het onderhavige geval is niet gebleken dat de levens van belanghebbende en zijn echtgenote dusdanig zelfstandig waren, dat sprake is van een duurzaam gescheiden leven. Daarvan is pas sprake als:
a. ten minste één van de gehuwden de huwelijkse samenleving wil
verbreken;
b. ieder van hen afzonderlijk een eigen leven leidt alsof hij of
zij niet met de ander is gehuwd;
c. ten minste één van hen deze situatie als blijvend bedoelt.
In het onderhavige geval is duidelijk dat hieraan niet wordt voldaan. Beiden wilden de huwelijkse samenleving niet verbreken, ook al verbleef belanghebbende in Turkije en zijn echtgenote in Nederland. En zij leidden hun leven niet alsof zij niet met elkaar waren gehuwd: zij bezochten elkaar over en weer, gingen samen op vakantie en deelden huishoudelijke uitgaven, enz. Daarmee staat het zelfstandige, eigen leven van belanghebbende in Turkije niet in de weg aan de conclusie hiervoor dat de persoonlijke en de economische betrekkingen van belanghebbende het nauwst met Nederland waren, evenmin als het zelfstandige, eigen leven van de echtgenote.
Fiscale noot belastingplicht piloot
In deze casus is de conclusie dat de piloot op basis van de verdragsbepalingen fiscaal inwoner is van Nederland. Hij moet daardoor belasting betalen over het reeds ingegane pensioen in Nederland. Het bijzondere aan deze procedure is, dat de looninkomsten van de Turkse luchtvaartmaatschappij niet zijn meegenomen in de Nederlandse belastingaangifte. Ik weet niet of de inspecteur dit over het hoofd heeft gezien, maar in principe zouden ook deze inkomsten in Nederland belast zijn en zou Nederland voorkoming van dubbele belasting moeten verlenen volgens de zogenaamde verrekenmethode. Hierdoor zou je kunnen stellen dat de piloot in kwestie er nog redelijk van afkomt.
Dit soort zaken zijn altijd zeer feitelijk van aard waarbij geen enkele zaak hetzelfde is. Het is dan ook zeker niet onmogelijk dat van een gehuwd echtpaar de ene partner inwoner is van een ander land dan de andere partner.
Wij hebben veel ervaring met dit soort kwesties. Mocht u hierover advies wensen, dan kunt u de auteurs van dit artikel benaderen voor een vrijblijvende gesprek over uw situatie.
Bron belastingplicht piloot
Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 29 juni 2022 ECLI:NL:GHSHE:2022:2123
Hoe werkt een vaste inrichting qua belastingheffing?
Nieuw besluit inzake vaste inrichting
Op 1 juli 2022 heeft de staatssecretaris van Financiën een tweetal nieuwe besluiten bekend gemaakt.
- Een nieuw verrekenprijzenbesluit (het Verrekenprijzenbesluit); en
- Een nieuw winstallocatiebesluit vaste inrichtingen besluit (het VI-besluit).
Met deze nieuwe besluiten ligt de Nederlandse regelgeving meer in lijn met de OESO-richtlijnen van 2022. Belangrijkste wijzigingen hebben betrekking op 'het zwarte gat', derhalve 'geen heffing'.
Winst gemaakt met buitenlandse activiteiten. Waar belasting te betalen?
Van een vaste inrichting is sprake als u met bijvoorbeeld uw Nederlandse bv in Duitsland activiteiten gaat opzetten vanuit een kantoor of andere vaste bedrijfsinrichting in Duitsland. Een vaste inrichting is dus niet een zelfstandige entiteit in het buitenland. Een dochteronderneming is dit wel. Bij een vaste inrichting is derhalve de Nederlandse bv (ook) aansprakelijk voor de activiteiten in het buitenland. Fiscaal moet de vaste inrichting in het buitenland haar belastingen betalen.
Vanuit Nederlands perspectief moet de Nederlandse bv belasting betalen over haar totale winst (de zogenoemde wereldwinst). Andere landen willen natuurlijk ook belasting heffen over winsten die daar zijn behaald. Om dubbele belastingheffing of niet-heffing te voorkomen, zijn in belastingverdragen afspraken over de winstverdeling (winstallocatie) gemaakt.
Regelgeving vaste inrichting en belastingen
Over de verdeling van de belastingheffing over de winsten van vaste inrichtingen heeft de Belastingdienst (de staatssecretaris van Financiën) diens visie en beleid geactualiseerd in een besluit. Het doel van dit besluit is om duidelijkheid te geven over de wijze waarop de Belastingdienst de winstallocatie aan vaste inrichtingen beoordeelt. In het besluit wordt aansluiting gezocht bij de OESO-richtlijnen. De toerekening van de winst bestaat, kort gezegd, uit de volgende twee stappen:
- Activa, risico’s en vermogen worden toegerekend aan de vaste inrichting
op basis van de functionele analyse. Daarbij zijn in grote lijnen twee
methoden te onderscheiden:
- De ene methode gaat uit van de vermogensstructuur van de gehele bv (capital allocation);
- De andere van de vermogensstructuur van met de vaste inrichting vergelijkbare zelfstandige vennootschappen (thin capitalisation).
De toerekening van rentelasten is in de vennootschapsbelasting een zeer belangrijk issue. Bij de Belastingdienst is er (daarom) een voorkeur voor de eerste methode die uitgaat van een gelijke kredietwaardigheid van de bv als geheel. - Daarna wordt de winst van de vaste inrichting bepaald op basis van
de analyse in de eerste stap en de toepassing van het arm’s-lengthbeginsel
(kortweg: met de vaste inrichting handelen alsof het een derde partij is).
Daarbij kan de rentelast ter zake van het toegerekende vreemd vermogen
worden bepaald aan de hand van twee methoden:
- Of aansluiten bij het rentepercentage van de externe lening die aangetrokken is om het specifieke actief te financieren (tracing approach); óf
- Bij de totale rentelast van de bv in zijn geheel naar rato van het toegerekend vreemd vermogen de vaste inrichting (fungibility approach). De Belastingdienst heeft een voorkeur voor de laatste, omdat die meer rekening houdt met de specifieke omstandigheden van de vaste inrichting.
Het beleid is dus gericht op winsttoerekening aan de vaste inrichting die zoveel mogelijk leidt tot de winst die een onafhankelijk lichaam zou hebben behaald met vergelijkbare activiteiten onder vergelijkbare omstandigheden. Bij de vraag hoeveel winst die (fictief) zelfstandige onderneming kan genereren, verwijst het besluit specifiek naar ‘control over risk’. Dat bestaat uit de volgende elementen:
- De beslissingsbevoegdheid om een risicovolle kans op te pakken, uit te stellen of af te wijzen;
- De mogelijkheid om beslissingen te nemen of, en hoe, opvolging gegeven wordt aan dergelijke risicovolle kansen.
Tevens wordt in het besluit opgemerkt dat van belang is dat niet alleen de capaciteiten voor risicoallocatie aanwezig zijn, maar dat zij ook functioneel kunnen worden uitgevoerd.
De objectvrijstelling bij een vaste inrichting
Met ingang van 1 januari 2012 geldt voor vaste inrichtingen de zogenoemde objectvrijstelling. Daarbij worden zowel de positieve als de negatieve resultaten van de buitenlandse vaste inrichting uit de wereldwinst van een Nederlands lichaam geëlimineerd.
Voorkomen van niet-heffing bij een vaste inrichting
Als de bv in het andere land afwijkende keuzes maakt die ertoe leiden dat een deel van de winst van de vaste inrichting niet in de belastingheffing wordt betrokken, kan de Belastingdienst afwijken van het hiervoor beschreven beleid om te komen tot een uitkomst die niet leidt tot dubbele niet-belasting (er moet dus altijd ergens belasting worden betaald).
Opmerking fiscaal jurist inzake vaste inrichting
De toerekening van winst aan een vaste inrichting is geen sinecure en kan van jaar tot jaar aanzienlijk verschillen. Raadpleeg daarom altijd een deskundig adviseur en voorkom in elk geval dat u over een deel van de winst in twee landen belasting betaalt. Onderstaande adviseurs zijn u graag van dienst bij (complexe) vraagstukken.
Bron vaste inrichting
Besluit winstallocatie vaste inrichtingen 2022
Meer over vaste inrichting:
Portugal pensioen, rentenieren en belastingen
Portugal is een EU-land met een gunstig klimaat, qua prijzen maar soms ook fiscaal. Wij adviseren wekelijks mensen die een vakantiewoning in Portugal kopen of naar Portugal emigreren. Veelal ziet de advisering op de fiscale gevolgen qua inkomen, vermogen en de aangiften inkomstenbelasting in Nederland (M-biljet) en in Portugal. Wij overleggen in voorkomende gevallen ook met een lokale belastingadviseur en / of advocaat.
Belastingtarieven Portugal in 2026
- Voor inwoners van Portugal worden wereldwijde inkomsten uit arbeid, pensioen, huur en overige inkomsten belast tegen een maximaal tarief van 48% (vanaf inkomen € 86.634).
- Beleggingen worden belast tegen een tarief van 28%, dit geldt voor rente inkomsten en dividenden.
- Winsten op vastgoed worden ook belast in Portugal, u moet 50% van de gerealiseerde winst optellen bij uw inkomen. Er geldt een vrijstelling als u de winst zou herinvesteren in een nieuw hoofdverblijf binnen de EU
- Voor specifieke groepen mensen geldt de NHR 2.0 of IFICI regeling (niet voor gepensioneerden of mensen met passief inkomen)
- Erfbelasting 10%
AOW belast in Portugal en WAZ uitkering niet
Gerechtshof 's Hertogenbosch doet op 24 juni 2026 (ECLI:NL:GHSHE:2026:1644) een uitspraak over de belastingheffing van een WAZ uitkering. Henk woont in Portugal en ontvangt een WAZ-uitkering van het UWV. In Portugal maakt Henk gebruik van het gunstige Non Habitual Regime, de NHR regeling. Het hof oordeelt dat een WAZ-uitkering niet vergelijkbaar is met een AOW-uitkering. De WAZ-uitkering valt onder artikel 18 lid 2 van het Verdrag Nederland-Portugal. De cumulatieve voorwaarden van dit artikel zijn vervuld: de aanspraak is fiscaal gefaciliteerd in Nederland, de uitkering wordt in Portugal niet tegen het normale tarief belast en de WAZ-uitkering is hoger dan € 10.000. Nederland is heffingsbevoegd over de WAZ-uitkering. Al met al, AOW is belast in Portugal en WAZ uitkering in Nederland. De uitspraak is in lijn met een eerdere uitspraak van de Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 29 januari 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:442).
Stamrecht en wonen in Portugal
De kennisgroep van de belastingdienst heeft in april 2024, een standpunt ingenomen over een stamrecht (ontslagvergoeding) die wordt uitbetaald door een Nederlandse BV aan een inwoner van Portugal. De heer X heeft binnen een concern gewerkt in Frankrijk, Belgie, Nederland en Duitsland. De vraag is welk land - volgens de Nederlandse belastingdienst - mag heffen over de uitkering. Volgens de Nederlandse belastingdienst is op grond van het arbeidsartikel (artikel 15 belastingverdrag Nederland - Portugal) Nederland bevoegd om te heffen, voor zover de uitkering is te relateren aan in Nederland verrichte werkzaamheden.
AOW-uitkering belasting in Portugal
De Hoge Raad heeft in 2020 bepaald dat een AOW-uitkering niet in Nederland mag worden belast. Het Belastingverdrag tussen Nederland en Portugal (oud verdrag, veelal gunstig) bepaalt in artikel 18 hoe de heffing verloopt als er sprake is van in de ene staat opgebouwde pensioenen welke worden uitgekeerd aan een inwoner van een ander land. Normaal gesproken worden pensioenen belast in de woonstaat. In sommige gevallen mag de bronstaat (daar waar het pensioen is opgebouwd) ook heffen. Als een pensioen bijvoorbeeld niet in Portugal zou worden belast, mag Nederland heffen.
Henk woont in Portugal sinds 2016. Zijn AOW-uitkering was in 2016 en de jaren erna volledig belast in Portugal. Henk krijgt bericht van de Sociale Verzekeringsbank dat door een Nederlandse wetswijziging in Nederland ook loonheffing wordt ingehouden op zijn AOW-uitkering. Volgens Henk wordt niet voldaan aan alle voorwaarden in artikel 18 lid 2 van het belastingverdrag tussen Nederland en Portugal. Volgens de Belastingdienst is dit niet nodig omdat wordt voldaan aan letter c van deze bepaling. De Hoge Raad stelt vast dat de bepaling niet helder is. De Engelse tekst van het belastingverdrag is echter wel redelijk duidelijk. Bij een discussie omtrent de uitleg prevaleert de Engelse tekst. De Portugese tekst moet dan ook worden ingezien, omdat deze wellicht meer duidelijkheid geeft over de interpretatie. Het gaat dus om de bedoeling van de bepaling. Letter a en b spreken over "pensioenen en soortgelijke beloningen", letter c voegt hieraan toe: "uitkeringen uit hoofde van een sociaal zekerheidsstelsel" . Voor het standpunt van de Belastingdienst valt best iets te zeggen, edoch de Hoge Raad gaat voor de letterlijke (Engelse) tekst en stelt vast dat aan alle 3 de voorwaarden (cumulatief) moet worden voldaan.
Wanneer inwoner van Portugal?
Voor de fiscale uitleg van een belastingverdrag is in eerste instantie van belang waar iemand woont. Volgens het fiscale recht in Portugal is een persoon inwoner van Portugal als hij / zij aantoonbaar meer dan 183 dagen (in periode van 12 maanden) in Portugal heeft doorgebracht. Dit hoeft niet direct een lange en / of duurzame periode te zijn. Als iemand minder dan 183 dagen in Portugal verblijft, kan hij / zij ook inwoner van Portugal zijn. Dit wordt echter in Nederland en in Portugal op grond van eigen lokale wetgeving beoordeeld. Hiermee zou dus iemand inwoner van Nederland én Portugal kunnen zijn. Laat u derhalve voor uw emigratie goed en juist adviseren.
Noot fiscaal jurist inzake emigratie naar Portugal
Bij een emigratie naar Portugal moet u een zogenaamde emigratie-aangifte indienen. Tevens zal er in voorkomende gevallen een zogenaamde conserverende aanslag worden opgelegd. Het moment van emigratie is van belang voor het woonplaatsbeginsel. Portugal kan soms fiscaal erg voordelig zijn voor Nederlanders. Zo worden pensioenen vaak lager belast (20%) en wordt er beperkt of niet geheven voor vermogen dat is ondergebracht in bitcoins. Daarnaast kent Portugal een speciaal fiscaal regime voor non-habitual inwoners gedurende de eerste 10 jaar in Portugal. U krijgt dan een vrijstelling voor bepaalde inkomsten. Soms schiet u hier niets mee op, omdat Nederland in een dergelijk geval zal heffen. Portugal werkt gunstig voor Nederlanders met vermogen, dit zowel door het ontbreken van box 3 heffing als een lagere heffing bij overlijden (na 10 jaar). Ook schenkingen vanuit Portugal kunnen (na 1 jaar) voordelig zijn.
Wilt u een vakantiewoning in Portugal kopen of naar Portugal emigreren? Neem gerust contact op met één van onderstaande adviseurs.
Advies inzake met pensioen wonen in Portugal
Als u voor nemende bent om te gaan emigreren naar het buitenland en de fiscale gevolgen hierover - voor uw Nederlandse pensioen - wilt weten en/of uw pensioen wilt laten uitbetalen in Portugal adviseren wij u graag. Wij adviseren veel gepensioneerden die willen emigreren of zijn geëmigreerd over de fiscale gevolgen, hierbij kijken wij zowel naar de Nederlandse als internationale fiscale spelregels. Voor de advisering in Nederland zullen wij u adviseren en voor de lokale advisering in Portugal werken wij samen met een lokale partijen, dit van alle ins en outs in Portugal op de hoogte zijn. Wij beschikken over een netwerk van adviseurs in diverse landen. Stuur ons gerust een e-mailmet uw vraag.
Bron AOW in Portugal en belastingen
Hoge Raad 6 november 2020 ECLI:NL:HR:2020:1733
Mening adviseur Hoge Raad ECLI:NL:PHR:2020:695
Rechtbank d.d. 17 april 2020 ECLI:NL:RBZWB:2020:1814
DJ
DGA koopt woning in Spanje, in privé, SL of bv
Veel klanten van ons kantoor kopen woningen in het buitenland, op dit moment zijn Spanje, Portugal en Griekenland erg in trek. Voor de betaling van de vakantiewoning zal soms geld van de Nederlandse bv worden geleend of een hypotheek in het buitenland worden afgesloten. Doordat er over een paar jaar maximaal € 700.000 uit de eigen bv mag worden geleend, komt steeds vaker de vraag aan de orde wie de vakantiewoning gaat kopen, de meest voor de hand liggende opties zijn:
- Privé (vakantie) woning kopen;
- Nederlandse bv koopt (vakantie-)woning;
- Buitenlandse rechtspersoon koopt de (vakantie-)woning.
Doordat lenen van de bv in de toekomst lastiger gaat worden, zien wij steeds vaker dat DGA's de vakantiewoning in een bestaande Nederlandse bv kopen. Soms worden de aandelen in de bv ook deels gehouden door de kinderen. Een Spaanse SL oprichten voor een vakantiewoning is meestal niet voordelig. Wilt u meerdere woningen in Spanje kopen (bijvoorbeeld om te beleggen), dan kan een Spaanse SL wel voordelig zijn.
Extreme heffing in Spanje voor inwoners van buiten de EU
Spanje wil vanaf 2025 een extreem hoge belasting invoeren voor mensen vanuit buiten de EU die speculatief vastgoed in Spanje kopen, dit geldt voor mensen die niet in Spanje gaan wonen (en dus buiten de EU wonen), aldus een artikel op diverse media (zoals BNR).
1. DGA koopt Spaanse vakantiewoning in privé
Fiscale heffingen in Spanje bij privé bezit vakantiewoning
Als de woning enkel voor privédoeleinden wordt gebruikt en er niet meerdere woningen in Spanje worden gekocht, verdient deze optie de voorkeur. Met welke betalingen moet u rekening houden?
- Bij eigen gebruik moet u jaarlijks een aangifte inkomstenbelasting indienen, waarbij u belasting moet betalen over het bezit van de eigen woning. Dit is ongeveer 1,1% van de kadastrale waarde x 19% belasting. Bij een woning van € 500.000 is dit ongeveer € 1.000 per jaar.
- Soms moet naast de aangifte inkomstenbelasting ook nog een aangifte vermogensbelasting worden ingediend (vermogen in Spanje hoger dan € 700.000).
- Bij verhuur van de vakantiewoning moet u eens per kwartaal een aangifte inkomstenbelasting indienen en 19% belasting betalen over de netto huur (kosten zijn dus aftrekbaar).
- Tevens moet u jaarlijks onroerendezaakbelasting (vraag dit op bij de gemeente, kan zomaar € 2.000 en meer zijn) en veelal ook vuilnisheffingen betalen.
- Bij verkoop moet u 19% belasting betalen over de verkoopwinst. Bewaar alle bonnen van verbouwingen dus goed. Bepaalde kosten mogen met de verkoopwinst worden verrekend, zoals notariskosten, advieskosten, makelaarskosten.
- In sommige gevallen is er ook nog gemeentelijke belasting verschuldigd (plusvalia municipal) over de waardestijging van de grond. Deze heffing valt meestal mee en is beperkt tot enkele honderden euro's (tenzij u de woning lang in bezit heeft). In oktober 2021 is deze belasting door het EU-hof ongrondwettelijk verklaard.
Financiering vakantiewoning in Spanje
U kunt een hypotheek in Spanje afsluiten, ga hierbij er vanuit dat een financiering van 50% van de aankoopsom (met kosten) haalbaar is. De hypotheek moet veelal worden afgelost vóór uw 75e verjaardag (annuïteit). De meeste DGA's zullen het restant van de koopsom financieren bij hun eigen bv. Dit moet dan wel op grond van zakelijke voorwaarden. Door een financiering wordt de Spaanse vermogensbelasting lager. Let op dat een DGA vanaf 2024 nog maar € 700.000 van zijn eigen bv mag lenen (met uitzondering van leningen voor een eigen woning). Eventueel kan de DGA ook dividend uitkeren uit zijn bv en dus met eigen geld de vakantiewoning kopen. Over de dividenduitkering is echter wel (direct) 26,9% belasting verschuldigd (in Nederland).
Welke kosten zijn bij verhuur aftrekbaar?
De huurinkomsten die in privé of in de bv of SL worden ontvangen zijn belast. De volgende kosten mag u hierop in mindering brengen:
- Hypotheekrente
- Onroerendezaakbelasting (IBI)
- Huisvuilbelasting
- Gemeenschappelijke kosten (vereniging eigenaren)
- Verzekeringen aangaande de woning
- Commissies (voor schoonmaak / verhuur)
Let op dat de aftrek op grond van een redelijke verhouding (evenredigheid) moet plaatsvinden. Stel dat de woning 3 maanden wordt verhuurd, dan mogen 25% van de algemene kosten en 100% van de specifieke kosten worden afgetrokken van de ontvangen huur. Bij verhuur uit een bv of SL zijn tevens de afschrijvingskosten aftrekbaar.
2. DGA koopt Spaanse vakantiewoning in Nederlandse bv
Via deze route hoeft er geen vermogen uit de bv worden geleend en / of hoeft geen dividenduitkering aan de DGA plaats te vinden. Hierdoor voorkomt u discussie met de Belastingdienst over de leningsvoorwaarden en hoeft er ook geen dividenduitkering plaats te vinden.
Wordt de woning in Spanje verhuurd, dan moet er over de huurinkomsten (-/- de kosten) door de bv in Spanje aangifte worden gedaan. Bij gebruik van de vakantiewoning door de DGA moet er een zakelijke huur worden betaald (vanuit privé aan de bv). Er is in Spanje geen vermogensbelasting verschuldigd, de onroerendezaakbelasting en gemeentelijke heffingen blijven gelijk en worden betaald door de bv.
De jaarrekening en aangifte vennootschapsbelasting in Nederland worden iets complexer, de Nederlandse bv moet dus ook in Spanje aangifte doen en zich dus melden in Spanje. De jaarlijkse kosten voor het verzorgen van de aangifte zullen iets hoger zijn dan bij een privé-aangifte.
Bij aankoop van een (buitenlandse) vakantiewoning door een bv is de zakelijkheid een vereiste. Bij onzakelijk handelen wordt de aankoop namelijk als uitdeling aan de DGA gezien (veelal met boete). Zorg er dus voor dat de woning (aantoonbaar en goed vastgelegd) zakelijk wordt gebruikt. Dit kan via verhuur aan derden, kantoorlocatie, vergaderruimte, B&B, etc.
De Belastingdienst zal scherp letten op het privégebruik en de leegstand. Leg dit dus goed vast en tevens moet de DGA tijdens privégebruik een zakelijke vergoeding betalen.
Door de aankoop in een bv (of SL) wordt toekomstige erfbelasting in Spanje voorkomen (tenzij fraus legis) en kan tevens de winstbelasting bij verkoop worden ontgaan (door verkoop aandelen in de bv) .
Tevens kan de DGA overwegen om een bv door zijn kinderen (met STAK) op te richten, de toekomstige waardestijgingen worden hierdoor vanaf aankoop ondergebracht bij de kinderen en daarnaast is in de toekomst minder overdrachtsbelasting / erfbelasting verschuldigd. Deze bv wordt voor de aankoop gefinancierd door de holding van de DGA en eventueel door een bancaire instelling. Dergelijke structureren verdienen advisering en een zorgvuldige opzet.
3. DGA koopt Spaanse vakantiewoning in Spaanse SL
In dergelijke gevallen zal de Nederlandse holding van de DGA een Spaanse Sociedad Limitada (SL) oprichten. Dit is enkel interessant als er meerdere woningen of appartementen in Spanje worden verkocht. De reden hiervoor is dat de extra kosten van een Spaanse SL redelijk kunnen oplopen (oprichting, jaarrekeningen, aangiften, boekhouding, etc.). Evenzo als bij een Nederlandse bv moet de SL zakelijke huurafspraken maken met de DGA (inzake huur van de vakantiewoning).
De SL moet jaarlijks een jaarrekening opstellen en tevens een aangifte winstbelasting indienen. De aftrekmogelijkheden binnen een SL zijn wel ruimer dan bij privébezit. Er kan namelijk over de vakantiewoning worden afgeschreven. De winstbelasting in Spanje bedraagt 25% (in Nederland veelal 19%). Over de verkoopwinst moet ook winstbelasting worden voldaan in Spanje. De eerste 2 jaar is het VPB tarief in Spanje 15%.
Voordeel is wel dat bij een toekomstige verkoop (bijvoorbeeld aan de kinderen) ook de aandelen in de SL kunnen worden verkocht. In dat geval is er geen winstbelasting over de boekwinst verschuldigd, er worden immers aandelen verkocht en geen vakantiewoning. Als de aandelen in de SL worden gehouden door de holding van de DGA, is er geen belasting verschuldigd door de Nederlandse holding (dit op grond van de moederdochter richtlijn / deelnemingsvrijstelling).
Overweeg eventueel ook een winstdelende lening vanuit uw Nederlandse holding naar de Spaanse SL. Hiermee voorkomt u dat er tussentijds rente moet worden berekend (verlies in SL), bij een grote verbouwing zijn er vaak in het begin beperkt inkomsten en ontstaat er winst in de Nederlandse BV (rente) en verlies in de SL, dit is fiscaal niet gunstig.
Als er bedrijfsmatige activiteiten in een SL worden uitgevoerd, kan de btw in Spanje worden verrekend. In voorkomende gevallen kan ook de btw op een vakantiewoning worden verrekend. Advisering in Spanje is dan wel noodzakelijk. In dergelijke gevallen moet de woning wel aan derden worden verhuurd.
Hypotheek vakantiewoning in Spanje
Een hypotheek in Spanje kan ook worden aangevraagd voor een vakantiewoning. In vogelvlucht de voorwaarden:
- Voor niet inwoners maximaal 65% - 70% (voor inwoners 80%) van de netto aankoopwaarde (exclusief kosten). Dit is ongeveer 45% - 50% van de koopsom inclusief kosten.
- Je mag maximaal 35% van je netto inkomen besteden aan vaste lasten aangaande de woning. Hierbij wordt ook de bestaande hypotheek (woning Nederland) meegenomen. Huuropbrengsten in Spanje of Nederland worden niet als inkomen meegenomen.
- Hypotheek is altijd volgens een annuïteit met looptijd van 25-30 jaar (max tot 75 jaar)
- Hypotheekrente voor niet inwoners is ongeveer 1% hoger dan voor inwoners.
Fiscaal advies inzake vakantiewoning in Spanje
Als de vakantiewoning enkel privé wordt gebruikt, is aankoop in een SL / bv niet direct voordeliger resp. zal de Belastingdienst dit niet snel accepteren. Dit is echter wel sterk afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Laat u altijd in Nederland en Spanje adviseren door een deskundige fiscalist. Onze specialisten helpen u graag en hebben goede contacten met advocaten en belastingadviseurs in Spanje.
Onroerendezaakbelasting in Spanje
Evenzo als in Nederland moet u in Spanje belasting betalen over het in bezit hebben van een woning. In dit artikel geven wij u een overzicht van de belastingheffingen bij een vakantiewoning in Spanje. De belangrijkste belastingen waar u mee te maken krijgt zijn de inkomstenbelasting en de onroerendezaakbelasting. Bij een woning van € 500.000 moet u rekenen op een totale heffing van ongeveer € 4.000 per jaar. Zijn er vragen, neem dan gerust contact op met één van onze specialisten. Bij advisering inzake Spanje werken wij altijd samen met een lokale specialist.
1. Onroerendezaakbelasting in Spanje
De zogenaamde IBI (Impuesto sober Bienes Inmuebles) in Spanje is best fors en bedraagt 0,3% - 0,7% van de waarde. Het percentage is afhankelijk van de gemeente. Bij een achterstand (niet-betaling) van deze belasting volgt een redelijk forse boete. Bij verkoop van een woning is het zelfs verplicht om aan te tonen dat de IBI voor het lopende jaar is betaald. Indien de IBI niet is betaald, zal de notaris geen goedkeuring geven over de verkoop.
Welke waarde geldt voor de onroerendezaakbelasting in Spanje
Dit heeft geen betrekking op de bouwkosten of de aankoopwaarde, maar de grondslag is de zogenaamde kadastrale waarde (een administratieve waarde, de zogenaamde Valor Catastral). Deze waarde wordt door de gemeente bepaald op grond van de locatie, de constructie en de waarde van de grond. De kadastrale waarde is nooit hoger dan de aankoopwaarde / marktwaarde. Voor uw eigen rekensom kunt u uitgaan van ongeveer 60% van de marktwaarde. Bij een woning van € 500.000 is dit - afhankelijk van uw gemeente - ongeveer € 2.500 - € 3.500 per jaar.
Korting op onroerendezaakbelasting in Spanje
In sommige gemeenten krijgt u 50% korting op uw IBI belasting als u de woning zou voorzien van energiebesparende maatregelen, zoals zonne-energie. Vraag dit na bij de gemeente (of uw advocaat).
Nieuwe wetgeving in de maak inzake IBI in Spanje
Het is denkbaar dat er in de toekomst extra onroerendezaakbelasting (IBI) wordt geheven op leegstaande woningen. Lees meer.
2. Inkomstenbelasting bij bezit vakantiewoning (model 210)
Naast de onroerendezaakbelasting krijgt u ook te maken met inkomstenbelasting in Spanje, de zogenaamde Impeusto Sobre La Renta de No Residentes of IRNR belasting (model 100). Dit is inkomstenbelasting voor niet-inwoners met een (vakantie-)woning in Spanje, welke niet wordt verhuurd. De grondslag is de kadastrale waarde van uw woning of appartement. Deze belasting bedraagt ongeveer ongeveer 1% van de kadastrale waarde en hierover moet u 19% inkomstenbelasting betalen (EU-inwoner). Bij een woning van € 500.000 is dit ongeveer € 1.000 per jaar. Deze aangifte moet worden ingediend in het jaar volgende op het kalenderjaar, dus voor 2021 moet de aangifte vóór 1 juli 2022 zijn ingediend.
3. Vermogensbelasting bij bezit vakantiewoning (model 714)
Daarnaast moet er soms ook nog een aangifte vermogensbelasting (model 714) worden ingediend. Dit speelt als uw woning -/- de zakelijke schuld een hogere waarde heeft dan € 600.000 (kan per gemeente verschillen). De grondslag voor de vermogensbelasting is anders dan de grondslag voor de inkomstenbelasting en onroerendezaakbelasting. Hiervoor moet de hoogste waarde worden genomen (dus óf kadastrale waarde, óf aankoopwaarde of marktwaarde).
4. Huurinkomsten vakantiewoning Spanje (model 210)
Als u ook huurinkomsten zou ontvangen van uw vakantiewoning, dan moet u hierover ook inkomstenbelasting in Spanje betalen. U moet hiertoe zelf het initiatief nemen en dus zelf aangifte verzorgen. Deze aangifte moet eens per kwartaal worden ingediend. Lees hier meer over dit onderwerp.
Overige tips bij aankoop onroerende zaak in Spanje
Het kopen van een (vakantie-)woning in Spanje is geen feest. De regels zijn geheel anders dan in Nederland en zekerheid is zeker geen garantie. De belangrijkste aandachtspunten uit de praktijk zijn de volgende:
- De notaris heeft een geheel andere rol dan in Nederland, de notaris controleert eigenlijk niks. Voor deze controle is een advocaat nodig.
- Makelaar is een vrij beroep, hoewel er wel beroepsorganisaties zijn. Kijk of een makelaar hierbij is aangesloten (de API of de GIPE).
- Huizen worden vaak bij meerdere makelaars tegelijk aangeboden, soms zelfs voor verschillende prijzen. De makelaar kan extreem hoge provisie (2,5% - 10%) rekenen (voor de verkoper, maar soms wordt de koopsom hiermee verhoogd).
- Voor de aankoop is een Spaans BSN-nummer vereist, het zogenaamde NIE-nummer. Een boekhouder (gestor) kan dit voor u regelen. Uw advocaat of notaris werkt meestal samen met een boekhouder.
- De kosten voor de aankoop zijn hoger dan in Nederland, reken met ongeveer 10% - 12% (voor kadastrale rechten, overeenkomsten, overdrachtsbelasting, etc.).
- Over verhuurinkomsten moet u belasting betalen in Spanje.
- Over verkoopwinst moet u belasting betalen in Spanje.
- U moet jaarlijks een aangifte inkomstenbelasting indienen, meestal regelt u boekhouder dit. De aangifte moet u aanvragen en vóór 30 juni indienen.
- De notariskosten bij een aankoop bedragen ongeveer 0,5% - 1% van de koopsom.
Feitelijke leiding vennootschap
Wat is de fiscale vestigingsplaats van een rechtspersoon?
Waar een vennootschap voor fiscale doeleinden gevestigd is, is van groot belang. Bij de toepassing van verdragsbepalingen wordt namelijk voor de toewijzing van het heffingsrecht vaak verwezen naar de ‘vestigingsplaats’ of de ‘woonplaats’. Het is belangrijk dat deze plaats dus zonder twijfel vaststaat. De vraag waar een bedrijf is gevestigd, lijkt op het eerste gezicht niet al te complex. De Belastingdienst kijkt in de basis naar de woonplaats van de feitelijke leiding van de vennootschap. In dit artikel behandelen wij een aantal procedures.
Is een bv altijd in Nederland gevestigd?
Is een besloten vennootschap die naar Nederlands recht is opgericht (artikel 2 lid 4 VPB), met een statutaire zetel te Enschede altijd in Nederland gevestigd? Nee, dat hoeft helemaal niet zo te zijn. Onder de werking van belastingverdragen wordt vaak gekeken naar hele andere elementen, zoals de plaats waarvandaan de feitelijke leiding wordt uitgeoefend over de vennootschap. Meer hierover weten? Of lees deze scriptie over de Exitheffing
Vestigingsplaats vennootschap op Curaçao in Nederland
De inspecteur legt navorderingsaanslagen en boeten op aan een vennootschap uit Curaçao. De vennootschap maakt onderdeel uit van een belastingbesparende structuur omdat de werkelijke leiding in Nederland is gelegen. De Rechtbank Gelderland gaat er op 12 december 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:10888) eens goed voor zitten en is het met de inspecteur eens. De informatie wordt uiteindelijk verkregen bij belastingplichtige en via een derdenonderzoek bij de accountant en de belastingadviseur. Ook is er door de inspecteur informatie van de FIOD ontvangen. De kern discussie is "waar worden de feitelijke beslissingen genomen?" Volgens de rechtbank en de inspecteur is dit Nederland, hiertoe wordt ondermeer verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 19 januari 2018 ECLI:NL:HR:2018:47.
Feitelijke leiding op Curaçao of in Nederland
Een DGA, we noemen hem Fred, woont sinds 2005 in Spanje en emigreert in 2013 naar het nog zonniger Curaçao. Er is met de inspecteur afgesproken dat de rekening-courantschuld binnen 10 jaar zou worden afgelost. Fred heeft zich niet aan deze afspraak gehouden en de inspecteur legt een aanslag op. Fred stapt naar de Rechtbank met als belangrijkste wapenfeit: "de bv is niet meer in Nederland gevestigd", hiermee kan er geen navorderingsaanslag worden opgelegd. De rechtbank is van mening dat de bv in Nederland is gevestigd. Fred heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de feitelijke leiding niet meer in Nederland zou zijn gelegen. Als de feitelijke leiding al zou zijn verplaatst, dan zou op grond van een fictiebepaling de bv vanaf 2013 (emigratie Curaçao) nog 10 jaar geacht worden in Nederland gevestigd te zijn.
Fred is het niet eens met de Rechtbank en gaat in hoger beroep, bij de rechters in Amsterdam krijgt hij (terecht) wél zijn gelijk. Het Gerechtshof in Amsterdam vond het aannemelijk dat de plaats van de werkelijke / feitelijke leiding van de bv in 2005 was verplaatst naar Spanje en in 2013 naar Curaçao. De stelling van de inspecteur dat een adviseur in Nederland de feitelijke leiding zou uitoefenen vindt het Gerechtshof niet aannemelijk. De adviseur heeft de aangiften ingediend, maar hiermee ben je nog "de baas". De fictiebepaling ( artikel 7.5 lid 6 Wet IB) is van toepassing, maar deze 10-jaarstermijn begint in 2005. De bv was dus vanaf 2015 niet meer in Nederland gevestigd. De verkapte winstuitdeling (inlossen rekening-courant) kan pas eind 2015 worden vastgesteld, aldus de rechters. Op dat moment was de bv gevestigd op Curaçao. Nederland heeft dus geen heffingsrecht meer.
Feitelijke leiding in Singapore of Nederland?
De Hoge Raad heeft zich in het kader van het verdrag tussen Nederland en Singapore recent uitgelaten over de plaats van de feitelijke leiding. De uitkomsten van dit arrest zijn in het algemeen voor het internationaal belastingrecht relevant. Redenen genoeg om het arrest dus te bespreken in een artikel. De inspecteur moest in deze casus aannemelijk maken dat de bv in Nederland was gevestigd, dat doet hij op de best mogelijke wijze. Dan is belanghebbende aan zet, klopt het bewijs van de inspecteur? De belanghebbende doet niet echt zijn best (levert te weinig informatie).
De kernvraag waar het hier om ging is, of een bepaalde beslissing is genomen als bestuurder, als aandeelhouder of als uitvoerder. Om te kunnen spreken van het geven van leiding / het managen van een vennootschap, dient sprake te zijn van een bestuurders- of uitvoerdersbeslissing. Dat is ook de reden dat het hof tot het oordeel is gekomen dat de vestigingsplaats Nederland is. Henk bevond zich weliswaar op Sint-Maarten, maar Henk heeft onvoldoende bewezen dat hij ook belangrijke beslissingen als bestuurder nam. Voor zover Henk beslissingen heeft aangedragen die ondubbelzinnig te kwalificeren zijn als bestuurdersbeslissingen, geldt dat Henk niet inzichtelijk heeft gemaakt vanaf welke locatie hij die beslissingen heeft genomen. De Advocaat-Generaal merkt op dat de juiste rechtsregels zijn toegepast en dat de toetsing op zichzelf bezien sterk feitelijk van aard is. De Hoge Raad past dan terughoudendheid en ingrijpen geschiedt slechts als een oordeel ongemotiveerd / onbegrijpelijk is. Dat doet zich volgens de Advocaat-Generaal hier niet voor.
Een andere bijzonderheid in deze zaak is gelegen in de rol van de belastingadviseur van Henk en belanghebbende. Het gerechtshof oordeelde dat de leiding bij het belastingadvieskantoor te Nederland en de zoon van Henk liggen. Belanghebbende meent echter dat het belastingadvieskantoor geen ondernemingsbeslissingen neemt en daarom niet ‘meetelt’ bij het bepalen van de vestigingsplaats van de vennootschap. Het hof kwam onder meer tot haar oordeel door te wijzen op de betrokkenheid van het belastingadvieskantoor bij het overdragen van certificaten, aangaan van aandeelhoudersleningen en het instellen van vermogensbeheer. De Advocaat-Generaal kijkt kritisch naar het bewijs, maar acht deze uitkomst acceptabel. Dat een belastingadvieskantoor onderdeel uitmaakt van de leiding van de vennootschap is ongebruikelijk, maar niet minder ongebruikelijk dan dat een relatief goedkoop Singaporees kantoor de leiding uit zou oefenen.
Advies inzake fiscale vestigingsplaats
De feitelijke leiding van een vennootschap is gevestigd op de plek waar de beslissingen worden genomen, dus waar het hoofdbestuur van de vennootschap woont of gevestigd is. Dit is in de praktijk niet altijd goed of eenvoudig te bepalen. Zo is het mogelijk dat bepaalde besluiten op plaats A worden genomen en bepaalde besluiten op plaats B. Soms kan er dus ook sprake zijn van een dubbele vestigingsplaats of kan Nederland stellen: "vestigingsplaats Nederland" en het buitenland "vestigingsplaats alhier". Dergelijke discussies kunnen forse belastingaanslagen veroorzaken.
De fiscale gevolgen voor een vennootschap of aandeelhouder kunnen extreem zijn als er discussie is over de feitelijke leiding. Het kan nogal een verschil maken of er belasting moet worden betaald op Curaçao, in Singapore of Nederland.
Discussies over de woonplaats van individuen en / of de vestigingsplaats van vennootschappen zijn aan de orde van de dag. De feiten zijn hierbij de bouwstenen voor de fiscale procedure. Door het internet, eenvoudig kunnen vliegen, VPN-verbindingen vanuit verschillende landen, etc. is het soms niet geheel duidelijk vanuit welke plaats een beslissing is genomen.
Wij zien dat het in de praktijk vaak misgaat (dus moet er vennootschapsbelasting, inkomstenbelasting en / of dividendbelasting worden betaald) omdat de uitvoering verre van perfect is. Op papier is een emigratie eenvoudig, maar de praktijk is weerbarstig. Een ervaren fiscaal jurist en jaarlijkse controle van de bestuurshandelingen is van cruciaal belang, de theorie (het advies) moet namelijk wel aansluiten bij de praktijk.
Neem gerust eens contact op met één van onderstaande auteurs voor een vrijblijvende kennismaking.
Uitspraak en conclusie
Rechtbank Noord-Holland d.d. 5 maart 2020 ECLI:NL:RBNHO:2020:1592
Gerechtshof Amsterdam d.d. 13 januari 2021 ECLI:NL:GHAMS:2022:90
Hoge
Raad 2 juli 2021 ECLI:NL:HR:2021:1044
Advocaat-Generaal
1 december 2020 : ECLI:NL:PHR:2020:1150
Rechtbank Den Haag d.d. 6 maart 2014 ECLI:NL:RBDHA:2014:3183
Cursussen fiscaal en formeel belastingrecht
Ons kantoor verzorgt - veelal op maat - diverse cursussen voor advocaten, notarissen, business clubs of accountantskantoren. Een cursus kan bijvoorbeeld betrekking hebben op één van onderstaande onderwerpen, maar ook een combinatie van verschillende onderwerpen. Het spreekt voor zich dat wij ook graag in overleg met u een cursus of lezing op maat verzorgen, in deze cursus komen dan de onderwerpen aan de orde die voor uw organisatie van belang zijn. De cursussen worden interactief gemaakt en uw collega's worden via opdrachten en voorbeelden op de hoogte gebracht van de wetgeving en de laatste ontwikkelingen.
Fiscale cursussen
- De werkkostenregeling
- Besparingen voor de DGA
- Bedrijfsopvolging, hoe werkt dit fiscaal?
- Herstructurering en belastingenheffing
- Omzetbelasting
- Loonbelasting voor HR-afdeling
Formeel belastingrecht
- Hoe werkt de een belastingcontrole en waar moet ik op letten?
- Invordering en aansprakelijkheid
- Procederen in bezwaar en beroep
Meer informatie?
U kunt voor meer informatie contact opnemen met onderstaande adviseurs.
Het Duitse ministerie van financiën heeft een korte samenvatting gemaakt van de fiscale wetten die begin volgend jaar in werking treden
Alleenstaande ouders
Alleenstaande ouders zullen verder worden vrijgesteld van loon- en inkomstenbelasting - met een speciale toelage, het zogenaamde “Entlastungsbetrag”. Dit om rekening te houden met de buitengewone lasten van alleenstaande ouders tijdens de pandemie. Het steunbedrag voor de jaren 2020 en 2021 wordt nu meer dan verdubbeld: van oorspronkelijk € 1.908 tot nu €4.008 per jaar. Het bedrag zal nu vanaf 2022 voor onbepaalde tijd gelden.
Advisering ondernemers Duitsland / Nederland
Wij adviseren vele Duitse ondernemers die in Nederland ondernemen maar ook Nederlandse ondernemers die in Duitsland willen starten. Ons team van specialisten helpt u graag bij de eerste stappen en/of doorontwikkeling. Neem gerust contact met ons op voor een vrijblijvende afspraak.
Werknemers en zelfstandigen
Het zogenaamde bestaansminimum moet voor iedereen belastingvrij zijn. Daarom is er een persoonlijke basisaftrek voor de inkomstenbelasting. Na een verhoging van € 9.408 tot € 9.696 in 2021, zal het in 2022 opnieuw worden verhoogd: tot € 9.984. Op die manier houdt de Bondsregering rekening met de gestegen kosten van levensonderhoud in Duitsland. Het maximumbedrag voor de aftrek van alimentatiebetalingen zal met ingang van 1 januari 2022 eveneens dienovereenkomstig worden verhoogd.
De zogenaamde koude progressie zal verder worden verminderd
Een loonsverhoging moet ook merkbaar zijn in de portemonnee van de werknemer. Daarom zal het tarief van de inkomstenbelasting voor 2022 zodanig worden aangepast, dat het effect van de zogenaamde koude progressie wordt gecompenseerd. Dit betekent dat de lonen en salarissen niet zwaarder zullen worden belast, aangezien de stijging ervan slechts de inflatie compenseert.
Belastingvrije bonus kan blijven worden uitbetaald
Om rekening te houden met de vaak moeilijkere omstandigheden tijdens de pandemie, heeft de federale regering het voor werkgevers mogelijk gemaakt om hun werknemers een bijzondere vergoeding toe te kennen: sinds 01-03-2020 kan extra tot € 1.500 aan toelage en steun belastingvrij worden uitbetaald. Deze verordening is nog geldig tot en met 31-03-2022.
Ondernemingen en zelfstandigen in tijden van pandemie
Corona-steun wordt verlengd
Ondernemingen en zzp'ers kunnen profiteren van uitgebreide steun als zij te maken krijgen met coronagerelateerde beperkingen. Dit geldt voorlopig tot eind maart 2022. Het gaat dan om:
- Overbruggingssteun IV voor bedrijven en zelfstandigen: tot 90% vergoeding van de vaste kosten;
- Betere aanvulling van het eigen vermogen aan ondernemingen die bijzonder hard zijn getroffen door sluitingen in verband met corona;
- Steun voor startende zelfstandigen: deze kunnen verder tot € 1.500 per maand aan rechtstreekse subsidies ontvangen.
Daarnaast zullen tot 31 maart 2022 ook belangrijke bijzondere regelingen voor werktijdverkorting gelden. Voorts is de aanvraagtermijn voor het bijzondere KfW-programma verlengd tot 30 april 2022 en zijn de toepasselijke leningsmaxima opnieuw verhoogd. Dit betekent dat het programma beschikbaar is voor ondernemingen van elke omvang en uit alle sectoren om hun liquiditeitsbehoeften te dekken.
Meer tijd voor geplande investeringen
Als kleinere bedrijven van plan zijn in de komende drie jaar machines of dergelijke aan te schaffen, kunnen zij reeds een deel van de kosten aftrekken bij hun winstbepaling met de zogenaamde investeringsaftrek. Als gevolg van de corona-crisis waren veel ondernemingen echter niet in staat te investeren zoals gepland, en daarom dreigden zij na het verstrijken van de periode van drie jaar het bedrag van de investeringsaftrek met terugwerkende kracht te moeten afrekenen. Daarom was er al een verlenging tot eind 2021 overeengekomen voor deze investeringen met een termijn tot eind 2020. Deze periode wordt nu opnieuw met een jaar verlengd tot eind 2022. Zo kunnen bedrijven hun investeringen alsnog plegen zonder negatieve fiscale gevolgen.
Huiseigenaren
Op 1 januari 2025 zal de nieuwe onroerendgoedbelasting in werking treden als een bureaucratische, billijke en daarmee grondwetbestendige regeling. Dit zal ook betekenen dat oude berekeningssystematiek voor de berekening van de eerdere “Grundsteuer” haar geldigheid zal verliezen. Deze wordt vervangen door de waarde van het onroerend goed in alle federale staten die geen afwijkende regelingen hebben vastgesteld. Het wordt door het betrokken belastingkantoor vastgesteld op basis van enkele gegevens die de eigenaren van het onroerend goed aan hun belastingkantoor moeten verstrekken. De uiterste datum voor de status van deze informatie is 01-01-2022. Voorlopig hoeven de eigenaren echter niets te doen op deze datum. Zij zullen waarschijnlijk eind maart 2022 verder worden geïnformeerd via een openbare bekendmaking.
Bescherming van de gezondheid
De tabaksaccijnstarieven worden per 01-01-2022 aangepast. De belasting op sigaretten en tabak zal tot 2026 in vier stappen worden verhoogd. Voorts zal de belasting op verwarmde tabak ("Heat not Burn") en in e-sigaretten verbruikte stoffen worden aangepast. Ook waterpijptabak zal in de toekomst aan een aangepaste, hogere belasting worden onderworpen.
