Cashbonus gewoon aftrekbaar
Zowel de rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2021:785) als het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 22 februari 2023 (ECLI:NL:GHSHE:2023:685) als ook de Hoge Raad (3 jaar later) op 9 oktober 2026 (ECLI:NL:HR:2026:1631) zijn van mening dat een cashbonus - waarmee een voorwaardelijk aandelenrecht aan werknemers wordt afgekocht - gewoon aftrekbaar is voor de Vennootschapsbelasting.
De belastingdienst verloor hiermee een principiele procedure die als sinds 2021 bij de rechter liep, dit over een bedrag van ruim € 600.000
De werknemersparticipatie in een notendop
- Een Nederlandse B.V. maakte deel uit van een Franse groep. De Franse moeder (een SA) kende in 2013 en 2014 aan vijf werknemers van de B.V. voorwaardelijke rechten op aandelen toe, de werknemers waren erg belangrijk en moesten worden gebonden aan het bedrijf.
- De aandelen zouden pas worden geleverd na vier jaar dienstverband én het halen van prestatiedoelen, een logische en veel voorkomende eis. Tot die tijd waren de rechten niet overdraagbaar.
- In 2015 werd 66,7% van de aandelen in de Franse moeder verkocht aan een andere Franse vennootschap. De koper wilde de resterende aandelen van de markt halen. Daarom kregen de werknemers een aanbod: zie af van uw voorwaardelijke aandelenrechten en ontvang in ruil een cashbonus van € 217,50 per aandeel – gelijk aan de overnameprijs.
- De cashbonus kende geen voorwaarden meer: geen blijfvereiste, geen prestatiedoelen. De helft werd betaald in december 2016, de andere helft in juni 2018. Alle vijf werknemers gingen akkoord. Totaal: € 630.750, volledig ten laste van de Nederlandse B.V.
- Achteraf bleek dat geen van de werknemers de oorspronkelijke prestatiedoelen zou hebben gehaald.
- De B.V. vormde in haar aangifte vennootschapsbelasting 2015 een voorziening voor de te betalen bonus.
- De inspecteur weigerde dat met een beroep op het aftrekverbod van art. 10, lid 1, onderdeel j, Wet Vpb 1969: kosten van het toekennen van (rechten op) aandelen aan werknemers zijn niet aftrekbaar.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant gaf de B.V. gelijk. Dus ging de inspecteur in beroep. Het Hof 's-Hertogenbosch bevestigde op 22 februari 2023 het oordeel van de rechtbank, maar op een eigen, principiële grond, de kern van de uitspraak in Oeteldonk (carnavalsnaam voor Den Bosch) is de volgende:
- Artikel 10-1-j Wet Vpb grijpt aan op het moment waarop de werknemer pseudo-aandeelhouder wordt. Dat begrip komt uit de werknemersoptiearresten van 2001
- Een verbintenis onder opschortende voorwaarde werkt pas vanaf de vervulling van die voorwaarde (art. 6:22 BW). Bij een opschortende voorwaarde is er dus in beginsel nog geen toekenning. Bij een ontbindende voorwaarde wel.
- Het hof zag de cashbonus – anders dan de rechtbank – wél als afkoop van de optierechten. Maar omdat die afkoop plaatsvond vóórdat de voorwaarden waren vervuld, is er nooit een ‘toekenning’ geweest. De bonus valt daarom buiten het aftrekverbod
De Staatssecretaris van Financiën stelde beroep in cassatie in, dus kwam eerst de adviseur van de Hoge Raad in beeld. De conclusie van Wattel is - als bijna altijd - heerlijk om te lezen en geeft een goed en volledig overzicht.
- Er zijn geen aandelen of rechten op aandelen toegekend of uitgekeerd; de toekenning was immers opgeschort.
- Met art. 10-1-j wet VPB wilde de wetgever terug naar een oud arrest uit 1956, uitgifte van aandelen aan werknemers speelt zich af in de kapitaalsfeer en raakt de winst niet.
- Op het moment dat zij de cashbonus accepteerden, waren de werknemers geen pseudo-aandeelhouders. Er werd geen recht op aandelen afgekocht, maar een toekenning die nooit in werking was getreden.
Wil de Staatssecretaris het anders, dan moet hij een voorstel tot wijziging van art. 10(1)(j) Wet Vpb indienen.” Kortom: de wetgever is aan zet, niet de rechter, advies aan de Hoge Raad, kosten zijn gewoon aftrekbaar en voorziening is mogelijk. De Hoge Raad volgt de A-G en verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond
Noot fiscaal jurist inzake aftrekbaarheid van een cashbonus
Vóór 2007 was de waarde van aan werknemers toegekende aandelen en opties aftrekbaar. Bij een toekenning onder opschortende voorwaarden gebeurde dat pas bij vervulling van die voorwaarden. Pseudo-aandeelhouderschap ontstaat pas als de rechten niet meer afhangen van een opschortende voorwaarde en feitelijk en rechtens afdwingbaar zijn.
Pas op het moment van vervulling worden de (optie)rechten feitelijk en rechtens afdwingbaar en ontstaat pseudo-aandeelhouderschap. Het hof oordeelde terecht dat nooit sprake is geweest van een toekenning van (optierechten op) aandelen. De voorziening van € 630.750 in 2015 blijft dus in stand.
Wij puzzelen nog wel even over de voorziening in 2015, omdat salariskosten normaal gesproken drukken op het jaar van betaling. Edoch in deze situatie drukken de salariskosten eerder omdat wordt gekeken naar het schadeveroorzakende feit, dat heeft zich in 2015 voorgedaan (het moment van verkoop).
De conclusie van Wattel is tof om te lezen, allereerst stelt hij dat artikel 10 lid 1 (letter j) VPB naar de tekst niet van toepassing is. Er zijn immers geen aandelen, winstbewijzen, rechten op aandelen of winstbewijzen of daarmee gelijk te stellen rechten toegekend of uitgekeerd. Pas na de opschortende voorwaarde ( in dienst blijven en prestatie leveren) zou daadwerkelijk een recht zijn verkregen om de aandelen geleverd te krijgen. Hiermee is eigenlijk de spreekwoordelijke kous af.
Turbo liquidatie en navorderingsaanslagen
Een turboliquidatie maakt de fiscale claim niet ongedaan: de inspecteur kan ook na ontbinding (navorderings)aanslagen opleggen, en de ontbonden BV kan daartegen procederen zolang een heropening van de vereffening denkbaar is. Dat illustreert Rechtbank Noord-Holland 24 augustus 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:10995: drie zonder baten ontbonden BV's krijgen navorderingsaanslagen Vpb met winsten tot ruim € 1,5 miljoen per vennootschap, en de rechtbank handhaaft die nagenoeg volledig.
De turboliquidatie (art. 2:19 lid 4 BW) is voor de DGA een snelle en goedkope exit: geen baten, dan geen vereffening, en de rechtspersoon houdt direct op te bestaan. In de praktijk wordt de route echter ook gekozen terwijl er nog fiscale lijken in de kast liggen. Een lopend boekenonderzoek, een nihilaangifte of niet-verantwoorde omzet verdwijnt niet met de inschrijving in het Handelsregister.
Kan er na een turbo liquidatie worden nagevorderd? Ja binnen de kaders van artikel 16 AWR
Hoe moet de aanslag bekend worden gemaakt? via artikel 8 lid 2 Invorderingswet (na alleen op oude adres)
Kan de ontbonden BV nog procederen? Da's is lastiger, kan alleen als heropening volgt
Civielrechtelijk kader van de turbo liquidatie
Een rechtspersoon die bij ontbinding geen baten heeft, houdt op dat moment op te bestaan (art. 2:19 lid 4 BW). Schulden – waaronder belastingschulden – blijven onbetaald, maar zijn niet tenietgegaan in de zin dat de vordering juridisch ‘verdwijnt’: er is alleen geen debiteur meer met verhaal.
Heropening van de vereffening. Blijkt na het einde van de rechtspersoon dat er nog een bate is, dan heropent de rechtbank op verzoek van een belanghebbende of het OM de vereffening (art. 2:23c lid 1 BW). De rechtspersoon herleeft dan voor de afwikkeling van die bate. Een bate kan bestaan uit een vordering op de (ex-)aandeelhouder of bestuurder, bijvoorbeeld:
- terugbetaling van een uitkering in strijd met de uitkeringstest (art. 2:216 lid 3 BW);
- een vordering uit onverschuldigde betaling of paulianeus handelen (art. 3:45 BW);
- een vordering wegens onbehoorlijke taakvervulling (art. 2:9 BW).
Een belastingschuld zelf is geen bate. Voor de ontvanger is heropening
dus alleen zinvol als er verhaal te halen valt.
Fiscaal kaders bij een turbo liquidatie
Volgens de Hoge Raad (ons hoogste rechtscollege ), is een aanslag aan een opgehouden rechtspersoon in wezen een vaststelling van wat die rechtspersoon over het jaar verschuldigd was. Dat is niet zinloos, omdat de vordering na heropening van de vereffening alsnog kan worden verhaald. De navorderingsbevoegdheid volgt gewoon art. 16 AWR: een nieuw feit (of kwade trouw), binnen vijf jaar na het belastingtijdvak (twaalf jaar bij buitenlands inkomen of vermogen).
Na het einde van de rechtspersoon is er geen bestuurder of vereffenaar meer die de BV vertegenwoordigt; de bewaarder van de boeken heeft geen vertegenwoordigingsbevoegdheid. De invorderingswet kent een mooi zijspoor (artikel 8 lid 2 t/m 4 IW 1990). Volgt de inspecteur die niet en stuurt hij het biljet alleen naar het laatst bekende adres, dan is de aanslag niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt.
Hof Arnhem-Leeuwarden d.d 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4872, vernietigde om die reden een navorderingsaanslag Vpb en een naheffingsaanslag OB, omdat de termijn van art. 16 lid 3 AWR inmiddels was verstreken.
Een opgehouden rechtspersoon kan alleen bezwaar en beroep instellen als zij daarbij belang heeft, en dat belang bestaat als na heropening van de vereffening gevolgen van de aanslag kunnen intreden. De Hoge Raad heeft op 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1080 geoordeeld dat een Guernsey Ltd., waarvan de vereffening naar haar recht niet kan worden heropend, niet-ontvankelijk is. De aandeelhouder lijdt volgens de Hoge Raad geen rechtstekort: hij kan de navorderingsaanslag aan de orde stellen in een procedure over een vergrijpboete die hem is opgelegd. Voor een Nederlandse BV is heropening op grond van art. 2:23c BW wel mogelijk; daar is de ontvankelijkheid in beginsel gegeven.
Wie moet uiteindelijk de navorderingsaanslag bij een turbo liquidatie betalen?
De aanslag aan de ontbonden BV is voor de fiscus vooral een opstap: het werkelijke verhaal ligt bij de bestuurder en de aandeelhouder. De uitspraak laat zien hoe die keten eruitziet. De route van de belastingdienst is meestal de volgende
- Heropening verefffening: herleving BV en verhaal op baten (als die er zijn)
- Bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 36 invorderingswet): VPB, BTW en loonheffingen (kennelijk onbehoorlijk bestuur stellen). Meldingsplicht betalingsonmacht vaak niet gedaan
- Onrechtmatige daad bestuurder (artikel 6:162 BW): ontbinding terwijl de schuld bekend of voorzienbaar is geweest. Persoonlijk ernstig verwijt moet dan wel vaststaan
- Uitdeling terughalen bij de DGA: Uitkering in strijd met uitkeringstest (pauliana). Via heropening door de ontvanger
- Heffing bij de aandeelhouder: Uitdeling en onttrekkling als AB voordeel. VPB heffing en box 2 heffing
- Vergrijpboete opleggen: feitelijk leidinggever
De verdedigingslijnen voor de (ex-)DGA.
- Bekendmaking. Toets of de inspecteur de route van art. 8 lid 2-4 IW 1990 heeft gevolgd. Is het biljet alleen naar het oude adres gestuurd en is de termijn van art. 16 lid 3 AWR verstreken, dan is vernietiging haalbaar (Hof Arnhem-Leeuwarden 2024).
- Navorderingsbevoegdheid. Is er een nieuw feit, en is de termijn gehaald? Bij een nihilaangifte zal kwade trouw of een ambtelijk verzuim zelden een obstakel zijn voor de inspecteur.
- Ontvankelijkheid als zwaard. De ontbonden Nederlandse BV is in beginsel ontvankelijk; voor een buitenlandse entiteit zonder heropeningsmogelijkheid is de route via de BV afgesloten en loopt de toetsing via de boete van de aandeelhouder (HR 2024).
- Schatting. Bij omkering van de bewijslast moet de ex-DGA overtuigend aantonen dat de schatting onjuist is. Dat vergt primaire stukken: inkoopfacturen, kasadministratie, verifieerbare leveranciers. Een achteraf door een administrateur gereconstrueerde administratie overtuigt niet; dat is de les van de Noord-Hollandse zaak.
- Aansprakelijkheid apart aanvechten. Een aansprakelijkstelling ex art. 36 IW kent eigen verweren: tijdige melding, ontbreken van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de drie jaar ervoor, en betwisting van de onderliggende aanslag via art. 49 IW 1990.
Risico's die vaak worden onderschat bij een turbo liquidatie
- Timing. Een turboliquidatie tijdens of vlak na een aangekondigd boekenonderzoek is een rood signaal voor inspecteur, OM en rechter. In de casus vond de laatste ontbinding enkele weken na de aankondiging plaats.
- Het baten-oordeel. ‘Geen baten’ is een feitelijke vaststelling van het bestuur. Waren er wel baten, of vorderingen op de aandeelhouder, dan is de ontbinding feitelijk een vereffening die nooit is afgerond. Heropening ligt dan voor de hand.
- Cumulatie. Vpb bij de BV, box 2 bij de aandeelhouder, aansprakelijkheid als bestuurder, een boete en strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan. In de casus speelden in elk geval de Vpb-navordering, de aangekondigde box 2-heffing en de strafvervolging.
Noot fiscaal jurist inzake belastingen bij een turbo liquidatie
Een turbo liquidatie loopt meestal via een advocaat, de fiscalist denkt
vaak niet (of te laat) mee. De rechtspersoon verdwijnt maar de fiscale
claium, de bewijslast en een mogelijke persoonlijke aansprakelijkheid blijven
bestaan. Toets dus altijd of er nog aangiften of aanslagen openstaan en
toets het baten oordeel altijd open en kritisch. Overweeg bij een fiscale
onzekerheid of gedoe een reguliere vereffening met een reservering (of
uitstel na vaststellen van de aanslagen). Zorg altijd voor een volledige
en deugdelijke (en tijdige) deponering.
De ambtshalve vermindering van belastingaanslagen
Aanslag onherroepelijk? De ambtshalve vermindering als tweede kans
U ontvangt een aanslag, de zes weken voor bezwaar is verlopen en pas daarna blijkt dat de aanslag te hoog is. Shit, te laat met reageren, maar zijn er nog mogelijkheden? In dit artikel een uiteenzetting van de mogelijkheden om alsnog met de belastingdienst in overleg te komen.
Het kan een vergeten aftrekpost zijn, een fout in de aangifte of een arrest van de Hoge Raad dat later uitkomt. De aanslag staat dan onherroepelijk vast, maar daarmee is niet alles verloren. Via een verzoek om ambtshalve verminderingkan de inspecteur de aanslag alsnog verlagen. De mogelijkheden zijn wel begrensd. De box 3-procedureshebben laten zien hoe hard die grenzen kunnen zijn: na het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 2026 krijgen belastingplichtigen die geen bezwaar hebben gemaakt geen rechtsherstel.
In dit artikel leest u wanneer ambtshalve vermindering mogelijk is, waar de inspecteur het verzoek mag afwijzen, wat de rechtspraak en de kennisgroepen van de Belastingdienst daarover zeggen en wat u in de praktijk kunt doen.
Het wettelijk kader bij een ambtshalve vermindering
Optie 1 bij de ambtshalve vermindering
Voor de meeste belastingen ligt de grondslag in art. 65 AWR.
- Het eerste lid bepaalt: "Een onjuiste belastingaanslag of beschikking kan door de inspecteur ambtshalve worden verminderd.
- Volgens het tweede lid geldt hetzelfde voor wie een onjuist bedrag op aangifte heeft voldaan of afgedragen, of van wie te veel is ingehouden. Denk aan de btw, de loonheffingen en de dividendbelasting.
- Het woord kan is belangrijk: art. 65 AWR geeft een bevoegdheid, geen recht. Hoe de inspecteur die bevoegdheid gebruikt, staat in paragraaf 23 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB).
- Volgens de Belastingdienst regelt het BFB uitputtend in welke gevallen de inspecteur zijn bevoegdheid gebruikt, zie kennisgroep KG:206:2024:2. Het BFB bevat een uitputtende regeling van de gevallen, waarin de inspecteur gebruik maakt van zijn bevoegdheid ex artikel 65 AWR om ambtshalve te verminderen.
Optie 2 bij de ambtshalve vermindering
Voor de inkomstenbelasting geldt een eigen regime in art. 9.6 Wet IB 2001, uitgewerkt in art. 45aa Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Dat regime is voor de belastingplichtige op drie punten gunstiger:
- De inspecteur is verplicht, niet alleen bevoegd. In de aangewezen gevallen wordt een onjuiste aanslag ambtshalve verminderd (art. 9.6 lid 2 Wet IB 2001).
- Een verzoek binnen zes weken leidt tot vermindering. Volgens art. 9.6 lid 3 Wet IB 2001 wordt een te hoge aanslag verminderd als het verzoek is ingediend binnen de termijn van art. 6:7 Awb. Een herziene aangifte die tot vermindering strekt, geldt als verzoek om ambtshalve vermindering (lid 4).
De termijn: vijf jaar, met weinig ruimte voor uitzonderingen
Een verzoek om ambtshalve vermindering moet binnen vijf jaar worden ingediend. Bij aanslagbelastingen begint die termijn na het einde van het kalenderjaar waarop de aanslag betrekking heeft. Voor de inkomstenbelasting heeft de Hoge Raad dit op 2 december 2022 bevestigd (ECLI:NL:HR:2022:1795). een verzoek voor de Vennootschapsbelasting over 2021 moet dus uiterlijk op 31 december 2026 worden ingediend.
Een valkuil bij navorderingsaanslagen.
De termijn loopt vanaf het einde van het belastingjaar en niet vanaf de dagtekening van de aanslag. Wordt een navorderingsaanslag pas na die vijf jaar opgelegd, dan is een verzoek om ambtshalve vermindering dus al te laat. De Hoge Raad vindt dat niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel Voor de praktijk betekent dit: maak bij een late navorderingsaanslag altijd tijdig bezwaar, want er is geen tweede kans.
Termijnoverschrijding bij ambtshalve aanslagen
Een verzoek dat op tijd is verstuurd maar buiten de termijn binnenkomt, kan verschoonbaar zijn (Hoge Raad 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1871) In 2024 heeft de Hoge Raad de maatstaf voor verschoonbaarheid versoepeld. Bij persoonlijke omstandigheden komt het erop aan (ECLI:NL:HR:2024:515). Echter... wie jarenlang de tijd had voor een verzoek, zal alleen niet snel verschoonbaar te laat zijn.
Wanneer mag de inspecteur een verzoek om amtshalve vermindering weigeren?
Ook binnen de termijn kan de inspecteur een verzoek afwijzen. De belangrijkste gronden zijn:
- Geen aangifte gedaan, of informatie- en administratieverplichtingen geschonden. In dat geval hoeft de inspecteur niet te verminderen, tenzij u overtuigend aantoont dat en in hoeverre de aanslag onjuist is (paragraaf 23 lid 6 BFB, zoals weergegeven door Van der Veen). Het bewijs dat u moet leveren is dan zwaar.
- U komt redelijkerwijs niet in aanmerking. De inspecteur mag bij het verzoek ook feiten meenemen die u zelf niet noemt. De Hoge Raad oordeelde al in 2006 dat er rekening moet worden gehouden met andere feiten die grond opleveren om de vermindering of teruggaaf te beperken, zodat per saldo (zoveel mogelijk) sprake is van een juiste belastingheffing, zie kennisgroep KG:206:2025:3. Een verzoek kan dus uitlopen op een lagere vermindering dan u vroeg. De kennisgroep trekt wel een grens bij de gecombineerde aanslag IB/PVV.
- Wie een keuze of een beroep op een faciliteit bij de aangifte had moeten doen, kan dat niet via ambtshalve vermindering herstellen. de Hoge Raad heeft op 19 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1719) laat zien hoe streng dat uitpakt. Een belastingplichtige had de lening van haar vader voor de eigen woning niet in de aangifte vermeld. Volgens de Hoge Raad is die vermelding een voorwaarde om de desbetreffende lening tot de eigenwoningschuld te rekenen. Een beroep op evenredigheid hielp niet. De renteaftrek was voor dat jaar definitief verloren. Soortgelijke risico's spelen bij doorschuifregelingen, keuzeregimes en andere voorwaarden die de wet aan de aangifte koppelt.
- Een vormvoorschrift niet gevolgd. Houdt u zich niet aan een voorgeschreven vorm voor het verzoek en herstelt u dat niet binnen de hersteltermijn, dan wordt het verzoek afgewezen (art. 4:5 Awb).
- Nieuwe jurisprudentie of nieuw beleid. Deze grond heeft de meeste gevolgen en wordt hierna apart besproken.
Nieuwe jurisprudentie en nieuw beleid: de kern van het box 3-dossier
Is een aanslag al onherroepelijk op het moment dat een gunstig arrest of gunstig beleid verschijnt, dan leidt dat niet tot ambtshalve vermindering. Volgens de Belastingdienst beoordeelt de inspecteur een verzoek aan de hand van wet, jurisprudentie en beleid zoals die golden op de dag voordat de aanslag onherroepelijk werd (paragraaf 23 lid 13 BFB, geciteerd in KG:206:2024:2).
Box 3: geen rechtsherstel voor wie geen bezwaar maakte
Na het Kerstarrest (Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963) oordeelde de Hoge Raad op 20 mei 2022 dat het arrest geen gevolgen heeft voor aanslagen die toen al vaststonden (zie Hoge Raad d.d. 20 mei 2022 ECLI:NL:HR:2022:720)
Daarna volgde de massaalbezwaarplusprocedure, met als uitkomst het arrest van 25 juni 2026. De Hoge Raad toetste de uitzondering voor nieuwe jurisprudentie aan het evenredigheidsbeginsel en hield haar in stand (zie Hoge Raad 25 juni 2026 ECLI:NL:HR:2026:907)
Dat de rechtspraak een schending van grondrechten uit het EVRM vaststelt, verandert daar niets aan (r.o. 4.4.7). Een opening voor het individuele geval blijft wel bestaan: bijzondere omstandigheden waardoor toepassing van de uitzondering onredelijk bezwarend zou zijn, of een buitensporige individuele last (r.o. 4.4.11–4.4.12 en 4.6). De Hoge Raad benadrukt daarbij dat de samenstelling en omvang van inkomen en vermogen buiten die bijzondere omstandigheden geen rol spelen. De lat ligt dus hoog en zelden kan bij nieuwe jurisprudentie nog een voordeel worden gehaald, het is niet anders! Maar er zijn soms mogelijkheden.
De uitzondering: de inspecteur mocht zijn standpunt redelijkerwijs niet juist vinden
Van belang voor de praktijk is Hoge Raad d.d. 26 april 2024 ECLI:NL:HR:2024:667 . De inspecteur kan zich niet op nieuwe jurisprudentie beroepen "indien hij bij het opleggen van die aanslag is uitgegaan van een rechtsopvatting waarvan hij redelijkerwijs niet mocht menen dat die juist was". De toets gebeurt naar de stand van het recht op het moment dat de aanslag onherroepelijk werd.
De kennisgroep past deze lijn ook toe op nieuw beleid, dit is dus meer de route van een "pleitbaar standpunt". Wie aannemelijk kan maken dat het standpunt van de inspecteur al bij het opleggen van de aanslag niet houdbaar was, heeft hier dus een ingang. In box 3 lukte dat niet: de rechtbank oordeelde dat de inspecteur redelijkerwijs van de juistheid van zijn rechtsopvatting mocht uitgaan
Kennisgroepstandpunten tellen als nieuw beleid, in beide richtingen
De Belastingdienst merkt een kennisgroepstandpunt aan als nieuw beleid. Een gunstig standpunt dat pas verschijnt nadat uw aanslag vaststaat, helpt u daarom in beginsel niet. Er is een uitzondering: bestond er vóór het onherroepelijk worden al een vaste gedragslijn met dezelfde inhoud, dan kunt u zich daarop beroepen. Het loont dus om uit te zoeken of de 'nieuwe' lijn in werkelijkheid al eerder werd gevolgd, bijvoorbeeld via stukken die op grond van de Woo openbaar zijn gemaakt.
Rechtsbescherming: een verschil tussen de inkomstenbelasting en de andere belastingen
Tegen een belastingbesluit staat alleen beroep open als het gaat om een aanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking (art. 26 AWR). Voor de inkomstenbelasting heeft de wetgever de afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering uitdrukkelijk als bezwaarbare beschikking aangemerkt (art. 9.6 lid 5 Wet IB 2001). Voor de andere belastingen, zoals de vennootschapsbelasting, de btw, de loonheffingen en de erfbelasting, is dat niet gebeurd.
In die gevallen blijft alleen de burgerlijke rechter over, en daar is de kans op succes klein
Wat kunt u als belastingplichtige doen?
- Maak bezwaar als het nog kan. Ambtshalve vermindering is een vangnet en geen vervanging van bezwaar. Met bezwaar heeft u rechtsbescherming en profiteert u van latere rechtspraak. Bij twijfel kunt u pro forma bezwaar maken en de gronden later aanvullen. De box 3-zaken laten zien wat het kost om dat niet te doen.
- Controleer eerst de termijn. Gaat het om een aanslagbelasting, dan loopt de termijn tot vijf jaar na het einde van het belastingjaar. Bij een navorderingsaanslag die laat wordt opgelegd, is bezwaar de enige route.
- Kies het juiste regime. Bij de inkomstenbelasting krijgt u op een afwijzing een bezwaarbare beschikking en daarmee toegang tot de rechter. Bij de andere belastingen moet het verzoek meteen volledig en overtuigend zijn, omdat er meestal geen rechter naar kijkt.
- Onderbouw het verzoek zoals een bezwaarschrift. Geef de feiten, de berekening, de bewijsstukken en de juridische grondslag. Houd er rekening mee dat de inspecteur ook naar andere onderdelen van de aanslag kan kijken. Beoordeel daarom vooraf of het verzoek per saldo iets oplevert.
- Is de onjuistheid ontstaan door nieuwe rechtspraak of nieuw beleid? Onderzoek dan (a) of het standpunt van de inspecteur bij het opleggen van de aanslag redelijkerwijs houdbaar was (HR 26 april 2024), (b) of er al eerder een gelijkluidende vaste gedragslijn bestond (KG:206:2024:2), en (c) of de minister een afwijkende regeling heeft getroffen. Pas daarna is een beroep op bijzondere omstandigheden in de zin van HR 25 juni 2026 aan de orde. Dat laatste vraagt concrete, individuele feiten.
- Keuzes en voorwaarden goed in de aangifte. Wat de wet aan de aangifte koppelt, zoals gegevens over een lening van familie of een keuzeregime, is na het onherroepelijk worden van de aanslag niet meer te herstellen. Controleer dit vóór indiening.
- Bent u te laat? Leg de omstandigheden vast. Beroept u zich op verschoonbaarheid, zorg dan voor bewijs van de omstandigheid die u verhinderde en dien alsnog in binnen zes weken nadat die omstandigheid is weggevallen.
Noot fiscaal jurist inzake ambtshalve mogelijkheden
Ambtshalve vermindering is een bruikbaar middel om een onherroepelijke aanslag te laten corrigeren, vooral bij feitelijke fouten en bij de inkomstenbelasting. De grenzen zijn na 2026 duidelijk. De uitzondering voor nieuwe jurisprudentie staat vast (HR 25 juni 2026), kennisgroepstandpunten worden als nieuw beleid behandeld, en buiten de inkomstenbelasting is er geen fiscale rechtsgang tegen een afwijzing. De ruimte die overblijft zit in de details: een standpunt van de inspecteur dat redelijkerwijs niet houdbaar was, een eerdere vaste gedragslijn, verschoonbare termijnoverschrijding en uitzonderlijke individuele omstandigheden. De belangrijkste les blijft dat een tijdig bezwaarschrift meer bescherming biedt dan een verzoek achteraf.
Vragen? Neem gerust contact met ons op.
Belastingdienst eist informatie via kort geding
In de praktijk zien we steeds vaker dat de Belastingdienst informatie van een belastingplichtige gaat afdwingen via een kort geding. Het begint meestal met een vragenbrief en soms een formeel informatieverzoek (of informatie beschikking). Wie structureel weigert informatie te verstrekken loopt niet alleen het risico op een informatiebeschikking en omkering bewijslast maar ook op een kort geding. De belastingdienst kan namelijk via de civiele rechter medewerking afdwingen (met forse dwangsommen). Dit bleek al bij de Oger zaak maar recent ook bij een procedure bij de Rechtbank Limburg.
De feiten bij het kort geding inzake boekenonderzoek belastingdienst
In december 2025 start de belastingdienst een boekenonderzoek bij een belastingadvieskantoor. Het onderzoek richt zich op de fiscale winst en inkomstenbelasting over 2020 en 2021. Ook wordt de omzetbelasting gecontroleerd. De bestuurder vraagt uit stel tot februari 2026. Vervolgens gebeurt er eigenlijk niks en zijn partijen alleen maar met elkaar aan het schrijven, zonder dat er informatie wordt verstrekt. Kort voor het kort geding wordt alsnog een deel van de informatie verstrekt. Volgens de belastingdienst ontbreekt echter nog een deel van de informatie. Het belastingadvieskantoor moet nog auditfiles, leasecontracten, stukken over voorzieningen etc verstrekken. In een kort geding wordt het belastingadvieskantoor (BV en maatschap) door de rechtbank gedwongen om de informatie alsnog te verstrekken (onder dwangsom van 5.000 per dag en 500.000 per persoon).
Het toetsingkader bij een kort geding tegen de belastingdienst
De voorzieningenrechter loopt een bepaalde marsroute
- Spoedeisend belang: wordt vrijwel altijd aangenomen, zeker als navordering of verjaring speelt
- Relevantie. De maatstaf is ruim: de informatie moet van belang kunnen zijn voor de heffing, en de vraag mag niet kennelijk irrelevant zijn.
- Bepaaldheid. Het verzoek moet concreet zijn en afgebakend naar periode, rekeningen en soort stukken. Open formuleringen en een fishing expedition worden geschrapt.
- Bestaan en beschikkingsmacht. De Staat moet dit aannemelijk maken, maar een verweer moet onderbouwd zijn (HR 2022).
- Nemo tenetur. Informatie die van de wil van de betrokkene afhangt: verstrekking kan worden bevolen, maar met een gebruiksbeperking (geen boete of strafvervolging). Informatie die daar niet van afhangt (zoals bankafschriften): geen beperking (De Legé).
- Bij derden: proportionaliteit en subsidiariteit (art. 8 EVRM en de AVG). Dit is het enige punt waar in 2026 nog onderdelen van de vordering zijn gesneuveld.
- Dwangsom. Termijn: veertien tot achtentwintig dagen. Bedragen: € 5.000 tot € 100.000 per dag. Maxima meestal rond € 350.000–500.000, maar een dwangsom zonder maximum is toegestaan.
- Daarnaast volgt een proceskostenveroordeling.
Bij een dergelijke procedure zijn er voor de belastingplichtige meerdere smaken
- Voor het kort geding onderhandelen over de reikwijdte van het verzoek
- Gericht verweer voeren in kort geding, per vraag of informatieverzoek reageren of aangeven dat de stukken niet bestaan of er niet zijn
- Aangeven dat informatie wordt gebruikt voor een boete of onder geheimhouding valt
- Vrijwillige verbetering indienen
Noot fiscaal jurist inzake kort geding bij boekenonderzoek
De belastingdienst stuurt normaal gesproken een vragenbrief waarin veel informatie wordt opgevraagd. Meestal is er dan nog wat discussie over de fiscaal relevante informatie. Komen partijen er niet uit dan volgt veelal een informatiebeschikking, maar tegenwoordig zien we vaker dat de belastingdienst niet via de fiscale route dit probleem aanvliegt maar via de civiele rechter.
Elke belastingplichtige of administratieplichtige moet op verzoek van de Belastingdienst informatie verstrekken. Deze informatie moet van belang zijn voor de belastingheffing van de persoon of onderneming of van een derde. Over de omvang van die verplichting ontstaat regelmatig een discussie. De belastingdienst vraagt soms zoveel informatie dat de belastingplichtige van mening is dat sprake is van "rupsje nooit genoeg". Daarom is artikel 52a AWR ingevoerd, de informatiebeschikking. Via een informatiebeschikking wordt dan de informatie opgevraagd en de belastingplichtige kan hiertegen in bezwaar en beroep. De fiscale rechter kan zo bepalen of alle gevraagde informatie ook moet worden verstrekt. Als de belastingplichtige hieraan niet voldoet kan dit tot gevolg hebben dat de bewijslast omkeert en/of de bewijslast bij belastingplichtige wordt verzwaard (artikel 25 lid 3 AWR).
De procedure via de informatiebeschikking kan zomaar 1 tot 2 jaar duren. De belastingdienst zoekt dus naar alternatieven, deze is gevonden in het kort geding via de civiele rechter. De basis is gelegd in een uitspraak van de Hoge Raad uit 2009. Voor een dergelijke procedure is een spoedeisend belang nodig en moet de informatie ook bestaan (zie Hoge Raad in 2013), als de informatie niet zou bestaan moet dit worden onderbouwd (Hoge Raad 2022). Tevens moet de informatie worden gebruikt voor de belastingheffing en niet voor een boete (Rechtbank 2025). In 2015 stelt de Hoge Raad wel paal en perk, de belastingdienst mag niet vissen in een grote informatie vijver en kijken wat er aan de haak komt.
Het botweg weigeren om informatie te verstrekken geeft vaak veel onnodige discussies. Via het kort geding staat de belastingplichtige al snel met 3-0 achter. De ervaring leert dat het beter is om met elkaar in gesprek te gaan en te blijven. Informatie die uberhaubt moet worden verstrekt moet ook gewoon worden verstrekt. Over extra informatie (zoals whats app berichten, mails, telefoongesprekken, adviezen, DD onderzoeken etc.) moeten werkbare afspraken worden gemaakt.
Bronnen en vindplaatsen kort geding belastingdienst
Hoge Raad d.d. 18 september 2009 ECLI:NL:HR:2009:BI5906 Basis arrest
Hoge Raad d.d. 12 juli 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ3640 Liechtensteinse stichting
Hoge Raad d.d. 24 april 2015 ECLI:NL:HR:2015:1137 fishing expedition mag niet
Hoge Raad d.d. 18 maart 2022 ECLI:NL:HR:2022:378
Rechtbank Midden Nederland d.d. 14 maart 2025 ECLI:NL:RBMNE:2025:966
Rechtbank Limburg d.d. 9 september 2026 ECLI:NL:RBLIM:2026:9514
Hulp ondernemers Oger
De Rechtbank Noord Holland heeft op 2 september 2026 het kledingmerk Oger verplicht om binnen 4 weken - dus uiterlijk eind september 2026 - de administratie van al haar business club leden over 2019 tot en met 2025 aan de Belastingdienst verstrekken (derdenonderzoek), Zodra de lijst binnen is, kan de inspecteur per lid gaan beoordelen hoe het lidmaaschap in de aangifte is verwerkt. Door de aflopende termijn zal nog dit jaar een golf van aanslagen "ter behoud van rechten" worden opgelegd aan deze ondernemers. Deze vallen in november en december 2026 op de (digitale) deurmat.
Oger claim procedure
Wij helpen diverse ondernemers en DGA's bij dit traject maar zien ook dat er al kantoren zijn die allerlei claims verzamelen, zoals Oger claim. Deze insteek is meer vanuit de advocatuur en minder vanuit het fiscale domein. Ondernemers kunnen - naar onze mening - beter onderzoeken wat de mogelijkheden zijn en waar eventuele fiscale schade kan worden beperkt. Wij helpen u vlot en met meer dan voldoende ervaring. Stuur ons gerust een e-mail voor een vrijblijvende offerte.
Samenvatting Oger claim, wat kunnen ondernemers doen?
- Kledingdeel - lastig en feiten belangrijk: Het shoptegoed voor kleding is naar zijn aard prive. Gewone kleding (zonder logo en/of specifiek voor een beroep) is niet aftrekbaar, tenzij er sprake is van fiscaal erkende werkkleding (logo 70 cm2 etc.). Een mooi Oger pak uit een modezaak voldoet daar niet aan. Zijn er dan helemaal geen mogelijkheden? Dit moeten we met u overleggen. Voor de beoordeling of uitgaven voor kleding in minder kunnen worden gebracht op de winst is van belang of de kleding een functie vervult binnen uw onderneming, zie ondermeer het kennisgroep standpunt inzake kleding gedragen door infleuncers (KG:213:2025:12). Ook kan het zijn dat u de kleding - aantoonbaar - niet prive gebruikt en dat deze op uw kantoor achterblijft. De insteek van de belastingdienst wordt gebasseerd op een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 14 november 1990 (ECLI:NL:HR:1990:ZC444), kleding is niet aftrekbaar, of op informatie van hun eigen internetsite.
- Netwerkdeel - deels te redden: Diners, evenementen, reizen en netwerkbijeenkomsten kunnen zakelijk zijn, maar vallen wel onder de aftrekbeperking voor gemengde kosten. Dit zal afhangen van uw verhaal (bijv heeft het klanten of relatie opgeleverd).
- Boete - grootste winstkans: niet de belasting zelf maar de verzuim en vermoedelijk vergrijpboete (50% +) bepaalt de omvang van de schade. Bij afwezigheid van opzet, een advies van uw accountant of een pleitbaar standpunt is hier nog wel wat te winnnen.
- Vertrouwensbeginsel: individuele leden kunnen aan het (kennelijke) vooroverleg tussen Oger en de belastingdienst weinig vertrouwen ontlenen, maar dat vooroverleg is wel relevant voor de boete en voor de zorgvuldigheid van de belastingdienst. Een Woo verzoek om deze stukken te krijgen is reeds ingediend maar zal qua uitkomst vermoedelijk te lang duren. Via het opvragen van "het boete dossier" of na overleg met Oger, gaat dit wellicht sneller.
- Accountants lopen eigen risico: op grond van artikel 67o AWR (deelnemersboete) kan ook gedoe bij de accountant veroorzaken, wij denken dat dit uiteindelijk wel zal loslopen.
- Handel nu maar gecontroleerd en met een plan: inventariseer uw dosser en de jaren en verzamel de facturen, brochures, betaalbewijzen en pa de administratie niet achteraf aan. De administratie achter rechtzetten maakt van een boetevraag een strafzaak. Suppleties en correcties in het lopende boekjaar zijn te overwegen, maar hiermee erkent u ook de fout in het verleden. Al met al overleg met een specialist.
De fiscale vraagstukken bij het Oger lidmaatschap
Kern vraagpunten inzake Oger lidmaatschap:
- Hoe is de factuur geboekt – als volledig aftrekbare “netwerkkosten”, of gesplitst?
- Is het kledingtegoed daadwerkelijk gebruikt, en zo ja, voor welk bedrag?
- Zit er een BV tussen (dga), of is het lidmaatschap in de IB-onderneming/zzp-praktijk verwerkt?
- Is de btw op (een deel van) de inleg in aftrek gebracht?
- Welke jaren staan nog open, en is er uitstel verleend?
- Wat wist het lid – en wat wist de accountant – over de aard van het tegoed?
Deze zes vragen bepalen samen de hoogte van de correctie en, vooral, of er een boete bij hoort en hoe hoog die is.
Het kledingdeel: art. 3.16 Wet IB 2001, kennisgroepstandpunt en jurisprudentie
Voor de IB-ondernemer zijn kosten van kleding uitgesloten van aftrek, tenzij sprake is van werkkleding (art. 3.16 Wet IB 2001). Kleding is werkkleding als zij
- uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om in het kader van de onderneming te worden gedragen (zoals een uniform of overall), óf
- is voorzien van een of meer duidelijk zichtbare, aan de onderneming gebonden beeldkenmerken met een oppervlakte van ten minste 70 cm².
Herenmode – een pak, een overhemd, schoenen – voldoet aan geen van beide voorwaarden: de kleding is óók buiten de onderneming te dragen en draagt geen bedrijfslogo van 70 cm². De Kennisgroep van de Belastingdienst heeft dit onlangs nog uitdrukkelijk bevestigd voor representatieve kleding: gewone kleding die zowel zakelijk als privé kan worden gedragen, is géén werkkleding en valt volledig onder de aftrekuitsluiting (kennisgroepstandpunt KG:213:2025:12).
De 70 cm²-eis is bovendien een harde eis: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 juni 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:5250) verwierp de aftrek van praktisch noodzakelijke werkkleding louter omdat het vereiste beeldmerk ontbrak. Dat “iedere willekeurige persoon” zulke kledingstukken kan aanschaffen, was doorslaggevend.
Maar zijn we er dan? Zeker niet, als de kleding aantoonbaar enkel op het werk wordt gedragen en ook hier achterblijft en/of er andere specifieke omstandigheden zijn is er een begin voor een verdediging.
Kan het lidmaatschap tóch zakelijk zijn? De verdedigbare posities
Als ervaren fiscalisten benoemen wij ook de argumenten waarmee (een deel van) het lidmaatschap wél te verdedigen valt. Zij zien vrijwel nooit op de kleding zelf, maar op de randen van het dossier:
- Ongebruikt tegoed. Waar het kledingtegoed nooit is verzilverd, is er geen privé-consumptie genoten. De vordering ziet niet voor niets ook op “ongebruikte tegoeden”. Voor niet-benut tegoed is het privévoordeel – en daarmee de grondslag voor correctie en boete – aanzienlijk zwakker.
- Splitsing lidmaatschap. Het netwerkdeel (diners, evenementen, reizen, bijeenkomsten) kan een zakelijk karakter hebben. Een reële splitsing tussen (niet-aftrekbaar) kledingdeel en (beperkt aftrekbaar) netwerkdeel is de kern van de onderhandeling met de inspecteur.
- Zakelijke representatie ≠ kleding. De representatieve functie van het lidmaatschap (relatiebeheer, acquisitie) raakt het netwerkdeel, niet de aftrekbaarheid van de kleding zelf; die blijft afketsen op art. 3.16.
- Pleitbaar standpunt. Als de aftrek ten tijde van de aangifte objectief pleitbaar was – bijvoorbeeld omdat de structuur destijds als zakelijke faciliteit werd gepresenteerd en de fiscus die kende – kan dat een vergrijpboete blokkeren.
- Wees realistisch: deze argumenten verzachten de correctie en richten zich vooral op de boete. Zij maken het kledingdeel - in de meeste gevallen - niet alsnog aftrekbaar.
Het netwerkdeel: aftrekbeperking gemengde kosten (art. 3.15 Wet IB / art. 8 Wet Vpb)
Zakelijke kosten van eten en drinken, recepties, congressen, seminars, evenementen en studiereizen zijn “gemengde kosten”.
- Voor de IB-ondernemer geldt art. 3.15 Wet IB 2001: een vast niet-aftrekbaar drempelbedrag van € 5.700 (2026), of – naar keuze – aftrek van 80% van die kosten.
- Voor de BV geldt art. 8 lid 5 Wet Vpb: een niet-aftrekbaar bedrag van € 5.700 (of, indien hoger, 0,4% van de gezamenlijke loonsom), dan wel beperking van de aftrek tot 73,5%. Het netwerkdeel is dus in beginsel aftrekbaar, maar niet volledig.
De btw: geen aftrek voor privégebruik bij Oger procedure
Voor de btw geldt spiegelbeeldig: voor zover de inleg ziet op privégebruik (de kleding voor de ondernemer zelf) is er geen recht op aftrek van voorbelasting (art. 15 Wet OB 1968; Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting). Bij horecabestedingen (eten en drinken ter plaatse) is de btw sowieso uitgesloten van aftrek; voor relatiegeschenken en personeelsverstrekkingen geldt de BUA-drempel van € 227 per begunstigde per jaar. Een eerder in aftrek gebrachte btw op het kledingdeel zal daarom via naheffing worden gecorrigeerd.
De dga en de BV: loon of (verkapt) dividend bij de Oger procedure
Zit er een BV tussen, dan verschuift het probleem. Een pak dat de BV voor de dga betaalt, is geen aftrekbare bedrijfslast maar een verstrekking aan de aandeelhouder/werknemer:
- ofwel loon in natura (belast in de loonheffing),
- ofwel een winstuitdeling die in box 2 wordt belast (verkapt dividend).
Bij de uitdelingsroute speelt het bewustheidsvereiste – bij bedragen van deze omvang veelal aanwezig. De keuze loon versus dividend heeft gevolgen voor tarief, gebruikelijkloonregeling en eventuele brutering. De belastingdienst zal dit dossier voorleggen aan haar interne kennisgroep zodat voor elke zaak hetzelfde standpunt wordt ingenomen.
De vergrijpboete: opzet of grove schuld, en het pleitbaar standpunt
Fiscaal is iedere ondernemer verantwoordelijk voor zijn eigen aangifte; “Ogér zei dat het kon” haalt de verschuldigde belasting niet weg. Voor de boete ligt dat anders.
- Een vergrijpboete (art. 67e AWR bij navordering IB/Vpb; art. 67f AWR bij naheffing btw/loonheffing) kan alleen worden opgelegd als de inspecteur opzet of grove schuld van u als ondernemer of DGA zelf bewijst. De bewijslast ligt bij de inspecteur.
- De bandbreedte loopt van 25% (grove schuld) via 50% (opzet) tot 100% bij listigheid;
Beslissend is wat het lid wist en wat hem valt te verwijten. De positie verschilt scherp:
- Sterk verweer: wie enkel een factuur “lidmaatschap Business Club” aan de accountant gaf – zonder dat het kledingtegoed op die factuur stond – en die post als netwerkkosten liet boeken, heeft een reëel verhaal tegen de boete.
- Zwak verweer: wie wist dat hij voor duizenden euro’s pakken kocht en die bewust als bedrijfskosten liet opvoeren. Hier zal de inspecteur de woorden van de rechter over het kledingdeel inzetten.
- Daarnaast blokkeert een objectief pleitbaar standpunt de boete: is het standpunt dat de aftrek toelaatbaar was – naar de kennis en jurisprudentie ten tijde van de aangifte – in redelijkheid verdedigbaar, dan is er geen sprake van opzet of grove schuld (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638).
- Vragen die uitsluitend zien op een mogelijke boete hoeven overigens niet te worden beantwoord; de fiscale informatieplicht (art. 47 AWR) reikt niet zover.
Het vertrouwensbeginsel en het vooroverleg Ogér–fiscus
Ogér voerde kennelijk aan dat de Belastingdienst het product al kende: in 2020 zou vooroverleg over de btw-verwerking hebben plaatsgevonden en in 2021 zouden vragen over een concrete factuur en het verloop van het shoptegoed zijn beantwoord. De vraag is of leden zich daarop kunnen beroepen.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in beginsel een toezegging of bewuste standpuntbepaling jegens de belastingplichtige zelf nodig, dan wel algemene voorlichting waarop deze gerechtvaardigd heeft vertrouwd. Individuele leden waren van het vooroverleg niet op de hoogte en waren daarbij geen partij; een rechtstreeks beroep is daarom zwak.
Wél in het voordeel van belastingplichtigen is dat de Hoge Raad het dispositievereiste sterk heeft versoepeld (Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1654): dat een belastingplichtige “daarenboven” schade heeft geleden, is niet langer een zelfstandige eis. Waar een lid daadwerkelijk op een concrete uiting van de fiscus is afgegaan, is dat dus makkelijker in te roepen. Voor de meeste leden ontbreekt echter een tot hén gerichte uiting, tenzij Oger de ondernemer heeft geinformeerd, dan ligt dit weer net iets anders.
De betekenis van het vooroverleg ligt daarom elders, en dáár zit strategische waarde:
- Boete en verwijtbaarheid. Als de fiscus het product sinds 2020 kende en leden jarenlang liet begaan, weegt dat mee bij de vraag of het lid opzet/grove schuld valt te verwijten – en bij de vraag hoe zorgvuldig de dienst zelf is geweest (zorgvuldigheids- en fair-play-beginsel).
- Pleitbaar standpunt. Bekendheid van de fiscus met de structuur en het uitblijven van correcties versterken het betoog dat de aftrek destijds pleitbaar was.
- Feiten boven water. Wat de fiscus in 2020/2021 precies heeft geantwoord en of een standpunt is ingenomen, is nu nog niet bekend. Een Woo-verzoek naar de stukken van het vooroverleg is daarom een verstandige, laagdrempelige eerste stap – die uitkomst kan het verschil maken tussen wél en geen boete, probleem zal zijn dat deze informatie pas over vele maanden beschikbaar zal komen.
De Oger procedure, hoe zit het ook al weer?
- De Ogér Business Club is een lidmaatschapsformule van het herenmodebedrijf Ogér, die uitsluitend aan ondernemers werd aangeboden.
- Tegen een jaarbijdrage (in de praktijk enkele duizenden tot circa € 20.000, oplopend via lidmaatschapsniveaus als Platinum en Diamond) kreeg het lid een shoptegoed voor kleding, aangevuld met netwerkactiviteiten: diners, evenementen, bijeenkomsten en reizen. Volgens de brochures dekte het kledingtegoed het overgrote deel van de inleg. Kenmerkend is dat de factuur alleen het “lidmaatschap” vermeldde; het shoptegoed stond in een aparte brochure. De rechtbank stelde vast dat bijvoorbeeld een inleg van € 12.100 recht gaf op een shoptegoed van € 13.915.
- De Belastingdienst vermoedt dat leden hun lidmaatschap volledig als zakelijke kosten hebben verwerkt, terwijl een groot deel in feite privé-uitgaven voor kleding betreft.
- Nadat Ogér weigerde de ledenadministratie te verstrekken, vorderde de fiscus verstrekking in kort geding. De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland (2 september 2026) wees die vordering grotendeels toe. Ogér moet binnen vier weken onder meer verstrekken: namen en adressen, het soort lidmaatschap en bijbehorend shoptegoed, betaalde bedragen, ongebruikte tegoeden, facturen en betaalbewijzen, over 2019–2025. Bij niet-nakoming loopt een dwangsom op van € 5.000 per dag in de eerste week tot uiteindelijk € 20.000 per dag, met een maximum van € 500.000.
- Voor het onderzoek woog mee dat uit een verzoek van Ogér om vooroverleg kan worden afgeleid dat het bedrijf het lidmaatschap zelf zag als een volledig aftrekbare faciliteit. Volgens de rechter diende het lidmaatschapsgeld voor het overgrote deel ter dekking van het shoptegoed en heeft het kledingdeel een “evident onzakelijk karakter”. Die formulering zal de inspecteur in individuele dossiers gebruiken.
Noot fiscaal jurist inzake advisering ondernemers en DGA bij Oger procedure
Er is geen "one size fits all" advies. Wij zien - op basis van de procedure en de fiscale mogelijkheden - vier hoofd routes. Vaak is een combinatie van de opties - na zorgvuldig overleg met de ondernemer - de beste.
- Afwachten en gecontroleerd meewerken aan de vragenbrief: voordeel is dat u alle rechten kunt behouden, de boete wellicht kunt beperken en aan de bal blijft. Nadeel is dat de belastingrente blijft doorlopen.
- Pro actief vooroverleg en vaststellingsovereenkomst met de belastingdienst sluiten: voordeel is dat u zelf de regie kunt voeren over het proces en de boete kunt matigen, dit geeft rust en hiermee wordt de zaak vlot opgelost. Belangrijk is dat u de gesprekken niet zelf gaat voeren (ondernemer is vaak niet opgewassen tegen ervaren fiscalist van de belastingdienst en zal in zijn eerlijk verkeerde antwoorden geven).
- Vrijwillige verbetering: de boete zal vermoedelijk dan lager zijn, hoewel "inkeren" niet meer kan (fiscus is u immers op het spoor).
- Onderzoek, bezwaar en beroep: u kunt informatie gaan verzamelen uit andere trajecten, nieuwsberichten, info van collega leden, uitspraken van rechters, etc. Nadeel is dat de belastingrente doorloopt en de kosten hoger zijn dan bij optie 1 - 3.
Hulp nodig bij Oger procedure tegen belastingdienst?
Wij begeleiden zowel leden van de business club als hun accountants.
Hierbij nemen wij het gehele traject - inclusief overleg met de belastingdienst
- van u over. Insteek zal zijn om het probleem in redelijkheid - via een
vaststellingsovereenkomst - op te lossen. Lukt dit niet dan kunnen we -
in overleg met u - besluiten voor de formele route (bezwaar / beroep).
Neem vrijblijvend contact op via onderstaand formulier of een directe
mail aan mr Dennis Jongbloed, managing partner van ons kantoor. Al
uw informatie wordt vertrouwelijk behandeld en u krijgt eerst een offerte,
dus geen verrassingen.
Bron en vindplaatsen Oger en belastingdienst
Rechtbank Noord Holland d.d. 2 september 2026 ECLI:NL:RBNHO:2026:11306
Hoge Raad d.d. 14 november 1990 ECLI:NL:HR:1990:ZC4444
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 juni 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:5250
Uitspraak ANPR Hoge Raad 24 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:286
Uitspraak creditcard Hoge Raad 12 november 2021 ECLI:NL:HR:2021:1595
Parkeer app Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 19 augustus 2014 ECLI:NL:GHSHE:2014:2803
Vodafone versus belastingdienst inzake fiscale truc
Gerechtshof zet streep door deel renteaftrek Vodafone
De belastingdienst en Vodafone zijn al jaren penvrienden inzake rente die het Vodafone in Nederland ten laste van de winst brengt. Volgens de belastingdienst betaalde de Nederlandse tak van Vodafone (de houdster) te hoge en onzakelijke vergoedingen binnen het concern waardoor de Nederlandse winst een stuk lager is uitgevallen. Het woord was eerst aan de Rechtbank Den Haag en daarna kwam een tussenuitspraak van het Gerechthof en op 5 augustus 2026 kwam het Gerechtshof Den Haag tot haar slotconclusie.
In dit artikelen behandelen wij deze casus en geven aan waar de angel zit en welke mogelijkheden er zijn. De rente ging grotendeels van 5% naar 2,21%. Per saldo bleef € 900 miljoen aan aftrek rente en commitments fees in stand en wordt € 380 miljoen niet geaccepteerd.
Renteaftrek binnen internationaal concern
Vodafone heeft enkele jaren op rij winsten verplaatst naar het buitenland (Luxemburg) door in Nederland te hoge rentes te betalen. De belastingdienst legt uiteindelijk voor € 250 miljoen aan aanslagen op, een deel hiervan blijft overeind. Vodafone zou onzakelijke rentes hebben betaald over leningen van een moedermaatschappij (in Luxemburg) waardoor de Nederlandse winst zou worden uitgehold, internationaal een veel voorkomende opzet.
Volgens de rechter had Vodafone de onderliggende interne documentatie niet op orde en is op lichtvaardige wijze aangifte gedaan, een bijzondere conclusie over een bedrijf met deze omvang. Vodafone was al beetje uitgegaan van een probleem, in de jaarrekening wordt een reservering gemaakt van € 27 miljoen (aldus een artikel in het financieel dagblad). Meestal worden procedures over internationale intercompany pricing geschikt, de zaken die voor de rechter komen gaan vaak over veel geld. In een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam d.d. 11 september 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:2377) ging het om winstcorrecties van bijna € 2 miljard bij Britisch American Tobacco (BAT), de belastingdienst is grotendeels in het gelijk gesteld, de boete van ruim € 100 miljoen ging wel in de prullenbak.
In deze zaak bij Vodafone ging het om een financieringsopzet van Vodafone Europe en hun Nederlandse dochter. De houdstermaatschappij houdt de belangen in diverse Vodafone dochters in de hele wereld. Om die dochterondernemingen te financieren leent Vodafone Europe miljarden uit aan andere entiteiten. De belastingdienst legt in deze casus aanslagen op omdat de rentes die worden betaald aan de moedermaatschappij in Luxemburg te hoog (en onzakelijk) zijn. De rechtbank was het nog wel (grotendeels) met Vodafone eens maar het Gerechtshof ging er eens goed voor zitten. De rechters volgen de belastingdienst zeker niet in al haar stellingen maar een groot deel wordt gevolgd. Wat opvalt is dat het Gerechtshof heeft vastgesteld dat diverse transferpricing documenten belangrijke gebreken vertonen. Ook achct het Gerechtshof het niet aannemelijk dat bij het doen van de aangiften vennootschapsbelasting een kredietwaardigheidsanalyse beschikbaar is geweest, dit om de zakelijkheid van de rente te onderbouwen en beoordelen.
Conclusie van het Gerechtshof is dan ook dat er op lichtvaardige wijze aangifte is gedaan, van een groot opererende onderneming mocht - aldus de raadsheren - meer zorgvuldigheid worden verwacht. Betere comparables (zoals obligatiess van concurrenten) hadden volgens het Hof bij Vodafone een lampje moeten laten branden en aanwijzingen moeten opleveren dat all in tarieven onzakelijk waren. Ook is navordering toegestaan (de belastingrente wordt wel verlaagd).
Het at arm's length-beginsel (art. 8b Wet Vpb)
Sinds 1 januari 2002 is het at arm's length-beginsel gecodificeerd in art. 8b Wet Vpb 1969. De bepaling schrijft voor dat gelieerde lichamen - zoals bij Vodafone internationaal - in hun onderlinge rechtsverhoudingen dezelfde voorwaarden — waaronder de prijs — moeten hanteren als onafhankelijke derden onder vergelijkbare omstandigheden zouden overeenkomen.
Vóór de codificatie vloeide hetzelfde beginsel reeds voort uit het totaalwinstbegrip (art. 3.8 Wet IB 2001 jo. art. 8 Wet Vpb). Voor de invulling grijpt de rechter terug op de OESO-richtlijnen voor verrekenprijzen (versie 2022), in het bijzonder Hoofdstuk X inzake financiële transacties, en op het nationale Verrekenprijsbesluit 2022 (Besluit van 14 juni 2022, Stcrt. 2022, 16685). Art. 8b lid 3 legt bovendien een zelfstandige documentatieverplichting op: de belastingplichtige moet in zijn administratie vastleggen hoe de gehanteerde verrekenprijzen tot stand zijn gekomen.
Afbakening: art. 8b is een prijs-, geen kwalificatievraag
Het onderscheid met de „klassieke” renteaftrekbeperkingen is voor de praktijk cruciaal. Bij art. 10a Wet Vpb (winstdrainage) wordt de aftrek van rente op een schuld aan een verbonden lichaam gewéígerd wanneer die schuld verband houdt met een besmette rechtshandeling, tenzij de belastingplichtige slaagt in de dubbele zakelijkheidstoets of aannemelijk maakt dat sprake is van een compenserende heffing.
Bij de onzakelijke lening (Hoge Raad 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442) draait het om de vraag of een derde het debiteurenrisico zonder winstdelende rente zou hebben aanvaard; is dat niet zo, dan wordt de rente via de borgstellingsanalogie gefixeerd en is een afwaarderingsverlies niet aftrekbaar. Beide leerstukken raken de kwalificatie of de aftrekbaarheid als zodanig.
De lening wordt fiscaal gerespecteerd; het is en blijft vreemd vermogen. Alleen de hoogte van de vergoeding wordt gecorrigeerd naar een zakelijk niveau. Het hof koos hier bewust voor deze route: geen aftrekweigering wegens misbruik, maar een kwantitatieve prijsaanpassing. A contrario (uit het tegendeel geredeneerd) betekent dit dat de fiscus de zwaardere bewijslast van fraus legis (wetsontduiking) niet hoefde te dragen — een pragmatische keuze die het arrest juist zo bruikbaar maakt als precedent.
Bewijslast en documentatie intercompany pricing Vodafone
De onus probandi (bewijslast) verschuift naarmate de onderbouwing van de belastingplichtige tekortschiet. Voldoet de verrekenprijsdocumentatie niet aan de eisen van art. 8b lid 3, dan kan dat leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast (art. 25 lid 3 en art. 27e AWR), en materieel tot een aanzienlijk bewijsnadeel. In deze zaak constateerde het hof „fundamentele gebreken” in de onderbouwing van de bv — een omstandigheid die de uitkomst mede heeft bepaald.
Fiscaal advies voor internationale bedrijven
- Documenteer robuust. Een deugdelijke functionele analyse, actuele benchmarkstudie en een onderbouwde credit rating van de debiteur (inclusief implicit support) zijn beslissend; ontbreken zij, dan verschuift de bewijslast in het nadeel van de belastingplichtige.
- Onderbouw commitment fees afzonderlijk. Omdat het hof rente en fees samenvoegt, moet duidelijk zijn dat óók de beschikbaarstellingsvergoeding zakelijk is; anders „lekt” zij mee in de correctie.
- Overweeg vooroverleg of een APA. Een advance pricing agreement biedt zekerheid vooraf over de gehanteerde methode en voorkomt jarenlange procedures.
- Denk aan de doorwerking van earningsstripping. Zelfs een als zakelijk aanvaarde rente kan sinds 2019 alsnog worden beperkt door de generieke earningsstrippingmaatregel (art. 15b Wet Vpb; thans aftrekbeperking van het saldo aan renten voor zover dat 20% van de gecorrigeerde winst/EBITDA of € 1 mln te boven gaat). Voor 2012–2017 speelde dat nog niet, maar de lege ferenda (naar toekomstig recht) is dit een dubbele toets geworden.
- Kwalificatie. Is sprake van vreemd vermogen? Toets de fiscale herkwalificatie (schijnlening, deelnemerschapslening, bodemlozeputlening).
- Art. 10a-toets. Bestaat er verband met een besmette rechtshandeling? Zo ja: dubbele zakelijkheidstoets en/of compenserende heffing.
- Onzakelijke lening. Kan een zakelijke rente worden bepaald zonder dat deze winstdelend wordt, zie hiervoor ook de Hoge Raad uitspraak die hierboven wordt genoemd (uit 2011)
- Art. 8b-prijstoets. Is de vergoeding at arm's length? Beoordeel rente én commitment fees als één all-in vergoeding per faciliteit.
- Kredietwaardigheid. Bepaal de rating van de debiteur: stand-alone versus mét impliciete concernsteun.
- Vergelijkbaarheid. Zijn er bruikbare comparables qua looptijd, valuta, zekerheden, achterstelling en volume?
- Documentatie. Voldoet de vastlegging aan art. 8b lid 3 (master file, local file, functionele analyse)? Vermijd omkering van de bewijslast.
Noot fiscaal jurist inzake Vodafone arrest en intercompany pricing
Wat dit arrest zo interessant maakt (en hierdoor tof om te lezen), is niet de uitkomst maar de route. De inspecteur had zich kunnen vastbijten in art. 10a of fraus legis — het klassieke, maar bewerkelijke en risicovolle pad. In plaats daarvan koos hij, en het hof volgde, voor de zuivere art. 8b-prijscorrectie.
Dat is fiscaaltechnisch elegant en goed bedacht: de lening blijft staan, de structuur wordt niet als misbruik weggezet, en tóch verdampt € 380 miljoen aan aftrek. De keerzijde is dat de rechter daarmee de facto (feitelijk) op de stoel van de transferpricing-econoom gaat zitten: het hof stelt zélf een zakelijke rente vast (2,21% waar het concern 5% rekende). Dat roept de vraag op hoe ver de rechterlijke schattingsvrijheid reikt binnen een range die per definitie geen exact punt kent. Hier ligt prima facie (op het eerste gezicht) een aantrekkelijk cassatiemiddel voor de belastingplichtige.
De echte les voor het telefoonbedrijf, zit in de onus probandi. Dit dossier is niet verloren op de rentevoet, maar op de documentatie. „Fundamentele gebreken” in de onderbouwing zijn dodelijk: zij verschuiven het bewijsrisico en geven de rechter de ruimte om zijn eigen — voor de fiscus gunstige — schatting te maken. Wie vandaag concernfinanciering opzet, moet de benchmark, de credit rating en de zakelijkheid van de commitment fee mutatis mutandis (met de nodige aanpassingen) even zorgvuldig vastleggen als de leningsovereenkomst zelf. Verdedigbaarheid begint bij het dossier, niet bij de pleitnota. Dictum sapienti sat — voor de goede verstaander is dit voldoende.
Het Vodafone-arrest (maar ook andere uitspraken) bevestigen dat de Belastingdienst winstverschuiving via concernfinanciering effectief kan bestrijden zónder de zware misbruikleerstukken: een gerichte prijscorrectie op grond van art. 8b Wet Vpb volstaat.
Voor de adviespraktijk is de boodschap tweeledig.
- Ten eerste is de hoogte van de rente — bepaald door de rating van de debiteur en de zekerheden — het beslissende slagveld, niet langer alleen de vraag óf de rente aftrekbaar is.
- Ten tweede is verrekenprijsdocumentatie geen formaliteit maar een materiële verdedigingslinie: zonder deugdelijke onderbouwing verliest de belastingplichtige het bewijsgevecht nog vóór het over de cijfers gaat.
De praktische adviesrichting: benchmark tijdig en realistisch, onderbouw de credit rating expliciet, behandel commitment fees niet als „restpost”, en zoek bij grote financieringsstromen zekerheid vooraf via een APA. Zijn er vragen? Neem gerust contact met ons op!
Oh ja, wij bellen zelf via KPN, maar dat maakt voor de casus geen verschil.
Bron en vindplaatsen inzake renteaftrek Vodafone
Rechtbank Den Haag d.d. 14 juli 2023 ECLI:NL:RBDHA:2023:12061
Gerechtshof Den Haag d.d. 29 oktober 2025 ECLI:NL:GHDHA:2025:3019
Gerechtshof Den Haag d.d. 5 augustus 2026 ECLI:GHDHA:2026:2462
Fishing door de belastingdienst in zaak Oger
Is sprake van een sleepnet of fishing door de Belastingdienst
In het kader van een derdenonderzoek heeft de Belastingdienst een groot aantal gegevens opgevraagd over de leden van hun Bussinesclub. De Rechtbank Noord-Holland 2 september 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:11306heeft in kort geding geoordeeld dat de Belastingdienst daartoe het recht had (enkele privé gegevens daargelaten).
De basis voor het opvragen van informatie door de belastingdienst
Bij een belastingplichtige zelf is artikel 47 AWR het uitgangspunt, de inspecteur mag gegevens en inlichtingen opvragen die voor diens belastingplicht van belang kunnen zijn. De informatie moet dan wel fiscaal relevant zijn. De wet kiest (bewust) voor een lage relevantiedrempel. Bij een administratieplichtige derde (zoals Oger) moeten we iets verder bladeren in de wet, artikel 53 lid 1 AWR verklaart die informatieverplichtingen overeenkomstig van toepassing ten behoeve van de belastingheffing van anderen. Artikel 53 lijkt dus ruimer te zijn dan alleen de controle van reeds bekende gegevens.
De vaktechnische instructie controle belastingdienst (januari 2024) bepaalt dat bij derdenonderzoeken proportionaliteit en subsidiariteit moeten worden getoetst. Bovendien stelt deze interne instructie van de belastingdienst dat zij niet is geschreven voor projectmatige of anderszins brede informatie uitvragen zonder concrete casus (ad 1.4 van de instructie). Ook in de brochure derdenonderzoek worden de rechten van een belastingplichtige enigszins toegelicht.
De volgende procedures zijn in het verleden al eens voorbij gekomen
- Stad Rotterdam Hoge Raad d.d. 10 december 1974 ECLI:NL:HR:1974LAB4412: arrest is niet gepubliceerd maar wordt wel helder besproken in deze scriptie over het derdenonderzoek ex artikel 53 AWR en het recht op privacy ex artikel 8 EVRM . De verzekeraar moest in deze casus gegevens verstrekken over alle personen die een pleziervaartuig hadden verzekerd.
- Hoge Raad 8 januari 1986 ECLI:NL:HR:1986:AW8125. Informatie moet van belang kunnen zijn, edoch geen onbeperkte bevoegdheid voor een uitvraag
- Hoge Raad d.d. 23 september 2005 ECLI:NL:HR:2005:AU3140. Deze uitspraak ging over het uitvragen van een zogenaamd due diligence rapport en fiscale adviezen. Het fair play beginsel verhindert dat de inspecteur via artikel 47 fiscale adviezen en daarmee verweven stukken kan opvragen. Feitelijk delen mogen worden geschoond.
- Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 19 augustus 2014 ECLI:NL:GHSHE:2014:2803 inzake SMS parkeren. Moet een parkeer ondernemer alle parkeergegevens aan de belastingdienst verstrekken? Is er sprake van strijdigheid met het EVRM? Het Hof accepteerde de bulk uitvraag en oordeelde dat dit soort serie uitvragen mogelijk moet zijn. Proportionaliteit, subsidiariteit en privacy blokkeerden de uitvraag niet. De rechtbank dacht hier eerder nog anders over (ECLI:NL:RBOBR:2013:6553)
- Hoge Raad d.d. 24 april 2015 ECLI:NL:HR:2015:1117. Ook een kort geding procedure inzake het verstrekken van informatie in een KB Lux zaak (ook met dwangsom). Ook hier speelt de fishing expedition. De Hoge Raad stelt expliciet dat een onvoldoende onderbouwde informatievordering of een fishing expedition niet toewijsbaar is. De staat moest hier aannemelijk maken dat de informatie ook bestaat en dat de bank er over beschikt of het redelijkerwijs kan verkrijgen.
- Hoge Raad 24 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:286 inzake uitvraag van een ANPR (automatic numberplate recognition. Technologische mogelijkheden kunnen niet zonder voldoende precieze wettelijke basis worden ingezet als privacy inmenging speelt. Artikel 8 geeft wel grenzen aan de informatie behoefte bij de belastingdienst.
- Hoge Raad d.d. 12 november 2021 ECLI:NL:HR:2021:1595 inzake WKR informatieuitvraag bij ruim 80 ondernemers.
Belang voor de belastingheffing bij zaak Oger
De rechtbank oordeelt dat de wet een voldoende grondslag biedt voor het uitvragen van de gegeven. Weliswaar volgt uit de wet (en de Vaktechnische Instructie Controle Derdenonderzoeken) dat daar bij de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht moeten worden genomen (zie ook de uitgebreid toelichting van Ijzerman in 2022). Die beginselen kunnen aanleiding geven de omvang van de concrete uitvraag te begrenzen. Die grens wordt door de Belastingdienst (goeddeels) in acht genomen. De rechtbank onderbouwt dat oordeel met de volgende elementen:
Bij belastingplichtigen zijn onjuist verwerkte facturen gevonden.
Uit het verzoek om vooroverleg kan worden afgeleid dat Ogèr het lidmaatschap alleen aanbiedt aan ondernemers en ziet als een aftrekbaar.
De rechtbank acht op basis van dat gegeven aannemelijk dat ook klanten van Ogèr het als zodanig zullen hebben beschouwd.
De faciliteit bestaat uit twee componenten: een bij niet (volledige) benutting jaarlijks vervallend shoptegoed en een bundel overige verstrekkingen. Uit de brochures kan worden afgeleid dat het lidmaatschapsgeld voor het overgrote deel dient ter dekking van het verstrekte shoptegoed.
Het vervalbeding lijkt daarbij een cruciaal aspect van de regeling: het is een krachtig werkend incentive om te besteden. Zo krachtig dat aannemelijk is dat het lidmaatschap - mede gelet op de omvang van het shoptegoed - zonder het aannemen van het gesuggereerde zakelijke karakter veel van zijn aantrekkingskracht zou verliezen.
Dat, bezien in samenhang het evidente onzakelijke karakter van het kledingdeel van het lidmaatschap, biedt voldoende grondslag voor een gepersonaliseerde uitvraag van relevante gegevens.
Kort door de bocht is dan de conclusie dat het van alle kanten rammelt. Daarop legt de rechtbank deze feiten naast het zogenoemde ‘Stad Rotterdam-arrest’ van de strafkamer van de Hoge Raad en oordeelt dat de gegevens goeddeels moeten worden verstrekt.
Waarom kan er dan toch sprake zijn van fishing bij opvragen informatie ?
Is ‘Stad Rotterdam-arrest’nog onverkort van toepassing.
Daarbij kunnen vraagtekens worden gezet. In de eerste plaats was het een arrest van ruim 50 jaar gelden toen de rechtsbescherming nog in de kinderschoenen stond en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur nog tot wasdom moesten komen. Daarnaast zijn het bieden van rechts-beschermingen toepassing van de algemene beginselen door de strafrechter (of civiele rechter) niet per definitie identiek. In ‘Stad Rotterdam’ betrof het een strafrecht en in het kort geding civiel recht. Beide niet-fiscale rechters oordelen dus in een fiscaal vraagstuk. Weliswaar kunnen de derden op wie de vragen zien in hun eigen procedure klagen over de aanpak maar dat is mosterd na de maaltijd; vooraf staat er geen rechtsmiddel open (en het is dan ook niet meer dan logisch dat Ogèr voor hen de hakken in het zand zet).
Door het kort geding passeert de Belastingdienst dus de fiscale rechter. Dat is echter wel toegestaan (vb: Hoge Raad 18 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5906).
De Belastingdienst kiest bewust op strategische gronden voor deze aanpak
Binnen de belastingdienst weten ze natuurlijk ook dat ‘Stad Rotterdam’ al tamelijk belegen is en niet meer van deze tijd. Het arrest schept echter zeer ruime bevoegdheden die de Belastingdienst niet beperkt wil zien en het liefst uitbreidt.Daarbij is deze zaak bij uitstek geschikt. En wel om de volgende redenen:
Het is een high-profile zaak, die zeker de nodige publiciteit zal genereren.
(Zakelijke) kleding vergt fiscaal de nodige aandacht en fiscale aftrekbaarheid is geen gegeven (of zoals de rechtbank het nogal bot formuleert ‘het evidente onzakelijke karakter van het kledingdeel van het lidmaatschap’).
Het gaat om forse bedragen en het shoptegoed overstijgt de contributie.
Kennelijk is er bij een (klein?) aantal leden een onjuiste fiscale verwerking geconstateerd.
De kans is daarmee levensgroot dat de rechter zal oordelen dat het ‘rammelt’ en dat er dus voldoende redenen zijn om vragen te stellen.
Een en ander brengt mee dat een civiele rechter min om meer blind ‘Stad Rotterdam’ zal toepassen.
Gevolgen strategischeaanpak door de Belastingdienst bij boekenonderzoek
Die strategische aanpak door de Belastingdienst leidt tot het volgende:
In een redelijk heldere casus is de kans aanzienlijk dat de (niet-fiscale) rechter meegaat en ‘Stad Rotterdam’ continueert. Daarmee worden de bevoegdheden door de Belastingdienst gezekerd.
Door het afschrik effect van de procedure zullen de Ogèr businessclubleden zich achter de oren krabben en alsnog hun knopen tellen en de aangiften herzien dan wel aanvullen naar meer realistische variant.
Deze jurisprudentie zal de belastingdienst ook gebruiken voor andere businessclubs en situaties waarin een privé-element onderdeel kan uitmaken van een abonnement of contributie (worden de (betaald) voetbalorganisaties met hun Business Seats al zenuwachtig?).
Eenieder zal dus meer aandacht hebben voor privé-elementen bij zakelijk kosten. Ergo: missie geslaagd.
Waarin zit nu de fishing?
Het fishing-aspect ziet in het grotere gevolg van deze specifieke Ogèr-zaak. De hiervoor geciteerde elementen die de rechtbank tot het oordeel bracht dat sprake was van fiscale relevantie geeft de Belastingdienst de mogelijkheid– om in visserijtermen te blijven-een ‘net uit te gooien’over een volledig ledenbestand. Daartoe bestond een reden (kleding – waarde boven de contributie – volledig zakelijk boeken– sturende verkoopinformatie). Geoorloofde fishing dus.
Te verwachten is dat de Belastingdienst zich vaker en intensiever op het middel van derdenonderzoek zal richten om grotere groepen in kaart te brengen. Dat is nooit de bedoeling van de wetgever geweest maar slechts meegenomen om het hoofddoel (onderzoek als de belastingplichtige onvoldoende meewerkt of gegevens niet heeft dan wel ter verificatie van feiten die bij een belastingplichtige worden aangetroffen).Met ‘Stad Rotterdam’heeft (de niet fiscale kamer van) de Hoge Raad een veel ruimer vangnet geknoopt dat niet meer van deze tijd is.
De thans geldig bevonden reden om ‘het net uit te werpen’ maakt het voor Ogèr gelegaliseerde fishing, maar dat geldt niet a fortiori voor al die andere (business)clubs.
Noot fiscaal jurist inzake opvragen informatie door de belastingdienst
Ogèr lijkt met de businessclubleden in een fuik gezwommen waaruit het lastig is te ontsnappen. Voor die leden lijkt het zaak de privé-elementen (alsnog) te elimineren uit de aangiften dan wel alsnog bij de belastingdienst tot inkeer te komen.
Voor overige businessclubs reden hun beleid, facturering en verwerking nogmaals tegen de fiscale lamp te houden en voor hun leden daarin mee te nemen en correct voor te lichten.
Wij beschikken over royale kennis en vaardigheden om de abonnementen en contributies (alsnog) in veilige haven te brengen. Een belletje is zo gepleegd. Wellicht kunt u ook een kijken of het pak wel prive wordt gedragen en/of er uberhaubt sprake is van een prive voordeel.
Belastingdienst vraag om inzake in mailbox
De grenzen van het de fiscale informatie bevoegdheid
Op dit moment sturen we vrijwel geen faxen of brieven, de meeste communicatie gaat via de mail, whats app en andere digitale routes. De administratie van een onderneming bestond voorheen uit ordners en fysieke facturen, tegenwoordig is deze vervangen door slimme software pakketten en emailboxen. Hierbij loopt privé en zakelijke informatie en administratie en fiscale adviezen door elkaar. De inspecteur heeft veel rechten maar mag niet onbeperkt door uw mailboxen grasduinen op zoek naar informatie.
Wij merken dat inspecteurs steeds vaker vragen om de gehele mailbox, alle
whats app verkeer, onderliggende pakbonnen en ga zo maar door. Dit leidt
tot een spanningsveld tussen de wettelijke controlebevoegdheden enerzijds
en de grondrechtelijke bescherming van persoonsgegevens, privacy en het
verschoningsrecht. Voor de fiscale praktijk is dit – voor zowel ondernemers
als voor belastingadviseurs- een lastig terrein, waar liggen de juridische
en fiscale grenzen?
Het wettelijke kader bij een onderzoek door de belastingdienst
Het startpunt van een informatie verzoek door de belastingdienst staat keurig in artikel 47 AWR. Op grond van deze bepaling is een ieder gehouden om (desgevraagd) aan de inspecteur gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. Via artikel 53 AWR geldt dit ook voor ondernemers en voor informatie van derden.
Hoewel het wettelijke criterium prima facie (op het eerste gezicht) uiterst ruim is geformuleerd, ontbreekt een wettelijke bevoegdheid om ultra vires (buiten de wettelijke bevoegdheid tredend) ongeclausuleerd in gegevensdragers te speuren. Een mailbox als zodanig kwalificeert niet als 'de administratie'; hoogstens bevinden zich administratieve bescheiden binnen die mailbox.
Vissen in de administratie en hopen op een mooie fiscale vangst
Het verbod op 'fishing expeditions' en het motiveringsbeginsel begrenzen de vraatzucht van de inspecteur. De inspecteur mag de hem toegekende bevoegdheden niet aanwenden voor een fishing expedition (een willekeurige zoektocht waarbij op goed geluk naar belastbare feiten wordt gehengeld).
Uit de vaste jurisprudentie en parlementaire geschiedenis volgt dat de inspecteur gebonden is aan het evenredigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De inspecteur dient gemotiveerd te onderbouwen waarom de opgevraagde gegevens a priori (vooraf) redelijkerwijs relevant kunnen zijn voor de belastingheffing. Een generiek verzoek om "alle e-mails over de afgelopen vijf jaar" ontbeert deze vereiste concretisering en schendt de grenzen van een rechtmatige bevoegdheidsuitoefening.
Fairplay beginsel bij een onderzoek door de belastingdienst
Het informele verschoningsrecht van een belastingadviseur speelt zeker een rol. Dit recht berust op het fair play beginsel (eerlijk proces). De Hoge Raad heeft in een paar arresten de regels duidelijk gemaakt
- Hoge Raad 23 september 2005 ECLI:NL:HR:2005:AU3140 en
- Hoge Raad 27 april 2012 ECLI:NL:HR:2012:BV3426
geoordeeld dat de inspecteur zijn controlebevoegdheden niet mag aanwenden om kennis te nemen van fiscale adviezen die zijn opgesteld om de fiscale positie van de belastingplichtige te belichten.
De adviseur van de Hoge Raad (de AG) geeft in 2024 nog een paar aanwijzingen.
In zijn gezaghebbende conclusie van 20 december 2024 ECLI:NL:PHR:2024:1402)
betoogt advocaat-generaal Koopman dat het primaat bij de selectie van deze
stukken bij de adviseur zelf ligt:
- Het is in eerste instantie aan de adviseur om te bepalen welke correspondentie onder het informele verschoningsrecht valt;
- Deze toetsing mag vervolgens niet eenzijdig door de controlerend inspecteur zelf plaatsvinden;
- Het informele verschoningsrecht strekt zich eveneens uit tot derdenonderzoeken op grond van art. 53 AWR.
De EU wetgeving en onderzoeken van de belastingdienst
Verzoeken tot toegang tot mailboxen raken rechtstreeks de fundamentele rechten op respect voor het privé leven en de hetgeen hierover is omschreven in artikel 8 van het EVRM. Een inmenging in dit recht is uitsluitend gerechtvaardige als deze berust op een voldoende specifieke wettelijke grondslag. In een arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens d.d. 8 januari 2026 kwam dit aan de orde in de zaak Ferrieri en Bonassisa versus Italie. Het EHRM stelt vast dat Italie artikel 8 EVRM schond door bij banken gegevens op te vragen zonder toereikende wettelijke afbakening en zonder voorafgaande onafhankelijke rechterlijke toetsing (lees ook dit uitgebreide artikel)
Eenvoudige conclusie is dat het opvragen van een volledige mailbox – zonder voorafgaande waarborgen – niet langer EVRM proof is. Indien de inspecteur onrechtmatig kennisneemt van niet-fiscale privégegevens of verschoningsgerechtigde adviezen, dient in rechte een beroep te worden gedaan op bewijsuitsluiting in dubio pro fisco mag hierbij nimmer de maatstaf zijn (bij twijfel mag niet ten gunste van de fiscus worden beslist wanneer grondrechten zijn geschonden).
Belastingdienst vraagt informatie op banken, nieuwe regels
Naar aanleiding van de Europese rechtspraak hanteert de Belastingdienst
met ingang van 1 juli 2026 intern de vernieuwde Instructie informatieverzoeken
aan banken. Hierin is vastgelegd dat belastingplichtigen tijdig
moeten worden geïnformeerd over derdenverzoeken en dat verzoeken vooraf
getoetst moeten worden door de vaktechnisch coördinator Formeel Recht.
Checklist voor ondernemers en belastingadviseurs
- Maak een scheiding tussen privé informatie, adviezen en zuiver zakelijke informatie
- Gebruik een zakelijk mailadres en een privé mailadres in aparte mailboxen
- Archiveer adviezen van uw accountant, fiscalist en advocaat in aparte mailboxen met de tekst “verschoningsrecht of vertrouwelijk”
- Vraag de inspecteur om een toelichting omtrent de informatie, welke informatie is van belang en zoek bijvoorbeeld binnen uw mailbox op deze termen.
- Maak een intern protocol zodat bij uitvraag van informatie altijd toestemming van het bestuur van de vennootschap nodig is.
- Zorg ervoor dat informatie niet eindeloos in uw mailbox blijft staan en keurig wordt gearchiveerd in verschillende mappen.
- Vraag de inspecteur schriftelijk om het verzoek te specificeren op concrete belastingmiddelen, belastingjaren en rechtshandelingen
- Vraag de inspecteur om te motiveren wat de fiscale relevante is van de informatie. Wijs om de ontoelaatbare fishing expedition
- Indien de inspecteur weigert in te stemmen met een redelijk tegenvoorstel en volhardt in de integrale opvraag, stuur dan aan op het formaliseren van het geschil via een informatiebeschikking
Bron en vindplaatsen informatie verzoek belastingdienst
Instructie informatieverzoeken banken
Hoge Raad 23 september 2005 ECLI:NL:HR:2005:AU3140
Hoge Raad 27 april 2012 ECLI:NL:HR:2012:BV3426
Advocaat Generaal d.d. 20 december 2024 ECLI:NL:PHR:2024:1402
Lucratief belang is risico bij werknemersparticipatie
Groot risico voor MKB bedrijven en familiebedrijven bij werknemersparticipatie
De lucratiefbelangregeling (artikel 3.92b Wet Inkomstenbelasting 2001, voor de liefhebber) is per 1 januari 2009 ingevoerd . De regeling is bedacht om te voorkomen dat excessieve, disproportionele beloningen van private-equity- en hedgefondsmanagers als vermogenswinst worden gepresenteerd in plaats van als arbeidsbeloning. Een logische denkwijze.
Ruim vijftien jaar later blijkt de regeling in de uitvoeringspraktijk een aanzienlijk breder bereik te hebben dan de wetgever destijds voor ogen had. In onze praktijk levert dit gezeur en discussie op en soms zelf forse naheffingen met belastingrente. De reden is dat de belastingdienst - soms na jaren aandeelhouderschap - van mening is dat sprake is van een lucratief belang (box 1), vaak komt dit in beeld bij een herstructurering, participatie of verkoop.
Oneerlijke behandeling lucratief belang
De spraakmakende uitspraak van Rechtbank Den Haag van juli 2026 in de zaak van de oprichters van een Rotterdams softwarebedrijf (ECLI:NL:RBDHA:2026:19383) illustreert dat (artikel op onze site). Ook recente kennisgroepstandpunten van de Belastingdienst (2024-2026) laten zien dat niet alleen fondsbeheerders en managers van private-equityportfoliobedrijven, maar ook oprichters van scale-ups, directeuren en familiebedrijven die personeel of de volgende generatie laten meedelen in het aandelenkapitaal, in het vizier van de inspecteur (lees belastingdienst) kunnen komen.
Uit vele publicaties op het internet (zoals in het FD) komt naar voren dat er vaak geschillen ontstaan met de belastingdienst over het lucratieve belang, veelal begint die discussie direct na de verkoop van een bedrijf. Jaren dachten de aandeelhouders""komt goed en verkoop is belastingvrij op grond van de deelnemingsvrijstelling" en direct na verkoop volgt het bonnetje van 50% inkomstenbelasting.
Dit maakt de lucratief belang regeling tot een van de minst transparante maar tegelijk meest risicovolle thema's in de advisering van DGA's, familiebedrijven en MKB-ondernemers.
Wat is een lucratief belang?
Zonder specifieke regeling zou een vermogenswinst op aandelen of vorderingen in beginsel onbelast zijn (box 3) of tegen het aanmerkelijkbelangtarief worden belast (box 2), ook als die winst feitelijk een beloning voor verrichte arbeid vormt. De wetgever heeft met art. 3.92b Wet IB 2001 een specifieke bron van inkomen — resultaat uit overige werkzaamheden — gecreëerd voor dit soort 'verkapt loon', met het toptarief van box 1 (2026: maximaal 49,5%) tot gevolg en zonder de gebruikelijke faciliteiten die bij regulier loon of aanmerkelijk belang wel gelden.
Toetsen lucratief belang regeling, de hefboom en het beloningsoogmerk
Van een lucratief belang is sprake als aan twee cumulatieve voorwaarden
is voldaan:
- Hefboomtoets (art. 3.92b lid 2-4 Wet IB 2001): het vermogensrecht moet een disproportioneel rendement mogelijk maken ten opzichte van het geïnvesteerde kapitaal en het gelopen risico. Voor achtergestelde aandelen en vorderingen geldt de 10%-grens: het gestorte kapitaal (nominaal, agio én — sinds de reparatiewetgeving in het Belastingplan 2024 — bepaalde leningen) van de betreffende soort moet minder bedragen dan 10% van het totale geplaatste aandelenkapitaal. In de wetsgeschiedenis wordt als indicatie voor een disproportioneel rendement veelal een percentage van 15% of meer genoemd.
- Beloningsoogmerk (art. 3.92b lid 1 onderdeel a Wet IB 2001): het voordeel moet (mede) zijn bedoeld als beloning voor werkzaamheden van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon. Ontbreekt dit oogmerk — bijvoorbeeld omdat sprake is van een gewone, proportionele investering zonder prestatie- of exitgebonden voorwaarden — dan is er geen lucratief belang, ook niet wanneer toevallig aan de hefboomtoets wordt voldaan. Dit uitgangspunt is explicietbevestigd in kennisgroepstandpunt KG:059:2026:1
Voor de restcategorie van 'vermogensrechten economisch vergelijkbaar
met achtergestelde aandelen' (art. 3.92b lid 4 Wet IB 2001) — te denken
valt aan opties, vorderingen en hybride instrumenten — heeft
de Hoge Raad in zijn arrestvan 19 april 2023 (ECLI:NL:HR:2023:557)
beslist dat ook daarvoor een hefboomeffect van ten minste 1:10 vereist
is. De enkele mogelijkheid om met een beperkte investering een rendement
te behalen dat niet in verhouding staat tot het kapitaal en het risico,
is op zichzelf onvoldoende.
Tarief en de aanmerkelijkbelang-route (doorstootverplichting)
Een lucratief belang wordt in beginsel belast in box 1 tegen het progressieve tarief (2026: tot 49,5%), zonder de reguliere aftrekmogelijkheden en zonder verliesverrekening met ander inkomen (Hoge Raad 22 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1228, over een indirect gehouden lucratief belang).
Bij een middellijk gehouden lucratief belang — via een persoonlijke houdstervennootschap — kan op grond van art. 3.95b Wet IB 2001 worden gekozen voor heffing in box 2, mits ten minste 95% van het voordeel binnen een beperkte termijn wordt doorgestotennaar de natuurlijke persoon (de doorstootverplichting). Het box 2-tarief bedraagt in 2026 24,5% over de eerste € 68.843 (fiscale partners: € 137.686 gezamenlijk) en 31% daarboven; in combinatie met de vennootschapsbelasting op het niveau van de houdstervennootschap loopt de effectieve druk op tot circa 48,8%. Deze route is doorgaans aanzienlijk gunstiger dan directe belastingheffing in box 1, maar vergt wel dat daadwerkelijk en tijdig wordt uitgekeerd.
Wetswijzigingen lucratief belang regeling, de reparatie in 2024 en de multiplier vanaf 2028
- Belastingplan 2024: naar aanleiding van HR 19 april 2023 (ECLI:NL:HR:2023:557) is gerepareerd dat voor de 10%-hefboomtoets ook leningen meetellen die niet als informeel kapitaal kwalificeren. Deze reparatie werkt terug tot 26 juni 2023 (het moment van aankondiging).
- Belastingplan 2026: voor middellijk gehouden lucratieve belangen wordt per 1 januari 2028 (uitgesteld van de aanvankelijk voorgestelde datum van 1 januari 2026) een multiplier van 36/31 op de box 2-grondslag geïntroduceerd. Effectief loopt het tarief daarmee op naar circa 28,45% in de eerste schijf en 36% in de tweede schijf — zonder overgangsrecht, dus ook voor reeds bestaande belangen.
- KG:059:2026:3 (3 augustus 2026): bijgeschreven (herbelegde) vergoeding op cumulatief preferente aandelen telt mee als gestort kapitaal voor de 10%-toets; alleen nominaal kapitaal, agio en informeel kapitaal zijn relevant voor de verhoudingsbepaling, niet de waardeontwikkeling van de gewone aandelen (zie hoofdstuk 4).
Waarom lucratief belang regeling ook familiebedrijven, scale-ups en MKB raakt
Lucratief belang wordt in de meeste literatuur nog steeds gepresenteerd als een typisch private-equitythema. Onze dagelijkse adviespraktijk laat een ander beeld zien. Vier situaties komen in de MKB- en familiebedrijfspraktijk regelmatig terug:
- Oprichters van een scale-up die na jaren doorgroeien — vaak met de hulp van durfinvesteerders — en bij verkoop van de onderneming worden geconfronteerd met de vraag of hun oorspronkelijke, evenredig verkregen aandelen een lucratief belang vormen. De wetgever heeft bij de introductie van de regeling uitdrukkelijk overwogen dat wie zijn eigen bedrijf heeft opgebouwd niet snel als lucratief belanghouder wordt aangemerkt, maar de inspecteur legt dit uitgangspunt in de praktijk niet altijd zo uit. De Haagse uitspraak van juli 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:19383) bevestigt weliswaar dat gewone aandelen van 'initial investors' die evenredig met de overige aandeelhouders hebben geïnvesteerd en waarvan de waardestijging voortvloeit uit organische ondernemingsgroei, geen lucratief belang vormen — maar die duidelijkheid kwam pas na een jarenlange procedure en een aanslag van ruim € 35 miljoen.
- Directeuren van (deels) met durfkapitaal gefinancierde bedrijven die naast hun arbeidscontract een aandelenparticipatie houden, vaak via een eigen management-bv. Ook wanneer over de gerealiseerde winst reeds keurig vennootschapsbelasting is afgedragen, kan de inspecteur bij daadwerkelijke uitkering alsnog een lucratief belang constateren, met een aanzienlijk hogere heffing (het box 1-tarief) tot gevolg dan reeds is afgedragen — plus belastingrente over de tussenliggende jaren. Dit type dossier speelt zich vaker af dan de schaarse gepubliceerde jurisprudentie doet vermoeden.
- Familiebedrijven die in het kader van bedrijfsopvolging werknemers of de volgende generatie laten meedelen in het aandelenkapitaal — bijvoorbeeld via preferente aandelen voor de overdragende generatie en gewone aandelen voor de opvolger(s) soms in combinatie met werknemers/management, gefinancierd met een lening van de vennootschap of de familie zelf. Wanneer die lening onzakelijke voorwaarden kent, kan deze (deels) als informeel kapitaal gelden en de 10%-hefboomtoets doen kantelen (zie KG:059:2026:1 en KG:059:2026:3) — vaak zonder dat de familie zich daarvan bewust is.
- Start-ups en scale-ups waarbij investeerders bedingen
dat zij bij verkoop een preferente uitkering vóór de overige aandeelhouders
ontvangen (liquidatiepreferentie). Die voorkeurspositie wordt door de Belastingdienst
gezien als een aanwijzing dat mogelijk sprake is van lucratief belang bij
de aandelen van de overige (werkende) aandeelhouders — ook wanneer die
zelf geen preferentie genieten.
Na de Mendix-zaak heeft de Belastingdienst bovendien een gespecialiseerde kennisgroep voor werknemers- en managementparticipaties ingericht, wat enerzijds kan bijdragen aan een consistentere lijn, maar anderzijds ook laat zien dat dit onderwerp een controle-speerpunt is geworden.
Kennisgroepstandpunten van de Belastingdienst
Onderstaande kennisgroepstandpunten zijn in 2024-2026 gepubliceerd en
geven het meest actuele beeld van de standpunten die de Belastingdienst
intern hanteert bij de beoordeling van lucratief belang.
- KG:059:2024:1 11 juli 2024 Middellijk lucratief belang bij herstructurering Een aandelenruil of wijziging van tussenschakels in een internationale structuur, zonder wijziging van de economische verhoudingen, leidt niet tot gedwongen winstneming over het lucratief belang; ruilarresten kunnen toepassing vinden (art. 3.95b lid 2 en 3 Wet IB 2001).
- KG:059:2025:3 12 augustus 2025 Negatief loon, bad leaver en lucratief belang Bij een bad leaver-korting op de uittreedprijs bepaalt het moment waarop met die korting rekening is gehouden (bij verkrijging, of pas bij uittreden) of het verlies in de loonsfeer (art. 3.81 Wet IB 2001; vgl. Hoge Raad 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:635) dan wel in de winstsfeer valt.
- KG:059:2026:1 05 februari 2026 Reguliere werknemersparticipatie en beloningsoogmerk Geeft toetsingscriteria voor de aan- of afwezigheid van het beloningsoogmerk: afwezigheid van (bad/good) leaver-bedingen, geen tag-/drag-alongverplichtingen, rendement niet afhankelijk van managementdoelstellingen, een reëel langetermijnbelang zonder beoogde exit, en het ontbreken van familieband-gerelateerde bevoordeling. Ook bij een niet-zakelijke lening kan het beloningsoogmerk ontbreken als de overige omstandigheden op regulier aandeelhouderschap wijzen.
- KG:059:2026:3 03 augustus 2026 Financieringstoets en cumulatief preferente aandelen Bijgeschreven (herbelegde) vergoeding op cumprefs telt mee als gestort kapitaal voor de 10%-toets van art. 3.92b lid 4 Wet IB 2001. Voor de verhoudingsbepaling tellen alleen nominaal kapitaal, agio en informeel kapitaal mee — niet de waardeontwikkeling van de gewone aandelen.
Overzicht jurisprudentie inzake lucratief belang en risico's
- Het basis leerstuk inzake lucratief belang. Hoge Raad 15 april 2016 ECLI:NL:HR:2016:635 Basisleerstuk inzake negatief loon; het beoordelingskader hiervan werkt door in de fiscale kwalificatie van bad leaver-kortingen bij lucratief belang.
- Verlies op direct gehouden lucratief belang. Hoge Raad 22 juli 2019 ECLI:NL:HR:2019:1228 Een verlies op een indirect gehouden lucratief belang is niet verrekenbaar met ander (bron)inkomen; dit voorkomt een dubbele bevoordeling tussen de vennootschapsbelasting- en inkomstenbelastingsfeer.
- Het 10% criterium. Hoge
Raad 19 april 2023 ECLI:NL:HR:2023:557 Het 10%-criterium (hefboomeffect
van meer dan 1:10) geldt ook voor vermogensrechten uit de restcategorie
van art. 3.92b lid 4 Wet IB 2001; de enkele mogelijkheid van een bovenmatig
rendement met beperkte investering is onvoldoende. Verwijzing naar de feitenrechter
voor nader onderzoek naar het hefboomeffect.
2023 / 2024 Belastingplan 2024 (reparatiewetgeving) Naar aanleiding van deze uitspraak; ook leningen die niet als informeel kapitaal kwalificeren, tellen mee voor de 10%-toets. Terugwerkende kracht tot 26 juni 2023. - Geen lucratief belang. Rechtbank Den Haag d.d. 9 juli 2026 ECLI:NL:RBDHA:2026:19383 De Mendix-zaak: gewone aandelen van 'initial investors'/oprichters die evenredig met de overige aandeelhouders hebben geïnvesteerd en waarvan de waardestijging voortvloeit uit organische ondernemingsgroei, vormen geen lucratief belang. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur dit al veel eerder had kunnen en moeten onderkennen en handelde 'tegen beter weten in'; zij kende een integrale proceskostenvergoeding toe van € 50.000 voor de bezwaarfase, in plaats van het forfaitaire bedrag van € 3.235.
Risico's, tegenargumenten en alternatieve routes voor de lucratief belang
regeling
- De wettekst is doelbewust ruim en vaag geformuleerd (een feiten-en-omstandighedentoets), waardoor de inspecteur al snel het standpunt inneemt dat sprake is van een disproportioneel rendement — regelmatig zonder grondig vooronderzoek — terwijl de bewijslast om het tegendeel aan te tonen feitelijk bij de belastingplichtige komt te liggen.
- De financiële belangen zijn doorgaans groot en procedures duren jaren; hierdoor eindigt naar schatting rond 90% van de geschillen in een schikking, met als gevolg weinig gepubliceerde jurisprudentie en een trage rechtsontwikkeling.
- Advieskantoren zonder specifieke, aantoonbare ervaring met lucratief belang onderschatten het risico regelmatig, ook bij gerenommeerde kantoren. Dat kan leiden tot aansprakelijkheidsdiscussies wanneer een cliënt zich achteraf onvoldoende gewaarschuwd voelt — reden temeer om het risico expliciet in het adviesdossier te benoemen en te onderbouwen.
- Vooroverleg met de Belastingdienst biedt houvast, maar geen absolute zekerheid: de kwalificatie blijft feitelijk van aard en een eerder ingenomen standpunt kan bij gewijzigde feiten — een herstructurering, een naderende exit, een bijschrijving op cumprefs — opnieuw ter discussie komen te staan (vergelijk KG:059:2024:1 en KG:059:2026:3).
- De politieke belangstelling voor de regeling neemt toe: Kamervragen (2025) en het ministeriële onderzoek naar de lucratiefbelangregeling laten zien dat verdere aanscherping — naast de reeds aangekondigde multiplier per 2028 — niet is uitgesloten.
Tegenargumenten en nuancering bij de lucratief belang regeling
De wetgever heeft destijds bewust gekozen voor een open norm om structurering en omzeiling te voorkomen; een dichtgetimmerde definitie zou naar verwachting evenzeer nieuwe ontwijkingsroutes in het leven roepen. Niet elke discussie met de Belastingdienst valt negatief uit voor de belastingplichtige: zowel de Mendix-uitspraak als kennisgroepstandpunt KG:059:2026:1 laten zien dat reguliere participaties zonder hefboom- of exitkenmerken buiten het bereik van de regeling blijven.
Alternatieve routes ter mitigatie van het risico van het lucratieve belang
- Werknemersoptieregeling met uitgestelde heffing (Wet aanpassing fiscale behandeling aandelenoptierechten, in werking sinds 2023): heffing wordt uitgesteld tot het moment van verhandelbaarheid, wat beter aansluit bij de liquiditeitspositie van de werknemer en buiten de lucratiefbelangsystematiek blijft zolang geen hefboom- of beloningskenmerken aanwezig zijn.
- Certificering via een STAK met gewone, proportionele certificaten zonder preferentie of hefboom, zodat de 10%-toets bij voorbaat niet aan de orde is.
- Het aangekondigde — nog niet definitieve — regime voor start-ups en scale-ups per 2027, waarbij heffing wordt verschoven naar het verkoopmoment en circa 65% van het voordeel in de heffing wordt betrokken. Dit is nog wetsvoorstel en dus geen zekerheid, maar wel relevant om nu al in de structurering te anticiperen.
- Winstdelingsregelingen (bonus- of phantom stock-achtige constructies) buiten het aandelenkapitaal om, wanneer een daadwerkelijke kapitaaldeelname niet noodzakelijk is voor het gewenste retentie-effect.
Checklist: werknemersparticipatie vormgeven met minimaal lucratief-belangrisico
Onderstaand stappenplan kan worden gebruikt als praktische leidraad bij het opzetten (of beoordelen) van een werknemers- of familieparticipatie.
- Stap 1 — Bepaal doel en doelgroep. Leg vast of de participatie is bedoeld voor een bestaande aandeelhouder/oprichter dan wel voor een werknemer of manager, en of het doel retentie, beloning of bedrijfsopvolging is. Dit bepaalt mede welke instrumenten passend zijn.
- Stap 2 — Kies gewone, proportionele aandelen. Geef bij voorkeur gewone aandelen uit tegen een zakelijke prijs, in plaats van achtergestelde 'sweet equity'-aandelen of gestapelde vermogensrechten die per definitie een hefboom creëren.
- Stap 3 — Toets vooraf de 10%-hefboomgrens. Bereken of het gestorte kapitaal (nominaal, agio én — sinds 2024 — kwalificerende leningen) van de betreffende soort onder de 10%-grens van het totale geplaatste kapitaal blijft, en houd rekening met toekomstige bijschrijvingen op eventuele cumprefs (KG:059:2026:3).
- Stap 4 — Vermijd exit-gerichte bedingen. Neem geen (of uitsluitend marktconforme) good/bad leaver-clausules op en geen tag-/drag-alongverplichtingen die afwijken van de reguliere aandeelhoudersrechten van overige aandeelhouders (zie KG:059:2026:1).
- Stap 5 — Zorg voor een reële investering en reëel risico. Laat de deelnemer meebetalen tegen fair market value, onderbouwd met een onafhankelijk waarderingsrapport, en vermijd renteloze of bovenmatig ruime leningen van de vennootschap of de familie zelf.
- Stap 6 — Documenteer de afwezigheid van een beloningsoogmerk. Leg vast waarom de deelname niet is bedoeld als (verkapte) beloning: de investeringshorizon, de gelijke behandeling ten opzichte van overige aandeelhouders, en het ontbreken van een koppeling aan individuele prestatie-KPI's.
- Stap 7 — Beoordeel iedere financiering expliciet. Leg per verstrekte lening vast of deze, gelet op de voorwaarden, (deels) als informeel kapitaal kwalificeert en dus meetelt in de 10%-toets.
- Stap 8 — Kies bewust tussen de box 1- en de AB-route. Is een lucratief belang niet te vermijden, overweeg dan gebruik te maken van de doorstootverplichting (ten minste 95% uitkering, art. 3.95b Wet IB 2001) om het aanmerkelijkbelangtarief te realiseren in plaats van het box 1-tarief, met inachtneming van de multiplier die per 2028 gaat gelden voor middellijk gehouden belangen.
- Stap 9 — Overweeg alternatieve instrumenten. Weeg een werknemersoptieregeling met uitgestelde heffing, een STAK-structuur of een winstdelingsregeling buiten het aandelenkapitaal af tegen een directe aandelenparticipatie.
- Stap 10 — Overweeg vooroverleg met de Belastingdienst. Leg de voorgenomen structuur — goed gedocumenteerd — voor aan de inspecteur, maar besef dat dit geen absolute zekerheid biedt en dat een eerder standpunt bij gewijzigde feiten opnieuw ter discussie kan komen.
- Stap 11 — Herijk bij elk vervolgmoment. Beoordeel de kwalificatie opnieuw bij een follow-on investeringsronde, herstructurering of aandelenruil; een wijziging van tussenschakels zonder economische wijziging leidt weliswaar niet tot gedwongen winstneming (KG:059:2024:1), maar wél tot een nieuwe beoordeling van de feiten.
- Stap 12 — Schakel aantoonbare specialistische expertise in. Betrek een adviseur met concrete ervaring in lucratief-belangdossiers, niet enkel een generalistische partner — de gesignaleerde missers bij ook gerenommeerde kantoren onderstrepen dat dit rechtsgebied specialistische kennis van zowel het fiscale kader als de onderliggende financiële/bedrijfseconomische modellen vereist.
Noot fiscaal jurist inzake lucratief belangregeling en adviesrichting
Lucratief belang is niet langer een nichethema dat uitsluitend private equity raakt. DGA's, familiebedrijven en scale-ups die personeel of de volgende generatie laten meedelen in het aandelenkapitaal, doen er goed aan de structuur vooraf te toetsen aan zowel de hefboom- als de beloningsoogmerktoets, de financiering expliciet te documenteren, en — waar een lucratief belang niet is te vermijden — bewust te kiezen voor de aanmerkelijkbelang-route met doorstootverplichting.
Gelet op de hoge financiële inzet, de beperkte gepubliceerde jurisprudentie en de wisselende kwaliteit van advisering op dit vlak, loont het om dergelijke trajecten te laten begeleiden door een adviseur met aantoonbare, specifieke ervaring in lucratief belang, en om vooraf goed te documenteren waarom een participatie geen (verkapte) beloning beoogt. Wie deze stappen vooraf zet, voorkomt in veel gevallen een jarenlange en kostbare discussie achteraf.
Heeft u een werknemersparticipatie, managementparticipatie of familiale aandelenoverdracht in voorbereiding of ter discussie met de Belastingdienst? Laat de structuur — of de lopende discussie — vooraf toetsen aan de hier besproken criteria: de kosten van een preventieve toets wegen doorgaans niet op tegen de gevolgen van een langlopend geschil. Neem gerust via onderstaand formulier contact met ons op.
Onderzoek belastingdienst bij Ogér
Een lezenswaardig artikel in het Financieel Dagblad op 18 augustus 2026 "Belastingdienst onderzoek voordelen voor exclusieve netwerkclub van modezaak Ogér" De belastingdienst eist de ledengegevens van de businessclub van de herenmodeketen. Via het lidmaatschap krijg je korting en de belastingdienst wil in beeld brengen of de leden ontoelaatbare voordelen hebben verkregen (in privé). De prijs voor een lidmaatschap van de business club is lager dan het shop tegoed in de winkel. De gedachte is dat de kosten voor de business club zakelijk worden geboekt en de ondernemer vervolgens een gratis shop tegoed in prive heeft.
Ogér weigert de ledeninformatie te verstrekken en partijen gaan naar de rechter. In dit artikel beschrijven wij deze casus en de fiscale risico's en mogelijkheden voor de aangesloten ondernemers.
Boekenonderzoek belastingdienst bij Ogér
De belastingdienst onderzoekt een businessclub van het herenmodemerk. De club bestaat sinds 2018 en door het lidmaatschap krijgt het lid korting op kleding. Er zijn 3 soorten lidmaatschappen, Silver, Gold en Platinum. Het lidmaatschap kost tussen de € 5.000 en € 10.000. Sinds kort zijn er nog exclusievere leden (Diamond Ambassador) voor € 20.000. Het shop tegoed voor het abonnement is kennelijk substantieel (40% hoger dan de inleg, aldus het FD). Naast het voordelig kopen van kleding zijn er ook events, gezellig business avonden en bijeenkomsten. Voor de duurste leden is er ook nog een reisje naar het buitenland. De leden zijn zelf verantwoordelijk voor de wijze waarop ze het lidmaatschap boeken, dus in de BV of in privé.
Kernvraagstuk zal zijn "kosten lidmaatschap zakelijk boeken en privé voordelig kleding kopen"
Derdenonderzoek belastingdienst bij modemerk
De belastingdienst stelt het derdenonderzoek in op grond van artikel 53 AWR. Ogér weigert en stelt dat er sprake is van een zogenaamde fishing expedition. De belastingdienst wil via de civiele rechter alsnog de ledenlijst bemachtigen. Voor Ogér speelt vermoedelijk ook artikel 8 EVRM een rol (proportionaliteit en privacy). Voor de leden dreigt navordering, vergrijpboetes, loondiscussies en/of verkapte dividenduitkeringen (als de kosten zakelijk zijn geboekt). Los hiervan zal nog een BTW correctie volgen.
Op grond van artikel 47 AWR moet de inspecteur in beginsel eerst bij belastingplichtige zelf de informatie opvragen. Als dit onvoldoende soelaas biedt (of praktisch niet werkt bijvoorbeeld bij onbekende cliënten) is een derdenonderzoek toegestaan. In deze casus ligt dit voor de hand omdat de belastingdienst bij dit derdenonderzoek en de ledenlijst precies weet bij welke ondernemer moet worden gezocht.
Volgens de Hoge Raad d.d. 12 november 2021 ECLI:NL:HR:2021:1595) gaat de informatieverplichting van een bedrijf (administratieplichtige) best ver. Het moet gaan om informatie die voor de belastingheffing van derden van belang kan zijn. In deze zaak werden brieven gestuurd aan ruim 80 bedrijven. De AG was nog wel kritisch, de proportionaliteit en subsidiariteit liet te wensen over maar bewijs uitsluiting was nog niet het gevolg. Een branchegewijzen of club brede uitvraag door de belastingdienst is dus zo gek nog niet en op zichzelf dus niet snel ultra vires.
Informatiebeschikking of civiele procedure tegen Ogér
De reguliere route voor de belastingdienst is het sturen van een informatiebeschikking, tegen een dergelijk verzoek kan de belastingplichtige in bezwaar en beroep. Deze route speelt enkel alleen voor de belastingplichtige wiens eigen aanslag ter discussie staat en dus niet voor een een derdenonderzoek. Om nakoming van het verzoek vlot af te dwingen kiest de belastingdienst daarom in dergelijke situaties voor een kort geding uit onrechtmatige daad bij de civiele rechter. De Hoge Raad is het met deze route ook wel eens, zie Hoge Raad d.d. 18 september 2009 ECLI:NL:HR:2009:BI5906).
Wat kan en zal Ogér ondernemen tegen het verzoek van de belastingdienst?
Technisch een leuke opdracht met veel formele invalshoeken. Wij wensen de adviseur van Ogér dan ook veel succes in deze lastige procedure, kans van slagen is beperkt.
Welke routes kunnen er worden gekozen?
- of de gevorderde gegevens van belang kunnen zijn voor de belastingheffing (een laagdrempelig criterium — geen zekerheid vereist);
- of het verzoek proportioneel is (staat de omvang van de uitvraag in verhouding tot het beoogde doel?);
- of aan subsidiariteit is voldaan (kon de informatie ook op een minder ingrijpende manier worden verkregen, bijvoorbeeld gefaseerd of met een beperktere reikwijdte?).
- is er sprake van een "fishing expedition", dit is juridisch geen vast omlijnd begrip in de AWR, maar wordt in de praktijk gebruikt om te betogen dat een onderzoek niet gericht is op een concrete derde of verdenking, maar op het massaal opsporen van nieuwe zaken — iets wat artikel 53 AWR naar de letter niet uitsluit (zie 2.2), maar wat wél kan meewegen bij de proportionaliteitstoets en bij de vraag of de Belastingdienst zich aan zijn eigen beginselen van behoorlijk bestuur houdt. Zie ook Hoge Raad 24 april 2015 ECLI:NL:HR:2015:1137 inzake een KB lux zaak waar ongeveer hetzelfde aan de orde was. Hiermee in lijn de uitspraak van de Hoge Raad in 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1562).
- snuffelen in de kasten is niet toegestaan, aldus de Hoge Raad op 21 mei 2021 ECLI:NL:HR:2021:751, hier ging het om een informatiebeschikking in combinatie met het verschoningsrecht. Tijdens een huisbezoek ziet de belastingdienst ordners met informatie over correspondentie tussen de advocaat en de belastingplichtige.
- artikel 8 EVRM: Een aanvullend verweer is het recht op privacy van de leden (art. 8 EVRM, art. 10 Grondwet, AVG). Relevante analogie is het ANPR-arrest (Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:286): grootschalige, stelselmatige gegevensverzameling door de fiscus vereist een specifieke wettelijke grondslag — een algemene taakomschrijving volstaat niet. Dit arrest zag op gegevensverzameling door de Belastingdienst zélf (kentekencamera's), niet op een vordering bij een derde, maar de onderliggende gedachte — hoe indringender de inbreuk, hoe scherper de grondslag moet zijn — is een bruikbaar argument in het pleidooi van Ogér.
- AVG: Ook de Autoriteit Persoonsgegevens heeft in het verleden gewaarschuwd voor privacyrisico's bij derdenonderzoeken; dat rapport kan als ondersteunend, niet doorslaggevend, argument dienen.
- Nemo tenetur en het gebruik van de informatie voor beboeting: voor de ondernemers (leden) is nog relevant dat gegevens die zij onder dwang (via het derdenonderzoek bij Ogér) ter beschikking komen, in een latere procedure tegen henzelf niet zonder meer voor beboeting mogen worden gebruikt als het wilsafhankelijk materiaal betreft (nemo tenetur-beginsel, Hoge Raad 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640, en de Saunders-rechtspraak van het EHRM). De navorderingaanslag kan wel gewoon worden opgelegd, de pleister op de wond van de ondernemer is dus de boete.
- Voor navordering van de belasting zelf geldt deze beperking niet — die kan wél op de aldus verkregen gegevens worden gebaseerd.
- Overeenkomst met de belastingdienst sluiten kan ook een route zijn. Hierbij wordt bijvoorbeeld deels informatie verstrekt en/of deels anoniem. Andere insteek is een soort van horizontaal toezicht afspraak waarbij de belastingdienst de informatie maar gedeeltelijk gaat gebruiken.
- Belastingplichtige is niet bekend, dus eerst meer informatie. Dit te vergelijken met de SMS parkeren zaak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19 augustus 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2803) hierin oordeelde het Hof als volgt (r.o. 3.5.2): Daarbij is het niet van belang of de Belastingdienst ten tijde van het opvragen dan wel raadplegen van inlichtingen en gegevens bij een administratieplichtige ten behoeve van belastingheffing van derden nog niet weet of die inlichtingen en gegevens van belang zijn voor de belastingheffing bij een bepaalde belastingplichtige (Hoge Raad, 22 september 2006, BNB 2007, 45). “ In die zaak ging het echter om een wel bekende belastingplichtige alwaar reeds een onderzoek verricht was. Bij het verrichtte derdenonderzoek bij een van de leveranciers van die belastingplichtige was echter vooraf niet duidelijk of er überhaupt gegevens (van de wel bekende belastingplichtige) bij die leverancier aanwezig waren. Hoge Raad: “de inspecteur (…) nog niet weet of die inlichtingen en gegevens van belang zijn voor de belastingheffing van een bepaalde belastingplichtige”. De conclusie van het Hof dat onbekendheid van de belastingplichtige (nog) niet bekend is, de controlebevoegdheid niet in de weg staat, is dus te voorbarig (afgaande op het aangehaalde arrest).
- Algemene beginselen van behoorlijk bestuur: ook het Stad-Rotterdam-arrest van de Hoge Raad van 10 december 1974. ECLI:NL:HR:1974:AB4412 (BNB 1975/52) waaruit volgt dat de inspecteur aan een verzekeraar mocht vragen: doe mij de gegevens van personen die bij u een duur bootje verzekerd hebben. Destijds nog onder artikel 49 AWR (inhoudelijk is dat nu artikel 53 AWR). Dat werd door de Hoge Raad dus toegestaan/verplicht. Een beroep op 8 EVRM (privacy/persoonlijke levenssfeer) werd afgewezen. Wel stonden destijds de algemene beginselen van behoorlijk bestuur nog in de kinderschoenen en de vraag is of de Hoge Raad er thans nog zo over denkt.
Risico's voor de klanten van Ogér
Voor de klanten van Ogér (de leden) bestaan er best wel risico's. De belangrijkste risico's zijn
- Correctie kledingkosten in de aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting. Gewone kleding is niet aftrekbaar, tenzij er een bedrijfslogo opstaat van 70 cm2.
- Navordering bij nieuw feit (5 jaar terug)
- Vergrijpboete: kan oplopen tot 100% maar zal regulier 25% - 50% bedragen (over de nagevorderde belastingen)
- Winstuitdeling: een onzakelijke uitgave kan worden gezien als box 2 (dividend) uitkering.
- BTW correctie: BTW op prive aankoop - met overwegend privé karakter - kan worden teruggevorderd
- Strafrecht: bij opzettelijke en omvangrijke fraude kan de belastingdienst ook de zaak doorverwijzen naar het OM voor een strafrechtelijke vervolging (artikel 69 AWR)
Wat kan er spelen bij de ondernemers?
Kern is omkatten van prive consumptie tot zakelijke lidmaatschapskosten, per ondernemer kan het volgende spelen:
- Inkomstenbelasting/ vennootschapsbelasting: kleding is in beginsel prive en niet aftrekbaar (behoudens werkkleding) kosten dus niet aftrekbaar.
- Omzetbelasting: geen recht op vooraftrek op prive kleding (BUA)
- Loonbelasting: verstrekt de onderneming of BV kleding aan een werknemer of DGA dan is dit wellicht loon in natura (wellicht toepassen WKR / vrije ruimte of eindheffing, dit met gebruikelijkheidstoets > luxe kleding valt hier niet onder).
- Dividend / box 2: koopt de BV kleding voor de aandeelhouder zonder zakelijk motief dan is sprake van een verkapte winstuitdeling.
- Boetes / strafrecht: vergrijpboete of wellicht verzuimboete (belastingdienst sluit opzet/ valsheid in geschrifte (strafrecht) niet uit.
- Termijnen: 5 jaar (soms met uitstel termijn te verlengen).
- Kosten business events: zakelijk of prive? gevolgen gelijk aan ad 1 en 2.
Tip voor bedrijven !
- Als de kleding enkel zakelijk kan worden gebruikt en/of als de kleding geen privé voordeel kent (bijvoorbeeld blijft de kleding op de zaak liggen in een afgesloten kast) is er geen fiscaal voordeel en is aftrek mogelijk.
- Ook schade aan kleding mag belastingvrij worden vergoed! Derhalve is een pak - tijdens werktijd - beschadigd en een nieuw pak gekocht dan is belastingvrij vergoeden door de werkgever mogelijk.
- Splits het lidmaatschap in zakelijk en privé
- Documenteer de zakelijkheid
- Una via: via derdenonderzoek verkregen informatie kan soms de boete mogelijkheden beperken.
- Vrijwillige verbetering: voer de correctie zelf door via een vrijwillige verbetering (artikel 67N AWR)
De procedure tussen de belastingdienst en Oger (aanvulling artikel)
In deze aanvulling omschrijven wij de procedure bij de Rechtbank. De belastingdienst is begin 2025 in gesprek gekomen met Oger, dit met het verzoek om informatie over de business club te verstrekken. Algemene informatie is verstrekt maar informatie over de individuele leden niet. Een formeel informatieverzoek van de belastingdienst is in juli 2025 aan Oger gestuurd. Na enkele termijn verlengingen en diverse besprekingen kwamen partijen niet tot elkaar. Op 25 maart 2026 heeft de belastingdienst het kort geding aangekondigd. Uiteindelijk komen partijen - maanden later - bij de rechtbank.
De belastingdienst stelt het volgende:
- De Belastingdienst stelt aanwijzingen te hebben dat het door [gedaagde] aangeboden lidmaatschap mede wordt ingezet om persoonlijke uitgaven (de aanschaf van kleding of deelname aan evenementen) ‘om te katten’ naar een zakelijke kostenpost in de vorm van het lidmaatschapsgeld. De Belastingdienst stelt daarbij voorop dat de aankoop van kleding niet als zakelijke kostenpost kan worden beschouwd, behoudens enkele uitzonderingen, die zich niet snel voordoen. Personen die kleding kopen bij de winkelketen zouden de kosten daarvan daarom in beginsel niet ten laste van het resultaat van hun onderneming mogen brengen en de in rekening gebrachte btw niet mogen terugvragen.
- De Belastingdienst merkt verder op dat, voor zover kleding door een onderneming of rechtspersoon wordt aangeschaft ten behoeve van een werknemer, bestuurder en/of aandeelhouder, loonbelasting en dividendbelasting verschuldigd kunnen zijn. Verder plaatst zij vraagtekens bij de fiscale behandeling van de kosten die verband houden met deelname aan de evenementen. Of die kosten een zakelijk karakter hebben, is volgens de Belastingdienst sterk afhankelijk van de feiten en omstandigheden.
- De Belastingdienst stelt dat artikel 47 AWR haar een zeer ruime bevoegdheid biedt om informatie bij de belastingplichtige op te vragen. Van voldoende belang bij de gevraagde gegevens is reeds sprake wanneer deze op zichzelf beschouwd van belang kunnen zijn voor de belastingheffing. De gegevens mogen ook worden gebruikt om andere gegevens te controleren. Een belastingplichtige kan zich niet aan een informatieverplichting onttrekken met het argument dat de Belastingdienst de informatie ook langs andere weg kan verkrijgen.
De advocaat stelt hiertegenover het volgende;
- vordering belastingdienst afwijzen.
- prejudiciele vragen aan de Hoge Raad stellen over reikwijdte artikel 47 AWR.
- verzoek om info beperken, faseren en clausuleren.
- artikel 53 juncto artikel 47 worden te ruim uitgelegd. Onduidelijk of stukken voor belastingheffing derden van belang kunnen zijn.
- aanleiding voor onderzoek is onduidelijk.
- disproportioneel verzoek, in mening privacy/ AVG
- arrest stad rotterdam is achterhaald (Hoge Raad d.d. 10 december 1974 ECLI:NL:HR:1974:AB4412) en arrest Berlioz (vissen)
De rechter wijst de meeste vorderingen toe, de informatie moet binnen 4 weken worden verstrekt (dwangsom maximaal € 500.000). Bij het niet volledig aanleveren of bij ontbrekende gegevens moet de belastingdienst eerst schriftelijk en concreet aangeven welke info ontbreekt, de dwangsom hierover gaat dan later lopen.
Noot fiscaal jurist inzake de Ogér zaak
Prima facie lijkt Ogér een sterk privacy- en proportionaliteitsargument te hebben, maar volgens de genoemde lijn van de Hoge Raad zal dit vermoedelijk een lastige route worden. De kans van slagen op succes is beperkt, temeer als een civiele rechter over fiscale wetsartikelen moet gaan beslissen. Als de procedure wordt verloren verplaatst de discussie zich naar de leden.
Er valt zeker begrip op te brengen voor het feit dat de belastingdienst misbruik van businessclubs om persoonlijke bestedingen als zakelijk te verhullen tracht te bestrijden. De bevoegdheden daartoe zijn al erg ruim, zeker als daarbij ook de bevoegdheden van FIOD en OM bij worden betrokken.
Uit oogpunt van rechtsbescherming, privacy, zorgvuldigheid en evenredigheid (de algemene beginselen van behoorlijk bestuur), zou het aan te bevelen zijn als de belastingdienst slecht van de bevoegdheid gebruik kan maken als er concrete aanwijzingen zijn dat sprake is van misbruik c.q. verhulling van grote betekenis.
Deze zaak staat niet op zich. Ook in de ‘gewone’ verzoeken om informatie (artikel 47 AWR) gaan de vragen van de belastingdienst verder en verder. Er lijkt sprake van fiscale grensverkenning bij de belastingdienst: hoe ver kunnen we gaan tot de rechter ingrijpt. Laten we hopen dat de Hoge Raad wat duidelijke piketpaaltjes slaat in deze tijd van ongeremde datahonger bij de belastingdienst.
Voor Ogér lijkt een pragmatische, gefaseerde en sympathieke opstelling vermoedelijk verstandiger dan volledig verzet en een civiele procedure. De kans dat dergelijke procedures worden gewonnen is klein.
Voor de leden geldt: wacht niet af tot de Belastingdienst de ledenlijst in handen heeft. Beoordeel nu al, per lidmaatschap, of sprake is van onterecht afgetrokken privékosten, weeg proactieve inkeer, en houd rekening met de volle breedte van het risico — van navordering tot een verkapte winstuitdeling en een vergrijpboete. Qui tacet consentire videtur (wie zwijgt, stemt toe) is in dit dossier geen veilige strategie: stilzitten vergroot het boeterisico eerder dan dat het dit wegneemt. En natuurlijk, beoordeel de omvang, de mogelijkheden (schade aan kleding of kleding blijft op de locatie van de onderneming). Wij zullen deze procedure zeker volgen.
Bron en vindplaatsen Oger en belastingdienst
Rechtbank Noord Holland d.d. 2 september 2026 ECLI:NL:RBNHO:2026:11306
Uitspraak ANPR Hoge Raad 24 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:286
Uitspraak creditcard Hoge Raad 12 november 2021 ECLI:NL:HR:2021:1595
Parkeer app Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 19 augustus 2014 ECLI:NL:GHSHE:2014:2803
Overtollige liquiditeiten in de eenmanszaak of in box 3
Een ondernemer die zijn onderneming in de vorm van eenmanszaak drijft kwalificeert zijn vermogen - anders dan bij een BV waar gewoon agio kan worden gestort - een groot deel van zijn prive vermogen als ondernemingsvermogen. De bedragen staan op de bankrekening van de eenmanszaak en hiermee wordt box 3 heffing voorkomen. De inspecteur is het niet met de ondernemer eens en partijen komen bij de Rechtbank Den Haag voor een oordeel. De Rechtbank Den Haag d.d. 24 april 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:11616) doet uitspraak en is het grotendeels met de inspecteur eens. Veel geldmiddelen zijn duurzaam overtollig en niet nodig voor de onderneming.
Keuzevermogen binnen de eenmanszaak
Bij de beantwoording van de vraag of een vermogensbestanddeel deel uitmaakt van het ondernemingsvermogen van een belastingplichtige dan wel van zijn privévermogen, is in het algemeen beslissend de wil van die belastingplichtige zoals die in zijn boekhouding of op andere wijze tot uiting is gekomen, tenzij daardoor de grenzen der redelijkheid zouden zijn te buiten gegaan", aldus het Gerechtshof Den Haag op 28 september 2023 ECLI:NL:GHDHA:2023:2219.
Binnen die redelijkheidsgrenzen heeft de ondernemer dus ruimte: niet alleen liquide middelen voor lopende bedrijfsuitgaven en concrete investeringen, maar ook middelen ter dekking van risico's, reservevorming en "versteviging" van de onderneming in algemene zin mogen tot het ondernemingsvermogen worden gerekend. De aard en omvang van de onderneming zijn daarbij conditio sine qua non voor de beoordeling. Rechtbank Den Haag (2026) citeert dit criterium met vrijwel identieke bewoordingen:
- Uit de casus volgt dat het een belastingplichtige in het algemeen vrij staat, zolang hij de grenzen van de redelijkheid niet overschrijdt, om niet alleen de liquide middelen die dienen ter financiering van de lopende bedrijfsuitgaven en te verwachten investeringen tot het ondernemingsvermogen te rekenen, maar ook liquide middelen die dienen ter dekking van risico's, tot opbouw en instandhouding van reserves dan wel tot versteviging van de onderneming"
De bewijslast voor de andere kant (duurzaam overtollig) berust bij de inspecteur, zie hiertoe de genoemde uitspraak van het Gerechtshof uit 2023. Dit is een tweetrapsraket:
- de inspecteur moet eerst stellen, en bij betwisting
- aannemelijk maken.
Slaagt hij daarin niet volledig, dan kan de rechter — zoals Rechtbank Gelderland in 2017 deed — het bedrag "in goede justitie" vaststellen, zie ook Rechtbank Gelderland d.d. 31 oktober 2017 ECLI:NL:RBGEL:2017:5631.
Waarvoor mogen liquiditeiten binnen een eenmanszaak worden aangehouden?
- Concreetheid investeringsplannen (moet niet gaan om vage, jarenlange "voornemens" zonder uitvoering) aldus onderhavige uitspraak
- Omvang en trend van de omzet : structureel dalende/lage omzet ondersteunt lager werkkapitaal en hiervoor mag ook extra werkkapitaal worden aangehouden (tegenwind opvangen)
- Aard en omvang van de onderneming, een eenmansadvieskantoor vergt minder buffer dan bedrijf met personeel/voorraad
- Reële, aanwijsbare risico's (bijv. praktijkcontinuïteit) kunnen een ruimere buffer rechtvaardigen, mits onderbouwd, zie Gerechtshof Arnhem Leeuwarden ECLI:NL:GHARL:2018:8253
- Reeds bestaande reserveringsdoelen (FOR, auto, zonnepanelen) worden afzonderlijk becijferd en meegeteld in het werkkapitaal
- Aanwending in de praktijk na de peildatum, feitelijke besteding aan bedrijfsdoelen ondersteunt het zakelijk karakter
- Aansprakelijkheid van oude klanten, mits redelijk
In diverse casussen bleken investeringsplannen, bijvoorbeeld voor kantoorruimte weinig concreet. Er moet dus wel een onderbouwing worden gegeven voor mogelijke investeringen in de toekomst. Daartegenover staat de zaak van de Arnhemse advocaat, waar het hof onder verwijzing naar een reële dreiging van omzetverlies (afhankelijkheid van gefinancierde rechtsbijstand, mogelijk vertrek van een kantoorgenoot, gezondheidssituatie) oordeelde dat de inspecteur niet was geslaagd in zijn bewijslast om een bedrag van bijna € 339.000 als duurzaam overtollig aan te merken: "De door belanghebbende genoemde onzekerheden waarvoor hij vanuit oogpunt van voorzichtigheid liquide middelen wil aanhouden, zijn naar het oordeel van het Hofreële onzekerheden".
In een andere zaak bij de Rechtbank Gelderland (erven-zaak, holdingstructuur) accepteerde de rechtbank een reservering vanwege een reëel dreigende gedwongen bedrijfsverplaatsing door gemeentelijke herontwikkelingsplannen: "De rechtbank acht deze dreiging van herontwikkeling gelet op de in de stukken en ter zitting gestelde feiten en omstandigheden reëel.