Bitcoin-paradijs Portugal
Wij krijgen wekelijks vele vragen over de fiscale gevolgen verbonden aan cryptomunten, zoals de bitcoin. Dit in allerlei vormen en voor allerlei heffingen. Het mooie vakantieland Portugal heeft voor bitcoinbezitters en -handelaren een speciaal regime, slim bedacht!
In Portugal wordt er geen vermogensbelasting of inkomstenbelasting (en ook geen omzetbelasting) geheven over het bezit of de handel in bitcoins (of beter cryptovaluta). Ook inkomen uit het buitenland (rente, huur, dividend, etc.) is in de meeste gevallen vrijgesteld van heffing. Voor creatieve ondernemers geldt in sommige gevallen een aantrekkelijk tarief van 20%. Portugal begint voor emigrerende buitenlanders dus op een belastingparadijs te lijken.
Beste landen voor crypto beleggers
De beste landen voor crypto beleggers zijn Portugal (inkomsten vrijgesteld, tenzij verkoop binnen 1 jaar dan 28% heffing (sinds 2023)), Singapore (geen belasting), Malta (geen vermogensbelasting, maximale inkomstenbelasting 35%) en Zwitserland (max 10% vermogensbelasting, geen inkomstenbelasting)
Portugal en de Non Habitual Tax regeling
Sinds vele jaren kent Portugal een voordelig belastingregime voor nieuwe inwoners, de zogenaamde Non Habitual Tax regeling. Deze regeling werkt fiscaal gezien erg gunstig voor vermogende buitenlanders (Nederlanders) die naar Portugal emigreren. Inkomen met de bron buiten Portugal (zoals inkomen / pensioen uit Nederland) wordt vrijgesteld van heffing in Portugal. Daarnaast worden bepaalde ondernemersactiviteiten in Portugal belast tegen een aantrekkelijk tarief van 20%. Ook erfenissen en schenkingen aan uw echtgenoot / partner zijn in de meeste gevallen belastingvrij of belast tegen een laag tarief (bijvoorbeeld onroerende zaken tegen tarief van 0,8%).
Bitcoiner met woonplaats in Portugal
Een belegger of handelaar in cryptovaluta kan fiscaal voordeliger in Portugal wonen. Via de hiervoor genoemde regeling kunt u een afspraak maken met de Portugese belastingdienst voor de periode van 10 jaar. Ook inkomen van buiten Portugal kan in veel gevallen buiten de heffing in Portugal blijven. Overleg met een lokale belastingadviseur is hierbij wel noodzakelijk.
Voor wie is Portugal een belastingparadijs
Ondernemers met online bedrijven of ondernemers die locatie-onafhankelijk kunnen werken kunnen - met vooroverleg met de belastingdienst in Portugal - gedurende 10 jaar gebruik maken van een fiscaal gunstig tarief van 20% (of in sommige gevallen zelfs 0%). U moet dan wel in Portugal wonen en een woonplaatsonderzoek door een Nederlandse fiscaal jurist is wenselijk.
Noot fiscaal jurist inzake emigratie en vermogen
Veel Nederlanders emigreren naar Spanje, Portugal of Italie. Ook Bonaire en Curaçao komen steeds vaker in beeld. Elk land kent zijn eigen fiscale regels, formaliteiten en voordelen / nadelen. Laat u door een deskundige fiscalist meenemen in dit traject. Hierbij is het verstandig om in beide landen een fiscalist in de hand te nemen, iedereen kent immers zijn eigen fiscale achtertuin het beste. Voor cryptobezitters of -handelaren zijn ondermeer Portugal, Frankrijk en Duitsland aantrekkelijke landen. Wij adviseren vele particulieren en bedrijven over hun emigratieplannen. Neem gerust contact op met onderstaande adviseurs.
Bron crypto in Portugal
Emigratie uit Duitsland, laat u goed adviseren!
Vertrek uit Duitsland? Begin het nieuwe jaar niet verkeerd!
Aanmerkelijk belang in Duitsland
Verhuizen binnen Europa moet eigenlijk zonder beperkingen kunnen. In diverse verdragen zijn o.a. vrijheid van kapitaalverkeer en vestiging beschreven. Voor iemand die een vennootschap heeft waarvan de reserves nog niet als dividend zijn belast, wordt het iets ingewikkelder. Er is dan al wel vennootschapsbelasting geheven, maar nog geen Box 2 belasting. In Duitsland noemen we de Box 2 heffing "Kapitalertragsteuer" of "Einkommensteuer". Omdat de winsten in het woonland zijn behaald, moet hierover nog een keer worden afgerekend. Vandaar dat veel landen bij de grens afrekenen over deze belastingclaim.
Nederland kent de conserverende aanslag en Duitsland de zogeheten "Wegzugsbesteuerung". In den beginne kreeg je nog renteloos uitstel van betaling, maar moest je wel zekerheid stellen. Na procederen door een volhardende Fransman tot voor het Europese Hof verviel het stellen van zekerheid bij een emigratie binnen de EU. Nederland kende tot voor een paar jaar terug een regeling waarbij je na 10 jaar van de aanslag af was. Dat hebben we echter al weer teruggedraaid. Bij vertrek uit Nederland worden deze Box 2 reserves belast met een conserverende aanslag. Deze aanslag heeft tegenwoordig een onbeperkte geldigheidsduur.
Wegzugsbesteuering of conserverende aanslag in Duitsland
Net als Nederland, kent ook Duitsland een regeling die bij emigratie een renteloze conserverende aanslag oplegt. Onder invloed van diverse internationale projecten tegen belastingmisbruik wil Duitsland deze regeling echter gaan aanscherpen. Per 1 januari 2022 wordt een aanslag opgelegd, die dan in 7 jaren renteloos en met het verstrekken van zekerheid daadwerkelijk moet worden betaald.
Duitse emigratieregeling in strijd met Europees recht?
Duitsland verdedigt de aanpassing door een verwijzing naar het Europese Hof. Nadat eerder bleek dat Duitsland ook voor verhuizingen naar Zwitserland (niet EU) de soepele regeling moest toepassen, zocht men in Duitsland naar een oplossing. Het Europese Hof heeft aangegeven dat Duitsland twee dingen kan doen. Of de soepele regeling geldt voortaan ook voor niet-EU-landen (waaronder Zwitserland), of men verscherpte de regeling voor EU-landen. Het Europese Hof bepaalde dat een betaling van de aanslag is toegestaan als er maar minstens 5 termijnen werden gesteld. Duitsland koos voor de verscherping en een betaling in 7 jaar.
Diverse geleerden stellen dat de voorgestelde regeling desondanks in strijd is met Europees recht. Duitsland heeft vaker regelingen die uiteindelijk worden teruggefloten. Het wachten is op een vrijwilliger die weer de tijd en het geld heeft om dit uit te procederen.
Duitse emigratieheffing voorkomen?
Mocht u in een dergelijke situatie verkeren, overweeg dan nog vóór het einde van het jaar uit Duitsland te emigreren. Dat houdt in dat u zich niet alleen uitschrijft en elders inschrijft, maar dat u ook echt het duurzame middelpunt van uw leven verplaatst. Daar is nog veel meer over te schrijven. Samengevat moet u "echt" emigreren en niet slechts op papier. Ook zijn Duitse collega’s momenteel druk met mogelijke oplossingen ("Gestaltungen") om de heffing te voorkomen. Of dit slaagt hangt echter sterk van de individuele situatie af. Wij bekijken dat graag samen met u.
Fiscaal advies over Duitsland
Onze Duitsland desk adviseert u graag over mogelijke fiscale merites in Duitsland en / of bij grensoverschrijdende transacties tussen Nederland en Duitsland. Bel of mail gerust met één van onze specialisten.
Ondernemen in het buitenland
Veel van onze klanten kijken naar de mogelijkheden om in het buitenland te (gaan) ondernemen. Wij adviseren wekelijks ondernemers die activiteiten in het buitenland willen opzetten. Als je vanuit Nederland werkt, geldt meestal het belastingstelsel in Nederland. Als er een vestiging in het buitenland is en / of er een vertegenwoordiger in het buitenland verkoopt, ontstaat een grensgebied waarbij veelal de fiscale regels in het buitenland in beeld komen.
Artikel Kamer van Koophandel "internationaal zakendoen"
In dit artikel van de Kamer van Koophandel wordt ingegaan op het zakendoen in het buitenland. In dit artikel wordt duidelijk gekeken naar de juridische en fiscale gevolgen van het internationaal ondernemen.
Vragen over zakendoen in het buitenland
Vraag gerust een vrijblijvend gesprek aan met één van onze specialisten. Wij adviseren particulieren (emigratie etc.) en bedrijven bij het opzetten van ondernemingsactiviteiten in het buitenland.
Emigratie DGA of ondernemer
Regelmatig adviseren wij ondernemers en directeuren-grootaandeelhouders (DGA) bij hun emigratie. Bij een emigratie verliest Nederland zijn heffingsrecht over de Nederlandse bv's. Om dit te voorkomen, wordt een emigratie als (fictieve) vervreemding gezien (4.16 lid 1 onderdeel h Wet Inkomstenbelasting 2001). Ook wordt er een zogenaamde conserverende aanslag opgelegd over een deel van het vermogen van de DGA. Wat zijn de fiscale gevolgen en mogelijkheden bij een emigratie van een DGA?
Conserverende aanslag DGA
Het kan zijn dat de bv in Nederland gevestigd blijft. De DGA is na emigratie buitenlands belastingplichtig. Als verkrijgingsprijs voor de aandelen in de bv geldt alsdan de waarde op het moment van de emigratie. Nederland wil haar heffingsrecht behouden op het vermogen dat in Nederland is opgebouwd en doet dit via een zogenaamde conserverende aanslag. Bij een emigratie binnen de EU (en Noorwegen, IJsland en Liechtenstein) hoeft er geen zekerheid voor de conserverende aanslag te worden gesteld. Als de emigratie buiten dit gebied gaat plaatsvinden, eist de Belastingdienst zekerheid. Veelal wordt deze zekerheid gesteld via een verpanding van de aandelen in de bv (of via een bankgarantie). Sinds 2015 zal een conserverende aanslag niet meer na 10 jaar komen te vervallen, is dus voor onbepaalde tijd (derhalve geen kwijtschelding na 10 jaar).
De vraag is of Nederland dergelijke aanslagen mag opleggen omdat deze vaak strijdig zijn met diverse belastingverdragen. Op grond van vele verdragen heeft Nederland namelijk - na emigratie - over vele inkomsten geen heffingsrecht. Een conserverende aanslag kan dus in strijd zijn met de goede verdragstrouw. De conserverende aanslag wordt ingevorderd als de aandelen in de bv geheel of gedeeltelijk worden verkocht / vervreemd.
Heffing zal ook plaatsvinden als er dividend wordt uitgekeerd door de bv. De conserverende aanslag wordt dan verminderd met de bronheffing in Nederland en de feitelijk in het buitenland geheven belastingen over de dividenduitkering.
Voorbeeld emigratie DGA en dividenduitkering
Henk is eigenaar van Last Resort Holding B.V. De holding heeft een waarde van € 1.000.000 en bij oprichting is € 100.000 gestort (verkrijgingsprijs). Henk emigreert in 2019 naar Spanje, dit om heerlijk van de zon te genieten. Er wordt een conserverende aanslag aan Henk opgelegd van € 242.000 (€ 900.000 x 26,9%). De verkrijgingsprijs voor Henk bedraagt (op moment emigratie) € 1.000.000. De directie van de bv wordt overgenomen door de zus van Henk, zij woont nog in Nederland. In 2021 wordt er een dividend uitgekeerd van € 300.000. Nederland zal 15% heffing willen ontvangen op deze uitkering, derhalve € 45.000. Deze dividendbelasting wordt ingehouden en afgedragen door de Last Resort Holding B.V. In Spanje is de heffing over de dividenduitkering 19%. Er zal dus nog 4% in Spanje worden "bijgeheven", derhalve € 15.000. Henk stuurt een brief naar de Belastingdienst en verzoekt om gedeeltelijke kwijtschelding van de betaalde dividendbelasting. De in Spanje betaalde inkomstenbelasting wordt niet kwijtgescholden (geen dividendbelasting maar inkomstenbelasting).
Bij een verkoop van de aandelen kan een fiscaal nadeel ontstaan. De conserverende aanslag is immers na de dividenduitkering nog € 242.000 -/- € 45.000 = € 197.000. Bij een verkoop van de aandelen voor € 700.000 (€ 1.000.000 -/- € 300.000 dividend) zal deze € 197.000 door Nederland worden geheven (tarief 28%), gevolg artikel 26 Invorderingswet 1990 (geen kwijtschelding van de heffing in Spanje). Dit is in strijd met de bedoeling van het belastingverdrag. Procedures over dit onderwerp zijn mij nog niet bekend. Wel heeft de Hoge Raad in 2017 aangegeven dat heffing over pensioenaanspraken soms niet in strijd is met de goede gedragstrouw.
Trailing tax in Nederland
De laatste tijd wordt er veel gesproken over een extra fictie, de trailing tax. Een trailing tax is een extra verlengde belastingplicht die aan een emigrant wordt opgelegd om hem of haar nog enkele jaren na vertrek als binnenlands belastingplichtige aan te merken. Duitsland, Finland, Spanje, Portugal en Frankrijk kennen al een dergelijke belasting. Als Nederland een trailing tax wil toepassen moet er een wijziging worden aangebracht in het inwonersbegrip maar ook in belastingverdragen (Nederland heeft er ruim 100 gesloten met diverse landen) (artikel FD 4 december 2024, met inlog). Dit is niet eenvoudig, Finland heeft het in een paar belastingverdragen opgenomen maar kan deze ook regelmatig niet afdwingen (overeenkomen) met andere landen. Het effect zal de komende jaren dus beperkt zijn en tevens lang gaan duren. Het zou sneller kunnen als landen gezamenlijk een dergelijke belasting invoeren, dit dus in OESO verband. Op dit moment is nog niet bekend hoeveel mensen er daadwerkelijk vanuit fiscaal oogpunt naar aantrekkelijke landen emigreren, dit zal de komende jaren worden onderzocht, zie kamerbrief d.d. 4 december 2024 en beslisnota op 21 november 2024.
Dubbele verhuizing via drielanden constructie werkt niet
Een kleine 60 rijke Nederlanders hebben op creatieve wijze gebruik gemaakt van een zogenaamde drielandenpunt constructie. De rijken emigreerden naar Luxemburg of Zwitserland en hun bedrijf (BV) verplaatsen de zetel naar Malta (of Luxemburg). De Belastingdienst ging hier voorliggen via een projectmatige aanpak (sinds 2015) en kwam met diverse aanslagen (110 miljoen aan dividendbelasting). In deze stevige aanpak kreeg de Belastingdienst in veel zaken gelijk. Via deze route was de Vennootschapsbelasting beperkt en de dividendbelasting vrijwel nihil. Als de advisering zorgvuldig is uitgevoerd en ook wordt opgevolgd kan er veel belasting worden bespaard. De praktijk is echter anders, veel rijken laten de uitvoering rommelig verlopen (na enkele jaren). De (trust) directie heeft feitelijk weinig te vertellen en van een "echte" emigratie is ook niet altijd sprake. Gelukkig worden er zelden boetes opgelegd.
Sinds 2015 is de constructie niet meer echt interessant (door wetswijziging). Tot dat moment werden conserverende aanslagen na 10 jaar kwijtgescholden, sindsdien vervalt deze termijn en blijft de conserverende aanslag - zonder termijn - gewoon bestaan. De huidige exitheffing wordt vlak voor emigratie opgelegd en bij een emigratie binnen de EU nog niet direct geïnd (artikel 25 lid 8 invorderingswet). Inning zal plaatsvinden bij een dividenduitkering, overlijden, vervreemding of het liquideren van de vennootschap. Nederland heeft zich met deze regeling permanent het heffingsrecht over het aanmerkelijk belang van de Nederlandse DGA toegeëigend, zelfs als deze op enig moment al vele jaren buiten Nederland woont.
Vorenstaande is de lezen in een artikel van het FD op 31 januari 2025 (inlog). Voorbeelden voor procedures zijn Gerechtshof Den Haag d.d. 24 juni 2020 EC:I:NL:GHDHA:2020:1044 (en later Hoge Raad d.d. 1 juli 2022 ECLI:NL:HR:2022:976), Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 6 juni 2023 (ECLI:NL:GHSHE:2023:2393) en Gerechtshof Amsterdam d.d. 16 februari 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:808).
Noot fiscaal jurist inzake emigratie DGA
In veel belastingverdragen tussen Nederland en EU-landen is geen sprake van een zogenoemd aanmerkelijkbelangvoorbehoud (een termijn voor vervreemding van AB-aandelen). In nieuwe verdragen met Duitsland en Portugal is dit wel opgenomen. Bij een dividenduitkering door een in Nederland gevestigde bv aan een in het buitenland wonende DGA kan Nederland de heffingsbevoegdheid over de dividenden - op grond van oudere verdragen - meestal niet of niet volledig effectueren. De feitelijk in het buitenland geheven belasting wordt niet in mindering gebracht op de Nederlandse conserverende aanslag. Als het buitenland niet heft, zal Nederland meer willen heffen dan de reguliere bronbelasting van 10% of 15%.
Nederland is van mening dat een conserverende aanslag is opgelegd op de dag voor vertrek naar het buitenland. Deze aanslag zou dan volgens de Nederlandse Belastingdienst niet onder verdragstoepassing vallen, de DGA was toen namelijk nog gewoon binnenlands belastingplichtig. Dit standpunt lijkt ons niet juist. De Hoge Raad heeft immers in juni 2009 bepaald dat inning van de conserverende aanslag over inkomen dat is toegewezen aan het buitenland een strijdigheid met de goede verdragstrouw zal opleveren.
Er is nog geen jurisprudentie over de inning van een conserverende aanslag buiten de termijn van 5 of 10 jaar welke in verdragen is opgenomen (aanmerkelijkbelangvoorbehoud).
Bron DGA en emigratie
Portugal fiscaal aantrekkelijk
Bij ons op kantoor zijn onderstaande specialisten vaak betrokken bij advisering inzake een emigratie naar, of tweede woning in Portugal. Als u een vraag hierover heeft, kunt u hen geheel vrijblijvend e-mailen. Onze advisering ziet met name op de fiscale gevolgen van een emigratie voor de Nederlandse belastingen en de verdeling van de heffingsbevoegdheid over uw inkomen en vermogen na emigratie. Wij adviseren niet over het Portugese belastingrecht, dit regelen we voor u met een adviseur aldaar.
Wij hebben diverse klanten die in Portugal een tweede woning hebben of hier permanent wonen. Meestal wordt de keuze gemaakt op basis van het weer of de belastingheffing (geen successieheffing, lage inkomstenbelasting en geen vermogensbelasting). De meeste pensioenen en de AOW zijn belast in Portugal, meestal tegen een lager tarief dan in Nederland. Over gerealiseerde winsten bij verkoop (bijvoorbeeld van onroerende zaken of beleggingen) moet wel belasting worden betaald. Hierbij worden inwoners gunstiger behandeld dan niet-inwoners, dit is door EU-wetgeving langzaam aan het veranderen.
Belastingtarieven Portugal in 2026
- Voor inwoners van Portugal worden wereldwijde inkomsten uit arbeid, pensioen, huur en overige inkomsten belast tegen een maximaal tarief van 48% (vanaf inkomen € 86.634).
- Beleggingen worden belast tegen een tarief van 28%, dit geldt voor rente inkomsten en dividenden.
- Winsten op vastgoed worden ook belast in Portugal, u moet 50% van de gerealiseerde winst optellen bij uw inkomen. Er geldt een vrijstelling als u de winst zou herinvesteren in een nieuw hoofdverblijf binnen de EU
- Voor specifieke groepen mensen geldt de NHR 2.0 of IFICI regeling (niet voor gepensioneerden of mensen met passief inkomen)
- Erfbelasting 10%
Wonen in Portugal
Het wonen in Portugal bevalt de meeste van onze klanten goed. Het kopen van een woning aldaar noopt u - evenzo als in Spanje - veelal tot het eerst verdiepen in de markt. Bij de aankoop van een woning heeft u een advocaat nodig en daarna moet een lokale accountant (of belastingadviseur) u jaarlijks helpen bij uw aangifte (dit is door de overheid verplicht gesteld). Wij doen dit niet zelf, maar hebben wel informatie over deskundige adviseurs aldaar. Er bestaat in Portugal, evenals in elk ander Europees land, een aantal belastingen. Er zijn aankoopbelastingen, jaarlijkse onroerendgoedbelasting, inkomstenbelasting, wegenbelasting en nog meer belastingen. Regelt u als eerste een verblijfsvergunning en vervolgens een sofinummer.
Portugal is een ontwikkeld land en arm. Bij de verkoop van woningen moest capital gain tax worden betaald. De belastingdienst moet zich binnen 4 jaar bij u melden en doet dit meestal ook. De meeste Nederlanders wonen in het dunbevolkte zuiden van Portugal (zoals de Algarve).
Belastingplichtig in Portugal
Waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld. U bent inwoner van Portugal indien u aantoonbaar meer dan 183 dagen (in periode van 12 maanden) in Portugal hebt doorgebracht. Als iemand minder dan 183 dagen in Portugal heeft doorgebracht, kan in bijzondere omstandigheden nog steeds sprake zijn van inwonerschap aldaar. U moet dan wel over een permanente woonplek beschikken in Portugal. U moet zich dan melden bij de DSRC (de belastingdienst in Portugal). Probleem kan zijn dat u naast inwoner van Portugal (volgens wetgeving aldaar) ook inwoner bent van Nederland (volgens wetgeving in Nederland). Advisering hierover is noodzakelijk. Gelukkig kent het verdrag tussen Portugal en Nederland wel een dwingende rangorderegeling. U krijgt bij uw vertrek een conserverende aanslag van de Nederlandse Belastingdienst, deze hoeft niet te worden betaald.
Belastingen in Portugal zijn soms gunstig
Natuurlijke personen die in de laatste 5 jaar niet in Portugal hebben gewoond kunnen in aanmerking komen voor het non habitual inwonerschap. Dit regime mag u gedurende 10 jaar toepassen. U hoeft dan geen belasting te betalen over inkomen van buiten Portugal. Nederlanders schieten hier niks mee op omdat Nederland dan zal gaan heffen. Als u naast uw pensioen ook inkomen in Portugal zou verdienen, dan is het belastingtarief hierover 20%. Portugal kent gelukkig ook geen box 3 heffing. Voor vermogende particulieren is dit dus gunstig. Ook het stelsel voor de erfbelasting is gunstig in Portugal. Er is namelijk geen erfbelasting, wel een alternatieve belasting van 10%, maar deze geldt enkel voor Portugese bezittingen. U moet dan wel eerst 10 jaar uit Nederland vertrokken zijn. Schenkingen zijn ook vrij van schenkbelasting, hiervoor is de termijn 1 jaar.
Download
Hoekstra en de Maagdeneilanden
Als in Google "Hoekstra Maagdeneilanden" wordt getypt, verschijnen er 94.000 resultaten. Er zijn dus meningen genoeg over dit onderwerp. Maar hoe kijkt een fiscalist naar dit onderwerp?
Kan een minister van Financiën in de fraudedatabank komen?
Uit de Pandora Papers (een soort Panama Papers voor politici) blijkt dat Wopke Hoekstra (en nog 400 politici) via een brievenbusmaatschappij op de Maagdeneilanden heeft geïnvesteerd in ecotoerisme in Afrika. Naar verluidt gaat het voornamelijk om investeringen in vastgoed en safari’s. Inmiddels doet Hoekstra er niet meer geheimzinnig over, heeft hij het belang verkocht - in het zicht van de aanvaarding van zijn ministerschap in 2017 - en de winst geschonken aan een goed doel. In 2009 was deze constructie nog niet besmet, maar sinds enkele jaren worden dergelijke structuren met argusogen gevolgd.
Investeringen via belastingparadijs door mensen met voorbeeldfunctie
Zoveel vragen komen op. Kennelijk hoefde het belang niet gemeld te worden in zijn vorige functie als Eerste Kamerlid. Als voorzitter van de commissie Financiën zou je toch roomser moeten zijn dan de paus, maar ja, Wopke is geen katholiek.
Is de constructie geadviseerd door Frank Oranje, de dubieuze notaris van Landsadvocaat Pels Rijcken, van wie dinsdag duidelijk werd dat hij ook een aantal ministers (ook Hoekstra) adviseerde om hun vermogen ‘op afstand te zetten’?
Heeft hij het wel keurig in zijn aangiften inkomstenbelasting vermeld? Dat is verplicht, ook al is de belastingheffing over vastgoed doorgaans belast daar waar het gelegen is. Dus waarom via de Maagdeneilanden? In Afrika mogen ze heffen en in Nederland moet het worden opgegeven (of wilde hij de bronbelasting in Afrika ontgaan?).
Sinds 1 januari 2017 blijft er bovendien wat belasting te betalen in Nederland. Ook kan het een boete opleveren. Als het om een aanzienlijk bedrag gaat, kan het ook verder gaan: verwerping van de aangifte en omkering van de bewijslast. Dan moet je bewijzen dat de belastinginspecteur je inkomen niet te hoog heeft vastgesteld. Ook kan over dat hogere inkomen een vergrijpboete worden opgelegd (maximaal 300% van de te weinig geheven belasting).
Positie minister bij beleggen via belastingparadijs?
Het hoeft niet per se illegaal te zijn om via een belastingparadijs te beleggen. De zweem die dan wordt opgeroepen en het risico op reputatie en integriteitsschade zijn er echter wel. Of Hoekstra heeft geweten dat de belegging via de Maagendeilanden is opgezet, is ook nog maar de vraag. Bij de verkoop is dit zeker bekend geweest en een tikje naïef is het ook.
Onze minister was wel in goed gezelschap. Op de lijst komen onder meer de koning van Jordanië en president Poetin voorbij. Ook ruim 100 miljardairs staan de op de lijst. Er zal nog wel stof opwaaien omdat de info pas sinds 3 oktober 2021 openbaar is geworden en het gaat om 12 miljoen documenten (ongeveer gelijk aan de Panama Papers). Er staan nog meer Nederlanders op de lijst die opvallend genoeg hoge posities bekleden bij Nederlandse banken.
Dat bedrijven moeten stoppen met belasting ontwijken, is al lang een bekend hoofdstuk in de internationale politieke wereld. Het ontwijken van belastingen is een lastig onderwerp, dat is immers iets anders dan het ontduiken van belastingheffing. Belasting ontwijken is namelijk toegestaan omdat het binnen de wet valt. Er zit echter - volgens vele politici - wel een lijn tussen "wetten en gedrag". Je hoeft niet alles te doen wat wettelijk is toegestaan. Ethiek is een groot goed, de vraag is alleen voor wie dit dan zou moeten gelden. Al met al, wat Hoekstra heeft gedaan, hoeft nog niet direct in strijd te zijn met Nederlandse wetgeving.
Maar ook de minister van Financiën is toch onschuldig tot het tegendeel is bewezen? Jazeker, maar in de fiscaliteit wordt daar bij de hoogte van de boete rekening mee gehouden, niet bij de hoogte van de belasting. Ook kan verhuld buitenlands vermogen aanleiding zijn voor opname in de fraudedatabank. De fraudedatabank? Daar kom je toch niet onschuldig in? Door onoplettendheid. Of op basis van onjuiste gegevens? Of omdat je contractpartner verdacht is? Nou, dat kunnen we het beste vragen bij al die toeslagenouders.
Zou het aflopen met een sisser?
Grote kans dat de demissionaire status binnenkort wordt opgeheven, hiermee lijkt het probleem ook opgelost.
Belastingverdrag Oeganda
Nieuws belastingverdrag met Oeganda
Via een zogenaamd WOB-verzoek is er informatie beschikbaar gekomen inzake de onderhandelingen met Oeganda, deze zijn in september 2021 bekendgemaakt (raadpleeg hier). Er is slechts beperkt informatie bekendgemaakt, omdat partijen nog met elkaar onderhandelen. Als er dan informatie openbaar bekend zou worden, kan dit de onderhandelingspositie schaden.
Belastingverdrag Oeganda of Uganda
Het bestaande belastingverdrag kunt u hier raadplegen.
Fiscale voordelen belastingverdrag Oeganda
Nederland heeft veel belastingverdragen afgesloten. Soms wordt een belastingverdrag afgesloten om investeringen in één land te stimuleren. Dit was mede de reden voor een belastingverdrag met Uganda / Oeganda. Dit unieke belastingverdrag zorgt er echter voor dat bedrijven met een moedermaatschappij in Nederland in Oeganda geen bronbelasting hoeven te betalen. Veel internationale concerns met een vestiging in Oeganda hebben een holding in Nederland. Dit komt in veel meer internationale situaties voor. De wetgeving in Nederland zal de komende jaren dan ook worden aangepast (en is al deels aangepast). Zo is in 2021 de Wet Bronbelasting 2021 ingevoerd, hierdoor wordt er bronheffing geheven op rente- en royaltybetalingen aan gelieerde entiteiten in aangewezen laagbelaste landen / jurisdicties (en als er sprake is van misbruik), de lijst kunt u hier raadplegen.
Inzake de kwestie in Oeganda kunt u dit artikel in de Volkskrant lezen (2020)
Crypto inkeren of melden bij de Belastingdienst
Actief met crypto, trading, blockchain of cold storage? Voorkom fiscale risico's en betaal niet onnodig belasting over uw bezit. Onze fiscalisten combineren diepgaande kennis van crypto met jarenlange ervaring in complexe fiscale structuren voor vermogende particulieren en crypto bezitters. De meest voorkomende advies onderdelen bij crypto of bitcoin bezitters:
- Crypto vergeten in uw aangifte inkomstenbelasting en vrijwillig melden
- Crypto inbreng in BV
- Crypto in familiefonds
- Emigratie naar fiscaal vriendelijk crypto land, zoals Portugal en Duitsland
- Hulp bij beantwoording vragenbrief of boekenonderzoek belastindienst.
- Inlog kwijt, waarde crypto dan 0 euro?
Vragen over crypto in uw aangifte of hulp bij inkeren bij de belastingdienst? Onze specialisten helpen u graag en hebben meer dan voldoende ervaring. Mail ons gerust voor een vrijblijvende offerte.
Boete crypto kan oplopen tot 300%
Steeds meer Nederlanders bezitten cryptovaluta, zoals de Bitcoin. Wij staan in de praktijk vaak belastingplichtigen bij die de belastingheffing bij deze cryptovaluta over het hoofd hebben gezien. In 2025 gaat er in Nederland nieuwe wetgeving in (binnen de Europese Unie), waardoor de bezitter van bitcoins of andere cryptomunten bekend worden bij de Belastingdienst, deze staan dan vanaf 2026 automatisch in uw aangifte inkomstenbelasting.. Crypto moet in de meeste gevallen in box 3 (waarde per 1 januari) worden aangegeven, soms zelfs in box 1.
Hebt u crypto's? Wij zien dat veel mensen deze (nog) niet melden bij de Belastingdienst, soms bewust, soms onbewust. Er is op dit moment Europese regelgeving op komst die het verbergen van cryptomunten voor de Belastingdienst complexer maakt.
Nieuws: Crypto vanaf 1 janauri 2026 automatisch in uw aangifte inkomstenbelasting. Crypto aanbieders zijn vanaf dat moment verplicht om gegevens uit te wisselen met de belastingdienst. Het wetsvoorstel (link) hierover is in juli 2025 naar de tweede kamer gestuurd. Eerste rapportage is dan op 31 januari 2027 (over 2026).
In maart 2026 zijn vragen over het wetsvoorstel wet implementatie EU richtlijk gegevensuitwisseling crypto activa (dac 8) beantwoord. U kunt hier de nota naar aanleiding van het verslag raadplegen en natuurlijk ook het verslag zelf en de beslisnota.
Nieuwe DAC8 wetgeving voor crypto in Nederland
Het Ministerie van Financiën heeft een wetsvoorstel ingediend om de Europese DAC8-richtlijn in de Nederlandse wet te implementeren, waarmee aanbieders van cryptodiensten vanaf 1 januari 2026 verplicht worden om gebruikersgegevens te verzamelen, controleren en delen met de Belastingdienst. Dit moet belastingontwijking en -ontduiking tegengaan. De gegevens worden jaarlijks gedeeld met andere EU-lidstaten en, door implementatie van het CARF, ook met niet-EU-landen die hieraan meedoen. Voor cryptobezitters verandert er niets; zij moeten al aangifte doen. De consultatie loopt tot 21 november, met indiening van het voorstel in het tweede kwartaal van 2025. Relevante documenten :
- Concept wettekst implementatie EU richtlijn gegevensuitwisseling crypto activa
- Concept memorie van toelichting DAC8 en gegevensuitwisseling crypto activa
- Beleidskompas formulier crypto
Nieuwe Europese wetgeving inzake crypto en melding Belastingdienst
De Europese Unie is met een richtlijn bezig waardoor lidstaten van de EU eenvoudiger spontaan informatie kunnen en moeten uitwisselen over de bezitter / eigenaar van cryptomunten. Het voorstel staat voor 2021 op de agenda. Nadat de wetgeving binnen de EU is aangenomen, moet deze worden opgenomen in de Nederlandse wetgeving, dit zal nog wel even duren. Binnen de nieuwe wetgeving worden cryptobedrijven gedwongen om persoonlijke gegevens van zenders en ontvangers op te slaan en uiteindelijk aan de EU of het woonland te verstrekken. Het is zelfs denkbaar dat anonieme cryptowallets worden verboden.
In dit artikel leggen wij de gevolgen uit als u crypto niet in uw aangifte hebt aangegeven en bijvoorbeeld wordt betrapt.
Heeft de belastingdienst informatie over mijn crypto of bitcoin?
Sinds 2020 moeten aanbieders in Nederland zich registeren bij de Nederlandse bank. Vanaf 2026 moet op grond van Europese wetgeving ook informatie door platformen en aanbieders worden doorgegeven aan de fiscale autoriteiten in hun vestigingsland. Deze informatie wordt dan ook doorgegeven aan de belastingautoriteiten als een belastingplichtige in het buitenland woont (dus ook de Belastingdienst krijgt dan automatisch informatie over uw crypto). Deze wetgeving geldt voor binnen de EU gevestigde platformen.
In de huidige tijd melden zich steeds meer belastingplichtigen vrijwillig bij de belastingdienst of nemen "opeens" de in het verleden opgebouwde crypto in hun aangifte inkomstenbelasting.
Bureau financieel toezicht en crypto
Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) heeft een notitie geschreven over hoe accountants en fiscalisten moeten omgaan met klanten die crypto valuta bezitten en/of hoe hiermee moet worden omgegaan in de aangifte inkomstenbelasting en/of jaarrekening. De notitie kunt u hier raadplegen.
Cryptovaluta en Belastingdienst
Cryptovaluta vertegenwoordigen een waarde. Deze waarde varieert sterk. De waarde die voor uw heffing relevant is, is afhankelijk van de wijze waarop u de cryptovaluta aanhoudt. Bezit van crypto hoort in de basis thuis in box 3. Bent u een actieve particulier (bijvoorbeeld door minen of veel handel), dan kan sprake zijn van heffing in box 1. De kosten zijn dan ook aftrekbaar.
Het kopen van crypto is zelden zichtbaar voor de Belastingdienst. Als de crypto (met forse winst) wordt verkocht, is er echter wel een vermogensstijging zichtbaar, deze kan de Belastingdienst via een vermogensvergelijking wel zien. De Belastingdienst zal dan vragen stellen over de door u ingediende aangifte Inkomstenbelasting.
De Belastingdienst kan dan tot 5 jaar terug een navorderingsaanslag opleggen, als de crypto via het buitenland is aangehouden, kan dit ook 12 jaar zijn. Wij denken dat de Belastingdienst gaat stellen dat crypto kwalificeert als buitenlands vermogen (dus 12 jaar navorderingstermijn).
Tevens zal de Belastingdienst een boete opleggen. Omdat de crypto veelal bewust niet is opgenomen, zal de basisstelling zijn dat sprake is van opzettelijk niet aangeven van vermogen. De boete bedraagt dan tenminste 100% van de opgelegde aanslag. Er kan ook een verhoogde boete van 300% worden opgelegd, deze wordt meestal verminderd tot 150%.
Advies inzake crypto bij onderzoek Belastingdienst
De Belastingdienst zal u een vragenformulier sturen. U bent verplicht de fiscaal relevante vragen te beantwoorden, andere vragen dus niet. Als u niet zou antwoorden of dit weigert, zal de Belastingdienst een zogenaamde informatiebeschikking afgeven. Gevolg hiervan is dat u aanloopt tegen een omkering en verzwaring van de bewijslast. Al uw stellingen moet u in dit traject overtuigend aantonen, dit gaat verder dan de normale toets (aannemelijk maken).
Het is verstandig om een specialist in te schakelen als de Belastingdienst u op het spoor komt. Wij hebben ruime ervaring met dit soort trajecten en adviseerden ook honderden cliënten bij het vooraf melden van nog onbekend vermogen (inkeerregeling).
"Ik heb crypto niet in mijn aangifte staan, wat nu?"
Mede door de aangekondigde EU-wetgeving zal de Belastingdienst binnen enkele jaren veel informatie ontvangen over cryptobeleggingen. Als dit nog niet bekend is in uw aangifte, dan loopt u een fors financieel risico (boetes kunnen oplopen tot 300%). U kunt vrijwillig een opgave doen aan de Belastingdienst inzake de verzwegen cryptobeleggingen. Als u dit binnen 2 jaar doet, dan wordt er veelal geen vergrijpboete opgelegd. Voor cryptobeleggingen gelden er echter wel uitzonderingen, in voorkomende gevallen wordt er wel een vergrijpboete opgelegd, maar deze is dan lager dan de genoemde 150%.
Als de Belastingdienst u al op het spoor is, dan is vrijwillige verbetering niet meer mogelijk. Inkeren is dan immers niet meer vrijwillig.
Op korte termijn is het voor de Belastingdienst een stuk eenvoudiger om cryptomunten in het vizier te krijgen.
Advies inzake inkeren bij cryptobeleggingen
Wij hebben in de loop der jaren veel inkeertrajecten begeleid. Dat waren eerst vooral zaken met betrekking tot buitenlandse bankrekeningen, maar steeds vaker gaat het om (aanzienlijke) cryptoportefeuilles. De belastingplichtige die vrijwillig wil verbeteren en alsnog juiste aangiften uit zichzelf doet, kan er vaak met een goede deal vanaf komen. Wij helpen u graag om die deal te bereiken. Neem gerust eens contact op met één van de auteurs van dit artikel. Een eerste gesprek is altijd vrijblijvend.
Bron crypto en inkeerregeling
Vragen en antwoorden EU inzake crypto
Richtlijn EU inzake crypto 20 juli 2021
Excessief lenen: emigratie en immigratie
Wijzigingen excessief lenen en box 2 tarief vanaf 2027
De grens voor het excessief lenen bij de eigen BV wordt vanaf 2027 in vijf stappen van € 80.000 verlaagd van € 500.000 naar uiteindelijk € 100.000. Leningen voor de eigen woning worden niet meegenomen in deze afbouw. Voordeel is dat het tarief voor de tweede schijf in box 2 in 2027 wordt verlaagd van 31% tot 29,2%. Deze verlaging zal ervoor zorgen dat de DGA in 2027 sneller zal besluiten om dividend uit te keren (ter aflossing van de rekening courant schuld). Dit voorstel volgt uit de kamerbrief d.d. 29 september 2026.
Emigratie en excessief lenen
In dit artikel, behorend bij onze reeks over het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap, gaan wij nader in op de gevolgen van dit wetsvoorstel voor aanmerkelijkbelanghouders (AB-houders) die emigreren of immigreren. Onderaan dit artikel, maar ook links in het menu, treft u snelkoppelingen naar de andere artikelen in deze reeks.
Het wetsvoorstel is op 24 maart 2022 aan de Tweede Kamer verstuurd. Vanaf 2023 moeten AB houders die meer dan € 700.000 lenen van hun eigen BV inkomstenbelasting in box 2 betalen (muv eigen woning leningen). Op dit moment hebben DGA's een schuld aan hun BV van ruim € 70 miljard. Laat u tijdig door onze specialisten adviseren over de mogelijkheden en onmogelijkheden.
Geld stallen in prive valt onder excessief lenen
Henk is 100% eigenaar van Henk Holding BV. In Henk Holding BV staan overtollige liquiditeiten van 1 mln euro. Om optimaal gebruik te maken van de hogere spaarrente in prive en het deposito garantiestelsel wordt 300.000 euro op de prive bankrekening van Henk gezet. Henk Holding BV is economisch eigenaar van dit geld en Henk is enkel juridisch eigenaar. Wordt de overboeking gezien als schuld inzake de regeling voor excessief lenen (ex artikel 4.13 eerste lid onderdeel f wet IB 2001)? Volgens het standpunt van de kennisgroep van de belastingdienst wel (KG:003:2025:3) wel. De belastingdienst kijkt hierbij strikt naar het civiele begrip "schuld" en "rechtens dan wel in feite direct of indirect" begrip in de memorie van toelichting.
Nieuws Prinsjesdag 2024 (belastingplan 2025)
Uit het belastingplan 2025 blijkt dat het kabinet een wetsvoorstel heeft opgesteld waarbij de dubbel telling bij excessief lenen bij samenwerkingsverbanden wordt voorkomen. Er worden bepaalde verplichtingen uitgesloten die normaal gesproken wel meetellen voor de bepaling of er sprake is van excessief lenen. Dit is een correctie op de wetgeving omdat deze onvoorziene en onbedoelde gevolgen had bij sommige samenwerkingsverbanden (voorstel heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2023). U kunt het belastinplan 2025 hier raadplegen en de miljoennota 2025 hier. De overige stukken kunt u hier vinden.
Nieuws mei 2024 : Rechtens dan wel in feite direct of indirect lenen van eigen BV
Een eenvoudige route om excessief lenen via de eigen BV te vermijden is een lening bij een derde (niet verbonden) of bij een bancaire instelling. De wetgever heeft hierover ook nagedacht en heeft in de wet (artikel 4.13 lid 1 letter f Wet IB) opgenomen dat dergelijke constructies ook worden aangepakt (schulden die de belastingplichtige .. rechtens dan wel in feit direct of indirect heeft ..) . Volgens de kennisgroep van de belastingdienst wordt een lening bij aan bancaire instelling ook aangemerkt als lening van de eigen BV als voor het verkrijgen van de lening noodzakelijk is dat de BV zekerheid (bijvoorbeeld hypotheek) verstrekt en dus zonder die zekerheid de lening niet had verkregen.
Belastingplan 2024
Eind oktober 2023 is besloten om de grens per eind 2024 van € 700.000 weer te verlagen tot € 500.000. De eerste kamer moet hierover nog akkoord geven. Overleg met uw adviseur omtrent een mogelijke afbouw in 2023 en 2024.
Conserverende aanslag en excessief lenen
Bij een emigratie wordt meestal een conserverende aanslag opgelegd. Via de conserverende aanslag wordt de belastingclaim van Nederland (voor vertrek) veilig gesteld. Als een DGA zou emigreren zal er over de waarde van de aandelen in zijn BV (meestal de holding) een conserverende aanslag worden opgelegd. Bij een emigratie binnen de EU wordt er dan veelal uitstel van betaling verstrekt (anders wordt veelal volstaan met een bankgarantie of pandrecht op aandelen). Als de DGA na de emigratie geld gaat lenen van een (nieuwe) buitenlandse rechtspersoon kan het verleende uitstel van betaling worden ingetrokken / beëindigd. De wet zal op dit onderdeel worden aangepast, de opzegging geldt alleen indien en voor zover bovenmatig (excessief) wordt geleend van een vennootschap waarop de conserverende aanslag betrekking heeft (en de toename van de schuld niet al eerder het uitstel van betaling heeft beëindigd).
Nieuws excessief lenen DGA van eigen BV
In het regeerakkoord Rutte IV (bekend geworden in december 2021) wordt aangekondigd dat de grens van € 500.000 wordt verhoogd tot € 700.000. De nieuwe wet lijkt dan toch per 1 januari 2023 te worden ingevoerd. Overleg met uw adviseur omtrent een mogelijke afbouw in 2021 of 2022.
Excessief lenen bij de eigen vennootschap op hoofdlijnen
Wij brengen hier eerst het doel en de strekking van het wetsvoorstel in herinnering. Als gevolg van het wetsvoorstel bestaat er straks een fictief voordeel voor de situatie waarin een AB-houder, zijn partner of een met hem verbonden persoon een te grote schuld heeft uitstaan bij de vennootschap waarin het aanmerkelijk belang wordt gehouden. Indien de totale schuldsom meer bedraagt dan – als startdrempelbedrag - € 500.000, dan wordt het meerdere geacht inkomen uit aanmerkelijk belang te vormen. Dat leidt tot belastingheffing in box 2. Het box 2 tarief in 2021 bedraagt 26,9%.
Fiscale problematiek bij emigratie / immigratie AB-houders
Aanmerkelijkbelanghouders dienen bij emigratie of immigratie altijd rekening te houden met de fiscale aspecten. Bij emigratie is het zo dat sprake is van een fictieve vervreemding. Dat betekent dat over de vervreemdingswinst, die niet ‘echt’ wordt genoten, afgerekend moet worden met de Belastingdienst. Voor dit inkomen wordt een conserverende aanslag opgelegd. In tegenstelling tot wat vroeger het geval was, wordt deze conserverende aanslag niet na 10 jaar kwijtgescholden. Voor een conserverende aanslag kan uitstel van betaling worden verleend, afhankelijk van de omstandigheden kan dit zelfs renteloos zijn.
Bij immigratie geldt dat de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang moet worden vastgesteld. Indien sprake is van een vennootschap die naar Nederlands recht is opgericht of indien de immigrant eerder in Nederland heeft gewoond, zal de verkrijgingsprijs worden gesteld op de historische verkrijgingsprijs.
Excessief lenen en emigratie AB-houder
Ook bij excessief lenen heeft emigratie gevolgen voor de AB-houder. Wij beschreven hiervoor dat een fictief vervreemdingsvoordeel in aanmerking wordt genomen. Anders gezegd: er wordt gedaan alsof u de aandelen verkoopt. Indien u in het verleden geconfronteerd bent met een fictief regulier voordeel als gevolg van een te grote schuldsom, dan mag u een negatief fictief regulier voordeel in aanmerking nemen. Zoals uitgebreider uitgelegd in het artikel over het wetsvoorstel, is het negatief fictief regulier voordeel de tegenhanger van de box 2 heffing die u voldoet omdat u een te groot schuldbedrag heeft. Door deze systematiek wordt dubbele belastingheffing voorkomen. Hierna volgt een voorbeeld ter verduidelijking.
Een AB-houder heeft een schuld van € 750.000 aan zijn bv. Het bedrag dat de drempel van € 500.000 te boven gaat, wordt als regulier voordeel in aanmerking genomen. Dat bedrag bedraagt € 250.000. Het maximumbedrag (de drempel) bedraagt na deze gebeurtenissen € 750.000.
De AB-houder gaat later emigreren. De waarde van zijn aandelen in de bv bedraagt op dat moment € 1.100.000. De verkrijgingsprijs van de aandelen wordt gesteld op € 200.000. Het vervreemdingsvoordeel (fictief) wordt altijd gesteld op de waarde in het economisch verkeer – de verkrijgingsprijs. Het vervreemdingsvoordeel bedraagt derhalve € 900.000.
Op grond van dit wetsvoorstel wordt het vervreemdingsvoordeel vervolgens nog verminderd. Deze vermindering bedraagt het eerder in aanmerking genomen regulier voordeel (fictief) als gevolg van het excessief lenen. Dit voordeel bedroeg € 250.000. Deze € 250.000 komt dus in mindering op het vervreemdingsvoordeel van € 900.000.
Er volgt in dit voorbeeld dan een conserverende aanslag voor een vervreemdingsvoordeel van (per saldo) € 650.000, hetgeen resulteert in een aanslag van (naar huidig tarief van 26,9%) € 174.850.
Waardemutaties op de schuld in het jaar van de emigratie hebben geen effect op de uitkomst indien die voor de emigratie plaatsvinden.
Bij een conserverende aanslag horen altijd spelregels. Standaard is de regel dat de conserverende aanslag wordt beëindigd (en dus belasting wordt geheven), zodra u over het inkomen in Nederland belasting bent verschuldigd. Met de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel komt er een spelregel bij. Het uitstel van betaling wordt eveneens beëindigd voor zover bovenmatige schulden ontstaan of toenemen na de emigratie van de AB-houder. Net als wanneer u in Nederland was blijven wonen, bent u dan belasting verschuldigd over een fictief regulier voordeel. Hierna volgt een voorbeeld.