Noot fiscaal jurist inzake besparen op box 3 via eenmanszaak
Als een ondernemer daadwerkelijk risico's loopt of investeringsplannen heeft mag vermogen in de eenmanszaak of onderneming worden aangehouden. Het is wel belangrijk om dit goed te documenteren en deze informatie ook te overleggen. Gezien de oplopende box 3 heffing zal deze discussie vaker voorbij komen. Bij discussies met de belastingdienst kunt u via onderstaand formulier contact met ons opnemen.
Aansprakelijk gesteld als inlener door de Belastingdienst?
De inlenersaansprakelijkheid van artikel 34 Invorderingswet 1990 (IW) voelt voor veel ondernemers als een onrechtvaardige, dubbele heffing. U betaalt eerst de facturen van het uitzendbureau — inclusief de daarin verwerkte loon- en omzetbelasting — en vervolgens klopt de Belastingdienst nog een keer bij u aan omdat de uitlener diezelfde belasting niet heeft afgedragen. Dat de wet die tweede gang toestaat, betekent echter niet dat de ontvanger daarbij vrij spel heeft. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch d.d. 22 april 2026 (ECLI:NL:GHSHE:2026:1076) haalt in een recente uitspraak een streep door de aansprakelijkstelling van een belastingplichtige, omdat de ontvanger zijn eigen zorgplicht heeft veronachtzaamd.
Al met al is fiscale advisering bij een inlenersaansprakelijkheid essentieel! Zorg er ook voor dat u het volledige dossier van de belastingdienst ter inzage verkrijgt (tijdens de bezwaarfase) en maak optimaal gebruik van uw rechten om te worden gehoord. Tijdens deze gesprekken met de belastingdienst kunt u "uw ei" kwijt en kijken wat de belastingdienst tijdens het onderzoek heeft gedaan (en wat niet).
Wat is inleneraansprakelijkheid?
De inlenersaansprakelijkheid kan spelen in alle situaties waarin sprake is van een zogenaamde driehoeksrelatie, derhalve de inlener (degene die de mens nodig heeft), de werknemer (degene die werkt) en de uitlener (meestal een uitzendbureau). Hierbij zal de werknemer - onder leiding en toezicht van de inlener werk verrichten. De inlener kan aansprakelijk worden gesteld voor de loonheffingen en omzetbelasting die het uitzendbureau (de uitlener) nite of nite volledig heeft betaald.
Inlenersaansprakelijkheid door de belastingdienst
Een internationaal transportbedrijf zonder eigen personeel — leende in 2018 arbeidskrachten in van een uitzendbureau. Dat uitzendbureau kampte al sinds zijn oprichting in 2015 met betalingsproblemen. De laatste negen maanden vóór het faillissement ging het snel bergafwaarts.
De ontvanger was daarbij geen buitenstaander. De Belastingdienst was al in een vroeg stadium op de hoogte van en betrokken bij de problemen: er liep een invorderingsonderzoek, er waren betaalafspraken gemaakt en er lag beslag op de (nagenoeg waardeloze) inventaris. Het uitzendbureau probeerde een externe financiering rond te krijgen, maar dat lukte uiteindelijk niet. In de tussentijd kreeg de ontvanger een pandrecht op de debiteurenportefeuille — op papier ruim € 4,5 miljoen, meer dan voldoende dekking voor de openstaande schuld. Andere zekerheden zijn niet gevraagd en niet verstrekt.
Na het faillissement bleek de bodem onder dat pandrecht weg te vallen: een aanzienlijk deel van de vorderingen was al in 2017 gecedeerd aan een buitenlandse (Luxemburgse) factoringmaatschappij. Voor dat deel stond de ontvanger met lege handen — en verhaalde hij het tekort via artikel 34 IW bij het transportbedrijf, voor ruim € 100.000 aan loon- en omzetbelasting.
De bijzondere zorgplicht van de ontvanger bij inlenersaansprakelijkheid
De inlenersaansprakelijkheid is een risicoaansprakelijkheid: de inlener is op grond van artikel 34, lid 1, IW hoofdelijk aansprakelijk voor de loon- en omzetbelasting die de uitlener verschuldigd is, óók zonder eigen verwijt. Maar tegenover die vergaande aansprakelijkheid staat een even wezenlijke verplichting van de ontvanger. Het simpelweg achteruit leunen met oogkleppen op en daarna de inlener aansprakelijk stellen is niet de juiste route.
De Hoge Raad d.d. 19 december 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2496) heeft die verplichting scherp geformuleerd.
- Een zorgvuldig gebruik van de beleidsvrijheid om de belastingschuldige uitstel van betaling te verlenen en daarbij zekerheid te verlangen, brengt mee dat de ontvanger rekening houdt met de belangen van derden die de wet aansprakelijk stelt.
- De ontvanger mag bij het verlenen van uitstel niet met minder zekerheid genoegen nemen dan hij bij een behoorlijke taakuitoefening zou hebben verlangd als de wet hem géén verhaal op derden had geboden
- Op de ontvanger rust, kort gezegd, een bijzondere zorgplicht jegens de potentieel aansprakelijke inlener.
Neemt de ontvanger toch genoegen met te weinig zekerheid, dan verliest hij zijn bevoegdheid de derde (in dit geval de transportondernemer) aan te spreken — voor zover de belastingschuldige ten tijde van het uitstel wél zekerheid had kunnen verschaffen.
- Wat is van belang? De bewijslastverdeling: het is aan de ontvanger om aannemelijk te maken dat, en in hoeverre, de belastingschuldige géén (verdere) zekerheid kon bieden (Hoge Raad 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5398). Slaagt de Belastingdienst daar niet in, dan valt de aansprakelijkstelling.
Fouten belastingdienst bij inlenersaansprakelijkheid
In deze uitspraak worden er door het Gerechtshof 3 fouten in beeld gebracht:
- Onvoldoende onderzoek naar de verpande portefeuille. De ontvanger wist al in september 2018 dat het uitzendbureau (een deel van) zijn vorderingen had gecedeerd. Van een zorgvuldig handelend ontvanger mag dan worden verwacht dat hij nagaat óf het uitzendbureau nog wel bevoegd was die vorderingen te verpanden. Enkel afgaan op de verklaring van de uitlener dat de vorderingen "vrij" waren, is onvoldoende — temeer omdat de ontvanger zelf had afgesproken de factoringovereenkomst op te vragen, maar die nooit heeft ontvangen én niet heeft opgeëist.
- Feitelijk uitstel zonder de rechten veilig te stellen. Het hof kwalificeert de periode tussen 13 september en 1 november 2018 als feitelijk (materieel) verleend uitstel van betaling. In die weken had de ontvanger onverwijld zijn rechten moeten veiligstellen en opnieuw om de relevante boeken en bescheiden — waaronder de factoringovereenkomst — moeten vragen. Had hij dat gedaan, dan was meteen duidelijk geweest dat het pandrecht volstrekt onvoldoende dekking bood, en had hij andere zekerheden kunnen verlangen of tot invordering kunnen overgaan.
- Geen antwoord op de kernvraag. De ontvanger heeft niet gesteld — laat staan aannemelijk gemaakt — dat er géén andere zekerheden te bedingen waren. Daarmee faalt hij in de op hém rustende bewijslast uit HR 11 mei 2012.
De slotsom: de ontvanger heeft onzorgvuldig gehandeld en daarmee zijn bevoegdheid verloren om de transport ondernemer als inlener aansprakelijk te stellen. De beschikking wordt vernietigd. Omdat de aansprakelijkstelling al op dit punt sneuvelt, komt het hof aan de overige verweren (disculpatie, EVRM, hoogte van de aanslagen) niet meer toe.
Noot fiscaal jurist inzake inlenersaansprakelijkheid
De uitspraak past in een vaste, maar in de praktijk vaak onderbelichte lijn. De ontvanger presenteert de inlenersaansprakelijkheid graag als een min of meer automatisch verhaalsrecht, maar dat is het niet. Toetsing van zijn eigen handelen loont — zeker in dossiers waarin:
- de ontvanger al vroeg bij de problemen van de uitlener betrokken was;
- (te) lang is gewacht met invorderingsmaatregelen of feitelijk uitstel is verleend;
- genoegen is genomen met zekerheid waarvan de waarde niet of nauwelijks is onderzocht (denk aan een debiteurenportefeuille die al is verpand, gecedeerd of gefactored);
- de ontvanger derden aanspreekt terwijl hij zijn verhaalspositie jegens de uitlener zélf heeft laten verwateren.
Vergelijkbaar oordeelde eerder rechtspraak in het verlengde de hierboven genoemde arresten van de Hoge Raad uit 2008 en 2012.
Deze uitkomst was ondenkbaar geweest zonder inzage in het dossier van de uitlener. Het onzorgvuldig handelen zit immers verstopt in de invorderingscorrespondentie, de gespreksverslagen en de gemaakte betaalafspraken tussen ontvanger en uitzendbureau — stukken die de inlener niet uit eigen wetenschap kent. De sleutel is die stukken tijdig aan het eigen dossier te laten toevoegen. Daar bestaat een stevige juridische basis voor:
- Artikel 49, lid 6, IW verplicht de ontvanger de aansprakelijkgestelde desgevraagd te informeren over de gegevens met betrekking tot de belasting waarvoor hij aansprakelijk wordt gesteld.
- Artikel 7:4 Awb geeft in de bezwaarfase recht op inzage in alle op de zaak betrekking hebbende stukken.
- Artikel 8:42 Awb verplicht de ontvanger in (hoger) beroep álle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen; doet hij dat niet, dan kan de rechter daaraan op grond van artikel 8:31 Awb de gevolgen verbinden die hem geraden voorkomen — tot vernietiging aan toe.
De Hoge Raad rekent stukken over de hoogte van de aanslag én het invorderingsdossier tot deze categorie wanneer de aansprakelijkgestelde ook de omvang van de schuld of het handelen van de ontvanger betwist (Hoge Raad 26 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1107). Dat het invorderingsdossier van de uitlener bij een betwisting van de zorgplicht "op de zaak betrekking heeft", staat daarmee buiten kijf.
Stappenplan bij een (dreigende) inlenersaansprakelijkheid
- Controleer de formele geldigheid van de beschikking. Is de aansprakelijkgestelde de juiste (inlener/doorlener)? Ziet de aansprakelijkheid alleen op loon- en omzetbelasting (niet op boeten, rente en kosten voor zover niet aan de inlener te wijten, art. 34, lid 1, IW)? Is de beschikking gemotiveerd en tijdig?
- Vraag onmiddellijk het volledige dossier op — zowel de gegevens over de aanslagen (art. 49, lid 6, IW) als het invorderingsdossier van de uitlener (art. 7:4 / 8:42 Awb). Vraag expliciet om de correspondentie, gespreksverslagen, uitstel- en zekerheidsbeschikkingen en beslag-/pandstukken.
- Reconstrueer de tijdlijn van de ontvanger. Wanneer wist de ontvanger van de betalingsproblemen? Welke zekerheden zijn wanneer bedongen? Is er (formeel of feitelijk) uitstel verleend? Zijn invorderingsmaatregelen achterwege gebleven? Het volledige dossier kan hiertoe in ons AI programma worden opgenomen waardoor automatisch een keurige opstelling en analyse wordt gemaakt.
- Toets de zorgplicht. Heeft de ontvanger genoegen genomen met te weinig zekerheid? Is de waarde van de zekerheid (bijv. debiteuren) daadwerkelijk onderzocht? Leg de bewijslast expliciet bij de ontvanger: hij moet aantonen dat méér zekerheid niet te krijgen was.
- Beoordeel de disculpatiemogelijkheden: wettelijke vrijwaring via G-rekening/SNA, disculpatie op grond van art. 34, lid 5, IW ("schone keten"), en vermindering met reeds gestorte of betaalde bedragen (art. 34, lid 3, IW).
- Controleer de hoogte. Klopt de toerekening aan de inleenperiode? Zijn nagekomen baten uit het faillissement in mindering gebracht? Is de aansprakelijkheid beperkt tot de daadwerkelijk door úw personeel gegenereerde schuld?
- Overweeg de formele verweren. Verdedigingsbeginsel, evenredigheidsbeginsel, artikel 1 EP EVRM, en — bij ernstig onzorgvuldig handelen — een verzoek om vergoeding van de werkelijke proceskosten (art. 2, lid 3, Bpb). Let op: de lat voor een integrale kostenvergoeding ligt hoog.
- Maak bezwaar en zeker het inzagerecht. Dien tijdig een gemotiveerd bezwaarschrift in en maak in de bezwaarfase gebruik van het inzagerecht van art. 7:4 Awb — die mogelijkheid heeft u in de beroepsfase niet meer op dezelfde wijze.
- Bekijk of de uitvraag van de verklaring betalingsgedrag een ander licht op de zaak kan werpen
- Beoordeel altijd of sprake is van inlening waarbij leiding en toezicht bij u heeft gelegen (en dus niet bij het uitzendbureau). Hierbij kan wel de ketenaansprakelijkheid een rol spelen!
Hoe kun je inlenersaansprakelijkheid beperken of voorkomen ?
Dit kan het eenvoudigst door
- De uitlener periodiek vragen om recente en originele verklaringen betalingsgedrag van de belastingdienst (zie onderstaand kennisgroep standpunt)
- Een juiste en volledige administratie voeren > matiging aansprakelijkheid (niet voorkomen). Hiertoe indentificatie werknemers vaststellen, het indentiteitsbewijs controleren en persoonsgegevens werknemer vastleggen.
- Een deel van de factuur van de uitlener storten op een zogenaamde G rekening
Checklist vrijwaring en disculpatie inlenersaansprakelijkheid
A. Preventief — vóór en tijdens de inlening (volledige vrijwaring)
- Het uitzendbureau voldoet aan de NEN normen en is opgenomen in het register van de Stichting Normering Arbeid (SNA).
- U stort 25% van het factuurbedrag (inclusief btw) op de G-rekening van het uitzendbureau — of 20% indien de btw naar u is verlegd.
- De factuur voldoet aan de eisen van de Wet OB en vermeldt het nummer/kenmerk van de overeenkomst, het tijdvak en de manuren.
- U voert een sluitende manurenadministratie en kunt de identiteit (en zo nodig verblijfs-/tewerkstellingsvergunning) van elke ingeleende kracht aantonen.
B. Curatief — ná de aansprakelijkstelling (disculpatie / vermindering)
- Vermindering (art. 34, lid 3, IW): breng aan dat via de G-rekening gestorte of anderszins ten behoeve van de belasting betaalde bedragen in mindering zijn gebracht.
- Disculpatie (art. 34, lid 5, IW): onderbouw dat het niet-betalen niet aan u én niet aan (een) andere schakel(s) in de keten te wijten is — de keten moet "schoon" zijn.
- Zorgplicht ontvanger (HR 2008/2012/2015): toets of de ontvanger met te weinig zekerheid genoegen heeft genomen en leg de bewijslast bij hem.
- Op de zaak betrekking hebbende stukken: eis het invorderings- en zekerheidsdossier van de uitlener op (art. 49, lid 6, IW; art. 7:4 / 8:42 Awb).
- Hoogte en toerekening: controleer inleenperiode, nagekomen baten en de aan úw inlening toerekenbare schuld.
- Formele beginselen: verdedigingsbeginsel, evenredigheid, art. 1 EP EVRM, en zo nodig werkelijke proceskosten.
Slotconclusie inzake inlenersaansprakelijkheid door de belastingdienst
De boodschap van deze uitspraak is duidelijk: een inlenersaansprakelijkheid is geen voldongen feit. De ontvanger draagt een bijzondere zorgplicht en de bewijslast dat de uitlener geen (verdere) zekerheid kon bieden. Wie die zorgplicht kritisch toetst — en dáárvoor het dossier van de uitlener tijdig opeist — kan een aansprakelijkstelling van tafel krijgen, ook als de wettelijke vrijwaring of disculpatie op zichzelf niet volledig sluitend is.
Voor de praktijk geldt: handel snel en langs twee sporen tegelijk. Zeker preventief uw vrijwaringspositie (SNA + G-rekening) én toets, zodra een beschikking op de mat valt, onverwijld zowel de formele juistheid als het handelen van de ontvanger. De inzet — vaak tienduizenden tot honderdduizenden euro's — rechtvaardigt die dubbele controle vrijwel altijd.
Zoals uit een uitspraak van het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 31 december 2020 ECLI:NL:GHSHE:2020:4126) volgt dat de belastingdienst een inlener niet aansprakelijk kan stellen voor de belastingschuld die na de datum van de verklaring betalingsgedrag is ontstaan. De kennisgroep van de belastingdienst heeft deze uitspraak nog eens onder de loep genomen (KG:207:2023:1)
Discussie belastingdienst over bijtelling bestelauto
Steeds vaker zijn wij betrokken bij onderzoeken van de belastingdienst over de bijtelling over een bestelauto of bestelbus. De Belastingdienst controleert sinds 2026 vaker op prive gebruik van een bestelauto. De insteek van de Belastingdienst is steeds vaker dat geen gebruik kan worden gemaakt van de eindheffingsregeling en dat de bijtelling over de bestelbus gewoon moet worden toegepast.
Wat is het risico als bestelbus moet worden bijgeteld?
De belangrijkste risico's bij het gebruik van een bestelbus zijn de volgende;
- Volledige bijtelling in plaats van € 451 euro regeling: Of de bijtelling kost € 4.500 per jaar of € 451 per jaar (bij bus met cataloguswaarde van € 45.000 inclusief BPM en BTW).
- Brutering: als de werkgever de heffing niet meer op de werknemer kan verhalen dan wordt gebruteerd nageheven.
- Naheffing vaak bij werkgever en niet bij werknemer: het bonnetje komt - over maximaal vijf jaar - bij de werkgever terecht.
- BTW correctie prive gebruikL naast de loonheffing volgt ook nog een omzetbelasting correctie voor prive gebruikt
- Vergrijpboete: deze kan oplopen tot 100% (veelal is 25% wel haalbaar bij enigszins pleitbaar standpunt)
Belangrijkste aandachtspunten bij eindheffingsregeling voor de bestelbus
- Borg en documenteer het afwisselende karakter qua gebruik. Rittenregistratie is niet nodig maar eens per kwartaal eens bijhouden is verstandig. Dit moet aansluiten bij urenregistratie, dienstrooster en de planning binnen het bedrijf. Bewijslast voor doorlopend afwisselend gebruik blijft immers bij de werkgever rusten
- Vermijd de vaste avondbestuurder: laat de bus niet structureel door dezelfde persoon in de avond mee naar huis nemen.
- Registreer ook de bijrijder
- Voer een periodieke steekproef controle uit
- Stel een gebruiksovereenkomst voor de bestelbus op met sancties bij prive gebruik en verhaalsbeding voor belastingen, rente en boetes.
- Reconstrueer nooit achteraf, kans op fouten is dan erg groot.
- Fiscaal netjes invullen in de aangifte loonheffingen, het bedrag van € 451 stijgt elk jaar, dus elk jaar aanpassen!
Bestelbus verwerken in de aangifte loonheffingen
Het bedrag voor de eindheffing loopt de komende jaren langzaam op. De toepassing van de eindheffingsregeling moet via een aparte code (code 5 / doorlopend afwisselend gebruik) maandelijks worden opgenomen in de aangifte loonheffingen, dit moet per bestelbus en dus niet per werknemer. Een rittenregistratie is niet vereist. Een correcte overeenkomst en fiscaal advies is noodzakelijk, soms zelfs vooroverleg met de belastingdienst.
Wanneer geldt de voordelige regeling voor een bestelauto of bestelbus
De bijzonder (en gunstige) regeling voor de bestelbus geldt als er sprake is van
- Doorlopend afwisselend gebruik door 2 of meer werknemers
- Het gebruik verband houdt met de aard van het werk
- Het is door ad 1 en 2 lastig (bezwaarlijk) vast te stellen of en aan wie de auto voor prive doeleinden ter beschikking is gesteld (dit is de meest onduidelijke bepaling die vaak discussie zal opleveren)
Problemen met de belastingdienst bij bestelbus, de hoofdregel
De bestelauto van de zaak wordt veel gebruikt in de bouw, installatiewereld, hoveniers, transport en food service. Fiscaal zijn dergelijke bestelauto's vaak een mijnenveld, zonder dat de ondernemer of werkgever dit weet. De hoofdregel (artikel 13bis Wet LB 1964) is vrij simpel (en duur), staat de bus ook voor prive doeleinden ter beschikking dan volgt een bijtelling van veelal 22% van de cataloguswaarde. Bij een bestelbus van € 45.000 kost dit netto ongeveer € 4.500 per jaar. Bij een naheffing over 5 jaar kan dit met een simpele boete oplopen tot € 30.000 aan naheffingsaanslagen (per bus!).
Speciale fiscale regeling voor bijtelling bestelbus
De wetgever heeft het MKB bedrijf willen helpen met een speciale (en onduidelijke) regeling.
- Wordt de bestelauto in verband met de aard van het werk doorlopend afwisselend gebruikt door twee of meer werknemers, en is het in verband daarmee bezwaarlijk vast te stellen of en aan wie de auto voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld, dan kan de werkgever volstaan met een vaste eindheffing. In 2026 bedraagt die € 451 per bestelauto per jaar.
Het verschil tussen € 451 en € 9.900 per auto is zo groot dat de Belastingdienst deze regeling bij vrijwel elke loonheffingencontrole tegen het licht houdt. En daar zit het probleem: de wettelijke voorwaarden zijn open geformuleerd, de inspecteur legt ze consequent strenger uit dan de rechter, en de bewijslastverdeling is bij de eindheffingsregeling wezenlijk anders dan bij de tegenbewijsregeling van artikel 13bis. Dat laatste punt wordt in de praktijk stelselmatig over het hoofd gezien — óók door inspecteurs.
Bijzondere regeling voor bestelbus of bestelauto
Als een werknemer een bestelbus ook voor prive doeleinden mag gebruiken geldt als uitgangspunt dat de bijtellingsregeling (vaak 22% van de cataloguswaarde inclusief BTW en BPM) moet worden toegepast. Er zijn echter ook uitzonderingen. Voor de bestelbus kan gebruik worden gemaakt van de zogenaamde eindheffingsregeling. Deze regeling maakt het mogelijk om tegen een beperkte fiscale correctie (€ 451 per jaar) gebruik te kunnen maken van de bestelbus en dus geen last te hebben van de reguliere bijtellingsregels.
Hoe werkt de bijtellingsregeling bij een bestelauto, het fiscale kader
De beoordeling van een bestelauto verloopt in een vaste volgorde. Wie stap 1 overslaat, komt aan de eindheffing helemaal niet toe.
- Stap 1 — Is het fiscaal een bestelauto? Artikel 31 lid 1 onderdeel d verwijst naar het bestelautobegrip van artikel 3 Wet BPM 1992. Voldoet het voertuig daar niet aan (dubbele cabine, te weinig laadruimte, ontbrekende tussenwand), dan is het een personenauto en is de eindheffingsregeling per definitie uitgesloten. Dit is de meest onderschatte struikelblok: een aanzienlijk deel van de gepubliceerde rechtspraak strandt al hier. Vanaf 2027 gaat de fiscale voertuigdefinitie aansluiten bij het kentekenregister van de RDW, dit werkt goed uit voor de eindheffingsregeling.
- Stap 2 — Is de auto ter beschikking gesteld? Volgens vaste rechtspraak houdt "ter beschikking gesteld" in dat de werknemer de macht heeft om over de auto naar goedvinden te beschikken (HR 19 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW8780). Ligt de feitelijke beschikkingsmacht bij de werkgever — de werknemer bestuurt de auto slechts ter uitvoering van gerichte opdrachten — dan is er geen terbeschikkingstelling en komt men aan artikel 13bis niet toe (HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1360, het Waddeneiland-hotelarrest).
- Stap 3 — Grijpt een uitzondering van artikel 13bis lid 5 aan? Is de bestelauto naar aard of inrichting (nagenoeg) uitsluitend geschikt voor goederenvervoer, of kan hij buiten werktijd niet worden gebruikt ("achter het hek"), of geldt een reëel en gehandhaafd verbod op privégebruik, of is een Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik afgegeven — dan is er geen bijtelling en is de eindheffing niet aan de orde.
- Stap 4 — de eindheffingsregeling. Alleen als de bijtelling in beginsel verschuldigd is, komt artikel 31 lid 1 onderdeel d in beeld.
Wat zeggen rechters over de eindheffingsregeling voor de bestelbus
Kan de bestelauto buiten werktijd worden gebruikt voor prive gebruik
Deze kwestie kwam aan de orde bij de Hoge Raad d.d. 20 januari 2017 ECLI:NL:HR:2017:44. Het Gerechtshof Amsterdam d.d. 11 februari 2016 ECLI:NL:GHAMS:2016:1945 was van mening dat de eindheffingsregeling niet van toepassing was er dat er moest worden bijgeteld. De ondernemer klaagt hierover bij de Hoge Raad. Belanghebbende klaagt er onder meer over dat het Hof heeft verzuimd een door haar aangevoerde stelling te behandelen. De klacht treft doel. Belanghebbende heeft voor het Hof bij conclusie van repliek gesteld dat de bestelauto’s niet na werktijd door de werknemers kunnen worden gebruikt, omdat die auto’s dan op het (afgesloten) terrein van de werkgever worden geplaatst en daarbij de sleutels worden ingeleverd. Het Hof heeft deze stelling ten onrechte onbesproken gelaten. Op grond van artikel 13bis, lid 3 (tekst voor het jaar 2008) respectievelijk lid 5 (tekst voor de jaren 2009 tot en met 2012), van de Wet op de loonbelasting 1964 geldt de bijtelling wegens privé-gebruik immers niet voor bestelauto’s die buiten de werktijd niet gebruikt kunnen worden. De uitspraak van het Gerechtshof kan in de prullenbak. De ondernemer moet wel kunnen bewijzen dat de bestelbussen op een afgesloten terrein stonden, maak dus foto's en leg dingen goed vast in een overeenkomst. Maak eventueel elk jaar een getuigenverklaring op, die dan door de werknemers wordt getekend.
DGA maakt gebruik van bestelbus (Landcruiser) en moet bijtellen
De Rechtbank en het Gerechtshof (met 80a RO bevestiging Hoge Raad) zijn van mening dat de Land Cruiser (cataloguswaarde € 94.000) waar de directeur groot aandeelhouder (DGA) van een tuinbouwbedrijf in rond heeft gereden niet uitsluitend geschikt is voor vervoer van goederen. Uit foto's volgt dat de Land Cruiser niet beschikt over een bijzondere inrichting met het oog op het vervoer van goederen en daarnaast 5 volwaardige zitplaatsen heeft. Fiscaal moet over een bestelauto gewoon worden bijgeteld.
Registreer wie in de bestelbus heeft gereden
U moet goed registreren wie er gebruik maakt van de bestelauto. Ook de bijrijder moet hierbij worden geregistreerd, dit volgt ondermeer uit een uitspraak van de Rechtbank Den Haag d.d. 30 september 2019. Als u niet heeft bijgehouden wie er in de auto heeft gezeten dan loopt u tegen een bijtelling aan. In deze uitspraak namen de werknemers van een kabelbedrijf de bestelbus aan het einde van de dag soms mee naar huis. Omdat er parkeerbonnen zijn gevonden op tijdstippen dat niet is gewerkt heeft de Belastingdienst het vermoeden dat de bestelbus ook voor prive ritten is gebruikt. De werkgever / onderneming kon het tegendeel niet bewijzen. Ook het Gerechtshof Den Haag d.d. 13 januari 2021 ECLI:NL:GHAMS:2021:52 volgt deze lijn. Tevens volgt een correctie voor de BTW.
Overdag meerdere gebruikers maar in de avond neemt vaste werknemer de bus mee naar huis
De Rechtbank Gelderland d.d. 31 december 2025 ECLI:NL:RBGEL:2015:8140 beslist over situatie dat overdag de bestelbus wordt gebruikt door meerdere werknemers maar die bestelbus in de avond - in de regel - door één werknemer mee naar huis wordt genomen en hij daarmee ook prive heeft gereden. De normale bijtellingsregels zijn van toepassing!
Eindheffingsregeling mag worden toegepast bij aannemer
Het Gerechtshof Den Haag d.d. 19 november 2019 ECLI:NLGHDHA:2019:3152 moet oordelen over bestelbussen bij een aannemer. Bijtelling privégebruik bestelauto’s van een aannemersbedrijf. In feite heeft belanghebbende telkens één auto ter beschikking gesteld aan twee werknemers gelijktijdig waarbij niet is na te gaan wie, wanneer, gedurende welke rit met welk doel, naar of van werk, privé of zakelijk, de auto bestuurt en gebruikt. Verder komt het voor dat een andere werknemer, niet behorende tot het vaste tweetal de bestelauto bestuurt of meerijdt. Daarmee is de bestelauto doorlopend afwisselend in gebruik bij twee of meer werknemers van wie bezwaarlijk is vast te stellen of en aan wie die auto ter beschikking is gesteld. Belanghebbende mag de regeling van art. 31, lid 1, onderdeel d, Wet LB 1964 (eindheffing doorlopend afwisselend gebruik) toepassen.
Bestelbus gebruikt door uitzendbureau
De bestelauto is qua aard en inrichting niet alleen te gebruiken voor goederenvervoer, deze hobbel gaat dus mis. Verbod op prive gebruik wordt niet aannemelijk gemaakt. De auto wordt ook niet door meerdere werknemers afwisselend gebruikt. Het Gerechthof Den Haag is dan ook op 13 januari 2021 (ECLI:NL:GHDHA:2021:51) van mening dat de bijtelling op de bestelbussen van toepassing is. Een rommelige ondernemer die de zaken niet voor elkaar heeft.
Bestelauto is helemaal niet geschikt voor prive gebruik
Het Gerechtshof Den Haag d.d. 20 janauri 2022 ECLI:NLGHDA:2022:33 oordeelt over een rommelige bestelbus. De bestelbus is na aard en inrichting uitsluitend geschikt voor vervoer van goederen (zie hieronder).
Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto
U kunt de bijtelling voorkomen door het invullen van de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto, deze moet u dan indienen bij de Belastingdienst. Een sluitende kilometeradministratie is dan niet nodig en u hoeft geen rekening te houden met een bijtelling. Bij ritten buiten de normale werktijden moet het zakelijk gebruik worden aangetoond. Het is dus wel van belang dat er een summiere agenda of administratie aanwezig is. De genoemde verklaring geldt voor onbepaalde tijd, dus 1 keer aanvragen is voldoende. De verklaring kent geen terugwerkende kracht en bij een wijziging in het gebruik moet u dit doorgeven. De Belastingdienst kan het gebruik controleren via zogenaamde camera-auto's. Bij een overtreding (privégebruik) kunt u een boete krijgen van bijna € 5.000.
Alternatieve oplossingen bestelauto en bijtelling
Naast de genoemde verklaring uitsluitend zakelijk gebruik zijn er gelukkig nog alternatieve oplossingen.
- De bestelauto kan naar aard en inrichting niet privé worden gebruikt en is uitsluitend geschikt voor zakelijk gebruik, wij overleggen dit veelal met de Belastingdienst.
- Er is een sluitende kilometeradministratie van de ritten.
- Er is een schriftelijk verbod om privé met de bestelauto te rijden (zie onder).
- De bestelauto kan buiten de werktijden niet worden gebruikt (staat achter slot en grendel).
- De bestelauto wordt doorlopend afwisselend gebruikt door meerdere bestuurders, het privégebruik wordt dan afgekocht voor € 300 (eindheffing) per jaar.
Noot fiscaal jurist inzake bijtelling over bestelbus
De discussie met de inspecteur is vaak een lastige. Dit komt meestal omdat de belastingplichtige zijn dossier niet netjes op orde heeft. Het advies is dan ook dat elke ondernemer met bedrijfsbussen of bestelbussen eens per 3-5 jaar een fiscaal jurist bezoekt zodat hij zijn of haar bestelbussen administratie op orde brengt. Daarnaast stelt de inspecteur in procedures soms dingen die volstrekt niet relevant zijn, een voorbeeld hiervoor is de procedure bij het Gerechtshof Den Haag d.d. 19 november 2019 ECLI:NL:GHDHA:2019:3152.
De inspecteur voerde drie argumenten aan tegen toepassing van de eindheffing:
- er kon per auto meer dan 500 km privé worden gereden,
- de werkgever oefende geen controle uit op het privégebruik, en
- de auto's bleven 's avonds niet op het bedrijfsterrein staan.
Alle drie zijn afgewezen — niet omdat ze feitelijk onjuist waren, maar omdat de wet ze niet als voorwaarde stelt.
Met andere woorden: de eindheffingsregeling veronderstelt dat er privégebruik mogelijk is en dat dit niet wordt beheerst met een rittenregistratie. Zou de werkgever dat wél doen, dan had hij de regeling niet nodig. De inspecteur die de eindheffing weigert omdat er geen controle is, keert de systematiek van de wet om. Ook het kennisgroep standpunt over deelauto's geeft iets meer inzicht, wellicht moet de eindheffing over de betrokken werknemers worden verdeeld. Volgens het handboek loonheffingen 2026 geeft in onderdeel 23.4.5 nog een paar voorbeelden maar dit voegt niet veel toe.
Via een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik lost u het probleem niet op, immers dan is geen sprake van prive gebruik en een absoluut verbod op prive gebruik door de werknemer. Een rittenregistratie is bij een dergelijke verklaring niet nodig, maar de verantwoordelijkheid buiten werktijd blijft bestaan. Deze regeling geldt alleen als 1 persoon vast in de bestelbus gaat rijden. Soms werkt een combinatie tussen een dergelijke verklaring en de eindheffingsregeling prima.
Aanpassen voorlopige aanslag vennootschapsbelasting
Belastingplichtigen krijgen een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting. Soms is deze te hoog en soms te laag. Het is belangrijk dat de voorlopige aanslag enigszins aansluit bij het te verwachten resultaat over het boekjaar / kalenderjaar. Belastingplichtigen en fiscale dienstverleners kunnen de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting eenvoudig door de Belastingdienst laten aanpassen. In dit artikel een overzicht en toelichting.
Bezwaar maken tegen de voorlopige aanslag vennnootschapsbelasting, hoe werkt dit?
Er kan geen bezwaar worden gemaakt tegen een voorlopige aanslag. Een bezwaarschrift wordt dus afgewezen. De voorlopige aanslag kan echter wel eenvoudig (vaak digitaal) worden aangepast. De Belastingdienst ontvangt regelmatig brieven van belastingplichtigen of belastingadviseurs die bezwaar maken tegen een voorlopige aanslag Vennootschapsbelasting. Dergelijke bezwaarschriften worden niet in behandeling genomen omdat tegen een voorlopige aanslag Vennootschapsbelasting geen bezwaar kan worden gemaakt. Meestal neemt de medewerker van de Belastingdienst contact op met de belastingplichtige of dienst belastingadviseur om toch aan het verzoek tegemoet te komen. In dergelijke telefoongesprekken (of mailverkeer) wordt uitgelegd hoe de voorlopige aanslag eenvoudig kan worden aangepast. Meestal kan de voorlopige aanslag online worden gewijzigd, zie hiertoe de site van de belastingdienst over dit onderwerp.
Voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2026 aanpassen
De voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2026 kan worden aangepast via de inlog bij de belastingdient zakelijk. De fiscale dienstverlener of belastingadviseur kan de wijziging eenvoudig via zijn fiscale software doorvoeren.
Wat is een voorlopige aanslag Vennootschapsbelasting?
De voorlopige aanslag is een vooruitbetaling op de uiteindelijk verschuldigde Vennootschapsbelasting over een boekjaar, gebaseerd op een schatting van de belastbare winst. De Belastingdienst baseert die schatting doorgaans op historische cijfers – vaak de winst van een of twee jaar terug, of een gemiddelde hiervan. Een sterk groeiende onderneming betaalt dan te weinig; een onderneming met tegenvallende resultaten of een incidentele bate die wegvalt, betaalt te veel. U kunt gedurende het jaar een verzoek tot herziening indienen zodra u een beter onderbouwde winstverwachting heeft. Voor een adviespraktijk of controller is dit hét moment om proactief te sturen, in plaats van af te wachten tot de definitieve aanslag arriveert. Dit voorkomt ook gedoe omtrent nabetaling en/of onnodige belastingrente.
Belastingrente bij te lage voorlopige aanslag Vennootschapsbelasting
Belastingrente is de vergoeding die de Belastingdienst rekent wanneer een aanslag pas na afloop van de renteperiode wordt vastgesteld en er nog belasting bijkomt. Voor de Vennootschapsbelasting loopt die periode in beginsel vanaf 1 juli volgend op het boekjaar tot zes weken na de dagtekening van de aanslag.
Enkele spelregels inzake de belastingrente:
- Het belastingrentepercentage voor de Vennootschapsbelasting bedraagt in 2026 7,5% (was 9% in 2025 en zelfs 10% in 2024). Voor de meeste overige belastingen (IB, btw, loonheffing, dividendbelasting) geldt 5%.
- De rente rekent stevig door: 7,5% over een winstcorrectie van enkele tonnen tikt binnen één jaar flink aan.
- U voorkomt belastingrente door vóór 1 juli na afloop van het boekjaar een juiste (voorlopige) aangifte of een verzoek om een passende voorlopige aanslag in te dienen. Wie tijdig een aanslag aanvraagt die de werkelijke winst benadert voorkomt onnodige belastingrente.
- In een uitspraak van de Hoge Raad is bepaald dat de verhoging van de belastingrente tot 8% onverbindend is (periode na 1 januari 2022).
Noot fiscaal jurist inzake voorlopige aanslag Vennootschapsbelasting
De voorlopige aanslag Vennootschapsbelasting is geen fiscaal bijproduct. Voorkom een te lage of te hoge voorlopige aanslag. Dit voorkomt onnodige belastingrente en/of een probleem binnen uw liquiditeitsbegroting. Bij een te hoge belastingrente moet u bezwaar maken en verwijzen naar de genoemde uitspraak van de Hoge Raad. Bij vragen neem gerust contact op.
Samenwerking FIOD en belastingdienst
Met het Besluit inzake de Woo van 10 juli 2026, nr. 2026-02 (Ministerie van Financiën) is de interne procesbeschrijving openbaar geworden waarin Belastingdienst, FIOD en Openbaar Ministerie afspreken hoe zij elkaar tijdens een opsporingsonderzoek en de vervolgingsfase op de hoogte houden. Het uitgangspunt is "need to know", en de kerngedachte is dat handelingen binnen het strafrechtelijke traject een "communicerend vat" vormen met de fiscale besluitvorming.
De belastingplichtige (en zijn fiscaal jurist) krijgt inzicht in de interne coördinatiestructuur — Weegploeg, Stuurploeg, Contactambtenaar (CA), Projectleider opsporing (PL), Zaaks-OvJ — en dus in de momenten waarop informatie tussen bestuurs- en strafrechtelijk spoor heen en weer gaat. Precies daar liggen de aangrijpingspunten voor verweer.
Welke soorten zaken kent de FIOD en de belastingdienst?
- Fiscale strafzaken. Contact CA–accountmanager tot en met de Weegploeg; daarna is de PL opsporing primair verantwoordelijk voor het informeren van de CA. De CA wordt geïnformeerd bij doorzoeking/aanhouding en altijd bij afronding/inlevering van het dossier. Afwijkingen buiten de door de Weegploeg meegegeven kaders én een voorgenomen stopzetting gaan terug naar de Weegploeg, met voorafgaande deling van de afwijkings-/stopzettingsrapportage aan de CA.
- Niet-fiscale strafzaken mét fiscale delicten. Loopt via niet-fiscale landelijke weegploegen (Faillissementsfraude, Witwassen kennen een coördinerend CA). Vóórdat een fiscaal delict in het onderzoek wordt opgenomen, moet de Weegploeg de CA om instemming vragen. De FIOD dient hier "in service" de belangen van de toezichthouder.
- Niet-fiscale strafzaken zónder fiscale delicten. Toezichthouder niet direct betrokken, maar bij GO-klanten (Grote Ondernemingen) wordt de CA — en via hem klantcoördinator en management — geïnformeerd over het lopende strafrechtelijke onderzoek en strafvorderlijke maatregelen. Bij doorzoeking/inbeslagneming/aanhouding: uiterlijk op de actiedag.
Overleg tussen de FIOD en de belastingdienst, hoe werkt dit?
De procesbeschrijving is een intern werkdocument, goed om hier als fiscaal advocaat of fiscaal jurist inzicht in te hebben. Wat zijn relevante aandachtspunten voor dergelijke onderzoeken?
Una via en ne bis in idem (art. 5:44 Awb) bij FIOD onderzoek
Het "communicerend vat" tussen fiscaal en strafrechtelijk spoor is precies het domein van het una via-beginsel. Artikel 5:44 Awb dwingen de autoriteiten een keuze te maken tussen strafrechtelijke en bestuursrechtelijke bestraffing van dezelfde overtreding. Zodra een bestuurlijke boete is opgelegd of een strafrechtelijke vervolging is aangevangen, is het "point of no return" bereikt: slaat men de bestuursrechtelijke weg in, dan wordt de strafrechtelijke afgesloten en vice versa. Aandachtspunt en gedoe is er als het niet om exact dezelfde feiten of heffingen gaat.
De Weegploeg is juist het orgaan dat die keuze maakt. Daar ligt de eerste kans: als in de praktijk tóch beide sporen worden bewandeld, is dat een ontvankelijkheids- of vernietigingsverweer. Soms wordt het OM niet-ontvankelijk verklaard bij vervolging en boete.
De Hoge Raad oordeelde in Hoge Raad 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:364, dat oplegging van verzuimboetes aan de BV niet in de weg staat aan strafvervolging van de DGA als natuurlijk persoon/feitelijk leidinggever — "in beginsel" is dan geen sprake van hetzelfde feit. Dat "in beginsel" laat, zoals in de literatuur is opgemerkt, de deur op een kier voor een vereenzelvigingsverweer bij onlosmakelijk verbonden feitencomplexen.
Nemo tenetur en de sfeerovergang (art. 47 AWR) bij FIOD onderzoek
De fiscale meewerkverplichting (art. 47, 52a AWR) botst met het zwijgrecht zodra er een criminal charge ligt. De procesbeschrijving toont dat CA en PL informatie uitwisselen; de vraag is of onder dwang in de controlesfeer vergaard materiaal in het strafspoor terechtkomt. Het onderscheid Saunders inzake wilsafhankelijk vs. wilsonafhankelijk materiaal is hier leidend (zie scriptie uit 2015 en Hoge Raad d.d. 24 april 2015 ECLI:NL:HR:2015:1141.
- Praktisch advies aan de cliënt bij een bezoek: zwijgen is het uitgangspunt, laat de FIOD wachten op de fiscaal advocaat of fiscaal jurist, en beantwoord alleen vragen die men uit eigen wetenschap zeker weet. Zie ook de folder over de FIOD.
Op de zaak betrekking hebbende stukken (art. 8:42 Awb) bij FIOD onderzoek
Dit is misschien wel de scherpste kans die de openbaarmaking biedt. De coördinatiestukken — weegdocumenten, pré-weegdocumenten, afwijkingsrapportages, plan van aanpak, verslagen van het tripartiete overleg — zijn potentieel "op de zaak betrekking hebbende stukken". Een rechtbank oordeelde dat pré-weegdocumenten, stukken over het tripartiete overleg en correspondentie tussen inspecteur en OM op de zaak betrekking hebbende stukken kunnen zijn, en dat het te laat overleggen van het FIOD-dossier in strijd is met artikel 8:42 Awb, met als gevolg dat alleen met de tijdig overgelegde passages rekening werd gehouden. De relevante lijn: Hoge Raad 23 mei 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1182), Hoge Raad 4 mei 2018 (ECLI:NL:HR:2018:672) en Hoge Raad 25 juni 2021 (ECLI:NL:HR:2021:995).
Fair play en de volledigheid van het FIOD dossier
De coördinatie kan ook ontlastend materiaal betreffen dat níet wordt doorgegeven. De Nationale ombudsman oordeelde dat FIOD en OM het fair play-vereiste schonden door bij een vordering doorzoeking de rechter-commissaris niet te informeren over een relevante, ontlastende belastingaangifte — de FIOD verzaakte zijn wettelijke taak om alle relevante stukken aan de RC te verstrekken. Waar de procesbeschrijving voorschrijft dat de CA de "actuele stand van de fiscale zaken" met de OvJ deelt, is de spiegelvraag: is óók het ontlastende fiscale beeld gedeeld? Dit onderdeel moet altijd zorgvuldig worden onderzocht.
Wanneer schakelt de belastingdienst de FIOD in?
Sinds 1 juli 2023 geldt een nieuw weegploeg-protocol: nadeel ten minste € 100.000, ook bij onvoldoende bepaalbaar nadeel, mits een vermoeden van opzet. De selectiebeslissing zelf is toetsbaar; ligt het nadeel onder de drempel of ontbreekt een opzetvermoeden, dan is de strafrechtelijke route zelf ter discussie te stellen. Bij een redelijk vermoeden kan de belastingdienst de FIOD inschakelen (zie blog)
Checklist voor de adviseur bij FIOD onderzoek
- Cliënt instrueren: zwijgrecht (art. 5:10a Awb / cautie), adviseur laten komen, alleen eigen wetenschap.
- Legitimatie en machtigingen (OvJ/RC) laten tonen en vastleggen; scheiding getuige/verdachte bewaken.
- Verschoningsrecht adviseur bewaken; geen speculatie of derdeninformatie.
- Inventariseer álle reeds opgelegde verzuim-/vergrijpboetes (BV én natuurlijk persoon).
- Bepaal het "point of no return": is een boete opgelegd óf is het onderzoek ter terechtzitting aangevangen? Toets of sprake van hetzelfde feit.
- Verzoek expliciet om: plan van aanpak, (pré-)weegdocument, afwijkings- en stopzettingsrapportages, verslagen tripartiete/Weegploeg-overleg, CA-PL-correspondentie.
- Is ontlastend fiscaal materiaal (aangiften, correcties, standpunten) aan RC/OvJ verstrekt?
- Toets de doorzoekingsvordering op volledigheid en juistheid
- Markeer het moment van criminal charge; scheid controlesfeer (art. 47/52a AWR) van opsporingssfeer.
- Toets of onder dwang of onrechtmatig materiaal is verkregen of gebruikt.
Inlichtingenverdrag versus informatieverzoek ex artikel 47 AWR
Een echtpaar emigreert naar Jersey en woont heerlijk op dit eiland voor de Franse kust. Met de dagelijkse zon en een inkomstenbelasting tarief van 20% is het hier fijn wonen. Winstbelasting kent dit eiland niet. De Nederlandse inspecteur wil weten of het echtpaar in Nederland belastingplichtig is en stelt vragen (artikel 47 AWR). Het echtpaar weigert de vragen te beantwoorden, de inspecteur mag hen niet rechtstreeks vragen en had eerst (en uitsluitend) de weg via het inlichtingenverdrag (Tax Information Exchange Agreement, TIEA) moeten bewandelen. De Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 18 december 2024 (ELI:NL:GHSHE:2024:4081), de adviseur van de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2025:1358) en de Hoge Raad op 10 juli 2026 (ECLI:NL:HR:2026:1016) denken hier anders over (Hoge Raad via 81 RO).
Inlichtingen verstrekken aan Nederlandse belastingdienst na emigratie
De conclusie van de AG is helder en strak. De inspecteur is vrij in zijn keuze tussen artikel 47 AWR en de verdragsroute. Er bestaat geen verplichte rangorde, mits de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden gerespecteerd. Waar ging het om:
- Belanghebbende (de vrouw) en haar fiscale partner (de man) woonden tot eind september 2013 in Nederland; vanaf 14 oktober 2013 staan zij met hun kinderen ingeschreven op Jersey.
- De man hield de Nederlandse woning in eigendom en verhuurde die tijdelijk (met diplomatenclausule) — een klassiek signaal dat de woonplaatsdiscussie nog niet beslecht is.
- Belanghebbende was ICT-consultant en werkte via een keten van Jersey-vennootschappen
- De inspecteur vraagt op grond van art. 47 AWR informatie over 2010 t/m 2014. Belanghebbende verstrekt alleen gegevens t/m 30 september 2013 en beroept zich op het einde van haar Nederlandse belastingplicht.
- Op 20 november 2016 volgen informatiebeschikkingen (art. 52a AWR) voor 2008 t/m 2014.
- Pas daarna — op 14 maart 2017 — doet de inspecteur een verzoek onder art. 4 TIEA aan de Jersey-autoriteiten; de informatie komt begin 2019 binnen, dus ná de informatiebeschikkingen.
- Voor 2008, 2009, 2011 en 2012 zijn inmiddels navorderingsaanslagen opgelegd, waardoor de informatiebeschikkingen voor die jaren van rechtswege zijn vervallen (art. 52a lid 3 AWR).
Art. 47 AWR is niet territoriaal begrensd
De informatieverplichting van art. 47 AWR rust op "iedereen" — ongeacht woonplaats. Voor het bestaan van de verplichting is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem bekende gegevens, in redelijkheid op het standpunt kán stellen dat de gevraagde informatie van belang kan zijn om opheldering te krijgen over de vraag óf iemand in Nederland belastingplichtig is (Hoge Raad 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603).
Een begin van bewijs voor het vermoeden van belastingplicht is niet vereist. In Hoge Raad 5 april 2024 (ECLI:NL:HR:2024:528) is bevestigd dat art. 47 AWR zich uitstrekt tot al degenen die de inspecteur redelijkerwijs als mogelijke belastingplichtige kan aanduiden — dus óók de niet in Nederland woonachtige, mogelijk buitenlands belastingplichtige.
De TIEA en het uitputtingsbeginsel
Art. 4 lid 1 TIEA bevat de slotzin dat de verzoekende autoriteit slechts een verzoek doet wanneer zij de informatie niet langs andere weg kan verkrijgen, behoudens onevenredige moeilijkheden (disproportionate difficulty). Dit is het uitputtings- of subsidiariteitsbeginsel (exhaustion principle). Dit beginsel wijst erop dat de nationale route als eerste stap moet worden gezet. De ratio, blijkens de Nederlandse toelichting (Kamerstukken II 2007/08, 31 276) en het OESO-commentaar, is niet het bieden van rechtsbescherming aan de belastingplichtige, maar het voorkomen dat de ene fiscus de andere onnodig belast (to avoid unnecessary burden).
Ook na emigratie kan de belastingdienst ingrijpen, hoe werkt dit?
Emigratie doet de belastingschuld over de periode vóór vertrek niet vervallen, en ook ná emigratie kan iemand buitenlands belastingplichtig blijven ter zake van Nederlandse bronnen (hier: de verhuurde woning; vgl. art. 7.7 Wet IB 2001). De inspecteur behoudt de bevoegdheid controlehandelingen te verrichten, vragenbrieven naar het buitenlandse adres te sturen en aanslagen op te leggen. Het Banković-verweer (EHRM 12 december 2001) faalt: belanghebbende is nooit buiten de Nederlandse jurisdictie geraakt, omdat zij hetzij inwoner is gebleven, hetzij buitenlands belastingplichtige is geworden (punt 6.7).
Voor 2008, 2009, 2011 en 2012 ontbreekt procesbelang: de informatiebeschikkingen zijn door de navorderingsaanslagen van rechtswege vervallen (art. 52a lid 3 AWR), waardoor de sanctie van omkering en verzwaring (art. 25 lid 3 AWR) van tafel is. Vernietiging zou belanghebbende niet in een betere positie brengen.
Risico's, kansen en tegenargumenten bij een informatieverzoek
Voor de belastingdienst wordt de keuzevrijheid bevestigd. In woonplaatsdiscussies is de rechtstreekse art. 47-route (met informatiebeschikking en dreiging van omkering/verzwaring) de krachtigste — en snelste — optie. Voor de belastingplichtige/adviseur: het pure territorialiteits- of uitputtingsverweer tegen een informatiebeschikking is vrijwel kansloos. De realistische verdedigingslijnen kunnen soms nog uitkomst bieden. Tevens kan de algemene beginselen route wellicht nog uitkomst bieden, hierbij moet worden gedacht aan:
- zorgvuldigheid,
- motivering,
- fair play,
- verbod van détournement de pouvoir;
- fishing expedition
- rechtmatigheid van de verkregen informatie (zozeer indruist-criterium).
De Hoge Raad bevestigt de kernlijn: art. 47 AWR is niet territoriaal
begrensd en de inspecteur mag rechtstreeks bij een (gesteld) geëmigreerde
belastingplichtige informatie opvragen, ook als een TIEA-route beschikbaar
is. Emigratie beëindigt de Nederlandse informatie- en controlebevoegdheid
niet, zolang er een voldoende band met Nederland bestaat (binnenlandse
bronnen of nagekomen inkomsten).
Bron en vindplaats informatieverzoek internationaal
Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 18 december 2024 (ELI:NL:GHSHE:2024:4081
Advocaat Generaal d.d. 12 december 2025 ECLI:NL:PHR:2025:1358
Mag de belastingdienst bankafschriften opvragen?
Waarom een uitspraak uit Straatsburg ondernemers nieuwe munitie geeft!~
De belastingdienst vraagt informatie van u prive of uw onderneming op bij de bank (derdenonderzoek). De bank is wettelijk verplicht om mee te werken aan dit verzoek. Er is door u niet ondertekend, er is u niets gevraagd en er is geen rechter aan te pas gekomen. Toch ligt binnen een paar weken uw bankinformatie (over boodschappen, hypotheeklastem, giften en pin gedrag) bij de inspecteur. Is dit een inbreuk op uw privacy?
Opvragen bankinformatie door de Belastingdienst
De belastingdienst heeft feitelijk 2 opties om uw financiele gegevens te verkrijgen.
- De eerste is gewoon een brief aan u sturen waarin om deze informatie wordt gevraagd (artikel 47 AWR). De inspecteur mag alleen informatie opvragen welke van belang kan zijn voor uw belastingheffing. Als ondernemer heeft u een bewaarplicht voor uw (zakelijke) administratie (gedurende 7 jaar). Via deze route is er nog enige bescherming, immers de informatie moet fiscaal relevant zijn voor de belastingheffing. Als u weigert de informatie te verstrekken kan de inspecteur een zogenaamde informatiebeschikking versturen (artikel 52a AWR). Tegen deze beschikking kunt u in bezwaar en beroep. Risico is wel dat als de rechter de inspecteur gelijk geeft er sprake is van omkering van de bewijslast naar u, dit is vaak een pittige klus.
- De tweede route is dat de inspecteur een derdenonderzoek (artikel 53 AWR) gaat instellen bij uw bancaire instelling. Hierbij staat u er bij de bank gekleurd op en ontbreekt ook de deur voor bezwaar en beroep. U kunt zich niet verzetten tegen dit verzoek, alleen de bank kan achteraf bezwaar maken (maar dit zal zelden plaatsvinden) (kostenbeschikking). Een rechter die vooraf toetst of het verzoek wettelijk is toegestaan (informatie fiscaal relevant) en dit verzoek toetst op "noodzakelijk en proportioneel" zal niet plaatsvinden.
Prive bankrekening van de ondernemer opvragen bij boekenonderzoek
De grens tussen een prive en zakelijke bankrekening van een ondernemer kan best dun zijn. Als de inspecteur twijfelt over uw inkomsten of omzet kan hij de prive bankrekening opvragen. Echter op de prive bankrekening staat veel meer informatie dan alleen deze informatie (dus ook fiscaal niet relevante informatie). En daar wringt de spreekwoordelijke schoen.
In een uitspraak van het Europese Hof op 8 januari 2026 ging het om een kwestie die in Italie speeelde. Het Europese Hof oordeelt in de zaak van Ferrieri en Bonassisa dat de wettelijke bevoegdheid van de Italiaanse Belastingdienst om informatie op te vragen te ruim geformuleerd is en dat er onvoldoende waarborgen zijn opgenomen om het recht op privacy voor belastingplichtige te garanderen. De ingang die hier is gekozen betreft artikel 8 van het Europese verdrag voor de rechten van de mens, elk EU land is hieraan gehouden. Dit artikel bepaalt dat iedereen recht heeft op respect voor zijn prive leven en dat inmenging in het recht op privacy door de Belastingdienst (overheid) wel is toegestaan als daarvoor een wettelijke grondslag bestaat en inmenging noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, openbare orde (of veiligheid) of het economische welzijn van het land zelf.
In Italie is dit nog iets beter geregeld dan in Nederland. Bij het verzoek van de Italiaanse belastingdienst aan de bank moet bij het verzoek een motivering worden gegeven (dus waarom wordt de informatie opgevraagd). Dit kan bijvoorbeeld zijn een vermoeden van fraude of belastingontduiking.
Noot fiscaal jurist inzake opvragen van bankinformatie bij boekenonderzoek
Het opvragen van bankinformatie (prive en zakelijk) is in Nederland gewoon toegestaan. Volgens EU wetgeving moeten er dan wel voldoende en adequate waarborgen zijn die willekeur voorkomen. Dit zou kunnen zijn dat een bank moet kunnen toetsen waarom de informatie wordt opgevraagd. Omdat er geen rechterlijke toetsing hoeft plaats te vinden moet het Hof hier kritisch naar kijken. De enkele mogelijkheid om tegen de uiteindelijke belastingaanslag in bezwaar of beroep te komen biedt hiertoe onvoldoende bescherming. Het Hof was van oordeel dat onder deze omstandigheden niet kan worden gezegd dat de inmenging in het recht op privacy in overeenstemming is met de wet, zoals artikel 8 van het EVRM.
In Nederland ligt de grens kennelijk ruimer aldus de Hoge Raad d.d. 28 januari 1998 (ECLI:NL:HR:1998:AA2391), het voorkomen van belastingfraude en controle in het algemeen kan een rechtvaardiging vormen voor een inbreuk op het recht op privacy. Ook in de recentere FSV arresten (Hoge Raad d.d. 10 december 2021 ECLI:NL:HR:2021:1748) kwam dit aan de orde, ook in dit arrest mochten grondrechten worden geschonden. Soms mogen privacy rechten niet worden geschonden, bijvoorbeeld in de bekende ANPR arrest over politie camera's langs de snelweg (Hoge Raad 24 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:288).
Bij een procedure moet u er goed voor gaan zitten, privacy en wettelijke waarborgen staan soms recht tegenover elkaar. Benoem bij een procedure ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de kenmerken van een zogenaamde fishing expedition.
Wij voeren ook regelmatig procedures over het opvragen van bankafschriften van zogenaamde inkeerders, in deze jurisprudentie komt echter meestal het privacy element niet in beeld.
De Straatsburgse uitspraak legt de vinfer op de zere plek van het AWR stelsen in Nederland, dit ligt met name bij een derdenonderzoek bij de bank. Bij een vraag aan de ondernemer of particulier zelf is er nog een waarborging (informatiebeschikking), maar bij een vraag aan uw bank staat u als ondernemer of particulier altijd met lege handen. Geen toetsing vooraf, geen verweer mogelijk en achteraf kan de belastingdienst kijken of de aanslag (op grond van wellicht onrechtmatig verkregen bewijs) juist blijkt te zijn. Deze onbegrensde bevoegheid - zonder effectieve controle - is volgens het EHRM niet toegestaan.
Hiermee willen wij niet zeggen dat de Belastingdienst nooit uw bankafschriften mag opvragen, belastingheffing is immers van een groot maatschappelijk belang en fraude bestrijding is van cruciaal belang.
Conclusie is dat deze uitspraak ook in Nederland relevant is. De vraag is of onze AWR wetgeving wel EVRM proof is. De uitspraak kan in ieder geval de belastingplichtige mogelijkheden bieden bij informatieverzoeken en derden onderzoeken door de Belastingdienst. Deze moeten kritisch en zorgvuldig worden onderzocht op het recht op privacy.
Hulp nodig bij een boekenonderzoek of fiscale procedure? Neem gerust contact met ons op.
Ambtshalve aanslagen Belastingdienst vaak te hoog
Belastingplichtigen die een ambtshalve aanslag krijgen worden vaak benadeeld. De aanslag blijkt in de meeste gevallen veel te hoog. Dit volgt uit een brief van de inspectie belastingdienst, toeslagen en douane aan onze staatssecretaris. In de brief van 9 juni 2026 worden deze zorgpunten gedeeld. De aanleiding voor de brief is een eerder rapport inzake vroegsignaleringen. In dit artikel worden - voor de leesbaarheid - bedragen en percentage afgerond.
Uit het onderzoek blijkt dat 78.000 mensen een ambtshalve aanslag ontvingen (gemiddeld te betalen 7.000 euro). Bij de mensen die alsnog een aangifte indienen bleek bij 87% van de gevallen de aanslag lager uit te vallen, gemiddeld daalde de aanslag van € 12.000 tot € 4.000. Door de ambtshalve "machine" komen dus veel mensen in geldnood.
Wat is een ambtshalve aanslagen?
Als de belastingdienst u vraag om aangifte te doen bent u wettelijk verplicht de aangifte in te vullen en te versturen. Reageert u niet op de uitnodiging tot het doen van aangifte dan krijgt u een herinnering en uiteindelijk een aanmaning. Als hierop geen reactie volgt dan zal de belastingdienst - op grond van een schatting - een aanslag opleggen. De basis voor deze schatting is bij de belastingdienst bekende informatie, dit noemen we een ambtshalve aanslag.
Wordt er een boete opgeleg bij een ambtshalve aanslag ?
Er wordt vrijwel altijd een (verzuim) boete opgelegd, deze varieert tussen de € 470 en € 6.700 euro.
Waarom wordt er geen aangifte door belastingplichtigen ingediend?
De belangrijkste redenen dat mensen geen aangifte indienen zijn de volgende:
- geen vertrouwen in de overheid
- geen kennis omtrent indienen aangifte
- gezondheidsproblemen
- onvoldoende kennis van het belastingstelsel
- verminderd doenvermogen of psychische problemen
- beperkte digitale of taalvaardigheid
- bang voor de blauwe enveloppe
Juist deze groep moet worden beschermd tegen veel te hoge ambtshalve aanslagen en zou eigenlijk hulp moeten krijgen.
Hoe nauwkeurig zijn de schattingen van de belastingdienst?
- In 87% van de gevallen daalt de aanslag
- In 7% van de gevallen blijft de aanslag gelijk
- In 6% van de gevallen stijgt de aanslag
Daarnaast zijn de dalingen vrij fors, bij 36% van de genoemde groep daalt de aanslag zelfs met € 5.000 of meer. Bij 59% van de mensen die alsnog aangifte doen blijft er uiteindelijk niks over (of krijgen ze geld terug).
Het onderzoek van de belastingdienst blijkt zorgwekkend slecht. Bij 10% van de onderzochte dossiers was de vastlegging onvoldoende en is onduidelijk hoe tot de schatting is gekomen. Bij de directie MKB (ondernemers) was de schatting in 25% van de gevallen matig tot slecht. De gevolgen voor de belastingplichtige zijn ernstig. Door de belastingaanslag met boete daalt veelal ook de zorgtoeslag, huurtoeslag en/of het kindgebonden budget. Ook kan de eigen bijdrage in de zorg toenemen. Door deze elllende kan ook nog de studiebeurs van de kinderen in gevaar komen. Het is dus een waterval aan ellende die zich over de belastingplichtige kan uitstorten.
Belangenbehartiger voor belastingplichtigen en bedrijven
Sinds 2025 kennen we een nieuwe instantie, de Belangenbehartiger voor belastingplichtigen en toeslaggerechtigden. Deze belangenbehartiger heltp bedrijven en particulieren die vastlopen met hun aangiften (dossiers) of als u hulp nodig heeft. Maar waar kun je nog meer terecht als je tegen een muur van regels aanloopt als (MKB) bedrijf of particulier:
- klachtenregeling bij de belastingdienst
- mediaton via de belastingdienst
- nationale ombudsman
- commissie voor verzoekschriften van de eerste en tweede kamer
Noot fiscaal jurist inzake ambtshalve aanslagen
Een zorgwekkende brief met opmerkelijke conclusies. Dit temeer omdat sinds 2014 de belastingdienst alleen nog ambtshalve aanslagen heeft opgelegd als belastingplichtigen geld moeten betalen, bij een teruggave wordt geen brief verzonden (en hoort de belastingplichtige dus niks). Belangrijkste advies is dan ook dat de belastingplichtige bij een uitnodiging tot het doen van aangifte alsnog aangifte gaat doen. Vraag hierbij hulp bij het juridische loket, scholen, de belastingdienst of een belastingadviseur.
De gevolgen voor een te hoge ambtshalve aanslag zijn stevig en werken ook door bij de verlaging van de zorgtoeslag, huurtoeslag en/of het kindgebonden budget (en wellicht nog bij de studiebeurs van de kinderen).
Het IBDT wijst in haar brief op het feit dat de Belastingdienst verplicht is een redelijke schatting van het inkomen te maken en dat hierbij een inspannings- en onderzoeksplicht van toepassing is. In 10% van de gevallen is dit onvoldoende en bij ondernemers zelfs bijna 25%. De inspectie roept de bewindspersonen op om een beter inzicht te krijgen in het schattingsproces bij de Belastingdienst. Ook zouden mensen die recht hebben een op teruggave een bericht van de Belastingdienst moeten ontvangen. De belastingdienst laat in een reactie weten dat ze het belangrijk vinden dat een ambtshalve aanslag zorgvuldig wordt opgelegd. Over enkele maanden zal de belastingdienst inhoudelijk reageren.
De inspecteur moet een schatting met feitelijke stellingen onderbouwen zodat zij de redelijkheidstoets kan doorstaan, aldus de Hoge Raad op 17 augustus 2018. Willekeurig maar iets roepen of stellen door de inspecteur is niet toelaatbaar, aldus de Hoge Raad op 31 mei 2013. Met enige regelmaat zien we uitspraken voorbij komen waarbij de schatting op raadselachtige wijze tot stand is gekomen of waarbij de redelijkheid niet wordt betracht.
Schema uitspraken over onredelijke ambtshalve schattingen
Vindplaatsen en bronnen ambshalve aanslagen
Kwijtschelding en sanering belastingschulden anno 2027
De rechtsbescherming bij kwijtschelding van belastingschulden (of sanering) wordt vanaf 2027 een stuk beter. Geschillen over uitstel van betaling en kwijtschelding kunnen vanaf 2027 - na bezwaar - worden voorgelegd aan de belastingrechter. Het administratieve beroep bij de directeur van de belastingdienst wordt dus eindelijk vervangen. Tot en met 2026 kunnen geschillen omtrent kwijtschelding of uitstel van betaling alleen intern worden voorgelegd bij de belastingdienst, vanaf 2027 is dus de stap naar de belastingrechter mogelijk.
Waarom kwijtschelding en uitstel van betaling vanaf 2027 beter?
- Betere rechtsbescherming: geschillen omtrent uitstel van betaling en kwijtschelding kunnen voortaan - na de bezwaarfase - worden voorgelegd aan de belastingrechter
- Omgaan met speciale crediteuren, waaronder dwangcrediteuren, kunnen buiten een sanneringsakkoord worden gehouden.
- Meer ruimte voor het kiezen van de peildatum
- Het wordt vanaf 2027 mogelijk om alleen de fiscale schuld te saneren
- De afwijzingsgrond voor een verzoek om kwijtschelding wordt aangepast (en uitgebreid)
In een nieuw besluit (27 mei 2026) wordt bovenstaande verder toegelicht. Ook een aantal beleidsregels inzake de leidraad invordering worden gecodificeerd.
Rechtsgang bij kwijtschelding of uitstel van betaling via de belastingrechter
Het administratieve beroep bij de directeur wordt vervangen door een beroep bij de belastingrechter. Dat geldt zowel bij uitstel van betaling als bij kwijtschelding. Voorheen stond na administratief beroep alleen nog de stap naar de civiele rechter (als soort van rest rechter) open, dit bleek in de praktijk weinig effectief. De nieuwe rechtsgang wordt opgenomen in artikel 26 van de invorderingswet.
Sanering speciale crediteuren en de belastingdienst als enige schuldeiser, hoe werkt dit?
Kwijtschelding in de zakelijke sfeer vindt meestal plaats in het kader van een akkoord met alle schuldeisers. De ontvanger kan echter aangeven dat speciale schuldeisers (zoals een pandhouder of leverancier met eigendomsvoorbehoud) niet hoeven toe te treden tot een dergelijk akkoord. Vanaf 2027 is vastgesteld dat kwijtschelding ook mogelijk is als de ontvanger de enige overgebleven schuldeiser is. In dat geval kan alleen deze belastingschuld gesaneerd worden.
Peildatum bij kwijtschelding of akkoord met schuldeisers in fiscale procedures
Voor het bereiken van een akkoord is een peildatum nodig. Een moment waarop de schulden positie / crediteurenpositie wordt beoordeeld. Een bedrijf staat echter nooit stil en dus zal dit vaak discussie kunnen geven. Tot 2027 hanteert de belastingdienst het uitgangspunt dat de peildatum gelijk is aan de datum van het indienen van het verzoek. Vanaf 2027 kunnen belastingplichtigen kiezen voor een afwijkende peildatum (die dus ook voor de datum van het verzoek kan liggen).
Wanneer geen kwijtschelding van belastingschulden
De gronden om geen kwijtschelding te verlenen worden uitgebreid. Er wordt geen kwijtschelding verleend indien:
- een derde of mede schuldenaar verhaal kan bieden
- gestelde zekerheden nog niet zijn uitgewonnnen
- er nog een bezwaar of beroepsprocedure loopt
- bij verwijtbaar (of bewust) onjuiste informatie verstrekken aan de belastingdienst
Schema en stappenplan kwijtschelding belastingschulden
Noot fiscaal jurist inzake kwijtschelding of uitstel van betaling
De kern van deze wijziging is dat het huidige administratieve beroep bij de directeur (interne procedure bij de belastingdienst) verdwijnt en wordt vervangen door een reguliere bezwaar en beroepsprocedure. Er zal dus altijd een voor bezwaar vatbare beschikking worden verstrekt door de belastingdienst. In 2023 kwam dit voor het eerst aan de orde en vanaf 2027 wordt dit dan werkelijkheid.
Gelijktijdig worden een paar dingen scherper vastgelegd. Het bestaande criterium dat geen kwijtschelding wordt verleend wanneer de belastingschuldige de vereiste aangifte nite heeft gedaan wordt vervangen door een uitgebreidere norm, geen kwijtschelding als de belastingschuldige of belastingplichtige bewust of verwijtbaar geen of onjuiste informatie heeft verstrekt. Deze fout moet dan wel van invloed zijn geweest op het ontstaan of voortbestaan van de belastingschuld, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat hem persoonlijk daarvan geen verwijt kan worden gemaakt of dat die gedraging geen invloed heeft gehad op de betalingsonmacht.
Zolang de materiele belastingschuld nog niet vaststaan (er loopt nog bezwaar of beroep) kan nog niet worden beoordeeld of een kwijtschelding nodig of passend is. Gedurende deze periode is kwijtschelding dus niet mogelijk.
Voor ons verandert vooral de proces architectuur, voorheen keurde "de slager" zijn eigen vlees (interne procedure) en nu is een gang naar de rechter mogelijk. Dat vraagt om een meer formele opbouw van feiten, verwijtbaarheid, fiscal-compliancehistorie, liquiditeitsprognoses, continuïteitsverwachting en crediteurenclassificatie. Ook kunnen meer formele zaken worden ingebracht tijdens een beroepsprocedure.
Per saldo is dit voor fiscaal juristen gunstig. Niet omdat de fiscus noodzakelijkerwijs soepeler wordt, maar omdat het speelveld minder afhankelijk wordt van intern beleid en meer van toetsbare normen. Dat geeft betere voorspelbaarheid, betere processturing en – waar nodig – een reële route naar onafhankelijke rechterlijke correctie. Voor ondernemers en particulieren in echte invorderingsnood is dat waarschijnlijk de belangrijkste winst van deze wijziging.
Navordering en ambtelijk verzuim
Het Gerechtshof Den Haag oordeelde op 9 april 2026 dan het negeren van een uitgeworpen aangifte geen ambtelijk verzuim is, hierdoor was navordering gewoon mogelijk. Ook de rechtbank concludeerde voordien in ongeveer dezelfde lijn. Maar wanneer is wel sprake van een ambtelijk verzuim waardoor navordering niet mogelijk is? De normale route is dat de inspecteur had moeten twijfelen aan de juistheid van de aangifte en hierop niet zou hebben gehandeld, een grijs gebied derhalve. In de basis mag de inspectur ervan uitgaan van de juistheid van de ingediende aangifte en slechts tot nader onderzoek is gehouden als hij (of zij) - met normale zorgvuldigheid - aan de juistheid behoort te twijfelen. Het negeren van een uitworpverzoek is kennelijk niet voldoende voor een ambtelijk verzuim. Enkele jaren eerder (Hoge Raad 2022) was ook het uitwerpen van een aangifte niet voldoende, dus is de uitspraak redelijk in lijn met eerdere jurisprudentie.
Ambtelijk verzuim bij navorderingsaanslag
Artikel 16 lid 1 AWR vereist bij een navorderingsaanslag een nieuw feit dat de inspecteur nite bekend was of redelijkerwijs niet bekend had kunnen zijn bij het vaststellen van de eerste (primitieve) aanslag. Als de inspecteur loopt te slapen (onvoldoende zorgvuldig gehandeld) kan sprake zijn van een ambtelijk verzuim, van een nieuw feit kan dan geen sprake zijn. Navordering is dan niet mogelijk tenzij:
- Belastingplichtige te kwade trouw is
- Sprake is van een kennelijke schrijf of tikfout
- Sprake is van onjuiste verrekeningen van voorheffingen of voorlopige aanslagen
We nemen eens een paar uitspraken door en bekijken waar het omslagpunt ligt
De niet onwaarschijnlijke mogelijkheid toets bij een ambtelijk verzuim
De Hoge Raad komt op 22 maart 2010 (lijfrente zaak) tot de conclusie dat de inspecteur soms informatie beschikt die kan duiden op een onjuiste aangifte. Van een ambtelijk verzuim hoeft dan geen sprake te zijn, tenminste als die informatie ook niet de onwaarschijnljke mogelijkheid openlaat dat de aangifte wel juist is. Een ontbrekend renseignement van een verzekeraar noopte niet direct tot nader onderzoek. Ook bij een andere uitspraak van de Hoge Raad d.d. 16 april 2010 mocht de inspecteur - ondanks signalen - vertrouwen op de ingediende aangifte. Ook bij een uitspraak van de Hoge Raad op 18 maart 2022 mocht de inspecteur vertrouwen op de ingediende aangifte die is uitgeworpen. In dit artikel behandelen wij nog enkele uitspraken over situaties dat geen sprake is van een ambtelijk verzuim. Het tijdens een lopend boekenonderzoek niet opleggen van een aanslag is wel slordig, deze is bij de Hoge Raad d.d. 22 april 2022 wordt verwezen voor nader onderzoek. Als de inspecteur tijdens een boekenonderzoek niet voorvarend heeft gehandeld kan wel sprake zijn van een ambtelijk verzuim, zie deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland West Brabant op 9 februari 2026.
Kenbare fout en navordering terecht
De Hoge Raad heeft op 17 juli 2026 (ECLI:NL:HR:2026:1296) een uitspraak gedaan die niet in lijn lag met de eerdere uitspraak van het Gerechtshof Den Haag op 11 juli 2023 (ECLI:NL:GHDHA:2023:1405). Het arrest verruimt niet het begrip kenbare fout maar verduidelijkt vooral hoe de oorzaak van de te lage aanslag moet worden vastgesteld. Het Hof keek naar de aanslagregelend ambtenaar die onvoldoende kennis had genomen van het dossier en zag daarin een niet navorderbare beoordelingsfout. De Hoge Raad gaat een stap terug in het proces, doordat geen behandelvoornemen in de software is opgenomen rammelden de computers door en wordt een aanslag opgelegd. Dat was een administratieve fout (ex artikel 16 lid 2 onderdeel c AWR). Een belastingplichtige kan doorgaan niet profiteren van een evident te lage aanslag als hij of zij wist dat een aanzienlijk inkomensbestanddeel ten onrechte buiten de heffing is gebleven. Wat bijzonder is bij deze uitspraak is het volgende:
- Het Hof stelde vast dat bij het opleggen van de primitieve aanslag een fout was gemaakt. Het kwalificeerde deze fout echter als een verwijtbaar onjuist inzicht in de feiten. Volgens het Hof had de aanslagregelend ambtenaar nagelaten kennis te nemen van de informatie die al bij de Belastingdienst aanwezig was. Bij een zorgvuldige dossiervorming en dossierbeoordeling zou de ambtenaar hebben onderkend dat in 2016 een aandelenverkoop had plaatsgevonden. Dus kwam de rekening bij de Belastingdienst te liggen.
- De Hoge Raad is sympathieker naar de belastingdienst en stelt dat er sprake is van een kenbare fout (meer dan 30% te weinig geheven belasting). Deze fout was ook voor belastingplichtige duidelijk (kenbaar). De Hoge Raad volgt hierbij niet het standpunt van de AG.
Wanneer is wel sprake van een ambtelijk verzuim?
Bij de Rechtbank Zeeland Westbrant kwam in 2024 een zaak aan de orde waarbij de belastingdienst - op grond van interne werkafspraken - geen nader onderzoek heeft ingesteld terwijl een signalering beschikbaar was. In dergelijke gevallen is sprake van een ambtelijk verzuim, alsdus de rechtbank. Bij de Rechtbank Noord Nederland speelt in 2024 een andere casus. Hierbij wordt het IB dossier van een belastingplichtige niet geraadpleegd, ook dat levert een amtelijk verzuim op, in deze casus ging het om vastgoed in box 3.
Ook als er informatie bij een andere belastingplichtige (de moeder) informatie bevat over een belastingplichtige ( de dochter) kan sprake zijn van een ambtelijk verzuim, aldus de Hoge Raad op 27 oktober 2023. De belastingdienst had de informatie van de moeder in het dossier van de dochter moeten opnemen. Deze integratie geldt dan weer niet tussen erfbelasting dossiers en aangifte dossiers, aldus de Hoge Raad op 3 november 2023.
Ook als er geen definitieve aanslag binnen de termijn van 3 jaar wordt opgelegd kan sprake zijn van een ambtelijk verzuim, dit aldus de Rechtbank Noord Nederland op 25 juli 2024.
Overzicht ambtelijk verzuim of niet een schematisch overzicht
Noot fiscaal jurist inzake ambtelijk verzuim
Een volledig dossieronderzoek en inzicht in alle relevante feiten kan een navorderingsaanslag om zeep helpen. De kern van het leerstuk lijkt redelijk helder maar de toepassing is casuistisch. Beslissend is vaak de dubbele ontkenning, derhalve geen ambtelijk verzuim zolang de juistheid van de aangifte niet onwaarschijnlijk is, soms mag slapen wel en soms mag slapen niet. Met de huidige AI mogelijkheden en algoritmen zou de grens sneller in het voordeel van een belastingplichtige moeten werken. Bij boekenonderzoeken loopt de inspecteur het grootste risico (tenzij kwade trouw). Kansen voor belastingplichtige (geen navordering) liggen met name bij interne werkafspraken, stilzitten en een slechte dossieranalyse. Hulp nodig bij procedure, boekenonderzoek of navorderingsaanslag? Neem gerust contact met ons op.
Bron ambtelijk verzuim en navordering
Gerechtshof Den Haag d.d. 9 april 2026 ECLI:NL:GHDHA:2026:1583
Hoge Raad 22 maart 2010 ECLI:NL:HR:2010:BL7165
Wat doet de FIOD?
Het jaarverslag van de FIOD 2025 is bekend gemaakt in mei 2026. In dit artikelen kijken we naar de werkwijze en aandachtspunten van de FIOD en tevens geven we enkele tips voor DGA's, ondernemers en adviseurs.
Boodschap FIOD in jaarverslag 2025
De opsporingsdienst wil slimmer, sneller en datagedreven gaan werken. Vroger werd er vooral via interne koppelingen of meldingen (signalen van fraude) een onderzoek gestart. Tegenwoordig wordt gewerkt met intelligence, data-analyses, internationale informatie-uitwisseling en thematische fraudebestrijding. Voor ondernemers, DGA's, vermogende particulieren en hun adviseurs betekent dit dat de pakkans voor fiscale constructies, internationale structuren, BPM-constructies, dividendstripping, witwasverdenkingen zal toenemen. Even in getallen, da's altijd leuk om te lezen:
- Er wordt op dit moment bijna 1 miljoen uur besteed aan opsporing
- Er wordt ruim 150 miljoen in beslag is genomen (gemiddeld uurtarief € 150 is niet erg veel) .
- Meeste onderzoeken (50%) zien op witwassen en fiscale delicten
- Het berechtingsresultaat is 91%
- Er wordt met ruim 1.700 mensen bij de FIOD gewerkt
Waar richt de FIOD zich op?
Uit het jaarverslag 2025 volgt dat de FIOD de meeste aandacht geeft aan:
- fiscale fraude;
- witwassen;
- BPM-fraude;
- dividendstripping;
- verhuld vermogen;
- opsporing buitenland
- terrorismefinanciering
- faillissementsfraude.
Nieuw in bovenstaande is dat er meer aandacht is voor BPM fraude en dividendstripping. Dit lijkt in de basis een taak voor de belastingdienst maar kennelijk verschuift dit langzaam richting de FIOD.
Verhuld vermogen blijft speerpunt
Binnen de belastingdienst bestaat er een speciaal team voor verhuld vermogen. Dit team werkt steeds beter samen met de FIOD, FIU Nederland, Buitenlandse belastingdiensten, toezichthouders en de komende jaren ook met cryptodienstverleners. De Internationale informatie-uitwisseling en automatische meldingen nemen de komende jaren alleen maar toe. Waar in het verleden echt nog gezocht moest worden naar buitenlands vermogen komt deze informatie tegenwoordig via de digitale snelweg bij de belastingdienst binnen. De belastingdienst en de FIOD krijgen steeds beter zicht op buitenlandse bankrekeningen, cryptovermogen, truststructuren, buitenlandse vennootschappen en vastgoed in het buitenland.
De rol van kunstmatige intelligentie bij de FIOD
In alle werelden wordt AI (Artificial Intelligence) ingezet om sneller en slimmer te werken, zo ook bij de FIOD. De FIOD heeft in 2025 een AI-expertgroep opgericht, zij onderzoeken grote hoeveelheden data en brengen koppelingen aan. De datasets kunnen sneller worden doorzocht op:
- ongebruikelijke transacties;
- verbanden tussen ondernemingen;
- netwerken van betrokken personen;
- afwijkende fiscale patronen;
- witwasindicatoren.
Wanneer komt een zaak bij de FIOD terecht?
Veel ondernemers denken dat een boekenonderzoek automatisch leidt tot een FIOD-onderzoek, dit is niet zo. De belastingdienst beoordeelt eerst een zaak of meestal wordt dit via de reguliere routes afgerond met naheffings- of navorderingsaanslagen (met boetes en belastingrente). Als er sprake is van boefjes gedrag (opzet, valsheid in geschrifte, fraude, recidive, etc) en het bedrag is hoog genoeg wordt een zaak aangemeld bij de FIOD. De FIOD kan ook in beeld komen via een verzoek van banken, curatoren, politie of andere opsporingsdiensten. Een zaak wordt dan aangemeld voor een zogenaamde strafrechtelijke behandeling onder het AAFD-protocol.
FIOD aan de deur: hoe moet ik dan handelen?
Wij zijn regelmatig betrokken bij FIOD onderzoeken, vrijwel altijd in combinatie met een advocaat of op verzoek van een advocaat. Een inval is een stevige en ingrijpende gebeurtenis. Belangrijk bij een inval is dat u ervaring gaat inroepen en met name weet wat u niet moet doen. De belangrijkste tips bij een FIOD inval:
- leg geen spontane verklaringen af, beste advies "zeg niks"
- geef geen data of computers vrijwillig af zonder overleg met uw fiscaal jurist of advocaat;
- maak foto's en video's van de inval
- maak foto's en video's van de meegenomen spullen en stel een lijst op.
- zorg ervoor dat vertrouwelijke informatie niet wordt meegenomen, sla deze op aparte harde schijf of aparte map op.
Verschoningsrecht bij een FIOD inval
Het verschoningsrecht komt op pagina 31 van het rapport aan de orde. Het verschoningsrecht beschermt vertrouwelijke communicatie tussen ondermeer de advocaat en zijn klant. Deze informatie mag de FIOD niet inzien.
De FIOD besteedt in haar jaarverslag zelf veel aandacht aan het verschoningsrecht en erkent dat dit een steeds grotere uitdaging vormt binnen digitale onderzoeken. De jurisprudentie rondom verschoningsrecht ontwikkelde zich de afgelopen jaren sterk. Een belangrijke verandering is dat de verantwoordelijkheid bij de rechter-commissaris is komen te liggen, die voor uitvoering en technische ondersteuning een beroep doet op de FIOD. Daarmee blijven de eisen die het verschoningsrecht stelt in de praktijk grotendeels bij de opsporing liggen. De FIOD verwerkt dagelijks enorme hoeveelheden digitale informatie, wat steeds meer vraagt van systemen, tijd en menskracht.
Het verschoningsrecht vereist dat vertrouwelijke communicatie met beroepsgroepen zoals advocaten, notarissen en artsen vooraf wordt verwijderd. In de grote hoeveelheden data is deze informatie echter niet altijd herkenbaar voor de FIOD. Dit leidde meerdere malen tot procedures met lange doorlooptijden, waardoor onderzoeken stil kwamen te liggen en verdachten lang in onzekerheid bleven.
Heldere en passende verantwoordelijkheden voor elke partij zijn noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de eisen van het verschoningsrecht in een steeds meer digitaliserende wereld. Dit vraagt om grote en permanente inzet in de hele strafrechtketen. Zodat opsporings diensten, waaronder de FIOD, beter in staat gesteld worden om te voldoen aan de eisen die het verschoningsrecht stelt.
In de stuurgroep verschoningsrecht, onder leiding van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, werkt de FIOD met alle partners in de strafrechtketen intensief samen met onder andere de Rechtspraak, het OM, de politie en de Nederlandse Orde van Advocaten aan oplossingen binnen de huidige en toekomstige juridische kaders. De FIOD blijft daarnaast investeren in betere technologie én in duidelijke afspraken en werkprocessen, samen met het OM, de rechtspraak en de advocatuur
Vroegtijdige FIOD-begeleiding voorkomt schade
In onze praktijk zien wij regelmatig dat ondernemers pas juridische hulp inschakelen nadat verhoren hebben plaatsgevonden of nadat gegevensdragers al zijn gekopieerd. Dat is vaak te laat of aan de late kant. Neem direct bij een inval contact met ons of uw advocaat op, dit voorkomt veel gedoe en onnodige problemen.
Algoritme, signalering en risico classificatie modellen en de Belastingdienst
De Belastingdienst gebruikt al jaren algoritmes om risico’s te signaleren, met de huidige AI mogelijkheden zal dit de komende jaren alleen maar toenemen. Maar waar ligt de grens tussen efficiënt toezicht en onrechtmatige profilering? De recente uitspraak van Rechtbank Den Haag (22 april 2026) ECLI:NL:RBDHA:2026:5199 keek de rechtbank kritisch naar het OB Negatief-algoritme. Het mag allemaal maar er moet wel voldoend transparantie zijn en het algoritme moet controleerbaar zijn.
Voor ondernemers en adviseurs is dit geen theoretische discussie. Het raakt direct aan de vraag hoe aangiften worden geselecteerd, hoe groot de kans op controle is en of de Belastingdienst zich houdt aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Doen ze dit niet dan zullen de uitkomsten niet als basis voor de aanslagen mogen worden genomen. In dit artikel wordt dus gekeken naar onderzoekssystemen die wellicht in strijd zijn met de AVG wetgeving, privacy of archiefwet.
Algoritme, europese wetgeving, AVG en de belastingdienst
In dit artikel analyseren we de uitspraak maar kijken ook naar het bredere kader, zoals andere signaleringslijsten en gebruik van AI door de Belastingdienst. Blind vertrouwen op algoritmes en signaleringslijsten werken niet altijd, kijk maar naar alle gedoe over de toeslagenaffaire.
De kern van de uitspraak van de Rechtbank Den Haag is niet dat “de Belastingdienst vrij spel” krijgt met algoritmen. De kern is smaller:
- een geautomatiseerd risicoselectiemodel kan in het fiscale toezicht standhouden wanneer het model slechts een voorselectie maakt,
- de verdere beoordeling door een mens gaat plaatsvindt,
- het model is ingebed in een wettelijke toezichtstaak, en
- concrete aanwijzingen voor discriminatie of andere onoorbare selectiecriteria ontbreken
Algoritme en fraude signalering systeem van de belastingdienst
Een model dat negatieve btw-aangiften sorteert voor handmatige behandeling staat juridisch wezenlijk anders dan een systeem als FSV (Fraude Signalering Systeem), dit is niet toegestaan. Binnen dit systeem werden ruim 200.000 mensen onderzocht, pijnlijker dan deze signalering hebben we ook zelden gezien (artikel belastingdienst). De Autoriteit Persoonsgegevens heeft over FSV vastgesteld dat de verwerking onrechtmatig was, dat er geen toereikende grondslag bestond, dat de toegang te ruim was, dat gegevens te lang werden bewaard. Daarnaast was dit systeem onrechtmatig en discriminerend.
Het toepassen van een algoritme is dus prima maar moet wel voldoen aan een pakket van eisen, wettelijke basis en logische kenmerken en transparantie. Binnen deze waarborgen heeft de Belastingdienst meer dan voldoende ruimte.
Risico moddelen, AI en signaleringen bij de Belastingdienst
Elke organisatie wil processen versnellen en vereenvoudigen, met name als het standaard processen zijn. Bij overheidsorganisaties, zoals de Belastingdienst, zijn er veel standaard processen. Door alle commotie rondom de toeslagen affaire zijn in 2021 diverse risico modellen zoals OBCF, ABN en OB Negatief uitgezet. De belangrijkste redden is de strijdigheid mt de AVG. Een aantal modellen zijn daarna weer "aan"gezet omdat de vastlegging, transparantie of gegevensbescherming niet op orde waren.
Het aanvechten van modellen is best lastig. Het algemeen roepen dat een signalering of algoritme discriminerend of onduidelijk black box is zal niet helpen. De ondernemer of zijn fiscalist moet met concrete feiten aannemelijk maken dat er strijdigheid is met de AVG of Europese wetgeving. Hierbij moet er aandacht zijn voor het gehele proces, dus;
- welke gegevens worden bewaard en hoe lang
- welke selectieregels zijn opgesteld (wetenschappelijk en statisch voldoende onderbouwing?)
- is er sprake van een menselijke toetsing
- worden wettelijke regels netjes opgevolgd (zoals geen discriminatie)
Het Hof van Justitie kijkt niet alleen naar de formele labeltjes (zoals hierboven omschreven) maar ook naar de daadwerkelijke invloed van de geautomatiseerde uitkomst. Het Schufa arest was hiervan een mooi voorbeeld. Bij de FSV lijsten ging het om diverse redenen mis (strijdigheid AVG), de belangrijkste waren:
- toegang teveel werknemers van de belastingdienst
- bepaalde gegevens mochten er niet instaan
- gegevens te lang worden bewaard
- gegevens niet worden aangepast
- informatie niet altijd juist wordt toegepast of beoordeeld
- verboden selectie kenmerken (zoals dubbele nationaliteit)
Het BTW controle systeem is een stuk eenvoudiger, het controleert op fiscale inconsistenties of aangiftepatronen. Vorenstaande geldt in mindere mate ook voor het Risico Analyse Model (RAM), aldus onze staatssecretaris in 2025.
Noot fiscaal jurist inzake geautomatiseerde gegevensverwerking
Het Europese uitgangspunt is dat een belastingplichtige niet mag worden onderworpen aan een besluit dat uitsluitend op geautomatiseerde verwerking berust en de belastingplichtige dan treft. Naast de archiefwet, de AVG, de privacy rechten en het klassieke bestuursrecht (de AWB en bij fiscale zaken de AWR) is het dus ook belangrijk dat van een zorgvuldige voorbereiding sprake is en het besluit berust op een deugdelijke motivering. Vraag dus altijd om een inhoudelijke weergave van de software en de selectieregels. Op deze manier kunnen controle bevindingen en feiten beter worden vastgesteld.
Als we de AWB en AWR combineren komt er nog iets extra's bij. Op grond van de AWR moeten gegevens en inlichtingen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud door de inspecteur worden verstrekt. Bij een boete gaat dit recht soms nog een stapje verder.
Het verleden heeft laten zien dat de Belastingdienst de grenzen aan het verkennen is en daarbij soms de grenzen in eigen voordeel verder legt. De algemene rekenkamer heeft hierop forse kritiek gegeven. In 2026 kreeg de belastingdienst dan ook de big brother award, dit in verband met veelvuldig onrechtmatig gebruik van algoritmes. Ook Europa kijkt kritisch naar Nederland en zal binnenkort met nieuwe AI wetgeving komen. De Europese AI verordening zal in 2027 ingaan en ook beperkingen gaan opleggen aan de overheid.
Geautomatiseerde systemen zijn voor de belastingdienst noodzakelijk. Het onrechtmatig gebruik, schending van privacy en verkeerde selectie criteria ligt wel op de loer.
Krijgt u te maken met een boekenonderzoek of naheffings- navorderingsaanslag is het verstandig om altijd te vragen hoe de belastingdienst u in beeld heeft gekregen en/of er geautomatiseerde systemen zijn gebruikt.
Redelijke schatting bij omkering van de bewijslast
Als u een aanslag ontvangt die is gebaseerd op een schatting van de belastingdienst dan is de kans groot dat sprake is van omkering van de bewijslast (ex artikel 27e AWR). De belastingdienst mag niet zomaar iets roepen en moet de aanslag baseren op een redelijke schatting. In dit artikel gaan we in op een recente uitspraak van het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 1 april 2026 ECLI:NL:GHSHE:2026:881.
Wanneer wordt de bewijslast omgekeerd in fiscale zaken?
De bewijslast wordt door belastingdienst omgekeerd als sprake is van de volgende situaties:
- Geen vereiste aangifte gedaan
- Administratie niet op orde of niet aanwezig
- Niet voldoen aan een informatieverzoek (ex artikel 47 AWR)
Normaal gesproken moet de belastingdienst bewijzen dat een aanslag niet juist is. Bij de omkering van de bewijslast moet de belastingplichtige doen blijken dat de aanslag onjuist (dit is een zwaarder bewijs dan dan aannemelijk maken). Dit is bij het ontbreken van voldoende informatie (of een administratie) vaak onmogelijk of knap lastig.
Moet de inspecteur de redelijke schatting aannemelijk maken en hoe?
De inspecteur mag niet zomaar iets roepen en moet de schatting baseren op redelijke aannames. De belangrijkste onderdelen hierbij zijn:
- De aanslag mag niet naar willekeur worden vastgesteld (zie hiertoe Hoge Raad d.d. 31 mei 2013 ECLI:NL:HR:2013:BX7184), in deze procedure ontbrak de administratie. Ook kunt u de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 17 augustus 2018 ECLI:NL:HR:2018:1311 raadplegen, hierin wordt de reikwijdte van de stelplicht nader toegelicht.
- De inspecteur moet de schatting met feitelijke stellingen onderbouwen zodat de schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan, de schatting mag dus niet willekeurig zijn. Zie hiertoe Hoge Raad d.d. 22 april 2005 ECLI:NL:HR:2005:AT4483 en Hoge Raad d.d. 18 augustus 2023 ECLI:NL:HR:2023:1093 en hieraan voorafgaande het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 22 april 2021 ECLI:NL:GHSHE:2021:1269
- De beoordeling van de schatting moet zorgvuldig plaatsvinden maar zal soms marginaal plaatsvinden, zie Hoge Raad d.d. 9 juli 2021 ECLI:NL:HR:2021:1086.
- De rol en inzet van belastingplichtige speelt ook mee bij de beoordeling van de redelijke schatting. Als belastingplichtige niet echt helpt bij het onderzoek zal hij hiervoor in fiscaal juridische zin "niet worden beloond". Zie Hoge Raad d.d. 15 april 2011 ECLI:NL:HR:2011:BN6324.
Redelijkheidstoets bij het opstellen van een schatting door de belastingdienst
In de basis laat de omkering van de bewijslast onverlet dat de inspecteur niet zomaar naar willekeur mag schatten. De inspecteur moet schatten op grond van objectieve aanknopingspunten en binnen een redelijke bandbreedte. De rechter zal dit marginaal toetsen, zie hiertoe ondermeer Hoge Raad d.d. 9 oktober 2015 ECLI:NL:HR:2015:2988. De rechter toetst de schatting op de volgende onderdelen:
- Zitten er voldoende aanknopingspunten in het dossier en werkt belastingplichtige voldoende mee met het onderzoek
- Is de door de inspecteur gekozen methode (van schatten) verdedigbaar? Dus is de gekozen methode voor de schatting verdedigbaar, aannames logisch en uitlegbaar? Extrapolatie verdedigbaar? Zie ondermeer Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 25 juni 2025 ECLI:NL:GHSHE:2025:1766, hierbij was de schatting van de inspecteur redelijk.
- Is de uitkomst niet evident onredelijk? De rechter kijkt hierbij naar de uitkomst en afwijkingen, of sprake is van een wanverhouding en of de inspecteur wellicht een beetje overdrijft. Dit betreft de marginale proportionaliteitstoets. In een procedure bij het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 1 april 2026 ECLI:NL:GHSHE:2026:881 wordt hieraan deels voldaan (aldus de rechter). De winstverdeling was redelijk maar de extrapolatie en gekozen periode voor toetsing niet.
Noot fiscaal jurist inzake omkering bewijslast en redelijke schatting
Mits de belastingplichtige normaal heeft meegewerkt aan een onderzoek kan een schatting onredelijk zijn als wordt uitgegaan van onjuiste uitgangspunten, de schatting niet consistent is, er sprake is van evidente overschatting of als er geen aanknopingspunten zitten in de geschatte omzet of marge. Een schatting van de belastingdienst (inspecteur) moet dus gebaseerd zijn op concrete gegevens. Daarnaast moet de methode verdedigbaar zijn en de uitkomst mag niet evident onredelijk zijn. De huidige jurisprudentie lijn laat zien dat zeker niet in alle gevallen hieraan wordt voldaan. Wij adviseren diverse ondernemers bij dergelijke onderzoeken, stuur ons gerust een e-mail voor een vrijblijvende offerte.
Ondernemer met crypto bezittingen
Steeds meer ondernemers bezitten crypto valuta. Soms als belegging maar soms ook als onderdeel van de bedrijfsvoering. De eerste vraag die bij ondernemers met crypto moet worden gesteld is of hét zakelijk of prive vermogen is. Als u als ondernemer de crypto gebruikt voor uw bedrijfsvoering (klanten betalen ermee of u voldoet facturen via crypto) dan wordt crypto als ondernemingsvermogen aangemerkt. De crypto behoort dan in box 1. U moet de waarde omrekenen naar euro's en winsten of verliezen zijn dan dus belast en/of aftrekbaar. Crypto bezittingen behoren dan dus tot uw ondernemingsvermogen en tellen mee voor de winst (of verlies) van uw onderneming, dit moet in de balans van uw onderneming worden verwerkt. Per balansdatum (veelal 31 december) waardeert u de crypto op kostprijs (waar u ze voor gekocht hebt) of op lagere marktwaarde. Zijn er vragen? Vul onderstaand formulier in en wij helpen u graag.
Wanneer ziet de belastingdienst crypto als ondernemingsvermogen?
Als u als ondernemer de crypto gebruikt voor uw normale bedrijfsvoering (klanten betalen ermee of u voldoet facturen via crypto) dan wordt crypto als ondernemingsvermogen aangemerkt. De crypto moet dus functioneel binnen uw onderneming worden gebruikt. Bewaar hiervoor als ondernemer de wallet overzichten, transacties en waarderingsmethodiek.
Belastingtip crypto in uw aangifte inkomstenbelasting 2025
In 2025 zijn vele crypto valuta in waarde gedaald. Het verlies kan in 2025 ten laste van de winst worden gebracht als de crypto voor uw bedrijfsvoering nodig is (waarderen op lagere martkwaarde).
Grens tussen prive vermogen en ondernemingsvermogen
Dit kan discussie opleveren. Als crypto gezien kan worden als duurzaam overtollige liquiditeiten (en dus niet nodig voor de huidige of toekomstige bedrijfsvoering) moet crypto als prive vermogen worden aangemerkt. Het gaat dus om de intentie, functie en het feitelijk gebruik. Pure belegging in crypto binnen uw onderneming moet worden gezien als prive vermogen.
Crypto als prive vermogen bij ondernemers
Als de crypto niet nodig is voor uw bedrijfsvoering (bijvoorbeeld niet nodig voor toekomstige investeringen) dan moet de crypto worden opgenomen in box 3 (uw prive vermogen). De waarde wordt dan dus in uw aangifte inkomstenbelasting opgenomen onder de overige bezittingen. Dit vermogen is vrijgesteld in box 3 tot € 57.684 maar feitelijk tot € 37.395 (drempel inkomensafhankelijke regelingen). In de aangifte inkomstenbelasting vanaf 2025 is er in box 3 een apart veld (onder overige bezittingen) voor crypto. Dit maakt het voor de computers van de belastingdienst eenvoudiger. De waarde van de crypto wordt bepaald op 1 januari om 0.00 uur van het jaar waarin u aangifte doet (dus voor 2025 : 1 januari 2025 om 0.00 uur). In een artikel over de crypto in uw aangifte inkomstenbelasting 2025 geven wij een nadere toelichting.
Crypto vermogen nog niet bekend bij de belastingdienst, wat moet ik doen?
Dat uw crypto vermogen nog niet bekend is bij de Belastingdienst, betekent niet dat dit ook zo blijft. De regels omtrent crypto currency worden strenger. Vanaf volgens jaar zal uw crypto dienstverlener uw informatie automatisch moeten doorgeven aan de belastingdienst, evenzo als banken dit nu doen. Als de belastingdienst dan (ineens) een bedrag aan crypto valuta te zien krijgt (of u als klant bij de crypto dienstverlener ziet) is de kans groot dat er vragen worden gesteld, ook over eerdere belastingjaren. Lees dit artikel over onbekende crypto en bitcoin. Ons advies is inkeren met behulp van een specialist.
Belastingdienst ontvangt informatie over crypto vanaf 2026
Door nieuwe wetgeving (DAC 8) ontvangst de Belastingdienst vanaf 2026 automatisch informatie van diverse europese platformen over uw crypto (en uw crypto transacties). De informatie wordt automatisch aan de Belastingdienst gestuurd.
Fiscaal advies voor crypto of bitcoin bezitters
Actief met crypto, trading, blockchain of cold storage? Voorkom fiscale risico's en betaal niet onnodig belasting over uw bezit. Onze fiscalisten combineren diepgaande kennis van crypto met jarenlange ervaring in complexe fiscale structuren voor vermogende particulieren en crypto bezitters. De meest voorkomende advies onderdelen bij crypto of bitcoin bezitters:
- Crypto vergeten in uw aangifte inkomstenbelasting en vrijwillig melden
- Crypto inbreng in BV
- Crypto in familiefonds
- Emigratie naar fiscaal vriendelijk crypto land, zoals Portugal en Duitsland
- Hulp bij beantwoording vragenbrief of boekenonderzoek belastindienst.
- Inlog kwijt, waarde crypto dan 0 euro?
Onze specialisten helpen u graag en hebben meer dan voldoende ervaring. Mail ons gerust.
Crypto in aangifte inkomstenbelasting 2025
Wij adviseren op dit moment dagelijks belastingplichtigen over crypto (zoals bitcoin) in hun aangifte inkomstenbelasting 2025. Als het totale vermogen hoger is dan € 57.684 moet u de crypto valuta opgeven in box 3 in uw aangifte inkomstenbelasting 2025. Bij een fiscale partner is de vrijstelling zelfs €115.368. Het totale vermogen hoeft niet alleen uit crypto valuta te bestaan, maar het gaat om het totale vermogen aan spaargeld, beleggingen en andere bezittingen. Het gaat om de waarde van uw crypto op 1 januari 2025.
Advies voor crypto bezitters en hun aangifte inkomstenbelasting 2025
Crypto is in 2025 stevig in waarde gedaald, veelal zult u geen rendement hebben behaald. Het is veelal verstandig om het werkelijke rendement in uw aangifte inkomstenbelasting 2025 op te geven. Hierbij wel rekening houden met de vermogensontwikkeling van ander vermogen in box 3. Crypto bezittingen vallen onder het vakje "overige bezittingen" dit doet u in het scherm "bankrekeningen en andere bezittingen". Daarna vinkt u het vakje "crypto bezittingen" aan, hier kunt u het bedrag invullen.
Hoe moet ik crypto in mijn aangifte inkomstenbelasting opnemen?
Crypto valt in uw box 3 vermogen. Box 3 vermogen is alles wat u kunt rekenen tot uw vermogen, denk hierbij aan aandelen, obligaties, spaarrekeningen en een vakantiewoning. De schulden mag u hierop in mindering brengen. Tel alle bezittingen op 1 januari bij elkaar op en trek hier de schulden in box 3 vanaf. De uitkomst is uw vermogen in box 3. De grensbedragen voor de inkomensafhankelijke regelingen zijn anders dan de vrijstelling in box 3.
- 2024: vrijstelling inkomensafhankelijke regelingen € 36.952, heffingsvrij vermogen € 57.000 (bij partners het dubbele)
- 2025: vrijstelling inkomensafhankelijke regelingen € 37.395, heffingsvrij vermogen € 57.684 (bij partners het dubbele)
- 2026: vrijstelling inkomensafhankelijke regelingen € 38.479, heffingsvrij vermogen € 59.357 (bij partners het dubbele)
Welke waarde moet ik voor crypto opgeven?
De waarde van de crypto is de waarde op 1 januari om 0.00 uur.
Ik ben particulier en ik mine mijn eigen crypto of ik handel in crypto. Waar moet ik crypto opnemen?
Een feitelijk afhankelijke discussie. Meestal kost minen (door computercapaciteit) veel geld en wegen de kosten niet op tegen de baten, veelal valt deze crypto gewoon in box 3 (zie ook site belastingdienst). Als de opbrengsten wel aanwezig zijn (of hoog), in combinatie met arbeid, dan wil de belastingdienst graag haar graantje mee hebben. De heffing kan dan wellicht in box 1 vallen. Bij pure speculatie valt het inkomen veelal niet in box 1.Laat u adviseren bij omvangrijke crypto inkomsten, dit kan eenvoudig via een mail aan één van onze specialisten.
Ik heb een vragenbrief ontvangen over mijn crypto wat moet ik doen?
Wij adviseren sinds enkele jaren belastingplichtigen met zogenaamde cryptomunten. Zodra een cryptomunt in een aangifte inkomstenbelasting wordt gemeld, leert de praktijk dat de aangifte in een andere bak terecht komt en er vrijwel altijd vragen worden gesteld. Soms worden wij zelfs penvrienden van de Belastingdienst en volgen er diverse - soms onnodige - vragen en vele brieven. In dit artikel een weergave van uw rechten. Zonder voor eigen parochie te praten, schakel een deskundige in en laat de Inspecteur altijd vragen schriftelijk stellen, niet per telefoon!
De Belastingdienst denkt nog te snel dat bij cryptomunten (of litecoin, etherium, etc.) er iets niet klopt. Dan gaan er blijkbaar computersystemen aan het werk binnen het systeem van de Belastingdienst. De belastingplichtige hoeft niet alle vragen te beantwoorden. De vragen moeten namelijk betrekking hebben op de belastingheffing en moeten feitelijk zijn. In de basis moet de belastingplichtige alle voor de belastingheffing relevante vragen beantwoorden. Dit moet netjes, stellig en zonder voorbehoud. De onderliggende informatie moet worden meegestuurd. Doet de Belastingplichtige hier niet aan mee, dan kan de bewijslast worden omgekeerd of kan een zogenaamde informatiebeschikking worden uitgereikt. Het kan zelfs strafbaar zijn om gevraagde informatie niet te verstrekken. Meestal wordt door de blauwe enveloppe of de dreiging met allerlei rechtsmaatregelen teveel informatie verstrekt door de belastingplichtige. Lees ook dit uitgebreide artikel.
Werkelijke rendement opgeven in box 3, is dit mogelijk?
Beleggers worden voor het jaar 2025 in box 3 belast op grond van een veronderstelling (forfait) van een behaald rendement van 5,88%. Bij spaarders is dit slechts 1,37%. Voor degene die een lager rendement hebben behaald kan het verstandig zijn om het werkelijke rendement op te geven. Crypto is in 2025 stevig in waarde gedaald dus dat kan een voordeel opleveren. Bij een opgave van het werkelijke rendement is enig rekenwerk nodig, u mag dan ook geen rekening houden met het heffingsvrij vermogen van € 57.684 per persoon. U kunt het werkelijke rendement hier opgeven (inlog met DIGID bij de belastingdienst). De checklist kunt u hier raadplegen.
Crypto vermogen nog niet bekend bij de belastingdienst, wat moet ik doen?
Dat uw crypto vermogen nog niet bekend is bij de Belastingdienst, betekent niet dat dit ook zo blijft. De regels omtrent crypto currency worden strenger. Vanaf volgens jaar zal uw crypto dienstverlener uw informatie automatisch moeten doorgeven aan de belastingdienst, evenzo als banken dit nu doen. Als de belastingdienst dan (ineens) een bedrag aan crypto valuta te zien krijgt (of u als klant bij de crypto dienstverlener ziet) is de kans groot dat er vragen worden gesteld, ook over eerdere belastingjaren. Lees dit artikel over onbekende crypto en bitcoin. Ons advies is inkeren met behulp van een specialist.
Fiscaal advies voor crypto of bitcoin bezitters
Actief met crypto, trading, blockchain of cold storage? Voorkom fiscale risico's en betaal niet onnodig belasting over uw bezit. Onze fiscalisten combineren diepgaande kennis van crypto met jarenlange ervaring in complexe fiscale structuren voor vermogende particulieren en crypto bezitters. De meest voorkomende advies onderdelen bij crypto of bitcoin bezitters:
- Crypto vergeten in uw aangifte inkomstenbelasting en vrijwillig melden
- Crypto inbreng in BV
- Crypto in familiefonds
- Emigratie naar fiscaal vriendelijk crypto land, zoals Portugal en Duitsland
- Hulp bij beantwoording vragenbrief of boekenonderzoek belastindienst.
- Inlog kwijt, waarde crypto dan 0 euro?
Onze specialisten helpen u graag en hebben meer dan voldoende ervaring. Mail ons gerust.
Werkinstructies belastingdienst bij aangifte inkomstenbelasting
Jaarlijks worden er in Nederland ongeveer 12 miljoen aangiften inkomstenbelasting beoordeeld en verwerkt. De controle gebeurt grotendeels geautomatiseerd. Op grond van een risico selectie en gegevensvergelijking worden sommige aangiften inkomstenbelasting handmatig behandeld. Maar als een aangifte inkomstenbelasting handmatig wordt behandeld, waar wordt dan naar gekeken? Op grond van een zogenaamd WOO verzoek is deze informatie in maart 2026 bekend geworden, zie onder.
Hoe wordt u aangifte inkomstenbelasting bij de belastingdienst beoordeeld?
U kunt het beste gebruik maken van de originele gegevens en de informatie uit de vooraf ingevulde aangifte inkomstenbelasting. De belastingdienst ontvangt namelijk informatie over u en uw bedrijf via werkgevers, bancaire instellingen, verzekeraars, pensioenfondsen, hypotheekverstrekkers en de kamer van koophandel. Na het indienen gaat de computer aan het werk en wordt er kritisch gekeken naar mogelijke meldingen en/of risicoprofielen. Als er afwijkingen of onrechtmatigheden worden vastgesteld wordt de aangifte "uitgeworpen". Er zal dan een handmatige beoordeling plaatsvinden en veelal worden er ook vragen aan u gesteld. Signalen waaraan u kunt denken bij het uitwerpen zijn:
- afwijkingen van gegevens van derden
- statische afwijkingen
- hoge aftrekposten
- vermogen lager of hoger dan uit bankgegevens
- buitenlandse bankrekeningen en/of informatie uit het buitenland
- crypto inkomsten
- fraude indicatoren en/of berichten via de pers of sociale media
Werkinstructies bij de belastingdienst als uw aangifte handmatig wordt behandeld
Binnen de belastingdienst zijn er werkinstructies omtrent het handmatig beoordelen van uw aangifte inkomstenbelasting, dit betreft ongeveer 500.000 - 750.000 aangiften inkomstenbelasting. Deze werkinstructies zijn in maart 2026 openbaar gemaakt. Het gaat hierbij om diverse werkinstructies bij verschillende onderwerpen. Deze werkinstructies kunt u hieronder raadplegen.
- Werkinstructie aangifte inkomstenbelasting zorgkosten 2023 en 2024
- Werkinstructie aangifte inkomstenbelasting inzake negatief loon
- Werkinstructie aangifte inkomstenbelasting over persoonsgebonden aftrek
- Werkinstructie aangifte inkomstenbelasting over inkomsten en reisaftrek 2023 en 2024
- Werkinstructie aangifte inkomstenbelasting omtrent toedeling inkomsten en aftrekposten eigen woning
- Werkinstructie aangifte inkomstenbelasting over overige uitgaven 2023 en 2024
- Werkinstructie aangifte inkomstenbelasting box 3 en periodieke uitkeringen
- Werkinstructie aangifte inkomstenbelasting box 3 en schulden
- Werkinstructie aangifte inkomstenbelasting box 3 en uitgeleend geld
- Werkinstructie aangifte inkomstenbelasting box 3 en banktegoeden
- Werkinstructie aangifte inkomstenbelasting box 3 en effectenbezit
- Werkinstructie aangifte inkomstenbelasting box 3 en kapitaalverzekeringen
- Werkinstructie aangifte inkomstenbelasting box 3 en onroerende zaken
- Werkinstructie aangifte inkomstenbelasting en heffingskortingen 2023 en 2024
- Werkinstructie aangifte inkomstenbelasting en eigen woning in 2023 en 2024
- Handboek belastingjaar 2022
- Werkinstructie correctieregels
Noot fiscaal jurist inzake aangifte inkomstenbelasting
Veel belastingplichtigen denken dat hun aangifte inkomstenbelasting nauwelijks wordt bekeken omdat deze “automatisch door de computer gaat”. Dat beeld klopt maar ... toch niet helemaal. De Belastingdienst verwerkt het grootste deel van de aangiften inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting geautomatiseerd, maar juist dankzij die automatisering worden afwijkingen steeds sneller opgespoord. Zodra een aangifte afwijkt van gegevens van banken, werkgevers of eerdere aangiften, kan deze direct in een risicoselectie terechtkomen en alsnog handmatig worden beoordeeld. Ook krijgt de belastingdienst steeds meer informatie uit het buitenland en van instellingen.
In de praktijk zien wij regelmatig dat een ogenschijnlijk kleine afwijking – bijvoorbeeld bij zorgkosten, giften, box-3 vermogen of ondernemersaftrek – aanleiding kan zijn voor een vragenbrief of zelfs een uitgebreider onderzoek (van de belastingdienst of de FIOD). Daarbij wordt vaak informatie gevraagd op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Als de Belastingdienst vervolgens van mening is dat de aangifte onjuist is, kan dat leiden tot correcties, navorderingen en in sommige gevallen zelfs boetes.
Juist daarom is het belangrijk dat een aangifte niet alleen technisch correct wordt ingevuld, maar ook fiscaal goed wordt onderbouwd. Bij complexe situaties – zoals ondernemersaftrekken, buitenlandse inkomsten, vastgoed, crypto-vermogen of grote aftrekposten – kan een fiscaal jurist helpen.
Ons kantoor begeleidt regelmatig cliënten bij vragen van de Belastingdienst, correcties van aangiften en boekenonderzoeken. Door vooraf kritisch naar de aangifte te kijken, kunnen veel discussies met de fiscus worden voorkomen. Heeft u een vragenbrief van de Belastingdienst ontvangen of twijfelt u over uw aangifte? Neem gerust contact met ons op. Een tijdige beoordeling door een fiscaal jurist kan vaak veel discussies voorkomen.
Geldsteekproef bij boekenonderzoek Belastingdienst niet toegestaan
Bij een boekenonderzoek wil de Belastingdienst vlot en in algemene lijnen door de administratie. Er wordt dan volgens de controle-aanpak van de Belastingdienst gebruik gemaakt van de (statische) steekproef, ook wel de guldensteekproef genoemd. Deze steekproef kent diverse problemen en tekortkomingen. Wat zijn de rechten van de Belastingdienst?
Over de steekproef is relatief weinig jurisprudentie. Sinds de arresten van de Hoge Raad in 2008 geeft de onze rechterlijke macht toestemming voor een rechtsgeldige steekproef (Hoge Raad d.d. 14 maart 2008 ECLI:NL:HR:2008:AU0837), deze procedure ging over de BPM, thans wordt de steekproef voor vele belastingen gebruikt. Het Gerechtshof was het ook eens met de steekproef.
In de uitspraak die we hier behandelen ontbrak het bewijsvermoeden omdat kerngegevens niet juist waren. De Rechtbank Noord Holland d.d. 15 januari 2026 ECLI:NL:RBNHO:2026:664 ging er een goed voor zitten.
Reductie aantal steekproeven belastingdienst
De belastingdienst heeft inmiddels vele nieuwe controlemedewerkers aangenomen en opgeleid. Het aantal controles MKB bedrijven zal de komende jaren dus toenemen. Bij een boekenonderzoek van de belastingdienst is de uitkomst altijd ongewis. Vooral als via een steekproef een onderzoek wordt ingestoken kunnen de financiele lasten (mede door extrapolatie) toenemen. Dit wordt nog eens versterkt door belastingrente en (verzuim) boetes. De belastingdienst heeft beleid gepubliceerd inzake het beperken van de steekproef bij belastingcontroles. Volgens het handboekcontrole 2026 van de belastingdienst (paragraaf 11.3.3) wordt het aantal steekproeven gereduceerd. Voor MKB bedrijven (maar ook binnen de publieke sector) kan het verstandig zijn om eens per 2-3 jaar zelf een steekproef te trekken (die aan de vereisten van de belastingdienst voldoet). Vragen? Neem gerust contact met ons op.
Welke regels gelden er bij een geldsteekproef door de Belastingdienst?
De formele regels en voorwaarden om van een steekproef gebruik te mogen maken zijn niet echt duidelijk. In deze noot van de adviseur van de Hoge Raad (De AG) worden wel diverse aanwijzingen gegeven, hier is nog weinig mee gedaan. In 2020 gaf het Gerechtshof 's Hertogenbosch op 31 december 2020 (ECLI:NL:GHSHE:2020:4116) een nuttige toelichting. De steekproef moet statistisch verantwoord zijn en voor belastingplichtige controleerbaar. Dit is in de praktijk knap lastig, edoch er zijn binnen ons netwerk specialisten die de statische steekproef kunnen beoordelen. Belangrijk is dat de populatie homogeen is en op objectieve maatstaven moet worden bepaald. De steekproef geeft een bewijsvermoeden. De belastingplichtige mag proberen om dit bewijs te ontzenuwen. Hiertoe moeten de resultaten - goed gemotiveerd - worden tegengesproken (in twijfel getrokken). Dit kan door een contra onderzoek of een volledig eigen boekenonderzoek van de gehele administratie. Lees voor een toelichting deze uitspraak.
Geld de steekproef van de belastingdienst bij een onderzoek ook voor meerdere jaren (extrapolatie)?
Het onderzoek zal vaak over 1 jaar plaatsvinden en wordt dan ook toegepast over de andere jaren. Strikt formeel mag dit - aldus de Hoge Raad (en deze uitspraak). Beide periodes moeten dan wel op elkaar lijken qua feiten en omstandigheden (volgens de Hoge Raad en het Gerechtshof in 2016). De inspecteur moet dus met een toelichting komen over het uitsmeren van de resultaten uit jaar X over jaar X+1 of X-1. Rechters zijn erg kritisch over extrapolatie, hier valt dus nog wel iets te winnen, zie hiertoe diverse uitspraken van rechters (Rechtbank Leeuwarden d.d. 25 maart 2010, Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 28 januari 2011 en de Rechtbank Den Haag d.d. 25 oktober 2016).
Wordt er ook een boete opgelegd bij een boekenonderzoek van de belastingdienst via een steekproef?
Een boete bij een steekproef vereist nogal wat, deze moeten overtuigend worden aangetoond door de inspecteur, dit met een uitgebreide toelichting (en een boeterapport), zie Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Wat zijn de regels voor een statische steekproef door de belastingdienst?
De belastingdienst mag - volgens diverse uitspraken - gebruik maken van een steekproef bij een boekenonderzoek. Het is van belang dat deze statische proef op wetenschappelijke wijze verantwoord en op controleerbare wijze is uitgevoerd. Dit wil in ieder geval zeggen
- dat de onderdelen die worden meegewogen (de populatie) een groep van dezelfde soort vormen (homogene groep);
- dat de gemaakte keuze op grond van objectieve maatstaven heeft plaatsgevonden
- dat de trekking van de te controleren onderdelen uit de populatie willekeurig (a select) heeft plaatsgevonden
- dat het geheel controleerbaar is voor de belastingplichtige.
In de zaak die we hier behandelen (Rechtbank Noord Holland d.d. 15 januari 2026 ECLI:NL:RBNHO:2026:664 ) begint de rechtbank met een duidelijke bewijslastverdeling. De douane (maar kan ook de belastingdienst zijn) wenst af te wijken van de aangiften die belastingplichtige heeft ingediend. De resultaten van de steekproef worden gebruikt als bewijsvermoeden voor de fouten die belastingplichtige zou hebben gemaakt (binnen de getrokken populatie). De bewijslast rust mede daarom bij de Douane.
Vervolgens stelt de Rechtbank vast dat de steekproef niet als bewijsvermoeden kan dienen. De redenen hiervoor zijn:
- De informatie over de uitvoering van de steekproef ontbreekt.
- Het is onduidelijk welke controle de inspecteur op welke posten heeft uitgevoerd.
- Niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt (artikel 8:42 AWB)
- Er moet een toelichting worden verstrekt omdat de steekproeven vaak technisch en complex zijn. Deze toelichting ontbreekt.
Via de route van artikel 8:31 AWB gaat de rechtbank wel aan het werk. Dit artikel stelt "als een partij niet aan de verplichtingen om bijvoorbeeld informatie te verstrekken voldoet kan de rechter daaruit gevolgtrekkingen maken die hem gereaden voorkomen". Het wordt er voor de Douane niet beter op. De homogene groep klopt niet en de populatie is niet goed gekozen. Ook kijkt de rechtbank naar de goedgekeurde posten uit de steekproef. Er is alleen gekeken naar de fouten en niet naar de juiste informatie.
Noot fiscaal jurist inzake geldsteekproef en Belastingdienst
Een controle met toepassing van de geldsteekproef is complex. Het is dan ook goed hierbij een specialist te betrekken; in de regel is dat geen accountant of fiscalist, maar een specialist op het gebied van statistische steekproeven. De impact van een foutje is groot, dus de investering in kwaliteit raadzaam. Raadpleeg dus altijd een specialist en vraag bij de belastingdienst (of douane) de volgende informatie:
- de controle opdracht en onderbouwing
- vraag de populatie definitie op
- vraag het algoritme en de selectie uit
- de lijst met goedgekeurde items
- alle tussenberekeningen
- materialiteit en controle tolerantie
- foutenverwachting
Een steekproef moet tenminste een bewijsvermoeden opleveren (voor de niet onderzochte posten). Deze procedure is slordig gevoerd omdat de inspecteur te weinig informatie heeft overlegd. Zo ontbrak het concept controle rapport, de populatie lijst, de onderbouwing, de tussenberekening en informatie over de getoetste regels.
In beginsel geldt voor een belastingplichtige altijd de vrije bewijsleer. Dit wil zeggen dat de belastingplichtige zelf mag kiezen op welke wijze hij / zij hun standpunten aannemelijk willen maken. In deze procedure maakt de rechtbank korte metten met deze tegenbewijs optie. Een eigen integrale controle door de belastingplichtige is een erg zware en bijna onmogelijke bewijslast. De steekproef moet kloppen en de bewijslast kan niet worden omgekeerd als deze steekproef onjuist is. De steekproef zou dan immers een soort van "begin van bewijs zijn".
Bronnen geldsteekproef
Rechtbank Noord Holland d.d. 15 januari 2026 ECLI:NL:RBNHO:2026:664
Hoge Raad d.d. 14 maart 2008 ECLI:NL:HR:2008:AU0837
Gerechtshof Den Bosch 31 december 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:4116
Gerechthof Den Haag, BK-16/00267 t/m 00270: ECLI:NL:GHDHA:2016:3835
Controleaanpak Belastingdienst
Controleaanpak Belastingdienst (CAB), uitgangspunten en modellen
Fiscus controleert bouwbedrijven (sector) op schijnzelfstandigheid
De Belastingdienst is terug. Niet met brieven, maar met inspecteurs op de bouwplaats. Volgens Bouwend Nederland lopen momenteel bij tien tot twintig bouwbedrijven controles naar de inzet van zzp’ers. En dit is geen vrijblijvende exercitie: bij meerdere bedrijven is al aangezegd dat de situatie binnen enkele maanden moet worden aangepast. Zo niet, dan volgen in 2026 naheffingen én boetes. Er is recentelijk door de tweede kamer wel bevestigd dat verzuimboetes (bij kleinere issues) niet worden opgelegd, vergrijpboetes wel. Insteek is het bestrijden van de schijnzelfstandheid.
Wij begeleiden op dit moment diverse bedrijven bij onderzoeken van de belastingdienst. Het is verstandig dat een fiscaal jurist vanaf het eerste moment aan tafel zit, dit voorkomt dat onjuiste of onvolledige antwoorden worden gegeven.
Toetsingskader beoordeling arbeidsrelaties
Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in juli 2026 het toetsingskader beoordeling arbeidsrelaties gepubliceerd (toesingskader en toelichting beoordeling arbeidsrelaties en afwegingen). In deze stukken worden de wettelijke regels en de belangrijkste jurisprudentie samengebracht. Via deze route kan worden beoordeeld of sprake is van werken in loondienst of als ZZPer (tenminste zoals het ministerie en de belastingdienst dit zien). Het toetsingskader begint met het wettelijke uitgangspunt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst als is voldaan aan de drie criteria uit artikel 7:610 BW: arbeid, loon en een gezagsverhouding. Belangrijk is dat er niet 1 invalshoek is. Bij de beoordeling van een mens (ZZPer of werknemer) moeten alle feiten en omstandigheden - in onderlinge samenhang - worden gewogen (aldus de Hoge Raad). De 9 invalshoeken van het Deliveroo arrest komen hierbij vaak voorbij. De gezichtspunten uit het Uber arrest komen minder voorbij. Heeft u vragen of heeft u een discussie met de belastingdienst, neem gerust contact op met onze fiscale experts op dit gebied.
Forse financiële gevolgen bij schijnzelfstandigheid in de bouw
Voor veel bouwbedrijven komt dit hard aan. Jarenlang werd nauwelijks gehandhaafd, behalve bij evidente kwaadwillendheid. Die tijd is voorbij. Sinds 1 januari 2025 controleert de Belastingdienst actief of iemand terecht als zelfstandige wordt ingezet of feitelijk werknemer is. De financiële gevolgen kunnen fors zijn – en in de praktijk zelfs bedrijfsbedreigend.
Vragen over schijnzelfstandigheid, de risico's of boekenonderzoek van de belastingdienst? Stuur ons gerust een e-mail voor een vrijblijvende offerte.
Waar kijkt de Belastingdienst écht naar?
In de praktijk zie ik dat veel ondernemers zich te veel vastklampen aan contracten en modelovereenkomsten. Die zijn belangrijk, maar niet doorslaggevend. De Belastingdienst – en uiteindelijk de rechter – kijkt primair naar de feitelijke uitvoering van het werk.
De kerncriteria zijn bekend, maar worden nu scherp toegepast:
- Is het werk structureel onderdeel van de organisatie?
- Wordt hetzelfde werk ook door werknemers verricht?
- Is er gezag of feitelijke aansturing op de bouwplaats?
- Loopt de zzp’er ondernemersrisico?
- Doet de zzp’er eigen investeringen?
- Bepaalt de zzp’er zelf hoe, wanneer en voor wie hij werkt?
Deze benadering sluit naadloos aan bij vaste jurisprudentie, waaronder het Deliveroo-arrest van de Hoge Raad, waarin is bevestigd dat geen enkel criterium doorslaggevend is, maar het totaalbeeld bepalend is. In het Uber arrest wordt dit nog eens dunnetjes over gedaan.
De naheffing: groter dan veel ondernemers denken
Bij schijnzelfstandigheid beschouwt de Belastingdienst de betaalde zzp-vergoeding als netto loon. Dat bedrag wordt vervolgens gebruteerd. In de bouw betekent dit in de praktijk vaak een naheffing van circa 35% van het bruto jaarbedrag.
Een rekenvoorbeeld uit de praktijk inzake naheffing bij schijnzelfstandigheid in de bouw:
- Stucadoor werkt 30 uur per week;
- Uurtarief stucadoor € 50 per uur (exclusief btw, soms laag tarief);
- Stucadoor werkt 40 weken per jaar voor de aannemer;
- Vergoeding van de factuur op jaarbasis € 60.000 (exclusief btw);
- Bruto jaarbedrag is dan ongeveer € 92.000;
- Naheffing loonheffingen ongeveer € 32.000.
En dat is nog zonder boetes. Vanaf 2026 kan bij grove schuld of opzet een vergrijpboete tot 100% van de naheffing worden opgelegd. Bovendien kan de Belastingdienst met terugwerkende kracht naheffen tot 1 januari 2025. Wie in 2030 wordt gecontroleerd, kan dus vijf jaar terug worden aangeslagen.
Waarom juist bouwbedrijven extra risico lopen?
De bouwsector staat nadrukkelijk in de aandacht. Dat is logisch: het aantal zzp’ers in de bouw is in tien jaar verdubbeld tot circa 230.000 zelfstandige ondernemers. Veel projecten draaien structureel op zelfstandigen die feitelijk niet of nauwelijks van werknemers te onderscheiden zijn.
De Belastingdienst richt zich daarbij expliciet op:
- langdurige inzet bij één opdrachtgever;
- lage of vaste uurtarieven;
- schijnconstructies met (arbeids)migranten;
- gedwongen zelfstandigheid.
Dit sluit aan bij het handhavingsbeleid zoals gepubliceerd door de Belastingdienst en de recente communicatie richting sectororganisaties.
Advies fiscaal jurist inzake schijnzelfstandigheid in de bouw
Wat ons opvalt in lopende controles, is dat veel schade voorkómen had kunnen worden. Niet door volledige en juiste contracten en natuurlijk door:
- tijdige risicoanalyse van de overeenkomst van opdracht of aanneming van werk (en de feiten);
- dossieropbouw;
- aanpassing van de feitelijke werkwijze;
- overeenkomsten met zzp'ers op orde brengen (modelovereenkomst bouwend Nederland);
- strategische herinrichting van de personeelsmix;
- en – cruciaal – professionele begeleiding tijdens het boekenonderzoek.
Voor zzp'ers in de bouw zijn een aantal overwegingen en vragen van belang, de belangrijkste:
- Maakt de zzp'er gebruik van zelfstandigenaftrek;
- Is er een overeenkomst met opdracht of aanneming van werk die aansluit bij de feiten?;
- Staat de ondernemer ingeschreven bij de KvK en presenteert hij/zij zich extern als ondernemer (bijvoorbeeld via website, eigen bus, eigen werkkleding, eigen risico en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, etc.);
- Facturatie op grond van gewerkte uren (of afgezonderd project)?;
- Doet de zzp'er hetzelfde werk als een werknemer van het bouwbedrijf?;
- Wordt eigen materiaal gebruikt of materieel van het bouwbedrijf?;
- Moet de zzp'er aanwijzingen van de bouwbegeleider (leidinggevende) van het bouwbedrijf opvolgen?;
- Wordt de zzp'er ook uitgenodigd voor personeelsfeestjes, bijeenkomsten, scholing etc.?
Boekenonderzoek zzp'er in de bouw
Een boekenonderzoek naar schijnzelfstandigheid is geen administratieve formaliteit, maar een fiscale strijd over kwalificatie van arbeid. Daarbij spelen bewijs, timing, communicatie en onderhandelingsstrategie een doorslaggevende rol. En in alle gevallen is het een grijs gebied, helemaal als het gaat om "vergrijpboete of niet".
Voor bouwbedrijven is dit hét moment om kritisch naar de inzet van zzp’ers te kijken. Niet morgen, maar vandaag. Wie nu proactief handelt, kan naheffingen, boetes en langdurige procedures beperken – of zelfs voorkomen.
Als fiscaal jurist begeleiden wij bouwbedrijven regelmatig bij:
- preventieve scans op schijnzelfstandigheid;
- herstructurering van zzp-inzet;
- lopende en aangekondigde boekenonderzoeken;
- overleg en discussie met de Belastingdienst;
- begeleiden van fiscale bezwaar- en beroepszaken inzake schijnzelfstandigheid.
Onze ervaring: wie goed voorbereid het gesprek ingaat, staat juridisch en fiscaal vele malen sterker. Stuur ons gerust een bericht voor een vrijblijvend gesprek.
Wanneer krijg ik een verzuimboete van de belastingdienst?
Als u niet of niet op tijd uw aangifte zou indienen kan de belastingdienst een verzuimboete opleggen. Dat kan voor twee soorten belastingen: aanslagbelastingen en aangiftebelastingen. Een verzuimboete kan oplopen tot ruim € 6.700. De boete valt in de meeste gevallen wel mee, bij een te late aangifte is de boete veelal een paar honderd euro. Maar wanneer wordt de boete verminderd?
Verzuimboetes wordt via de computer opgelegd
Verzuimboetes zijn geen vergrijpboetes, hiervoor is dus opzet of groeve schuld geen issue. De verzuimboete wordt opgelegd als een aangifte of betaling niet op tijd is. Een dergelijk verzuim is doorgaans eenvoudig via een computer vast te stellen. Verzuimboeteoplegging leent zich daarom (aldus een brief van onze staatssecretaris in februari 2026) prima voor een geautomatiseerd proces en is hiermee doelmatig. Bezwaar maken tegen dergelijke boetes kan altijd en bij de beoordeling wordt rekening gehouden met specifieke (persoonlijke of verzachtende) omstandigheden. Het maken van bezwaar bij bijzondere omstandigheden is dus verstandig. Hulp nodig, stuur een bericht aan ons en wij nemen contact met u op.
Wanneer wordt een verzuimboete van de belastingdienst verminderd ?
Volgens onderstaande procedures wordt een verzuimboete lager vastgesteld indien er sprake is van:
- Ziekte;
- Financiële omstandigheden ;
- Kleine onderneming (BV) die te vergelijken is met een eenmanszaak;
- Ernst van de overtreding is beperkt;
- Eerste of tweede verzuim;
- Netjes handelen en keurig vragen beantwoorden;
- Beperkte termijn overschrijding;
- Afwezigheid van schuld;
- Samenloop met andere verzuimen.
Veelal wordt de boete dan gematigd tot € 500. Zie hiertoe ondermeer deze interne notitie van de belastingdienst.
Procedures over verzuimboetes en mogelijkheden om deze te verminderen
Aangifte te laat bij slechte financiële omstandigheden en verzuimboete
Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 29 september 2015 ECLI:NL:GHARL:2015:7347 : een BV heeft een aangifte vennootschapsbelasting te laat ingediend. Er wordt een aanslag opgelegd met een winst van € 1.000 en een boete van € 2.460. De winst gaat naar € 0 maar de boete blijft in stand. De rechtbank heeft de boete verlaagd tot € 1.230, dit in verband met slechte financiële omstandigheden. Het hof doet hier verder niks mee en laat de boete in stand. De reden hiervoor is:
- belastingplichtige is meermaals gewezen op zijn aangifteplicht;
- belastingplichtige weigert vragen te beantwoorden;
- ook voor andere jaren is belastingplichtige te laat met het indienen van de aangifte.
Aangifte te laat maar verder keurige belastingplichtige en verzuimboete
Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 21 november 2014 ECLI:NLGHSHE:2014:4900 : een BV heeft de aangifte Vennootschapsbelasting te laat ingediend. De BV exploiteert een belastingadvieskantoor, da's wel bijzonder (voorbeeldfunctie en verzwarende omstandigheid). Het is de eerste keer dat de aangifte te laat wordt ingediend (verzachtende omstandigheden) en daarnaast zijn de financiële omstandigheden niet best. De boete was € 2.460 en wordt door de rechter verminderd tot € 500.
Aangifte te laat door ziekte en slechte financiële omstandigheden en verzuimboete
Gerechtshof Den Haag d.d. 20 december 2013 ECLI:NL:GHDHA:2013:5341 : een BV heeft de aangifte Vennootschapsbelasting te laat ingediend. De DGA was ziek (nieuwe heup en infectie). De aangifte wordt verzorgd door een belastingadviseur, die niet scherp was en de aangifte te laat heeft ingediend, gevolg een boete van € 2.460 (max € 4.920). Het hof heeft de boete verlaagd tot € 500, dit in verband met de ziekte, verbetergedrag en de financiële positie. Het kan altijd beter, bij een procedure bij het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 13 juni 2014 ECLI:NL:GHSHE:2014:1770 ging de boete naar € 250 omdat het een eerste verzuim was bij een beperkte termijnoverschrijding.
Waarom een verzuimboete opleggen?
De 67a AWR boete is een zogenaamde verzuimboete. De Staatssecretaris van Financiën heeft in 2009 in herinnering gebracht wat het doel is van de verzuimboete. Het gaat niet, zoals belastingplichtigen het soms ervaren, om leedtoevoeging. Verzuimboeten hebben als primaire doel het onderhouden en versterken van de bereidheid om fiscale verplichtingen na te komen. Dit is anders dan bij de vergrijpboete. Daar is duidelijk sprake van een bestraffend karakter en het wegnemen van een onterecht voordeel.
Wat in de praktijk ook wel voorkomt, is dat de Belastingdienst de boete gebruikt als een instrument om u tot handelen aan te zetten. De inspecteur kan dan een boete opleggen voordat de aanslag wordt opgelegd. Dat doet hij dan onder de voorwaarde dat u alsnog binnen een gestelde termijn de aangifte doet. De matiging van de boete wordt daarmee een soort extra motiveringsmiddel. Deze mogelijkheid is sinds 2013 in de wet opgenomen.
Wie kan de verzuimboete van 67a AWR opgelegd krijgen?
In de eerste plaats en het meest voorkomend is uiteraard de belastingplichtige zelf. De wet is echter regelmatig uitgebreid. Thans is het mogelijk de boete ook op te leggen aan een medepleger, opdrachtgeveren/of feitelijk leidinggever, de doen pleger en de uitlokker. Op deze mogelijkheden, die in de praktijk zeer weinig voorkomen, gaan wij in dit artikel niet nader in.
De verzuimboete van 67a AWR en onze deskundigheid
De verzuimboete wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte voor een aanslagbelasting, ook wel de 67a AWR boete genoemd, wordt automatisch opgelegd. Alle bezwaren die u tegen deze boete heeft komen vrijwel altijd pas in de bezwaarfase aan de orde. Wij voeren voor belastingplichtigen vaak procedures tegen de verzuimboete en – indien nodig – ook tegen de aanslag zelf. Vraag gerust een vrijblijvende offerte via onderstaand formulier.
Matiging boete door Hoge Raad
De Hoge Raad (cassatie) bekijkt een zaak niet meer inhoudelijk en veel zaken worden dan ook afgedaan met zogenaamde artikel 81 RO beslissingen. Het cassatieberoep wordt dan afgewezen zonder uitgebreide inhoudelijke motivering. In de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 21 november 2025 ECLI:NL:HR:2025:1727 faalde het inhoudelijke beroep (klachten nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling). Maar hiermee was nog niet alles gezegd.
De Hoge Raad komt ambtshalve toe aan vraag of de redelijke termijn in cassatie wordt overschreden, ook bij het instellen van cassatie beroep (of tweede cassatieprocedure) begint de redelijke termijn dus weer te lopen (1 jaar). De boete wordt ambtshalve verlaagd (gematigd). Belastingplichtige is vergeten immateriele schadevergoeding te vragen, dat is jammer. Dit is een interessante uitspraak, materieel gebeurt er niks maar de redelijke termijn kan de boete wel verlagen (in dit geval met 15%). Cassatie kan dus van belang zijn voor de boete (en termijnbewaking). Bij boeten moet de tijdlijn dus scherp in de gaten worden gehouden, ook als de materiële / inhoudelijke kansen bij cassatie beperkt zijn. Gelukkig bewaakt de Hoge Raad nog steeds de fundamentele proces belangen en waarborgt deze op de juiste wijze.
Fiscale beoordeling garanties bij verkoop van een BV.
Wij adviseren regelmatig M&A partijen en verkopers bij de verkoop van hun bedrijf. De advisering kan zien op een Due Diligence onderzoek, de beoordeling van fiscale of balansgaranties, gevolgen van verkoop binnen de familie (bedrijfsopvolging) en/of de invulling of nakoming van een W&I verzekering. In dit artikel een uitgebreide toelichting.
Balansgaranties bij een overname van een BV.
Een balansgarantie is een bepaling in een koopovereenkomst (of leveringsakte) waarbij de verkoper instaat voor de juistheid van de overgedragen balans (activa en passiva) van de BV (of onderneming). Simpelweg garandeert de verkoper dat het eigen vermogen klopt en de balansposten niet lager (actief zijde) of hoger (passief zijde) zijn. Als dit niet blijkt te kloppen dan moet de verkoper soms het verschil aan de koper betalen. Juridisch is dit een garantie die lijkt op een vrijwaring. Fiscaal roept dit de vraag op hoe deze vergoeding moet worden behandeld bij de koper en verkoper. Wordt de betaling gezien als een neerwaartse bijstelling van de koopprijs van de aandelen (deelnemingsvrijstelling / kostprijs deelneming) of vormt het een belaste bate bij de koper? Meestal zal dit moeten worden gezien als een aanpassing van de koopprijs, de vergoeding is dan niet aftrekbaar resp. onbelast. In een uitgebreide scriptie wordt hierop nader ingegaan. Ook in het kennisdocument aan- en verkoopkosten deelneming van de belastingdienst komt dit aan de orde. De uitspraken van rechters wijzen meestal op een aanpassing van de koopsom (dus deelnemingsvrijstelling). Voor de praktijk is het belangrijk wanneer een fiscale garantie of balansgarantie invloed kan hebben op de fiscale winst. Op basis van enkele uitspraken van de Hoge Raad is de stelling in te nemen dat een verkoper op het moment van de overname een inschatting zou kunnen maken omtrent een mogelijke garantie. Dit zal een verkoper zelden doen omdat hij of zij van mening zal zijn dat de balans en jaarrekening juist zijn. Pas wanneer zich na closing een gebeurtenis voordoet zal er sprake kunnen zijn van een aanpassing. Deze aanpassing zal veelal fiscaal neutraal verlopen (afboeken kostprijs deelneming). Als na deze aanpassing nog aanpassingen nodig zijn is het verdedigbaar deze in de belaste/aftrekbare sfeer op te nemen. Dit onderdeel kan tot discussie met de belastingdienst leiden.
Fiscale risico’s afdekken, de fiscale garanties
Na het Due Diligence onderzoek wordt de aandacht verlegd naar de fiscale risico’s. Deze worden vastgelegd in de koopovereenkomst. In de M&A praktijk zien we hiertoe een drietal opties:
1. Fiscale garanties
Een fiscale garantie houdt doorgaans in dat de verkoper verzekert dat de target BV tot aan de overdracht voldaan heeft aan al haar fiscale verplichtingen, dat er geen lopende geschillen zijn, alle belastingen tijdig en volledig zijn betaald, etc. Juridisch is “garantie” niet een strak omlijnd begrip in de wet. De bepaling in de koopovereenkomst moet hierover dus duidelijkheid geven.
Een garantie creëert de mogelijkheid voor de koper om schadevergoeding te vorderen als achteraf blijkt dat de garantieverklaring onjuist of onvolledig was. Maar let op: de koper heeft hierbij een bewijslast op drie fronten: (1) er is sprake van een onjuistheid (breach of garantie), (2) daardoor heeft de koper schade geleden, en (3) de omvang van die schade (quantum).
Deze drietraps bewijsvoering is vaak complex en tijdrovend. Met name het causaal verband tussen de geschonden garantie en de schade is een punt van discussie. Zo kan bij fiscale garanties verschil van inzicht met de Belastingdienst over bijvoorbeeld transfer pricing ertoe leiden dat een navordering plaatsvindt, maar daarmee is niet automatisch bewezen dat de verkoper een onjuiste garantie afgaf.
Als de verkoper destijds redelijkerwijs van mening was dat de verrekenprijzen zakelijk waren (gesteund door documentatie), dan is een andersluidende visie van de inspecteur nog geen garantiebreuk.
De koper “gelijk hebben” wil dus niet altijd zeggen “gelijk krijgen” in rechte. Bovendien geldt meestal dat wat de koper wist ten tijde van de transactie (disclosed information) niet tot aansprakelijkheid leidt: er wordt in het contract vaak bepaald dat een garantie niet geschonden is voor zover de betreffende informatie aan koper bekend is gemaakt.
Dit betekent dat fiscale risico’s die tijdens het boekenonderzoek expliciet aan het licht zijn gekomen, in principe niet onder de garantieclaim vallen. De koper zal dergelijke bekende risico’s dus niet via een gewone garantie vergoed kunnen krijgen – hiervoor zijn andere middelen nodig.
2. Fiscale vrijwaringen
Een vrijwaring is een specifieke schadeloosstellingsverplichting. In het overnamecontract houdt een fiscale vrijwaring in dat de verkoper de koper (en vaak ook de target BV) vrijwaart voor bepaalde belastingclaims of –schulden. Bijvoorbeeld: “De verkoper vrijwaart koper en de target voor elke belastingschuld die betrekking heeft op de periode vóór de overdrachtsdatum, voor zover deze niet in de balans van de target is opgenomen.”
Anders dan bij een garantie ziet een vrijwaring expliciet op een vooraf bekende of voorziene risicogebeurtenis ten tijde van het contract. Geïdentificeerde fiscale risico’s die tijdens due diligence naar voren zijn gekomen, worden bij uitstek afgedekt met een vrijwaring, juist omdat de koper van het bestaan afweet en dus geen reguliere garantie daarvoor zou krijgen.
Het grote voordeel voor de koper is dat hij of zij bij een vrijwaring géén breach hoeft te bewijzen – er is immers geen betwisting van een onjuiste mededeling van verkoper nodig. De verkoper erkent aansprakelijkheid voor het specifieke risico en als dat risico zich voordoet (bijvoorbeeld er komt een naheffing voor een periode vóór overdracht), kan de koper rechtstreeks vergoeding vorderen zonder eerst wanprestatie aan te tonen. In feite maakt een vrijwaring de discussie over schuld of tekortkoming overbodig; de afspraak is dat een bepaalde schade sowieso voor rekening van verkoper komt. Dit biedt de koper meer zekerheid en een eenvoudigere bewijspositie vergeleken met de garantie.
In een koopovereenkomst is het gebruikelijk dat verkopers een algemene fiscale vrijwaring verstrekken voor alle pre close belastingschulden die niet op de balans zijn opgenomen.
Door zo’n brede vrijwaring hoeft de koper bij het bepalen van de koopprijs geen onzekerheid in te calculeren voor verborgen fiscale posten – men spreekt wel van een “cash, debt and tax risk free” prijsstelling. Overigens worden in een goed contract meestal uitzonderingen genoemd:
- bijvoorbeeld als een bepaald risico al bekend was en
- partijen bewust hebben afgesproken dat dit toch voor koper komt (tegen een lagere prijs), of er is een specifieke afspraak (escrow) gemaakt.
Een vrijwaring is vooral geschikt wanneer een risico wel bekend/voorzien is, maar of het zich zal realiseren en de omvang onzeker is. In zo’n geval wil de verkoper misschien niet de hele koopprijsverlaging accepteren voor iets dat mogelijk nooit gebeurt, terwijl de koper ook geen onbeperkt risico wil. De vrijwaring biedt dan een middenweg: de verkoper betaalt alleen als het probleem zich daadwerkelijk voordoet. Als een risico echter bijna zeker is én kwantificeerbaar, dan is het logischer om dit direct financieel te verrekenen, bijvoorbeeld door de betreffende potentiële belasting als schuld in de balans op te nemen en de koopprijs te verlagen. Met andere woorden, een vrijwaring gebruik je om onzekerheid te overbruggen; zekerheid verwerk je in de prijs.
3. Convenant to Pay bij overnames
Een derde instrument, soms als variant op de vrijwaring, is het covenant to pay. Dit is feitelijk een afgesproken directe betalingsverplichting van verkoper aan koper (of aan de target) voor bepaalde fiscale lasten. In een covenant to pay belooft verkoper bijvoorbeeld: “Indien de belastingdienst ter zake van periode X een aanslag oplegt aan de target, zal verkoper dit bedrag op eerste verzoek voldoen.” Het verschil met een reguliere vrijwaring is subtiel maar belangrijk in de afwikkeling: bij een covenant to pay hoeft de koper niet eerst zijn schade te bewijzen; zodra de in het covenant gedefinieerde belasting zich voordoet, moet de verkoper betalen.
Het werkt dus als een onafhankelijke verplichting tot betalen, bijna alsof de verkoper de belasting zelf verschuldigd is. Dit kan gunstig zijn voor de koper omdat het de route van schadevergoeding omzeilt en direct betaling afdwingbaar maakt. In andere opzichten lijkt het covenant to pay sterk op de vrijwaring – het is doorgaans beperkt tot specifieke (vooraf bekende) belastingen en vaak opgenomen in dezelfde fiscale clausule. Veelal wordt een covenant to pay gebruikt om zeker te stellen dat de verkoper tijdig de middelen verstrekt voor een belastingaanslag, zodat de target of koper niet eerst uit eigen zak hoeft voor te schieten. In de praktijk: de algemene fiscale vrijwaring in een SPA wordt regelmatig vormgegeven als een covenant to pay, juist om de eenvoud en directheid daarvan.
Samenvattend, de fiscale vrijwaringen en garanties bij overnames
Samenvattend, de garantie en de vrijwaring vullen elkaar aan. Een garantie is geschikt om de algemene fiscale situatie van de BV (of onderneming) af te dekken voor onbekende gebreken – het geeft de koper een claim als achteraf iets niet blijkt te kloppen dat in strijd is met de garantieverklaring. Het dwingt ook de verkoper om informatie op tafel te leggen (want wat bekend is, kan geen garantiebreuk opleveren). Echter, de beperkingen zijn de strenge bewijslast en doorgaans strakke termijnen en caps voor aansprakelijkheid.
Een vrijwaring (al dan niet via covenant to pay) is het aangewezen middel voor concrete geïdentificeerde risico’s die tijdens het boekenonderzoek naar voren kwamen. Daar waar de koper bij een garantie het risico heeft geen verhaal te krijgen wegens gebrek aan bewijs of omdat het risico al bekend was, biedt de vrijwaring zekerheid: komt de aanslag, dan betaalt verkoper.
Ook is de looptijd van fiscale vrijwaringen meestal langer (vaak tot het verjaren van de aanslagtermijnen, bijvoorbeeld 5 jaar na het betreffende boekjaar, of nog langer bij bepaalde buitenlandse of fraudezaken), terwijl fiscale garanties soms een kortere termijn kennen als compromis. Hierbij is van belang dat de termijn soms moet worden verlengd met de uitstel termijn. Veelal zien wij termijnen van 7 jaar, dit om elk risico af te dekken.
Beperkingen en valkuilen bij garanties
Er wordt vrijwel altijd een beperking aangelegd voor de aansprakelijkheden van de verkoper. De belangrijkste beperkingen zijn:
- Cap: een maximale vrijstelling (qua bedrag) voor een aansprakelijkheid
- Basket: een drempel, hieronder is er geen aansprakelijkheid
- Verschillen: de cap en basket kunnen per garantie en soort garantie verschillen, dus zowel qua percentage als bedrag als looptijd
Tevens spelen bij garanties de volgende onderdelen
- Een fiscale vrijwaring wordt soms gemaximeerd op de koopsom, dit kan voor de koper een nadeel zijn, immers de claim van de belastingdienst kan hoger zijn dan de koopsom (zonder dat de target BV failliet hoeft te gaan)
- Koper moet toezeggen dat bij een (dreigende) aanslag de verkoper wordt geïnformeerd
- Wellicht dat partijen afspreken dat een fiscale procedure (of het contact met de belastingdienst) door de Verkoper wordt opgepakt (en ook voor zijn rekening komt). Alternatief is dat de Verkoper inzage krijgt in alle stukken. Bij het niet nakomen van deze afspraken zou de garantie kunnen komen te vervallen.
Een verkoper zal zijn garanties altijd willen beperken en om enig moment van het gedoe af willen zijn. Soms worden garanties in eerste instantie verrekend met een mogelijke Vendor Loan (lening van verkoper aan koper). De verkoper zou wellicht bereid zijn om met een lagere verkoopprijs genoegen te nemen waarbij de garanties worden beperkt. De garanties kunnen ook worden beperkt door specifieke vrijwaringen voor bepaalde fiscale onderwerpen.
Bij het inroepen van een garantie moet de koper aantonen dat de verkoper tekort is geschoten. Bij vrijwaringen en covenants verschuift die discussie naar de vraag of de gebeurtenis onder de afgesproken omschrijving valt, dit is vaak een stuk eenvoudiger (voor de koper). Er blijven echter altijd grijze gebieden zoals belastingrente, adviseurskosten, boetes, etc.
Verzekeren van risico’s via een W&I verzekering
Naast contractuele garanties en vrijwaringen kunnen partijen ervoor kiezen fiscale risico’s te verzekeren. In de afgelopen jaren heeft de Warranty & Indemnity-verzekering (W&I) een hoge vlucht genomen. Voor fiscale risico’s en geschilpunten bestaat er ook een Tax risk insurance.
De Warranty & Indemnity verzekering
Een W&I-verzekering dekt het risico van schending van garanties en het niet-nakomen van vrijwaringen in een overnamecontract of koopovereenkomst. In wezen stapt de verzekeraar in de schoenen van de verkoper: als na de deal blijkt dat er een claim is onder de fiscale garanties of de algemene fiscale vrijwaring, kan de koper die claim (boven een bepaalde drempel) indienen bij de verzekeraar.
Hoewel zowel koper als verkoper een W&I-polis kunnen afsluiten, is in de praktijk het overgrote deel een koperspolis. Dat betekent dat de koper de verzekeringsnemer is en de verzekeraar rechtstreeks de koper schadeloos stelt voor gedekte schade; de verzekeraar kan vervolgens eventueel verhalen op de verkoper als dat is overeengekomen (meestal alleen bij fraude van de verkoper).
Een typische constructie is dat de SPA (Share Purchase Agreement, de koopovereenkomst) een set garanties en een algemene fiscale vrijwaring bevat, maar met een beperkte maximale aansprakelijkheid voor verkoper – bijvoorbeeld een seller’s cap van € 250.000. Tegelijk koopt de koper een W&I-verzekering die dekking biedt voor schade boven die cap, tot een veel hoger bedrag, zeg € 10.000.000. Zo blijft de verkoper’s risico beperkt (wat vooral aantrekkelijk is voor een verkoper die een “clean exit” wil, zoals private equity), en weet de koper dat hij voor grotere tegenvallers is beschermd door de verzekeraar.
Soms wordt de verzekering ook buiten de SPA geregeld, dit zal dan via een synthetic taks deed plaatsvinden. De reden hiervoor is dat de als de verkoper toch geen noemenswaardige aansprakelijkheid wil dragen en de verzekeraar niet afhankelijk wil zijn van de tekst in de SPA.
Bekende risico’s worden in de polis vaak uitgesloten, het moet dus gaan om onbekende risico’s. De verzekeraar zal dus ruim te tijd nemen om het Due Diligence onderzoek, het rapport en de onderliggende stukken te raadplegen. Ook zal er worden gekeken wat er in de SPA wordt gedisclosed. Alles wat de koper wist of had kunnen weten uit de verstrekte informatie wordt gewoonlijk uitgesloten in de polis. Ook kent de polis een aantal standaard en algemene uitsluitingen. Hierbij kunt u denken aan internationale zaken, agressieve taks planning, fiscale boetes, strafrechtelijke sancties en earningsstripping. Ook post closing veranderingen in het beleid van de belastingdienst worden vaak uitgesloten.
Een polis is vaak niet belachelijk duur, mits er een goed DD onderzoek heeft plaatsgevonden. Een polis kost 0,75% - 1,25% van het verzekerde bedrag. Bij een maximale garantie van 10.000.000 euro gaat het dus om een premie van 100.000 euro. De premie wordt verhoogd met assurantiebelasting. Ook wordt er vaak een eigen risico voorgesteld.
Voordeel van een polis is dat het rust geeft voor de verkoper, een verzekering komt vaak voor bij de verkoop van een familiebedrijf of verkoop door een DGA. Gemoedsrust weegt vaak op tegen betalen van premies.
Tax Risk Insurance
De genoemde Tax Risk Insurance is relatief nieuw. Deze richt zich ook op bekende fiscale risico’s. Er is dan een fiscaal geschilpunt dat een deal wellicht in de weg kan staan. Partijen (of hun fiscalisten) denken anders over een fiscaal probleem en het hiermee samenhangende financiele risico. Denk hierbij aan transferpricing, fusie termijnen of overdrachtsbelasting. Partijen zouden het kunnen voorleggen aan de belastingdienst maar dit duurt vaak te lang. Alternatief is dat er veel geld op een escrow rekening wordt gestort, maar dit wil de verkoper meestal niet. De premie voor dergelijke verzekeringen is hoger, meestal rond de 5% van het verzekerde bedrag.
Partijen moeten dus afwegen of de eenmalige premie opweegt tegen bijvoorbeeld een iets lagere koopprijs of een andere prijsafspraak (zoals een gehouden bedrag of een earn-out). Vaak wordt een tax insurance pas overwogen als het echt een deal breaker betreft: geen verzekering betekent geen deal, omdat geen van de partijen het risico wil of kan dragen. De verzekeraar zal bij tax insurance zeer diepgaande beoordeling doen: men vereist meestal uitgebreide adviezen of legal opinions van fiscalisten over het punt, op basis waarvan de verzekeraar besluit of hij het risico wil dekken en zo ja tegen welke voorwaarden.
Een pleister op de wond.. de premie is – voor de koper - aftrekbaar. De keerzijde… de mogelijk ontvangen uitkering is belast. Over dit onderdeel is nog niet veel geprocedeerd. De stelling van de belastingdienst zou nog kunnen zijn dat er sprake is van niet aftrekbare verkoopkosten (bij de verkoper). Daarom wordt de premie vaak voldaan door de koper (met verlaging van de koopsom).
In sommige polissen wordt hiertoe bepaling opgenomen waarbij de uitkering wordt verhoogd met een bedrag voor de vennootschapsbelasting. De assurantiebelasting is niet aftrekbaar voor de verkoper.
Aandachtspunten bij verkoop van een BV
Structuur bij verkoper
Zorg ervoor dat de structuur bij de verkoper gereed is voor een potentiële koper. Voor een herstructurering is meestal 3 – 5 jaar nodig.
Overtollige liquiditeiten en activa
Overweeg voor de verkoop overtollige liquiditeiten of beleggingen uit de Target BV te halen, bijvoorbeeld via een dividenduitkering of vermindering van het kapitaal of aflossing van interne vorderingen. Soms is het ook beter om vastgoed of materiële vaste activa in een andere BV onder te brengen, de Target BV is hiermee beter te verkopen.
Fiscale eenheid
Als de Target BV in een fiscale eenheid voor de Vennootschapsbelasting is opgenomen is speciale aandacht vereist. Bij verkoop wordt de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting namelijk verbroken. Als er is geschoven met activa (stille reserves) kan dit een probleem veroorzaken. De belastingdienst kijkt hierbij enkele jaren terug. Maak ook duidelijke afspraken wie gaat opdraaien voor mogelijke fiscale claims.
Escrow rekening of depot
Een escrow rekening of depot is voor de koper soms wenselijk. Een deel van de koopprijs blijft dan op een aparte rekening staan om eventuele fiscale claims te dekken. Dit is vooral verstandig als de verkoper een natuurlijk persoon is of zou gaan emigreren (verhaal is dan lastig). De rekening kan bij de notaris worden aangehouden. Een escrow overeenkomst geeft vaak gedoe. Bekijk of het mogelijk is of er met het geld mag worden belegd, anders wordt er alleen rente vergoed.
Convenant to pay
Zorg ervoor dat fiscale vrijwaringen helder worden geformuleerd. De verkoper moet verplicht zijn bedragen rechtstreeks aan de koper of de Belastingdienst te betalen binnen de termijn van de aanslag.
Gross up of indemniteiten bruteren
Dit betekent dat als de koper een bedrag ontvangt van verkoper ter dekking van een belasting (of vrijwaring) die (om wat voor reden dan ook) bij de koper belastbaar is, de verkoper dit bedrag zal verhogen zodat de koper netto volledig gecompenseerd wordt. In praktijk: indien een vrijwaringsbetaling zelf belastbaar inkomen vormt bij de koper, draait de verkoper ook op voor die belasting. Hiermee voorkomt u dat de fiscus een deel van de schadevergoeding “afsnoept” en de koper toch verlies lijdt.
Disclosure van kennis
Als verkoper dient u alle relevante fiscale informatie disclosed te hebben (bij voorkeur op een gestructureerde lijst in de dataroom). Voor koper geldt: alles wat op die lijst staat of anderszins bekend is bij ondertekening, kan hij niet als claim gebruiken. Daarom:
- als koper: ga systematisch na of elk potentieel risico óf in de garanties expliciet wordt afgedekt, óf via een vrijwaring, óf dat u bewust accepteert zonder verhaal (maar dan idealiter geprijst in de deal).
- als verkoper: zorg voor een deugdelijke disclosure letter/document waarin ook fiscale onderwerpen benoemd zijn (bijv. lopende controles, discussies, standpunten ingenomen in aangiften). Dit beperkt uw aansprakelijkheid aanzienlijk.
Fiscale aangiften en winst lopende boekjaar
Maak heldere afspraken over de winst van het lopende boekjaar en degene die de aangiften omzetbelasting, loonbelasting en vennootschapsbelasting gaat indienen. Neem hierbij ook op via zich gaat bezighouden met bezwaar en beroepszaken over deze aangiften. Leg een heldere procedure vast voor pre closing jaren, inclusief inzagerecht of gebruik maken van de belastingadviseur van verkoper.
Due Diligence onderzoek
Het klinkt wellicht te gemakkelijk, maar cruciaal – investeer in een grondige fiscale due diligence van de target BV. Dit geldt voor kopers (om ongeziene belastingschulden of agressieve structuren te detecteren) én voor verkopers (vendor due diligence om zelf te weten waar de pijnpunten zitten).
Problemen die in DD aan het licht komen, kunnen nog contractueel of qua prijs worden verdisconteerd. Ook kan een verkoper proactief fiscale issues oplossen vooraf (bijv. een kostbare auto van de zaak eruit halen, openstaande aanslagen betalen, etc. ) om ze van tafel te hebben. Voor DGA’s: realiseer u dat privé-aangelegenheden ook relevant kunnen zijn (gebruikelijk loon discussies, rekening-courant verhoudingen met de BV, prive dingen via de zaak, niet meenemen van bijtelling auto, etc.). Los onzuiverheden tussen u en uw BV op vóór de verkoop (desnoods door het tekenen van een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst), zodat deze niet als ontploffende mijnen achterblijven voor de koper, deze ontploffen dan ook in het gezicht van de verkoper.
Kosten verkoop
De kosten voor de verkoop zijn veelal niet aftrekbaar. De BTW hierover kan meestal niet als voorbelasting in mindering worden gebracht. Laat u voordien goed adviseren.
Fiscale planning en post closing acties
Na de verkoop gaan de adviseurs vaak achteruit zitten, dit is niet verstandig. Bekijk of er nog fiscale eenheden moeten worden aangevraagd en/of de voorlopige aanslagen op orde zijn. Tevens kan een herstructurering wenselijk zijn.
Een ander aandachtspunt is de renteaftrekbeperking bij de koper. Bekijk of de structuur zo is vormgegeven dat de te betalen rente op de overname financiering aftrekbaar is. Bekijk ook of oude verliezen nog verrekenbaar zijn, bij een change of control kan dit een probleem zijn.
Voor de verkoper is het van belang dat een uitgebreide inkomens- en vermogensplanning wordt opgesteld. Geef hierbij ook aandacht aan uw testament, schenkingen aan uw kinderen en huwelijkse voorwaarden.
Noot fiscaal jurist inzake verkoop van een onderneming
Een succesvolle bedrijfsovername vereist een gedegen voorbereiding en inzicht in de financiële, fiscale en juridische aspecten van de transactie. Door vroegtijdig te beginnen met de voorbereidingen en aandacht te besteden aan de genoemde verbeterpunten, kan de waarde van de onderneming worden gemaximaliseerd, wat leidt tot een succesvolle verkoop.
Dit artikel biedt een leidraad voor ondernemers die overwegen hun bedrijf te verkopen. Door de tips en inzichten toe te passen, kunnen zij hun onderneming optimaal voorbereiden op een verkoop, wat de kans op een succesvolle transactie aanzienlijk vergroot. Vragen over een bedrijfsovername of bedrijfsopvolging? Neem contact op met onderstaande adviseurs.
Vergrijpboete en "Doen plegen"
Op 3 juni heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak waarbij de ex-vrouw met de DigiD code van haar ex-man onjuiste aangiften heeft ingediend voor haar ex-man. De rechtbank komt tot de conclusie dat geen sprake is van doen-plegen. Maar wat is eigenlijk doen plegen?
Kwaliteitsdelicten bij vergrijpboetes
Doen plegen betekent dat iemand opzetten een ander aanzet om een strafbaar feit te plegen. Die ander (de uitvoerder) weet vaak niet dat hij iets strafbaars doet en kan daarom niet gestraft worden. Hij is als het ware een ‘willoos werktuig’. In belastingzaken speelt ‘doen plegen’ vooral bij zogeheten kwaliteitsdelicten. Dat zijn strafbare feiten die alleen gepleegd kunnen worden door mensen met een bepaalde rol, zoals iemand die verplicht is belastingaangifte te doen.
Rechtspraak in zake doen plegen
Iemand kan alleen vervolgd worden voor doen plegen als de uitvoerder helemaal geen schuld heeft. De HR heeft al in 1913 (HR 21 april 1913, NJ 1913, W. 950) bepaald dat de uitvoerder de juist ‘kwaliteit’ moet hebben, bijvoorbeeld dat hij degene is die belasting moet aangeven. In de casus waarin Rechtbank Amsterdam op 3 juni 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:5921) uitspraak heeft gedaan kwam de rechtbank tot de conclusie dat de vrouw niet de juiste persoon was om aangifte te doen en dus niet strafbaar was voor dat specifieke belastingfeit. Deze uitspraak is in lijn met de uitspraak van de HR in 1990 (HR 11 september 1990, NJ 1991/276) en de rechtbank Den Haag in 2012 (Rechtbank Den Haag 2 april 2012, LJN BW0994). In het eerste geval oordeelt de Hoge Raad dat doen plegen alleen mogelijk is als de uitvoerder niet strafbaar is. Bij de dader moet hierbij sprake zijn van opzet, voor de uitvoerder geldt dit niet. In de tweede casus oordeelt de rechtbank dat de verdachte niet de aangifteplichtige is en daarom dient te worden vrijgesproken van doen plegen.
Ook in een procedure waarbij door de belastingadviseur opzettelijk onjuist een aangifte inkomstenbelasting ten name van een ander is ingediend ging de AG er eens goed voor zitten (ECLI:NL:PHR:2020:631) . De Hoge Raad d.d. 15 september 2020 ECLI:NL:HR:2020:1372 gaf een uitgebreide toelichting en verwees de zaak door naar het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2022:2926), hierbij is besloten dat het bewezenverklaarde niet kwalificeerbaar was.
Bestuurder geen pleger bij niet doen van een aangifte vennootschapsbelasting
Bij het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 24 februari 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:1967 kwam een procedure voorbij waarbij een bestuurder over meerdere jaren geen aangiften vennootschapsbelasting van de BV had ingediend. Het Hof oordeelde dat de bestuurder (verdachte) als pleger kan worden aangemerkt (artikel 69 lid 1 AWR), dit in kader van "het opzettelijk niet doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte". Deze procedure komt uiteindelijk bij de Hoge Raad op 24 maart 2026 ECLI:NL:HR:2026:424. Die denkt er anders over. De bestuurder is niet de persoon die de aangifteplicht droeg. De aangifteplicht berust immers bij de rechtspersoon aan wie het aangiftebiljet is gericht. Dit is de BV zelf en niet de natuurlijke persoon die als bestuurder optreedt of feitelijk de correspondentie ontvangt en de aangifte verzorgt. Verantwoordelijk zijn voor iets wil nog niet zeggen dat die persoon ook "pleger" is voor het niet doen van de aangifte. Dit wil nog niet zeggen dat de bestuurder lekker achteruit kan gaan zitten. Op grond van het strafrecht (artikel 47-51 WvS) is er voldoende ruimte om de bestuurder als medepleger of feitelijk leidinggevende aan te pakken. Hier speelde echter de toets van "pleger". De zaak wordt teruggewezen naar hetzelfde gerechtshof.
Noot fiscaal jurist inzake doen plegen
Op basis van de historische en recente jurisprudentie kan de belastingadviseur niet worden aangewezen als doen pleger. Wat niet betekent dat de belastingadviseur helemaal niet strafrechtelijk vervolgd kan worden voor het doen van een aangifte voor een ander. Op basis van medeplichtigheid of medeplegen is dit namelijk wel mogelijk. Al moet hier wel worden aangetoond dat er sprake is van opzet vanuit de zijde van de belastingadviseur.
Bronnen doen plegen medepleger
Rechtbank Amsterdam 3 juni 2025, 81.321555.24, ECLI:NL:RBAMS:2025:5921, V-N 2025/41.15.
HR 21 april 1913, NJ 1913, W. 950.
HR 11 september 1990, NJ 1991/276
Rechtbank Den Haag 2 april 2012, LJN BW0994
Gemeenten en de vennootschapsbelasting
De Hoge Raad buigt zich binnenkort over de vraag of gemeenten vennootschapsbelastingplichtig zijn voor activiteiten zoals het verlenen van reclameconcessies en het beheren van hypotheekportefeuilles. De conclusie van de Advocaat-Generaal (d.d. 22 augustus 2025 ECLI:NL:PHR:2025:853) wijst op een bredere uitleg van het ondernemingsbegrip voor overheden. Wat betekent dit voor gemeenten die inkomsten genereren uit commerciële activiteiten?
Fiscale kader vennootschapsbelasting bij gemeenten
Een publiekrechtelijk lichaam, zoals een gemeente, is volgens artikel 2, lid 1, onderdeel g, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) belastingplichtig voor zover het een onderneming drijft. De Hoge Raad heeft in eerdere arresten geoordeeld dat sprake is van het drijven van een onderneming indien cumulatief wordt voldaan aan drie voorwaarden:
- een organisatie van arbeid en kapitaal;
- deelname aan het economische verkeer; en
- een oogmerk om winst te behalen.
Activiteiten die niet verder gaan dan normaal vermogensbeheer vallen buiten de heffing van vennootschapsbelasting.
Is gemeente belastingplichtig over reclameconcessies en bankactiviteiten?
De procedure betreft een gemeente die in 2016 € 293.603 ontving uit het verlenen van reclameconcessies en € 1,15 miljoen aan rente-inkomsten uit een hypotheekportefeuille die aan gemeentepersoneel was verstrekt. De Belastingdienst stelde dat de gemeente met beide activiteiten een onderneming dreef. De rechtbank Gelderland d.d. 19 juli 2022 (ECLI:NL:RBGEL:2022:3670) volgde dat standpunt, maar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 26 november 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:7344 oordeelde dat geen sprake was van ondernemerschap, omdat de activiteiten niet verder gingen dan normaal vermogensbeheer. De staatssecretaris stelde vervolgens beroep in cassatie in.
Conclusie van de Advocaat-Generaal over VPB bij gemeenten
In zijn conclusie van 14 juni 2024 kwam de A-G tot een genuanceerd oordeel.
- Bij de reclameconcessies kan volgens de A-G bij een hoog rendement niet worden gesproken van normaal vermogensbeheer. Het verlenen van concessies en het beheren van de overeenkomsten duiden op een zekere organisatie van arbeid. Hij achtte echter nader onderzoek nodig naar de kapitaalinzet en de aard van de organisatie. In deze casus had de gemeente een ontheffingsovereenkomst gesloten met een private onderneming die hiermee het recht kreeg om reclameuitingen te plaatsen op gemeentelijke eigendommen, dit tegen een vergoeding van € 300.000 per jaar.
- Ten aanzien van de hypotheekportefeuille (totaal € 19 miljoen) stelde de A-G vast dat de gemeente nog steeds een omvangrijke portefeuille beheert en daar substantiële renteinkomsten uit ontvangt (rente € 1.15 miljoen). Dat sinds 2007 geen nieuwe leningen meer zijn verstrekt, achtte hij niet relevant: de activiteit vormt volgens hem een voortzetting van een onderneming. Advies van de AG is dat de Hoge Raad zelf een beslissing gaat nemen.
De A-G sluit aan bij bestaande jurisprudentie die richtinggevend is voor de beoordeling van gemeentelijke activiteiten:
- Hoge Raad 18 november 2016 ECLI:NL:HR:2016:2600 (Gemeente Borsele);
- Hoge Raad 23 april 2010 ECLI:NL:HR:2010:BJ7956 (Windturbine-arrest);
Met name het windturbine-arrest is relevant: de Hoge Raad oordeelde dat geringe arbeid niet in de weg staat aan ondernemerschap wanneer kapitaalinzet en opbrengst omvangrijk zijn.
Noot fiscaal jurist inzake VPB bij gemeenten
Gezien de vaste lijn in de rechtspraak ligt het voor de hand dat de Hoge Raad zelf beslist dat de hypotheekportefeuille een onderneming vormt en de kwestie rond de reclameconcessies terugverwijst naar de feitenrechter. Volgt de feitenrechter de lijn van Hof Amsterdam, dan is de kans groot dat ook de reclameactiviteiten worden aangemerkt als ondernemerschap.
De verwachting is dat de Hoge Raad de conclusie van de A-G grotendeels zal volgen: de hypotheekportefeuille wordt aangemerkt als een onderneming, de reclameconcessies worden terugverwezen voor nader onderzoek. Voor gemeenten betekent dit dat inkomsten uit reclame-exploitatie, erfpacht of andere commerciële activiteiten mogelijk onder de vennootschapsbelasting vallen. Een tijdige inventarisatie van dergelijke activiteiten en beoordeling van het ondernemingskarakter zijn aan te raden.
Jurisprudentie
Conclusie A-G 22-8-2025, ECLI:NL:PHR:2025:853
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 november 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7344
Conclusies van 14 juni 2024, ECLI:NL:PHR:2024:631
Gerechtshof Amsterdam 7 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:360
Wet plan van aanpak witwassen gepubliceerd
Op 24 september 2024 heeft de tweede kamer het wetsvoorstel met betrekking tot de wijziging van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme goedgekeurd. Op 10 juni 2025 heeft ook de eerste kamer deze wet aangenomen.
Huidige Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme
Op dit moment mogen alle aankopen nog contant betaald worden, maar geldt er voor betalingen boven de € 10.000 wel een onderzoeksplicht.
Inhoud wijziging Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme
De Wet plan van aanpak witwassen gaat concreet om een verbod op transacties vanaf € 3.000 in contanten en sluit aan op Europese anti-witwasverordeningen die vanaf medio 2027 gaan gelden. Het verbod moet gaan gelden voor beroeps- of bedrijfsmatige handelaren in goederen. Voor particulieren onderling en voor betalingen van diensten geldt deze limiet dus niet. De ingangsdatum van deze wetswijziging is nog niet bekend. De streefdatum hiervoor was 1 januari 2026, maar of dat ook doorgang vindt onder het demissionaire kabinet is nog even afwachten.
Noot fiscaaljurist inzake witwassen
Het oorspronkelijke wetsvoorstel is vergaand aangepast na diverse moties en een internetconsultatie waaruit ook een wijzigingsbesluit is voortgekomen. Dit voorstel bevatte meerdere maatregelen ter versterking van de integriteit van de financiële sector, dit is niet meegenomen in het uiteindelijke voorstel. De wet is uiteindelijk op 9 oktober 2025 gepubliceerd.
De beperkingen qua het aannemen van contant geld gelden voor handelaren maar niet voor particulieren. Nederland loopt weer redelijk voorop, de Europese grens is € 10.000 en in Nederland is deze € 3.000. Gelukkig zijn er ook landen waar het erger kan (Frankrijk € 1.000). Contant een auto kopen van een particulier zal onder deze wet nog gaan, maar bij een garagebedrijf zal deze contante betaling geweigerd worden. Het is dan toch de vraag of deze wet wel de uitwerking heeft die wordt beoogd.
Bron witwassen
Staatsblad 2025, 262 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen
De vereenvoudigde factuur en Btw
Om in aanmerking te komen voor BTW aftrek mag je tegenwoordig een vereenvoudigde factuur of kassabvon gebruiken als het factuurbedrag niet hoger is dan € 100 en voldoet aan een aantal harde factuur vereisten. In dit artikel een toelichting.
Wanneer mag je gebruik maken van een vereenvoudigde factuur?
Een vereenvoudigde factuur, zeg maar de reguliere kassabon,mag in Nederland en de EU alleen worden gebruikt onder bepaalde voorwaarden. De regels komen uit de EU-BTW-richtlijn (2006/112/EG, art. 220a en 238) en zijn in Nederland uitgewerkt in de Wet op de omzetbelasting 1968 (art. 35a en 35b OB) en het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.
Een vereenvoudigde factuur mag worden uitgereikt wanneer:
- Het factuurbedrag (inclusief BTW) niet hoger is dan € 100;
- Het gaat om een factuur voor correcties (bijvoorbeeld een creditfactuur);
- De Belastingdienst toestemming geeft om vereenvoudigde facturen te gebruiken (bijv. in branches met veel kleine betalingen, zoals horeca of detailhandel).
Wanneer mag je geen vereenvoudigde facdtuur uitreiken?
Dit mag niet indien sprake is van:
- Intracommunautaire leveringen
- Afstandverkopen
- Levering van goederen en diensten in een EU land waar je niet bent gevestigd en waarbij de BTW is verlegd naar de afnemer
- Levering van goederen en diensten in een EU land waar je wel een vaste inrichting hebt maar waarbij deze vaste inrichting niet is betrokken en de BTW is verlegd naar de afnemer
Recht op aftrek bij een vereenvoudigde factuur
Het recht op aftrek van voorbelasting (BTW-teruggave) kan in principe ook worden gebaseerd op een vereenvoudigde factuur, maar dat geldt niet onbeperkt. Een ondernemer mag de BTW op een vereenvoudigde factuur in aftrek brengen als:
De factuur aan de voorwaarden voldoet
- Datum van uitreiking
- Gegevens leverancier (naam + adres)
- Aard van de goederen/diensten
- BTW-bedrag óf gegevens waarmee dit berekend kan worden
De factuur in aanmerking komt voor vereenvoudiging
- Bedrag ≤ € 100 inclusief BTW
- Of het betreft een correctiefactuur (creditfactuur)
- Of er is toestemming van de Belastingdienst om vereenvoudigde facturen te gebruiken
Het gaat om belaste prestaties
De geleverde goederen of diensten moeten daadwerkelijk gebruikt worden voor belaste bedrijfsactiviteiten (zoals bij normale facturen).
Met een vereenvoudigde factuur is aftrekrecht niet toegestaan bij:
- Intracommunautaire leveringen (binnen de EU met 0%-tarief)
- Leveringen/diensten waar de BTW wordt verlegd naar de afnemer
- Export buiten de EU
Voorbeeld vereenvoudigde factuur voor de omzetbelasting
Een ondernemer koopt kantoorartikelen bij een winkel. Hij krijgt een bon van € 80 incl. BTW met de naam van de winkel, datum, omschrijving van de artikelen en het BTW-bedrag.
Tip: Als je de ‘kassabon’ contant hebt betaald bestaat er altijd het risico dat de belastingdienst de aftrek weigert. (Immers je kunt het bonnetje op straat hebben gevonden…) Wij adviseren om altijd met de zakelijke pinpas te betalen!
Toegepast foutief btw-percentage op een vereenvoudigde factuur.
Het Hof van Justitie heeft in haar uitspraak van 01-08-2025 (Finanzamt Österreich (TVA facturée par erreur à des consommateurs finals II) C-794/23) de toepassing verduidelijkt van artikel 203 btw-richtlijn betreffende onjuist gefactureerde btw-bedragen, met een focus op vereenvoudigde facturen en de mogelijkheid van schattingen.
De Oostenrijkse vennootschap P GmbH, exploitant van een binnenspeeltuin, paste in 2019 ten onrechte een btw-tarief van 20% toe op toegangsgelden, terwijl het verlaagde tarief van 13% van toepassing was. P GmbH reikte meer dan 22.000 vereenvoudigde kassabonnen uit, zoals bedoeld in artikel 238 btw-richtlijn. Na correctie van haar btw-aangifte weigerde de belastingdienst de herziening. Een eerdere uitspraak van het HvJ in zaak C-378/21, Finanzamt Österreich, stelde vast dat geen btw verschuldigd is op een onjuiste factuur aan een eindverbruiker zonder recht op aftrek, omdat dan geen gevaar bestaat voor verlies van belastinginkomsten. Met andere woorden; Levert u uitsluitend aan particulieren en heeft u een foutief te hoog btw-percentage toegepast dan heeft u wellicht recht op teruggave van btw.
In deze zaak draaide het om de afbakening wanneer een deel van de klanten wel belastingplichtigen zouden kunnen zijn. Het Bundesfinanzgericht schatte dat voor 0,5% van de omzet belasting verschuldigd was, wat neerkwam op ongeveer 112 van de 22.557 facturen, waarvoor een gevaar voor verlies van belastinginkomsten bestond.
Het Hof van Justitie oordeelt in navolging van de A-G alsvolgt:
1. Belastingschuld bij niet-belastingplichtige
Een btw-plichtige is geen btw verschuldigd op grond van artikel 203 btw-richtlijn voor onjuiste facturen uitgereikt aan een niet-belastingplichtige. Dit geldt zelfs indien hij ook andere onjuiste facturen aan wél belastingplichtigen heeft uitgereikt (waarvoor dan wel btw verschuldigd is). De beoordeling van het gevaar voor verlies van belastinginkomsten moet per specifieke factuur plaatsvinden. De zogenaamde "besmettingsgedachte", waarbij één factuur alle facturen zou "besmetten", is vreemd aan het btw-recht en strijdig met het evenredigheidsbeginsel.
2. Definitie "eindverbruiker zonder recht op aftrek"
Dit begrip omvat uitsluitend een niet-belastingplichtige. Belastingplichtigen die de dienst voor privédoeleinden of voor andere niet-aftrekbare doeleinden gebruiken, vallen niet onder dit begrip. Het gevaar voor verlies van belastinginkomsten bestaat ook in deze gevallen, omdat de belastingdienst moeilijk tijdig kan vaststellen of materieelrechtelijke gronden aan een formele aftrek in de weg staan, zoals eerder is benadrukt in arresten als C‑566/07, Stadeco en C‑642/11, Stroy trans. Artikel 203 legt in zoverre een risicoaansprakelijkheid vast.
3. Criteria voor schatting bij vereenvoudigde facturen
De btw-richtlijn bevat geen specifieke regels over stelplicht en bewijslast. Dit valt onder de procedurele autonomie van de lidstaten, met inachtneming van het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel. Het Unierecht verzet zich niet tegen een schatting door de belastingdienst of nationale rechter om de heffingsgrondslag te bepalen, mits deze in overeenstemming is met de beginselen van fiscale neutraliteit en evenredigheid. Dit is eerder bevestigd in arresten als C‑648/16, Fontana en C‑576/15, Maya Marinova.
De schatting moet nauwkeurig, betrouwbaar en actueel zijn. Relevante criteria zijn de aard van de prestatie en de typische klantenkring. Bij diensten die overwegend aan niet-belastingplichtigen worden verleend (zoals een binnenspeeltuin), moet een voorzichtige schatting worden gemaakt. Ook wie de fout heeft veroorzaakt en de medewerking van de opsteller van de factuur kunnen relevant zijn. De belastingplichtige moet, met inachtneming van zijn recht van verweer, de met deze methode verkregen uitkomst ter discussie kunnen stellen, waarbij het vereiste bewijsniveau niet buitensporig hoog mag zijn. De fiscale neutraliteit wordt gewaarborgd door de mogelijkheid tot correctie wanneer het gevaar voor verlies van belastinginkomsten tijdig en volledig is uitgeschakeld, zoals gesteld in arresten als C‑835/18, Terracult en C‑606/22, Dyrektor Izby Administracji Skarbowej w Bydgoszczy.
Heeft u vragen over uw eigen situatie ten aanzien van het juiste btw percentage of twijfelt u bijvoorbeeld aan uw aftrekrecht? Neem dan gerust eens contact op met een van onze fiscaal juristen.
Projectplan Verhuld Vermogen en vermogen in Dubai
Er is op grond van een WOO besluit interne informatie gepubliceerd over vermogen in Dubai, het Projectlogboek Dubai Leaks, de Projectstukken Dubal Leaks en het Projectplan Verhuld Vermogen. in dit artikel bekijken we of er nog opmerkelijke zaken te vinden zijn.
De afdeling verhuld vermogen bij de belastingdienst richt zich met name op mensen (of beter belastingplichtigen) die inkomen of vermogen proberen te verhullen in het buitenland (of in Nederland).
Dubai Leaks wat is dit eigenlijk
In 2021 is er informatie bekend geworden over vastgoed in Dubai. De afgelopen jaren hebben de Verenigde Arabische Emiraten een behoorlijke aantrekkingskracht op investeerders, dit met name door het fiscale klimaat. Ook nu zien we nog steeds hippe filmpjes op sociale media over vastgoedprojecten in de VAE (waar Dubai een onderdeel van is). Dubai heeft ook wel een beetje het imago van witwas praktijk via vastgoed of onzichtbaar vermogen. Of dit terecht is laten we even in het midden. Dubai is voor sommige mensen echter wel de opvolger van het Zwitserland en Liechtenstein. Uit een uitgelekt bestand van het kadaster in Dubai is duidelijk geworden dat ruim 1.000 nederlanders vastgoed in Dubai bezitten. Dit is via het Amerikaanse Center for Advanced Defense Studies bekend geworden bij de Nederlandse Belastingdienst. De groene amsterdammer heeft met journalisten van dagblad Trouw deze lijst onderzocht.
Veel Nederlanders kregen de afgelopen jaren een vragenbrief van hetteam Verhuld vermogen van de Belastingdienst. De vragen moeten worden beantwoord (artikel 47 AWR) edoch het moeten wel fiscaal relevante vragen zijn en geen fishing expedition (lukraak vragen stellen in algemene zin). Het kan zijn dat de belastingdienst daarna (navorderings) aanslagen gaat opleggen, bij een groot belastingnadeel kan het dossier ook worden overgedragen aan hetopenbaar ministerie (strafvervolging). Het is echter wel zo dat vastgoed is belast in Dubai (belastingverdrag), dus vaak zal het gaan om de herkomst van het geld. Over Dubai Leaks kunt u hier ook een heldere podcast luisteren. Al met al heeft dit een uitgebreid onderzoek opgeleverd, enige informatie hierover is nu bekend geworden. Eind 2025 zal dit onderzoek worden afgerond en komen de echte resultaten.
Hoe werkt het team Verhuld Vermogen van de Belastingdienst
Sinds 2000 is er binnen de belastingdienst een groep mensen die werkten op de afdeling "vermogen in het buitenland". Belastingplichtigen die via een buitenlandse bankrekening of mogelijke offshore-constructies – denk aan een lege bv op de Kaaimaneilanden, Zwitserland of Dubai – hun vermogen buiten ons zichtveld wilden houden, werden opgespoord en konden via een inkeerregeling alsnog aan hun belastingplicht voldoen. Door de zogenaamde panama papers (2015) is dit belang alleen maar groter geworden. Verspreid over diverse vestigingen werkten 250 mensen fulltime aan dit specialistische onderdeel binnen de belastingdienst. Omdat wij op kantoor veel inkeerders begeleiden hebben wij zeer regelmatig contact met deze afdeling. De grootste uitdaging voor deze afdeling is het verzamelen, combineren, analyseren en interpreteren van veel data die soms via informatieuitwisseling of gestolen data spontaan bij de Belastingdienst binnenkomt. De belastingdienst maakt gebruikt van:
- internationale samenwerkingen en gegevensuitwisseling
- datapakketten en AI
- klokkenluiders
- onderzoeksdata (zoals dubai leaks en de panama papers)
- meldingen bij de FIU
- crypto platformen
Via artikel 47 van de AWR kunnen vervolgens brieven worden verstuurd aan belastingplichtigen met formele informatieverzoeken. Bij onvoldoende medewerking zal een nog formelere informatiebeschikking worden ingezet, de omgekeerde bewijslast ingezet en bij structurele wiegering kan het dossier worden overgedragen aan de fiod of naar het specialistenteam weigeraars.
Sinds de oprichting is er ruim 5 miljard aan aanslagen opgelegd. In een WOO verzoek (Memo voortvarendheid bij projectmatige aanpak programma verhuld vermogen) wordt een inkijkje gegeven in het proces.
Mensen die hun vermogen nog willen melden kunnen gebruik maken van de inkeerregeling.
Verhuld vermogen in Nederland
Het project Dubai Leaks (projectcode 1392) valt onder het programma van het team Verhuld Vermogen. De samenleving loopt belastingheffing mis, dit moet dit team zoveel mogelijk beperken. Er zijn diverse projecten geweest die meestal zijn ontstaan doordat er informatie in gelekt vanuit een land, een bank of via een andere route. Mede door de internationale gegevensuitwisseling komt dit proces nu redelijk op stoom. Vanaf 2026 komt hier ook nog de bitcoin bij.
Vanaf augustus 2021 tot en met april 2022 is een kleine groep medewerkers bij de Belastingdienst bezig geweest met een grove analyse van het bestand waarbij de nadruk lag op identificering van de genoemde personen, de grootte en zwaarte van de problematiek en de mogelijke Nederlandse fiscale belangen. Uit deze analyse bleek dat er voldoende redenen waren om de signalen van deze leak op te pakken. In de onderzochte gevallen was het bezit van onroerend goed niet in de aangiften Inkomstenbelasting vermeld en/of blijken uit de ingediende aangiften geen of onvoldoende middelen om het onroerend goed te kunnen verwerven. In 2023 ontving de belastingdienst nadere informatie en vanaf dat moment kwam het onderzoek pas echt op stoom.
Uitgangspunt voor het project is de constatering dat een aantal personen die in Nederland wonen of in Nederland hebben gewoond onroerend goed in Dubai bezit, waarbij dit bezit niet blijkt uit de ingediende aangiften inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting of erf- en schenkbelasting. Dit lijkt te veronderstellen dat deze belastingplichtigen geen juiste en/of volledige aangiften hebben ingediend.
Om hoeveel personen (van de 1.000) is niet duidelijk, dit is weggelakt in de WOO informatie.
Noot fiscaal jurist inzake verhuld vermogen en inkeerregeling
Crypovaluta behoren inmiddels tot de top thema's binnen het programma verhuld vermogen van de belastingdienst. Er zijn al speciale team gevormd die zich specifiek op deze doelgroep richten. Vanaf 2026 komt er een stroom van informatie opgang omdat crypto platformen en aanbieders informatie moeten delen met de Belastingdienst. Er is voor ruim 5 miljard aan aanslagen opgelegd maar dit is dan ook in een periode van ruim 20 jaar. Gemiddeld wordt er ruim 100 - 200 miljoen per jaar "opgehaald". Dossiers liggen op dit moment wat langer stil bij de belastingdienst (mag niet te lang omdat er discussie kan ontstaan over de voortvarendheid, zie dit interne document over de voortvarendheid bij projectmatige aanpak door de belastingdienst). De werkwijze van het team volgt redelijk duidelijk uit dit interne document van de belastingdienst.
Het is wel belangrijk om te melden dat vermogen in het buitenland veel voorkomt en niet a priori als belasting ontwijking is aan te merken. Vastgoed in het buitenland mag immers alleen in het buitenland worden belast (in de meeste gevallen) en een buitenlandse deelneming is niet meer dan een vestigingen in het buitenland. Ook is het nu nog steeds de vraag of over crypto 5 jaar of 12 jaar mag worden geheven. Natuurlijk zal de belastingdienst zich verheugen op de EU richtlijn die vanaf 2026 platformen verplicht om spontaan informatie over klanten te gaan verstrekken. De komende jaren zal er ook aandacht worden besteed aan verhulde kunst, hierbij moet worden aangetekend dat kunst is belast in box 3 en de dat " kunt voor persoonlijke doeleinden " is vrijgesteld in box 3 (bewijslast bij de Belastingdienst). Ook is er meer en meer aandacht voor vermogen binnen familiestichtingen, veelal is dit vermogen echter redelijk volledig bekend.
Wij begeleiden regelmatig belastingplichtigen bij de zogenaamde inkeerregeling. Deze is bedoeld voor belastingplichtigen die in het verleden onjuist of onvolledig aangifte hebben gedaan over hun box 1, 2 of 3 vermogen (of binnen hun bedrijf). Bij een dergelijk traject inventariseren wij
- in eerst aanleg alle relevante feiten;
- bekijken of de client nog niet benaderd is door de belastingdienst;
- wie over het vermogen mag heffen;
- of de 5 of 12 jaars termijn van toepassing en tenslotte;
- wat de herkomst van het vermogen is.
In navolging stellen wij een inkeerverzoek op en maken een berekening van de verschuldigde belastingen, rente en mogelijke boetes. Na de inkeermelding ontvangen wij een ontvangstbevestiging en veelal volgt dan een vragenbrief waarbij alle informatie omtrent het inkomen en vermogen (en verloop van dit vermogen) aan de belastingdienst moet worden verstrekt. In sommige gevallen sturen wij deze informatie direct bij het verzoek. Meestal wordt er een boete opgelegd (soms ook niet). In dit artikel gaan wij nader in op de boete bij de inkeerregeling. Soms moet er een procedure worden gevoerd over de boete, steeds vaker wordt deze door rechters lager vastgesteld. De gewijzigde inkomensgegevens worden vervolgens door de Belastingdienst doorgegeven aan de dienst toeslagen, het CAK en DUO. Het kan dus zijn dat er naast aanslagen ook nog andere correcties zullen volgen.
Wilt u advies of hulp bij inkeren? Stuur ons gerust een e-mail of neem telefonisch contact met ons op.
Bronnen verhuld vermogen
Memo voortvarendheid bij projectmatige aanpak programma verhuld vermogen
Grove schuld en boete bij vastgoed ontwikkelaar
Doet u opzettelijk geen aangifte of een onjuiste of onvolledige aangifte, dan krijgt u van de Belastingdienst een vergrijpboete opgelegd, tenminste hiertoe kan de inspecteur besluiten. De Belastingdienst mag alleen ene vergrijpboete opleggen als aantoonbaar sprake is van opzet (willens en wetens handelen) of grove schuld (voorwaardelijke opzet, willen staat centraal, lichtvaardig of slordig handelen). Bij bepaalde boetes is zelfs grove schuld niet voldoende, opzet lijkt de ondergrens (bij een vergrijpboete). Boete is bij grove schuld meestal lager dan bij voorwaardelijke opzet. De belastingdienst moet dus overtuigend aantonen (doen blijken) dat sprake is van grove schuld of opzet omdat de waarborgen van het EVRM (Europees verdrag voor de rechten van de mens) ook meespelen. De belastingplichtige moet dus weten dat hij iets fout deed (en bewust). In dit artikel behandelen we een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1169)
Hoge Raad verduidelijkt wanneer belastingboetes terecht zijn
Een vastgoedbedrijf, X N.V., dat gebouwen beheert en verhuurt, kreeg in 2018 een controle van de Belastingdienst over de btw-aangiften van 2015 en 2016. Daarbij bleek dat het bedrijf ten onrechte btw had teruggevraagd over kosten die eigenlijk alleen met btw-vrije verhuur te maken hadden. In zulke gevallen mag je de btw niet aftrekken. De Belastingdienst legde daarom een naheffingsaanslag en twee boetes op.
- De eerste boete (artikel 67f AWR) was omdat te weinig btw was betaald.
- De tweede boete (artikel 10a AWR, in combinatie met artikel 15a van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968), omdat het bedrijf dit niet zelf had gemeld via een zogenaamde suppletie.
Volgens de Belastingdienst kwam dit door grove schuld van het bedrijf; Ze hadden moeten weten dat de btw aftrek niet is toegestaan en hadden actie moeten ondernemen om dit te corrigeren.
De vraag voor Gerechtshof Den Haag was of de twee vergrijpboeten terecht waren opgelegd, en dan met name of er sprake was van grove schuld bij X. Het Hof stelde voorop dat grove schuld betekent dat de belastingplichtige een “in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid” kan worden verweten. De belastingplichtige had redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn handelen tot gevolg kon hebben dat te weinig btw zou worden geheven of betaald.
Het Hof stelt wel dat de Belastingdienst een zware bewijslast heeft en op basis van feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel moet aantonen dat aan de vereisten voor grove schuld is voldaan, zie ook de uitspraak van de Hoge Raad van 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.
Het Gerechtshof in Den Haag gaf de Belastingdienst gelijk. Het Hof vond dat van een professioneel vastgoedbedrijf mag worden verwacht dat het zijn administratie goed op orde heeft t.a.v. de 67f AWR boete. Omdat dat niet het geval was, vond het Hof dat het bedrijf "grof nalatig" was geweest, bijna alsof het expres was gedaan. Ook voor de artikel 10a AWR boete concludeerde het Hof tot grove schuld. De ervaren vastgoedexploitant had moeten beseffen dat de voorbelasting niet in aftrek mocht worden gebracht en dat zij ruim de tijd had gehad om suppleties in te dienen.
Het bedrijf ging in cassatie bij de Hoge Raad. X stelde dat de Belastingdienst alleen maar aannames deed en geen harde bewijzen had. De Hoge Raad verwierp deze klacht. Volgens de Hoge Raad ECLI:NL:HR:2025:1169:
- Is het wél toegestaan om bepaalde aannames te gebruiken, zolang die logisch zijn en gebaseerd op de feiten.
- Was het terecht dat het Hof stelde dat een ervaren vastgoedbedrijf als X N.V. had moeten weten dat de btw niet aftrekbaar was bij vrijgestelde verhuur.
- Was de redenering van het Hof juridisch juist en goed onderbouwd.
Noot fiscaal jurist inzake vergrijpboete
De boetes blijven staan, en de Hoge Raad heeft duidelijk gemaakt wanneer sprake is van grove schuld bij belastingzaken, vooral bij ervaren bedrijven. In een eerdere uitspraak van de Hoge Raad van 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526 is duidelijk aangegeven dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten elke redelijke twijfel zijn komen vast te staan (doen blijken / overtuigend aantonen).
Het bewijsrecht regelt door middel van de bewijslastverdeling wie het bewijs moet leveren, of beter gezegd: wie het bewijsrisico draagt. Het bewijsrecht regelt verder welke bewijsmiddelen zijn toegelaten en de mate van zekerheid die is vereist voordat een feit als vaststaand kan worden aangemerkt (de bewijsmaatstaf).
Vaak is er discussie over een vergrijpboete en steeds vaker ontbreekt het bewijs en/of is het dossier niet op orde en/of wordt een vergrijpboete al tijdens het boekenonderzoek aangekondigd (zonder te wijzen op cautie). Dit is een aandachtspunt binnen de formeel fiscale rechtsorde.
Bron vergrijpboete bij vastgoedbedrijf
Gerechtshof Den Haag 30 november 2023: ECLI:NL:GHDHA:2023:2354
Meer controles door de Belastingdienst op zakelijke kosten
De belastingdienst controleer in 2025 en jaren erna extra op de zakelijkheid van aftrekposten van ondernemers en DGA's (meestal van eenmans BV's).
Bent u zelfstandig ondernemer of DGA van uw BV? Dan is dit artikel iets voor u, wij merken namelijk dat sinds dit jaar er meer controles van de belatingdienst zijn op zakelijke kosten. Dit is in 2025 ook zo aangekondigd door de Belastingdienst en wij merken dat dit vlot wordt opgepakt. Deze intensievere controles - waarbij ook de auto van de zaak en onkostenvergoedingen worden meegenomen - worden vlot en via data analyse uitgevoerd.
Waarom de belastingdienst extra gaat controleren in 2025
De Belastingdienst heeft vastgesteld dat veel kleinere ondernemers, ZZPers en DGA's (met 1 persoons BV) bepaalde prive kosten of kosten met een prive en zakelijk karakter als zakelijke kosten ten laste van de winst brengen. De belastingdienst wil dit corrigeren zodat dit minder vaak voorkomt en om hiermee een eerlijker belastingklimaat in Nederland te creeren. Tevens moeten fiscale regels correct worden nageleefd en zijn het aantal boekenonderzoeken in het verleden te beperkt geweest. De nadruk van de onderzoeken ligt dus bij kleinere ondernemingen, holding BV's en DGA bedrijven.
Op deze uitgaven wordt extra scherp gelet door de belastingdienst
De Belastingdienst richt zich voornamelijk op kosten die in de grijze zone tussen zakelijk en privé vallen. Enkele voorbeelden hiervan zijn:
- Sport- en streamingabonnementen
- Kosten voor onderhoud van de privéwoning
- Vakantiereizen die als zakenreis worden opgevoerd
- Dure etentjes zonder duidelijke zakelijke relatie
Hoe gaat de belastingdienst de DGA en ondernemer controleren?
De meeste controles beginnen via een gerichte vragenbrief waarop een gesprek en verkort boekenonderzoek volgt. Tevens wordt voordien een digitaal bestand van de administratie opgevraagd. Voor de selectie wordt bij de Belastingdienst gebruik gemaakt van data analyse en/of afwijkende patronen in aangiftes. De zogenaamde "pakkans" wordt hiermee vergroot en tevens kan met minder inzet van controleurs worden gewerkt (dus meer boekenonderzoeken met minder mensen).
De gevolgen van onjuiste aftrekposten bij ondernemers en DGA
De belastingdienst zal op grond van de vragenbrief en het digitale bestand van uw administratie de mogelijke gemengde kosten in beeld brengen en vragen om een toelichting. De volgens hiervan zijn de volgende;
- Fiscale correcties (meer inkomstenbelasting / vennootschapsbelasting)
- Uitdeling aan de DGA (box 2 heffing)
- Correctie omzetbelasting
- Boetes (bij opzet / grove schuld tussen de 50% - 100%) van het belastingbedrag
- Bijkomend nadeel : belastingrente
Advies voor ondernemers en DGA's bij boekenonderzoek naar onzakelijke kosten
Het belangrijkste advies voor ondernemers omtrent de zakelijkheid van de kosten binnen een onderneming zijn de volgende:
- Zakelijke en prive uitgaven aan de voorkant scheiden, dus geen prive kosten via de onderneming of BV betalen
- Zakelijke creditcard / pinpas is de basis voor kosten, via deze rekening altijd zakelijke kosten
- Noteer korte toelichting op de factuur met reden zakelijk belang (en eventueel naam leverancier of klant)
- Bewaar bonnen en facturen altijd bij uw administratie (eventueel met email bevestigingen)
- Label kosten op juiste wijze binnen uw administratie op aparte grootboekkaarten (zoals reclame, representatie, relatiegeschenken, etc.)
- Let op het drempelbedrag van € 5.700 voor beperkt aftrekbare kosten
- Check - met uw boekhouder - eens per kwartaal de zakelijkheid van gemaakte kosten
- Laat een externe partij eens per 2 jaar een steekproef uitvoeren naar de fiscale mogelijkheden en risico's. De brengt kosten met zich mee maar kan ook voordelen opleveren (bijvoorbeeld via een fiscale APK)
Welke kosten zijn niet aftrekbaar?
Bepaalde kosten zijn nooit aftrekbaar, hierover is wel het een en ander onduidelijk. De belangrijkste voorbeelden uit de praktijk zijn:
- Sportschool;
- Energiekosten in privé woning ;
- Brandstof privé auto;
- Ziektekosten;
- Kleding (tenzij werkkleding die aan voorwaarden voldoet) ;
- Massage;
- Persoonlijke verzorging.
Wat zijn gemengde kosten?
‘Gemengde kosten’ is een fiscale benaming voor kosten die naast een zakelijk ook een privé-element bevatten. Vanwege dit privé-element zijn deze kosten deels niet aftrekbaar van de winst. Onder gemengde kosten vallen onder andere de kosten van voedsel, drank en genotsmiddelen, de kosten van representatie inclusief recepties, feestelijke bijeenkomsten en vermaak en de kosten van congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke.
In plaats van het vaste bedrag, kunt u als ondernemer ook kiezen om een wettelijk vastgesteld percentage niet in aftrek te brengen. De aftrek van deze kosten is in beginsel beperkt tot 80% voor ondernemers in de inkomstenbelasting (20% aftrekbeperking) en tot 73,5% voor ondernemingen in de vennootschapsbelasting (26,5% aftrekbeperking), zoals bv’s en nv's. Waarom dit verschil is aangebracht blijft een beetje onduidelijk.
Een ondernemer voor de inkomstenbelasting die in een belastingjaar meer aan gemengde kosten uitgeeft dan € 28.000 kan het beste kiezen voor het vaste bedrag, meestal is de 20% voordeliger. Bij de BV ligt deze grens op zo'n € 21.000. Let op dat ook bepaalde kosten die aan werknemers worden vergoed onder de gemengde kostenregeling kunnen vallen (tenzij deze worden aangemerkt als eindheffingsbestanddeel).
Noot fiscaal jurist over boekenonderzoek naar zakelijke kosten bij ondernemer of DGA
De basis voor zakelijke kosten of niet is te vinden bij het het zogenaamde cessna arrest uit 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AB2852), dit ging over een tandartsenpraktijk met een vestiging in Italie waarbij de artsen via een vliegtuig hun woonwerk verkeer hebben ingevuld. De redelijke (reële) kosten waren aftrekbaar (de zeer hoge kosten niet).
Voor de aftrekbaarheid is bepalend dat kosten voor de onderneming zijn gemaakt (afgezet tegen privé belangen en interesses). Dat de kosten hoog zijn, maakt in beginsel niet uit, edoch dit kan wel een onzakelijkheid doen vermoeden. Dit speelde bij een uitspraak van de Hoge Raad d.d.14 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AB2865 die ging het om een uitzendbureau wiens directeur liefhebber was van de paardensport zie ook Gerechtshof Amsterdam d.d. 1 april 2010 ECLI:NL:GHAMS:2010:BM1083. Deel van de kosten was aftrekbaar omdat de kosten ook betrekking hadden op bevrediging van persoonlijke behoeften van de DGA. Een kantoor luxe inrichten mag dan weer wel.
Een chiropractor met een zoon die graag deelnam aan de kartingsport mocht slechts 25% van de kosten aftrekken van de winst, aldus de rechtbank Arnhem d.d. 7 december 2007 ECLI:NL:RBARN:2005:AU9668. Bij deze uitspraak ging het wel mis en waren zeer beperkt kosten van de kartingsport aftrekbaar (Hoge Raad d.d. 11 mei 2012 ECLI:NL:HR:2012:BW5363). Een DGA met heel veel exclusief auto's ter belegging mocht niet alle kosten aftrekken van de winst (Hoge Raad d.d. 18 april 2008 ECLI:NL:HR:2008:BC9548).
De hoofdregel is dat de aftrekbeperking geldt voor een vast bedrag per jaar (2025 € 5.700), deze drempel mag niet tijdsevendig worden toegepast (zie besluit uit 2020) . De ondernemer mag ervoor kiezen om 20% van de totale gemengde kosten niet ten laste van de winst te brengen, dit is dus even rekenen.
De Hoge Raad schiet de ondernemer ook wel eens tegemoet. Een ondernemer heeft een eenmanszaak en woont met zijn gezin in Limburg. Hij werkt in 2014 en 2015 in Amsterdam en Tilburg en huurt hier ook tijdelijk woonruimte. Zijn kosten voor het ontbijt, lunch en diner trekt hij af van de winst, rekening houdende met de beperking (in dat jaar was 73,5% aftrekbaar). Het Gerechtshof is van mening dat de eigen verteerkosten geen ondernemingskosten zijn, dit omdat deze een overheersend prive karakter hebben. De Hoge Raad komt op 18 oktober 2024 tot een andere uitspraak (ECLI:NL:HR:2024:1472). De verteerkosten hangen samen met het zakelijke verblijf in andere plaatsen, deze zijn in beginsel gericht op de zakelijke belangen van de onderneming. Dit zou anders kunnen zijn als de kosten uitsluitend een privé karakter hebben of in de privé sfeer hun oorsprong vinden. De enkele omstandigheid dat kosten van maaltijden buiten de deur hoger zijn dan die van maaltijden die thuis worden bereid en genuttigd, brengt niet mee dat de aanleiding voor het belopen van die kosten uitsluitend in de privésfeer is gelegen, het zijn immers gemengde kosten. Er is ook geen sprake van bevrediging van persoonlijke behoeften van Henk. De kosten (ruim € 7.000) zijn gewoon aftrekbaar (voor 73,5%). Bij een wanverhouding tussen gemaakte kosten en het nut kan de inspecteur stellen dat een deel van de kosten niet aftrekbaar is (de redelijk denkende ondernemer). Van een dergelijke wanverhouding was in 2009 geen sprake toen een tandarts € 60.000 had uitgegeven aan een opleiding om zich persoonlijk en zakelijk beter te ontwikkelen als tandarts.
Wordt er bij u een boekenonderzoek aangekondigd of krijgt u een vragenbrief, schakel direct een deskundige in en ga niet zelf in overleg met de belastingdienst (ook als u denkt "ik doe niks fout".. want dit denken vele (of bijna alle) ondernemers en DGA's. Stuur gerust een e-mail voor vooroverleg of een checklist "wat moet ik doen bij een boekenonderzoek en wat niet".
Daytrading: toch geen onderneming? Belangrijke uitspraak voor actieve beleggers
Ben jij actief op de beurs, bijvoorbeeld via daytrading of een samenwerking met een broker? Dan is deze uitspraak van de rechtbank Noord-Holland op 17 oktober 2024 (ECLI:NL:RBNHO:2024:14105, zaaknummers HAA 22/1302 en HAA 22/1303) verplichte kost. De rechtbank vernietigt de aanslag inkomstenbelasting, omdat het behaalde voordeel uit daghandel niet als winst uit onderneming kwalificeert, maar als inkomen in box 3.
Nieuws: Crypto vanaf 1 janauri 2026 automatisch in uw aangifte inkomstenbelasting. Crypto aanbieders zijn vanaf dat moment verplicht om gegevens uit te wisselen met de belastingdienst. Het wetsvoorstel (link) hierover is in juli 2025 naar de tweede kamer gestuurd. Eerste rapportage is dan op 31 januari 2027 (over 2026).
Is daytrader in beleggingen een ondernemer of niet ?
Een belastingplichtige handelde op professionele wijze in effecten via een samenwerkingsconstructie met een broker. Hij behaalde forse winsten (in 2023 zelfs ruim € 500.000) en deed dagelijks meer dan 100 transacties. De belastingplichtige was hier de gehele dag druk mee, eigenlijk was dit zijn enige "baan". De Belastingdienst oordeelde dat sprake was van een onderneming. Maar de rechtbank draaide dat terug: er was geen sprake van een objectieve voordeelsverwachting.
Het voordeel was speculatief van aard – en dus belast in box 3, dit eigenlijk redelijk in lijn met een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 9 september 2011 ECLI:NL:HR:2011:BQ2071, edoch hier waren de resultaten negatief.
Ondanks het feit dat sprake was van intensieve daghandel met professionele tools is geen sprake van winst uit onderneming, tenzij de handelaar een systematische kennisvoorsprong of beïnvloedingsmogelijkheid heeft.
De kwalificatie box 1 of box 3 scheelt veel geld. In box 1 betaal je tot 49,5% belasting, in box 3 is het tarief (nog) substantieel lager.
De rechtbank stelde vast:
- Het voordeel kwam voort uit koersbewegingen die niet te voorspellen zijn.
- De handelaar had geen bewezen kennisvoorsprong of beïnvloedingsmogelijkheid.
- De samenwerking met een broker en het gebruik van Bloomberg/Reuters boden geen objectief voordeel.
- Andere handelaren in vergelijkbare structuren boekten ook forse verliezen.
- Objectief naar maatschappelijke opvattingen gezien was het behaalde voordeel niet redelijkerwijs te verwachten.”*
Deze uitspraak bouwt voort op een bekende lijn in de rechtspraak, zoals in HR 9 september 2011 ECLI:NL:HR:2011:BQ2071: voordeel moet objectief voorzienbaar zijn, anders is sprake van speculatie.
In een uitspraak van de Rechtbank Noord Nederland d.d. 4 april 2024 (ECLI:NL:RBNNE:2024:1216) kwam de rechtbank nog tot de conclusie dat bij actieve handel in crypto sprake was van box 1 inkomen (artikel)
Was was de mening van de belastingdienst inzake een daytrader?
In een brief van 21 januari 2014 bevestigde de inspecteur nog dat een vergelijkbare samenwerking met dezelfde broker in box 3 viel. Pas in 2017 trok de Belastingdienst dit standpunt eenzijdig in – ten onrechte, zo blijkt nu.
Noot fiscaal jurist inzake handel in crypto of beleggingen
Ben je actief op de beurs? Dan is het van groot belang dat jouw fiscale positie correct wordt beoordeeld. Wordt jouw winst ten onrechte belast in box 1? Heb je ooit met de Belastingdienst gecorrespondeerd over je status als belegger of ondernemer? Dan kan het lonen om eerdere jaren te heropenen of bezwaar te maken. Heb je vergelijkbare samenwerkingen met brokers of platforms? Of betaal je belasting over handelswinst in box 1? Neem gerust contact op met één van onze specialisten.
Bij handel via een eigen trading bot was het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden van mening dat dit moest worden onderbracht in box 3 (artikel)
Bij Jongbloed Fiscaal Juristen combineren we jarenlange ervaring in belastingprocedures met diepgaande kennis van de effectenhandel, crypto en alternatieve beleggingen. Onze aanpak is strategisch, juridisch onderbouwd en altijd gericht op resultaat. Wij hebben ervaring met:
- Bezwaarschriften en beroepsprocedures over box 1 vs. box 3
- Heropenen van oude jaren en verzoeken ambtshalve vermindering
- Strategie voor daytraders, crypto-ondernemers en vermogensbeheerders
Vergrijpboetes en de bewijslast van de inspecteur: wanneer is het echt opzet of grove schuld?
Het Nederlandse belastingrecht kent een krachtig handhavingsinstrument: de vergrijpboete. Deze boete kan bijvoorbeeld worden opgelegd wanneer een belastingplichtige opzettelijk of grofschuldig een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan. Maar hoever moet de Belastingdienst gaan om deze opzet of grove schuld aan te tonen? En volstaat een kasopstelling als bewijsgrond? In dit artikelen behandelen wij de vergrijpboete en enkele uitspraken van rechters, ondermeer de uitspraak van het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 26 februari 2025 ECLI:NL:GHSHE:2025:523 waarin opzet/ grove schuld door de inspecteur niet overtuigend is aangetoond/
Wat is een vergrijpboete?
Een vergrijpboete t.a.v. van een onjuiste aangifte is geregeld de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Artikel 67e AWR bepaalt dat een inspecteur een vergrijpboete kan opleggen indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten is dat te weinig belasting is geheven.
De basis voor het opleggen van de vergrijpboete is de wettelijke bepaling. Daarnaast is er beleid geformuleerd in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB). In dit besluit is bepaald dat de hoogte van de boete varieert afhankelijk van de ernst van het vergrijp. Voor inkomsten in box 1 is het volgende daarover opgenomen:
- Bij grove schuld kan een boete van maximaal 25% worden opgelegd;
- Bij (voorwaardelijke) opzet loopt dit op tot maximaal 50%;
- Bij recidive kan dit zelfs oplopen tot 100%.
Streep door vergrijpboete ex bestuurder voetbalclub
Als bestuurder een vergrijpboete aan je broek krijgen? Dan staat niet alleen je portemonnee onder druk, maar ook je reputatie. De fiscus legt ze soms voortvarend op, maar gelukkig kijkt de rechter kritischer. In een procedure bij de Rechtbank Gelderland d.d. 5 juni 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:4322) oordeelde de rechter dat een ex-bestuurder van een voetbalclub ten onrechte als feitelijk leidinggever werd aangemerkt. Hoewel hij ooit betrokken was bij een spelerstransfer, was zijn rol bij de latere afwikkeling onvoldoende concreet. De rechtbank herhaalt: bestuurder zijn is niet hetzelfde als leiding geven aan een strafbaar feit. En voor een boete moet de Belastingdienst het bewijs keihard rond hebben. Omdat die bewijslast zwaarder is dan bij de belastingheffing zelf, sneuvelde de boete. De uitspraak is een reminder: wie als adviseur scherp blijft op bewijs en betrokkenheid, kan veel ellende besparen.
Voor een helder overzicht van de stappen die de belastingdienst moet doorlopen verwijzen wij u naar een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 26 april 2016 ECLI:NL:HR:2016:733.
Geduld is vereist, maar rechtvaardigheid duurt soms gewoon even. Belangrijk is dat de belastingdienst met overtuigend aangetoond bewijs komt met concrete gedragingen door de feitelijk leidinggevende.
Hierbij spelen voor een vergriipboete een aantal zaken:
- Feitelijk leiding geven: dit moet concreet worden onderbouwd (zie Hoge Raad d.d. 16 december 1986 ECLI:NL:HR:1986:AC9607) , dit speelde bij de Slavenburg bank, de zogenoemde slavenburg jurisprudentie.
- Is de verboden gedraging door de BV (of rechtspersoon) verricht, zie Drijfmest arrest van de Hoge Raad d.d. 21 oktober 2003 ECLI:NL:HR:2003:AF7938
- Wordt het geheel (opzet of grove schuld) voldoende overtuigend aangetoond (zie Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Al met al moet het volgende worden beoordeeld:
- Kan de (strafbare) gedraging worden toegerekend aan belastingplichtige ( de rechtspersoon)
- Is er hierbij sprake van opzet bij deze strafbare gedraging
- Heeft de persoon (bestuurder) zich gedragen als actief (of passief) feitelijk leidinggevende van dit (strafbare) feit
- Is dit gedrag opzettelijk uitgevoerd door de feitelijk bestuurder/ leidinggevende.
- Heeft de belastingdienst voldoende overtuigend aangetoond dat sprake
is van opzet of grove schuld (zie
Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Vergrijpboete ter discussie stellen
De vergrijpboete wordt soms iets te vlot door een inspecteur opgelegd. Deze kan om verschillende redenen worden verminderd of tot nihil worden bijgesteld (door de rechter). De belangrijkste oorzaken uit de rechtspraak zijn:
- Procedure loopt te lang (overschrijding van de redelijke termijn), zie Hoge Raad d.d. 6 september 2024 ECLI:NL:HR:2024:1132 of Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 23 juli 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:4871
- Vergrijpboete voor hetzelfde feit bij verschillende belastingtypen
- Vergrijpboete wordt niet overtuigend via feitelijk bewijs aannemelijk gemaakt, derhalve geen (of beperkt) sprake van opzet of grove schuld (uitgebreide toelichting in mening AG op 4 april 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:410)
- Ontbreken van voldoende bewijs voor opzet of grove schuld, Gerechtshof Amsterdam d.d. 15 november 2022 ECLI:NL:GHAMS:2022:3728
- De grondslagen en/of omstandigheden zijn anders of niet juist voorgesteld, zie Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 14 mei 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:3357
- De boete moet wel in balans zijn, de noodzaak van een juiste kwalificatie van het vergrijp en de evenredigheid van de opgelegde boete, zie hiertoe mening AG op 5 juli 2024 ECLI:NL:PHR:2024:736
- Beboeting wordt niet tijdig medegedeeld, schending verdedigingsbeginsel (kennisgeving boete (met motivering) is later gedagtekend dan de boetebeschikking. Zie hiertoe bijvoorbeeld Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 7 mei 2025 ECLI:NL:RBZWB:2025:2724.
De verzwaarde bewijslast voor de Belastingdienst bij een vergrijpboete
Voor het opleggen van een vergrijpboete rust een verzwaarde bewijslast op de inspecteur. De Belastingdienst moet concreet en overtuigend bewijzen dat er sprake is van opzet of grove schuld. De enkele aanwezigheid van een onjuiste aangifte is onvoldoende.
De Hoge Raad heeft dit nogmaals bevestigd in het arrest van 8 april 2022 (ECLI:NL:HR:2022:526). Hierin oordeelde de Hoge Raad dat een vergrijpboete slechts kan worden opgelegd indien overtuigend is bewezen dat de belastingplichtige zelf opzettelijk of grof schuldig heeft gehandeld. Als dit niet met voldoende precisie kan worden vastgesteld – bijvoorbeeld wanneer sprake is van een gezamenlijke huishouding of onderneming - mag geen boete worden opgelegd, ook niet aan slechts één van hen zonder duidelijk aanwijsbare individuele verantwoordelijkheid. Een vergelijkbare situatie komt ook aan de orde bij de Hoge Raad d.d. 3 februari 2023 ECLI:NL:HR:2023:97
De kasopstelling: hulpmiddel of bewijs?
Een veelgebruikt instrument in fiscale onderzoeken is de zogeheten kasopstelling. Hiermee probeert de Belastingdienst door middel van een administratieve reconstructie inzicht te krijgen in de geldstromen van een belastingplichtige, waarbij een negatief kassaldo een indicatie zou kunnen zijn voor niet-aangegeven inkomsten.
Hoewel kasopstellingen vaak leiden tot correcties in de belastingaanslag, is hun bewijswaarde voor het opleggen van een boete beperkt. Een kasopstelling wijst op een financieel tekort, maar zegt weinig over de herkomst van gelden, de betrokkenheid van de belastingplichtige, of diens intentie.
In meerdere uitspraken is geoordeeld dat de kasopstelling geen voldoende zelfstandig bewijs vormt voor het opleggen van een vergrijpboete. Zeker wanneer de inspecteur niet kan aanwijzen wie precies verantwoordelijk is voor de contante uitgaven of onverklaarde inkomsten binnen een huishouden of onderneming, faalt de bewijslast.
Individuele toerekening: wie heeft 'het gedaan'?
Een belangrijk aspect bij het vaststellen van opzet of grove schuld is dat deze moet worden toegerekend aan een specifieke persoon. Dit is vooral van belang in situaties waarin meerdere personen (bijv. vennootschap onder firma of huwelijk) betrokken zijn bij de financiële huishouding.
Het Hof Den Bosch benadrukte in zijn uitspraak dat de Belastingdienst in zulke gevallen meer moet doen dan aannemen dat alle betrokkenen even verantwoordelijk zijn. De inspecteur moet concreet aantonen welke belastingplichtige verantwoordelijk is geweest voor het vergrijp.
Dit principe sluit aan bij de uitgangspunten van het strafrecht: je kunt iemand alleen beboeten als er voldoende bewijs is dat die persoon het delict heeft gepleegd. In fiscale zin betekent dit dat niet de hele administratie als 'vergrijpelijk' kan worden aangemerkt, maar dat de inspecteur moet bewijzen dat de belastingplichtige bewust heeft nagelaten correct aangifte te doen.
Het belang van motivering en onderbouwing
Een goed gemotiveerde boetebeschikking is essentieel. De belastingplichtige moet precies kunnen begrijpen waarop de Belastingdienst zich baseert. Het gaat dan niet alleen om de feitelijke correcties in de aanslag, maar vooral om de gedragingen waarop de boete steunt.
Een motivering die uitsluitend verwijst naar een kasopstelling, zonder verdere onderbouwing van opzet of grove schuld, voldoet niet aan de wettelijke eisen. Daarnaast moet de inspecteur ook eventuele verklaringen of alternatieve hypotheses van de belastingplichtige serieus onderzoeken en meewegen.
De rol van de adviseur: vroegtijdig schakelen en documenteren
Voor fiscale adviseurs ligt hier een belangrijke taak. In gevallen waarin de Belastingdienst correcties aankondigt of overgaat tot boekenonderzoek, is het essentieel om direct te beginnen met het vastleggen van verklaringen, reconstructies en bewijsstukken. Ook is inzage in het boete dossier een belangrijk aandachtspunt.
Matiging boete door Hoge Raad
De Hoge Raad (cassatie) bekijkt een zaak niet meer inhoudelijk en veel zaken worden dan ook afgedaan met zogenaamde artikel 81 RO beslissingen. Het cassatieberoep wordt dan afgewezen zonder uitgebreide inhoudelijke motivering. In de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 21 november 2025 ECLI:NL:HR:2025:1727 faalde het inhoudelijke beroep (klachten nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling). Maar hiermee was nog niet alles gezegd.
De Hoge Raad komt ambtshalve toe aan vraag of de redelijke termijn in cassatie wordt overschreden, ook bij het instellen van cassatie beroep (of tweede cassatieprocedure) begint de redelijke termijn dus weer te lopen (1 jaar). De boete wordt ambtshalve verlaagd (gematigd). Belastingplichtige is vergeten immateriele schadevergoeding te vragen, dat is jammer. Dit is een interessante uitspraak, materieel gebeurt er niks maar de redelijke termijn kan de boete wel verlagen (in dit geval met 15%). Cassatie kan dus van belang zijn voor de boete (en termijnbewaking). Bij boeten moet de tijdlijn dus scherp in de gaten worden gehouden, ook als de materiële / inhoudelijke kansen bij cassatie beperkt zijn. Gelukkig bewaakt de Hoge Raad nog steeds de fundamentele proces belangen en waarborgt deze op de juiste wijze.
Noot fiscaal jurist inzake vergrijpboete
De kernboodschap van recente jurisprudentie is helder: een kasopstelling kan een belangrijk signaal zijn, maar is op zichzelf onvoldoende om een vergrijpboete op te leggen. De inspecteur moet concreet, specifiek en overtuigend bewijs aanleveren.
De lat ligt dus hoog – en terecht. Want de gevolgen van een vergrijpboete zijn niet alleen financieel, maar kunnen ook reputatieschade, beroepsmatige gevolgen en zelfs strafrechtelijke implicaties met zich meebrengen.
Heeft u een aankondiging van een boekenonderzoek of vergrijpboete ontvangen? Neem dan contact op met één van onze adviseurs.
Bronnen vergrijpboete
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2022:526
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:523
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:524
Aanslag niet ontvangen en bezwaar maken
De ontvangsttheorie en de verzendtheorie. U heeft een aanslag niet ontvangen en daardoor in de termijn om bezwaar te maken verlopen. De inspecteur moet altijd (meestal via een verzendadministratie) aannemelijk maken dat een aanslag of uitspraak op bezwaar tijdig is verzonden (zie ondermeer Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 7 december 2023 ECLI:NL:GHSHE:2023:3796)
Wie moet wat bewijzen? Volgens artikel 6:9 Algemene Wet Bestuursrecht (AWB) moet een bezwaar- of beroepschrift tijdig worden ingediend, soms is er - aldus lid 6:9 lid 2 nog een extra week ruimte. Belangrijke jurisprudentie over dit onderwerp:
- Hoge Raad d.d. 11 oktober 2024 ECLI:NL:HR:2024:1423: In deze uitspraak wordt door de Hoge Raad bevestigd dat bij betwisting van de ontvangst van een stuk door de rechtbank de bewijslast bij de verzender ligt (aannemelijk maken dat stuk is verzonden).
- Hoge Raad d.d. 14 oktober 2011 ECLI:NL:HR:2011:BT7470: Bij ontbreken van een leesbare poststempel wordt aangenomen dat het bezwaar- en beroepschrift tijdig ter post is bezorgd als het is ontvangen op de eerste of tweede werkdag na het einde van de termijn. De datumstempel is vrijwel altijd bepalend voor de terpostbezorging (Hoge Raad 28 januari 2011 ECLI:NL:HR:2011:BP2138)
Belastingaanslag niet ontvangen; toch bezwaar mogelijk!
Belasting betalen moeten we allemaal. Doorgaans doen we aangifte en enige tijd later volgt er een belastingaanslag. Dat proces moet wel helder en transparant zijn, zodat iedereen weet waaraan hij/zij toe is. De aanslag moet op de juiste manier worden bekend gemaakt en bezwaren tegen die aanslag moeten tijdig en correct worden ingediend.
Aan beide zijden van de lijn gaat het in de praktijk nogal eens fout. Soms kunnen die foutjes hersteld worden en soms niet. Daarbij zou u verwachten: gelijke monniken, gelijke kappen.
Helaas! Welkom in de wondere wereld van het formele belastingrecht alwaar de belastingdienst toch vaker meer gelijk is dan de burger.
Ontvangsttheorie versus verzendtheorie
Wanneer is nu een aanslag opgelegd en een bezwaar ingediend? U zou voor het verzenden van een aanslag hetzelfde criterium verwachten als voor het maken van bezwaar; wie de brief verstuurt zou niet moeten uitmaken. Het enkel stellen dat een aanslag niet is ontvangen is - gek genoeg- niet voldoende, er moeten aanvullende omtstandigheden worden aangevoerd, aldus de Rechtbank Amsterdam d.d. 22 februari 2024 ECLI:NL:RBAMS:2024:836, in deze zaak is de naheffingsaanslag via "mijn overheid" verzonden, tja dan is het lastig bewijzen. In een andere procedure bij deze rechtbank (Rechtbank Amsterdam d.d. 4 juli 2024 ECLI:NL:RBAMS:2024:8588) wordt terecht de vraag opgeworpen of de (fictie) van de verzendtheorie niet achterhaald is, mede gezien EU jurisprudentie.
De voorwaarden voor het maken van bezwaar zijn redelijk bekend (binnen zes weken aan het juiste anders onder vermelding van naam, adres en reden van het bezwaar.
Wanneer is het bezwaar nu tijdig?
In het belastingrecht moet een bezwaarschrift als hoofdregel vóór het einde van de termijn door de inspecteur ontvangen zijn (de Ontvangsttheorie). Daarbij is er één belangrijke versoepeling: de gemitigeerde verzendtheorie. Als een bezwaar per post is verstuurd, is het tijdig ingediend als het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd én niet later dan een week na afloop van de termijn door de inspecteur is ontvangen.
Wordt een bezwaarschrift na die termijn ontvangen of kunt u niet bewijzen dat het voor het einde van de zes weken ter post is bezorgd (door vb. een poststempel), dan kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard wegens termijnoverschrijding.
Wel moet u de kans krijgen om met (bewijs van) een goede reden te komen waarom het te laat is ingediend. De rechter was daarin streng, maar wordt soepeler. Als de reden goed genoeg is, kunt u alsnog door voor de inhoud.
Dan de inspecteur. Die moet ook aanslagen opleggen binnen wettelijke termijnen. Die zijn veel langer dan zes weken, maar termijn is termijn. De wet bepaalt dat een aanslag bekend wordt gemaakt door toezending of uitreiking aan e belastingplichtige Bij de beoordeling van de tijdigheid geldt voor de belastingdienst echter de verzendtheorie. De belastingdienst hoeft in beginsel slechts aan te tonen dat een stuk tijdig verzonden is. In de praktijk betekent dit dat de Belastingdienst een aanslagbiljet per post verzendt. Sinds 1983 niet meer aangetekend (dat vond toenmalig minister van economische zaken, Lubbers, te duur).
Nu gebeurt het met enige regelmaat dat de belastingplichtige een aanslag niet ontvangt (de postbezorging blijkt bepaald niet stipter te worden). Hoe kan deze dan nog (tijdig) bezwaar maken?
Op hoofdlijn zijn er dan twee (te combineren) mogelijkheden. Enerzijds is de redenering dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is (een goede reden waarom het bezwaar te laat is) omdat de aanslag niet ontvangen of verkeerd bekendgemaakt (onjuist adres) is; anderzijds kan worden geredeneerd dat bij een onjuiste bekendmaking de termijn überhaupt niet is gaan lopen. Een termijn die niet is gaan lopen kan ook niet worden overschreden.
De belastingdienst moet bewijzen dat de aanslag tijdig en naar het juiste adres is gestuurd. Als de belastingplichtige stelt dat de aanslag niet is ontvangen, moet de belastingdienst bewijzen dat het wel is verzonden (in de zin dat het kenbaar moet zijn aangeboden aan de externe postdienst). De administratieve vastlegging van verzending van aanslagen wordt steeds complexer, maar ook beter. Als er een boete in het spel is, moet het bewijs nog sterker zijn, namelijk ‘overtuigend’.
Als de belastingdienst voldoende bewijs van verzending heeft geleverd, wordt daarmee vermoed dat de belastingplichtige de aanslag ook heeft ontvangen. De belastingplichtige kan dat vermoeden van ontvangst ontzenuwen door feiten of omstandigheden aan te voeren die twijfel zaaien over de daadwerkelijke bezorging. Algemene cijfers dat het bij de postbezorging nogal eens fout gaat, zijn daarbij tot op heden op zichzelf onvoldoende om de bezorging te ontkrachten.
Aanslag is verzonden volgens belastingdienst, bezwaartermijn verlopen, een ongelijk speelveld
Voor zichzelf heeft de belastindienst het heel goed geregeld, maar de belastingplichtige zit ten onrechte opgezadeld met risico’s die niet de zijne/hare zouden moeten zijn. De belastingdienst kan volstaan met aantonen van verzending, terwijl de belastingplichtige zelf hard moet bewijzen dat zijn stukken tijdig zijn aangekomen. Dit lukt niet altijd, zo maakt een heffingsambtenaar in een procedure bij het Gerechtshof Den Haag d.d. 27 mei 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:966) niet aannemelijk dat een uitspraak op bezwaar tijdig per mail aan het juiste mailadres is verzonden.
Van adviseurs wordt verlangd dat zij bij belangrijke stukken kiezen voor een betrouwbare verzendwijze en bewijs van verzending regelen (wat Lubbers voor de overheid te duur vond).
Gelukkig heeft de digitale wereld ook steeds meer vat op de belastingdienst en worden aanslagen ook al digitaal bekend gemaakt. Bij de rechtspraak is digitaal procederen al de norm, terwijl het bij de belastingdienst nog niet mogelijk is digitaal bezwaar te maken (ze zijn er wel mee bezig. Overigens blijkt het in de praktijk ook mogelijk via de mail bezwaar te maken. De inspecteur stuurt dan in voorkomende gevallen een reactie met het verzoek het bezwaar per post in te dienen, maar neemt de datum van de indiening per mail als datum van ontvangst. Two steps forward and one step back is nog beter dan het omgekeerde.
Accountant of boekhouder ziek .. is dit verschoonbare termijn overschrijding?
De boekhouder of accountant (kleine zelfstandige zonder personeel) lag in het ziekenhuis (6 maanden) in verband met een zware operatie. Hierdoor heeft de klant de aanslag / beschikking gemist (inzake TVL subsidie). Is dit een verschoonbare termijnoverschrijding? Volgens het college van beroep voor het bedrijfsleven wel (ECLI:NL:CBB:2025:313)
Opmerking fiscaal jurist inzake verzendtheorie en belastingen
Termijnen worden minder scherp en zouden niet ‘dodelijk’ moeten zijn; misbruik daargelaten. Zeker bij termijnen van zes weken, waarbij de wederpartij geen, nauwelijks of zeer lange termijnen kent. Aanslag gehad, termijntje vergeten of blijft de aanslag maar uit? Samen met onze adviseurs vindt u vast een goede reden. Hulp nodig? Stuur ons gerust via onderstaand formulier een bericht of kom langs voor een afspraak.
Marco Bik over Boekenonderzoeken: ''Niet iets om bang voor te zijn''
REDACTIE NEXTENS d.d. 23.05.2025, Dit interview verscheen in Belasting Magazine #4, 2025.
Marco Bik, partner en belastingadviseur bij
Jongbloed Fiscaal Juristen, wil met zijn whitepaper over boekenonderzoeken
vooral één boodschap overbrengen: ondernemers hoeven niet bang te zijn
voor een controle van de Belastingdienst.
In het interview licht hij toe waarom, en hoe ondernemers zich het beste kunnen voorbereiden op een bezoek van de fiscus.
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Boekenonderzoek: zeldzaam, maar impactvol
Hoewel slechts 0,4 procent van de mkb-ondernemers jaarlijks een boekenonderzoek krijgt, kan zo’n controle toch als intimiderend worden ervaren. Bik: ''We leggen in het whitepaper uit dat je er niet van wakker hoeft te liggen als je een aantal spelregels in acht neemt.'' De kans op controle is klein, maar neemt wel iets toe nu de Belastingdienst meer controlemedewerkers aanneemt en projectmatig werkt, bijvoorbeeld bij de DBA-controles in 2024.
Bedrijfsbezoek is geen controle
Een bedrijfsbezoek is iets anders dan een boekenonderzoek. ''Bij een bedrijfsbezoek komen twee medewerkers van de Belastingdienst langs om kennis te maken met het bedrijf. Ze willen weten hoe de onderneming in elkaar zit, welke marges worden gemaakt, of er veel met zzp’ers wordt gewerkt,'' legt Bik uit. Hij raadt ondernemers aan om dit soort bezoeken zelf af te handelen, zonder adviseur. ''Een fiscalist voegt bij een kennismakingsgesprek weinig toe.''
De controleur is geen vijand
Volgens Bik is het beeld van de controleur als tegenstander achterhaald, maar nog niet helemaal verdwenen. ''In het ‘fraudetijdperk’ werd een controle geacht iets op te brengen. Dat maakte de verhoudingen stroef. Ondernemers zijn vaak openhartig, maar zien die openheid soms terug in het controlerapport.'' Hij pleit voor een houding waarbij de Belastingdienst toetst of de wet correct is toegepast, niet of er opbrengst uit de controle komt.
Ruimte voor pragmatiek
Hoewel de houding van controleurs volgens Bik niet wezenlijk is veranderd sinds de toeslagenaffaire, ziet hij wel ruimte voor pragmatische oplossingen. ''Niet alles is zwart-wit. Over sommige posten, zoals voorzieningen, kun je afspraken maken. Maar als de controleur vindt dat hij geen ruimte heeft voor een compromis, dan houdt het op.'' Procederen is dan een optie, maar kost geld en moet goed worden afgewogen.
Geldsteekproeven: kleine fout, grote gevolgen
Een belangrijk aandachtspunt in het whitepaper is de geldsteekproef. Hierbij worden steekproefsgewijs bonnen gecontroleerd, en fouten worden geëxtrapoleerd naar het geheel. ''Bij grote ondernemingen kan één afgekeurde euro leiden tot een correctie van tienduizenden euro’s over meerdere jaren,'' waarschuwt Bik. Tegenbewijs is mogelijk, maar vereist dat de ondernemer zelf een steekproef uitvoert. Iets wat in de praktijk zelden gebeurt.
Derdenonderzoeken en geheimhouding
Bij derdenonderzoeken, waarbij bijvoorbeeld leveranciers worden bevraagd, geldt een geheimhoudingsplicht. In theorie mag de derde partij de onderneming niet informeren, maar in de praktijk gebeurt dat soms toch. Bik: ''Ik adviseer niemand om te bellen, maar ik begrijp dat het gebeurt. Zeker bij FIOD-onderzoeken is het verstandig om voorzichtig te zijn.''
Informatievoorziening en bewijslast
De informatiebeschikking, bedoeld om duidelijkheid te scheppen over welke gegevens moeten worden verstrekt, pakt in de praktijk niet altijd gunstig uit voor de belastingplichtige. ''Als je blijft weigeren, krijg je te maken met omkering van de bewijslast. Dan mag de Belastingdienst schatten wat je bezit, en moet jij bewijzen dat dat niet klopt. Die wedstrijd verlies je bijna altijd.''
Geen reden tot paniek
Bik sluit af met een geruststellende boodschap: ''De Belastingdienst komt kijken of de administratie klopt en of de wet goed is toegepast. Vaak wordt er wel iets gevonden, maar dat is meestal geen reden tot paniek. Over een boekenonderzoek hoeft niet ingewikkeld gedaan te worden.''
Navorderingsaanslag en kenbare fout
De Belastingdienst kan een navorderingsaanslag opleggen als sprake is van een nieuw feit (artikel 16 AWR). Dit is ter bescherming van een belastingplichtige. Een strafrechtelijk onderzoek kan een nieuw feit opleveren, maar natuurlijk ook een boekenonderzoek. De optie om een navorderingsaanslag op te leggen verloopt na 5 jaar (te vermeerderen met uitstel termijn) en soms na 12 jaar (buitenland situatie). Navordering is dus mogelijk maar is wel gebonden een keurige en strikte regels (die niet altijd even duidelijk zijn).
De meeste discussie bij rechters zal plaatsvinden over "is er een nieuw feit" en "is er sprake van een kenbare fout". Bij kwade trouw is een nieuw feit dan weer niet nodig. Voldoende regels voor gedoe derhalve. In dit artikel kijken we verder naar "de kenbare fout". De aanleiding voor "de kenbare fout" was een procedure bij de rechtbank waarbij een belastingplichtige bij aftrekbare hypotheekrente 3.000.000 euro had ingevoerd in plaats van (de betaalde) 3.000 euro. De rechter oordeelde toen dat navordering niet kon plaatsvinden. In navolging op deze uitspraak is de wet aangepast.
Kenbare fout en navordering terecht
De Hoge Raad heeft op 17 juli 2026 (ECLI:NL:HR:2026:1296) een uitspraak gedaan die niet in lijn lag met de eerdere uitspraak van het Gerechtshof Den Haag op 11 juli 2023 (ECLI:NL:GHDHA:2023:1405). Het arrest verruimt niet het begrip kenbare fout maar verduidelijkt vooral hoe de oorzaak van de te lage aanslag moet worden vastgesteld. Het Hof keek naar de aanslagregelend ambtenaar die onvoldoende kennis had genomen van het dossier en zag daarin een niet navorderbare beoordelingsfout. De Hoge Raad gaat een stap terug in het proces, doordat geen behandelvoornemen in de software is opgenomen rammelden de computers door en wordt een aanslag opgelegd. Dat was een administratieve fout (ex artikel 16 lid 2 onderdeel c AWR). Een belastingplichtige kan doorgaan niet profiteren van een evident te lage aanslag als hij of zij wist dat een aanzienlijk inkomensbestanddeel ten onrechte buiten de heffing is gebleven. Wat bijzonder is bij deze uitspraak is het volgende:
- Het Hof stelde vast dat bij het opleggen van de primitieve aanslag een fout was gemaakt. Het kwalificeerde deze fout echter als een verwijtbaar onjuist inzicht in de feiten. Volgens het Hof had de aanslagregelend ambtenaar nagelaten kennis te nemen van de informatie die al bij de Belastingdienst aanwezig was. Bij een zorgvuldige dossiervorming en dossierbeoordeling zou de ambtenaar hebben onderkend dat in 2016 een aandelenverkoop had plaatsgevonden. Dus kwam de rekening bij de Belastingdienst te liggen.
- De Hoge Raad is sympathieker naar de belastingdienst en stelt dat er sprake is van een kenbare fout (meer dan 30% te weinig geheven belasting). Deze fout was ook voor belastingplichtige duidelijk (kenbaar). De Hoge Raad volgt hierbij niet het standpunt van de AG.
Aanslag wordt opgelegd voordat boekenonderzoek is afgerond, is dit kenbare fout ?
Het Gerechtshof Den Haag oordeelt dat het vaststellen van belastingaanslagen, vóór afronding van het boekenonderzoek, een kenbare fout is waarbij de belastingplichtige of zijn adviseur niet mochten denken "dit is juist". In deze casus ontving belastingplichtige navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, de eerste vraag was of sprake is van een nieuw feit. Immers de inspecteur wist alles door het boekenonderzoek. Van een nieuw feit is volgens het geen sprake edoch er is wel sprake van een kenbare fout (artikel 16 lid 2 onderdeel C AWR). Op dat moment liep er namelijk al correspondentie tussen de belastingdienst en de adviseur over onderwerpen die gingen over deze navorderingsaanslagen. De belastingplichtige stapt nog naar de Hoge Raad die is van oordeel dat het standpunt onvoldoende is onderbouwd. De zaak gaat naar het Gerechtshof Amsterdam, zij gaan er eens goed voor zitten. Dit hof is ook van mening dat sprake is van een in redelijkheid kenbare fout, of dan ook sprake is van een ambtelijk verzuim doet niet terzake. Ook de adviseur had simpel kunnen zien dat de aanslagen fout waren.
Wat mag de inspecteur nog corrigeren bij een kenbare fout ?
De hoofdregelis bij navordering is simpel, de inspecteur die een aanslag heeft opgelegd moet daar in beginsel bij blijven. Wil de inspecteur hier later op terugkomen of een fout rechtzetten dan heeft hij een grondslag nodig, dit is een nieuw feit of kwade trouw. Ook kan een alternatieve route worden gekozen, de belangrijkste is de kenbare fout. In een tweetal kennisgroep standpunten wordt hierop ingegaan:
- De begrippen fout en kenbaarheid KG:206:2022:5
- Kenbaarheidsvereiste bij een conserverende aanslag KG:206:2022:6
In beide kennisgroep standpunten wordt duidelijk dat het begrip - ook volgende Hoge Raad - ruim moet worden uitgelegd. Onder een fout vallen niet allen schrijf- en tikfouten maar ook geautomatiseerde verwerkingsfouten en administratieve vergissingen. Dit gaat best ver, feitelijk wordt gezegd dat elke fout die niet berust op een bewuste keuze van de inspecteur kan worden teruggedraaid.
Het keerpunt is dus helder, berust een afwijking op een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten of het recht dan is er geen fout en kan die dus niet worden teruggedraaidm, zie hiertoe ook de Hoge Raad in 2018. Onder een fout valt géén "beoordelingsfout van de inspecteur ten gevolge van diens onjuiste vaststelling van de feiten of onjuiste toepassing van het recht". Simpel gezegd: als de inspecteur bewust een keuze heeft gemaakt — ook al is die keuze fout — is er geen ruimte voor navordering op grond van artikel 16 lid 2 onderdeel c AWR.
Er is een kenbare fout maar kan deze dan altijd worden hersteld?
Ook als er een fout is, moet die fout redelijkerwijs kenbaar zijn voor de belastingplichtige. De wet geeft daarvoor een handvat: bij een afwijking van 30% of meer is de fout in ieder geval kenbaar. Onder die grens kan de inspecteur de kenbaarheid nog steeds bewijzen, maar dan moet hij het aannemelijk maken aan de hand van concrete omstandigheden. Dit is minder objectief dan het lijkt. De kenbaarheidseis wordt in de praktijk verschillend uitgelegd. Kritiek luidt dat de fictie een quasi-automatisme is geworden, terwijl de wetgever bedoelde dat kenbaarheid ook bij 30%+ nog een reële toets zou zijn.
Actuele ontwikkeling inzake kenbare fout en pleitbaar standpunt
De Hoge Raad heeft in 2025 twee arresten gewezen die de positie van de belastingplichtige aanmerkelijk hebben versterkt. De eerste uitspraak van de Hoge Raad ging over bovenstaande casus en is verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam, die in 2026 uitspraak deed. De tweede uitspraak van de Hoge Raad lag hiermee in lijn. Bij een pleitbaar standpunt zijn de wet, jurisprudentie of andere rechtsbronnen zo onduidelijk dat de belastingplichtige zich redelijkerwijs kon beroepen op de gekozen positie. In dat geval kan de fout niet worden aangemerkt als "kenbaar", ongeacht de omvang van het verschil met de uiteindelijke correcte belasting.
Checklist inzake navordering en nieuw feit
- Is er een nieuw feit of kwade trouw? Zo ja, dan is navordering al mogelijk via artikel 16 lid 1 AWR en heeft u de kenbare fout niet nodig.
- Is er een fout in de ruime betekenis van het woord (tikfout, systeemfout, geautomatiseerde verwerkingsfout)? Zo nee, dan is navordering uitgesloten.
- Is er sprake van een beoordelingsfout van de inspecteur? Zo ja, dan is navordering uitgesloten op grond van Hoge Raad 15 juni 2018,
- Heeft de belastingplichtige een pleitbaar standpunt ingenomen in zijn aangifte? Zo ja, dan blokkeert dit navordering op grond van Hoge Raad 26 september 2025 en Hoge Raad 21 november 2025 — tenzij de inspecteur de correctie vóór het opleggen van de primitieve aanslag heeft aangekondigd.
- Is de fout kenbaar? Bij een afwijking van 30% of meer geldt de wettelijke fictie; onder die grens moet de inspecteur het bewijzen.
- Is de navorderingstermijn van twee jaar na de primitieve aanslag verstreken? Zo ja, dan is de mogelijkheid alsnog vervallen.
Stroomschema inzake kenbare fout en navordering
Bron en vindplaats kenbare fout
Hoge Raad d.d. 13 juli 2018 ECLI:NL:HR:2018:1203
Gerechtshof Den Haag d.d. 9 april 2024 ECLI:NL:GHDHA:2024:567
Hoge Raad d.d. 26 september 2025 ECLI:NL:HR:2025:1391
Hoge Raad d.d. 21 november 2025 ECLI:NL:HR:2025:1735
Gerechtshof Amsterdam d.d. 17 maart 2026 ECLI:NL:GHAMS:2026:1584
Ontbreken adminstratie en omkering bewijslast
Als u uw administratie niet op orde heeft, dan kan de belastingdienst de bewijslast omkeren. Dit is een zware maatregel welke niet zomaar mag worden toegepast. De rechter zal kritisch kijken of de Belastingdienst zorgvuldig met de maatregel is omgegaan. Een correcte en controleerbare administratie (artikel 52 AWR) vormt de basis voor de fiscale verhouding tussen de ondernemer en de belastingdienst. Als deze administratie ontbreekt kan dit leiden tot een omkering en verzwaring van de bewijslast (artikel 27e AWR) van de ondernemer. De inspecteur krijgt dan de ruimte om de winst (en andere grondslagen) te schatten. Het is vervolgens aan de ondernemer om te schatting te weerleggen. In dit artikel behandelen wij een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 18 maart 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:1145) waarbij de administratie ontbrak en de ondernemer conform een schatting van de inspecteur navorderingsaanslagen in de brievenbus ontving. De vergrijpboetes waren door de Rechtbank Noord Nederland d.d. 24 augustus 2022 (ECLI:NL:RBNHO:2022:12534) vernietigd, het gerechtshof was het hier niet mee eens, de boetes zijn terecht door de inspecteur opgelegd.
| De inspecteur mag schatten | ||
| De ondernemer moet aantonen dat die schatting onjuist is | ||
| Onderbouw altijd de omzet en bewaar administratie 7 jaar | ||
| Bewijslast rust volledig bij de ondernemer | ||
| Marginale toetsing vervalt : rechter toetst "redelijk verdedigbaar" | ||
| Boete speciale aandacht, kan er regelmatig af. |
Naheffingsaanslag wegens gebrekige administratie
Een ondernemer met een kermisattractie en oliebollenkraam heeft zijn administratie niet helemaal op orde. De belastingdienst stelt een boekenonderzoek in bij de ondernemer. Tijdens dit boekenonderzoek wordt duidelijk dat de administratie verre van volledig is, zo ontbreekt een kasadministratie, agenda, vastlegging van kosten en inkoopfacturen, ontbreken enkele bankafschriften en verkoopfacturen en sluit de administratie niet aan. De inspecteur legt een naheffingsaanslag omzetbelasting en een vergrijpboete op.
De ondernemer vraag tijdens de zitting bij de Rechtbank Zeeland West Brabant is op 17 februari 2022 (ECIL:NL:RBZWB:2022:819 om een correctie en dient veel stukken in, dit is onvoldoende, de aanslag blijft grotendeels in stand. Ook de vergrijpboete van 25% blijft in stand. Bij het Gerechtshof 's Hertogenbosch op 21 februari 2024 ECLI:NL:GHSHE:2024:514 vraagt de ondernemer wederom om enig begrip en terugverwijzing naar de rechtbank. Het Hof geeft de ondernemer geen tweede kans. Voor de geconstateerde gebreken in de administratie geeft het hof belanghebbende geen herstelmogelijkheid. Een administratie moet regelmatig worden bijgehouden om een goede vastlegging van de werkelijkheid te garanderen. Een achteraf na afloop van enig jaar opgestelde administratie brengt het risico met zich dat de werkelijkheid niet goed wordt weergegeven. De ondernemer komt ook niet met nieuwe feiten. Al met al een slecht gevoerde procedure bij een rommelige ondernemer. Ook de Hoge Raad doet er op 24 april 2026 niks mee (ECLI:NL:HR:2026:728), artikel 81 RO zaak.
Correctie winst restaurant zonder administratie
Henk is met zijn vrouw eigenaar van een grill restaurant. Naar aanleiding van een melding (en gedeeltelijke verstrekking van een deel van de administratie) door een werknemer wordt een boekenonderzoek ingesteld. De administratie is niet op orde (deels weggegooid) en de bewijslast wordt omgekeerd. De inspecteur stelt een schatting van de winst op en op grond hiervan worden diverse navorderingsaanslagen met boetes opgelegd. Henk stelt dat de omzetten niet redelijk zijn geschat. De rechtbank en het Gerechtshof zijn het met de belastingdienst eens. Dit komt met name omdat Henk over grote sommen contant geld beschikt (waarvoor geen logische verklaring is).
Wanneer mag de bewijslast worden omgekeerd door de belastingdienst
Degene die aangifte doet, is gehouden de in de aangifte gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen. Dat stelt de belastingdienst in staat een juiste belastingaanslag op te leggen. Als in een aangifte niet de gehele winst wordt aangegeven, heeft de belastingdienst niet de benodigde informatie om een juiste aanslag op te leggen. Om de bewijs- en informatiepositie van de belastingdienst te verbeteren bij onvolledige aangifte, bepaalt de wet dat belastingdienst de inkomsten, marges en kosten mag schatten. De beruchte ‘omkering van de bewijslast’. Ook moet de belastingdienst een redelijke schatting maken van het inkomen.
Belastingdienst moet redelijke schatting bewijzen
De belastingdienst vordert vijf jaar na. De eerste vier jaar over € 5.000 wegens de kleding en het vijfde jaar naast de kleding ook over het horloge (€ 68.000). Bij het gerechtshof gaat de correctie voor de kleding terug naar € 1500 per jaar. Die voor het horloge blijft echter € 68.000. Daartegen komt Henk in cassatie en volgens de Hoge Raad heeft hij daar een punt.
De Hoge Raad stelt droogjes vast dat het gerechtshof heeft geoordeeld dat er onvoldoende bewijs is dat het horloge van Henk is. Dan kan dat horloge evenmin een aanknopingspunt zijn voor de bepaling van het inkomen (dat Henk verdiend zou hebben om het horloge te kopen). De belastingdienst moet onderbouwen dat de schatting redelijk is. Dat kan niet op basis van een horloge dat niet van de belastingplichtige is. Daaraan doet niet af dat de bewijsdrempel van de schatting lager is dan voor de onjuiste aangifte.
Contant geld in huis en aanslag belastingdienst via navorderingsaanslag
In deze procedure speelde de redelijke schatting bij het opleggen van navorderingsaanslagen. Een man is ondernemer (in een VOF met zijn broer en vader). Bij een politie inval bij zijn vader wordt ruim € 250.000 contant geld gevonden. De belastingdienst is scherp en stelt direct een boekenonderzoek bij de onderneming in. De kasadministratie is niet op orde (negatieve kas) en er worden contante stortingen zonder heldere herkomst vastgesteld. Er worden navorderingsaanslagen aan de man opgelegd. Het inkomen wordt vastgesteld op € 580.000 en de aanslagen en rente (€ 44.000) en vergrijpboetes (€ 130.000) zijn fors. De belastingplichtige neemt de zaak niet echt serieus en roept alleen "geen nieuw feit en slechte schatting en niet alle stukken ontvangën", hij komt niet met eigen bewijs. De Rechtbank Zeeland West Brabant is het op 3 november 2023 ECLI:NLRBZWB:2023:7345 met de belastingdienst eens, de boete wordt wel iets lager vastgesteld. Ook het Gerechtshof 's Hertogenbosch laat op 22 oktober 2025 ECLI:NL:GHSHE:2025:2909 weinig heel van de standpunten van belastingplichtige.
Kennisgroep belastingdienst inzake omkering van de bewijslast
Op 27 mei 2022 heeft de hoge raad een arrest gewezen inzake de omkering van de bewijslast. De Hoge Raad heeft in zijn arrest kort gezegd geoordeeld dat het niet beantwoorden van vraag 37 van het aangiftebiljet enkel voor de elementen in de aangifte waar de niet beantwoording van deze vraag voor van belang kan zijn, tot omkering en verzwaring van de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangifte leidt. Door de kennisgroep wordt een standpunt ingenomenomtrent de genoemde procedure. De vragen die worden beantwoord zijn de volgende:
- Heeft de Hoge Raad met het arrest van 27 mei 2022, afstand genomen van het vereiste dat absoluut en relatief aanzienlijk te weinig belasting moet zijn geheven zoals de Hoge Raad voor inhoudelijke gebreken heeft geformuleerd in zijn arrest HR 24 april 2015 ECLI:NL:HR:2015:1083. De belastingdienst komt tot de volgende beantwoording : De kennisgroep onderkent een verschil in het niet beantwoorden van een vraag zoals in het arrest van 27 mei 2022 het geval was en inhoudelijke gebreken in de aangifte zoals aan de orde in het arrest van 24 april 2015. Voor het niet beantwoorden van een dergelijke vraag geldt het toetsingskader zoals de Hoge Raad heeft uiteengezet in het arrest van 27 mei 2022. Ten aanzien van inhoudelijke gebreken ziet de kennisgroep voldoende aanleiding om aan te nemen dat de Hoge Raad niet is teruggekomen van het arrest van 24 april 2015.
- Heeft het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022 tot gevolg dat uitsluitend nog partiële omkering en verzwaring van de bewijslast kan plaatsvinden? Nee. Ervan uitgaande dat de Hoge Raad niet is teruggekomen van het arrest van 24 april 2015 blijft voor inhoudelijke gebreken in de aangifte gelden dat de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is op de gehele belastingaanslag.
Het niet doen van de vereiste aangifte kan leiden tot het intreden van de bewijsrechtelijke sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast. Dit is geregeld in artikel 25, derde lid, en artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
- Artikel 25, derde lid, AWR luidt als volgt: “Indien het bezwaar is gericht tegen een aanslag, een navorderingsaanslag, een naheffingsaanslag of een beschikking, met betrekking tot welke de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, wordt bij de uitspraak op het bezwaarschrift de belastingaanslag of beschikking gehandhaafd, tenzij is gebleken dat en in hoeverre die belastingaanslag of beschikking onjuist is. De eerste volzin vindt geen toepassing voor zover het bezwaar is gericht tegen een vergrijpboete.”
- Artikel 27e, eerste lid, AWR luidt als volgt: “Indien de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.”
De centrale vraag is of de Hoge Raad in zijn arrest uit 2022 is teruggekomen op haar arrest uit 2015. In dit laatste arrest oordeelde de Hoge Raad dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte niet de vereiste aangifte is gedaan als volgens de aangifte verschuldigde belastingen (relatief en absoluut) aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belastingen. Omdat de Hoge Raad in zijn laatste arrest niet uitdrukkelijk afstand neemt van het eerdere arrest gaat de belastingdienst ervan uit dat de Hoge Raad niet is teruggekomen van zijn eerdere oordeel, dit is logisch omdat dit de belastingdienst ook niet goed zou uitkomen.
Als het arrest uit 2022 goed wordt gelezen dan komen wij tot de conclusie dat omkering van de bewijslast niet langer geldt voor de hele aangifte, maar alleen voor de onderdelen in de aangifte inkomstenbelasting waarvan aan belastingplichtige een verwijt kan worden gemaakt.
Advisering fiscaal jurist inzake omkering bewijslast en bewijsvoering
Doe altijd aangifte, anders loop je per definitie tegen de omkering van de bewijslast aan. Dat is een zeer penibele situatie voor de belastingplichtige, want bewijs maar eens dat je iets niet genoten hebt en/of dat de inspecteur de omzet te hoog heeft ingeschat. Terecht stelt de Hoge Raad dan ook de eis van een redelijke schatting. Maar als er bijvoorbeeld via aanwezige bezittingen of contanten vreemde verschillen ontstaan staat de belastingplichtige 3-0 achter.
Heeft u de belastingdienst op bezoek of vindt onderzoek plaats, neem dan contact op met uw deskundige en voorkom de omkering van de bewijslast of beperk de schade.
Bronnen ‘Omkering bewijslast en redelijke schatting’
Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093
Hoge Raad 27 mei 2022 ECLI:NL:HR:2022:767
Hoge Raad 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22 april 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1269
Uitspraken rechters over crypto en bitcoin
De laatste jaren is er ook fiscaal veel aandacht voor crypto valuta, NFT's en andere virtuele bezittingen. Ook de Belastingdienst heft hier intern onderzoek naar gedaan (zie rapport bezitters virtual assets) . Ook het ministerie heeft over bitcoin een besluit bekend gemaakt. Wij adviseren dagelijks belastingplichtigen over dit onderwerp en overleggen - indien nodig en gewenst - ook met de Belastingdienst. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen:
- Crypto hobbyist
- Crypto rationalist
- Crypto specialist
Omdat fiscale verplichtingen (nog) niet altijd correct worden nageleefd en de wereld nog redelijk nieuw is zullen veel crypto bezitters google en AI gebruiken voor advisering, boete systemen, adviezen en mogelijkheden. Naast de heffing speelt natuurlijk ook het formele belastingrecht. In dit artikel geven wij een overzicht van de relevante jurisprudentie over dit onderwerp. Dit artikel wordt regelmatig aangevuld.
De komende jaren zullen er veel procedures volgens inzake bitcoin of crypto welke niet in de aangifte inkomstenbelasting is opgenomen. Uit onderzoek blijkt dat ruim 2.000.000 mensen in Nederland in het bezit zijn van crypto. Het is op dit moment lastig om de eigenaar achter een zogenaamde wallat te achterhalen. Los van het feit dat de FIOD steeds sprake op zoek gaat naar crypto zal op grond van europese wetgeving (DAC 8) steeds vaker melding worden gemaakt van bitcoin in het buitenland. Ook als er actief in bitcoin is gehandeld kan sprake zijn van box 1 heffing. Steeds meer bitcoin bezitters zullen dus inkeren en/of vrijwillig hun eigen aangifte gaan verbeteren. Het vrijwillig verbeteren van uw aangifte inkomstenbelasting kan via dit formulier, de praktijk leert dat hulp en advisering bij een dergelijke verbetering wenselijk is.
Jurisprudentie inzake crypto, NTF en bitcoin
In dit onderdeel diverse uitspraken van rechters in Nederland over bitcoin en cryto
Crypto en bitcoin in box 1
- Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 9 juli 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:4613). Handel in crypto via trading bot is inkomen in box 1 (deelname economisch verkeer, subjectief voordeelsvoornemen, objectief voordeel te verwachten).
- Rechtbank Gelderland d.d. 7 maart 2024 ECLI:NL:RBGEL:2024:1640. Investering in mining computer (die nooit zijn geleverd) is aftrekbaar als negatief resultaat uit overige werkzaamheden.