Een AB-houder heeft een schuld van € 750.000 bij zijn bv. Hij heeft hierover al eens een regulier fictief voordeel van € 250.000 voldaan, dus zijn maximumbedrag is ook € 750.000. Later emigreert de AB-houder. Ervan uitgaande dat het fictieve vervreemdingsvoordeel € 800.000 bedraagt, wordt de conserverende aanslag vastgesteld met een box 2 inkomen van € 550.000 (€ 800.000 - € 250.000). De belastingheffing hierover bedraagt, uitgaande van het huidige percentage van 26,9%, € 147.950.
In het jaar na de emigratie besluit de AB-houder nog eens € 50.000 te lenen van zijn vennootschap. Zijn totale lening bedraagt dan € 800.000. Het uitstel van betaling wordt nu ingetrokken voor een bedrag van € 50.000 * het AB-tarief (26,9%), hetgeen betekent dat een bedrag van € 13.450 moet worden voldaan. Wij merken volledigheidshalve op dat dit voorbeeld is geschreven zonder aandacht voor verdragstoepassing.
Uitzondering excessief lenen en emigratie AB-houder
Het kan voorkomen dat u na emigratie dividend uitkeert, juist bedoeld om die excessieve schuld af te lossen. Zonder nadere regels wordt echter bij het uitkeren van dividend, voor een deel van de conserverende aanslag het uitstel van betaling ingetrokken. Indien u als AB-houder aannemelijk kunt maken dat het totaal aan schulden is afgenomen ten opzichte van het vorige jaar, dan kan beëindiging van het uitstel achterwege blijven. Deze uitzondering geldt slechts voor zover in een nationale situatie een negatief fictief regulier voordeel in aanmerking genomen zou kunnen worden.
Excessief lenen en immigratie AB-houder
Ook bij excessief lenen heeft immigratie voor een AB-houder fiscale gevolgen. Vanaf het moment dat de persoon in Nederland gaat wonen, valt hij immers onder de Nederlandse fiscale verplichtingen en daar hoort het box 2 regime bij. Nederland wenst zich daarnaast in te spannen om immigratie zo min mogelijk te laten belemmeren door fiscaliteit. Het maximumbedrag van de schuldsom (de drempel) wordt daarom gesteld op het op dat moment aanwezige schuldbedrag van de AB-houder (en de aan hem toegerekende schulden van bijvoorbeeld een partner). De ondergrens daarbij bedraagt de bekende € 500.000. Hiermee wordt dubbele belastingheffing vermeden.
Zetelverplaatsing vennootschap en excessief lenen
Wat zich ook voor kan doen, is dat de vennootschap de werkelijke leiding verplaatst. Ook dit wordt aangemerkt als een fictieve vervreemding waarvoor een conserverende aanslag wordt opgelegd. De grondslag voor deze conserverende aanslag kan echter worden verlaagd met het bedrag dat als negatief fictief regulier voordeel in aanmerking genomen zou zijn genomen, indien de AB-houder de leiding niet had verplaatst en de schulden had afgelost. Hiermee wordt dubbele belastingheffing voorkomen. Indien een buitenlands belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft in meerdere vennootschappen, vindt deze regel pas toepassing zodra de laatste van de vennootschappen Nederland verlaat. Dit is anders ingeval van fictieve vestiging, waarop wij in dit artikel niet nader ingaan. Een voorbeeld ter verduidelijking.
De AB-houder is buitenlands belastingplichtig. De vennootschap is in Nederland gevestigd. De AB-houder leent € 700.000, hetgeen meer is dan de startdrempel van € 500.000. Een bedrag van € 200.000 wordt als fictief regulier voordeel in aanmerking genomen en het maximumbedrag wordt verhoogd naar € 700.000.
De vennootschap verplaatst later de werkelijke leiding naar het buitenland. Dat is een fictieve vervreemding en dus volgt een conserverende aanslag. Stel dat de waarde van de aandelen € 1.000.000 bedraagt en de verkrijgingsprijs € 100.000, dan bedraagt het vervreemdingsvoordeel € 900.000.
Dit bedrag wordt nog verminderd met het bedrag met € 200.000, waardoor de conserverende aanslag wordt berekend over een box 2 inkomen van € 700.000.
Fiscaal jurist over excessief lenen en emigratie / immigratie
Emigratie en immigratie zijn fiscaal altijd ingewikkelde onderwerpen. Met name als er sprake is van bijvoorbeeld diverse pensioenpotjes, aandelen in vennootschappen en / of een eigen onderneming, kan er veel geregeld moeten worden. De invoering van het wetsvoorstel excessief lenen maakt dat er weer een onderwerp bijkomt waar bij emigratie – in dit geval van een aanmerkelijkbelanghouder – rekening mee moet worden gehouden. Dat geldt overigens ook bij immigratie of remigratie. Het geheel aan regels bij het verlaten en / of terugkeren naar Nederland wordt er daarmee niet eenvoudiger op.
Het verplaatsen van de zetel van een vennootschap kan eveneens gevolgen hebben. Accountants en adviseurs zullen daarom scherp moeten zijn op het beoordelen van schuldverhoudingen in grensoverschrijdende situaties, indien deze schulden zijn aangegaan ten behoeve van de DGA, zijn partner of een verbonden persoon. Aangezien deze personen niet altijd dezelfde achternaam hebben, is het van belang om steeds en tijdig de juiste vragen te stellen. Vragen hierover? Neem dan gerust eens contact op met één van de auteurs van dit artikel.
Fiscale vestigingsplaats vennootschap
Waar een vennootschap voor fiscale doeleinden gevestigd is, is van groot belang. Bij de toepassing van verdragsbepalingen wordt namelijk voor de toewijzing van het heffingsrecht vaak verwezen naar de ‘vestigingsplaats’ of de ‘woonplaats’. Het is belangrijk dat deze plaats dus zonder twijfel vaststaat. De vraag waar een bedrijf is gevestigd, lijkt op het eerste gezicht niet al te complex. Zo zal een besloten vennootschap naar Nederlands recht met een statutaire zetel te Enschede, toch in Nederland gevestigd zijn? Nee, dat hoeft helemaal niet zo te zijn. Onder de werking van belastingverdragen wordt vaak gekeken naar hele andere elementen, zoals de plaats waarvandaan de feitelijke leiding wordt uitgeoefend over de vennootschap. Dat kan een heel andere plaats zijn.
In eerste instantie kijkt u naar de Nederlandse wetgeving omtrent de vestigingsplaats. De vervolgstap is om te kijken of er een belastingverdrag is gesloten tussen Nederland en het land waar de vennootschap wellicht ook is gevestigd. Als er een belastingverdrag van toepassing is moet worden gekeken wat hierin is bepaald over de vestigingsplaats.
De Hoge Raad heeft zich in het kader van het verdrag tussen Nederland en Singapore uitgelaten over deze materie. De uitkomsten van dit arrest zijn in het algemeen voor het internationaal belastingrecht relevant. Redenen genoeg om het arrest dus te bespreken in een artikel.
Het wijzigen van de rechtsvorm na zetelverplaatsing wil nog niet zeggen dat de oprichtingsfictie niet meer van toepassing is, dit volgt mede uit een besluit uit 2018.
Vestigingsplaats vennootschap op Curaçao in Nederland
De inspecteur legt navorderingsaanslagen en boeten op aan een vennootschap uit Curaçao. De vennootschap maakt onderdeel uit van een belastingbesparende structuur omdat de werkelijke leiding in Nederland is gelegen. De Rechtbank Gelderland gaat er op 12 december 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:10888) eens goed voor zitten en is het met de inspecteur eens. De informatie wordt uiteindelijk verkregen bij belastingplichtige en via een derdenonderzoek bij de accountant en de belastingadviseur. Ook is er door de inspecteur informatie van de FIOD ontvangen. De kern discussie is "waar worden de feitelijke beslissingen genomen?" Volgens de rechtbank en de inspecteur is dit Nederland, hiertoe wordt ondermeer verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 19 januari 2018 ECLI:NL:HR:2018:47.
Fiscale vestigingsplaats naar Nederlands recht
De algemene regels omtrent een vestigingsplaats zijn in de Nederlandse wetgeving opgenomen in artikel 4 AWR (wordt naar omstandigheden beoordeeld). Deze extreem open norm wordt ingevuld in besluiten en in de rechtspraak. Basis is de plaats waar feitelijk leiding wordt gegeven aan een vennootschap, zie Hoge Raad d.d. 23 september 1992 (ECLI:NL:HR:1992:ZC5105). Over dit onderwerp zijn vele uitspraken gepubliceerd hierin is bepaald dat wordt gekeken naar een adres, de aandeelhoudersvergadering, de plaats waar beslissingen worden genomen, plaats waar de administratie wordt gevoerd, etc. Deze worden dan ook weer onderling gewogen. Feitelijk gaat het erom waar de daadwerkelijke (feitelijke) beslissingen worden genomen. De belastingdienst moet aannemelijk maken dat een buitenlands belastingplichtige in Nederland is gevestigd. Als een belastingplichtige van mening is dat hij/zij niet in Nederland is gevestigd moet hij/zij dit bewijzen.
Om het complex te maken kent de Nederlandse wetgeving ook nog specifieke bepalingen, zoals de wet op de Vennootschapsbelasting en dividendbelasting, dit zijn ficties. Dus als een rechtspersoon niet in Nederland is gevestigd kan dit toch weer anders liggen. De belangrijkste ficties zijn:
- Dividendbelasting: naar Nederlands recht opgericht dan is de rechtspersoon ook in Nederland gevestigd
- Vennootschapsbelasting: naar Nederlands recht opgericht dan is de rechtspersoon ook in Nederland gevestigd
Bepalen fiscale vestigingsplaats van een lichaam
Bij het bepalen van de feitelijke leiding wordt gekeken naar:
- statutaire zetel;
- woonplaats merendeel aandeelhouders
- bestuurderswoonplaats;
- land van oprichting van de BV
- waar is het hoofdkantoor gevestigd
- woonplaats bestuur en commissarissen
- land waar de boekhoudering wordt opgesteld
- land waar de feitelijke bedrijfsuitoefening heeft plaatsgevonden
- land waarin de algemene vergadering van aandeelhouders;
- land waarin het vermogen zich bevindt;
Vestigingsplaats van een rechtspersoon (lichaam) op grond van belastingverdrag
Nederland heeft met ruim 100 landen een belastingverdrag gesloten, meestal is het OESO modelverdrag de basis voor dergelijke verdragen, edoch elk verdrag is anders (sommige belastingverdragen zijn ouder). Soms zien beide landen een lichaam als inwoner, dan is sprake van zogenaamde dual resident. Een belastingverdrag bevat in dergelijke situaties een zogenaamde tie breaker bepaling, dit was (tot 2017) de plek van de feitelijke/werkelijke leiding (de eindverantwoordelijke voor kernbeslissingen en waar instructies voor de vennootschap/ diens werknemers wordt genomen, zie Hoge Raad 19 januari 2018 ECLI:NL:HR:2018:48). Na dit moment geldt een zogenaamde MAP bepaling (onderling overleg). Veel Nederlandse belastingverdragen zijn ouder dan 2017, derhalve kennen deze (nog) geen MAP bepaling. Ook als er geen MAP bepaling is opgenomen wordt deze vaak toegepast op oudere belastingverdragen (MLI instrument, Multilateraal Instrument).
Discussie over de vestigingsplaats ontstaat na adreswijziging
Belanghebbende is een naar Nederlands recht opgerichte bv en tot 2006 doen zich geen vestigingsplaatsproblemen voor. Echter, eind 2006 wijzigt het adres van belanghebbende naar een adres te Singapore. Gelijktijdig wordt een natuurlijk persoon aangesteld als statutair bestuurder. Deze aanstelling vindt plaats namens een Singaporees trustkantoor. Het kantoor zelf wordt de managing director. Vanaf dat moment wordt de vennootschap als inwoner van Singapore in de belastingheffing betrokken.
De aandeelhouder van Belanghebbende, voor het gemak noemen we die Henk, is in 2006 ook vertrokken uit Nederland. Henk is naar Sint-Maarten geëmigreerd. Sindsdien meent hij in Nederland buitenlands belastingplichtig te zijn. Belanghebbende wordt in de periode 2006 – 2010 begeleid door twee belastingadvieskantoren (gevestigd te Nederland, met een vestiging op de Antillen). Dit kantoor adviseert Henk ook in privé. De belastingadvieskantoren leveren – zoals verderop ook blijkt – bovengemiddeld veel werkzaamheden en inspanningen. De zoon van Henk is vanuit Nederland ook betrokken bij Belanghebbende.
In 2010 wordt flink dividend uitgekeerd door Belanghebbende aan Henk. Steeds wordt aangifte dividendbelasting gedaan en aangegeven dat niets is verschuldigd. Het lijkt erop dat dat ook het doel is geweest van het ‘schuiven’ met de vestigingsplaats: het vermijden van belasting. De inspecteur is het met de ingediende aangiften oneens en heft dividendbelasting na. Over die aanslagen is het geschil ontstaan.
Er liggen een aantal geschilpunten voor. Wij richten ons in dit artikel op het geschil over de vestigingsplaats van de vennootschap. De rechtbank Den Haag gaf aan dat het erom gaat waar de vennootschap geleid en bestuurd wordt. Over de uitleg van dit begrip ontstaat een geschil.
Eerdere uitspraken inzake vestingsplaats
In 2004 deed de Hoge Raad een uitspraak inzake een Antilliaanse NV (gevestigd op Curacao) die deelnam in andere bedrijven. De bedrijven kopen, verkopen en exploiteren schepen. De inspecteur stelt dat de NV in Nederland is gevestigd, hoewel het bestuur op Curacao was gevestigd. De belangrijkste reden was dat de "feitelijke leiding" in Nederland is gevestigd. Het Gerechtshof was het hier niet mee eens omdat de bestuur ook de werkelijke leiding was (arrest Hoge Raad 1992). De bewijslast ligt bij de inspecteur, hij moet aannemelijk maken dat ook anderen feitelijk leiding geven binnen het concern. De Hoge Raad denkt hetzelfde als het gerechtshof.
In 2018 kroop de Hoge Raad ook weer in de pen over een vestigingsplaats van een rechtspersoon. In deze casus ging de feitelijke leiding over aan een trustkantoor, de aandeelhouder zou dit trustkantoor hebben aangestuurd waardoor wordt besloten dat de "echte" leiding nog in Nederland zat. De vraag was "waar worden de kernbeslissingen feitelijk genomen". De beslissingen van het trustkantoor worden op verzoek van de Nederland wonende aandeelhouder genomen, hiermee is het trustkantoor uitvoerend van aard.
Juridische kader vestigingsplaats vennootschap en leiding
In het nationale recht kennen we een bepaling die inhoudt dat een bv, opgericht naar Nederlands recht, steeds wordt geacht in Nederland gevestigd te zijn. Deze fictiebepaling kan internationaal uiteraard voor wrijving zorgen op het moment dat een andere staat – zoals Singapore – meent dat een vennootschap juist daar gevestigd is. Dat doet zich hier ook voor; Singapore ziet de vennootschap als inwoner en wil de vennootschap in de belastingheffing betrekken. Zo komt het dat twee landen van mening zijn dat de vennootschap daar is gevestigd.
Het belastingverdrag tussen Nederland en Singapore moet dan uitsluitsel bieden. In het verdrag is opgenomen dat voor de belastingheffing de vestigingsplaats dan wordt gesteld op de plaats waarin de vennootschap wordt geleid en bestuurd. De meeste belastingverdragen zijn gebaseerd op het modelverdrag van de OESO. In dat verdrag was, op het moment dat Nederland en Singapore afspraken maakten, opgenomen dat de vestigingsplaats wordt gesteld op de plaats van het effective management. Nederland en Singapore hebben deze bepaling als basis gebruikt, doch in de Engelse versie van het verdrag is opgenomen dat het gaat om: managed and controlled.
In 2018 sprak de Hoge Raad zich al eens uit over de term geleid en bestuurd. Ook toen in het kader van het verdrag tussen Nederland en Singapore. Hij gaf toen aan dat het bij deze term gaat om het bepalen van de plaats waar de kernbeslissingen met betrekking tot de activiteiten van de vennootschap worden genomen, waar de eindverantwoordelijkheid voor de beslissingen wordt gedragen en van waaruit in voorkomende gevallen instructie wordt gegeven aan werkzame personen. Wie de dagelijkse leiding bij de uitvoering heeft, is voor het bepalen van de plaats van de leiding van een lichaam niet relevant. Deze rechtspraak sluit aan bij eerdere rechtspraak. Feitelijk komt het erop neer dat het tussenplaatsen van een stroman geen gevolg heeft. Immers: die gaan niet over de kernbeslissingen en dragen veelal niet de eindverantwoordelijkheid.
Advocaat-Generaal over vestigingsplaats vennootschap
Op 1 december 2020 is de conclusie van de Advocaat-Generaal in deze zaak gepubliceerd. Hij gaat op een aantal elementen in. Over de bewijslastverdeling schrijft hij het volgende. De inspecteur diende te bewijzen dat de belanghebbende (vooral) vanuit Nederland werd bestuurd, althans dat dient hij aannemelijk te maken. Het hof kwam tot het oordeel dat de inspecteur daarin was geslaagd. Dat betekent dat stap 2 is het beoordelen van het tegenbewijs dat de Belanghebbende heeft geleverd. Daarbij weegt ook mee dat het de belanghebbende is die de ‘ingewikkelde’ situatie in het leven heeft geroepen. Dit heeft het hof eveneens gedaan, alvorens tot de conclusie te komen dat Belanghebbende er niet in geslaagd is om onaannemelijk te maken dat de leiding in Nederland lag.
De kernvraag waar het om steeds om gaat is, of een bepaalde beslissing is genomen als bestuurder, als aandeelhouder of als uitvoerder. Om te kunnen spreken van het geven van leiding / het managen van een vennootschap, dient sprake te zijn van een bestuurders- of uitvoerdersbeslissing. Dat is ook de reden dat het hof tot het oordeel is gekomen dat de vestigingsplaats Nederland is. Henk bevond zich weliswaar op Sint-Maarten, maar Henk heeft onvoldoende bewezen dat hij ook belangrijke beslissingen als bestuurder nam. Voor zover Henk beslissingen heeft aangedragen die ondubbelzinnig te kwalificeren zijn als bestuurdersbeslissingen, geldt dat Henk niet inzichtelijk heeft gemaakt vanaf welke locatie hij die beslissingen heeft genomen. De Advocaat-Generaal merkt op dat de juiste rechtsregels zijn toegepast en dat de toetsing op zichzelf bezien sterk feitelijk van aard is. De Hoge Raad past dan terughoudendheid en ingrijpen geschiedt slechts als een oordeel ongemotiveerd / onbegrijpelijk is. Dat doet zich volgens de Advocaat-Generaal hier niet voor.
Een andere bijzonderheid in deze zaak is gelegen in de rol van de belastingadviseur van Henk en Belanghebbende. Het gerechtshof oordeelde dat de leiding bij het belastingadvieskantoor te Nederland en de zoon van Henk liggen. Belanghebbende meent echter dat het belastingadvieskantoor geen ondernemingsbeslissingen neemt en daarom niet ‘meetelt’ bij het bepalen van de vestigingsplaats van de vennootschap. Het hof kwam onder meer tot haar oordeel door te wijzen op de betrokkenheid van het belastingadvieskantoor bij het overdragen van certificaten, aangaan van aandeelhoudersleningen en het instellen van vermogensbeheer. De Advocaat-Generaal kijkt kritisch naar het bewijs, maar acht deze uitkomst acceptabel. Dat een belastingadvieskantoor onderdeel uitmaakt van de leiding van de vennootschap is ongebruikelijk, maar niet minder ongebruikelijk dan dat een relatief goedkoop Singaporees kantoor de leiding uit zou oefenen.
De Hoge Raad heeft op 2 juli 2021 uitspraak gedaan in deze zaak.
De Hoge Raad over de vestigingsplaats van de vennootschap
De Hoge Raad herhaalt eerst wat de Belanghebbende aandraagt: het gerechtshof heeft de termen geleid en bestuurd verkeerd uitgelegd. Dit punt haalt de Hoge Raad echter onderuit. Met ‘geleid en bestuurd’ wordt hetzelfde bedoeld als met ‘feitelijke leiding’. Deze – op het oog kleine – uitspraak van de Hoge Raad schept voor de praktijk weer de nodige duidelijkheid.
De Hoge Raad gaat ook in op de rol van de belastingadviseur. Belanghebbende voert steeds aan dat een adviseur geen ondernemingsbeslissingen kan nemen voor zijn klanten. Dus kan de vestigingsplaats van de adviseur geen invloed hebben op de fiscale vestigingsplaats. Ook dit punt houdt geen stand. De Advocaat-Generaal verwoordde dit al pakkend door te stellen: dat iets onwaarschijnlijk is, wil niet zeggen dat het niet gebeurt.
Correct is dat het aan de inspecteur is om aannemelijk te maken dat Belanghebbende fiscaal gevestigd is te Nederland. Wat Belanghebbende in deze situatie vervolgens ook niet helpt, is dat Henk niet meewerkt aan het verlenen van voldoende inzicht in stukken die mogelijk tot een ander oordeel kunnen leiden.
Belanghebbende trekt dus aan het kortste eind.
Trailing tax in Nederland
De laatste tijd wordt er veel gesproken over een extra fictie, de trailing tax. Een trailing tax is een extra verlengde belastingplicht die aan een emigrant wordt opgelegd om hem of haar nog enkele jaren na vertrek als binnenlands belastingplichtige aan te merken. Duitsland, Finland, Spanje, Portugal en Frankrijk kennen al een dergelijke belasting. Als Nederland een trailing tax wil toepassen moet er een wijziging worden aangebracht in het inwonersbegrip maar ook in belastingverdragen (Nederland heeft er ruim 100 gesloten met diverse landen) (artikel FD 4 december 2024, met inlog). Dit is niet eenvoudig, Finland heeft het in een paar belastingverdragen opgenomen maar kan deze ook regelmatig niet afdwingen (overeenkomen) met andere landen. Het effect zal de komende jaren dus beperkt zijn en tevens lang gaan duren. Het zou sneller kunnen als landen gezamenlijk een dergelijke belasting invoeren, dit dus in OESO verband. Op dit moment is nog niet bekend hoeveel mensen er daadwerkelijk vanuit fiscaal oogpunt naar aantrekkelijke landen emigreren, dit zal de komende jaren worden onderzocht, zie kamerbrief d.d. 4 december 2024 en beslisnota op 21 november 2024.
Dubbele verhuizing via drielanden constructie werkt niet
Een kleine 60 rijke Nederlanders hebben op creatieve wijze gebruik gemaakt van een zogenaamde drielandenpunt constructie. De rijken emigreerden naar Luxemburg of Zwitserland en hun bedrijf (BV) verplaatsen de zetel naar Malta (of Luxemburg). De Belastingdienst ging hier voorliggen via een projectmatige aanpak (sinds 2015) en kwam met diverse aanslagen (110 miljoen aan dividendbelasting). In deze stevige aanpak kreeg de Belastingdienst in veel zaken gelijk. Via deze route was de Vennootschapsbelasting beperkt en de dividendbelasting vrijwel nihil. Als de advisering zorgvuldig is uitgevoerd en ook wordt opgevolgd kan er veel belasting worden bespaard. De praktijk is echter anders, veel rijken laten de uitvoering rommelig verlopen (na enkele jaren). De (trust) directie heeft feitelijk weinig te vertellen en van een "echte" emigratie is ook niet altijd sprake. Gelukkig worden er zelden boetes opgelegd.
Sinds 2015 is de constructie niet meer echt interessant (door wetswijziging). Tot dat moment werden conserverende aanslagen na 10 jaar kwijtgescholden, sindsdien vervalt deze termijn en blijft de conserverende aanslag - zonder termijn - gewoon bestaan. De huidige exitheffing wordt vlak voor emigratie opgelegd en bij een emigratie binnen de EU nog niet direct geïnd (artikel 25 lid 8 invorderingswet). Inning zal plaatsvinden bij een dividenduitkering, overlijden, vervreemding of het liquideren van de vennootschap. Nederland heeft zich met deze regeling permanent het heffingsrecht over het aanmerkelijk belang van de Nederlandse DGA toegeëigend, zelfs als deze op enig moment al vele jaren buiten Nederland woont.
Vorenstaande is de lezen in een artikel van het FD op 31 januari 2025 (inlog). Voorbeelden voor procedures zijn Gerechtshof Den Haag d.d. 24 juni 2020 EC:I:NL:GHDHA:2020:1044 (en later Hoge Raad d.d. 1 juli 2022 ECLI:NL:HR:2022:976), Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 6 juni 2023 (ECLI:NL:GHSHE:2023:2393) en Gerechtshof Amsterdam d.d. 16 februari 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:808).
Fiscaal jurist over woon- en vestigingsplaatsonderzoeken
Discussies over de woonplaats van individuen en / of de vestigingsplaats van vennootschappen zijn aan de orde van de dag. Het is van belang om daarbij steeds te kijken naar alle feiten en omstandigheden. Waar vroeger ‘eenvoudigerwijs’ kon worden gewezen naar de locatie waar de schoorstenen rookten, is dat tegenwoordig anders. Kapitaal is steeds mobieler geworden en ook fysieke aanwezigheid is in tijden van digitalisering geen doorslaggevende factor meer. Soms kan een belastingadviseur - die beslissingen neemt - zelf zorgen voor een bestuurder in een land (Hoge Raad 2 juli 2021)
De overduidelijke opzet om de holding buiten Nederland te houden en zo dividendbelasting te voorkomen, mislukt onder andere door lacunes in de uitvoering. Dit is geen zeldzaamheid, maar komt regelmatig voor. Het is op papier eenvoudiger om een banksaldo te verplaatsen dan een rij schoorstenen, doch indien uw bedrijf Nederland binnenkomt of verlaat, is het toch verstandig een adviseur in de arm te nemen.
Niet zelden loopt zo’n discussie met de Belastingdienst over de woonplaats of de vestigingsplaats namelijk uit op een geschil. De uitkomst van dit geschil is voor de belastingheffing van zeer groot belang. Laat u daarom altijd bijstaan door een deskundige. Neem gerust eens contact op met één van onderstaande auteurs voor een vrijblijvende kennismaking.
Bron vestigigingsplaats vennootschap
Hoge Raad d.d. 23 september 1992 ECLI:NL:HR:1992:ZC5105
Hoge Raad d.d. 17 december 2004 ECLI:NL:HR:2004:AP5230
Hoge Raad d.d. 19 januari 2018 ECLI:NL:HR:2018:48
Hoge Raad d.d. 19 januari 2018 ECLI:NL:HR:2018:47
Hoge Raad d.d. 2 juli 2021 ECLI:NL:HR:2021:1044
Advocaat-Generaal d.d. 1 december 2020 ECLI:NL:PHR:2020:1150
Vaste inrichting bij verhuur van onroerend goed
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft een vraag beantwoord van een Oostenrijkse rechter over het vaste inrichting-begrip voor de omzetbelasting (btw). De vraag was of het begrip vaste inrichting zo moet worden uitgelegd, dat er altijd sprake moet zijn van de inzet van personeel en technische middelen en er dus noodzakelijkerwijs eigen personeel van de dienstverlener in de inrichting aanwezig moet zijn. Het ging in deze zaak om de belastbare verhuur van onroerend goed, die enkel bestond uit het gedoogd gebruik. De vraag is of het onroerend goed ook zonder inzet van personeel als vaste inrichting kan worden gezien.
In dit artikel beschrijven wij het antwoord van het Hof van Justitie en gaan wij kort in op het vaste inrichting-begrip in de btw.
Het antwoord van het Hof van Justitie in het Titanium-arrest
Een verhuurd onroerend goed vormt geen vaste inrichting wanneer de eigenaar van het onroerend goed niet over eigen personeel beschikt om de dienst in verband met de verhuur te verrichten.
Het belang van de vaste inrichting voor de btw
De btw kent een eigen vaste inrichting-begrip. Dit begrip is in de nationale wetgeving niet nader gedefinieerd. Deze wetgeving is gebaseerd op de btw-richtlijn. In de btw-richtlijn zijn de volgende twee hoofdregels opgenomen:
- De plaats van een dienst, verricht voor een btw-belastingplichtige, is de plaats waar de belastingplichtige (de afnemer) de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft. Indien de diensten worden verricht voor een vaste inrichting van de afnemer die zich elders bevindt, dan geldt de plaats van de vaste inrichting als plaats van dienst;
- De plaats van dienst, verricht voor een niet-btw-belastingplichtige, is de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft. Indien de diensten worden verricht vanuit een vaste inrichting van de dienstverrichter, dan geldt de plaats van de vaste inrichting.
Op deze hoofdregel bestaan de nodige uitzonderingen. Eén van deze uitzonderingen ziet op onroerend goed. De plaats van een dienst die betrekking heeft op onroerend goed is de plaats waar het onroerend goed is gelegen. Wat precies een dienst is die betrekking heeft op onroerend goed, is nader uitgewerkt in de richtlijn aan de hand van enkele voorbeelden, zoals makelaarsdiensten en diensten van experts.
De zetel van bedrijfsuitoefening is de plaats waar de centrale bestuurstaken van het bedrijf worden uitgeoefend. Om als die plaats te worden aangemerkt, is het enkel hebben van een postadres ontoereikend. In twijfelachtige situaties kan worden aangesloten bij de plaats waar de voornaamste beslissingen betreffende de algemene leiding van het bedrijf worden genomen.
Het vaste inrichting-begrip in de btw-richtlijn
Zoals aangegeven is van het begrip vaste inrichting geen sluitende definitie gegeven. Wel bevatten de btw-richtlijn en de onderliggende btw-uitvoeringsverordening aanknopingspunten. In de uitvoeringsverordening is opgenomen dat een vaste inrichting iedere andere inrichting dan de zetel van bedrijfsuitoefening is, die gekenmerkt wordt door een voldoende mate van duurzaamheid en een – wat personeel en technische middelen betreft – geschikte structuur om de voor haar eigen behoeften verrichte diensten te kunnen afnemen en ter plaatse te kunnen gebruiken. Dit vaste inrichting-begrip geldt alleen ingeval de eerstgenoemde hoofdregel (de afnemer is btw-belastingplichtig) van toepassing is.
In alle andere gevallen geldt een afwijkend vaste inrichting-begrip. Gekeken moet dan worden naar iedere andere inrichting dan de zetel van bedrijfsuitoefening, die wordt gekenmerkt door een voldoende mate van duurzaamheid en een – wat personeel en technische middelen betreft – geschikte structuur om de door haar te verrichten diensten te kunnen verstrekken. Dit begrip geldt in de volgende gevallen:
- De afnemer is een niet-btw-belastingplichtige (de tweede hoofdregel van hiervoor);
- Onder voorwaarden bij kortdurende verhuur van een pleziervaartuig aan een niet-btw-belastingplichtige;
- Onder voorwaarden en onder oud recht (tot en met 31 december 2014) bij langs de elektronische weg verrichte diensten, verricht voor een niet-btw-belastingplichtige;
- Bij toepassing van verleggingsregelingen.
Het enkel hebben van een btw-identificatienummer is onvoldoende om een vaste inrichting te vormen.
Omstandigheden in het Titanium-arrest
Titanium is een vennootschap die zijn zetel van bedrijfsuitoefening op Jersey heeft. Jersey is een eiland bij de Franse kust. Titanium houdt zich bezig met onroerend goed, vermogensbeheer en wonen / huisvesting. Het bedrijf verhuurt met toepassing van btw een onroerend goed dat gelegen is te Oostenrijk. Het onroerend goed wordt verhuurd aan Oostenrijkse ondernemers. Het betreft dus een btw-belaste dienst aan een btw-belastingplichtige.
Dit zijn de enige activiteiten van Titanium in Oostenrijk. Het bedrijf besluit om een Oostenrijkse vastgoedbeheerder te machtigen om als tussenpersoon op te treden. Deze tussenpersoon brengt de huursommen en exploitatiekosten in rekening, houdt het handelsregister bij en bereidt de btw-aangiften voor. De vastgoedbeheerder verricht deze werkzaamheden (diensten) in ruimten die niet toebehoren aan Titanium.
De beslissingsbevoegdheid om huurovereenkomst aan te gaan lag onverkort bij Titanium. Dat geldt ook voor het verrichten van investeringen en reparaties en het regelen van financiering. Titanium had in feite nog steeds alles te zeggen.
Het geschil in het Titanium-arrest
Titanium meent geen btw verschuldigd te zijn over de verhuur van het onroerend goed. Er is namelijk geen sprake van een vaste inrichting in Oostenrijk. De Oostenrijkse belastingdienst is een ander oordeel toegedaan en meent dat een verhuurd onroerend goed een vaste inrichting vormt. Als gevolg daarvan is wel btw verschuldigd. Titanium verzet zich tegen dit standpunt en meent dat het verhuurde gebouw niet kan worden beschouwd als vaste inrichting, aangezien zij daar geen personeel inzet.
Hof van Justitie over verhuurd onroerend goed als vaste inrichting
Het Hof vat eerst de zaak kernachtig samen: het gaat erom of een in een lidstaat verhuurd onroerend goed een vaste inrichting kan vormen wanneer de eigenaar van het onroerend goed niet over eigen personeel beschikt om de diensten in verband met de verhuur te verrichten.
Als uitgangspunt geldt dat een vaste inrichting een zekere bestendigheid moet vertonen. Deze bestendigheid volgt uit het duurzaam over personeel en technische middelen beschikken die voor bepaalde diensten noodzakelijk zijn. Er moet dus een voldoende mate van duurzaamheid zijn en een – wat personeel en technische middelen betreft – geschikte structuur om zelfstandige verrichting van de betrokken diensten mogelijk te maken. Een structuur zonder eigen personeel kan niet onder het begrip vaste inrichting vallen. Het voorgaande volgt reeds uit twee eerdere arresten van het Hof: Planzer Luxembourg en ARO Lease.
In deze casus heeft Titanium geen eigen personeel. De personen die de beheerstaken verrichten zijn contractueel gemachtigd. Daarbij heeft Titanium zich alle belangrijke beslissingen over de verhuur voorbehouden. Een gebouw waarvoor geen personeel ter beschikking is, voldoet niet aan de geformuleerde criteria om als vaste inrichting te worden aangemerkt.
Gevolgen Titanium-arrest
Uit de beantwoording van deze vraag komt naar voren dat eigen personeel een vereiste is, ook als de activiteit waar het om gaat – zoals verhuur van onroerend goed – slechts beperkte mankracht vereist. Het Hof lijkt er waarde aan te hechten om op te merken dat de vastgoedbeheerder niet gemachtigd is om belangrijke beslissingen te maken. De vraag is of dit arrest anders uit had kunnen vallen, indien alle belangrijke beslissingen eveneens uit handen waren gegeven. Daar zal in de toekomst ongetwijfeld nog duidelijkheid over komen.
Voor de praktijk is dit arrest slechts van belang voor B2B-situaties, omdat de plaats van dienst gerelateerd aan vastgoed het land is waar het vastgoed is gelegen. Als een btw-ondernemer de afnemer is, wordt de af te dragen btw meestal verlegd naar de afnemer. Zonder verleggingsregeling, zoals bij het verlenen van diensten aan niet-ondernemers, moet de dienstverlener zich ook zonder vaste inrichting melden in het land waar het vastgoed is gelegen en aldaar omzetbelasting afdragen.
Vaste inrichting btw en advisering
Het vaste inrichting-begrip voor de btw is met name in de jurisprudentie uitgewerkt. Indien u veel zaken in het buitenland doet en daar personeel en technische middelen heeft om uw diensten te verrichten, kan het raadzaam zijn te onderzoeken of u een vaste inrichting aldaar heeft of anderszins registratieplicht voor de omzetbelasting. Dit kan voor de btw-heffing grote gevolgen hebben. Neem gerust eens vrijblijvend contact op met één van onderstaande adviseurs om over uw situatie te sparren.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft een vraag beantwoord van een Oostenrijkse rechter over het vaste inrichting-begrip voor de omzetbelasting (btw).
Fiscale woonplaats volgens Belastingdienst
Waar iemand woont is vaak een discussie met de Belastingdienst. De belangen zijn groot en regelmatig adviseren wij belastingplichtigen bij dergelijke geschillen. De inspecteur stelt al snel dat iemand in Nederland woont. Uit interne informatie van de Belastingdienst volgt ook de reden, de Belastingdienst kijkt enkel (met een loep) naar de feiten in Nederland en zoekt hier haar gelijk.
Woonplaatsonderzoeken door de belastingdienst
Bij de belastingdienst zijn er interne instructies voor een woonplaatsonderzoek, deze kunt u hier raadplegen. Deze instructie gaat over de woonplaats van een natuurlijk persoon. Uit deze interne instructie van de belastingdienst valt op te maken dat er met name wordt gekeken naar
- informatie op het internet en sociale media (ook via AI) via speciale afdeling (OSINT), deze werkt volgens de leidraad juridisch kader internetonderzoek.
- medische gegevens
- informatie van derden en
- informatie van buitenlandse autoriteiten.
Vragenbrief belastingdienst over woonplaats ontvangen. Wat moet ik doen?
De start van het onderzoek is veelal een vragenbrief aan de belastingplichtige zelf. Vooraf is het fiscale belang (meestal schenkbelasting, erfbelasting of inkomstenbelasting) al in beeld gebracht. Er wordt informatie in beeld gebracht over:
- het feitelijk verblijf in Nederland
- de economische binding met Nederland
- de sociale binding met Nederland
- de aanwezigheid van duurzame woongelegenheid in Nederland
Bovenstaande volgt uit het rapport. Bijzonder hierbij is dat er kennelijk geen informatie over het buitenland in beeld wordt gebracht. Als er enkel naar de situatie in Nederland wordt gekeken krijgt de belastingdienst nooit een volledig beeld van alle feiten. Kennelijk wordt er enkel een onderzoek gedaan met als doen "wonen in Nederland". Dit lijkt ons niet de juiste invalshoek. Ontvangt u een vragenbrief laat u dan vanaf het eerste moment begeleiden door een specialist.
WOB-verzoek fiscale woonplaats
Hoe bepaalt de Belastingdienst eigenlijk waar u woont? Is dit redelijk? In dit artikel een overzicht. Er is ook interne informatie van de Belastingdienst bekend zodat we weten hoe er intern wordt beoordeeld. Dit WOB-verzoek is door ons kantoor ingediend.
Fiscale woonplaats met woning in Nederland en in buitenland
Waar iemand woont is een feitelijke vraag. De inwonersvraag moet op grond van artikel 4 lid 1 AWR worden beoordeeld (feiten en omstandigheden). Dit is maatwerk en kan per situatie en rechter dan ook verschillen. Als u niet het risico wilt lopen dat u in Nederland woont is het van belang dat uw persoonlijke en economische belangen met Nederland beperkt zijn. Dus bij voorkeur geen beleggingen, activiteiten of woningen in Nederland. Vaak stelt een belastingplichtige de vraag "mag ik dan mijn woning in Nederland niet behouden?" Dit is een lastig te beantwoorden vraag. Uit onderstaande volgt dat de rechters hier kritisch naar kijken.
In situaties waarbij iemand nog een eigen woning in Nederland heeft komen wij soms bijzondere beoordelen tegen (uitspraak Gerechtshof Amsterdam 2024). Als uitgangspunt zou de materiële werkelijkheid de doorslag moeten geven. De rechter stelt vast of een persoon een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft. Hierbij is de band met de buitenland - in eerste instantie - minder van belang (voor de belastingdienst). Sterke banden met het buitenland zeggen nog niet direct iets over het inwonerschap in Nederland. Dit komt pas aan de orde bij de zogenaamde verdragsinwonervraag. Als een inwoner een duurzame band met Nederland heeft die niet wordt onderbroken zien we vaak discussie ontstaan over de fiscale woonplaats. Wat speelde in de hiervoor genoemde casus:
- De persoon heeft een eigen woning in Nederland die gedurende 2 jaar wordt verhuurd.
- Zijn vakantiewoning in Nederland wordt af en toe verhuurd.
- Belanghebbende heeft het recht van gebruik van de eigen woning gedurende ruim 60 dagen per jaar, hiervan maakt hij ook gebruik.
- Belanghebbende was dus soms in Nederland en was ook betrokken bij de verbouwing van de vakantiewoning in Nederland.
- Belanghebbende heeft pensioen en lijfrente uitkeringen uit Nederland
- De belangrijkste bezittingen van belanghebbende liggen of zijn ondergebracht in Nederland (economische activiteit)
- Belanghebbende heeft een appartement in Spanje en een eigen woning in Duitsland.
Omdat er woningen en duurzame betrekkingen zijn met Nederland en Duitsland moet via de tiebreaker regel voor het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland worden bepaald waar hij nu echt fiscaal woonachtig is. Centraal hierbij staat met welk land de persoonlijke en economische betrekkingen het sterkst zijn (middelpunt levensbelangen). De rechtbank en het gerechtshof vinden dat deze met Nederland het sterkst zijn.
Fiscale woonplaats ondernemer België
Henk is Nederlander en hij stelt dat hij medio 2015 is geëmigreerd naar België. De Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 25 februari 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:1232) is het met de inspecteur eens dat Henk (in 2017 en 2018) nog gewoon in Nederland woont. De duurzame band van persoonlijke aard is met Nederland het grootst". De belangrijkste redenen zijn:
- De nieuwe partner van Henk woont in Nederland
- De kinderen van Henk wonen nog in Nederland
- Henk heeft een woning in Nederland en
- Henk is eigenaar van meerdere Nederlandse woningen in Nederland
- Henk is eigenaar van meerdere ondernemingen in Nederland.
Het box 2 inkomen wordt met ruim € 4.400.000 verhoogd en de conserverende aanslag komt te vervallen. Met alle gezeur omtrent (a) misbruik van recht (b) niet verstrekken relevante stukken (c) stukken met verschoningsrecht, doet de rechter niks.
Fiscale woonplaats werknemer Brunei
Piet is Nederlander en werkt voor cypriotische werkgever in Brunei (periode 2008-2011). Piet is van mening dat hij in 2009 in Brunei woont. Via een derdenonderzoek komt de belastingdienst Piet op het spoor, in 2011 volgt een navorderingsaanslag inkomstenbelasting (met vergrijpboete). Deze zaak was redelijk kansloos omdat
- Piet in Nederland bleef ingeschreven (deel van het jaar),
- hij in Nederland een hoofdverblijf had dat hem ter beschikking stond,
- hij ook nog in Nederland werkte voor Nederlandse werkgever,
- het in Nederland verzekerd was voor de zorgverzekeringen en
- hij in Brunei een woning huurde (tijdelijk) voor een korte periode
De Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 11 september 2023 (ECLI:NL:RBZWB:2023:6396) en het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 26 februari 2025 (ECLI:NL:GHSHE:2025:544) . De aanslag blijft in stand (dus woonplaats Nederland) en de vergrijpboete wordt vernietigd. Ook is geen sprake van resultaat uit overige werkzaamheden en/of winst uit onderneming.
Omtrent de boete (ruim € 50.000) stelt de inspecteur eerst dat Piet een "boefje is en listig gedrag heeft vertoodn", later wordt dit aangepast in "voorwaardelijke opzet" en vlak voor zitting (10 dagen stuk) verder aangepast in "grove schuld". De rechtbank acht opzet niet bewezen, immers geen sprake van " willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaarden om te weinig belasting te betalen". Het beroep op grove schuld (vlak voor zitting) is te laat.
Fiscale woonplaats directeur CFO van bedrijf
Henk werkt sinds 2012 voor een internationaal bedrijf en woont in Monaco. Het hoofdkantoor wordt in 2016 verplaatst naar Nederland. Henk is van mening dat hij sinds april 2016 in Nederland woont (en dus niet eerder). Volgens de Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 21 april 2022 (ECLI:NL:RBZWB:2022:2156) woonde Henk in 2016 niet in Nederland. Het Gerechtshof 's Hertogenbosch kwam op 10 juli 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:2230) tot een ander oordeel, Henk woonde in geheel 2016 in Nederland omdat hij ook voor de verhuizing naar Nederland een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland zou hebben. De advocaat Generaal (Parket Hoge Raad) geeft op 25 april 2025 een uitgebreide toelichting op het woonplaatsbegrip en het open karakter van artikel 4 AWR (ECLI:NL:PHR:2025:500) . Bij discussie over de woonplaats en een mogelijke woonplaats in 2 landen moet de tiebreaker regel uitleg geven. Er wordt in deze casus met name gekeken naar de duurzame band met Nederland (Zie ook Hoge Raad 9 juni 2023 ECLI:NL:HR:2023:873). Al met al zal de fiscale woonplaats discussie altijd een feitelijke beoordeling zijn, deskundig advies (en hierna handelen en leven) is essentieel.
Beoordeling woonplaats door Belastingdienst
De Belastingdienst kijkt bij de beoordeling waar iemand woont enkel naar de Nederlandse omstandigheden. Hiermee wordt een te beperkte en onjuiste uitleg gegeven aan de wet (artikel 4 AWR). De drempel voor de feitenbeoordeling wordt daardoor beperkt uitgelegd. In een procedure bij de Rechtbank in 2020 wordt de inspecteur over zijn vingers getikt. De weergegeven omstandigheden zijn onvoldoende om te concluderen dat de belastingplichtige in Nederland zou wonen. De rechter oordeelt dat belastingplichtige in 2015 niet in Nederland woonde. De feiten zijn gelukkig belangrijker dan de formele spelregels.
Woonplaats natuurlijke personen
Waar een mens woont is in de huidige tijd soms lastig te bepalen. De Hoge Raad heeft een open norm gegeven (feiten en omstandigheden). Het belangrijkste is of er een duurzame band van persoonlijke aard is met Nederland. De bewijslast ligt bij de inspecteur. In procedures waar wij bij betrokken zijn zien we echter dat er soms steeds meer op het bordje van belastingplichtige terechtkomt, ook belastingplichtige moet met bewijzen en feiten komen en kan niet achterover gaan leunen. Omkering van de bewijslast (dus belastingplichtige moet bewijzen) mag echter niet aan de orde komen.
Het gaat volgens de wet om de feiten en omstandigheden. De Belastingdienst kijkt dan naar:
- Waar woont uw gezin / kinderen?
- Waar woont uw partner?
- Bent u verzekerd in Nederland?
- Heeft u een woonadres in Nederland?
- U doet belangrijke dingen in Nederland (huisarts, ziekenhuis bezoek, lid verenigingen, opleidingen, sporten, etc.).
Bovenstaande onderdelen lijken relevant, maar waar de kinderen of uw (ex-)partner wonen is niet relevant voor de beoordeling van uw eigen woonplaats. Ook beperkte aanwezigheid in Nederland of een bankrekening bij de Rabobank of ABN AMRO zegt niks over uw woonplaats. De praktijk is echter weerbarstig, dit zijn namelijk wel de feiten die de inspecteur laat meewegen.
Maar wat is dan wel belangrijk?
- Waar bent u het meeste?
- Waar besteedt u de meeste vrije tijd? Waar sport u en bent u lid van een vereniging?
- Waar werkt u?
- Waar bouwt u een leven op?
- Met welk land heeft u een duurzame band?
Er moet dus worden gekeken naar de feiten in Nederland, maar wellicht nog meer naar de feiten in het buitenland. Dit laatste doet de inspecteur zelden of nooit. Zo krijg je via een trechtervisie een onjuist beeld van het totale beeld van belastingplichtige.
Fiscale woonplaats voetballer
De Rechtbank Den Haag doet op 20 maart 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:6307) uitspraak over de woonplaats van een voetballer. De Rechtbank is van mening dat een voetballer (met familie in Nederland) in Duitsland woont en niet (zoals de inspecteur stelt) in Nederland. De voetballer heeft een woning in Nederland en in Duitsland, Henk (fictieve naam) stond nog ingeschreven bij de gemeente in Nederland. Henk is profvoetballer (salaris € 1,5 mln per jaar) en speelt na de zomer (vanaf augustus 2018) voor een Duitse voetbalclub. In 2022 maakt hij een transfer naar een andere Duitse voetbalclub. De vraag is waar Henk in 2018 tot en met 2020 woont. Volgens de inspecteur woont Henk in Nederland. Henk maakt volgens de rechtbank voor 2018 aannemelijk dat hij in Duitsland woont en voor de jaren erna is sprake van "doet blijken". Henk verbleef namelijk vanaf dat moment met zijn vriendin in een huurwoning in Duitsland en de afstand tot de huurwoning in Nederland was veel te groot. Duitsland ziet Henk ook als inwoner van Duitsland. De huurovereenkomst voor de woning in Nederland is afgesloten voordat Henk het contract in Duitsland sloot. Henk moet wel over zijn box 3 vermogen in Nederland belasting betalen (maar dat is gebruikelijk).
Wat waren de aanwijzigingen voor een woonplaats in Nederland?