- Rechtbank Noord Nederland d.d. 4 april 2024 (ECLI:NL:RBNNE:2024:1216): handel in verschillende crypto valuta wordt gezien als box 1 inkomen (arbitrage), dit mede gelet op omvang transacties (ruim 14.000) en de gebruikte platformen en de structurele winst. Betreft resultaat uit overige werkzaamheden in box 1. Boete wordt wel vernietigd (pleitbaar standpunt). Tevens discussie over verlengde navorderingstermijn, deze is grotendeels niet van toepassing.
- Rechtbank Noord Holland d.d. 20 december 2023 (ECLI:NL:RNNHO:2023:13675) Henk handelt in crypto en gebruikt hiervoor specifieke software die automatisch transacties kan verrichten. Belastingdienst stelt "box 1". Volgens Henk is het geluk en speculatief. Volgens de rechtbank zijn de handelsactiviteiten voorzienbaar voordelig en daarom belast in box 1 (winst uit onderneming). Bij handel via een trading bot kan sprake zijn van een bron van inkomen (en meer dan normaal vermogensbeheer).
- Gerechtshof Amsterdam d.d. 14 november 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:3400): uitgebreide uitspraak over inkomen in box 1, omkering bewijslast en vergrijpboete. Tevens redelijke schatting inzake niet opgegeven bitcoinadressen.
Crypto en bitcoin in box 3
- Hoge Raad 25 april 2025 ECLI:NL:HR:2025:683: behoren crypto valuta tot de rendementsgrondslag in box 3? Ja behoren tot "overige vermogensrechten" in box 3. Uitspraak in lijn met uitspraak Gerechtshof Amsterdam d.d. 5 november 2024 ECLI:NL:GHAMS:2024:3254
- Gerechtshof Amsterdam d.d. 5 november 2024 ECLI:NL:GHAMS:2024:3254: de rendementsgrondslag voor crypto in box 3. Zie Hoge Raad hierboven, de IB 2001 is breder dan het burgerlijk wetboek.
- Rechtbank Noord Holland d.d. 14 september 2023 ECLI:NL:RBNHO:2023:10669 . Door koersverlies ligt het forfaitaire rendement een stuk hoger dan het werkelijke (negatieve) rendement. Dit ondermijnt de proportionaliteit en hierdoor is de belastingheffing te hoog. Box 3 heffing door forse koersdaling is nihil. Verwijzing naar kerstarrest van de Hoge Raad
Crypto en bitcoin internationaal
- Rechtbank Noord Nederland d.d. 4 april 2024 (ECLI:NL:RBNNE:2024:1216): handel in verschillende crypto valuta wordt gezien als box 1 inkomen (arbitrage) Discussie over verlengde navorderingstermijn, deze is grotendeels niet van toepassing omdat vermogensbestanddelen niet in het buitenland zijn gehouden.
Crypo en bitcoin formeel belastingrecht
- Rechtbank Noord Nederland d.d. 10 december 2024 ECLI:NL:RBNHO:2024:14016: procedure inzake informatiebeschikking bij geheim houden van bitcoin. Deze uitspraak geeft een mooi zicht op de vragen die door de Belastingdienst worden gesteld bij het verzwijgen van bitcoin of crypto.
Welke landen kennen beperkte heffing over crypto (of vermogen)
Als aardige toevoeging hierbij nog een overzicht van landen die beperkt belasting heffen over verkoopwinsten op vermogen (zoals crypto)
- Portugal: geen belasting bij verkoop van crypto (wel bij verkoop binnen 1 jaar)
- Duitsland: geen heffing over crypto (mits 1 jaar in bezit houden)
- Slovenie: geen belasting over crypto
- Malta: onbelast
- Zwitserland: onbelast, wel soms vermogensbelasting (afhankelijk van het kantonale recht)
- Estland: geen vermogensbelasting wel 20% over verkoopwinst
- Tsjechie: geen vermogensbelasting wel beperkte heffing bij verkoop
Landen zonder vermogensbelasting of hoge vrijstellingen
- Frankrijk: tot 1.300.000 vrijstelling
- Belgie: geen vermogensbelasting (soms bij speculatie)
- Duitsland: geen vermogensbelasting
- Oostenrijk: geen vermogensbelasting (wel winstbelasting op crypto)
Fiscale vragen over crypto
Zijn er vragen of de fiscale merites omtrent crypto stuur dan gerust een e-mail of neem contact op met onderstaande specialisten.
Opleggen ambtshalve aanslagen
De staatssecretaris van Financiën heeft documenten openbaar gemaakt met betrekking tot de beslissingscriteria en werkwijze van de Belastingdienst bij het opleggen van voorlopige aanslagen inkomstenbelasting. De documenten kunt u hier raadplegen.
Hoe wordt een inschatting gemaakt bij een voorlopige of ambtshalve aanslag?
Op grond van de Wet open overheid (Woo) is een verzoek gedaan om interne werkinstructies en schema's openbaar te maken. Op grond van deze documenten moet de inspecteur een inschatting maken bij een ambtshalve voorlopige aanslag inkomstenbelasting. Op verzoek zijn de volgende documenten gepubliceerd:
- Handboek IH belastingjaar 2025 – Voorlopige aanslagregeling
- Handboek AVA
In het document staan verschillende schema's, hieronder het schema voor de start en het verloop van een interne procedure
In de fiscale wereld is de oplegging van voorlopige ambtshalve aanslagen (AH VA) een belangrijk proces dat nauwkeurig en zorgvuldig moet worden uitgevoerd. De interne stukken van de belastingdienst geven inzicht in de beslissingscriteria en werkwijze van een inspecteur bij het opleggen van een AH VA, aan de hand van de richtlijnen uit het document "Handboek IH belastingjaar 2025 - Voorlopige aanslagregeling".
Beslissingscriteria voor ambtshalve voorlopige aanslag
Bij het opleggen van een voorlopige ambtshalve aanslag zijn er specifieke criterium die moeten worden nageleefd:
- Geen belemmeringen of beperkingen: Een AH VA kan worden opgelegd als er geen belemmeringen of beperkingen zijn vastgesteld.
- Definitieve belemmering: Dit criterium geldt in gevallen van overlijden van de belastingplichtige, een verstreken belastingjaar (+3 jaar), of een bestaande definitieve aanslag voor hetzelfde jaar.
- Tijdelijke belemmering: Een AH VA kan niet worden opgelegd als er een openstaand verzoek of wijziging VA voor hetzelfde belastingjaar is.
- Beperking: Dit betreft een verstreken belastingjaar (+2,5 jaar), aanwezigheid van een definitieve aanslag, of indien een AV-post aanwezig is.
- Verwerking als AV-post: In gevallen van complexe berekeningen of specifieke gevallen, moet de AH VA als AV-post worden verwerkt.
Werkwijze bij Opleggen van ambtshalve voorlopige aanslag
De werkwijze voor het opleggen van een AH VA door een inspecteur kent diverse stappen:
- Proces starten: De inspecteur begint het proces in ABS (systeem voor belastingaanslagen).
- Registreren: Bijzondere elementen en heffingsgrondslagen worden geregistreerd en eventueel gewijzigd.
- Selecteren: Wekelijks worden voorvastgestelde en vastgestelde heffingszaken VA geselecteerd.
- Risico bepalen: Beoordelen van risico’s door middel van intensief toezicht (ITO) of automatische methode (AUTOM).
- Uitworp behandelen: Handmatige beoordeling en eventuele correcties door de afdeling CAP.
- AV-post vastleggen: Verwerken als AV-post indien noodzakelijk.
- Berekenen: Heffingsgrondslagen worden berekend.
- Besluit formaliseren: Definitieve besluitvorming en dagtekening worden vastgesteld.
- Communicatie raakvlakken: Betrokken partijen zoals Inning en O&M worden geïnformeerd.
Voor een efficiënte en nauwkeurige oplegging van AH VA, zijn er enkele belangrijke tips en aandachtspunten waar inspecteurs rekening mee moeten houden:
- Consistentie en volledigheid: Zorg ervoor dat alle heffingsgrondslagen en relevante gegevens volledig en correct zijn geregistreerd om uitval en fouten te minimaliseren.
- Parkeren bij tijdelijke belemmering: Houd goed bij wanneer tijdelijke belemmeringen zijn opgeheven om het proces tijdig te hervatten.
- Risico's beoordelen: Gebruik vrijblijvende berekeningen bij uitworpbehandeling om foutieve aanslagen te voorkomen.
- Document nauwkeurig: Volg de werkinstructies bij bijzondere gevallen zoals AV-posten en penposten voor correcte afdracht.
- Behandelwijze bewaken: Bewaak de behandelwijze bij HOT/HOR-beoordelingen om herhaalde doorloop en inefficiëntie te voorkomen.
- Afwijkende handelingen: Noteer afwijkende behandelingen tijdig en duidelijk om consistentie en traceerbaarheid te garanderen.
- Oplegtermijnen volgen: Houd strikte oplegtermijnen aan voor verzoek/wijziging VA tot 1 mei na het belastingjaar of datum van aangifte/uitstel voor aangifte.
Door deze richtlijnen te volgen, kan een inspecteur effectief en nauwkeurig voorlopige ambtshalve aanslagen opleggen en beheren. Dit komt de fiscale efficiëntie en rechtvaardigheid ten goede, en verzekert dat belastingplichtigen op correcte wijze worden belast.
Bron opleggen ambtshalve aanslagen en voorlopige aanslagen
Besluit WOO d.d. 4 april 2025 inzake voorlopige aanslagen en ambtshalve aanslagen
Interne documenten belastingdienst inzake ambtshalve aanslagen (36 pagina's)
Hoe ervaren MKB ondernemers een boekenonderzoek van de Belastingdienst?
De directie MKB (afdeling Klantbehandeling) heeft de Radboud Universiteit (RU) gevraagd om te onderzoeken hoe mkb’ers ons controleproces ervaren. Zo heeft de RU in samenwerking met een mkb-kantoor 22 ondernemers geïnterviewd bij wie onlangs een boekenonderzoek was afgerond. Daaruit bleek dat de meeste ondernemers tevreden zijn over de controlemedewerker, al willen ze meer duidelijkheid over de procedures en de aanleidingen.
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Downloads inzake ervaringen MKB ondernemers bij boekenonderzoek
Samenvatting onderzoek Radboud Universiteit inzake boekenonderzoek ((8 pagina's)
Managementreactie op onderzoek Radboud Universiteit (1 pagina)
Wat vinden MKB ondernemers van de Belastingdienst bij boekenonderzoek
Er zijn diverse MKB ondernemers benaderd om hun reactie te geven op boekenonderzoeken die door de Belastingdienst zijn uitgevoerd. Uit het rapport volgt het volgende:
- De doorlooptijd van een boekenonderzoek vinden veel ondernemers te lang.
- De tijd die een onderzoek van de ondernemers vraagt vinden veel ondernemers te veel, dit speelt met name bij een boekenonderzoek dat wordt ingestoken via een steekproef.
- Extra kosten door inschakelen deskundigheid fiscalist of accountant (die min of meer gedwongen moeten worden gemaakt) wordt als onaangenaam ervaren.
- Procedurele onzekerheid is voor veel ondernemers bezwaarlijk. Dit hangt samen met a) doorlooptijd b) stappen tijdens proces onduidelijk c) gevolgen van de controle onduidelijk (met name t.a.v. boetes) d) taakverdeling binnen belastingdienst is onduidelijk.
- Opstelling belastingdienst richting ondernemer is meestal redelijk.
- Controle ervaring is qua menselijke maat, openheid, opstelling en inlevingsvermogen positief.
- Controle medewerkers van de belastingdienst worden als objectief en niet vooringenomen gezien.
- Er is weinig twijfel over de deskundigheid van de controle medewerker.
- De toeslagen affaire werkt voor in de beeldvorming van de belastingdienst.
Noot fiscaal jurist inzake boekenonderzoek belastingdienst
Het beeld dat ondernemers schetsen over hun ervaring bij een boekenonderzoek is in z'n algemeenheid redelijk positief. De doorlooptijd en onzekerheden verdienen wel aandacht. Ook kan het taalgebruik bij schriftelijke communicatie beter. De vooringenomenheid blijft een aandachtspunt, dit is met name ontstaan door de toeslagen affaire.
De mondelinge communicatie kan verbeteren wanneer controlemedewerkers meer uitleg geven over het hoe en waarom van een controle, bijvoorbeeld over de controle-aanleiding, en zij meer aan verwachtingsmanagement doen over wat ondernemers (inhoudelijk) van de schriftelijke communicatie kunnen verwachten.
Controlemedewerkers van de belastingdienst wordt geadviseerd om alert te zijn op de informatiebehoeften van ondernemers, die onder meer door spanning voor een controle beïnvloed kunnen worden. Het is belangrijk dat de doorlooptijd van een boekenonderzoek wordt verkort, bijvoorbeeld doordat de Belastingdienst een maximale termijn hanteert voor de doorlooptijd.
De geïnterviewde ondernemers waren niet anoniem en hebben ook een reactie van de Belastingdienst ontvangen. De vraag is in hoeverre deze ondernemers volledig "het achterste van hun tong lieten zien" bij de beantwoording van de vragen. Het algemene beeld uit het onderzoek is redelijk positief. Het is goed om te lezen dat er vertrouwen is in de deskundigheid van de controle medewerker en dat de opstelling van deze medewerkers als positief wordt ervaren.
Klikbrief belastingdienst openbaar maken
Regelmatig worden wij door belastingplichtigen ingeschakeld bij bezwaar en/of beroepsprocedures waarbij de belastingdienst gebruik heeft gemaakt van zogenaamde klikbrieven. De belastingdienst geeft op haar internetsite de mogelijkheid om belastingfraude of financiële fraude te melden. Dit kan ook anoniem. De praktijk leert dat dergelijke brieven worden verstuurd door rancuneuze ex partners, werknemers, familieleden of buren. Niet altijd is bekend dat de Belastingdienst gebruik heeft gemaakt van een klikbrief of anonieme melding. Er volgt dan gewoon een vragenbrief of boekenonderzoek waarbij er gericht wordt gezocht. Wat vinden rechters?
Procedure Gerechtshof in 2020
Een ondernemer krijgt in 2017 bezoek van de Belastingdienst. De aanleiding voor dit onderzoek was een uitgebreide klikbrief waarbij gedetailleerd wordt omschreven hoe de ondernemer fiscaal probeert minder belasting te betalen. Bij het boekenonderzoek wordt geen melding gemaakt van de klikbrief. Tijdens het boekenonderzoek worden er ook zogenaamde derdenonderzoeken verricht. Gevolg is een stevig verslag boekenonderzoek en diverse naheffingsaanslagen omzetbelasting met vergrijpboeten. De belastingplichtige stelt dat hij niet tijdig op zijn rechten is gewezen (zoals de cautie). De rechtbank is nog soepel, er is geen sprake van schending van enig beginsel van behoorlijk bestuur of strijdigheid met het nemo tenetur beginsel (recht van iemand om geen bewijs tegen zichzelf te leveren of meewerken aan eigen veroordeling). Bij het hof kwamen partijen beter met elkaar in gesprek (geholpen door het hof). De vergrijpboetes worden verminderd van 50% tot 10%. Volgens het hof had de inspecteur belastingplichtige bij het bedrijfsbezoek en hierop volgende boekenonderzoek op de hoogte moeten brengen van de voorinformatie (de klikbrief). Er was immers geen sprake van een standaardonderzoek maar eerder om een straf op opsporingsonderzoek. Belastingplichtige kon zich hierdoor niet wapenen tegen de verdenkingen die er al waren. Dit is in strijd met interne ambtelijke instructies en is dit onzorgvuldig. Partijen zijn tot een compromis gekomen (verminderen boete) maar wellicht had het hof bij een beslissing verder kunnen gaan (aanslagen integraal vernietigen).
Procedure rechtbank in 2025
De Rechtbank Zeeland west brabant komt met 2 beslissingen over klikbrieven. Beide met een andere uitslag. De basis is dat alle fiscaal relevante informatie (op de zaak betrekking hebbende stukken) moet worden verstrekt (8:42 AWB) en dat dit soms anders is omdat geheimhouding noodzakelijk is (8:29 AWB). Het kan zijn dat dat een tipgever gevaar loopt bij het openbaar maken, maar dan moet de inspecteur dit wel voldoende en helder motiveren. Belastingplichtige moet helder toelichten welk belang zwaarder zou moeten wegen, zijn belang of het belang van het geheimhouden van de informatie.
Noot fiscaal jurist inzake klikbrief
Het is essentieel dat de belastingplichtige het geheel van een onderzoek kan overzien. De belastingdienst moet ook – op grond van artikel 8:42 AWB – de relevante informatie aan belastingplichtige verstrekken (zie procedure Hoge Raad inzake op de zaak betrekking hebbende stukken). Hier wordt soms krampachtig mee omgegaan, waardoor niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken direct worden verstrekt, met 8:29 AWB als insteek. Belastingplichtige moet dan via een extra procedure (geheimhoudingskamer) alsnog proberen deze stukken inzichtelijk te krijgen.
Bron klikbrief
Rechtbank Den Haag d.d. 22 juli 2019 ECLI:NL:RBDHA:2019:7392
Gerechthof Den Haad d.d. 12 juni 2020 ECLI:NL:GHDHA:2020:1201
Rechtbank zeeland west brabant d.d. 22 januari 2025 ECLI:NL:RBZWB:2025:300
Rechtbank zeeland west brabant d.d. 17 februari 2025 ECLI:NL:RBZWB:2025:872
Hoge Raad d.d. 23 oktober 2020 ECLI:NL:HR:2020:1670
Betalingregeling of kwijtschelding belastingen bij de Belastingdienst
Als een belastingplichtige uitstel van betaling of kwijtschelding van belastingen wil aanvragen moet hij/ zij hiervoor een verzoek aan de Belastingdienst sturen. Formeel is dit geregeld in de invorderingswet (artikel 25 en 26). De leidraad invordering geeft dan nog extra handvatten en uitleg. Voor een toelichting over het beleid inzake vermindering van boetes kunt u dit bestand raadplegen.
Flexibeler invorderingsbeleid per 1 juli 2025
Het kabinet wil per 1 juli 2025 het invorderingsbeleid aanpassen om zo een ruimere betalingsregeling mogelijk te maken bij saneringsakkoorden. Levensvatbare ondernemingen krijgen hierdoor meer kans (lees hier de kamervragen). Soms kan een ondernemer niet binnen de huidige regeling zijn of haar coronaschulden aflossen, een saneringsakkoord is dan een betere route. De ondernemer moet aannemelijk maken dat betaling binnen 12 maanden niet tot de mogelijkheden behoort.
Verzoek om kwijtschelding of betalingsregeling is geen bezwaarschrift
De Rechtbank Zeeland West Brabant heeft op 12 oktober 2023 (ECLI:NL:RBZWB:2023:7164) uitgesproken dat een verzoek om kwijtschelding of een betalingsregeling niet kan worden aangemerkt als een bezwaarschrift. Ook in beroep bij het Gerechtshof 's Hertogenbosch op 6 november 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:3486) kwam dezelfde conclusie op tafel. De Hoge Raad was er nog sneller klaar mee op 4 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:521) en verklaarde de zaak niet ontvankelijk omdat het griffierecht niet tijdig is voldaan. De bezwaarschriften tegen diverse (gemeentelijke) aanslagen waren te laat (en geen verschoonbare termijnoverschreiding). De verzoeken om kwijtschelding en uitstel van betaling kwalificeren ook niet als bezwaarschrift, deze gaan immers niet over de grondslagen van de aanslagen.
Woo verzoek kwijtscheldingsverzoeken Belastingdienst
In maart 2025 is meer inzicht verkregen over de interne behandeling van sanerings- en kwijtscheldingsverzoeken bij de Belastingdienst. Via een Woo verzoek is de volgende informatie bekend geworden:
- Overzicht saneringen in 2023 en 2024
- Verzoek kwijtschelding van belastingen en premies voor ondernemingen
- Handelingsperspectieven voor ondernemers met en zonder coronal uitstel na 1 april 2022
- Tijdelijke instructie saneringen
Verbeterde rechtsbescherming voor belastingplichtigen bij discussies over uitstel van betaling en kwijtschelding
Op 23 januari 2025 heeft de staatssecretaris van Financiën een besluit genomen dat tot doel heeft de rechtsbescherming voor belastingplichtigen bij discussies over uitstel van betaling en kwijtschelding van belastingschulden te verbeteren. Deze maatregel, onderdeel van de Fiscale Vereenvoudigingswet, treedt in werking op 1 januari 2027. Dit besluit is een nadere uitwerking van de brief van de staatssecretaris uit juni 2023.
Betalingsregeling bij de Belastingdienst
Onder het huidige systeem dient een belastingplichtige een verzoek in bij de ontvanger voor uitstel van betaling of kwijtschelding van belastingschulden. Dit is geregeld volgens artikel 25 Invorderingswet 1990 (uitstel van betaling) en artikel 26 Invorderingswet 1990 (kwijtschelding). De Leidraad Invordering 2008 en de Instructie Invordering en Belastingdeurwaarders bevatten nadere beleidsregels en richtlijnen voor de ontvangers. Indien een verzoek wordt afgewezen, kan de belastingplichtige administratief beroep instellen bij de directeur van de belastingdienst. De procedure is echter weinig effectief gebleken. Het administratief beroep wordt vaak afgehandeld door dezelfde afdeling die het oorspronkelijke verzoek beoordeelde – een geval van de bekende "slager die zijn eigen vlees keurt".
Kwijtschelding belastingschulden
De ontvanger is bevoegd om onder bepaalde voorwaarden en omstandigheden belastingschulden deels of volledig kwijt te schelden (artikel 26 invorderingswet / artikel 7 - 28 uitvoeringsregeling invorderingswet). U moet hiertoe (als ondernemer) een verzoek indienen bij de ontvanger. Advisering bij dit verzoek is wenselijk omdat een verzoek tot kwijtschelding enkel wordt verleend als sprake is van betalingsonmacht. In sommige gevallen worden belastingen gedeeltelijk kwijtgescholden. Kwijtschelding wordt enkel verleend als er ook een akkoord is bereikt met alle overige schuldeisers, eventueel tegen gedeeltelijke betaling van de schuld.
Wijzigingen betalingsregeling belastingdienst of kwijtschelding belastingschulden
Per 1 januari 2027 worden beslissingen van de ontvanger rondom uitstel van betaling en kwijtschelding voor bezwaar vatbare beschikkingen. Dit houdt in dat belastingplichtigen bezwaar kunnen maken tegen de beschikking en vervolgens in beroep kunnen gaan bij de fiscale rechter. De belangrijkste verandering is de overgang van een administratief beroepsprocedure naar een reguliere bezwaar- en beroepsprocedure. De wijzigingen zullen eerst gelden voor rijksbelastingen, later ook voor lokale heffingen.
Voordelen van de wijziging
- onafhankelijke beoordeling: De fiscale rechter kan de beslissingen van de ontvanger beoordelen met een frisse en objectieve blik. Dit verhoogt de kans op een eerlijke behandeling.
- betere rechtsbescherming: Echte onafhankelijke toetsing kan burgers die in een financieel moeilijke positie verkeren meer bescherming bieden.
Kanttekeningen
- Financiële barrières: Procederen met een kundige gemachtigde kan de winstkansen vergroten, maar financiële middelen vormen vaak een barrière voor belastingplichtigen die kwijtschelding of uitstel van betaling nodig hebben.
- Capaciteitsproblemen: De rechterlijke macht kampt al met capaciteitsproblemen, waardoor doorlooptijden van zaken kunnen oplopen en extra onzekerheid kan ontstaan.
Praktische tips voor ondernemers met betalingsproblemen
- Documentatie en voorbereiding: Zorg altijd dat uw verzoeken voor uitstel of kwijtschelding goed gedocumenteerd en onderbouwd zijn.
- Herziening en beroep: Maak actief gebruik van de mogelijkheid om bezwaar te maken en zo nodig in beroep te gaan. Deze nieuwe rechtsbescherming kan in uw voordeel werken. U zou elementen uit dit nieuwe besluit kunnen meenemen bij uw huidige verzoek voor een betalingsregeling of kwijtschelding.,
- Advies: Overweeg om juridisch advies in te winnen bij het indienen van bezwaar en beroep. Een ervaren fiscaal jurist kan uw kansen op een gunstige uitkomst vergroten. Vraag gerust een vrijblijvende offerte via e-mail of onderstaand antwoord formulier.
Noot fiscaal jurist inzake betalingsregeling en/of kwijtschelding belastingen
In de huidige praktijk zien wij steeds vaker dat een administratieve beroepsprocedure weinig heeft toegevoegd. De slager die zijn eigen vlees gaat keuren levert simpelweg minder kans op succes en/of een redelijke belangenafweging. Nog te vaak wordt het advies van de ontvanger en diens toelichting met advies gewoon opgevolgd. In het kader van de rechtsbescherming is dit dus een mooie stap vooruit. De belastingplichtige krijgt in de nieuwe situatie een beschikking waarmee hij/zij de gang naar de rechter kan maken.
Met de invoering van deze nieuwe regeling wordt een belangrijke stap gezet in de richting van verbeterde rechtsbescherming voor belastingplichtigen in Nederland. Dit is een noodzakelijke ontwikkeling die belastingplichtigen in financiële nood een eerlijkere kans biedt op uitstel van betaling of kwijtschelding van belastingschulden. Het is echter belangrijk om goed voorbereid te zijn en alle mogelijke juridische middelen effectief te benutten. Hiervoor is kennis van de wetgeving, leidraad en de genoemde instructie invordering van essentieel belang.
Meer informatie over dit onderwerp en hoe wij u kunnen helpen, vindt u op onze website. Neem gerust contact met ons op voor een vrijblijvend gesprek.
Bron betalingsregeling en rechtsbescherming
Onrechtmatig verkregen bewijs in belastingzaken
In een arrest van 20 maart 2015 en 31 januari 2025 gaat de belastingkamer van de Hoge Raad verder in op het toetsingskader van het gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs door de inspecteur en/of gebruik in fiscale procedures. Dat de literatuur hier veel over schrijft en de meningen verdeeld zijn spreekt voor zich, temeer ook omdat er gekeken wordt naar EU uitspraken over dit onderwerp (zoals Hof van Justitie d.d. 17 december 2015).
Onrechtmatig verkregen bewijs en gebruik in fiscale procedures
In de procedure uit 2025 was er een strafrechtelijk onderzoek geweest waarbij er bij de heer Y een huiszoeking heeft plaatsgevonden. Bij deze huiszoeking is een overeenkomst aangetroffen (een schenkingsakte). Deze schenkingsakte is door het openbaar ministerie ter beschikking gesteld aan de inspecteur. Uit deze akte volgt dat de heer X zijn aandelen (in ruim 20 bedrijven) heeft geschonken aan zijn zoon (de heer Y). Omdat Y niet alle vragen van de inspecteur heeft beantwoord wordt een informatiebeschikking uitgereikt. De heer Y wil niet alle vragen beantwoorden omdat hij van mening is dat de inspecteur de schenkingsakte onrechtmatig heeft verkregen. Zowel de rechtbank als het gerechtshof waren van mening dat de informatie mag worden gebruikt omdat is voldaan aan het “zozeer indruist criterium”. Ook de Hoge Raad is in 2025 van mening dat de akte mag worden gebruikt. Het gebruik van dergelijke bewijsmiddelen is niet toegestaan als artikel 6 EVRM daartoe dwingt of de bewijsmiddelen zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar wordt geacht.
Noot fiscaal jurist inzake bewijsmiddelen
Discussie over onrechtmatig verkregen bewijs is van alle tijden en dagen. De belangrijkste uitspraken stammen uit 1992 en 2015, met nu een nuance in 2025. Deze uitspraken liggen nog niet helemaal in lijn met uitspraken van het Hof van Justitie. In de casus uit 2015 ging het om een belastingplichtige die in de strafzaak is vrijgesproken (belastende bewijs mocht niet worden gebruikt). De basis voor de Hoge Raad is het volgende;
- De Hoge Raad overwoog dat strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen in een belastingprocedure in elk geval toelaatbaar moet zijn als de verkrijging daarvan niet onrechtmatig is geweest jegens de belastingplichtige in de fiscale procedure.
- Er moet met alle omstandigheden rekening worden gehouden en hierbij spelen ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijke rol (met name zorgvuldigheidsbeginsel).
- Van strijdigheid met algemene beginselen is geen sprake als de inspecteur het onrechtmatig strafrechtelijk verkregen bewijs ook rechtmatig had kunnen verkrijgen, bijvoorbeeld door de juiste vragen te stellen (op grond van beschikbare informatie).
- De bewijsmiddelen mogen niet worden gebruikt als ze zijn verkregen op een manier (of wijze) die die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht (het ‘zozeer indruist’-criterium)
In sommige gevallen is informatie in het strafproces onrechtmatig verkregen maar ligt deze informatie wel in het fiscale dossier. Soms mag dit en soms niet, aldus de Hoge Raad. Als bewijsmateriaal met schending van het verschoningsrecht wordt verkregen mag deze informatie – ook fiscaal – niet worden gebruikt.
De belastingrechter is echter volgens de belastingkamer van de Hoge Raad niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter (noch aan de feitenvaststelling, noch aan het rechtmatigheidsoordeel), de belastingrechter heeft immers een ander en eigen toetsingskader. Als de feiten op elkaar lijken moet de belastingrechter wel met een heldere motivering komen.
Er zijn ook stromingen die stellen dat het Europese handvest zich verzet tegen het “zozeer indruist” criterium. In het arrest uit 2015 wordt de hoofdlijn duidelijk. Het arrest uit 2025 geeft een verdere verfijning van dit arrest.
Het “zo zeer indruist criterium” (uit 1992) volstaat dus nog steeds als maatstaf om te kunnen bepalen of informatie – dat is bestempeld als strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs – wel of niet bruikbaar is bij fiscale procedures en fiscale boetes. De inspecteur moet dus netjes omgaan met het verkrijgen van bewijsmateriaal en het gebruik hiervan zal dan zelden door de rechter worden uitgesloten.
Bron onrechtmatig verkregen wijs
Hoge Raad d.d. 1 juli 1992 ECLI:NL:HR:1992:ZC5028
Hoge Raad 20 maart 2015, nr. 13/03959, ECLI:NL:HR: 2015:643
HvJ EU 17 december 2015, zaak C-419/14, ECLI:EU:C:2015:832
Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 10 juni 2021 ECLI:NL:RBZWB:2021:2950
Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 9 november 20222 ECLI:NL:GHSHE:2022:3875
Pensioen in de BV en kwijtschelding rekening courant vordering
Deze casus is redelijk complex maar ook weer niet. Een DGA heeft een BV opgericht en tevens bij deze BV een lijfrente en een pensioen bedongen. Tevens heeft de DGA geld van zijn BV geleend, deze vordering loopt redelijk op in de periode 2002 - 2013, dit tot ruim 1 miljoen euro. In 2014 wordt de vordering van de BV op de DGA afgewaardeerd. Voor de inspecteur is dit de reden om aanslagen inkomstenbelasting opgelegd. Het inkomen in box 1 en box 2 wordt gecorrigeerd. De inspecteur stelt dat de BV de vordering op de DGA heeft kwijtgescholden, hierdoor zijn de pensioen en lijfrente verplichtingen niet meer gedekt, derhalve is sprake van box 1 heffing.
De
rechtbank d.d. 11 juni 2021 ECLI:NL:RBGEL:2021:2929 geeft de inspecteur
gelijk, er is sprake van afkoop van het pensioen. De DGA gaat in beroep.
Het
Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 22 november 2022 ECLI:NL:GHARL:2022:10085
stelt dat de vordering civielrechtelijk nog gewoon bestaat, dat van kwijtschelding
geen sprake is en dat de BV enkel een voorziening heeft getroffen voor
de vordering op de DGA. Er is - volgens het Gerechtshof - dan ook geen
sprake van een kwijtschelding.
De inspecteur stelt ook nog dat de vordering op de DGA voorwerk van zekerheid
is geworden, dit impliceert afkoop en box 1 heffing. Inspecteur twijfelt
of de DGA de schuld überhaupt kan aflossen, hiermee heeft het vermogen
de BV definitief verlaten (dus winstuitdeling en box 2 heffing). Het hof
kijkt er redelijk praktisch naar, de DGA heeft recht op een pensioenuitkering
en deze kan worden verrekend of voldaan via de rekening courant vordering
van de BV op de DGA. De Hoge
Raad d.d. 31 januari 2025 ECLI:NL:HR:2025:145 verwijst de zaak naar
de prullenbak via artikel 81 RO.
Noot fiscaal jurist inzake afkoop pensioen en rekening courant vordering DGA
Een vordering afwaarderen wil nog niet zeggen dat deze civielrechtelijk ook weg is. Deze belangrijke conclusie is terecht. Kennelijk heeft de BV goede argumenten om de vordering af te waarderen (goedkoopmansgebruik). Van afkoop en een winstuitdeling is in deze casus geen sprake. Dit ging ook al mis in arrest van de Hoge Raad d.d. 13 januari 2023 ECLI:NL:HR:2023:26, deze zaak is echter verwezen.
De Hoge Raad vernietigde de hofuitspraak op het onderdeel "de geldlening kan niet meer worden terugbetaald dus is sprake van een uitdeling", omdat het hof geen verschil had gemaakt tussen onttrekkingen die plaatsvinden op het moment waarop de bv geldmiddelen ten titel van lening aan haar aandeelhouder verstrekt, en onttrekkingen die pas later plaatsvinden doordat een vennootschap de vordering vrijwillig prijsgeeft. Als het om prijsgeven gaat, had het gerechtshof bovendien moeten vaststellen en motiveren dat en tot welk bedrag de bv haar vordering in 2010 vrijwillig heeft prijsgegeven.
We zien in de praktijk veel pensioen BV's die zijn "leeggehaald" door de DGA. De wet excessief lenen zorgt er sinds enkele jaren wel voor dat de rekening courant schuld maximaal € 500.000 mag bedragen. De discussie over de vraag of er al dan niet sprake is van een verkapte winstuitdeling worden hiermee overzichtelijker, van alles boven de € 500.000 is hiervan sprake. Het mooiste zou zijn dat dergelijke situaties in vooroverleg met de Belastingdienst kunnen worden opgelost, dit loopt niet altijd even lekker. Het zou goed zijn dat het ministerie met beleid komt hoe met dergelijke situaties moet worden omgegaan. Heeft u vragen? Mail ons gerust via onderstaand formulier.
Bron bestanden afkoop pensioen en rekening courant DGA
De rechtbank d.d. 11 juni 2021 ECLI:NL:RBGEL:2021:2929
Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 22 november 2022 ECLI:NL:GHARL:2022:10085
Het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 17 januari 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:352
Vertrouwen na boekenonderzoek
De wet is de wet en daaraan moet iedereen zich houden. Ook de belastingdienst. Ook daar worden fouten gemaakt en zit de belastingdienst er weleens naast. Toch moet er dan (alsnog) belasting worden geheven. Wanneer mag je de belastingdienst vertrouwen? In dit artikel behandelen wij een uitspraak van de Rechtbank Den Haag d.d. 10 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:22321
Sinds de zogenoemde doorbraakarresten uit 1978 kan er echter -ten gunste van de belastingplichtige – van de wet worden afgeweken als de belastingdienst het te bont maakt. Of, zoals de Hoge Raad het stelt, strikte toepassing van de wet kan zodanig in strijd komen met een of meer beginselen van behoorlijk bestuur, dat die toepassing achterwege dient te blijven. Het vertrouwensbeginsel geldt wanneer een belastingplichtige zich in redelijkheid mag beroepen op een (vermeende) toezegging of uitlating van de belastingdienst.
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Boekenonderzoek zonder correctie en daarna wel correctie
Bob is aannemer en huurt voor het feitelijke werk onderaannemers in. De BTW op die facturen brengt Bob in aftrek op de door hem af te dragen BTW. Bij een boekenonderzoek constateert de belastingdienst dat dat niet klopt. Door de zogenoemde verleggingsregeling mogen de onderaannemers helemaal geen BTW in rekening brengen. Bijgevolg heeft Bob die BTW dus te onrechte afgetrokken. De belastingdienst legt in eerste instantie geen naheffing op
In het rapport van het boekenonderzoek (in 2014) stelt de belastingdienst dat de ten onrechte afgetrokken BTW niet wordt nageheven onder de voorwaarde dat de onderaannemers de (ten onrechte) in rekening gebrachte BTW wel hebben afgedragen aan de belastingdienst (in de kennelijke gedachte: het geld komt toch wel binnen; vestzak-broekzak. De achtergrond van de verleggingsregeling is nota bene het feit dat de onderaannemers de BTW niet afdragen).
Nadien is er een tweede boekenonderzoek van de belastingdienst (2018) geweest dat is uitgebreid naar de jaren tot 2014. Op basis van dat rapport wordt ook (alsnog) nageheven over de jaren die bij het eerste rapport (2014) al waren verstreken.
Geen naheffing door opgewekt vertrouwen door Belastingdienst
Volgens de rechtbank heeft het rapport 2014 bij Bob het rechtens te beschermen vertrouwen gewekt dat de verleggingsregeling buiten toepassing wordt gelaten ter zake van de tot de datum van het rapport door onderaannemers aan hem in rekening gebrachte bedragen. Daarmee heeft Bob de BTW terecht – hoewel in strijd met de wet – in aftrek gebracht. Ook dan gelden dus de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De belastingdienst tracht de meubelen nog te redden door de opmerking dat de BTW een Europese belasting is en het vertrouwensbeginsel in Europees verband de wet niet ‘doorbreekt’. Dat argument pareert de rechtbank met de opmerking dat Nederland Europeesrechtelijk niet verplicht is de verleggingsregeling toe te passen. “Omdat niet met het Unierecht in strijd is af te zien van enige verleggingsregeling ter zake van bouwwerkzaamheden, is ook niet met Unierecht in strijd toepassing van zodanige regeling op grond van het vertrouwensbeginsel achterwege te laten.” Daarmee is de naheffing van tafel.
Noot fiscaal jurist inzake boekenonderzoek en vertrouwensbeginsel
De algemene beginselen van behoorlijk bestuur winnen aan kracht maar blijven zeer complex in de uitvoering. Heeft u ook een belastingaanslag die waarschijnlijk wel klopt met de wettelijke bepalingen, maar waarbij u denkt: wat de belastingdienst hier doet is niet helemaal koosjer en kan niet door de beugel, neem dan contact met ons op. Winnen op formele beginselen is net zo heerlijk als op de inhoud.
Bron inzake boekenonderzoek en algemene beginselen behoorlijk bestuur
Hoge Raad 12 april 1978, ECLI:NL:HR:1978:AX3264
Hoge Raad 12 april 1978, ECLI:NL:HR:1978:AM4447
Rechtbank Den Haag 10 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:22321
Vooroverleg inzake beoordeling arbeidsrelatie met de Belastingdienst
De schrik is menig opdrachtgever en opdrachtnemer op het hart geslagen toen bekend werd gemaakt dat het handhavingsmoratorium met ingang van 1 januari 2025 zou worden beeindigd. Een aantal controles van de Belastingdienst op de inzet van schijnzelfstandigen deed deze schrik nog eens toenemen. In overleg met Damsté advocaten hebben wij via onze quickscan al vele ondernemers mogen adviseren. Bepaalde sectoren zoals de bouw, zorg, onderwijs en schoonmaakwereld liggen onder een vergrootglas.
Publicaties inzake handhavingsplan arbeidsrelaties
Inmiddels is een Toelichting gepubliceerd door de Belastingdienst met betrekking tot het beslis en afwegingskader bij de Beoordeling van arbeidsrelaties. Ook is op 18 december 2024 het Handhavingsplan arbeidsrelaties bekend gemaakt. Helaas brengen deze niet de gewenste duidelijkheid.
Immers volgens het Handhavingsplan kan sprake zijn van:
- een waarschuwing;
- een aanwijzing of;
- een correctieverplichting.
Een echte toelichting welk instrument wanneer wordt ingezet ontbreekt, terwijl de arbeidsmarkt daarop juist zit te wachten en laten we eerlijk zijn, op basis van het gezegde gelijke monniken gelijke kappen, is deze verwachting vanuit de arbeidsmarkt ook volstrekt gerechtvaardigd.
Vooroverleg Belastingdienst inzake arbeidsrelaties
Inmiddels is ook het formulier ‘verzoek vooroverleg beoordeling arbeidsrelatie’ beschikbaar. Middels dit formulier kan een standpunt van de Belastingdienst worden gevraagd met betrekking tot een arbeidsrelatie. In de bijbehorende ‘checklist verzoek vooroverleg’ staat welke informatie u moet vermelden in het verzoek om vooroverleg.
Bij de aan te leveren feiten en omstandigheden worden alle elementen uit het zogenoemde Deliveroo-arrest langsgelopen:
- de aard en de duur van de werkzaamheden;
- de manier waarop de werkzaamheden en werktijden zijn bepaald;
- de mate waarin de werkzaamheden en opdrachtnemer onderdeel zijn van de organisatie van de opdrachtgever;
- is er wel of geen verplichting om het werk persoonlijk uit te voeren?
- op welke manier zijn de afspraken tussen partijen tot stand gekomen?
- hoe is de hoogte van de beloning bepaald en hoe wordt deze uitbetaald;
- de hoogte van de beloning;
- de mate waarin de opdrachtnemer bij de opdracht commercieel risico loopt;
- de mate waarin de opdrachtnemer zich als ondernemer gedraagt (waaronder het aantal opdrachtgevers).
De vraag is natuurlijk wat is de zin en de onzin van een dergelijk vooroverleg. Bij de meeste lopende controles wordt in dubio pro fiscus geoordeeld. Als uw verzoek om vooroverleg gewoon wordt aangemerkt als gewenste zekerheid is er geen probleem. Als daarentegen het verzoek wordt uitgelegd als een omstandigheid dat u ook zelf twijfelt over de kwalificatie van de arbeidsrelatie, is zo’n verzoek om vooroverleg een doodgeboren kindje. Het is leuk bedacht, maar het lost niets op.
Intussen gaat het in diverse gerechtelijke uitspraak alle kanten op. De holistische waardering van alle feiten en omstandigheden leidt even vaak tot de conclusie dat sprake is van een arbeidsovereenkomst als tot de conclusie dat daarvan geen sprake is. Voorlopig geen echte duidelijkheid dus....wij wensen de ondernemer succes en sterke.
Zonder direct voor eigen parochie te willen spreken kan een quick scan wel de risico's bij de opdrachtgever in beeld brengen en deze substantieel beperken. Geven wij dan wel garantie? Dat blijft altijd lastig, immers soms zijn de formele vastleggingen volledig in on balans met de werkelijkheid of worden we weer ingehaald door nieuwe jurisprudentie.
Bronnen fiscale arbeidsrelatie bij ondernemers
Kamervragen schijnzelfstandigheid dd 18 september 2024.
Afwegingskader dienstbetrekking Belastingdienst.
Brochures belastingdienst inzake arbeidsrelaties.
Verzoek vooroverleg belastingdienst inzake arbeidsrelaties
Boete bij navordering crypto
Om een juiste belastingaanslag vast te stellen, moet de Belastingdienst over voldoende en juiste informatie beschikken. Een belangrijke informatiebron voor de inkomstenbelasting is de aangifte. Als inkomen niet wordt aangegeven kan een boete worden opgelegd.
Als de Belastingdienst constateert dat bepaald inkomen niet is aangegeven kan direct bij de aanslag een boete (en soms gevangenisstraf) worden opgelegd. De Belastingdienst moet dan wel bewijzen dat het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan.
Als de Belastingdienst constateert dat bepaald inkomen niet is aangegeven, nadat de aanslag is vastgesteld, kan worden nagevorderd en daarbij een boete worden opgelegd. De Belastingdienst moet dan wel bewijzen dat het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de (eerste) aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.
De Belastingdienst moet de feiten en omstandigheden aantonen waardoor buiten redelijke twijfel het beboetbare feit komt vast te staan. Bij twijfel moet de belastingplichtige het voordeel van die twijfel worden gegund. Dat noemen we ook wel “doen blijken”.
Geen nieuw feit dus geen navorderingsaanslag
De Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt op 5 juni 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:3526) dat de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2020 en de belastingrentebeschikking onterecht aan belanghebbende (X) zijn opgelegd. De inspecteur beschikte namelijk niet over een nieuw feit en maakte een beoordelingsfout.
- Henk diende op 29 maart 2021 zijn aangifte IB 2020 in met een belastbaar inkomen van € 68.422.
- De inspecteur stelde op 13 augustus 2021 een onderzoek in naar de aangifte IB 2019 van Henk, wat op 11 maart 2022 leidde tot een correctie.
- Desondanks werd de definitieve aanslag IB 2020 op 18 maart 2022 automatisch vastgesteld, zonder rekening te houden met deze eerdere correctie.
- Op 30 mei 2022 ontving de inspecteur nadere gegevens vanuit Luxemburg, waarna op 21 juni 2022 een navorderingsaanslag werd opgelegd voor een inkomen van € 87.293, inclusief € 1.030 belastingrente.
Er is geen nieuw feit, omdat de inspecteur bij het vaststellen van de oorspronkelijke aanslag IB 2020 het dossier had moeten raadplegen. Daaruit bleek al dat de aangifte onjuist was (correctie 2019). Er is geen sprake van een kenbare fout, omdat de inspecteur een verwijtbare beoordelingsfout maakte. Hij had maatregelen moeten nemen om automatische verwerking van de aangifte 2020 te voorkomen. De rechtbank vernietigt zowel de navorderingsaanslag IB 2020 als de belastingrentebeschikking van Henk. De inspecteur had zijn controledossier beter moeten benutten en de aanslag zorgvuldiger moeten opleggen.
Bewust afgezien van loon en boete
Voor een directeur-grootaandeelhouder (DGA) geldt de gebruikelijk-loonregeling van artikel 12a Wet op de Loonbelasting. Op grond daarvan moet ten minste € 56.000 (2024) als loon worden genomen als voor de eigen BV wordt gewerkt. Die bepaling geldt ook voor de partner van de DGA (als die voor de BV werkt).
In een recente casus had meneer een marketing adviesbureau waarvoor hij en zijn partner werken. Op zich lopen meneer en mevrouw dan allebei tegen de gebruikelijk-loonregeling aan. Beiden hebben die regeling niet toegepast en geen inkomen in hun aangifte inkomstenbelasting verantwoord.
De Belastingdienst meende dat sprake was van opzet en legde vergrijpboetes op.
Bewust onjuiste aangifte en vergrijpboete
Het gerechtshof stelde vast dat er sprake was van een aanmerkelijk belang in de BV en dat voldoende middelen in de BV aanwezig waren en dat ter onrechte geen loon is aangegeven. Het Hof oordeelt dat uit een boekenonderzoek van de Belastingdienst blijkt dat – aanzienlijke – bedragen aan het vermogen van de BV zijn onttrokken (en er dus voldoende solvabel was om loon te betalen) en dat de Belastingdienst overtuigend heeft aangetoond dat meneer en mevrouw bewust hebben afgezien van loon van de BV en dat zij daardoor wisten dat te weinig belasting zou worden geheven. Door geen loon van de BV in aanmerking te nemen hebben zij volgens het Hof willens en wetens onjuiste aangiften gedaan om dit inkomensbestanddeel uit het zicht van de fiscus te houden, waardoor te weinig belasting is geheven. De boete is daarmee terecht.
Wist of behoorde te weten van onjuiste aangifte
Ten aanzien van meneer volgt de Hoge Raad het oordeel van het gerechtshof. Die moet dus op de blaren zitten. Voor mevrouw pakt het (voorlopig) gunstiger uit. De Hoge Raad bepaalt dat voor het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte, door daarin niet een gebruikelijk loon aan te geven, nodig is dat mevrouw wist dat zij een aanmerkelijk belang houdt in de BV voor welke zij, zonder beloning, arbeid verricht. Dat is niet door het gerechtshof vastgesteld. Het feit dat mevrouw op grond van artikel 4.6, aanhef en letter a, Wet IB 2001(een wetsfictie) een aanmerkelijk belang in de BV had, impliceert niet dat zij dat ook wist.
Een ander gerechtshof moet nu bepalen of mevrouw wist dat zijn aanmerkelijkbelanghouder was. Kennelijk kan de Hoge Raad wel leven met het (impliciete) oordeel van het gerechtshof dat mevrouw wel wist dat de BV voldoende solvabel was. Mevrouw is nog niet definitief van de boete verlost maar de vraag is hoe kan worden vastgesteld dat zij van haar aanmerkelijkbelanghouder-schap wist.
Opmerking fiscaal jurist inzake verzwegen of vergeten inkomen of vermogen
De laatste jaren trekt de Hoge Raad steeds scherpere lijnen als het gaat om het opleggen van een vergrijpboete. Het bewijs ligt duidelijk bij de Belastingdienst en is zwaar. Dat is meer dan terecht. Is er sprake van opzet of een onjuist advies?
Laten we het genderneutraal formuleren. Bij het bestrijden van een boete kan de partner voor het karretje worden gespannen. Anderzijds: laat u als partner niet voor het karretje spannen; dat kan tot een boete leiden. Heeft u nu ook een (boete)geschil met de Belastingdienst, neem dat vrijblijvend contact met ons op.
Jurisprudentie inzake verzwijgen of vergeten inkomen
Hoge Raad 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1394(vrouw)
Gerechtshof Den Haag 8 november 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2329(vrouw)
Hoge Raad 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1385(man)
Gerechtshof Den Haag 8 november 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2330(man)
Crypto of bitcoin en navordering, 5 jaar of 12 jaar?
De laatste jaren hebben wij honderden belastingplichtigen bijgestaan bij de inkeerregeling. Op dit moment - en de komende jaren - zullen er via zogenaamde DAC meldingen vele crypto eigenaren onder de spreekwoordelijke bril van de Belastingdienst komen. De vraag die dan opkomt is of de Belastingdienst 5 of 12 jaar mag navorderen. Binnen onze praktijk zien we steeds vaker geschilen en advisering inzake de belastingheffing over de digitale munten (crypto), zoals bitcoin en diverse altcoins. De discussie met de Belastingdienst heeft betrekking op de volgende onderdelen
- herkomst en ontstaan crypto;
- aankoop crypto en ontwikkeling;
- heffing in box 1 of box 3;
- navorderingstermijn 5 jaar of 12 jaar.
Vragen over crypto in uw aangifte of hulp bij inkeren bij de belastingdienst? Onze specialisten helpen u graag en hebben meer dan voldoende ervaring. Mail ons gerust voor een vrijblijvende offerte.
Fiscaal advies voor crypto of bitcoin bezitters
Actief met crypto, trading, blockchain of cold storage? Voorkom fiscale risico's en betaal niet onnodig belasting over uw bezit. Onze fiscalisten combineren diepgaande kennis van crypto met jarenlange ervaring in complexe fiscale structuren voor vermogende particulieren en crypto bezitters. De meest voorkomende advies onderdelen bij crypto of bitcoin bezitters:
- Crypto vergeten in uw aangifte inkomstenbelasting en vrijwillig melden
- Crypto inbreng in BV
- Crypto in familiefonds
- Emigratie naar fiscaal vriendelijk crypto land, zoals Portugal en Duitsland
- Hulp bij beantwoording vragenbrief of boekenonderzoek belastindienst.
- Inlog kwijt, waarde crypto dan 0 euro?
Onze specialisten helpen u graag en hebben meer dan voldoende ervaring. Mail ons gerust.
De navorderingstermijn in de inkomstenbelasting
Als inkomen of vermogen niet juist of volledig is opgegeven kan de belastingdienst navorderen. Of er kan worden nagevorderd moet vooraf zorgvuldig langs de wet en regelgeving worden gelegd, er moet namelijk wel een grond zijn om tot navordering over te kunnen gaan. Vervolgens is de vraag over welke periode er kan worden nagevorderd.
- De Belastingdienst kan navorderen voor 5 jaar (binnenland) of 12 jaar (buitenland), dit wordt gerekend vanaf het moment waarop de belasting verschuldigd is (dus na het kalenderjaar).
- De vraag of 5 jaar of 12 jaar kan worden nagevorderd zal afhangen van de vraag waar de inkomens- of vermogensbestanddelen zijn "opgekomen" of waar het vermogen wordt "aangehouden".
- De verlengde termijn van 12 jaar is in de Nederlandse wet opgenomen omdat de Belastingdienst in het buitenland in situaties niet over toereikende controlemogelijkheden beschikt om aldaar opgekomen of aangehouden vermogen of inkomen te achterhalen, dit klinkt logisch.
- Voor crypto is dus de vraag: waar wordt de crypto aangehouden en waar zijn de inkomsten uit crypto opgekomen, een mooie - soms praktische - discussie.
In een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 16 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:303) , het zogenaamde Ijssalon arrest kwam de vraag aan de orde of over in Nederland verdiende winst, die daarna in het buitenland is ondergebracht, gedurende 5 jaar of 12 jaar kon worden nagevorderd. De Hoge Raad is van mening dat als inkomsten in Nederland zijn gegeneerd en ontvangen op deze inkomsten niet de verlengde termijn van 12 jaar kan worden toegepast.
Nieuws: Crypto vanaf 1 janauri 2026 automatisch in uw aangifte inkomstenbelasting. Crypto aanbieders zijn vanaf dat moment verplicht om gegevens uit te wisselen met de belastingdienst. Het wetsvoorstel (link) hierover is in juli 2025 naar de tweede kamer gestuurd. Eerste rapportage is dan op 31 januari 2027 (over 2026).
Noot fiscaal jurist inzake verlengde navorderingstermijn bij crypto
De Belastingdienst stelt in een aantal gevallen dat crypto niet zuiver in Nederland is aangehouden of opgekomen, een heldere toelichting ontbreekt. Als vervolgens wordt verwezen naar het genoemde IJssalon arrest blijft een heldere motivering thans nog uit. Het lastige van crypto is vaak dat niet duidelijk is waar deze wordt aangehouden. Bitcoin wordt immers niet bewaard op de hardware wallet, deze wordt alleen gebruikt voor het wachtwoord (de key). Deze key geeft dan weer toegang tot de crypto op de blockchain, deze blockchain is dan weer een samenstelling van (peer to peer) transacties. Crypto bevinden zich dus niet in binnen- of buitenland maar overal. Deze onduidelijkheid zal de komende tijd wel worden opgelost door de wetgever, via een wetswijziging zal vermoedelijk op crypto de 12 jaarstermijn worden toegepast.
In een uitspraak van de Rechtbank Noord Nederland d.d. 4 april 2024 ECLI:NL:RBNNE:2024:1216 kwam de navorderingstermijn aan de orde. Volgens de rechtbank - die ook verwijst naar het genoemde IJssalon arrest - kan de verlengde navorderingstermijn (artikel 16 lid 4 AWR) niet worden toegepast. De inkomsten zijn namelijk niet in het buitenland opgekomen. De rechtbank zoekt verder ook steun in een conclusie van de AG uit 2023 (d.d. 17 maart 2023 ECLI:NL:PHR:2023:303). De vraag die voorlag is ook waar het inkomen is opgekomen of aangehouden, zie hiertoe Hoge Raad 13 augustus 2004 ECLI:NL:HR:2004:AQ6911.
Of de uitspraak van de rechtbank helemaal juist is laten we nu nog even in het midden, twijfel aan onze kant zit in het feit dat er is betaald via crypto op een "bankrekening (in dit geval wallet) van de belastingplichtige. De komende periode zullen er meer zaken voor de rechter verschijnen waarbij het erop lijkt dat belastingplichtige de beste "digitale" kaarten heeft.
Zijn er vragen of opmerkingen of worstelt u met bitcoin of crypto, stuur ons gerust een bericht.
ZZPer met BV hiermee dienstbetrekking discussie voorkomen?
Met de aankondiging van de Belastingdienst dat zij vanaf 1 januari 2025 weer streng gaat controleren (einde van het zogenoemde handhavingsmoratorium) op de inzet van ZZP’ers, is er in veel sectoren onrust ontstaan, niet alleen bij de opdrachtgevers maar ook bij de ZZP’ers zelf. Nu is de discussie over schijnzelfstandigheid niet nieuw, maar voor het einde van het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 werd er alleen gecorrigeerd als sprake was van kwaadwillendheid.
Naheffingen over periode voor 2025 bij ZZPer?
Het opheffen van het handhavingsmoratorium wil niet zeggen dat correcties nu ook met terugwerkende kracht zullen plaatsvinden. Er wordt namelijk wel rekening gehouden met het handhavingsmoratorium, waardoor correcties met terugwerkende kracht alleen worden doorgevoerd tot 1 januari 2025. Voor de periode vóór 1 januari 2025 kan de Belastingdienst, binnen de vijfjaarstermijn, alleen correcties opleggen bij kwaadwillendheid of onvoldoende opvolging van eerder gegeven aanwijzingen.
Vanuit een mogelijk verminderd beroep op de inzet van ZZP’ers als gevolg van het eind van het handhavingsmoratorium is het logisch dat wordt gekeken naar mogelijke oplossingen. Om die reden beantwoorden wij hierna de vaag of de B.V. voor de ZZP’er vanaf 2025 de oplossing is voor het ontstane probleem.
Terugblik, niet elke ZZPer is ondernemer
De Wet Derugulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA) is in 2016 ingevoerd met als doel om schijnzelfstandigheid beter aan te pakken. De Wet DBA werd daarmee ‘de opvolger’ van de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR). De invoering van de Wet DBA leidde tot veel onrust, omdat de regels rondom het werken met zelfstandigen niet duidelijk waren.
Om deze onrust te verminderen is het handhavingsmoratorium ingesteld kort na de invoering van de Wet DBA.
Dit handhavingsmoratorium hield in dat de Belastingdienst bij opdrachtgevers niet met terugwerkende kracht kon corrigeren op de kwalificatie van de arbeidsrelatie voor de loonheffingen, behalve in gevallen van evidente kwaadwillendheid.
Onder de Wet DBA kon worden gewerkt met zogenoemde modelovereenkomsten. In de kamerbrief van 6 september jl. is aangegeven dat deze modelovereenkomsten zullen worden uitgefaseerd. De Belastingdienst beoordeelt de aan haar voorgelegde modelovereenkomsten (beoordeling op de kwalificatie van de arbeidsrelatie) vanaf 6 september ook niet langer; lopende goedkeuringen blijven wel geldig tot de einddatum van de goedkeuring, mits wordt gewerkt zoals overeengekomen in de (goedgekeurde) modeloveeenkomst.
Wat zeggen rechters over ondernemerschap van ZZPer?
Op dit moment is voor het beoordelen van een arbeidsrelatie het zogenoemde Deliveroo-arrest leidend.
De Hoge Raad heeft in dit arrest aangegeven dat de beoordeling van de arbeidsrelatie holistisch dient plaats te vinden (alle feiten en omstandigheden worden gewogen). In dit kader weegt de Hoge Raad de volgende omstandigheden:
- de aard en duur van de werkzaamheden;
- de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald;
- de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht;
- het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren;
- de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen;
- de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd;
- de hoogte van deze beloningen;
- de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt;
- de vraag of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen (het ondernemerschap) en
- het gewicht dat toekomt aan een contractueel beding.
Nieuwe wetgeving inzake ZZPer en dienstbetrekking
De Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Wet VBAR) ligt op dit moment bij de Raad van State. De wet wordt naar verwachting op 1 januari 2026 ingevoerd. Op basis van deze wet wordt de arbeidsrelatie beoordeeld op basis van ‘werkinhoudelijke aansturing’ en “organisatorische inbedding’ en deze criteria worden afgezet tegen het ondernemerschap van de zelfstandigen. Het komt ons voor dat hiermee niet veel meer duidelijkheid wordt geschapen, maar dat wel aansluiting wordt gezocht bij de holistische beoordeling van de arbeidsrelatie in lijn met het Deliveroo-arrest. De Wet kent wel een echtsvermoeden van het bestaan van een dienstbetrekking als de opdrachtnemer minder verdiend dan een kleine EUR 33 per uur.
De B.V., een oplossing voor de ZZPer?
Als de werkzaamheden van een zelfstandige via een B.V. plaatsvinden, moet worden gekeken of aan de B.V. reële betekenis toekomt. Bij deze beoordeling is van belang of er ook andere dan fiscale motieven zijn om bij het uitvoeren van de opdrachten te kiezen voor de B.V. De arbeidsrelatie van de zelfstandige wordt voorts nog steeds getoetst aan de drie criteria voor het bestaan van een dienstbetrekking:
- moet de opdrachtnemer/werknemer gedurende een zekere tijd persoonlijk arbeid verrichten?
- wordt loon betaald?
- is sprake van een gezagsverhouding.
Daarbij wordt ‘door de B.V. heen gekeken indien deze geen reële betekenis toekomt; het verweer dat er geen sprake kan zijn van loon omdat wordt gefactureerd vanuit een B.V. heeft alsdan geen kans van slagen; de opdrachtnemer/werknemer wordt geacht de beloning zelf te hebben ontvangen.
In feite wordt derhalve het ondernemerschap van de opdrachtnemer beoordeeld. In een recente uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch pleitte volgens het Gerechtshof een aantal elementen tegen het bestaan van een gezagsverhouding (lees voor het ondernemerschap van de opdrachtnemer:
- betaling per opdracht;
- eigen vervoer, kleding en gereedschappen;
- niet herkenbaar als werknemer van de opdrachtgever;
- de mogelijkheid om zelf te bepalen wanneer je niet beschikbaar bent;
- niet meedoen aan bedrijfsuitjes, bedrijfstrainingen en functioneringsgesprekken;
- geen doorbetaling bij ziekte en verlof;
- het voor eigen rekening moeten oplossen van problemen achteraf.
Los van deze uitspraak kan gewicht worden gehecht aan het feit of (i) gelijktijdig of volgtijdig sprake is van meerdere opdrachtgevers, (ii) opdrachtnemer aansprakelijk is voor fouten etc.
Kort maar goed, het enkel tussenschuiven van een B.V. biedt geen uitkomst voor ZZP’ers / schijnzelfstandigen. Net als degenen die niet werken via een B.V. gaat het er in alle gevallen om te beoordelen of iemand ‘ondernemer’ is of in feite werkt in een verkapt dienstverband.
Bronnen ZZPer met een BV
HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443, inzake Deliveroo (artikel)
Kamerbrief 6 september 2024 inzake het opheffen van het handhavingsmoratorium.
Hof Arnhem-Leeuwarden 15 januari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BY9433.
Hof Arnhem-Leewarden 15 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10512.
Teruggave BPM bij export
Autobedrijven en autohandelaren hebben vaak te maken met de Belastingdienst, zeker wanneer het gaat om de toepassing van de BPM (Belasting Personenauto’s en Motorrijwielen) bij export van voertuigen. In een uitspraak van de Rechtbank Gelderland d.d. 18 april 2023 (ECLI:NL:RBGEL:2023:2227) is de Belastingdienst in het ongelijk gesteld, wat hoop biedt voor autohandelaren die te maken hebben met naheffingsaanslagen BPM in verband met export naar buiten de EU/EER via een andere EU-lidstaat zoals - in deze procedure - Duitsland.
BPM Teruggaaf bij Export
Bij export van een voertuig vanuit Nederland naar een EU-lidstaat of EER-land kan de exporteur onder voorwaarden recht hebben op teruggaaf van (rest-)BPM. Deze voorwaarden omvatten onder andere dat de tenaamstelling in Nederland wordt beëindigd en dat het voertuig duurzaam wordt geregistreerd in de betreffende EU-lidstaat of EER-staat.
Praktijk van Door-Export en BPM teruggave
In de praktijk werd het vaak zo geregeld dat de auto’s eerst duurzaam werden geregistreerd in bijvoorbeeld Belgie, Spanje of Duitsland, om daarna verder te worden geëxporteerd naar een bestemming buiten de EU/EER. Op basis van de wet bestond in dergelijke gevallen nog steeds recht op teruggaaf van BPM, zolang er sprake was van een duurzame inschrijving in een EU/EER-land.
De Belastingdienst zag dit echter anders. Volgens de inspecteur moest de auto ook daadwerkelijk naar de EU-lidstaat worden gebracht waar deze werd geregistreerd en stelde dat autohandelaren geen recht hadden op BPM-teruggaaf wanneer de auto slechts tijdelijk in bijvoorbeeld Spanje was geregistreerd voor door-export naar een land buiten de EU/EER.
De Rechtbank in Den Haag oordeelde op 1 maart 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:2718) dat de Belastingdienst in zulke situaties in het gelijk stond. De rechter vond dat uit de bedoeling van de wetgever volgde dat de auto’s daadwerkelijk naar de EU-lidstaat moesten worden gebracht voor BPM-teruggaaf. Ook het Gerechtshof Den Haag gaf op 6 oktober 2018 (ECLI:NL:GHDHA:2018:4032) de Belastingdienst gelijk.
Een belastingplichtige heeft een verzoek ingediend voor teruggave van BPM (belasting op personenauto's en motorrijwielen) na de export van een auto naar Albanië. De registratie van de auto werd eerst beëindigd in Nederland en daarna in Duitsland opnieuw geregistreerd. Vervolgens werd de auto verkocht aan een persoon in Albanië die de auto rechtstreeks naar Albanië overbracht. Het verzoek om BPM-teruggave werd door de Belastingdienst geweigerd omdat de auto niet naar een EU- of EER-land werd geëxporteerd, wat een vereiste is voor BPM-teruggave volgens de wet. De rechtbank en het hof hebben beide geoordeeld dat de belastingplichtige geen recht heeft op teruggave van BPM, omdat de auto niet werd geëxporteerd naar een lidstaat van de EU of een EER-land. Belangrijke punten:
- Verzoek om BPM-teruggave: De belastingplichtige verzocht om teruggave van € 2.563 BPM na de export van een auto naar Albanië.
- Weigering door Belastingdienst: De Belastingdienst wees het verzoek af omdat de auto naar Albanië was geëxporteerd en niet naar een land binnen de EU of EER.
- Wettelijke bepaling: Volgens artikel 14a van de Wet BPM moet de auto naar een EU- of EER-lidstaat worden vervoerd voor teruggave van BPM. Hieraan was niet voldaan.
- Uitspraak rechtbank en hof: Beide instanties bevestigden dat de belastingplichtige geen recht had op teruggave, omdat de auto niet naar een EU- of EER-land was geëxporteerd.
- Hoger beroep ongegrond: Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
- Geen proceskostenveroordeling: Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend aan een van de partijen.
Nieuws inzake teruggave BPM bij export
De Rechtbank Gelderland oordeelde echter in 2023 anders, over door-export naar buiten de EU/EER. De rechtbank was het niet eens met de Belastingdienst dat de auto’s daadwerkelijk naar Duitsland moesten worden gebracht om recht te hebben op BPM-teruggaaf. De rechtbank concludeerde dat de wetgever bewust had nagelaten om deze voorwaarde op te nemen in de wet, waardoor de Belastingdienst geen naheffingsaanslag BPM kon opleggen op basis van de vermeende bedoeling van de wetgever.
De Belastingdienst probeerde ook aan te voeren dat er sprake was van misbruik van recht door de voertuigen in Duitsland te registreren enkel met het doel BPM-teruggaaf te verkrijgen. Dit argument werd door de rechtbank afgewezen, omdat er commerciële redenen waren voor de registratie van de auto’s in Duitsland en de inspecteur dit misbruik niet voldoende kon bewijzen.
Aandachtspunten uit deze uitspraak:
- Teruggave BPM: Het bedrijf had teruggaven van BPM gevraagd voor voertuigen die duurzaam in Duitsland waren geregistreerd.
- Naheffingsaanslag: De inspecteur legde een naheffing van € 86.390 op met de redenering dat de voertuigen buiten de EU/EER waren geëxporteerd.
- Wettelijke voorwaarden: De rechtbank stelde vast dat aan de wettelijke voorwaarden voor teruggave van BPM was voldaan (tenaamstelling vervallen, voertuigen naar Duitsland geëxporteerd en daar duurzaam geregistreerd).
- Geen misbruik van recht: De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van misbruik van recht omdat het bedrijf commerciële redenen had om de voertuigen in Duitsland te registreren.
- Intentie van de wetgever: Hoewel de bedoeling van de wet was om teruggave van BPM te beperken tot export naar EU/EER-landen, stond dit niet expliciet in de wet en kon de rechtbank de wettekst niet anders interpreteren.
- Fraus legis (misbruik van de wet): De inspecteur beriep zich op fraus legis, maar de rechtbank wees dit af omdat het hoofddoel van de registraties commercieel was en niet alleen het verkrijgen van BPM-teruggave.
- Overschrijding redelijke termijn: De rechtbank kende een vergoeding van € 3.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de behandeling van de zaak.
- De naheffingsaanslag en boete werden vernietigd. De inspecteur werd veroordeeld tot het vergoeden van € 265 immateriële schade en de Staat tot € 2.735. Het beroep werd gegrond verklaard en de inspecteur moest de proceskosten en het griffierecht vergoeden.
Noot fiscaal jurist inzake BPM teruggave bij export
Sinds 2021 is het een vereiste dat op verzoek van de inspecteur bescheiden moeten worden overlegd waaruit volgt dat het voertuig naar een EU / EER lidstaat is gebracht en hier is inschreven. Sinds 2022 geldt er een andere toevoeging waaruit volgt dat "buiten Nederland wordt gebracht" niet meer geldig is. Er moet sprake zijn van "is gebracht naar de andere lidstaat van de EU/ EER".
De uitspraak van de Rechtbank Gelderland biedt hoop voor autobedrijven die een naheffingsaanslag BPM hebben ontvangen in vergelijkbare situaties van door-export. Het is belangrijk om tijdig bezwaar te maken tegen naheffingsaanslagen BPM en aan te voeren dat er geen wettelijke grondslag is voor naheffing enkel op basis van de veronderstelde bedoeling van de wetgever.
De basis voor een teruggave BPM bij export van een gebruikt voertuig zijn de volgende:
- Het is geen schadevoertuig;
- het voertuig is na 16 oktober 2006 op Nederlands kenteken gezet;
- Het voertuig heeft de status export bij de RDW;
- Formulier teruggave hier invullen;
- Het voertuig is duurzaam geregistreerd in een andere EU lidstaat (of IJsland, Noorwegen of Liechtenstein) en het voertuig wordt naar dit land gebracht (of is er al) dit moet binnen 13 weken plaatsvinden.
Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem gerust contact met ons op!
Bijtelling auto van de zaak
Er komen steeds meer onderzoeken naar de bijtelling van de auto van de zaak. Meestal zal dit eenvoudig beginnen via een briefje van de belastingdienst met het verzoek om de kilometeradministratie te overleggen. Deze wordt dan onderzocht en vergeleken met de informatie van de belastingdienst over het gebruik van uw auto van de zaak (garage bezoek, APK, boetes, flits auto's bij meubel pleinen en attractieparken, grensovergangen, etc.). Bij onjuistheden kan er over 5 jaar worden nageheven, met boetes en belastingrente. In dit artikel een uitgebreide uitleg over de mogelijkheden en onmogelijkheden bij de bijtelling van de auto van de zaak. Leestijd is ruim 5 minuten.
Eindheffing benzine en dieselauto (fossiele brandstof) vanaf 2027
In het klimaatpakket (25 april 2025) (kamerbrief 1 en kamerbrief 2) is een voorstel op tafel gekomen (goedkeuring ministerraad) dat niet elektrische auto's veel duurder worden. Het voorstel is dat met ingang van 2027 voor nieuwe auto's van de zaak (met verbrandingsmotor) door de werkgever een extra eindheffing moet worden betaald naast de reguliere loonheffing die de werknemer moet betalen (bij privé gebruik). Deze regeling geldt niet voor auto's die op waterstof of op een batterij rijden of voor brandstof auto's die voor minder dan 500 kilometer privé worden gebruikt. Bestelauto's vallen ook vaak buiten deze nieuwe regeling. De regeling geldt alleen voor werkgevers, dus niet voor eigenaren van een eenmanszaak of VOF. Het tarief is 52% van de bijtelling, bij een auto van € 50.000 derhalve 22% x 52% x 52.000 = € 5.720 eindheffing per jaar (die niet op de werknemer mag worden verhaald). De regeling zal in het belastingplan 2026 worden uitgewerkt.
Aanpassing youngtimer regeling 2027
Vermoedelijk zal in één adem met bovenstaande maatregel ook de youngtimer regeling worden aangepast.
Nieuws auto Prinsjesdag 2024 (belastingplan 2025)
Elektrische personenauto's krijgen tot en met 2029 nog 25% korting op de motorrijtuigenbelasting. Dit geldt voor nieuwe en tweedehandsauto's. Vorenstaande is bekend gemaakt in het belastingplan 2025. De bijtelling voor elektrische auto's stijgt in 2025 wel van 16% naar 17%, de bijtelling wordt in 2026 zelfs 22%. Per 2025 is er geen subsidie meer te krijgen bij de aankoop van een elektrische auto.
Het lagere tarief voor hybride auto's komt per 2025 wel te vervallen, deze wordt dus gelijk aan normale auto's. De BPM vrijstelling voor zakelijke bestelautó's komt per 2025 te vervallen. grondslag wordt de CO2 uitstoot (gelijk aan personenauto's). Op bestelauto's met een eerste toelating voor 1 januari 2025 is een overgangsregeling van toepassing. De lage bijtelling geldt tot en met € 30.000, daarboven is deze 22%. U kunt het belastinplan 2025 hier raadplegen en de miljoennota 2025 hier. De overige stukken kunt u hier vinden.
Bijtelling auto van de zaak
Als u een auto van de zaak mag rijden krijgt u te maken met de regels voor een bijtelling in de loonbelasting. Als u meer dan 500 kilometer per jaar privé met de auto heeft gereden moet u rekening houden met de bijtelling. Het percentage bedraagt in de basis 22% van de cataloguswaarde maar kan per auto (elektrisch, waterstof) en per bouwjaar verschillen. Als u onder de bijtelling wilt uitkomen moet u een kilometeradministratie bijhouden. Ook zal de belastingdienst vragen om uw agenda en de facturen van uw garage.
Verklaring geen privé gebruik auto van de zaak
Werknemers die minder dan 500 kilometer per jaar privé rijden met de auto van de zaak kunnen een verklaring geen privé gebruik invullen via de site van de belastingdienst. Op grond van deze verklaring mag de werkgever de bijtelling achterwege laten. Voordeel hiervan is dat de werkgever geen naheffing ontvangt (de werknemer wel). Ook de inkomensafhankelijke bijdrage inzake de zorgverzekeringswet komt op het bordje van de werknemer. De belastingdienst kan bij het opleggen van een naheffing/ navordering en boete kiezen aan wie die wordt opgelegd, bij een verklaring geen prive gebruik moet de belastingdienst de aanslag opleggen bij de werknemer. Soms worden aanslagen aan de werknemer opgelegd, zie Hof Den Haag 29 maart 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:612. Als u een andere auto gaat rijden moet de verklaring worden aangepast (site belastingdienst).
Schatting kilometers of daadwerkelijke kilometers bij rittenregistratie?
U moet de daadwerkelijk gereden kilometer registreren en dus niet een schatting hiervan, zie Hof Arnhem-Leeuwarden 31 maart 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:2564.
Achteraf opstellen van de kilometeradministratie, mag dit?
Meestal gaat het fout als u achteraf een kilometeradministratie zou opstellen. In sommige gevallen is het bewijs met verklaringen voldoende om een bijtelling - ook zonder rittenregistratie - te voorkomen, zie Hof Arnhem-Leeuwarden 26 mei 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4170. Een slechte kilometeradministratie hoeft dus nog niet fataal te zijn (artikel). Belastingplichtige heeft wel de schijn tegen en moet echt aan het werk. In deze casus hadden belastingplichtige en diens partner beide ook een prive auto. Het opstellen van een rittenregistratie is geen verplichting, het kan ook dat uit andere info volgt dat de auto niet prive is gebruikt HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1395 en deze uitspraak van het Gerechtshof Den Haag Hof Den Haag 9 november 2005, ECLI:NL:GHSGR:2005:AV7144. Ook zijn soms de feiten en verklaringen van werknemers voldoende om een bijtelling te voorkomen Hof Den Bosch 17 oktober 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:4821. Hierbij kan een vergelijking worden gemaakt met het besluit dat geldig is voor politiemensen en beveiligers, MvF 6 september 2022, nr. 2022-192540.
Wat zijn prive ritten en wat zijn zakelijke ritten bij een rittenregistratie?
Vaak is er discussie over zakelijke en privé ritten bij een sluitende rittenregistratie, in dit onderdeel een overzicht
- Voetbal kijken in stadion: altijd gedoe, in deze uitspraak waren de ritten zakelijk Hof Den Haag 21 juni 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:5152
- Woon werk: dit is zakelijk. Soms is er discussie over de woonplaats. In deze casus had de belastingplichtige een eigen woning en verbleef hij soms ook bij zijn vriendin. Volgens het gerechtshof Den Haag op 12 maart 2024 ECLI:NL:GHDHA:2024:908 is het adres van de vriendin ook een woonadres. In dit arrest van de Hoge Raad d.d. 1 december 1999 ECLI:NL:HR:1999:AA3831 wordt uitleg gegeven over woon en werk adres. Belangrijk is dat het begrip woon-werk niet in de wet is opgenomen. Een verblijfplaats is een plek die de werknemer ter beschikking staat en waar hij of zij regelmatig verblijft. Een vast ritme of langere perioden van verblijf is geen vereiste, aldus het gerechtshof in 2024.
- Verkeer rijden tijdens zakelijk rit: zijn zakelijke kilometers
- Rotary of serviceclub: meestal privé ritten.
- Door ziekte auto niet gebruiken kan bijtelling voorkomen (artikel)
- Ziekenbezoek: meestal privé ritten
- Personeelsfeest: zakelijke rit
- Autorace met auto van de zaak: mooie discussie (artikel)
- Rittenadministratie is vernietigd of gestolen, meestal een probleem (artikel)
- Garage en bezoek dealer: noteer kilometers vervangende auto, rit is zakelijk
- Uitlenen auto: wordt gezien als privé rit
- Nevenfuncties : meestal zakelijk, mits ambtsgebonden
- Golfbaan: altijd gedoe, in deze procedure waren 80% van de bezoeken zakelijk Hof Den Bosch, 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2707
- Gecombineerde rit: altijd gedoe, bijvoorbeeld iemand met een afspraak in Oostenrijk dit dit combineert met ski vakantie was een privé rit Hof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:7935 of een DGA die een fabriek in Italië bezoekt en ook op vakantie gaat Hof Amsterdam 18 september 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3891.
- Auto wordt niet ter beschikking gesteld: als een auto niet ter beschikking wordt gesteld is ook geen sprake van een bijtelling, zie deze uitspraak over een Landrover Defender (die wordt gebruikt om hotelgasten op te halen en safari tochten te houden) en een Smart die wordt gebruikt door hotelgasten, gevolg geen bijtelling Hof Arnhem-Leeuwarden 10 september 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:6629. Als de feiten anders zijn kan de uitslag (wel bijtelling) ook anders zijn, zie hiertoe deze uitspraak inzake een bestelbus bij een tankstation Hof Den Bosch 17 mei 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1877.
Bijtelling voorkomen door huren auto in de vakantie
Een werknemer past de 500 kilometer regel toe en huurt tijdens de vakantie een auto bij AVIS of dealer. De auto van de zaak wordt bij de werkgever op de parkeerplaats neergezet. De werknemer hoeft geen bijtelling toe te passen. Als de werknemer zijn eigen auto van de werkgever huurt tijdens de vakantie is het Gerechtshof van mening dat de bijtelling wel moet worden toegepast Hof Arnhem-Leeuwarden 20 september 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:7593. Een bijzondere uitspraak waar best veel tegen in te brengen is. Ook het verhuren van de auto van de zaak aan de partner werkt meestal niet (artikel)
Controle belastingdienst van rittenregistratie
De belastingdienst krijgt alle informatie van de nationale autopas (periodiek onderhoud garage geeft dit door). Ook heeft de belastingdienst informatie van diverse flits auto's, boetes en kan op grond van uw agenda een administratie gecontroleerd worden. De grens van 500 kilometer wordt tijdsevenredig toegepast (500 kilometer per jaar is 42 kilometer per maand), zie Rechtbank Haarlem, 20 oktober 2008, ECLI:NL:RBHAA:2008:BG1712. De belastingdienst zal vaak via een ANWB routekaart of google de kilometers herrekenen, afwijkingen zijn dan wel een garantie. Dit is niet altijd een reden om de kilometeradministratie niet te accepteren, zie Rechtbank Noord-Nederland 12 oktober 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4000. Het noteren van standaard kilometers is echter niet altijd voldoende, aldus Hof Arnhem-Leeuwarden 31 maart 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:2564.
In de loop van het jaar een auto van de zaak en bijtelling voorkomen
Als een werknemer in de loop van het jaar een auto van de zaak gaat rijden gelden er complexe regels. De bijtelling moet per jaar worden terug gerekend naar maandbasis. Als een werknemer eerst een auto van de zaak heeft waarmee hij niet privé heeft gereden (en dus geen bijtelling heeft toegepast) en in hetzelfde jaar bij een andere auto van de zaak de kilometers niet meer gaat bijhouden moet over het gehele jaar de bijtelling worden toegepast, dus over beide auto's, zie Hof Den Haag 2 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1029
Verbod op prive gebruik van een bedrijfsauto
Het is ook mogelijk dat een werkgever een verbod privé gebruik gaat opleggen aan de werknemer. Dit kan worden opgenomen in een aanvullende auto overeenkomst of een arbeidsreglement. Dit is opgenomen in artikel 13 bis lid 5 letter a Loonbelasting. De toepasssing geldt voor bedrijfsauto's (geen gewone personenauto's). De werkgever moet wel toezicht houden en bij overtredingen een straf, boete of sanctie kunnen opleggen. Als er geen controle door de werkgever heeft plaatsgevonden wordt een boete opgelegd Rechtbank Oost-Nederland 15 januari 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:BY8191 en Hof Arnhem 19 februari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ3579. Ook een sleutel in een kluisje leggen is niet voldoende HR 22 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:81. Er moet actief worden gecontroleerd en dit moet worden vastgelegd. De auto achter een gesloten hek plaatsen en dit controleren kan voor de werknemer (en de DGA) voldoende zijn, extra controle (via waarneming en controle in weekend en buiten werktijd) is verstandig, zie Hof Arnhem-Leeuwarden 15 april 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:3360.
Black box en bijtelling auto van de zaak
Sommige auto's hebben een zogenaamde black box, de geregistreerde kilometers wijken dan meestal af van de kilometers op de teller in de auto. Volgens het handboek loonheffingen (onderdeel 21) moet u elke 2 maanden het verschil in afgelegde kilometers volgens de kilometerteller en de blackbox met een aparte correctierit verwerken in de rittenregistratie. Het verschil moet u evenredig verdelen tussen zakelijke en privé kilometers, aldus de belastingdienst. De vraag is of dit eerlijk en redelijk is. Een ondeugdelijke kilometeradministratie hoeft nog niet fataal te zijn, bijstand door een fiscaal jurist is dan wel noodzakelijk (artikel)
Boete bij onjuiste administratie
Een boete bij een onjuiste of onvolledige kilometeradministratie kan oplopen tot € 5.500 per jaar. Bij het vervalsen van een kilometeradministratie kan deze zelfs hoger zijn. Als een rittenadministratie is verloren, vernietigd of er gewoon niet meer is wordt meestal geen boete opgelegd maar wel een naheffing.
Noot fiscaal jurist inzake bijtelling auto van de zaak
Steeds vaker is er een discussie met de belastingdienst inzake de toepassing van de bijtellingsregels. Wij adviseren wekelijks werknemers, bedrijven en DGA's bij een (mogelijke) discussie met de belastingdienst en/of over situaties om de bijtelling te beperken en/of te voorkomen, bijvoorbeeld bij het rijden van meerdere auto's van de zaak. Vaak helpt (voor) overleg met de belastingdienst. Neem gerust contact met ons.
Overige informatie
Wilt u weten wat onze klanten over ons zeggen?
Vanaf welke locatie werken wij?
Vrijblijvende offerte, adviesgesprek of fiscale scan aanvragen?
Bewaarplicht Belastingdienst
Voor particulieren geldt geen wettelijke bewaarplicht. Maar voor naheffingen door de Belastingdienst is het slim om uw administratie 5 jaar te bewaren, soms kunnen ook vragen worden gesteld bij verhoging van uw hypotheek of verbouwing van uw eigen woning. Voor bedrijven en zelfstandigen geldt wel een wettelijke bewaarplicht van 7 tot 10 jaar. In de kern
- Basisgegevens 7 jaar
- Gegevens onroerende zaken 10 jaar
Geen bewaarplicht voor particulieren
Particulieren hebben feitelijk geen bewaarplicht voor hun administratie. Omdat de belastingdienst maximaal over de laatste 5 jaren kan navorderen is het wel verstandig om uw administratie (bankafschriften en onderliggende informatie belastingaangifte) te bewaren.
Bewaarplicht financiële gegevens van bedrijven
Bedrijven en zelfstandigen moeten hun administratie 7 jaar bewaren. Er zijn ook gegevens die een bedrijf 10 jaar moet bewaren. De gegevens die u moet bewaren zijn in ieder geval de volgende:
- kasadministratie (ook kladaantekeningen) en kassabonnen
- financiële aantekeningen, zoals het inkoop- en verkoopboek
- tussentijds gemaakte controleberekeningen
- ontvangen facturen en kopieën van verzonden facturen
- bankafschriften
- contracten, overeenkomsten en andere afspraken
- agenda's en afsprakenboeken
- correspondentie
- software en databestanden
- grootboekkaarten
- debiteuren en crediteuren administratie
- in en verkoop administratie
- loonadministratie
- gegevens die van belang zijn voor belastingheffing van derden
- voorraad administratie en voorraad waardering
Waarom is het belangrijk om gegevens voor de belastingdienst te bewaren?
Als uw administratie niet juist of volledig is kan dit extreem vervelende gevolgen hebben. De belastingdienst kan zelf een schatting maken van uw omzet en winst en op grond hiervan een aanslag opleggen (redelijke schatting). Als u het hiermee niet eens bent dan moet u bewijzen dat de berekening onjuist is (omkering van de bewijslast)
Toelichting op bezwaarplicht bedrijven
Digitale bankafschriften van de zakelijke rekening
Bij de meeste banken kunt u maximaal 2 jaar uw digitale bankafschriften downloaden. Doe dit dus elk jaar (en wellicht nog beter elk kwartaal). U moet immers de bankafschriften van de laatste 7 jaar opslaan.
Bankafschriften van de privérekening
Soms maken niet alleen je zakelijke bankafschriften, maar ook je bankafschriften van je privérekening(en) deel uit van de administratie. Deze kun je dus het beste ook downloaden en bewaren. Als de belastingdienst vraagt om uw privé administratie is het verstandig om een belastingadviseur te raadplegen, de informatie moet namelijk fiscaal wel relevant zijn.
Agenda op je telefoon of op papier en bewaarplicht belastingdienst
De zakelijke agenda op je telefoon of op papier moet worden bewaard omdat deze (soms) tot uw administratie behoort. Het is verstandig om een privé en zakelijke agenda bij te houden op uw telefoon. Hiermee kunt u voorkomen dat de belastingdienst ook zicht krijgt op uw privé agenda (wat weer vragen kan oproepen).
Zakelijke e-mails en bewaarplicht belastingdienst
Zakelijke e-mails maken deel uit van de administratie van uw bedrijf, deze moet u dus bewaren. Maak ook regelmatig een backup en zorg ervoor dat privé mails apart worden bewaard en/of op een ander mailadres binnenkomen.
Kassabonnen en facturen en bewaarplicht belastingdienst
Sommige kassabonnen en facturen worden geprint op thermisch papier, deze vervagen na verloop van tijd. Maak dus tijdig een scan.
Digitaal bewaren van gegevens
Gegevens die je digitaal ontvangt of opmaakt (bijvoorbeeld facturen) moet je ook digitaal bewaren. Zorg ervoor dat er altijd een backup is.
Contante omzet, alle bescheiden bewaren
Ontvang je omzet in contanten, dan moet je een kasadministratie bijhouden. Ook alle basisgegevens waarmee je deze kasadministratie opmaakt moet je bewaren. Denk hierbij aan detailgegevens van de kassa, kascontroles, kladbriefjes en dergelijke. Maak dus niet teveel stukken, stukken die worden opgesteld moeten worden bewaard. Werk zoveel mogelijk met digitale systemen.
Digitale (inkoop)facturen uit cloudomgeving
Sommige facturen, zoals facturen van je telefoon- of internetprovider, staan in een cloud-omgeving bij de provider. Je kunt deze achteraf nog wel downloaden, maar soms is deze mogelijkheid beperkt. Als je net overgestapt bent naar een andere provider, dan kun je vaak niet meer bij je gegevens komen. Download daarom ook deze facturen regelmatig en sla ze digitaal op.
Immateriele Schadevergoeding bij fiscale procedures
Belastingprocedures zijn nooit leuk (behalve voor vakidioten). Zeker als het lang duurt gaat dat knagen en levert spanning en frustratie op. Sinds jaar en dag erkent de Hoge Raad (in aansluiting op Europese jurisprudentie) dat bij overschrijding van de redelijke termijn spanning en frustratie op kan treden. Stel u krijgt een aanslag van € 500.000 en u spreekt met uw adviseur af dat hij of zij de vergoeding inzake immateriele schadevergoeding zou ontvangen. Zou u dan stress hebben over de uitslag van de procedure? Ik denk het wel !!
In deze blog beschrijven wij de procedure bij het Gerechtshof Den Haag d.d. 13 juli 2023 waarbij de Hoge Raad haar arrest heeft gewezen op 31 mei 2024. De Hoge Raad is van mening dat X BV spanning en frustratie moet hebben ervaren door het lange duur van de procedure. Het simpele feit dat X BV bij voorbaat de beslissing heeft genomen over de besteding van de vergoeding staat hier los van. Ook bij No Cure no Pay situaties kan er recht bestaan op een vergoeding van immateriele schade (aldus Hoge Raad .d. 2 juni 2017)
De procedure over immateriele schadevergoeding in het kort
- Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag BPM
- De Rechtbank kende € 500 aan immateriele schadevergoeding toe wegens termijnoverschrijding
- Het Gerechtshof zag een langere termijnoverschrijding maar liet het bedrag gelijk
- Belanghebbende klaagt erover dat aan hem geen (of een beperkte) vergoeding voor spanning en frustratie wordt toegekend
- In belastingzaken wordt hiervoor een vergoeding verstrekt (tenzij bijzondere omstandigheden). Volgens het Hof was sprake van een bijzondere omstandigheid omdat de vergoeding (op grond van een overeenkomst tussen gemachtigde en belanghebbende) aan de gemachtige moest worden betaald.
- De Hoge Raad is het hier niet mee eens. De vergoeding wordt vastgesteld op € 1.000, daarnaast moet griffierecht worden vergoed en krijgt belanghebbende een vergoeding voor de beroepsmatige rechtsbijstand.
Spanning en frustratie blijkt een fiscaal juridische diagnose
Sinds de jaren dertig wordt het begrip “stress” ook gebruikt in de psychologie en de geneeskunde. Met stress wordt dan de spanning bedoeld die optreedt bij een verstoring van het evenwicht tussen de draaglast en de draagkracht van een persoon. Frustratie ontstaat wanneer iemand niet in staat is om een doel te bereiken of een probleem op te lossen. Dit kan leiden tot gevoelens van woede en irritatie, wat op zijn beurt kan leiden tot agressief gedrag.
Tja, daar kunnen fiscaal juristen nog een puntje aanzuigen. Dat lossen we pragmatisch op door als grond voor vergoeding van immateriële schade de spanning en frustratie te veronderstellen (zie Hoge Raad 10 juni 2011). Een soort van juridische diagnose derhalve. ‘Gij zult spanning en frustratie ervaren’.
Dus als het te lang duurt heeft u recht op een schadevergoeding. Dat is nadien verder uitgewerkt en komt neer op een vergoeding van € 500 voor elk halfjaar dat het te lang (langer dan 2 jaar) duurt.
Wanneer immateriele schadevergoeding in fiscale procedure
Zowel onze Minister van Justitie en Veiligheid als onze Staatssecretaris van Financiën vonden dat automatisme wat al te gortig in een eenvoudige BPM-zaak, waarin de belastingplichtige zijn immateriële schadevergoeding op voorhand afstond aan zijn gemachtigde. Hoezo spanning en frustratie en waarom zouden we betalen als het geld toch niet bij het ‘slachtoffer’ belandt?
De Hoge Raad is er als hoofdarts snel klaar mee:
- “Dat (…) bij voorbaat een beslissing heeft genomen over de besteding van de vergoeding (…) brengt niet mee dat die spanning en frustratie hem bespaard zullen blijven, en hij dus niet zulke immateriële schade zal lijden.” en
- “dat aan toekenning van een vergoeding van immateriële schade (…) niet in de weg staat dat de (…) schade aan de rechtsbijstandverlener wordt uitbetaald. (…) Een (…) prijsgeven volgt niet t (…) bij voorbaat (…) immateriële schade, door middel van verrekening ‘met gesloten beurzen’, in mindering wordt gebracht op de vergoeding die de gemachtigde aan hem in rekening zal brengen.”
Noot fiscaal jurist over fiscale procedures
Het feit dat vooraf vaststaat dat er in wezen geen geldelijke genoegdoening zal zijn omdat de ‘opbrengst’ naar de adviseur gaat, betekent niet dat de schadevergoeding niet geclaimd kan worden.
- O ja, ook uw BV, vof, stichting, vereniging of wat ook kan (juridisch) spanning en frustratie voelen (Hoge Raad d.d 19 februari 2016).
Gelukkig zijn wij geen psycholoog, arts of anderszins deskundig om de diagnose spanning en frustratie vast te stellen. Wat ons als specialisten wel frustreert (dit is geen diagnose) is dat er kantoortjes zijn die procedures aangaan waarbij niet de klant voorop staat maar het verdienmodel dat erop is gericht zoveel mogelijk proceskosten en immateriële schadevergoedingen binnen te slepen. Met dat oogmerk worden procedures gefrustreerd en onnodig lang gerekt.
Dat leidt ertoe dat de fiscale rechtspraak meer en meer verstopt raakt en tot (te) lange doorlooptijden leidt. Daardoor hebben echte zaken (ja, dat is arbitrair) wel spanning en frustratie, die alleen maar verder oploopt.
Er was altijd een een ondergrens van € 15 (Hoge Raad 24 februari 2017). Dit is sinds 14 juni 2024 anders. Er geldt een ondergrens van € 1.000 (zie Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853). Als het minder dan een jaar te lang heeft geduurd en het belang blijft onder die € 1.000, krijg je geen schadevergoeding. In zo’n geval mag zonder meer worden verondersteld dat de lange duur van de procedure niet of nauwelijks tot spanning en frustratie bij de belanghebbende heeft geleid. Als het langer dan een jaar te lang duurt en het bedrag blijft onder de € 1.000, handelt de rechter naar bevind van zaken. De grens van € 1.000 wordt bepaald op de hoogte van het bestreden deel van de aanslag (met rente). Krijg je een aanslag van € 5.000 en je meent dat het € 3.000 moet zijn, is het belang € 2.0000. Meen je dat de aanslag € 4.500 moet zijn, kom je niet aan de € 1.000. Belachelijke standpunten worden niet meegenomen. Als het belang niet direct duidelijk is (bijvoorbeeld bij de WOZ), moet je als belastingplichtige wel aannemelijk maken dat je de € 1.000 haalt.
Als het van belang is voor meer jaren, mag dat belang voor die jaren ook worden meegeteld. Allerlei nevenzaken worden niet meegewogen (vb. proceskosten, griffierechten, wettelijke rente, (im)materiële schade en dwangsommen). Daaronder heb je geen spanning en frustratie. Die grens kan wel wat hoger (zet er maar en 1 voor of achter). De adviseur van de Hoge Raad heeft daarvoor een uitgebreid pleidooi gehouden (AG 17 november 2023). De uitspraak daarop door de Hoge Raad is aanstaande. Hopelijk pakken ze de handschoen op (en anders moet de wetgever er eens over gaan nadenken).
Een vergoeding voor immateriele schade bedraagt normaal gesproken € 500 per half jaar.
Bron vermelding immateriele schadevergoeding
Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853
Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 26 oktober 2022 ECLI:NL:GHSHE:2022:3789
Parket bij de Hoge Raad 17 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1042
Hoge Raad 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252
Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292
Hoge Raad d.d. 2 juni 2017 ECLI":NL:HR:2017:965
Parket bij de Hoge Raad 17 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1042
Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775
Hoge Raad 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046
Emigratie en fiscale woonplaats volgens Belastingdienst
Waar iemand woont is steeds vaker een onderwerp van gesprek met de belastingdienst. De belangen zijn groot en regelmatig adviseren wij belastingplichtigen bij dergelijke geschillen. Sinds de stijging van het box 2 en box 3 tarief (in combinatie met toekomstige erfbelasting) zijn er steeds meer belastingplichtigen die zich laten informeren over de mogelijkheden en onmogelijkheden van een emigratie.
Vorig jaar ontstond er discussie over de fiscale woonplaats van Max Verstappen. Doordat hij in Monaco woont draagt hij niks bij aan de Nederlandse staatskas. Een volstrekt onbegrijpelijk standpunt waarbij het fiscale woonplaatsbegrip wordt miskent. Begin 2024 zwengelde Oxfam Novib de discussie nog eens dunnetjes aan, in haar rapport wordt gepleit voor extra belasting voor de super rijken. In navolging van deze pers-aandacht duikt ook de tweede kamer is deze materie, dit via moties en kamervragen.
Emigratie aangifte en onderzoek belastingdienst
Iemand die als buitenlands belastingplichtige aangifte doet en/of een emigratie aangifte (M Biljet) heeft ingediend kan op bijzondere aandacht van de belastingdienst rekenen
De inspecteur stelt al snel dat iemand in Nederland woont. Uit interne informatie van de Belastingdienst volgt ook de reden, de Belastingdienst kijkt enkel (met een loep) naar de feiten in Nederland en zoekt hier haar gelijk, zie informatie uit dit WOB verzoek (thans WOO verzoek) uit 2019. Dit WOB-verzoek is door ons kantoor ingediend.
Fiscale woonplaats werknemer Brunei
Piet is Nederlander en werkt voor cypriotische werkgever in Brunei (periode 2008-2011). Piet is van mening dat hij in 2009 in Brunei woont. Via een derdenonderzoek komt de belastingdienst Piet op het spoor, in 2011 volgt een navorderingsaanslag inkomstenbelasting (met vergrijpboete). Deze zaak was redelijk kansloos omdat
- Piet in Nederland bleef ingeschreven (deel van het jaar),
- hij in Nederland een hoofdverblijf had dat hem ter beschikking stond,
- hij ook nog in Nederland werkte voor Nederlandse werkgever,
- het in Nederland verzekerd was voor de zorgverzekeringen en
- hij in Brunei een woning huurde (tijdelijk) voor een korte periode
De Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 11 september 2023 (ECLI:NL:RBZWB:2023:6396) en het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 26 februari 2025 (ECLI:NL:GHSHE:2025:544) . De aanslag blijft in stand (dus woonplaats Nederland) en de vergrijpboete wordt vernietigd. Ook is geen sprake van resultaat uit overige werkzaamheden en/of winst uit onderneming.
Omtrent de boete (ruim € 50.000) stelt de inspecteur eerst dat Piet een "boefje is en listig gedrag heeft vertoodn", later wordt dit aangepast in "voorwaardelijke opzet" en vlak voor zitting (10 dagen stuk) verder aangepast in "grove schuld". De rechtbank acht opzet niet bewezen, immers geen sprake van " willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaarden om te weinig belasting te betalen". Het beroep op grove schuld (vlak voor zitting) is te laat.
Fiscale woonplaats directeur CFO van bedrijf
Henk werkt sinds 2012 voor een internationaal bedrijf en woont in Monaco. Het hoofdkantoor wordt in 2016 verplaatst naar Nederland. Henk is van mening dat hij sinds april 2016 in Nederland woont (en dus niet eerder). Volgens de Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 21 april 2022 (ECLI:NL:RBZWB:2022:2156) woonde Henk in 2016 niet in Nederland. Het Gerechtshof 's Hertogenbosch kwam op 10 juli 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:2230) tot een ander oordeel, Henk woonde in geheel 2016 in Nederland omdat hij ook voor de verhuizing naar Nederland een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland zou hebben. De advocaat Generaal (Parket Hoge Raad) geeft op 25 april 2025 een uitgebreide toelichting op het woonplaatsbegrip en het open karakter van artikel 4 AWR (ECLI:NL:PHR:2025:500) . Bij discussie over de woonplaats en een mogelijke woonplaats in 2 landen moet de tiebreaker regel uitleg geven. Er wordt in deze casus met name gekeken naar de duurzame band met Nederland (Zie ook Hoge Raad 9 juni 2023 ECLI:NL:HR:2023:873). Al met al zal de fiscale woonplaats discussie altijd een feitelijke beoordeling zijn, deskundig advies (en hierna handelen en leven) is essentieel.
Fiscale woonplaats voetballer
De Rechtbank Den Haag doet op 20 maart 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:6307) uitspraak over de woonplaats van een voetballer. De Rechtbank is van mening dat een voetballer (met familie in Nederland) in Duitsland woont en niet (zoals de inspecteur stelt) in Nederland. De voetballer heeft een woning in Nederland en in Duitsland, Henk (fictieve naam) stond nog ingeschreven bij de gemeente in Nederland. Henk is profvoetballer (salaris € 1,5 mln per jaar) en speelt na de zomer (vanaf augustus 2018) voor een Duitse voetbalclub. In 2022 maakt hij een transfer naar een andere Duitse voetbalclub. De vraag is waar Henk in 2018 tot en met 2020 woont. Volgens de inspecteur woont Henk in Nederland. Henk maakt volgens de rechtbank voor 2018 aannemelijk dat hij in Duitsland woont en voor de jaren erna is sprake van "doet blijken". Henk verbleef namelijk vanaf dat moment met zijn vriendin in een huurwoning in Duitsland en de afstand tot de huurwoning in Nederland was veel te groot. Duitsland ziet Henk ook als inwoner van Duitsland. De huurovereenkomst voor de woning in Nederland is afgesloten voordat Henk het contract in Duitsland sloot. Henk moet wel over zijn box 3 vermogen in Nederland belasting betalen (maar dat is gebruikelijk).
Wat waren de aanwijzigingen voor een woonplaats in Nederland?
- Nog ingeschreven in de basisadministratie
- Woning in Nederland (eerst een huurwoning en vanaf 2022 een koopwoning)
- Familie van Henk woont in Nederland
- Nederlandse bankrekening
- Abonnementen in Nederland (Ziggo, Netflix, mobiele telefoon, sportschool, huur woning, diverse verzekeringen, etc.
Wat waren de aanwijzingen voor een woonplaats in Duitsland?
- Dienstbetrekking in Duitsland
- Ziektekostenverzekering in Duitsland
- Auto op Duits kenteken
- Verklaringen van derden dat Henk meestal in Duitsland was voor zijn werk
- Inschrijving Duits woonadres
- Certificate of residence van de Duitse belastingdienst
De Rechtbank weegt alle omstandigheden en kijkt hierbij met name naar:
- Hoge Raad d.d. 4 maart 2011 ECLI:NL:HR:2011:BP6285 : Bij de uitleg van het woonplaatsbegrip uit artikel 4 van de AWR moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er volgens vaste rechtspraak op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en het desbetreffende land. Hierbij dient geen bijzondere betekenis te worden toegekend aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals bijvoorbeeld iemands sociale of economische binding met een land.
- Hoge Raad d.d. 12 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6824: Verder geldt dat de duurzame band met één land niet sterker hoeft te zijn dan de band met een ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven, ofwel het middelpunt van iemands persoonlijke levensbelangen, zich in Nederland bevindt. Daardoor bestaat (in uitzonderlijke gevallen) de mogelijkheid dat iemand zowel in Nederland als in een ander land woont.
De feiten afwegende komt de Rechtbank (RO 36) tot de volgende conclusie:
De rechtbank is op grond van de onderhavige feiten en omstandigheden, mede in onderlinge samenhang beschouwd, van oordeel dat - zoals verweerder heeft gesteld - eiser in de onderhavige periode een (bepaalde) duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft gehad. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit en beschikte in Nederland onder meer over (huur)woning 2 en over de (te bouwen) woning 3. Verder woont familie van eiser in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank kan evenwel niet worden gezegd dat eiser daarmee in de onderhavige periode, alle omstandigheden in aanmerking nemend, (alleen) in Nederland woonde. Eiser woonde, zoals ook hierna zal worden geoordeeld, in die periode namelijk in Duitsland. Hij werkte daar fulltime en heeft het overgrote deel van zijn tijd (met de vriendin) in Duitsland doorgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarmee geen sprake zijn van de zich alleen in uitzonderlijke gevallen voordoende situatie van een dubbele woonplaats. Echter, ook als ervan wordt uitgegaan dat eiser in de onderhavige periode (ook) in Nederland woonde, is eiser voor de toepassing van het Verdrag in de onderhavige periode inwoner van Duitsland. Kijkende naar de Tie Breaker regel (artikel 4 derde lid verdrag) zijn de persoonlijke en economische banden met Duitsland het grootst.
Duurzame band met Bulgarije maar fiscale woonplaats in Nederland
In een uitspraak van de Rechtbank Gelderland op 16 juli 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:4520) stond de vraag centraal of de erflater (geboren in 1960) in 2014 en 2015 in Nederland woonachtig was. De rechtbank concludeerde dat dit het geval was, ondanks dat de erflater ook banden had met Bulgarije.
- Erflater was in gemeenschap van goederen getrouwd en ze waren sinds 1998 eigenaar van een woning in Nederland.
- In 2009 is erflater met zijn echtgenote geemigreerd en uitgeschreven uit de basisadministratie.
- In 2013 koopt erflater een woning in Bulgarije. Erflater is in Bulgarije niet geregistreerd als inwoner.
- In het kader van een boekenonderzoek komt de inspecteur in 2013 bij de woning. Tijdens het gesprek geven beide personen aan om in 2014 weer in Nederland te gaan wonen.
- In 2016 is erflater plotseling overleden.
- In Vanaf 2017 woont de echtgenote (volgens de basisadministratie) weer op dit adres.
- In geschil is of erflater in 2014 en 2015 in Nederland woont en hier aangifte inkomstenbelasting moet doen.
De vraag is of erflater een duurzame band met Nederland heeft (zie ook Hoge Raad d.d. 12 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6824). De wetgever heeft geen bijzondere betekenis willen toekennen aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals bijvoorbeeld iemands sociale of economische binding met een land (zie ook Hoge Raad d.d. 21 januari 2011 ECLI:NL:HR:2011:BP1416). Uit het beleid van de belastingdienst volgt dat er wordt gekeken naar; het duurzame tehuis, verblijfplaats gezin en belastingplichtige, sociale banden, bedrijfsmatige binding, financiele belangen, bestedingspatroon, intenties, inschrijving basisadministratie en nationaliteit.
Het betaalgedrag van de erflater, de beschikbare woning en auto’s in Nederland, zijn familiebanden, vastgoed in Nederland, zijn aanwezigheid bij het boekenonderzoek en zijn functie als bestuurder van Nederlandse vennootschappen speelden hierbij een belangrijke rol. De erfgenamen stellen dat erflater in Bulgarije woont omdat hij daar met zijn vriendin (en hun gemeenschappelijke dochter) woonden en hij daar ook een onderneming dreef. De pin betalingen zouden niet door erflater zijn gedaan maar door zijn echtgenote. Op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en Bulgarije werd vastgesteld dat de erflater voor belastingdoeleinden als inwoner van Nederland moest worden beschouwd. Het beroep tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen werd ongegrond verklaard.
Beoordeling woonplaats door Belastingdienst
De Belastingdienst kijkt bij de beoordeling waar iemand woont enkel naar de Nederlandse omstandigheden. Hiermee wordt een te beperkte en onjuiste uitleg gegeven aan de wet (artikel 4 AWR). De drempel voor de feiten beoordeling wordt daardoor beperkt uitgelegd. In een procedure bij de Rechtbank in 2020 wordt de inspecteur over zijn vingers getikt. De weergegeven omstandigheden zijn onvoldoende om te concluderen dat de belastingplichtige in Nederland zou wonen. De rechter oordeelt dat belastingplichtige in 2015 niet in Nederland woonde. De feiten zijn gelukkig belangrijker dan de formele spelregels.
Om een bericht van onze staatssecretaris d.d. 9 april 2024 wordt ingegaan op woonplaatsonderzoeken van de belastingdienst. Er zal de komende maanden een onderzoek plaatsvinden over de risico's en omvang van discussies over de fiscale woonplaats. Een woonplaatsonderzoek van de belastingdienst is vaak erg uitgebreid en soms met een tunnelvisie (zoeken naar info over Nederlandse binding en niet kijken naar buitenlandse activiteiten).
Woonplaats natuurlijke personen
Waar een mens woont is in de huidige tijd soms lastig te bepalen, de wettelijke basis is gelegen in artikel 4 lid 1 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Waar iemand woont wordt na omstandigheden beoordeeld, dit is een uitgebreide en vage norm. Omstandigheden en feiten worden beoordeeld en te vaak subjectief gewogen. Het mag duidelijk zijn dat er veel jurisprudentie is over dit onderwerp. De belastingdienst kijkt in de basis naar de volgende zaken:
- Waar heeft belastingplichtige een woning?
- Waar woont het gezin?
- Waar gaan de kinderen naar school?
- Abonnementen en lidmaatschappen.
- Bancaire zaken en beleggingen.
Woonplaatsonderzoeken door de belastingdienst gaan erg ver. De belastingdienst begint vaak met het uitvragen van de volgende informatie:
- privé en zakelijke bankrekeningen (pintransacties)
- creditcard afschriften
- gebruik energie van de woning
- kilometeradministratie van de zakelijke auto
- agenda's
- vliegtickets
- berichten op sociale media (van belastingplichtige en zijn gezin)
De belastingdienst mag deze informatie niet zomaar opvragen, er moet een redelijk vermoeden bestaan over een fiscale woonplaats in Nederland, zie Hoge Raad d.d. 18 december 2015 ECLI:NL:HR:2015:3603, als hiervan sprake is mag een zogenaamde vragenbrief (informatiebeschikking) aan belastingplichtige worden gestuurd.
Nadat alle informatie is verstrekt zal er een uitgebreid onderzoek plaatsvinden naar de handel en wandel van een belastingplichtige in Nederland. Hierbij wordt er vaak onvoldoende gekeken naar de activiteiten van belastingplichtige in het buitenland (zoals pin gedrag, woning, lidmaatschappen, etc.). De feiten en het persoonlijke leven kan er soms anders uitzien dan de fiscale beoordeling door de belastingdienst.
Noot fiscaal jurist inzake emigratie en woonplaats onderzoek
Alles begint bij een goede voorbereiding. Het is van essentieel belang dat u zich voor uw emigratie goed gaat voorbereiden. Wat mag wel en wat mag niet en hoe wordt uw (fiscale) woonplaats beoordeeld na uw vertrek. Een aantal zaken moet u in Nederland niet meer verrichten, let hierbij met name op pingedrag, aanwezigheid in Nederland, werkzaamheden in Nederland, de verblijfplaats van uw gezin en het gebruik van uw eigen woning en auto in Nederland. Ook vliegbewegingen moeten hierbij worden meegenomen. Basis vragen zijn":
- Waar bent u het meeste?
- Waar besteedt u de meeste vrije tijd? Waar sport u en bent u lid van een vereniging?
- Waar werkt u?
- Waar bouwt u een leven op?
- Met welk land heeft u een duurzame band?
Als u dan toch een vragenbrief ontvangt is het goed om te kijken of deze informatiebeschikking (kamerbrief onderzoek informatiebeschikking) in redelijkheid kan worden uitgereikt. U kunt de informatiebeschikking namelijk ook voorleggen aan de rechter. Een rechter moet een verzoek (uitvraag) van de belastingdienst altijd toetsen op evenredigheid en redelijkheid.
Het beoordelen van de fiscale woonplaats wordt in veel procedures aan de orde gesteld, een overzicht:
- In een procedure bij het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 27 februari 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:1503) ging het om een DGA met een woonplaats in Zwitserland en Nederland. De DGA woonde tot eind 2009 in Nederland, tot en met eind 2011 hadden ze ook een gemeubileerde (leegstaande) woning in Nederland. Vanaf april 2010 is de woning in Zwitserland volledig verbouwd en gereed om in te wonen. Er wordt in 2011 een dividend uitgekeerd van 10 miljoen euro vanuit de BV van de DGA. Er wordt n.a.v. een boekenonderzoek een zogenaamd woonplaatsonderzoek ingesteld. Ook heeft er bij de DGA een fiod onderzoek plaatsgevonden. Conclusie DGA woont in Nederland (uitspraak gelijk aan uitspraak Rechtbank). Waarom woont de DGA in Nederland? a) huis in Nederland welke hem ter beschikking stond b) regelmatig verblijf in Nederland c) bankrekening in Nederland d) auto in Nederland e) bezoek huisarts, tandarts, opticien en ziekenhuis in Nederland (met zorgverzekering in Nederland) f) verbouwing woning in Zwitserland g) werkzaamheden in Nederland t.a.v. verkoop onroerende zaken. De uitspraak van het hof is opmerkelijk, volgens het hof is de verhuizing een soort glijdende schaal waarbij het centrum van het economisch en sociaal leven zich langzaam heeft verplaatst naar Zwitserland. Een strakke motivering ontbreekt. De zaak ligt bij de Hoge Raad.
- In een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam d.d. 23 januari 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:721) ging het om Henk die in Duitsland is ingeschreven en ook 62 dagen per jaar in Nederland verblijft. De inspecteur stelt dat Henk fiscaal inwoner in Nederland is. De rechtbanken het gerechtshof zijn het met de inspecteur eens. De redenen hiervoor zijn a) zoon woont in Nederland b) zakelijke activiteiten in Nederland c) duurzame banden met Nederland niet voldoende verbroken d) middelpunt persoonlijke levensbelangen in Nederland. Dit is een erg feitelijk uitspraak, er zijn namelijk ook voldoende redenen om te stellen dat Henk in Duitsland woont, hij heeft a) zich ingeschreven b) auto uitgevoerd c) boot in Nederland verkocht d) sociale verzekeringen in Duitsland aangevraagd e) ziektekostenverzekering in Duitsland f) artsen bezoek in Duitsland g) lidmaatschappen in Duitsland h) Duitse ID kaart etc. Het blijft echter een zeer feitelijk beoordeling door de rechter (conform Hoge Raad d.d. 12 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6824), hierbij wordt sterk gekeken naar de persoonlijke en duurzame band van iemand (zie Gerechtshof Amsterdam d.d. 9 oktober 2018 ECLI:NL:GHAMS:2018:3917) en indien iemand vrijwel maandelijks in zijn eigen woning verblijft, kan er discussie ontstaan. De casus voor Henk wordt ook wat onduidelijker door zijn vakantiewoning in Spanje (waar hij ook verbleef). De discussie draait om de persoonlijke banden van duurzame aard, zijn deze in Nederland of Duitsland? De rechter naar de feiten in het licht van artikel 4 AWR en artikel 3, 12 en 16 van het Belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland uit 1959. De vraag blijft dan ook altijd hoe een rechter de zaken in onderling verband gaat wegen, dus welk feit weegt zwaarder (zie Hoge Raad d.d. 21 januari 2011 ECLI:NL:HR:2011:BP1466), hierbij is er niet een feit dat de doorslag geeft.
- In een arrest van de Hoge Raad (2019) en nog meer in de conclusie van de AG worden hier richtlijnen voor gegeven. Het hebben van een woning is van essentieel belang. In de hiervoor genoemde procedure bij de rechtbank had belastingplichtige geen woning, maar stond hem wel een (ouderlijke) woning ter beschikking, aldus de inspecteur.
- In een uitspraak van het Hof Amsterdam d.d. 23 januari 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:721) wordt de complexiteit van de fiscale woonplaatsbepaling binnen de Nederlandse belastingwetgeving onderstreept. Deze casus, waarbij een belastingplichtige, hierna te noemen X, zowel in Nederland als in Duitsland substantiële banden had, illustreert de nuances van de fiscale woonplaatsbepaling en de consequenties daarvan voor de belastingplicht.
- X, met de Nederlandse nationaliteit, stond gedurende de jaren 2015 en 2016 grotendeels ingeschreven in Duitsland, maar behield het recht om tot 62 dagen per jaar in zijn verhuurde Nederlandse woningen te verblijven. Ondanks zijn inschrijving in Duitsland, bleef X economische activiteiten in Nederland verrichten en had hij familiebanden in Nederland. De inspecteur stelde dat X fiscaal inwoner van Nederland bleef, wat door zowel de rechtbank als het Hof Amsterdam werd bevestigd. De kern van deze bevestiging lag in de duurzame banden van persoonlijke aard die X met Nederland behield.
- Hoge Raad 13 april 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ6824) : duurzame band met hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats in Nederland niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland zou bevinden.
- Henk heeft een zoon (geboren 2010), samen met zijn in Thailand wonende vrouw, ze zijn niet getrouwd. De zoon heeft de Nederlandse en Thaise nationaliteit en bij zijn moeder in Thailand. In 2012 heeft Henk zijn appartement - tegen schulderkenning - verkocht aan zijn zoon en ook diverse bankrekeningen op zijn naam gezet (geschonken?). In 2016 was Henk 226 dagen in Nederland en 140 dagen in Thailand. Bij zijn verblijf in Nederland woont het in het appartement van zijn zoon. Henk is van mening dat hij in Thailand woont en buitenlands belastingplichtig in Nederland is. De inspecteur is van mening dat Henk in Nederland woont en dus ook belasting moet betalen over het vermogen van zijn zoon (50%) omdat hij het ouderlijk bezag heeft uitgeoefend. De rechtbank is het (deels) met Henk eens. Het Gerechtshof Den Haag is het op 27 juni 2023 (ECLI:NL:GHDHA:2023:1296) niet met Henk eens. Voor de woonplaats moet worden gekeken naar het belastingverdrag tussen Nederland en Thailand en voor de definitie van het ouderlijk bezag is het Thaise recht van belang. Het Thaise recht stelt dat beide ouders het ouderlijk gezag uitoefenen over hun kind. Het box 3 vermogen van de zoon moet niet voor 100% maar slechts voor 50% worden meegenomen (artikel 2.15 lid 4 Wet IB 2001
- Een butler werkt sinds 2017 voor een sjeik in Dubai (contract voor 4 jaar), hiervoor reist hij de hele wereld over. Tot 1 juni 2017 heeft de butler een woning in Nederland. Zijn loon wordt gestort op een Nederlandse bankrekening. Volgens de butler woont hij vanaf juli 2017 in het buitenland. De sjeik is nooit langer dan 60 dagen in een land omdat hij geen fiscaal inwoner wil zijn buiten Dubai. De butler reist mee naar Engeland, Dubai en verblijft ook regelmatig op de immense boot van de sjeik. Volgens de rechter en de inspecteur woont de Butler in Nederland (terwijl hij hier zelden is). Deze procedure maakt duidelijk dat er via feiten moet worden aangetoond waar iemand woont. Rechtbank Noord Nederland 2 november 2021 ECLI:NL:RBNNE:2021:4648
- Hoge Raad 13 april 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ6824) : duurzame band met hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats in Nederland niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland zou bevinden
- Hoge Raad 12 mei 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AR5759): voor woonplaats ook kijken naar recht in buitenlandse staat, hierbij mee wegen of de persoon in het buitenland aangifte heeft gedaan. Een persoon wordt alleen als ingezetene van Thailand beschouwd als hij in Thailand verblijft voor een totale periode van niet minder dan 180 dagen in een kalenderjaar. Voor de periode in Thailand wordt gekeken naar de inreis- en vertrekstempel in het paspoort. Omdat Henk geen inwoner is van Thailand kom je niet toe aan de tiebreakbepaling.
- Gerechtshof Den Haag 8 december 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:2762) en Hoge Raad d.d. 28 januari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:84) deze procedure gaat over dezelfde casus edoch over de periode 2011 tot en met 2015.
Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 22 april 2021 (ECLI:NL:GHSHE:2021:1272) en Hoge Raad 18 augustus 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1101)
Als u echt wilt emigreren, denk dan aan het volgende:
- Laat voor uw vertrek een woonplaatsadvies opstellen door een fiscaal jurist (wat mag wel en wat mag niet).
- Doe een emigratie-aangifte (M-aangifte).
- Zorg voor uitschrijving uit Nederland.
- Knip eenvoudige bindingen met Nederland door (ziektekosten, auto, verzekeringen, lidmaatschappen, etc.).
- Stop uw telefoonabonnement in Nederland.
- Aanhouden van een woning (die niet extern wordt verhuurd) heeft niet direct de voorkeur (let op gebruik van de woning dat is te herleiden door gebruik gas / water / elektra / telefoon / tv / internet).
- Let op gebruik van creditcards / pinbetalingen, etc.
- Sociale media kan een tijdlijn weergeven.
- Hou gedurende de eerste jaren een duidelijke agenda bij (waar was u, wat deed u, etc.).
- Overweeg om (ook) een buitenlandse nationaliteit aan te nemen (besparen erfbelasting).
- Breng uw beleggingen (bank) buiten Nederland.
Trailing tax in Nederland
De laatste tijd wordt er veel gesproken over een extra fictie, de trailing tax. Een trailing tax is een extra verlengde belastingplicht die aan een emigrant wordt opgelegd om hem of haar nog enkele jaren na vertrek als binnenlands belastingplichtige aan te merken. Duitsland, Finland, Spanje, Portugal en Frankrijk kennen al een dergelijke belasting. Als Nederland een trailing tax wil toepassen moet er een wijziging worden aangebracht in het inwonersbegrip maar ook in belastingverdragen (Nederland heeft er ruim 100 gesloten met diverse landen) (artikel FD 4 december 2024, met inlog). Dit is niet eenvoudig, Finland heeft het in een paar belastingverdragen opgenomen maar kan deze ook regelmatig niet afdwingen (overeenkomen) met andere landen. Het effect zal de komende jaren dus beperkt zijn en tevens lang gaan duren. Het zou sneller kunnen als landen gezamenlijk een dergelijke belasting invoeren, dit dus in OESO verband. Op dit moment is nog niet bekend hoeveel mensen er daadwerkelijk vanuit fiscaal oogpunt naar aantrekkelijke landen emigreren, dit zal de komende jaren worden onderzocht, zie kamerbrief d.d. 4 december 2024 en beslisnota op 21 november 2024.
Woonplaatsonderzoeken door de belastingdienst
Bij de belastingdienst zijn er interne instructies voor een woonplaatsonderzoek, deze kunt u hier raadplegen. Deze instructie gaat over de woonplaats van een natuurlijk persoon. Uit deze interne instructie van de belastingdienst valt op te maken dat er met name wordt gekeken naar
- informatie op het internet en sociale media (ook via AI) via speciale afdeling (OSINT), deze werkt volgens de leidraad juridisch kader internetonderzoek.
- medische gegevens
- informatie van derden en
- informatie van buitenlandse autoriteiten.
Vragenbrief belastingdienst over woonplaats ontvangen. Wat moet ik doen?
De start van het onderzoek is veelal een vragenbrief aan de belastingplichtige zelf. Vooraf is het fiscale belang (meestal schenkbelasting, erfbelasting of inkomstenbelasting) al in beeld gebracht. Er wordt informatie in beeld gebracht over:
- het feitelijk verblijf in Nederland
- de economische binding met Nederland
- de sociale binding met Nederland
- de aanwezigheid van duurzame woongelegenheid in Nederland
Bovenstaande volgt uit het rapport. Bijzonder hierbij is dat er kennelijk geen informatie over het buitenland in beeld wordt gebracht. Als er enkel naar de situatie in Nederland wordt gekeken krijgt de belastingdienst nooit een volledig beeld van alle feiten. Kennelijk wordt er enkel een onderzoek gedaan met als doen "wonen in Nederland". Dit lijkt ons niet de juiste invalshoek. Ontvangt u een vragenbrief laat u dan vanaf het eerste moment begeleiden door een specialist.
Dubbele verhuizing via drielanden constructie werkt niet
Een kleine 60 rijke Nederlanders hebben op creatieve wijze gebruik gemaakt van een zogenaamde drielandenpunt constructie. De rijken emigreerden naar Luxemburg of Zwitserland en hun bedrijf (BV) verplaatsen de zetel naar Malta (of Luxemburg). De Belastingdienst ging hier voorliggen via een projectmatige aanpak (sinds 2015) en kwam met diverse aanslagen (110 miljoen aan dividendbelasting). In deze stevige aanpak kreeg de Belastingdienst in veel zaken gelijk. Via deze route was de Vennootschapsbelasting beperkt en de dividendbelasting vrijwel nihil. Als de advisering zorgvuldig is uitgevoerd en ook wordt opgevolgd kan er veel belasting worden bespaard. De praktijk is echter anders, veel rijken laten de uitvoering rommelig verlopen (na enkele jaren). De (trust) directie heeft feitelijk weinig te vertellen en van een "echte" emigratie is ook niet altijd sprake. Gelukkig worden er zelden boetes opgelegd.
Sinds 2015 is de constructie niet meer echt interessant (door wetswijziging). Tot dat moment werden conserverende aanslagen na 10 jaar kwijtgescholden, sindsdien vervalt deze termijn en blijft de conserverende aanslag - zonder termijn - gewoon bestaan. De huidige exitheffing wordt vlak voor emigratie opgelegd en bij een emigratie binnen de EU nog niet direct geïnd (artikel 25 lid 8 invorderingswet). Inning zal plaatsvinden bij een dividenduitkering, overlijden, vervreemding of het liquideren van de vennootschap. Nederland heeft zich met deze regeling permanent het heffingsrecht over het aanmerkelijk belang van de Nederlandse DGA toegeëigend, zelfs als deze op enig moment al vele jaren buiten Nederland woont.
Vorenstaande is de lezen in een artikel van het FD op 31 januari 2025 (inlog). Voorbeelden voor procedures zijn Gerechtshof Den Haag d.d. 24 juni 2020 EC:I:NL:GHDHA:2020:1044 (en later Hoge Raad d.d. 1 juli 2022 ECLI:NL:HR:2022:976), Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 6 juni 2023 (ECLI:NL:GHSHE:2023:2393) en Gerechtshof Amsterdam d.d. 16 februari 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:808).
Bron fiscale woonplaats
Rechtbank Zeeland - West Brabant d.d. 5 november 2020 ECLI:NL:RBZWB:2020:5436
Hof Amsterdam 22 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5750
Rechtbank Noord-Nederland 4 april 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:1229
Rechtbank Den Haag 8 december 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:15731
Hof Den Haag 25 juni 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2182
Hof Den Haag 10 maart 2015, nummer BK-14/00457
Publicatie RTL inzake achterhouden informatie
Onderstaand het artikel op de internetsite van RTL met medewerking van onze collega, de heer mr Marco Bik. Deze langlopende procedure maakt duidelijk dat het achterhouden van informatie steeds vaker door rechters kritisch wordt bekeken. In deze procedure ging het Gerechtshof er eens goed voor zitten en na meerdere zittingsdagen komt het Gerechtshof tot de conclusie dat er € 80.000 aan proceskostenvergoeding moet worden betaald en dat de aanslag (verzamelinkomen 21.000.000) in de prullenbak kan. Oh ja, ook de € 131 griffierechten wordt vergoed !
Hof kritisch: Belastingdienst hield (weer) info achter voor rechter
De Belastingdienst is in
een zaak die al sinds 2015 speelt flink de fout in gegaan. Het hof
oordeelde deze week dat een inspecteur 'zeer lichtvaardig met de waarheid
is omgesprongen'. Maar dat is niet het ergste: in de jaren erna werd informatie
achtergehouden voor de rechter. En het is niet voor het eerst dat dit gebeurt.
De zaak waar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden deze week uitspraak in deed,
speelt al sinds 2015. Toen begon de Belastingdienst een onderzoek naar
een ondernemer die in 2011 zijn bedrijf verkocht en zou hebben gelogen
over zijn woonplaats. Hij vertrok naar het buitenland en kreeg van de Belastingdienst
een aanslag over zijn inkomen van ruim 21 miljoen euro.
Aanleiding onrechtmatig
Tijdens dat onderzoek ging volgens het Hof van alles fout. Zo begon de zaak door een anonieme tip die bleek te komen van een medewerker van de Belastingdienst. Die informatie hield de Belastingdienst achter. Ook dook de belastinginspecteur zonder aanleiding in de systemen van de Belastingdienst om uit te vinden hoeveel panden van de ondernemer waard waren.
De ondernemer vond dat er geen sprake was van een eerlijk proces en
stapte naar de rechter. Die oordeelde in 2020 over de zaak, maar bleek
niet alle informatie van de Belastingdienst te hebben gekregen, zo oordeelt
het hof. Belastingdienst
houdt informatie achter voor rechter: 'Je staat met 1-0 achter'
Het hof maakt nu gehakt van de aanslag die de Belastingdienst de ondernemer oplegde. Het onderzoek dat de inspecteur begon, kan volgens het hof namelijk niet als bewijs dienen 'omdat de aanleiding onrechtmatig was'. De naheffing gaat van tafel en de Belastingdienst moet de proceskosten – tot wel 80.000 euro – vergoeden.
Rechters zijn er klaar mee
Eerder ontdekte de politieke redactie van RTL Nieuws al dat de Belastingdienst soms informatie achterhoudt voor de rechter. Dit druist in tegen de wet, die voorschrijft dat alle relevante stukken in een zaak moeten worden overgelegd. "Rechters zijn hier steeds vaker klaar mee", zei fiscaal jurist Marco Bik daar toen over. Later kwamen er meer zaken aan het licht.
Staatssecretaris Van Rij van Financiën zei in een reactie dat het gaat om incidenten en dat de Belastingdienst altijd probeert ervan te leren als het toch een keer fout gaat. In een Kamerbrief benadrukte hij nog eens 'dat er geen aanwijzingen zijn dat er sprake is van een werkwijze waarbij de Belastingdienst regelmatig en ten onrechte stukken zou achterhouden'.
Volgens staatssecretaris Van Rij zijn dit incidenten, en is het geen schering en inslag. De advocaat van de ondernemer, Mark Hendriks, laat aan RTL Nieuws weten dat hij het meest schokkende aan de zaak vindt dat het niet één fout van een individuele ambtenaar was. "Hier waren tal van belastingambtenaren bij betrokken, van hoog tot laag in de organisatie. Van de door de staatssecretaris beloofde cultuuromslag lijkt bitter weinig terechtgekomen."
Op de zaak betrekking hebbende stukken.. wat is dit?
In de rechtspraak is de vraag wat een op de zaak betrekking hebbend
stuk is vaak aan de orde geweest. In een advies
van de AG uit 2022 wordt dit nauwgezet omschreven. Hieruit blijkt het
volgende over stukken die moeten worden overgelegd:
- een stuk waarvan de belanghebbende voldoende gemotiveerd stelt dat het van enig belang kan zijn geweest moet je overleggen;
- het is niet relevant of een stuk in het voordeel of nadeel werkt van een belanghebbende;
- een stuk moet je ook overleggen indien belanghebbende zelf over het stuk beschikt
- stukken die de inspecteur of andere collega's die betrokken zijn geweest bij de besluitvorming ter beschikking staan of hebben bestaan, maar die niet zijn gebruikt ter onderbouwing van het bestreden besluit, moet je ook overleggen;
- interne stukken die in het kader van de behandeling van een zaak zijn opgesteld, moet je ook overleggen indien uit andere stukken of stellingen blijkt dat deze interne stukken ten grondslag hebben gelegen aan de besluitvorming;
- stukken die pas in de loop van het beroep of het hoger beroep tot jouw beschikking zij gekomen moet je overleggen;
- een stuk moet je ook overleggen indien de rechter al op basis van ander bewijsmateriaal een beslissing over het geschilpunt kan nemen;
- digitale gegevens uit de systemen moet je overleggen, voor zover zij van belang en raadpleegbaar zijn met het oog op de betreffende zaak. Dit moet gebeuren in de vorm van een afdruk of op een andere geschikte wijze. Een brief of ander document dat in een systeem is opgeslagen, moet je in zijn geheel overleggen;
- als een besluit geheel of deels het resultaat is van een geautomatiseerd proces en belanghebbende wil de juistheid van de in dat proces gemaakte keuzes, gegevens en aannames controleren en eventueel betwisten, dan moet je deze keuzes, gegevens en aannames inzichtelijk en controleerbaar maken.
Er zijn ook stukken die je niet hoeft te overleggen. Daarbij is het
volgende van belang:
- stukken die niet ter beschikking hebben gestaan aan de inspecteur of andere collega’s die betrokken zijn geweest bij de besluitvorming, hoef je niet te overleggen, ook al ben je met het bestaan ervan bekend. Denk bijvoorbeeld aan stukken die ten grondslag liggen aan een proces-verbaal van de FIOD;
- softwareprogramma's en andere elektronische systemen voor gegevensopslag, -bewerking, - verwerking of beheer hoef je niet te overleggen.
- indien onvoldoende duidelijk is welk stuk volgens belanghebbende ontbreekt, hoeft het stuk niet te worden overgelegd;
- indien sprake is van misbruik van procesrecht hoef je het dossier ook niet aan te vullen
Noot fiscaal jurist inzake achterhouden van informatie door de belastingdienst
Deze zaak kreeg veel aandacht in de pers, ondermeer in het FD , binnen de fiscale wereld en bij RTL. Het onzorgvuldig handelen van de belastingdienst kwam voor het grote publiek in beeld bij de toeslagen affaire. De uitspraak is deze zaak staat echter niet op zich en is stevig.
- De ondernemer (DGA) emigreerde in 2001 naar Zwitserland en krijgt een conserverende aanslag die in 2011 wordt kwijtgescholden.
- De aandelen in zijn BV worden voor 21 miljoen verkocht
- De inspecteur krijgt in 2015 informatie dat de ondernemer niet naar Zwitserland is geemigreerd.
- Er volgt een navorderingsaanslag in 2011 van ruim 21 miljoen.
- Na enkele procedures over de te verstrekken gegevens is in geschil of het recht op een eerlijk proces is geschonen en/of de woonplaats van de ondernemer in Nederland is gelegen.
- De inspecteur blijft bij zijn standpunt dat hij bepaalde stukken niet wil verstrekken.
- Deel van de geschoonde informatie wordt aan belastingplichtige en de rechtbank verstrekt, dit met een beroep op artikel 8:29 AWB (geheimhouding)
- De rechtbank doet er nog niet veel mee maar het gerechtshof gaat er eens goed voor zitten en heeft meerdere zittingsdagen nodig.
- Het Gerechtshof is van mening dat alle bewijsmiddelen die de inspecteur over de woonplaats heeft ingebracht worden uitgesloten.
- De belastingdienst verhulde informatie en liet deze in de lade liggen, het hof verwijs nog even fijntjes naar het tipgevers arrest uit 2015, aan het achterhouden van informatie moeten hoge eisen worden gesteld, aldus het hof. Ook moeten bepaalde getuigen (werknemers van de belastingdienst) tijdens de zitting worden gehoord (verwijzing Hoge Raad 9 augustus 2013).
- De inspecteur blijft - ondanks verzoeken van belastingplichtige en het hof - van mening dat bepaalde informatie niet hoeft te worden verstrekt. Het is dan aan de rechter om hier gevolgen aan te verbinden.
- Het onderzoek naar een ondernemer was onrechtmatig
- De aanslag gaat in de prullenbak en de ondernemer krijgt een proceskostenvergoeding van € 80.000
In dit artikel komen Marco Bik en Mark Hendriks aan het woord over het achterhouden van informatie door de belastingdienst. De schending van de rechten van belastingplichtige kwam in 2022 bij de Hoge Raad al eens aan bod. In mei 2022 boog ook de rechtbank Noord Nederland zich over een dergelijke situatie, ook in deze procedure worden de beginselen van een goede rechtsorde ernstig geschonden door stukken niet tijdig aan belastingplichtige te overleggen, dit was dusdanig ernstig dat een navorderingsaanslag in de prullenbak verdween. In dezelfde jaar dook de Rechtbank Noord Nederland (juni 2022) in een vergelijkbare casus waarin een FIOD dossier voor een belastingplichtige was achtergehouden. Ook de rechtbank Gelderland kwam in dat jaar achter een schending van artikel 8:42 AWB, ook hier wordt informatie achter gehouden en ging de aanslag in de put. Het Gerechtshof Den Bosch deed het in een andere zaak nog even dunnetjes over, hierbij bleef de aanslag in stand maar wordt een proceskostenvergoeding van 10.000 euro toegekend. Het Gerechtshof Den Bosch ging in 2022 nog een stapje verder en vernietigde de gehele aanslag.
Een rechter kan dus zelf beslissen welke gevolgen er worden gehangen aan het fenomeen "achterhouden van informatie". Artikel 8:42 AWB is vrij duidelijk, de belastingdienst moet in een fiscale procedure alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechter (en eigenlijk ook belastingplichtige) voorleggen. Maar wat zijn op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel) en moeten alle stukken worden verstrekt?
Op grond van 8:29 AWB kan de belastingdienst bepaalde informatie niet verstrekken omdat deze geheim moeten blijven. Als de belastingdienst onterecht informatie niet verstrekt kan de rechter hieraan gevolgen verbinden, aldus 8:31 AWB. De Hoge Raad heeft dit keurig en strak opgeschreven in een arrest uit 2018.
De gevolgen van het niet verstrekken van informatie kunnen dus van uiteenlopende aard zijn (toelichting overheid)
Bron inzake achterhouden van informatie
Artikel RTL inzake achterhouden informatie d.d. 19 april 2024
Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 16 april 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:2464
Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 11 juli 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:6004
Hoge Raad d.d. 22 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:639
AG d.d. 16 maart 2022 ECLI:NL:PHR:2022:245
Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 28 april 2021 ECLI:NL:GHARL:2021:4161
Rechtbank Gelderland d.d. 10 maart 2020 ECLI:NL:RBGEL:2020:1636
Fiscaal juridische grens tussen boekenonderzoek (belastingcontrole) en fiscale opsporing
Tijdens een boekenonderzoek geldt de informatieplicht, iedere belastingplichtige is verplicht om informatie aan de belastingdienst te verstrekken. Belangrijk hierbij is dat de informatie voor uw belastingheffing van belang kan of moet zijn. De informatieverplichting ziet op het verstrekken van gevens en inlichtingen en voor het raadplegen van boeken, bescheiden, inzage in software en mogelijke andere gegevensdragers. Als niet juist of volledig aan deze verplichting wordt voldaan kan de inspecteur een informatiebeschikking vaststellen. Maar wat als tijdens het boekenonderzoek blijkt dat het fiscale strafrecht in beeld komt, aldan geldt het zwijgrecht en dus geen informatieplicht. In deze blog beschrijven wij het lastige moment waarop de informatieplicht overgaat naar zwijgrecht. Helemaal duidelijk zal dit zelden zijn. Soms is "mondje dicht" het beste advies bij een boekenonderzoek.
Grenzen van de informatieplicht en het zwijgrecht: Fiscale controle versus strafrechtelijke opsporing
In Nederland is de interactie tussen de fiscale controlebevoegdheden en strafrechtelijke opsporingsbevoegdheden een belangrijk aspect. De Belastingdienst bezit uitgebreide controlebevoegdheden om de naleving van belastingwetten te waarborgen. Volgens artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is eenieder verplicht om op verzoek gegevens en inlichtingen te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing. Dit dient echter binnen de grenzen van de fiscale wetgeving te blijven. Een belangrijke uitspraak hiervoor is van de Hoge Raad d.d. 21 februari 2023 (ECLI:NL:HR:2023:237)
Overgang naar opsporing en het zwijgrecht
De belastingdienst moet volledig en juist een onderzoek bij een belastingplichtige kunnen instellen, hiervoor is informatie nodig. De wettekst is hiermee redelijk aan de kant van de belastingdienst. Voor het uitvoeren van haar taken heeft de belastingdienst omvangrijke controle bevoegdheden, zowel bij u als bij derden. Er mag echter geen informatie worden opgevraagd die fiscaal niet relevant is, deze grens wordt tijdens het boekenonderzoek soms opgezocht of geraakt. Artikel 47 AWR is het vertrekpunt, iedere belastingplichtige is gehouden om desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken omtrent haar administratie, dit begint meestal bij een papieren administratie en een audit file. Hierna worden er verdere vragen gesteld waarbij soms agenda's, adviezen en mails worden opgevraagd.
Dwangmiddelen belastingdienst om informatie te verkrijgen van belastingplichtige
Bij de belastingplichtige rust een inspanningsverplichting om de informatie ook daadwerkelijk te verstrekken. Nakoming hiervan kan eventueel door de inspecteur worden afgedwongen via een informatiebeschikking of een dwangsom (via de civiele rechter). Ook kan een belastingplichtige wegens een weigering om informatie volledig te verstrekken strafrechtelijk worden vervolgd. Er kunnen dus stevige dwangmiddelen worden ingezet.
Wanneer vervalt de informatieverplichting?
De informatieplicht van een belastingplichtige kent wel grenzen. Vanaf het moment dat redelijkerwijs een bestraffende sanctie valt te verwachten of wordt aangekondigd (in de vorm van een vergrijpboete of overdracht van het dossier aan de FIOD) is sprake van een zogenaamde criminal charge (artikel 6 EVRM). Een vergrijpboete valt namelijk aan te merken als een sanctie met een straf karakter. De belastingplichtige (of diens adviseur of accountant) mag zich vanaf dat moment beroepen op zijn zwijgrecht. Het zwijgrecht moet ervoor zorgen dat een belastingplichtige geen belastende verklaringen gaat afleggen. Ook moet er een waarborg zijn dat verklaringen en informatie uit vrije wil worden afgelegd of verstrekt.
De vraag waarbij - binnen dit grijze gebied - de overgang heeft plaatsgevonden tussen de informatieplicht en het strafrecht (zwijgrecht) is niet altijd even duidelijk. Voor de praktijk en bij procedures is dit echter een essentiele vraag. De informatieplicht vervalt op het moment dat een belastingplichtige via de inspecteur heeft vernomen dat er een (voornemen) voor een vergrijpboete is, eigenlijk ligt dit moment al eerder, namelijk op het moment dat de belastingplichtige kan vermoeden dat de inspecteur een boete gaat opleggen en/of de inspecteur de overweging heeft om een vergrijpboete op te gaan leggen.
Wanneer een fiscale controle overgaat in een strafrechtelijk onderzoek, treedt artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in werking, waarbij de belastingplichtige niet meer verplicht kan worden om mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Dit is het fundamentele zwijgrecht dat in werking treedt zodra de controlebevoegdheden worden gebruikt voor opsporingsdoeleinden. Gerechtshof Amsterdam (Gerechtshof Amsterdam 3 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1338) heeft in deze context geoordeeld dat zodra er sprake is van een vermoeden van een strafbaar feit, de belastingplichtige zijn zwijgrecht mag inroepen en elke verdere informatieplicht vervalt. Ook een latere uitspraak van het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 1 februari 2023 (ECLI:NL:GHSHE:2023:393) is lezenswaardig.
Dossierinzage bij boekenonderzoek en vergrijpboete
Een dossierinzage kan hierbij van essentieel belang zijn omdat hieruit duidelijk kan worden of belastingplichtige nog informatie heeft verstrekt terwijl een beroep op zijn zwijgrecht al mogelijk was geweest. De overgang van fiscaal naar strafrecht is in een procedure een cruciaal moment. Als er een boekenonderzoek heeft plaatsgevonden en de bestuurders of administratieplichtigen zijn aangemerkt als verdachte (n) dan is het van groot belang om volledig inzicht te krijgen in het controle dossier en alle stukken, mails en gesprekken die hieraan ten grondslag hebben gelegen. Als er bij aanvang van een boekenonderzoek als strafrechtelijk verdenkingen waren dan kan deze informatie wellicht onrechtmatig zijn verkregen, omdat de controle ambtenaar de belastingplichtige hierop had moeten wijzen (zwijgrecht /niet tot antwoorden verplicht). De rechter kan hieraan verregaande consequenties verbinden.
Inzet van Controlebevoegdheden voor Opsporingsdoeleinden
Indien controlebevoegdheden onterecht worden ingezet voor opsporingsdoeleinden, kan dit leiden tot schendingen van de beginselen van een behoorlijke procesorde. Dit kan onder meer leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging, zoals bepaald in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en bekrachtigd door de Hoge Raad (Hoge Raad 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:237).
Conclusie vergrijpboete en boekenonderzoek
De fijnmazige balans tussen fiscale controle en strafrechtelijke opsporing vereist juridische kennis en nauwgezette aandacht voor de rechten van de belastingplichtige. Een zorgvuldig opgezette tijdlijn van het onderzoek (met de onderliggende informatie) is hiervoor van belang. Een begeleiding van een boekenonderzoek door uw accountant in overleg met gespecialiseerde fiscaal jurist is van essentieel belang voor een juiste uitkomst.
In de praktijk komt het herhaaldelijk voor dat tijdens een gezellig praatje met de ambtenaren tijdens een boekenonderzoek of bij de bespreking van de resultaten bepaalde zinnetjes onder water worden ingevlochten, denk hierbij aan "u hoeft niet te antwoorden" of " u bent niet tot antwoorden verplicht", dit kan duiden op het voornemen om een vergrijpboete op te leggen en/of dat er al contact is geweest met de FIOD of het Openbaar Ministerie.
Het zwijgrecht (en dus de cautieplicht) geldt in ieder geval vanaf het tijdstip waarop kan worden gesproken van een 'criminal charge'. Veelal wordt aangenomen dat sprake is van een criminal charge vanaf het tijdstip waarop de belastingplichtige uit handelingen van het bestuursorgaan redelijkerwijs kan afleiden dat hem een boete zal worden opgelegd. Dat kan dus midden in een gesprek zijn.
Omdat u wel verplicht bent om vragen te beantwoorden als het gaat om de belastingheffing zelf, is het vaak lastig om tijdens een boekenonderzoek te onderkennen wanneer het nu gaat om de belastingheffing en wanneer om de boete. Het is niet noodzakelijkerwijs zo dat de vragen t.b.v. de boete altijd aan het einde van een gesprek zitten. Draag uw werknemers daarom op om geen vragen te beantwoorden en wijs een verantwoordelijke aan die de ambtenaren te woord staat. Betrek bij twijfel altijd een adviseur bij het gesprek. En natuurlijk, het is verstandiger om vragen schriftelijk te beantwoorden, niet mondeling. Dwing de inspecteur hiertoe zodat u controle kunt houden op de feiten, gevolgen en heffingen.
Hulp bij boekenonderzoek belastingdienst
Als u een boekenonderzoek van de Belastingdienst verwacht, is het belangrijk om goed voorbereid te zijn en advies in te winnen over hoe u hier het beste mee om kunt gaan. Hier zijn enkele tips die u kunnen helpen bij het begeleiden van een boekenonderzoek:
- Wees goed voorbereid: Zorg ervoor dat u alle benodigde documentatie bij de hand heeft voordat het onderzoek begint. Dit kan onder meer uw boekhouding, facturen, bonnen en bankafschriften omvatten.
- Stel een contactpersoon aan: Wijs een contactpersoon binnen uw organisatie aan die verantwoordelijk is voor het begeleiden van het boekenonderzoek. Deze persoon kan als aanspreekpunt fungeren voor de Belastingdienst en ervoor zorgen dat alle benodigde informatie op een efficiënte en effectieve manier wordt verstrekt.
- Wees transparant: Wees zo open en eerlijk mogelijk tegenover de Belastingdienst. Het verbergen of achterhouden van informatie kan leiden tot verdere problemen en boetes.
- Houd deadlines in de gaten: Zorg ervoor dat u alle deadlines in de gaten houdt en dat u alle benodigde informatie op tijd verstrekt. Hierdoor kunt u vertragingen en extra kosten voorkomen.
- Overweeg het inschakelen van een deskundige: Als u zich zorgen maakt over het boekenonderzoek van de belastingdienst of als u zich niet volledig zeker voelt over de informatie die u verstrekt, kunt u overwegen om een deskundige in te schakelen. Een belastingadviseur kan u helpen bij het voorbereiden van het onderzoek en u adviseren over hoe u het beste kunt omgaan met eventuele problemen die zich voordoen. Wi jadviseren wekelijks accountants en belastingplichtigen bij boekenonderzoeken, vraag gerust een vrijblijvende offerte of kom eens langs voor een bakje koffie.
Door deze tips te volgen, kunt u het boekenonderzoek van de Belastingdienst succesvol begeleiden en ervoor zorgen dat u zich geen zorgen hoeft te maken over onverwachte problemen of boetes.
Vragen of hulp nodig bij boekenonderzoek
Neem gerust contact op met onderstaande adviseurs of stuur ons een verzoek om een offerte.
Bron inzake cautie Boekenonderzoek
Checklist boekenonderzoek
Navigeren door een Boekenonderzoek van de Belastingdienst
Voor veel ondernemers is een boekenonderzoek door de Belastingdienst een moment van spanning. Deze grondige controle van aangiften en administratie kan zich richten op specifieke onderdelen of een bredere scope hebben. Als ervaren fiscaal jurist bied ik in dit artikel een diepgaand inzicht in het proces van een boekenonderzoek, inclusief een uitgebreide checklist voor de belastingplichtige.
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Het doel van boekenonderzoeken
De Belastingdienst heeft de verantwoordelijkheid om de naleving van fiscale wet- en regelgeving te handhaven. Dit omvat het heffen, controleren en innen van rijksbelastingen. Boekenonderzoeken zijn cruciaal voor deze taak en kunnen variëren van algemene controles tot specifieke onderzoeken gericht op fraudevermoedens.
Het verloop van een boekenonderzoek
Een boekenonderzoek doorloopt verschillende fasen, van de initiële aankondiging tot de uiteindelijke afronding en rapportage. Het proces begint met een aankondigingsbrief die de scope van het onderzoek uiteenzet. Vervolgens vindt een bedrijfsverkenning plaats, gevolgd door een gedetailleerde analyse van de administratie, volledigheids- en juistheidscontroles, en ten slotte de afronding en rapportage.
Rechten en plichten bij boekenonderzoek van de belastingdienst
Tijdens een boekenonderzoek is de ondernemer verplicht om mee te werken en relevante gegevens te verstrekken. Echter, informatie die niet direct relevant is voor de belastingheffing, zoals correspondentie met advocaten of notarissen, hoeft niet gedeeld te worden. Bij meningsverschillen over de relevantie van gegevens kan de inspecteur een informatiebeschikking afgeven.
Voorbereiding boekenonderzoek
Het is verstandig om een boekenonderzoek met uw accountant en uw belastingadviseur goed voor te bereiden. Wat kunt u verwachten? Wat zijn mogelijke risico's? Ook is het volgende van belang:
- Leg andere administratie en informatie in de kast achter slot en grendel
- Schakel een specialist in, voor de controlerend ambtenaar is het dagelijks werk
- Geen adviezen van uw accountant, advocaat, notaris of belastingadviseur ter inzage leggen
- Eigen notities bij uw administratie niet verstrekken, bent u wel verplicht als hierom wordt gevraagd
- Verstrek alleen informatie welke fiscaal relevant is en tot uw administratie behoort, laat dit vooraf goed beoordelen door een deskundige accountant of fiscaal jurist.
- Zorg ervoor dat één persoon binnen uw bedrijf contactpersoon is, andere personen niet met de Belastingdienst laten praten.
- Geef geen originelen aan de controlerend ambtenaar.
- Maak afschriften van hetgeen door de inspecteur wordt meegenomen, zo weet u wat er wel niet is verstrekt
- Geeft kort en bondig antwoord op vragen. En enkel op de gestelde vragen en maak naar elk gesprek een kort gespreksverslag
- Geluidsopnamen, steeds meer bedrijven hebben camera’s die ook opnemen. Juridisch en qua privacy en bewijsvoering lastig maar zeker te overwegen. Ombudsman (2015/038) opname zonder toestemming bij boekenonderzoek (medische reden “kan niet goed onthouden”) . Ombudsman “opnemen is toegestaan”. Algemeen verbod opnemen bij Belastingdienst is onbehoorlijk.
Rechten en plichten bij een boekenonderzoek
- Belastingplichtige heeft een inlichtingen verplichting. De informatie moet echter wel voor de belastingheffing relevant zijn.
- Geef alleen feiten weer en geen meningen,
- Als vragen betrekking hebben op een mogelijke boete kunt u zich op uw zwijgrecht beroepen
- U moet uw administratie verstrekken, de wet zegt echter niets over "hoe dit zou moeten".
- Administratie 7 jaar bewaren (bij onroerende zaken 9 jaar)
- Fiscale adviezen hoeft u niet te verstrekken
- Alles wat u zegt moet waar zijn, maar niet alles zeggen !!!
- Wees kort en bondig bij een antwoord, zinnen max 10 woorden !
- Inspecteur mag niet snuffelen (fishing expedition).. laden/ kasten openen/ niet achter PC of in archief snuffelen
- Adviezen notaris/ advocaat : verschoningsrecht .. ook adviezen accountant/ fiscalist (geen wettelijk verschoningsrecht)
Praktische tips voor het Boekenonderzoek door de belastingdienst
- Voorbereiding: Verzamel de gevraagde informatie vooraf en leg deze klaar voor de inspecteur. Zorg er ook voor dat u een aparte map aanmaakt op uw harde schijf met alle informatie die aan de belastingdienst is en wordt verstrekt.
- Communicatie: Houd de communicatie met de inspecteur duidelijk en bondig. Een vast contactpersoon kan veel ruis op de lijn voorkomen.
- Laat u voordien door een ervaren fiscaal jurist adviseren.
- Wijs binnen uw organisatie één persoon aan als contactpersoon, geef dit ook aan richting de Belastingdienst en instrueer andere personen dat ze geen antwoorden geven.
- Een goede sfeer en open communicatie kunnen het proces aanzienlijk versoepelen. Het is echter een zakelijk gesprek waarbij u enkel antwoorden hoeft te geven op fiscaal relevante vragen, dus weer niet te uitgebreid met uw beantwoording.
- Noteer de scope, periode en specifieke belastingen die onderzocht zullen worden, deze staan in de aankondigingsbrief. Meer informatie dan ook niet verstrekken (ook niet mondeling) .
- Bereid je voor op vragen over de onderneming, de markt en eventuele veranderingen door de jaren heen.
- Zorg dat je administratie voldoet aan de eisen en wees klaar om de inrichting ervan te verdedigen.
- Wees klaar om aanvullende informatie te verstrekken en inconsistenties te verklaren. Beantwoord vragen zoveel mogelijk schriftelijk zodat het vraag en antwoord "spel" duidelijk is vastgelegd.
- Bespreek de bevindingen en eventuele correcties met je adviseur voordat je reageert op het conceptrapport.
- Formuleer een weloverwogen reactie op het conceptrapport, eventueel met tegenbewijs.
- Verstrek niet klakkeloos alle gevraagde informatie. Kort antwoorden en enkel indien fiscaal relevant.
- Scheid adviezen en eigen notities van uw administratie, maakt geen notities in uw eigen administratie
- Maak zelf aantekeningen bij een onderzoek, elke dag (wat is er gebeurd, besproken, etc)
- Verstrek geen originelen aan de Belastingdienst en maar een scan van de informatie welke door de Belastingdienst wordt meegenomen.
- Vooraf en bij einde onderzoek (voor definitieve rapport) adviseur inschakelen en bij bezwaar/ beroep formele zaken (naast materieel) meenemen . Indien gewenst, moment om te “dealen” is bij slotgesprek
Als het boekenonderzoek minder gezellig wordt
Hoewel de meeste boekenonderzoeken in goede harmonie verlopen, kunnen er situaties ontstaan waarin fraudevermoedens een rol spelen. Wees alert op signalen en schakel bij twijfel direct een adviseur of fiscaal advocaat in.
Conclusie en advies boekenonderzoek belastingdienst
Een boekenonderzoek kan ingrijpend zijn, maar met de juiste voorbereiding en deskundige begeleiding kan het proces soepel verlopen. Door proactief te handelen en open te communiceren met de Belastingdienst, kun je veel ongemak voorkomen. Onthoud: een gewaarschuwd ondernemer telt voor twee.
Voor meer informatie of ondersteuning bij een boekenonderzoek, neem gerust contact op met onderstaande fiscalisten. Zij kunnen je bijstaan met expertise en ervaring, zodat je goed voorbereid bent op wat komen gaat.
Bron boekenonderzoek belastingdienst
Rapport analyse boekenonderzoek
Handboek controle belastingdienst
Boekenonderzoek bij belastingadviseur of accountant
Belastingadviseurs en accountants staan voor unieke uitdagingen wanneer zij zelf onderwerp worden van belastingcontrole, met name in het kader van hun informatieverplichtingen. Deze blog verkent de recente jurisprudentie en biedt inzicht in de grenzen en mogelijkheden binnen het wettelijke kader.
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Juridische Context bij boekenonderzoek bij accountant of belastingadviseur
Belastingadviseurs (en accountants) zijn doorgaans gewend aan het adviseren van klanten tijdens belastingcontroles, maar het ervaren van een controle gericht op hun eigen fiscale verplichtingen brengt unieke uitdagingen met zich mee. De focus ligt hierbij op de informatieverplichting onder artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), die de grenzen van deze verplichtingen en de bescherming van de privacy van cliënten raakt.
Belangrijke Jurisprudentie inzake boekenonderzoek bij belastingadviseur
- Zaakbeschrijving: Een belastingadvieskantoor verricht werkzaamheden via een gelieerde entiteit in Curaçao. De inspecteur vraagt om inzage in e-mailverkeer voor de eigen belastingheffing van de adviseur.
- Uitspraak: Het hof (ECLI:NL:GHARL:2022:715) bevestigt dat de volledige inzage in de gevraagde e-mails proportioneel is en benadrukt dat e-mails van belang kunnen zijn voor de belastingheffing. De Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:256)deed deze uitspraak in cassatie eenvoudig af via een artikel 81 RO uitspraak.
- Proportionaliteit en Redelijkheid: De inspecteur wordt ruimte geboden om e-mails uit klantdossiers op te vragen, afhankelijk van de bevindingen van het controleonderzoek en de informatie die reeds uit de financiële administratie blijkt.
- Het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel speelt een cruciale rol in het bepalen of de volledige inzage in e-mails gerechtvaardigd is. Kijk voor een heldere toelichting ook even in deze - uit 2019 afkomstige - toelichting van de Advocaat Generaal. Dit advies van de AG werpt een nader licht op de zaak die speelde bij het Gerechtshof Den Bosch in 2019.
- Toezeggingen van de Inspecteur : Specifieke toezeggingen, zoals het scheiden van fiscale adviezen en een marginale toetsing van privé e-mails, kunnen bijdragen aan het vermijden van een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
- Fair Play Beginsel: Het hof wijst een beroep op het fair play-beginsel af, omdat dit beginsel alleen relevant is voor e-mails die direct betrekking hebben op de fiscale positie van de belastingadviseur zelf. Zie hiertoe ook de oudere uitspraak van de Hoge Raad uit 2005 die ook een toelichting geeft op de omkering van de bewijslast. Lees ook dit artikel
Praktische Overwegingen voor Belastingadviseurs
- E-mailbeheer: Het scheiden en anonimiseren van e-mails en bestanden relevant voor eigen belastingheffing is cruciaal. Maak dus verschillende mappen op uw harde schijf en binnen uw e-mail voor zaken (a) die voor de belastingheffing relevant zijn, zoals facturen en urenadministratie (b) informatie van klanten (c) overige informatie en adviezen die niet relevant zijn voor uw belastingheffing (d) informatie van advocaten (e) prive mails. Wellicht is de beste optie om mails te scheiden via 2 of meer mailadressen.
- Risicobeheersing: Het niet duidelijk scheiden van zakelijke en privé e-mails kan ertoe leiden dat de inspecteur privé e-mails moet beoordelen. Het geniet de voorkeur om gebruik te maken van 2 mailadressen, prive en zakelijk.
- Transparantie naar Klanten: Hoewel toezeggingen van de inspecteur enig vertrouwen bieden, blijft de vraag of klanten zich hierop kunnen beroepen. Lees ook dit artikel over de bewijslastverdeling.
Conclusie inzake advisering accountant of fiscalist bij boekenonderzoek
De casus van Hof Arnhem-Leeuwarden onderstreept het belang voor belastingadviseurs en/of accountants om nauwgezet om te gaan met hun administratie en communicatie, zowel voor hun eigen belastingheffing als die van hun klanten. Het naleven van het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel, samen met een duidelijke scheiding tussen zakelijke en privécommunicatie, vormt de sleutel tot het succesvol navigeren door de uitdagingen van belastingcontroles. Laat u adviseren door een specialist en neem tijdig (voorkeur bij start boekenonderzoek) contact op met een specialist. Stuur ons gerust een e-mail voor een kennismakingsgesprek.
Bron bestanden boekenonderzoek bij accountant
Hoge Raad d.d. 16 februari 2024 ECLI:NL:HR:2024:256
Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 1 februari 2022 ECLI:NL:GHARL:2022:715
De Belastingdienst en steekproeven bij boekenonderzoeken: Wat u moet weten?
Wanneer de Belastingdienst aankondigt dat ze uw administratie willen onderzoeken, kan dat een zorgwekkend moment zijn. Vaak streven ze naar efficiëntie en maken ze gebruik van steekproeven, ook wel bekend als de "eurosteekproef," om hun doel te bereiken. Maar wat moet u weten over deze steekproeven en waarom zou u ze niet zomaar moeten accepteren? Welke steekproeven zijn er?
Reductie aantal steekproeven belastingdienst
De belastingdienst heeft inmiddels vele nieuwe controlemedewerkers aangenomen en opgeleid. Het aantal controles MKB bedrijven zal de komende jaren dus toenemen. Bij een boekenonderzoek van de belastingdienst is de uitkomst altijd ongewis. Vooral als via een steekproef een onderzoek wordt ingestoken kunnen de financiele lasten (mede door extrapolatie) toenemen. Dit wordt nog eens versterkt door belastingrente en (verzuim) boetes. De belastingdienst heeft beleid gepubliceerd inzake het beperken van de steekproef bij belastingcontroles. Volgens het handboekcontrole 2026 van de belastingdienst (paragraaf 11.3.3) wordt het aantal steekproeven gereduceerd. Voor MKB bedrijven (maar ook binnen de publieke sector) kan het verstandig zijn om eens per 2-3 jaar zelf een steekproef te trekken (die aan de vereisten van de belastingdienst voldoet). Vragen? Neem gerust contact met ons op.
De Steekproef bij een boekenonderzoek
Bij een boekenonderzoek wordt uw administratie nauwkeurig beoordeeld. Steeds vaker gebruikt de Belastingdienst steekproeven om het beoordelingsproces te versnellen. Hoewel steekproeven oorspronkelijk uit de accountancy komen, worden ze nu veelvuldig toegepast in fiscale controles. Echter, er zijn problemen en tekortkomingen geassocieerd met deze aanpak, waardoor u voorzichtig moet zijn voordat u een steekproef zonder meer accepteert.
Problemen met steekproeven
- Ruim gebruik van extrapolatieregels: Een van de problemen is dat extrapolatieregels vaak royaal worden toegepast, waardoor de resultaten verre van accuraat kunnen zijn. Steeds vaker zijn rechters hier niet mee eens, zie bijvoorbeeld Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 28 januari 2011 (ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ2837) maar ok de Rechtbank Den Haag d.d. 25 oktober 2016, emperisch bewijs voor een constant beeld is van essentieel belang, aldus de rechters. Ook het Gerechtshof Den Haag d.d. 23 november 2016 denkt er zo over.
- Ruim ingevulde informatie: De informatie die wordt opgevraagd, kan overmatig zijn, wat tot onnodige complexiteit kan leiden.
- Onjuiste toepassing van statistische steekproefmethoden: De statistische steekproef wordt niet altijd correct ingevuld of toegepast, en er zijn verschillende benaderingen. Voor de loonbelasting wordt door de Rechtbank Leeuwarden d.d. 25 maart 2010 een steekproef afgewezen, voor de BPM was de Hoge Raad op 14 maart 2008 niet akkoord met een steekproef.
Gevolgen van gebruik van steekproeven door de Belastingdienst
De Belastingdienst past steekproeven bijvoorbeeld toe op inkoop- en verkoopfacturen. Echter, als er memoriaalboekingen in uw auditfile zitten, kunnen de resultaten vertekend worden. Memoriaalboekingen dienen om foutieve boekingen te corrigeren, wat kan leiden tot een verkeerde interpretatie van fouten in facturen. Dit kan leiden tot onterechte aanslagen en onvolledige beelden van uw financiën.
Juridische aspecten
De jurisprudentie rondom steekproeven bij boekenonderzoek is nog beperkt. Rechters zijn echter kritisch, en de uitkomsten van een steekproef kunnen niet zonder meer als basis voor aanslagen dienen. Soms is de steekproef te beperkt of worden alleen bepaalde perioden onderzocht.
Het niet-accepteren van de steekproef
Hoewel de Belastingdienst steekproeven als tijdbesparend beschouwt, zijn er voorwaarden voor acceptatie:
- Aankondiging: De steekproef moet voorafgaand aan het onderzoek schriftelijk worden aangekondigd, niet tijdens.
- Complete gegevens: Er moet voldoende informatie in uw administratie beschikbaar zijn.
- Homogene populatie: De steekproef moet betrekking hebben op een homogene groep.
- Beschikbaarheid: Uw gegevens moeten beschikbaar zijn voor controle.
- Inzicht in administratieve organisatie: Er moet voldoende inzicht zijn in uw administratieve organisatie en interne beheersing.
Uitspraken van rechters over steekproeven
Rechters hebben in het verleden verschillende uitspraken gedaan met betrekking tot steekproeven. Extrapolatie moet zorgvuldig worden onderbouwd, en niet altijd kan worden uitgegaan van resultaten uit één jaar als maatstaf voor andere jaren.
Steekproef belastingdienst en nu?
De laatste tijd zien we steeds vaker dat de belastingdienst gebruik maakt van de steekproef. Het is voor de belastingdienst namelijk een stuk minder werk om controles uit te voeren en om correcties op te leggen (rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 5 december 2019 ECLI:NL:RBZWB:2019:5440).
- Toegestaan: de Hoge Raad heeft al in 2008 toestemming gegeven voor een rechtsgeldige steekproef (Hoge Raad d.d. 14 maart 2008 ECLI:NL:HR:2008:AU0837), deze procedure ging over de BPM, thans wordt de steekproef voor vele belastingen gebruikt. Het Gerechtshof was het ook eens met de steekproef.
- Regels: de formele regels en voorwaarden om van een steekproef gebruik te mogen maken is niet echt duidelijk. In deze noot van de adviseur van de Hoge Raad (De AG) worden wel diverse aanwijzingen gegeven, hier is nog weinig mee gedaan. In 2020 gaf het Gerechtshof 's Hertogenbosch op 31 december 2020 (ECLI:NL:GHSHE:2020:4116) een nuttige toelichting. De steekproef moet statistisch verantwoord zijn en voor belastingplichtige controleerbaar. Dit is in de praktijk knap lastig, edoch er zijn binnen ons netwerk specialisten die de statische steekproef kunnen beoordelen. Belangrijk is dat de populatie homogeen is en op objectieve maatstaven moet worden bepaald.
- Praktijk: het is belangrijk om de steekproef door een deskundige te laten controleren (dus wat is waarom onderzocht en hoe is geselecteerd)
- Bewijslast belastingplichtige: de steekproef geeft een bewijsvermoeden. De belastingplichtige mag proberen om dit bewijs te ontzenuwen. Hiertoe moeten de resultaten - goed gemotiveerd - worden tegengesproken (in twijfel getrokken). Dit kan door een contra onderzoek of een volledig eigen boekenonderzoek van de gehele administratie. Lees voor een toelichting deze uitspraak.
- Extrapolatie: het onderzoek zal vaak over 1 jaar plaatsvinden en wordt dan ook toegepast over de andere jaren. Strikt formeel mag dit - aldus de Hoge Raad (en deze uitspraak). Beide periodes moeten dan wel op elkaar lijken qua feiten en omstandigheden (volgens de Hoge Raad en het Gerechtshof in 2016). De inspecteur moet dus met een toelichting komen over het uitsmeren van de resultaten uit jaar X over jaar X+1 of X-1. Rechters zijn erg kritisch over extrapolatie, hier valt dus nog wel iets te winnen, zie hiertoe diverse uitspraken van rechters (Rechtbank Leeuwarden d.d. 25 maart 2010, Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 28 januari 2011 en de Rechtbank Den Haag d.d. 25 oktober 2016)
- Boete: een boete bij een steekproef vereist nogal wat, deze moeten overtuigend worden aangetoond door de inspecteur, dit met een uitgebreide toelichting (en een boeterapport), zie Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Conclusie inzake steekproef belastingdienst
Steekproeven bij boekenonderzoek door de Belastingdienst zijn een realiteit die u als belastingplichtige kunt tegenkomen. Het is van vitaal belang om te begrijpen wat deze steekproeven inhouden, de potentiële problemen te herkennen en te weten dat u niet verplicht bent om ze zonder meer te accepteren. Het raadplegen van deskundigen en het zorgvuldig overwegen van uw opties is essentieel om ervoor te zorgen dat uw financiële situatie eerlijk en correct wordt beoordeeld.
Bron bestanden en jurisprudentie
Centrale Raad van Beroep 14 juli 2005 inzake steekproef bij kostenvergoedingen (akkoord)
Hoge Raad d.d. 14 maart 2008 inzake guldensteekproef en bewijs bij BPM (steekproef niet akkoord) (met heldere noot)
NBA Document inzake het gebruik van steekproeven bij een boekenonderzoek
Tax Control Framework
Hoe kunt u uw tax control vorm geven?
De belastingdienst werkt steeds vaker met een steekproef om een onderzoek rustig op te starten met beperkte arbeidsinzet. Door het nieuwe controlebeleid (en toezicht) van de belastingdienst is het noodzakelijk om over een goed en werkend tax controle framework binnen uw organisatie te beschikken. De belastingdienst heeft hier in een rapport uit 2021 al signalen voor afgegeven.
Steekproef belastingdienst
De steekproef van de Belastingdienst keek in de laatste jaren met name naar algemene kosten en loonheffingen. De laatste jaren zien wij dat de steekproef over meerdere rijksbelastingen gaat plaatsvinden. De uitkomsten van de steekproef worden dan als representatief voor uw organisatie en deze periode gezien. Door de steekproef kan de Belastingdienst per gevonden fout extreme correcties opleggen (via extrapolatie). De rechter gaat hierin steeds vaker mee en een kentering is nog niet echt te zien. De huidige controle aanpak van de belastingdienst heeft dit beeld ook bevestigd. Zelfs extrapolatie van onderzoeken wordt soms geaccepteerd.
Opzet tax control framework
De belastingdienst vereist van grotere ondernemingen (maar ook binnen het MKB) dat een belastingplichtige een eigen TCF (Tax Control Framework) opzet en implementeert. Binnen een dergelijk advies wordt vastgelegd hoe een belastingplichtige haar fiscale verplichtingen controleert en heeft vastgelegd. De basis principes bestaan uit:
- Rapportage: verstrekken van zekerheid, opstellen interne en externe rapportages en het opstellen van een leer curve.
- Monitoring: volledigheidscontrole, uitvoering en testen, controleerbare en betrouwbare info en testen en controle op juistheid en volledigheid.
- Fiscale risico analyse: uitvoeren risico analyse inclusief geven van prioriteiten.
- Fiscale beheersing inrichting: irinchting fiscale processen, beschrijven van deze processen en opstellen van werkinstructies.
- Instellen fiscale functie: benoemen verantwoordelijke collega's, onderhoud kennis, ethiek en inrichting systemen.
- De fiscale strategie: benoemen fiscale doelstellingen en een fiscale strategie.
Voor grote bedrijven heeft de belastingdienst een aantal voorbeelden gepubliceerd, dit memo kunt u hier raadplegen. Dit memo geeft heldere voorbeelden uit de praktijk zodat u intern een juist en volledig TCF kunt opstellen. De beheersing van fiscale risico's binnen uw organisatie moet op de juiste en verschillende plekken worden belegd. De interne (vier ogen) controle moet kloppen en u moet voorkomen dat het een "papieren tijger" gaat worden die onderin de lade kan belanden. Het jaarlijks monitoren is hierbij van essentieel belang, eigenlijk zou het maandelijks op de agenda van het management moeten staan. Via een TCF krijgt u een beter en vollediger beeld van de financien binnen uw organisatie.
Fiscale risico's en tax control
In belastingheffingen gaan vele fiscale risico's schuil. De exacte risico's zijn afhankelijk van de complexiteit en omvang van uw organisatie. Ook de aard van de werkzaamheden binnen uw organisatie (bijvoorbeeld export / internetverkoop) kan de complexiteit doen toenemen. De interne beheersing van de fiscale risico's worden voor de gehele organisatie geregeld in een TCF. De fiscale processen worden hiermee minder risicovol en beheersbaar. Elke TCF is dus weer anders.
Doel van een tax control framework
De organisatie moet voor haar fiscale verplichtingen en risico's in control zijn. Als hieraan voldoende prioriteit wordt gegeven zal dit bij een steekproef van de belastingdienst of een boekenonderzoek een veel betere indruk geven aan de belastingdienst. Door het TCF zorgt u ervoor dat op alle afdelingen een omgeving wordt gecreëerd waardoor fouten zo veel als mogelijk is worden voorkomen. Het TCF stelt u gehele organisatie in staat om processen beter en zorgvuldiger in te richten. Mogelijke risico's worden beheersbaar en u krijgt meer grip op uw fiscale en praktische processen. Hoe u het TCF inricht kunt u zelf bepalen en het is altijd maatwerk (open norm aldus artikel 52 lid 1 AWR). Als u wilt deelnemen aan het horizontale toezicht is een TCF eigenlijk de eerste stap.
Noot fiscaal jurist inzake tax control framework
Bij het introduceren van het horizontale toezicht lag de nadruk op wederzijds vertrouwen, transparantie en begrip. Het is dus van belang om inzicht te hebben in de fiscale standpunten en mogelijke discussiepunten of tegenstellingen. Als de belastingdienst begrip heeft voor uw fiscale merites is het eenvoudiger om elkaar te begrijpen, maar dit geldt ook voor omgekeerd. Gezamenlijk zoeken naar een oplossing die voor beide partijen aanvaardbaar is, is voor een ieder het juiste vertrekpunt.
Wij zijn regelmatig betrokken bij besprekingen met de belastingdienst en steeds vaker adviseren wij de klant om beter fiscaal in control te zijn. Een TCF kan u hierbij ontzettend helpen. Wilt u een vrijblijvend offerte of een kennismakingsgesprek? Neem gerust contact op met onderstaande adviseurs.
Aandachtspunten boekenonderzoek loonbelasting
De belastingdienst heeft het aantal boekenonderzoeken redelijk afgeschaald. Het aantal boekenonderzoeken voor de loonbelasting of loonadministratie blijven echter redelijk op hetzelfde niveau. Dit komt omdat deze onderzoeken vrij eenvoudig en snel kunnen verlopen en daarnaast eenvoudig naheffingen (en boetes) kunnen "opleveren". In dit artikel een overzicht van de belangrijkste onderdelen bij een boekenonderzoek bij uw loonadministratie.
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Checklist boekenonderzoek loonbelasting door de Belastingdienst
Deze checklist bevat een kort overzicht van de belangrijkste aandachtsgebieden bij een boekenonderzoek. Het is verstandig om uw loonadministratie regelmatig door een deskundige te laten controleren op juistheid en volledigheid. Wij voeren regelmatig een dergelijk onderzoek uit, als u een offerte wilt ontvangen kunt u ons een e-mail sturen.
- Is van alle werknemers een actueel identiteitsbewijs aanwezig ? Voor en achterkant met BSN nummer !
- Is van alle werknemers een loonstaat aanwezig?
- Controleer de toegepaste loonheffingskortingen en zorg voor de onderliggende informatie / overeenkomsten / beschikkingen.
- Is de eindheffing juist toegepast?
- Auto van de zaak: zorg voor een correcte overeenkomst voor werknemers met een auto van de zaak. Als er niet gekozen om een bijtelling op te nemen is een sluitende kilometer registratie noodzakelijk (of verklaring geen prive gebruik).
- Onderbouwing onkostenvergoeding: maak een onderbouwing, zorg voor ondertekening en controleer regelmatig de verstrekte en betaalde onkostenvergoedingen.
- Werken met ondernemers: voorkom dat er wordt gewerkt met zogenaamde schijnzelfstandigen (schijnzelfstandigheid). Als de belastingdienst van mening is dat sprake is van werknemers volgen er forse naheffingen. Zorg voor een overeenkomst en een kopie paspoort bij uw administratie.
- Werkkostenregeling: deze wordt altijd gecontroleerd. Zorg voor keurig overzicht van uw WKR administratie met onderliggende facturen. Maak een onderscheid tussen gerichte vrijstellingen, nihilwaarderingen,intermediaire kosten, etc.)
- Personeelsfeesten en reizen: let op de fiscale gevolgen van personeelsfeestjes en personeelsreizen.
- Inkomsten of cadeau's aan derden: inkomsten voldaan aan derden en/of cadeau's voor uitzendkrachten kunnen loonheffing tot gevolg hebben. Zorg een voor keurig overzicht en/of tijdige afdracht
- Specificatie onderdelen DGA: let op de verzekeringsplicht voor de DGA en/of zijn gebruikelijk loon. Is het gebruikelijk loon juist berekend?
- Parkeerkosten: de parkeerkosten zijn inbegrepen in de onbelaste reiskostenvergoeding en deze mogen niet apart onbelast worden vergoed.
- Premies werknemersverzekeringen: let erop dat de premies (hoog/laag en gediffrentieerde WhK) op de juist wijze worden berekend.
Noot fiscaal jurist inzake boekenonderzoek loonadministratie
Voor de loonadministratie geldt een bewaarplicht voor 7 jaren. Dit geldt ook voor elektronisch vastgelegde gegevens. Adviezen van uw accountant of fiscalist hoeft u niet te verstrekken. Bij een controle moet de gehele loonadministratie van de afgelopen 7 jaar worden verstrekt (kijk goed naar de aankondigingsbrief van de belastingdienst, hierop staat de onderzoeksperiode). Na het onderzoek volgt veelal eerst een concept controle verslag. In dit rapport staan de voorgenomen correcties en eventuele boetes. Zorg ervoor dat een deskundige met u meekijkt en hierop eventueel reageert. Na het concept controle verslag volgt een slotgesprek en daarna wordt het verslag definitief afgerond. Het openbare deel van het rapport wordt aan de ondernemer / werkgever toegezonden. Wij voeren regelmatig een dergelijk onderzoek uit, als u een offerte wilt ontvangen kunt u ons een e-mail sturen.
Fiscale boete is strafrecht
Wie een overtreding of misdrijf begaat, kan strafrechtelijk worden vervolgd. Ook in het belastingrecht kun je van alles fout doen dat kan worden bestraft. Het overgrote deel van die belastingzaken wordt buiten het strafrecht gehouden. Alleen de zware gevallen komen nog bij de strafrechter. Dat is vooral gedaan omdat anders het strafrechtelijke apparaat vastloopt.
Fiscale boete of verbeurdverklaring
Een (fiscale of geld) boete is niet aftrekbaar (artikel 3.14 lid 1 onder c Wet IB). Het kan namelijk niet zo zijn dat een straf minder pijn doet doordat de boete aftrekbaar is. Ook boetes, kosten en lasten die hiermee (of met een misdrijf) samenhangen zijn niet aftrekbaar (mits belastingplichtige onherroepelijk is veroordeeld). Uit de wet, de wetsgeschiedenis en enkele uitspraken van rechters volgt echter wel dat verbeurdverklaringen gewoon aftrekbaar zijn. De verbeurdverklaring is een straf (sanctie) in het strafrecht waarbij de rechter bepaalt dat de belastingplichtige de (veroordeelde) eigendom over een voorwerp (of geld) verliest en waarbij de staat die eigendom verkrijgt. Als het voordeel wordt belast en dit voordeel wordt afgenomen dan is het (financieel) logisch dat dit aftrekbaar is (artikel 3.14 lid 3 wet IB). Aftrek zal plaatsvinden in het jaar waarin de ontneming feitelijk heeft plaatsgevonden. Tot zover is het helder.
In een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 15 mei 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3208) oordeelde deze belastingkamer echter anders. Het Gerechtshof stelde dat de verbeurdverklaring - onder omstandigheden - niet aftrekbaar was omdat deze samenhangt met criminele kosten (artikel 3.14 lid 1 onderdeel d wet IB). Dit is echter "onder omstandigheden". Omdat de Hoge Raad er verder niks mee deed is het nog gissen hoe dit moet worden gezien. Het lijkt erop dat een verbeurdverklaring niet aftrekbaar is deze moet worden gezien als een (punitieve) straf of sanctie. Een normale verbeurdverklaring (ontnemingsactie) is dus gewoon aftrekbaar omdat deze moet worden gezien als de voldoening van straf (geldbedrag).
Fiscale boete is een straf, dus waarborgen EVRM
Tot 1998 noemden we een fiscale sanctie een verhoging van de belasting en daarna wat het echt is: een boete. Al sinds 1985 oordeelt onze Hoge Raad dat het opleggen van een boete wordt aangemerkt als het instellen van een strafvervolging in de zin van artikel 6 EVRM (het recht op een eerlijk proces met allerlei waarborgen). Eén van die waarborgen ligt in het bewijs dat geleverd moet worden om een boete te mogen opleggen.
Standpunt kennisgroep belastingdienst
Het beleid van de belastingdienst inzake het instellen van een schuldonderzoek bij een boete is openbaar gemaakt in augustus 2023. Er is verzocht om openbaarmakeing van alle interne stukken waarin vastlegging heeft plaatsgevonden over het beleid met betrekking tot het (zuivere) schuldonderzoek (ad titel 5.2 AWB). In dit stuk vindt u werkinstructies, interne memo's, standpunten, notulen van vergaderingen etc. Het stukken kunt u hier raadplegen. Een aantal zaken vallen op:
- Voor de matiging van een boete wordt ook naar het huidige gedrag gekeken
- Voor verzuimboetes is minder ruimte voor responsief handhaven
- Vragen stellen over de boete toegestaan maar belastingplichtige kan zich beroepen op zijn zwijgrecht (artikel 5:10a AWB)
- Hoe moet een onderzoek inzake DGA salaris plaatsvinden
- Stappenplan inzake opleggen van een boete
- Hoe werkt het schuldonderzoek
- Wanneer melding mogelijke fraudezaak
Nieuws 2023 inzake protocol AAFD
Het Protocol AAFD staat voor Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen. Omdat fiscale delicten vaak zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk kunnen worden afgehandeld, volgt uit artikel 5:44 lid 1 Awb en artikel 243 lid 2 Sv dat het één het ander uitsluit, tot zover de wet (una via beginsel en in verlengde hiervan het ne bis in idem beginsel, dus geen dubbele straf van dezelfde persoon voor hetzelfde feit). Er moet dus een keuze worden gemaakt, of fiscaal "aanpakken" of strafrechtelijk, dit volgt meestal uit het overleg tussen FIOD, OM en de belastingdienst. Voor dit overleg van de "weegploeg" is er sinds 1 juli 2023 een nieuw protocol. In de kern de wijzigingen
- Nadeel tenminste € 100.000. Vanaf 1 juli 2023 geldt het ook voor zaken waarin het nadeel onvoldoende bepaalbaar is. Er moet wel sprake zijn van een vermoeden van opzet.
- Er is binnen Europa een nieuwe entiteit, het Europees Openbaar Ministerie. Het EOM is een onafhankelijk orgaan van de Europese Unie en onderzoekt en vervolgt strafbare feiten die de financiële belangen van de EU kunnen schaden. Soms zullen zaken dus aan het EOM moeten worden voorgelegd, het AAFD is dan buiten beeld.
- AAFD is ook van toepassing voor strafbare feit en uit de Wet op de internationale bijstandsverlening (WIB)
- Daarnaast wordt de evolutie van het boete systeem nog benoemd (zoals de deelnemersboete (artikel 67 letter o AWR / artikel 5:1 AWB) en de mogelijkheid om namen van overtreders openbaar te maken (artikel 67 letter r AWR)
Bewijs: aannemelijk maken of overtuigend aantonen
Het is aan de Belastingdienst om met bewijs te komen van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat een boete aan de orde is. Bewijs kent verschillende gradaties, van aannemelijk tot overtuigend aantonen. Deze woorden klinken vrij simpel, maar de achtergrond wordt minutieus opgebouwd. Het lijkt zelfs soms op een woordspelletje, zoals scrabble.
In 2022 sluit de Hoge Raad voor de gradatie van het bewijs opnieuw aan bij artikel 6 EVRM en bij de rechtsregels van de Strafkamer van de Hoge Raad. Bij het bewijs dienen de waarborgen van artikel 6 EVRM in acht te worden genomen. Deze even op een rijtje:
- De bewijslast ligt bij de Belastingdienst en de belastingplichtige moet bij twijfel het voordeel van die twijfel worden gegund (lees meer in dit arrest).
- Dit betekent dat elk element van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. In het belastingrecht noemen wen dat 'doen blijken'.
- De desbetreffende feiten en omstandigheden moeten dus overtuigend worden aangetoond (lees meer in dit arrest).
Fiscaal advies en noot fiscaal jurist
De lat voor de bewijslast bij een boete ligt daarmee hoog (en dat is logisch). De Belastingdienst kan de boete niet enkel baseren op andere jaren, aannames, ervaringscijfers, extrapolatie van oudere jaren of branchegegevens.
De rechtspraak van het EHRM laat echter wel toe dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van vermoedens. Dat gebruik mag er echter niet toe leiden dat de bewijslast wordt verschoven naar de belastingplichtige. Het vermoeden moet redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen en moet voor elke aanslag op zich worden beoordeeld.
In het arrest uit 2023 volgt de Hoge Raad (jammer genoeg) niet het advies van de Advocaat-Generaal Niessen om een vergrijpboete op een ambtshalve bijgebrachte grond te vernietigen. Volgens de Hoge Raad heeft het gerechtshof hiermee al voldoende rekening gehouden.
Het zwijgen van de belastingplichtige kan alleen bijdragen tot het bewijs voor zover uit de aanwezige bewijsmiddelen reeds een zodanige verdenking voortvloeit, dat die vraagt om uitleg van de belastingplichtige (schreeuwt om een toelichting). Dat zwijgen kan alleen meewegen bij het waarderen van de overtuigingskracht van de andere bewijsstukken. Het is zelf dus geen bewijs. Het kan er wel voor zorgen dat drempel van buiten redelijke twijfel wel wordt gehaald.
Heeft u een boete gekregen of staat er in een (concept-)rapport van een boekenonderzoek een voornemen tot het opleggen van een boete, loont het de moeite om dit voor te leggen aan één van onze deskundigen. In de praktijk zien we dat de Belastingdienst nog niet altijd binnen de strenge normen werkt en te vaak een boete oplegt. Daarnaast kunt u - uitgebreid en op elk moment - inzage vragen in uw boetedossier. Het is veelal verstandig om bij aankondiging van een boete uw medewerking te beperken en eerst een fiscaal deskundige in te schakelen.
Bron Strafrecht en fiscale boete
Hoge Raad d.d. 19 juni 1985 ECLI:NL:HR:1985:AC8934
Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97
Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526
Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324 (4.8.3 en 4.8.4)
Raad van State 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:999 (2.1 en 2.8)
Bodemrecht Belastingdienst
Het bodemrecht van de Belastingdienst (artikel 22 lid 3 invorderingswet) is vastgelegd in de wet en gaat vrij ver. Op grond van het bodemrecht heeft de Belastingdienst (ontvanger) de mogelijkheid om (bodem-)beslag te leggen op zaken die zich op de bodem van de belastingplichtige / belastingschuldigde bevinden. Dit geldt ook als deze zaken toebehoren aan derden. Derden kunnen een brief (beroepschrift) indienen om hun eigendom terug te vorderen (termijn 7 dagen). Bij reële eigendom van de Belastingdienst (leidraad artikel 22.8.10) wordt ontzien, hiervan is sprake als zowel de juridische als de economische eigendom (in overwegen mate) aan de derde toebehoren. Hiervan is geen sprake bij financial lease of een gewoon eigendomsvoorbehoud, dit komt omdat de economische eigendom (risico op waardeverandering) bij de gebruiker ligt.
Wat zijn bodemzaken?
Bodemzaken zijn roerende zaken die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden en die ook dienstbaar zijn aan die bodem. Onder bodem wordt verstaan het perceel (of deel perceel) dat de belastingschuldige gebruikt. Hierbij kunt u denken aan computers, bureau's en overige inventaris. Onder bodemzaken vallen - volgens redelijk vaste rechtspraak - niet de voorraad, showroom modellen en de bedrijfsauto's. In een uitspraak van de Hoge Raad uit 2014 wordt nadere toelichting gegeven op de bodem van de belastingschuldige bij een franchise-organisatie. De rechthebbende (franchisegever) krijgt hierin gelijk.
Operational lease en bodembeslag
Deze procedure uit 2022 is leuk om te lezen. In deze casus heeft Piet B.V. een lease-overeenkomst gesloten met een gelieerde rechtspersoon (Henk B.V.), beide zijn fictieve namen. De Belastingdienst (ontvanger) luistert slecht naar de bestuurder van Piet B.V. en blijft maar vragen stellen en gaat aan stellingen van Piet B.V. voorbij. De ontvanger stelt dat dat Henk B.V. de economische eigenaar is (dus is bodembeslag mogelijk). De rechter stelt dat sprake is van operational lease en dat bodembeslag niet mogelijk is. Er is sprake van reële eigendom van Piet B.V., omdat de overeenkomsten en de economische eigendom (risico waardeverandering) bij Piet B.V. liggen. Het restwaarderisico kan beperkt zijn, maar dan toch. De lease-overeenkomsten zijn ook voldoende bepaalbaar en het is helder om welke machines het gaat. Piet B.V. mocht dus voor het faillissement van Henk B.V. de machines weghalen. Piet B.V. krijgt een proceskostenvergoeding van € 10.000 (niet alle kosten, dus geen integrale proceskostenvergoeding), omdat er sprake is van een onwelwillende houding van de ontvanger. De onwelwillendheid volgt uit het feit dat alle stellingen van de bestuurder van Piet B.V. worden betwist en er belachelijk veel bewijs moet worden verstrekt. Ook bij een aannemelijk standpunt wordt om extra bewijs of getuigen gevraagd. Lees eens rechtsoverweging 6.4 voor een keurige toelichting.
Noot fiscaal jurist inzake bodembeslag
Bij bodembeslag of bodemrecht is het zaak dat er snel wordt gereageerd. Vaak is er discussie met de Belastingdienst over rechten van een derde, dit speelt met name bij lease. Voor een nadere toelichting omtrent de voorwaarden kunt u kijken in het besluit leaseregelingen. Hierin staat keurig opgenomen wanneer het wel en niet goed gaat voor de derde.
Een bijkomend probleem is dat de derde soms niet weet dat er bodembeslag bij zijn relatie of klant is of wordt gelegd. Als de Belastingdienst bekend is met het feit dat een derde eigenaar is, dan zal de Belastingdienst zich bij de derde melden, dit moet binnen 8 dagen na het beslag. Dreigt er een bodembeslagsituatie, dan is het aan te raden de zaken via een afvoerconstructie van de bodem te halen.
Cruciaal is dat binnen een concern de juiste en volledige overeenkomsten worden vastgelegd. Als u vragen of opmerkingen heeft, kunt u altijd een gesprek aangaan met één van onze fiscaal juristen.
Bron bodembeslag fiscus
Btw bij bedrijfsovernames
In de praktijk komt nogal eens de vraag voorbij of ten aanzien van de dienstverlening door partijen die bedrijfsovernames begeleiden, deze belast is met btw. Vervolgens is het de vraag of de onderneming die de factuur ontvangt de berekende btw kan terugvragen. Op 11 oktober 2022 heeft Rechtbank Den Haag hierover een interessante uitspraak gedaan. Ook eerdere uitspraken van de Hoge Raad geven houvast voor deze stelling, zie hiertoe een arrest uit 2012 van de Hoge Raad (DTZ Zadelhoff) resp. een uitspraak van het Hof van Justitie in 2012.
Besluit inzake btw binnen de M&A Branche
Op 15 oktober 2025 is een besluit gepubliceerd waarin is opgenomen wanneer bemiddelingsactiviteiten vrijgesteld zijn van btw.
Conclusie omzetbelasting over activiteiten M&A kantoor
De belastingdienst worstelt een beetje met de btw over diensten bij de verkoop van een deelneming. Deze diensten zijn in principe vrijgesteld van btw. Omdat de dienststen van een M&A kantoor meer betreffen dan enkel bemiddeling lijkt het erop dat deze diensten wel belast mogen worden met btw. Dit zegt echter nog niks over het verrekenen van btw bij de verkopende partij. Volgens het genoemde besluit vallen vele diensten van M&A kantoren onder vrijgestelde btw-diensten.
Uitgangspunt uit vaktechnische informatie, jurisprudentie en standpunten van de belastingdienst is dat M&A kantoren btw moeten rekenen over hun dienstverlening (inclusief succesfee). Dit is nog niet het evidente standpunt van de Belastingdienst maar lijkt verdedigbaar uit interne stukken van de belastingdienst. Het zou wenselijk zijn dat de Belastingdienst een standpunt inneemt over dit onderwerp en/of als een M&A partij in vooroverleg zou treden met de belastingdienst over dit onderwerp.
- Vrijstelling aandelenoverdracht: De overdracht van een aandelenpakket wordt gezien als een zelfstandige economische activiteit en valt onder de btw-vrijstelling voor handelingen inzake effecten volgens art. 11(i)(2) OB.
- Geen aftrek voorbelasting: Kosten direct toerekenbaar aan een btw-vrijgestelde aandelenoverdracht zijn niet aftrekbaar. Dit is bevestigd in de Ryanair-zaak door het HvJ EU op 17 oktober 2018 (ECLI:EU:C:2018:834).
- Bemiddelingskosten: Kosten die als bemiddeling kunnen worden aangemerkt, vallen onder de vrijstelling van art. 11(1)(i)(2) OB. Echter, diensten van een M&A-kantoor kwalificeren niet als vrijgestelde bemiddelingsdiensten, inclusief de succesfee.
- Beleidsstandpunt Belastingdienst: Een besluit uit 2004 (CPP2004/1709M) stelt dat verkoopkosten algemene kosten kunnen zijn voor aftrek, maar dit standpunt is achterhaald en biedt geen rechtsbescherming.
- X-arrest en algemeenheid van goederen: De verkoop van enkel een deelneming kwalificeert niet als overgang van een geheel of gedeelte van algemeenheid van goederen (HvJ EU, 30 mei 2013, C-651/11).
- Cibo-arrest: Uitgaven van een holding voor de verwerving van een deelneming zijn onderdeel van algemene kosten en hebben een directe samenhang met het geheel van haar bedrijfsactiviteiten (HvJ EG, 27 september 2001, C-16/00).
- Geen aftrek voorbelasting bij aandelenverkoop: De Hoge Raad en Hof Amsterdam hebben geoordeeld dat voorbelasting op kosten gerelateerd aan de aandelenoverdracht niet aftrekbaar is, omdat deze een zelfstandige economische activiteit vormen.
- Specifieke jurisprudentie: Verschillende uitspraken, waaronder van het Hof Arnhem-Leeuwarden en Rechtbank Den Haag, bevestigen de complexiteit rondom de aftrekbaarheid van voorbelasting en de toepassing van btw-vrijstellingen op bemiddelingsdiensten en succesfees.
- Recente rechtspraak: Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde in januari 2024 dat de verkoop van aandelen geen economische activiteit vormt en dat omzetbelasting over kosten niet als voorbelasting aftrekbaar is.
- WOO-verzoek en beleid Belastingdienst:
Een WOO-verzoek uit 2023 onthulde beleid van de Belastingdienst waaruit
blijkt dat diensten van een M&A-bureau, inclusief succesfees, niet onder
de vrijstelling voor bemiddeling vallen en btw-plichtig zijn.
Geen BTW aftrek bij verkoop deelneming
Rechtbank Zeeland-West-Brabant is op 11 januari 2024 van mening dat Z BV geen recht heeft op aftrek van omzetbelasting over diensten bij verkoop van aandelen. De casus:
- Z BV is btw ondernemer (managementactiviteiten binnen een concern);
- De aandelen in Z BV worden verkocht aan X SA, dit is verzorgd door (buitenlandse) dienstverleners (M&A partij), de btw op deze facturen wordt teruggevraagd;
- De Rechtbank is van mening dat de verkoop van de aandelen geen economische activiteit is (ook geen verlengstuk van de algemene activiteiten). De voorbelasting is niet aftrekbaar aldus de rechtbank;
- De Rechtbank is ook van mening dat de diensten van twee dienstverleners zijn vrijgesteld van omzetbelasting omdat dit bemiddelingsdiensten zijn (artikel 11 lid 1 letter i 2e OB)
Op 14 juli 2023 is er een WOO-verzoek gedaan over het beleid van de Belastingdienst inzake de behandeling van de succesfee van een M&A-bureau. De diensten van een M&A-bureau gaan verder dan louter bemiddeling en vallen daarom niet onder de vrijstelling voor bemiddeling inzake effecten, is de algemene mening op dat moment. Ook over de succesfee moet btw worden berekend (aldus de visie van de Belastingdienst).
Standpunt M&A Praktijk inzake btw en succesfee
Er is op dit moment veel discussie bij M&A Praktijken over het in rekening brengen van btw. De meeste M&A kantoren stellen zich op het standpunt dat er gewoon btw moet worden berekend over hun vergoedingen. Dit omdat de M&A partij meer doet dan alleen succesfee rekenen, de andere activiteiten zijn:
- Advisering structuur en aandeelhouders
- Advisering anonimisering
- Fiscale en juridische advisering
- Presentatie over bedrijf
- Financiële rapportages, onderzoek branche
- Onderzoek potentiële kopers (long en short list)
- Opstelling informatiememorandum
- (Pre) Due Diligence onderzoek
Als een M&A praktijk meer dienstverlening heeft verricht dan het enkel verkopen van een bedrijf (bemiddeling) is het pleitbaar dat er omzetbelasting wordt berekend over de totale prestatie. Bij een samengestelde prestatie voor de btw (scriptie 2013 / jurisprudentie ), ook wel sui generis in de btw-praktijk, mag in voorkomende gevallen het algemene tarief van 21% worden berekend.
M&A kantoren hebben ook de voorkeur om btw over hun prestaties te rekenen omdat er anders een probleem zal ontstaan bij de aan hen in rekening gebrachte btw op bijvoorbeeld management fee, kosten en huur. Als deze btw niet aftrekbaar is zal dit voor het M&A kantoor als kosten worden gezien. Tevens is er wellicht onterecht geopteerd voor btw belaste huur (bij een huurpand), dit met alle gevolgen (discussie verhuurder) van dien. De ten onrechte in rekening gebrachte btw zou dan wellicht ook nog moeten worden terugbetaald aan de afnemer, dergelijke financiële gevolgen zijn niet te overzien. Bij vorenstaande laten we nog buiten beschouwing dat de belastingdienst nog vijf jaar terug zou kunnen met naheffingen. Dat M&A partijen een serieus punt gaan maken van de btw is hiermee helder en begrijpelijk.
Het is van essentieel belang dat een M&A praktijk meer doet dan alleen bemiddeling, dit zal uit de opdrachtbevestiging en de feitelijke opdracht moeten volgen. Steun voor de M&A praktijk is te vinden in het huidige standpunt van de belastingdienst en een (oud) arrest van de Hoge Raad en heldere noot van de AG. Ook het Hof van Justitie stelt in 2012 dat als twee elementen zo nauw verbonden zijn dat zij, objectief gezien, één enkele economische prestatie vormen.
Essentiële vraag blijft "wat is de kernpresentatie, bemiddeling of meer". Bij enkel bemiddeling is de Rechtbank van mening dat geen btw mag worden gerekend, tegen deze uitspraak is (om onduidelijke redenen) geen beroep aangetekend. In deze casus werden extra diensten niet door het M&A bedrijf verricht maar door derden, het M&A bedrijf hield zich bezig met de bemiddeling bij verkoop, niet meer en niet minder.
Tip: Vooroverleg met de belastingdienst over de dienstverlening door het M&A kantoor kan de onduidelijkheid wegnemen
DTZ Zadelhoff procedure voor btw
Bemiddeling is niet altijd een belaste prestatie voor de omzetbelasting. Bemiddelen bij de verkoop van aandelen is volgens deze procedure en een eerder arrest van het Europese Hof van Justitie een btw vrijgestelde dienst. Normaal gesproken is bemiddeling voor de btw een dienst die belast is met btw. Soms kan er echter ook een vrijstelling van toepassing zijn, zoals de vrijstelling voor financiële handelingen en/of activiteiten inzake effecten of aandelen. Als een pand (onroerende zaak) eigendom is van een rechtspersoon (zoals een BV) dan kan een verkoop op meerdere manieren worden vormgegeven, bijvoorbeeld door de verkoop van het pand en/of door de verkoop van de aandelen van de BV. Bij de laatste optie is er geen btw verschuldigd.
M&A praktijk, omzetbelasting en succesfee
In de praktijk is er veel gezeur (of beter discussie) over de vraag of de dienstverlening van M&A kantoren vrijgesteld is van btw. Voor zover de aan-/verkoopkosten als bemiddeling kunnen worden aangemerkt geldt - volgens de rechtbank - de vrijstelling van artikel 11 lid 1 letter i onderdeel 2 Wet Omzetbelasting (bemiddeling inzake effecten). De succesfee en uurfee zijn hiermee vrijgesteld van omzetbelasting. Het is niet geheel helder of alle activiteiten van een M&A kantoor onder de vrijstelling vallen. Het lijkt verdedigbaar dat het opstellen van het bedrijfsmemorandum en de waardering wel onder het reguliere btw-tarief vallen. De M&A sector zit niet geheel op één lijn en er is veel discussie. Het algemene standpunt lijkt dat er gewoon btw in rekening wordt gebracht en dat dit nadien wellicht wordt aangepast en komt vast te staan dat er geen btw is verschuldigd (nieuwe factuur zonder btw). Het nadeel voor het M&A kantoor is dat bij een vrijgestelde activiteit de toerekenbare btw op de inkoop niet verrekenbaar is. Dit nadeel lijkt te beperkt omdat het grootste deel van de kosten samenhangt met personeelskosten. Als er (substantiële) management fee's worden gerekend door de aandeelhouders kan er wel een probleem in de vooraftrek ontstaan.
Begeleiding overnames en omzetbelasting
In principe is de dienstverlener die overnames begeleidt ondernemer voor de btw en derhalve btw verschuldigd over de door haar in rekening gebrachte vergoeding. Wanneer de verkoop van de onderneming echter tot stand komt in de vorm van een aandelentransactie, kan de vrijstelling van artikel 11 lid 1 i van de wet Omzetbelasting 1968 van toepassing zijn. Die vrijstelling ziet op prestaties die als bemiddeling bij effectentransacties gezien kunnen worden. Voor de onderneming die de factuur ontvangt is de vraag of de btw aftrekbaar is. Wanneer er sprake is van een aandelentransactie, wordt vaak gesteld dat deze transactie in het belang is van de aandeelhouders en niet van de onderneming. Het gevolg is dat de btw niet aftrekbaar is.
Procedure inzake verkoop aandelen en btw
Vrijstelling btw van toepassing bij bemiddeling verkoop aandelen?
In de casus speelde de vraag of voornoemde vrijstelling van toepassing is en of de onderneming die de factuur ontving de btw op de kosten met betrekking tot de verkoop mocht terugvragen. In deze zaak handelt het om de verkoop van een onderneming middels een aandelentransactie. In de overeenkomst van dienstverlening tussen de bedrijfsovernamespecialist en de verkoper is niet specifiek opgenomen dat de doelstelling is verkoop van aandelen. De dienstverlening staat veel breder beschreven, waarbij de mogelijkheid wordt opengehouden dat de transactie kan plaatsvinden door een zogenaamde verkoop van de activa en passiva van de onderneming of door de verkoop van aandelen.
De Rechtbank geeft aan dat het niet ter zake doet dat in de engagement letter onder een sale meer wordt verstaan dan enkel een aandelenoverdracht. Slechts van belang is de objectieve aard van de handeling die uiteindelijk heeft plaatsgevonden. Niet in geschil is dat er uiteindelijk een aandelenoverdracht heeft plaatsgevonden, zodat van deze handeling moet worden uitgegaan. Hierdoor zijn de diensten die hebben geleid tot de verkoop van aandelen aan te merken als bemiddeling inzake effecten waarop de vrijstelling van artikel 11 lid 1 i van toepassing is.
BTW over succesfee en bemiddeling verrekenbaar?
De eiser in de casus voor Rechtbank Den Haag heeft, naast de voornoemde diensten waarop de vrijstelling van toepassing is, ook andere diensten afgenomen ten behoeve van de aandelenoverdracht waarbij btw in rekening is gebracht. De vraag is of deze btw aftrekbaar is. De btw is aftrekbaar als de kosten een rechtstreeks verband houden met door de onderneming te verrichten handelingen of wanneer de kosten noodzakelijk zijn om bepaalde economische activiteiten mogelijk te maken. In casu vond belanghebbende dat hiervan sprake was. De inspecteur is van mening dat de kosten louter door aandeelhoudersmotieven zijn gemaakt. Omdat beide partijen hun stellingen niet nader onderbouwd hebben, gaat de Rechtbank, heel praktisch, in het midden zitten: 50% van de in rekening gebrachte btw is aftrekbaar.
Noot fiscaal jurist inzake btw bij bemiddeling verkoop
Voor de praktijk is het interessant om in de uitspraak van de Rechtbank na te kijken welke activiteiten onderdeel uitmaakten van de werkzaamheden die uiteindelijk leiden tot de verrichte dienst, bemiddeling bij een aandelentransactie. De belastingdienst worstelt een beetje met de btw over diensten bij de verkoop van een deelneming. Deze diensten zijn in principe vrijgesteld van btw. Omdat de dienststen van een M&A kantoor meer betreffen dan enkel bemiddeling lijkt het erop dat deze diensten wel belast mogen worden met btw (WOO verzoek). Dit zegt echter nog niks over het verrekenen van btw bij de verkopende partij.
Bron succesfee en omzetbelasting
Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 11 januari 2024 ECLI:NL:RBZWB:2024:139
Rechtbank Den Haag d.d. 10 oktober 2022 ECLI:NL:RBDHA:2022:11467
Hoge Raad d.d. 10 januari 2001 ECLI:NL:HR:2001:AA9390
Hof van Justitie d.d. 19 juli 2012 (Deutsche bank) ECLI:EU:C:2012:484
Vereisten rittenregistratie auto van de zaak
Rechter maakt gehakt van standpunten Belastingdienst bij beoordelen rittenregistratie. Nadat een rittenregistratie is gestolen, stelt de DGA een tweede (reconstructie) rittenregistratie op.
Voorwaarden rittenregistratie om bijtelling te voorkomen
In dit artikel bespreken wij een procedure bij de Rechtbank (oktober 2022) waarbij de rechter het standpunt van de Belastingdienst eens scherp tegen het licht heeft gehouden. De rechter is scherp en maakt redelijk gehakt van het standpunt van de Belastingdienst. De bijtelling (en aanslagen van ruim € 50.000) gaan in de prullenbak.
Procedure slechte rittenregistratie
Een DGA heeft 2 prive auto's en een auto van de zaak waarvoor hij een (slechte) rittenregistratie heeft bijgehouden. Zowel de rechtbank als het gerechtshof zijn van mening dat niet is voldaan aan de (verzwaarde) bewijslast dat slecht beperkt (maximaal 500 kilometer per jaar) met de auto van de zaak is gereden, ook de verzuimboete is terecht. Ook de nadere rittenregistratie brengt de rechter niet tot een ander inzicht. Aan een eerder boekenonderzoek kunnen geen rechter worden ontleend, omdat de rittenregistratie toen niet is onderzocht. De uitspraak is in lijn met een eerder arrest uit 2010 van de Hoge Raad.
Procedure rechtbank inzake rittenregistratie
Een werknemer die een auto van de zaak rijdt is door de rechtbank in het ongelijk gesteld in een kwestie waarbij een rittenregistratie niet aan de vereisten voldeed. Volgens de rechtbank moet de rittenregistratie de volgende onderdelen bevatten:
- merk, type en kenteken auto
- periode ter beschikking stelling van de auto
- per rit : (a) datum (b) begin en eindstand (c) beginadres (d) eindadres (e) gereden route indien deze afwijkt van meest gebruikelijke route (f) karakter van de rit (prive of zakelijk).
In deze procedure stond centraal dat de adressen van de bestemmingen ontbraken en de vertrekpunten (beginadres) soms ook. Tevens is niet gemeld dat er soms een afwijkende route is gereden (en waarom). Tevens wijken de kilometerstanden op de garage bonnen af van de kilometerstanden in de rittenregistratie.
Bijtelling auto van de zaak voorkomen
In 2019 wordt een boekenonderzoek uitgevoerd bij X B.V. Er worden naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd omdat de rittenregistratie van de DGA niet juist is. De DGA hielt op papier een rittenregistratie bij die uiteindelijk wordt gestolen, de DGA doet hiervan aangifte bij de politie. De DGA stelt een reconstructie op van de rittenregistratie. De inspecteur schiet er gaten in en legt naheffingsaanslagen op.
De inspecteur komt tot het volgende
- De reconstructie van de rittenregistratie bevat (teveel) fouten / onnauwkeurigheden.
- De routes die zijn gereden wijken af van de routes die zouden moeten worden gereden via Google Maps of de ANWB routeplanner.
De rechter komt tot het volgende
- Bijtelling 2017 is onjuist berekend, dit was 22% i.p.v. 25%.
- Een DGA moet overtuigend aantonen dat de auto van de zaak minder dan 500 kilometer privé is gebruikt. Dit kan via een rittenregistratie, maar het kan (volgens de wet) ook op andere manieren.
- Per rit van de werknemer / DGA moeten in elk geval de datum, begin- en eindstand van de kilometerteller, begin- en eindadres en de reden (privé / zakelijk) van de rit duidelijk zijn. Bij het rijden van een andere of afwijkende route moet dit worden gemeld.
- Een kleine afwijking is niet direct fataal, bewijs kan immers ook op een andere wijze worden geleverd.
- Het is geen eis dat de privékilometers exact juist zijn (van elke afzonderlijke rit). Er moet immers worden aangetoond dat het totaal in een jaar minder is dan 500 kilometer.
- Doordat de DGA vaak met een aanhanger heeft gereden, gebruikte hij niet altijd de snelste route, vaak koos de DGA voor de grotere (snel-)wegen.
- De rechter vindt de reconstructie prima en overtuigend.
- Het is beschamend dat over een afwijking van 1 of 2 kilometer een opmerking wordt gemaakt.
- Rittenregistraties hoeven niet exact te kloppen.
- Bestemmingen van privéritten hoeven niet te worden opgeschreven. Eis is immers 'minder dan 500 kilometer op jaarbasis privé rijden'.
Noot fiscaal jurist inzake voorkomen bijtelling
De voorwaarden voor een rittenregistratie zijn redelijk bekend (kijk hier). Kleine afwijkingen komen in de praktijk vaker voor en zijn dus niet direct fataal. Regelmatig is er discussie met de Belastingdienst over de inhoud en samenstelling van een rittenregistratie. Het uitgangspunt is echter dat er een vrije bewijsleer geldt. Het is aan belastingplichtige helder te maken dat er minder dan 500 kilometer met een zakelijke auto privé is gereden. Het vooraf afstemmen met de Belastingdienst is wel aan te bevelen. Als u discussie heeft met de Belastingdienst, laat u dan bijstaan door één van onderstaande specialisten, zij kennen de wetgeving en de actuele jurisprudentie.
Bron bijtelling en kilometerregistratie
Rechtbank Noord Nederland d.d. 12 oktober 2022 ECLI:NLRBNNE:2022:4000
Rechtbank Den Haag d.d. 20 oktober 2022 ECLI:NL:RBDHA:2022:11324
Vormfout door de Belastingdienst
Fouten maken is menselijk. Vanuit dat oogpunt is de Belastingdienst menselijk. Vooral bij massale processen (maar niet alleen daar!) laat de Belastingdienst nogal eens een steekje vallen. De lijst met schrijf- en tikfouten, overnamefouten, systeemfouten, instructiefouten, automatiseringsfouten, etc. is onuitputtelijk. Duidelijke fouten moeten kunnen worden rechtgezet. Daar staat tegenover dat de belastingplichtige moet kunnen vertrouwen op de Belastingdienst. Als er een aanslag komt, moet er zekerheid zijn dat het daarmee klaar is (rechtszekerheid). In dit artikel bespreken wij een procedure bij de rechtbank (augustus 2022) waarin een complexe discussie over een waardering eenvoudig door de rechter wordt opgelost, "de aanslag is te laat, dus kan in de prullenbak".
Herstel van fouten
Herstel van fouten gaat door middel van navordering (of naheffing). Hoofdregel is en blijft dat voor navordering een nieuw feit vereist is. Dat is een omstandigheid die de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag nog niet kende (of behoefde te kennen). Sinds 2010 kan - ook zonder dat nieuwe feit - worden nagevorderd als een aanslag door een fout een te laag bedrag is. Het maakt niet uit wie de fout maakt. Vereist is wel dat het de belastingplichtige kenbaar is dat de aanslag te laag is. Een aanslag die 30% of meer te laag is, wordt geacht kenbaar te laag te zijn. Voorheen kon meestal niet worden nagevorderd als aanslagen te laag waren door een door de Belastingdienst gekozen werkwijze of fouten in de automatisering. Recent heeft de Hoge Raad (zie onder) meer duidelijkheid gegeven wat nu een fout is.
Beoordelingsfout Belastingdienst is geen fout maar slordig
Eerst wat geen fout is. Beoordelingsfouten van de Inspecteur zijn geen fouten als hier bedoeld. Als de Inspecteur dus op basis van de juiste feiten tot een onjuiste conclusie komt of de wet niet goed toepast, kan hij niet navorderen. Zelfs niet als die fout voor de belastingplichtige kenbaar is. Dat is alleen anders als de belastingplichtige te kwader trouw is (dus bijvoorbeeld moedwillig onjuiste aangifte doet of zaken verzwijgt / verstopt).
Schrijf- en tikfout van de Belastingdienst kan soms worden hersteld
Het begrip 'fout' is bewust neutraal en ruim uitgelegd: “elke misslag die bij de Belastingdienst optreedt in verband met de aanslagregeling, zoals schrijf-, reken-, overname- en intoetsfouten, maar ook andere fouten zoals 'fouten ten gevolge van de geautomatiseerde verwerking van aangiften', indien het gevolg daarvan is dat de belastingschuld op een te laag bedrag is vastgesteld.” Dat is dus erg ruim. Een uitdaging om een misslag te bedenken die hier niet onder valt. De vraag komt op of de rechtszekerheid van de belastingplichtige niet teveel in het gedrang komt om de fouten bij de Belastingdienst te kunnen repareren. Het verschil tussen € 2.079 en € 2.970 is in elk geval voor de wetgever kenbaar. In een zaak waarin gedurende een boekenonderzoek toch een te lage aanslag werd opgelegd over het onderzochte jaar ondanks een ambtelijke instructie dat niet te doen, terwijl aan de belastingplichtige al kenbaar was gemaakt dat van de aangifte zou worden afgeweken, werd navordering toegestaan.
Aanslag te laat opgelegd is fout van de Belastingdienst
Als uitgangspunt voor het tijdig opleggen van aanslagen geldt het volgende:
- Een aanslag moet binnen 3 jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan worden opgelegd (artikel 11, lid 3, AWR);
- Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt deze termijn met de duur van dit uitstel verleend;
- Op grond van artikel 11, lid 4, AWR, wordt de belastingschuld geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop het tijdvak waarover de belasting wordt geheven eindigt.
In de casus bij de rechtbank is de belastingschuld ontstaan per 31 december 2015. De aanslag moet dan worden opgelegd vóór 31 december 2018, tenzij uitstel is verleend. De aanslag wordt in oktober 2019 opgelegd. Volgens de Inspecteur is er uitstel verleend (en dus is de aanslag - volgens hem - tijdig). De belastingplichtige stelt dat er geen uitstel is verleend.
- In het geval een belastingplichtige betwist dat door of namens hem om uitstel voor het indienen van de aangifte is verzocht, dient de Inspecteur ter voldoening aan de op hem rustende bewijslast meer bewijs in te brengen dan het enkele noemen van het beconnummer waarmee om het uitstel zou zijn verzocht.
- Van de Inspecteur mag dan worden verwacht dat hij (een kopie van) het uitstelverzoek en van de beslissing waarmee het uitstel is verleend in het geding brengt, dan wel op een andere wijze aannemelijk maakt dat door of namens de belastingplichtige om uitstel is verzocht en dat dit uitstel vervolgens is verleend.
- Indien dergelijke stukken binnen de Belastingdienst niet (meer) beschikbaar zijn en de Inspecteur ook niet op een andere wijze bewijs kan leveren, behoren de gevolgen daarvan voor rekening van de Inspecteur te komen.
Conclusie inzake vormfouten Belastingdienst
De mogelijkheid voor de Belastingdienst om na te vorderen is uitgebreid ten koste van de rechtszekerheid. Niettemin blijft het specialistenwerk en afhankelijk van de feiten van uw zaak. Neem dus bij een navorderingsaanslag altijd contact op. Dat geldt zeker als daarbij ook een boete is opgelegd. Als een aanslag te laat is opgelegd, kan een aanslag ook in de prullenbak verdwijnen. Het fiscale recht kan dus zowel materieel als formeel worden ingevuld. Verweer voeren op formele gronden loont vrijwel altijd. Denk hierbij ook aan andere formele verweren zoals discriminatie, willekeur, etc.
Laat u tijdens een bezwaar- of beroepsprocedure dus altijd bijstaan door een deskundige. Wilt u een second opinion of een vrijblijvend gesprek met een specialist? Neem gerust contact met ons op.
Bron fouten door de Belastingdienst
Hoge
Raad d.d. 27 juni 2014, 13/02845, ECLI:NL:HR:2014:1527.
Hoge
Raad d.d. 27 juni 2014, 14/00350, ECLI:NL:HR:2014:1528.
Hoge
Raad d.d. 27 juni 2014, 13/02194, ECLI:NL:HR:2014:1529.
Rechtbank Zeeland - West Brabant d.d. 24 augustus 2022 ECLI:NL:RBZWB:2022:4622
Belastingplicht stichtingen en verenigingen
Bij stichtingen en verenigingen speelt regelmatig de vraag of zij belastingplichtig zijn. Steekproefsgewijs inventariseert de Belastingdienst of er sprake is van een belastingplicht voor bijvoorbeeld de omzetbelasting, vennootschapsbelasting of loonheffingen. Een gevolg van deze inventarisatie is dat er mogelijk toch sprake is van belastingplicht. In dit artikel leest u meer over de belastingplicht voor de omzetbelasting, vennootschapsbelasting en loonheffingen.
Stichting of vereniging en belastingplicht
Voor de snelle lezer:
- Vennootschapsbelasting: als de stichting of vereniging voldoet aan de vereisten voor ondernemerschap moet Vennootschapsbelasting worden betaald.
- Omzetbelasting: idem vennootschapsbelasting
- Loonheffing: als de stichting of vereniging werknemers in dienstbetrekking neemt krijgt de stichting of vereniging te maken met loonheffingen.
Omzetbelasting stichting en vereniging
Indien een stichting of vereniging regelmatig goederen of diensten levert tegen een vergoeding, dan is er doorgaans sprake van belastingplicht voor de omzetbelasting (btw). Bij het leveren van goederen of diensten tegen een vergoeding kan gedacht worden aan de volgende situaties:
- De verkoop van eten en drinken in een voetbalkantine;
- Het tegen een vergoeding organiseren van een activiteit voor de leden van de vereniging;
- Het vertonen van een voorstelling door de toneelvereniging aan betalende bezoekers;
- Het plaatsen van zonnepanelen op het clubgebouw van de hockeyvereniging.
Het komt regelmatig voor dat een stichting of vereniging belastingplichtig is voor de omzetbelasting. Echter, dit betekent niet in alle situaties dat er daadwerkelijk omzetbelasting betaald dient te worden. Als stichting of vereniging kunt u namelijk kiezen voor deelname aan de kleineondernemersregeling (KOR). Voor deelname aan de KOR is vereist dat de stichting of vereniging gevestigd is in Nederland en niet meer dan € 20.000 per jaar aan omzet draait. Meer informatie met betrekking tot de KOR vindt u in het volgende artikel: De kleineondernemersregeling (KOR).
Vennootschapsbelasting stichting en vereniging
Naast de belastingplicht voor de omzetbelasting, kunnen stichtingen en verenigingen belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting. Dit is het geval indien de stichting of vereniging een onderneming drijft. Er is in ieder geval sprake van het drijven van een onderneming, als de stichting of vereniging met een activiteit in concurrentie treedt met andere belastingplichtige ondernemers en met die activiteit fiscale winst behaalt.
Voorbeelden van activiteiten als ondernemer zijn:
- Een tennisvereniging organiseert een tennistoernooi waaraan zowel leden als niet-leden tegen betaling mee kunnen doen;
- Een stichting exploiteert naast een museum ook een winstgevende museumwinkel en een winstgevende horecagelegenheid.
Het is echter mogelijk dat een stichting of vereniging in aanmerking komt voor een vrijstelling, waardoor geen vennootschapsbelasting afgedragen hoeft te worden. De vrijstelling is van toepassing indien de fiscale winst in een belastingjaar niet meer bedraagt dan € 15.000, of indien de fiscale winst over een periode van vijf aaneengesloten jaren niet meer bedraagt dan € 75.000.
Voor toepassing van bovenstaande voorwaarden wordt een verlies aangemerkt als een winst van € 0. Het verlies mag dus niet in aftrek worden gebracht op de winst van voorgaande jaren.
Let op! In de statuten van een stichting of vereniging kan vermeld staan dat de stichting of vereniging geen winstoogmerk heeft. Voor de vennootschapsbelasting dient echter gekeken te worden naar de activiteiten die worden verricht en de daadwerkelijk fiscale winst die ontstaat als gevolg van deze activiteiten.
Loonheffingen stichting en vereniging
Een stichting of vereniging maakt vaak gebruik van vrijwilligers. Indien dat het geval is, kan de stichting of vereniging te maken krijgen met loonheffingen.
Kenmerken van een vrijwilliger zijn:
- De vrijwilliger doet het werk voor een stichting of vereniging die niet belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting, voor een sportorganisatie of een algemeen nut beogende instelling (ANBI);
- De vrijwilliger doet dit werk niet als beroep;
- De vergoeding voor het werk staat niet in verhouding tot de tijd en omvang van het werk.
In 2022 mag een vrijwilliger voor zijn werk en eventuele andere kosten maximaal € 180 per maand en € 1.800 per kalenderjaar ontvangen van de stichting of vereniging, zonder dat daarover loonheffing verschuldigd is. Indien de vergoeding meer bedraagt dan de hiervoor genoemde bedragen, dan valt de medewerker niet onder de vrijwilligersregeling en is er mogelijk sprake van een dienstverband.
Er is sprake van een dienstbetrekking indien aan de volgende drie voorwaarden wordt voldaan:
- De stichting of vereniging betaalt loon aan de medewerker;
- Er is sprake van een gezagsverhouding tussen de stichting of vereniging en de medewerker;
- De medewerker mag of kan het werk niet door iemand anders laten verrichten.
Indien sprake is van een dienstbetrekking tussen de stichting of vereniging en de medewerker, dan dient de stichting of vereniging als werkgever (en inhoudingsplichtige) loonaangifte te doen.
Een veelvoorkomend praktijkvoorbeeld van een dienstbetrekking bij een stichting of vereniging is een voetbaltrainer. De voetbaltrainer krijgt een vergoeding voor de arbeid die hij verricht, er is sprake van een gezagsverhouding tussen de voetbalvereniging en de trainer en het werk van de trainer kan niet eenvoudig door een ander worden verricht.
Vragenbrief Belastingdienst over stichting of vereniging
Als bestuurder van een stichting of vereniging kunt u een brief ontvangen van de Belastingdienst. Dit betreft een vragenbrief inzake de inkomsten van de stichting of vereniging. De vragenbrief gebruikt de Belastingdienst om inzicht te krijgen in de inkomsten van uw stichting of vereniging. Aan de hand van de uitkomst van de vragenbrief wordt beoordeeld of de stichting of vereniging terecht wel of geen aangifte doet en derhalve wel of geen belasting betaalt.
Noot fiscaal jurist inzake stichting
Stichtingen en verenigingen zijn rechtspersonen die vaak zijn opgericht met een bepaald doel, bijvoorbeeld om mensen te laten sporten, muziek te maken of voor een goed doel (zoals beschermen van de natuur). In sommige gevallen ontstaat er tijdens het bestaan van de stichting of vereniging (ineens) belastingplicht. Dit wordt soms erkent en soms niet. De risico's kunnen enorm zijn (naheffingen gedurende 5 jaar met boetes en rente).
Als bestuurder van een stichting of vereniging bent u wellicht minder bekend met de belastingplicht voor de omzetbelasting, vennootschapsbelasting en loonheffingen. Om onverwachte belastingaanslagen op naam van de stichting of vereniging te voorkomen, is het van belang om de feiten en omstandigheden met betrekking tot de belastingplicht goed in de gaten te houden. Indien er wijzigingen plaatsvinden in bijvoorbeeld de activiteiten of de vrijwilligersvergoeding, dan kan dit gevolgen hebben voor de belastingplicht.
Twijfelt u over de belastingplicht van uw stichting of vereniging of heeft u een vragenbrief ontvangen van de Belastingdienst? Neem dan gerust vrijblijvend contact op met één van onderstaande adviseurs en wij helpen u graag verder!
Bron stichtingen en verenigingen
Aansprakelijkheid bestuurders van een stichting of vereniging (folder belastingdienst)
Woo-verzoek verzuimboetes
Interne richtlijn Belastingdienst over opleggen en verminderen van verzuimboetes inkomstenbelasting
Via een Woo-verzoek zijn in september 2022 interne stukken van de Belastingdienst over de verzuimboete openbaar gemaakt. Weinig nieuws maar toch een paar leuke dingen, vandaar dit artikel. In juli is op grond van de oude regeling (WOB) ook al informatie openbaar gemaakt over de vergrijpboete.
Woo-verzoek geeft kijkje in de keuken van de Belastingdienst
Middels een Woo-verzoek (voorheen ook wel bekend als WOB-verzoek) kan men verzoeken tot openbaarmaking van informatie over bestuurlijke aangelegenheden bij het hiervoor in de wet aangewezen bestuursorgaan. De staatssecretaris van Financiën heeft op 1 september 2022 gedeeltelijk ingestemd met het openbaar maken van alle interne richtlijnen, beleidsaanwijzingen, beleidsstukken en andere soortgelijke documenten ten aanzien van het opleggen en verminderen van verzuimboetes. In totaal betreffen het 119 openbaar gemaakte pagina’s, waarin in dit artikel de meest opvallende zaken worden toegelicht.
Wanneer krijgt u een verzuimboete?
De naam 'verzuimboete' zegt het eigenlijk al: wanneer u verzuimt aan uw (wettelijke) verplichting te voldoen, kan de Belastingdienst dit beboeten middels een verzuimboete. De verzuimboete is opgenomen in de Algemene Wet Rijksbelastingen (hierna: AWR), meer specifiek in artikel 67a en verder.
U kunt een verzuimboete krijgen in de navolgende situaties:
- Niet (tijdig) doen van aangifte (67a en 67b AWR);
- Niet (tijdig) de verschuldigde belasting betalen (67c AWR);
- Het onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens ten aanzien van een voorlopige aanslag of verzoek tot herziening (67cc AWR).
De maximale verzuimboete voor het te laat indienen of te laat betalen van de verschuldigde belasting bedraagt € 5.514, echter het is de richtlijn van de Belastingdienst een gematigde boete op te leggen in de meeste gevallen. Zo is het bijvoorbeeld beleid dat bij het te laat indienen van een aangifte vennootschapsbelasting een boete van 50% van het maximum wordt opgelegd.
Wanneer u in bezwaar gaat tegen uw belastingaanslag en deze derhalve wordt verminderd, is in artikel 67h AWR opgenomen dat een bestuurlijke boete evenredig met de belastingaanslag dient te worden verminderd.
Mocht het verzuim niet aan uw handelen te wijten vallen en is derhalve sprake van afwezigheid van alle schuld, vrijwaart dit u van een bestuurlijke boete.
Woo-verzoek inzake boetes
In het Woo-verzoek zijn zoals benoemd interne beleidsstukken opgenomen van de Belastingdienst ten aanzien van verzuimboeten in de Inkomstenbelasting. Het geldende beleid is normaliter opgenomen in Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB). Zo is onder andere in het BBBB bepaald, dat bij het niet tijdig indienen van een aangifte inkomstenbelasting de verzuimboete 7% van de maximale verzuimboete bedraagt. Enkel in uitzonderlijke gevallen kan men de maximale verzuimboete opleggen.
Uit de werkinstructie blijkt onder andere dat sprake is van een uitzonderlijke situatie wanneer stelselmatig sprake is van verzuim. Uit de interne beleidstukken van de Belastingdienst blijkt dat hiervan sprake is bij een 4e opeenvolgend verzuim en men dan spreekt van stelselmatig verzuim en de maximale wettelijke verzuimboete oplegt.
Ten aanzien van het matigen van verzuimboeten is geen nadere informatie verstrekt anders dat men beoordeelt of sprake is van afwezigheid van alle schuld. Enige houvast zijn jurisprudentie en de beleidslijnen hierover uit het BBBB. Een matiging van de verzuimboete is enkel mogelijk wanneer sprake is van:
- Een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de op te leggen of opgelegde boete; of
- Verzachtende omstandigheden die hebben geleid tot het beboetbare feit.
Het beoordelen of een boete passend en geboden is blijft maatwerk!
Noot fiscaal jurist inzake veruimboete
De interne beleidsstukken, het BBBB en de geldende jurisprudentie zijn voor u van belang in de afweging of u wellicht bezwaar wenst te maken tegen de aan u opgelegde verzuimboete. Bij het beoordelen van de vraag of een verzuimboete aan u terecht is opgelegd dan wel of de hoogte van de verzuimboete gerechtvaardigd is, dient op basis van alle feiten en omstandigheden te worden beoordeeld.
Verzuimboetes kunnen spelen in verschillende situaties, bijvoorbeeld bij een te laat ingediende aangifte, maar ook in navolging van een boekenonderzoek. Is aan u een verzuimboete opgelegd of heeft de belastinginspecteur kenbaar gemaakt voornemens te zijn aan u een verzuimboete op te leggen, neem dan eens vrijblijvend contact op met één van onze fiscalisten om een afweging te maken of in bezwaar gaan tegen deze verzuimboete gewenst is!
Bron Woo-verzuimboete
Faillissementsaanvraag door de Belastingdienst
Wij adviseren - veelal in samenwerking met een advocaat - klanten met betalingsproblemen en / of in situaties dat de Belastingdienst beslag heeft gelegd of het faillissement van uw onderneming (of rechtspersoon) heeft aangevraagd. Evenzo als elke schuldeiser kan namelijk ook de Belastingdienst uw faillissement aanvragen (artikel 4:124 AWB). De Belastingdienst vraagt zo'n 300 keer per jaar een faillissement van een onderneming aan. Bij deze aanvraag moet de Belastingdienst wel de Leidraad invordering in acht nemen. Ook zijn er specifieke instructies binnen de Belastingdienst. Kern van de zaak is dat de Belastingdienst een redelijk belang moet hebben bij het faillissement en dat de betalingsonmacht van de onderneming niet van tijdelijke aard is. U kunt zich als ondernemer met meer dan voldoende argumenten hiertegen verweren. De Belastingdienst vraagt het faillissement vaak aan als uiterste pressiemiddel en / of om de ondernemer te stoppen met ondernemen of om simpelweg de onderneming op te ruimen (en verdere schade te voorkomen).
Dit artikel is geschreven omdat wij meer faillissementen verwachten in 2023 en daarna. Mede door de nieuwe Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA), die per 1 januari 2021 is ingevoerd, is ook de faillissementswet aangepast. Dit zal meer mogelijkheden bieden voor ondernemers.
Corona en faillissementaanvragen door de Belastingdienst
Sinds april 2022 moeten ondernemers weer regulier hun belastingen gaan betalen. Vanaf oktober 2022 moet dan in 60 termijnen de oude schuld (uit de coronaperiode) renteloos worden ingelopen. Dit kan de komende periode voor problemen gaan zorgen. Bij een betalingsregeling kan ook een faillissement worden aangevraagd, edoch hier is veel tegenin te brengen. De belangrijkste argumenten zijn:
- Oude invorderingswet (uit 1990) gaf uitdrukkelijk deze mogelijkheid, dus bij uitstel geen faillissement aanvragen. Waarom dit niet in de nieuwe Leidraad is opgenomen is voor ons onduidelijk.
- Algemene wet bestuursrecht, specifiek artikel 4:94 AWB.
- Besluit noodmaatregelen coronacrisis (onderdeel 3.5), bij problemen tijdens een betalingsregeling moet de ontvanger de ondernemer 14 dagen tijd gunnen en geven.
Aanvraag faillissement door fiscus
De rechtbank zal de aanvraag in eerste instantie toetsen aan de wettelijke algemene voorwaarden die gelden voor een faillissementsaanvraag. Belangrijkste vertrekpunt is dat de onderneming in een toestand moet verkeren dat deze is opgehouden met betalen (wel summiere toets waar snel aan is voldaan). Bij tijdelijke liquiditeitsproblemen is hiervan geen sprake, dit dus goed proberen toe te lichten.
Ook moeten er meerdere schuldeisers zijn (pluraliteit). De Belastingdienst moet dan ook een steunvordering zoeken. Hierbij worden verschillende onderdelen van de Nederlandse staat als één partij gezien, zie arrest Hoge Raad in 2018. Deze wordt vaak gevonden doordat de Belastingdienst - voor de aanvraag - eerst een crediteuren- en debiteurenlijst zal opvragen. Als de andere vordering wordt betwist, kan hiertegen verweer worden gevoerd, vaak is dit onderdeel eenvoudig door de Belastingdienst aan te tonen.
Specifieke voorwaarden Belastingdienst bij aanvraag faillissement
De wettelijke basis voor een faillissementsaanvraag door de Belastingdienst staat in diverse wetten en regels, de belangrijkste:
- Faillissementswet
- Leidraad invordering 2008
- Algemene Wet Bestuursrecht
- Instructie invordering en Belastingdeurwaarders
Bijzonder is dat de Faillissementswet, de Leidraad invordering, het hierop
geschreven uitvoeringsbesluit of de uitvoeringsregeling vrijwel niets zeggen
over de spelregels die de Belastingdienst in acht moet nemen. Men moet
dus feitelijk terug naar de faillissementswet en de parlementaire geschiedenis,
dit te ondersteunen door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Voor de Belastingdienst gelden een aantal specifieke voorwaarden bij een aanvraag van het faillissement van een ondernemer of onderneming.
- De Belastingdienst moet - volgens de memorie van antwoord bij de vierde tranche AWB - aannemelijk maken dat andere maatregelen ontoereikend zijn (algemene beginselen van behoorlijk bestuur). Dit wordt vaak onvoldoende door de Belastingdienst gemotiveerd. De wettelijke grondslag kan worden gevonden in artikel 3:4 lid 2 AWB.
- De Belastingdienst mag pas tot een aanvraag van een faillissement overgaan als de aanslagen onherroepelijk vaststaan of indien duidelijk is dat de belasting materieel verschuldigd is. Bij een discussie (of procedure in bezwaar of beroep) over de omvang van de aanslag of bij ambtshalve aanslagen moet hiertegen helder en duidelijk verweer worden gevoerd. Voor voorlopige aanslagen kan een discussie ontstaan, dit is maatwerk. In een uitspraak van het Gerechthof in 2017 liep er nog uitstel (en verzet) en lagen er aanslagen ter behoud van rechten, dit is volgens de rechter onvoldoende. Als er onduidelijkheid is over aanslagen, kan in noodgevallen nog worden overwogen om een fiscaal kort geding (artikel 8:81 AWB) te voeren (voorlopige voorziening).
- Tevens moet de betalingsonmacht van de ondernemer of onderneming niet van tijdelijke aard zijn. Als de onderneming (of ondernemer) dit klip en klaar kan aantonen (verklaring accountant of specialist?), moet dit worden onderbouwd. Mede door de coronaperiode kan de ondernemer als extra argument aanvoeren dat door een incident (buiten zijn macht en invloed) oudere schulden zijn ontstaan, welke nu sneller moeten worden ingelopen.
- De Belastingdienst moet toestemming vragen van het ministerie van Financiën (artikel 73.4.6 Leidraad). Het is verstandig deze stukken op te vragen, zodat duidelijk is of alle relevante feiten correct en volledig zijn meegenomen.
- De Belastingdienst moet een redelijk belang hebben bij het faillissement (artikel 3:303 BW). Hierbij mag geen misbruik van de bevoegdheden van de Belastingdienst worden gemaakt (artikel 3:13 BW). Een belang kan zijn (a) dat belastingschulden niet verder oplopen, (b) de curator een onderzoek kan doen naar het vermogen van de ondernemer, (c) kwijtschelding van belastingschulden niet redelijk is (concurrentie verstorende werking).
- De Belastingdienst moet ook een zorgvuldige en redelijke belangafweging maken. Vroeger (leidraad 1990) stond dit in de wet, nu niet meer. Vorenstaande volgt in algemene zin wel uit het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4 AWB).
Advies Jongbloed Fiscaal Juristen bij betalingsproblemen
Wij adviseren en begeleiden vele ondernemers bij betalingsregelingen en / of discussies met de Belastingdienst. Ook bij een faillissementsaanvraag ondersteunen wij advocaten en belastingplichtigen in dit traject. Het in gesprek blijven of proberen te komen met de Belastingdienst is een belangrijk vertrekpunt. Als hierbij een passend en uitvoerbaar voorstel kan worden gedaan, is dit een goed begin voor een normaal gesprek. Vaak zien wij dat de verhoudingen al redelijk zijn vertroebeld en dat nieuwe gezichten aan tafel sneller tot oplossingen komen.
Belastingaanslag tijdens boekenonderzoek, mag dat?
Binnen welke termijn moet de inspecteur een aanslag opleggen?
Belasting betalen is vaak niet leuk. Omdat het toch moet, zijn we er graag zo snel mogelijk af, zodat we weten waar we aan toe zijn. De wetgever wil ook snel duidelijkheid. Daarom is in de wet opgenomen dat een belastingaanslag moet worden opgelegd binnen drie jaar na afloop van het belastingjaar. Zoals uit onderstaande arrest van de Hoge Raad volgt, moeten aanslagen ter behoud van rechten zorgvuldig worden gemotiveerd !
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Moet of mag de inspecteur wachten met het opleggen van een belastingaanslag?
Als hoofdregel geldt dat de inspecteur moet wachten met het opleggen van een aanslag totdat het onderzoek is afgerond. Doet hij dat niet, dan is hij te laat en kan in de regel ook niet navorderen (een ambtelijk verzuim heet dat).
Maar, dat is anders als er een goede reden voor is. Zo’n goede reden is dat de aanslagtermijn dreigt te verlopen. Bij boekenonderzoeken komt het regelmatig voor dat zo’n onderzoek nog loopt tegen het einde van de aanslagtermijn. Een aanslag over het jaar 2019 moet worden opgelegd vóór 1 januari 2023. Als het boekenonderzoek dan nog loopt, kan het zijn dat de inspecteur nog niet over alle gegevens beschikt om een juist aanslag op te leggen.
In zo’n zaak heeft de Hoge Raad recent duidelijkheid geschapen. Tegen het einde van de aanslagtermijn had de inspecteur al voldoende informatie waaruit volgde dat een aanslag moet worden opgelegd, maar hij had nog niet voldoende informatie om te bepalen hoe hoog die belasting dan moest zijn. De Hoge Raad verplicht dan tot het opleggen van een aanslag naar een redelijke schatting op basis van de dan bekende informatie. Als er dan in het onderzoek nieuwe informatie boven water komt die reden geeft tot een hoger belastingbedrag, mag dat meerdere wel worden nagevorderd. Als de eerste schatting te laag is (o.g.v. de eerste informatie) kan dat deel NIET meer worden geheven (tenzij sprake is van kwade trouw). Het meerdere wel, want daarvoor is immers nieuwe informatie ontvangen.
Opmerking fiscaal jurist
De inspecteur heeft vele onderzoeksbevoegdheden. Hij moet die echter wel tijdig benutten. Als hij in tijdnood komt, moet hij een aanslag opleggen naar een redelijke schatting op basis van gegevens die bekend (kunnen) zijn. Op twee gronden is dat een positieve ontwikkeling voor de belastingplichtige.
- Er wordt minimaal een ‘tussenbalans’ opgemaakt van wat de inspecteur aan het einde van de aanslagtermijn weet en wat dat voor consequenties heeft. Tegen die (geschatte) aanslag kan in bezwaar en beroep worden gekomen.
- Eindeloze boekenonderzoeken kunnen een zetje richting afronding krijgen nu de inspecteur zijn kaarten op tafel moet leggen.
Tot op heden komt het bij langlopende onderzoeken veelvuldig voor dat zaken jarenlang lopen en daarbij maandenlang stil liggen. Dan wordt tegen het einde van de aanslagtermijn een aanslag ‘ter behoud van rechten’ opgelegd. Dergelijke aanslagen plegen niet mals te zijn. Met het arrest van de Hoge Raad dienen dergelijke aanslagen een grondiger motivering te bevatten.
Dus een oproep aan de Belastingdienst: rond die onderzoeken voorspoedig af. Duidelijk, stellig en zonder voorbehoud. Daar heeft iedereen baat bij. En als het echt fout zit, kunt u altijd nog navorderen.
Bron tijdig aanslag opleggen tijdens boekenonderzoek
Hoge Raad 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:638
Hoge Raad 4 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8368 (punt 3.2.2)
Hoge Raad 18 november 1925, ECLI:NL:HR:1925:373
Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP5230(punt 3.2.2)
Vergrijpboete terecht of niet?
Belastingdienst moet boete overtuigend aantonen
Het opleggen van boetes door de Belastingdienst is een veel voorkomende gebeurtenis. Er kan sprake zijn van verzuimboetes (te laat aangifte gedaan of te laat betaald) of van vergrijpboetes (opzettelijk foutief aangifte gedaan). Dat laatste komt sneller voor dan menigeen denkt; onder het motto “iedere Nederlander behoort de wet te kennen" wordt opzet of grove schuld door de Belastingdienst helaas al snel aangenomen. In april 2022 heeft de Hoge Raad arrest gewezen over de onderbouwing van de boete door de Belastingdienst. De Belastingdienst moet overtuigend aantonen dat "deze belastingplichtige" echt dat vergrijp heeft begaan. Er kan weer iets meer (opgelucht) adem worden gehaald.
Doet u opzettelijk geen aangifte of een onjuiste of onvolledige aangifte, dan krijgt u van de Belastingdienst een vergrijpboete opgelegd, tenminste dit kan de Belastingdienst doen. Er kan ook een vergrijpboete worden opgelegd bij een navorderingsaanslag. De Belastingdienst mag alleen ene vergirjpboete opleggen als aantoonbaar sprake is van opzet (willens en wetens handelen) of grove schuld (voorwaardelijke opzet, willen staat centraal, lichtvaardig of slordig handelen). Bij bepaalde boetes is zelfs grove schuld niet voldoende, opzet lijkt de ondergrens (bij een vergrijpboete). Boete is bij grove schuld meestal lager dan bij voorwaardelijke opzet.
De belastingdienst moet dus overtuigend aantonen (doen blijken) dat sprake is van grove schuld of opzet omdat de waarborgen van het EVRM (Europees verdrag voor de rechten van de mens) ook meespelen. De belastingplichtige moet dus weten dat hij iets fout deed (en bewust).
Streep door vergrijpboete ex bestuurder voetbalclub
Als bestuurder een vergrijpboete aan je broek krijgen? Dan staat niet alleen je portemonnee onder druk, maar ook je reputatie. De fiscus legt ze soms voortvarend op, maar gelukkig kijkt de rechter kritischer. In een procedure bij de Rechtbank Gelderland d.d. 5 juni 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:4322) oordeelde de rechter dat een ex-bestuurder van een voetbalclub ten onrechte als feitelijk leidinggever werd aangemerkt. Hoewel hij ooit betrokken was bij een spelerstransfer, was zijn rol bij de latere afwikkeling onvoldoende concreet. De rechtbank herhaalt: bestuurder zijn is niet hetzelfde als leiding geven aan een strafbaar feit. En voor een boete moet de Belastingdienst het bewijs keihard rond hebben. Omdat die bewijslast zwaarder is dan bij de belastingheffing zelf, sneuvelde de boete. De uitspraak is een reminder: wie als adviseur scherp blijft op bewijs en betrokkenheid, kan veel ellende besparen.
Voor een helder overzicht van de stappen die de belastingdienst moet doorlopen verwijzen wij u naar een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 26 april 2016 ECLI:NL:HR:2016:733.
Geduld is vereist, maar rechtvaardigheid duurt soms gewoon even. Belangrijk is dat de belastingdienst met overtuigend aangetoond bewijs komt met concrete gedragingen door de feitelijk leidinggevende.
Hierbij spelen voor een vergriipboete een aantal zaken:
- Feitelijk leiding geven: dit moet concreet worden onderbouwd (zie Hoge Raad d.d. 16 december 1986 ECLI:NL:HR:1986:AC9607) , dit speelde bij de Slavenburg bank, de zogenoemde slavenburg jurisprudentie.
- Is de verboden gedraging door de BV (of rechtspersoon) verricht, zie Drijfmest arrest van de Hoge Raad d.d. 21 oktober 2003 ECLI:NL:HR:2003:AF7938
- Wordt het geheel (opzet of grove schuld) voldoende overtuigend aangetoond (zie Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Al met al moet het volgende worden beoordeeld:
- Kan de (strafbare) gedraging worden toegerekend aan belastingplichtige ( de rechtspersoon)
- Is er hierbij sprake van opzet bij deze strafbare gedraging
- Heeft de persoon (bestuurder) zich gedragen als actief (of passief) feitelijk leidinggevende van dit (strafbare) feit
- Is dit gedrag opzettelijk uitgevoerd door de feitelijk bestuurder/ leidinggevende.
- Heeft de belastingdienst voldoende overtuigend aangetoond dat sprake
is van opzet of grove schuld (zie
Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Vergrijpboete ter discussie stellen
De vergrijpboete wordt soms iets te vlot door een inspecteur opgelegd. Deze kan om verschillende redenen worden verminderd of tot nihil worden bijgesteld (door de rechter). De belangrijkste oorzaken uit de rechtspraak zijn:
- Procedure loopt te lang (overschrijding van de redelijke termijn), zie Hoge Raad d.d. 6 september 2024 ECLI:NL:HR:2024:1132 of Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 23 juli 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:4871
- Vergrijpboete voor hetzelfde feit bij verschillende belastingtypen
- Vergrijpboete wordt niet overtuigend via feitelijk bewijs aannemelijk gemaakt, derhalve geen (of beperkt) sprake van opzet of grove schuld (uitgebreide toelichting in mening AG op 4 april 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:410)
- Ontbreken van voldoende bewijs voor opzet of grove schuld, Gerechtshof Amsterdam d.d. 15 november 2022 ECLI:NL:GHAMS:2022:3728
- De grondslagen en/of omstandigheden zijn anders of niet juist voorgesteld, zie Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 14 mei 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:3357
- De boete moet wel in balans zijn, de noodzaak van een juiste kwalificatie van het vergrijp en de evenredigheid van de opgelegde boete, zie hiertoe mening AG op 5 juli 2024 ECLI:NL:PHR:2024:736
- Beboeting wordt niet tijdig medegedeeld, schending verdedigingsbeginsel (kennisgeving boete (met motivering) is later gedagtekend dan de boetebeschikking. Zie hiertoe bijvoorbeeld Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 7 mei 2025 ECLI:NL:RBZWB:2025:2724.
Belastingdienst moet vergrijpboete overtuigend aantonen
Sinds de uitspraak van de Hoge Raad van 8 april 2022 (ECLI:NL:HR:2022:526) geldt dat de inspecteur een fiscale overtreding overtuigend moet aantonen bij het opleggen van een boete; aannemelijkheid is onvoldoende. Deze zwaardere bewijsmaatstaf heeft geleid tot toenemende aandacht voor de wijze waarop bewijs in fiscale boetezaken wordt beoordeeld. Omdat fiscale boetes een punitief karakter hebben (boete is bedoeld om te straffen), ligt aansluiting bij strafrechtelijke waarborgen voor de hand, waaronder het hanteren van bewijsminima. In het strafrecht gelden immers bewijsminima om lichtvaardige veroordelingen te voorkomen; dat zou ook in het fiscale boeterecht wenselijk zijn. De huidige vrije bewijsleer in het fiscale recht kan leiden tot subjectieve beoordelingen en ongelijke uitkomsten, zoals bleek bij de Luxemburgse bankrekeningzaken. Bewijsminima zouden bijdragen aan rechtszekerheid, bescherming tegen willekeur en betere aansluiting bij artikel 6 EVRM, dat strikte eisen stelt aan bewijs in punitieve procedures. Hoewel tegenstanders wijzen op het belang van flexibiliteit, sluiten bewijsminima een zorgvuldige en flexibele beoordeling van complex bewijs niet uit. De auteur pleit daarom voor invoering van bewijsminima in het fiscale boeterecht, in lijn met de oproep van A-G Koopman op 5 juli 2024 (ECLI:NL:PHR:2024:774) , ter versterking van de rechtspositie van de belastingplichtige.
Krijgt u een boete? Schakel een specialist in die u bijstaat in uw communicatie met de Belastingdienst.
Soorten vergrijpboete
Er zijn meerdere soorten vergrijpboetes, de belangrijkste:
- Belasting is opzettelijk (of grove schuld) niet betaald (of niet volledig betaald), artikel 67f ZWR
- Opzettelijk niet of onjuist aangifte doen (voor aanslagbelasting), artikel 67d AWR
- Bij navordering mits sprake van opzet (of grove schuld) en er te weinig belasting is betaald, artikel 67e AWR
- Informatieverplichting niet nakomen (uit eigen beweging), artikel 10a AWR
- Opzettelijk onjuiste informatie of inlichtingen verstrekken bij verzoek
voorlopige aanslag, artikel 67cc AWR
Handreiking fiscaal beleid bij opleggen boetes
Voor de formele kant en het standpunt van de belastingdienst is er informatie beschikbaar over de wijze waarop de belastingdienst fiscale boetes kan opleggen (lees hier de handreiking uit een WOO onderzoek), vertrekpunt in deze discussie is artikel 5:49 AWB en artikel 67 AWR, dit in combinatie met het besluit bestuurlijke boeten (pagraaf 13).
Standpunt kennisgroep belastingdienst
Het beleid van de belastingdienst inzake het instellen van een schuldonderzoek bij een boete is openbaar gemaakt in augustus 2023. Er is verzocht om openbaarmakeing van alle interne stukken waarin vastlegging heeft plaatsgevonden over het beleid met betrekking tot het (zuivere) schuldonderzoek (ad titel 5.2 AWB). In dit stuk vindt u werkinstructies, interne memo's, standpunten, notulen van vergaderingen etc. Het stukken kunt u hier raadplegen. Een aantal zaken vallen op:
- Voor de matiging van een boete wordt ook naar het huidige gedrag gekeken
- Voor verzuimboetes is minder ruimte voor responsief handhaven
- Vragen stellen over de boete toegestaan maar belastingplichtige kan zich beroepen op zijn zwijgrecht (artikel 5:10a AWB)
- Hoe moet een onderzoek inzake DGA salaris plaatsvinden
- Stappenplan inzake opleggen van een boete
- Hoe werkt het schuldonderzoek
- Wanneer melding mogelijke fraudezaak
Navorderingsaanslag vennootschapsbelasting met boete
Belanghebbende heeft aangifte gedaan met een belastbaar bedrag van € 27.000. Er worden aanslagen opgelegd en hiermee is de zaak voorlopig afgerond. In 2012 wordt een boekenonderzoek aangekondigd. Er volgt discussie over aftrekbare kosten ad € 1.200.000. Er zou 2x gefactureerd zijn voor dezelfde kosten. Tevens wordt een vergrijpboete van 75% aangekondigd in verband met opzet en listigheid. Aan belanghebbende is vervolgens een navorderingsaanslag opgelegd met een boete van ruim € 210.000. De boete is in de bezwaarprocedure verminderd tot € 85.000. Tijdens de procedure bij de Rechtbank is de boete verminderd tot € 50.000.
Het Hof stelt voorop dat de boetebeschikking, waarbij het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende wordt geweten dat de aanslag vennootschapsbelasting 2010 / 2011 tot een te laag bedrag is opgelegd, terecht is. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat op het moment van het doen van de aangifte sprake was van voorwaardelijke opzet gericht op het doen van onjuiste aangifte. Deze voorwaardelijke opzet was gebaseerd op het feit dat sprake was van dubbele facturering en dubbele aftrek van kosten. In dergelijke gevallen wordt, aldus het Gerechtshof, in beginsel een boetebeschikking van 50% van het nagevorderde bedrag opgelegd. De boete wordt - in verband met overschrijding van de redelijke termijn - nog wel iets verminderd tot € 40.000.
Vergrijpboete bij onjuiste verzending aanmaning
De Hoge Raad heeft in 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1341) bepaald dat er geen vergrijpboete kan worden opgelegd wegens het opzettelijk niet doen van aangifte als belastingplichtige niet eerst op de voorgeschreven wijze is aangemaand. Als de inspecteur weet dat (of kon weten) dat een aanslag naar een onjuist adres wordt gestuurd komt dit voor rekening van de inspecteur. In deze casus ging het om een vergrijpboete die is opgelegd tijdens een boekenonderzoek. De boete had betrekking op het opzetting niet doen van aangifte. Er is een aanmaning aan het huisadres van X gestuurd, terwijl de inspecteur wist dat X in voorlopige hechtenis zat. De boete moet dan worden vernietigd !
Vergrijpboete moet worden gemotiveerd
De Hoge Raad is het niet eens met de conclusie van het Gerechtshof. Hij grijpt daarbij terug op het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). De waarborgen van dit Europese verdrag maken, dat de bewijslast op de belastinginspecteur rust dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van de twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de feiten en omstandigheden buiten een redelijke twijfel komen vast te staan. In wat normaler Nederlands: u bent onschuldig tenzij het tegendeel wordt bewezen.
Matiging boete door Hoge Raad
De Hoge Raad (cassatie) bekijkt een zaak niet meer inhoudelijk en veel zaken worden dan ook afgedaan met zogenaamde artikel 81 RO beslissingen. Het cassatieberoep wordt dan afgewezen zonder uitgebreide inhoudelijke motivering. In de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 21 november 2025 ECLI:NL:HR:2025:1727 faalde het inhoudelijke beroep (klachten nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling). Maar hiermee was nog niet alles gezegd.
De Hoge Raad komt ambtshalve toe aan vraag of de redelijke termijn in cassatie wordt overschreden, ook bij het instellen van cassatie beroep (of tweede cassatieprocedure) begint de redelijke termijn dus weer te lopen (1 jaar). De boete wordt ambtshalve verlaagd (gematigd). Belastingplichtige is vergeten immateriele schadevergoeding te vragen, dat is jammer. Dit is een interessante uitspraak, materieel gebeurt er niks maar de redelijke termijn kan de boete wel verlagen (in dit geval met 15%). Cassatie kan dus van belang zijn voor de boete (en termijnbewaking). Bij boeten moet de tijdlijn dus scherp in de gaten worden gehouden, ook als de materiële / inhoudelijke kansen bij cassatie beperkt zijn. Gelukkig bewaakt de Hoge Raad nog steeds de fundamentele proces belangen en waarborgt deze op de juiste wijze.
Noot fiscaal jurist inzake vergrijpboete bij boekenonderzoek
Het komt er dus op aan of de belanghebbende op het moment van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn, dat door inhoudelijke gebreken in de aangifte een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Met andere woorden, fouten maken is menselijk en leidt niet direct tot vergrijpboetes. Dat wordt pas anders als u de fout op het moment van het doen van aangifte moest weten. De vaststelling dat belastingplichtige iets had behoren te weten is niet voldoende om te beoordelen dat er sprake is van voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (1) dat hij de wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven (2) en dat hij deze kans bovendien bewust heeft aangevraagd (3), zie hiertoe ook de Hoge Raad in februari 2022 (onder 2.4.1). De Hoge Raad verwijst de zaak vervolgens naar een ander Gerechtshof.
Bronnen vergrijpboete
Gerechtshof Den Bosch 23 juli 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2352
Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526
Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324
MB/DJ
Steekproef bij boekenonderzoek Belastingdienst niet accepteren
Steekproef bij boekenonderzoek
Bij een boekenonderzoek wil de Belastingdienst vlot en in algemene lijnen door de administratie. Er wordt dan volgens de controle-aanpak van de Belastingdienst gebruik gemaakt van de (statische) steekproef, ook wel de guldensteekproef genoemd. Deze steekproef kent diverse problemen en tekortkomingen. Wij merken dat steeds meer boekenonderzoeken worden uitgevoerd middels een steekproef. Accepteer dit niet zomaar, omdat de gevolgen extreem kunnen zijn.
Reductie aantal steekproeven belastingdienst
De belastingdienst heeft inmiddels vele nieuwe controlemedewerkers aangenomen en opgeleid. Het aantal controles MKB bedrijven zal de komende jaren dus toenemen. Bij een boekenonderzoek van de belastingdienst is de uitkomst altijd ongewis. Vooral als via een steekproef een onderzoek wordt ingestoken kunnen de financiele lasten (mede door extrapolatie) toenemen. Dit wordt nog eens versterkt door belastingrente en (verzuim) boetes. De belastingdienst heeft beleid gepubliceerd inzake het beperken van de steekproef bij belastingcontroles. Volgens het handboekcontrole 2026 van de belastingdienst (paragraaf 11.3.3) wordt het aantal steekproeven gereduceerd. Voor MKB bedrijven (maar ook binnen de publieke sector) kan het verstandig zijn om eens per 2-3 jaar zelf een steekproef te trekken (die aan de vereisten van de belastingdienst voldoet). Vragen? Neem gerust contact met ons op.
Een boekenonderzoek op grond van steekproef
Hoe werkt eigenlijk een boekenonderzoek? Steeds vaker wordt bij een boekenonderzoek gebruik gemaakt van de steekproef. De steekproef vindt haar oorsprong in de accountancy. De Belastingdienst zet deze steekproef in fiscale controles (boekenonderzoeken etc.) steeds vaker in. De steekproef geeft soms vreemde resultaten, kent een overkill en wordt niet altijd op de juiste wijze toegepast. Dit komt door:
- extrapolatieregels worden ruim toegepast;
- de op te vragen informatie wordt ruim ingevuld;
- de statistische steekproef wordt niet goed ingevuld / toegepast (en op verschillende manieren).
Gevolgen steekproef Belastingdienst
De Belastingdienst past de steekproef bijvoorbeeld toe op inkoop- of verkoopfacturen. Als er in de auditfile ook memoriaalboekingen zitten, is dit niet juist. Via memoriaalboekingen worden namelijk foute boekingen tegengeboekt. De fouten in de inkoop- of verkoopfacturen worden dan onjuist geïnterpreteerd. Bij de steekproef ligt de primaire aandacht op fouten in de administratie. De uitkomsten worden geëxtrapoleerd en hier komt dan een foutmarge uit. De Belastingdienst krijgt hierdoor geen compleet beeld. Het aantal fouten dat de Belastingdienst aantreft is vaak de basis voor de op te leggen (naheffings-)aanslagen. De fouten worden namelijk geëxtrapoleerd naar de toekomst (doorwerkende fout). Soms wordt op grond van een steekproef in het verkoopboek wel een forse correctie op af te dragen btw opgelegd, maar geen rekening gehouden met de juiste inkoop-btw.
De jurisprudentie over de steekproef bij een boekenonderzoek is nog beperkt. Een rechter is echter wel redelijk kritisch, de uitkomsten uit een steekproef mogen niet zomaar worden gebruikt als grondslag voor naheffingsaanslagen of navorderingsaanslagen. Soms is de steekproef te summier of wordt slechts een beperkte periode in de steekproef betrokken.
Niet accepteren van de steekproef
Een steekproef scheelt volgens de Belastingdienst veel tijd tijdens een onderzoek. Een steekproef wordt meestal door de rechter geaccepteerd, maar er gelden wel voorwaarden:
- Een steekproef moet bij de start van het onderzoek (schriftelijk) worden aangekondigd (dus niet tijdens het onderzoek);
- Er moeten voldoende gegevens zijn vastgelegd in de administratie;
- Het moet gaan om een homogene populatie;
- De gegevens moeten bewaard en beschikbaar zijn voor de controle;
- Er is voldoende zicht op de administratieve organisatie en de interne beheersing.
Soms is een steekproef binnen een bedrijf ongeschikt. De statische methode kan bijvoorbeeld ongeschikt zijn omdat u een klein en / of eenvoudig bedrijf heeft. In dergelijke gevallen kan simpel de gehele boekhouding worden gecontroleerd. Soms klopt ook de steekproef zelf niet, het is mogelijk om dit - via deskundigen - te controleren. Tevens mag een correctie in boekjaar 2020 niet zomaar worden gecorrigeerd in de voorgaande jaren, u moet dan aantonen dat de fouten geen betrekking hebben op andere jaren.
Uitspraken rechters over steekproef
In 2008 keek de Hoge Raad al eens naar de guldensteekproef. De methode wordt door de Hoge Raad (HR 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:AU0840) niet verboden. Extrapolatie moet echter wel zorgvuldig worden onderbouwd, het Gerechtshof in Den Bosch zoomde hierop in 2011 nog eens in (Hof Den Bosch 28 januari 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ2837). Het jaar dat werd onderzocht liet een hoge omzet zien, de vraag is of dit maatgevend is voor de overige jaren, volgens het Gerechtshof was dit hier niet zo. Volgens de rechter mag hiervan ook niet zomaar worden uitgegaan. Ook een loonbelastingcorrectie op grond van een steekproef moest in de prullenbak, aldus de Rechtbank Leeuwarden (Rechtbank Leeuwarden 25 maart 2010, ECLI:NL:RBLEE:2010:BL9918) en Rechtbank Den Haag 25 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:13230.
Belangrijkste probleem is vaak de extrapolatie naar andere jaren. Dit is toegestaan, maar dan wel met kanttekeningen:
- Er moet emiprisch bewijs zijn (dus niet alleen een steekproefresultaat).
- De Inspecteur moet met een helder en duidelijk verhaal komen waarom extrapolatie moet kloppen, dus het onderzochte jaar is geen incident.
- Fouten in het ene jaar moeten ook vookomen in de andere jaren (Gerechtshof Den Haag in 2016).
- De jaren moeten een constant beeld geven die aansluit bij feiten.
- De groep die wordt onderzocht moet homogeen zijn, bij werknemers (loonheffing) is dit eerder het geval dan bijvoorbeeld bij auto's (BPM).
Steekproef belastingdienst en nu?
De laatste tijd zien we steeds vaker dat de belastingdienst gebruik maakt van de steekproef. Het is voor de belastingdienst namelijk een stuk minder werk om controles uit te voeren en om correcties op te leggen (rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 5 december 2019 ECLI:NL:RBZWB:2019:5440).
- Toegestaan: de Hoge Raad heeft al in 2008 toestemming gegeven voor een rechtsgeldige steekproef (Hoge Raad d.d. 14 maart 2008 ECLI:NL:HR:2008:AU0837), deze procedure ging over de BPM, thans wordt de steekproef voor vele belastingen gebruikt. Het Gerechtshof was het ook eens met de steekproef.