- Nog ingeschreven in de basisadministratie
- Woning in Nederland (eerst een huurwoning en vanaf 2022 een koopwoning)
- Familie van Henk woont in Nederland
- Nederlandse bankrekening
- Abonnementen in Nederland (Ziggo, Netflix, mobiele telefoon, sportschool, huur woning, diverse verzekeringen, etc.
Wat waren de aanwijzingen voor een woonplaats in Duitsland?
- Dienstbetrekking in Duitsland
- Ziektekostenverzekering in Duitsland
- Auto op Duits kenteken
- Verklaringen van derden dat Henk meestal in Duitsland was voor zijn werk
- Inschrijving Duits woonadres
- Certificate of residence van de Duitse belastingdienst
De Rechtbank weegt alle omstandigheden en kijkt hierbij met name naar:
- Hoge Raad d.d. 4 maart 2011 ECLI:NL:HR:2011:BP6285 : Bij de uitleg van het woonplaatsbegrip uit artikel 4 van de AWR moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er volgens vaste rechtspraak op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en het desbetreffende land. Hierbij dient geen bijzondere betekenis te worden toegekend aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals bijvoorbeeld iemands sociale of economische binding met een land.
- Hoge Raad d.d. 12 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6824: Verder geldt dat de duurzame band met één land niet sterker hoeft te zijn dan de band met een ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven, ofwel het middelpunt van iemands persoonlijke levensbelangen, zich in Nederland bevindt. Daardoor bestaat (in uitzonderlijke gevallen) de mogelijkheid dat iemand zowel in Nederland als in een ander land woont.
De feiten afwegende komt de Rechtbank (RO 36) tot de volgende conclusie:
De rechtbank is op grond van de onderhavige feiten en omstandigheden, mede in onderlinge samenhang beschouwd, van oordeel dat - zoals verweerder heeft gesteld - eiser in de onderhavige periode een (bepaalde) duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft gehad. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit en beschikte in Nederland onder meer over (huur)woning 2 en over de (te bouwen) woning 3. Verder woont familie van eiser in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank kan evenwel niet worden gezegd dat eiser daarmee in de onderhavige periode, alle omstandigheden in aanmerking nemend, (alleen) in Nederland woonde. Eiser woonde, zoals ook hierna zal worden geoordeeld, in die periode namelijk in Duitsland. Hij werkte daar fulltime en heeft het overgrote deel van zijn tijd (met de vriendin) in Duitsland doorgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarmee geen sprake zijn van de zich alleen in uitzonderlijke gevallen voordoende situatie van een dubbele woonplaats. Echter, ook als ervan wordt uitgegaan dat eiser in de onderhavige periode (ook) in Nederland woonde, is eiser voor de toepassing van het Verdrag in de onderhavige periode inwoner van Duitsland. Kijkende naar de Tie Breaker regel (artikel 4 derde lid verdrag) zijn de persoonlijke en economische banden met Duitsland het grootst.
Duurzame band met Bulgarije maar fiscale woonplaats in Nederland
In een uitspraak van de Rechtbank Gelderland op 16 juli 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:4520) stond de vraag centraal of de erflater (geboren in 1960) in 2014 en 2015 in Nederland woonachtig was. De rechtbank concludeerde dat dit het geval was, ondanks dat de erflater ook banden had met Bulgarije.
- Erflater was in gemeenschap van goederen getrouwd en ze waren sinds 1998 eigenaar van een woning in Nederland.
- In 2009 is erflater met zijn echtgenote geemigreerd en uitgeschreven uit de basisadministratie.
- In 2013 koopt erflater een woning in Bulgarije. Erflater is in Bulgarije niet geregistreerd als inwoner.
- In het kader van een boekenonderzoek komt de inspecteur in 2013 bij de woning. Tijdens het gesprek geven beide personen aan om in 2014 weer in Nederland te gaan wonen.
- In 2016 is erflater plotseling overleden.
- In Vanaf 2017 woont de echtgenote (volgens de basisadministratie) weer op dit adres.
- In geschil is of erflater in 2014 en 2015 in Nederland woont en hier aangifte inkomstenbelasting moet doen.
De vraag is of erflater een duurzame band met Nederland heeft (zie ook Hoge Raad d.d. 12 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6824). De wetgever heeft geen bijzondere betekenis willen toekennen aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals bijvoorbeeld iemands sociale of economische binding met een land (zie ook Hoge Raad d.d. 21 januari 2011 ECLI:NL:HR:2011:BP1416). Uit het beleid van de belastingdienst volgt dat er wordt gekeken naar; het duurzame tehuis, verblijfplaats gezin en belastingplichtige, sociale banden, bedrijfsmatige binding, financiele belangen, bestedingspatroon, intenties, inschrijving basisadministratie en nationaliteit.
Het betaalgedrag van de erflater, de beschikbare woning en auto’s in Nederland, zijn familiebanden, vastgoed in Nederland, zijn aanwezigheid bij het boekenonderzoek en zijn functie als bestuurder van Nederlandse vennootschappen speelden hierbij een belangrijke rol. De erfgenamen stellen dat erflater in Bulgarije woont omdat hij daar met zijn vriendin (en hun gemeenschappelijke dochter) woonden en hij daar ook een onderneming dreef. De pin betalingen zouden niet door erflater zijn gedaan maar door zijn echtgenote. Op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en Bulgarije werd vastgesteld dat de erflater voor belastingdoeleinden als inwoner van Nederland moest worden beschouwd. Het beroep tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen werd ongegrond verklaard.
Feiten voor woonplaats waarderen of wegen?
In een arrest van de Hoge Raad (2019) en nog meer in de conclusie van de AG worden hier richtlijnen voor gegeven. Het hebben van een woning is van essentieel belang. In de hiervoor genoemde procedure bij de rechtbank had belastingplichtige geen woning, maar stond hem wel een (ouderlijke) woning ter beschikking, aldus de inspecteur. Belastingplichtige stelt dat zijn ouders in Nederland wonen, maar dat hij niet zomaar "te pas en te onpas" kan binnenwandelen en dat er op de kamer geen persoonlijke spullen staan. Als hij in de ouderlijke woning wil verblijven, moet dit altijd in en na overleg en toestemming.
Woonplaats met eigen woning in Nederland
In een uitspraak van het Hof Amsterdam d.d. 23 januari 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:721) wordt de complexiteit van de fiscale woonplaatsbepaling binnen de Nederlandse belastingwetgeving onderstreept. Deze casus, waarbij een belastingplichtige, hierna te noemen X, zowel in Nederland als in Duitsland substantiële banden had, illustreert de nuances van de fiscale woonplaatsbepaling en de consequenties daarvan voor de belastingplicht.
De Casus in Vogelvlucht
X, met de Nederlandse nationaliteit, stond gedurende de jaren 2015 en 2016 grotendeels ingeschreven in Duitsland, maar behield het recht om tot 62 dagen per jaar in zijn verhuurde Nederlandse woningen te verblijven. Ondanks zijn inschrijving in Duitsland, bleef X economische activiteiten in Nederland verrichten en had hij familiebanden in Nederland. De inspecteur stelde dat X fiscaal inwoner van Nederland bleef, wat door zowel de rechtbank als het Hof Amsterdam werd bevestigd. De kern van deze bevestiging lag in de duurzame banden van persoonlijke aard die X met Nederland behield.
Aandachtspunten voor de Bepaling van de Fiscale Woonplaats
Hieronder volgt een checklist met aandachtspunten die van belang zijn bij de beoordeling van de fiscale woonplaats:
- Persoonlijke banden: De aanwezigheid van familie in Nederland weegt zwaar mee in de beoordeling van de fiscale woonplaats. Het behouden van nauwe persoonlijke relaties in Nederland kan duiden op een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland.
- Economische activiteiten: Het blijven verrichten van economische activiteiten in Nederland, zoals het verhuren van onroerend goed, speelt een significante rol in de bepaling van de fiscale woonplaats.
- Verblijfsduur: De daadwerkelijke verblijfsduur in Nederland versus het buitenland is een belangrijke factor. Regelmatig verblijf in Nederland, zelfs voor korte perioden, kan wijzen op het behoud van duurzame banden met Nederland.
- Woningbezit en gebruik eigen woning in Nederland: Het aanhouden en gebruiken van een woning in Nederland, zelfs als deze tijdelijk wordt verhuurd, kan indicatief zijn voor een fiscale woonplaats in Nederland.
- Inschrijving en administratieve hHandelingen: Hoewel inschrijving in het buitenland een indicatie kan zijn van verplaatsing van de woonplaats, is het niet doorslaggevend. Administratieve handelingen, zoals het openen van een bankrekening of inschrijving in het buitenland, moeten in samenhang met andere factoren worden bekeken.
- Intentie en toekomstplannen: De intentie van de belastingplichtige, zoals blijkt uit contracten voor tijdelijke verhuur en toekomstplannen om terug te keren naar Nederland, zijn relevant voor de beoordeling van de fiscale woonplaats.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een holistische benadering bij de bepaling van de fiscale woonplaats, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden in acht worden genomen. Voor fiscaal juristen en belastingadviseurs is het essentieel om zich bewust te zijn van de complexiteit van deze materie en de mogelijke impact op de belastingplicht van hun cliënten. Het zorgvuldig documenteren en beoordelen van de banden met Nederland speelt een cruciale rol in het adviseren over en het bepalen van de fiscale woonplaats.
Fiscale woonplaats vader met Thaise zoon
Henk heeft een zoon (geboren 2010), samen met zijn in Thailand wonende vrouw, ze zijn niet getrouwd. De zoon heeft de Nederlandse en Thaise nationaliteit en bij zijn moeder in Thailand. In 2012 heeft Henk zijn appartement - tegen schulderkenning - verkocht aan zijn zoon en ook diverse bankrekeningen op zijn naam gezet (geschonken?). In 2016 was Henk 226 dagen in Nederland en 140 dagen in Thailand. Bij zijn verblijf in Nederland woont het in het appartement van zijn zoon. Henk is van mening dat hij in Thailand woont en buitenlands belastingplichtig in Nederland is. De inspecteur is van mening dat Henk in Nederland woont en dus ook belasting moet betalen over het vermogen van zijn zoon (50%) omdat hij het ouderlijk bezag heeft uitgeoefend. De rechtbank is het (deels) met Henk eens. Het Gerechtshof Den Haag is het op 27 juni 2023 (ECLI:NL:GHDHA:2023:1296) niet met Henk eens. Voor de woonplaats moet worden gekeken naar het belastingverdrag tussen Nederland en Thailand en voor de definitie van het ouderlijk bezag is het Thaise recht van belang. Het Thaise recht stelt dat beide ouders het ouderlijk gezag uitoefenen over hun kind. Het box 3 vermogen van de zoon moet niet voor 100% maar slechts voor 50% worden meegenomen (artikel 2.15 lid 4 Wet IB 2001)
Waar iemand woont wordt na omstandigheden beoordeeld (artikel 4 lid 1 AWR). Kwalificeert een persoon als inwoner van Nederland dan ontvouwt zich een bak aan wetgeving en regels met vele fiscale consequenties en verplichtingen. Er worden dus veel procedures gevoerd over de fiscale woonplaats van een natuurlijk persoon. Doorgaans is het succes voor belastingplichtige niet zo groot. In deze procedure is Henk veel in Nederland, woont zijn moeder in Nederland, heeft hij een een woning tot zijn beschikking en heeft Henk nog een adviespraktijk in Nederland. Ook heeft Henk in Thailand geen aangifte gedaan. Henk stelt dat hij alleen voor zijn werk (en vele procedures) en de afwikkeling van het overlijden van zijn moeder, in Nederland verblijft en zijn gezin in Thailand woont. Zijn persoonlijke band met Thailand is dus - voor zijn gevoel - vele malen groter.
De volgende uitspraken zijn hierbij van belang:
- Hoge Raad 13 april 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ6824) : duurzame band met hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats in Nederland niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland zou bevinden.
- Hoge Raad 12 mei 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AR5759): voor woonplaats ook kijken naar recht in buitenlandse staat, hierbij mee wegen of de persoon in het buitenland aangifte heeft gedaan. Een persoon wordt alleen als ingezetene van Thailand beschouwd als hij in Thailand verblijft voor een totale periode van niet minder dan 180 dagen in een kalenderjaar. Voor de periode in Thailand wordt gekeken naar de inreis- en vertrekstempel in het paspoort. Omdat Henk geen inwoner is van Thailand kom je niet toe aan de tiebreakbepaling.
- Gerechtshof Den Haag 8 december 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:2762) en Hoge Raad d.d. 28 januari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:84) deze procedure gaat over dezelfde casus edoch over de periode 2011 tot en met 2015.
- Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 22 april 2021 (ECLI:NL:GHSHE:2021:1272) en Hoge Raad 18 augustus 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1101)
Fiscale woonplaats van een butler
Een butler werkt sinds 2017 voor een sjeik in Dubai (contract voor 4 jaar), hiervoor reist hij de hele wereld over. Tot 1 juni 2017 heeft de butler een woning in Nederland. Zijn loon wordt gestort op een Nederlandse bankrekening. Volgens de butler woont hij vanaf juli 2017 in het buitenland. De sjeik is nooit langer dan 60 dagen in een land omdat hij geen fiscaal inwoner wil zijn buiten Dubai. De butler reist mee naar Engeland, Dubai en verblijft ook regelmatig op de immense boot van de sjeik. Volgens de rechter en de inspecteur woont de Butler in Nederland (terwijl hij hier zelden is). Deze procedure maakt duidelijk dat er via feiten moet worden aangetoond waar iemand woont. Rechtbank Noord Nederland 2 november 2021 ECLI:NL:RBNNE:2021:4648
Fiscale woonplaats DGA
De heer X heeft de Nederlandse nationaliteit en heeft in Nederland aangifte gedaan als binnenlands belastingplichtige. X ontvangt inkomen uit diverse Nederlandse BV's en is daarnaast DGA van een aantal Nederlandse rechtspersonen. X brengt een deel van het jaar door in Marokko waarbij hij ook een woning en sociaal leven heeft. In zijn aangifte inkomstenbelasting geeft X niet zijn wereldinkomen aan maar enkel zijn binnenlands inkomen. X is van mening dat hij in Marokko woont. De rechter en de inspecteur denken hier anders over omdat X niet slaagt in zijn bewijslast omtrent zijn woonplaats in Marokko. X maakt niet aannemelijk dat hij in 2015 (ook) fiscaal inwoner is van Marokko; hij maakt niet aannemelijk dat is voldaan aan één van de drie daarvoor geldende criteria, te weten:
- het beschikken in Marokko over een permanente verblijfsplaats (‘The place of permanent home’), of
- het aldaar hebben liggen van het middelpunt van (de sociale en) economische belangen (‘The centre of economic interest’), of
- het in een periode van 365 dagen aldaar meer dan 183 dagen verblijven.
Rechtbank Den Haag d.d. 15 december 2021 ECLI:NL:RBDHA:2021:14719
Fiscale woonplaats CFO
Henk is sinds 2012 statutair bestuurder van een concern, ongeveer 20% van zijn tijd. Henk wordt via zijn eigen holding ingehuurd via een management vergoeding (overeenkomst van opdracht). Daarnaast was Henk - voor 80% - ook nog in dienstbetrekking bij een dochteronderneming, als CFO. Henk ontving een salaris en daarnaast nog een bonus via aandelen (zogenaamde Restricted Stock Units). In 2014 wordt het hoofdkantoor van het concern naar Nederland verplaatst. Henk verhuist in april 2016 naar Nederland. De vraag is of Henk over geheel 2016 in Nederland belastingplichtig is. De inspecteur was zelfs van mening dat Henk al sinds 2012 in Nederland belastingplichtig is. De redenen hiervoor zijn:
- Henk heeft een duurzame band met Nederland;
- Henk heeft de Nederlandse nationaliteit
- Er stond Henk een huis ter beschikking in Nederland (woning van zijn echtgenote);
- Henk heeft een auto (met verzekering) in Nederland (gekocht in april 2016).
- De kinderen van Henk (uit een eerder huwelijk) wonen in Nederland.
De Rechtbank oordeelt in 2022 dat Henk voor 2016 niet in Nederland heeft gewoond. Volgens de rechter woont Henk vanaf april 2016 in Nederland (en dus ook niet vanaf 1 januari 2016). De argumenten van de inspecteur overtuigen de Rechter hierbij niet.
Onderzoek Belastingdienst naar woonplaats (woonplaatsonderzoek)
De Belastingdienst stelt soms een diepgaand onderzoek in om te bepalen waar een belastingplichtige woont. Een dergelijk onderzoek kijkt strikt naar de feiten en omstandigheden. De Inspecteur moet bewijzen dat een persoon in Nederland woont. De Belastingdienst kijkt dan op grond van nationale wetgeving of u in Nederland woont. Belangrijk bij een woonplaatsonderzoek is of u duurzame banden met Nederland heeft. Volgens de interne stukken van de Belastingdienst is het hierbij blijkbaar minder van belang of het middelpunt van uw maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt. De belangrijkste overwegingen zijn:
- Heeft u sociale en beroepsmatige bindingen met Nederland?
- Beschikt u over een huis (duurzaam)?
- Waar verblijft uw gezin (partner) of u regulier?
- Heeft u financiële banden met Nederland (beleggingen, bedrijven, etc.)?
- Wat volgt uit uw pingedrag / bestedingen in Nederland?
Er zit geen vast patroon in de onderzoeken van de Belastingdienst naar uw woonplaats. Het is ook niet duidelijk welke zaken het zwaarst wegen, vaak is het een combinatie van factoren. De verblijfplaats van uw gezin of partner is meestal wel van belang. Aan de materiële omstandigheden (hiervoor onder 1 - 5) moet meer waarde worden gehecht dan aan de formele (inschrijving basisadministratie gemeente, uw nationaliteit, etc.).
Procedure over woonplaats natuurlijk persoon
De Belastingdienst kijkt naar zaken die haar juist lijken en beoordeelt deze statisch. Zo wordt er niet gekeken naar de situatie in het buitenland of naar zaken die ervoor zorgen dat u wellicht niet zoveel binding met Nederland heeft. Alles wat u een binding met Nederland geeft is voor de Belastingdienst van belang. U bent ook verplicht om vragen van de Belastingdienst te beantwoorden (meestal, edoch niet altijd).
Fiscale woonplaats zonder woning
Henk heeft geen woning in Nederland en woont formeel op Guernsey. In een procedure bij het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden (ECLI:N::GHARL:2019:4321) moest worden vastgesteld waar Henk zijn fiscale woonplaats had. De feiten:
- Henk heeft de Nederlandse nationaliteit.
- In 1993 is Henk gescheiden van zijn vrouw, sinds 1996 heeft Henk een relatie met een vrouw die in Engeland woont.
- Volgens de gemeentelijke basisadministratie woont Henk op Guernsey.
- De kinderen van Henk wonen in België en Schotland.
- Henk is voor zijn ziektekosten verzekerd in Nederland.
- De meest consumptieve uitgaven doet Henk in Nederland.
- Henk is Ultimate Beneficiair Owner van de Gibraltarese vennootschap Y Ltd.
- Henk heeft een boot in Nederland.
- Henk heeft een tweetal abonnementen voor een mobiele telefoon in Nederland.
- Aan Henk zijn navorderingsaanslagen opgelegd i.v.m. buitenlandse bankrekeningen / inkomsten.
Zowel de rechtbank als het Gerechtshof zijn van mening dat Henk in Nederland woont en hier ook belasting moet betalen.
Noot fiscaal jurist over fiscale woonplaats
Wij zien de laatste jaren steeds vaker dat de Belastingdienst onderzoeken instelt naar de feitelijke woonplaats van iemand. Belangrijkste aandachtspunten en fouten zijn:
- De persoon is vaak bij zijn gezin in Nederland.
- De Belastingdienst kijkt met een tunnelvisie naar de feiten.
- Men is niet ingeschreven in het buitenland en heeft nog veel banden met Nederland.
Als u echt wilt emigreren, denk dan aan het volgende:
- Doe een emigratie-aangifte (M-aangifte).
- Zorg voor uitschrijving uit Nederland.
- Knip eenvoudige bindingen met Nederland door (ziektekosten, auto, verzekeringen, lidmaatschappen, etc.).
- Stop uw telefoonabonnement in Nederland.
- Aanhouden van een woning (die niet extern wordt verhuurd) heeft niet direct de voorkeur (let op gebruik van de woning dat is te herleiden door gebruik gas / water / elektra / telefoon / tv / internet).
- Let op gebruik van creditcards / pinbetalingen, etc.
- Sociale media kan een tijdlijn weergeven.
- Hou gedurende de eerste jaren een duidelijke agenda bij (waar was u, wat deed u, etc.).
- Overweeg om (ook) een buitenlandse nationaliteit aan te nemen (besparen erfbelasting).
- Breng uw beleggingen (bank) buiten Nederland.
Soms stuurt de Belastingdienst een vragenbrief of een informatiebeschikking met veel vragen. Deze gaan vaak over: bankafschriften, beleggingen, creditcardinformatie, stortingen en opnamen, overzicht bedrijven en panden, etc. Beoordeel vanaf het begin of u de informatie moet verstrekken en schakel een specialist in.
Bron fiscale woonplaats
Rechtbank Zeeland - West Brabant d.d. 5 november 2020 ECLI:NL:RBZWB:2020:5436
Interne stukken Belastingdienst (WOB verzoek januari 2019)
Hof Amsterdam 22 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5750
Rechtbank Noord-Nederland 4 april 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:1229
Rechtbank Den Haag 8 december 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:15731
Hof Den Haag 25 juni 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2182
Hof Den Haag 10 maart 2015, nummer BK-14/00457
Exploitatie schip in het internationaal verkeer
In grensoverschrijdende situaties kan dubbele belastingheffing optreden. Daarom hebben landen verdragen met elkaar gesloten. Op grond van deze verdragen wordt het heffingsrecht over bepaalde inkomens- en vermogensbestanddelen aan een (of beide) land(en) toegewezen. Veel verdragen die Nederland heeft gesloten zijn gebaseerd op het modelverdrag van de OESO. Daarom kan de uitleg die aan de inhoud van een verdrag wordt gegeven ook van toepassing zijn op andere verdragen. In dit artikel betreft het een tweetal kwesties over het verdrag Nederland - Zwitserland.
Voorkoming dubbele belasting ook voor opgebouwde verlofdagen
De aftrek ter voorkoming van dubbele belasting betreft niet alleen het loon over de fysiek aan boord (bijvoorbeeld van schip of vliegtuig) gewerkte dagen maar ook over de verlofdagen die de werknemer met zijn werk opbouwt en op een later moment opneemt, dit aldus een uitspraak van de Rechtbank Noord Nederland d.d. 20 mei 2025 ECLI:NL:RBNNE:2025:1923. In dit voorbeeld ging het om iemand die op een schip werkte en aftrek ter voorkoming van dubbele belasting claimde. In de kern gaat het om de uitleg van belastingverdragen, meestal staat hierin opgenomen "de ter zake daarvan verkregen beloning". De inspecteur was van mening dat dit enkel op "geld" ging en dus niet om verlofuren. De rechtbank keek bij deze uitspraak mede naar een arrest van de Hoge Raad d.d. 23 september 2005 ECLI:NL:HR:2005:AP1424, omdat de belastingplichtige 12 uur per dag werkte.
Werken op een schip en belastingen
Het gaat om geschil over de uitleg van het verdragsartikel inzake niet-zelfstandige arbeid. Dit artikel bevat een uitzonderingsbepaling die van belang is bij schepen en luchtvaartuigen. Indien iemand loon ontvangt voor werkzaamheden aan boord van een schip / luchtvaartuig dat in het internationaal verkeer wordt geëxploiteerd, mag het land heffen waar de plaats van leiding van de onderneming is gelegen. De actuele discussie spitst zich toe op het begrip exploitatie in het internationaal verkeer. De Advocaat-Generaal heeft in de twee zaken recent een conclusie genomen. Wij beschrijven hierna eerst de beide geschillen en gaan daarna in op de uitleg van het begrip exploitatie in het internationaal verkeer.
Wij merken hier reeds op dat de bepaling in het modelverdrag die hier in geding is in 2017 is gewijzigd. De reikwijdte van het begrip exploitatie in het internationaal verkeer is niet gewijzigd. Aangezien veel verdragen van vóór 2017 dateren, zal de aanstaande uitspraak van de Hoge Raad daarom nog steeds van belang zijn. Onder het modelverdrag per 2017 mag de woonstaat heffen en niet de staat waar de onderneming is gevestigd.
Zaak 1: de overbrenging van een schip
In deze zaak gaat het om iemand die werkzaam is aan boord van een schip. Het schip kan platforms vervoeren en leidingen leggen. Het schip wordt eerst vervoerd om te worden afgebouwd. Daarna vaart het voor tests uit op de Noordzee. De belanghebbende werkt aan boord van het schip, zowel tijdens de bouw, de overbrenging als tijdens de afbouw. Er zijn geen werkzaamheden verricht in het land waar de leiding van de onderneming is gelegen. Belanghebbende meent dat sprake is van exploitatie in het internationaal verkeer; de Belastingdienst is een ander oordeel toegedaan.
Zaak 2: het leggen van pijpleidingen
In deze zaak gaat het om iemand die werkt aan boord van een schip dat gebruikt wordt voor het leggen van pijpleidingen. Ook deze persoon verricht geen werkzaamheden in het land waar de leiding van de onderneming is gelegen. Belanghebbende meent dat sprake is van exploitatie in het internationaal verkeer; de Belastingdienst is een ander oordeel toegedaan.
Heffing inkomstenbelasting bij schipper
In de meeste gevallen is het belang gelegen bij het wel / niet in Nederland verschuldigd zijn van belasting. De hoofdregel die bij het Zwitserland verdrag geldt is dat Nederland heft over inkomen uit niet-zelfstandige arbeid, tenzij de dienstbetrekking in Zwitserland is uitgeoefend. Indien geen werkzaamheden in Zwitserland zijn verricht, mag Nederland dus over het loon heffen. Dat is anders indien de uitzondering van toepassing is waar deze kwesties op zien: dan mag het land van vestiging van de onderneming heffen: Zwitserland. Nederland is dan gehouden om dubbele belastingheffing te voorkomen.
Het begrip exploitatie in het internationaal verkeer
Nederland en Zwitserland hebben hun verdrag gebaseerd op het modelverdrag van de OESO. Het verdrag bevat een definitie van de term internationaal verkeer, maar niet van de term exploitatie. Wij behandelen hierna eerst de term internationaal verkeer en daarna de term exploitatie.
Internationaal verkeer wordt in het verdrag beschreven als vervoer met een schip / luchtvaartuig, geëxploiteerd door een onderneming waarvan de werkelijke leiding in een verdragsstaat is gelegen, behalve wanneer het schip / luchtvaartuig uitsluitend wordt geëxploiteerd tussen plaatsen die in de andere verdragsluitende staat zijn gelegen. De onderneming waar het in deze kwesties om draait is gevestigd te Zwitserland. Dat betekent dat de werkelijke leiding in één van de verdragstaten is gelegen. De activiteiten zien in ieder geval niet uitsluitend op verkeer tussen plaatsen in Nederland (de andere verdragsstaat), zodat aan die regel niet zal worden toegekomen. De OESO heeft in het commentaar opgemerkt dat de uitleg van het begrip internationaal verkeer ruimer is dan in het ‘spraakgebruik’.
Het begrip exploitatie wordt in het verdrag niet behandeld. De Advocaat-Generaal sluit in zijn conclusie aan bij de uitleg van het begrip exploitatie in een ander artikel van het verdrag. Het gaat dan specifiek om het artikel dat ziet op zeevaart, binnenvaart en luchtvaart. De Advocaat-Generaal geeft aan dat onder exploitatie moet worden verstaan het behalen van winst met commerciële vervoersactiviteiten. Het verschil tussen het artikel in kwestie en het artikel waar de Advocaat-Generaal zich op beroept is niet gelegen in de (mogelijke) betekenis van dit begrip, maar in de aard van het inkomen. Het artikel in kwestie ziet op arbeidsbeloningen en het andere artikel op voordelen uit zeevaart. Dat de Advocaat-Generaal aansluit bij de uitleg van het begrip in het andere artikel, komt ons daarom redelijk voor.
Exploitatie in het internationaal verkeer en arbeidsbeloning
Het artikel in kwestie gaat over arbeidsbeloningen en is door de OESO voorzien van uitgebreid commentaar. Het commentaar op de regels bij exploitatie in het internationaal verkeer van een schip / luchtvaartuig is echter bijzonder kort. Deze begrippen zijn – zoals eerder opgemerkt – uitgebreider toegelicht in het artikel over voordelen uit zeevaart. Mede daarom wordt de toelichting bij het voordeelartikel ook bij de zaak betrokken.
In deze toelichting wordt aangegeven welke voordelen tot exploitatie in het internationaal verkeer worden gerekend. Het gaat dan in de eerste plaats om voordelen die direct voortvloeien uit het vervoeren van passagiers of goederen door schepen / luchtvaartuigen. Door de jaren heen is de transportwereld echter doorontwikkeld. Daarom behoren tot de voordelen in de tweede plaats ook die voordelen die voortvloeien uit activiteiten die direct verbonden zijn met het vervoeren van passagiers of goederen. Tot slot mogen ook voordelen die niet direct verbonden zijn met het vervoeren van passagiers of goederen tot het begrip worden gerekend, zolang deze maar bijkomstig zijn aan het vervoeren van passagiers of goederen. De term bijkomstigheid is nog iets verder verduidelijkt. Van bijkomstigheid is sprake als de activiteit niet gezien kan worden als afzonderlijke bezigheid of afzonderlijke bron van inkomen voor de onderneming. Het zal er vermoedelijk op uitdraaien dat dit beoordeeld moet worden vanuit het oogpunt van een fictieve, gemiddelde buitenstaander, doch daarover bestaat nog geen zekerheid. Dit lijkt ook geen onderdeel van het geschil te zijn en zal vermoedelijk in de uitspraak niet aan de orde komen.
De Advocaat-Generaal haalt nog een andere, interessante bron aan. Deze bron beschrijft dat voordelen uit activiteiten voor de constructie (bouw) van schepen buiten het begrip vallen. Het begrip ziet alleen op transportgerelateerde aangelegenheden.
De conclusie fiscale heffing schip
Vaststaat dat de periode waarin de kwestie speelt, de periode is voordat het schip voor de eerste keer commercieel is gebruikt. Naar spreektaal is sprake van internationaal verkeer; het schip gaat namelijk van land 1 naar land 2. Dat is echter onvoldoende, zo blijkt uit bovenstaande uiteenzetting over de begrippen. De Advocaat-Generaal merkt op dat:
- het schip nog niet klaar was voor commercieel gebruik;
- het schip verplaatsen van land 1 naar land 2, waarbij ook goederen en personen aan boord waren, niet een op voordeelgerichte activiteit is waarbij de uitleg van het begrip op wordt gedoeld. Het gaat in deze kwestie namelijk om de afbouw en de afbouw hangt verder niet (voldoende) samen met de exploitatie.
Tot slot wordt nog opgemerkt dat deze periode geen dienst is verricht die ziet op het vervoeren van passagiers / goederen. De belanghebbende trekt hier dus aan het kortste eind.
De conclusie bij het leggen van pijpleidingen
Het leggen van pijpleidingen gebeurt op diverse wijzen. Bij een aantal van de methodes worden twee schepen gebruikt. Het eerste schip vervoert de pijpleiding en het tweede schip (gelijktijdig) de bemanning / arbeidskrachten. De vraag is dan of het tweede schip wordt meegetrokken met de activiteiten van het eerste (of andersom).
De Advocaat-Generaal weet te putten uit een scala aan bronnen waaruit naar voren komt dat dit niet het geval is. Daar komt nog bij dat in de lagere rechtspraak in Nederland over dit type vraag niet altijd op dezelfde wijze wordt geantwoord. Uit het feitencomplex komt naar voren dat het schip waar de belanghebbende op heeft gewerkt, als hoofdactiviteit het leggen van pijpleidingen heeft. Dat wordt als iets anders beschouwd dan het vervoeren van pijpleidingen. Dat het schip voldoende geschikt is om pijpleidingen te vervoeren doet daaraan niet af. Het vervoer is slechts een ondersteunende taak in het kader van de hoofdtaak: het leggen van pijpleidingen. De uitzonderingsbepaling is dus niet van toepassing.
Toetsingskader bij exploitatie in het internationaal verkeer
Uit de conclusie leiden wij af dat de voornaamste vraag steeds zal zijn of sprake is van commerciële vervoersactiviteiten, daarmee samenhangende activiteiten en / of bijkomstige activiteiten. Indien daarvan geen sprake is, kan ook geen sprake zijn van de uitzonderingsbepaling over loon uit dienstbetrekking bij de exploitatie van een schip / luchtvaartuig in het internationaal verkeer.
Internationale dienstbetrekking en advisering
Indien u woont in Nederland en werkt in het buitenland (of andersom), krijgt u te maken met het risico op dubbele belastingheffing. Het voordeel aan Nederland is het uitgebreide verdragennetwerk. Het verdragennetwerk kent als nadeel dat de toepassing ervan vaak complex is. Indien u in zich in deze situatie bevindt, kunt u gerust eens vrijblijvend contact opnemen met één van onderstaande auteurs, om te kijken wat wij voor u kunnen betekenen.
ECLI:NL:PHR:2021:476,
Parket bij de Hoge Raad, 20/03228 (rechtspraak.nl)
ECLI:NL:PHR:2021:478,
Parket bij de Hoge Raad, 20/03227 (rechtspraak.nl)
Per diem vergoeding piloten onbelast
Met name piloten die werkzaam zijn bij buitenlandse maatschappijen lopen tegen problemen aan bij het vaststellen van hun belastbare inkomen in Nederland. Voor de Nederlandse aangifte moeten de belaste verdiensten uit het buitenland namelijk worden vastgesteld op basis van de Nederlandse wet- en regelgeving. Piloten lopen dan tegen het probleem aan dat de Belastingdienst de per diem vergoeding wil belasten.
Uitspraak Rechtbank Den Haag
Rechtbank Den Haag heeft in een uitspraak van 2 april 2020 geoordeeld dat de per diem vergoeding onder voorwaarden wel als onbelaste vergoeding aangemerkt dient te worden. In de casus ontving de piloot een per diem gebaseerd op het aantal uren dat hij niet op de basis was. In een bijlage bij zijn arbeidsovereenkomst staat omschreven waarvoor de vergoeding bedoeld is. De omschrijving is niet heel duidelijk, echter de rechtbank oordeelt dat voldoende duidelijk is dat de per diem bedoeld is voor de uitgaven die een piloot onderweg maakt voor zaken als eten, drinken en overnachtingen. De Inspecteur van de Belastingdienst wilde de vergoeding belasten, de rechtbank corrigeert dit echter.
Voorwaarden onbelaste per diem voor piloten
Een per diem is niet altijd onbelast. Wanneer een werkgever een vergoeding geeft onder de noemer per diem, zonder hierbij in een arbeidsovereenkomst, bijlage of via een CAO aan te geven waarvoor de vergoeding is bedoeld, gaat het niet goed. Een tweede belangrijke voorwaarde is, dat de piloot kan aantonen dat hij de kosten waar de per diem voor bedoeld zijn ook daadwerkelijk gemaakt zijn middels bonnen, rekeningen of bank- / creditcardafschriften.
Voor piloten is dus van belang dat ze de arbeidsvoorwaarden goed nakijken en zo nodig de werkgever vragen om vast te leggen waar de per diem voor bedoeld is. Daarnaast is het devies: betaal met een creditcard of bewaar bonnetjes.
Ten onrechte belasting betaald over per diem?
Wanneer u denkt ten onrechte belasting te hebben betaald over uw per diem vergoeding, dan kunt u contact opnemen met ondergetekende. We kunnen dan samen kijken of het mogelijk is om alsnog een teruggaaf te krijgen van de ten onrechte betaalde belasting.
Wat kunnen wij - in fiscale zin - voor piloten betekenen?
- Advisering inzake welke landen fiscaal gunstig zijn voor een emigratie
- Belastingadvies inzake eigen woning / vermogen
- Verzorgen aangifte inkosmtenbelasting (M Biljet)
- Afstemming en overleg met de Belastingdienst
- Indienen vrijstelling loonheffing
- Afstemming buitenlandse fiscaal jurist inzake emigratie
Renteaftrekbeperking in de vennootschapsbelasting
De renteaftrekbeperking voortkomend uit artikel 4 ATAD, ook wel earningsstrippingmaatregel genoemd, heeft zowel betrekking op rente in verband met concernleningen, alsmede op rente in verband met leningen verstrekt door derden. De maatregel is geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving en opgenomen onder artikel 15b Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De renteaftrekbeperking wordt ook wel de ‘generieke renteaftrekbeperking’ genoemd.
De earningsstrippingmaatregel is voor het eerst van toepassing op boekjaren die beginnen op of na 1 januari 2019. Indien sprake is van een fiscale eenheid, dan wordt de maatregel uitgevoerd op het niveau van de fiscale eenheid. Tijdig acteren is dus wenselijk om eventuele beperking van renteaftrek te voorkomen.
Europese versoepeling renteaftrek en innovatiebox
De Europese Commissie onderzoekt in een concept wetsvoorstel een mogelijke aanpassing van de Europese renteaftrek beperkingen binnen de Vennootschapsbelasting. De Anti Tax Avoidance Directive (ATAD) moet hiertoe worden aangepast. Nederland heeft de ATAD renteaftrek beperking strenger geïmplementeerd in de earningstrippingmaatregelen. Rente is in Nederland niet aftrekbaar voor zover het saldo van de verschuldigde en de ontvangen rente meer bedraagt dan 24,5% van de fiscale EBITDA en hierbij de drempel van € 1.000.000 wordt overschreden. Via de omnibus herziening wordt deze regel in de toekomst dus wellicht gunstiger. Ook moet er meer geld naar R&D investeringen, wellicht dat de innovatiebox dus ook wordt aangepast. Tja .. de laatste vraag is dan "wanneer?".
Renteaftrek beperking bij overnames
Er zijn de laatste jaren diverse uitspraken van de rechters geweest over de renteaftrek bij overnames. De belangrijkste arresten zijn het Hunkemoller arrest (ECLI:NL:HR:2021:1152) , Auto Bar arrest, Hans Anders (ECLI:NL:HR:2022:1085) arrest en Italiaanse beursvennootschap arrest. Er is veel over geschreven en het lijkt erop dat de Hoge Raad nog niet 1 lijn heeft ontdekt. Het zakelijkheidsbeginsel wordt in veel doctrine aan de orde gesteld. De vraag die aan de orde komt heeft betrekking op de aftrek van rente bij overnames. Bij de overname van Hans Anders en de koffieautomatenexploitant Autobar was de Hoge Raad in eerste aanleg van mening dat bij de buitenlandse investeerders geen sprake van belastingtontwijking (door rente in aftrek te brengen over leningen waarmee de overnames zijn betaald). Vanaf de invoering van het beroemde artikel 10a VPB is de vraag of de aldaar beschreven situaties uitputtend waren of niet. Ook is toen de route van "fraus legis" aan de orde gesteld. Het enkel lezen van artikel 10a is dan niet voldoende. In een recent arrest van de Hoge Raad (5 september 2025 ECLI:NL:HR:2025:1250) is door de Hoge Raad bevestigd dat er sprake is van fraus legis bij aftrek van rente bij overname van een Nederlandse retailketen. Ook al zijn er zakelijke motieven dan nog kan fraus legis in beeld komen, aldus ons hoogste rechtscollege. Bij gekunstelde structuren wordt alsnog de rentaftrek om zeep geholpen (strijd met doel en strekking). In de meeste zaken speelt hierbij de winstdrainage problematiek waarbij de holding geen echte rol heeft vervuld en enkel is opgezet om om de renteaftrek te regelen, de financiele spilfunctie ontbreekt en de holding is enkel doorgeefluik van geld.
Nieuws in vastgoedland (22 oktober 2024)
De aangekondigde beperking van de renteaftrek voor vastgoedbedrijven gaat vermoedelijk niet door ! Coalitiepartijen vinden renteaftrekbeperking voor vastgoedbedrijven veel te ver gaan, dit kan ook zorgen voor minder huurwoningen. In het belastingplan 2025 is aangekondigd dat het de renteaftrekbeperking voor vastgoedlichamen verder wordt aangescherpt. Deze aanscherping komt vermoedelijk te vervallen (zo bleek tijdens de behandeling in de tweede kamer op 21 oktober 2024). Op dit moment is renteaftrek tot een bedrag van € 1.000.000 toegestaan (óf tot 20% van de EBITDA wanneer dit hoger). Het percentage zou worden verhoogd tot 25%, dit wordt nu voor alle beleggers in de BV of NV (of cooperatie) vastgesteld op 24,5%. Er is weer een beetje rust in vastgoedland en onze advies afdeling gaat tijdelijk met andere wijzigingen bezig. Aftrek rente tot € 1.000.000 (en als dit meer is tot max 24,5% EBITDA) We moeten niet te vroeg juichen, er komen nog wel nieuwe anti misbruik bepalingen, deze zijn nog niet bekend.
Renteaftrek beperking niet in strijd met europees recht
De antiwinstdrainage regeling is verenigbaar met het unierecht, aldus het Hof van Justitie op 4 oktober 2024 (ECLI:EU:C:2024:822). Het HvJ EU stelt vast dat de Nederlandse aftrekbeperking van artikel 10a wet VPB 1969 een verschil in behandeling inhoudt en dat in grensoverschrijdende gevallen een nadelig / afschrikkend effect kan hebben op de vrijheid van vestiging. Echter... dit is legitiem om fraude en belastingontwijking te bestrijden. Deze procedure ging over een internationaal concern met de moeder vennootschap in Belgie en een aantal dochterondernemingen in Nederland. Er wordt door de Nederlandse dochtervennootschap een overname gedaan welke wordt gefinancierd binnen het concern. Het Gerechtshof is van mening dat de rente beperkt aftrekbaar is, de Hoge Raad stelt (prejudiciele) vragen aan het HvJ van de EU. Volgens het HvJ mag de renteaftrek worden beperkt omdat eigen vermogen binnen een groep op kunstmatige wijze bij een Nederlandse vennootschap als vreemd vermogen naar voren komt en dat die rente op de lening wordt afgetrokken van de Nederlandse fiscale winst (belastbaar resultaat). Dit vermoeden kan door de Nederlandse koper worden weerlegd. De correctie is van toepassing op het bovenmatige deel van de te hoge rente. Als de lening geen enkele economische functie zou rechtvaardigen dan is het redelijk om via het evenredigheidsbeginsel de aftrek geheel te weigeren. Hoe deze uitspraak uitpakt voor de specifieke bepaling voor renteaftrek bij vastgoed lichamen vanaf 2025 is nog niet bekend, deze bepaling lijkt in strijd met het gelijkheidsbeginsel, de sectorale discriminatie. Zie mede deze scriptie uit 2023.
Syllabus renteaftrekbeperking belastingdienst
In de nieuwe versie van de syllabus over artikel 15b Wet VPB 1969 wordt een nadere toelichting gegeven op de renteaftrekbeperking bepaling. In artikel 15b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is de zogenoemde earningsstrippingmaatregel opgenomen. Deze syllabus gaat in op de toepassing van deze maatregel en bevat een verzameling van geanonimiseerde en bewerkte casussen en vragen die de Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering van de Belastingdienst heeft behandeld. De syllabus is een actualisering van de versie van 19 oktober 2022 en is gedeeld met de medewerkers van de Belastingdienst.
Achtergrond renteaftrekbeperking
De inhoudelijke achtergrond van de maatregel is dat rentekosten in beginsel aftrekbaar zijn, maar dat internationaal opererende ondernemingen in toenemende mate leken in te spelen op tariefverschillen, bijvoorbeeld door rentebetalingen toe te wijzen aan een concernvennootschap gevestigd in een land met een hoog tarief en rentebaten aan een concernvennootschap aan een land met een laag tarief. De maatregel moet deze handelswijze tegen gaan werken.
Earningsstrippingsregeling en/of renaftrekbeperking vastgoedlichamen
De drempel van € 1 miljoen voor generieke renteaftrekbeperking komt voor vastgoedlichamen per 1 januari 2025 te vervallen. De maatregel zal voor veel vastgoedbeleggers (in BV's) erg nadelig uitwerken. In de voorjaarsnota 2023 en voorjaarsnota 2024 gaf het kabinet al aan dat er een regeling zat aan te komen. Grote beleggers splitsten hun vennootschappen in meerdere BV's of cooperaties zodat even zoveel keren gebruik kon worden gemaakt van de drempel van € 1 miljoen euro. Die truct wordt met name toegepast door vastgoed beleggers die aan derden verhuren. Artikel 15b wet VPB gaat vanaf 2025 regelen dat betaalde rente alleen nog maar aftrekbaar is tot 25% van de EBITDA. De drempel van € 1 miljoen wordt geschrapt.
Wat is een vastgoedlichaam?
Dit wordt in art. 15b Wet Vpb 1969 als volgt omschreven:
- als “gedurende minimaal de helft van het jaar de gecorrigeerde bezittingen van de belastingplichtige hoofdzakelijk (70% of meer van het gecorrigeerde balanstotaal)bestaan uit onroerende zaken of gedeelten daarvan voor zover die onroerende zaken of gedeelten daarvan rechtens dan wel in feite direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een ander dan een met de belastingplichtige verbonden lichaam of een met hem verbonden natuurlijk persoon.”
Opmerkingen
- voor de 70% norm moet gekeken worden naar de opgeschoonde balans, dus zonder eventuele dochter BV's en zonder vorderingen op de aandeelhouder en/of gelieerde BV's
- begrip onroerende zaken moet ruim worden uitgelegd, hieronder vallen oook appartementsrechten, rechten van opstal of erfpacht, economische eigendommen, etc.
Wat is een verbonden persoon bij vastgoedlichamen?
Bij verhuur aan verbonden vennootschappen speelt de regeling niet. Voor het begrip verbonden persoon wordt verwezen naar artikel 10a van de wet VPB 1969. Verbonden lichamen zijn:
- een dochter-bv waarin de vastgoed-bv een aandelenbelang van minimaal 1/3e heeft;
- een moeder-bv die een aandelenbelang van minimaal 1/3e in de vastgoed-bv heeft;
- een zuster-bv, waarbij de holding zowel in de zuster-bv als in de vastgoed-bv een aandelenbelang van minimaal 1/3e heeft;
- een bv die met de vastgoed-bv deel uitmaakt van een fiscale eenheid Vpb.
Verbonden natuurlijke personen zijn natuurlijke personen die, eventueel met partner. voor tenminste 33,3% een aandelenbelang heeft in de vastgoed BV of in een met hem verbonden lichaam.
Voorbeeld effect renteaftrekbeperking vastgoedlichamen vanaf 2025
Een BV verhuurt een bedrijfspand aan een derde. De waarde van het pand is € 600.000, de huur bedraagt € 40.000 per jaar. De directe kosten (verzekeringen, OZB etc.) bedragen € 10.000 per jaar. Op het pand is een financiering afgesloten van € 300.000, de rente bedraagt € 15.000 per jaar (5%). De EBITDA bedraagt € 30.000 (zijnde huur -/- directe kosten). De winst voor VPB bedraagt € 15.000. De VPB in 2024 bedraagt in dit geval € 3.000 per jaar. Vanaf 2025 is maximaal 25% van € 30.000 € 7.500 aan rente aftrekbaar. De VPB vanaf 2025 bedraagt in dit geval € 4.500. De niet aftrekbare rente mag de BV - onder voorwaarden - later nog een keer aftrekken, mits je in enig jaar maar genoeg winst in de BV maakt, bijvoorbeeld bij een latere verkoop met een (forse) boekwinst. Onder het begrip rente vallen de volgende kosten:
- afsluitkosten financiering
- afsluitprovisie
- valuta resultaten (op de hoofdsom)
- rente in financial lease of huurkoop contract
- wettelijke rente
- kosten renteafdekkingsinstrument
De kenmerken van de renteaftrekbeperking
De beknopte kenmerken van de renteaftrekbeperking in de vorm van een earningsstrippingmaatregel zijn als volgt:
- De earningsstrippingregeling beperkt de aftrekbaarheid over het saldo aan renten, dit is het verschil tussen de rentelasten over de schulden en de rentebaten over vorderingen.
- De aftrekbaarheid van een saldo aan renten is uitgesloten voor zover het meer is dan de hoogste van € 1.000.000 of 30% van de gecorrigeerde winst (EBITDA).
- Omdat de gecorrigeerde winst naar fiscale maatstaven wordt bepaald, worden vrijgestelde inkomsten niet meegerekend. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan voordelen die kwalificeren voor de deelnemingsvrijstelling (artikel 13 van de Wet Vpb 1969), voor de innovatiebox (artikel 12b van de Wet Vpb 1969) of voor de objectvrijstelling (artikel 15e van de Wet Vpb 1969).