- Regels: de formele regels en voorwaarden om van een steekproef gebruik te mogen maken is niet echt duidelijk. In deze noot van de adviseur van de Hoge Raad (De AG) worden wel diverse aanwijzingen gegeven, hier is nog weinig mee gedaan. In 2020 gaf het Gerechtshof 's Hertogenbosch op 31 december 2020 (ECLI:NL:GHSHE:2020:4116) een nuttige toelichting. De steekproef moet statistisch verantwoord zijn en voor belastingplichtige controleerbaar. Dit is in de praktijk knap lastig, edoch er zijn binnen ons netwerk specialisten die de statische steekproef kunnen beoordelen. Belangrijk is dat de populatie homogeen is en op objectieve maatstaven moet worden bepaald.
- Praktijk: het is belangrijk om de steekproef door een deskundige te laten controleren (dus wat is waarom onderzocht en hoe is geselecteerd)
- Bewijslast belastingplichtige: de steekproef geeft een bewijsvermoeden. De belastingplichtige mag proberen om dit bewijs te ontzenuwen. Hiertoe moeten de resultaten - goed gemotiveerd - worden tegengesproken (in twijfel getrokken). Dit kan door een contra onderzoek of een volledig eigen boekenonderzoek van de gehele administratie. Lees voor een toelichting deze uitspraak.
- Extrapolatie: het onderzoek zal vaak over 1 jaar plaatsvinden en wordt dan ook toegepast over de andere jaren. Strikt formeel mag dit - aldus de Hoge Raad (en deze uitspraak). Beide periodes moeten dan wel op elkaar lijken qua feiten en omstandigheden (volgens de Hoge Raad en het Gerechtshof in 2016). De inspecteur moet dus met een toelichting komen over het uitsmeren van de resultaten uit jaar X over jaar X+1 of X-1. Rechters zijn erg kritisch over extrapolatie, hier valt dus nog wel iets te winnen, zie hiertoe diverse uitspraken van rechters (Rechtbank Leeuwarden d.d. 25 maart 2010, Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 28 januari 2011 en de Rechtbank Den Haag d.d. 25 oktober 2016)
- Boete: een boete bij een steekproef vereist nogal wat, deze moeten overtuigend worden aangetoond door de inspecteur, dit met een uitgebreide toelichting (en een boeterapport), zie Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Noot steekproeven en boekenonderzoeken
Wij adviseren veel ondernemers bij boekenonderzoeken en hebben meer dan voldoende ervaring met het gebruik van steekproeven. Wilt u voor of tijdens een boekenonderzoek overleg over het plan van aanpak of de mogelijkheden? Wij kunnen een steekproef simuleren en zo onregelmatigheden in uw aangiften zichtbaar maken. Hierdoor kunt u uw administratie en fiscale processen voor een onderzoek verbeteren en / of kijken of de steekproef van de Belastingdienst juist. Wij werken hierbij soms samen met externe analisten. Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak.
Bron Steekproef
Controleaanpak Belastingdienst (CAB), uitgangspunten en modellen
Vrijspraak van Belastingfraude door vertrouwen op advies belastingadviseur
De Rechtbank oordeelt tot vrijspraak van een belastingplichtige omdat hij mocht vertrouwen op het advies van zijn adviseur. Het verwijt betreft het doen van onjuiste en onvolledige aangifte inkomstenbelasting en witwassen.
Belastingfraude of onjuist advies ?
De zaak bij de strafrechtelijke procedure bij de Rechtbank gaat over het feit of een belastingplichtige op zijn adviseur mag vertrouwen en dat hierdoor geen sprake is van een strafbaarfeit dat is gepleegd door belastingplichtige. De feiten zijn de volgende:
- Een DGA is eigenaar van een tweetal onroerende zaken die worden verhuurd aan een BV waarin hij een aanmerkelijk belang heeft;
- Op grond van Nederlandse wetgeving is dan de zogenaamde ter beschikkingstellingsregeling van toepassing (heffing over huurinkomsten -/- kosten in box 1) (artikel 3:92 wet IB);
- Tot het belastingjaar 2005 wordt dit inkomen ook in box 1 aangegeven;
- Door de adviseur van de belastingplichtige (of verdachte) wordt een zogenaamde Antillenroute opgezet, waarbij een bedrijf op Curacao is opgericht. Volgens de adviseurs is de structuur niet transparant;
- Door de structuur heeft - volgens de adviseurs - de belangplichtige geen AB meer in zijn bedrijf. De verhuur zou dan plaatsvinden via Box 3 (en niet meer via Box 1). De adviseurs hebben conform de nieuwe structuur de aangiften inkomstenbelasting opgesteld en ingediend (na akkoor van belastingplichtige);
In geschil is of de belastingplichtige opzettelijk onjuist aangifte heeft gedaan door aan te geven dat de TBS regeling niet meer toepassing is. Omdat de belastingplichtige niet hoeft te twijfelen aan de deskundigheid van zijn adviseurs te twijfelen. Dat nadien blijkt dat de structuur wel transparant is en dat dus onjuiste aangifte is gedaan, is niet relevant. De belastingplichtige mag vertrouwen op de adviezen van zijn adviseur.
Noot belastingfraude en vertrouwen op adviseur
Witwassen is in veel zaken een hip en hot item. Bijna dagelijks wordt dit 'grote woord" gebruikt voor van alles en nog wat. Witwassen ziet onder meer of het verrichten van handelingen ter verhulling van de illegale herkomt van geld (of goederen). Het geld wordt als het ware teruggebracht in het maatschappelijk verkeer. Er moet dus sprake zijn van een onderliggende criminele activiteit (zoals drugshandel of illegale activiteiten). Een dergelijke criminele activiteit kan ook zijn het opzettelijk onjuist doen van aangifte. In deze casus is door de belastingplichtige niet opzettelijk onjuist aangifte gedaan, maar heeft hij het advies van zijn adviseur opgevolgd.
Bij fiscale fraude denk je niet direct aan witwassen. De Hoge Raad heeft echter in 2008 geoordeeld dat belastingfraude in beginsel ook witwassen oplevert. De belastingplichtige die opzettelijk onjuist aangifte doet en hiermee belastingen niet zou betalen, heeft de beschikking gehad over een geldbedrag (de niet afgedragen belastingen) dat afkomstig is uit een misdrijf. Het OM volgt deze route ook vrijwel altijd. Bij een verdenking (of vermoeden) van witwassen is soms niet vereist dat het onderliggende grond delict wordt bewezen. Als er voldoende feiten zijn die duiden op witwassen mag van de verdachte worden geëist dat hij met een (controleerbare / verifieerbaar) verklaring komt. Voor de liefhebber is de zogenaamde zestappen uitspraak van het Gerechtshof in Amsterdam hierbij van belang (lees ook dit artikel hierover).
Ten tijde van het indienen van de aangifte was sprake van een pleitbaar standpunt, dit moet mede worden bezien op grond van de maatstaven op dat moment en het handelen conform een advies van deskundigen. Het opzetten van een structuur - met deskundige adviseurs - is daarom niet strafbaar. De opgestelde documenten zijn ook civielrechtelijk niet vals, het betreft immers overeenkomsten waaraan gewoon uitvoering is gegeven. Dat de situatie fiscaal wordt geherkwalificeerd doet hieraan niet af. Volgens de Hoge Raad kan er ook - voorafgaand aan een misdrijf - geen sprake zijn van witwassen. De vraag is ook of er sprake kan zijn van witwassen.
De vraag is dus of een belastingplichtige altijd mag vertrouwen op zijn adviseur. Volgens de Hoge Raad (in 2009) is dit niet altijd zo. Het moet wel gaan om een deskundige adviseur. Uit diverse jurisprudentie valt het herleiden dat een belastingplichtige rechtvaardig op zijn adviseur mag vertrouwen indien:
- hij een deskundige adviseur heeft gekozen
- hij alle feiten aan de adviseur heeft verstrekt en controleert of de adviseur deze heeft meegenomen
- bij twijfel vragen stellen aan je adviseur (of vraag een second opinion)
- voor het advies van de advisrur exact uit
In de procedure wordt nog aan de orde gesteld dat de zaak wel heel lang heeft geduurd (8,5 jaar) en dat dit in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit is volgens de rechtbank niet zo. Slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden is er plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging in strijd is met artikel 6 EVRM. Er moet dan sprake zijn van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (ECLI:NL:HR:2020:1890). Van een onherstelbare inbreuk is volgens de rechtbank geen sprake. De rechtbank komt als volgt tot deze conclusie:
- De omvang en ingewikkeldheid van de zaak en de nog nader verrichte onderzoekshandelingen rechtvaardigden een enigszins langere procesduur, terwijl de rechtbank - in het stadium waarin de procedure zich thans bevindt - nog niet tot de conclusie kan komen dat er (mede door dat tijdsverloop) geen sprake meer kan zijn van een effectieve verdediging waardoor er sprake is van een onherstelbare schending van het recht op een eerlijk proces.
Al met al, je mag op een deskundige vertrouwen bij het doen van aangifte. In dergelijke gevallen kan van het opzettelijk onjuist doen van aangifte geen sprake zijn. De belastingplichtige moet zich dan wel houden aan de adviezen van de adviseur (lees de uitspraak van de Rechtbank inzake de emigrerende DJ) en moet er niet sprake zijn van een structuur zonder enig zakelijk karakter met als doel om enkel belasting in Nederland te ontgaan (Gerechtshof 2022).
Bron vertrouwen op adviseur is niet strafbaar
Hoge Raad d.d. 7 oktober 2008 ECLI:NLHR:2008:BD2774
Rechtbank Oost Brabant d.d. 27 december 2021 ECLI:NL:RBOBR:2021:6903
Hoge Raad d.d. 1 december 2020 ECLI:NL:HR:2020:1890
Hoge Raad d.d. 21 april 2020 ECLI:NL:HR:2020:572
Gerechtshof Amsterdam d.d. 11 januari 2013 ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481
Hoge Raad d.d. 13 februari 2009 ECLI:NL:HR:2009:BH2586
Gerechtshof d.d. 25 januari 2022 ECLI:NLGHSHE:2021:157
DJ
De vragenbrief van de Belastingdienst
De blauwe enveloppen van de Belastingdienst leveren vaak de nodige stress op. Als na opening blijkt dat het geen aanslag is, daalt de hartslag. Om meteen weer te stijgen, omdat het een vragenbrief blijkt te zijn.
Wat te doen bij vragenbrief Belastingdienst
De Belastingdienst krijgt bergen gegevens binnen. De belangrijkste stromen zijn de aangiften, de automatische verstrekking van gegevens door banken en de opgaven van de werkgever. Maar er is veel meer. Soms zijn die gegevens voor de Belastingdienst niet helemaal duidelijk, op het eerste gezicht tegenstrijdig of niet direct te plaatsen of te verifiëren.
Alle informatie in uw vooraf ingevulde aangifte komt binnen vanuit diverse instanties, maar er zijn natuurlijk ook allerlei systemen aan elkaar gekoppeld en de Belastingdienst kan ook klikbrieven, informatie uit het buitenland of informatie van derden ontvangen. In de nabije toekomst krijgt de Belastingdienst ook automatisch informatie van digitale platformen (vanaf 2023 / DAC 7 wetgeving) en over cryptomunten (2024 / DAC 8).
Om alles helder te krijgen, heeft de Belastingdienst vergaande bevoegdheden. De belangrijkste wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een eigen afdeling van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Die heeft dan ook een duidelijke naam: ‘ Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing’.
Alles wat van belang kan zijn voor uw eigen belastingheffing moet je aanleveren als de Belastingdienst daarnaar vraagt (artikel 47 Awr). Dat geldt ook voor derden (als ze administratieplichtig zijn) als aan hen gegevens over u worden gevraagd.
Het niet aanleveren van de gevraagde gegevens kan ernstige gevolgen hebben. Uiteindelijk kan dat leiden tot de verplichting dat u moet bewijzen dat uw aanslag te hoog is. Bijna onmogelijk. Dit nog los van de mogelijke sancties (boetes of zelf strafvervolging).
Neem de brief dus serieus!
Wat wil de Belastingdienst nu eigenlijk weten in de vragenbrief?
De vragenbrief kan zien op een specifiek element van uw aangifte, maar doorgaans is die zeer uitgebreid en betreft meerdere jaren en belastingsoorten. Bij ondernemers vaak een combinatie van inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting, aangevuld met loonbelasting en omzetbelasting.
Die brij aan gegevens levert vaak nog niet de informatie op die direct bruikbaar is. Die gegevens moeten worden uitgezocht. Om het (ook uzelf) makkelijker te maken, kunt u contact zoeken met de Belastingdienst en doorvragen wat ze nu werkelijk willen weten of onderzoeken. Dat levert gerichtere vragen en meer duidelijkheid op. Gegevens waar ze toch niets mee doen kunnen achterwege blijven. Effectiever en efficiënter. En eerder van het gedoe af.
Hulp belastingadviseur bij vragenbrief Belastingdienst
De adviseur ‘verstaat’ de taal van de Belastingdienst en kan dus doelgerichter mee de vragen beantwoorden en het kaf van het koren scheiden. De vragenbrieven lopen daarom vaak via de adviseur.
De adviseur moet er wel scherp op zijn. Deze moet toetsen wat de Belastingdienst vraagt en mag vragen. Belangrijk hierbij is of de informatie wel fiscaal relevant is.
Maar belangrijk is ook dat de adviseur naar zijn eigen rol kijkt. De adviseur heeft een vertrouwensrelatie met de klant en voelt een vertrouwensrelatie met de Belastingdienst. Dit laatste hoeft niet altijd in het belang te zijn van de klant, maar dit terzijde.
De adviseur heeft doorgaans meerdere klanten uit dezelfde branche. Dat brengt mee dat hij ook over meer informatie kan beschikken van de klant zelf. Bijvoorbeeld informatie van concurrenten, branchegegevens, gegevens van afnemers of leveranciers of boze ex-echtgenoten. Het is zeer de vraag of de Belastingdienst die gegevens mag opvragen. Het zijn immers geen gegevens van de belastingplichtige zelf (47 Awr) en de adviseur kan - juist door de vertrouwensrelatie - ook niet worden aangemerkt als een ‘echte’ derde (53 Awr).
Die vertrouwensrelatie werd in het verleden altijd gerespecteerd. De via de adviseur lopende vragenbrieven moeten dan ook heel precies worden beoordeeld of ze geen vragen bevatten inzake de gegevens en wetenschap van de adviseur. Deze moet dan op de rem trappen. Ook moet hij er alert op zijn dat hij geen eigen gegevens verstrekt uit serviceoogpunt of dat het nu eenmaal in het dossier zit.
Adviezen hoeven nooit verstrekt te worden, maar ga als adviseur ook zeer prudent om met ‘overige gegevens’. Sleep die naar de folder ‘advies’ of ‘vertrouwelijk’.
Over wie worden vragen gesteld in de vragenbrief van de Belastingdienst?
Bij ondernemers met een eigen bv komt het vaak voor dat de vragen betrekking hebben op zowel het inkomen van de ondernemer als directeur van zijn bv, als op de bv zelf. Sommige belastingambtenaren maken er dan een gewoonte van om identieke brieven te sturen aan de directeur en aan de bv. Dan wordt informatie over de bv en de directeur gevraagd onder verwijzing naar de verplichtingen van artikel 47 Awr en artikel 53 Awr, onder de toevoeging ‘voor zover van toepassing’. Bovendien wordt dan gedreigd met informatiebeschikkingen (met omkering van de bewijslast).
Daarbij wordt ten onrechte de suggestie gewekt dat de directeur als privé persoon ook verplicht is informatie te verstrekken over de bv. Dat is onjuist. De directeur is geen administratieplichtige, dus hij hoeft geen gegevens over derden (zijn eigen bv) te verstrekken (artikel 53 Awr mist toepassing).
Mogen wij u adviseren of helpen bij een vragenbrief?
Ga nooit alleen een gesprek aan en / of geef antwoorden op vragen welke volgens u onschuldig zijn. Fiscaliteit is een vak en vragen worden veelal niet zomaar gesteld. Daarnaast moet de gevraagde informatie fiscaal relevant zijn voor uw belastingheffing. Is dat niet het geval, dan rust op u niet de verplichting de gevraagde informatie te verstrekken. U zult niet de eerste zijn die veel te veel vragen heeft beantwoord en hierdoor een groot probleem veroorzaakt. Het is van essentieel belang dat de vragen goed worden beoordeeld en dat deze niet suggestief zijn en / of duiden om veel meer wetenschap (of een ander doel) bij de Belastingdienst. Vragen die berusten op het verkrijgen van fiscaal relevante feiten mogen altijd worden gesteld, maar vaak gaat het veel verder.
Als u onjuist of niet relevante vragen zou beantwoorden, levert u de inspecteur 'gratis' extra informatie, welke weer nieuwe vragen tot gevolg kan hebben. De niet relevante antwoorden welke door u zijn gegeven worden altijd gebruikt in een nader onderzoek en dit is op dat moment ook rechtens. We zien nog te vaak dat belastingplichtigen - door onwetendheid of de gedachte "ik heb niets te verbergen" - meewerken aan hun eigen 'veroordeling . Vragen staat immers vrij en antwoorden hoeft niet altijd.
Krijgt u een vragenbrief, neem dan contact op met één van onze specialisten. Die kunnen een hoop stress wegnemen, duiding geven en de beantwoording efficiënt in goede banen leiden. Ook weten onze fiscaal juristen precies welke informatie wel en niet mag worden gevraagd en kunnen zij - indien gewenst - eerst een overleg met de Belastingdienst voeren.
Bitcoin forks en belastingen
In dit artikel kijken wij naar het beleid van de Belastingdienst omtrent crypto, forks, NFT, etc. Ook zullen we ingaan op het melden (inkeren) van bitcoins die nog niet bij de Belastingdienst bekend zijn. Dit artikel is geschreven omdat wij inzage hebben gekregen in het beleid van de Belastingdienst aangaande crypto (bij een crypto fork). Wij adviseren op dit moment wekelijks belastingplichtigen met crypto, NFT's en andere digitale waarde-objecten. Dit komt met name doordat er binnenkort nieuwe wetgeving aankomt welke crypto platformen / brokers verplicht om (automatisch) informatie aan de Belastingdienst te verstrekken (DAC 8 wetgeving).
Nieuwe DAC8 wetgeving voor crypto in Nederland
Het Ministerie van Financiën heeft een wetsvoorstel ingediend om de Europese DAC8-richtlijn in de Nederlandse wet te implementeren, waarmee aanbieders van cryptodiensten vanaf 1 januari 2026 verplicht worden om gebruikersgegevens te verzamelen, controleren en delen met de Belastingdienst. Dit moet belastingontwijking en -ontduiking tegengaan. De gegevens worden jaarlijks gedeeld met andere EU-lidstaten en, door implementatie van het CARF, ook met niet-EU-landen die hieraan meedoen. Voor cryptobezitters verandert er niets; zij moeten al aangifte doen. De consultatie loopt tot 21 november, met indiening van het voorstel in het tweede kwartaal van 2025. Relevante documenten :
- Concept wettekst implementatie EU richtlijn gegevensuitwisseling crypto activa
- Concept memorie van toelichting DAC8 en gegevensuitwisseling crypto activa
- Beleidskompas formulier crypto
Standpunt kennisgroep inzake forks
In deze casus (kennisgroep belastingdienst) bezit een belastingplichtige bitcoins en heeft door een hard fork in de blockchain gratis nieuwe cryptomunten gekregen. De belastingplichtige stelt dat deze nieuwe cryptomunten niet tot het box 3-vermogen behoren, omdat hij niet van plan is ze te claimen uit angst zijn originele bitcoins te verliezen.
- De vraag is of cryptomunten verkregen uit een hard fork een bezit in box 3 vormen, ook als ze niet geclaimd zijn. Het antwoord is tweemaal "ja." De cryptomunten zijn verbonden aan de private key van de belastingplichtige en worden beschouwd als bezitting, ook als deze niet geclaimd worden. De mogelijkheid om ze later te claimen met de private key is voldoende om ze als bezit te kwalificeren.
Technisch gezien wordt bij een hard fork de blockchain gesplitst, wat resulteert in een nieuwe cryptomunt. Beide munten kunnen onafhankelijk van elkaar worden verhandeld. De waarde van de nieuwe cryptomunten moet worden aangegeven in box 3 tegen de koers op de peildatum, ongeacht of de belastingplichtige deze daadwerkelijk heeft geclaimd of niet.
- Samengevat: cryptomunten verkregen door een hard fork vormen een bezitting in box 3, zelfs als ze niet geclaimd zijn, omdat de belastingplichtige met zijn private key altijd toegang heeft tot deze munten.
De bitcoin fork
Een bitcoin fork zal mijn vader niks zeggen. Als een blokchain groot is, is het eigenlijk bijna onmogelijk om nog iets aan het protocol aan te passen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een bitcoin. Als een blokchain wordt gesplitst (differentiatie van het protocol) ontstaat iets anders. Het bekendste voorbeeld is de bitcoin cash. Een fork is een (nieuwe) afsplitsing van een bestaande blokchain van een cryptomunt. Er ontstaan dan van dezelfde blockchain twee (of meer) versies met andere regels. Voor de liefhebber, er zijn twee versies: de soft fork en de hard fork, dit laat ik maar even. Wat vindt de Belastingdienst van een fork?
Belastingdienst en cryptovaluta of NFT
De waarde van een NFT en / of crypto behoort thuis in box 3 (artikel 5.3 tweede lid wet IB 2001). Dit is anders als u er druk mee bent, dan zou het ook in box 1 kunnen behoren (werkzaamheid / onderneming). De technische ontwikkeling in deze wereld gaat veel sneller dan de ontwikkeling van de fiscale wetgeving. Na de opkomst van crypto (bekendste is bitcoin) ontstonden er digitale kunstwerken en andere NFT's. Een NFT is een digitaal bezit (via certificaat) en kan exclusief zijn. De waarde is meestal onduidelijk. De fiscale behandeling van een NFT lijkt gelijk aan die van een cryptomunt. Mits de afgesplitste fork waarde heeft, kan deze afzonderlijk worden behandeld. Maar moet je aan een fork dan ook direct een waarde toekennen? Volgens de Belastingdienst wel. In één van de eerste Kamerstukken inzake crypto (uit 2018) staat opgenomen hoe moet worden omgegaan met crypto.
Belastingdienst en bitcoin fork in aangifte inkomstenbelasting
Via een WOB-verzoek (Wet openbaarheid van bestuur) is het beleid van de Belastingdienst bekend geworden omtrent de bitcoin fork. Het bekendste voorbeeld is de bitcoin cash. Als een protocol van een cryptomunt wordt aangepast (om er meerdere van te maken of om technische aanpassingen door te voeren), moeten alle deelnemers (nodes en miners) dit ook accepteren. Het is dus niet eenvoudig. De meeste cryptobezitters hebben een eigen private key, maar beleggen via een app in crypto bij een online handelsplatform. Als ze al een sleutel hebben tot hun cryptobezit, dan wordt deze beheerd door het platform. Als deze dienstverlener (platform) de cryptomunt die is ontstaan uit de splitsing (fork) niet zou ondersteunen, komt er geen waarde toe aan de ontstane crypto. Dit erkent de Belastingdienst in onderstaand intern stuk ook. De basis voor de waardering blijft echter - volgens de Belastingdienst - wel dat er aan een fork waarde moet worden toegekend. De sleutel in de wallet van een cryptomunt geeft met een paar stappen toegang tot cryptomunt A en cryptomunt B.
Melden crypto in aangifte inkomstenbelasting
De kans dat de Belastingdienst crypto op het spoor komt is op dit moment klein. Wat wel zou kunnen is dat mensen met crypto deze omzetten in harde euro's en vervolgens een exclusieve auto of boot kopen. Ook is het denkbaar dat een (vakantie-)woning wordt gekocht. Deze besteding kan de Belastingdienst opmaken uit uw aangifte (via een zogenaamde vermogensvergelijking).
Er is nieuwe Europese wetgeving (DAC 8). Deze wetgeving zal er vanaf 2026 voor zorgen dat er een administratieve en financiële gegevensuitwisseling gaat plaatsvinden vanuit online wallets en exchanges binnen de EU met de Belastingdienst. De wetgeving gaat in het tweede kwartaal van 2025 naar de tweede kamer, de internetconsultatie is gestart. Of er ook terugwerkende kracht hieraan wordt gegeven is onduidelijk. Ook is niet bekend of exchanges buiten de EU informatie moeten uitwisselen, dit lijkt vooralsnog niet mogelijk. Wij adviseren cryptobezitters wel om deze nieuwe wetgeving voor te zijn en het cryptobezit bij de Nederlandse Belastingdienst te melden. De inkeerregeling is er feitelijk niet meer, maar als men zelf het bezit heeft gemeld, zal dit wel een strafverminderende omstandigheid opleveren. Door de nieuwe wetgeving wordt het steeds lastiger om bitcoins (crypto), NFT's, forks, stablecoins en tokens verborgen te houden. De kans op torenhoge boetes en strafvervolging neemt hiermee enorm toe.
Noot fiscaal jurist inzake crypto
Steeds meer crypto- en NFT-bezitters melden zich via ons bij de Belastingdienst. Dit komt met name door de aanstaande DAC 8 wetgeving. Neem gerust contact op met één van onderstaande specialisten voor een adviesgesprek. De waarde die moet worden opgegeven is de waarde per 1 januari van het belastingjaar. Een screenshot op 1 januari maakt het erg eenvoudig, vaak is terugzoeken erg lastig. In Nederland gevestigde cryptobrokers zijn bij de Nederlandse bank geregistreerd en deze brokers zullen dus als eerste informatie met de Belastingdient gaan uitwisselen.
Bron crypto NFT en fork
Kamerstuk 31 mei 2018 nummer 34775 AA
Vertrouwen in de Belastingdienst
Vertrouwen op en verdedigen tegen de Belastingdienst
De laatste jaren wordt steeds duidelijker hoe machtig de Belastingdienst is en hoe die macht kan ingrijpen in het dagelijks leven. Het is dan ook goed dat er een minister voor rechtsbescherming is. Nu de vorige minister vooral de overheid tegen de (mondige) burger leek te beschermen, is het aan de huidige minister (Franc Weerwind) pal te staan voor de rechten van de burger (hij heeft zijn naam in elk geval mee). De (bescherming tegen de) Belastingdienst zal hoog op zijn lijstje staan.
Rechtsbescherming in Nederland
Op papier lijkt het in Nederland goed geregeld met de mogelijkheid tot bezwaar, inzage in het dossier en het recht te worden gehoord en over alle stukken te mogen beschikken. De praktijk blijkt vaak weerbarstiger. Eén van de belangrijke elementen van rechtsbescherming is, dat je de overheid (Belastingdienst) moet kunnen vertrouwen, het vertrouwensbeginsel. Dat beginsel vindt de Belastingdienst zelf ook belangrijk en staat uitvoerig op de website.
De Nederlandse rechtsbescherming moet verder gaan dan de Europese
In welke omstandigheden op de Belastingdienst mag worden vertrouwd en wanneer dat vertrouwen kan worden opgezegd is aardig ontwikkeld in de uitspraken van de Hoge Raad.
Voor de belastingen die worden geregeerd door Europees recht (denk vooral aan omzetbelasting) geldt echter niet het Nederlandse vertrouwensbeginsel, maar het Europeesrechtelijke vertrouwensbeginsel. Dat laatste kan aanzienlijk beperkter zijn. Het gaat immers om geld dat (deels) direct in de Europese kas vloeit, en daar zijn ze dol op.
Een beroep op het Europeesrechtelijke vertrouwensbeginsel wordt dan ook minder snel gehonoreerd dan een beroep op het Nederlandse vertrouwensbeginsel. Dat heeft te maken met een aantal factoren.
- Zo wordt onder andere uitgegaan van een professionele en behoedzame belastingplichtige en geldt een zware onderzoeksplicht (in Nederland wordt minder streng en individueel getoetst).
- Maar het belangrijkste verschilpunt is, dat het vertrouwensbeginsel in het Europese recht niet de wet opzij kan zetten. Dat kan onder Nederlands recht wel (de zogenoemde contra legem werking). Dat betekent in wezen dus dat, als uit de wet (lees: Europese Verordening) volgt dat er belasting verschuldigd is, die ook betaald moet worden, ongeacht wat de Belastingdienst heeft toegezegd, beloofd, gedaan of nagelaten.
Dat was voor de Belastingdienst aanleiding om te stellen dat het vertrouwensbeginsel helemaal niet meer werkt in de omzetbelasting. Daar waar de andere bestuursrechters juist neigen naar meer rechtsbescherming van de burger, wil de Belastingdienst juist minder. Die gedachte heeft de Hoge Raad echter afgeserveerd.
Het recht om je te verdedigen tegen de Belastingdienst moet niet worden beperkt
Een ander belangrijk aspect ter rechtsbescherming van de belastingplichtige is het recht om jezelf te verdedigen tegen de Belastingdienst. Een belangrijk aspect is het recht te worden gehoord. Uit de Europese jurisprudentie volgt dat dit recht heilig is (maar wel met een belangrijke beperking).
In de kern is er een stappenplan. Als de Belastingdienst een (van de aangifte afwijkende, hogere) aanslag wil opleggen, moet je vóór het vaststellen daarvan de gelegenheid krijgen om te reageren op de door de Belastingdienst gebruikte feiten en redenen om die aanslag op te leggen. Heb je dat niet gehad, dan is het Europese verdedigingsbeginsel beperkt. Maar – hier volgt de beperking – je hebt er pas iets aan als vaststaat dat, als je wel gehoord zou zijn, dit dan had kunnen leiden tot een andere afloop (lees: een lagere aanslag).
Ook heeft de Belastingdienst nog de mogelijkheid aan te voeren dat er een rechtvaardiging is voor het niet vooraf horen (bijvoorbeeld het risico van verduistering).
Als u (in een zaak die geregeerd wordt door Europees recht; vb. omzetbelasting) niet bent gehoord, dat horen tot een lagere aanslag zou kunnen leiden en er geen rechtvaardiging is, gaat de aanslag van tafel.
Boete en cautie
Boekenonderzoeken en andere controles leiden vaak tot fiscale boetes. Indien daarvan sprake is of dreigt te worden, dient de Belastingdienst u te wijzen op uw zwijgrecht (de cautie te geven). De Hoge Raad oordeelt dat de cautie moet worden gedaan in alle gevallen waarin - anders dan schriftelijk - vragen worden gesteld die betrekking hebben op een boete.
Soms wordt de cautie tussen neus en lippen door gegeven. Wees daar alert op. Het niet geven van de cautie is echter niet per definitie fataal voor de opgelegde boete. Het blijft zonder gevolg als u niet in uw belangen bent geschaad. Bijvoorbeeld: uw antwoord is niet van belang voor de beslissing. Ook kunnen er ook nog andere bewijzen tegen u zijn dan alleen uw verklaring.
Vertrouwensbeginsel bij juist invullen formulieren belastingdienst
Vertrouwen is goed en controleren is beter. De basis van het vertrouwensbeginsel is dat een belastingplichtige de belastingdienst moet kunnen vertrouwen en hij of zij ervan mag gaan dat er zorgvuldig wordt gehandeld. Tevens kan de belastingdienst (de inspecteur) niet terugkomen op eerdere handelingen. In een casus bij het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 31 januari 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:269) ging het om een in België wonende pensionado met pensioen uit Nederland en België (buitenlands belastingplichtig). De heer X vroeg keurig elk jaar een vrijstellingsverklaring in Nederland aan zodat er geen loonbelasting en premies volksverzekeringen worden ingehouden over zijn pensioenuitkering. In deze verklaring is geen ruimte om aan te geven dat er ook pensioen in het woonland (België) wordt betaald. De inspecteur trekt de verklaring per 2018 in en legt over 2014 tot en met 2017 navorderingaanslagen op. Partijen zijn het er over eens dat bij een juiste opgave Nederland inderdaad had mogen heffen, edoch de heer X heeft alles keurig opgegeven en ingevuld en mocht er dan ook op vertrouwen dat er niks aan de hand was. Volgens de inspecteur had de heer X (of zijn fiscalist) moeten weten dat de Nederlandse vrijstellingsbeschikking fout zou moeten zijn, dus de heer X mag er op vertrouwen maar dit vertrouwen is niet gerechtvaardigd (aldus de inspecteur). Volgens het Gerechtshof ligt dit anders, de heer X mag op de vrijstellingsverklaring vertrouwen, dit vertrouwen is ook gerechtvaardigd omdat:
- de toezegging is niet in strijd met een juiste wetstoepassing welke de belastingplichtige had moeten weten of beseffen
- de belastingplichtige mocht in redelijk vertrouwen op de uitlatingen van de belastingdienst
- de belastingdienst moet de toezegging hebben gedaan op grond van alle relevante feiten en omstandigheden.
Het Gerechtshof was het dus met de heer X eens. De Hoge Raad d.d. 24 oktober 2025 ECLI:NL:HR:2025:1618 vraagt eerst de AG om advies (d.d. 22 november 2024 ECLI:NL:PHR:2024:1255). Volgens de AG ligt de zaak vrij simpel, de heer X heeft het aanvraagformulier juist en volledig ingevuld en hij mag er dan op vertrouwen dat alle relevante informatie is verstrekt. Volgens de AG was er voor de heer X geen aanleiding om te denken (of veronderstellen) dat hij informatie over de feitelijke heffing in België moest verstrekken, hierover werden immers geen vragen gesteld. Van de heer X hoeft niet worden verwacht dat hij de Nederlandse Belastingdienst onderwijs gaat geven over het Belgische belastingrecht. Dat de belastingdienst een vraag over de belastingheffing in België niet opneemt in het formulier komt voor rekening van de Nederlandse belastingdienst.
Waar kunnen wij u mee helpen?
Op de Belastingdienst moet je kunnen vertrouwen. Als dat vertrouwen is beschaamd, dient dat als uitgangspunt te leiden tot een lagere aanslag, tenzij er een rechtvaardiging of Europese belemmering is. Ook moet je steeds in staat worden gesteld om jezelf adequaat te verdedigen. Helaas vergt de rechtsbescherming tegen de Belastingdienst steeds meer specialisatie in een tijd waarin de rechtsbescherming juist moet worden opgeschroefd. Wij overleggen en procederen dagelijks tegen de Belastingdienst, kennen de regels, de mogelijkheden en de onmogelijkheden. Heeft u problemen met de Belastingdienst, neem dan vrijblijvend contact met ons op.
Bron bij ‘Vertrouwen op en verdedigen tegen de Belastingdienst’
Belastingdienst, vertrouwensbeginsel
Dubbel boeten voor hetzelfde feit
Dubbele bestraffing niet toegestaan
U staat niet te applaudisseren als u een boete krijgt. Het lijkt zo simpel: voor één daad kun je niet twee keer worden bestraft. In het belastingrecht is dat echter niet altijd erg duidelijk. Het moet namelijk wel gaan om hetzelfde feitencomplex. Een ondernemer heeft over 2014 tot en met 2018 elk jaar teveel btw teruggevraagd. Daarvoor wordt hij zowel door de belastingrechter als door de strafrechter 'geknipt en geschoren'.
Strafrecht én belastingrecht
Bij de ondernemer vindt een boekenonderzoek plaats. Hij voelt al nattigheid en meldt aan de vooravond van dat onderzoek dat er fiscaal wat is misgegaan. Aanvankelijk gaat het boekenonderzoek over 2014 tot en met 2017, maar dat wordt uitgebreid met 2018. De jaren 2014 - 2017 worden overgedragen aan justitie voor strafrechtelijke vervolging. Dat levert de ondernemer 240 uur werkstraf op en 6 maanden voorwaardelijke celstraf.
Voor 2018 gaat de zaak niet naar justitie, maar legt de Belastingdienst een boete op van 50% van de te weinig geheven belasting. De ondernemer voelt zich dubbel gepakt en stelt bij de belastingrechter (2018) dat hij al strafrechtelijk is veroordeeld voor hetzelfde feit. Hij ziet de te hoge terugvragen als één – doorlopende - gedraging. De rechtbank is daar snel klaar mee.
- Fiscaal staat ieder jaar op zich en de ondernemer heeft steeds de keuze gemaakt om (weer) teveel terug te vragen. Geen eenzelfde gedraging dus. Dus niet twee keer gestraft voor hetzelfde.
Fiscale boete of verbeurdverklaring
Een (fiscale of geld) boete is niet aftrekbaar (artikel 3.14 lid 1 onder c Wet IB). Het kan namelijk niet zo zijn dat een straf minder pijn doet doordat de boete aftrekbaar is. Ook boetes, kosten en lasten die hiermee (of met een misdrijf) samenhangen zijn niet aftrekbaar (mits belastingplichtige onherroepelijk is veroordeeld). Uit de wet, de wetsgeschiedenis en enkele uitspraken van rechters volgt echter wel dat verbeurdverklaringen gewoon aftrekbaar zijn. De verbeurdverklaring is een straf (sanctie) in het strafrecht waarbij de rechter bepaalt dat de belastingplichtige de (veroordeelde) eigendom over een voorwerp (of geld) verliest en waarbij de staat die eigendom verkrijgt. Als het voordeel wordt belast en dit voordeel wordt afgenomen dan is het (financieel) logisch dat dit aftrekbaar is (artikel 3.14 lid 3 wet IB). Aftrek zal plaatsvinden in het jaar waarin de ontneming feitelijk heeft plaatsgevonden. Tot zover is het helder.
In een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 15 mei 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3208) oordeelde deze belastingkamer echter anders. Het Gerechtshof stelde dat de verbeurdverklaring - onder omstandigheden - niet aftrekbaar was omdat deze samenhangt met criminele kosten (artikel 3.14 lid 1 onderdeel d wet IB). Dit is echter "onder omstandigheden". Omdat de Hoge Raad er verder niks mee deed is het nog gissen hoe dit moet worden gezien. Het lijkt erop dat een verbeurdverklaring niet aftrekbaar is deze moet worden gezien als een (punitieve) straf of sanctie. Een normale verbeurdverklaring (ontnemingsactie) is dus gewoon aftrekbaar omdat deze moet worden gezien als de voldoening van straf (geldbedrag).
Geen dubbele boete over hetzelfde tijdvak
Een boekenonderzoek gaat doorgaans over meer jaren. Dat brengt mee dat de Belastingdienst in wezen vrij is om dubbel te vervolgen. Het ene jaar door een fiscale boete en het andere jaar strafrechtelijk. Had de Belastingdienst ook voor 2014 - 2017 een boete opgelegd, dan zou die van tafel zijn gegaan. De fiscale boete 2018 zou ook van tafel zijn gegaan als dat jaar ook strafrechtelijk zou zijn meegenomen.
Belastingboete steeds dubbelop?
Zoals gezegd gaan boekenonderzoeken vaak over meer jaren. Dan wordt elk jaar apart een boete opgelegd (meestal 50% van de te lage belasting). Ondanks het feit dat het steeds om dezelfde fout kan gaan (u meent bijvoorbeeld dat bepaalde omzet in het lage btw-tarief valt), is dat geen aanleiding reeds daarom een boete op te leggen (voor één of meer jaren).
Ook de belastingrechter voelt wel aan dat de ondernemer in wezen wel dubbel wordt gepakt. Hij weegt de elementen:
- Twee keer bestraft, zonder goede reden waarom het uit elkaar is gehaald; en
- Hetzelfde feitencomplex weegt mee bij de beoordeling van de hoogte van de boete en of die in verhouding staan tot het met de vergrijpboete te dienen doel.
Conclusie van de rechter, een lagere boete (vermindering met 10%) is passend en geboden.
Waarmee kunnen wij u helpen?
Boetes blijken lastig te aanvaarden, zeker als het gevoel heerst dubbel te worden gestraft. Deze uitspraak van de belastingrechter valt binnen de bestaande kaders. Toch wringt er iets. Kennelijk heeft de Belastingdienst de (ongemotiveerde) keuze dat óf het ene traject (belastingboete) wordt ingezet, óf het andere (strafrecht) te volgen, óf allebei.
Van de Belastingdienst mag meer worden verwacht. Zeker bij ingrijpende keuzes als het al dan niet strafrechtelijk vervolgen. Nog steeds mag de Belastingdienst kiezen, maar als deze kiest voor beide trajecten, moet dat grondig worden gemotiveerd. Zeker als het om hetzelfde feitencomplex gaat. Daartoe is in deze zaak des te meer aanleiding, omdat het lastig voorstelbaar is dat de strafrechter een (nog) zwaardere straf had opgelegd als ook 2018 was meegenomen. Dat zou de ondernemer € 13.000 hebben gescheeld.
Loopt er bij u een boekenonderzoek of zijn er al boetes opgelegd of strafrechtelijke vervolging ingesteld, neem dan direct contact met ons op. Dat kan de schade aanzienlijk beperken.
Jurisprudentie bij ‘Dubbel boeten voor dezelfde fout’
Rechtbank Zeeland - West-Brabant, 8 december 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:6302
Hoge Raad, 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0087
Gerechtshof Amsterdam, 26 maart 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AE7504
RA
Fiscaliteit bij sanering of faillissement
Wij adviseren regelmatig ondernemingen in zwaar weer, dit veelal in combinatie met een advocaat. Hierbij wordt gekeken naar de mogelijkheden en onmogelijkheden. Bij een eerste beoordeling wordt gekeken naar de mogelijkheden van een verkoop, doorstart, sanering of een akkoord. Heeft u vragen, neem gerust contact op met één van onderstaande specialisten.
Als uw bedrijf in zwaar weer zit of continuiteïtsproblemen heeft, gaat u vaak in overleg met uw advocaat. Naast juridische aandachtspunten zijn er ook fiscale aandachtspunten bij (rechts-)personen in zwaar weer. In dit artikel gaan we - op grond van diverse adviseringen - dieper in op de fiscale aandachtspunten.
Woo verzoek kwijtscheldingsverzoeken Belastingdienst
In maart 2025 is meer inzicht verkregen over de interne behandeling van sanerings- en kwijtscheldingsverzoeken bij de Belastingdienst. Via een Woo verzoek is de volgende informatie bekend geworden:
- Overzicht saneringen in 2023 en 2024
- Verzoek kwijtschelding van belastingen en premies voor ondernemingen
- Handelingsperspectieven voor ondernemers met en zonder coronal uitstel na 1 april 2022
- Tijdelijke instructie saneringen
Uitbreiding saneringsregeling belastingdienst tot 1 april 2024
In deze onzekere tijden biedt de Belastingdienst een helpende hand aan ondernemers die worstelen met belastingschulden en andere financiële verplichtingen. Een belangrijke versoepeling van de voorwaarden voor het sluiten van een saneringsakkoord is verlengd tot 1 april 2024. Dit artikel licht toe wat deze versoepeling inhoudt en hoe u als ondernemer hier gebruik van kunt maken.
- Wat is een saneringsakkoord?Een saneringsakkoord stelt ondernemers in staat om met hun schuldeisers overeen te komen dat slechts een deel van de schulden betaald hoeft te worden. Dit biedt een uitweg voor ondernemers die hun belastingschuld en andere schulden niet kunnen voldoen.
- Versoepeling voorwaarden tot 1 April 2024: - Normaal gesproken vereist de Belastingdienst een dubbel uitkeringspercentage van wat andere schuldeisers ontvangen. Echter, tot 1 april 2024 is een gelijk uitkeringspercentage voldoende. Deze versoepeling vergroot de kans dat ook andere schuldeisers akkoord gaan met het saneringsvoorstel.
- Hoe dien je een verzoek om schuldsanering in? Voor ZZP'ers en eenmanszaken: Neem contact op met uw gemeente voor het opstarten van een minnelijk schuldsaneringstraject. Voor rechtspersonen: Regel zelf een saneringsakkoord met uw schuldeisers en dien een verzoek tot kwijtschelding van belasting in bij de Belastingdienst.
- Wat als niet alle sSchuldeisers akkoord gaan? - Mocht niet iedere schuldeiser instemmen met uw betalingsvoorstel, dan biedt de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA) een mogelijkheid om alsnog een schuldregeling te treffen.
- Actie vereist vóór 1 April 2024: Zorg ervoor dat uw verzoek om deelname aan een saneringsakkoord vóór deze datum is ingediend. U heeft daarna nog 90 dagen de tijd om uw verzoek volledig in te vullen.
- Conclusie: De Belastingdienst erkent de voortdurende impact van de coronacrisis op ondernemers en biedt daarom deze versoepeling aan. Het is een cruciale kans voor ondernemers om hun financiële situatie te stabiliseren en een weg naar herstel in te slaan. Maak gebruik van deze mogelijkheid en neem de nodige stappen om uw schuldenlast te verlichten.
- Nuttige links: Ik kan mijn schulden niet betalen? Hoe werkt een minnelijke regeling? Kwijtschelding belastingen voor ondernemers Hoe werkt de WHOA?
Juridische aandachtspunten bij sanering of faillissement
De belangrijkste juridische en praktische aandachtspunten zijn de volgende:
- Ga geen verplichtingen aan waarvan men weet of behoort te weten dat de bv die verplichtingen niet kan nakomen (juridisch wordt dit de Beklamel-norm genoemd);
- Zorg voor een actueel liquiditeitsoverzicht en een bijgewerkte administratie;
- Zorg dat de boekhouding altijd netjes is bijgewerkt en dat daaruit te allen tijde de rechten en plichten van alle bv's afzonderlijk zijn op te maken (artikel 2:9 BW);
- Deponeer jaarlijks tijdig uiterlijk 10 maanden en 8 dagen na einde boekjaar de vennootschappelijke publicatiejaarrekeningen van alle bv’s bij de KvK (artikel 2:248 BW);
- Meld in voorkomende gevallen tijdig en op de goede wijze betalingsonmacht aan bij Belastingdienst, UWV en / of pensioenfonds, hierover later meer;
- Maak geen gebruik van 2:403 BW-verklaringen;
- Zorg ervoor dat er geen (grote) intercompany-vorderingen ontstaan door maandelijks interne facturen toch gewoon te betalen en / of door maandelijks rekening-courantoverzichten tussen bv’s al dan niet met cessie te ondertekenen. Mail of fax deze getekende rekening-courantoverzichten (bewijslast inzake data);
- Let op rekening-couranten tussen de bv en de DGA in privé (meeslepen eigenaar);
- Vermijd borgstellingen;
- Vermijd compte-jointes bij banken. Regel financieringen per bv.
Betaal tijdig en als eerste de Belastingdienst, zodat in geval van een faillissement van één bv de andere bv’s daar zo min mogelijk hinder van ondervinden via de fiscale eenheid, tenzij er regelingen zijn getroffen (bijvoorbeeld coronamaatregelen inzake uitstel van betaling).
Fiscale aandachtspunten bij sanering of faillissement
Naast de hierboven genoemde juridische en algemene aandachtspunten zijn er ook nog een aantal fiscale aandachtspunten welke u in acht moet nemen, de belangrijkste zijn:
- Melding betalingsonmacht. Bestuurders van een rechtspersoon zijn in privé aansprakelijk als de rechtspersoon onbetaald gelaten belastingschulden achterlaat (artikel 36 invorderingswet). Dit geldt met name voor de loonheffingen, omzetbelasting en accijnzen. Dit geldt niet indien er tijdig betalingsonmacht wordt gemeld. Deze melding kan digitaal plaatsvinden en moet binnen twee weken na de vervaldag van de belastingaanslag plaatsvinden. Is de melding tijdig, dan ligt de bewijslast voor onbehoorlijk bestuur bij de Belastingdienst (veelal geen aansprakelijkheid). Binnen de coronamaatregelen is een soepel beleid opgenomen voor betalingsproblemen tijdens de coronatijd (2020 - 2021). Voor deze schulden wordt automatisch aangenomen dat er een melding betalingsonmacht heeft plaatsgevonden.
- Crediteurenakkoord / sanering: een akkoord kan onderhands of via een faillissement (of surseance) plaatsvinden. Een onderhands akkoord zal meestal voor een bepaalde groep crediteuren plaatsvinden. De Belastingdienst werkt niet vlot mee aan een schuldeisersakkoord, de voorwaarden voor een akkoord met de Belastingdienst (artikel 26 Leidraad invordering) zijn: (a) alle crediteuren gaan akkoord; (b) Belastingdienst krijgt dubbele van crediteur; (c) substantieel deel belastingschulden wordt voldaan; (d) Belastingdienst ontvangt meer dan bij een executie; (e) onderneming heeft perspectief voor de toekomst. Deze voorwaarden zijn iets soepeler geworden onder de nieuwe WHOA-wetgeving (artikel 73 (3a) Leidraad invordering).
- Kwijtscheldingswinst: bij een kwijtschelding door een crediteur ontstaat er winst. Deze winst is veelal vrijgesteld (kwijtscheldingswinstvrijstelling ex artikel 8 Wet VPB). De bestaande verliezen binnen de bv komen wel voor dit deel te vervallen.
- Fiscale eenheid en kwijtschelding: als de rechtspersoon deel uitmaakt van een fiscale eenheid voor de Vennootschapsbelasting (of als er de laatste 6 jaar met stille reserves is geschoven), is de kwijtscheldingswinstvrijstelling niet altijd van toepassing (artikel 15ac Wet Vennootschapsbelasting).
- Verliescompensatie: de verliescompensatie wordt verminderd met de winst op de vrijval van crediteuren. Als er een aandeelhouderswisseling (toetreding) gaat plaatsvinden van 30% of meer, kan de verliescompensatie komen te vervallen, temeer als de ondernemingsactiviteiten in de slechte periode sterk teruglopen. Hou dus - indien mogelijk - de ondernemingsactiviteiten in stand.
- Correctie vooraftrek btw: als een crediteur een deel van de vordering zou kwijtschelden, moet de hiermee samenhangende btw aan de Belastingdienst worden terugbetaald (artikel 29 lid 7 Wet Omzetbelasting).
- Fiscale eenheid omzetbelasting: bij een fiscale eenheid voor de omzetbelasting zijn de verbonden bv's (rechtspersonen) mede aansprakelijk voor een btw-schuld. De Belastingdienst kan dus btw-vorderingen van de slecht draaiende bv ophalen bij verbonden bv's. Denk hierbij mede aan de correctie vooraftrek btw (dus de btw die moet worden betaald door een kwijtschelding door crediteuren).
- Fiscale eenheid vennootschapsbelasting: bij een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting kunnen er grote problemen ontstaan. Een failliete bv blijft onderdeel van de fiscale eenheid. Doordat crediteuren niet worden betaald, ontstaat er winst die bij de moeder in aanmerking moet worden genomen, zie hiertoe ondermeer Hoge Raad d.d. 10 september 2010. Dit wordt niet opgelost via de hiervoor onder ad 3 genoemde kwijtscheldingswinstvrijstelling.
- Liquidatieverlies: een verlies bij de moeder (aandeelhouder) kan pas worden genomen als het faillissement is geëindigd, op dat moment kan de liquidatie worden voltooid. Via een turboliquidatie kan dit worden opgelost, dit is echter maatwerk. Het verlies is gelijk aan de aankoopprijs van de aandelen of het gestorte kapitaal (soms ook de leningen aan de bv, deze worden door de Belastingdienst vaak niet geaccepteerd omdat deze als onzakelijke leningen worden gezien).
- Bodembeslag van de Belastingdienst: de Belastingdienst kan eenvoudig beslag leggen op alle zaken die zich op de bodem van de ondernemer bevinden, ook als iemand anders eigenaar hiervan is. Dit recht gaat zelfs boven het (bezitloos) pandrecht van de bank. Operational lease valt hier niet onder. Heeft u bodemzaken aan de onderneming geleverd, maak hiervan dan melding bij de Belastingdienst (artikel 22bis Invorderingswet). Voorbeeld van bodemzaken zijn: machines, inventaris en computers. Auto's, vrachtwagens en voorraden zijn veelal geen bodemzaken. Het moet altijd gaan om roerende zaken. Bepaalde machines zullen wellicht onroerend zijn geworden, deze vallen niet onder bodemzaken. Geen enkel Europees land kent een dergelijk bodemvoorrecht, we zouden dit eigenlijk moeten afschaffen, zodat ondernemingen meer kans van slagen hebben als ze in financiële problemen zouden komen.
Coronamaatregelen en positie Belastingdienst
Bij een faillissement zijn er 4 soorten vorderingen, dit zijn:
- Boedelvorderingen (eerste in rang): dit zijn ondermeer de kosten van de curator, dus na faillissement. Maar bijvoorbeeld ook huurschulden of schulden van adviseurs die na faillissement worden ingeschakeld.
- Preferente vorderingen (tweede in rang): dit zijn bijvoorbeeld pensioenfondsen, UWV en de Belastingdienst.
- Concurrente vorderingen (vierde in rang): de restgroep.
Naast bovenstaande schuldeisers zijn er ook nog zogenaamde separatisten, denk hierbij aan bancaire instellingen en overige schuldeisers met een pandrecht of hypotheekrecht. Een vordering van een separatist blijft bij faillissement altijd in stand, los van het faillissement. De tussenkomst van een curator is voor de separatist niet van belang.
De Belastingdienst heeft aangegeven om bij bedrijven met financiële moeilijkheden soepel te kijken naar de schulden en een eventueel schuldeisersakkoord. Normaal gesproken staat de Belastingdienst vooraan (preferente schuldeiser, 2x zoveel als concurrente schuldeiser) in de spreekwoordelijke rij. In de nieuwe situatie zal de Belastingdienst (tijdelijk) genoegen nemen met hetzelfde percentage als een concurrente schuldeiser. Dit beleid zal gelden tot en met 31 december 2023. Bij een faillissement zal de Belastingdienst haar preferente positie wel behouden.
Oplossingen in de praktijk bij een onderneming in zwaar weer
- Overweeg om activiteiten te splitsen en eventueel nieuwe opdrachten buiten de structuur onder te brengen, doe dit in overleg met een advocaat op een pauliana te voorkomen.
- Bekijk eens of het mogelijk is of schulden kunnen worden omgezet in aandelenkapitaal. Alternatief is dat de crediteur de kwijtgescholden vordering omzet in een achtergestelde lening. Bij een aandeelhouderswisseling van meer dan 30% komt soms het compensabele verlies te vervallen, let hierop.
- Bekijk of het mogelijk is dat een mogelijke koper de schulden (en zekerheden) van de bancaire instelling overneemt en vervolgens de onderneming langzaam saneert.
- Overweeg om een slecht draaiende bv uit de fiscale eenheid voor de omzetbelasting te ontvoegen. Dit in verband met mogelijke interne aansprakelijkheden voor de correctie vooraftrek btw. Dit moet ruim voor de insolventie plaatsvinden en moet ook schriftelijk aan de inspecteur worden gemeld (artikel 43 invorderingswet). Ontvoeging kan tot complicaties aanleiding geven, laat u hierover adviseren.
- Ontvoeg de slecht draaiende bv uit de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, dit om te voorkomen dat er winst ontstaat bij de moedermaatschappij als crediteuren niet worden betaald (vermogenswinst). Probleem is dat er snel sprake is van een ontvoeging in het zicht van ellende (liquidatie). Schulden van de te ontvoegen bv moeten gewaardeerd worden op de lagere waarde (artikel 15aj Wet Vennootschapsbelasting).
- Crediteuren die de vordering niet geheel voldaan krijgen kunnen een deel van de btw terugvragen. Bij een omzetting in aandelen kan de omzetbelasting niet worden teruggevraagd.
Waar kunnen wij ondernemers met continuïteitsproblemen mee helpen?
Ons team helpt regelmatig ondernemers in zwaar weer. In overleg met een advocaat wordt dan gekeken naar de mogelijkheden en onmogelijkheden van een sanering, doorstart of verkoop. Wij zullen hierbij diverse gesprekken met schuldeisers, banken en de Belastingdienst overnemen en volgens een stappenplan proberen rust in de onderneming te krijgen zodat er tijd is voor de juiste en passende beslissingen.
DJ
Belastingadviseurs op zwarte lijst
De Belastingdienst heeft een zwarte lijst die nooit had mogen worden opgesteld. Omtrent deze lijst en de gevolgen wordt veel geschreven. Steeds vaker krijgen wij verzoeken om particulieren en ondernemers te helpen bij problemen die hierdoor ontstaan. Dat de Belastingdienst nooit persoonsgegevens had mogen verwerken in de Fraude Signalering Voorziening (FSV / zwarte lijst) staat wel vast. Ook worden de regels van de AVG door de Belastingdienst met voeten getreden. Naar nu blijkt staan er ook ruim 200 belastingadviseurs op de lijst (artikel 1 vandaag oktober 2021).
Als iemand op de FSV lijst staat mag de inspecteur gewoon een onderzoek instellen, dit is in meerdere uitspraken duidelijk geworden. Lees hier bijvoorbeeld een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam uit 2023. Aandachtspunt om te onderzoeken is dan wel dat de melding op de FSV lijst niet de aanleiding is geweest om een onderzoek in te stellen. Hiertoe kan een dossierinzage curciaal zijn. Als hieruit volgt dat er sprake is van een risicoselectie, een verwerking van persoonsgegevens in een databank of een gebruik van een databank waarin persoonsgegevens zijn opgeslagen, kunnen de kaarten anders liggen en kan sprake zin van schending van grondrechten.
CAF-onderzoek naar 200 belastingadviseurs
Binnen de Belastingdienst is een speciaal team bezig om boefjes in kaart te brengen, het zogenaamde Combinatieteam Aanpak Facilitators (CAF). Binnen dit team worden ondermeer accountants en belastingadviseurs die verdacht worden van fraude (terecht) stevig aangepakt. Dit ging veelal om belastingadviseurs die aangiften inkomstenbelasting verzorgden. Als er meer aftrekposten werden opgevoerd dan het gemiddelde, kon dit een aanleiding zijn om een belastingadviseur op deze lijst te plaatsen. Het CAF-team ging vervolgens in overleg met het Openbaar Ministerie en / of de FIOD. Een enkel 'vermoeden' was genoeg voor een nader onderzoek of een inval. Voor belastingadviseurs is er geen aparte regeling (voor gedupeerden in de toeslagen affaire wel).
Kamervragen over belastingadviseurs op zwarte lijst
Staatssecretaris Van Rij heeft antwoorden gegeven op Kamervragen over belastingadviseurs op deze zwarte lijst. Het gaat blijkbaar om 218 belastingadviseurs waarbij mogelijke fraude voor de inkomstenbelasting is onderzocht. Het hoofddoel van het CAF team, 'detecteren, analyseren, onderzoeken en stoppen van fraude', is een goede zaak. Hoe het CAF-team een belastingadviseur op de lijst heeft gezet is niet helemaal duidelijk. Om meer duidelijkheid te krijgen, heeft de staatssecretaris aangekondigd een extern onderzoek te laten instellen (lees Kamervragen 21 februari 2022).
Noot fiscaal jurist inzake zwarte lijst met belastingadviseurs
Dat er controle moet zijn op malafide belastingadviseurs is helder. Dat dit onderzoek zorgvuldig moet plaatsvinden ook. Kennelijk is er door het CAF-team gekeken naar aangiften waarop evenredig veel aftrekposten stonden. Vervolgens wordt gekeken naar de belastingadviseur die deze aangifte heeft ingediend. Als deze belastingadviseur meer aangiften met evenredig veel aftrekposten zou hebben ingediend, werd er een onderzoek opgestart. De Belastingdienst ging dan in overleg met het Openbaar Ministerie. Als er na een onderzoek werd geconcludeerd dat er sprake is van strafbare feiten (of een redelijk vermoeden tot een strafbaar feit), wordt besloten tot het aanpakken van de belastingadviseur. Vorenstaande - kennelijk - conform het protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten (AAFD). De centrale vraag is nu of dergelijke onderzoeken zorgvuldig zijn verricht en belastingadviseurs terecht zijn aangepakt. In diverse weekverslagen van het CAF wordt duidelijk dat de onderzoeken soms met een tunnelvisie worden uitgevoerd. Ook de FIOD zat strak op frauderende belastingadviseurs (bericht 2017). Dit werkte vrij eenvoudig, aangiften met bijvoorbeeld veel ziektekosten worden op grond van een algoritme uit het systeem gegooid en onderzocht. Vervolgens wordt gekeken naar een beconnummer (exclusief nummer van een belastingadviseur die de aangifte had ingediend) of het IP-adres van waaruit de aangifte inkomstenbelasting is verstuurd. Deze informatie wordt vervolgens uitgewisseld tussen verschillende overheidsorganen. Het probleem is dat een algoritme nog niks zegt over de juistheid van een ingediende aangifte, edoch door deze handelswijze werden belastingplichtigen en hun adviseurs wel in een verdachtenbankje gezet. De procedure bij de rechter wordt dan in gang gezet op grond van gemiddelden, schattingen, extrapolatie, vooroordelen en vage verklaringen, dit in combinatie met algoritmen en statistieken. Zo mag het fiscale recht niet werken, dit moet op grond van een grondig onderzoek, feiten en bewijzen. Wil vorenstaande zeggen dat alle belastingadviseurs deugen? Zeker niet, het is goed dat malafide belastingadviseurs worden aangepakt, maar dan wel op grond van degelijke onderzoeken en feiten. Bij de Belastingdienst moeten fiscalisten naar dossiers kijken en geen wiskundigen spelen.
De zwarte lijst van de Belastingdienst
Als iemand op de FSV lijst staat mag de inspecteur gewoon een onderzoek instellen, dit is in meerdere uitspraken duidelijk geworden. Lees hier bijvoorbeeld een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam uit 2023. Aandachtspunt om te onderzoeken is dan wel dat de melding op de FSV lijst niet de aanleiding is geweest om een onderzoek in te stellen. Hiertoe kan een dossierinzage curciaal zijn. Als hieruit volgt dat er sprake is van een risicoselectie, een verwerking van persoonsgegevens in een databank of een gebruik van een databank waarin persoonsgegevens zijn opgeslagen, kunnen de kaarten anders liggen en kan sprake zin van schending van grondrechten.
Het handelen van de Belastingdienst houdt (in ieder geval de fiscale) gemoederen al enige tijd bezig. Eén van de zaken die daarbij een rol speelt is het gebruik van de Fraude Signalering Voorziening (FSV), ook wel de zwarte lijst genoemd.
De FSV werd door de Belastingdienst gebruikt voor het signaleren van risicosignalen (bijvoorbeeld een klikbrief). Dit systeem blijkt niet te voldoen aan de eisen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het systeem is daarom op 27 februari 2020 uitgezet en wordt niet meer door de Belastingdienst gebruikt.
AVG en zwarte lijst Belastingdienst
Personen die in de FSV-applicatie opgenomen zijn of opgenomen zijn geweest, zouden hiervan in het voorjaar van 2021 automatisch bericht ontvangen. De Belastingdienst filtert wel wie er wel of niet een melding krijgt van de vermelding in de applicatie. Personen die zijn betrokken bij een strafrechtelijk onderzoek of worden genoemd in een tip- of klikbrief, ontvangen geen brief van de Belastingdienst. In de praktijk zien wij ook dat mensen regelmatig geen antwoord ontvangen op hun AVG-verzoek.
Op zichzelf genomen is dat best vreemd. Immers vaststaat dat met het FSV-systeem door de Belastingdienst de wet werd overtreden. Bij een tip- of klikbrief is op zijn minst nog maar de vraag of ook daadwerkelijk sprake is van strafbare feiten. De overheid lijkt dus te veroordelen zonder proces, terwijl zij zelf niet compliant is aan wet- en regelgeving. Op zijn minst curieus.
Rechtspersonen op zwarte lijst Belastingdienst
Vervelender wordt het als het gaat om rechtspersonen. Rechtspersonen vallen niet onder de reikwijdte van de AVG. Rechtspersonen die staan opgenomen in de applicatie ontvangen om die reden dan ook geen brief van de Belastingdienst ingeval zij zijn opgenomen in de applicatie.
Wellicht ook curieus, maar daarenboven onwenselijk. Immers de bestuurders van deze rechtspersonen kunnen gevolgen ondervinden als de rechtspersoon is opgenomen in de applicatie (aansprakelijkheid). Het is dan op zijn zachtst gezegd ook niet passend dat de overtreder van wet- en regelgeving (Belastingdienst) zich nu beroept op dezelfde wet- en regelgeving om de rechtspersonen niet te informeren.
Het ligt in de rede dat bestuurders bij een beroep op de AVG om duidelijkheid over de opname in de zwarte lijst, ook vragen naar de rechtspersonen waarvan zij bestuurder zijn en hun beroep stoelen op hun afgeleide belang (aansprakelijkheid of verantwoordelijkheid voor onrechtmatig handelen).
Waarmee kunnen wij u helpen?
Wij adviseren vele ondernemers in bezwaar- en beroepszaken en / of bij het verkrijgen van informatie over de zwarte lijst. Wilt u een vrijblijvende afspraak of offerte ontvangen? Mail ons gerust.
Bron zwarte lijst Belastingdienst
Parlementaire enquête fraudebeleid
Informatie Belastingdienst inzake zwarte lijst
Rapport PWC 17 maart 2022 (Effecten FSV MKB)
Rapport PWC 17 maart 2022 (onderzoek aan de Poort)
Kamerbrief d.d. 29 maart 2022 bij PWC rapporten
MB
Steekproef Belastingdienst en extrapolatie
Bij belastingcontroles maakt de Belastingdienst steeds vaker gebruik van een (statische) steekproef (of eurosteekproef of guldensteekproef genoemd). Het gebruik van een dergelijke steekproef wordt door rechters toegestaan, mits deze juist is uitgevoerd. Er is vaak discussie met de Belastingdienst over:
- Gekozen facturen
- Statistiek wordt niet juist toegepast (kan per eenheid / inspecteur verschillen)
- Opzet van de steekproef
- Er wordt teveel informatie opgevraagd (soms fiscaal niet relevant)
- Melding van de steekproef bij aanvang boekenonderzoek
- Extrapolatie van de steekproef
Voordeel van de steekproef is dat met een vlotte en beperkte waarneming snel een onderzoek bij een bedrijf kan worden verricht. Voor een dergelijke steekproef en de beoordeling hiervan zijn fiscale kennis en kennis van de statistieken een vereiste. Bij een dergelijke steekproef wordt de administratie onderverdeeld in intervallen. Uit zo’n interval wordt € 1 getrokken. Deze euro (in feite 1 post of 1 factuur) kan worden goedgekeurd of geheel of gedeeltelijk worden afgekeurd.
Reductie aantal steekproeven belastingdienst
De belastingdienst heeft inmiddels vele nieuwe controlemedewerkers aangenomen en opgeleid. Het aantal controles MKB bedrijven zal de komende jaren dus toenemen. Bij een boekenonderzoek van de belastingdienst is de uitkomst altijd ongewis. Vooral als via een steekproef een onderzoek wordt ingestoken kunnen de financiele lasten (mede door extrapolatie) toenemen. Dit wordt nog eens versterkt door belastingrente en (verzuim) boetes. De belastingdienst heeft beleid gepubliceerd inzake het beperken van de steekproef bij belastingcontroles. Volgens het handboekcontrole 2026 van de belastingdienst (paragraaf 11.3.3) wordt het aantal steekproeven gereduceerd. Voor MKB bedrijven (maar ook binnen de publieke sector) kan het verstandig zijn om eens per 2-3 jaar zelf een steekproef te trekken (die aan de vereisten van de belastingdienst voldoet). Vragen? Neem gerust contact met ons op.
Voorbeeld statistische steekproef
Bij een controle van de loonbelasting verdeelt de Inspecteur de loonsom van € 800.000 in veertig intervallen van € 20.000. Uit ieder interval wordt € 1 getrokken. De post die hoort bij deze euro wordt gecontroleerd op juistheid. Aan de hand van de bevindingen wordt het gehele interval van € 20.000 geheel of gedeeltelijk goedgekeurd of afgekeurd. Stel dat binnen het interval een post van € 200 geheel onjuist is, dan kan het gehele interval afgekeurd worden. Dit levert een correctie van € 20.000 voor een enkele fout van € 200. Als dit de enige fout is en de feitelijke situatie is in de andere jaren ongewijzigd, dan kan dit leiden tot een correctie van 5 * € 20.000, te vermeerderen met boetes en rente. Een klein foutje met grote gevolgen dus.
Problemen bij boekenonderzoek met steekproef
In de Controleaanpak Belastingdienst (CAB) staat precies beschreven hoe de Belastingdienst de steekproef inzet en uitvoert. Veelal wordt deze ingezet bij loonbelasting en btw-onderzoeken. In onze praktijk zien we dat hierbij niet altijd op dezelfde wijze wordt gehandeld en dat er fouten worden gemaakt en / of vooringenomen op een slimme wijze facturen worden uitgezocht. Dit kan bijvoorbeeld door via een auditfile de inkoopfacturen met een bepaalde naam of via een memoriaalboeking eruit te vissen. Hierdoor is de populatie niet homogeen en krijg je een onjuiste foutenvaststelling. Het gevolg hiervan is dat op grond van een paar ontbrekende of foute facturen substantiële naheffingen en correcties volgen. Voor een fiscalist is het belangrijk om te zoeken hoe de Belastingdienst met een onderzoek is begonnen. Als de focus in het begin ligt bij "het ontdekken van fouten in de boekhouding", kan de uitkomst nooit klopppen.
Extrapolatie steekproef bij boekenonderzoek
De inspecteur stelt bij een boekenonderzoek vaak "in één adem" dat de fout in 2019 ook van toepassing is over 3 of 5 jaren, de zogenaamde extrapolatie over andere jaren. Dit kan dus bij enkele fouten hele grote gevolgen hebben voor de btw, VPB, box 2 heffing en eventuele boetes en belastingrente. Of extrapolatie ook is toegestaan, is in de jurisprudentie nog niet echt duidelijk geworden. Bij een onjuist getrokken steekproef of een niet representatief onderzoek lijkt extrapolatie niet mogelijk.
Rechters brengen gelukkig de nuance aan, extrapolatie is toegestaan indien op grond van empirisch bewijs kan worden aangenomen dat die jaren een constant beeld vertonen wat betreft de van belang zijnde feitelijke situatie of op voorhand vaststaat dat de data in die jaren in dezelfde mate juist of onjuist zijn als die van het onderzochte jaar. In onderstaande uitspraak van de Rechtbank in 2016 wordt dit nog een onderstreept. Ook in een uitspraak van het Gerechtshof (civiele zaak) worden voorwaarden gesteld aan extrapolatie bij een steekproef. De belangrijkste zijn:
- Steekproef moet in absolute en relatieve zin van voldoende omvang zijn om een betrouwbaar beeld te geven
- Steekproef moet a-select zijn
- Steekproef en werkwijze moeten inzichtelijk zijn
- In tijd representatief
Steekproef belastingdienst en nu?
De laatste tijd zien we steeds vaker dat de belastingdienst gebruik maakt van de steekproef. Het is voor de belastingdienst namelijk een stuk minder werk om controles uit te voeren en om correcties op te leggen (rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 5 december 2019 ECLI:NL:RBZWB:2019:5440).
- Toegestaan: de Hoge Raad heeft al in 2008 toestemming gegeven voor een rechtsgeldige steekproef (Hoge Raad d.d. 14 maart 2008 ECLI:NL:HR:2008:AU0837), deze procedure ging over de BPM, thans wordt de steekproef voor vele belastingen gebruikt. Het Gerechtshof was het ook eens met de steekproef.
- Regels: de formele regels en voorwaarden om van een steekproef gebruik te mogen maken is niet echt duidelijk. In deze noot van de adviseur van de Hoge Raad (De AG) worden wel diverse aanwijzingen gegeven, hier is nog weinig mee gedaan. In 2020 gaf het Gerechtshof 's Hertogenbosch op 31 december 2020 (ECLI:NL:GHSHE:2020:4116) een nuttige toelichting. De steekproef moet statistisch verantwoord zijn en voor belastingplichtige controleerbaar. Dit is in de praktijk knap lastig, edoch er zijn binnen ons netwerk specialisten die de statische steekproef kunnen beoordelen. Belangrijk is dat de populatie homogeen is en op objectieve maatstaven moet worden bepaald.
- Praktijk: het is belangrijk om de steekproef door een deskundige te laten controleren (dus wat is waarom onderzocht en hoe is geselecteerd)
- Bewijslast belastingplichtige: de steekproef geeft een bewijsvermoeden. De belastingplichtige mag proberen om dit bewijs te ontzenuwen. Hiertoe moeten de resultaten - goed gemotiveerd - worden tegengesproken (in twijfel getrokken). Dit kan door een contra onderzoek of een volledig eigen boekenonderzoek van de gehele administratie. Lees voor een toelichting deze uitspraak.
- Extrapolatie: het onderzoek zal vaak over 1 jaar plaatsvinden en wordt dan ook toegepast over de andere jaren. Strikt formeel mag dit - aldus de Hoge Raad (en deze uitspraak). Beide periodes moeten dan wel op elkaar lijken qua feiten en omstandigheden (volgens de Hoge Raad en het Gerechtshof in 2016). De inspecteur moet dus met een toelichting komen over het uitsmeren van de resultaten uit jaar X over jaar X+1 of X-1. Rechters zijn erg kritisch over extrapolatie, hier valt dus nog wel iets te winnen, zie hiertoe diverse uitspraken van rechters (Rechtbank Leeuwarden d.d. 25 maart 2010, Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 28 januari 2011 en de Rechtbank Den Haag d.d. 25 oktober 2016)
- Boete: een boete bij een steekproef vereist nogal wat, deze moeten overtuigend worden aangetoond door de inspecteur, dit met een uitgebreide toelichting (en een boeterapport), zie Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Noot fiscaal jurist inzake statistische steekproef
De wet staat een statistische steekproef toe, aldus de Hoge Raad in 2008. De zorgvuldigheid is hierbij wel van belang en niet in alle situaties mag van de steekproef bij boekenonderzoeken worden uitgegaan, aldus het Gerechtshof in 2011. Het extrapoleren verdient extra aandacht, omdat dit enkel is toegestaan op grond van empirisch bewijs omtrent het feit dat de jaren waarna wordt geëxtrapoleerd constant zijn, aldus de Rechtbank Den Haag in 2016, maar ook het Gerechtshof Den Haag in dat jaar.
In een vrij recente procedure bij het Gerechtshof 's Hertogenbosch ging het om een correctie voor de vennootschapsbelasting. Een factuur inzake een hotelovernachting en een sponsorbijdrage worden gecorrigeerd. Het Gerechtshof stelt dat een steekproef is toegestaan mits:
- De steekproef moet worden uitgevoerd volgens statistische wetenschappelijk verantwoorde en controleerbare wijze;
- De onderzochte groep moet homogeen zijn (samenhang tussen de elementen van de groep);
- De keuze van de onderzochte groep moet objectief plaatsvinden;
- De resultaten van een steekproef geven een bewijsvermoeden dat voor ontzenuwing vatbaar is;
- De belastingplichtige moet altijd de mogelijkheid hebben om het bewijsvermoeden (resultaat steekproef) te ontzenuwen.
Bij het gebruik van de steekproef wordt een bandbreedte gehanteerd. Als u deze wilt aanvechten, is een uitgebreid dossieronderzoek bij de Belastingdienst noodzakelijk. Ook is kennis van de statistische wetenschap een vereiste. Hierbij moet ook naar de extrapolatie worden gekeken, maar ook naar de homogeniteit binnen de groep. Het opleggen van vergrijpboeten moet zeker nader worden onderzocht.
Als u vragen of opmerkingen heeft, neem dan gerust contact op. Wij hebben uitgebreide ervaring met boekenonderzoeken en statistische steekproeven.
Bronnen steekproef bij boekenonderzoek
Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 31 december 2020 ECLI:NL:GHSHE:2020:4116
Rechtbank Zeeland - West-Brabant 5 december 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:5440
Gerechtshof Den Haag 23 november 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3835
Gerechtshof 's Hertogenbosch 28 januari 2011 ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ2837
Hoge Raad 14 maart 2008 ECLI:NL:HR:2008:AU0840
NBA tool inzake statische steekproef bij boekenonderzoeken
https://www.nba.nl/tools/hra-2019/?folder=132640#par132659%20(2019)
Controleaanpak Belastingdienst (CAB), uitgangspunten en modellen
Handboek controle Belastingdienst
DJ
Moet een belastingplichtige zijn agenda verstrekken aan de Belastingdienst?
De administratie moet 7 jaar worden bewaard. Maar wat behoort er tot de administratie van een belastingplichtige? Volgens de Belastingdienst behoort een (privé-)agenda tot de administratie van een belastingplichtige. Moet u dan de papieren of digitale agenda (Outlook / Google) volledig verstrekken aan de Belastingdienst? In deze procedure bij de Hoge Raad in april 2024 is bepaald dat in bepaalde situaties de prive agenda moet worden verstrekt.
Agenda onderdeel van de administratie
Een agenda bevat privé- en soms zakelijke afspraken van een belastingplichtige. De Belastingdienst kan veel informatie uit een dergelijke agenda halen. Voor een kapster, belastingadviseur, consultant, etc. kan een agenda ook fiscaal relevante informatie bevatten, zoals het aantal afspraken, de locatie, etc. Ook als er kladaantekeningen in de agenda staan opgenomen, is de agenda relevant voor de Belastingdienst. De agenda kan ook relevant zijn bij een derdenonderzoek (dus een onderzoek bij iemand anders), dit om te controleren of een afspraak daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
Moet een agenda zomaar aan de Belastingdienst worden verstrekt?
Het belangrijkste is dat de agenda fiscaal relevant is, immers enkel fiscaal relevante informatie moet door de belastingplichtige worden verstrekt. Geheimhouders (advocaten, notarissen) hoeven een agenda niet te verstrekken. Hier blijft het overigens niet bij. Alle boeken en bescheiden (en andere gegevensdragers) moeten - ter keuze en beoordeling van de inspecteur - geraadpleegd kunnen worden door de Belastingdienst. Een zakelijke agenda moet dus worden verstrekt (ook digitaal), de strijdigheid met de Wet Bescherming Persoonsgegevens wordt opgeheven in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. De fiscale relevantie moet echter wel vaststaan, dit zou u kunnen opvragen bij de Belastingdienst (waarom wilt u de agenda ontvangen en wat is de fiscale relevantie?). Als u de agenda niet zou verstrekken, is het mogelijk dat de Belastingdienst een informatiebeschikking verstrekt en / of de administratie verwerpt. In beide gevallen wordt de bewijslast omgekeerd.
Belastingadviseur weigert agenda te verstrekken
In een procedure bij het Gerechtshof (in 2022) weigerde een belastingadviseur zijn agenda te verstrekken aan de Belastingdienst. De inspecteur wil deze agenda ontvangen om te kijken naar de afspraken inzake het verzorgen van aangiften inkomstenbelasting. In de agenda stonden zakelijke en privé-afspraken. De inspecteur stuurt een informatiebeschikking aan de belastingadviseur (omkering bewijslast). Zowel de rechtbank als het gerechtshof zijn het met de inspecteur eens. Het standpunt van de inspecteur is redelijk en de informatie uit de (privé- en zakelijke) agenda is fiscaal relevant. Dit komt mede omdat de belastingadviseur ook privé-afspraken inzake aangiften voor vrienden in zijn agenda noteert. Dat deze afspraken geen geld opleveren en dus geen bron van inkomen vormen, wordt als "flauwekul" verworpen door het gerechtshof. De rechter komt tot het volgende:
- RO 4.16: Naar het oordeel van de rechtbank mocht de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de door hem gevraagde gegevens en bescheiden van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing. Aangezien belanghebbende afspraken voor het invullen van belastingformulieren voor mensen in de vriendenkring in zijn privé-agenda noteert (…), zou die agenda van belang kunnen zijn voor de heffing van IB/PVV en omzetbelasting in de betrokken jaren. De stelling van belanghebbende dat de Belastingdienst al over de gegevens zou beschikken, verandert dit niet.
Dat de privé-agenda niet is bewaard, komt voor rekening en risico van de belastingadviseur. De algemene beginselen en artikel 8 EVRM worden niet geschonden. De Hoge Raad heeft op 5 april 2024 de uitspraak van het Gerechtshof bevestigd (ECLI:NL:HR:2024:528)
Noot belastingadviseur inzake verstrekken agenda aan Belastingdienst
Aan de inspecteur moet (op grond van artikel 47 en 49 AWR) alle fiscaal relevante informatie worden verstrekt.
Bij een boekenonderzoek of een controle wordt veel informatie door de Belastingdienst opgevraagd. Belangrijk is dat een belastingplichtige zijn rechten bij een boekenonderzoek kent en ook de regie gaat houden over de stukken die worden verstrekt en de antwoorden die worden gegeven. Het inschakelen van een ervaren fiscalist is dus bittere noodzaak. Vertrouwelijke informatie of adviezen hoeven niet te worden verstrekt, ook informatie van een advocaat hoeft niet te worden verstrekt aan de Belastingdienst (geheimhouding / fair play). Een inspecteur moet tijdens een onderzoek ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen en moet dus zorgvuldig de belangen van een belastingplichtige afwegen. Een inspecteur wijzen op deze beginselen en / of fairplay of de fiscale relevantie is dus niet gek. Ook mag een inspecteur niet - zonder toestemming van belastingplichtige - in kasten of een computer kijken. Als de inspecteur voornemende is om een boete op leggen (vraag hierom), moet hij / zij u op de cautie wijzen (zwijgrecht). Tenslotte moet de inspecteur u altijd een redelijke termijn geven en moet u erop letten dat u niet zomaar alle vragen gaat beantwoorden.
Op grond van de inlichtingenverplichting moet iedere ondernemer (belastingplichtige) op verzoek van de Belastingdienst de informatie verstrekken die voor zijn belastingheffing (of die van anderen) relevant is of kan zijn. Dit geldt ook voor het verstrekken van uw agenda. Als een belastingplichtige de informatie niet meer heeft is geen sprake van schending van de inlichtingenverplichting, tenzij de belastingplichtige (zoals in deze casus) een administratieplichtige is.
Tenslotte, het is verstandig om een privé- en zakelijke agenda te bezitten !
Bron verstrekken agenda aan belastingdienst
Gerechtshof Den Bosch d.d. 12 januari 2022 ECLI:NL:GHSHE:2022:38
Rechtbank Zeeland - West Brabant d.d. 25 juni 2020 ECLI:NLRBZWB:2020:2670
FIOD zit cryptobezitter op de hielen
In 2021 heeft de FIOD ruim € 520 miljoen "opgehaald" via ruim 900 onderzoeken. Het bijzondere is dat de FIOD in 2020 exact hetzelfde aantal onderzoeken heeft verricht. Wat opvalt is dat in 2021 veel onderzoeken betrekking hadden op steunmaatregelen inzake corona en cryptotransacties. Voor de kritische lezer valt ook op dat de ABN AMRO in april 2021 met de FIOD (formeel OM) heeft geschikt voor € 480 miljoen, dus dan nog maar € 40 miljoen te gaan in 899 onderzoeken?
Wij hebben een sterk vermoeden dat het verslag niet geheel juist is en / of er informatie ontbreekt.
Jaarverslag FIOD 2024
In het jaarverslag van de FIOD over 2024 (publicatie 21 mei 2025) wordt nader ingegaan op de voortdurende internationalisering en digitalisering van de maatschappij. Digitale criminele geldstromen en internationale samenwerking spelen een steeds grotere rol in financiële en fiscale criminaliteit en daarmee in de opsporing van de FIOD. Cybercrime en het gebruik van crypto komt steeds vaker voor en kennis hieromtrent binnen het Financial Adveanced Cyber Team (FACT) wordt opgeschaald.
Nieuwe DAC8 wetgeving voor crypto in Nederland
Het Ministerie van Financiën heeft een wetsvoorstel ingediend om de Europese DAC8-richtlijn in de Nederlandse wet te implementeren, waarmee aanbieders van cryptodiensten vanaf 1 januari 2026 verplicht worden om gebruikersgegevens te verzamelen, controleren en delen met de Belastingdienst. Dit moet belastingontwijking en -ontduiking tegengaan. De gegevens worden jaarlijks gedeeld met andere EU-lidstaten en, door implementatie van het CARF, ook met niet-EU-landen die hieraan meedoen. Voor cryptobezitters verandert er niets; zij moeten al aangifte doen. De consultatie loopt tot 21 november, met indiening van het voorstel in het tweede kwartaal van 2025. Relevante documenten :
- Concept wettekst implementatie EU richtlijn gegevensuitwisseling crypto activa
- Concept memorie van toelichting DAC8 en gegevensuitwisseling crypto activa
- Beleidskompas formulier crypto
Terugblik FIOD inzake onderzoeken
In 2020 heeft de FIOD ruim 900 onderzoeken afgerond, waarvan 319 op verzoek van het buitenland (lees meer). In 2021 zijn er ook 900 onderzoeken afgerond, waarvan 321 op verzoek van het buitenland (lees meer). Toeval? Geen idee, in 2019 waren het 800 onderzoeken, dus het getal is niet elk jaar gelijk (lees meer). Bij de onderzoeken wordt steeds meer gebruik gemaakt van slimme technologie en data-analyse, het ouderwetse recherchewerk blijft ook.
Crypto en FIOD-onderzoek
De FIOD zit fraude met bitcoins / crypto valuta dicht op de huid. Opsporing van witwassen van geld is hierbij vaak de eerste aanleiding. Ook het verzwijgen van dergelijke inkomsten / vermogen kan een aanleiding zijn voor dergelijke onderzoeken. Criminele organisaties benutten steeds vaker digitale platforms bij het plegen of voorbereiden van misdrijven. De georganiseerde misdaad digitaliseert het witwasproces in het verleden via (buitenlandse) rechtspersonen en adviseurs en thans steeds verder via cryptovaluta, aanbieders van cryptodiensten en internationale witwasconstructies om de waarde razendsnel wereldwijd te verplaatsen. De politie geeft de FIOD steeds vaker toegang tot grote hoeveelheden ontsleutelde cryptodata, dit maakt onderzoeken een stuk eenvoudiger. Op dit moment komt echter het grootste gedeelte van alle informatie nog uit onderzoeken bij banken.
Bron FIOD en crypto
DGA-salaris partner accountants- en belastingadvieskantoor
De doorbetaaldloonregeling belet toepassing van de gebruikelijkloonregeling per concernvennootschap. Het loon van de meestverdienende werknemer binnen het accountantskantoor is alleen relevant als deze in loondienst is bij een verbonden lichaam (minimaal belang 33%), aldus het Gerechtshof.
Henk is DGA en enig aandeelhouder in zijn holding. De holding bezit 25% van de aandelen in een accountants- en belastingadvieskantoor. Tevens was er nog een belang van ruim 5% in een holding. De managementvergoeding bedroeg € 136.000 en het DGA-salaris ruim € 70.000. De inspecteur stelt dat dit salaris ruim € 90.000 moet bedragen omdat de meestverdienende medewerker van het accountantskantoor dit heeft verdiend. De rechter is het niet eens met de inspecteur.
Gebruikelijk loon ook voor werkzaamheden partner of echtgenote
Het Gerechtshof Den Haag heeft op 30 juni 2026 (ECLI:NL:GHDHA:2026:2292) een uitspraak gedaan over een situatie dat een partner van de DGA (partner heeft geen aandelen in de BV) werkzaamheden heeft verricht voor de BV van haar partner. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat de partner werkzaamheden heeft verricht en dan is de wettekst klip en klaar, de partner moet dan een DGA salaris genieten. De procedure is door de belastingplichtige slecht gevoerd (er is geen tegenbewijs geleverd, niet over de werkzaamheden en ook niet over de hoogte van het salaris).
Wat moet een DGA (belastingadviseur) verdienen ?
De DGA ontvangt in zijn management bv een fee van € 136.000. De bv heeft met de DGA een arbeidsovereenkomst gesloten, dit tegen een jaarsalaris van ruim € 70.000. Er volgt een boekenonderzoek bij de DGA en het accountantskantoor. De inspecteur legt voor de periode 2011 - 2014 naheffingsaanslagen op omdat hij van mening is dat het salaris te laag is vastgesteld. Het salaris moet worden verhoogd omdat de meestverdienende werknemer binnen het accountantskantoor ruim € 90.000 heeft verdiend. Zowel de rechtbank als het gerechtshof zijn een andere mening toegedaan (artikel 12 lid wet Wet LB). Volgens de inspecteur moet er worden gekeken naar het hoogste salaris bij de holding en de werkmaatschappij, volgens de rechters is dit niet juist. Als er sprake is van de zogenaamde doorbetaaldloonregeling (artikel 32d LB), moet er worden gekeken naar het hoogste salaris naar de bv die conform artikel 32d als inhoudingsplichtige heeft te gelden. Het salaris dat door de holding is vastgesteld wijkt ook niet in belangrijke mate (30% of meer) af van hetgeen gebruikelijk is bij een soortgelijke dienstbetrekking waarin een aanmerkelijk belang een rol speelt. Het rapport dat de inspecteur heeft aangehaald over de beloningen van accountants en belastingadviseurs is hierbij onvoldoende. Een DGA kan niet zonder meer worden vergeleken met een accountants of belastingadviseur, omdat een DGA andere werkzaamheden verricht. Er moet worden gekeken naar de totale arbeidsprestatie van de DGA (dus ook leidinggeven en besturen).
Noot fiscaal jurist inzake DGA-loon belastingadviseur
Er is veel beweging in Den Haag omtrent de positie en heffingen bij de DGA. Er zijn plannen om de bedrijfsopvolgingsregeling te versoberen, de rekening-courant tussen de DGA en zijn bv moet worden afgebouwd (excessief lenen) en tevens hangt er een discussie boven de markt dat het box 2 tarief moet worden verhoogd. Een tariefsverhoging van box 2 heeft feitelijk terugwerkende kracht omdat dit ook ziet op bestaande winstreserves. In het verleden zijn er al diverse belastingbesparende maatregelen voor de DGA afgeschaft (pensioen in eigen beheer, directe heffing over beleggingsvermogen bij overlijden, etc.). Voordeel voor de DGA is wel het opstaptarief voor de VPB, een tarief van 15% over de eerste € 395.000 winst binnen de bv is gunstig.
De DGA draagt via zijn gebruikelijke loon mee aan de premieheffing (algemene verzekeringen), dat is niet zo over box 2 en box 3 inkomen. Dit is de reden dat de Belastingdienst steeds vaker kritisch kijkt naar het salaris van de DGA. Ook kan er door een laag DGA-salaris uitstel van belastingheffing worden gecreëerd. We moeten ons wel realiseren dat veel DGA's een beperkte winst hebben, volgens het Centraal Planbureau heeft 70% van de DGA's een winst welke lager is dan € 25.000. De ruimte voor een hoger DGA-loon is er dus ook vaak niet. Daarnaast moet de DGA ook geld binnen de bv reserveren voor mindere tijd, investeringen en vervanging van activa.
In deze casus kwam het gebruikelijke loon van een belastingadviseur (partner) aan de orde. Deze DGA doet ander werk dan een reguliere belastingadviseur. De DGA doet nu eenmaal meer en ander werk dan een accountant of belastingadviseur, naast een praktijk runnen worden er ook bestuurlijke en leidinggevende taken uitgevoerd. Daarnaast mag er door de werking van artikel 32d LB niet worden gekeken naar de meestverdienende werknemer bij het accountantskantoor (immers belang was 25% en geen 33,3%). Ook de afroommethode is (conform het arrest van de Hoge Raad uit 2016) niet aan de orde.
Onze praktijk leert dat het salaris voor een DGA vaak te laag wordt vastgesteld. Dit kan diverse oorzaken hebben, de belangrijkste is dat dividend uitkeren veelal financieel aantrekkelijker is dan salaris uitbetalen, daarom wordt het salaris zo laag mogelijk vastgesteld. Veelal wordt het salaris vastgesteld en wordt er daarna niet (of minder) meer naar gekeken (doorwerkende fout). Insteek voor het gebruikelijke loon is dat deze tenminste € 48.000 (2022) bedraagt en anders moet er worden gekeken naar het loon voor een gebruikelijke dienstbetrekking (minimaal 75% hiervan moet het DGA-loon zijn) of het hoogste salaris dat binnen het concern wordt betaald. In deze casus wordt helder aangegeven wanneer dit speelt. Omdat hier geen sprake is van een verbonden lichaam (belang 25% en geen 33%), hoeft niet te worden gekeken naar het loon van de werknemer in de werkmaatschappij. Het gebruikelijk loon is ook van toepassing op de partner van de DGA.
In de coronatijd kan de omzet tegenvallen, het gebruikelijk loon mag in dergelijke situaties worden verlaagd (besluit).
Voor de liefhebber, lees dit artikel uit december 2021 in het Financieel Dagblad eens (als u een abonnement heeft tenminste). Partners van zogenaamde Zuidas-kantoren verdienen een winstaandeel van € 1.700.000 en hebben een gebruikelijk loon van slechts € 360.000, derhalve wordt ruim 20% van de fee / winst omgezet in salaris voor de partner / DGA. Deze verhouding is met de Belastingdienst overeengekomen. In vragen hierover geeft de Belastingdienst aan dat bij dergelijke kantoren niet anders wordt gehandeld dan bij andere bedrijven, een bijzondere uitspraak. De in dit artikel besproken feiten liggen op dit moment ter beoordeling bij de rechter, edoch niet voor de verhouding maar voor de rechtsvraag "is een partner werknemer of ondernemer".
DGA? Advies nodig inzake uw salaris? Bel of mail ons gerust voor een vrijblijvende afspraak.
Bron DGA-salaris accountant en belastingadviseur
Gerechtshof Amsterdam d.d. 13 april 2021 ECLI:NLGHAMS:2021:1306
Geen navordering na boekenonderzoek
Bij een ondernemer wordt een boekenonderzoek ingesteld. Er worden diverse correcties aangekondigd op grond van schattingen door de inspecteur. Een aanslag over 2016 is lager dan hetgeen in het boekenonderzoek is aangekondigd. Er volgt een navorderingsaanslag, mag dit? Volgens de rechter niet!
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Boekenonderzoek, nieuw feit en navorderingsaanslag
Henk is eigenaar van een restaurant, zijn administratie is niet op orde (fiscaal noemen we dit gebrekkig). Ook voldoet Henk niet aan de bewaarplicht en heeft Henk geen aangifte inkomstenbelasting over 2015 en 2016 ingediend. Er volgt een boekenonderzoek waarbij diverse correctie door de inspecteur worden aangekondigd, een deel hiervan op grond van schattingen (omdat de administratie deels ontbreekt). De aanslag inkomstenbelasting 2015 wordt conform de voorgestelde correctie uit het boekenonderzoek opgelegd. De aanslag inkomstenbelasting 2016 is lager dan de aangekondigde correctie. De inspecteur wil deze abusievelijk fout herstellen via een zogenaamde navorderingsaanslag. De rechtbank is het met de inspecteur eens, het Gerechtshof pakt de wettekst en kijkt er nog eens kritisch naar. De navorderingsaanslag over 2016 gaat in de prullenbak.
Aangifte wordt uitgeworpen maar geen nieuw feit
De Hoge Raad oordeelt in 2022 over een situatie dat een aangifte inkomstenbelasting (over 2012) wordt uitgeworpen in het systeem van de belastingdienst. De vraag is of de inspecteur zich kan beroepen op een nieuw feit als een aangifte door haar eigen systeem wordt uitgeworpen ter controle en de inspecteur er verder niet naar kijkt. Opmerkelijk is dat de Hoge Raad concludeert dat de inspecteur zich gewoon kan beroepen op een nieuw feit dat navordering kan opleveren. Dit arrest is eigenlijk een bevestiging van de "niet onwaarschijnlijke mogelijkheid" zoals opgenomen in artikel 16 AWR (lid 2 letter c). De criteria die bepalen dat een aangifte moet worden uitgeworpen zijn kennelijk niet direct relevant voor een onderzoeksplicht voor de inspecteur. De belastingplichtige had wellicht een brief aan de Belastingdienst moeten sturen waarin hij of zij het negatieve resultaat uit overige werkzaamheden zou toelichten, als dit zou zijn gebeurd dan is er geen sprake van een nieuw feit. De onderzoeksplicht van de inspecteur is altijd een feitelijke aangelegenheid. Het is dus cruciaal dat belanghebbende alle feiten juist en volledig in beeld heeft. De Hoge Raad deed op 15 juni 2018 ook een uitspraak, in deze uitspraak (arrest) moest de inspecteur wel een onderzoek instellen als een aangifte wordt uitgeworpen. In deze casus werden er door de inspecteur wel vragen gesteld, in de casus uit 2022 niet.
Boekenonderzoek en formaliteiten, noot fiscaal jurist
Het gerechtshof bekijkt nog eens goed wat er is gebeurd. Er worden handmatig (ambtshalve) aanslagen inkomstenbelasting opgelegd nadat het boekenonderzoek is afgerond. De inspecteur kijkt niet goed in het dossier (beoordelingsfout) en kan deze fout niet eenvoudig herstellen door een navorderingsaanslag. Er ontbreekt een nieuw feit en conform vaste jurisprudentie (van de Hoge Raad) komt het Gerechtshof tot de conclusie dat dan niet kan worden nagevorderd.
Er was eventueel nog een andere route, de kenbare fout. Op grond van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is navordering in alle gevallen - dus ook bij afwezigheid van een nieuw feit - mogelijk indien aanvankelijk te weinig belasting is geheven ten gevolge van een fout en dit de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is. Die kenbaarheid wordt wettelijk verondersteld indien de te weinig geheven belasting tenminste 30% van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval sprake van een dergelijke fout die kenbaar was voor eiser (volgens Hoge Raad 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1529). Henk had kunnen en moeten begrijpen of weten dat de aanslag van € 35.000 te laag was, uit het onderzoek volgt immers een geschat inkomen van ruim € 130.000.
Het herstel via de kenbare fout is echter niet mogelijk als een aanslag is vastgesteld als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de omvang van de belastingplicht (of het recht), aldus de Hoge Raad in 2003 ECLI:NL:2003:AI0921. Dergelijke fouten kunnen niet via de route van de kenbare fout worden hersteld. Het begrip 'fout' moet je hierbij neutraal en ruim uitleggen.
Hier gaat het om een slapende inspecteur die een beoordelingsfout maakt (of de vereiste zorgvuldigheid ontbreekt). Ook andere fouten (zoals een schrijf- of intoetsfout of een fout door de software) kunnen niet meer worden hersteld, zie hiertoe de Hoge Raad in 2014 ECLI:NL:HR:2014:1528.
Termijnoverschrijding en immateriële schadevergoeding
Het verzoek van Henk om een immateriële schadevergoeding gaat in de prullenbak, van een onredelijke termijnoverschrijding is geen sprake. Hoe zit dit eigenlijk? In dit geval verzoekt Henk in hoger beroep om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
- De termijn begint in de regel te lopen op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift heeft ontvangen (in dit geval oktober 2018).
- De rechtbank moet dan binnen 2 jaar uitspraak doen, hieraan wordt precies op tijd voldaan. Edoch in deze zitting wordt geen beroep gedaan op de immateriële schadevergoeding.
- Het Gerechtshof heeft vervolgens ook weer 2 jaar de tijd om binnen 2 jaar nadat het hoger beroep is ingesteld uitspraak te doen (Hoge Raad 12 december 2014 ECLI:NL:HR:2014:3562).
Gelukkig worden de proceskosten - volgens een forfait - nog wel vergoed, deze vergoeding bedraagt € 3.100.
Bron navorderingsaanslag na boekenonderzoek
Gerechtshof Den Haag d.d. 7 december 2021 ECLI:NL:GHDHA:2021:2434
Rechtbank Den Haag d.d., 7 oktober 2020 ECLI:NL:RBDHA:2020:10885
Herziening in belastingprocedures
Het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden heeft in 2019 een bijzondere casus behandeld en kwam ook met een baanbrekende uitspraak. In deze procedure kwam de rechter terug op een eerdere uitspraak waarin een informatiebeschikking van de Belastingdienst was vernietigd. De Belastingdienst kreeg nieuwe informatie (na de uitspraak) en vroeg de rechter om nogmaals naar de casus te kijken. De rechter ging hierin mee. Via deze uitspraak kunnen wellicht oude (en verlopen) zaken weer worden geopend. Voor zover wij weten, is dit voor het eerst in onze rechtspraak dat een rechter een zaak volledig herziet.
Herziening van fiscale zaken
In 2017 deed het gerechtshof uitspraak over een informatiebeschikking inzake buitenlandse banktegoeden. De informatiebeschikking wordt door het gerechtshof vernietigd. Na deze uitspraak kwam er nieuwe informatie boven tafel. Wat speelde er? Henk en zijn echtgenote waren in 1994 rekeninghouder bij een bank in Luxemburg (KB Lux). Aan de bankrekening waren zogenaamde sub-rekeningen gekoppeld. De inspecteur stelde in 2013 vragen aan Henk die niet worden beantwoord. Vervolgens wordt er door de inspecteur een zogenaamde informatiebeschikking opgesteld (met vele vragen). In 2014 stuurt de bank een brief waaruit volgt dat de rekeningen al meer dan 10 jaar geleden zijn opgedoekt (gesloten). Het gerechtshof vernietigt de informatiebeschikking, omdat de inspecteur niet aannemelijk maakt dat de gestelde vragen niet zouden zijn beantwoord. Eén vraag is niet beantwoord (op welke bankrekening is het saldo uit Luxemburg gestort?). Omdat Henk deze informatie niet meer had of kon verkrijgen, was dit volgens het gerechtshof niet meer interessant. De Hoge Raad keek ook nog naar deze zaak, maar deed het af met een 81 RO-verklaring. Na de uitspraak kwam er nog nieuwe informatie - via de Luxemburgse bank - binnen bij de Belastingdienst. De inspecteur heeft vervolgens de rechter gevraagd om nog eens naar deze nieuwe gegevens te kijken en de uitspraak uit 2017 te herzien. Henk was het hier niet mee eens, omdat dit verzoek onredelijk laat zou zijn ingediend en zijn rechtszekerheid zou zijn geschaad. Nu er binnen 1 jaar om herziening is verzocht, was het verzoek - aldus het gerechtshof - tijdig.
Het gerechtshof stelde vast dat de informatie in 2017 niet bekend was bij de inspecteur. Ook kon deze informatie hem niet eerder bekend zijn. Nu het gerechtshof bij de uitspraak in 2017 van onvolledige informatie uitging, kon de uitspraak worden herzien omdat de rechter op grond van deze informatie tot een andere uitspraak was gekomen. Het verzoek om herziening wordt dan ook toegewezen. Henk kreeg een termijn van 6 weken om alsnog de gevraagde inlichtingen te vertrekken.
Noot fiscaal jurist inzake herzieningsverzoek in fiscale zaken
Het is onduidelijk waarom de inspecteur in 2017 niet om aanhouding of schorsing heeft gevraagd, dit om de informatie uit Luxemburg af te wachten. Henk had ook kunnen stellen dat de inspecteur via een aanhouding de nieuwe informatie wel had kunnen inbrengen. Dit is echter historie en niet meer aan de orde.
Henk was in het verleden klant bij een Luxemburgse bank, zijn dossier is echter vernietigd waardoor het saldo en de mutaties niet meer te vinden zijn. Henk doet alle moeite om de vragen te beantwoorden en volgens de rechter heeft Henk voldoende zijn best gedaan. In april 2017 duikt de inspecteur nog eens goed in het dossier en wordt er een brief gestuurd aan de Luxemburgse bank. In juli 2017 komt de uitspraak van het gerechtshof waarin de Belastingdienst in het ongelijk wordt gesteld. Het antwoord van de bancaire instelling komt in november 2017. Hieruit volgt dat er in de periode 1994 - 2002 ruim € 400.000 op de rekening is gestort. Dat heeft Henk verzwegen.
In het strafrecht zien we vaker herzieningsverzoeken in het fiscale recht eigenlijk niet of zelden. Dit komt mede door de strenge voorwaarden / eisen. Een uitspraak kan op grond van artikel 8:119 van de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB) een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
- hebben plaatsgevonden voor de uitspraak;
- bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en
- waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Op grond van 29 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) geldt hetzelfde voor uitspraken van de Hoge Raad. De moeilijkheidsgraad in dit soort zaken is gelegen in het feit dat aan de drie genoemde voorwaarden moet zijn voldaan. De feiten moeten hebben plaatsgevonden voor de uitspraak en de belanghebbende (of inspecteur) moet strak en duidelijk aannemelijk maken dat hij / zij deze niet voordien kon inbrengen. Dit is dus een stevige bewijslast die vraagt om goed inzicht in fiscale beroepsprocedures. Onze onderstaande specialisten adviseren u vlot en deskundig in dergelijke procedures.
Bron herziening fiscale zaken
Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden d.d. 16 juli 2019 ECLI:NL:GHARL:2019:5829
Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden d.d. 11 juli 2017 ECLI:NL:GHARL:2017:5864
Hoge Raad d.d. 1 juni 2018 ECLI:NL:HR:2018:801
Hoge Raad 20 februari 2015, nr. 14/05686, ECLI:NL:HR:2015:357
Boekenonderzoek / FIOD-onderzoek leidt tot forse aanslagen
Een belastingcontrole is een situatie waar geen enkele belastingplichtige op zit te wachten. Ook als u uw administratie op orde heeft, kost het veel tijd en energie. Een controle kan echter uit de hand lopen als de Belastingdienst zaken constateert die niet op orde zijn. Soms is dat terecht, soms is dat onterecht. In het ergste geval leidt het uiteindelijke controlerapport tot forse navorderings- en / of naheffingsaanslagen, vermeerderd met renten en boeten. In dit artikel bespreken wij een recente uitspraak van de Rechtbank Gelderland over zo’n onderzoek dat serieuze vormen aanneemt en waarbij ook de FIOD betrokken is.
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Achtergronden bij uitspraak over boekenonderzoek en FIOD-onderzoek
De belastingplichtige in deze zaak heeft een horecagelegenheid (pizzeria). Eten kan op de locatie zelf, maar men biedt ook afhaal- en bezorgdiensten aan. De Belastingdienst doet een boekonderzoek en komt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de administratieverplichtingen; zo ontbreken onder andere (inkoop-)bonnen. Dit leidt tot navorderingsaanslagen (inkomstenbelasting) en naheffingsaanslagen (omzetbelasting).
Ook de FIOD heeft een onderzoek gedaan. Het betreft een onderzoek naar een andere persoon dan de eigenaar van de horecagelegenheid. Bij deze persoon zijn onder meer verkoopfacturen aangetroffen in het vuilnis. Ook is belastend beeldmateriaal aangetroffen. De FIOD leidt hieruit af dat de belastingplichtige in deze zaak goederen heeft gekocht, contant heeft afgerekend en geen factuur heeft meegenomen. De FIOD komt tot de conclusie dat sprake is van ‘zwarte inkopen’.
De FIOD verhoort vervolgens ook de belastingplichtige in deze zaak. De belastingplichtige ontkent de bestreden inkopen zonder factuur te hebben verricht. Hij ontkent ook dat hij de aankopen heeft gedaan en verklaart geen valse (klant-)naam te gebruiken. Ook na confrontatie met het beeldmateriaal houdt hij vast aan dit standpunt.
De Belastingdienst breidt het onderzoek uit. In het uiteindelijke controlerapport benoemt men ook de door de FIOD geconstateerde zwarte inkopen. Hij verwerpt de administratie en gaat over tot het aanbrengen van correcties op basis van schattingen. Tevens geeft de Belastingdienst een informatiebeschikking af. De belastingplichtige gaat tegen de informatiebeschikking in bezwaar en beroep, maar de informatiebeschikking blijft intact en is onherroepelijk geworden.
Geschilpunten en standpunten in beroepsfase tegen aanslagen
De belastingplichtige wenst van de rechtbank een oordeel over de volgende punten:
- Is de bewijslast terecht omgekeerd en verzwaard?
- Zijn de schattingen van de Belastingdienst redelijk te noemen?
- Zijn de boeten terecht opgelegd?
De belastingplichtige is van mening dat de Belastingdienst zich eerder heeft neergelegd bij het gebrek aan informatie. Een informatiebeschikking is daarom niet mogelijk. Voorts is er alsnog informatie verstrekt. Daarnaast is het zo dat de vermeende zwarte inkopen op een incident berusten en dat rechtvaardigt deze ruime toerekeningen niet.
De Belastingdienst is het met de zienswijze van de belastingplichtige oneens. Hij meent dat de onherroepelijke informatiebeschikking terecht is afgegeven en dat dit leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast. Voorts meent de Belastingdienst dat de alsnog verstrekte informatie fouten bevat en geen reëel beeld geeft. Naast omkering en verzwaring van de bewijslast op grond van de informatiebeschikking, geldt ook dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan. De schattingen zijn redelijk, zo meent de Belastingdienst.
De rechtbank over het omkeren van de bewijslast
De rechtbank buigt zich eerst over de vraag of de bewijslast terecht is omgekeerd en verzwaard. Indien dat het geval is, dan kan de belastingplichtige niet volstaan met het aannemelijk maken van zijn standpunten, maar moet hij deze overtuigend aantonen. Een bijna ondoenbare bewijslast. De vraag of de informatiebeschikking terecht is afgegeven kan in deze procedure niet aan de orde komen; daarvoor is de procedure over de informatiebeschikking zelf gevoerd. De redelijkheid van de omkering van de bewijslast kan in deze procedure wel onderwerp van discussie zijn. De rechtbank meent dat de tekortkomingen in de administratie omkering en verzwaring van de bewijslast rechtvaardigen. De belastingplichtige heeft de administratieve gebreken onvoldoende weersproken. Er zijn onvoldoende gegevens aanwezig voor een controle naar de juistheid en volledigheid van de verantwoorde omzet. De administratie is dus onvoldoende deugdelijk. Aangezien de bewijslast op deze grond al is omgekeerd en verzwaard, hoeft de rechtbank zich niet te buigen over de vraag of de vereiste aangiften wel of niet zijn gedaan.
De rechtbank over de redelijkheid van de schattingen
De Belastingdienst heeft terecht de bewijslast omgekeerd en verzwaard. De aanslagen die hij dan oplegt, dienen gebaseerd te zijn op redelijke schattingen. Enig schattingswerk is immers nodig, omdat uit de administratie niet precies valt af te leiden is hoe de juiste heffing eruit ziet. Het is aan de Belastingdienst om deze schattingen te onderbouwen. Daarna mag de belastingplichtige overtuigend aantonen dat deze onjuist zijn. De rechtbank komt in deze zaak tot het oordeel dat de schattingen redelijk zijn.
De schattingen zijn gebaseerd op een correctie op de inkoopwaarde, een correctie op het brutowinstpercentage en de zwarte inkopen die de FIOD aan het licht heeft gebracht. Met betrekking tot de eerste twee correcties heeft de belastingplichtige geen geschilpunten aangebracht. Dat heeft hij wel gedaan inzake de zwarte inkopen. De rechtbank oordeelt dat dit onterecht is. Uit het FIOD-onderzoek (waaronder het beeldmateriaal) komt naar voren dat is ingekocht onder een valse naam. De omvang van de correctie is vervolgens gebaseerd op facturen uit de administratie en is daarom niet gebaseerd op een onredelijke grondslag. De schattingen zijn in de ogen van de rechtbank voldoende redelijk.
De rechtbank over de opgelegde vergrijpboeten
De Belastingdienst heeft vergrijpboeten opgelegd. Op hem rust dan de taak om te bewijzen dat sprake is van opzet of grove schuld. De Belastingdienst kon volgens de rechtbank terecht tot het standpunt komen dat sprake is van opzet. De belastingplichtige heeft willens en wetens inkopen niet verantwoord, mogelijk verkopen niet verantwoord en vervolgens onjuiste aangiften gedaan. Dat dit tot een te lage belastingheffing zou leiden, had hij redelijkerwijs kunnen weten.
De Belastingdienst heeft uiteindelijk boeten opgelegd van 25%, nadat in de bezwaarfase reeds matiging heeft plaatsgevonden. Toch gaat de rechtbank over tot verdere verlaging van de boete. Niet op strikt inhoudelijke gronden, maar vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. De totale overschrijding bedraagt meer dan twee jaar en dus dienen de boeten verder verlaagd te worden.
Contant geld in huis en aanslag belastingdienst via navorderingsaanslag
In deze procedure speelde de redelijke schatting bij het opleggen van navorderingsaanslagen. Een man is ondernemer (in een VOF met zijn broer en vader). Bij een politie inval bij zijn vader wordt ruim € 250.000 contant geld gevonden. De belastingdienst is scherp en stelt direct een boekenonderzoek bij de onderneming in. De kasadministratie is niet op orde (negatieve kas) en er worden contante stortingen zonder heldere herkomst vastgesteld. Er worden navorderingsaanslagen aan de man opgelegd. Het inkomen wordt vastgesteld op € 580.000 en de aanslagen en rente (€ 44.000) en vergrijpboetes (€ 130.000) zijn fors. De belastingplichtige neemt de zaak niet echt serieus en roept alleen "geen nieuw feit en slechte schatting en niet alle stukken ontvangën", hij komt niet met eigen bewijs. De Rechtbank Zeeland West Brabant is het op 3 november 2023 ECLI:NLRBZWB:2023:7345 met de belastingdienst eens, de boete wordt wel iets lager vastgesteld. Ook het Gerechtshof 's Hertogenbosch laat op 22 oktober 2025 ECLI:NL:GHSHE:2025:2909 weinig heel van de standpunten van belastingplichtige.
Controle Belastingdienst en aanslagen
De Belastingdienst controleert dagelijks de administratie van vele ondernemingen. Het is niet ongebruikelijk dat hij daarbij tegen tekortkomingen of onvolkomenheden aanloopt; het voeren van de perfecte administratie is zeer complex (nagenoeg onmogelijk zelfs). Wij zien echter ook dat steeds sneller naar omkering en verzwaring van de bewijslast gegrepen lijkt te worden. Soms goed onderbouwd en mogelijk terecht, maar vaak genoeg ook met niet of nauwelijks enige motivatie. Het gebruikmaken van bevoegdheden die de Belastingdienst heeft is uiteraard zijn goed recht, maar u hebt het recht zich goed te kunnen verweren tegen dergelijke handelingen door bestuursorganen. Laat daarom uw positie goed in kaart brengen als een geschil met de Belastingdienst dreigt. Neem voor nadere vragen gerust rechtstreeks contact op met één van onderstaande adviseurs.
Uitspraak: ECLI:NL:RBGEL:2021:5114
FIOD legt beslag op crypto
De FIOD (en het Openbaar Ministerie) heeft beslag gelegd op een zogenaamde cryptowallet. Er is (bij tientallen verdachte criminelen) beslag gelegd op zo'n € 25.000.000 aan cryptovaluta. Diverse crypto exchanges (zeg cryptobanken) hebben medewerking verleend aan de FIOD om bij de digitale munten te kunnen komen. De exchanges zijn (volgens Nederlandse wetgeving) verplicht om medewerking te verlenen en doen dit dus ook. De verdachten komen uit Nederland, maar ook uit het buitenland.
Nieuws: Crypto vanaf 1 janauri 2026 automatisch in uw aangifte inkomstenbelasting. Crypto aanbieders zijn vanaf dat moment verplicht om gegevens uit te wisselen met de belastingdienst. Het wetsvoorstel (link) hierover is in juli 2025 naar de tweede kamer gestuurd. Eerste rapportage is dan op 31 januari 2027 (over 2026).
Jaarverslag FIOD 2024
In het jaarverslag van de FIOD over 2024 (publicatie 21 mei 2025) wordt nader ingegaan op de voortdurende internationalisering en digitalisering van de maatschappij. Digitale criminele geldstromen en internationale samenwerking spelen een steeds grotere rol in financiële en fiscale criminaliteit en daarmee in de opsporing van de FIOD. Cybercrime en het gebruik van crypto komt steeds vaker voor en kennis hieromtrent binnen het Financial Adveanced Cyber Team (FACT) wordt opgeschaald.
Cryptovaluta, FIOD en witwassen
Criminelen bezitten en gebruiken cryptovaluta om anoniem te betalen en te sparen. Onder meer gijzelsoftware, drugs, belastingontduiking en mensenhandel worden vaak afgehandeld via de betaling van crypto. Tijdens het recente onderzoek is gebleken dat criminelen ongewenste koerswisselingen tegengaan door de cryptovaluta om te zetten in zogenoemde ‘stable coins’ zoals USDT. Dit zijn cryptovaluta waarvan de waarde is gekoppeld aan de Amerikaanse dollar. Hiermee elimineren de criminelen de elementen van onzekerheid qua koersschommelingen.
Noot fiscaal jurist inzake crypto
Het is voor de Nederlandse overheid mogelijk om inzicht te krijgen in cryptowallets van belastingplichtigen. De Europese wetgeving hiertoe wordt de komende jaren aangepast, waardoor dit inzicht spontaan bekend moet worden (dus zonder dat het wordt opgevraagd). Steeds meer belastingplichtigen en criminelen gaan begrijpen dat crypto niet meer als geheim spaarpotje kan worden gebruikt. Wij krijgen dagelijks vragen van belastingplichtigen over het gebruik van crypto. Sinds een jaar zijn een tweetal fiscaal juristen op ons kantoor dagelijks bezig met de fiscale merites hieromtrent. Heeft u vragen of opmerkingen, stuur dan gerust een e-mail.
Bron FIOD en crypto
Informatie FIOD aan Belastingdienst
Belastingadvies belandt via een omweg toch bij de Belastingdienst
Belastingen zijn nuttig, vervelend en vaak ingewikkeld. Om aan de belastingverplichtingen te voldoen, maar ook te zorgen dat niet teveel wordt betaald, maakt menigeen gebruik van een belastingadviseur. Omdat iedereen in vrijheid moet kunnen bepalen wat zijn fiscale positie is en hoe aan de fiscale verplichtingen te voldoen, is op belastingadviseurs een soort verschoningsrecht van toepassing.
Eén van de elementen daarbij is, dat de Belastingdienst geen adviezen mag opvragen van belastingplichtigen bij hun belastingadviseur. In sommige gevallen moet de belastingadviseur internationale adviezen in kopie naar de Belastingdienst sturen (Dac6), maar voor reguliere adviezen geldt dit niet. Als de Belastingdienst adviezen van fiscalisten zomaar zou kunnen inzien, dan zou het voor de Belastingdienst wel een erg gemakkelijk spelletje worden. De Belastingdienst mag dus geen vals spel spelen. Fair play noemen we dat.
Communicatie met de Belastingdienst wordt gebruikt door de FIOD
Het kan ook andersom..... Er is vaak discussie over communicatie tussen de advocaat en de Belastingdienst die vervolgens door de FIOD of het OM wordt gebruikt. Als een fiscaal geschil tot een strafzaak leidt wordt deze informatie soms door de Belastingdienst aan de FIOD verstrekt. Nadat de Belastingdienst naheffingsaanslagen had opgelegd heeft de FIOD in deze zaak de belastingdienst verzocht om het volledige dossier aan de FIOD te verstrekken. De Rechtbank Amsterdam d.d. 19 augustus 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:7308) heeft besloten dat dergelijke informatie mag worden verstrekt. Ter onderbouwing wordt verwezen naar een eerdere uitspraak van deze Rechtbank uit 2022.
Jaarverslag FIOD 2024
In het jaarverslag van de FIOD over 2024 (publicatie 21 mei 2025) wordt nader ingegaan op de voortdurende internationalisering en digitalisering van de maatschappij. Digitale criminele geldstromen en internationale samenwerking spelen een steeds grotere rol in financiële en fiscale criminaliteit en daarmee in de opsporing van de FIOD. Cybercrime en het gebruik van crypto komt steeds vaker voor en kennis hieromtrent binnen het Financial Adveanced Cyber Team (FACT) wordt opgeschaald.
Belastingdienst krijgt via FIOD inzage in adviezen belastingadviseur
In de tijd dat fair share nog niet echt in zwang was (2011), meende een ondernemer dat het aantrekkelijker was als zijn onderneming niet langer in Nederland gevestigd zou zijn, maar in Luxemburg. Met behulp van een adviseur wordt een structuur opgetuigd met als resultaat de vestiging van de bv in Luxemburg. In 2015 ruikt de Belastingdienst wat onraad en stelt vragen over de vestigingsplaats van de bv, maar pakt niet echt door.
Jaren later duikt de adviseur op in een aantal strafzaken. Een aantal stukken in die strafzaak worden aan de Belastingdienst verstrekt voor de belastingheffing van de adviseur. Bij die stukken zitten echter ook stukken die betrekking hebben op onze ondernemer. De vraag is nu of die stukken wel gebruikt mogen worden in de belastingzaak van deze ondernemer (en waarin mogelijk aanwijzingen staan dat de bv helemaal niet in Luxemburg zit).
Belastingdienst mag info FIOD niet gebruiken, echter soms wel!
Duidelijk is dat de stukken niet tegen de ondernemer mogen worden gebruikt als het gebruik door de Belastingdienst van informatie uit een strafrechtelijk onderzoek zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht.
De rechtbank meent dat de stukken wel gebruikt mogen worden, omdat de stukken zijn verstrekt met toestemming van de rechter-commissaris en de officier van justitie en niet zijn verstrekt voor de belastingheffing van de ondernemer, maar die van de adviseur. Dat belastingambtenaren hebben meegeholpen aan het selecteren van de stukken, doet daaraan niet af. De stukken heeft de Belastingdienst niet verkregen op grond van artikel 47 van de AWR (de algemene informatieverplichting; gedekt door het verschoningsrecht). Er is dan ook niet gehandeld in strijd met het fair play-beginsel, oordeelt de rechtbank.
Opmerking fiscalist inzake informatieverstrekking FIOD aan Belastingdienst
Los van de ethische vraag, is t.a.v. de ondernemer het fair play-beginsel omzeild. Stukken tussen hem en zijn adviseur, die geheim moeten blijven, belanden als ‘bijvangst’ toch bij de Belastingdienst. Enkel en alleen omdat het niet de bedoeling was informatie te vergaren voor de belastingplicht van de ondernemer. De vraag komt dan op waarom bij de verstrekking van de gegevens (nota bene met hulp van belastingambtenaren) niet is bepaald dat die alleen mogen worden gebruikt voor de heffing van de adviseur.
Het zou goed zijn als de standaard wordt gehanteerd dat verstrekking van stukken door andere instanties slechts mogelijk is onder het geclausuleerde gebruik voor enkel en alleen de belastingheffing van de persoon zelf en niet die van derden. Zou de rechter-commissaris ook met ongeclausuleerde verstrekking hebben ingestemd als hij wist dat de informatie ook gebruikt wordt voor de belastingheffing van derden en daar onder het verschoningsrecht valt …? De fiscale zaak van de adviseur is al bijvangst, voor onze ondernemer is het een bijvangst bij een bijvangst. Zover reiken de netten van de Belastingdienst kennelijk.
Of dat werkelijk zo is, zal uiteindelijk de Hoge Raad moeten bepalen. Voor de ondernemer loont het dus de moeite om in hoger beroep te gaan. Hopelijk slaat de Hoge Raad de piketpaaltjes iets scherper dan de rechtbank.
Raadpleeg daarom altijd uw adviseur als het om verstrekken en uitwisselen van gegevens gaat, ook al lijken ze in eerste instantie voor u niet echt van belang of weinig kwaad te kunnen.
Bron informatie FIOD aan fiscus
Voorbeeld brief zwarte lijst Belastingdienst
Zowel particulieren als bedrijven kunnen op deze zwarte lijst staan. Dit kan vele problemen veroorzaken, zoals onterecht een boekenonderzoek, vragen van de Belastingdienst, aanslagen, etc. Bij complexe zaken kunt u het beste contact opnemen met één van onze specialisten. U kunt ook zelf een brief sturen aan de Belastingdienst, deze brief treft u hieronder aan.
Voorbeeld brief FSV zwarte lijst
AANGETEKEND
Belastingdienst / kantoor Heerlen
Postbus 2508
6401 DA Heerlen
Plaats, datum
Onderwerp: AVG verzoek zwarte lijst (naam / BSN-nummer)
Geachte heer, mevrouw,
Hierbij verzoek ik u (naam / BSN-nummer / adresgegevens) op grond van artikel 12 en 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en onder verwijzing naar artikel 8 van het EVRM om mij inzage te verstrekken in de gegevens die over mij zijn geregistreerd en verwerkt in de systemen van de Belastingdienst, dit betreft zowel de gegevens van de inspecteur als de ontvanger als de medewerkers van de afdeling toeslagen.
Het gaat mij om alle gegevens, maar in ieder geval om de gegevens welke geregistreerd en verwerkt zijn in de FSV (Fraude Signalering Voorziening), maar ook hiermee vergelijkbare systemen binnen uw dienst. Vorenstaande zoals bedoeld in de brief van de staatssecretaris van Financiën d.d. 28 april 2020 (kenmerk 2020 - 0000082569).
Meer in het bijzonder wil ik graag weten welke risico's of risicoprofielen en / of kwalificaties aan mijn persoon zijn gekoppeld en op welke plekken deze informatie binnen de Belastingdienst is opgeslagen. De reden voor deze brief is dat ik (gegronde) redenen heb om aan te nemen dat mijn persoon - volledig onterecht - op deze lijst(en) staat opgenomen.
Kunt u mij de ontvangst van deze brief binnen 2 weken schriftelijk (en per e-mail .....@........nl) bevestigen.
Met hoogachting,
_______________________
Vragen over zwarte lijst
Als u vragen of opmerkingen heeft over de zwarte lijste en / of advisering hieromtrent wenst, kunt u contact opnemen met onderstaande specialisten.
Bron zwarte lijst Belastingdienst
Vragen over zwarte lijst
Als u vragen of opmerkingen heeft over de zwarte lijste en / of advisering hieromtrent wenst, kunt u contact opnemen met onderstaande specialisten. Er zal een compensatieregeling komen voor de benadeelden, de vraag is echter hoe een nadeel wordt vastgesteld, dat zal wel weer een onduidelijke en slopende procedure gaan worden. Laat u adviseren door een deskundige en mail gerust met onze specialisten.
Bron zwarte lijst Belastingdienst
Rapport PWV inzake FSV toeslagen
Beantwoording vragen KAB rapportage en zwarte lijst
Bestuurlijke reactie zwarte lijst 3 december 2021
Brief staatsecretaris 29 oktober 2021
Brief Staatssecretaris 10 juli 2020
Brief Autoriteit Persoonsgegevens inzake onderzoek FSV
Rapportage verwerking van risicosignalen
Werkinstructies tips en kliks toezicht particulieren
Bekijk ook deze film van de staatssecretaris
Brief staatssecretaris 29 oktober 2021
Brief staatssecretaris 10 juli 2020
Brief Autoriteit Persoonsgegevens inzake onderzoek FSV
Rapportage verwerking van risicosignalen
Zwarte lijsten Belastingdienst
Als iemand op de FSV lijst staat mag de inspecteur gewoon een onderzoek instellen, dit is in meerdere uitspraken duidelijk geworden. Lees hier bijvoorbeeld een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam uit 2023. Aandachtspunt om te onderzoeken is dan wel dat de melding op de FSV lijst niet de aanleiding is geweest om een onderzoek in te stellen. Hiertoe kan een dossierinzage curciaal zijn. Als hieruit volgt dat er sprake is van een risicoselectie, een verwerking van persoonsgegevens in een databank of een gebruik van een databank waarin persoonsgegevens zijn opgeslagen, kunnen de kaarten anders liggen en kan sprake zin van schending van grondrechten.
De Belastingdienst heeft een bestand bijgehouden waarin ruim 250.000 belastingplichtigen stonden opgenomen. Deze zogenaamde zwarte lijst (Fraude Signalering Voorziening FSV) omvat namen van vermoedelijke fraudeurs, aldus het systeem. Hoe mensen op deze lijst komen is onduidelijk en of men terecht op de lijst stond ook. Er zullen mensen terecht op deze lijst staan, maar kennelijk ook vele duizenden mensen onterecht. Zo konden mensen aan de zwarte lijst worden toegevoegd doordat een rancuneuze buurman of ex-partner deze persoon (onterecht) als "boef" aanmerkt. De lijst is in 2020 "uitgezet". Duizenden mensen kregen door de vermelding op de lijst problemen met aanvragen van toeslagen, boekenonderzoeken, belastingaangiften, etc.
Vraag inzage in de zwarte lijst van de Belastingdienst
Als u problemen heeft gehad met de Belastingdienst en / of gewoon wilt weten of u op de lijst staat, kunnen wij voor u een brief sturen naar de Belastingdienst. Via een dergelijke brief kunt u afdwingen dat u inzage krijgt in uw "dossier" bij de Belastingdienst. Tevens kunt u verzoeken dat uw naam van deze lijst wordt verwijderd. Het kan gaan om namen van privé personen en bedrijven.
Voorbeeldbrief zwarte lijst Belastingdienst
Bij complexe zaken kunt u het beste contact opnemen met één van onze specialisten. U kunt ook zelf een brief sturen naar de Belastingdienst, deze brief ziet er dan als volgt uit:
AANGETEKEND
Belastingdienst / kantoor Heerlen
Postbus 2508
6401 DA Heerlen
Plaats, datum
Onderwerp: AVG verzoek zwarte lijst (naam / BSN-nummer)
Geachte heer, mevrouw,
Hierbij verzoek ik u (naam / BSN-nummer /adresgegevens) op grond van artikel 12 en 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en onder verwijzing naar artikel 8 van het EVRM om mij inzage te verstrekken in de gegevens die over mij zijn geregistreerd en verwerkt in de systemen van de Belastingdienst, dit betreft zowel de gegevens van de inspecteur als de ontvanger als de medewerkers van de afdeling toeslagen.
Het gaat mij om alle gegevens, maar in ieder geval om de gegevens welke geregistreerd en verwerkt zijn in de FSV (Fraude Signalering Voorziening), maar ook hiermee vergelijkbare systemen binnen uw dienst. Vorenstaande zoals bedoeld in de brief van de staatssecretaris van Financien d.d. 28 april 2020 (kenmerk 2020 - 0000082569), vorenstaande wordt nog eens uitgewerkt in de brief van de staatssecretaris op 29 oktober 2021 (kenmerk 2021 - 0000217195).
Meer in het bijzonder wil ik graag weten welke risico's of risicoprofielen en / of kwalificaties aan mijn persoon zijn gekoppeld en op welke plekken deze informatie binnen de Belastingdienst is opgeslagen. De reden voor deze brief is dat ik (gegronde) redenen heb om aan te nemen dat mijn persoon - volledig onterecht - op deze lijst(en) staat opgenomen.
Kunt u mij de ontvangst van deze brief binnen 2 weken schriftelijk (en per e-mail .....@........nl) bevestigen.
Met hoogachting,
________________________
Alternatief is dat u via het formulier van de Belastingdienst een verzoek gaat indienen. Dit kan met uw Digid via dit portaal.
Vragen over zwarte lijst
Als u vragen of opmerkingen heeft over de zwarte lijste en / of advisering hieromtrent wenst, kunt u contact opnemen met onderstaande specialisten. Er zal een compensatieregeling komen voor de benadeelden, de vraag is echter hoe een nadeel wordt vastgesteld, dat zal wel weer een onduidelijke en slopende procedure gaan worden. Laat u adviseren door een deskundige en mail gerust met onze specialisten.
Bron zwarte lijst Belastingdienst
Rapport PWC inzake FSV toeslagen
Beantwoording vragen KAB rapportage en zwarte lijst
Bestuurlijke reactie zwarte lijst 3 december 2021
Brief staatsecretaris 29 oktober 2021
Brief Staatssecretaris 10 juli 2020
Brief Autoriteit Persoonsgegevens inzake onderzoek FSV
Rapportage verwerking van risicosignalen
Werkinstructies tips en kliks toezicht particulieren
Bekijk ook deze film van de staatssecretaris
Rapport PWC 17 maart 2022 (Effecten FSV MKB)
Crypto minen en btw-aftrek
Cryptovaluta lijkt soms wel hét fiscale onderwerp van 2021 te zijn. Niet alleen het koersverloop golft op en neer, maar ook de fiscale gemoedsrust van cryptobezitters. Als gevolg van door de jaren heen sterk gestegen koersen zijn de financiële belangen groot. De onduidelijkheid over de kwalificatie van bepaalde activiteiten zorgt dan voor spanning. Terecht, het verschil tussen belastingheffing in box 3 tegenover box 1 of de vennootschapsbelasting is namelijk enorm. Verrassingen achteraf kunnen dan onbetaalbaar zijn. Vaak vergeten maar zeker ook relevant, is de heffing van btw. Daarover deed de Rechtbank Den Haag recent een uitspraak, die wij in dit artikel bespreken.