Renteaftrekbeperking in Nederlandse wet
Bij de implementatie van de renteaftrekbeperking ex artikel 4 ATAD in artikel 15b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 heeft de Nederlandse wetgever er op diverse punten voor gekozen om verder te gaan dan de minimumnormen die voortvloeien uit ATAD1, omdat het kabinet niet alleen grondslaguitholling wenst te bestrijden, maar tevens een meer gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen nastreeft. De prikkel om te financieren met vreemd vermogen, omdat de vergoeding daarover aftrekbaar is – dit in tegenstelling tot de vergoeding over het eigen vermogen – wenst het Nederlandse kabinet te verminderen. Ook meent het kabinet met deze strenge implementatie de economie meer schokbestendig te maken, omdat de verhouding eigen vermogen versus vreemd vermogen naar verwachting zal verbeteren door de maatregel. Die ver(der)gaande implementatie komt onder meer tot uitdrukking in het bedrag tot welke het saldo aan renten in ieder geval aftrekbaar is, te weten geen € 3.000.000 zoals ATAD1 toestaat, maar slechts € 1.000.000.
Voorbeeld renteaftrekbeperkingen in de VPB
Ter illustratie van de beperking is onderstaand een voorbeeld uitgewerkt. De resultatenrekening van X B.V. geeft over een bepaald jaar het volgende beeld (bedragen x € 1.000):
| Salariskosten | € | 10.000 | Verkoopopbrengst | € | 16.100 |
| Rentekosten | € | 4.000 | Rentebaten | € | 1.000 |
| Energiekosten | € | 1.000 | Dividend | ||
| Afschrijvingen | € | 1.000 | - portfolio | € | 3.400 |
| Afwaardering | € | 500 | - deelneming Y B.V. | € | 2.000 |
| Dividendbelasting | € | 500 | |||
| Vennootschapsbelasting | € | 1.500 | |||
| Winst | € | 4.000 | |||
€ | 22.500 | € | 22.500 |
Zoals beschreven, is in artikel 15b Wet Vpb lid 1 is het volgende opgenomen:
“Bij het bepalen van de in een jaar genoten winst komt het saldo aan renten niet in aftrek voor zover dat meer bedraagt dan het hoogste van de volgende twee bedragen:
a. 30% van de gecorrigeerde winst;
b. € 1.000.000”.
Om de toe te passen drempel te bepalen, zal derhalve allereerst de gecorrigeerde winst moeten worden berekend. Op basis van bovenstaande resultatenrekening ziet de berekening van de gecorrigeerde winst er als volgt uit:
Winst volgens resultatenrekening € 4.000
- Bij: VPB en dividendbelasting (art. 10 Vpb) € 2.000
- Af: deelnemingsdividend (art. 13 Vpb) € 2.000
Winst zonder toepassing van art. 15b Vpb € 4.000
- Bij: afschrijvingen € 1.000
- Bij: saldo aan rente € 3.000
Gecorrigeerde winst (EBITDA) € 8.000
Op basis van de gecorrigeerde winst bedraagt de drempel 30% van € 8.000 = € 2.400. Dat wil zeggen dat van het saldo aan rente van € 3.000 een bedrag van € 600 aan rente niet in aftrek komt. Omdat de winst zonder toepassing van artikel 15b € 4.000 bedraagt (daarop is het volledige saldo aan renten in mindering gebracht), wordt de winst nu op grond van artikel 15b Wet Vpb vastgesteld op € 4.600.000.
Samenloop met innovatiebox
Stel nou dat de winst als zodanig berekend vóór toepassing van artikel 15b tot een bedrag van € 2.000 wordt ondergebracht in de innovatiebox, dan resulteert dit in de volgende uitwerking:
Winst volgens resultatenrekening: € 4.000
- Af: innovatiebox (art. 12b Vpb) € 14.40
- Bij: VPB en dividendbelasting (art. 10 Vpb) € 2.000
- Af: deelnemingsdividend (art. 13 Vpb) € 2.000
Winst zonder toepassing van art. 15b Vpb € 2.560
- Bij: afschrijvingen € 1.000
- Bij: saldo aan rentekosten € 3.000
Gecorrigeerde winst (EBITDA) € 6.560
Op basis van de gecorrigeerde winst bedraagt de drempel 30% van € 6.560 = € 1.968. Dat wil zeggen dat van het saldo aan renten van € 3.000 een bedrag van € 1.968 wel en € 1.032 niet in aftrek komt, omdat de winst zonder toepassing van artikel 15b Vpb € 2.560 bedraagt (daarop is het volledige saldo aan renten in mindering gebracht), wordt de winst nu vastgesteld op € 3.592.000.
Door het benutten van de innovatiebox valt in dit geval de belastbare winst € 1.008.000 lager uit, hetgeen een belastingbesparing van ruim € 250.000 met zich meebrengt.
Noot fiscaal jurist inzake renteaftrekbeperking
Het bedrag aan rente dat niet voor aftrek in aanmerking kan worden genomen, wordt voortgewenteld naar het volgende jaar (art. 15b lid 5). Het saldo komt in dat volgende jaar in aftrek voor zover er in dat jaar met toepassing van de drempel én na aftrek van het saldo aan renten van dat betreffende jaar zelf, nog ruimte over is voor aftrek. De niet voor aftrek in aanmerking gekomen rente kan onbeperkt voorwaarts worden voortgewenteld.
Belangrijk aandachtspunt aftrekbeperking
Vanwege de invoering van de earningsstrippingregel als generieke renteaftrekbeperking zijn per 31 december 2018 enkele specifieke aftrekbeperkingen vervallen. Het gaat om de aftrekbeperking voor bovenmatige deelnemingsrente (art. 13l Wet VPB 1969) en de aftrekbeperking voor bovenmatige overnamerente (art. 15ad Wet VPB 1969). Daarnaast is de beperking van de verrekening van verliezen voor houdster- en financieringsmaatschappijen (art. 20 lid 4-6 Wet VPB 1969) afgeschaft, hetgeen behoorlijke impact kan hebben op met name de financierings- en / of holdingstructuur van concerns. Laat u daarom tijdig adviseren over hoe hiermee om te gaan en de beperking van renteaftrek te beperken.
Advies fiscaal jurist nodig?
Heeft u na het lezen van dit artikel vragen of bent u opzoek naar meer informatie, neem dan gerust eens vrijblijvend contact op met de auteurs van dit artikel.
Voorkoming van dubbele belasting bij piloten
Op onze site hebben wij al vaker aandacht besteed aan dit vraagstuk. Vorige maand hebben wij hierover geschreven in relatie tot een piloot die gestationeerd was in Frankrijk. Zie het artikel .In maart 2018 hebben we geschreven over de Nederlandse piloot die voor zijn werkgever EasyJet is gestationeerd in Italië, (zie artikel). Op deze uitspraak is nu een vervolg gekomen door een uitspraak in hoger beroep van het Gerechtshof Den Bosch,
Geen belastingverdrag dan ook geen voorkoming dubbele belasting
In een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam d.d. 22 april 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:1190) ging het om Henk die in Nederland woont en werkzaamheden verricht voor een werkgever in Guernsey. In 2019 werkt hij (3 maanden) voor deze werkgever in Brunei, met dit land heeft Nederland geen belastingverdrag gesloten. In Brunei wordt er geen belasting geheven. De werkgever van Henk is gevestigd in Guernsey (buiten de EU). Er wordt geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verstrekt door de inspecteur, Henk is het hier niet mee eens. In artikel 38 lid 2 AWR staat wellicht nog een uitweg maar dan moet de werkgever binnen de EU of EER gevestigd zijn. Volgens Henk werkte hij voor een Deense werkgever, edoch dit wordt niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft verder terecht aan haar oordeel toegevoegd dat ook uit de parlementaire geschiedenis en het daarop gebaseerde arrest van de Hoge Raad van 15 juli 1996 (ECLI:NL:HR:1996:AA1908) niet valt af te leiden dat in gevallen als het onderhavige een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend dient te worden. Van de aldaar besproken uitzondering voor gevallen waarin een werknemer door een EU of EER werkgever wordt uitgezonden naar een ander land, is in het onderhavige geval evident geen sprake. Conclusie "geen recht op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting".
Nieuws 2025
In 2025 is een nieuw besluit inzake de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting ingevoerd. In dit besluit zijn beleidswijzigingen aangebracht en nieuwe beleidswijzigingen opgenomen.
Voorkoming dubbele belasting ook voor opgebouwde verlofdagen
De aftrek ter voorkoming van dubbele belasting betreft niet alleen het loon over de fysiek aan boord (bijvoorbeeld van schip of vliegtuig) gewerkte dagen maar ook over de verlofdagen die de werknemer met zijn werk opbouwt en op een later moment opneemt, dit aldus een uitspraak van de Rechtbank Noord Nederland d.d. 20 mei 2025 ECLI:NL:RBNNE:2025:1923. In dit voorbeeld ging het om iemand die op een schip werkte en aftrek ter voorkoming van dubbele belasting claimde. In de kern gaat het om de uitleg van belastingverdragen, meestal staat hierin opgenomen "de ter zake daarvan verkregen beloning". De inspecteur was van mening dat dit enkel op "geld" ging en dus niet om verlofuren. De rechtbank keek bij deze uitspraak mede naar een arrest van de Hoge Raad d.d. 23 september 2005 ECLI:NL:HR:2005:AP1424, omdat de belastingplichtige 12 uur per dag werkte.
Piloot en voorkoming dubbele belasting
Henk woont in Nederland en werkt als piloot in Turkije. Voor het turkse inkomen claimt Henk volgens de vrijstellingsmethode de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Volgens het belastingverdrag tussen Nederland en Turkije moet echter de verrekeningsmethode worden toegepast. Het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden komt op 9 augustus 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:4739) komt tot een opmerkelijke uitspraak. Het hof oordeelt dat het Nederlandse verdragsbeleid is gericht op het principe van kapitaalimportneutraliteit en dat mede daarom voor actieve inkomsten een vermindering van dubbele belasting moet worden verleend volgens de vrijstellingsmethode. De staatssecretaris heeft dit in het golfstatenbesluit ook goedgekeurd, hierin staat dat voor piloten de vrijstellingsmethode moet worden toegepast. De reden is dat ondermeer Bahrein en Oman geen inkomstenbelasting heffen en dan valt er niks te verrekenen voor in Nederland wonende werknemers die in die staten werken. Hierdoor zouden inkomsten uit die staten effectief in Nederland worden belast, dit is volgens het besluit onwenselijk. De regeling geldt voor werknemers die offshore werken of voor personeel van internationale lucht en scheepvaarttuigen. Er is geen objectieve en/of redelijke rechtvaardiging voor een ongelijke behandeling in de situatie met Turkije. Op het golfstatenbesluit valt wel wat af te dingen, veel belastingverdragen kennen geen kapitaalimportneutraliteit, denk hierbij aan bestuurders, piloten, sporters en artiesten, waarbij vaak de belastingverrekening wordt toegepast.
De Hoge Raad heeft op 12 juni 2026 - in lijn met de mening van de advocaat-Generaal Pauwels (ECLI:NL:PHR:2025:1043) - geconcludeerd dat een in Nederland woonachtige piloot die werkt voor een Turkse luchtvaartmaatschappij geen beroep kan doen op de vrijstellingsmethode uit het zogenoemde Golfstatenbesluit.
De Hoge Raad heeft (ECLI:NL:HR:2026:917) geoordeeld dat het Gerechtshof ten onrechte het beroep van X op het gelijkheidsbeginsel - in het kader van het golfstatenbesluit - heeft gehonoreerd. De staatssecretaris heeft volgens ons hoogste rechtscollege een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van begunstigend beleid met betrekking tot toepassing van belastingverdragen.
Nieuws mei 2023 nieuw besluit voorkoming dubbele belasting
Als u in Nederland woont wordt u voor uw wereldinkomen in Nederland belast. Voor het in het wereldinkomen begrepen buitenlandse inkomen wordt het heffingsrecht (op grond van belastingverdragen of andere regelingen) vaak toegewezen aan het andere land. Nederland verleent hierover een vermindering tot het voorkomen of vermijden van dubbele belasting. In het verdrag staat meestal opgenomen voor welke inkomsten - op welke wijze - een voorkoming wordt gegeven. Dit kan volgens de vrijstellingsmethode of de verrekeningsmethode. Dit kan worden aangevuld met een verrekening van buitenlandse bronbelasting. Er is sinds 2023 een nieuw besluit dat het oude besluit uit 2008vervangt. Het nieuwe besluit kunt u hier raadplegen.
Casus voorkoming bij piloten
In het kort gaat het om de vraag of een piloot die inwoner is van Nederland recht heeft op voorkoming van dubbele belasting voor de inkomsten die hij heeft ontvangen uit dienstbetrekking bij EasyJet, waarbij zijn thuisbasis Italië is, Milaan / Malpensa om precies te zijn.
Rechtbank Zeeland-West Brabant heeft al geoordeeld dat dit het geval is, Hof Den Bosch heeft in haar uitspraak bevestigd dat er recht bestaat op voorkoming van dubbele belasting. Deze uitspraak maakt des te meer duidelijk hoe complex en ongunstig de situatie kan zijn voor piloten, maar ook voor cabinepersoneel en zeevarenden. In de onderhavige casus is er namelijk nog steeds sprake van gedeeltelijke dubbele belasting.
Welk verdragsartikel is van toepassing?
In meerlandensituaties moet altijd bekeken worden welk verdragsartikel van toepassing is, van daaruit kan worden bepaald welk land heffingsbevoegd is en of er recht is op voorkoming van dubbele belasting.
Wanneer de luchtvaartmaatschappij niet gevestigd is in het woonland of het thuisland, wordt niet voldaan aan de definitie voor internationaal verkeer zoals deze in de meeste verdragen staat, met uitzondering van Frankrijk. Gevolg hiervan is dat niet het artikel van toepassing is dat speciaal bedoeld is voor werknemers in het internationale verkeer (meestal artikel 15 lid 3), maar het artikel voor de gewone werknemer (meestal artikel 15 lid 1 en lid 2). Dit laatste is in de casus met EasyJet en Italië ook het geval en speelt ook bij werknemers van Ryan Air, Norwegian, etc.
De hoofdregel is dan dat het woonland belasting mag heffen tenzij de werknemer meer dan 183 dagen per jaar in het werkland verblijft of zijn inkomen ten laste komt van een in het werkland gevestigde vaste inrichting. Het is dus zaak om te beginnen met dagen tellen, voldoe je aan de 183-dagenregel, dan is verder kijken niet nodig en bestaat er recht op voorkoming van dubbele belasting. Voldoe je hier niet aan, dan wordt het lastiger want dan moet je aantonen dat er sprake is van een vaste inrichting in Italië. De EasyJet piloot in deze casus verbleef 73 dagen in Italië en moet dus aantonen dat er sprake is van een vaste inrichting.
Eigenlijk een onmogelijke bewijslast voor een werknemer van een grote luchtvaartorganisatie. Je zou mogen verwachten dat de verschillende landen dit in onderling overleg samen met de werkgever afstemmen (vooral binnen Europa) om te voorkomen dat de werknemer de dupe wordt. Dat gebeurt blijkbaar niet. In de onderhavige casus is de piloot er toch in geslaagd om aan te tonen dat EasyJet een vaste inrichting in Italië heeft. Gevolg: er bestaat recht op voorkoming van dubbele belasting.
Voor welke inkomsten voorkoming van dubbele belasting?
Nu duidelijk is dat er recht bestaat op voorkoming van dubbele belasting, is de vraag waarover de voorkoming moet worden berekend. In deze casus is de voorkoming berekend naar evenredigheid van het aantal door belanghebbende in Italië verbleven dagen ten opzichte van het totaal aantal gewerkte dagen. Feitelijk heeft belanghebbende een contract gesloten met de Italiaanse branch en is op zijn volledige inkomen in Italië belasting ingehouden.
De Nederlandse Belastingdienst geeft in dit geval dus voorkoming van dubbele belasting op het inkomen dat ziet op de nationale vluchten en op de internationale vluchten. Volgens de letter van het belastingverdrag is Italië echter alleen bevoegd om te heffen over het inkomen dat ziet op de in of boven Italië gewerkte dagen. Voor de werkzaamheden buiten Italië (internationaal verkeer) heeft Nederland het heffingsrecht. Wanneer Nederland dit consequent toepast, ontstaat er dubbele heffing omdat Italië blijkbaar niet bereid is om het inkomen dat ziet op de internationale vluchten vrij te stellen.
Hoop voor de toekomst van piloten die werkzaam zijn in het buitenland
In de toekomst zal dit probleem hopelijk minder vaak voorkomen. In het nieuwe OESO-modelverdrag uit 2017 is de definitie van internationaal verkeer aangepast. Het is daarin niet langer noodzakelijk dat de feitelijke leiding van de maatschappij is gevestigd in het woonland of het werkland, eigenlijk de situatie die nu al bestaat met Frankrijk. Hierdoor is een opsplitsing van het inkomen niet langer nodig en kan of het woonland of het werkland (thuisbasis) heffen. Zolang er echter geen nieuwe verdragen zijn of de OESO-landen gezamenlijk besluiten om zich hieraan te conformeren, blijft de fiscale positie van een piloot, cabinepersoneel of een zeevarende een uitdaging.
KLM niet aansprakelijk voor naheffing zwitserse piloten
Een werknemer is zelf verantwoordelijk voor de correcte nakoming van zijn of haar fiscale verplichtingen. Een werkgever heeft daarbij een zorgplicht en geen adviserende taak. Een werkgever kan wel - uit hoofde van goed werkgeverschap - onder omstandigheden verplicht worden om een werknemer te informeren over een wijziging van de fiscale regels (of een belastingverdrag). In een lang lopende procedure ging het om piloten die in Zwitserland wonen en voor KLM werken. In 2012 is het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland aangepast. Vanaf dat moment moeten piloten - volgens de belastingdienst - loon/ en inkomstenbelasting in Nederland betalen. Op grond van een vrijstellingsverklaring (uit de negentiger jaren) is door de KLM geen loonheffing ingehouden. Dit gebeurde ook niet toen de KLM wist van de verdragswijziging. De werknemers werden ook niet geinformeerd. De belastingdienst heeft navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd. De piloten stelden de KLM hiervoor aansprakelijk, dit leek niet succesvol (Gerechtshof Amsterdam d.d. 24 mei 2022 ECLI:NL:GHAMS:2022:1569). De Hoge Raad was op 22 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1276) kritisch en verwees de zaak naar het Gerechtshof Den Haag. Het Gerechtshof Den Haag deed op 11 februari 2025 uitspraak (ECLI:NL:GHDHA:2025:126). Het hof concludeert dat de piloten in Zwitserland wisten of behoorden te weten dat hun KLM inkomen in Nederland aan inkomstenbelasting onderhevig zou moeten zijn. De KLM heeft volgens het hof niet in strijd met de vereisten van goed werkgeverschap gehandeld. De piloten hebben jegens de KLM geen recht op schadevergoeding.
Wat kunnen wij - in fiscale zin - voor piloten betekenen?
- Advisering inzake welke landen fiscaal gunstig zijn voor een emigratie
- Belastingadvies inzake eigen woning / vermogen
- Verzorgen aangifte inkosmtenbelasting (M Biljet)
- Afstemming en overleg met de Belastingdienst
- Indienen vrijstelling loonheffing
- Afstemming buitenlandse fiscaal jurist inzake emigratie
Waar betaalt een piloot belasting?
Op 11 februari 2019 heeft Rechtbank Noord Nederland een uitspraak gedaan waaruit blijkt hoe moet worden omgegaan met inkomsten van een piloot (of andere werknemer) die vliegt in het internationale verkeer vanuit Frankrijk. Het is van belang dat in dit geval in Frankrijk wordt gevlogen omdat het belastingverdrag met Frankrijk afwijkt van de meeste andere belastingverdragen die Nederland heeft gesloten.
Feiten inzake deze piloot
Van belang is dat de piloot fiscaal inwoner is van Nederland en het geschil betrekking heeft op zijn werkzaamheden vanuit Frankrijk.
De piloot is in dienst bij een soort uitzendbureau gevestigd in Engeland en vliegt voor een internationale maatschappij die hem (deels) stationeert in Frankrijk. Deze constructie zien wij vaak in de praktijk, ook in combinatie met andere landen.
Belastingverdrag met Frankrijk
De piloot in kwestie vliegt in het internationale verkeer. In dat geval kijk je in het belastingverdrag in het daarvoor bestemde artikel voor werknemers die in het internationale verkeer werken in de luchtvaart dan wel zeevaart, meestal artikel 15 lid 3.
Er zijn dan twee smaken: ofwel het woonland mag belasting heffen, óf het land waar de feitelijke leiding van de maatschappij waarvoor wordt gevlogen mag heffen. In het verdrag tussen Nederland en Frankrijk staat dat het woonland mag heffen. Hierdoor hoeft het woonland geen voorkoming van dubbele belasting te geven, maar moet Frankrijk afzien van belastingheffing.
In het verdrag met Frankrijk is iets bijzonders aan de hand. Het verdrag kent namelijk geen definitie van het begrip internationaal verkeer. Hierdoor vallen alle werkzaamheden in het internationale verkeer onder dit artikel, ook wanneer je vliegt voor een niet in Frankrijk gevestigde maatschappij.
Piloot woont in Verenigd Koninkrijk en niet in Nederland
In een procedure voor het Gerechtshof Amsterdam d.d 21 april 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:1285) ging het om de Tiebreaker rule bij een piloot. Henk werkt als piloot voor een Maltese luchtvaartmaatschappij en is gestationeerd in het Verenigd Koninkrijk maar staat nog ingeschreven bij zijn ouders in Nederland. Henk krijgt geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting (wonen Nederland). De vraag is waar Henk woont (duurzame band). Het Gerechtshof is het met Henk eens, Henk woont in het VK. Zijn persoonlijke en economische belangen met het VK zijn het grootst. Het zwaarst hierbij weegt dat zijn vriendin in het VK woonde en hier ook zijn vriendenkring het grootst is. Dat Henk ook vrienden in Nederland had en zijn ouders hier wonen weegt minder zwaar. Het Hof verwijst terecht naar een oude uitspraak van de Hoge Raad d.d. 16 januari 2009 ECLI:NL:HR:2009:BP1466 inzake de dubbele woonplaats. Op basis van het belastingrecht van het Verenigd Konink rijk, waarbij het hof in rechtsoverweging 4.10 aandacht besteedt aan de statutory residence test, automatic residence test, sufficient ties test en automatic overseas tests, komt het hof tot het oordeel dat de belanghebbende in het Verenigd Koninkrijk als binnenlandse belastingplichtige heeft te gelden.
Daarna komt het Hof via de tie breaker rule (in het verdrag) tot een woonplaats in het VK. Vrienden en de vriendin geven hierbij de doorslag, een mooie menselijke maat! Er is afgezien van beroep in cassatie, de inspecteur legt zich er dus bij neer.
Piloot woont in Zwitserland en moet in Nederland belasting betalen
Het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 28 mei 2025 ECLI:NL:GHSHE:2025:1492 deed uitspraak over een in Zwitserland wonende piloot die sinds 1991 voor de KLM werkte. Hij werkte als (intercontinentale) piloot en verbleef zelden op Nederlands grondgebied. De piloot is af en toe bij zijn werkgever (KLM) voor trainingen. Kern is dat het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland in 2012 is gewijzigd. De piloot deed over 2012 - 2015 geen aangifte en daarom heeft de inspecteur navorderingsaanslagen opgelegd. Volgens het Hof is sprake van een nieuw feit, hierdoor gaat de deur voor het opleggen van aanslagen open. Ook is het Hof van mening dat de werkelijke leiding van KLM in Nederland is gelegen (en niet in Frankrijk). Waarom de belastingdienst zich niet heeft gemeld bij de werkgever (voor inhouding) loonbelasting wordt niet beantwoord. Een beroep op het evenredigheidsbeginsel (belangenafweging) gaat volgens de rechter niet op, de inspecteur mag volgens het hof kiezen waar de "fiscale rekening" wordt neergelegd. Ook de verwijziging naar een uitspraak van de Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 31 maart 2023 ECLI:NL:RBZWB:2023:2215 helpt hierbij niet. Dat in dit geval helemaal geen belangen zijn afgewogen maakt volgens het hof niet uit. Dat de piloot (vlak voor zijn pensioen) de aanslagen wellicht niet kan betalen is een andere discussie, aldus het hof. Er wordt wel een immateriele schadevergoeding van € 4.000 toegekend (redelijke termijn ex Hoge Raad d.d. 31 januari 2020 ECLI:NL:HR:2020:154) , deze pleister op de grote wond helpt niet echt. De uitspraak is redelijk in lijn met de uitspraak in eerste aanleg bij de Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 22 februari 2023 ECLI:NL:RBZWB:2023:1018.
Dat het heffingsrecht op grond van het nieuwe belastingverdrag aan Zwitserland gaat toekomen valt nog te billijken. Dat de inspecteur de claim niet heeft neergelegd bij de KLM is lastig te begrijpen. Volgens het Gerechtshof Den Haag d.d. 11 februari 2025 ECLI:NL:GHDHA:2025:126 is de KLM niet aansprakelijk voor de fiscale schade. Een werknemer is volgens het Hof zelf verantwoordelijk voor de correcte nakoming van zijn fiscale verplichtingen, de werkgever heeft daarbij enkel een adviserende taak. De Hoge Raad d.d. 22 september 2023 ECLI:NL:HR:2023:1276 heeft het hof gevraagd dit nader te onderzoeken "wat is goed werkgeverschap en wat niet en had de KLM een waarschuwings- en informatieplicht t.a.v. haar werknemers?".
Hoe werkt de belastingheffing met overige landen
Wanneer de piloot niet in Frankrijk had gevlogen, dan had de belastingheffing anders kunnen uitpakken. Gebruikelijk is namelijk dat er wel een definitie van internationaal verkeer in het verdrag staat. Hierin is bepaald dat voor de uitleg van een belastingverdrag slechts sprake is van internationaal verkeer wanneer de feitelijke leiding van de maatschappij in één van beide landen is gelegen. Hierdoor is dit artikel alleen van toepassing wanneer je vliegt voor een maatschappij waarvan het hoofdkantoor of een zelfstandig opererend onderdeel van die maatschappij in het woon- of werkland is gevestigd.
In de constructie zoals die hierboven is beschreven is de vliegmaatschappij niet gevestigd in het woonland en ook niet in het werkland. In dat geval moet je niet kijken naar het artikel voor internationaal verkeer, maar naar het artikel dat geldt voor "gewone" werknemers, vaak artikel 15 lid 1 en 2 van het verdrag.
Daarin staat dat in principe het woonland mag heffen tenzij je meer dan 183 dagen hebt verbleven in het werkland of indien er sprake is van een zogenaamde vaste inrichting in het werkland waaraan de loonkosten van de werknemer toegerekend zouden moeten worden. Als je aan één van beide voorwaarden voldoet, moet het woonland (Nederland) voorkoming van dubbele belasting verlenen. In de praktijk zie je dit bij bijvoorbeeld Easyjet, Ryanair en Norwegian.
Standpunt fiscus inzake piloten en belasting
De Nederlandse fiscus onderschrijft bovenstaande lezing. Waar in de praktijk over gediscussieerd wordt is de vraag of er wel sprake is van een vaste inrichting van de vliegmaatschappij in het werkland. In het geval van Easyjet Italië is hier uitgebreid over geprocedeerd, zie onderstaande gerelateerde artikelen. Hof Den Bosch heeft daarbij bepaald dat er wel degelijk een vaste inrichting is in Italië voor Easyjet. De Belastingdienst lijkt dit aan de Hoge Raad te gaan voorleggen.
Voor het aantal dagen verblijf maakt voornoemde discussie niet uit. Voldoe je aan het criterium van 183 dagen, dan heb je recht op voorkoming van dubbele belasting. Het is daarom van belang om goed bij te houden hoeveel dagen je in je werkland bent geweest. Dit betreft alle dagen, niet alleen werkdagen.
Tot slot
Wij hebben uitgebreide ervaring met alles wat te maken heeft met fiscaliteit en sociale verzekeringsplicht bij werknemers in het internationale verkeer. Mocht u advies nodig hebben op dit gebied of hulp willen bij het opstellen van uw aangifte, dan kunt u contact opnemen met één van de auteurs van dit artikel.
Wat kunnen wij - in fiscale zin - voor piloten betekenen?
- Advisering inzake welke landen fiscaal gunstig zijn voor een emigratie
- Belastingadvies inzake eigen woning / vermogen
- Verzorgen aangifte inkosmtenbelasting (M Biljet)
- Afstemming en overleg met de Belastingdienst
- Indienen vrijstelling loonheffing
- Afstemming buitenlandse fiscaal jurist inzake emigratie
Emigratie en fiscale woonplaats
Waar iemand fiscaal woont, is vaak onderwerp van onderzoek en discussie met de Belastingdienst. Het komt voor dat iemand gevoelsmatig in het buitenland woont, maar dat de Nederlandse fiscus hier anders over denkt. Hof Den Haag heeft in mei 2018 een uitspraak (ECLI:NL:GHDHA:2018:1780) gedaan die heel mooi aangeeft hoe hier naar gekeken dient te worden. De Hoge Raad heeft op 21 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2420) deze uitspraak bevestigd.
Wanneer ben je inwoner volgens de nationale wetgeving?
De vraag die uiteindelijk beantwoord moet worden is waar iemand belastingplichtig is voor zijn wereldinkomen en vermogen. Wanneer er banden zijn met meerdere staten geeft een belastingverdrag de richtlijnen op basis waarvan de vraag beantwoord kan worden. Om te kwalificeren als inwoner volgens een belastingverdrag is het noodzakelijk dat je ingevolge de wetgeving van een staat onderworpen bent aan belasting op grond van een woonplaats, verblijf of soortgelijke omstandigheid.
Voor Nederland is dit bepaald in artikel 4 van de Algemene Wet Rijksbelastingen (AWR). Hierin staat dat waar iemand woont naar omstandigheden wordt beoordeeld. Uit jurisprudentie blijkt dat wanneer er sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland, er sprake is van inwonerschap in Nederland. Hierdoor word je vrij snel aangemerkt als inwoner van Nederland.
Fiscale woonplaats ondernemer België
Henk is Nederlander en hij stelt dat hij medio 2015 is geëmigreerd naar België. De Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 25 februari 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:1232) is het met de inspecteur eens dat Henk (in 2017 en 2018) nog gewoon in Nederland woont. De duurzame band van persoonlijke aard is met Nederland het grootst". De belangrijkste redenen zijn:
- De nieuwe partner van Henk woont in Nederland
- De kinderen van Henk wonen nog in Nederland
- Henk heeft een woning in Nederland en
- Henk is eigenaar van meerdere Nederlandse woningen in Nederland
- Henk is eigenaar van meerdere ondernemingen in Nederland.
Het box 2 inkomen wordt met ruim € 4.400.000 verhoogd en de conserverende aanslag komt te vervallen. Met alle gezeur omtrent (a) misbruik van recht (b) niet verstrekken relevante stukken (c) stukken met verschoningsrecht, doet de rechter niks.
Fiscale woonplaats werknemer Brunei
Piet is Nederlander en werkt voor cypriotische werkgever in Brunei (periode 2008-2011). Piet is van mening dat hij in 2009 in Brunei woont. Via een derdenonderzoek komt de belastingdienst Piet op het spoor, in 2011 volgt een navorderingsaanslag inkomstenbelasting (met vergrijpboete). Deze zaak was redelijk kansloos omdat
- Piet in Nederland bleef ingeschreven (deel van het jaar),
- hij in Nederland een hoofdverblijf had dat hem ter beschikking stond,
- hij ook nog in Nederland werkte voor Nederlandse werkgever,
- het in Nederland verzekerd was voor de zorgverzekeringen en
- hij in Brunei een woning huurde (tijdelijk) voor een korte periode
De Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 11 september 2023 (ECLI:NL:RBZWB:2023:6396) en het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 26 februari 2025 (ECLI:NL:GHSHE:2025:544) . De aanslag blijft in stand (dus woonplaats Nederland) en de vergrijpboete wordt vernietigd. Ook is geen sprake van resultaat uit overige werkzaamheden en/of winst uit onderneming.
Omtrent de boete (ruim € 50.000) stelt de inspecteur eerst dat Piet een "boefje is en listig gedrag heeft vertoodn", later wordt dit aangepast in "voorwaardelijke opzet" en vlak voor zitting (10 dagen stuk) verder aangepast in "grove schuld". De rechtbank acht opzet niet bewezen, immers geen sprake van " willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaarden om te weinig belasting te betalen". Het beroep op grove schuld (vlak voor zitting) is te laat.
Fiscale woonplaats directeur CFO van bedrijf
Henk werkt sinds 2012 voor een internationaal bedrijf en woont in Monaco. Het hoofdkantoor wordt in 2016 verplaatst naar Nederland. Henk is van mening dat hij sinds april 2016 in Nederland woont (en dus niet eerder). Volgens de Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 21 april 2022 (ECLI:NL:RBZWB:2022:2156) woonde Henk in 2016 niet in Nederland. Het Gerechtshof 's Hertogenbosch kwam op 10 juli 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:2230) tot een ander oordeel, Henk woonde in geheel 2016 in Nederland omdat hij ook voor de verhuizing naar Nederland een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland zou hebben. De advocaat Generaal (Parket Hoge Raad) geeft op 25 april 2025 een uitgebreide toelichting op het woonplaatsbegrip en het open karakter van artikel 4 AWR (ECLI:NL:PHR:2025:500) . Bij discussie over de woonplaats en een mogelijke woonplaats in 2 landen moet de tiebreaker regel uitleg geven. Er wordt in deze casus met name gekeken naar de duurzame band met Nederland (Zie ook Hoge Raad 9 juni 2023 ECLI:NL:HR:2023:873). Al met al zal de fiscale woonplaats discussie altijd een feitelijke beoordeling zijn, deskundig advies (en hierna handelen en leven) is essentieel.
Fiscale woonplaats voetballer
De Rechtbank Den Haag doet op 20 maart 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:6307) uitspraak over de woonplaats van een voetballer. De Rechtbank is van mening dat een voetballer (met familie in Nederland) in Duitsland woont en niet (zoals de inspecteur stelt) in Nederland. De voetballer heeft een woning in Nederland en in Duitsland, Henk (fictieve naam) stond nog ingeschreven bij de gemeente in Nederland. Henk is profvoetballer (salaris € 1,5 mln per jaar) en speelt na de zomer (vanaf augustus 2018) voor een Duitse voetbalclub. In 2022 maakt hij een transfer naar een andere Duitse voetbalclub. De vraag is waar Henk in 2018 tot en met 2020 woont. Volgens de inspecteur woont Henk in Nederland. Henk maakt volgens de rechtbank voor 2018 aannemelijk dat hij in Duitsland woont en voor de jaren erna is sprake van "doet blijken". Henk verbleef namelijk vanaf dat moment met zijn vriendin in een huurwoning in Duitsland en de afstand tot de huurwoning in Nederland was veel te groot. Duitsland ziet Henk ook als inwoner van Duitsland. De huurovereenkomst voor de woning in Nederland is afgesloten voordat Henk het contract in Duitsland sloot. Henk moet wel over zijn box 3 vermogen in Nederland belasting betalen (maar dat is gebruikelijk).
Wat waren de aanwijzigingen voor een woonplaats in Nederland?
- Nog ingeschreven in de basisadministratie
- Woning in Nederland (eerst een huurwoning en vanaf 2022 een koopwoning)
- Familie van Henk woont in Nederland
- Nederlandse bankrekening
- Abonnementen in Nederland (Ziggo, Netflix, mobiele telefoon, sportschool, huur woning, diverse verzekeringen, etc.
Wat waren de aanwijzingen voor een woonplaats in Duitsland?
- Dienstbetrekking in Duitsland
- Ziektekostenverzekering in Duitsland
- Auto op Duits kenteken
- Verklaringen van derden dat Henk meestal in Duitsland was voor zijn werk
- Inschrijving Duits woonadres
- Certificate of residence van de Duitse belastingdienst
De Rechtbank weegt alle omstandigheden en kijkt hierbij met name naar:
- Hoge Raad d.d. 4 maart 2011 ECLI:NL:HR:2011:BP6285 : Bij de uitleg van het woonplaatsbegrip uit artikel 4 van de AWR moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er volgens vaste rechtspraak op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en het desbetreffende land. Hierbij dient geen bijzondere betekenis te worden toegekend aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals bijvoorbeeld iemands sociale of economische binding met een land.
- Hoge Raad d.d. 12 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6824: Verder geldt dat de duurzame band met één land niet sterker hoeft te zijn dan de band met een ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven, ofwel het middelpunt van iemands persoonlijke levensbelangen, zich in Nederland bevindt. Daardoor bestaat (in uitzonderlijke gevallen) de mogelijkheid dat iemand zowel in Nederland als in een ander land woont.
De feiten afwegende komt de Rechtbank (RO 36) tot de volgende conclusie:
De rechtbank is op grond van de onderhavige feiten en omstandigheden, mede in onderlinge samenhang beschouwd, van oordeel dat - zoals verweerder heeft gesteld - eiser in de onderhavige periode een (bepaalde) duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft gehad. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit en beschikte in Nederland onder meer over (huur)woning 2 en over de (te bouwen) woning 3. Verder woont familie van eiser in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank kan evenwel niet worden gezegd dat eiser daarmee in de onderhavige periode, alle omstandigheden in aanmerking nemend, (alleen) in Nederland woonde. Eiser woonde, zoals ook hierna zal worden geoordeeld, in die periode namelijk in Duitsland. Hij werkte daar fulltime en heeft het overgrote deel van zijn tijd (met de vriendin) in Duitsland doorgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarmee geen sprake zijn van de zich alleen in uitzonderlijke gevallen voordoende situatie van een dubbele woonplaats. Echter, ook als ervan wordt uitgegaan dat eiser in de onderhavige periode (ook) in Nederland woonde, is eiser voor de toepassing van het Verdrag in de onderhavige periode inwoner van Duitsland. Kijkende naar de Tie Breaker regel (artikel 4 derde lid verdrag) zijn de persoonlijke en economische banden met Duitsland het grootst.
Duurzame band met Bulgarije maar fiscale woonplaats in Nederland
In een uitspraak van de Rechtbank Gelderland op 16 juli 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:4520) stond de vraag centraal of de erflater (geboren in 1960) in 2014 en 2015 in Nederland woonachtig was. De rechtbank concludeerde dat dit het geval was, ondanks dat de erflater ook banden had met Bulgarije.
- Erflater was in gemeenschap van goederen getrouwd en ze waren sinds 1998 eigenaar van een woning in Nederland.
- In 2009 is erflater met zijn echtgenote geemigreerd en uitgeschreven uit de basisadministratie.
- In 2013 koopt erflater een woning in Bulgarije. Erflater is in Bulgarije niet geregistreerd als inwoner.
- In het kader van een boekenonderzoek komt de inspecteur in 2013 bij de woning. Tijdens het gesprek geven beide personen aan om in 2014 weer in Nederland te gaan wonen.
- In 2016 is erflater plotseling overleden.
- In Vanaf 2017 woont de echtgenote (volgens de basisadministratie) weer op dit adres.
- In geschil is of erflater in 2014 en 2015 in Nederland woont en hier aangifte inkomstenbelasting moet doen.
De vraag is of erflater een duurzame band met Nederland heeft (zie ook Hoge Raad d.d. 12 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6824). De wetgever heeft geen bijzondere betekenis willen toekennen aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals bijvoorbeeld iemands sociale of economische binding met een land (zie ook Hoge Raad d.d. 21 januari 2011 ECLI:NL:HR:2011:BP1416). Uit het beleid van de belastingdienst volgt dat er wordt gekeken naar; het duurzame tehuis, verblijfplaats gezin en belastingplichtige, sociale banden, bedrijfsmatige binding, financiele belangen, bestedingspatroon, intenties, inschrijving basisadministratie en nationaliteit.
Het betaalgedrag van de erflater, de beschikbare woning en auto’s in Nederland, zijn familiebanden, vastgoed in Nederland, zijn aanwezigheid bij het boekenonderzoek en zijn functie als bestuurder van Nederlandse vennootschappen speelden hierbij een belangrijke rol. De erfgenamen stellen dat erflater in Bulgarije woont omdat hij daar met zijn vriendin (en hun gemeenschappelijke dochter) woonden en hij daar ook een onderneming dreef. De pin betalingen zouden niet door erflater zijn gedaan maar door zijn echtgenote. Op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en Bulgarije werd vastgesteld dat de erflater voor belastingdoeleinden als inwoner van Nederland moest worden beschouwd. Het beroep tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen werd ongegrond verklaard.
Onderworpen aan belastingheffing bij emigratie
Vervolgens moet worden beoordeeld of je ook als inwoner van de andere staat wordt aangemerkt en op grond daarvan bent onderworpen aan belastingheffing. Het beste bewijs is natuurlijk dat je daadwerkelijk belasting hebt betaald. Dit is echter geen vereiste. De inspecteur en / of de rechtbank moet zich zelf een oordeel vormen op basis van de wetgeving van de betreffende staat. Het kan dus voorkomen dat je op grond van de plaatselijke wetgeving belasting zou moeten betalen, maar dat dit feitelijk niet gebeurt. Je bent dan alsnog fiscaal inwoner van die staat op basis van het verdrag.
Het Hof geeft in deze zaak een mooi voorbeeld hoe dit vastgesteld dient te worden. Omdat belanghebbende niet met overtuigend bewijs komt, gaat het Hof op basis van de VS wetgeving beoordelen of er sprake is van onderworpenheid. Zij komt tot de conclusie dat dit niet het geval is.
Woonplaats met eigen woning in Nederland
In een uitspraak van het Hof Amsterdam d.d. 23 januari 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:721) wordt de complexiteit van de fiscale woonplaatsbepaling binnen de Nederlandse belastingwetgeving onderstreept. Deze casus, waarbij een belastingplichtige, hierna te noemen X, zowel in Nederland als in Duitsland substantiële banden had, illustreert de nuances van de fiscale woonplaatsbepaling en de consequenties daarvan voor de belastingplicht.
De Casus in Vogelvlucht
X, met de Nederlandse nationaliteit, stond gedurende de jaren 2015 en 2016 grotendeels ingeschreven in Duitsland, maar behield het recht om tot 62 dagen per jaar in zijn verhuurde Nederlandse woningen te verblijven. Ondanks zijn inschrijving in Duitsland, bleef X economische activiteiten in Nederland verrichten en had hij familiebanden in Nederland. De inspecteur stelde dat X fiscaal inwoner van Nederland bleef, wat door zowel de rechtbank als het Hof Amsterdam werd bevestigd. De kern van deze bevestiging lag in de duurzame banden van persoonlijke aard die X met Nederland behield.
Aandachtspunten voor de Bepaling van de Fiscale Woonplaats
Hieronder volgt een checklist met aandachtspunten die van belang zijn bij de beoordeling van de fiscale woonplaats:
- Persoonlijke banden: De aanwezigheid van familie in Nederland weegt zwaar mee in de beoordeling van de fiscale woonplaats. Het behouden van nauwe persoonlijke relaties in Nederland kan duiden op een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland.
- Economische activiteiten: Het blijven verrichten van economische activiteiten in Nederland, zoals het verhuren van onroerend goed, speelt een significante rol in de bepaling van de fiscale woonplaats.
- Verblijfsduur: De daadwerkelijke verblijfsduur in Nederland versus het buitenland is een belangrijke factor. Regelmatig verblijf in Nederland, zelfs voor korte perioden, kan wijzen op het behoud van duurzame banden met Nederland.
- Woningbezit en gebruik eigen woning in Nederland: Het aanhouden en gebruiken van een woning in Nederland, zelfs als deze tijdelijk wordt verhuurd, kan indicatief zijn voor een fiscale woonplaats in Nederland.
- Inschrijving en administratieve hHandelingen: Hoewel inschrijving in het buitenland een indicatie kan zijn van verplaatsing van de woonplaats, is het niet doorslaggevend. Administratieve handelingen, zoals het openen van een bankrekening of inschrijving in het buitenland, moeten in samenhang met andere factoren worden bekeken.
- Intentie en toekomstplannen: De intentie van de belastingplichtige, zoals blijkt uit contracten voor tijdelijke verhuur en toekomstplannen om terug te keren naar Nederland, zijn relevant voor de beoordeling van de fiscale woonplaats.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een holistische benadering bij de bepaling van de fiscale woonplaats, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden in acht worden genomen. Voor fiscaal juristen en belastingadviseurs is het essentieel om zich bewust te zijn van de complexiteit van deze materie en de mogelijke impact op de belastingplicht van hun cliënten. Het zorgvuldig documenteren en beoordelen van de banden met Nederland speelt een cruciale rol in het adviseren over en het bepalen van de fiscale woonplaats.
Fiscale woonplaats vader met Thaise zoon
Henk heeft een zoon (geboren 2010), samen met zijn in Thailand wonende vrouw, ze zijn niet getrouwd. De zoon heeft de Nederlandse en Thaise nationaliteit en bij zijn moeder in Thailand. In 2012 heeft Henk zijn appartement - tegen schulderkenning - verkocht aan zijn zoon en ook diverse bankrekeningen op zijn naam gezet (geschonken?). In 2016 was Henk 226 dagen in Nederland en 140 dagen in Thailand. Bij zijn verblijf in Nederland woont het in het appartement van zijn zoon. Henk is van mening dat hij in Thailand woont en buitenlands belastingplichtig in Nederland is. De inspecteur is van mening dat Henk in Nederland woont en dus ook belasting moet betalen over het vermogen van zijn zoon (50%) omdat hij het ouderlijk bezag heeft uitgeoefend. De rechtbank is het (deels) met Henk eens. Het Gerechtshof Den Haag is het op 27 juni 2023 (ECLI:NL:GHDHA:2023:1296) niet met Henk eens. Voor de woonplaats moet worden gekeken naar het belastingverdrag tussen Nederland en Thailand en voor de definitie van het ouderlijk bezag is het Thaise recht van belang. Het Thaise recht stelt dat beide ouders het ouderlijk gezag uitoefenen over hun kind. Het box 3 vermogen van de zoon moet niet voor 100% maar slechts voor 50% worden meegenomen (artikel 2.15 lid 4 Wet IB 2001)
Waar iemand woont wordt na omstandigheden beoordeeld (artikel 4 lid 1 AWR). Kwalificeert een persoon als inwoner van Nederland dan ontvouwt zich een bak aan wetgeving en regels met vele fiscale consequenties en verplichtingen. Er worden dus veel procedures gevoerd over de fiscale woonplaats van een natuurlijk persoon. Doorgaans is het succes voor belastingplichtige niet zo groot. In deze procedure is Henk veel in Nederland, woont zijn moeder in Nederland, heeft hij een een woning tot zijn beschikking en heeft Henk nog een adviespraktijk in Nederland. Ook heeft Henk in Thailand geen aangifte gedaan. Henk stelt dat hij alleen voor zijn werk (en vele procedures) en de afwikkeling van het overlijden van zijn moeder, in Nederland verblijft en zijn gezin in Thailand woont. Zijn persoonlijke band met Thailand is dus - voor zijn gevoel - vele malen groter.
De volgende uitspraken zijn hierbij van belang:
- Hoge Raad 13 april 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ6824) : duurzame band met hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats in Nederland niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland zou bevinden.
- Hoge Raad 12 mei 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AR5759): voor woonplaats ook kijken naar recht in buitenlandse staat, hierbij mee wegen of de persoon in het buitenland aangifte heeft gedaan. Een persoon wordt alleen als ingezetene van Thailand beschouwd als hij in Thailand verblijft voor een totale periode van niet minder dan 180 dagen in een kalenderjaar. Voor de periode in Thailand wordt gekeken naar de inreis- en vertrekstempel in het paspoort. Omdat Henk geen inwoner is van Thailand kom je niet toe aan de tiebreakbepaling.
- Gerechtshof Den Haag 8 december 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:2762) en Hoge Raad d.d. 28 januari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:84) deze procedure gaat over dezelfde casus edoch over de periode 2011 tot en met 2015.
- Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 22 april 2021 (ECLI:NL:GHSHE:2021:1272) en Hoge Raad 18 augustus 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1101)
Praktijk inzake emigratie en woonplaats
In de praktijk kan meestal door het overleggen van een belastingaangifte of een verklaring van de lokale belastingdienst worden aangetoond dat je door een land als fiscaal inwoner wordt gezien. Dan ben je er echter nog niet. Je bent dan namelijk fiscaal inwoner van twee landen. De volgende leden in het zogenaamde tie breaker artikel moeten dan uitsluitsel geven. Navolgende stappen moeten dan één voor één doorlopen worden totdat er een woonstaat uitkomt:
1. Waar heeft men de beschikking over een duurzaam tehuis?
2. Waar bevindt zich het middelpunt van iemands levensbelangen?
3. Waar wordt doorgaans verbleven?
4. Van welke staat is men onderdaan?
Trailing tax in Nederland
De laatste tijd wordt er veel gesproken over een extra fictie, de trailing tax. Een trailing tax is een extra verlengde belastingplicht die aan een emigrant wordt opgelegd om hem of haar nog enkele jaren na vertrek als binnenlands belastingplichtige aan te merken. Duitsland, Finland, Spanje, Portugal en Frankrijk kennen al een dergelijke belasting. Als Nederland een trailing tax wil toepassen moet er een wijziging worden aangebracht in het inwonersbegrip maar ook in belastingverdragen (Nederland heeft er ruim 100 gesloten met diverse landen) (artikel FD 4 december 2024, met inlog). Dit is niet eenvoudig, Finland heeft het in een paar belastingverdragen opgenomen maar kan deze ook regelmatig niet afdwingen (overeenkomen) met andere landen. Het effect zal de komende jaren dus beperkt zijn en tevens lang gaan duren. Het zou sneller kunnen als landen gezamenlijk een dergelijke belasting invoeren, dit dus in OESO verband. Op dit moment is nog niet bekend hoeveel mensen er daadwerkelijk vanuit fiscaal oogpunt naar aantrekkelijke landen emigreren, dit zal de komende jaren worden onderzocht, zie kamerbrief d.d. 4 december 2024 en beslisnota op 21 november 2024.
Dubbele verhuizing via drielanden constructie werkt niet
Een kleine 60 rijke Nederlanders hebben op creatieve wijze gebruik gemaakt van een zogenaamde drielandenpunt constructie. De rijken emigreerden naar Luxemburg of Zwitserland en hun bedrijf (BV) verplaatsen de zetel naar Malta (of Luxemburg). De Belastingdienst ging hier voorliggen via een projectmatige aanpak (sinds 2015) en kwam met diverse aanslagen (110 miljoen aan dividendbelasting). In deze stevige aanpak kreeg de Belastingdienst in veel zaken gelijk. Via deze route was de Vennootschapsbelasting beperkt en de dividendbelasting vrijwel nihil. Als de advisering zorgvuldig is uitgevoerd en ook wordt opgevolgd kan er veel belasting worden bespaard. De praktijk is echter anders, veel rijken laten de uitvoering rommelig verlopen (na enkele jaren). De (trust) directie heeft feitelijk weinig te vertellen en van een "echte" emigratie is ook niet altijd sprake. Gelukkig worden er zelden boetes opgelegd.
Sinds 2015 is de constructie niet meer echt interessant (door wetswijziging). Tot dat moment werden conserverende aanslagen na 10 jaar kwijtgescholden, sindsdien vervalt deze termijn en blijft de conserverende aanslag - zonder termijn - gewoon bestaan. De huidige exitheffing wordt vlak voor emigratie opgelegd en bij een emigratie binnen de EU nog niet direct geïnd (artikel 25 lid 8 invorderingswet). Inning zal plaatsvinden bij een dividenduitkering, overlijden, vervreemding of het liquideren van de vennootschap. Nederland heeft zich met deze regeling permanent het heffingsrecht over het aanmerkelijk belang van de Nederlandse DGA toegeëigend, zelfs als deze op enig moment al vele jaren buiten Nederland woont.
Vorenstaande is de lezen in een artikel van het FD op 31 januari 2025 (inlog). Voorbeelden voor procedures zijn Gerechtshof Den Haag d.d. 24 juni 2020 EC:I:NL:GHDHA:2020:1044 (en later Hoge Raad d.d. 1 juli 2022 ECLI:NL:HR:2022:976), Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 6 juni 2023 (ECLI:NL:GHSHE:2023:2393) en Gerechtshof Amsterdam d.d. 16 februari 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:808).
Woonplaatsonderzoeken door de belastingdienst
Bij de belastingdienst zijn er interne instructies voor een woonplaatsonderzoek, deze kunt u hier raadplegen. Deze instructie gaat over de woonplaats van een natuurlijk persoon. Uit deze interne instructie van de belastingdienst valt op te maken dat er met name wordt gekeken naar
- informatie op het internet en sociale media (ook via AI) via speciale afdeling (OSINT), deze werkt volgens de leidraad juridisch kader internetonderzoek.
- medische gegevens
- informatie van derden en
- informatie van buitenlandse autoriteiten.
Vragenbrief belastingdienst over woonplaats ontvangen. Wat moet ik doen?
De start van het onderzoek is veelal een vragenbrief aan de belastingplichtige zelf. Vooraf is het fiscale belang (meestal schenkbelasting, erfbelasting of inkomstenbelasting) al in beeld gebracht. Er wordt informatie in beeld gebracht over:
- het feitelijk verblijf in Nederland
- de economische binding met Nederland
- de sociale binding met Nederland
- de aanwezigheid van duurzame woongelegenheid in Nederland
Bovenstaande volgt uit het rapport. Bijzonder hierbij is dat er kennelijk geen informatie over het buitenland in beeld wordt gebracht. Als er enkel naar de situatie in Nederland wordt gekeken krijgt de belastingdienst nooit een volledig beeld van alle feiten. Kennelijk wordt er enkel een onderzoek gedaan met als doen "wonen in Nederland". Dit lijkt ons niet de juiste invalshoek. Ontvangt u een vragenbrief laat u dan vanaf het eerste moment begeleiden door een specialist.
Tot slot, emigratie en woonplaats
Mocht u in een discussie met de Belastingdienst terecht komen, dan kunnen wij u hierbij helpen. Bedenk echter wel dat het achteraf bewijzen van de woonplaats veel werk is waarbij meestal heel veel feiten en omstandigheden beoordeeld moeten worden. Beter is het daarom om vooraf advies bij ons in te winnen.
Werken in de golfstaten
Voorkoming dubbele belasting
Inwoners van Nederland die werken in de Golfstaten lopen vaak tegen het probleem aan dat ze over de inkomsten uit de werkzaamheden die zij verrichten in de Golfstaten in Nederland belasting moeten betalen.
Dit volgt uit het principe dat in de woonstaat het wereldinkomen aangegeven moet worden. Nederland verleent vervolgens onder voorwaarden voorkoming van dubbele belasting. Voor bepaalde werkzaamheden is de voorkoming echter gelijk aan de in het werkland betaalde belasting. Daar wringt de schoen omdat in de golfstaten niet of nauwelijks belasting wordt geheven. Per saldo wordt dan belasting betaald tegen de in Nederland geldende tarieven.
Concurrentiepositie
De Staatssecretaris is van mening dat bovenstaande tot gevolg heeft dat inwoners van Nederland in een ongunstige concurrentiepositie verkeren ten opzichte van niet-inwoners van Nederland.
Oplossing golfstatenbesluit
Om de concurrentiepositie van de Nederlandse werknemers te verbeteren heeft de Staatssecretaris een besluit (nr. IZV 2017-0000015971, 7 september 2017) uitgevaardigd op grond waarvan inwoners van Nederland voor bepaalde werkzaamheden voorkoming van dubbele belasting mogen claimen volgens de vrijstellingsmethode, dit in het zogenaamde golfstatenbesluit.
Dit betekent dat, ongeacht de vraag of er belasting is betaald in het werkland, men in Nederland een vrijstelling van belasting krijgt die gelijk is aan de uitkomst van de breuk Inkomen werkland / Totaal wereldinkomen.
Versimpeld betekent dit het volgende. Stel dat je wereldinkomen € 100.000 is waarover je in Nederland € 40.000 belasting bent verschuldigd en € 80.000 van het wereldinkomen wordt verdiend in een golfstaat. Dan krijg je een belastingvrijstelling van 80% van € 40.000, oftewel € 32.000.
Het mag duidelijk zijn dat, als 100% van het inkomen in de golfstaat wordt verdiend, de vrijstelling ook 100% is.
Golfstaten en belastingheffing
Met Golfstaten worden bedoeld: Bahrein, Koeweit, Oman, Qatar, Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten.
Bepaalde werkzaamheden zijn vrijgesteld van belastingheffing
Het besluit is bedoeld voor bepaalde werkzaamheden. Dit komt doordat voor veel reguliere werkzaamheden de voorkoming dubbele belasting al geregeld is in belastingverdragen. Met name voor piloten, zeevarenden of werknemers in de offshore is dit niet het geval. Voor deze werknemers is het besluit met name bedoeld.
Terugwerkende kracht tot en met 2015
Dit besluit kan worden toegepast met terugwerkende kracht tot en met 2015. Dus ook als al aangifte is gedaan en er al een aanslag is opgelegd in Nederland kun je er nog een beroep op doen.
Procedure over golfstatenbesluit
De Hoge Raad heeft op 12 juni 2026 - in lijn met de mening van de advocaat-Generaal Pauwels (ECLI:NL:PHR:2025:1043) - geconcludeerd dat een in Nederland woonachtige piloot die werkt voor een Turkse luchtvaartmaatschappij geen beroep kan doen op de vrijstellingsmethode uit het zogenoemde Golfstatenbesluit.
De Hoge Raad heeft (ECLI:NL:HR:2026:917) geoordeeld dat het Gerechtshof ten onrechte het beroep van X op het gelijkheidsbeginsel - in het kader van het golfstatenbesluit - heeft gehonoreerd. De staatssecretaris heeft volgens ons hoogste rechtscollege een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van begunstigend beleid met betrekking tot toepassing van belastingverdragen.
Het golfstatenbesluit voor piloten, hoe zit dit ook al weer?
- Belastingverdrag Nederland Turkije stelt "verrekeningsmethode"
- X dient aangifte inkomstenbelasting in met toepassing vrijstellingsmethode
- Aanslag wordt opgelegd
- Er volgt een navorderingsaanslag (onder verwijziging naar belastingverdrag)
- Gerechtshof stelt dat op grond van het gelijkheidsbeginsel de vrijstellingsmethode van toepassing is.
- Volgens staatssecretaris is geen sprake van gelijke gevallen en is er een rechtvaardiging voor beperkte toepassing begunstigend beleid voor de golfstaten.
- Conclusie: golfstatenbesluit is van toepassing op bepaalde belastingverdragen.
- De zaak wordt verwezen naar Gerechtshof in 's Hertogenbosch voor nog een paar openstaande geschilpunten (die nog niet zijn behandeld)
Meer weten?
Bent u benieuwd of er belastingvoordeel te behalen is naar aanleiding van voornoemde besluit, dan zoeken wij dat uiteraard graag voor u uit. Daarbij kunnen wij zowel de teruggaafverzoeken met betrekking tot oude jaren als nog in te dienen aangiften voor u verzorgen.
Piloot heeft recht op voorkoming van dubbele belasting
Op 21 september 2017 heeft de Rechtbank Zeeland - West Brabant in een zaak die aanhangig is gemaakt door een gezagvoerder van Easyjet bepaald dat Nederland voorkoming van dubbele belasting moet geven voor de inkomsten uit dienstbetrekking van de gezagvoerder.
Geen belastingverdrag dan ook geen voorkoming dubbele belasting
In een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam d.d. 22 april 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:1190) ging het om Henk die in Nederland woont en werkzaamheden verricht voor een werkgever in Guernsey. In 2019 werkt hij (3 maanden) voor deze werkgever in Brunei, met dit land heeft Nederland geen belastingverdrag gesloten. In Brunei wordt er geen belasting geheven. De werkgever van Henk is gevestigd in Guernsey (buiten de EU). Er wordt geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verstrekt door de inspecteur, Henk is het hier niet mee eens. In artikel 38 lid 2 AWR staat wellicht nog een uitweg maar dan moet de werkgever binnen de EU of EER gevestigd zijn. Volgens Henk werkte hij voor een Deense werkgever, edoch dit wordt niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft verder terecht aan haar oordeel toegevoegd dat ook uit de parlementaire geschiedenis en het daarop gebaseerde arrest van de Hoge Raad van 15 juli 1996 (ECLI:NL:HR:1996:AA1908) niet valt af te leiden dat in gevallen als het onderhavige een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend dient te worden. Van de aldaar besproken uitzondering voor gevallen waarin een werknemer door een EU of EER werkgever wordt uitgezonden naar een ander land, is in het onderhavige geval evident geen sprake. Conclusie "geen recht op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting".
Piloot woont in Verenigd Koninkrijk en niet in Nederland
In een procedure voor het Gerechtshof Amsterdam d.d 21 april 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:1285) ging het om de Tiebreaker rule bij een piloot. Henk werkt als piloot voor een Maltese luchtvaartmaatschappij en is gestationeerd in het Verenigd Koninkrijk maar staat nog ingeschreven bij zijn ouders in Nederland. Henk krijgt geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting (wonen Nederland). De vraag is waar Henk woont (duurzame band). Het Gerechtshof is het met Henk eens, Henk woont in het VK. Zijn persoonlijke en economische belangen met het VK zijn het grootst. Het zwaarst hierbij weegt dat zijn vriendin in het VK woonde en hier ook zijn vriendenkring het grootst is. Dat Henk ook vrienden in Nederland had en zijn ouders hier wonen weegt minder zwaar. Het Hof verwijst terecht naar een oude uitspraak van de Hoge Raad d.d. 16 januari 2009 ECLI:NL:HR:2009:BP1466 inzake de dubbele woonplaats. Op basis van het belastingrecht van het Verenigd Konink rijk, waarbij het hof in rechtsoverweging 4.10 aandacht besteedt aan de statutory residence test, automatic residence test, sufficient ties test en automatic overseas tests, komt het hof tot het oordeel dat de belanghebbende in het Verenigd Koninkrijk als binnenlandse belastingplichtige heeft te gelden.
Daarna komt het Hof via de tie breaker rule (in het verdrag) tot een woonplaats in het VK. Vrienden en de vriendin geven hierbij de doorslag, een mooie menselijke maat! Er is afgezien van beroep in cassatie, de inspecteur legt zich er dus bij neer.
Nieuws 2025
In 2025 is een nieuw besluit inzake de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting ingevoerd. In dit besluit zijn beleidswijzigingen aangebracht en nieuwe beleidswijzigingen opgenomen.
Voorkoming dubbele belasting ook voor opgebouwde verlofdagen
De aftrek ter voorkoming van dubbele belasting betreft niet alleen het loon over de fysiek aan boord (bijvoorbeeld van schip of vliegtuig) gewerkte dagen maar ook over de verlofdagen die de werknemer met zijn werk opbouwt en op een later moment opneemt, dit aldus een uitspraak van de Rechtbank Noord Nederland d.d. 20 mei 2025 ECLI:NL:RBNNE:2025:1923. In dit voorbeeld ging het om iemand die op een schip werkte en aftrek ter voorkoming van dubbele belasting claimde. In de kern gaat het om de uitleg van belastingverdragen, meestal staat hierin opgenomen "de ter zake daarvan verkregen beloning". De inspecteur was van mening dat dit enkel op "geld" ging en dus niet om verlofuren. De rechtbank keek bij deze uitspraak mede naar een arrest van de Hoge Raad d.d. 23 september 2005 ECLI:NL:HR:2005:AP1424, omdat de belastingplichtige 12 uur per dag werkte.
Procedure voorkoming dubbele belasting piloot
De rechtbank Den Haag boog zich op 13 september 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:18432) over een kwestie waarbij een piloot woonde in Nederland en werkte voor een luchtvaartmaatschappij die is gevestigd in het verenigd koningrijk waarbij de piloot gestationeerd was in Italie en hier meer dan 183 verbleef. De vraag was hoe de voorkoming dubbele belasting moest worden berekend. De vrijstelling moet worden berekend door de tijd dat wordt gewerkt boven het italiaanse grondgebied te delen door de totale vluchttijd. De piloot doet nog een beroep op het vertrouwensbeginsel, dat slaagt, waardoor de piloot een hogere aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verkijgt.
Voor de dagenbreuk verwijst de rechtbank naar een eerdere uitspraak van de Hoge Raad op 23 september 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AP1424) tevens wordt gekeken welke weekenddagen in mindering moeten worden gebracht, dit op grond van de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 11 februari 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:537) , waarbij gedeeltelijke dagen mogen worden meegeteld (Hoge Raad d.d. 22 november 2013 ECLI:NL:HR:2013:1261), zie ook een heldere toelichting van de AG in 2024 (ECLI:NL:PHR:2024:851) Tot zover lijkt niet helemaal flekkeloos voor de piloot te verlopen.
De piloot doet echter (terecht) een beroep op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank oordeelt dat de piloot terecht een beroep doet op het vertrouwensbeginsel. De belastingdienst had in het verleden een niet-gepubliceerd beleid gevoerd waarbij piloten, die meer dan 183 dagen in hun werkstaat verbleven, volledige vrijstelling van dubbele belasting kregen voor hun inkomen uit die werkstaat. Volgens dit beleid werden dagen van aankomst en vertrek in de werkstaat als volledige verblijfsdagen gerekend. De piloot ging ervan uit dat deze gedragslijn van toepassing was op zijn situatie. De inspecteur stelt dat het beleid niet op eiser van toepassing is, omdat geen individuele afspraken zijn gemaakt. De rechtbank verwerpt dit en oordeelt dat eiser in redelijkheid mocht aannemen dat het beleid ook voor hem gold, gezien het feit dat zijn vertegenwoordigers op de hoogte waren van het beleid en dit in de procedure toepasten. De Belastingdienst heeft dit beleid per 18 januari 2019 ingetrokken. Aangezien het beroep betrekking heeft op het belastingjaar 2018, kan de intrekking voor eiser niet gelden met terugwerkende kracht. De piloot heeft dus via een omweg (voor 2018) recht op een vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting voor een inkomen van € 150.000 (afgerond), bestaande uit zijn Italiaanse en Duitse inkomsten. De reden dat het beleid in 2019 is gewijzigd hangt samen met de uitspraak van het Gerechtshof 's hertogenbosch d.d. 18 januari 2019 ECLI:NL:GHSHE:2019:170.
Piloot en voorkoming dubbele belasting
Henk woont in Nederland en werkt als piloot in Turkije. Voor het turkse inkomen claimt Henk volgens de vrijstellingsmethode de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Volgens het belastingverdrag tussen Nederland en Turkije moet echter de verrekeningsmethode worden toegepast. Het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden komt op 9 augustus 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:4739) komt tot een opmerkelijke uitspraak. Het hof oordeelt dat het Nederlandse verdragsbeleid is gericht op het principe van kapitaalimportneutraliteit en dat mede daarom voor actieve inkomsten een vermindering van dubbele belasting moet worden verleend volgens de vrijstellingsmethode. De staatssecretaris heeft dit in het golfstatenbesluit ook goedgekeurd, hierin staat dat voor piloten de vrijstellingsmethode moet worden toegepast. De reden is dat ondermeer Bahrein en Oman geen inkomstenbelasting heffen en dan valt er niks te verrekenen voor in Nederland wonende werknemers die in die staten werken. Hierdoor zouden inkomsten uit die staten effectief in Nederland worden belast, dit is volgens het besluit onwenselijk. De regeling geldt voor werknemers die offshore werken of voor personeel van internationale lucht en scheepvaarttuigen. Er is geen objectieve en/of redelijke rechtvaardiging voor een ongelijke behandeling in de situatie met Turkije. Op het golfstatenbesluit valt wel wat af te dingen, veel belastingverdragen kennen geen kapitaalimportneutraliteit, denk hierbij aan bestuurders, piloten, sporters en artiesten, waarbij vaak de belastingverrekening wordt toegepast. Tegen de uitspraak van het Gerechtshof loopt nog cassatie.
Nieuws mei 2023 nieuw besluit voorkoming dubbele belasting
Als u in Nederland woont wordt u voor uw wereldinkomen in Nederland belast. Voor het in het wereldinkomen begrepen buitenlandse inkomen wordt het heffingsrecht (op grond van belastingverdragen of andere regelingen) vaak toegewezen aan het andere land. Nederland verleent hierover een vermindering tot het voorkomen of vermijden van dubbele belasting. In het verdrag staat meestal opgenomen voor welke inkomsten - op welke wijze - een voorkoming wordt gegeven. Dit kan volgens de vrijstellingsmethode of de verrekeningsmethode. Dit kan worden aangevuld met een verrekening van buitenlandse bronbelasting. Er is sinds 2023 een nieuw besluit dat het oude besluit uit 2008vervangt. Het nieuwe besluit kunt u hier raadplegen.
Casus Rechtbank
De gezagvoerder is gestationeerd in Italië en woont in Nederland. Om te bepalen wie belasting mag heffen, moet dan naar het belastingverdrag tussen Nederland en Italië worden gekeken. Als er dan sprake is van een vaste inrichting van Easyjet in Italië, dan is de heffing op grond van het verdrag toegewezen aan Italië. Rechtbank Zeeland - West Brabant is, net als eerder al Rechtbank Den Haag, van mening dat er wel sprake is van een vaste inrichting. Easyjet beschikt in Italië over een kantoor. Op het kantoor zijn in totaal 31 personen werkzaam , van waaruit leiding wordt gegeven aan alle 891 personeelsleden die werkzaam zijn in Italië. Alle praktische personele aangelegenheden worden daar geregeld. Ook is in de boekhouding van het hoofdhuis een filiaal administratie van het kantoor in Italië opgenomen, waaraan de salariskosten van het Italiaanse personeel worden doorbelast. Verder merkt de Rechtbank nog op dat dit kantoor over een eigen budget beschikt en dat hiervoor ook een eigen resultatenrekening wordt opgemaakt. Volgens Rechtbank Den Haag is de daadwerkelijk doorbelasting van de salariskosten niet noodzakelijk. Hoe bovenstaande precies werkt hebben wij toegelicht in ons artikel “Piloot werkzaam in Italië krijgt voorkoming van dubbele belasting”.
Gerechtshof inzake vestigingsplaats Easyjet
De Belastingdienst is, ondanks de naar mijn mening overtuigende omschrijving van de activiteiten van Easyjet in Italië op grond waarvan een vaste inrichting aanwezig wordt geacht, nog steeds van mening dat er geen vaste inrichting is. Zij zijn in hoger beroep gegaan bij het Hof. Ook het Gerechtshof is van mening dat er sprake is van een vaste inrichting in Italië.
Praktijk piloot en belastingen
Voor de praktijk zal de uitspraak van Hof Den Bosch interessant zijn. Deze discussie kan ook spelen voor piloten die in dienst zijn bij andere maatschappijen zoals Ryanair of Norwegian Long Haul. Bovendien kan dezelfde discussie ook spelen voor andere landen.
De opstelling van de Belastingdienst wekt verbazing omdat in het geval van bijvoorbeeld Ryanair, Italië en Ierland wel van mening zijn dat er een vaste inrichting in Italië is en zij handelen daar ook naar. De Nederlandse fiscus kan dan moeilijk vanuit Nederland bepalen dat er geen vaste inrichting is, omdat Italië en Ierland hetzelfde begrip hanteren voor het vaststellen van een vaste inrichting. Bovendien wordt door de opstelling van Nederland een dubbele heffing gecreëerd, de piloten betalen namelijk in Italië belasting en krijgen in Nederland geen voorkoming van dubbele belasting.
Het hebben van een vaste inrichting is niet de enige mogelijkheid om in Nederland voorkoming van dubbele belasting te verkrijgen. Wanneer men meer dan 183 dagen per jaar in het werkland verblijft, kan ook met succes een beroep worden gedaan op voorkoming van dubbele belasting.
Meer weten over piloot en belastingheffing?
Wilt u hier meer over weten, dan mag u altijd vrijblijvend contact opnemen met de auteur van dit artikel.
Wat kunnen wij - in fiscale zin - voor piloten betekenen?
- Advisering inzake welke landen fiscaal gunstig zijn voor een emigratie
- Belastingadvies inzake eigen woning / vermogen
- Verzorgen aangifte inkosmtenbelasting (M Biljet)
- Afstemming en overleg met de Belastingdienst
- Indienen vrijstelling loonheffing
- Afstemming buitenlandse fiscaal jurist inzake emigratie
Bron Vaste inrichting en piloot
Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 18 januari 2019 ECLI:NL:GHSHE:2019:170
Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 21 september 2017 ECLI:NL:RBZWB:20017:7617
Piloot geen ondernemer, maar werknemer
Rechtbank Gelderland heeft op 17 januari 2017 een uitspraak gedaan in een casus waarbij een piloot van mening is dat hij ondernemer is en winst uit onderneming geniet, en de Belastingdienst stelt dat hij als werknemer gezien moet worden. De Belastingdienst krijgt gelijk. In een vergelijkbare zaak voor Rechtbank Den Haag van 17 maart 2017 komt de Rechtbank tot dezelfde uitkomst. Onderstaand behandel ik de uitspraak van Rechtbank Gelderland. De uitspraak van Rechtbank Den Haag vindt u door het volgen van deze link.
Casus
De constructie die door de luchtvaartmaatschappij is toegepast zien we in de praktijk vaak. De piloot sluit een contract met een zogenaamde contractor en wordt door de contractor uitgeleend / ondergebracht bij een luchtvaartmaatschappij. Contractueel wordt uitgesloten dat er sprake is van een dienstbetrekking, dit is echter niet voldoende want de Rechtbank kijkt naar de feiten en omstandigheden. Eerst wordt beoordeeld of er sprake is van een onderneming, dat is niet het geval om o.a. de volgende redenen:
- De piloot heeft maar één opdrachtgever en vliegt maar voor één maatschappij;
- De piloot moet beschikbaar zijn voor werk in vastgestelde periodes;
- De maatschappij bepaalt waar vandaan, wanneer en waar naartoe wordt gevlogen;
- De beslissingen die de piloot zelfstandig neemt zijn niet verschillend van een piloot in dienstbetrekking;
- Contractueel kan de piloot zich laten vervangen, feitelijk blijkt dit bijna onmogelijk te zijn;
- De piloot factureert en investeert niet zelfstandig;
- Het risico op niet betaald worden voor vluchten is vergelijkbaar met een nulurencontract.
Op basis van bovenstaande wordt de piloot onvoldoende zelfstandigheid toegedicht, bovendien loopt hij geen ondernemersrisico. Daarmee valt het doek voor het zijn van ondernemer. Vervolgens is de vraag of er sprake is van een dienstbetrekking, daarvoor is een gezagsverhouding nodig. Uit bovenstaande punten leidt de Rechtbank af dat er sprake is van een gezagsverhouding. Daardoor worden de inkomsten van de piloot aangemerkt als inkomsten uit dienstbetrekking.
Waar belasting betalen als piloot?
Op basis van de uitkomst van voornoemde procedure en het feit dat de luchtvaartmaatschappij in Ierland is gevestigd, komt de heffing over de looninkomsten toe aan Nederland. Dit onderdeel was niet in geschil in de onderhavige procedure. Toch is dit geen automatisme omdat de heffingsbevoegdheid over de arbeidsinkomsten van een piloot o.a. afhankelijk is van de plaats waar hij gestationeerd is, het vestigingsland van de luchtvaartmaatschappij en het antwoord op de vraag of de maatschappij een vaste inrichting heeft in het werkland van de piloot.
Mocht u naar aanleiding van dit artikel vragen hebben, dan kunt u contact opnemen met de auteur.
Wat kunnen wij - in fiscale zin - voor piloten betekenen?
- Advisering inzake welke landen fiscaal gunstig zijn voor een emigratie
- Belastingadvies inzake eigen woning / vermogen
- Verzorgen aangifte inkosmtenbelasting (M Biljet)
- Afstemming en overleg met de Belastingdienst
- Indienen vrijstelling loonheffing
- Afstemming buitenlandse fiscaal jurist inzake emigratie
Piloot werkzaam in Italië krijgt voorkoming dubbele belasting
Op 15 december 2016 is een interessante uitspraak gepubliceerd waaruit blijkt hoe naar een belastingverdrag moet worden gekeken wanneer een piloot in een drielandensituatie verkeert.
Geen belastingverdrag dan ook geen voorkoming dubbele belasting
In een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam d.d. 22 april 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:1190) ging het om Henk die in Nederland woont en werkzaamheden verricht voor een werkgever in Guernsey. In 2019 werkt hij (3 maanden) voor deze werkgever in Brunei, met dit land heeft Nederland geen belastingverdrag gesloten. In Brunei wordt er geen belasting geheven. De werkgever van Henk is gevestigd in Guernsey (buiten de EU). Er wordt geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verstrekt door de inspecteur, Henk is het hier niet mee eens. In artikel 38 lid 2 AWR staat wellicht nog een uitweg maar dan moet de werkgever binnen de EU of EER gevestigd zijn. Volgens Henk werkte hij voor een Deense werkgever, edoch dit wordt niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft verder terecht aan haar oordeel toegevoegd dat ook uit de parlementaire geschiedenis en het daarop gebaseerde arrest van de Hoge Raad van 15 juli 1996 (ECLI:NL:HR:1996:AA1908) niet valt af te leiden dat in gevallen als het onderhavige een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend dient te worden. Van de aldaar besproken uitzondering voor gevallen waarin een werknemer door een EU of EER werkgever wordt uitgezonden naar een ander land, is in het onderhavige geval evident geen sprake. Conclusie "geen recht op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting".
Nieuws 2025
In 2025 is een nieuw besluit inzake de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting ingevoerd. In dit besluit zijn beleidswijzigingen aangebracht en nieuwe beleidswijzigingen opgenomen.
Voorkoming dubbele belasting ook voor opgebouwde verlofdagen
De aftrek ter voorkoming van dubbele belasting betreft niet alleen het loon over de fysiek aan boord (bijvoorbeeld van schip of vliegtuig) gewerkte dagen maar ook over de verlofdagen die de werknemer met zijn werk opbouwt en op een later moment opneemt, dit aldus een uitspraak van de Rechtbank Noord Nederland d.d. 20 mei 2025 ECLI:NL:RBNNE:2025:1923. In dit voorbeeld ging het om iemand die op een schip werkte en aftrek ter voorkoming van dubbele belasting claimde. In de kern gaat het om de uitleg van belastingverdragen, meestal staat hierin opgenomen "de ter zake daarvan verkregen beloning". De inspecteur was van mening dat dit enkel op "geld" ging en dus niet om verlofuren. De rechtbank keek bij deze uitspraak mede naar een arrest van de Hoge Raad d.d. 23 september 2005 ECLI:NL:HR:2005:AP1424, omdat de belastingplichtige 12 uur per dag werkte.
Procedure voorkoming dubbele belasting piloot
De rechtbank Den Haag boog zich op 13 september 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:18432) over een kwestie waarbij een piloot woonde in Nederland en werkte voor een luchtvaartmaatschappij die is gevestigd in het verenigd koningrijk waarbij de piloot gestationeerd was in Italie en hier meer dan 183 verbleef. De vraag was hoe de voorkoming dubbele belasting moest worden berekend. De vrijstelling moet worden berekend door de tijd dat wordt gewerkt boven het italiaanse grondgebied te delen door de totale vluchttijd. De piloot doet nog een beroep op het vertrouwensbeginsel, dat slaagt, waardoor de piloot een hogere aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verkijgt.
Voor de dagenbreuk verwijst de rechtbank naar een eerdere uitspraak van de Hoge Raad op 23 september 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AP1424) tevens wordt gekeken welke weekenddagen in mindering moeten worden gebracht, dit op grond van de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 11 februari 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:537) , waarbij gedeeltelijke dagen mogen worden meegeteld (Hoge Raad d.d. 22 november 2013 ECLI:NL:HR:2013:1261), zie ook een heldere toelichting van de AG in 2024 (ECLI:NL:PHR:2024:851) Tot zover lijkt niet helemaal flekkeloos voor de piloot te verlopen.
De piloot doet echter (terecht) een beroep op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank oordeelt dat de piloot terecht een beroep doet op het vertrouwensbeginsel. De belastingdienst had in het verleden een niet-gepubliceerd beleid gevoerd waarbij piloten, die meer dan 183 dagen in hun werkstaat verbleven, volledige vrijstelling van dubbele belasting kregen voor hun inkomen uit die werkstaat. Volgens dit beleid werden dagen van aankomst en vertrek in de werkstaat als volledige verblijfsdagen gerekend. De piloot ging ervan uit dat deze gedragslijn van toepassing was op zijn situatie. De inspecteur stelt dat het beleid niet op eiser van toepassing is, omdat geen individuele afspraken zijn gemaakt. De rechtbank verwerpt dit en oordeelt dat eiser in redelijkheid mocht aannemen dat het beleid ook voor hem gold, gezien het feit dat zijn vertegenwoordigers op de hoogte waren van het beleid en dit in de procedure toepasten. De Belastingdienst heeft dit beleid per 18 januari 2019 ingetrokken. Aangezien het beroep betrekking heeft op het belastingjaar 2018, kan de intrekking voor eiser niet gelden met terugwerkende kracht. De piloot heeft dus via een omweg (voor 2018) recht op een vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting voor een inkomen van € 150.000 (afgerond), bestaande uit zijn Italiaanse en Duitse inkomsten. De reden dat het beleid in 2019 is gewijzigd hangt samen met de uitspraak van het Gerechtshof 's hertogenbosch d.d. 18 januari 2019 ECLI:NL:GHSHE:2019:170.
Piloot en voorkoming dubbele belasting
Henk woont in Nederland en werkt als piloot in Turkije. Voor het turkse inkomen claimt Henk volgens de vrijstellingsmethode de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Volgens het belastingverdrag tussen Nederland en Turkije moet echter de verrekeningsmethode worden toegepast. Het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden komt op 9 augustus 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:4739) komt tot een opmerkelijke uitspraak. Het hof oordeelt dat het Nederlandse verdragsbeleid is gericht op het principe van kapitaalimportneutraliteit en dat mede daarom voor actieve inkomsten een vermindering van dubbele belasting moet worden verleend volgens de vrijstellingsmethode. De staatssecretaris heeft dit in het golfstatenbesluit ook goedgekeurd, hierin staat dat voor piloten de vrijstellingsmethode moet worden toegepast. De reden is dat ondermeer Bahrein en Oman geen inkomstenbelasting heffen en dan valt er niks te verrekenen voor in Nederland wonende werknemers die in die staten werken. Hierdoor zouden inkomsten uit die staten effectief in Nederland worden belast, dit is volgens het besluit onwenselijk. De regeling geldt voor werknemers die offshore werken of voor personeel van internationale lucht en scheepvaarttuigen. Er is geen objectieve en/of redelijke rechtvaardiging voor een ongelijke behandeling in de situatie met Turkije. Op het golfstatenbesluit valt wel wat af te dingen, veel belastingverdragen kennen geen kapitaalimportneutraliteit, denk hierbij aan bestuurders, piloten, sporters en artiesten, waarbij vaak de belastingverrekening wordt toegepast. Tegen de uitspraak van het Gerechtshof loopt nog cassatie.
Nieuws mei 2023 nieuw besluit voorkoming dubbele belasting
Als u in Nederland woont wordt u voor uw wereldinkomen in Nederland belast. Voor het in het wereldinkomen begrepen buitenlandse inkomen wordt het heffingsrecht (op grond van belastingverdragen of andere regelingen) vaak toegewezen aan het andere land. Nederland verleent hierover een vermindering tot het voorkomen of vermijden van dubbele belasting. In het verdrag staat meestal opgenomen voor welke inkomsten - op welke wijze - een voorkoming wordt gegeven. Dit kan volgens de vrijstellingsmethode of de verrekeningsmethode. Dit kan worden aangevuld met een verrekening van buitenlandse bronbelasting. Er is sinds 2023 een nieuw besluit dat het oude besluit uit 2008vervangt. Het nieuwe besluit kunt u hier raadplegen.
Belastingverdragen en piloten
Nederland heeft met veel landen in de wereld een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting afgesloten. Hierin is standaard een artikel opgenomen (hierna: pilotenartikel) waarin kortweg staat waar inkomsten uit dienstbetrekking voor werkzaamheden verricht aan boord van een lucht- of zeevaartuig, geëxploiteerd in het internationale verkeer, mogen worden belast. Dit is óf het land waarvan de werknemer inwoner is, óf het land waar de maatschappij waarvoor wordt gevlogen is gevestigd.
Uit deze uitspraak van Rechtbank Den Haag blijkt dat het niet altijd zo eenvoudig is. Wanneer de piloot is gestationeerd in een land waar niet de feitelijke leiding van de luchtvaartmaatschappij is gevestigd, dan is het pilotenartikel niet van toepassing, maar moet gekeken worden naar het artikel dat geldt voor "gewone" werknemers. In dat geval mag in principe het woonland heffen, tenzij men meer dan 183 dagen in het werkland verblijft of er een vaste inrichting van de luchtvaartmaatschappij is in het werkland ten laste waarvan de loonkosten van de piloot zouden moeten komen. Dan mag namelijk het werkland heffen en moet het woonland voorkoming van dubbele belasting verlenen.
Casus Easyjet piloot
De hierboven al genoemde uitspraak gaat over een casus van een Easyjet piloot, wonend in Nederland, gestationeerd in Italïe, waarbij Easyjet is gevestigd in Engeland. Voor de liefhebber laat de Rechtbank in haar uitspraak mooi zien hoe bepaald dient te worden welk verdragsartikel van toepassing is en vervolgens of er sprake is van een vaste inrichting. Voor de piloot in kwestie ging het uiteindeliljk goed, in die zin dat de conclusie is dat Easyjet een vaste inrichting heeft in Italïe voor wiens rekening de loonkosten zouden moeten komen. Het gevolg daarvan is dat Italië mag heffen over de looninkomsten en dat Nederland voorkoming van dubbele belasting moet verlenen.
Praktijk
In de praktijk zie je dat er in de luchtvaart vaak drie of meer landensituaties voorkomen. Bijvoorbeeld luchtvaartmaatschappij gevestigd in Noorwegen, contractor in het VK, gestationeerd in Spanje en woonachtig in Nederland. Of er worden voor een maatschappij zowel internationale vluchten en binnenlandse vluchten gevlogen. Dan wordt het een leuke puzzel om uit te zoeken welke verdragsartikelen van toepassing zijn en waar belasting verschuldigd is. Dan hebben we het nog niet gehad over sociale verzekeringen.
Wij hebben veel ervaring met deze situaties en snappen hoe het werkt. Mocht u dus advies nodig hebben of u zoekt iemand voor het invullen van uw inkomstenbelastingaangifte, dan bent u bij ons aan het goede adres.
Wat kunnen wij - in fiscale zin - voor piloten betekenen?
- Advisering inzake welke landen fiscaal gunstig zijn voor een emigratie
- Belastingadvies inzake eigen woning / vermogen
- Verzorgen aangifte inkosmtenbelasting (M Biljet)
- Afstemming en overleg met de Belastingdienst
- Indienen vrijstelling loonheffing
- Afstemming buitenlandse fiscaal jurist inzake emigratie
Belastingverdrag Nederland - Duitsland, duidelijkheid voor piloten
In het nieuwe belastingverdrag dat al in 2012 is overeengekomen tussen Nederland en Duitsland, was in artikel 14 lid 4 overeengekomen dat de heffing over inkomsten uit dienstbetrekkingen die worden uitgeoefend aan boord van een luchtvaartuig of schip in het internationale verkeer, is toegewezen aan het woonland van de werknemer.
Het verdrag is in werking getreden op 1 januari 2016. Het was echter nog onduidelijk of voornoemd artikel in stand zou blijven of dat dit zou worden gewijzigd naar de situatie zoals die was in het oude verdrag. Nu is hierover duidelijkheid. Het wijzigingsprotocol voor het belastingverdrag Nederland - Duitsland is stilzwijgend goedgekeurd door de Staten-Generaalen treedt per 31-12-2016 in werking. Voor het jaar 2016 kan men een beroep doen op het oude verdrag op grond van de overgangsregling.
Voornoemde betekent dat de belastingheffing over de inkomsten uit dienstbetrekking van cabinepersoneel van vliegtuigen en voor zeevarenden, voor zover er sprake is van internationaal verkeer, toekomt aan de staat waar de feitelijke leiding van de lucht- / zeevaartonderneming is gelegen. Kortom, per saldo blijft alles bij het oude.
Advisering
Wilt u weten wat voor u de gevolgen zijn van het wijzigingsprotocol, dan kunt u natuurlijk contact opnemen met de schrijver van dit artikel.
Wat kunnen wij - in fiscale zin - voor piloten betekenen?
- Advisering inzake welke landen fiscaal gunstig zijn voor een emigratie
- Belastingadvies inzake eigen woning / vermogen
- Verzorgen aangifte inkosmtenbelasting (M Biljet)
- Afstemming en overleg met de Belastingdienst
- Indienen vrijstelling loonheffing
- Afstemming buitenlandse fiscaal jurist inzake emigratie
Nieuw belastingverdrag Nederland - Duitsland
Het nieuwe belastinverdrag tussen Nederland en Duitsland bestaat al een tijdje, sinds 12 april 2012, maar is nog niet in werking getreden. Nu de Eerste Kamer het verdrag bij wet van 20 mei 2015 heeft goedgekeurd, lijkt er niets meer in de weg te staan om het verdrag daadwerkelijk per 1 januari 2016 in werking te laten treden.
Belastingheffing piloten
In de oorspronkelijke versie van het nieuwe verdrag is in artikel 14 lid 4 bepaald dat de beloning verkregen ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig slechts belast mag worden in het woonland van de werknemer. Dit was een wijziging ten opzichte van het bestaande verdrag waarin (in artikel 10 lid 3) was bepaald dat het land waar de plaats van leiding van de onderneming zich bevindt mag heffen.
Omdat men het ongewenst vond dat er in het nieuwe verdrag een wijziging zou optreden ten opzichte van het oude verdrag, is door middel van een wijzigingsprotocol overeengekomen dat de situatie ten aanzien van de belastingheffing voor lucht- en zeevarenden ongewijzigd blijft. Kortom, woon je in Nederland en vlieg je voor een Duitse maatschappij, dan mag Duitsland over de inkomsten uit dienstbetrekking heffen en vice versa.
Goed of slecht nieuws voor piloten
Voor de gevorderde piloten, die inwoner zijn van Nederland en vliegen voor een Duitse maatschappij, is bovenstaande goed nieuws; zij blijven vallen onder het Duitse regime en betalen daardoor minder belasting dan wanneer ze in Nederland belastingplichtig zouden zijn geworden. Voor beginnende piloten ligt dit anders. Zij zitten meestal met een restant aan aftrekbare scholingskosten (restant persoonsgebonden aftrek) die niet verrekend kunnen worden met de arbeidsinkomsten in Duitsland. Als inwoner van Nederland moet ook in Nederland aangifte gedaan worden van het wereldinkomen en hierop wordt deze aftrekpost wel in mindering gebracht, zonder dat het effect heeft. Men is immers belastingplichtig in Duitsland en Nederland moet voorkoming van dubbele belasting verlenen. Deze voorkoming wordt gegeven voor het inkomen na aftrek van het restant van de scholingskosten. Hierdoor verdampen de aftrekbare kosten zonder er fiscaal voordeel van te hebben.
Compensatieregeling voor piloten
Nieuw in het verdrag is de zogenaamde compensatieregeling. Deze regelt dat inwoners van Nederland die in Duitsland gaan werken, fiscaal gezien niet slechter af mogen zijn dan wanneer zij dezelfde inkomsten in Nederland hadden gehad. De regeling zorgt ervoor dat men compensatie krijgt ter grootte van het verschil aan belasting en premies volksverzekeringen (of vergelijkbare premies) die zijn verschuldigd in Duitsland ten opzichte van de belasting en premies volksverzekeringen die in Nederland verschuldigd zou zijn. Deze regeling is wellicht een uitkomst voor de startende piloot met een restant aan aftrekbare scholingskosten. Men moet een beroep doen op deze regeling bij het indienen van de aangifte Inkomstenbelasting, voor het eerst over het jaar 2016.
Piloot gestationeerd in buitenland
Een piloot is gestationeerd in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Waar moet deze piloot belasting betalen?
Waar moet een piloot belasting betalen?
Luchtvaartpersoneel wordt in het internationale belastingrecht anders behandeld dan de werknemer die in het buitenland of in Nederland werkt. Meestal moeten piloten belasting betalen in het land waar de onderneming waarvoor hij werkt gevestigd is, soms echter ook in het land waar de piloot woont. Uiteindelijk zullen het belastingverdrag en de feiten bepalen waar de piloot belasting moet betalen. Wij adviseren regelmatig piloten die zich buiten Nederland gaan vestigen, dit heeft veel invloed (andere woonplaats) maar kan een substantieel fiscaal voordeel opleveren. Een alternatief is dat de piloot gaat werken voor een rechtspersoon die feitelijk (en ook qua bestuur) is gevestigd in het buitenland (bijvoorbeeld Cyprus). Emigreren naar Malta, Italië of Spanje kan een substantieel voordeel opleveren, mits juist uitgevoerd !
Piloot woont in Verenigd Koninkrijk en niet in Nederland
In een procedure voor het Gerechtshof Amsterdam d.d 21 april 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:1285) ging het om de Tiebreaker rule bij een piloot. Henk werkt als piloot voor een Maltese luchtvaartmaatschappij en is gestationeerd in het Verenigd Koninkrijk maar staat nog ingeschreven bij zijn ouders in Nederland. Henk krijgt geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting (wonen Nederland). De vraag is waar Henk woont (duurzame band). Het Gerechtshof is het met Henk eens, Henk woont in het VK. Zijn persoonlijke en economische belangen met het VK zijn het grootst. Het zwaarst hierbij weegt dat zijn vriendin in het VK woonde en hier ook zijn vriendenkring het grootst is. Dat Henk ook vrienden in Nederland had en zijn ouders hier wonen weegt minder zwaar. Het Hof verwijst terecht naar een oude uitspraak van de Hoge Raad d.d. 16 januari 2009 ECLI:NL:HR:2009:BP1466 inzake de dubbele woonplaats. Op basis van het belastingrecht van het Verenigd Konink rijk, waarbij het hof in rechtsoverweging 4.10 aandacht besteedt aan de statutory residence test, automatic residence test, sufficient ties test en automatic overseas tests, komt het hof tot het oordeel dat de belanghebbende in het Verenigd Koninkrijk als binnenlandse belastingplichtige heeft te gelden.
Daarna komt het Hof via de tie breaker rule (in het verdrag) tot een woonplaats in het VK. Vrienden en de vriendin geven hierbij de doorslag, een mooie menselijke maat! Er is afgezien van beroep in cassatie, de inspecteur legt zich er dus bij neer.
Piloot woont in Zwitserland en moet in Nederland belasting betalen
Het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 28 mei 2025 ECLI:NL:GHSHE:2025:1492 deed uitspraak over een in Zwitserland wonende piloot die sinds 1991 voor de KLM werkte. Hij werkte als (intercontinentale) piloot en verbleef zelden op Nederlands grondgebied. De piloot is af en toe bij zijn werkgever (KLM) voor trainingen. Kern is dat het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland in 2012 is gewijzigd. De piloot deed over 2012 - 2015 geen aangifte en daarom heeft de inspecteur navorderingsaanslagen opgelegd. Volgens het Hof is sprake van een nieuw feit, hierdoor gaat de deur voor het opleggen van aanslagen open. Ook is het Hof van mening dat de werkelijke leiding van KLM in Nederland is gelegen (en niet in Frankrijk). Waarom de belastingdienst zich niet heeft gemeld bij de werkgever (voor inhouding) loonbelasting wordt niet beantwoord. Een beroep op het evenredigheidsbeginsel (belangenafweging) gaat volgens de rechter niet op, de inspecteur mag volgens het hof kiezen waar de "fiscale rekening" wordt neergelegd. Ook de verwijziging naar een uitspraak van de Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 31 maart 2023 ECLI:NL:RBZWB:2023:2215 helpt hierbij niet. Dat in dit geval helemaal geen belangen zijn afgewogen maakt volgens het hof niet uit. Dat de piloot (vlak voor zijn pensioen) de aanslagen wellicht niet kan betalen is een andere discussie, aldus het hof. Er wordt wel een immateriele schadevergoeding van € 4.000 toegekend (redelijke termijn ex Hoge Raad d.d. 31 januari 2020 ECLI:NL:HR:2020:154) , deze pleister op de grote wond helpt niet echt. De uitspraak is redelijk in lijn met de uitspraak in eerste aanleg bij de Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 22 februari 2023 ECLI:NL:RBZWB:2023:1018.
Dat het heffingsrecht op grond van het nieuwe belastingverdrag aan Zwitserland gaat toekomen valt nog te billijken. Dat de inspecteur de claim niet heeft neergelegd bij de KLM is lastig te begrijpen. Volgens het Gerechtshof Den Haag d.d. 11 februari 2025 ECLI:NL:GHDHA:2025:126 is de KLM niet aansprakelijk voor de fiscale schade. Een werknemer is volgens het Hof zelf verantwoordelijk voor de correcte nakoming van zijn fiscale verplichtingen, de werkgever heeft daarbij enkel een adviserende taak. De Hoge Raad d.d. 22 september 2023 ECLI:NL:HR:2023:1276 heeft het hof gevraagd dit nader te onderzoeken "wat is goed werkgeverschap en wat niet en had de KLM een waarschuwings- en informatieplicht t.a.v. haar werknemers?".