Crypto en omzetbelasting
Het betreft een zaak over de btw. De Belastingdienst wil btw naheffen over de periode oktober 2014 tot en met juni 2015. De belastingplichtige in deze zaak houdt zich bezig met het verifiëren en authentiseren van transacties in bitcoin. Ook realiseert hij zogenaamde blokken binnen de bitcoin-blockchain. Dit laatste is de 'mining-activiteit'. De rechtbank omschrijft de blockchain als een digitaal grootboek waarin alle transacties in bitcoins worden bijgehouden. Het gevolg van de mining-activiteit is dat er ruimte ontstaat voor transactiedata.
De belastingplichtige ontvangt twee verschillende vergoedingen. De eerste vergoeding bestaat uit bitcoins en ziet op het verifiëren en authentiseren van transacties. Deze vergoeding wordt niet altijd toegekend. Daarnaast ontvangt de belastingplichtige een tweede vergoeding. Deze vergoeding hangt samen met het realiseren van nieuwe blokken (het minen). Bij deze activiteit is veelal sprake van concurrentie en er geldt een alles-of-niets systeem. Degene die het blok realiseert, ontvangt de volledige vergoeding. De rest krijgt niets.
Voor de mining-activiteit heeft de belastingplichtige zich aangesloten bij een samenwerkingsverband. Dit wordt een pool genoemd. Binnen deze pool worden de gekregen vergoedingen door mining verdeeld. De belastingplichtige heeft apparatuur aangeschaft en verbruikt hiervoor elektriciteit. De btw op deze uitgaven vraagt hij terug. De Belastingdienst is het hiermee oneens.
Geschil over crypto minen als economische activiteit
De vraag is of de mining-activiteit een zogenaamde economische activiteit is. Uitsluitend als sprake is van een economische activiteit, kan sprake zijn van een recht op btw-teruggaaf. Het begrip economische activiteit is een begrip uit de btw-sfeer. Wij lichten dit begrip hierna kort nader toe.
Economische activiteit en bitcoin
Het begrip economische activiteit is in de praktijk een bron voor geschillen met de Belastingdienst. Het betreft namelijk een zeer open norm. Om te kunnen spreken van een economische activiteit, moet in ieder geval sprake zijn van een bezwarende titel (voor wat hoort wat). Daarbij is de ondergrens dat er een afgesproken vergoeding wordt voldaan, die volgt uit een rechtstreeks verband met de geleverde prestatie. Daarbij geldt dat prestaties zelfstandig worden beoordeeld, tenzij sprake is van voldoende samenhang.
Standpunten over minen als economische activiteit
De belastingplichtige vindt dat sprake is van een economische activiteit. De verschillende activiteiten hangen zodanig samen, dat zij één geheel vormen. Daar staat tegenover dat de Belastingdienst van mening is dat alleen met betrekking tot het verifiëren en authentiseren van transacties sprake is van een economische activiteit. De vergoeding voor het minen is namelijk geen vergoeding die samenhangt met deze activiteit, maar staat hier volledig los van. De vergoeding ontstaat enkel wegens het realiseren van een blok. Deze heeft niets te maken met en wordt niet betaald door degene die uiteindelijk transacties geverifieerd wil hebben. Daardoor is volgens de Belastingdienst geen sprake van enige samenhang tussen de ontvangen vergoeding en de geleverde prestatie. De Belastingdienst omschrijft deze vergoeding als 'gevonden geld'.
Rechtbank over crypto minen als economische activiteit
De rechtbank buigt zich over de vraag of sprake is van een economische activiteit. Daarbij gaat de rechtbank mee met de belastingplichtige. Het is niet aannemelijk – volgens de rechtbank – dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen de activiteiten. De rechtbank oordeelt dat het valideren en authentiseren van transacties op zichzelf ook gericht is op het realiseren van het blok en daarmee op minen. Gevalideerde transacties kunnen alleen worden geverifieerd door opname in de blockchain. Het delven is naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk om de later te verhandelen bitcoins te realiseren en vormt daarmee een voorbereidingshandeling voor de activiteit van het verifiëren van de transacties. Er is dus sprake van één economische activiteit. Dat oordeel leidt echter tot de beoordeling van een zeer interessant tweede geschilpunt.
Geschil over btw-aftrek bij cryptovaluta
Belastingplichtige en de Belastingdienst zijn het met betrekking tot de btw-aftrek over een aantal dingen eens. De economische prestaties zijn prestaties die op grond van de wet zijn vrijgesteld van btw. Het betreft namelijk handelingen met betrekking tot het betalingsverkeer. Aangezien de prestaties zijn vrijgesteld van btw, bestaat geen recht op aftrek van btw. Echter, dat is anders voor zover de afnemers van de vrijgestelde prestaties zich buiten de Gemeenschap bevinden. De belastingplichtige meent dat dit voor 98% van zijn prestaties geldt, omdat dit volgt uit statistische gegevens van een website. Hier is de Belastingdienst het niet mee eens. Hij meent dat de belastingplichtige met de verwijzing naar de website onvoldoende aantoont dat het merendeel van de afnemers buiten de Gemeenschap is gevestigd. De beantwoording van deze vraag is cruciaal voor het recht op aftrek van btw.
Rechtbank over btw-aftrek bij cryptovaluta
De rechtbank benoemt eerst dat de bewijslast rust op de belastingplichtige die de btw wil aftrekken. Over deze bewijslast heeft deze rechtbank vragen gesteld aan de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft deze vragen echter onbeantwoord gelaten en dus is het oordeel aan de rechtbank. Hij gaf slechts aan dat deze zaak niet zo bijzonder is dat een uitzondering op de normale regels geldt. Naar deze normale regels mag een procespartij alles aandragen wat hij wil om bewijs te leveren. De rechter is vervolgens vrij het geleverde bewijs te beoordelen.
De rechtbank moet dus beoordelen of de belastingplichtige met de gegevens van de website voldoende bewijs heeft geleverd. De uitkomst is een middenweg. De rechtbank geeft aan dat de cijfers van de website niet direct van toepassing zijn, omdat de cijfers niets zeggen over waar de afnemer van de prestatie gevestigd is. Echter, uit de gegevens komt wel voldoende naar voren dat een deel van de afnemers buiten de Gemeenschap is gevestigd. De rechtbank bepaalt vervolgens zelf een passend percentage en komt uit op 75%. Daarbij telt de rechtbank mee dat het inwoneraantal van de EU ongeveer 1/14e deel van de wereldbevolking is en de inwoners van de EU bovengemiddeld toegang hebben tot cryptovaluta. Er bestaat dus voor 75% recht op aftrek van btw.
Noot fiscaal jurist over bitcoin en BTW
De vraag is eerst of de Belastingdienst in hoger beroep gaat. Die kans is zeker aanwezig. De rechtbank gaat in deze zaak in vergaande mate mee met de belastingplichtige en zeker over de bewijswaardering met betrekking tot de vestigingsplaats van de afnemers, zal de Belastingdienst een andere mening zijn toegedaan. Positief is dat de rechtbank zich duidelijk over deze kwestie heeft uitgesproken en ernaar streeft om cryptobegrippen juridisch te duiden. Dat levert naar de toekomst toe zekerheid op voor zowel belastingplichtige en zijn adviseur als de Belastingdienst.
Wij hebben momenteel veel vooroverlegtrajecten lopen met de Belastingdienst. Daarin proberen wij voor cryptobezitters tot duidelijke afspraken te komen over de fiscale interpretatie van hun activiteiten. Gezien de vaak grote financiële belangen is zekerheid van groot belang. In de meeste dossiers komen wij tot een uitkomst die zowel voor de Belastingdienst als voor de belastingplichtige aanvaardbaar is. Toch is er soms geen ontkomen aan dat over zaken een te afwijkende mening bestaat. Als er vervolgens in overleg niet uitgekomen kan worden, dient beoordeeld te worden of een bezwaar- en beroepsprocedure het passende middel is. Soms zijn de belangen daarvoor niet groot genoeg, soms juist wel. In het gehele traject kunnen ondergetekenden u bijstaan. Benader hen daarom gerust en rechtstreeks via onderstaande contactinformatie.
Bron BTW en crypto
Betalingsregeling Belastingdienst
Flexibeler invorderingsbeleid per 1 juli 2025
Het kabinet wil per 1 juli 2025 het invorderingsbeleid aanpassen om zo een ruimere betalingsregeling mogelijk te maken bij saneringsakkoorden. Levensvatbare ondernemingen krijgen hierdoor meer kans (lees hier de kamervragen). Soms kan een ondernemer niet binnen de huidige regeling zijn of haar coronaschulden aflossen, een saneringsakkoord is dan een betere route. De ondernemer moet aannemelijk maken dat betaling binnen 12 maanden niet tot de mogelijkheden behoort.
Uitbreiding saneringsregeling belastingdienst tot 1 april 2024
In deze onzekere tijden biedt de Belastingdienst een helpende hand aan ondernemers die worstelen met belastingschulden en andere financiële verplichtingen. Een belangrijke versoepeling van de voorwaarden voor het sluiten van een saneringsakkoord is verlengd tot 1 april 2024. Dit artikel licht toe wat deze versoepeling inhoudt en hoe u als ondernemer hier gebruik van kunt maken.
- Wat is een saneringsakkoord?Een saneringsakkoord stelt ondernemers in staat om met hun schuldeisers overeen te komen dat slechts een deel van de schulden betaald hoeft te worden. Dit biedt een uitweg voor ondernemers die hun belastingschuld en andere schulden niet kunnen voldoen.
- Versoepeling voorwaarden tot 1 April 2024: - Normaal gesproken vereist de Belastingdienst een dubbel uitkeringspercentage van wat andere schuldeisers ontvangen. Echter, tot 1 april 2024 is een gelijk uitkeringspercentage voldoende. Deze versoepeling vergroot de kans dat ook andere schuldeisers akkoord gaan met het saneringsvoorstel.
- Hoe dien je een verzoek om schuldsanering in? Voor ZZP'ers en eenmanszaken: Neem contact op met uw gemeente voor het opstarten van een minnelijk schuldsaneringstraject. Voor rechtspersonen: Regel zelf een saneringsakkoord met uw schuldeisers en dien een verzoek tot kwijtschelding van belasting in bij de Belastingdienst.
- Wat als niet alle sSchuldeisers akkoord gaan? - Mocht niet iedere schuldeiser instemmen met uw betalingsvoorstel, dan biedt de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA) een mogelijkheid om alsnog een schuldregeling te treffen.
- Actie vereist vóór 1 April 2024: Zorg ervoor dat uw verzoek om deelname aan een saneringsakkoord vóór deze datum is ingediend. U heeft daarna nog 90 dagen de tijd om uw verzoek volledig in te vullen.
- Conclusie: De Belastingdienst erkent de voortdurende impact van de coronacrisis op ondernemers en biedt daarom deze versoepeling aan. Het is een cruciale kans voor ondernemers om hun financiële situatie te stabiliseren en een weg naar herstel in te slaan. Maak gebruik van deze mogelijkheid en neem de nodige stappen om uw schuldenlast te verlichten.
- Nuttige links: Ik kan mijn schulden niet betalen? Hoe werkt een minnelijke regeling? Kwijtschelding belastingen voor ondernemers Hoe werkt de WHOA?
Verzoek om kwijtschelding of betalingsregeling is geen bezwaarschrift
De Rechtbank Zeeland West Brabant heeft op 12 oktober 2023 (ECLI:NL:RBZWB:2023:7164) uitgesproken dat een verzoek om kwijtschelding of een betalingsregeling niet kan worden aangemerkt als een bezwaarschrift. Ook in beroep bij het Gerechtshof 's Hertogenbosch op 6 november 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:3486) kwam dezelfde conclusie op tafel. De Hoge Raad was er nog sneller klaar mee op 4 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:521) en verklaarde de zaak niet ontvankelijk omdat het griffierecht niet tijdig is voldaan. De bezwaarschriften tegen diverse (gemeentelijke) aanslagen waren te laat (en geen verschoonbare termijnoverschreiding). De verzoeken om kwijtschelding en uitstel van betaling kwalificeren ook niet als bezwaarschrift, deze gaan immers niet over de grondslagen van de aanslagen.
Nieuws april 2022
Om duidelijkheid te geven over de opgebouwde schulden van ondernemers tijdens de coronacrisis ontvangen ondernemers deze week of volgende week een brief van de Belastingdienst met alle schulden die tot 31 januari 2022 zijn opgebouwd. Aflossing (renteloos) moet vanaf 1 oktober 2022 in 60 gelijke termijnen. Het gaat om ruim 270.000 ondernemers. Via een rekentool kunt u bekijken wat u moet aflossen. In de reken hulp zat in eerste instantie een fout omdat deze geen rekening hield met de termijn van 60 maanden.
Nieuws januari 2022 (uitstel tot 1 april 2022)
Om ondernemers en bedrijven te helpen heeft het kabinet besloten om het uitstel van betaling bij de Belastingdienst te verlengen tot 31 maart 2022. Het uitstel liep officieel af op 31 januari 2022. Op dit moment staat er ruim € 18 miljard aan belastingschulden open bij ongeveer 400.000 ondernemers. Ondernemers die al gebruik maken van de uitstel regeling hoeven verder geen actie te ondernemen. Als u nog geen gebruik maakt van de regeling moet u dit voor 31 maart 2022 melden bij de Belastingdienst. Voor meer informatie lees dit artikel op de site van de Belastingdienst.
Versoepeling betalingsregeling Belastingdienst
Ondernemers die door corona uitstel van betaling van belastingen hebben verkregen krijgen geen 24 maanden uitstel, maar zelfs 36 maanden. Zonder zekerheid en met een beperkte rente (0,01%). De eerste betaling hoeft niet per 1 januari 2021 plaats te vinden, maar per 1 juli 2021. Deze regeling geldt van 1 oktober 2021 tot en met 31 januari 2022. Aanvragen kan tot en met 31 januari 2022.
Nieuws betalingsregeling na 1 oktober 2021
Ondernemers die als gevolg van de coronapandemie een belastingschuld bij de Belastingdienst hebben opgebouwd krijgen ook na 30 september 2021 meer ruimte om die uitgestelde belastingen te betalen (bron Belastingdienst). Het gaat om ruim 250.000 ondernemers met een totale schuld van € 19 miljard. Als een ondernemer uitstel van betaling heeft aangevraagd, moet hij normaal gesproken vanaf 1 oktober 2021 weer aangifte doen en op tijd betalen. Tevens moet worden gestart met de aflossing van de oude schulden (in 5 jaar tijd). Als uw bedrijf levensvatbaar is, kan de Belastingdienst ook soepel omgaan met nieuwe schulden die na 1 oktober 2021 ontstaan. Er zullen wel strengere voorwaarden gaan gelden.
Wat zijn de voorwaarden voor de tijdelijke aanvullende tegemoetkoming?
- U hebt bijzonder uitstel van betaling aangevraagd en gekregen.
- Er is sprake van werkelijk bestaande betalingsproblemen die hoofdzakelijk zijn veroorzaakt door de coronacrisis.
- De betalingsproblemen zijn van tijdelijke aard.
- De betalingsproblemen zijn voor een bepaald tijdstip opgelost.
- Uw onderneming moet levensvatbaar zijn.
- U moet aannemelijk maken dat aan de vorige 4 voorwaarden is voldaan.
- Is uw totale belastingschuld (de schuld die u hebt opgebouwd tijdens het bijzonder uitstel plus de schuld die u hebt opgebouwd vanaf 1 oktober 2021) € 20.000 of hoger? U moet dan een verklaring van een derde deskundige met een beoordeling van de aard van de betalingsproblemen bijsluiten.
- Is uw totale belastingschuld lager dan € 20.000? Stuur dan een eigen verklaring met dezelfde inhoud.
- U blijft op tijd aangifte doen voor uw belastingen.
Stuur dit verzoek aan de Belastingdienst, Postbus 100 te 6400 AC Heerlen.
Vragen over betalingsregeling Belastingdienst?
Bent u het niet eens met de Belastingdienst, dan kunnen wij u altijd helpen. Stuur hiertoe gerust een e-mail naar ons.
Derdenonderzoek van de Belastingdienst
Vragen van de Belastingdienst over een ander. Wat te doen?
De Belastingdienst heeft talloze middelen om informatie te vergaren die voor uw belastingheffing van belang kan zijn. Als de informatie die u kunt verschaffen niet voldoende is of de Belastingdienst wil de juistheid daarvan controleren, kan ook informatie ingewonnen worden bij anderen. Daarvoor bestaat een wettelijke regeling (artikel 53 AWR). De administratieplichtigen (lees: ondernemers) zijn verplicht aan zo'n inlichtingenverzoek mee te werken.
Dat informatierecht van de Belastingdienst heeft wel zijn beperkingen. Zo mag het niet te belastend zijn voor de bevraagde, moet duidelijk zijn waar het om gaat, moet die informatie niet eenvoudig elders zijn te vinden, etc.
Woo verzoek derdenonderzoek Belastingdienst
Hierbij kunt u het rapport vaktechnische instructies controle derdenonderzoek d.d. 18 januari 2024 raadplegen. In dit interne document kunt u richtlijnen raadplegen inzake een derdenonderzoek door de Belastingdienst. Tevens is een document inzake de informatie verstrekking door de FIOD aan de Belastingdienst openbaar gemaakt.
Wat mag de Belastingdienst opvragen bij een derdenonderzoek?
Als derde bent u verplicht gegevens te verstrekken die uit uw eigen administratie blijken ten aanzien van anderen die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van die ander. Het is maar de vraag of het inwinnen van informatie die meer algemeen in het kader van de belastingheffing van belang kan zijn is toegestaan. Denk aan brancheonderzoek, dat later gebruikt kan worden voor de belastingheffing van ondernemers in die branche.
Grens bij derdenonderzoek Belastingdienst
Die is nooit helemaal duidelijk. Wel is duidelijk dat het geen phishing expedition mag worden. Dus het niet zo breed stellen van vragen en dat herhalen tot het weleens 'beet' zou kunnen zijn. Naar onze mening moet de door de Inspecteur gevraagde informatie in ieder geval voor de bevraagde zelf direct uit diens administratie moet kunnen worden gehaald.
Een concreet geval deed zich recent voor. Een belastingplichtige had een bonusregeling ondergebracht in de fiscaal-vriendelijke werkkostenregeling. De Belastingdienst was het daar niet mee eens, omdat het niet gebruikelijk zou zijn in de branche om dergelijke regelingen te hebben en onder te brengen in de werkkostenregeling. Als dat niet gebruikelijk is, kan de belastingplichtige het ook niet toepassen.
Om aan zijn bewijs te voldoen, had de inspecteur aan 88 branchegenoten vragen gesteld over het gebruik en de toepassing van de werkkostenregeling bij bonussen.
Een brancheonderzoek als derdenonderzoek is niet toegestaan
Met de adviseur van de Hoge Raad, A-G Niessen zijn wij van mening dat een brancheonderzoek ten behoeve van de belastingheffing van een concrete belastingplichtige niet is toegestaan onder artikel 53 van de AWR, waarbij medewerking verplicht is en niet-medewerking met sancties kan worden bestraft. Uit het verband tussen artikel 53 AWR en artikel 47 AWR volgt dat de aan de inspecteur verleende bevoegdheid niet ziet op brancheonderzoek, maar op onderzoek ten behoeve van één of wellicht enkele specifieke belastingplichtigen.
Onder het mom van vragen staat vrij, menen wij dat de Belastingdienst van alles en nog wat mag vragen. Antwoorden is dan niet verplicht. Als de Belastingdienst de wettelijke bepaling gebruikt om informatie te vergaren onder de verplichting te antwoorden (en te dreigen met sancties), dienen die vragen concreet en op de belastingplichtige direct betrekking te hebben. Een brancheonderzoek is onder die wettelijke bepaling dus niet mogelijk.
Gebruiken van informatie uit derdenonderzoek
Anders dan A-G Niessen, menen wij dat de resultaten van het ten onrechte onder artikel 53 AWR verrichte brancheonderzoek niet tegen de belastingplichtige mogen worden gebruikt.
De A-G meent dat de fout beperkt is, omdat vragen mag, alleen niet onder artikel 53 AWR, de geringe impact hiervan op belanghebbende en dat belanghebbende geen tegenbewijs heeft geleverd. Alle drie de elementen onderschrijven wij niet. Doorgaans is de verstrekking van gegevens aan de Belastingdienst voor ondernemers geen prioriteit.
- Het resultaat van het brancheonderzoek zal zeer beperkt zijn als het niet onder de druk aan de plicht en sancties van artikel 53 AWR is gebeurd.
- Ten tweede zal de belanghebbende inderdaad weinig merken van het onderzoek zelf (dat is immers niet bij hem), de impact van de resultaten des te meer.
- Ten derde omdat de belanghebbende niet de wettelijke middelen heeft om tegenonderzoek te doen.
Conclusie derdenonderzoek Belastingdienst
Bij onderzoeken mag de Belastingdienst ver gaan, maar er zijn grenzen. Vraag daarom altijd waarom het gaat, over wie en wat de wettelijke grondslag is voor de vragen. Dus bespreek een vragenbrief of informatieverzoek anderszins (beleefde achteloze e-mails komen steeds vaker voor!) altijd met uw deskundig adviseur. En heeft u deze niet? Bel of mail gerust met één van onze deskundigen.
Bron derdenonderzoek Belastingdienst
Conclusie advocaat-generaal ECLI:NL:PHR:2021:631
Denk goed na en schakel een specialist in !
Crypto inkeren of melden bij de Belastingdienst
Actief met crypto, trading, blockchain of cold storage? Voorkom fiscale risico's en betaal niet onnodig belasting over uw bezit. Onze fiscalisten combineren diepgaande kennis van crypto met jarenlange ervaring in complexe fiscale structuren voor vermogende particulieren en crypto bezitters. De meest voorkomende advies onderdelen bij crypto of bitcoin bezitters:
- Crypto vergeten in uw aangifte inkomstenbelasting en vrijwillig melden
- Crypto inbreng in BV
- Crypto in familiefonds
- Emigratie naar fiscaal vriendelijk crypto land, zoals Portugal en Duitsland
- Hulp bij beantwoording vragenbrief of boekenonderzoek belastindienst.
- Inlog kwijt, waarde crypto dan 0 euro?
Vragen over crypto in uw aangifte of hulp bij inkeren bij de belastingdienst? Onze specialisten helpen u graag en hebben meer dan voldoende ervaring. Mail ons gerust voor een vrijblijvende offerte.
Boete crypto kan oplopen tot 300%
Steeds meer Nederlanders bezitten cryptovaluta, zoals de Bitcoin. Wij staan in de praktijk vaak belastingplichtigen bij die de belastingheffing bij deze cryptovaluta over het hoofd hebben gezien. In 2025 gaat er in Nederland nieuwe wetgeving in (binnen de Europese Unie), waardoor de bezitter van bitcoins of andere cryptomunten bekend worden bij de Belastingdienst, deze staan dan vanaf 2026 automatisch in uw aangifte inkomstenbelasting.. Crypto moet in de meeste gevallen in box 3 (waarde per 1 januari) worden aangegeven, soms zelfs in box 1.
Hebt u crypto's? Wij zien dat veel mensen deze (nog) niet melden bij de Belastingdienst, soms bewust, soms onbewust. Er is op dit moment Europese regelgeving op komst die het verbergen van cryptomunten voor de Belastingdienst complexer maakt.
Nieuws: Crypto vanaf 1 janauri 2026 automatisch in uw aangifte inkomstenbelasting. Crypto aanbieders zijn vanaf dat moment verplicht om gegevens uit te wisselen met de belastingdienst. Het wetsvoorstel (link) hierover is in juli 2025 naar de tweede kamer gestuurd. Eerste rapportage is dan op 31 januari 2027 (over 2026).
In maart 2026 zijn vragen over het wetsvoorstel wet implementatie EU richtlijk gegevensuitwisseling crypto activa (dac 8) beantwoord. U kunt hier de nota naar aanleiding van het verslag raadplegen en natuurlijk ook het verslag zelf en de beslisnota.
Nieuwe DAC8 wetgeving voor crypto in Nederland
Het Ministerie van Financiën heeft een wetsvoorstel ingediend om de Europese DAC8-richtlijn in de Nederlandse wet te implementeren, waarmee aanbieders van cryptodiensten vanaf 1 januari 2026 verplicht worden om gebruikersgegevens te verzamelen, controleren en delen met de Belastingdienst. Dit moet belastingontwijking en -ontduiking tegengaan. De gegevens worden jaarlijks gedeeld met andere EU-lidstaten en, door implementatie van het CARF, ook met niet-EU-landen die hieraan meedoen. Voor cryptobezitters verandert er niets; zij moeten al aangifte doen. De consultatie loopt tot 21 november, met indiening van het voorstel in het tweede kwartaal van 2025. Relevante documenten :
- Concept wettekst implementatie EU richtlijn gegevensuitwisseling crypto activa
- Concept memorie van toelichting DAC8 en gegevensuitwisseling crypto activa
- Beleidskompas formulier crypto
Nieuwe Europese wetgeving inzake crypto en melding Belastingdienst
De Europese Unie is met een richtlijn bezig waardoor lidstaten van de EU eenvoudiger spontaan informatie kunnen en moeten uitwisselen over de bezitter / eigenaar van cryptomunten. Het voorstel staat voor 2021 op de agenda. Nadat de wetgeving binnen de EU is aangenomen, moet deze worden opgenomen in de Nederlandse wetgeving, dit zal nog wel even duren. Binnen de nieuwe wetgeving worden cryptobedrijven gedwongen om persoonlijke gegevens van zenders en ontvangers op te slaan en uiteindelijk aan de EU of het woonland te verstrekken. Het is zelfs denkbaar dat anonieme cryptowallets worden verboden.
In dit artikel leggen wij de gevolgen uit als u crypto niet in uw aangifte hebt aangegeven en bijvoorbeeld wordt betrapt.
Heeft de belastingdienst informatie over mijn crypto of bitcoin?
Sinds 2020 moeten aanbieders in Nederland zich registeren bij de Nederlandse bank. Vanaf 2026 moet op grond van Europese wetgeving ook informatie door platformen en aanbieders worden doorgegeven aan de fiscale autoriteiten in hun vestigingsland. Deze informatie wordt dan ook doorgegeven aan de belastingautoriteiten als een belastingplichtige in het buitenland woont (dus ook de Belastingdienst krijgt dan automatisch informatie over uw crypto). Deze wetgeving geldt voor binnen de EU gevestigde platformen.
In de huidige tijd melden zich steeds meer belastingplichtigen vrijwillig bij de belastingdienst of nemen "opeens" de in het verleden opgebouwde crypto in hun aangifte inkomstenbelasting.
Bureau financieel toezicht en crypto
Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) heeft een notitie geschreven over hoe accountants en fiscalisten moeten omgaan met klanten die crypto valuta bezitten en/of hoe hiermee moet worden omgegaan in de aangifte inkomstenbelasting en/of jaarrekening. De notitie kunt u hier raadplegen.
Cryptovaluta en Belastingdienst
Cryptovaluta vertegenwoordigen een waarde. Deze waarde varieert sterk. De waarde die voor uw heffing relevant is, is afhankelijk van de wijze waarop u de cryptovaluta aanhoudt. Bezit van crypto hoort in de basis thuis in box 3. Bent u een actieve particulier (bijvoorbeeld door minen of veel handel), dan kan sprake zijn van heffing in box 1. De kosten zijn dan ook aftrekbaar.
Het kopen van crypto is zelden zichtbaar voor de Belastingdienst. Als de crypto (met forse winst) wordt verkocht, is er echter wel een vermogensstijging zichtbaar, deze kan de Belastingdienst via een vermogensvergelijking wel zien. De Belastingdienst zal dan vragen stellen over de door u ingediende aangifte Inkomstenbelasting.
De Belastingdienst kan dan tot 5 jaar terug een navorderingsaanslag opleggen, als de crypto via het buitenland is aangehouden, kan dit ook 12 jaar zijn. Wij denken dat de Belastingdienst gaat stellen dat crypto kwalificeert als buitenlands vermogen (dus 12 jaar navorderingstermijn).
Tevens zal de Belastingdienst een boete opleggen. Omdat de crypto veelal bewust niet is opgenomen, zal de basisstelling zijn dat sprake is van opzettelijk niet aangeven van vermogen. De boete bedraagt dan tenminste 100% van de opgelegde aanslag. Er kan ook een verhoogde boete van 300% worden opgelegd, deze wordt meestal verminderd tot 150%.
Advies inzake crypto bij onderzoek Belastingdienst
De Belastingdienst zal u een vragenformulier sturen. U bent verplicht de fiscaal relevante vragen te beantwoorden, andere vragen dus niet. Als u niet zou antwoorden of dit weigert, zal de Belastingdienst een zogenaamde informatiebeschikking afgeven. Gevolg hiervan is dat u aanloopt tegen een omkering en verzwaring van de bewijslast. Al uw stellingen moet u in dit traject overtuigend aantonen, dit gaat verder dan de normale toets (aannemelijk maken).
Het is verstandig om een specialist in te schakelen als de Belastingdienst u op het spoor komt. Wij hebben ruime ervaring met dit soort trajecten en adviseerden ook honderden cliënten bij het vooraf melden van nog onbekend vermogen (inkeerregeling).
"Ik heb crypto niet in mijn aangifte staan, wat nu?"
Mede door de aangekondigde EU-wetgeving zal de Belastingdienst binnen enkele jaren veel informatie ontvangen over cryptobeleggingen. Als dit nog niet bekend is in uw aangifte, dan loopt u een fors financieel risico (boetes kunnen oplopen tot 300%). U kunt vrijwillig een opgave doen aan de Belastingdienst inzake de verzwegen cryptobeleggingen. Als u dit binnen 2 jaar doet, dan wordt er veelal geen vergrijpboete opgelegd. Voor cryptobeleggingen gelden er echter wel uitzonderingen, in voorkomende gevallen wordt er wel een vergrijpboete opgelegd, maar deze is dan lager dan de genoemde 150%.
Als de Belastingdienst u al op het spoor is, dan is vrijwillige verbetering niet meer mogelijk. Inkeren is dan immers niet meer vrijwillig.
Op korte termijn is het voor de Belastingdienst een stuk eenvoudiger om cryptomunten in het vizier te krijgen.
Advies inzake inkeren bij cryptobeleggingen
Wij hebben in de loop der jaren veel inkeertrajecten begeleid. Dat waren eerst vooral zaken met betrekking tot buitenlandse bankrekeningen, maar steeds vaker gaat het om (aanzienlijke) cryptoportefeuilles. De belastingplichtige die vrijwillig wil verbeteren en alsnog juiste aangiften uit zichzelf doet, kan er vaak met een goede deal vanaf komen. Wij helpen u graag om die deal te bereiken. Neem gerust eens contact op met één van de auteurs van dit artikel. Een eerste gesprek is altijd vrijblijvend.
Bron crypto en inkeerregeling
Vragen en antwoorden EU inzake crypto
Richtlijn EU inzake crypto 20 juli 2021
Geen schending gelijkheidsbeginsel artiest en actrice
Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 17 augustus 2021 in twee zaken uitspraak gedaan. In beide gevallen gaat het om de vraag of iemand wel of niet als ondernemer voor de inkomstenbelasting kwalificeert. Het betreft een artiest en een actrice. De argumenten zijn aan elkaar gelijk: het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden. Het gelijkheidsbeginsel vereist dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. In beide gevallen komt het gerechtshof tot het oordeel dat het gelijkheidsbeginsel niet geschonden is. In dit artikel een toelichting op de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak van het gerechtshof en een toelichting op het gelijkheidsbeginsel.
Rechtbank over ongelijke behandeling artiest en actrice
Het geschil ziet op de vraag of het gelijkheidsbeginsel is geschonden. In de rechtbankfase hebben de artiest en actrice zelfstandige procedures gevoerd, maar de overlap is qua inhoud zeer groot. Het komt in beide procedures neer op de vraag of bepaalde inkomsten wel of niet als winst uit onderneming kwalificeren. Het 'voordeel' aan winst uit onderneming is dat er ondernemersfaciliteiten van toepassing kunnen zijn en gemaakte kosten in aftrek kunnen worden gebracht. Het gevolg is vaak lagere belastingheffing.
Het argument is dat er sprake is van begunstigend beleid dat op de artiest en actrice niet is toegepast. Het beleid zou zijn, zo stellen zij, dat verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen worden toegekend zonder overeenkomsten in te willen zien. Dit beleid is niet gepubliceerd, maar zou blijken uit e-mails en 'ervaringen' uit eerdere jaren. Daarnaast zou in soortgelijke situaties wel zijn geaccepteerd dat de inkomsten als winst uit onderneming worden verantwoord. Dit is een beroep op de zogenaamde meerderheidsregel. Ter onderbouwing hiervan sturen de artiest en actrice 123 uitspraken op bezwaar in. Deze uitspraken zien op 58 andere belastingplichtigen en zij zijn tegemoetgekomen door de Belastingdienst. Volgens de artiest en actrice zijn zij met hen vergelijkbaar. De Belastingdienst is het hier (uiteraard) niet mee eens.
Toetsingskader bij schending gelijkheidsbeginsel
Het gebeurt regelmatig dat belastingplichtigen zich beroepen op schending van het gelijkheidsbeginsel. Deze vordering wordt echter niet vaak toegewezen. Een schending van het gelijkheidsbeginsel vereist dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Maar dat is op zichzelf nog niet voldoende. De ongelijke behandeling moet voortkomen uit begunstigend beleid of een oogmerk van begunstiging en er mag geen rechtvaardiging voor aanwezig zijn. Dat vraagt ook om nadere duiding van de termen 'begunstigend beleid' en 'oogmerk van begunstiging'. Van begunstigend beleid is sprake indien de Belastingdienst beleid zou hebben gevoerd dat bepaalde belastingplichtigen bevoordeelt en andere belastingplichtigen niet door de wet op onjuiste wijze toe te passen. Dit moet de bedoeling zijn geweest van de Belastingdienst. Van een oogmerk van begunstiging is sprake indien de Belastingdienst zich ervan bewust is – of zou moeten zijn – dat hij in andere gevallen wel begunstigend optreedt door de wet onjuist toe te passen. Tot slot de meerderheidsregel. Deze regel houdt in dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, indien gelijke gevallen deel uitmaken van een groep en de meerderheid van de groep begunstigend wordt behandeld.
Het is aan de belastingplichtige die zich op een schending van het gelijkheidsbeginsel beroept, om dit te bewijzen. Bewijzen betekent daarbij – in dit geval – niet dat iets buiten alle twijfel aangetoond moet worden. Het gaat er om dat de belastingplichtige de schending aannemelijk weet te maken. Vervolgens is het aan de Belastingdienst om dat gemotiveerd te betwisten. De belastingplichtige dient feiten en omstandigheden aan te dragen en aannemelijk te maken. Uit deze feiten en omstandigheden moet volgen dat in minstens twee gevallen die vergelijkbaar zijn, een juiste toepassing van de wet achterwege is gebleven. Daarna is het aan de Belastingdienst om aannemelijk te maken dat de relevante groep groter is en dat in de meerderheid van de gevallen de wet correct is toegepast. De discussie richt zich vaak op de vraag of überhaupt sprake is van gelijke gevallen.
Het bepalen of sprake is van gelijke gevallen is ingewikkelder dan op het eerste oog het geval lijkt te zijn. Situaties kunnen immers alleen vanuit een bepaald gezichtspunt gelijke situaties zijn. Een in de praktijk veelgemaakte 'fout' is, dat een compleet overzicht wordt opgesteld van alle mogelijke overeenkomsten en verschillen. Dat is onnodig en draagt niet bij aan de uitkomst van de procedure. Eerst moet duidelijk worden waar de gelijkheid in schuilt en daarna dienen de fiscaal-juridisch relevante verschillen te worden benoemd.
Gelijkheid doet zich voor indien situaties rechtens en feitelijk vergelijkbaar zijn. Rechtens vergelijkbaar is over het algemeen makkelijk vast te stellen. Daar doet zich namelijk de vraag voor of dezelfde wettelijke voorschriften op de belastingplichtigen van toepassing zijn. Uiteraard geldt ook hier: slechts de voorschriften toetsen die voor de specifieke situatie van belang zijn. Feitelijke vergelijkbaarheid is vaak iets complexer. Daar staat de vraag centraal of de belastingplichtigen in soortgelijke omstandigheden verkeren. Er moet dan worden gekeken naar de omstandigheden die voor de toepassing van het wettelijke voorschrift (of een beleidsregel) van belang zijn.
Oordeel rechtbank over schending gelijkheidsbeginsel
De rechtbank oordeelt dat de artiest en actrice niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. De e-mails van de Belastingdienst en de 'eerdere ervaringen' zijn daarvoor onvoldoende bewijs. Het is in het geheel onduidelijk of er sprake is geweest van bepaald beleid, laat staan begunstigend beleid. Ook het beroep op de meerderheidsregel slaagt niet. Hierover oordeelt de rechtbank als volgt. De ingediende stukken over de andere kunstenaars zijn te beperkt om de gelijkheid aan te nemen. Zo zijn geen contracten overlegd, zodat niet geoordeeld kan worden of de werkzaamheden onder dezelfde voorwaarden worden verricht. Dat de artiest en actrice vergelijkbaar zijn met andere kunstenaars, is als enkele stelling onvoldoende. Dat is te algemeen. De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden.
Oordeel gerechtshof over schending gelijkheidsbeginsel
Het Gerechtshof Amsterdam heeft de beide hogere beroepen op 17 augustus 2021 behandeld. Het hof merkt eerst op dat de rechtbank op de juiste wijze de stellingen van de belastingplichtigen heeft getoetst. Het hof gaat vervolgens zelf naar de zaak kijken. De eerste conclusie is dat het hof uit de stukken niet kan afleiden dat bij de andere kunstenaars de wet onjuist is toegepast op de wijze zoals de artiest en actrice menen dat het geval is. Aan de vraag of in de meerderheid van de gevallen de wet onjuist is toegepast, komt het hof dan niet eens toe.
Veronderstellenderwijs gaat het hof nog in op de situatie dat er wel sprake is van vergelijkbare gevallen. In dat geval volgt uit wat de artiest en actrice verder hebben aangeleverd, niet dat de Belastingdienst bewust van de wet is afgeweken of een oogmerk van begunstiging heeft gehad. Daarom kan het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel niet slagen. Het hof bevestigt daarom de uitspraken van de rechtbank.
Fiscaal procederen is maatwerk
Fiscaal procederen is een vak apart. Wij voeren bijna dagelijks fiscale procedures en merken dat het formele belastingrecht steeds belangrijker wordt. Formeel belastingrecht is het geheel aan regels dat ziet op het vaststellen en invorderen van belastingschulden. Denk bijvoorbeeld aan regels over het opleggen van een naheffingsaanslag, het opleggen van boeten en het gebruik van bevoegdheden door onder andere de Belastingdienst. Maar ook de verplichtingen die belastingplichtigen hebben tegenover de Belastingdienst zijn onderdeel van het formele belastingrecht. Zowel belastingplichtige als Belastingdienst lijken deze regels steeds verder te willen oprekken en daar ontstaat spanning.
De meeste fiscale procedures worden binnen ons kantoor door twee personen opgepakt. Eén die gespecialiseerd in 'de spelregels' (het formele belastingrecht) en één die gespecialiseerd is in de materiële kant van het geschil. Een voorbeeld ter verduidelijking. De Belastingdienst kan een navorderingsaanslag opleggen, omdat u ten onrechte een herinvesteringsreserve gevormd zou hebben. Ook wordt een boete opgelegd. Onze specialist formeel belastingrecht beoordeelt dan de rechtmatigheid van de navorderingsaanslag en de boete. Daarnaast is er een specialist van ons die zich bezighoudt met de vraag of u wel of niet een herinvesteringsreserve had mogen vormen. Dit maximaliseert uw proceskansen, zonder dat dit leidt tot extra kosten.
Uit voorgaande komt naar voren dat fiscaal procederen een vak apart is, net als winstbelasting en omzetbelasting. Win daarom bij een aanstaande procedure altijd advies in van een processpecialist. Wij ondersteunen particulieren, ondernemingen, maar ook accountantskantoren die zelf de procedures van hun klanten liever niet voeren. Op het gebied van de overdrachtsbelasting en btw adviseren wij regelmatig notariskantoren.
Vragen naar aanleiding van bovenstaande? Neem dan gerust rechtstreeks contact op met één van onderstaande auteurs.
Uitspraken:
Boekenonderzoek paardenbranche
Dit artikel is geschreven door Madeleine Brugman, belastingadviseur en liefhebber van de paardensport. Heeft u vragen welke deze wereld raken of is er een boekenonderzoek ingesteld, neem dan gerust contact op met Madeleine Brugman.
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Winstgevende paarden activiteiten van dierenarts
Een dierenarts wordt in 2016 ernstig ziek en verkoopt - mede daarom - zijn paarden die hij in prive bezit. Er vinden ruim 40 contante stortingen (totaal kleine € 500.000) op zijn bankrekening plaats. De Rabobank maakt hier melding van en de FIOD gaat op onderzoek. Er volgen - over de periode 2016 tot en met 2020 - diverse navorderingsaanslagen omdat de belastingdienst van mening is dat er sprake is van een bron van inkomen. De Rechtbank Noord Nederland is het op 22 april 2025 ECLI:NL:RBNNE:2025:1544 met de belastingdienst eens. In de procedure spelen een aantal zaken:
- Is er sprake van een bron van inkomen?
- Vanaf welk moment is er sprake van een bron van inkomen?
- Is de belastingplichtige ondernemer of niet?
De dierenarts stelt dat er sprake is van een uit de hand gelopen hobby, hij heeft ook nimmer een voordeel beoogd. De rechtbank stelt vast dat de paarden worden verkocht omdat de dierenarts ziek is geworden (dit is van persoonlijke aard). De rechtbank stelt echter ook dat de dierenarts - wellicht onbewust - een voordeelsoogmerk had. Deze discussie zien we ook wel eens bij een crypto trading bot . Er is dus sprake van een subjectieve voordeelsverwachting (aldus de rechtbank). Naast dit subjectieve vereiste is er ook sprake van een objectieve voordeelsverwachting. Dit komt voort uit het feit dat er structureel positieve opbrengsten worden behaald bij de verkoop van de paarden. Hierbij wordt de specifieke kennis en kunde van de dierenarts meegewogen, dit zien we wel vaker (zoals bij Hoge Raad d.d. 9 september 2011 ECLI:NL:HR:2011:BQ2071). De deelname aan het economische verkeer stond hier verder niet ter discussie.
Daarna ontstaat er nog discussie over het moment, feitelijk dus de openingsbalans van de onderneming. De rechtbank kijkt hier vrij algemeen na. De tijdspanne kan ruim zijn (zie software tool arrest Hoge Raad d.d. 21 december 2018 ECLI:NL:HR:2018:2390)
Boekenonderzoek in de sportpaardenbranche
Teneinde de fraude in (inter-)nationale handel van (top-)sportpaarden aan te pakken, heeft de FIOD in 2017 de werkgroep "Elite Paarden" opgericht, teneinde nationale en internationale boekenonderzoeken in te stellen bij organisaties die zich hoofdzakelijk bezighouden met de handel van topsportpaarden. Daarbij werd onderzoek gedaan naar carrouselfraude en witwassen in het epicentrum (Euregio driehoek Eindhoven, Aken, Brussel, waar later Nordrhein Westfalen, Nedersaksen en Noord-Frankrijk aan werden toegevoegd.
Meer boekenonderzoeken Belastingdienst
Uit het rapport analyse niveau toezicht achteraf volgt dat het aantal boekenonderzoek bij MKB bedrijven met 33% is gedaald. Het aantal jaarlijkse onderzoeken is gedaald van 27.000 (in 2016) tot iets meer dan 15.000 (in 2019). De oorzaak is gelegen in personeel- en capaciteitsgebrek bij de belastingdienst. Daarnaast kosten controles veel tijd en zijn deze complex. Op dit moment wordt op grond van data analyses een risico analyse gemaakt en worden onderzoeken dus anders ingezet. Van de 2,7 miljoen MKB bedrijven worden er jaarlijks maar een paar procent gecontroleerd. Onze staatssecretaris (van Rij) komt in de zomer met een actieplan voor een toename en verbetering van het aantal boekenonderzoeken bij MKB bedrijven, aldus het FD. Wij adviseren veel ondernemers tijdens boekenonderzoeken, maar ook via een fiscale scan vooraf. Via een fiscale scan inventariseren wij de risico gebieden maar ook de fiscale mogelijkheden. Interesse in een fiscale APK, neem gerust contact met ons op.
Belastingfraude binnen de paardensport
Aanleiding voor het grootschalige onderzoek was een melding van een oplettende douanemedewerker op de luchthaven van Luik. Daar werd een heel waardevol sportpaard uitgevoerd en enkele weken later werd datzelfde paard weer ingevoerd met een aanzienlijk lagere waarde. Uit een opvolgend summier onderzoek bleek dat dit veel vaker voorkwam. De waardebepaling van een paard is en blijft een lastige kwestie doordat vraag / aanbod en emotie de prijs naar ongekende hoogtes kunnen opdrijven en een ernstige blessure de waarde kan laten verwateren tot de slachtprijs of nihil. Goederen waarvan de waarde lastig is te bepalen zijn zeer geliefd bij degenen die geld witwassen.
Doel van het onderzoek was om meer inzicht te krijgen in de werkwijze van deze branche en te constateren waar / hoe frauduleuze transacties plaatsvinden teneinde aanbevelingen te kunnen maken ter zake van fraudepreventie. De hippische sector is een lastig parcours voor de fiscus, daar de waardebepaling erg subjectief kan zijn en de eigenaren en de waarde van de paarden niet centraal staan geregistreerd. Daar komt nog bij dat het eigendom van paarden soms via ingewikkelde constructies verloopt via Nederlandse handelsstallen, met in het buitenland wonende particulieren en vennootschappen die gevestigd zijn in een belastingparadijs, waarvan de eigenaren dan weer buiten Nederland wonen of fiscale nomaden zijn.
Belastingdienst en kijk op paardenhandel
De paardenhandel is een wereldje op zich en, hoewel met een groot globaal bereik, de topruiters en paardenhandelaren die hen paarden verschaffen kennen elkaar wel op de één of andere manier. Het heeft zo zijn eigen omgangsregels en is erg conventioneel. Fiscaal is het bij boekenonderzoeken vaak een zwaar parcours om de fiscale realiteit te achterhalen, waardoor er veel (onterechte) aannames worden gedaan en hoge naheffingsaanslagen worden opgelegd, welke voor de belastingplichtige lastig of onmogelijk zijn om te pareren omdat er contractueel veelal niets (of te weinig) wordt vastgelegd.
Boekenonderzoek of FIOD-inval binnen paardenbranche
Een goed voorbeeld is een boekenonderzoek bij een springruiter in Wierden. De Belastingdienst stelt diverse vragen en bekijkt vele stukken. Er zit een verschil tussen de administratieve en werkelijke voorraad paarden. Simpel zou men kunnen stellen: er zijn meer paarden verkocht dan dat er omzet is geboekt. Er volgt argwaan en vervolgens wordt de FIOD ingeschakeld. De FIOD kan dieper graven in de "paardenbak" en doorzoekt de woning, het kantoor, en brengt een bezoek aan het accountantskantoor van de springruiter. De ruiter wordt verdacht van het indienen van onjuiste belastingaangiften en het niet voeren van een juiste administratie. In dit onderzoek zijn de ruiter en de belastingadviseur beiden verdachte.
Fiscale kijk in de paardenkeuken
Facturen worden vaak niet of nauwelijks eens gemaakt en contante betalingen zijn eerder regelmaat dan uitzondering. Daarbij komt nog dat de waarde van een paard erg subjectief is. Natuurlijk is er een soort benchmarket van vergelijkbare paarden van dezelfde leeftijd, ervaring en prestatielijst, maar de prijs kan explosief uit zijn verband worden getrokken als er twee of meer partijen een paard koste wat het kost willen hebben of als iemand een paard echt liever niet wil verkopen en de koper wil het paard per se hebben. Paarden hebben een waarde in het economisch verkeer van 'wat een gek er voor geeft' en die waarde is heel lastig vast te stellen. Als achteraf blijkt dat een duur verkocht paard helemaal niet functioneert met de nieuwe ruiter, wordt dit paard in de regel weer terug genomen voor een lager bedrag teneinde een langlopende procedure te voorkomen. Want tegen de tijd dat een juridisch procedure is uitgevochten, is het paard vaak al een paar jaar ouder of minder gezond en nagenoeg niets meer waard, dus de meesten kiezen eieren voor hun geld. Zo uitzonderlijk is het namelijk niet als een paard voor een heel hoge prijs wordt geëxporteerd en enkele weken later weer wordt geïmporteerd. De douane-ambtenaar heeft geen weet van wat er in de periode tussen export en import heeft afgespeeld, een verborgen gebrek dat resulteert in een ernstige blessure kan daar even goed de oorzaak van zijn in plaats van frauduleus handelen. Omdat er vaak weinig vast wordt gelegd, komt de paardenhandelaar hierdoor wel in een heel netelige bewijslastpositie indien hem verweten wordt dat hij frauduleus handelt.
Malafide handel in de paardenbranche
De handel in exclusieve spring- en dressuurpaarden is gevoelig voor fraude en witwaspraktijken. De wereld is soms ondoorzichtig en via handjeklap en mondelinge overeenkomsten worden de mooiste paarden verkocht. Nederland staat bovenaan binnen deze branche, dus zal er ook vast wel malafide handel plaatsvinden. Dit was de reden om een speciaal team op te richten bij de FIOD.
Malafide handelingen uiten zich grotendeels in het niet (volledig) aangeven van de gerealiseerde omzet, het niet toepassen van (het juiste) btw-tarief, onjuiste afdracht van verschuldigde omzetbelasting, niet opgeven van de juiste douanewaarde met als gevolg onjuiste afdracht van invoerrechten en witwassen. Teneinde informatie te vergaren over de aan- / verkooptransacties van elite sportpaarden, vindt er uitwisseling van contra-informatie plaats, waarbij facturen van aan- / verkochte paarden in het land van vestiging worden onderzocht om zodoende vast te kunnen stellen in hoeverre directe dan wel indirecte belastingen werden ontdoken / ontweken middels de verkoop en export van paarden vanuit een ander land dan het vestigingsgebied.
De paardensector is voor Nederland van grote economische waarde. De Nederlandse hippische sector is goed voor € 1,5 à € 2 miljard omzet op jaarbasis, en in de EU overstijgt de economische waarde € 100 miljard. Nederland behoort tot de top 5 wat betreft paardenexport in het topsportsegment. Goed betalende afnemers bevinden zich vooral in de VS, China, Japan en Midden-Oosten. Volgens de Belastingdienst loopt Nederland € 100 miljoen aan belasting mis.
Paardenhandelaar loopt tegen de lamp
De Spaanse paardenhandelaar X kwam onlangs ten val tezamen met zijn financieel adviseur. Eind juni werd de Spaanse paardenhandelaar veroordeeld tot 15 maanden celstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk vanwege witwassen van zwart geld. Zijn 70-jarige Belgische adviseur werd schuldig bevonden aan witwassen en kreeg 8 maanden celstraf, waarvan 4 voorwaardelijk, ondanks het feit dat zijn adviseur een Wwft (Wet financieel toezicht) melding had gedaan.
X investeerde ca. € 2,5 miljoen in een prachtig stallencomplex ‘Y’ te Valkenswaard midden in het epicentrum van de springsport, de opening werd groots gevierd en was een memorabele avond voor velen. Officieel woonde X in Monaco, hij verbleef regelmatig in Nederland en poogde als fiscaal inwoner van België te worden aangemerkt, teneinde niet binnenlands belastingplichtig in Nederland te worden. Er liepen geldstromen via offshore company’s op de Maagdeneilanden via Zwitserse bankrekeningen die gerelateerd waren aan de paardenhandel en nergens ter wereld betaalde hij belasting. In 12 jaar tijd werd er bijna een miljoen aan contant geld opgenomen. Hierdoor ontstond er discussie met de fiscus. De fiscus had nogal moeite met het fiscale parcours en X vermoedt dat de fiscus daarom het OM voor het karretje heeft gespannen. Het OM bleek een meer capabele ruiter te zijn gezien de uitspraak van de Rechtbank, maar wie weet komt er nog een tweede omloop bij het Hof. Het OM trekt de herkomst van het geld in twijfel en meent dat Y een witwasverhikel is om geld uit het criminele circuit te zuiveren. X neemt het standpunt in dat de herkomst van het geld te herleiden is naar zijn paardenhandel, het trainen van paarden en het verhuren van stalling. De fiscaal adviseurs van X verhinderden het OM om actief onderzoek te doen naar de herkomst van het geld. Er loopt overigens nog een bestuursrechtelijke procedure waarin de fiscus € 5,7 miljoen van X wil hebben.
Melding ongebruikelijke transacties binnen paardenbranche
De financieel adviseur van X heeft een Wwft (Wet financieel toezicht) melding gedaan, welke door het OM niet verder werd onderzocht. De Wwft verplicht melding te maken van verdachte transacties. Een Wwft-melding heeft regelmatig tot gevolg dat er onderzoek door de Belastingdienst volgt en een strafrechtelijk onderzoek door de FIOD. Wwft-plichtigen worden in drie categorien verdeeld: banken, overige financiële instellingen en beroepsgroepen. Onder beroepsgroepen vallen accountants, notarissen, belastingadviseurs, makelaars etc., maar ook bemiddelaars inzake koop / verkoop van zaken van grote waarde.
De Wwft is alleen van toepassing op (rechts-)personen handelend in het kader van hun beroepsactiviteiten die beroeps- of bedrijfsmatig handelen als koper of verkoper van goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van € 10.000 of meer, ongeacht of de transactie plaatsvindt in een handeling of door middel van meer handelingen waartussen een verband bestaat. Onder transactie wordt verstaan een samenstel van handelingen van of ten behoeve van een cliënt waarvan de instelling ten behoeve van haar dienstverlening aan die cliënt heeft kennisgenomen.
Uit de Wwft volgt dat een organisatie een eigen business en risicobeleid zou moeten hebben, hetgeen inhoudt dat er een risicoprofiel dient te zijn waarin op basis van risicocriteria, zoals landen- en geografisch risico, cliëntrisico en productrisico, beredeneerd kan worden wat de risico’s zijn op witwassen en financieren van terrorisme voor hun specifieke business. Daarbij dient in kaart te worden gebracht - en dit moet vast worden gelegd - welke beheersmaatregelen de organisatie dient te nemen om de risico’s te beheersen. Aan de hand van dit risicobeleid kunnen cliënten vervolgens geïdentificeerd worden bij transacties waarmee meer dan € 10.000 aan contant geld is gemoeid. Hoe hoger het risico bij een bepaalde afnemer, des te hoger de inspanning en controleverplichting zouden moeten zijn. Daarbij is het opportuun om één verantwoordelijke hiervoor aan te wijzen die de Wwft onder zich neemt en die verantwoordelijk is voor het doen van de meldingen bij de FIU en zorgt voor het borgen van alle relevante informatie.
Indien contante bedragen hun oorsprong vinden in niet-gerelateerde bedrijfsactiviteiten, dan is er geen sprake van eigen bedrijfsmatig handelen. Er staat immers geen verkoop of eigen transactie tegenover het opnemen van de contante gelden. Er is alleen sprake van een zogenaamde geldtransfer. Het zijn eveneens geen handelingen die zijn aan te merken als zijnde te zijn gedaan 'ten behoeve van haar dienstverlening aan een cliënt', daar de contante gelden buiten de financiële administratie vallen. Bij een stikte lezing van de Wwft is de Wwft dan niet van toepassing. Ondanks het feit dat er wel geldverkeer plaatsvindt, staat hier geen specifieke transactie of verkoop van goederen tegenover. Het betreft eveneens geen eigen bedrijfsmatig handelen. Hoewel het begrip 'transactie' ruim dient te worden uitgelegd, zou het in zojuist beschreven situatie te ver gaan om deze gang van zaken onder het toepassingsbereik van de Wwft te scharen. Dan zou er immers ook verwacht worden dat er een cliëntonderzoek wordt verricht, maar in de hiervoor beschreven omstandigheid is er geen cliënt in de zin van Wwft waarnaar risicogeoriënteerd onderzoek plaats zou dienen te vinden.
Fiscale advisering binnen paardenbranche onvoldoende
De meeste paardenhandelaren staan bijna altijd wel met één voet (on-)bewust in het fiscale graf. Eerder kwam men daar nog vaak wel mee weg omdat er weinig controle was vanuit de fiscus, maar de paardenhandel wordt steeds kritischer bekeken en als men niet oppast, ligt het straks onder vuur. Het blijkt dat een hele grote groep van hippische belastingplichtigen geen gebruik maakt van een belastingadviseur / accountant. Daardoor worden ook veel (onnodige) fouten gemaakt in de aangiften, met alle, soms extreem zwaarwegende gevolgen van dien.
Fiscaal advies nodig binnen de paardenwereld?
Voor wie niet uit de paardenwereld komt, is deze soms nauwelijks te begrijpen. Er worden met handjeklap of op de achterkant van een sigarendoos miljoenentransacties gesloten. Dat er uiteindelijk een fiscale of juridische discussie kan volgen, lijkt zelden van belang. Dat de FIOD en de Belastingdienst steeds vaker komen binnenwandelen, lijkt een paardenondernemer niets uit te maken. Dit is snel voorbij als er naheffingsaanslagen of FIOD-invallen volgen. Voorkomen is beter dan genezen en soms zijn fiscaal juristen hierbij noodzakelijk.
Krijgt u te maken met een boekenonderzoek of een bedrijfsbezoek van de fiscus, houd er dan rekening mee dat de fiscus een dubbele agenda kan hebben, daar zij al een vermoeden hebben van onregelmatigheden en eigenlijk dan alleen op zoek gaan naarr meer bewijs. Als het dan ineens stil wordt voordat het boekenonderzoek zou worden afgerond, dan dient men extra alert te zijn en is het opportuun om in gesprek te blijven met de Belastingdienst.
Krijgt u te maken met een boekenonderzoek, zet dan een ervaren fiscaal-juridische ruiter op het paard van de fiscus teneinde u de beste kans te geven dit fiscale parcours foutloos of met zo min mogelijk strafpunten te beëindigen. Immers, u stuurt een L-ruiter ook niet de Grand Prix ring in.
Hulp bij boekenonderzoek belastingdienst
Als u een boekenonderzoek van de Belastingdienst verwacht, is het belangrijk om goed voorbereid te zijn en advies in te winnen over hoe u hier het beste mee om kunt gaan. Hier zijn enkele tips die u kunnen helpen bij het begeleiden van een boekenonderzoek:
- Wees goed voorbereid: Zorg ervoor dat u alle benodigde documentatie bij de hand heeft voordat het onderzoek begint. Dit kan onder meer uw boekhouding, facturen, bonnen en bankafschriften omvatten.
- Stel een contactpersoon aan: Wijs een contactpersoon binnen uw organisatie aan die verantwoordelijk is voor het begeleiden van het boekenonderzoek. Deze persoon kan als aanspreekpunt fungeren voor de Belastingdienst en ervoor zorgen dat alle benodigde informatie op een efficiënte en effectieve manier wordt verstrekt.
- Wees transparant: Wees zo open en eerlijk mogelijk tegenover de Belastingdienst. Het verbergen of achterhouden van informatie kan leiden tot verdere problemen en boetes.
- Houd deadlines in de gaten: Zorg ervoor dat u alle deadlines in de gaten houdt en dat u alle benodigde informatie op tijd verstrekt. Hierdoor kunt u vertragingen en extra kosten voorkomen.
- Overweeg het inschakelen van een deskundige: Als u zich zorgen maakt over het boekenonderzoek van de belastingdienst of als u zich niet volledig zeker voelt over de informatie die u verstrekt, kunt u overwegen om een deskundige in te schakelen. Een belastingadviseur kan u helpen bij het voorbereiden van het onderzoek en u adviseren over hoe u het beste kunt omgaan met eventuele problemen die zich voordoen. Wi jadviseren wekelijks accountants en belastingplichtigen bij boekenonderzoeken, vraag gerust een vrijblijvende offerte of kom eens langs voor een bakje koffie.
Door deze tips te volgen, kunt u het boekenonderzoek van de Belastingdienst succesvol begeleiden en ervoor zorgen dat u zich geen zorgen hoeft te maken over onverwachte problemen of boetes.
Fiscale boete belastingadviseur
De boete van de belastingadviseurs
Belastingen zijn leuk, zo leuk dat we ons beroep ervan hebben gemaakt. Belasting betalen is minder, maar wel noodzakelijk. Wij staan u dan ook graag bij de staatsruif te vullen met uw bijdrage. Niet minder dan vereist, maar zeker niet meer dan nodig. Wij faciliteren u dus bij uw belastingverplichtingen, dit op deskundige wijze en met de wettekst en jurisprudentie als onze fiscale bijbel. Nu zijn er natuurlijk altijd mensen met een lagere belastingmoraal of mensen met minder kennis of simpelweg fiscalisten die slordig werken. Ook zij zoeken de fiscaal meest gunstige weg.
In dit artikel behandelen wij een casus waarbij een accountants- en belastingadvieskantoor (PWC voor de liefhebber) een boete van € 300.000 kreeg omdat er bewust of onbewust een foute aangifte Vennootschapsbelasting is ingediend.
Standpunt kennisgroep belastingdienst
Het beleid van de belastingdienst inzake het instellen van een schuldonderzoek bij een boete is openbaar gemaakt in augustus 2023. Er is verzocht om openbaarmakeing van alle interne stukken waarin vastlegging heeft plaatsgevonden over het beleid met betrekking tot het (zuivere) schuldonderzoek (ad titel 5.2 AWB). In dit stuk vindt u werkinstructies, interne memo's, standpunten, notulen van vergaderingen etc. Het stukken kunt u hier raadplegen. Een aantal zaken vallen op:
- Voor de matiging van een boete wordt ook naar het huidige gedrag gekeken
- Voor verzuimboetes is minder ruimte voor responsief handhaven
- Vragen stellen over de boete toegestaan maar belastingplichtige kan zich beroepen op zijn zwijgrecht (artikel 5:10a AWB)
- Hoe moet een onderzoek inzake DGA salaris plaatsvinden
- Stappenplan inzake opleggen van een boete
- Hoe werkt het schuldonderzoek
- Wanneer melding mogelijke fraudezaak
Boete aan belastingadviseur
Er komt een aangifte Vennootschapsbelasting binnen bij de Belastingdienst. Er is sprake van een vermogenssprong in de aangifte van bijna € 3.000.000. De Belastingdienst stelt eerst telefonisch enkele vragen en wegens uitblijven van een reactie wordt een brief gestuurd. De fiscalist beantwoordt de vragenbrief, maar het vermoeden van belastingontduiking bleef. Vervolgens belt de Belastingdienst maar eens met de FIOD, het gaat immers om een nadeel voor de schatkist van ongeveer € 700.000. De FIOD laat een medewerker een bezoek brengen aan het accountantskantoor en de belastingplichtige, de administratie wordt in beslag genomen. Uit het onderzoek volgt dat het fiscale kantoor haar werk niet goed heeft gedaan, de externe adviseur heeft een fout gemaakt die niet door het fiscale kantoor is opgemerkt (ook niet na vragen van de Belastingdienst). Het Openbaar Ministerie stelt vast dat er een verkeerde voorstelling van zaken wordt gegeven in de beantwoording van de vragenbrief van de Belastingdienst. Omdat de feiten onjuist zijn weergegeven, is er geen sprake van een "fiscaal andere duiding van interpretatieverschil". Het accountantskantoor had dit moeten weten en zien en dat is volgens het OM "zeer ernstig". Belastingplichtige voldoet alsnog de verschuldigde vennootschapsbelasting en de adviseur krijgt een boete van € 300.000. Er worden interne maatregelen genomen bij het accountantskantoor en strafvervolging gaat in het "putje" omdat dit niet nodig wordt gevonden. Het kantoor heeft het vertrouwen van de Belastingdienst op ernstige wijze geschonden, dat is slecht voor adviserend Nederland en doet de samenwerking met de Belastingdienst geen goed.
Noot boete voor belastingadviseur
De belastingadviseur heeft een informatieplicht jegens de belastingdienst. Als de belastingdienst vragen stelt over de aangifte Vennootschapsbelasting wordt opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken gegeven, liegen noemen we dit op zijn "Nederlands", omdat het opzettelijk is gebeurd. Het vertrouwen van de Belastingdienst is hiermee beschaamd, temeer omdat de klant onder horizontaal toezicht viel en het een gerespecteerd kantoor betrof.
De belastingadviseur wordt meer en meer de duimschroeven aangedraaid en zoals uit bovenstaande volgt, is dit soms terecht. Fiscalisten konden al bestuursrechtelijk geweigerd worden als vertegenwoordiger (artikel 2:2 Awb) en strafrechtelijk is ook het nodige mogelijk, zoals hier blijkt. Ook kan een adviseur bestuursrechtelijk worden beboet als hij (met de belastingplichtige) medepleger of medeplichtig is aan een fiscaal vergrijp. Sinds vele jaren moeten adviseurs hun klanten checken (Wwft) en sinds 2020 moeten belastingadviseurs internationale structuren spontaan melden bij de Belastingdienst
Het is standaard praktijk dat de adviseur (via de geautomatiseerde systemen) aangifte doet voor de klant. Indien die aangifte onjuist blijkt te zijn, kan de adviseur geen fiscale boete krijgen. Recent oordeelde de Hoge Raad (noot 2) dat het een kwaliteitsdelict is, dat alleen gepleegd kan worden door degene die op basis van de wet aangifte moet doen (en dat is de klant zelf, c.q. de bestuurder van de bv). Strafrechtelijke vervolging is echter wel mogelijk (art. 225 Sr: ‘valsheid in geschrift’). Deze route heeft de Belastingdienst in deze casus dus gekozen. Een medepleger (artikel 5:1 AWB) kan echter wel een fiscale boete krijgen, het moet dan wel gaan om een bewuste samenwerking, daarvan was in deze casus geen sprake.
De volgende stap die nog kan worden gezet is de zogenaamde wall of shame. Als aan de adviseur een fiscale boete is opgelegd, kan diens naam worden gepubliceerd (Artikel 67r Algemene wet inzake rijksbelastingen), met naam en toenaam. De hoogte van de boete en de aard van de boete staan dan voor vijf jaar op de site van de Belastingdienst. Voor een boete is niet vereist dat de adviseur er zelf beter van geworden is. Bovendien hangt hem een ‘beroepsverbod’ boven het hoofd. De schuldige van de benoemde strafbare feiten, in zijn beroepsuitoefening begaan, kan namelijk van de uitoefening van dat beroep worden ontzet (Artikel 69, zesde lid AWR).
Hoe graag wij als fiscaal juristen ook verlost willen zijn van concurrerende ‘rotte appels’, is dit niet de methode. Er zijn al meer dan genoeg (illegale) zwarte lijsten binnen de Belastingdienst. Wij willen geen malafide klanten en via een beetje 'googelen' kan deze klant wel een malafide adviseur vinden.
Wij doen niet mee aan de grote bangmaak-show en gaan vrolijk door met ons werk, naar eer en geweten en hopen dat fiscalisten altijd op grond van vertrouwen met de Belastingdienst overleggen, dat dit soms fout gaat is teleurstellend.
Ik kan mij voorstellen dat een kritische lezer denkt: als er een wall of shame komt met fiscalisten, dan zou er ook een site moeten komen met belastingambtenaren die de wettelijke route niet keurig bewandelen. De Belastingdienst heeft vorig jaar al mensen ontslagen wegens fraude, wellicht dat de Belastingdienst zelf ook een voorzet kan geven voor een dergelijke lijst. Wij zouden namelijk bij sollicitanten graag weten of ze verdacht worden van fraude.
Loopt u ook tegen bovenstaande problemen aan, of heeft u een - gewoon - fiscaal probleem, aarzel dan niet en neem contact met ons op.
Beantwoording vragen wet excessief lenen bij de eigen vennootschap (1)
Wijzigingen excessief lenen en box 2 tarief vanaf 2027
De grens voor het excessief lenen bij de eigen BV wordt vanaf 2027 in vijf stappen van € 80.000 verlaagd van € 500.000 naar uiteindelijk € 100.000. Leningen voor de eigen woning worden niet meegenomen in deze afbouw. Voordeel is dat het tarief voor de tweede schijf in box 2 in 2027 wordt verlaagd van 31% tot 29,2%. Deze verlaging zal ervoor zorgen dat de DGA in 2027 sneller zal besluiten om dividend uit te keren (ter aflossing van de rekening courant schuld). Dit voorstel volgt uit de kamerbrief d.d. 29 september 2026.
Vragen inzake excessief lenen
In dit artikel, behorend bij onze reeks over het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap, gaan wij nader in op de uitgebreide beantwoording van vragen die zijn opgekomen naar aanleiding van het wetsvoorstel. Onderaan dit artikel, maar ook links in het menu, treft u snelkoppelingen naar de andere artikelen in deze reeks.
Op 18 december 2020 is deze beantwoording gepubliceerd. Het complete document telt bijna 60 pagina’s. Wij volstaan in dit artikel met het beschrijven van verduidelijkingen en / of opmerkelijkheden.
U leest hier meer over de werking van dit wetsvoorstel in het algemeen.
Het wetsvoorstel is op 24 maart 2022 aan de Tweede Kamer verstuurd. Vanaf 2023 moeten AB houders die meer dan € 700.000 (vanaf 2024 € 500.000) lenen van hun eigen BV inkomstenbelasting in box 2 betalen (muv eigen woning leningen). Op dit moment hebben DGA's een schuld aan hun BV van ruim € 70 miljard. Laat u tijdig door onze specialisten adviseren over de mogelijkheden en onmogelijkheden.
Geld stallen in prive valt onder excessief lenen
Henk is 100% eigenaar van Henk Holding BV. In Henk Holding BV staan overtollige liquiditeiten van 1 mln euro. Om optimaal gebruik te maken van de hogere spaarrente in prive en het deposito garantiestelsel wordt 300.000 euro op de prive bankrekening van Henk gezet. Henk Holding BV is economisch eigenaar van dit geld en Henk is enkel juridisch eigenaar. Wordt de overboeking gezien als schuld inzake de regeling voor excessief lenen (ex artikel 4.13 eerste lid onderdeel f wet IB 2001)? Volgens het standpunt van de kennisgroep van de belastingdienst wel (KG:003:2025:3) wel. De belastingdienst kijkt hierbij strikt naar het civiele begrip "schuld" en "rechtens dan wel in feite direct of indirect" begrip in de memorie van toelichting.
Nieuws Prinsjesdag 2024 (belastingplan 2025)
Uit het belastingplan 2025 blijkt dat het kabinet een wetsvoorstel heeft opgesteld waarbij de dubbel telling bij excessief lenen bij samenwerkingsverbanden wordt voorkomen. Er worden bepaalde verplichtingen uitgesloten die normaal gesproken wel meetellen voor de bepaling of er sprake is van excessief lenen. Dit is een correctie op de wetgeving omdat deze onvoorziene en onbedoelde gevolgen had bij sommige samenwerkingsverbanden (voorstel heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2023). U kunt het belastinplan 2025 hier raadplegen en de miljoennota 2025 hier. De overige stukken kunt u hier vinden.
Nieuws mei 2024 : Rechtens dan wel in feite direct of indirect lenen van eigen BV
Een eenvoudige route om excessief lenen via de eigen BV te vermijden is een lening bij een derde (niet verbonden) of bij een bancaire instelling. De wetgever heeft hierover ook nagedacht en heeft in de wet (artikel 4.13 lid 1 letter f Wet IB) opgenomen dat dergelijke constructies ook worden aangepakt (schulden die de belastingplichtige .. rechtens dan wel in feit direct of indirect heeft ..) . Volgens de kennisgroep van de belastingdienst wordt een lening bij aan bancaire instelling ook aangemerkt als lening van de eigen BV als voor het verkrijgen van de lening noodzakelijk is dat de BV zekerheid (bijvoorbeeld hypotheek) verstrekt en dus zonder die zekerheid de lening niet had verkregen.
Belastingplan 2024
Eind oktober 2023 is besloten om de grens per eind 2024 van € 700.000 weer te verlagen tot € 500.000. De eerste kamer moet hierover nog akkoord geven. Overleg met uw adviseur omtrent een mogelijke afbouw in 2023 en 2024.
Nieuws excessief lenen DGA van eigen BV grens € 700.000
In het regeerakkoord Rutte IV (bekend geworden in december 2021) wordt aangekondigd dat de grens van € 500.000 wordt verhoogd tot € 700.000. De nieuwe wet lijkt dan toch per 1 januari 2023 te worden ingevoerd. Overleg met uw adviseur omtrent een mogelijke afbouw in 2021 of 2022.
Conserverende aanslag en excessief lenen
Bij een emigratie wordt meestal een conserverende aanslag opgelegd. Via de conserverende aanslag wordt de belastingclaim van Nederland (voor vertrek) veilig gesteld. Als een DGA zou emigreren zal er over de waarde van de aandelen in zijn BV (meestal de holding) een conserverende aanslag worden opgelegd. Bij een emigratie binnen de EU wordt er dan veelal uitstel van betaling verstrekt (anders wordt veelal volstaan met een bankgarantie of pandrecht op aandelen). Als de DGA na de emigratie geld gaat lenen van een (nieuwe) buitenlandse rechtspersoon kan het verleende uitstel van betaling worden ingetrokken / beëindigd. De wet zal op dit onderdeel worden aangepast, de opzegging geldt alleen indien en voor zover bovenmatig (excessief) wordt geleend van een vennootschap waarop de conserverende aanslag betrekking heeft (en de toename van de schuld niet al eerder het uitstel van betaling heeft beëindigd).
Excessief lenen bij de eigen vennootschap op hoofdlijnen
Wij brengen op deze plaats eerst het doel en de strekking van het wetsvoorstel in herinnering. Als gevolg van het wetsvoorstel bestaat er straks een fictief voordeel voor de situatie waarin een aanmerkelijkbelanghouder, zijn partner of een met hem verbonden persoon een te grote schuld heeft uitstaan bij de vennootschap waarin het aanmerkelijk belang wordt gehouden. Indien de totale schuldsom meer bedraagt dan – als startdrempelbedrag - € 500.000, dan wordt het meerdere geacht inkomen uit aanmerkelijk belang te vormen. Dat leidt tot belastingheffing in box 2. Het box 2 tarief in 2021 bedraagt 26,9%. Met deze wet probeert de wetgever een fiscaalrechtelijke oplossing te creëren voor het tegengaan van belastinguitstel en -afstel dat zich voordoet bij excessief lenen van de eigen vennootschap. Ter illustratie het volgende voorbeeld. Belastingafstel doet zich voor indien een aanmerkelijkbelanghouder niet in staat is de belasting te betalen over de vordering die de vennootschap op hem heeft. Dit doet zich vaak voor als de onderneming failliet gaat. Er zijn dan eenvoudigweg geen middelen meer om de belastingschuld af te lossen. Met dit voorstel wordt de heffing van naar voren gehaald in de tijd, zodat uitstel en afstel zich niet (of in mindere mate) voordoen.
Wij gaan hierna in op de beantwoording van vragen uit de Tweede Kamer. Daarbij komen achtereenvolgens de volgende onderwerpen aan bod:
- Anticipatiegedrag;
- Tegenbewijsregeling;
- De uitgezonderde eigenwoningschuld;
- Reikwijdte van de maatregel / anti-ontgaan;
- Bestaande afspraken met de Belastingdienst;
- Herkwalificatie van leningen;
- Schulden van de partner en verbonden personen;
- Dubbele heffing voorkomen;
- Emigratie;
- Overgangsrecht.
Anticipatiegedrag en excessief lenen
De wet excessief lenen is jaren geleden al aangekondigd. Dat maakt dat het voor belastingplichtigen mogelijk is om te anticiperen op de inwerkingtreding. Dat is volgens de wetgever ook gebeurd. Uit de aangiften inkomstenbelasting over het jaar 2019 blijkt dat er meer dividend is uitgekeerd. Dat zal enerzijds komen door de aankondiging van deze maatregel en anderzijds door de tariefverhoging voor box 2 per 2020 en 2021. In 2019 bedroeg het tarief voor de laatste keer 25%. In 2020 was het tarief 26,25% en per 2021 gaat het over 26,9%. De wetgever heeft niet in beeld hoeveel van de extra dividenduitkeringen zijn benut om schulden aan de eigen vennootschap af te lossen.
Tegenbewijsregeling en excessief lenen
Al vanaf het moment dat deze wetgeving werd aangekondigd, is gesproken over mogelijke alternatieven. Een veelgehoord argument is dat deze wetgeving kan leiden tot overkill. Immers, ook leningen die volledig zakelijk en goed aflosbaar zijn, worden in deze heffing betrokken. Een oplossing die regelmatig is voorgesteld, is het opnemen van een zogenaamde tegenbewijsregeling. Het is dan mogelijk om onderscheid te maken naar soorten leningen. De wetgever wil hier echter niet aan beginnen. Gelet op het doel van de wetgeving. is het verantwoord - in de ogen van de wetgever – om in principe alle schuldverhoudingen in de heffing te betrekken. Daarnaast leidt zo'n tegenbewijsregeling tot uitvoeringscomplexiteit voor de Belastingdienst. Een argument dat de afgelopen jaren overigens vaker uit de kast wordt gehaald om maatwerk tegen te gaan, zo valt ons op. Een tegenbewijsregeling of verzachting van de mogelijk harde uitwerking van deze wetgeving lijkt vooralsnog echter niet tot de mogelijkheden te behoren.
De eigenwoningschuld en excessief lenen
Zoals bekend is de eigenwoningschuld uitgezonderd van het wetsvoorstel excessief lenen. Nu kan zich echter een bijzonderheid voordoen. In Nederland zijn er veel mensen bij wie niet de gehele geldlening voor de eigen woning als eigenwoningschuld kwalificeert. Dat kan bijvoorbeeld komen doordat er een eigenwoningreserve is. Het gevolg is dan dat een deel van de geldlening in box 1 zit als eigenwoningschuld en de rest van de geldlening in box 3. Het deel dat in box 3 valt kwalificeert niet als eigenwoningschuld in de zin van de eigenwoningregeling.
Uitsluitend een eigenwoningschuld in de zin van box 1 kan voor de nieuwe wetgeving kwalificeren als een eigenwoningschuld die is uitgezonderd van de wetgeving inzake excessief lenen. Daarnaast dient een hypothecair zekerheidsrecht te zijn gevestigd. Het is dus belangrijk hier goed naar te kijken voordat een omvangrijke geldlening wordt aangegaan bij de eigen vennootschap.
Reikwijdte wet excessief lenen
Nieuwe maatregelen leiden vaak tot creatief gedrag waarmee de beoogde gevolgen door belastingplichtigen worden ontweken. Het is daarom niet vreemd dat in de Kamer direct wordt gevraagd of de wetgever hiermee rekening heeft gehouden. Dat is volgens de wetgever het geval. Zo is opgenomen dat leningen die rechtens dan wel in feite direct of indirect of via een verbonden persoon zijn verstrekt, ook onder deze wetgeving zullen vallen. Gezien de vorige zinsnede zullen ook zogenaamde back-to-back situaties onder de maatregel vallen. Dat zijn situaties waarin schuldverhoudingen zo worden gestructureerd, dat niet van een letterlijke maar wel van een feitelijke samenhang kan worden gesproken. De wetgever haalt het volgende voorbeeld aan. Een belastingplichtige die geld leent bij een bank, waarbij de eigen vennootschap zich op alle punten garant stelt. Een ander voorbeeld is het aangaan van een deposito bij de bank door de eigen vennootschap, waarna het geld wordt geleend – onder nagenoeg dezelfde voorwaarden – aan de belastingplichtige.
Een andere situatie die is geschetst, is de zogenaamde kruislening. Aanmerkelijkbelanghouders die niet kwalificeren als partners of verbonden personen van elkaar, gaan elkaar dan grote sommen geld lenen. Dat valt echter niet direct binnen de kaders van deze wetgeving, omdat geen sprake is van een lening aan de aanmerkelijkbelanghouder, de partner daarvan of een verbonden persoon. De aanmerkelijkbelanghouders zijn immers niet met elkaar verbonden. De wetgever meent dit op te kunnen vangen door een beroep te doen op het feit dat rechtens dan wel in feite direct of indirect geld wordt geleend. Wij voorzien op dit onderdeel voor de periode na inwerkingtreding veel discussies met de Belastingdienst.
Bestaande afspraken over lening bij eigen vennootschap
Veel belastingplichtigen hebben de afgelopen jaren afspraken gemaakt met de Belastingdienst over de schuld aan de eigen vennootschap. Over het algemeen betreft het afspraken over de hoogte van de rente en de omvang van de aflossingen. In vrijwel alle overeenkomsten met de Belastingdienst is opgenomen dat de afspraak kan vervallen bij een relevante wetswijziging. Daarvan is hoogstwaarschijnlijk sprake. De kans bestaat – en is volgens ons zelfs aanzienlijk – dat dan alsnog belastingheffing plaats zal vinden. Reken u dus niet rijk indien u nu een passende afspraak heeft liggen.
Herkwalificatie en excessief lenen bij eigen vennootschap
De Belastingdienst neemt regelmatig het standpunt in dat een geldlening eigenlijk een verkapte winstuitdeling is. Daarover kan vervolgens een discussie worden gevoerd. Indien de Belastingdienst in het gelijk wordt gesteld, zal zich iets bijzonders voordoen. Er is dan namelijk een geldlening die onder dit wetsvoorstel valt, maar aan de andere kant ook een winstuitdeling die eveneens in box 2 valt. Dat leidt zonder nadere maatregelen tot dubbele belastingheffing. Voor deze situatie is in de wet een uitzondering opgenomen die deze dubbele belastingheffing voorkomt.
Schulden van de partner en verbonden personen bij de eigen vennootschap
Niet alleen de schulden van de belastingplichtige die het aanmerkelijk belang houdt, maar ook de schulden van de partner en verbonden personen tellen mee. De belastingplichtige en zijn partner worden voor één gezamenlijk plafond van € 500.000 met rust gelaten. De reden dat er niet sprake is van een persoonsgebonden niveau, is het voorkoming van de uitholling van de grondslag door eenvoudigweg geld aan de partner uit te gaan lenen.
Indien sprake is van een fiscaal partner, kan gebruik worden gemaakt van het schuiven met gemeenschappelijke inkomensbestanddelen. Het fictief regulier voordeel behoort hier namelijk toe. De belastingplichtige en zijn partner kunnen dus samen kiezen aan wie het voordeel wordt toegerekend. Voor de hoogte van de heffing kan dit forse gevolgen hebben, dus denk hier goed over na of laat u goed adviseren. Indien geen keuze wordt gemaakt, wordt het inkomensbestanddeel aan ieder voor de helft toegerekend.
Ook de regels over verbonden personen roepen veel vragen op. Daarbij geldt als hoofdlijn het volgende. Tot de groep van verbonden personen behoren bloed- en aanverwanten in de rechte lijn van de belastingplichtige of zijn partner. Voor schulden die een verbonden persoon rechtens dan wel in feite direct of indirect heeft aan de vennootschap van de aanmerkelijkbelanghouder, geldt dat deze worden toegerekend aan de aanmerkelijkbelanghouder indien het bedrag hoger is dan het maximum. Een lening via de verbonden persoon, voor de aanmerkelijkbelanghouder, wordt aan de aanmerkelijkbelanghouder toegerekend. Dit geldt indien de verbonden persoon zelf geen aanmerkelijk belang in die vennootschap heeft. Heeft de verbonden persoon echter zelf een aanmerkelijk belang, dan is de regeling van toepassing op de verbonden persoon zelf en wordt gekeken naar de eigen schuld aan de vennootschap en het maximum bedrag.
Stel dat er sprake is van drie verbonden personen. Uit de toelichting van de wetgever komt naar voren dat het mogelijk is om aan alle drie een lening te verstrekken van € 499.000, zonder dat belastingheffing op grond van deze wetgeving plaatsvindt. Het is dan niet mogelijk om het geld weer door te lenen aan de aanmerkelijkbelanghouder zelf; dat wordt opgevangen door de back-to-back bestrijding. Uiteraard staan de Belastingdienst nog wel de gebruikelijke middelen zoals herkwalificatie en de onzakelijkheid van de lening ter beschikking om dergelijke transacties te bestrijden.
Voorkomen dubbele heffing bij excessief lenen
Zoals in ons uitgebreide artikel toegelicht, wordt dubbele heffing voorkoming door toekenning van een negatief fictief regulier voordeel bij een afnemende schuldpositie. Het benutten van dit negatieve voordeel verloopt echter volgens de reguliere regels voor verliezen in box 2 (aanmerkelijk belang). Naar huidig recht kan dan worden verrekend met inkomen uit aanmerkelijk belang uit het vorige jaar of in de komende zes jaar. Bij afwezigheid van het aanmerkelijk belang kan het verlies worden omgezet in een belastingkorting die in box 1 kan worden benut. Voorgaande maakt echter ook duidelijk dat de mogelijkheid bestaat dat verliezen niet benut kunnen worden, als gevolg waarvan dubbele heffing toch plaatsvindt. De wetgever lijkt hier geen oplossing voor te gaan bieden.
Emigratie en excessief lenen
Wij schreven eerder een artikel over emigratie en het wetsvoorstel excessief lenen. Voor een uitgebreide toelichting op de praktijk daaromtrent verwijzen wij daarnaar. Uit de beantwoording volgt met name dat internationale situaties voor de praktijk nog een uitdaging zullen worden, waarbij nuances en de uitleg van belastingverdragen van cruciaal belang zijn. De wetgever heeft toegelicht hoe deze wetgeving in het algemeen zal uitwerken. Bij verdragstoepassing zal eerst de vraag zijn of de excessieve lening als verkapt dividend wordt aangemerkt. Indien dat niet het geval is, heeft Nederland onder de meeste belastingverdragen geen heffingsrecht. In het buitenland wonende aanmerkelijkbelanghouders die geëmigreerd zijn hebben veelal een conserverende aanslag verkregen. Deze ziet op de waardeaangroei van het aanmerkelijk belang in de Nederlandse periode. Het verleende uitstel op de conserverende aanslag wordt voor hen ingetrokken voor een excessieve lening die na emigratie wordt verstrekt of toeneemt. Vooralsnog zal de wetgever niet gaan heronderhandelen over belastingverdragen op dit gebied. Het volgende voorbeeld is afgeleid van de toelichting:
Voorbeeld emigratie en excessief lenen
Een inwoner van Nederland heeft een aanmerkelijk belang in een in Duitsland gevestigd vennootschap. Hij leent meer dan € 500.000 en dus ontstaat een regulier fictief voordeel. In het jaar daarna wordt dividend uitgekeerd waarmee de lening wordt afgelost. Naar Nederlands recht zal dat leiden tot een negatief fictief regulier voordeel. Op die manier wordt dubbele heffing voorkomen. Dit kan echter complex worden indien Duitsland bronbelasting op de dividenduitkering inhoudt. Deze kan in Nederland voor verrekening in aanmerking komen, maar mogelijk is de belastingheffing in box 2 dan onvoldoende om de Duitse bronbelasting volledig te kunnen verrekenen. Deze bronbelasting kan overigens worden voortgewenteld.
Overgangsrecht wet excessief lenen bij de eigen vennootschap
Deze wetgeving gaat in per 1 januari 2023. Diverse partijen vragen zich af of het niet netter is om bestaande schuldverhoudingen bij wijze van overgangsrecht te respecteren, in plaats van via deze wetgeving in de belastingheffing te betrekken. Hier wil de wetgever echter vooralsnog niets van weten. Als gevolg van de coronacrisis is de datum van inwerkingtreding nu gesteld op 1 januari 2023 en belastingplichtigen hebben daardoor – volgens de wetgever – voldoende tijd om zich voor te bereiden op deze nieuwe wetgeving.
Een bekend voorbeeld is dat van ondernemers die op zakelijke gronden geld lenen van de eigen vennootschap, om daarmee beleggingsvastgoed aan te schaffen. Indien deze leningen boven het maximumbedrag uitkomen, is straks belastingheffing over het meerdere verschuldigd, terwijl het geld in stenen zit. Uit de beantwoording van de gestelde vragen komt naar voren dat voor deze groep geen tegemoetkoming wordt gezocht. In de ogen van de wetgever is onder andere het te gelde maken van het vastgoed (verkoop) een manier om de belastingheffing te kunnen voldoen. Deze groep hoeft dus niet uit te zien naar extra overgangsrecht of tegemoetkomingen. Illustratief is het verzoek van een aantal politieke partijen om een tijdelijke vrijstelling voor de overdrachtsbelasting te creëren, zodat het vervreemden van met geleend geld aangekocht beleggingsvastgoed aan bijvoorbeeld de eigen vennootschap vergemakkelijkt wordt. Hier wil de wetgever niet aan.
Advisering wet excessief lenen bij de eigen vennootschap
1 Januari 2023 is ver weg en de eerste peildatum van 31 december 2023 nog verder. Echter, de praktijk leert dat veel leningen bij de eigen vennootschap redelijk vast zitten en dat zonder meer aflossen vaak niet tot de mogelijkheden behoort. In deze fase lukt het ons in veel gevallen om samen met de belastingplichtige toch een oplossing te vinden, bijvoorbeeld door middel van kleine herstructureringen of het overdragen van vermogensbestanddelen. Het is echter van belang om hier tijdig mee te beginnen en een fiscaal jurist bij het dossier te betrekken. Deze kan, indien nodig, ook schakelen met uw accountant of andere financieel dienstverlener. Zo bent u tijdig en optimaal voorbereid op deze – harde – wetgeving.
Boekenonderzoek en aftrek van btw
De Belastingdienst is verantwoordelijk voor het heffen en invorderen van belastingen. Dat gaat niet zonder informatie. De wet bevat verplichtingen voor belastingplichtigen om informatie te verstrekken en voor bepaalde groepen belastingplichtigen om een administratie te voeren. Via deze weg verkrijgt de Belastingdienst veel informatie. Echter, vertrouwen is goed; controle is beter. In het kader van controlehandelingen is het boekenonderzoek een niet weg te denken middel dat de Belastingdienst regelmatig inzet. In de zaak die hierna wordt besproken betreft het een boekenonderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting. De aangiften zien op tijdvakken gelegen tussen 2009 en 2014. Het geschil waar het gerechtshof over heeft beslist betreft de opgelegde naheffingsaanslagen in de breedste zin van het woord. Om het artikel goed leesbaar te houden, wordt eerst – en uitgebreid – een weergave gegeven van de feiten en omstandigheden. Daarna volgt een uiteenzetting van de geschilpunten en de standpunten van partijen. Vervolgens gaan wij in op het oordeel van het gerechtshof.
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Omstandigheden bij btw-boekenonderzoek
Het gaat om een onderneming die zich bezighoudt met interim-management en administratieve dienstverlening. In 2014 kondigt de Belastingdienst het boekenonderzoek bij deze onderneming aan. Voor aanvang van het onderzoek doet de ondernemer aangifte bij de politie; de administratie is gestolen. De Belastingdienst verricht vervolgens het boekenonderzoek aan de hand van bankafschriften. Deze bankafschriften leiden tot correcties. De meeste correcties zien op de hoogte van de in aftrek gebrachte btw (de vooraftrek). Naast de correcties legt de inspecteur ook vergrijpboeten op. De hoogte van deze vergrijpboete wordt gesteld op 50%. De Belastingdienst meent dat sprake is van opzet of voorwaardelijk opzet. Van voorwaardelijk opzet is sprake indien de belastingplichtige zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een fiscale misslag wordt begaan. In de bezwaarfase is de hoogte van de boete ongemoeid gebleven. De correcties zijn verminderd.
Waar het in de kern om gaat is, dat de ondernemer meent dat bij de btw-aftrek rekening gehouden moet worden met btw op kosten die in privé zijn betaald. Het betreft naar de mening van de ondernemer voorgeschoten kosten. Daar komt in hoger beroep nog bij dat de ondernemer aangeeft dat aan een vennootschap onder firma teveel kosten zijn doorbelast. Het gevolg daarvan is – volgens de ondernemer – dat er teveel btw op de naheffingsaanslag is opgenomen. Hij geeft tot slot aan dat de vennootschap onder firma bij wijze van suppletie deze btw reeds heeft terugbetaald aan de Belastingdienst.
De rechtbank over dit btw-boekenonderzoek
De uitspraak van de rechtbank is niet gepubliceerd. Er is daardoor slechts beperkte informatie voorhanden. Uit de uitspraak van het gerechtshof komt het volgende naar voren over de uitspraak van de rechtbank. In de beroepsfase is door de ondernemer nadere informatie verstrekt. Dit heeft er niet toe geleid dat de correcties zijn gewijzigd of vernietigd. De rechtbank komt wel tot de conclusie dat de boeteoplegging onjuist is. De Belastingdienst heeft gesteld dat sprake is van opzet of voorwaardelijke opzet. De rechtbank acht dit niet bewezen, doch acht wel aannemelijk dat sprake is van grove schuld. Van grove schuld is sprake ingeval het gedrag zich laat kenmerken als in laakbaarheid aan opzet grenzende verwijtbaarheid. Hiertoe behoort ook grove onachtzaamheid. Dit is reden om de boeten te matigen. De boeten worden verder verminderd met 15% wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dit leidt ertoe dat de boetes behoorlijk worden verlaagd.
Tussenuitspraak van het hof over dit btw-boekenonderzoek
Het gerechtshof heeft eind 2020 de zaak aangehouden. De ondernemer is hierbij in de gelegenheid gesteld om nadere informatie aan te leveren. Dit heeft hij ook gedaan. De Belastingdienst heeft op deze informatie gereageerd. Op basis van alle verzamelde informatie doet het gerechtshof uitspraak in deze zaak. De ondernemer heeft vervolgens nog verzocht om uitstel van de zitting wegens hartritmestoornissen. Dit verzoek is door het gerechtshof afgewezen. Het gerechtshof overweegt dat de eisen van een goede rechtspleging bij een goede reden maken dat uitstel verleend wordt, tenzij zwaarder wegende belangen zich hiertegen verzetten. Volgens het hof is daarvan in dit geval sprake. De zaak ligt namelijk al lang bij de rechtspraak en is regelmatig uitgesteld, onder meer voor nader onderzoek. Daarnaast is er al een zitting geweest waarbij de ondernemer aanwezig was en zou nader uitstel leiden tot onredelijke vertraging. Het hof geeft aan wel rekening te houden met het gegeven dat de ondernemer hierdoor op bepaalde zaken niet heeft kunnen reageren.
Het gerechtshof over dit btw-boekenonderzoek
Het gaat – zoals eerder opgemerkt – om de vraag of er ten onrechte is gecorrigeerd op de in aftrek gebrachte btw. Het gerechtshof wijst eerst op de wet om daarmee de spelregels aan te geven. De ondernemer kan btw in aftrek brengen indien deze in rekening is gebracht op de voorgeschreven wijze. Daarnaast moet de btw die in aftrek wordt gebracht zien op kosten die wordt gemaakt in het kader van de uitoefening van de onderneming (de economische activiteit). De bewijslast ligt bij een discussie over de aftrek van btw bij de belastingplichtige.
Het gerechtshof oordeelt dat de ondernemer aan deze bewijslast niet heeft kunnen voldoen. Er zijn geen feiten en omstandigheden gebleken waaruit aannemelijk wordt dat er recht is op meer btw-aftrek dan de Belastingdienst toestaat. Sterker nog: het gerechtshof spreekt uit dat de Belastingdienst welwillend is geweest door de berekeningen van de ondernemer te volgen, ondanks het gebrek aan voldoende onderbouwing. De informatie die de ondernemer in hoger beroep nog heeft aangeleverd, kan zonder nadere onderbouwing en cijfermatige conclusies niet leiden tot verdere aftrek. Zo is niet duidelijk of de kosten een zakelijk karakter hebben en of dat de kosten het niveau overstijgen van wat al in aanmerking is genomen door de Belastingdienst. Daarbij weegt het hof mee dat de ondernemer in deze jaren weinig omzet maakte, maar wel veel kosten had. De zakelijkheid is, ondanks het bieden van gelegenheid, niet onderbouwd.
Vervolgens buigt het gerechtshof zich over het argument dat aan de vennootschap onder firma teveel kosten zijn doorbelast. Echter, de ondernemer heeft de specificatie die is opgevraagd niet verstrekt. Hierdoor kan het gerechtshof niet controleren of de suppletieaangifte is gedaan. Ook hier ontstaat dus een bewijsprobleem. Voorts volgt niet uit de stukken wie nu precies welk bedrag in rekening heeft gebracht en aan wie. Het recht op btw-aftrek is dus ook hier niet voldoende aannemelijk gemaakt.
Het gerechtshof komt daarom tot de conclusie dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. De boeten blijven eveneens op het niveau dat de rechtbank heeft vastgesteld. Deze zijn passend en geboden. Met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn wordt in deze zaak geen schadevergoeding toegekend, dit op grond van bijzondere omstandigheden. In de eerste plaats zorgt de coronacrisis uiteraard voor vertraging. Dit leidt tot een verlenging van de redelijke termijn van vier maanden. Daarnaast is het zo dat de ondernemer meermaals om uitstel of aanhouding van de zitting heeft gevraagd. Dit heeft geleid tot een vertraging van vijf maanden, die aan de ondernemer wordt toegerekend.
Fiscaal jurist over boekenonderzoek, bewijslast en administratie
De ondernemer in deze zaak heeft niet voldoende bewijs kunnen leveren. Echter, dat wil niet zeggen dat de zaken niet zijn verlopen zoals de ondernemer deze voorspiegelt. Iets niet kunnen bewijzen wil immers niet zeggen dat iets niet gebeurd is. Het komt in de praktijk regelmatig voor dat ondernemers niet of onvoldoende kunnen voldoen aan de bewijslast. Dat komt regelmatig voor, omdat bij het opzetten van een bepaalde werkwijze niet is meegekeken door een fiscaal jurist. Wat dan vaak blijkt is dat de werkwijze zoals die door de ondernemer wordt uitgelegd niet onjuist is, maar dat niet is nagedacht over de administratie- en bewaarverplichtingen die uit de wet volgen. Er kan dan onvoldoende aan die verplichtingen worden voldaan. Dat leidt vervolgens tot navorderings- of naheffingsaanslagen en vaak tot omkering en verzwaring van de bewijslast.
Een boekenonderzoek is voor iedere ondernemer een onaangename verrassing. De Belastingdienst wil vaak inzage in zeer veel documenten, gaat in een rap tempo vragen stellen en heeft op basis van alle beschikbare informatie vaak al wat risicopunten geïdentificeerd. Het is verstandig om u gedurende een boekenonderzoek bij te laten staan door een fiscaal jurist. Deze weet precies wat de Belastingdienst wel en niet mag vragen. Ook kan hij aanwezig zijn bij gesprekken met de Belastingdienst, om er onder andere voor te zorgen dat niet meer informatie wordt verstrekt dan noodzakelijk. Een goede fiscaal jurist treedt daarnaast ook op als procesbewaker en zal ernaar streven de vaart erin te houden. Niet zelden slepen boekenonderzoeken namelijk onnodig lang voort, hetgeen over en weer tot irritatie leidt.
Vragen over boekenonderzoeken, boeten, btw of andere fiscale zaken? Neem gerust eens vrijblijvend en rechtstreeks contact op met één van onderstaande auteurs van dit artikel.
Uitspraak: ECLI:NL:GHARL:2021:7343.
Informatiebeschikking vernietigd wegens te algemene vragen
De informatiebeschikking is in de wet opgenomen ter verbetering van de rechtsbescherming van belastingplichtigen. Deze verbetering van de rechtsbescherming is erin gelegen dat u zich kunt verweren tegen de door de Belastingdienst gestelde vragen. Indien blijkt dat u ten onrechte niet hebt meegewerkt aan een informatieverzoek, zal de rechter u een hersteltermijn bieden. Dat doet hij tenzij het niet mogelijk is aan de verplichting te voldoen ofwel indien u misbruik van procesrecht maakt.
In de informatiebeschikking neemt de inspecteur op aan welke verplichting u niet hebt voldaan en waarop hij deze mening baseert. Omdat de informatiebeschikking tevens als moment van heroverweging geldt, moet voor u voldoende duidelijk zijn wat de inspecteur precies van u verwacht en wat u in zijn ogen hebt nagelaten. Maar wat als de inspecteur slechts algemeenheden opneemt in de informatiebeschikking? De rechtbank oordeelde recent dat de inhoud van de vragen zo algemeen was, dat de informatiebeschikking vernietigd dient te worden.
Kabinet wil informatiebeschikking versnellen
De langdurige procedure rondom de informatiebeschikking moet korter worden (aldus kamerbrief d.d. 20 januari 2026). De regeling is 15 jaar geleden ingevoerd om de rechtsbescherming van een belastingplichtige bij een informatieverzoek van de belastingdienst (inspecteur) te verbeteren, dit door de sanctie (omkering bewijslast) niet direct te laten intreden. Hoewel bezwaar en beroep tegen een informatiebeschikking mogelijk is werkt deze nog zeker niet conform haar oorspronkelijke doel. De prioriteit zal liggen bij het versnellen van de doorlooptijd (minder rechtsonzekerheid). Het zou mooi zijn als ook aandacht wordt besteed aan de zware consequenties (omkering bewijslast), met name als de informatie er simpelweg niet is of als de tekortkomingen zeer beperkt zijn.
Informatiebeschikking staat ter discussie
Sinds 2011 kennen we de informatiebeschikking in de AWR. Dat de rechtsbescherming voor belastingplichtige niet is bereikt is wel helder. Nog te vaak zorgt een informatiebeschikking voor scheve verhoudingen en langdurige bezwaar en beroepsprocedures. Met de informatiebeschikking heeft de belastingdienst (inspecteur) de mogelijkheid gekregen om een voor bezwaar (en beroep) vatbare informatiebeschikking vast te stellen wanneer niet (volledig) wordt voldaan aan zijn informatieverzoek of de administratieplicht van een belastingplichtige. De vraag is of dit beter kan, er wordt immers geen aanslag opgelegd, trajecten duren lang en geven onzekerheid. Er is een pre consultatie (tot 1 juni 2025) die dit in beeld moet brengen.
Aanleiding voor deze informatiebeschikking
Belanghebbende is binnenlands belastingplichtig. Hij wordt dus voor zijn wereldinkomen in de heffing van inkomstenbelasting betrokken. Van een buitenlandse rekening heeft hij in de bestreden jaren nimmer melding gemaakt. De Belastingdienst ontvangt echter informatie waaruit naar voren komt dat belanghebbende een buitenlandse rekening heeft. Deze informatie is afkomstig uit een strafrechtelijk onderzoek, uitgevoerd bij een derde.
De inspecteur besluit in 2017 om aan belanghebbende een aantal vragenbrieven te sturen. Belanghebbende besluit een adviseur in te schakelen die op de vragen reageert. De reactie is ontkennend van aard. De inspecteur verzoekt vervolgens de fiscale autoriteiten van Liechtenstein om informatie te verstrekken over belanghebbende en zijn – vermeende – ondernemingen. Belanghebbende bestrijdt de rechtmatigheid van het informatieverzoek, omdat de Nederlandse autoriteiten niet alle nationale mogelijkheden tot het verkrijgen van informatie hebben uitgeput. Daartoe is de Nederlandse Belastingdienst echter wel gehouden.
De inspecteur geeft uiteindelijk een informatiebeschikking af. Hij neemt hierin een aantal vragen op. Een voorbeeld van zo’n vraag is het verzoek om een kopie van de oprichtingsakte en alle overige bescheiden. Een andere vraag is het verzoek om alle correspondentie met een bancaire instelling. Het aantal vragen loopt hoog op. De slotvraag is de vraag naar de complete administratie over een fors aantal boekjaren.
Belanghebbende geeft geen gehoor aan de informatiebeschikking, maar gaat hiertegen in bezwaar.
Onderbouwing van het bezwaar tegen de informatiebeschikking
Belanghebbende meent dat de informatiebeschikking niet aan de eisen voor een informatiebeschikking voldoet. De vragen die de inspecteur stelt zijn onvoldoende specifiek, hetgeen maakt dat sprake is van een fishing expedition. Voorts wordt niet verwezen naar de gevolgen van de informatiebeschikking, waaronder omkering en verzwaring van de bewijslast. De inspecteur is het hier uiteraard mee oneens.
De rechtbank over de informatiebeschikking
De rechtbank gaat eerst in op de verplichting die op belanghebbende rustte. De verplichting in kwestie is de inlichtingenverplichting van artikel 47 AWR. Het gaat er dan om dat de belanghebbende desgevraagd gegevens en inlichtingen moet verstrekken die voor de belastingheffing te zijnen aanzien relevant kunnen zijn. Onze ervaring is dat deze bevoegdheid van de inspecteur in de praktijk ver reikt en afgezet dient te worden tegen de persoonlijke levenssfeer en het privacy-recht.
De rechtbank leidt uit de wetsgeschiedenis af dat de vragen die worden gesteld, individuele vragen moeten zijn. Dat betekent dat de vragen zodanig specifiek verwoord moeten worden, dat het belanghebbende duidelijk is welke informatie en stukken de inspecteur wil ontvangen. Dit geldt ook bij de informatiebeschikking, aangezien die ziet op het niet nakomen van de verplichting om aan een inlichtingenverzoek te voldoen. Op grond van de wetsgeschiedenis bij de informatiebeschikking dient de inspecteur nauwkeurig te omschrijven wat hij verwacht en dient hij goed te motiveren wat het belang is.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur in deze informatiebeschikking slechts algemeen en zeer ruim zijn vragen heeft verwoord. Dat is onder meer het geval bij het vragen naar werkzaamheden van een niet nader aangeduide constructie met een afgezonderd particulier vermogen. Een motivering inzake het belang van deze inlichtingen voor de belastingheffing is zelfs in het geheel niet aanwezig. Sterker nog: de rechtbank oordeelt op basis van het dossier dat er geen enkele aanwijzing is dat belanghebbende is betrokken bij het afgezonderd particulier vermogen. De informatiebeschikking voldoet in de ogen van de rechtbank niet aan de eisen.
Dan is er ook nog een vragenset over een Antilliaanse rechtspersoon. Ook die vragen kunnen niet door de beugel. De inspecteur is gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Onderdeel daarvan is dat een middel altijd evenredig moet worden ingezet. Oftewel: rechtvaardigt het doel het middel? De rechtbank is van oordeel dat dat hier niet het geval is, omdat slechts bekend is dat belanghebbende gerechtigd is geweest tot een rechtspersoon op de Antillen, die allang is opgeheven. Enkel handelen op basis van een mededeling van de adviseur is onvoldoende om een informatiebeschikking te rechtvaardigen.
De rechtbank geeft de inspecteur gelijk in het feit dat hij kan volstaan met verwijzingen naar eerdere vragenbrieven. Echter, uit het geheel moet belanghebbende dan wel weten welke inlichtingen de inspecteur nog wenst te ontvangen en in welke vorm. Ook hier geldt echter dat de vragen onvoldoende specifiek zijn.
De rechtbank vernietigt de informatiebeschikking. Belanghebbende hoeft de betreffende vragen niet te beantwoorden en hij wordt niet geconfronteerd met omkering en verzwaring van de bewijslast.
Bezwaar en beroep bij de informatiebeschikking
Een onherroepelijke informatiebeschikking leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast, tenzij dit disproportioneel is. Dat moet u zien te voorkomen. Het aantekenen van bezwaar en eventueel beroep tegen de informatiebeschikking is vaak noodzaak om deze bewijssanctie te voorkomen. Hebt u een informatiebeschikking ontvangen? Neem dan contact op met één van onderstaande adviseurs. Wij helpen u graag en de eerste kennismaking is vrijblijvend.
Uitspraak rechtbank: ECLI:NL:RBNHO:2021:5127
Administratie- en bewaarverplichting: artikel 52 AWR.
Omkering en verzwaring bewijslast: artikel 27e AWR.
Boekenonderzoek en cautie
Boekenonderzoek aangekondigd? Hangt er een boete in de lucht?
Beste advies? Mondje dicht, alles schriftelijk en bel een fiscalist.
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Miranda-waarschuwing
Onderstaande Miranda-waarschuwing
- You have the right to remain silent. Should you waive that right, anything you say can be held against you in the court of law. You have the right to speak to an attorney. If you cannot afford an attorney, one will be appointed for you. Do you understand these rights as they have been read to you?
komt niet alleen voor in Amerikaanse politieseries, maar moet ook goede diensten bewijzen in het belastingrecht. Via het Europese recht heeft het zwijgrecht ook zijn weg gevonden in het bestuurs- en belastingrecht. Sinds 1 juli 2009 bepaalt artikel 5:10a van de Awb:
- Degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie, is niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen. Voor het verhoor wordt aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.
Uw rechten tijdens een boekenonderzoek
De strekking van bovenstaande bepaling is duidelijk, zou je denken.
In de eerste plaats geldt de verplichting te wijzen op het zwijgrecht (het geven van de cautie) niet voor schriftelijke vragen. Bij schriftelijke vragen is als regel geen sprake van een verhoor. Dit is slechts anders indien in bijzondere omstandigheden van een schriftelijke vraag een zodanige druk om te antwoorden zou uitgaan, dat materieel sprake is van een verhoor.
Wanneer is sprake van een verhoor?
De wetgever omschrijft het zo: “Een verhoor is een mondelinge ondervraging met het oog op het opleggen van een bestraffende sanctie.” De Hoge Raad formuleert het als: “alle gevallen waarin anders dan schriftelijk vragen aan de betrokkene worden gesteld met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete."
Als een controlerende ambtenaar, zoals een inspecteur van de Belastingdienst, vragen stelt, is de belastingplichtige over het algemeen verplicht om te antwoorden. Als deze ambtenaar (hierdoor) de belastingplichtige gaat verdenken, moet hij een cautie geven. Er is dan sprake van een sfeerovergang (van de controlesfeer naar de opsporingssfeer).
Een typische cautie in Nederland is:
- "U hoeft niet te antwoorden, maar..."; of
- "U bent niet tot antwoorden verplicht, maar..." (steeds gevolgd door de eerste vraag van de opsporingsambtenaar). Zoals altijd bij het woordje 'maar' moet u op uw qui-vive zijn.
De praktijk bij een boekenonderzoek
In de praktijk komt het herhaaldelijk voor dat tijdens een gezellig praatje met de ambtenaren tijdens een boekenonderzoek of bij de bespreking van de resultaten dergelijke zinnetjes worden ingevlochten. Ook het moment waarop pleegt door de ambtenaren te worden uitgesteld. In die zin is een verhoor niet altijd als zodanig kenbaar en kan dus onderdeel zijn van een (voortgangs-)gesprek en zelfs van een telefoongesprek.
Het zwijgrecht (en dus de cautieplicht) geldt in ieder geval vanaf het tijdstip waarop kan worden gesproken van een 'criminal charge'. Veelal wordt aangenomen dat sprake is van een criminal charge vanaf het tijdstip waarop de belastingplichtige uit handelingen van het bestuursorgaan redelijkerwijs kan afleiden dat hem een boete zal worden opgelegd. Dat kan dus midden in een gesprek zijn.
Advies inzake boekenonderzoek
Omdat u wel verplicht bent om vragen te beantwoorden als het gaat om de belastingheffing zelf, is het vaak lastig om tijdens een boekenonderzoek te onderkennen wanneer het nu gaat om de belastingheffing en wanneer om de boete. Het is niet noodzakelijkerwijs zo dat de vragen t.b.v. de boete altijd aan het einde van een gesprek zitten. Draag uw werknemers daarom op om geen vragen te beantwoorden en wijs een verantwoordelijke aan die de ambtenaren te woord staat. Betrek bij twijfel altijd een adviseur bij het gesprek. En natuurlijk, het is verstandiger om vragen schriftelijk te beantwoorden, niet mondeling. Dwing de inspecteur hiertoe zodat u controle kunt houden op de feiten, gevolgen en heffingen.
Hulp bij boekenonderzoek belastingdienst
Als u een boekenonderzoek van de Belastingdienst verwacht, is het belangrijk om goed voorbereid te zijn en advies in te winnen over hoe u hier het beste mee om kunt gaan. Hier zijn enkele tips die u kunnen helpen bij het begeleiden van een boekenonderzoek:
- Wees goed voorbereid: Zorg ervoor dat u alle benodigde documentatie bij de hand heeft voordat het onderzoek begint. Dit kan onder meer uw boekhouding, facturen, bonnen en bankafschriften omvatten.
- Stel een contactpersoon aan: Wijs een contactpersoon binnen uw organisatie aan die verantwoordelijk is voor het begeleiden van het boekenonderzoek. Deze persoon kan als aanspreekpunt fungeren voor de Belastingdienst en ervoor zorgen dat alle benodigde informatie op een efficiënte en effectieve manier wordt verstrekt.
- Wees transparant: Wees zo open en eerlijk mogelijk tegenover de Belastingdienst. Het verbergen of achterhouden van informatie kan leiden tot verdere problemen en boetes.
- Houd deadlines in de gaten: Zorg ervoor dat u alle deadlines in de gaten houdt en dat u alle benodigde informatie op tijd verstrekt. Hierdoor kunt u vertragingen en extra kosten voorkomen.
- Overweeg het inschakelen van een deskundige: Als u zich zorgen maakt over het boekenonderzoek van de belastingdienst of als u zich niet volledig zeker voelt over de informatie die u verstrekt, kunt u overwegen om een deskundige in te schakelen. Een belastingadviseur kan u helpen bij het voorbereiden van het onderzoek en u adviseren over hoe u het beste kunt omgaan met eventuele problemen die zich voordoen. Wi jadviseren wekelijks accountants en belastingplichtigen bij boekenonderzoeken, vraag gerust een vrijblijvende offerte of kom eens langs voor een bakje koffie.
Door deze tips te volgen, kunt u het boekenonderzoek van de Belastingdienst succesvol begeleiden en ervoor zorgen dat u zich geen zorgen hoeft te maken over onverwachte problemen of boetes.
Bron inzake cautie Boekenonderzoek
Rechtsbescherming verder in de knel. Voorkom dat de FIOD stukken achterhoudt.
Als u verdacht wordt van een strafbaar feit, kan het zijn dat ook de Belastingdienst nog eens ‘op de koffie komt’. De wet geeft de belastinginspecteur de bevoegdheid tot het opvragen van stukken uit een strafdossier bij het OM[1]. Die gegevens kunnen dan gebruikt worden om de resultaten van de (vermeende) criminele activiteiten te belasten.
Jaarverslag FIOD 2024
In het jaarverslag van de FIOD over 2024 (publicatie 21 mei 2025) wordt nader ingegaan op de voortdurende internationalisering en digitalisering van de maatschappij. Digitale criminele geldstromen en internationale samenwerking spelen een steeds grotere rol in financiële en fiscale criminaliteit en daarmee in de opsporing van de FIOD. Cybercrime en het gebruik van crypto komt steeds vaker voor en kennis hieromtrent binnen het Financial Adveanced Cyber Team (FACT) wordt opgeschaald.
Waarom werden stukken achtergehouden door de FIOD?
De kinderopvangsector zit in de hoek waar tegenwoordig de klappen vallen. Zo ook in de volgende, recente casus. De Belastingdienst doet een onderzoek bij een gastouderbureau en het daarvan opgemaakte rapport leidt tot het inschakelen van de FIOD. Een en ander leidt tot vervolging en veroordeling (valsheid in geschrifte, witwassen, lid criminele organisatie) van de dochter op wiens naam het bureau stond.
De belastinginspecteur vraagt de stukken op bij het OM t.b.v. de belastingheffing. De OvJ stemt daarmee in, waarop de stukken worden verstrekt aan de FIOD. De FIOD selecteert vervolgens de stukken en stelt die ter beschikking aan de belastinginspecteur. Op basis van die stukken volgen navorderingsaanslagen.
De belastingplichtige komt tegen de aanslagen in beroep en belandt uiteindelijk bij de Hoge Raad.
In een (fiscale) procedure is van belang dat beide partijen over dezelfde ‘wapens’ beschikken. Eén van de vereisten daarvoor is dat de belastinginspecteur ‘alle op de zaak betrekking hebbende stukken’[2]aan de rechter stuurt (en dus ook aan de belastingplichtige).
De belastingplichtige stelt dat de belastinginspecteur niet alle stukken heeft verstrekt omdat deze niet het volledige strafdossier heeft ingediend, maar slechts een selectie. In wezen heeft hij dus geen eerlijk proces gehad.
Stukken strafdossier niet verstrekt door inspecteur
De FIOD heeft een strafrechtelijk onderzoek ingesteld bij de heer X (handel in sigaretten). De inspecteur legt naheffingsaanslagen op van ruim 100.000 euro. In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd en/of de inspecteur in dat kader alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingebracht. De inspecteur stelt dat hieraan keurig is voldaan doordat hij een bewerkte versie van het overzichtsproces verbaal en een aantal bijlagen heeft verstrekt, dit terwijl het volledige FIOD dossier hem ter beschikking stond (aldus de bevestiging tijdens de zitting). De rechtbank Noord Holland d.d. 2 april 2024 (ECLI:NL:RBNHO:2024:3170) is het hier niet mee eens. De inspecteur is echter volgens de rechtbank verplicht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen. Dit zijn alle zaken die hem ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die voor de beslechting van het geschil relevant kunnen zijn. Het staat de inspecteur dan niet vrij om zelf een selectie te maken. Beroep op artikel 8:29 AWB slaag niet. Volgens de rechtbank heeft de inspecteur door zijn eigen selectie te maken artikel 8:42 eerste lid AWB geschonden. Hierdoor blijft onduidelijk of de heer X de sigaretten voorhanden heeft gehad. Voor een verdieping over dit onderwerp kunt u ook onderstaande arresten raadplegen:
- Hoge Raad d.d. 3 april 2009 ECLI:NL:HR:2009:BH9184 (anonimisering op de zaak betrekking hebbende stukken)
- Hoge Raad d.d. 23 mei 2014 ECLI:NL:HR:2014:1182 (selectie maken stukken door inspecteur)
- Hoge Raad d.d 4 mei 2018 ECLI:NL:HR:2018:672 (uitleg op de zaak betrekking hebbende stukken)
- Hoge Raad d.d. 25 juni 2021 ECLI:NL:HR:2021:995 (op de zaak betrekking hebbende stukken en strafdossier)
De Hoge Raad over stukken achterhouden
De Hoge Raad pelt de zaak af en oordeelt in stappen als volgt.
- De verplichting stukken in te brengen ziet op de belastinginspecteur zoals aangeduid in de wet en niet op de Belastingdienst als geheel. De FIOD is weliswaar onderdeel van de Belastingdienst, maar niet de belastinginspecteur. De stukken die onder de FIOD zijn hoeven dus in beginsel niet ingediend te worden.
- De stukken die de FIOD, maar ook het OM of andere instanties, heeft moeten WEL worden ingediend als: - die stukken die de belastinginspecteur ter beschikking staan of hebben gestaan EN van belang kunnen zijn voor het (resterende) fiscale geschil. Dat moet per stuk afzonderlijk worden beoordeeld.
- De belastinginspecteur is niet verplicht het OM te verzoeken het gehele dossier beschikbaar te stellen om daar zelf de stukken uit te selecteren.
- De belastingplichtige heeft niet de stelling ingenomen dat de FIOD bij de selectie stukken heeft achtergehouden die wel voor de belastingheffing van belang kunnen zijn.
Eindconclusie is dan dat de belastinginspecteur de wet niet heeft geschonden en de navorderingen blijven in stand.
Opmerking fiscaal jurist over zaakstukken
De Belastingdienst zet de FIOD / het OM op het spoor en na de strafvervolging maakt de Belastingdienst gebruik van de aldaar verzamelde gegevens. Op zich is dat niet bezwaarlijk, iedereen moet zijn deel van de belasting betalen, al kan over de wijze waarop anders worden gedacht. Het knelpunt zit in de beoordeling van de gegevens, de strafrechtelijke bewijsstukken.
Laten we het voorzichtig als volgt stellen. Het is geen onomstreden gedachte dat het OM bij de jacht op en vervolging van strafbare feiten eerder op zoek gaat naar belastend materiaal als ontlastend materiaal en ook minder genegen kan zijn gevonden ontlastend materiaal in het dossier te voegen. Datzelfde geldt ook voor de FIOD en de belastinginspecteur. Die zijn geneigd om vooreerst op zoek te gaan naar materiaal dat de belastingheffing rechtvaardigt en hebben minder oog voor materiaal dat de andere kant op wijst. In het kader van het FIOD-onderzoek volgt uit het EVRM dat ook recht staat op kennisname van ontlastende stukken.[3]Dat zou ook kunnen gelden voor de selectie van materiaal uit een strafdossier.
Als een belastingplichtige niet weet wat er allemaal aan materiaal is, is het niet te controleren of er mogelijk materiaal ontbreekt. In de termen van de Awb: of alle van belang zijnde stukken zijn ingediend. In wezen is sprake van een niet objectief controleerbare zeeffunctie toegepast door de overheid. De rechter zelf is ook niet gehouden zelfstandig op zoek te gaan naar (ontlastend) bewijs. Het is dus aan de belastingplichtige om op het (mogelijke) bestaan daarvan te wijzen en om inbreng van dat bewijs te verzoeken.
Ook het feit dat de FIOD onderdeel is van de Belastingdienst baart zorgen, nu de Hoge Raad die (processueel) niet gelijkstelt aan de belastinginspecteur. Het is immers niet ondenkbaar dat de belastinginspecteur een kortere lijn heeft met de FIOD dan de belastingplichtige, in die zin dat de ‘collega’s’ gevraagd wordt nog eens het dossier in te duiken voor bewijsstukken. Dat geeft de belastinginspecteur in wezen toegang tot het gehele FIOD-dossier als hij dat wenst (dus ter beschikking staat en dus moet worden ingediend). Die optie ligt voor de belastingplichtige minder voor de hand. Er is al geen effectieve controle op (de volledigheid van) de stukken die het OM verstrekt. De tussenschakeling van de FIOD leidt dan mogelijk tot extra ruis. De rechtsbescherming van de belastingplichtige is er niet beter op geworden.
Of de belastingplichtige over een volledig dossier beschikt, blijft dus in nevelen gehuld. Wellicht dat er een oplossing zit in het hiervoor opgenomen punt 4. in de uitspraak van de Hoge Raad. De belastingplichtige kan het standpunt innemen dat de FIOD bij de selectie stukken achterhoudt. Die stelling moet wel worden onderbouwd. Aan de onderbouwing moeten dan niet al te hoge eisen worden gesteld. Ook kan worden gedacht aan de verplichting om van een strafdossier een volledige inhoudsopgave te verstrekken met vermelding van de aard van de inhoud van het stuk. In algemene zin moet zoveel mogelijk worden gewaarborgd dat de belastingplichtige over een volledig dossier beschikt. Voorts moet toetsbaar zijn dat dit werkelijk het geval is. Door het weglakken van delen van stukken kan de inspecteur inzichtelijk maken welke stukken er zijn. Desnoods past hij daarbij artikel 8:29 Awb toe (geheimhouding). Op die manier wordt de onafhankelijke rechter – al dan niet in de vorm van de geheimhoudingskamer – erbij betrokken.
Navordering en belastingkorting
De Belastingdienst mag overgaan tot navordering indien aanvankelijk te weinig belasting is geheven. Dit geldt bij zogenaamde aanslagbelastingen, zoals de inkomstenbelasting. Indien u achteraf nog wordt geconfronteerd met te betalen belasting, dan doet dat afbreuk aan uw rechtszekerheid. U hebt immers al een aanslag van de Belastingdienst ontvangen. Daarom mag de Belastingdienst niet zonder meer overgaan tot navordering. De Belastingdienst mag in principe alleen navorderen bij een zogenaamd nieuw feit. Indien wordt nagevorderd op basis van een feit dat de inspecteur kende of redelijkerwijs had moeten kennen, dan mag niet worden nagevorderd. Op dit beginsel zijn enkele uitzonderingen:
- Indien sprake is van een onjuiste verrekening van voorlopige aanslagen en / of voorheffingen mag worden nagevorderd;
- Indien sprake is van een onjuiste toerekening van bestanddelen van het inkomsten tussen partners mag worden nagevorderd;
- Indien sprake is van kwade trouw aan de zijde van de belastingplichtige mag worden nagevorderd;
- Indien sprake is van een zogenaamde kenbare fout mag worden nagevorderd.
In alle andere gevallen mag echter slechts worden nagevorderd bij aanwezigheid van een nieuw feit. Daarenboven dient navordering uiteraard binnen de gestelde termijnen plaats te vinden.
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in juni 2021 uitspraak gedaan in een zaak die draaide om de vraag of een inspecteur redelijkerwijs bekend had moeten zijn met een feit. Wij behandelen in dit artikel deze – lezenswaardige – uitspraak.
Waarom wil de inspecteur navorderen?
De partner van belanghebbende heeft in 2011 een verlies uit aanmerkelijk belang om laten zetten in een belastingkorting. Die mogelijkheid biedt de wet en de belastingkorting is toegekend. De korting bedraagt € 644.085. In 2014 is nog niet de gehele korting benut.
De belanghebbende doet in 2017 de aangifte IB over 2014. De belasting bedraagt nihil. De belanghebbende geeft aan recht te hebben op uitbetaling van heffingskorting(en). Dit komt doordat het drempelinkomen van de partner en de verschuldigde inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen van de partner. De inspecteur stelt de heffingskortingen vast.
De partner heeft over 2014 zelf geen aangifte gedaan. Naar aanleiding van de aangifte van belanghebbende wordt aan de partner in 2018 een navorderingsaanslag opgelegd. De te betalen belasting ligt in de buurt van wat belanghebbende al had aangegeven. Echter, als gevolg van de belastingkorting bedraagt de te betalen belasting voor de partner uiteindelijk nihil.
Het gevolg is dat de aangifte van belanghebbende onjuist was. De belasting die is aangegeven bij de partner is namelijk niet verschuldigd als gevolg van de belastingkorting. De inspecteur wil daarom de uitbetaalde gecombineerde heffingskorting navorderen, vermeerderd met belastingrente. Belanghebbende meent dat dit niet mogelijk is.
Waarom vindt belanghebbende dat navordering niet mag?
Belanghebbende meent dat geen sprake is van een nieuw feit. De belastingkorting is in 2011 toegekend, dus de inspecteur die naar de aangifte over 2014 keek, had moeten weten dat de partner recht had op een belastingkorting. Als gevolg hiervan is sprake van een ambtelijk verzuim en niet van een nieuw feit. Navorderen is dan niet mogelijk. De inspecteur is (uiteraard) van mening dat navorderen wel mogelijk is.
Mag de inspecteur van het hof navorderen?
Interessant is eerst dat de inspecteur zich beroept op de regel dat mag worden nagevorderd bij een vermindering van de aanslag van de partner, die relevant is voor de aan belanghebbende verleende heffingskorting. Daarmee lijkt de inspecteur de nieuw-feit-discussie te willen vermijden. Met dit argument maakt het hof korte metten. De regel waar de inspecteur op wijst betreft een verruiming van de navorderingstermijn. De ‘normale’ termijn bedraagt vijf jaar en die termijn is nog niet afgelopen. De regel waar de inspecteur zich op beroept is dus niet van toepassing. Het zal er dus om gaan of sprake is van een nieuw feit.
Het hof over het nieuwe feit en de belastingkorting
Het hof geeft eerst de hoofdregel aan. De inspecteur die zich heeft bezig gehouden met de aangifte van belanghebbende over 2014 mag uitgaan van de juistheid van de aangeleverde gegevens. Hij hoeft dus niet altijd een nader onderzoek te verrichten. Een nader onderzoek is wel nodig indien de inspecteur, na met normale zorgvuldigheid de inhoud van de aangifte te hebben bestudeerd, aan de juistheid van enig gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Daarbij geldt de ingewikkeld geformuleerde regel die wij op deze site al vaker noemden: voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.
Het hof moet nu echter dieper kijken, omdat er informatie aanwezig was bij de Belastingdienst over de belastingkorting. Daarover merkt het hof op dat de inspecteur in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het dossier van belanghebbende. Hij hoeft niet over te gaan tot het raadplegen van al dan niet aanwezige dossiers die horen bij andere belastingplichtigen of andere belastingmiddelen. Dat hoeft ook niet als daarin mogelijk relevante gegevens zitten. Dit onderzoek is slechts nodig indien de inspecteur gegevens aantreft in de aangifte van belanghebbende die daartoe redelijkerwijs aanleiding geven.
Zoals aangegeven, meent belanghebbende dat de inspecteur wist dat er sprake was van een belastingkorting. Die beschikking is immers van 2011 en het betreft de aanslag over 2014. Het hof gaat hier niet in mee. Daarbij is volgens het hof van belang dat niet gesteld of gebleken is dat de persoon van de inspecteur die de korting heeft toegekend, dezelfde persoon is die nu de aanslag behandelt. Belanghebbende heeft niet aannemelijk kunnen maken dat de betrokken aanslagregelaar bekend was met de beschikking heffingskorting van de partner. Aan de juistheid van de aangifte van belanghebbende hoefde ook niet getwijfeld te worden. Er was dus ook geen aanleiding voor nader onderzoek in het dossier van de partner van belanghebbende.
De inspecteur mag dus navorderen
Het hof komt daarmee tot het oordeel dat de inspecteur een nieuw feit heeft. Van een ambtelijk verzuim is dus geen sprake. De navorderingsaanslag blijft daarmee intact. Het startpunt lijkt te zijn dat het niet gaat om de handelwijze binnen de eenheid, maar om de handelwijze ten aanzien van de specifieke belastingplichtige, in dit geval belanghebbende.
Advies bij navordering en nieuw feit
Navordering doet afbreuk aan uw rechtszekerheid. Een eerder opgelegde aanslag pakt immers alsnog anders uit dan verwacht. Laat daarom altijd toetsen of de inspecteur wel over mag gaan tot navordering. Neem daarvoor gerust contact met één van onderstaande auteurs op. Het eerste contact is altijd vrijblijvend.
Verrekening houdsterverliezen van vóór 2019
Belanghebbende is een houdstermaatschappij. Dat is een maatschappij die zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bezighoudt met het houden van deelnemingen en / of het financieren van verbonden lichamen. Voor houdstermaatschappijen gold voorheen een beperkte verliesverrekeningsregel. Deze regel komt erop neer dat verliezen uit jaren waarin de belastingplichtige houdster was, alleen verrekend kunnen worden met winsten uit jaren waarin zij houdster is. Deze regel is per 2019 vervangen door de earnings stripping regel, maar geldt nog steeds voor houdsterverliezen van vóór 2019. De uitspraak van de Hoge Raad die wij in dit artikel behandelen is derhalve van belang voor een afgebakende groep belastingplichtigen, doch de gevolgen kunnen groot zijn.
Onderwerp van geschil bij houdsterverliezen
Belanghebbende leed in 2010 een verlies dat als houdsterverlies kwalificeert. De inspecteur heeft het verlies vastgesteld. In 2015 richt belanghebbende een deelneming op en de beide vennootschappen vormen direct een fiscale eenheid. In 2016 heeft belanghebbende een verlies, maar de dochter een winst. Geconsolideerd is eveneens sprake van een winst. Belanghebbende verrekent het verlies uit 2010 met de aan de dochter toerekenbare winst. De inspecteur weigert de aftrek en de rechtbank is het met de inspecteur eens. Daarbij heeft de rechtbank de bedoeling van de wetgever laten prevaleren boven de – duidelijke – teksten in de wet- en regelgeving. Wij lichten dat hierna toe.