Procedure voorkoming dubbele belasting piloot
De rechtbank Den Haag boog zich op 13 september 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:18432) over een kwestie waarbij een piloot woonde in Nederland en werkte voor een luchtvaartmaatschappij die is gevestigd in het verenigd koningrijk waarbij de piloot gestationeerd was in Italie en hier meer dan 183 verbleef. De vraag was hoe de voorkoming dubbele belasting moest worden berekend. De vrijstelling moet worden berekend door de tijd dat wordt gewerkt boven het italiaanse grondgebied te delen door de totale vluchttijd. De piloot doet nog een beroep op het vertrouwensbeginsel, dat slaagt, waardoor de piloot een hogere aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verkijgt.
Voor de dagenbreuk verwijst de rechtbank naar een eerdere uitspraak van de Hoge Raad op 23 september 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AP1424) tevens wordt gekeken welke weekenddagen in mindering moeten worden gebracht, dit op grond van de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 11 februari 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:537) , waarbij gedeeltelijke dagen mogen worden meegeteld (Hoge Raad d.d. 22 november 2013 ECLI:NL:HR:2013:1261), zie ook een heldere toelichting van de AG in 2024 (ECLI:NL:PHR:2024:851) Tot zover lijkt niet helemaal flekkeloos voor de piloot te verlopen.
De piloot doet echter (terecht) een beroep op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank oordeelt dat de piloot terecht een beroep doet op het vertrouwensbeginsel. De belastingdienst had in het verleden een niet-gepubliceerd beleid gevoerd waarbij piloten, die meer dan 183 dagen in hun werkstaat verbleven, volledige vrijstelling van dubbele belasting kregen voor hun inkomen uit die werkstaat. Volgens dit beleid werden dagen van aankomst en vertrek in de werkstaat als volledige verblijfsdagen gerekend. De piloot ging ervan uit dat deze gedragslijn van toepassing was op zijn situatie. De inspecteur stelt dat het beleid niet op eiser van toepassing is, omdat geen individuele afspraken zijn gemaakt. De rechtbank verwerpt dit en oordeelt dat eiser in redelijkheid mocht aannemen dat het beleid ook voor hem gold, gezien het feit dat zijn vertegenwoordigers op de hoogte waren van het beleid en dit in de procedure toepasten. De Belastingdienst heeft dit beleid per 18 januari 2019 ingetrokken. Aangezien het beroep betrekking heeft op het belastingjaar 2018, kan de intrekking voor eiser niet gelden met terugwerkende kracht. De piloot heeft dus via een omweg (voor 2018) recht op een vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting voor een inkomen van € 150.000 (afgerond), bestaande uit zijn Italiaanse en Duitse inkomsten. De reden dat het beleid in 2019 is gewijzigd hangt samen met de uitspraak van het Gerechtshof 's hertogenbosch d.d. 18 januari 2019 ECLI:NL:GHSHE:2019:170.
Piloot en voorkoming dubbele belasting
Henk woont in Nederland en werkt als piloot in Turkije. Voor het turkse inkomen claimt Henk volgens de vrijstellingsmethode de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Volgens het belastingverdrag tussen Nederland en Turkije moet echter de verrekeningsmethode worden toegepast. Het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden komt op 9 augustus 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:4739) komt tot een opmerkelijke uitspraak. Het hof oordeelt dat het Nederlandse verdragsbeleid is gericht op het principe van kapitaalimportneutraliteit en dat mede daarom voor actieve inkomsten een vermindering van dubbele belasting moet worden verleend volgens de vrijstellingsmethode. De staatssecretaris heeft dit in het golfstatenbesluit ook goedgekeurd, hierin staat dat voor piloten de vrijstellingsmethode moet worden toegepast. De reden is dat ondermeer Bahrein en Oman geen inkomstenbelasting heffen en dan valt er niks te verrekenen voor in Nederland wonende werknemers die in die staten werken. Hierdoor zouden inkomsten uit die staten effectief in Nederland worden belast, dit is volgens het besluit onwenselijk. De regeling geldt voor werknemers die offshore werken of voor personeel van internationale lucht en scheepvaarttuigen. Er is geen objectieve en/of redelijke rechtvaardiging voor een ongelijke behandeling in de situatie met Turkije. Op het golfstatenbesluit valt wel wat af te dingen, veel belastingverdragen kennen geen kapitaalimportneutraliteit, denk hierbij aan bestuurders, piloten, sporters en artiesten, waarbij vaak de belastingverrekening wordt toegepast. Tegen de uitspraak van het Gerechtshof loopt nog cassatie.
Procedure over piloot
De Rechtbank oordeelt over een piloot die in Nederland woont, maar werkt voor een werkgever (luchtvaartmaatschappij) in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. De vraag is of Nederland belasting mag heffen over de opleiding.
De Rechtbank is van mening dat de piloot in Nederland belasting moet betalen. Waarom?
- Artikel 15 lid 3 van het belastingverdrag tussen Nederland en Frankrijk stelt: Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel is de beloning verkregen door een inwoner van één van de Staten ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig in internationaal verkeer, of aan boord van een schip dat dient voor het vervoer in de binnenwateren, slechts in die Staat belastbaar.
Het Verdrag met Frankrijk is in 1973 gesloten en bevat geen definitie van het begrip “internationaal verkeer”. In het OESO-modelverdrag 1963 stond evenmin een definitie van dit begrip. Eiser betoogt dat het begrip dient te worden uitgelegd volgens de definitie gegeven in artikel 3, lid 1, aanhef en onderdeel e, van het OESO-modelverdrag 1977 en later. Deze bepaling luidt als volgt: “For the purposes of this Convention, unless the context otherwise requires:(…) e) the term "international traffic" means any transport by a ship or aircraft operated by an enterprise that has its place of effective management in a Contracting State, except when the ship or aircraft is operated solely between places in the other Contracting State.”
Woo verzoek belastingdienst inzake woonplaats piloten
In een besluit (27 oktober 2025) worden interne documenten van de belastingdienst bekend gemaakt inzake woonplaats onderzoeken van de belastingdienst bij piloten. Er zijn diverse documenten, beleidsstukken en correspondentie bekend gemaakt. Uit de stukken (zie onder) volgt het volgende
- De belastingdienst is een breed onderzoek gestart naar de buitenlandse woonadressen van piloten.
- Aanleiding voor het onderzoek is politieke aandacht voor dit onderwerp en signalen dat piloten ogenschijnlijk zijn geëmigreerd met als oogpunt belastingbesparen. 4 landen worden in beeld gebracht omdat deze een gunstig fiscaal regime kennen en voor piloten. Er wordt getoetst met als insteek "duurzaam tehuis".
- Piloten kunnen relatief eenvoudig fysiek buiten Nederland wonen maar blijven tegelijkertijd in Nederland sociaal verzekerd en werknemer van in Nederland gevestigde luchtvaartmaatschappijen. Sommige piloten hebben ook nog een woning (huur of koop) in Nederland.
- Belastingheffing is toegewezen aan a) woonland b) land waar feitelijke leiding van de luchtvaartmaatschappij is gelegen
- Onderzoek heeft betrekking op de fiscale woonplaats, gezinssituatie, duurzame banden met Nederland en woonplaatsonderzoeken in het algemeen.
- Conclusie belastingdienst "duurzame band met Nederland is in veel gevallen niet verbroken", dus woonland is dan Nederland. De vraag is of dit juist is, soms is de woning in Nederland slechts een pied-a-terre vanwege vlieg rooster. De sociale verzekeringsplicht doet er verder veel minder toe. In sommige verdragen is "de woning" maar 1 onderdeel en niet doorslaggevend.
- Het golfstatenbesluit wordt in de documentatie ook beoordeeld. Ook wordt er gekeken naar het remittance base regime (VK en Ierland). Onder oude verdragen kan Nederland dan niet heffen.
- Document 1 woonplaats piloten en onderzoek belastingdienst
- Document 2 woonplaats piloten en onderzoek belastingdienst
- Document 3 woonplaats piloten en onderzoek belastingdienst
- Document 4 woonplaats piloten en onderzoek belastingdienst
- Document 5 woonplaats piloten en onderzoek belastingdienst
- Document 6 woonplaats piloten en onderzoek belastingdienst
- Document 7 woonplaats piloten en onderzoek belastingdienst
Wij adviseren veel piloten (en ondernemers) met een discussie over hun fiscale woonplaats. Vragen? Stuur ons gerust een e-mail of vul onderstaand formulier in. U kunt ook bellen met één van onze adviseurs.
Noot fiscaal jurist over belastingheffing piloot
De vraag is hoe artikel 15 lid 3 moet worden gelezen. Moet de luchtvaartmaatschappij in Nederland zijn gevestigd of niet? In dit geval woont de piloot in Nederland, maar is de luchtvaartmaatschappij niet in Nederland gevestigd. Het OESO modelverdrag stelt iets anders over dit onderwerp, namelijk:
In artikel 15, lid 3, van het OESO-modelverdrag 1963, 1977, 1992-2010 (hierna tezamen: het OESO modelverdrag), wordt het heffingsrecht op een andere wijze verdeeld dan in artikel 15, lid 3, van het Verdrag.
Artikel 15, lid 3, van het OESO modelverdrag luidt als volgt: “Notwithstanding the preceding provisions of this Article, remuneration derived in respect of an employment exercised aboard a ship or aircraft operated in international traffic, or aboard a boat engaged in inland waterways transport, may be taxed in the Contracting State in which the place of effective management of the enterprise is situated.”
Volgens het OESO modelverdrag mag dus Frankrijk of het Verenigd Koninkrijk (feitelijke leiding bedrijf) heffen. Volgens de rechter staat er echter iets anders in het verdrag met Frankrijk, dit is te volgen. In situaties met Italië wordt voor een andere uitleg gekozen (heffing in buitenland). De Rechtbank leest (wellicht terecht) de zuivere tekst van het belastingverdrag "heffing Nederland".
Bron piloten en belastingen
Rechtbank Noord Nederland d.d. 12 september 2014 (ECLI NL RBNHO 2014 8609).
Wat kunnen wij - in fiscale zin - voor piloten betekenen?
- Advisering inzake welke landen fiscaal gunstig zijn voor een emigratie
- Belastingadvies inzake eigen woning / vermogen
- Verzorgen aangifte inkosmtenbelasting (M Biljet)
- Afstemming en overleg met de Belastingdienst
- Indienen vrijstelling loonheffing
- Afstemming buitenlandse fiscaal jurist inzake emigratie
Fiscale woonplaats bepalen
Om de belastingplicht en de sociale zekerheid te bepalen, is de woonplaats van groot belang. De woonplaats bepaalt veelal waar een persoon of werknemer belastingplichtig is. Ieder land kent ook nog zijn eigen regels zodat altijd gekeken moet worden naar de bepaling van het relevante land. Als de belastingdienst denkt dat u in Nederland woont dan moet de Belastingdienst/ inspecteur dit aannemelijk maken. Dit vermoeden moet de belastingplichtige dan weer ontzenuwen/ ontkrachten. Een praktische en vaak leuke zaak om te onderzoeken. Ook in een kwestie bij een DJ (Afrojack) was er discussie over de fiscale woonplaats, dit onderdeel is van essentieel belang bij een mogelijke emigratie (Rechtbank Rotterdam d.d. 16 juli 2024 ECLI:NL:RBROT:2024:6658)
Fiscale woonplaats ondernemer België
Henk is Nederlander en hij stelt dat hij medio 2015 is geëmigreerd naar België. De Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 25 februari 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:1232) is het met de inspecteur eens dat Henk (in 2017 en 2018) nog gewoon in Nederland woont. De duurzame band van persoonlijke aard is met Nederland het grootst". De belangrijkste redenen zijn:
- De nieuwe partner van Henk woont in Nederland
- De kinderen van Henk wonen nog in Nederland
- Henk heeft een woning in Nederland en
- Henk is eigenaar van meerdere Nederlandse woningen in Nederland
- Henk is eigenaar van meerdere ondernemingen in Nederland.
Het box 2 inkomen wordt met ruim € 4.400.000 verhoogd en de conserverende aanslag komt te vervallen. Met alle gezeur omtrent (a) misbruik van recht (b) niet verstrekken relevante stukken (c) stukken met verschoningsrecht, doet de rechter niks.
Fiscale woonplaats werknemer Brunei
Piet is Nederlander en werkt voor cypriotische werkgever in Brunei (periode 2008-2011). Piet is van mening dat hij in 2009 in Brunei woont. Via een derdenonderzoek komt de belastingdienst Piet op het spoor, in 2011 volgt een navorderingsaanslag inkomstenbelasting (met vergrijpboete). Deze zaak was redelijk kansloos omdat
- Piet in Nederland bleef ingeschreven (deel van het jaar),
- hij in Nederland een hoofdverblijf had dat hem ter beschikking stond,
- hij ook nog in Nederland werkte voor Nederlandse werkgever,
- het in Nederland verzekerd was voor de zorgverzekeringen en
- hij in Brunei een woning huurde (tijdelijk) voor een korte periode
De Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 11 september 2023 (ECLI:NL:RBZWB:2023:6396) en het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 26 februari 2025 (ECLI:NL:GHSHE:2025:544) . De aanslag blijft in stand (dus woonplaats Nederland) en de vergrijpboete wordt vernietigd. Ook is geen sprake van resultaat uit overige werkzaamheden en/of winst uit onderneming.
Omtrent de boete (ruim € 50.000) stelt de inspecteur eerst dat Piet een "boefje is en listig gedrag heeft vertoodn", later wordt dit aangepast in "voorwaardelijke opzet" en vlak voor zitting (10 dagen stuk) verder aangepast in "grove schuld". De rechtbank acht opzet niet bewezen, immers geen sprake van " willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaarden om te weinig belasting te betalen". Het beroep op grove schuld (vlak voor zitting) is te laat.
Fiscale woonplaats directeur CFO van bedrijf
Henk werkt sinds 2012 voor een internationaal bedrijf en woont in Monaco. Het hoofdkantoor wordt in 2016 verplaatst naar Nederland. Henk is van mening dat hij sinds april 2016 in Nederland woont (en dus niet eerder). Volgens de Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 21 april 2022 (ECLI:NL:RBZWB:2022:2156) woonde Henk in 2016 niet in Nederland. Het Gerechtshof 's Hertogenbosch kwam op 10 juli 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:2230) tot een ander oordeel, Henk woonde in geheel 2016 in Nederland omdat hij ook voor de verhuizing naar Nederland een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland zou hebben. De advocaat Generaal (Parket Hoge Raad) geeft op 25 april 2025 een uitgebreide toelichting op het woonplaatsbegrip en het open karakter van artikel 4 AWR (ECLI:NL:PHR:2025:500) . Bij discussie over de woonplaats en een mogelijke woonplaats in 2 landen moet de tiebreaker regel uitleg geven. Er wordt in deze casus met name gekeken naar de duurzame band met Nederland (Zie ook Hoge Raad 9 juni 2023 ECLI:NL:HR:2023:873). Al met al zal de fiscale woonplaats discussie altijd een feitelijke beoordeling zijn, deskundig advies (en hierna handelen en leven) is essentieel.
Fiscale woonplaats voetballer
De Rechtbank Den Haag doet op 20 maart 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:6307) uitspraak over de woonplaats van een voetballer. De Rechtbank is van mening dat een voetballer (met familie in Nederland) in Duitsland woont en niet (zoals de inspecteur stelt) in Nederland. De voetballer heeft een woning in Nederland en in Duitsland, Henk (fictieve naam) stond nog ingeschreven bij de gemeente in Nederland. Henk is profvoetballer (salaris € 1,5 mln per jaar) en speelt na de zomer (vanaf augustus 2018) voor een Duitse voetbalclub. In 2022 maakt hij een transfer naar een andere Duitse voetbalclub. De vraag is waar Henk in 2018 tot en met 2020 woont. Volgens de inspecteur woont Henk in Nederland. Henk maakt volgens de rechtbank voor 2018 aannemelijk dat hij in Duitsland woont en voor de jaren erna is sprake van "doet blijken". Henk verbleef namelijk vanaf dat moment met zijn vriendin in een huurwoning in Duitsland en de afstand tot de huurwoning in Nederland was veel te groot. Duitsland ziet Henk ook als inwoner van Duitsland. De huurovereenkomst voor de woning in Nederland is afgesloten voordat Henk het contract in Duitsland sloot. Henk moet wel over zijn box 3 vermogen in Nederland belasting betalen (maar dat is gebruikelijk).
Wat waren de aanwijzigingen voor een woonplaats in Nederland?
- Nog ingeschreven in de basisadministratie
- Woning in Nederland (eerst een huurwoning en vanaf 2022 een koopwoning)
- Familie van Henk woont in Nederland
- Nederlandse bankrekening
- Abonnementen in Nederland (Ziggo, Netflix, mobiele telefoon, sportschool, huur woning, diverse verzekeringen, etc.
Wat waren de aanwijzingen voor een woonplaats in Duitsland?
- Dienstbetrekking in Duitsland
- Ziektekostenverzekering in Duitsland
- Auto op Duits kenteken
- Verklaringen van derden dat Henk meestal in Duitsland was voor zijn werk
- Inschrijving Duits woonadres
- Certificate of residence van de Duitse belastingdienst
De Rechtbank weegt alle omstandigheden en kijkt hierbij met name naar:
- Hoge Raad d.d. 4 maart 2011 ECLI:NL:HR:2011:BP6285 : Bij de uitleg van het woonplaatsbegrip uit artikel 4 van de AWR moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er volgens vaste rechtspraak op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en het desbetreffende land. Hierbij dient geen bijzondere betekenis te worden toegekend aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals bijvoorbeeld iemands sociale of economische binding met een land.
- Hoge Raad d.d. 12 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6824: Verder geldt dat de duurzame band met één land niet sterker hoeft te zijn dan de band met een ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven, ofwel het middelpunt van iemands persoonlijke levensbelangen, zich in Nederland bevindt. Daardoor bestaat (in uitzonderlijke gevallen) de mogelijkheid dat iemand zowel in Nederland als in een ander land woont.
De feiten afwegende komt de Rechtbank (RO 36) tot de volgende conclusie:
De rechtbank is op grond van de onderhavige feiten en omstandigheden, mede in onderlinge samenhang beschouwd, van oordeel dat - zoals verweerder heeft gesteld - eiser in de onderhavige periode een (bepaalde) duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft gehad. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit en beschikte in Nederland onder meer over (huur)woning 2 en over de (te bouwen) woning 3. Verder woont familie van eiser in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank kan evenwel niet worden gezegd dat eiser daarmee in de onderhavige periode, alle omstandigheden in aanmerking nemend, (alleen) in Nederland woonde. Eiser woonde, zoals ook hierna zal worden geoordeeld, in die periode namelijk in Duitsland. Hij werkte daar fulltime en heeft het overgrote deel van zijn tijd (met de vriendin) in Duitsland doorgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarmee geen sprake zijn van de zich alleen in uitzonderlijke gevallen voordoende situatie van een dubbele woonplaats. Echter, ook als ervan wordt uitgegaan dat eiser in de onderhavige periode (ook) in Nederland woonde, is eiser voor de toepassing van het Verdrag in de onderhavige periode inwoner van Duitsland. Kijkende naar de Tie Breaker regel (artikel 4 derde lid verdrag) zijn de persoonlijke en economische banden met Duitsland het grootst.
Duurzame band met Bulgarije maar fiscale woonplaats in Nederland
In een uitspraak van de Rechtbank Gelderland op 16 juli 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:4520) stond de vraag centraal of de erflater (geboren in 1960) in 2014 en 2015 in Nederland woonachtig was. De rechtbank concludeerde dat dit het geval was, ondanks dat de erflater ook banden had met Bulgarije.
- Erflater was in gemeenschap van goederen getrouwd en ze waren sinds 1998 eigenaar van een woning in Nederland.
- In 2009 is erflater met zijn echtgenote geemigreerd en uitgeschreven uit de basisadministratie.
- In 2013 koopt erflater een woning in Bulgarije. Erflater is in Bulgarije niet geregistreerd als inwoner.
- In het kader van een boekenonderzoek komt de inspecteur in 2013 bij de woning. Tijdens het gesprek geven beide personen aan om in 2014 weer in Nederland te gaan wonen.
- In 2016 is erflater plotseling overleden.
- In Vanaf 2017 woont de echtgenote (volgens de basisadministratie) weer op dit adres.
- In geschil is of erflater in 2014 en 2015 in Nederland woont en hier aangifte inkomstenbelasting moet doen.
De vraag is of erflater een duurzame band met Nederland heeft (zie ook Hoge Raad d.d. 12 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6824). De wetgever heeft geen bijzondere betekenis willen toekennen aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals bijvoorbeeld iemands sociale of economische binding met een land (zie ook Hoge Raad d.d. 21 januari 2011 ECLI:NL:HR:2011:BP1416). Uit het beleid van de belastingdienst volgt dat er wordt gekeken naar; het duurzame tehuis, verblijfplaats gezin en belastingplichtige, sociale banden, bedrijfsmatige binding, financiele belangen, bestedingspatroon, intenties, inschrijving basisadministratie en nationaliteit.
Het betaalgedrag van de erflater, de beschikbare woning en auto’s in Nederland, zijn familiebanden, vastgoed in Nederland, zijn aanwezigheid bij het boekenonderzoek en zijn functie als bestuurder van Nederlandse vennootschappen speelden hierbij een belangrijke rol. De erfgenamen stellen dat erflater in Bulgarije woont omdat hij daar met zijn vriendin (en hun gemeenschappelijke dochter) woonden en hij daar ook een onderneming dreef. De pin betalingen zouden niet door erflater zijn gedaan maar door zijn echtgenote. Op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en Bulgarije werd vastgesteld dat de erflater voor belastingdoeleinden als inwoner van Nederland moest worden beschouwd. Het beroep tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen werd ongegrond verklaard.
Fiscale woonplaats met woning in Nederland en in buitenland
Waar iemand woont is een feitelijke vraag. De inwonersvraag moet op grond van artikel 4 lid 1 AWR worden beoordeeld (feiten en omstandigheden). Dit is maatwerk en kan per situatie en rechter dan ook verschillen. Als u niet het risico wilt lopen dat u in Nederland woont is het van belang dat uw persoonlijke en economische belangen met Nederland beperkt zijn. Dus bij voorkeur geen beleggingen, activiteiten of woningen in Nederland. Vaak stelt een belastingplichtige de vraag "mag ik dan mijn woning in Nederland niet behouden?" Dit is een lastig te beantwoorden vraag. Uit onderstaande volgt dat de rechters hier kritisch naar kijken.
In situaties waarbij iemand nog een eigen woning in Nederland heeft komen wij soms bijzondere beoordelen tegen (uitspraak Gerechtshof Amsterdam 2024). Als uitgangspunt zou de materiële werkelijkheid de doorslag moeten geven. De rechter stelt vast of een persoon een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft. Hierbij is de band met de buitenland - in eerste instantie - minder van belang (voor de belastingdienst). Sterke banden met het buitenland zeggen nog niet direct iets over het inwonerschap in Nederland. Dit komt pas aan de orde bij de zogenaamde verdragsinwonervraag. Als een inwoner een duurzame band met Nederland heeft die niet wordt onderbroken zien we vaak discussie ontstaan over de fiscale woonplaats. Wat speelde in de hiervoor genoemde casus:
- De persoon heeft een eigen woning in Nederland die gedurende 2 jaar wordt verhuurd.
- Zijn vakantiewoning in Nederland wordt af en toe verhuurd.
- Belanghebbende heeft het recht van gebruik van de eigen woning gedurende ruim 60 dagen per jaar, hiervan maakt hij ook gebruik.
- Belanghebbende was dus soms in Nederland en was ook betrokken bij de verbouwing van de vakantiewoning in Nederland.
- Belanghebbende heeft pensioen en lijfrente uitkeringen uit Nederland
- De belangrijkste bezittingen van belanghebbende liggen of zijn ondergebracht in Nederland (economische activiteit)
- Belanghebbende heeft een appartement in Spanje en een eigen woning in Duitsland.
Omdat er woningen en duurzame betrekkingen zijn met Nederland en Duitsland moet via de tiebreaker regel voor het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland worden bepaald waar hij nu echt fiscaal woonachtig is. Centraal hierbij staat met welk land de persoonlijke en economische betrekkingen het sterkst zijn (middelpunt levensbelangen). De rechtbank en het gerechtshof vinden dat deze met Nederland het sterkst zijn.
Waar woont iemand?
Een Nederlandse werknemer die in België werkt en in Nederland woont wordt voor de Nederlandse wetgeving geacht binnenlands belastingplichtig te zijn. Als België dit ook zo ziet, is er een probleem (dubbele belastingheffing). Omtrent de fiscale woonplaats kijkt Nederland naar de volgende onderdelen:
- Waar verblijft het gezin?
- Waar wordt arbeid verricht?
- Waar wordt een woning aangehouden?
- Waar ingeschreven in de gemeentelijke administratie?
- Is er sprake van gebruik van gas en water op het woonadres?
- Waar wordt geld opgenomen van de bank resp. pin opnamen gedaan?
- Waar is uw bank en vermogensbeheerder gevestigd?
- Hoe lang werkt / woont / verblijft men in een land?
- Plaats van lidmaatschappen, abonnementen, bankrekeningen, verzekeringen, ziektebehandelingen, etc.
Woonplaats met eigen woning in Nederland
In een uitspraak van het Hof Amsterdam d.d. 23 januari 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:721) wordt de complexiteit van de fiscale woonplaatsbepaling binnen de Nederlandse belastingwetgeving onderstreept. Deze casus, waarbij een belastingplichtige, hierna te noemen X, zowel in Nederland als in Duitsland substantiële banden had, illustreert de nuances van de fiscale woonplaatsbepaling en de consequenties daarvan voor de belastingplicht.
De Casus in Vogelvlucht
X, met de Nederlandse nationaliteit, stond gedurende de jaren 2015 en 2016 grotendeels ingeschreven in Duitsland, maar behield het recht om tot 62 dagen per jaar in zijn verhuurde Nederlandse woningen te verblijven. Ondanks zijn inschrijving in Duitsland, bleef X economische activiteiten in Nederland verrichten en had hij familiebanden in Nederland. De inspecteur stelde dat X fiscaal inwoner van Nederland bleef, wat door zowel de rechtbank als het Hof Amsterdam werd bevestigd. De kern van deze bevestiging lag in de duurzame banden van persoonlijke aard die X met Nederland behield.
Aandachtspunten voor de Bepaling van de Fiscale Woonplaats
Hieronder volgt een checklist met aandachtspunten die van belang zijn bij de beoordeling van de fiscale woonplaats:
- Persoonlijke banden: De aanwezigheid van familie in Nederland weegt zwaar mee in de beoordeling van de fiscale woonplaats. Het behouden van nauwe persoonlijke relaties in Nederland kan duiden op een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland.
- Economische activiteiten: Het blijven verrichten van economische activiteiten in Nederland, zoals het verhuren van onroerend goed, speelt een significante rol in de bepaling van de fiscale woonplaats.
- Verblijfsduur: De daadwerkelijke verblijfsduur in Nederland versus het buitenland is een belangrijke factor. Regelmatig verblijf in Nederland, zelfs voor korte perioden, kan wijzen op het behoud van duurzame banden met Nederland.
- Woningbezit en gebruik eigen woning in Nederland: Het aanhouden en gebruiken van een woning in Nederland, zelfs als deze tijdelijk wordt verhuurd, kan indicatief zijn voor een fiscale woonplaats in Nederland.
- Inschrijving en administratieve hHandelingen: Hoewel inschrijving in het buitenland een indicatie kan zijn van verplaatsing van de woonplaats, is het niet doorslaggevend. Administratieve handelingen, zoals het openen van een bankrekening of inschrijving in het buitenland, moeten in samenhang met andere factoren worden bekeken.
- Intentie en toekomstplannen: De intentie van de belastingplichtige, zoals blijkt uit contracten voor tijdelijke verhuur en toekomstplannen om terug te keren naar Nederland, zijn relevant voor de beoordeling van de fiscale woonplaats.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een holistische benadering bij de bepaling van de fiscale woonplaats, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden in acht worden genomen. Voor fiscaal juristen en belastingadviseurs is het essentieel om zich bewust te zijn van de complexiteit van deze materie en de mogelijke impact op de belastingplicht van hun cliënten. Het zorgvuldig documenteren en beoordelen van de banden met Nederland speelt een cruciale rol in het adviseren over en het bepalen van de fiscale woonplaats.
Fiscale woonplaats vader met Thaise zoon
Henk heeft een zoon (geboren 2010), samen met zijn in Thailand wonende vrouw, ze zijn niet getrouwd. De zoon heeft de Nederlandse en Thaise nationaliteit en bij zijn moeder in Thailand. In 2012 heeft Henk zijn appartement - tegen schulderkenning - verkocht aan zijn zoon en ook diverse bankrekeningen op zijn naam gezet (geschonken?). In 2016 was Henk 226 dagen in Nederland en 140 dagen in Thailand. Bij zijn verblijf in Nederland woont het in het appartement van zijn zoon. Henk is van mening dat hij in Thailand woont en buitenlands belastingplichtig in Nederland is. De inspecteur is van mening dat Henk in Nederland woont en dus ook belasting moet betalen over het vermogen van zijn zoon (50%) omdat hij het ouderlijk bezag heeft uitgeoefend. De rechtbank is het (deels) met Henk eens. Het Gerechtshof Den Haag is het op 27 juni 2023 (ECLI:NL:GHDHA:2023:1296) niet met Henk eens. Voor de woonplaats moet worden gekeken naar het belastingverdrag tussen Nederland en Thailand en voor de definitie van het ouderlijk bezag is het Thaise recht van belang. Het Thaise recht stelt dat beide ouders het ouderlijk gezag uitoefenen over hun kind. Het box 3 vermogen van de zoon moet niet voor 100% maar slechts voor 50% worden meegenomen (artikel 2.15 lid 4 Wet IB 2001)
Waar iemand woont wordt na omstandigheden beoordeeld (artikel 4 lid 1 AWR). Kwalificeert een persoon als inwoner van Nederland dan ontvouwt zich een bak aan wetgeving en regels met vele fiscale consequenties en verplichtingen. Er worden dus veel procedures gevoerd over de fiscale woonplaats van een natuurlijk persoon. Doorgaans is het succes voor belastingplichtige niet zo groot. In deze procedure is Henk veel in Nederland, woont zijn moeder in Nederland, heeft hij een een woning tot zijn beschikking en heeft Henk nog een adviespraktijk in Nederland. Ook heeft Henk in Thailand geen aangifte gedaan. Henk stelt dat hij alleen voor zijn werk (en vele procedures) en de afwikkeling van het overlijden van zijn moeder, in Nederland verblijft en zijn gezin in Thailand woont. Zijn persoonlijke band met Thailand is dus - voor zijn gevoel - vele malen groter.
De volgende uitspraken zijn hierbij van belang:
- Hoge Raad 13 april 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ6824) : duurzame band met hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats in Nederland niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland zou bevinden.
- Hoge Raad 12 mei 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AR5759): voor woonplaats ook kijken naar recht in buitenlandse staat, hierbij mee wegen of de persoon in het buitenland aangifte heeft gedaan. Een persoon wordt alleen als ingezetene van Thailand beschouwd als hij in Thailand verblijft voor een totale periode van niet minder dan 180 dagen in een kalenderjaar. Voor de periode in Thailand wordt gekeken naar de inreis- en vertrekstempel in het paspoort. Omdat Henk geen inwoner is van Thailand kom je niet toe aan de tiebreakbepaling.
- Gerechtshof Den Haag 8 december 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:2762) en Hoge Raad d.d. 28 januari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:84) deze procedure gaat over dezelfde casus edoch over de periode 2011 tot en met 2015.
- Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 22 april 2021 (ECLI:NL:GHSHE:2021:1272) en Hoge Raad 18 augustus 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1101)
Fiscale woonplaats advocaat
Als de Belastingdienst denkt dat iemand in Nederland woont dan moet de inspecteur dit aannemelijk maken, de belastingplichtige moet vervolgens deze vermoedens tegenspreken (en aannemelijk maken dat dit niet klopt). In een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam d.d. 22 december 2016 ECLI:GHAMS:2016:5750kwam een leuke zaak voorbij. Een advocaat stelt dat hij sinds 1997 in Zwitserland woont. De inspecteur denkt dat de advocaat in de periode 2002 tot en met 2006 in Nederland woont. De advocaat doet aangifte als buitenlands belastingplichtige en is het niet met de inspecteur eens. De rechter is het met de inspecteur eens, de redenen:
- echtgenoot (en kinderen) wonen in Nederland
- de echtgenoot door de advocaat wordt onderhouden (voorzien in levensonderhoud)
- de advocaat in de woning van de echtgenoot verbleef
- beide echtelieden met elkaar op vakantie gingen
- de advocaat werkzaamheden in Nederland heeft verricht (inschreven bij de balie en geen werknemers in dienstbetrekking bij zijn eenmanszaak)
- weinig binding met Zwitserland
- diverse luxe auto's van de advocaat in Nederland aanwezig
- er diverse abonementen op zijn naam staan (voor kranten etc)
- een Nederlands email account
- uit vluchtgegevens volgt dat de advocaat vaak kort in Zwitserland was
- telefoonnummer op naam van de advocaat
- facturen van opticien en apotheek in Nederland voor oogmetingen en medicijnen
- veel data uit derdenonderzoeken (onder meer over financieringsaanvragen etc)
- diverse e-mails waaruit volgt dat de advocaat niet zo vaak in Zwitserland is
- creditcard betalingen die duiden op verblijf in Nederland
Een leuke procedure om te lezen, er is veel onderzoek verricht en de advocaat heeft te weinig argumenten aangedragen om de feiten die door de inspecteur zijn gesteld te ontzenuwen. Een slecht gevoerde procedure die uiteindelijk geen andere uitkomst had gehad, is onze mening.
Procedure over fiscale woonplaats
In een procedure bij het Gerechthof in Den Haag (d.d. 25 juni 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2182) ging het om een huisarts (en zijn partner) die zowel in Nederland als in het buitenland (in casu België) een woning hadden. In eerste aanleg ging dit voor de huisarts - bij de Rechtbank in Den Haag d.d. 23 december 2011- fout, de rechter was van mening dat ze in Nederland wonen.
De Nederlandse belastinginspecteur is van mening dat het "stel" in Nederland woont, dit op grond van artikel 4 AWR en artikel 4 van het belastingverdrag tussen Nederland en België (oude verdrag uit 1970). Doordat het stel in Nederland zou wonen, zouden ze belasting moeten betalen over de afkoop van een lijfrente en een stamrecht en tevens een ontvangen liquidatie-uitkering.
In artikel 4 AWR staat dat waar iemand woont naar omstandigheden wordt beoordeeld, dit is een uiterst vaag begrip dat in de jurisprudentie langzaam is ontwikkeld / ingevuld. Het gaat dus om de feiten en omstandigheden. Een rechter kijkt hierbij naar de volgende zaken:
- Waar leeft de persoon?
- Waar verblijft zijn gezin?
- Waar gaan de kinderen naar school?
- Waar wordt een (gemeubileerde) woning aangehouden?
- Waar wordt het meest gas, electra, water gebruikt?
- Waar neemt men deel aan het sociale en maatschappelijke leven?
- Waar gaat de persoon naar de dokter, sport, etc.?
- Waar heeft men zijn of haar commerciële en financiële belangen?
Uiteindelijk bepalen de feiten het middelpunt van iemands leven en hiermee de woonplaats.
In deze kwestie stelde de belastingplichtige het volgende:
- Het bezit van een gemeubileerde woning in België.
- Er waren verklaringen uit België dat het stel hier vaak was (vaste klant bij de bakker).
- De (aanzienlijke) leveringen van gas in België.
- Telefoonrekeningen uit België.
De inspecteur komt nog met een paar stellingen (boot in Nederland, creditcard in Nederland, boodschappen in Nederland gekocht, krant in Nederland, bezoek fysio in Nederland).
Uiteindelijk is de rechter van mening dat de huisarts in Nederland woont. Waarom? Geen flauw idee. Is de fysiotherapeut belangrijker dan de bakker? Ging het om te grote belangen? Was de structuur iets te "slim" opgezet en slecht uitgevoerd?
Fiscale woonplaats DGA
De heer X heeft de Nederlandse nationaliteit en heeft in Nederland aangifte gedaan als binnenlands belastingplichtige. X ontvangt inkomen uit diverse Nederlandse BV's en is daarnaast DGA van een aantal Nederlandse rechtspersonen. X brengt een deel van het jaar door in Marokko waarbij hij ook een woning en sociaal leven heeft. In zijn aangifte inkomstenbelasting geeft X niet zijn wereldinkomen aan maar enkel zijn binnenlands inkomen. X is van mening dat hij in Marokko woont. De rechter en de inspecteur denken hier anders over omdat X niet slaagt in zijn bewijslast omtrent zijn woonplaats in Marokko. X maakt niet aannemelijk dat hij in 2015 (ook) fiscaal inwoner is van Marokko; hij maakt niet aannemelijk dat is voldaan aan één van de drie daarvoor geldende criteria, te weten:
- het beschikken in Marokko over een permanente verblijfsplaats (‘The place of permanent home’), of
- het aldaar hebben liggen van het middelpunt van (de sociale en) economische belangen (‘The centre of economic interest’), of
- het in een periode van 365 dagen aldaar meer dan 183 dagen verblijven.
Rechtbank Den Haag d.d. 15 december 2021 ECLI:NL:RBDHA:2021:14719
Fiscale woonplaats CFO
Henk is sinds 2012 statutair bestuurder van een concern, ongeveer 20% van zijn tijd. Henk wordt via zijn eigen holding ingehuurd via een management vergoeding (overeenkomst van opdracht). Daarnaast was Henk - voor 80% - ook nog in dienstbetrekking bij een dochteronderneming, als CFO. Henk ontving een salaris en daarnaast nog een bonus via aandelen (zogenaamde Restricted Stock Units). In 2014 wordt het hoofdkantoor van het concern naar Nederland verplaatst. Henk verhuist in april 2016 naar Nederland. De vraag is of Henk over geheel 2016 in Nederland belastingplichtig is. De inspecteur was zelfs van mening dat Henk al sinds 2012 in Nederland belastingplichtig is. De redenen hiervoor zijn:
- Henk heeft een duurzame band met Nederland;
- Henk heeft de Nederlandse nationaliteit
- Er stond Henk een huis ter beschikking in Nederland (woning van zijn echtgenote);
- Henk heeft een auto (met verzekering) in Nederland (gekocht in april 2016).
- De kinderen van Henk (uit een eerder huwelijk) wonen in Nederland.
De Rechtbank oordeelt in 2022 dat Henk voor 2016 niet in Nederland heeft gewoond. Volgens de rechter woont Henk vanaf april 2016 in Nederland (en dus ook niet vanaf 1 januari 2016). De argumenten van de inspecteur overtuigen de Rechter hierbij niet.
Fiscale woonplaats van een butler
Een butler werkt sinds 2017 voor een sjeik in Dubai (contract voor 4 jaar), hiervoor reist hij de hele wereld over. Tot 1 juni 2017 heeft de butler een woning in Nederland. Zijn loon wordt gestort op een Nederlandse bankrekening. Volgens de butler woont hij vanaf juli 2017 in het buitenland. De sjeik is nooit langer dan 60 dagen in een land omdat hij geen fiscaal inwoner wil zijn buiten Dubai. De butler reist mee naar Engeland, Dubai en verblijft ook regelmatig op de immense boot van de sjeik. Volgens de rechter en de inspecteur woont de Butler in Nederland (terwijl hij hier zelden is). Deze procedure maakt duidelijk dat er via feiten moet worden aangetoond waar iemand woont. Rechtbank Noord Nederland 2 november 2021 ECLI:NL:RBNNE:2021:4648
Woonplaatsonderzoeken door de belastingdienst
Bij de belastingdienst zijn er interne instructies voor een woonplaatsonderzoek, deze kunt u hier raadplegen. Deze instructie gaat over de woonplaats van een natuurlijk persoon. Uit deze interne instructie van de belastingdienst valt op te maken dat er met name wordt gekeken naar
- informatie op het internet en sociale media (ook via AI) via speciale afdeling (OSINT), deze werkt volgens de leidraad juridisch kader internetonderzoek.
- medische gegevens
- informatie van derden en
- informatie van buitenlandse autoriteiten.
Vragenbrief belastingdienst over woonplaats ontvangen. Wat moet ik doen?
De start van het onderzoek is veelal een vragenbrief aan de belastingplichtige zelf. Vooraf is het fiscale belang (meestal schenkbelasting, erfbelasting of inkomstenbelasting) al in beeld gebracht. Er wordt informatie in beeld gebracht over:
- het feitelijk verblijf in Nederland
- de economische binding met Nederland
- de sociale binding met Nederland
- de aanwezigheid van duurzame woongelegenheid in Nederland
Bovenstaande volgt uit het rapport. Bijzonder hierbij is dat er kennelijk geen informatie over het buitenland in beeld wordt gebracht. Als er enkel naar de situatie in Nederland wordt gekeken krijgt de belastingdienst nooit een volledig beeld van alle feiten. Kennelijk wordt er enkel een onderzoek gedaan met als doen "wonen in Nederland". Dit lijkt ons niet de juiste invalshoek. Ontvangt u een vragenbrief laat u dan vanaf het eerste moment begeleiden door een specialist.
Vragen over fiscale woonplaats of emigratie
De inspecteur moet bij een geschil over uw woonplaats zijn stelling innemen en bewijzen. Hierbij kan de inspecteur u om informatie vragen (informatiebeschikking). Als u deze informatie niet verstrekt kan de bewijslast worden omgekeerd. Op grond van een redelijke schatting worden dan aanslagen opgelegd. De bal ligt dan weer bij u, u moet aannemelijk maken dat de aanslagen niet kloppen. Bel gerust voor een afspraak als u emigratieplannen heeft of een discussie over uw woonplaats.
Voetbal en fiscus
Snoepreis naar de WK, de bobotax
De WK of EK Voetbal is een mooi evenement. Veel bedrijven gaan naar dit evenement en sponsoren dan de kaarten en het verblijf. Een kaartje voor de voorrondes kost € 100 en hiervoor werd € 1.000 geboden. Als u als sponsor een kaartje geeft aan uw klant, let dan op de fiscale gevolgen. Als u een kaartje krijgt, bel dan even met de sponsor: wie gaat belasting betalen, u of de sponsor?
Basis
Als een bedrijf een kaartje voor het theater, voetbal of een concert aan een klant of relatie geeft zonder dat dit een zakelijk karakter heeft, moet wellicht belasting worden betaald over de waarde van het kaartje. Zo wordt een snoepreisje soms toch nog duur. De belasting wordt soms geheven bij de klant of relatie, maar het bedrijf kan ook de belasting afdragen (eindheffing). Loonheffing geldt eigenlijk alleen bij een werkgever- / werknemerrelatie. Bij klanten en relaties wordt het begrip 'dienstbetrekking' dus uitgebreid.
Wat is van belang?
Er moet als eerste worden beoordeeld of er een bron van inkomen is voor de ontvanger. Vervolgens kan het zijn dat deze bron is vrijgesteld (bijvoorbeeld zakelijk gebruik). Als hiervan geen sprake is, komen we pas toe aan de wijze van heffing (veelal eindheffing).
De bron is de eerste en veelal belangrijkste stap. Als voorbeeld: een klant werkt bij de ABN AMRO Bank en krijgt een kaartje van de directie van een verzekeraar. Het gaat hier niet om een arbeidsprestatie van de klant maar om relatiemanagement van de bank. Van inkomen bij de klant is dan niet snel sprake. Van een arbeidsprestatie is wel sprake als een ober een fooi van een klant krijgt, de fooi hangt samen met zijn arbeidsprestatie als ober, hier speelt het beloningselement een rol.
Eindheffing
De eindheffing is een simpele oplossing voor een bedrijf (werkgever) om over bepaalde (loon)bestanddelen belasting te betalen. De waarde van het kaartje moet worden verhoogd met de belasting hierover, bruteren noemen we dit. Over de waarde van het kaartje en de belasting wordt dan loonheffing berekend. Er zijn soms ook speciale regelingen waardoor brutering niet nodig is of een speciaal tarief geldt. Er zijn twee mogelijkheden:
- Gift aan klant en werknemer: normale eindheffing als waarde niet meer is dan € 136 per kaartje en niet meer dan € 272 per jaar.
- Promotionele activiteiten: mits waarde niet meer dan € 136 is de heffing 45%, anders zelfs 75%.
Controle Belastingdienst
De Belastingdienst heeft de KNVB en Nationale Nederlanden gevraagd om inzicht te geven in de kaartjes die zijn weggegeven. Bij sponsoren is verontrust gereageerd. Deze 'bobotax' bedraagt al snel 50% en de bobo’s die in Portugal waren kunnen een blauwe enveloppe verwachten.
Regering
Er zijn in februari 2006 kamervragen over dit onderwerp gesteld, deze zijn in november 2006 beantwoord. Wat opvalt is dat de Staatssecretaris de vragen in omgekeerde vorm heeft beantwoord. De eerste vraag moet zijn: "Is er een bron van inkomen." De Staatssecretaris begint: "Er moet betaald worden, tenzij ..." Het is maar aan welke kant je staat.
Premie voetballer voor Europese wedstrijd en aftrek ter voorkoming dubbele belasting
Piet is profvoetballer en woont in Nederland. Hij krijgt een premie van € 59.000 omdat zijn team zich heeft geplaatst voor de finale van een Europees toernooi. De wedstrijd wordt gespeeld in 2 delen, een uit en een thuiswedstrijd. De vraag is welk deel van de premie in Nederland mag worden belast. Volgens Piet moet een groter deel worden toegerekend aan de uitwedstrijd. Volgens de inspecteur is dit 50% (immers het wordt over 2 wedstrijden beslist). Volgens Piet moet een groter deel worden toegerekend aan de uitwedstrijd. De rechtbank Noord Nederland beslist op 7 april 2024 (publicatie in januari 2025, ECLI:NL:RBNHO:2024:8487) dat de toerekening rechtstreeks moet plaatsvinden en dus niet tijdsevenredig. Derhalve krijgt Piet voor 50% van de premie voorkoming van dubbele belasting. Voor een toelichting wordt verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 23 september 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AP1424)
Conclusie
Als u uw zakenrelaties wilt uitnodigen voor de WK, is een goed fiscaal advies nodig. Óf u neemt de belasting voor uw relatie of werknemer voor uw rekening (eindheffing), óf u moet een zakelijk verhaal hebben voor de reis. Dit laatste kan bijvoorbeeld door aan de reis een lezing, bezoek aan buitenlandse dochteronderneming, etc. te koppelen. Dit is geen gek idee, hiermee kunt u uw buitenlandse bedrijf voorstellen aan uw klant. De reden: 'belasting besparen.' Dit zal uw klant zeker begrijpen.
Werkkostenregeling en voetbal
Onder de werkkostenregeling is deze regeling anders, veelal zal de eindheffing van toepassing zijn. De werkkostenregeling is vanaf 2015 verplicht.
Piloten en belasting
Belastingverdragen bij piloten
Luchtvaartpersoneel wordt in het internationale belastingrecht anders behandeld dan de werknemer die met de beide benen op de grond staat. Anders dan bij gewone werknemers, wordt in internationale belastingverdragen bepaald dat de piloot wordt belast óf in het land waar de onderneming waarvoor hij werkt is gevestigd, óf in het land waar de piloot woont. Goed advies is hierbij belangrijk omdat de situatie per land kan verschillen.
Waar belasting betalen als piloot?
Indien een piloot bereid is om zich buiten Nederland te vestigen, kan dit gunstig uitpakken, afhankelijk van de inhoud van de belastingverdragen.
Wanneer een piloot zichzelf verhuurt als zelfstandige of via een eigen Ltd. (dit gebeurt o.a. bij een Ierse prijsvechter), dan kan hij / zij op een slimme manier belasting besparen. De Ltd. kan zich bijvoorbeeld op Cyprus vestigen en gebruik maken van de aldaar geldende lage belastingtarieven. De piloot kiest domicilie in een land waar Cyprus een gunstig verdrag mee heeft gesloten. Het is wel belangrijk je te realiseren dat een woonplaats niet willekeurig te kiezen is. Indien je bijvoorbeeld een gezin hebt dat in Nederland blijft wonen, dan zal de conclusie al snel zijn dat de piloot zelf ook in Nederland woont.
Ook voor piloten in loondienst kan het voordelig uitpakken om buiten Nederland te gaan wonen. Spanje heeft een mooie regeling voor werknemers die niet in Spanje werken, maar er wel wonen. Daarnaast kan emigratie naar bijvoorbeeld Italië, Frankrijk of Malta ook gunstig uitpakken.
Sociale verzekeringen bij piloten
De sociale verzekeringsplicht werkt (vreemd genoeg) niet altijd hetzelfde als de belastingwetgeving. Een piloot die in Nederland woont maar fysiek in het buitenland werkt bij een buitenlandse maatschappij, is niet in Nederland verzekerd voor de sociale verzekeringen, maar moet hier waarschijnlijk wel belasting betalen. Alleen wanneer hij / zij voor 25% of meer in Nederland werkt, is hij / zij ook in Nederland verzekerd. In andere gevallen moet hij / zij zich verzekeren en premies betalen in het land waar zijn werkgever gevestigd is. Deze regel geldt overigens binnen de gehele EU.
Wat kunnen wij - in fiscale zin - voor piloten betekenen?
- Advisering inzake welke landen fiscaal gunstig zijn voor een emigratie
- Belastingadvies inzake eigen woning / vermogen
- Verzorgen aangifte inkosmtenbelasting (M Biljet)
- Afstemming en overleg met de Belastingdienst
- Indienen vrijstelling loonheffing
- Afstemming buitenlandse fiscaal jurist inzake emigratie
KLM niet aansprakelijk voor naheffing zwitserse piloten
Een werknemer is zelf verantwoordelijk voor de correcte nakoming van zijn of haar fiscale verplichtingen. Een werkgever heeft daarbij een zorgplicht en geen adviserende taak. Een werkgever kan wel - uit hoofde van goed werkgeverschap - onder omstandigheden verplicht worden om een werknemer te informeren over een wijziging van de fiscale regels (of een belastingverdrag). In een lang lopende procedure ging het om piloten die in Zwitserland wonen en voor KLM werken. In 2012 is het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland aangepast. Vanaf dat moment moeten piloten - volgens de belastingdienst - loon/ en inkomstenbelasting in Nederland betalen. Op grond van een vrijstellingsverklaring (uit de negentiger jaren) is door de KLM geen loonheffing ingehouden. Dit gebeurde ook niet toen de KLM wist van de verdragswijziging. De werknemers werden ook niet geinformeerd. De belastingdienst heeft navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd. De piloten stelden de KLM hiervoor aansprakelijk, dit leek niet succesvol (Gerechtshof Amsterdam d.d. 24 mei 2022 ECLI:NL:GHAMS:2022:1569). De Hoge Raad was op 22 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1276) kritisch en verwees de zaak naar het Gerechtshof Den Haag. Het Gerechtshof Den Haag deed op 11 februari 2025 uitspraak (ECLI:NL:GHDHA:2025:126). Het hof concludeert dat de piloten in Zwitserland wisten of behoorden te weten dat hun KLM inkomen in Nederland aan inkomstenbelasting onderhevig zou moeten zijn. De KLM heeft volgens het hof niet in strijd met de vereisten van goed werkgeverschap gehandeld. De piloten hebben jegens de KLM geen recht op schadevergoeding.
Jongbloed Fiscaal Juristen Internationaal
Wij adviseren regelmatig vermogende particulieren, DGA's en ondernemers die voornemende zijn een vakantiewoning in het buitenland te kopen en/of te emigreren. Als u emigreert, is uw nationaliteit – fiscaal gezien – niet veel waard. Een enkel land knoopt voor belastingheffing aan bij de nationaliteit (zoals de VS), maar meestal is uw woonplaats doorslaggevend voor belastingheffing.
Wij adviseren bij internationale situaties over de situatie in Nederland. Voor de advisering in het buitenland werken wij altijd samen met een lokale partij, zodat we altijd vanuit beide landen voldoende expertise aan de spreekwoordelijke tafel hebben. Veel voorkomende advisering betreft:
- Emigraties naar Spanje, Portugal, Frankrijk, Italië en Duitsland.
- Grensoverschrijdend werken en ondernemen.
- Besparen belastingheffing bij ondernemers / DGA door emigratie.
- Internationale successieplanning.
- Optimaliseren Nederlandse fiscale positie.
Fiscaal advies voor accountants- en administratiekantoren
In onze praktijk merken wij dat er bij accountants- en administratiekantoren een regelmatige behoefte bestaat aan fiscale ondersteuning. Simpelweg omdat de fiscale regelgeving complex is en ook nog eens voortdurend aan verandering onderhevig is.
Als fiscaliteit niet je core business is, kun je al die veranderingen niet allemaal bijbenen.
Wij kunnen u de ondersteuning bieden op het gebied van fiscale vraagstukken van uw cliënten. U kunt hierbij denken aan:
- inbreng in de BV;
- advisering bij bedrijfsovernames;
- herstructureringen;
- advisering bij echtscheiding (alimentatieberekening, waardering onderneming, etc.);
- begeleiding bij boekenonderzoek;
- BTW-vraagstukken;
- advisering met betrekking tot de positionering van vastgoed
- loonbelasting-vraagstukken;
- emigratie vraagstukken;
- internationaal ondernemen.
Inhouse opleidingen voor administratiekantoren
Wil je de fiscale kennis bijscholen? Geen probleem, dan verzorgen we graag een in-house workshop bij u op kantoor.
Afspraak of kennismaking?
Wil je een afspraak maken over een (fiscale) samenwerking of een inhouse workshop fiscaliteit? Neem dan contact met ons op. Wij richten de samenwerking graag op maat voor u in.
Emigratie naar Spanje
Wij hebben vele klanten geadviseerd bij de emigratie naar Spanje. Onze advisering bij uw emigratie naar Spanje richt zich op de gevolgen voor de Inkomstenbelasting en successie in Nederland en Spanje.
Informatie over emigratie naar Spanje
(Vakantie) Huis in Spanje
Steeds meer Nederlanders kopen een (vakantie)woning in Spanje: als tweede huis, als belegging en/of om (gedeeltelijk) te verhuren. Fiscaal wijkt Spanje op een aantal essentiële punten af van Nederland. Niet alleen omdat Spanje – óók als u er niet woont – doorgaans een jaarlijkse heffing kent, maar ook omdat tarieven en grondslagen afhangen van uw woonstatus (met name EU/EEA of niet), de kadastrale waardering en de vraag of en hoeveel u verhuurt. Hieronder staat een praktisch, maar inhoudelijk correct overzicht van de belangrijkste fiscale aandachtspunten, toegespitst op de situatie waarin u voor Spaanse belastingdoeleinden als niet-resident kwalificeert.
Nederland (box 3) versus Spanje: waarom vergelijken vaak misgaat
In Nederland valt een Spaanse vakantiewoning in beginsel in box 3 (onder het dan geldende regime). Een vergelijking die uitsluitend kijkt naar “Nederland 36% versus Spanje 19%” is echter misleidend. Spanje werkt bij niet-residenten met een eigen systematiek: naast heffing over daadwerkelijke verhuuropbrengsten kent Spanje doorgaans ook een heffing over een forfaitair inkomen voor perioden van leegstand of eigen gebruik. Bovendien is 19% niet het “algemene” tarief voor iedere niet-resident; voor EU/EEA-inwoners geldt vaak 19%, terwijl voor niet-EU/EEA-inwoners in veel situaties 24% geldt. De uitkomst kan dus gunstig zijn, maar alleen als u de berekening op de juiste grondslag en het juiste tarief maakt.
Verschillen tussen Spanje en Nederland bij vastgoed
Belastingen kunnen per regio verschillen en het maakt verschil of je in Spanje woont (resident) of niet. Welke belastingen kennen we bij vastgoed in Spanje, een opsomming
- Impeusto de Transmisiones Patrimoniales (ITP) > de overdrachtsbelasting. Tarieven tussen 6% en 10%, kan per regio verschillen. Madrid is met 6% het voordeligst en Valencia is redelijk duur 9% (per 1 juli 2026). Op de eilanden is het nog duurder, kan oplopen tot 13%. In Nederland bij eigen woning 0% of 2% en bij woningen als belegging 8%. Soms zijn speciale regelingen voor woningen als hoofdverblijf, of je bent jonger dan 35 jaar of bij groot gezin.
- Impuesto Sobre Bienes Inmuebles (IBI) > onroerende zaakbelasting. Over de kadastrale waarde, deze is meestal lager dan de werkelijke waarde (vaak 50%). De OZB bedraagt in Spanje ongeveer 200 euro per 100.000 euro waarde, dus bij woning van 300.000 euro is dit 600 euro per jaar. Kan per gemeente verschillen. Voor inwoners en niet inwoners gelijk.
- Belasting over huuropbrengsten: verschilt voor inwoners en niet inwoners. Inwoners betalen via de inkomstenbelasting (IRPF), je moet dan huur als inkomen zien en je mag hier de kosten (ook onderhoud) op in mindering brengen (facturen bewaren). Soms wordt er 60% vrijstelling verleend als je woning voor langere tijd gaat verhuren. Als je niet in Spanje woont moet je 19% betalen over je opbrengsten, de kosten zijn dan niet aftrekbaar. Landelijk gelijk en geen verschillen per regio
- Impuesto Sobre Contrucciones instalaciones y obres (ICIO) : is een belasting die je moet betalen bij een verbouwing (speelt al snel, ook bij kleine verbouwingen is veelal vergunning nodig). De kosten hiervan bedragen 2 - 4% van de verbouwingskosten (kan per regio verschillen), meestal is de offerte van de aannemer het uitgangspunt. Voor inwoner en niet inwoner is gelijk
- Meerwaarde belasting bij verkoop: over de winst moet je belasting betalen, bedraagt 19% en bij winst boven ongeveer 300.000 euro kan dit oplopen tot 28%. Betreft de verkoopprijs -/- aankoopprijs -/- aankoopkosten -/- verbouwingen. Voor inwoners is er soms een vrijstelling (bij verhuizing of leeftijd boven de 65 jaar).
Aankoop: welke fiscale kosten spelen bij overdracht?
Bij aankoop krijgt u in Spanje te maken met kosten en belastingen die afhangen van de vraag of u nieuwbouw of bestaande bouw koopt. Bij nieuwbouw is doorgaans btw (IVA) verschuldigd; bij bestaande bouw speelt doorgaans overdrachtsbelasting (ITP). Anders dan in Nederland verschilt de effectieve heffing in Spanje in sterke mate per regio. Daarbovenop komen notariële kosten, registratie- en inschrijvingskosten en – als u zich laat begeleiden – kosten voor juridische due diligence. De kern is dat u bij de aankoop niet één uniform “Spaans tarief” kunt hanteren: u moet de regio, het type object en de contractstructuur meenemen.
Jaarlijkse Spaanse heffingen voor niet-residenten: de praktijk
Wie niet in Spanje woont maar wel een woning aanhoudt, krijgt meestal te maken met een combinatie van lokale lasten en rijksbelastingen. Lokaal is vooral de IBI relevant (vergelijkbaar met onroerendezaakbelasting), aangevuld met gemeentelijke heffingen zoals afval- of reinigingsheffingen. Daarnaast kent Spanje voor niet-residenten de IRNR (Impuesto sobre la Renta de No Residentes), die in de praktijk via Modelo 210 wordt aangegeven. Het belangrijke punt is dat die IRNR niet alleen aan de orde is bij verhuur, maar ook bij leegstand/eigen gebruik door middel van een forfaitaire bijtelling.
Leegstand of eigen gebruik: forfaitaire heffing (imputed income)
Voor perioden waarin de woning niet is verhuurd, rekent Spanje doorgaans een forfaitair inkomen als percentage van de kadastrale waarde (valor catastral). In de praktijk wordt veelal gerekend met 1,1% van de kadastrale waarde, waarbij in bepaalde situaties 2% kan gelden als de kadastrale waarde langere tijd niet is herzien. Vervolgens wordt dit forfaitaire inkomen belast tegen het toepasselijke niet-residententarief. Daarbij is het onderscheid tussen EU/EEA en niet-EU/EEA relevant: voor EU/EEA-niet-residenten is het tarief in veel gevallen 19%, terwijl voor niet-EU/EEA-niet-residenten vaak 24% geldt.
Verhuur: heffing over huurinkomsten en periodieke aangifte
Bij verhuur wordt in beginsel belasting geheven over de huurinkomsten. In de praktijk vindt de aangifte voor niet-residenten vaak per kwartaal plaats via Modelo 210. Voor EU/EEA-niet-residenten is het doorgaans mogelijk om bepaalde kosten die direct samenhangen met de verhuurperiode in aftrek te brengen, mits goed onderbouwd en binnen de Spaanse regels. Voor niet-EU/EEA-niet-residenten is die aftrek in veel gevallen beperkter of anders vormgegeven. Dit is relevant bij de keuze om wel of niet te verhuren, maar vooral ook bij de administratieve inrichting: zonder goede documentatie kan een “netto-berekening” in de praktijk eenvoudig sneuvelen.
Vermogensbelasting in Spanje
Spanje kan daarnaast vermogensbelasting heffen over (kort gezegd) de netto-waarde van de Spaanse woning, waarbij schulden onder voorwaarden in mindering kunnen komen. De uitkomst is hier niet alleen afhankelijk van de waarde en eventuele financiering, maar ook van de regionale uitwerking en – in bepaalde situaties – de mogelijkheid om aan te knopen bij regionale regels.
Praktische randvoorwaarden: NIE en het aankoopproces
Bij aankoop in Spanje doorloopt u doorgaans een traject van reservering, een voorlopige koopovereenkomst (vaak met een aanbetaling) en vervolgens de definitieve levering bij de notaris. In de praktijk heeft u vrijwel altijd een NIE-nummer nodig (fiscaal identificatienummer voor buitenlanders) en is een Spaanse bankrekening vaak praktisch. Minstens zo belangrijk is de juridische controle: eigendomsketen, eventuele beslagen, vergunningen, (toeristische) verhuurbeperkingen en de kadastrale/registratiestatus. Dat is geen “fiscale bijzaak”: juist bij verhuur en latere verkoop werken fouten in de onderliggende documentatie fiscaal door.
Voorbeeldberekening IRNR bij verhuur én leegstand (gecorrigeerd)
Stel: u koopt een woning met een aankoopprijs van € 1.000.000 en de kadastrale waarde bedraagt € 800.000. U verhuurt tien weken (70 dagen) voor € 10.000 en de woning staat de overige 295 dagen leeg of is voor eigen gebruik. Voor de leegstandsperiode wordt het forfaitaire inkomen dan doorgaans berekend als € 800.000 × (295/365) × 1,1% = € 7.112 (afgerond). Het belastbare inkomen bedraagt daarmee € 10.000 + € 7.112 = € 17.112. Als u als EU/EEA-niet-resident onder het 19%-tarief valt, is de verschuldigde belasting € 17.112 × 19% = € 3.251 per jaar (afgerond).
Verkoop: onderscheid tussen plusvalía municipal en vermogenswinstbelasting
Bij verkoop is het belangrijk om twee verschillende heffingen niet door elkaar te halen. Ten eerste kan de gemeente plusvalía municipal heffen (IIVTNU), een gemeentelijke belasting die ziet op de waardestijging van de grond volgens een eigen gemeentelijke systematiek. Ten tweede kan Spanje op rijksniveau belasting heffen over de gerealiseerde vermogenswinst (IRNR capital gains). Voor EU/EEA-niet-residenten is het tarief voor die vermogenswinst in veel gevallen 19%. De grondslag is in beginsel het verschil tussen verkoopopbrengst en de (gecorrigeerde) aankoopbasis, waarin aankoopkosten, bepaalde belastingen en aantoonbare verbeteringskosten een rol kunnen spelen. Juist daarom is het verstandig om facturen en notariële afrekeningen structureel te bewaren: zonder bewijs degradeert een “fiscale optimalisatie” snel tot een papieren exercitie.
Fiscaal advies inzake spanje
Een woning in Spanje kan fiscaal aantrekkelijk uitpakken, maar alleen als u de Spaanse systematiek correct toepast en de relevante nuanceringen (met name EU/EEA-status, kadastrale herwaardering en regionale verschillen) expliciet meeneemt. Wilt u voorkomen dat u achteraf verrast wordt door aangifteplichten, forfaitaire heffing bij leegstand of een onjuist begrip van de heffing bij verkoop, dan is het verstandig om vooraf de feiten in kaart te brengen en de structuur daarop af te stemmen, eventueel met lokale ondersteuning.
Uw vakantiewoning en de Franse fiscus
Elk land kent zijn eigen regels en wetten, zo ook Frankrijk. Ik hoor een klant nog zo zeggen: "Bureaucratie is een Frans woord, ik weet nu waarom." De Franse fiscus gaat iets anders met uw woonhuis om dan de Nederlandse.
Met de verhuur van vakantiewoningen houdt men zich in Frankrijk wél bezig: verhuurinkomsten uit Frans onroerend goed zijn in beginsel belast in Frankrijk, óók als u niet fiscaal in Frankrijk woont. Afhankelijk van de wijze van verhuur vallen de inkomsten doorgaans onder revenus fonciers (on gemeubileerd/“nu”) of onder BIC (gemeubileerd/“meublé”). Daarnaast kunnen Franse sociale heffingen van toepassing zijn. In Nederland betaalt u in beginsel geen inkomstenbelasting over de ontvangen huur als zodanig, maar een (buitenlandse) tweede woning valt doorgaans in box 3 (met voorkoming van dubbele belasting voor zover van toepassing).
Verkoop van een Franse woning
Bij verkoop van uw vakantiewoning moet u in Frankrijk in beginsel over de winst die u op het huis maakt belasting betalen (taxe sur la plus-value). De heffing wordt berekend over de meerwaarde en wordt verminderd door een vermindering (abattement) die oploopt naarmate u de woning langer in bezit heeft.
Verkoopt u uw hoofdwoning (résidence principale) in Frankrijk, dan is de plus-value in beginsel volledig vrijgesteld.
Hoe langer u de woning heeft, hoe lager de heffing in Frankrijk is. De eerste 5 jaar geldt geen vermindering; daarna loopt de vermindering op. De plus-value is in beginsel volledig vrijgesteld van impôt sur le revenu na 22 jaar bezit en volledig vrijgesteld van prélèvements sociaux na 30 jaar bezit.
De belasting die u over de meerwaarde van uw woning na verkoop moet betalen kan worden gedrukt met uitgaven die u in de loop der jaren heeft gedaan ter verbetering van de woning, mits deze onder voorwaarden kwalificeren en u ze (meestal) met facturen kunt onderbouwen. Ook aankoopkosten (bijvoorbeeld notariskosten en bepaalde heffingen) kunnen de verkrijgingsprijs verhogen.
Tips Franse woning
- Laat werkzaamheden bij voorkeur door een onderneming uitvoeren en bewaar facturen goed. Kunt u de werkzaamheden niet (voldoende) onderbouwen en verkoopt u pas na meer dan 5 jaar, dan kan onder voorwaarden een forfaitaire verhoging van 15% van de aankoopprijs voor werkzaamheden worden toegepast.
- De belastingheffing op de verkoopwinst bedraagt in beginsel 19% (impôt sur le revenu) plus 17,2% aan prélèvements sociaux. Voor niet-inwoners die onder een ziektekostenstelsel van een EU/EEE-staat of Zwitserland vallen, geldt voor de prélèvements sociaux in veel gevallen in plaats daarvan alleen een prélèvement de solidarité van 7,5%.
- Het is niet verstandig om een woning in Frankrijk “zwart” te betalen; de Nederlandse fiscus is u al snel op het spoor en uw verkoopwinst is hierdoor al snel erg hoog.
Wonen in Frankrijk
Er is een belastingverdrag tussen Nederland en Frankrijk. De belastingheffing in Frankrijk is vergelijkbaar met het oude Nederlandse stelsel (vóór 2001). Frankrijk is zeker geen belastingparadijs en fiscaal dus meestal niet gunstig als woonland. De inkomstenbelasting is qua tarieven redelijk gelijk aan Nederland (max 45%).
Vakantiewoning in Frankrijk
Over (bepaalde) onroerende zaken in Frankrijk kan in Frankrijk vermogensbelasting verschuldigd zijn (Impôt sur la Fortune Immobilière, IFI) als de waarde van het netto belastbare vastgoedvermogen boven € 1,3 miljoen uitkomt. Het tarief is progressief en loopt (in 2025) van 0,50% tot 1,50% (met een vrijgestelde eerste schijf tot € 800.000).
Als de woning wordt verhuurd, zijn de huurinkomsten in beginsel in Frankrijk belast. Voor niet-inwoners geldt daarbij een minimumtarief van 20% of 30% (met de mogelijkheid van toepassing van het gemiddelde tarief als dat gunstiger is). Omdat veel kosten (onderhoud, financiering, lokale belastingen, etc.) aftrekbaar kunnen zijn, is de effectieve heffing vaak beperkt (afhankelijk van het regime: micro/regime réel).
Bij verkoop van de woning is de meerwaarde in Frankrijk in beginsel belast tegen 19% inkomstenbelasting; daarnaast kunnen sociale heffingen spelen. Na verloop van tijd geldt een afbouw (abattement) waardoor de meerwaarde volledig is vrijgesteld van inkomstenbelasting na 22 jaar bezit en (in de regel) ook van sociale heffingen na 30 jaar bezit.
Estate planning Frankrijk
Nederlandse testamenten hebben in Frankrijk een beperkte werking. Loop even langs een Franse notaris om dit ook aldaar te regelen. Een aantal tips:
- Overweeg een vakantiewoning samen met de kinderen te kopen.
- Koop een woning eventueel in een rechtspersoon.
- Veelal geldt zowel de successie in Nederland als in Frankrijk.
- Samenwoners worden voor de successie in Frankrijk als vreemden behandeld (dus hoog tarief).
Belastingtarief inwoners Frankrijk
Het inkomstenbelastingstelsel is progressief, met een hoogste tarief van 45% (in de hoogste schijf). In Frankrijk kunt u in de praktijk meer (of andersoortige) kosten aftrekken dan in Nederland, afhankelijk van de inkomens- en kostencategorie. De aangifte wordt in het voorjaar van het volgende kalenderjaar ingediend; de exacte deadline verschilt per jaar en (bij online aangifte) per departement/zone. Voor de campagne 2025 (inkomsten 2024) gold o.a. 20 mei 2025 voor papier en 22 mei / 28 mei / 5 juni 2025 voor online (waarbij niet-inwoners onder de eerste online-deadline vallen).
Belastingtarief bedrijven in Frankrijk
Het standaardtarief vennootschapsbelasting bedraagt 25% (voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2022). Onder voorwaarden geldt voor kleinere ondernemingen een verlaagd tarief van 15% over de eerste € 42.500 winst. U kunt in Frankrijk kiezen voor speciale regelingen. Een veel gebruikt voorbeeld hiervan is het micro-regime (micro-entrepreneur), waarbij de administratie en winstbepaling sterk vereenvoudigd zijn en doorgaans met vaste forfaitaire uitgangspunten wordt gewerkt; afhankelijk van de situatie kan ook (een vorm van) btw-vrijstelling spelen.
Bronbelasting over rente en royalties uit Polen
Polen kan bronbelasting heffen op rente- en royaltybetalingen. Nederlandse ondernemingen moeten er rekening mee houden dat hun Poolse dochterbedrijven onder omstandigheden belasting moeten afdragen over rente- en royaltybetalingen. Weliswaar is in het fiscale verdrag tussen Polen en Nederland vastgelegd dat de bronbelasting op rente en royalty’s is gemaximeerd op 5%, maar dit percentage is in de praktijk niet altijd het eindstation.
Interest en royalty richtlijn en polen
Op 1 mei 2004 werd Polen lid van de Europese Unie en daarmee is (voor betalingen tussen verbonden EU-vennootschappen die aan de voorwaarden voldoen) de Europese Interest & Royalty Richtlijn relevant. Deze richtlijn beoogt bronheffingen op grensoverschrijdende rente- en royaltybetalingen binnen concernverband af te schaffen.
Bij de toetreding is voor Polen een overgangsregeling toegestaan. Die overgangsregeling is inmiddels verstreken, zodat – mits aan de voorwaarden is voldaan – bronheffing op rente en royalty’s tussen verbonden EU-vennootschappen in beginsel niet meer aan de orde zou moeten zijn.
Als de richtlijnvrijstelling niet (of nog niet) kan worden toegepast, geldt in Polen in beginsel het binnenlandse bronbelastingtarief van 20% op rente en royalty’s, waarbij op grond van het belastingverdrag het verdragstarief (maximaal 5%) kan worden ingeroepen als aan de verdragsvoorwaarden is voldaan. Bekijk ook de poolse uitvoeringsvoorschriften inzake bronheffing (max 30%).
De bronbelasting is vooral vervelend voor Nederlandse bedrijven die nu in de rode cijfers zitten. Anders dan hun winstgevende collega’s kunnen zij de Poolse heffing niet (direct) verrekenen met de Nederlandse fiscus. Voor Nederlandse bedrijven kan de bronbelasting behalve een rentenadeel ook een daadwerkelijke last betekenen.
In de Nederlandse toelichting bij de (destijds) overgangsregeling werd vooral gesproken over royalties, terwijl in de regeling ook interest werd genoemd. Dat was in 2004 een protovoorbeeld van haastwerk bij het toetreden van Polen tot de EU.
Verhuurvergoeding is soms royalty
In dit kennisgroep standpunt wordt ingegaan op de verhuurvergoeding voor vrachtwagens, deze wordt soms gezien als royalty.
Wonen in Italië
Een met olijfbomen omringd huis in Toscane, geweldig! De overdrachtsbelasting bedraagt in Italië doorgaans 9%, als u er gaat wonen, is het tarief 2% (bij aankoop van een particulier/een verkoper die niet met btw levert). Woningen zijn in Italië veelal goedkoper dan in Nederland. Als u de woning niet verhuurt, geldt een soort huurwaardeforfait (Rendita Catastale). U moet om een biljet vragen, deze wordt u niet automatisch toegezonden.
Inkomstenbelasting in Italië
Bepaalde gebieden kennen speciale regelingen (zoals € 100.000 betalen en onbeperkt inkomen genieten). Het maximale belastingtarief in Italië is iets lager dan in Nederland (maximum 43%). In Italie kennen we geen box 3 heffing / vermogensbelasting. Bepaalde delen van Italië kennen speciale regelingen voor gepensioneerden, deze gelden veelal in regio's waar nieuw leven moet worden ingeblazen.
Vennootschapsbelasting in Italië
De IRES (vennootschapsbelasting) in Italië is redelijk vergelijkbaar met Nederland (op dit moment 24%).
Overlijden in Italië en belastingen
Successierecht in Italië bedraagt 4% (derden 8%), vrijstelling bedraagt zo’n € 1.000.000.
Tweede woning in Italië
Over tweede woningen betaalt u in Italië doorgaans IMU (gemeentelijke
onroerendezaakbelasting); het wettelijke basistarief is 0,86% en het tarief
is (binnen wettelijke marges) afhankelijk van de gemeente en de situatie.
De verhuurinkomsten worden progressief belast (thans drie schijven: 23%
- 35% - 43%), een vast percentage van de huur is aftrekbaar als kosten
(veelal 5%). Hypotheekrente is niet aftrekbaar van de huurinkomsten. Als
de woning binnen vijf jaar na aankoop wordt verkocht, moet de eigenaar
vermogenswinstbelasting betalen. Deze bedraagt in principe 26% (of naar
keuze tegen het hogere progressieve tarief). Deze heffing moet u bij verkoop
direct betalen.
Bij overlijden geldt in principe het Nederlandse testament, mits dit past
binnen de regels die het toepasselijke erfrecht bepalen (onder meer gewone
verblijfplaats/een rechtskeuze).
Wij hebben een aantal mensen geadviseerd inzake de aankoop van hun vakantiewoning in Italië. Een niet al te complexe advisering, tenzij u de woning binnen 5 jaar wilt verkopen.
De verblijfsvergunning in Spanje
Voor onderdanen van Nederland (EU-burgers) geldt dat de klassieke “verblijfsvergunning” niet (meer) aan de orde is, maar dat bij verblijf van langer dan drie maanden in Spanje in beginsel wél registratie verplicht kan zijn (certificado de registro de ciudadano de la Unión). In de eerste drie maanden bestaat geen registratieplicht.
Registratie / het certificaat is (onder meer) aan de orde indien:
- u in loondienst of als zelfstandige werkzaam bent in Spanje;
- u in Spanje studeert;
- u een direct familielid bent van hiervoor genoemde personen;
- u in Spanje werkt, maar u uw woonplaats in een ander EU-land heeft en u minstens één keer per week naar dat land terugkeert;
- u de afgelopen twaalf maanden in Spanje in loondienst of als zelfstandige werkzaam bent geweest, de pensioensgerechtigde leeftijd heeft bereikt met recht op pensioen en gedurende meer dan drie jaar in Spanje heeft gewoond;
- u arbeidsongeschikt bent geworden nadat u tenminste twee jaar ononderbroken in Spanje heeft gewoond. U hoeft dit verblijf van minstens twee jaar niet aan te tonen indien u in Spanje arbeidsongeschikt bent geworden door een bedrijfsongeval of ziekte en daarom recht heeft op een uitkering;
- u na drie jaar in Spanje te hebben gewerkt en gewoond, in een ander EU-land gaat werken, uw woonplaats in Spanje aanhoudt en u minstens één keer per week naar Spanje terugkeert.
Hoewel de registratieplicht (na drie maanden) in beginsel kan gelden, kan het in de praktijk ook los daarvan praktisch zijn om het certificaat te hebben; het kost u wel enige moeite en tijd. Voor mensen die niet onder bovenstaande categorieën vallen, geldt dat zij (afhankelijk van hun situatie) andere formaliteiten kunnen hebben.
Fiscaalnummer in Spanje het zogenaamde NIE nummer
Men is wel verplicht tot de aanvraag van het fiscaalnummer voor buitenlanders, het zogenaamde Número de Identificación de Extranjero (N.I.E.). De aanvraag verloopt via Policía Nacional/Extranjería en gebeurt doorgaans op afspraak (cita previa). Voor de aanvraag wordt in de regel gebruikgemaakt van formulier EX-15 en de bijbehorende betaling (tasa Modelo 790 Código 012). Uitgebreide informatie en formulieren zijn te vinden via de (overheids)websites; wel zo gemakkelijk.
Rijbewijs in Spanje
Houdt u er rekening mee dat u zich dient in te schrijven bij de gemeente. De inschrijving heet “empadronamiento”. Hierom kan onder meer gevraagd worden in het kader van administratieve procedures.
Verder geldt in hoofdlijnen dat een EU-/EER-rijbewijs geldig is in Spanje zolang het geldig is. Om praktische redenen kunt u het rijbewijs (vrijwillig) laten registreren bij de DGT of (vrijwillig) omwisselen. Als u uw “residencia normal” in Spanje heeft, vindt verlenging/afhandeling bij (bijna-)verloop in beginsel via de Spaanse procedure plaats.
Belastingheffing in Duitsland
In het algemeen is de heffing in Duitsland iets hoger dan in Nederland. Dit komt met name door de extra gemeentelijke belastingen, minder fiscaalgunstige regelingen en vooral de Duitse solidariteitstoeslag. Voor de kleinverdieners is de inkomstenbelasting gunstiger. Bij ons kantoor werken fiscalisten die gespecialiseerd zijn in het Duitse belastingrecht (zie onderaan dit artikel).
Advisering ondernemers Duitsland / Nederland
Wij adviseren vele Duitse ondernemers die in Nederland ondernemen maar ook Nederlandse ondernemers die in Duitsland willen starten. Ons team van specialisten helpt u graag bij de eerste stappen en/of doorontwikkeling. Neem gerust contact met ons op voor een vrijblijvende afspraak.
Ondernemers in Duitsland en belastingen
In Duitsland is ruim 80% van de bedrijven een eenmanszaak, VOF of maatschap, deze vallen onder de inkomstenbelasting. De bedrijven (rechtspersonen) in Duitsland vallen onder de vennootschapsbelasting (Körperschaftsteuer). Naast deze belasting betalen bedrijven een extra belasting (solidariteitstoeslag) van 5,5% van de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting. Sinds 2021 is deze solidariteitstoeslag voor circa 90% van de loon- en inkomstenbelastingplichtigen vervallen (via verhoogde vrij-/drempelgrenzen), maar zij blijft o.a. nog van toepassing voor hogere inkomens, op kapitaalinkomsten en bij de Körperschaftsteuer. Daarnaast kent Duitsland een zogenaamde gemeentebelasting (Gewerbesteuer) over de winst. De tarieven worden per gemeente vastgesteld en variëren (afhankelijk van de gemeentelijke Hebesatz) in de praktijk veelal grofweg van circa 14 - 17,5%.
Inkomstenbelasting Duitsland (42%)
De inkomstenbelasting (Einkommenssteuer) in Duitsland is lager dan in
Nederland, het maximale tarief bedraagt 42%. Bij een inkomen boven circa
€ 277.826 (2026; jaarlijks geïndexeerd) heeft men nog een tarief voor de
rijken van 45%. Er zijn verschillende tariefgroepen (Steuerklassen), deze
zijn:
- Tarief 1: alleenstaanden
- Tarief 2: alleenstaande ouders
- Tarief 3: getrouwd of samenlevingscontract (als partner niet werkt of op aanvraag in tariefgroep 5 ingedeeld);
- Tarief 4: gehuwden die beide inkomen hebben
- Tarief 5: partner van iemand die in tarief 3 is ingedeeld
- Tarief 6: iedereen met 2 of meer dienstbetrekkingen
Vennootschapsbelasting Duitsland (circa 30%)
Kapitaalvennootschappen (een AG (= N.V.) of GmbH (= B.V.)) die in Duitsland gevestigd zijn, zijn voor het gehele wereldinkomen onderworpen aan Duitse vennootschapsbelasting. Een vennootschap is in Duitsland gevestigd als zij in Duitsland is opgericht én haar zetel in Duitsland heeft of als de plaats van de leiding zich in Duitsland bevindt.
Zowel voor ingehouden als uitgekeerde winst ligt het tarief voor vennootschapsbelasting uniform en definitief bij 15%. Een dubbele belastingheffing wordt algemeen d.m.v. het zogenaamde deel-inkomsten-principe vermeden. Daardoor worden bij aandeelhouders de inkomsten uit deelneming slechts 60% in de berekeningsgrondslag voor de inkomstenbelasting meegeteld.
Naast de vennootschapsbelasting (Körperschaftsteuer) kent Duitsland voor GmbH's en AG's gemeentelijke belastingen op winst (Gewerbesteuer). Deze belasting zal per gemeente verschillen en bedraagt gemiddeld circa 14 - 17,5%.
BTW (19%) in Duitsland
Het regeltarief voor BTW (Umsatz- of Mehrwertsteuer) in Duitsland bedraagt 19% (in Nederland 21%), het gereduceerde tarief 7% (in Nederland 9%). Dit laatste geldt overwegend voor bepaalde producten die in de eerste levensbehoeften voorzien, zoals voedingsmiddelen, medische hulpmiddelen en bepaalde diensten op maatschappelijk en cultureel gebied. Nederlandse ondernemers die binnen de Europese Unie exporteren, hoeven geen BTW in rekening te brengen.
Vermogensbelasting in Duitsland
Er wordt beperkt belasting geheven met diverse vrijstellingen.
Belastingverdrag Nederland Duitsland
Belasting betalen is al erg en dubbele belasting helemaal. Om de dubbele belastingheffing te vermijden, bestaat er tussen Nederland en Duitsland sinds 1959 een belastingverdrag. Dit verdrag is met ingang van 2016 vernieuwd. Een aanrader is ook de site van het Ministerie van Financiën in Duitsland. Voor thuiswerkers en grenswerkers is het verdrag in 2025 nog aangevuld.
Werken in Duitsland
Als u in Nederland woont en in Duitsland werkt of als u in Duitsland woont en werkt, loopt u vanzelf aan tegen de ingewikkelde sociale wetgeving in Duitsland.
Wonen in Polen
Polen, gelegen in Centraal-Europa, is een land met een rijke geschiedenis en een diverse cultuur. Het land grenst aan Duitsland in het westen, Tsjechië en Slowakije in het zuiden, Oekraïne en Wit-Rusland in het oosten, en Litouwen en de Russische enclave Kaliningrad in het noordoosten. Het heeft ook een kustlijn aan de Oostzee in het noorden. De hoofdstad en grootste stad van Polen is Warschau, terwijl andere belangrijke steden Krakau, Łódź, Wrocław, Poznań en Gdańsk zijn. Polen heeft een bevolking van ongeveer 38 miljoen mensen, waarmee het een van de grootste landen in de Europese Unie is.
Geschiedenis en Cultuur in Polen
Polen heeft een rumoerige geschiedenis doorgemaakt, gekenmerkt door
periodes van onafhankelijkheid en bezetting. Het Koninkrijk Polen werd
in de 10e eeuw gesticht en vormde later de Pools-Litouwse Gemenebest, een
van de grootste en meest invloedrijke staten van Europa in de 16e en 17e
eeuw. In de 18e eeuw werd Polen echter opgedeeld tussen Pruisen, Oostenrijk
en Rusland, en het land verdween van de kaart tot het opnieuw onafhankelijk
werd in 1918. Na de Tweede Wereldoorlog kwam Polen onder communistische
controle en bleef een satellietstaat van de Sovjet-Unie tot de val van
het communisme in 1989.
De Poolse cultuur is rijk en divers, met een sterke nadruk op muziek, literatuur
en kunst. Polen heeft een aantal wereldberoemde componisten voortgebracht,
zoals Frédéric Chopin, evenals schrijvers als Adam Mickiewicz en Nobelprijswinnaar
Wisława Szymborska. Traditionele volksmuziek en dans blijven populair,
net als moderne kunstvormen.
Fiscaliteit in Polen
Het Poolse belastingstelsel bestaat uit verschillende soorten belastingen, waaronder inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, btw en accijnzen.
Inkomstenbelasting in Polen
In Polen wordt de inkomstenbelasting (PIT) geheven op individuen en
varieert afhankelijk van het inkomen. Er zijn twee schijven:
- 12% voor inkomens tot 120.000 PLN per jaar.
- 32% voor inkomens boven 120.000 PLN per jaar.
Daarnaast is er een solidariteitsheffing van 4% op jaarinkomens boven 1 miljoen PLN. Zelfstandigen en freelancers kunnen kiezen voor een vlaktaks van 19% of forfaitaire tarieven op basis van het soort activiteit. De belastingvrije som bedraagt 30.000 PLN.
Vennootschapsbelasting in Polen
De vennootschapsbelasting (CIT) in Polen bedraagt 19%, maar kleine ondernemingen met een jaaromzet tot 2 miljoen EUR kunnen in aanmerking komen voor een verlaagd tarief van 9%. Polen heeft ook een uitgebreid netwerk van belastingverdragen om dubbele belastingheffing te vermijden.
BTW in polen
De btw (VAT) in Polen heeft een standaardtarief van 23%. Er zijn ook verlaagde tarieven van 8% en 5% voor bepaalde goederen en diensten, zoals levensmiddelen, farmaceutische producten en sommige boeken en tijdschriften, en een 0%-tarief voor onder meer uitvoer en intracommunautaire leveringen.
Noot fiscaal jurist inzake polen
Polen is een dynamisch land met een rijke cultuur en een gevarieerd landschap. Het land heeft een stevig belastingstelsel dat voortdurend wordt aangepast om aan de veranderende economische omstandigheden te voldoen. Met zijn strategische ligging in Europa en zijn lidmaatschap van de Europese Unie, blijft Polen een belangrijke speler op het continent, zowel economisch als politiek.
Belastingen in Polen
De belastingdruk zal de komende jaren gaan stijgen. De huidige belastingdruk is een feestje maar het is geen belastingparadijs. De theoretische belastingdruk zegt niet zoveel over de feitelijk te betalen belasting, dit is lokaal nog redelijk "bespreekbaar".
Belastingstelsel in polen
Het Poolse belastingstelsel bestaat uit verschillende soorten belastingen, waaronder inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, btw en accijnzen.
Inkomstenbelasting in polen
In Polen wordt de inkomstenbelasting (PIT) geheven op individuen en
varieert afhankelijk van het inkomen. Er zijn twee schijven:
- 12% voor inkomens tot 120.000 PLN per jaar (ongeveer € 28.000)
- 32% voor inkomens boven 120.000 PLN per jaar.
Daarnaast is er een solidariteitsheffing van 4% op jaarinkomens boven 1 miljoen PLN (€ 238.0000. Zelfstandigen en freelancers kunnen kiezen voor een vlaktaks van 19% of forfaitaire tarieven op basis van het soort activiteit. De belastingvrije som bedraagt 30.000 PLN (belastingvermindering: 3.600 PLN).
Vennootschapsbelasting in polen
De vennootschapsbelasting (CIT) in Polen bedraagt 19%, maar kleine ondernemingen met een jaaromzet tot 2 miljoen EUR kunnen in aanmerking komen voor een verlaagd tarief van 9%. Polen heeft ook een uitgebreid netwerk van belastingverdragen om dubbele belastingheffing te vermijden. Er is een overweging om voor bepaalde sectoren (zoals banken) het tarief te verhogen tot 30%, dit om de defensie uitgaven te kunnen betalen.
BTW in polen
De btw (VAT) in Polen heeft een standaardtarief van 23%. Er zijn ook verlaagde tarieven van 8% en 5% (en in bepaalde gevallen 0%) voor bepaalde goederen en diensten, zoals levensmiddelen, farmaceutische producten en sommige boeken en tijdschriften.
Andere belastingen in polen
- Andere belangrijke belastingen in Polen zijn accijnzen op alcohol, tabak en brandstoffen, evenals milieubelastingen en lokale belastingen zoals onroerendgoedbelasting.
- Er geldt een partnerregeling in Polen (mits gehuwd)
- Speciale tarieven voor innovatie
- Speciale regeling voor monumenten
- Sociale verzekeringspremies (ZUS) voor werkgevers liggen doorgaans rond ca. 20,48% van het brutoloon (excl. arbeidsongevallenpremie die varieert). Werknemers dragen 13,71% bij (plus 9% zorgverzekering).
- Polen kent voor ingezetenen een schenk en erfbelasting
- Polen kent een exit heffing van 19% (soms 3%) voor bedrijven.
Heffing over huurinkomsten in Polen
Daarnaast wordt er over particuliere huurinkomsten 8,5% belasting geheven tot 100.000 PLN per jaar en 12,5% over het meerdere. Kosten zijn niet aftrekbaar.
Belastingheffing voor niet ingezetenen
Specifieke inkomsten voor niet ingezetenen zijn belast tegen een lokaal tarief van 20%, geen aftrek van kosten (tenzij belastingverdrag van toepassing is). Dit gaat ondermeer om:
- auteursrechten en vergoedingen IE of handelsnaam
- vergoeding lease
- inkomsten uit sport, cultuur, onderwijs, journalistiek
- commissaris vergoedingen
- inkomsten persoonlijke diensten
- management en bestuurswerzaamheden
Fiscale Hervormingen en Beleid in Polen
Polen heeft de afgelopen jaren verschillende fiscale hervormingen doorgevoerd om het belastingstelsel te vereenvoudigen en de belastinginkomsten te verhogen. Een van de belangrijkste hervormingen was de invoering van de zogeheten "Polski Ład" (Pools Akkoord), dat onder andere lagere belastingtarieven voor lage inkomens en hogere belastingvrije drempels omvat. Daarnaast heeft Polen stappen ondernomen om belastingontwijking en -ontduiking tegen te gaan. Dit omvat strengere regels voor transfer pricing, de introductie van een algemene antimisbruikbepaling (GAAR) en verbeterde samenwerking met andere EU-lidstaten en internationale organisaties zoals de OESO.
Wonen in België of Portugal
Steeds meer Nederlanders emigreren in verband met de box 3 heffing of de erfbelasting naar het buitenland. In dit artikel leggen we twee landen naast elkaar, België en Portugal.
Wonen of emigreren naar België
In de loop der jaren zijn veel Nederlanders naar België verhuisd; in sommige plaatsen vlak over de grens bestaat de bevolking voor 10% uit Nederlanders; in sommige straten loopt dat percentage op tot boven de 50%. De huizen in Vlaanderen zijn goedkoper dan in Nederland; in het Franstalige Wallonië zijn de prijzen nog lager. De Belgische vastgoedmarkt kenmerkt zich door een minder stabiele prijsontwikkeling; forse stijgingen gevolgd door plotse prijsdalingen. Als gevolg hiervan verstrekken de banken liever geen tophypotheken. Regel is dat maximaal 33% van het netto inkomen aan woonlasten mag worden besteed; verder geldt bij meer dan 80% financiering een renteopslag van 0,25%.
Bij aankoop lopen de kosten sterk uiteen per gewest en situatie.
- In Vlaanderen bedraagt de registratiebelasting bij aankoop van de enige eigen woning (onder voorwaarden) 2% (vanaf 1 januari 2025); het standaardtarief in Vlaanderen bedraagt 12%.
- In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Waals Gewest bedraagt het registratierecht in beginsel 12,5%;
- In Wallonië geldt sinds 1 januari 2025 voor de eigen en enige woning (onder voorwaarden) een verlaagd tarief van 3%. Verder is jaarlijks belasting op onroerend goed verschuldigd; deze varieert per gemeente en provincie.
Fiscale redenen om naar België te verhuizen bestaan nog steeds, maar vragen wel zorgvuldige planning. Indien u voornemende bent om uw bedrijf te verkopen, is het relevant dat Nederland bij emigratie van een aanmerkelijkbelanghouder in beginsel een conserverende aanslag oplegt, dit over de waarde op het moment van emigratie.
Bij emigratie naar een EU- of EER-land wordt daarvoor in de regel automatisch uitstel van betaling verleend, maar bij bepaalde handelingen, zoals de vervreemding van aandelen, kan (gedeeltelijke) invordering volgen. Voorts voorkomt u door emigratie de Nederlandse rendementsheffing (box 3) over buitenlands vermogen. België heft doorgaans 30% roerende voorheffing op ontvangen rente, met uitzonderingen en verminderingen afhankelijk van het type inkomsten. België kent geen algemene vermogensbelasting, maar wel onder meer de jaarlijkse taks op effectenrekeningen van 0,15% indien de gemiddelde waarde van een effectenrekening boven € 1.000.000 uitkomt. Tot slot bestaan er mogelijkheden om, onder voorwaarden, vermogen fiscaal vriendelijk over te hevelen naar de volgende generatie. Laat u wel vooraf goed adviseren zodat u aan alle fiscale en juridische voorwaarden voldoet.
Wonen of emigreren naar Portugal
Wonen in Portugal is mooi; het klimaat is goed, veel rust, ruimte, natuur en een gastvrije bevolking. Met name in de Algarve en aan de kust is veel onroerend goed vrij prijzig; in het binnenland is nog wel voor een redelijke prijs onroerend goed aan te schaffen. Voor de aankoop van een woning moet veel geregeld worden. Zo hebt u nodig: een Portugees fiscaal nummer (NIF) en de gebruikelijke kadastrale en registratiedocumentatie rond de woning.
- De kosten bij aankoop bestaan uit notaris- en registratiekosten (afhankelijk van de transactie), IMT (overdrachtsbelasting, progressief; bij een eigen en permanente woning lopen de tarieven van 0% tot 8%, met in 2026 een vrijstelling tot € 106.346 op het vasteland), en
- Imposto do Selo (zegelrecht) van 0,8% over de relevante waarde van het onroerend goed.
- Bij financiering kan daarnaast zegelrecht op de lening verschuldigd zijn. Voorts is jaarlijks onroerendgoedbelasting (IMI) verschuldigd; deze ligt doorgaans tussen 0,3% en 0,45% voor stedelijke objecten en 0,8% voor rurale objecten, afhankelijk van de gemeente.
Verkoopt u de woning in de toekomst, dan wordt de winst in Portugal in beginsel voor 50% in de heffing betrokken en vervolgens belast tegen de progressieve inkomstenbelasting tarieven; sinds 2023 geldt dit voor niet-inwoners in de kern eveneens via aggregatie in de progressieve schaal. Onder bepaalde voorwaarden kan, met name bij herinvestering in een eigen woning, de heffing geheel of gedeeltelijk worden voorkomen.
Verkoopt u niet, maar wilt u uw pensioen of lijfrenten in Portugal gaan genieten, dan kan dit – afhankelijk van uw feiten en het toepasselijke overgangsregime – gunstig uitvallen. Onder het voormalige NHR-regime gold voor buitenlandse pensioenen in hoofdlijnen een vlak tarief van 10% gedurende maximaal tien jaar; dit regime is per 1 januari 2024 beëindigd voor nieuwe toetreders, met overgangsrecht. Het is raadzaam om vóór uw verhuizing te laten onderzoeken of uw uitkeringen aan de voorwaarden voldoen en u niet (ook) onder de Nederlandse heffing valt; het Nederlandse toptarief in box 1 bedraagt in 2026 49,50%.
Noot fiscaal jurist inzake emigratie
Wonen in België kan financieel de moeite waard zijn, zeker voor vermogende particulieren en ondernemers; bedenk echter wel dat u dan daadwerkelijk emigreert. Mocht u denken: “Wij gaan naar Portugal”, laat u vooraf goed informeren en adviseren.