Wet- en regelgeving bij houdsterverliezen
Zoals opgemerkt, staat in de wet dat houdsterverliezen uitsluitend verrekenbaar zijn met houdsterwinsten. Daarbij maakt de wet geen onderscheid tussen soorten houdsters. Het houdsterverlies in 2010 ontstaat voorafgaand aan de vorming van de fiscale eenheid. Dat maakt dat sprake is van een voorvoegingsverlies. Bij de toetsing of de belanghebbende na vorming van de fiscale eenheid nog steeds een houdster is, moet worden gekeken naar uitsluitend de activiteiten van de belanghebbende. Hierover bestaat ook geen geschil; de belanghebbende was ook in 2016, na de vorming van de fiscale eenheid, een houdstermaatschappij.
De hoofdregel bij voorvoegingsverliezen is dat deze blijven bij de gevoegde. Dat wil zeggen: een voorvoegingsverlies kan niet worden verrekend met winsten van andere gevoegden. Hierop bestaat echter een uitzondering. De winst van een direct bij oprichting gevoegde dochtermaatschappij wordt toegerekend aan de oprichters. Oftewel: de winst van de dochter van belanghebbende wordt aan belanghebbende toegerekend. In de wet- en regelgeving wordt niet gesproken over de aard van de winst. Of wel / niet sprake is van een houdsterwinst doet er dus niet toe op grond van de wettekst.
Onderaan de streep is de winst van de direct gevoegde dochtermaatschappij dus winst van de houdstermaatschappij. De houdstermaatschappij in kwestie (belanghebbende) hield zich ook in 2016 (nagenoeg) uitsluitend bezig met houdsteractiviteiten. De slotsom – volgens belanghebbende – is dan ook dat het verlies verrekend mag worden. De rechtbank oordeelde echter anders.
Het bestreden oordeel van de rechtbank over houdsterverliezen
De rechtbank acht het onverenigbaar met de ratio van de wet- en regelgeving om het verrekenen toe te staan. Het verrekenen van een voorvoegingsverlies met de winst behaald door een nieuwe dochter die zich bezighoudt met niet-houdsteractiviteiten past niet in doel en strekking van de wet. Oftewel: de rechtbank geeft voorrang aan de bedoeling van de wetgever en stapt over een strikt grammaticale interpretatie heen.
De Hoge Raad over houdsterverliezen
Belanghebbende is het hiermee oneens en maakt gebruik van sprongcassatie. De advocaat-generaal komt in zijn conclusie al snel tot het oordeel dat de wettekst weinig ruimte overlaat voor een andere opvatting dan die van belanghebbende. De vraag is dus eigenlijk of de bedoeling van de wetgever voorgaat op een duidelijk geformuleerde wettekst.
In 1996 lag een soortgelijke vraag voor bij de Hoge Raad. Het ging destijds om een glasheldere wettekst, maar uit de parlementaire geschiedenis bleek dat de regering een andere bedoeling had. De tekst was gekozen om ongewenste complicaties te voorkomen. De regering meende dat dit kon, omdat de rechter nu uit de wetsgeschiedenis kon afleiden wat eigenlijk de bedoeling was. De Hoge Raad stak hier een stokje voor.
De advocaat-generaal gaf in zijn conclusie over deze zaak het volgende aan. Het uitleggen naar doel en strekking is niet mogelijk als de wettekst het gewenste resultaat niet toelaat, bijvoorbeeld doordat de wetgever welbewust en expliciet verzuimd heeft een situatie onder de wettekst te brengen. Over de zaak van belanghebbende is de advocaat-generaal duidelijk: de uitkomst die belanghebbende voorstaat past in de wettekst, maar is in strijd met doel en strekking van de wet. Daar komt nog bij dat de stelling van belanghebbende niet in strijd is met onderliggende regelgeving en doel en strekking daarbij.
De advocaat-generaal kwam tot de volgende conclusie. Uit de wet volgt dat verrekening mogelijk is. Die verrekening komt in strijd met doel en strekking van de wet, maar past dan wel weer bij onderliggende regelgeving. Dit lijkt op een wetstechnische fout, die nimmer is hersteld. Verrekening blijft dan alleen achterwege indien de uitkomst zo ongerijmd is, dat op nakoming van de wet redelijkerwijs niet gerekend mag worden. Dat doet zich hier niet voor. De advocaat-generaal adviseert de Hoge Raad daarom om de verrekening toe te staan.
Het oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad beschrijft kernachtig het geschil. Heeft de rechtbank terecht doel en strekking van de wet geprevaleerd boven de wettekst? Nee, zo oordeelt de Hoge Raad in navolging van de advocaat-generaal. De vraag of verrekening is toegestaan moet worden beantwoord aan de hand van de wettekst. De bepalingen zijn duidelijk en de bewoordingen laten geen andere conclusie toe dan dat verrekening mogelijk is. Daar komt nog bij dat de wet en de onderliggende regelgeving ieder een eigen achtergrond en ratio kennen. Dat verrekening leidt tot strijdigheid met de ratio van enkele bepalingen, maakt niet dat verrekening niet mogelijk moet zijn.
Het belang voor de praktijk
Zoals aangegeven, is de houdsterverliesregeling per 2019 opgegaan in de earnings stripping maatregel. Echter, de regeling geldt nog wel voor houdsterverliezen van vóór 1 januari 2019. Dit is opgenomen in artikel 34i Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Hebt u als gevolg hiervan nog houdsterverliezen? Neem dan gerust contact met één van onderstaande adviseurs om uw situatie te bespreken en te kijken hoe verrekening in uw geval (toch) nog mogelijk is. Wij helpen u graag.
Zwarte lijst Belastingdienst
Als iemand op de FSV lijst staat mag de inspecteur gewoon een onderzoek instellen, dit is in meerdere uitspraken duidelijk geworden. Lees hier bijvoorbeeld een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam uit 2023. Aandachtspunt om te onderzoeken is dan wel dat de melding op de FSV lijst niet de aanleiding is geweest om een onderzoek in te stellen. Hiertoe kan een dossierinzage curciaal zijn. Als hieruit volgt dat er sprake is van een risicoselectie, een verwerking van persoonsgegevens in een databank of een gebruik van een databank waarin persoonsgegevens zijn opgeslagen, kunnen de kaarten anders liggen en kan sprake zin van schending van grondrechten.
De Belastingdienst werkt met een zogenaamde zwarte lijst waarop belastingplichtigen staan opgenomen. Op deze lijst staan 240.000 mensen die door de Belastingdienst worden gezien als mogelijke fraudeur. Dit kan op grond van vermoedens van fraude. Vorenstaande volgt uit informatie welke openbaar is gemaakt door een WOB-verzoek. Op dit moment hebben ruim 60.000 mensen een excuusbrief ontvangen van de Belastingdienst (bron NOS). De Belastingdienst kan door deze zwarte lijst burgers vaker dan nodig benaderen, maar het grootste probleem is dat deze informatie wordt gedeeld met andere overheidsinstanties, dit kan een olievlek tot gevolg hebben (gehad).
Registratie belastingplichtigen bij de Belastingdienst
De registratie op de lijst betreft het registreren van persoonsgegevens, hiermee is de AVG van toepassing. Alle vormen van verwerking van die gegevens zijn in beginsel in strijd met de privacy, tenzij er een uitzondering van toepassing is. De AWR (Algemene Wet inzake Rijksbelastingen) kent een dergelijke uitzondering niet, dit heeft de Hoge Raad in 2017 al eens bepaald (procedure inzake flitspalen).
Inzage in zwarte lijst
Het kan in procedures of bij veelvuldig bezoek van de Belastingdienst verstandig zijn om inzage te vragen in deze zwarte lijst. Tevens is het van belang dat u daarna van de zwarte lijst wordt gehaald. Wij adviseren regelmatig mensen inzake dergelijke procedures.
Er was blijkbaar een vinkje bij belastingplichtigen (project 1043) die kon worden aangetikt voor sommige belastingplichtigen. Deze belastingplichtigen werden dan 5 jaar lang intensief gevolgd en gecontroleerd. De reden voor het "vinkje" kon zelfs een dubbele nationaliteit zijn. De namen van deze personen werden opgenomen in de Fraude Signalering Voorziening (FSV).
Rechter of zwarte lijst
Het instellen van bezwaar en beroep moet volgens de Advocaat Generaal van de Hoge Raad (d.d. 17 juni 2021) ruimer worden toegestaan. Het kan namelijk zo zijn dat burgers (en hierdoor soms bedrijven) hogere aanslagen hebben ontvangen door plaatsing op deze lijst. De bezwaar- en beroepstermijnen van dergelijke aanslagen zijn op dit moment veelal verstreken. De AG is van mening dat deze mensen alsnog bezwaar en beroep moeten kunnen instellen, omdat informatie door de Belastingdienst is achtergehouden.
De Hoge Raad mag nu eens kritisch kijken naar de mening van haar eigen AG. De vraag is wat de Hoge Raad nu gaat beslissen.
Noot fiscaal jurist inzake zwarte lijst
Het "taggen" van klanten of documenten kan best handig zijn. Zo weet je beter waar je moet zoeken en / of een onderzoek moet instellen. Alleen zijn er wel spelregels, en deze spelregels staan dan weer in de wet (zoals de AVG, Wet bescherming persoonsgegevens, artikel 10 grondwet, etc.). Bij het "taggen" van belastingplichtigen kunnen er grote problemen ontstaan en veelal kan dit extreme financiële gevolgen hebben. De vraag is of via deze "tag" verkregen bewijs rechtmatig is verkregen en - zo ja of nee - welke gevolgen hieraan dan moeten worden verbonden.
Is een aanslag onrechtmatig als u opvalt door een "vinkje"? Er is sprake van een onrechtmatige selectie, maar brengt dit ook mee dat de belastingaanslag onrechtmatig is? Door het vinkje wordt er een onderzoek ingesteld en men komt dan tot de conclusie dat er een belastingaanslag moet worden opgelegd. Er is dus een causaal verband tussen het vinkje, het onderzoek en de belastingaanslag. Het bewijs voor de aanslag is het vinkje en dit is dan onrechtmatig verkregen, dat staat vast. Onbevoegd verkregen informatie mag niet een andere of verhoogde aanslag tot gevolg hebben. Dat er sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM staat ook wel vast, maar de nationale gevolgen welke hieraan worden verbonden legt men altijd op het bordje van de nationale rechter. Dat een belastingplichtige alsdan de wijze waarop bewijs is verkregen moet kunnen aanvechten lijkt logisch.
Vragen over zwarte lijst
Wij adviseren regelmatig mensen inzake procedures tegen de Belastingdienst, dit tijdens regulier overleg, bezwaar- en / of beroepsprocedures. Neemt u gerust contact met ons op via onderstaand formulier of bel met één van onze specialisten (zie onder).
Bron zwarte lijst
Conclusie Advocaat Generaal d.d. 17 juni 2021 ECLI:NL:PHR:2021:618
Vragen over zwarte lijst
Als u vragen of opmerkingen heeft over de zwarte lijste en / of advisering hieromtrent wenst, kunt u contact opnemen met onderstaande specialisten. Er zal een compensatieregeling komen voor de benadeelden, de vraag is echter hoe een nadeel wordt vastgesteld, dat zal wel weer een onduidelijke en slopende procedure gaan worden. Laat u adviseren door een deskundige en mail gerust met onze specialisten.
Bron zwarte lijst Belastingdienst
Rapport PWC inzake FSV toeslagen
Beantwoording vragen KAB rapportage en zwarte lijst
Bestuurlijke reactie zwarte lijst 3 december 2021
Brief staatsecretaris 29 oktober 2021
Brief Staatssecretaris 10 juli 2020
Brief Autoriteit Persoonsgegevens inzake onderzoek FSV
Rapportage verwerking van risicosignalen
Werkinstructies tips en kliks toezicht particulieren
Bekijk ook deze film van de staatssecretaris
Rapport PWC 17 maart 2022 (Effecten FSV MKB)
Cryptovaluta in de jaarrekening
Bitcoin en accountant
De opkomst van cryptovaluta en bitcoins biedt ook volop kansen voor accountants. Na het papieren-geld-tijdperk kwamen de pinpas en de digitale financiële wereld. Dit is in een stroomversnelling gekomen door ondermeer Apple Pay en cryptovaluta. Het beheer en de vastlegging hiervan kunnen veel ruimte bieden voor accountants.
Bitcoin en de rol van de accountant
Naast de stijging van de block chain technologie zien wij als Jongbloed Accountants ook steeds meer betalingsverkeer via bitcoins en andere crypto's. Het vertrouwen in deze valuta is wisselend en is hiermee volop in beweging. De cryptovaluta gaan een grote rol spelen in de ontwikkeling van onze economie en de financiële wereld. Het procesmatig bijhouden van de cryptotransacties wordt alleen maar groter en complexer. De vraag naar nieuwe innovaties in accountancy-land zal moeten volgen, de reguliere boekhouding en de cryptoboekhouding moeten naast elkaar (en eigenlijk gezamenlijk) worden opgezet.
Accountancyregels aangaande crypto's
In Europa wil men eenduidige accountancyregels aangaande cryptovaluta. De Europese banken willen dat er onderlinge afspraken worden gemaakt over de regulering van de cryptohandel, lees hiertoe deze notitie. De AFM heeft in 2018 reeds een adviesrapport geschreven over het vergunningenstelsel bij crypto's. Ook omtrent de belastingheffing over crypto's is er veel beweging te zien.
Crypto in een bv
Als cryptovaluta worden ondergebracht in een bv of andere rechtspersoon, is de belastingheffing redelijk eenvoudig. Er moet vennootschapsbelasting worden betaald als de winst is behaald, dus bij een daadwerkelijke verkoop. Verlies mag worden genomen als de cryptovaluta in waarde zouden dalen (onder de kostprijs). Dit is feitelijk gelijk aan de behandeling van normale effecten, waardering per balansdatum op kostprijs of lagere marktwaarde.
Crypto in de jaarrekening
De Raad voor de jaarverslaggeving heeft in 2018 over dit onderwerp een rapport geschreven (hier te raadplegen). Het betreft nog een "soort van advies", maar geeft in ieder geval enige richting binnen accountancy-land. De algemene gedachtenlijn op dit moment is dat crypto's geen liquide middelen of financiële instrumenten zijn, maar moeten worden gezien als immateriële vaste activa / andere beleggingen. Dergelijke activa moeten worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs en onder voorwaarden tegen lagere of hogere actuele waarde. De waardeveranderingen komen dan ten bate of laste van de winsten / verliezen (en dus het eigen vermogen) van de vennootschap. Dat het niet eenvoudig is volgt uit een artikel in het FD. Het zal nog wel even duren voordat er volledige duidelijkheid komt omtrent het opnemen van crypto's in de jaarrekening.
Betaling crediteuren of Belastingdienst
Als een rechtspersoon in liquiditeitsproblemen verkeert, is het vaak de vraag of crediteuren nog mogen worden betaald. De Belastingdienst is (veelal) van mening dat bij het betalen van crediteuren (lagere preferentie) er vrijwel automatisch sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur en dus privé aansprakelijkheid van de bestuurder. Maar is dit zo? In dit artikel een overzicht van relevante jurisprudentie.
Bestuurdersaansprakelijkheid bij mogelijk faillissement
Als een bestuurder de belastingschulden van zijn bv niet kan betalen, is het van belang dat hij tijdig de betalingsonmacht gaat melden bij de Belastingdienst. Normaal gesproken is dit voldoende om privé aansprakelijkheid te voorkomen, tenzij sprake is van onbehoorlijk bestuur.
Een bestuurder is soms in privé toch aansprakelijk voor nog openstaande belastingschulden van zijn bv (rechtspersoon) als er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De bewijslast hiervoor ligt bij de Belastingdienst. Als er geen (tijdige) melding betalingsonmacht heeft plaatsgevonden, dan is er een wettelijk vermoeden dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur, de bewijslast van de Belastingdienst is dan dus beperkt (en eigenlijk nihil).
Kennelijk onbehoorlijk bestuur, wanneer is hiervan sprake?
Van kennelijk onbehoorlijk bestuur is sprake indien geen redelijk denkend bestuurder onder deze omstandigheden aldus zou hebben gehandeld. Stel dat de bestuurder anders heeft gehandeld, dan is de vraag in hoeverre dit onverantwoord of roekeloos zou zijn. Dit alles moet in redelijkheid (door de rechter) worden beoordeeld.
In een kwestie bij de Rechtbank Gelderland stonden de Belastingdienst en een DGA voor de rechter. De belangrijkste vraag die hierin voorlag was: "is er sprake van onbehoorlijk bestuur omdat crediteuren die lager in preferentie zijn zijn betaald?" De basis voor deze vaststelling vond de rechtbank in een recent arrest van de Hoge Raad (2019). Het is voor een bestuurder altijd lastig om onder druk een (achteraf) juiste beslissing te nemen, de beoordelingsvrijheid moet dus niet te beperkt zijn.
De rechter is van mening dat er geen sprake is van onbehoorlijk bestuur, dit in lijn met eerdere uitspraken van het Gerechtshof Arnhem (2006) en het Gerechtshof Den Haag (2010). Dat het altijd een feitelijke kwestie betreft en dus uitspraken ook anders kunnen zijn, volgt ondermeer uit een arrest van de Hoge Raad (2003). Een belangrijk onderdeel in de wisselende jurisprudentie is wel het arrest van de Hoge Raad (2010), hierin is bepaald dat het een bestuurder vrij staat te bepalen wie er wel of niet wordt betaald, zonder dat dit kennelijk onbehoorlijk bestuur tot gevolg heeft, zie rechtsoverweging 4.1.1.
Dit is anders als de bv heeft besloten haar activiteiten te stoppen of te staken, waarbij niet iedereen (alle schuldeisers) kan worden betaald. De ruimte voor de bestuurder wordt groter als zogenaamde dwangcrediteuren (crediteuren die nodig zijn om het bedrijf voort te kunnen zetten) worden betaald. Het is wel van belang dat gemaakte keuzes duidelijk (het liefst in notulen of bestuursbesluiten) worden vastgelegd. Men moet namelijk beslissingen en overwegingen goed kunnen beoordelen in de tand des tijds (het moment waarop deze worden genomen).
Noot fiscaal jurist inzake onbehoorlijk bestuur en betalen crediteuren
Een procedure over een privé aansprakelijkstelling van een DGA of bestuurder is bijna altijd een emotionele kwestie. Het bedrijf is failliet en als kers op de taart moet de DGA / bestuurder in privé de rekening betalen. Het zorgvuldig opbouwen van de feiten en juiste advisering tijdens het faillissement zijn van essentieel belang. Als een bedrijf belangrijke crediteuren (dwangcrediteuren) zou betalen om zo een faillissement te voorkomen, is niet snel sprake van onbehoorlijk bestuur. Als de keuze "we stoppen" is gemaakt, wordt een casus lastiger. Echter, ook in dergelijke situaties moeten alle bijzondere omstandigheden in redelijkheid worden gewogen. De Belastingdienst moet ook met voldoende bewijs komen, dit is veelal niet het geval.
Adviesgesprek gewenst? Bel of mail gerust met één van onze specialisten. Wij werken in dergelijke adviestrajecten vaak samen met een gespecialiseerde advocaat.
Bron onbehoorlijk bestuur en aansprakelijkheid
Rechtbank Gelderland d.d. 19 februari 2021 (ECLI:NL:RBGEL:2021:714)
Gerechtshof Arnhem d.d. 27 december 2006 ECLI:NL:GHARN:2006:AZ6620
Gerechtshof Den Haag d.d. 28 september 2010 (ECLI:NL:GHSGR:2010:BO0352)
Hoge Raad d.d. 18 april 2003 (ECLI:NL:HR:2004:AF3063)
Fiscale boete of strafvervolging
Een boete van de Belastingdienst én een strafvervolging door de officier van justitie, kan dat?
Fiscale boete en strafvervolging
Als belastingplichtige kunt u talloze fouten maken die aanleiding kunnen zijn voor een boete. Dat u niet aan uw fiscale verplichtingen voldoet kan vele oorzaken hebben. Onwetendheid, laksheid, vergeten, uitbesteed aan adviseur of accountant, nalatigheid, opzet en alles wat daartussen zit.
Nieuws 2023 inzake protocol AAFD
Het Protocol AAFD staat voor Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen. Omdat fiscale delicten vaak zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk kunnen worden afgehandeld, volgt uit artikel 5:44 lid 1 Awb en artikel 243 lid 2 Sv dat het één het ander uitsluit, tot zover de wet (una via beginsel en in verlengde hiervan het ne bis in idem beginsel, dus geen dubbele straf van dezelfde persoon voor hetzelfde feit). Er moet dus een keuze worden gemaakt, of fiscaal "aanpakken" of strafrechtelijk, dit volgt meestal uit het overleg tussen FIOD, OM en de belastingdienst. Voor dit overleg van de "weegploeg" is er sinds 1 juli 2023 een nieuw protocol. In de kern de wijzigingen
- Nadeel tenminste € 100.000. Vanaf 1 juli 2023 geldt het ook voor zaken waarin het nadeel onvoldoende bepaalbaar is. Er moet wel sprake zijn van een vermoeden van opzet.
- Er is binnen Europa een nieuwe entiteit, het Europees Openbaar Ministerie. Het EOM is een onafhankelijk orgaan van de Europese Unie en onderzoekt en vervolgt strafbare feiten die de financiële belangen van de EU kunnen schaden. Soms zullen zaken dus aan het EOM moeten worden voorgelegd, het AAFD is dan buiten beeld.
- AAFD is ook van toepassing voor strafbare feit en uit de Wet op de internationale bijstandsverlening (WIB)
- Daarnaast wordt de evolutie van het boete systeem nog benoemd (zoals de deelnemersboete (artikel 67 letter o AWR / artikel 5:1 AWB) en de mogelijkheid om namen van overtreders openbaar te maken (artikel 67 letter r AWR)
Afwezigheid van alle schuld
Bij afwezigheid van alle schuld (AVAS) krijgt u geen boete. De lat daarvoor ligt hoog. U mag geen enkel foutje hebben gemaakt. Grof weergegeven worden de kleinere zaken afgedaan door een boete van de Belastingdienst en worden de zwaardere zaken strafrechtelijk vervolgd. Tussen Belastingdienst, FIOD en het Openbaar Ministerie zijn daarover afspraken gemaakt die zijn neergelegd in het AAFD Protocol.
Verzuimboete en strafververvolging
De Hoge Raad oordeelt in 2022 dat de strafrechtelijke vervolging van een natuurlijk persoon wegens een belastingverzuim wel mogelijk is, ook al is aan de BV een fiscale sanctie opgelegd. De DGA wordt namelijk als prive persoon (natuurlijk persoon) vervolgd in de hoedanigheid van de persoon die de opdracht heeft gegeven aan het door BV begane feit (feitelijke leiding). Daarnaast is er een verschil tussen de aard en ernst van het strafbare feit en de oplegging van de verzuimboete. De zaak wordt deels afgerond en wel verwezen.
Fiscale boete of verbeurdverklaring
Een (fiscale of geld) boete is niet aftrekbaar (artikel 3.14 lid 1 onder c Wet IB). Het kan namelijk niet zo zijn dat een straf minder pijn doet doordat de boete aftrekbaar is. Ook boetes, kosten en lasten die hiermee (of met een misdrijf) samenhangen zijn niet aftrekbaar (mits belastingplichtige onherroepelijk is veroordeeld). Uit de wet, de wetsgeschiedenis en enkele uitspraken van rechters volgt echter wel dat verbeurdverklaringen gewoon aftrekbaar zijn. De verbeurdverklaring is een straf (sanctie) in het strafrecht waarbij de rechter bepaalt dat de belastingplichtige de (veroordeelde) eigendom over een voorwerp (of geld) verliest en waarbij de staat die eigendom verkrijgt. Als het voordeel wordt belast en dit voordeel wordt afgenomen dan is het (financieel) logisch dat dit aftrekbaar is (artikel 3.14 lid 3 wet IB). Aftrek zal plaatsvinden in het jaar waarin de ontneming feitelijk heeft plaatsgevonden. Tot zover is het helder.
In een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 15 mei 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3208) oordeelde deze belastingkamer echter anders. Het Gerechtshof stelde dat de verbeurdverklaring - onder omstandigheden - niet aftrekbaar was omdat deze samenhangt met criminele kosten (artikel 3.14 lid 1 onderdeel d wet IB). Dit is echter "onder omstandigheden". Omdat de Hoge Raad er verder niks mee deed is het nog gissen hoe dit moet worden gezien. Het lijkt erop dat een verbeurdverklaring niet aftrekbaar is deze moet worden gezien als een (punitieve) straf of sanctie. Een normale verbeurdverklaring (ontnemingsactie) is dus gewoon aftrekbaar omdat deze moet worden gezien als de voldoening van straf (geldbedrag).
Ne bis in idem en una via beginsel
Het opleggen van een boete is strafvervolging. De Oude Grieken hadden al een wet die ‘verbiedt dat dezelfde persoon tweemaal wordt berecht voor hetzelfde feit’[1]. Dat zogenoemde ne bis in idem-beginsel geldt nog steeds.
Daarnaast geldt dat u maar op één manier aangepakt kunt worden: het una via-beginsel. Dat beginsel beoogt een vroegtijdige keuze tussen een boete van de Belastingdienst of strafvervolging. Nu staat dat in de artikelen 5:43 en 5:44 van de Awb. Die afstemming is geregeld in het AAFD Protocol. Het belang kwam ook aan de orde in een uitspraak van het Gerechtshof in 2021. In deze zogenaamde "paperclip procedure" wordt een belastingplichtige een verzuimboete opgelegd en tevens wordt hij strafrechtelijk vervolgd. Dit kan en mag niet, aldus het Gerechtshof. Het OM wordt in deze procedure niet ontvankelijk verklaard. In deze procedure ging het om een verzuimboete (van slechts 3%). De vraag die in de praktijk voorbij komt is of het ne bis in idem-beginsel alleen in beeld komt bij vergrijpboetes of ook bij verzuimboetes. Het Gerechtshof is hierover duidelijk (bij alle boetes), nu de Hoge Raad nog.
De overheid moet dus kiezen, óf via een boete (bestuursrecht) een belastingplichtige straffen, óf via het strafrecht. De Belastingdienst overlegt een relevante casus met de FIOD in een Tripartiete overleg, hiervoor bestaan regels. Deze regels zijn vastgelegd in het AAFD Protocol, het protocol voor aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen. In dit protocol staat wanneer een fiscaal delict in aanmerking komt voor strafrechtelijke vervolging. Feitelijk speelt dit al bij een drempel van € 20.000 of meer, in de praktijk is deze drempel € 100.000.
Waar gaat het fout bij boete of strafvervolging?
In de praktijk blijkt nogal eens dat de Belastingdienst een grote ‘boetemachine’ is waarin tamelijk geautomatiseerd met boetes wordt gestrooid wegens het niet, te laat of te weinig doen van belastingaangifte en / of de betaling daarvan. Vooral in situaties waarin de officier van justitie op basis van de aanvullende toetsingscriteria van het AAFD Protocol ook gaat vervolgen, wordt uit het oog verloren dat al een boete is opgelegd. Er wordt bijvoorbeeld strenger strafrechtelijk gehandhaafd omdat bepaalde zaken vaak voorkomen (vb. het schuiven met btw naar een andere maand, toeslagenfraude of airbnb-verhuur) of er een combinatie is met andere strafbare feiten.
Ook komt het voor dat informatie wel bij de Belastingdienst bekend is, maar dat de officier van justitie strengere normen heeft. Voor de belastingheffing is een verzoek om uitstel van betaling of de opgave dat je niet kunt betalen (melding betalingsonmacht) tamelijk vormvrij, terwijl de officier van justitie (ten onrechte) eist dat een specifiek formulier is gebruikt.
Let er bij een boete dus op dat, ook als die terecht is, wel regels gelden.
Commentaar fiscaal jurist
Een boete is vervelend, maar soms terecht. Niettemin loont het altijd de moeite om te checken of de Belastingdienst en officier van justitie zich aan de regels houden. Als het dan toch zover komt, zijn er natuurlijk ook talloze redenen om een boete te matigen. Het is daarom raadzaam een boete altijd met uw adviseur te bespreken om even beter te kijken of er echt niets aan is te doen. Wilt u een afspraak? Bel ons gerust voor een vrijblijvende bespreking.
Bron fiscale boete of strafvervolging
Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 13 april 2021 ECLI:NL:GHSHE:2021:1168
Folder belastingdienst inzake preventie en opsporing
[1]Demosthenes, Speech against Leptines, vert. J.H. Vince, Harvard: Harvard University Press 1962.
Bestuurder niet direct aansprakelijk voor boete
Als een rechtspersoon (zoals een BV) een aanslag omzetbelasting of loonbelasting niet tijdig zou betalen en niet tijdig betalingsonmacht heeft gemeld dan kan de bestuurder in prive aansprakelijk worden gesteld voor deze aanslag. Maar hoe zit het met de boete?
Boete en bestuurdersaansprakelijkheid
Een bestuurder (in dit geval een DGA) runt zijn bedrijf (BV). Als een belastingaanslag niet tijdig wordt betaald kan er sprake zijn van bestuurdersaansprakelijkheid (kennelijk onbehoorlijk bestuur). Hiervan is sprake als de betalingsonmacht voor de aanslagen niet tijdig (en juist) wordt gemeld. De bestuurder (DGA) is dan aansprakelijk voor de niet betaalde belastingaanslagen. Meestal wordt de aanslag nog verhoogd met een verzuim of vergrijpboete (en kosten).
Volgens de Rechtbank Noord Nederland gold voor een boete een zwaardere bewijslast. De Belastingdienst moet bewijzen dat de bestuurder een (zelfstandig) verwijt kan worden gemaakt voor het niet betalen van de boete. De bal ligt dan dus bij de Belastingdienst. In deze casus was de bestuurder (DGA) wel aansprakelijk voor de onbetaalde aanslagen maar niet voor de boetes.
Noot fiscaal jurist inzake bestuurdersaansprakelijkheid en boete
Wij zijn regelmatig betrokken bij procedures waarbij de DGA/ bestuurder in prive wordt aangesproken voor belastingaanslagen van zijn BV. De formele regels en exacte feiten zijn hierbij van essentieel belang. In de onderstaande procedure geeft de rechtbank Noord Nederland al enige richting. Een melding betalingsonmacht moet binnen 2 weken na de dag waarop de betreffende belastingbedragen moeten worden afgedragen schriftelijk worden ingediend.
Als de nageheven belasting niet tijdig is afgedragen of is voldaan en als dit niet te wijten is aan opzet of grove schuld van de BV, dan kan tijdige melding bij naheffingsaanslagen nog plaatsvinden binnen twee weken na de vervaldag van de aanslag. In een procedure bij de Rechtbank Den Haag was er sprake van grove schuld van de BV en een rechtsgeldige melding is dan niet meer mogelijk. Een melding betalingsonmacht kan dan niet helpen. Excape is dat de bestuurder het vermoeden dat er niet rechtsgeldig is gemeld kan weerleggen door aannemelijk te maken dat dit niet aan hem te wijten is.
In de procedure bij de Rechtbank Den Haag worden de bestuurders niet aansprakelijk gesteld voor de boetes, deze zijn al verminderd. De bestuurders worden wel aansprakelijk gesteld voor de (belasting en invorderings) rente, de vraag is of dit juist is.
Als u binnen uw bedrijf zou twijfelen aan de fiscale behandeling van bepaalde betalingen of kosten is het verstandig een fiscaal jurist te raadplegen. U loopt als bestuurder / DGA zomaar een extreem risico (prive aansprakelijkheid voor de aanslagen van de BV). Soms is vooroverleg met de Belastingdienst wenselijk of kan een suppletie aangifte worden ingediend. Voorkomen is soms beter dan genezen. Wij adviseren wekelijks ondernemers bij fiscale procedures, second opinion over fiscale adviezen en/of bij invorderingsproblemen. Stuur gerust een e-mail of bel !
Bron bestuurdersaansprakelijkheid en boete
Rechtbank Noord Nederland 15 april 2021 (ECLI:NL:RBNHO:2021:3062)
Belastingfraude en gevangenisstraf
Op belastingfraude staat een maximale gevangenisstraf van 6 jaar. De laatste jaren worden steeds meer bestuurders, DGA's en belastingadviseurs veroordeeld tot een "echte" gevangenisstraf. Heeft u gefraudeerd met uw belastingaangifte of had u de FIOD bij uw bureau staan? Wat zijn de gevolgen?
Nieuws 2023 inzake protocol AAFD
Het Protocol AAFD staat voor Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen. Omdat fiscale delicten vaak zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk kunnen worden afgehandeld, volgt uit artikel 5:44 lid 1 Awb en artikel 243 lid 2 Sv dat het één het ander uitsluit, tot zover de wet (una via beginsel en in verlengde hiervan het ne bis in idem beginsel, dus geen dubbele straf van dezelfde persoon voor hetzelfde feit). Er moet dus een keuze worden gemaakt, of fiscaal "aanpakken" of strafrechtelijk, dit volgt meestal uit het overleg tussen FIOD, OM en de belastingdienst. Voor dit overleg van de "weegploeg" is er sinds 1 juli 2023 een nieuw protocol. In de kern de wijzigingen
- Nadeel tenminste € 100.000. Vanaf 1 juli 2023 geldt het ook voor zaken waarin het nadeel onvoldoende bepaalbaar is. Er moet wel sprake zijn van een vermoeden van opzet.
- Er is binnen Europa een nieuwe entiteit, het Europees Openbaar Ministerie. Het EOM is een onafhankelijk orgaan van de Europese Unie en onderzoekt en vervolgt strafbare feiten die de financiële belangen van de EU kunnen schaden. Soms zullen zaken dus aan het EOM moeten worden voorgelegd, het AAFD is dan buiten beeld.
- AAFD is ook van toepassing voor strafbare feit en uit de Wet op de internationale bijstandsverlening (WIB)
- Daarnaast wordt de evolutie van het boete systeem nog benoemd (zoals de deelnemersboete (artikel 67 letter o AWR / artikel 5:1 AWB) en de mogelijkheid om namen van overtreders openbaar te maken (artikel 67 letter r AWR)
Fiscale boete of verbeurdverklaring
Een (fiscale of geld) boete is niet aftrekbaar (artikel 3.14 lid 1 onder c Wet IB). Het kan namelijk niet zo zijn dat een straf minder pijn doet doordat de boete aftrekbaar is. Ook boetes, kosten en lasten die hiermee (of met een misdrijf) samenhangen zijn niet aftrekbaar (mits belastingplichtige onherroepelijk is veroordeeld). Uit de wet, de wetsgeschiedenis en enkele uitspraken van rechters volgt echter wel dat verbeurdverklaringen gewoon aftrekbaar zijn. De verbeurdverklaring is een straf (sanctie) in het strafrecht waarbij de rechter bepaalt dat de belastingplichtige de (veroordeelde) eigendom over een voorwerp (of geld) verliest en waarbij de staat die eigendom verkrijgt. Als het voordeel wordt belast en dit voordeel wordt afgenomen dan is het (financieel) logisch dat dit aftrekbaar is (artikel 3.14 lid 3 wet IB). Aftrek zal plaatsvinden in het jaar waarin de ontneming feitelijk heeft plaatsgevonden. Tot zover is het helder.
In een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 15 mei 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3208) oordeelde deze belastingkamer echter anders. Het Gerechtshof stelde dat de verbeurdverklaring - onder omstandigheden - niet aftrekbaar was omdat deze samenhangt met criminele kosten (artikel 3.14 lid 1 onderdeel d wet IB). Dit is echter "onder omstandigheden". Omdat de Hoge Raad er verder niks mee deed is het nog gissen hoe dit moet worden gezien. Het lijkt erop dat een verbeurdverklaring niet aftrekbaar is deze moet worden gezien als een (punitieve) straf of sanctie. Een normale verbeurdverklaring (ontnemingsactie) is dus gewoon aftrekbaar omdat deze moet worden gezien als de voldoening van straf (geldbedrag).
Foutieve aangifte en fraude
Bedrijven moeten vaak maandelijks aangiften indienen (omzetbelasting en loonbelasting). Tevens moet eens per jaar een aangifte vennootschapsbelasting (bij rechtspersonen) worden ingediend. Een foutieve aangifte (bijvoorbeeld schuiven of slepen met btw) kan al snel worden gezien als fraude.
Sancties bij belastingfraude
Verzuimboete als sanctie
Indien u beneden de onderstaande drempels blijft of als er geen opzet speelt, wordt er een boete opgelegd. Dit kan een verzuimboete of vergrijpboete zijn, dit hangt van de feiten af en wordt door een speciale "boete-inspecteur" bepaald. Een verzuimboete krijgt u meestal als u niet tijdig een aangifte heeft ingediend en / of als opzet ontbreekt.
In de meeste gevallen krijgt u of uw bedrijf dus gewoon een (verzuim-)boete. Als er meer aan de hand is, wordt een vergrijpboete opgelegd, deze kan oplopen tot 100% van het belastingbedrag. Het kan ook zijn dat er een zogenaamde strafbeschikking volgt. De strafrechter zal dan oordelen over het fiscale handelen van u of uw bedrijf. De vervolging is vervelend, maar de straf die volgt heeft menselijke en financiële gevolgen (boete, celstraf of taakstraf).
Vergrijpboete als sanctie
Een vergrijpboete krijgt u of uw bedrijf indien u opzettelijk geen aangifte of een onjuiste of onvolledige aangifte heeft ingediend. Het drempelbedrag wordt hierbij ook bekeken, maar meestal wordt de stap naar vervolging niet gemaakt. De hoogte van de vergrijpboete zal afhangen van:
- Uw opzet, bewust handelen, grove schuld;
- Recidive (begaat u vaker overtredingen);
- Uw kennis van het vak;
- Omvang van de belastingvordering.
Tegen verzuim- en vergrijpboetes kunt u bezwaar maken en ook in beroep gaan bij de rechter.
Strafsanctie
Op belastingfraude staat een maximale gevangenisstraf van 6 jaren. Ook kan een navorderings- of naheffingsaanslag worden opgelegd en kan u het voordeel worden ontnomen.
Wanneer kan strafvervolging in beeld komen? Dit zal afhangen van het nadeel voor de Belastingdienst (de schatkist):
- Strafvervolging particulieren: nadeel hoger dan € 10.000;
- Strafvervolging ondernemers: nadeel hoger dan € 15.000.
Vaak ziet de Belastingdienst de fraude of het belastingnadeel als eerste. In voorkomende gevallen wordt dit dan intern besproken. Vervolgens kan de inspecteur of controleur beslissen om uw situatie aan te melden binnen het tripartiete overleg (overleg Belastingdienst, Openbaar Ministerie en de FIOD). Uw situatie wordt dan besproken en formeel getoetst aan de AAFD Richtlijn. Mensen met een voorbeeldfunctie (bekende mensen, accountants, advocaten en belastingadviseurs) komen sneller in aanmerking voor strafvervolging.
Bij een strafbeschikking verlaten we feitelijk het fiscale materiële recht. Er is dan geen sanctie meer (zoals een verzuim- of vergrijpboete), maar we stappen vanuit allerlei boetewetgeving over naar het strafrecht. Het gevolg hiervan is dat u hoge boetes kunt krijgen en ook een gevangenisstraf (en dus strafblad). In de praktijk merken wij dat de impact hiervan enorm kan zijn, naast een strafblad kan dit grote gevolgen voor uw bedrijf hebben. De belangrijkste zijn:
- Reputatieverlies door artikelen in de pers;
- Klanten en relaties verliezen het vertrouwen in u of uw bedrijf;
- Banken zeggen het vertrouwen (en de financiering) op;
- Meer controles door de Belastingdienst, AFM, etc.
Advies inzake belastingfraude of onderzoek
De Belastingdienst zal niet snel de stap naar het strafrecht maken, veelal worden er "gewoon" bestuurlijke boetes (verzuim- of vergrijpboetes) opgelegd. Bij ernstige onregelmatigheden, recidive (u bent hardleers) of zware fraude kunt u met het (fiscale) strafrecht in aanraking komen.
Het begint dan meestal met een brief, boekenonderzoek of vraaggesprek. Vervolgens kan het zijn dat de Belastingdienst op grond van haar bevindingen contact opneemt met het OM of de FIOD. In dergelijke gevallen kan dan ook ineens de FIOD op de stoep staan.
Voorkomen van strafvervolging en tijdig een specialist inschakelen is vaak het beste advies. DGA's doen jaarlijks aangifte voor de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting en nog vaker wordt er een aangifte omzetbelasting en / of loonbelasting ingediend. Een fout is zo gemaakt en voordat u het weet is sprake van grove schuld, opzet of een fraudegeval. Een fout kan dus soms desastreuze gevolgen hebben.
Bij een boekenonderzoek kan de controleur tot de conclusie komen dat hij uw handelen intern moet aanmelden. Het is in dergelijke gevallen verstandig dat u met de Belastingdienst in gesprek blijft. Hierbij is het wel van belang dat u zich goed heeft voorbereid op de gesprekken en geen informatie geeft welke zich later tegen u kan keren. Soms is er iets verkeerd gegaan zonder dat u het wist of kon weten. In dergelijke gevallen is van fraude meestal geen sprake.
Bij strafvervolging (maar ook bij sommige boetes) gelden er ook striktere regels en waarborgen voor u. De belangrijkste is uw zwijgrecht op het moment dat men u als verdachte ziet. Ook mag uw woning niet zomaar worden onderzocht (tenzij toestemming van rechter commissaris).
Soms komt het OM niet in beeld en wordt er door de Belastingdienst een Fiscale Strafbeschikking (een FSB) opgelegd. Via deze route worden de rechtelijke macht en het OM een beetje ontlast. Ook voor dergelijke trajacten (bij boete boven € 2.000) gelden specifieke spelregels. De belangrijkste is dat u wordt gehoord en in dit gesprek uw zienswijze kunt geven. De Belastingdienst-medewerker zal u wijzen op de cautie (niet verplicht om te antwoorden / alles wat u zegt kan gebruikt worden bij het onderzoek).
Heeft u vragen of opmerkingen? Neem gerust contact op met één van onze (onderstaande) specialisten.
Boekenonderzoek en e-mailverkeer
Een administratiekantoor weigert bepaalde e-mails aan de Belastingdienst te verstrekken bij een boekenonderzoek. Door de toenemende digitalisering zien wij vaker bij dergelijke onderzoeken dat de Belastingdienst hierom vraagt. Wanneer moet u adviezen en / of e-mails verstrekken aan de Belastingdienst?
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Boekenonderzoek en informatieverstrekking
De Belastingdienst vraagt een ondernemer bij een boekenonderzoek soms het "administratieve hemd van het lijf". Hierbij wordt er soms veel te veel opgevraagd en de ondernemer / belastingplichtige wordt hierbij beperkt beschermd. De enige echte bescherming is dat de Belastingdienst enkel informatie mag opvragen welke fiscaal relevant is. De basis voor de informatieverstrekking is gelegen in artikel 47 en 52 van de AWR (Algemene Wet inzake Rijksbelastingen).
Door de toenemende digitalisering zien wij dat de Belastingdienst steeds vaker ook e-mailverkeer opvraagt bij de belastingplichtige. Hierbij mag de ondernemer een scheiding maken in de te verstrekken e-mails.
Wat moet er worden verstrekt bij een boekenonderzoek?
De Belastingdienst mag veel informatie opvragen, maar er zijn ook beperkingen. De belangrijkste aandachtspunten bij het verstrekken van informatie zijn:
- Is de informatie fiscaal relevant voor belastingheffing?
- E-mails met fiscale adviezen hoeven in principe niet te worden verstrekt.
- E-mails met een privé karakter hoeven niet te worden verstrekt.
- Het willekeurig alles opvragen (fishing expedition) door de Belastingdienst is niet toegestaan.
Procedure rechtbank inzake verstrekken e-mails bij boekenonderzoek
In een procedure bij de Rechtbank Gelderland in 2020 ging het om een informatiebeschikking tijdens een boekenonderzoek. In deze procedure beroept een administratie- / belastingadvieskantoor zich op het informele verschoningsrecht, dit wordt vlot door de rechter in de prullenbak gegooid, ook al zou dit in strijd zijn met het fair play beginsel (Hoge Raad, 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3140). De Belastingdienst heeft niet specifieke e-mails van een bepaalde relatie opgevraagd. De gevraagde informatie had betrekking op de administratie van het administratie- / belastingadvieskantoor en moet gewoon worden verstrekt.
Advies fiscaal jurist inzake boekenonderzoek
Het is verstandig om een specialist in te schakelen bij een boekenonderzoek. Het aantal onderzoeken zal de komende tijd toenemen. Een gedegen voorbereiding is bij een boekenonderzoek ook van belang, hierbij moeten ook de spelregels en de aandachtspunten voor de ondernemer / belastingplichtige duidelijk zijn. Heeft u vragen of wordt er een boekenonderzoek bij uw bedrijf aangekondigd, neem dan gerust contact op met één van onze specialisten.
Bron boekenonderzoek en informatieverstrekking
Rechtbank Gelderland d.d. 9 december 2020 ECLI:NL:RBGEL:2020:6488
Fiscale boete en strafvervolging
Gebeten worden door de hond (Officier van Justitie) of kat (Belastingdienst) maar niet beide. Of "ne bis in idem" en "una via beginsel"Nieuws 2023 inzake protocol AAFD
Het Protocol AAFD staat voor Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen. Omdat fiscale delicten vaak zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk kunnen worden afgehandeld, volgt uit artikel 5:44 lid 1 Awb en artikel 243 lid 2 Sv dat het één het ander uitsluit, tot zover de wet (una via beginsel en in verlengde hiervan het ne bis in idem beginsel, dus geen dubbele straf van dezelfde persoon voor hetzelfde feit). Er moet dus een keuze worden gemaakt, of fiscaal "aanpakken" of strafrechtelijk, dit volgt meestal uit het overleg tussen FIOD, OM en de belastingdienst. Voor dit overleg van de "weegploeg" is er sinds 1 juli 2023 een nieuw protocol. In de kern de wijzigingen
- Nadeel tenminste € 100.000. Vanaf 1 juli 2023 geldt het ook voor zaken waarin het nadeel onvoldoende bepaalbaar is. Er moet wel sprake zijn van een vermoeden van opzet.
- Er is binnen Europa een nieuwe entiteit, het Europees Openbaar Ministerie. Het EOM is een onafhankelijk orgaan van de Europese Unie en onderzoekt en vervolgt strafbare feiten die de financiële belangen van de EU kunnen schaden. Soms zullen zaken dus aan het EOM moeten worden voorgelegd, het AAFD is dan buiten beeld.
- AAFD is ook van toepassing voor strafbare feit en uit de Wet op de internationale bijstandsverlening (WIB)
- Daarnaast wordt de evolutie van het boete systeem nog benoemd (zoals de deelnemersboete (artikel 67 letter o AWR / artikel 5:1 AWB) en de mogelijkheid om namen van overtreders openbaar te maken (artikel 67 letter r AWR)
Handreiking fiscaal beleid bij opleggen boetes
Voor de formele kant en het standpunt van de belastingdienst is er informatie beschikbaar over de wijze waarop de belastingdienst fiscale boetes kan opleggen (lees hier de handreiking uit een WOO onderzoek), vertrekpunt in deze discussie is artikel 5:49 AWB en artikel 67 AWR, dit in combinatie met het besluit bestuurlijke boeten (pagraaf 13).
Fiscale boete of verbeurdverklaring
Een (fiscale of geld) boete is niet aftrekbaar (artikel 3.14 lid 1 onder c Wet IB). Het kan namelijk niet zo zijn dat een straf minder pijn doet doordat de boete aftrekbaar is. Ook boetes, kosten en lasten die hiermee (of met een misdrijf) samenhangen zijn niet aftrekbaar (mits belastingplichtige onherroepelijk is veroordeeld). Uit de wet, de wetsgeschiedenis en enkele uitspraken van rechters volgt echter wel dat verbeurdverklaringen gewoon aftrekbaar zijn. De verbeurdverklaring is een straf (sanctie) in het strafrecht waarbij de rechter bepaalt dat de belastingplichtige de (veroordeelde) eigendom over een voorwerp (of geld) verliest en waarbij de staat die eigendom verkrijgt. Als het voordeel wordt belast en dit voordeel wordt afgenomen dan is het (financieel) logisch dat dit aftrekbaar is (artikel 3.14 lid 3 wet IB). Aftrek zal plaatsvinden in het jaar waarin de ontneming feitelijk heeft plaatsgevonden. Tot zover is het helder.
In een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 15 mei 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3208) oordeelde deze belastingkamer echter anders. Het Gerechtshof stelde dat de verbeurdverklaring - onder omstandigheden - niet aftrekbaar was omdat deze samenhangt met criminele kosten (artikel 3.14 lid 1 onderdeel d wet IB). Dit is echter "onder omstandigheden". Omdat de Hoge Raad er verder niks mee deed is het nog gissen hoe dit moet worden gezien. Het lijkt erop dat een verbeurdverklaring niet aftrekbaar is deze moet worden gezien als een (punitieve) straf of sanctie. Een normale verbeurdverklaring (ontnemingsactie) is dus gewoon aftrekbaar omdat deze moet worden gezien als de voldoening van straf (geldbedrag).
Standpunt kennisgroep belastingdienst
Het beleid van de belastingdienst inzake het instellen van een schuldonderzoek bij een boete is openbaar gemaakt in augustus 2023. Er is verzocht om openbaarmakeing van alle interne stukken waarin vastlegging heeft plaatsgevonden over het beleid met betrekking tot het (zuivere) schuldonderzoek (ad titel 5.2 AWB). In dit stuk vindt u werkinstructies, interne memo's, standpunten, notulen van vergaderingen etc. Het stukken kunt u hier raadplegen. Een aantal zaken vallen op:
- Voor de matiging van een boete wordt ook naar het huidige gedrag gekeken
- Voor verzuimboetes is minder ruimte voor responsief handhaven
- Vragen stellen over de boete toegestaan maar belastingplichtige kan zich beroepen op zijn zwijgrecht (artikel 5:10a AWB)
- Hoe moet een onderzoek inzake DGA salaris plaatsvinden
- Stappenplan inzake opleggen van een boete
- Hoe werkt het schuldonderzoek
- Wanneer melding mogelijke fraudezaak
Boete op boete
Het doen van belastingaangifte wordt steeds ingewikkelder en velen stellen het tot het laatste moment uit. Vooral de BTW is voor velen een maandelijks uitstelprobleem.
Dan kan het wel eens gebeuren dat u te laat bent met de aangifte of dat de belasting niet op tijd op de rekening van de Belastingdienst staat.
Om u toch wat beter bij de les te houden en de normen wat aan te scherpen – zoals dat heet – zijn er diverse boetebepalingen in de wet opgenomen. Dat begint bij verzuimboetes en vergrijpboetes in het administratieve recht en kan eindigen met taakstraffen en zelfs gevangenisstraf in het strafrecht.
Verzuimboete en strafververvolging
De Hoge Raad oordeelt in 2022 dat de strafrechtelijke vervolging van een natuurlijk persoon wegens een belastingverzuim wel mogelijk is, ook al is aan de BV een fiscale sanctie opgelegd. De DGA wordt namelijk als prive persoon (natuurlijk persoon) vervolgd in de hoedanigheid van de persoon die de opdracht heeft gegeven aan het door BV begane feit (feitelijke leiding). Daarnaast is er een verschil tussen de aard en ernst van het strafbare feit en de oplegging van de verzuimboete. De zaak wordt deels afgerond en wel verwezen.
Slechts één keer straf (ne bis in idem)
Ook een verzuimboete is een straf. Zelden komt daar een rechter aan te pas, maar straf is straf. De wettelijke bepalingen bevatten een overlap en zijn of lijken soms identiek.
U kunt echter maar één keer voor hetzelfde feit bestraft worden (ne bis in idem beginsel). Daarnaast wordt u óf door de hond (de Officier van Justitie bij strafvervolging) óf door de kat (de Belastingdienst bij een geldboete) gebeten (una via beginsel).
De overheid moet dus keuzes maken: geven we een verzuimboete of vergrijpboete; doet de Belastingdienst het of sturen we het naar de Officier van Justitie?
- In beginsel is de keuze beslissend;
- Een verzuimboete kan geen vergrijpboete meer worden; en
- Na boetoplegging door de Belastingdienst kan niet meer strafrechtelijk worden vervolgd.
Het grijze gebied bij een dubbele fiscale straf
Aangezien het strafbare feit in de diverse wettelijke bepalingen (iets) anders is omschreven, kan het voorkomen dat de Belastingdienst een verzuimboete oplegt en dat later ook de Officier van Justitie gaat vervolgen. Dat mag niet voor hetzelfde feit.
Hetzelfde feit bij boete en strafoplegging in fiscale landschap
Nu lijkt er wat licht te zitten tussen het beoordelingskader van het EHRM (de hoogste Europese rechter) en onze nationale hoogste rechter (de Hoge Raad) over de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’.
- Het EHRM kijkt vooral naar de inhoudelijke feiten: de feitelijke omstandigheden die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn qua tijd en plaats.
- De Hoge Raad heeft daarnaast (nog steeds?) aandacht voor de juridische aard van de gedraging: vallen de feiten onder dezelfde delictsomschrijving, het doel van de strafbaarstelling van feit, wie tegen dat feit beschermd moet worden en de maximale straf van de verschillende feiten.
Spijkers op laag water zoeken? Niet echt. In een recente zaak heeft een verdachte van de Rechtbank een taakstraf gekregen van liefst 72 uur wegens het opzettelijkniet (tijdig) doen van aangifte inkomstenbelasting. Pas in hoger beroep wordt kennelijk beter naar de zaak gekeken en wordt vastgesteld dat al een verzuimboete is opgelegd wegens het niet (tijdig) doen van aangifte inkomstenbelasting. Het Hof is er snel klaar mee. Het OM vervolgt hetzelfde feit als waarvoor reeds een verzuimboete is opgelegd. Dat kan niet. Daarop volgt niet-ontvankelijk verklaring van het OM met een streep door de taakstraf.
Eerder had Hof Den Bosch al in een BTW-zaak geoordeeld dat een verzuimboete wegens het niet (tijdig) doen van aangifte omzetbelasting zonder enige twijfel hetzelfde feit is als het opzettelijkniet (tijdig) doen van aangifte (dat wordt bestraft met een vergrijpboete).
Daarmee lijken de gerechtshoven (reeds?) iets meer op de lijn van het EHRM te zitten. Het juridische element van opzet dat is vereist voor een vergrijpboete maakt dus niet dat sprake is van een ander feit.
Matiging boete door Hoge Raad
De Hoge Raad (cassatie) bekijkt een zaak niet meer inhoudelijk en veel zaken worden dan ook afgedaan met zogenaamde artikel 81 RO beslissingen. Het cassatieberoep wordt dan afgewezen zonder uitgebreide inhoudelijke motivering. In de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 21 november 2025 ECLI:NL:HR:2025:1727 faalde het inhoudelijke beroep (klachten nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling). Maar hiermee was nog niet alles gezegd.
De Hoge Raad komt ambtshalve toe aan vraag of de redelijke termijn in cassatie wordt overschreden, ook bij het instellen van cassatie beroep (of tweede cassatieprocedure) begint de redelijke termijn dus weer te lopen (1 jaar). De boete wordt ambtshalve verlaagd (gematigd). Belastingplichtige is vergeten immateriele schadevergoeding te vragen, dat is jammer. Dit is een interessante uitspraak, materieel gebeurt er niks maar de redelijke termijn kan de boete wel verlagen (in dit geval met 15%). Cassatie kan dus van belang zijn voor de boete (en termijnbewaking). Bij boeten moet de tijdlijn dus scherp in de gaten worden gehouden, ook als de materiële / inhoudelijke kansen bij cassatie beperkt zijn. Gelukkig bewaakt de Hoge Raad nog steeds de fundamentele proces belangen en waarborgt deze op de juiste wijze.
Opmerking fiscaal jurist inzake fiscale boete en strafoplegging
Boeteoplegging is maatwerk. Niet alleen alle feiten en omstandigheden moeten leiden tot een passende boete, ook de juridische duiding van het feit dat strafbaar wordt gesteld of beboet dient smetteloos te zijn.
Op een fout moet een passende straf volgen die goed gemotiveerd is. Dat dwingt de Belastingdienst om al bij het opleggen van de boete goed na te denken. Het mag niet zo zijn dat door juridische haarkloverij de fout nogmaals wordt bestraft op grond van een net iets andere wettelijke bepaling.
Als er bewust voor wordt gekozen voor het werken met grotendeels geautomatiseerde systeemboetes (wat bij verzuimboeten het geval is), dient de Belastingdienst de consequenties daarvan te aanvaarden. Het niet voldoende onderzoeken en motiveren van een verzuimboete moet per definitie leiden tot het uitsluiten van verdere strafvervolging.
In de praktijk zien we dat door de Belastingdienst niet goed wordt aangegeven op basis van welke wettelijke bepalingen een boete wordt opgelegd en dat veelal onvoldoende wordt gemotiveerd op grond van welke concrete feiten en omstandigheden tot de conclusie is gekomen dat de boete passend is. Het boetedossier (dat u altijd mag inzien) zou duidelijkheid moeten geven, meestal is dit dossier "gevuld" met een paar krabbels en 2 A4-tjes. Bij verzuimboetes is het doorgaans een kille mathematische exercitie.
De moraal van het verhaal: krijgt u een boete of wordt u fiscaal strafrechtelijk vervolgd, meld het ons. Er is meer mogelijk dan u denkt.
Jurisprudentie fiscale boete en strafoplegging
Navorderen tijdens boekenonderzoek
De Belastingdienst stelt een boekenonderzoek in en tijdens dit onderzoek worden definitieve aanslagen opgelegd over jaren die bij het onderzoek zijn betrokken. En nu? De Belastingdienst kan bij computerfoutjes gewoon navorderen, maar heeft ook een onderzoeksplicht. In een uitspraak van de Rechtbank kwam vorenstaande aan de orde. In dit artikel een toelichting.
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Wanneer nog navorderen door de Belastingdienst?
Een eenvoudige schrijf- of tikfout mag de Belastingdienst herstellen, dit geldt ook voor een automateringsfout of computerfout. De Belastingdienst kan soms alsnog belasting heffen als er al een definitieve aanslag is opgelegd, dit wordt dan vormgegeven via naheffingsaanslagen (aangiftebelastingen zoals omzetbelasting / loonbelasting) en / of navorderingsaanslagen (aanslagbelastingen zoals inkomstenbelasting / vennootschapsbelasting).
De Inspecteur mag inkomsten (of winst) navorderen als dit inkomen redelijkerwijs niet bij de Inspecteur bekend was of bekend had kunnen zijn. De belastingplichtige moet echter wel op het standpunt van de Belastingdienst kunnen vertrouwen, dus een definitieve aanslag is ook een definitieve aanslag. Had de Inspecteur iets kunnen of moeten zien? Had de Inspecteur moeten (door-)vragen?
Moet de Inspecteur doorvragen bij navordering?
De Inspecteur moet volgens de Hoge Raad (in 2010) gericht doorvragen als hij heeft kennis genomen van een ingediende aangifte. Hierbij moet de Inspecteur de normale zorgvuldigheid in acht nemen. Als de Inspecteur in redelijkheid moet twijfelen aan de juistheid van een ingediende aangifte indien hij/ zij zou moeten twijfelen over de juistheid van de ingediende aangifte. De ruimte voor de Inspecteur is dus best ruim en sterk afhankelijk van feiten (artikel 16 AWR). Een nieuw feit is volgende de wet:
- Een feit dat de Inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Van kwade trouw is sprake als de belastingplichtige opzettelijk de Inspecteur onvolledig of onjuist heeft geinformeerd.
En zijn ook nog een paar aanvullende voorwaarden bij navordering, lees hiertoe artikel 16 lid 2 van de AWR. Deze zien op:
- Het moet voor de belastingplichtige in redelijkheid duidelijk (kenbaar) zijn dat de opgelegde aanslag te laag is, hiervan is in ieder geval sprake bij een afwijking van 30%. Hierbij geldt als uitgangspunt "een redelijk denkende belastingplichtige, aldus eenarrest uit 2014.
- Fiscale partners wijzigen onderling de verdeling van vermogen of inkomen.
- Een belastingteruggave onjuist (te hoog) is verrekend met de te betalen belasting.
Kenbare fout bij navordering
Als de belastingplichtige direct kan zien dat een aanslag te laag is, is sprake van een kenbare fout. Een fout is ook een typ- of rekenfoutje van de Belastingdienst in hun megacomputer, ook deze kunnen via navordering worden hersteld. Als de Inspecteur echter een beoordelingsfout maakt, kan hij / zij zich niet verschuilen achter de AWR. Een verwijtbare fout bij de Inspecteur kan niet via de route van artikel 16 worden hersteld, ook niet als de belastingplichtige het kon weten.
Navordering tijdens boekenonderzoek
Tijdens een boekenonderzoek wordt door de belastingplichtige een aangifte ingediend. Bij de aangifte doet hij een briefje met de melding "het volgende is gebeurd ... en er loopt nu een onderzoek". Voordat het boekenonderzoek is afgerond, wordt de definitieve aanslag opgelegd waarbij de aangifte inkomstenbelasting wordt gevolgd. Was de belastingplichtige te kwader trouw? Dit is volgens de rechter niet zo, er zat immers een keurige toelichting bij de aangifte inkomstenbelasting. Door allerlei (menselijke en computer-)fouten is de aangifte er tussendoor geglipt, aldus de Inspecteur. Daarom wil de Inspecteur nu navorderen. Dat er geen nieuw feit is, is wel duidelijk, er liep immers een onderzoek bij belastingplichtige. Van kwade trouw is ook geen sprake, er zat immers een toelichting bij de aangifte. De rechter is het niet met de Inspecteur eens, er is geen sprake van een automatiseringsfout. De Inspecteur had zijn systemen op orde moeten brengen en de uitworp van aanslagen moeten voorkomen. Dit onderzoek heeft niet plaatsgevonden en hiermee kan de Inspecteur een verwijt worden gemaakt. Een beoordelingsfout die niet via artikel 16 (lid 2) AWR kan worden hersteld, daar is de wet niet voor bedoeld.
Naheffingsaanslag wegens gebrekige administratie
Een ondernemer met een kermisattractie en oliebollenkraam heeft zijn administratie niet helemaal op orde. De belastingdienst stelt een boekenonderzoek in bij de ondernemer. Tijdens dit boekenonderzoek wordt duidelijk dat de administratie verre van volledig is, zo ontbreekt een kasadministratie, agenda, vastlegging van kosten en inkoopfacturen, ontbreken enkele bankafschriften en verkoopfacturen en sluit de administratie niet aan. De inspecteur legt een naheffingsaanslag omzetbelasting en een vergrijpboete op.
De ondernemer vraag tijdens de zitting bij de Rechtbank Zeeland West Brabant is op 17 februari 2022 (ECIL:NL:RBZWB:2022:819 om een correctie en dient veel stukken in, dit is onvoldoende, de aanslag blijft grotendeels in stand. Ook de vergrijpboete van 25% blijft in stand. Bij het Gerechtshof 's Hertogenbosch op 21 februari 2024 ECLI:NL:GHSHE:2024:514 vraagt de ondernemer wederom om enig begrip en terugverwijzing naar de rechtbank. Het Hof geeft de ondernemer geen tweede kans. Voor de geconstateerde gebreken in de administratie geeft het hof belanghebbende geen herstelmogelijkheid. Een administratie moet regelmatig worden bijgehouden om een goede vastlegging van de werkelijkheid te garanderen. Een achteraf na afloop van enig jaar opgestelde administratie brengt het risico met zich dat de werkelijkheid niet goed wordt weergegeven. De ondernemer komt ook niet met nieuwe feiten. Al met al een slecht gevoerde procedure bij een rommelige ondernemer. Ook de Hoge Raad doet er op 24 april 2026 niks mee (ECLI:NL:HR:2026:728), artikel 81 RO zaak.
Conclusie inzake navordering tijdens boekenonderzoek
Bij een aanslagbelasting (zoals inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting) rust op de Inspecteur de verantwoordelijkheid om zijn huiswerk goed te maken. Als de Inspecteur iets had kunnen zien of moeten zien, kan er niet worden nagevorderd. Op deze hoofdregel bestaan natuurlijk weer allerlei uitzonderingen, dit maakt het complex en een grijs gebied.
Een beoordelingsfout komt voor rekening van de Inspecteur en een typfout voor rekening van belastingplichtige, dit volgt uit deze rechtbankzaak en ook uit een arrest uit 2018.
Vragen over navorderingsaanslagen of boekenonderzoeken?
Neemt gerust vrijblijvend contact op met één van onze specialisten !
Bron kenbare fout en navordering
Hoge Raad d.d. 21 mei 2010 ECLI:NL:HR:2010:BL8295
Hoge Raad d.d. 15 juni 2018 ECLI:NL:HR:2018:797
Hoge Raad d.d. 13 juli 2019 ECLI:NL:HR:2018:1203
Hoge Raad d.d. 27 juni 2014 ECLI:NL:HR:2014:1528
Rechtbank Zeeland - West Brabant d.d. 26 februari 2020 ECLI:NL:RBZWB:2020:922
Geen vergrijpboete door fout boekhouder
Een ondernemer (projectontwikkelaar) brengt omzetbelasting in aftrek, dit was fout. De fout wordt (bewust?) gemaakt door het administratiekantoor van de ondernemer. Een fout van het administratiekantoor, bewust of onbewust, mag niet op het bordje van de belastingplichtige / ondernemer worden gelegd, stelt de rechter!
Doet u opzettelijk geen aangifte of een onjuiste of onvolledige aangifte, dan krijgt u van de Belastingdienst een vergrijpboete opgelegd, tenminste dit kan de Belastingdienst doen. Er kan ook een vergrijpboete worden opgelegd bij een navorderingsaanslag. De Belastingdienst mag alleen ene vergirjpboete opleggen als aantoonbaar sprake is van opzet (willens en wetens handelen) of grove schuld (voorwaardelijke opzet, willen staat centraal, lichtvaardig of slordig handelen). Bij bepaalde boetes is zelfs grove schuld niet voldoende, opzet lijkt de ondergrens (bij een vergrijpboete). Boete is bij grove schuld meestal lager dan bij voorwaardelijke opzet.
De belastingdienst moet dus overtuigend aantonen (doen blijken) dat sprake is van grove schuld of opzet omdat de waarborgen van het EVRM (Europees verdrag voor de rechten van de mens) ook meespelen. De belastingplichtige moet dus weten dat hij iets fout deed (en bewust).
Belastingdienst moet vergrijpboete overtuigend aantonen
Sinds de uitspraak van de Hoge Raad van 8 april 2022 (ECLI:NL:HR:2022:526) geldt dat de inspecteur een fiscale overtreding overtuigend moet aantonen bij het opleggen van een boete; aannemelijkheid is onvoldoende. Deze zwaardere bewijsmaatstaf heeft geleid tot toenemende aandacht voor de wijze waarop bewijs in fiscale boetezaken wordt beoordeeld. Omdat fiscale boetes een punitief karakter hebben (boete is bedoeld om te straffen), ligt aansluiting bij strafrechtelijke waarborgen voor de hand, waaronder het hanteren van bewijsminima. In het strafrecht gelden immers bewijsminima om lichtvaardige veroordelingen te voorkomen; dat zou ook in het fiscale boeterecht wenselijk zijn. De huidige vrije bewijsleer in het fiscale recht kan leiden tot subjectieve beoordelingen en ongelijke uitkomsten, zoals bleek bij de Luxemburgse bankrekeningzaken. Bewijsminima zouden bijdragen aan rechtszekerheid, bescherming tegen willekeur en betere aansluiting bij artikel 6 EVRM, dat strikte eisen stelt aan bewijs in punitieve procedures. Hoewel tegenstanders wijzen op het belang van flexibiliteit, sluiten bewijsminima een zorgvuldige en flexibele beoordeling van complex bewijs niet uit. De auteur pleit daarom voor invoering van bewijsminima in het fiscale boeterecht, in lijn met de oproep van A-G Koopman op 5 juli 2024 (ECLI:NL:PHR:2024:774) , ter versterking van de rechtspositie van de belastingplichtige.
Krijgt u een boete? Schakel een specialist in die u bijstaat in uw communicatie met de Belastingdienst.
Vergrijpboete ter discussie stellen
De vergrijpboete wordt soms iets te vlot door een inspecteur opgelegd. Deze kan om verschillende redenen worden verminderd of tot nihil worden bijgesteld (door de rechter). De belangrijkste oorzaken uit de rechtspraak zijn:
- Procedure loopt te lang (overschrijding van de redelijke termijn), zie Hoge Raad d.d. 6 september 2024 ECLI:NL:HR:2024:1132 of Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 23 juli 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:4871
- Vergrijpboete voor hetzelfde feit bij verschillende belastingtypen
- Vergrijpboete wordt niet overtuigend via feitelijk bewijs aannemelijk gemaakt, derhalve geen (of beperkt) sprake van opzet of grove schuld (uitgebreide toelichting in mening AG op 4 april 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:410)
- Ontbreken van voldoende bewijs voor opzet of grove schuld, Gerechtshof Amsterdam d.d. 15 november 2022 ECLI:NL:GHAMS:2022:3728
- De grondslagen en/of omstandigheden zijn anders of niet juist voorgesteld, zie Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 14 mei 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:3357
- De boete moet wel in balans zijn, de noodzaak van een juiste kwalificatie van het vergrijp en de evenredigheid van de opgelegde boete, zie hiertoe mening AG op 5 juli 2024 ECLI:NL:PHR:2024:736
- Beboeting wordt niet tijdig medegedeeld, schending verdedigingsbeginsel (kennisgeving boete (met motivering) is later gedagtekend dan de boetebeschikking. Zie hiertoe bijvoorbeeld Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 7 mei 2025 ECLI:NL:RBZWB:2025:2724.
Streep door vergrijpboete ex bestuurder voetbalclub
Als bestuurder een vergrijpboete aan je broek krijgen? Dan staat niet alleen je portemonnee onder druk, maar ook je reputatie. De fiscus legt ze soms voortvarend op, maar gelukkig kijkt de rechter kritischer. In een procedure bij de Rechtbank Gelderland d.d. 5 juni 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:4322) oordeelde de rechter dat een ex-bestuurder van een voetbalclub ten onrechte als feitelijk leidinggever werd aangemerkt. Hoewel hij ooit betrokken was bij een spelerstransfer, was zijn rol bij de latere afwikkeling onvoldoende concreet. De rechtbank herhaalt: bestuurder zijn is niet hetzelfde als leiding geven aan een strafbaar feit. En voor een boete moet de Belastingdienst het bewijs keihard rond hebben. Omdat die bewijslast zwaarder is dan bij de belastingheffing zelf, sneuvelde de boete. De uitspraak is een reminder: wie als adviseur scherp blijft op bewijs en betrokkenheid, kan veel ellende besparen.
Voor een helder overzicht van de stappen die de belastingdienst moet doorlopen verwijzen wij u naar een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 26 april 2016 ECLI:NL:HR:2016:733.
Geduld is vereist, maar rechtvaardigheid duurt soms gewoon even. Belangrijk is dat de belastingdienst met overtuigend aangetoond bewijs komt met concrete gedragingen door de feitelijk leidinggevende.
Hierbij spelen voor een vergriipboete een aantal zaken:
- Feitelijk leiding geven: dit moet concreet worden onderbouwd (zie Hoge Raad d.d. 16 december 1986 ECLI:NL:HR:1986:AC9607) , dit speelde bij de Slavenburg bank, de zogenoemde slavenburg jurisprudentie.
- Is de verboden gedraging door de BV (of rechtspersoon) verricht, zie Drijfmest arrest van de Hoge Raad d.d. 21 oktober 2003 ECLI:NL:HR:2003:AF7938
- Wordt het geheel (opzet of grove schuld) voldoende overtuigend aangetoond (zie Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Al met al moet het volgende worden beoordeeld:
- Kan de (strafbare) gedraging worden toegerekend aan belastingplichtige ( de rechtspersoon)
- Is er hierbij sprake van opzet bij deze strafbare gedraging
- Heeft de persoon (bestuurder) zich gedragen als actief (of passief) feitelijk leidinggevende van dit (strafbare) feit
- Is dit gedrag opzettelijk uitgevoerd door de feitelijk bestuurder/ leidinggevende.
- Heeft de belastingdienst voldoende overtuigend aangetoond dat sprake
is van opzet of grove schuld (zie
Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Soorten vergrijpboete
Er zijn meerdere soorten vergrijpboetes, de belangrijkste:
- Belasting is opzettelijk (of grove schuld) niet betaald (of niet volledig betaald), artikel 67f ZWR
- Opzettelijk niet of onjuist aangifte doen (voor aanslagbelasting), artikel 67d AWR
- Bij navordering mits sprake van opzet (of grove schuld) en er te weinig belasting is betaald, artikel 67e AWR
- Informatieverplichting niet nakomen (uit eigen beweging), artikel 10a AWR
- Opzettelijk onjuiste informatie of inlichtingen verstrekken bij verzoek
voorlopige aanslag, artikel 67cc AWR
Door fout boekhouder een boete krijgen
De projectontwikkelaar heeft BTW over een verbouwing van een bedrijfspand in aftrek gebracht. Het gebouw wordt vervolgens verhuurd aan een niet-BTW-plichtige ondernemer, een zorginstelling. De Belastingdienst eist de verrekende BTW terecht terug en legt een vergrijpboete op van 25%, ruim € 33.000. Volgens de Belastingdienst is sprake van grove schuld bij de projectontwikkelaar. De Belastingdienst stelt hieromtrent het volgende:
- De projectontwikkelaar had moeten weten dat de BTW niet verrekenbaar was.
- Advies van de boekhouder is slecht onderbouwd, dat had de projectontwikkelaar moeten doorzien.
- Fiscaliteit is binnen de projectontwikkeling belangrijk, enige kennis mag dan worden verondersteld.
De ondernemer stelt vrij eenvoudig: "aan mijn kant is geen sprake van grove schuld, ik heb mij laten adviseren door een adviseur waarvan ik mocht denken dat die deskundig was." Het advies is door de boekhouder gegeven en de aangifte is ook door de boekhouder ingediend.
Rechter over vergrijpboete bij boekhouder / accountant
De rechter stelt dat opzet / grove schuld bij de adviseur nog niet uitsluit dat er ook geen opzet / grove schuld bij de ondernemer aanwezig is. In dit verband is het volgende van belang:
- Heeft de ondernemer de zorg betracht die redelijkerwijs van hem mag worden gevraagd bij de keuze van de adviseur?
Als aan de deskundigheid van de adviseur niet hoeft te worden getwijfeld, is er geen reden om van de ondernemer veel te verwachten, de ondernemer mag hier dan op vertrouwen. De bal (stelplicht en bewijsplicht) ligt dan bij de Belastingdienst. De ondernemer heeft voldoende weersproken en bewezen dat hij niet aan de adviseur hoefde te twijfelen, dit is onvoldoende door de Belastingdienst weersproken. Ook wordt de fiscale kennis bij de ondernemer onvoldoende onderbouwd.
Hoge Raad inzake vergrijpboete
In 2022 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over de term "bewust". Een autohandelaar heeft een naheffingsaanslag BTW met een vergrijpboete ontvangen. De reden is dat de handelaar door de gebrekkige administratie had moeten inzien dat hij geen recht had op de levering van auto's tegen het nultarief. Hij had moeten weten dat hij niet aannemelijk zou kunnen maken dat de auto's naar een andere EU lidstaat zijn vervoerd. Ook had de handelaar zijn adviseur niet zomaar mogen vertrouwen. De Hoge Raad denkt hier anders over. Voorwaardelijke opzet is niet aan de orde. Aan de handelaar kan niet de voor opzet vereiste "bewustheid" met betrekking tot de onjuiste aangifte worden verweten, aldus ons hoogste rechtscollege. Verder kunnen de omstandigheden dat belanghebbende geen openheid van zaken heeft gegeven en dat hij het laakbare van zijn gedragingen niet heeft ingezien, niet bijdragen aan het oordeel dat hij bewust fouten heeft gemaakt. De Hoge Raad vernietigd de vergrijpboete en verwijst de zaak naar een ander Gerechtshof.
Waarmee kunnen wij u helpen?
De kans op een onjuiste aangifte is door de ingewikkeldheid / complexiteit van het belastingrecht snel aanwezig. Dat wil echter nog niet zeggen dat u als belastingplichtige zich er steeds van bewust moet zijn geweest dat uw aangifte onjuist of mogelijk onjuist is. Schakel daarom voor het doen van aangifte een deskundige in. Is eenmaal een boete opgelegd of wordt dat aangekondigd, neem dan direct contact met ons op. Wij beschikken over de deskundigheid om een boete eventueel te voorkomen dan wel te beoordelen of die volgens de regelen der kunst is opgelegd. Mail ons voor een vrijblijvend gesprek.
Bron vergrijpboete door fout boekhouder
Rechtbank Gelderland d.d. 11 augustus 2020 (EVCLI:NL:RBGEL:2020:4012)
Wanneer krijgt u een vergrijpboete van de Belastingdienst?
Doet u opzettelijk geen aangifte of een onjuiste of onvolledige aangifte, dan krijgt u van de Belastingdienst een vergrijpboete opgelegd, tenminste dit kan de Belastingdienst doen. Er kan ook een vergrijpboete worden opgelegd bij een navorderingsaanslag. De Belastingdienst mag alleen ene vergirjpboete opleggen als aantoonbaar sprake is van opzet (willens en wetens handelen) of grove schuld (voorwaardelijke opzet, willen staat centraal, lichtvaardig of slordig handelen). Bij bepaalde boetes is zelfs grove schuld niet voldoende, opzet lijkt de ondergrens (bij een vergrijpboete). Boete is bij grove schuld meestal lager dan bij voorwaardelijke opzet.
De belastingdienst moet dus overtuigend aantonen (doen blijken) dat sprake is van grove schuld of opzet omdat de waarborgen van het EVRM (Europees verdrag voor de rechten van de mens) ook meespelen. De belastingplichtige moet dus weten dat hij iets fout deed (en bewust).
Vergrijpboete ter discussie stellen
De vergrijpboete wordt soms iets te vlot door een inspecteur opgelegd. Deze kan om verschillende redenen worden verminderd of tot nihil worden bijgesteld (door de rechter). De belangrijkste oorzaken uit de rechtspraak zijn:
- Procedure loopt te lang (overschrijding van de redelijke termijn), zie Hoge Raad d.d. 6 september 2024 ECLI:NL:HR:2024:1132 of Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 23 juli 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:4871
- Vergrijpboete voor hetzelfde feit bij verschillende belastingtypen
- Vergrijpboete wordt niet overtuigend via feitelijk bewijs aannemelijk gemaakt, derhalve geen (of beperkt) sprake van opzet of grove schuld (uitgebreide toelichting in mening AG op 4 april 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:410)
- Ontbreken van voldoende bewijs voor opzet of grove schuld, Gerechtshof Amsterdam d.d. 15 november 2022 ECLI:NL:GHAMS:2022:3728
- De grondslagen en/of omstandigheden zijn anders of niet juist voorgesteld, zie Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 14 mei 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:3357
- De boete moet wel in balans zijn, de noodzaak van een juiste kwalificatie van het vergrijp en de evenredigheid van de opgelegde boete, zie hiertoe mening AG op 5 juli 2024 ECLI:NL:PHR:2024:736
- Beboeting wordt niet tijdig medegedeeld, schending verdedigingsbeginsel (kennisgeving boete (met motivering) is later gedagtekend dan de boetebeschikking. Zie hiertoe bijvoorbeeld Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 7 mei 2025 ECLI:NL:RBZWB:2025:2724.
Streep door vergrijpboete ex bestuurder voetbalclub
Als bestuurder een vergrijpboete aan je broek krijgen? Dan staat niet alleen je portemonnee onder druk, maar ook je reputatie. De fiscus legt ze soms voortvarend op, maar gelukkig kijkt de rechter kritischer. In een procedure bij de Rechtbank Gelderland d.d. 5 juni 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:4322) oordeelde de rechter dat een ex-bestuurder van een voetbalclub ten onrechte als feitelijk leidinggever werd aangemerkt. Hoewel hij ooit betrokken was bij een spelerstransfer, was zijn rol bij de latere afwikkeling onvoldoende concreet. De rechtbank herhaalt: bestuurder zijn is niet hetzelfde als leiding geven aan een strafbaar feit. En voor een boete moet de Belastingdienst het bewijs keihard rond hebben. Omdat die bewijslast zwaarder is dan bij de belastingheffing zelf, sneuvelde de boete. De uitspraak is een reminder: wie als adviseur scherp blijft op bewijs en betrokkenheid, kan veel ellende besparen.
Voor een helder overzicht van de stappen die de belastingdienst moet doorlopen verwijzen wij u naar een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 26 april 2016 ECLI:NL:HR:2016:733.
Geduld is vereist, maar rechtvaardigheid duurt soms gewoon even. Belangrijk is dat de belastingdienst met overtuigend aangetoond bewijs komt met concrete gedragingen door de feitelijk leidinggevende.
Hierbij spelen voor een vergriipboete een aantal zaken:
- Feitelijk leiding geven: dit moet concreet worden onderbouwd (zie Hoge Raad d.d. 16 december 1986 ECLI:NL:HR:1986:AC9607) , dit speelde bij de Slavenburg bank, de zogenoemde slavenburg jurisprudentie.
- Is de verboden gedraging door de BV (of rechtspersoon) verricht, zie Drijfmest arrest van de Hoge Raad d.d. 21 oktober 2003 ECLI:NL:HR:2003:AF7938
- Wordt het geheel (opzet of grove schuld) voldoende overtuigend aangetoond (zie Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Al met al moet het volgende worden beoordeeld:
- Kan de (strafbare) gedraging worden toegerekend aan belastingplichtige ( de rechtspersoon)
- Is er hierbij sprake van opzet bij deze strafbare gedraging
- Heeft de persoon (bestuurder) zich gedragen als actief (of passief) feitelijk leidinggevende van dit (strafbare) feit
- Is dit gedrag opzettelijk uitgevoerd door de feitelijk bestuurder/ leidinggevende.
- Heeft de belastingdienst voldoende overtuigend aangetoond dat sprake
is van opzet of grove schuld (zie
Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Belastingdienst moet vergrijpboete overtuigend aantonen
Sinds de uitspraak van de Hoge Raad van 8 april 2022 (ECLI:NL:HR:2022:526) geldt dat de inspecteur een fiscale overtreding overtuigend moet aantonen bij het opleggen van een boete; aannemelijkheid is onvoldoende. Deze zwaardere bewijsmaatstaf heeft geleid tot toenemende aandacht voor de wijze waarop bewijs in fiscale boetezaken wordt beoordeeld. Omdat fiscale boetes een punitief karakter hebben (boete is bedoeld om te straffen), ligt aansluiting bij strafrechtelijke waarborgen voor de hand, waaronder het hanteren van bewijsminima. In het strafrecht gelden immers bewijsminima om lichtvaardige veroordelingen te voorkomen; dat zou ook in het fiscale boeterecht wenselijk zijn. De huidige vrije bewijsleer in het fiscale recht kan leiden tot subjectieve beoordelingen en ongelijke uitkomsten, zoals bleek bij de Luxemburgse bankrekeningzaken. Bewijsminima zouden bijdragen aan rechtszekerheid, bescherming tegen willekeur en betere aansluiting bij artikel 6 EVRM, dat strikte eisen stelt aan bewijs in punitieve procedures. Hoewel tegenstanders wijzen op het belang van flexibiliteit, sluiten bewijsminima een zorgvuldige en flexibele beoordeling van complex bewijs niet uit. De auteur pleit daarom voor invoering van bewijsminima in het fiscale boeterecht, in lijn met de oproep van A-G Koopman op 5 juli 2024 (ECLI:NL:PHR:2024:774) , ter versterking van de rechtspositie van de belastingplichtige.
Krijgt u een boete? Schakel een specialist in die u bijstaat in uw communicatie met de Belastingdienst.
Soorten vergrijpboete
Er zijn meerdere soorten vergrijpboetes, de belangrijkste:
- Belasting is opzettelijk (of grove schuld) niet betaald (of niet volledig betaald), artikel 67f ZWR
- Opzettelijk niet of onjuist aangifte doen (voor aanslagbelasting), artikel 67d AWR
- Bij navordering mits sprake van opzet (of grove schuld) en er te weinig belasting is betaald, artikel 67e AWR
- Informatieverplichting niet nakomen (uit eigen beweging), artikel 10a AWR
- Opzettelijk onjuiste informatie of inlichtingen verstrekken bij verzoek
voorlopige aanslag, artikel 67cc AWR
De vergrijpboete van de Belastingdienst
Als u in de ogen van de Belastingdienst niet de juiste aangifte doet, heeft de Inspecteur de mogelijkheid een vergrijpboete op te leggen als:
- de aangifte opzettelijk niet dan wel onjuist of onvolledig is gedaan (artikel 67d van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen, AWR); of
- het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat een aanslag te laag is vastgesteld of te weinig belasting is betaald (artikel 67e AWR).
De eerste optie is aan de orde als de Inspecteur voor het opleggen van de aanslag constateert dat de aangifte niet deugt. De tweede optie geldt als de Inspecteur vaststelt dat de aangifte niet deugt nadat de aanslag al is opgelegd.
Handreiking fiscaal beleid bij opleggen boetes
Voor de formele kant en het standpunt van de belastingdienst is er informatie beschikbaar over de wijze waarop de belastingdienst fiscale boetes kan opleggen (lees hier de handreiking uit een WOO onderzoek), vertrekpunt in deze discussie is artikel 5:49 AWB en artikel 67 AWR, dit in combinatie met het besluit bestuurlijke boeten (pagraaf 13).
Standpunt kennisgroep belastingdienst
Het beleid van de belastingdienst inzake het instellen van een schuldonderzoek bij een boete is openbaar gemaakt in augustus 2023. Er is verzocht om openbaarmakeing van alle interne stukken waarin vastlegging heeft plaatsgevonden over het beleid met betrekking tot het (zuivere) schuldonderzoek (ad titel 5.2 AWB). In dit stuk vindt u werkinstructies, interne memo's, standpunten, notulen van vergaderingen etc. Het stukken kunt u hier raadplegen. Een aantal zaken vallen op:
- Voor de matiging van een boete wordt ook naar het huidige gedrag gekeken
- Voor verzuimboetes is minder ruimte voor responsief handhaven
- Vragen stellen over de boete toegestaan maar belastingplichtige kan zich beroepen op zijn zwijgrecht (artikel 5:10a AWB)
- Hoe moet een onderzoek inzake DGA salaris plaatsvinden
- Stappenplan inzake opleggen van een boete
- Hoe werkt het schuldonderzoek
- Wanneer melding mogelijke fraudezaak
Hoe hoog is een vergrijpboete van de Belastingdienst?
Standaard wordt bij opzet een boete opgelegd van 50% van de te weinig geheven belasting. Bij grove schuld is dat 25%. Terecht constateert u dat direct bij de aanslag alleen een boete kan worden opgelegd als sprake is van opzet. Als de Inspecteur dus kan bewijzen dat sprake is van opzet, verdubbelt dat dus de boete. Dit artikel gaat alleen over de opzet (en dus niet over het minder ernstige ‘grove schuld’).
Vereisten belastingdienst bij opleggen boete
Als de inspecteur een belastingplichtige een boete oplegt moet de inspecteur uiterlijk op het moment van bekendmaken van de de boete de reden noemen. Bij onduidelijkheid komt alleen betekenis toe aan wat er op het aangiftebiljet is vermeld. In een procedure bij het Gerechtshof Den Bosch komt een boete aan de orde i.v.m. het niet tijdig betalen van aangiftebelasting, in deze de BTW (artikel 67f AWR). Er wordt niet aan de vereisten van artikel 67f AWR voldaan, de boete wordt vernietigd. De Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:704) heeft in 2021 het oordeel van het Gerechtshof (ECLI:NL:GHSHE:2019:2155) bevestigd.
Wanneer is er sprake van opzet?
Het daadwerkelijk weten dat de aangifte onjuist is, is een vereiste voor opzet. Als de Inspecteur die wetenschap kan bewijzen, is sprake van opzet. Doorgaans ligt de kennis / wetenschap van de belastingplichtige niet vast in documenten.
Reeds in 1954 is door de Hoge Raad [1] bepaalt dat ook “zich willens en wetens blootstelt aan de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans (dat de aangifte onjuist / de aanslag te laag is)” voldoende is voor opzet. Later wordt dat voorwaardelijk opzet genoemd.
Later heeft de Hoge Raad [2] geëist dat voor voorwaardelijk opzet sprake moet zijn van de volgende twee voorwaarden:
- de belastingplichtige moet zich van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, bewust te zijn geweest; en
- de aanmerkelijke kans ten tijde van zijn gedraging bewust (willens en wetens) te hebben aanvaard.
Waar maakt de Belastingdienst of de rechter soms een denkfout bij vergrijpboetes?
Veel Inspecteurs (en helaas ook sommige rechters) leggen de jurisprudentie verkeerd uit, waardoor ze te snel tot de conclusie komen dat sprake is van voorwaardelijk opzet. Regelmatig komen we tegen dat wordt gesteld dat de belastingplichtige ‘had moeten weten dat zijn aangifte onjuist of onvolledig is’ voldoende is voor voorwaardelijk opzet. Dat is uitdrukkelijk niet voldoende. Of zoals de Hoe Raad[3] het zegt:
- De omstandigheid dat een belastingplichtige had moeten weten dat zijn aangifte onjuist of onvolledig is, brengt niet mee dat hem de voor opzet vereiste bewustheid met betrekking tot die onjuistheid of onvolledigheid kan worden verweten.
De Inspecteur kan de belastingplichtige niet dwingen een standpunt in de aangifte in te nemen dat de Belastingdienst aanhangt. De Hoge Raad [4] besliste recentelijk nog:
- Voor het bestaan van voorwaardelijk opzet bij toepassing van de artikelen 67d en 67e AWR is (…) niet alleen vereist dat de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat hij die kans toen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). (…) De omstandigheid dat de belastingplichtige zich bewust is van de (…) kans dat de inspecteur zijn standpunt niet zal delen, en die kans bewust aanvaardt, brengt op zichzelf niet mee dat hij welbewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat te weinig belasting wordt geheven.”
Conclusie ten aanzien van de vergrijpboete
De conclusie is dat de vaststelling van (voorwaardelijk) opzet steeds voldoende moet worden gemotiveerd door de Inspecteur. Ook als de wetenschap dat de aangifte (mogelijk) onjuist is op grond van feiten en omstandigheden voor de hand ligt. Dat is vaak geen sinecure en de bewijslast ligt bij de Inspecteur.
Aan het vergaren van dat bewijs hoeft u niet mee te werken. Het is immers strafvervolging. Daarop dient de Inspecteur u te wijzen als hij vragen stelt of onderzoek doet. Dat wordt nogal eens vergeten.
Hoge Raad inzake vergrijpboete "had moeten weten is geen opzet"
In 2022 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over de term "bewust". Had moeten weten is nog niet gelijk (voorwaardelijke) opzet. Als de inspecteur aan een belastingplichtige een verwijt maakt moet de inspecteur dit goed kunnen motiveren. Lichtzinnig een vergrijpboete opleggen is niet aan de orde. Tevens moet de inspecteur bewijzen dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet of grove schuld. De bewijslast voor de schuldgradatie opzet (50%) of grove schuld (25%) ligt bij de inspecteur (paragraaf 25 BBB).
Had moeten weten is nog steed (en gelukkig) geen opzet. Van opzet is pas sprake als iemand willens en weten de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een bepaald gevolg zal intreden (Hoge Raad 25 maart 2003 ECLI:NL:HR:2003:AE9049).
Een autohandelaar heeft een naheffingsaanslag BTW met een vergrijpboete ontvangen. De reden is dat de handelaar door de gebrekkige administratie had moeten inzien dat hij geen recht had op de levering van auto's tegen het nultarief. Hij had moeten weten dat hij niet aannemelijk zou kunnen maken dat de auto's naar een andere EU lidstaat zijn vervoerd. Ook had de handelaar zijn adviseur niet zomaar mogen vertrouwen. De Hoge Raad denkt hier anders over. Voorwaardelijke opzet is niet aan de orde. Aan de handelaar kan niet de voor opzet vereiste "bewustheid" met betrekking tot de onjuiste aangifte worden verweten, aldus ons hoogste rechtscollege. Verder kunnen de omstandigheden dat belanghebbende geen openheid van zaken heeft gegeven en dat hij het laakbare van zijn gedragingen niet heeft ingezien, niet bijdragen aan het oordeel dat hij bewust fouten heeft gemaakt. De Hoge Raad vernietigd de vergrijpboete en verwijst de zaak naar een ander Gerechtshof.
Matiging boete door Hoge Raad
De Hoge Raad (cassatie) bekijkt een zaak niet meer inhoudelijk en veel zaken worden dan ook afgedaan met zogenaamde artikel 81 RO beslissingen. Het cassatieberoep wordt dan afgewezen zonder uitgebreide inhoudelijke motivering. In de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 21 november 2025 ECLI:NL:HR:2025:1727 faalde het inhoudelijke beroep (klachten nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling). Maar hiermee was nog niet alles gezegd.
De Hoge Raad komt ambtshalve toe aan vraag of de redelijke termijn in cassatie wordt overschreden, ook bij het instellen van cassatie beroep (of tweede cassatieprocedure) begint de redelijke termijn dus weer te lopen (1 jaar). De boete wordt ambtshalve verlaagd (gematigd). Belastingplichtige is vergeten immateriele schadevergoeding te vragen, dat is jammer. Dit is een interessante uitspraak, materieel gebeurt er niks maar de redelijke termijn kan de boete wel verlagen (in dit geval met 15%). Cassatie kan dus van belang zijn voor de boete (en termijnbewaking). Bij boeten moet de tijdlijn dus scherp in de gaten worden gehouden, ook als de materiële / inhoudelijke kansen bij cassatie beperkt zijn. Gelukkig bewaakt de Hoge Raad nog steeds de fundamentele proces belangen en waarborgt deze op de juiste wijze.
Noot fiscaal jurist inzake de vergrijpboete door de Belastingdienst
Bij het opleggen van boetes slaat de inspecteur met enige regelmaat de plank volledig mis. Soms is er geen (of niet volledig) boete dossier maar steeds vaker ontbreekt simpelweg het bewijs. Een inspecteur stelt al vlot in correspondentie dat "de heer X bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er te weinig belasting zou worden geheven en dit opzettelijk heeft gedaan". Zo'n zinnetje lijkt inderdaad op opzet maar er wordt geen bewijs geleverd waarom dit zo is. De simpele stelling wordt dus niet van bewijs voorzien. Dit bewijs moet betrekking hebben op:
- de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg zal intreden
- belastingplichtige de wetenschap hiervan had
- belastingplichtige bewust heeft aanvaard dat hierdoor te wenig belasting wordt geheven (wil)
Als deze elementen moet de inspecteur nalopen en niet alleen voorzien van zinnen of stellingen maar ook bewijzen. Dit moet uit het boetedossier volgen. Deze kritische blik op het boetedossier is dus van essentieel belang, zo volgt nogmaals uit de hierboven genoemde Hoge Raad uitspraak uit 2022. Zodra een boete is aankondigd kunt u in het boetedossier kijken, dit is verstandig. Vervolgens moet de boetebeschikking worden vergeleken met de vaak een stuk eerder aangekondigde boete. Dit is specialisten werk, wij helpen u graag en doeltreffend in dergelijke situaties.
De kans op een onjuiste aangifte is door de ingewikkeldheid / complexiteit van het belastingrecht snel aanwezig. Dat wil echter nog niet zeggen dat u als belastingplichtige zich er steeds van bewust moet zijn geweest dat uw aangifte onjuist of mogelijk onjuist is. Schakel daarom voor het doen van aangifte een deskundige in. Is eenmaal een boete opgelegd of wordt dat aangekondigd, neem dan direct contact met ons op. Wij beschikken over de deskundigheid om een boete eventueel te voorkomen dan wel te beoordelen of die volgens de regelen der kunst is opgelegd. Mail ons voor een vrijblijvend gesprek.
Bron fiscale vergrijpboete
Statistische steekproef bij boekenonderzoek
Bij belastingcontroles maakt de Belastingdienst vaak gebruik van een statistische controle-methode, de eurosteekproef. Het gebruik van dergelijke steekproeven is in het kader van de vrije bewijsleer toegestaan. Extrapolatie van de uitkomsten van een steekproef naar andere jaren is eveneens toegestaan mits sprake is van een constante feitelijke situatie.
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Reductie aantal steekproeven belastingdienst
De belastingdienst heeft inmiddels vele nieuwe controlemedewerkers aangenomen en opgeleid. Het aantal controles MKB bedrijven zal de komende jaren dus toenemen. Bij een boekenonderzoek van de belastingdienst is de uitkomst altijd ongewis. Vooral als via een steekproef een onderzoek wordt ingestoken kunnen de financiele lasten (mede door extrapolatie) toenemen. Dit wordt nog eens versterkt door belastingrente en (verzuim) boetes. De belastingdienst heeft beleid gepubliceerd inzake het beperken van de steekproef bij belastingcontroles. Volgens het handboekcontrole 2026 van de belastingdienst (paragraaf 11.3.3) wordt het aantal steekproeven gereduceerd. Voor MKB bedrijven (maar ook binnen de publieke sector) kan het verstandig zijn om eens per 2-3 jaar zelf een steekproef te trekken (die aan de vereisten van de belastingdienst voldoet). Vragen? Neem gerust contact met ons op.
Waarom de statistische steekproef?
Voordeel van deze manier van controleren is, dat met een beperkt aantal waarnemingen uitspraken kunnen worden gedaan over de te controleren administratie. De controle kan daardoor erg efficiënt worden ingericht.
Steekproef belastingdienst en nu?
De laatste tijd zien we steeds vaker dat de belastingdienst gebruik maakt van de steekproef. Het is voor de belastingdienst namelijk een stuk minder werk om controles uit te voeren en om correcties op te leggen (rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 5 december 2019 ECLI:NL:RBZWB:2019:5440).
- Toegestaan: de Hoge Raad heeft al in 2008 toestemming gegeven voor een rechtsgeldige steekproef (Hoge Raad d.d. 14 maart 2008 ECLI:NL:HR:2008:AU0837), deze procedure ging over de BPM, thans wordt de steekproef voor vele belastingen gebruikt. Het Gerechtshof was het ook eens met de steekproef.
- Regels: de formele regels en voorwaarden om van een steekproef gebruik te mogen maken is niet echt duidelijk. In deze noot van de adviseur van de Hoge Raad (De AG) worden wel diverse aanwijzingen gegeven, hier is nog weinig mee gedaan. In 2020 gaf het Gerechtshof 's Hertogenbosch op 31 december 2020 (ECLI:NL:GHSHE:2020:4116) een nuttige toelichting. De steekproef moet statistisch verantwoord zijn en voor belastingplichtige controleerbaar. Dit is in de praktijk knap lastig, edoch er zijn binnen ons netwerk specialisten die de statische steekproef kunnen beoordelen. Belangrijk is dat de populatie homogeen is en op objectieve maatstaven moet worden bepaald.
- Praktijk: het is belangrijk om de steekproef door een deskundige te laten controleren (dus wat is waarom onderzocht en hoe is geselecteerd)
- Bewijslast belastingplichtige: de steekproef geeft een bewijsvermoeden. De belastingplichtige mag proberen om dit bewijs te ontzenuwen. Hiertoe moeten de resultaten - goed gemotiveerd - worden tegengesproken (in twijfel getrokken). Dit kan door een contra onderzoek of een volledig eigen boekenonderzoek van de gehele administratie. Lees voor een toelichting deze uitspraak.
- Extrapolatie: het onderzoek zal vaak over 1 jaar plaatsvinden en wordt dan ook toegepast over de andere jaren. Strikt formeel mag dit - aldus de Hoge Raad (en deze uitspraak). Beide periodes moeten dan wel op elkaar lijken qua feiten en omstandigheden (volgens de Hoge Raad en het Gerechtshof in 2016). De inspecteur moet dus met een toelichting komen over het uitsmeren van de resultaten uit jaar X over jaar X+1 of X-1. Rechters zijn erg kritisch over extrapolatie, hier valt dus nog wel iets te winnen, zie hiertoe diverse uitspraken van rechters (Rechtbank Leeuwarden d.d. 25 maart 2010, Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 28 januari 2011 en de Rechtbank Den Haag d.d. 25 oktober 2016)
- Boete: een boete bij een steekproef vereist nogal wat, deze moeten overtuigend worden aangetoond door de inspecteur, dit met een uitgebreide toelichting (en een boeterapport), zie Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Statistische steekproef bij boekenonderzoeken in de praktijk
Voor het uitvoeren van de eurosteekproef of statistische steekproef is een behoorlijke kennis van statistiek vereist. Dit betekent dat, als u de steekproef wilt beoordelen, u ook over meer dan gemiddelde statistische kennis moet beschikken. Bij een eurosteekproef wordt de administratie onderverdeeld in intervallen. Uit zo’n interval wordt 1 euro getrokken. Deze euro (in feite 1 post of 1 factuur) kan worden goedgekeurd of geheel of gedeeltelijk worden afgekeurd.
Voorbeeld statistische steekproef
Bij een controle van de loonbelasting verdeelt de Inspecteur de loonsom van € 800.000 in veertig intervallen van € 20.000. Uit ieder interval wordt € 1 getrokken. De post die hoort bij deze euro wordt gecontroleerd op juistheid. Aan de hand van de bevindingen wordt het gehele interval van € 20.000 geheel of gedeeltelijk goedgekeurd of afgekeurd. Stel dat binnen het interval een post van € 200 geheel onjuist is, dan kan het gehele interval afgekeurd worden. Dit levert een correctie van € 20.000 voor een enkele fout van € 200.
Als dit de enige fout is en de feitelijke situatie is in de andere jaren ongewijzigd, dan kan dit leiden tot een correctie van 5 * € 20.000. te vermeerderen met boetes en rente. Een klein foutje met grote gevolgen dus.
Noot fiscaal jurist inzake statistische steekproef
De wet staat een statistische steekproef toe, aldus de Hoge Raad in 2008. De zorgvuldigheid is hierbij wel van belang en niet in alle situaties mag van de steekproef bij boekenonderzoeken worden uitgegaan, aldus het Gerechtshof in 2011. Het extrapoleren verdient extra aandacht omdat dit enkel is toegestaan op grond van empirisch bewijs omtrent het feit dat de jaren waarna wordt geëxtrapoleerd constant zijn, aldus de Rechtbank Den Haag in 2016, maar ook het Gerechtshof Den Haag in dat jaar.
Bij het gebruik van de steekproef wordt een bandbreedte gehanteerd. Als u deze wilt aanvechten, is een uitgebreid dossieronderzoek bij de Belastingdienst noodzakelijk. Ook is kennis van de statistische wetenschap een vereiste. Hierbij moet ook naar de extrapolatie worden gekeken, maar ook naar de homogeniteit binnen de groep. Het opleggen van vergrijpboeten moet zeker nader worden onderzocht.
Als u vragen of opmerkingen heeft, neem dan gerust contact op. Wij hebben uitgebreide ervaring met boekenonderzoeken en statistische steekproeven.
Bronnen steekproef bij boekenonderzoek
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 5 december 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:5440
Gerechtshof Den Haag 23 november 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3835
Gerechtshof 's Hertogenbosch 28 januari 2011 ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ2837
Hoge Raad 14 maart 2008 ECLI:NL:HR:2008:AU0840
NBA Tool inzake statische steekproef bij boekenonderzoeken
https://www.nba.nl/tools/hra-2019/?folder=132640#par132659%20(2019)
Controleaanpak Belastingdienst (CAB), uitgangspunten en modellen
De fiscale glijclausule
Om fiscaal nadelige gevolgen te voorkomen wordt soms een fiscale glijclausule opgenomen in overeenkomsten, deze zien we het meest bij pensioenovereenkomsten, (vroeger) bij inbreng in de BV, waardering bij de bedrijfsopvolgingsregeling en in leningsovereenkomsten. Een fiscale glijclausule werkt niet als de belastingplichtige redelijkerwijs moest begrijpen dat de overeengekomen tegenprestatie niet zakelijk zou zijn.
Voorkom ‘uitglijder’ door opnemen glijclausule
Bent u als DGA dit jaar met uw B.V. een overeenkomst aangegaan waarbij u niet 100% zeker bent dat de fiscus de condities van die transactie zal accepteren? Zorg er dan voor dat u een glijclausule opneemt in de schriftelijke vastlegging van die transactie en zo een ‘uitglijder’ voorkomt!
Toelichting fiscale glijclausule
Iedereen kan zich vergissen of een foutje maken. De Belastingdienst kan achteraf stellen dat een waardering of rentepercentage niet juist is. Denk hierbij aan:
- een verhoging van uw vaste kostenvergoeding;
- het rentepercentage dat u de B.V. op uw debetstand moet vergoeden, enz.
Met zo’n contractueel beding (de fiscale glijclausule) voorkomt u fiscale schade als de Inspecteur de gehanteerde condities (terecht) niet aanvaardt. U kunt het bovenmatige gedeelte dan zonder problemen alsnog met de B.V. verrekenen. Voorwaarde is wel dat de oorspronkelijk overeengekomen condities gebaseerd zijn op een ‘pleitbaar standpunt’.
Rechtspraak over fiscale glijclausule
In een arrest van de Hoge Raad uit 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD8503) komt naar voren dat de glijclausule geen loterij zonder nieten mag zijn en tevens zorgvuldig moet worden opgesteld. Dit wordt nog een duidelijk in het arrest van de Hoge Raad d.d. 8 juni 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BA6564) waarbij de Hoge Raad bij een geruisloze inbreng wel waarde toekende aan een zorgvuldig opgestelde fiscale glijclausule. Het Gerechtshof Leeuwarden d.d. 9 september 2005 (ECLI:NL:GHLEE:2005:AU2516) was nog voorbij gegaan aan de fiscale glijclausule, dit was volgende de Hoge Raad niet juist.
- FISCALE GLIJCLAUSULE: "Indien (...) blijkt, dat het saldo van de activa en passiva lager is dan het bedrag van de stortingsplicht, in geld uitgedrukt, waaraan met de inbreng moet worden voldaan (...), zal X uiterlijk per de datum van uitgifte van de aandelen het verschil in geld storten"
Een betere tekst voor de fiscale glijclausule was geweest:
- FISCALE GLIJCLAUSULE: Indien na oprichting van de vennootschap onherroepelijk komt vast te staan, dat de oprichter (...) fiscaalrechtelijk een lager waarde aan hetgeen wordt ingebracht moet toekennen dan de waarde bedoeld (...), zal ter keuze van de oprichter (...) bedoelde creditering en/of het als agio aangemerkte bedrag worden verminderd en/of zal de aldaar bedoelde lijfrente tot het beloop van dat verschil worden aangepast en/of zal de oprichter onverwijld een zodanig aantal aandelen om niet aan de vennootschap overdragen als overeenkomt met dat verschil. De vennootschap is alsdan verplicht die aandelen om niet te aanvaarden, voor zover daarbij ten minste het wettelijk minimum kapitaal wordt gehandhaafd. Het daarna eventueel nog resterende verschil zal de oprichter onverwijld in geld ter beschikking van de vennootschap stellen onder bijteling van de wettelijke rente (....)
Ook in een uitspraak van de Rechtbank Gelderland d.d. 5 januari 2021 (ECLI:NL:RBGEL:2021:8) is een fiscale glijclausule opgenomen, dit met de volgende tekst:
- FISCALE GLIJCLAUSULE: Indien na heden op grond van een door de fiscale autoriteiten ingenomen standpunt onherroepelijk mocht komen vast te staan dat verkoper en/of koper per de datum van juridische levering voor de toepassing van de fiscale wetgeving aan het verkochte een hogere dan wel lagere waarde dient/dienen toe te kennen de hiervoor vermelde prijs ten belope van eenmiljoen tweehonderdvijftigduizend euro (€ 1.250.000), dan zal die hogere/lagere waarde ook tussen verkoper en koper als prijs voor het verkochte gelden; het verschil tussen die prijzen zal vervolgens onverwijld tussen verkoper en koper in contanten worden verrekend onder bijrekening van een rentevergoeding op basis van twee en een halve procent (2,5%) per jaar, uitgaande van samengestelde interest en te rekenen vanaf datum van juridische levering.
De belastingplichtige stelt in deze procedure dat door de fiscale glijclausule de koopprijs onvoldoende bepaalbaar is. De rechter is het het hier niet mee eens.
Fiscale glijclausule ... let op !
Let op: een glijclausule werkt niet bij toekenning van pensioenrechten. Als u daarover zekerheid wilt hebben, is het verstandig om het een en ander vóór toekenning aan de Inspecteur voor te leggen.
Een fiscale glijclausule werkt ook niet als de belastingplichtige redelijkerwijs moest begrijpen dat de overeengekomen tegenprestatie niet zakelijk zou zijn.
Voorbeeld fiscale glijclausule
- Een intelligente fiscale glijclausule bij een leningsovereenkomst zou kunnen bepalen dat als er sprake is van een te hoge rente het meerdere zou moeten gelden als aflossing op de lening.
- Als na de oprichting van een B.V. onherroepelijk komt vast te staan dat de belastingplichtige (of de oprichter) fiscaal gezien een te lage waarde heeft toegekend aan de onderneming, dan zal ter beoordeling van de belastingplichtige (de oprichter) de creditering of het agio worden vermeerderd of verminderd. De B.V. is dan verplicht de aandelen / agio of de creditering te aanvaarden mits het minimum kapitaal gehandhaafd blijft. Het eventuele verschil zal de oprichter direct in geld ter beschikking stellen van de B.V., waarbij er ook een zakelijke rente wordt vergoed.
- Partijen beogen een overeenkomst te sluiten die voldoet aan de criteria voor een fiscaal acceptabele overeenkomst van geldlening. Indien de Belastingdienst en / of belastingrechter in hoogste resort van mening is dat deze overeenkomst geheel of ten dele niet voldoet aan de daaraan te stellen fiscale eisen, wordt deze overeenkomst geacht van de aanvang af gewijzigde bepalingen te bevatten die wel overeenstemmen met de fiscale eisen. Over het verschil wordt een zakelijke rente vergoed of berekend.
Boekenonderzoeken in de schoonmaaksector in 2026
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Meer boekenonderzoeken Belastingdienst
Uit het rapport analyse niveau toezicht achteraf volgt dat het aantal boekenonderzoek bij MKB bedrijven met 33% is gedaald. Het aantal jaarlijkse onderzoeken is gedaald van 27.000 tot iets meer dan 15.000. De oorzaak is gelegen in personeel- en capaciteitsgebrek bij de belastingdienst. Daarnaast kosten controles veel tijd en zijn deze complex. Op dit moment wordt op grond van data analyses een risico analyse gemaakt en worden onderzoeken dus anders ingezet. Van de 2,7 miljoen MKB bedrijven worden er jaarlijks maar een paar procent gecontroleerd. Onze staatssecretaris (van Rij) komt in de zomer met een actieplan voor een toename en verbetering van het aantal boekenonderzoeken bij MKB bedrijven, aldus het FD. Wij adviseren veel ondernemers tijdens boekenonderzoeken, maar ook via een fiscale scan vooraf. Via een fiscale scan inventariseren wij de risico gebieden maar ook de fiscale mogelijkheden. Interesse in een fiscale APK, neem gerust contact met ons op.
Aangekondigde boekenonderzoeken van de Belastingdienst en SZW
Anderzijds is de controle-aanpak van de Inspectie SZW en de Belastingdienst gericht op een aantal aangewezen sectoren. Voor 2020 mag onder andere de schoonmaaksector zich in het bijzonder op aandacht van de Inspectie SZW verheugen (en controles verwachten).
De grootste door de Inspectie SZW gesignaleerde risico’s in de schoonmaaksector zijn:
- Onderbetaling;
- Illegale tewerkstelling;
- Fiscale en sociale zekerheidsfraude;
- Schijnconstructies (werken met ZZP'ers);
- Fictieve dienstbetrekkingen;
- Overschrijding van arbeidstijden.
Het programma van de Inspectie SZW kijkt niet alleen naar schoonmaakbedrijven zelf, maar ook naar de opdrachtgevers van schoonmaakwerk en uitzendbureaus.
Waar mogelijk wordt een ketenaanpak gehanteerd. Daarbij gaat het om het inspecteren van schoonmaakbedrijven die werkzaam zijn bij opdrachtgevers die onder een keten vallen. Vanuit afgeronde onderzoeken wil het programma, door middel van handhavingscommunicatie, een belangrijk signaal afgeven naar de totale populatie en – daar waar mogelijk - opdrachtgevers.
Aanpak door FIOD, Belastingdienst en SZW
De controles van de Inspectie SZW staan niet op zichzelf. In het kader van het project Schijnconstructies heeft de overheid een samenwerking opgezet van een aantal instanties, waaronder FIOD, Belastingdienst en Inspectie SZW. Zij bundelen ook hun kennis via het opgerichte Kennis Informatie Platform (KIP).
Hulp bij boekenonderzoek belastingdienst
Als u een boekenonderzoek van de Belastingdienst verwacht, is het belangrijk om goed voorbereid te zijn en advies in te winnen over hoe u hier het beste mee om kunt gaan. Hier zijn enkele tips die u kunnen helpen bij het begeleiden van een boekenonderzoek:
- Wees goed voorbereid: Zorg ervoor dat u alle benodigde documentatie bij de hand heeft voordat het onderzoek begint. Dit kan onder meer uw boekhouding, facturen, bonnen en bankafschriften omvatten.
- Stel een contactpersoon aan: Wijs een contactpersoon binnen uw organisatie aan die verantwoordelijk is voor het begeleiden van het boekenonderzoek. Deze persoon kan als aanspreekpunt fungeren voor de Belastingdienst en ervoor zorgen dat alle benodigde informatie op een efficiënte en effectieve manier wordt verstrekt.
- Wees transparant: Wees zo open en eerlijk mogelijk tegenover de Belastingdienst. Het verbergen of achterhouden van informatie kan leiden tot verdere problemen en boetes.
- Houd deadlines in de gaten: Zorg ervoor dat u alle deadlines in de gaten houdt en dat u alle benodigde informatie op tijd verstrekt. Hierdoor kunt u vertragingen en extra kosten voorkomen.
- Overweeg het inschakelen van een deskundige: Als u zich zorgen maakt over het boekenonderzoek van de belastingdienst of als u zich niet volledig zeker voelt over de informatie die u verstrekt, kunt u overwegen om een deskundige in te schakelen. Een belastingadviseur kan u helpen bij het voorbereiden van het onderzoek en u adviseren over hoe u het beste kunt omgaan met eventuele problemen die zich voordoen. Wi jadviseren wekelijks accountants en belastingplichtigen bij boekenonderzoeken, vraag gerust een vrijblijvende offerte of kom eens langs voor een bakje koffie.
Door deze tips te volgen, kunt u het boekenonderzoek van de Belastingdienst succesvol begeleiden en ervoor zorgen dat u zich geen zorgen hoeft te maken over onverwachte problemen of boetes.
Bronnen Boekenonderzoeken
Handboek controle belastingdienst
Controle aanpak belastingdienst
Aandachtspunten boekenonderzoek
Steeds meer ondernemers krijgen de Belastingdienst op bezoek. Wij begeleiden wekelijks accountants en ondernemers bij dergelijke onderzoeken. Een boekenonderzoek is voor veel ondernemers (en accountants) geen dagelijkse praktijk, voor ons wel! Op 16 mei 2019 is er door ons - in samenwerking met Jaeger advocaten - een lezing verzorgd over een boekenonderzoek door de Belastingdienst en FIOD invallen. In dit memo een overzicht van enkele aandachtspunten en gespreksonderwerpen.
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Hoe werkt een boekenonderzoek ?
Het is belangrijk om een aantal onderdelen bij de start van een boekenonderzoek vast te stellen. De belangrijkste zijn:
- Reden onderzoek: is het onderzoek een regulier boekenonderzoek, onderzoek in de branche, op grond van big data, een klikbrief, een normaal bedrijfsbezoek of een derdenonderzoek
- Vraag voor het onderzoek om een kennismakingsgesprek, hierin kunt u de spelregels afspreken en afstemmen waarom het onderzoek gaat plaatsvinden en welke informatie relevant is voor de Belastingdienst
- Navordering beperken: iets wat tijdens het boekenonderzoek is onderzocht kan daarna niet meer een navordering tot gevolg hebben. Uitzondering hierop is (a) onderdeel niet bij boekenonderzoek meegenomen (b) kwade trouw (c) informatie bewust achtergehouden
Moet een auditfile worden verstrekt?
Inspecteur wil auditfile en belastingplichtige stelt, je krijgt de papierenversie. Moet je auditfile verstrekken? De rechtbank is van mening dat de auditfile voorhanden is en dus tot de administratie behoort. Ook de persoonlijke aantekeningen van de klant in de auditfile moeten worden verstrekt Rechtbank Gelderland d.d. 1 oktober 2018 (ECLI:NL:RBGEL:2018:4161)
Voorbereiding boekenonderzoek
Het is verstandig om een boekenonderzoek met uw accountant en uw belastingadviseur goed voor te bereiden. Wat kunt u verwachten? Wat zijn mogelijke risico's? Ook is het volgende van belang:
- Leg andere administratie en informatie in de kast achter slot en grendel
- Schakel een specialist in, voor de controlerend ambtenaar is het dagelijks werk
- Geen adviezen van uw accountant, advocaat, notaris of belastingadviseur ter inzage leggen
- Eigen notities bij uw administratie niet verstrekken, bent u wel verplicht als hierom wordt gevraagd
- Verstrek alleen informatie welke fiscaal relevant is en tot uw administratie behoort, laat dit vooraf goed beoordelen door een deskundige accountant of fiscaal jurist.
- Zorg ervoor dat één persoon binnen uw bedrijf contactpersoon is, andere personen niet met de Belastingdienst laten praten.
- Geef geen originelen aan de controlerend ambtenaar.
- Maak afschriften van hetgeen door de inspecteur wordt meegenomen, zo weet u wat er wel niet is verstrekt
- Geeft kort en bondig antwoord op vragen. En enkel op de gestelde vragen en maak naar elk gesprek een kort gespreksverslag
- Geluidsopnamen, steeds meer bedrijven hebben camera’s die ook opnemen. Juridisch en qua privacy en bewijsvoering lastig maar zeker te overwegen. Ombudsman (2015/038) opname zonder toestemming bij boekenonderzoek (medische reden “kan niet goed onthouden”) . Ombudsman “opnemen is toegestaan”. Algemeen verbod opnemen bij Belastingdienst is onbehoorlijk.
Vragen over boekenonderzoek
Heeft u vragen over een boekenonderzoek of wilt u een vrijblijvend gesprek? Stuur ons gerust een e-mail of neem contact op.
Rechten en plichten bij een boekenonderzoek
- Belastingplichtige heeft een inlichtingen verplichting. De informatie moet echter wel voor de belastingheffing relevant zijn.
- Geef alleen feiten weer en geen meningen,
- Als vragen betrekking hebben op een mogelijke boete kunt u zich op uw zwijgrecht beroepen
- U moet uw administratie verstrekken, de wet zegt echter niets over "hoe dit zou moeten".
- Administratie 7 jaar bewaren (bij onroerende zaken 9 jaar)
- Fiscale adviezen hoeft u niet te verstrekken
- Alles wat u zegt moet waar zijn, maar niet alles zeggen !!!
- Wees kort en bondig bij een antwoord, zinnen max 10 woorden !
- Inspecteur mag niet snuffelen (fishing expedition).. laden/ kasten openen/ niet achter PC of in archief snuffelen
- Adviezen notaris/ advocaat : verschoningsrecht .. ook adviezen accountant/ fiscalist (geen wettelijk verschoningsrecht)
Welke boekenonderzoeken kunnen we de komende jaren verwachten?
We zien steeds vaker dat de Belastingdienst al vroegtijdig samenwerkt met de FIOD en/of de inspectie SZW. De eerst komende jaren zullen onderzoeken ook worden ingezet op grond van datakoppelingen (big data) binnen de Belastingdienst. Tevens komen er meer onderzoeken in het kader van :
- Zelfstandigheid of dienstbetrekking (DBA) / Schijnconstructures (uitzendbureau’s/ ondernaanneming. Etc)
- Internationale controles (zoals inkeer) nemen toe
- Rekening courant aandeelhouders
- Werkkostenregeling / kostenvergoedingen
- Auto van de zaak zonder bijtelling
- Suppletie en omvang omzetbelasting (carrousel fraude)
Inzagerecht in bezwaar en beroepfase
U heeft recht om uw dossier bij de Belastingdienst in te zien, dit wettelijke recht is er pas laat in de bezwaarfase, namelijk voorafgaand aan het hoorgesprek. Volgens Europese wetgeving (handvest) heeft u dit recht eerder en feitelijk op elk moment. Dit wordt in de doctrine onderstreept edoch de Belastingdienst wil hieraan nog niet meewerken. Naast een papieren dossier is er ook een digitaal dossier (zogenaamd TOP dossier) bij de Belastingdienst beschikbaar. De Belastingdienst mag mails en overige informatie uit het dossier verwijderen als men van mening is dat het niet van belang is. De vraag is dan "keurt de slager zijn eigen vlees op een juiste wijze"
In een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam in 2018 had de belastingdienst informatie uit het dossier verwijderd. Hierdoor werd volgens de rechter belastingplichtige in haar belang geschaad. Gevolg "aanslagen gaan de prullenbak in".
Tips ten aanzien van boekenonderzoek
- Verstrek niet klakkeloos alle gevraagde informatie. Kort antwoorden !
- Scheid adviezen en eigen notities van uw administratie, maakt geen notities in uw eigen administratie
- Controleer wat de fiscus doet en/of steekproeven kloppen.
- Wijs binnen uw organisatie één persoon aan als contactpersoon, geef dit ook aan richting de Belastingdienst en instrueer andere personen dat ze geen antwoorden geven.
- Maak zelf aantekeningen bij een onderzoek, elke dag (wat is er gebeurd, besproken, etc
- Tijdig adviseur inschakelen
- Verstrek geen originelen aan de Belastingdienst en maar een scan van de informatie welke door de Belastingdienst wordt meegenomen.
- Beantwoord vragen kort en zakelijk
- Vooraf en bij einde onderzoek (voor definitieve rapport) adviseur inschakelen en bij bezwaar/ beroep formele zaken (naast materieel) meenemen . Indien gewenst, moment om te “dealen” is bij slotgesprek
- Bekijk of er ruimte is voor een schadevergoeding (civiele of bestuursrechter)
Hulp bij boekenonderzoek belastingdienst
Als u een boekenonderzoek van de Belastingdienst verwacht, is het belangrijk om goed voorbereid te zijn en advies in te winnen over hoe u hier het beste mee om kunt gaan. Hier zijn enkele tips die u kunnen helpen bij het begeleiden van een boekenonderzoek:
- Wees goed voorbereid: Zorg ervoor dat u alle benodigde documentatie bij de hand heeft voordat het onderzoek begint. Dit kan onder meer uw boekhouding, facturen, bonnen en bankafschriften omvatten.
- Stel een contactpersoon aan: Wijs een contactpersoon binnen uw organisatie aan die verantwoordelijk is voor het begeleiden van het boekenonderzoek. Deze persoon kan als aanspreekpunt fungeren voor de Belastingdienst en ervoor zorgen dat alle benodigde informatie op een efficiënte en effectieve manier wordt verstrekt.
- Wees transparant: Wees zo open en eerlijk mogelijk tegenover de Belastingdienst. Het verbergen of achterhouden van informatie kan leiden tot verdere problemen en boetes.
- Houd deadlines in de gaten: Zorg ervoor dat u alle deadlines in de gaten houdt en dat u alle benodigde informatie op tijd verstrekt. Hierdoor kunt u vertragingen en extra kosten voorkomen.
- Overweeg het inschakelen van een deskundige: Als u zich zorgen maakt over het boekenonderzoek van de belastingdienst of als u zich niet volledig zeker voelt over de informatie die u verstrekt, kunt u overwegen om een deskundige in te schakelen. Een belastingadviseur kan u helpen bij het voorbereiden van het onderzoek en u adviseren over hoe u het beste kunt omgaan met eventuele problemen die zich voordoen. Wi jadviseren wekelijks accountants en belastingplichtigen bij boekenonderzoeken, vraag gerust een vrijblijvende offerte of kom eens langs voor een bakje koffie.
Door deze tips te volgen, kunt u het boekenonderzoek van de Belastingdienst succesvol begeleiden en ervoor zorgen dat u zich geen zorgen hoeft te maken over onverwachte problemen of boetes.
Jongbloed Fiscaal Juristen helpt u verder
- Gratis oriënterend gesprek om de mogelijkheden te bekijken (neem contact op).
- Direct aan tafel met een ervaren fiscaal jurist.
- Wij begeleiden het traject van begin tot eind.
- Beperkte kosten en vooraf duidelijke offerte.
Bron boekenonderzoek
Handboek controle belastingdienst
Bestuurdersaansprakelijkheid en Belastingdienst
Wij adviseren regelmatig ondernemers die in zwaar weer zitten. In dit artikel een toelichting omtrent de fiscale bestuurdersaansprakelijkheid. Wilt u een vrijblijvende afspraak? Bel of mail gerust !
- Als een ondernemer / B.V. in financieel moeilijke tijden terecht komt moeten er lastige keuzes worden gemaakt, vaak ook onder tijdsdruk.
- Achteraf zal dan blijken of dit de juiste keuzes waren. Hierbij komt de ondernemer ook nog in een juridisch mijnenveld terecht. Wie mag hij betalen? Is er sprake van bestuurdersaansprakelijkheid? Is er sprake van een Pauliana?
- Wat is de positie van de Belastingdient? Etc.
Een bestuurder van een B.V. (vaak de DGA) loopt een groot risico dat hij / zij bij de gemaakte keuzes aanloopt tegen een bestuurdersaansprakelijkheid welke bij een faillissement door de Belastingdienst wordt ingezet. De bestuurder / DGA kan dan in privé aansprakelijk worden gesteld voor omzetbelasting- en loonbelastingschulden.
Bestuurdersaansprakelijkheid en meldingsplicht, mag maar moet niet!
Op 2 mei 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:435) kwam AG Koopman met een bijzondere conclusies over de bestuurdersaaansprakelijkheid en meldingsregeling betalingsonmacht. In de tussenbeslissing van de Hoge Raad op 6 oktober 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1371) kwam ons hoogste college nog tot de conclusie dat de ontvangen geen ruimte heeft om af te zien van een bestuurdersaansprakelijkheid. Koopman (de AG) komt nu met een geitenspoor. De ontvanger beschikt over een (discretionare) bevoegheid en kan afzien van het aasprakelijk stellen van de bestuurder. Aansprakelijk stellen is dus een keuze. In de genoemde procedure bij de Hoge Raad worden prjejudiciele vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de EU. De centrale vraag was of de meldingsregeling wel is toegestaan (strijdigheid met evenredigheidsbeginsel). Deze vragen zijn op 14 november 2024 beantwoord, er is geen sprake van een strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel.
De Hoge Raad is van mening dat artikel 36 Invorderingswet geen discretionare bevoegdheid kent en dwingend is. De ontvanger mag verder geen belang tegen elkaar afwegen, aldus de Hoge Raad. Deze conclusie is volgens Koopman niet juist. In deze uitgebreide toelichting gaat Koopman in op de materiele kant (artikel 36 IW) en de formele uitvoering (artikel 49 IW). Dat een bestuurder aansprakelijk is kan wel vaststaan maar dat wil nog niet zeggen dat hij of zij ook aansprakelijk gesteld moet worden. Bij een kwestie waarbij geen sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur is er dus nog een alternatieve route. Een kleine vergissing (niet melden) hoeft dus niet per definitie desastreuze gevolgen voor de bestuurder te hebben, aldus Koopman.
Betalingsonmacht belastingschulden bij faillissement
De belastingdienst heeft een sterke positie bij een faillissement en kan vrij eenvoudig de bestuurder aansprakelijk stellen via artikel 36 invorderingswet, de bestuurdersaansprakelijkheid. Op basis van dit artikel is de bestuurder hoofdelijk (in privé) aansprakelijk voor (onder meer) de omzetbelasting en loonbelastingschulden van de rechtspersoon. Als er niet tijdig betalingsonmacht is gemeld bestaat er (op grond van artikel 36 lid 4 invorderingswet). Dus als er niet tijdig en op de juiste wijze is gemeld is de bestuurder in principe in privé aansprakelijk voro diverse belastingschulden van de rechtspersoon, dit is slechts anders als de bestuurder aannemelijk maakt dat het niet of niet juist melden niet aan hem of haar te wijten is. Dit is in de praktijk een redelijk onmogelijke opgave. Dit heeft tot gevolg dat de boef en de bonafide bestuurder beide in prive kunnen worden aangesproken voor (diverse) belastingschulden van de rechtpersoon. Maar er is hoop voor de bonafide bestuurder !
Bonafide bestuurder en bestuurdersaansprakelijkheid
In de basis is de bestuurder niet aansprakelijk voor schulden van de BV (rechtspersoon). Voor de belastingschulden staat er een belangrijke uitzondering in artikel 36 invorderingswet. Al met al, niet melden of niet juist melden en de bestuurder is aansprakelijk in privé. In 2009 heeft de adviseur van de Hoge Raad dat dit (het niet tijdig melden) tot oneerlijke (onevenredige) situaties zou kunnen leiden bij bonafide bestuurders. De Hoge Raad ging hier in 2011 nog aan voorbij (de wet is de wet). De melding betalingsonmacht dient te worden gedaan binnen 2 weken nadat de verschuldigde belasting behoorde te zijn afgedragen of te zijn voldaan. Bij een naheffingsaanslag kan er geen tijdige melding betalingsonmacht meer plaatsvinden. Dit onweerlegbare bewijsvermoeden is in de volksmond oneerlijk, in het recht is sprake van strijdigheid met het communautaire evenredigheidsbeginsel. In het arrest van de Hoge Raad op 6 oktober 2023 komt de Hoge Raad terug op haar eigen arrest uit 2011. In sommige gevallen (bijvoorbeeld een naheffingsaanslag) is het onmogelijk dat de bestuurder het vereiste bewijs zal kunnen leveren dat het niet aan hem of haar te wijten is dat geen of niet op de juiste wijze een melding betalingsonmacht is gedaan. De bestuurderaansprakelijkheid in prive is dan dus niet te voorkomen, zelfs als sprake is van een eerlijke / bonafide bestuurder. Er worden nu door de Hoge Raad (prejudiciële) vragen gesteld of het (unierechtelijke) evenredigheidsbeginsel zich hiertegen verzet. Deze zaak richt zich op de omzetbelasting, de toekomstige vervolg vraag zal zijn of de loonheffing hiermee in lijn mag worden gezet.
Positie Belastingdienst bij faillissement
Als een bestuurder / DGA beslist om andere schuldeisers wel te betalen en de Belastingdienst niet, dan is de Belastingdienst al snel van mening dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De Belastingdienst is hierbij van mening dat haar vorderingen voorgaan op de overige schuldeisers. Dit is echter niet altijd zo, zie hiertoe een arrest van de Hoge Raad dat in april 2019 is verschenen.
De fiscus is een ‘preferente schuldeiser’. Ontvangers merken het onbetaald laten van belastingschulden ten gunste van andere schuldeisers al snel aan als kennelijk onbehoorlijk bestuur en zullen in een dergelijk geval de bestuurder daarvoor aansprakelijk stellen. Dat is zeker niet altijd terecht, zo bevestigde de Hoge Raad in zijn arrest van 12 april 2019.
Hoe werkt de bestuurdersaansprakelijk voor belastingschulden?
Melding betalingsonmacht
Bestuurders van rechtspersonen (VPB-plichtige lichamen) kunnen persoonlijk (hoofdelijk) aansprakelijk worden gesteld voor niet betaalde loonbelasting en omzetbelasting van de rechtspersoon (artikel 36 invorderingswet). De bestuurder kan dit in eerste aanleg voorkomen door tijdig (binnen 2 weken nadat de belasting moest worden betaald) en schriftelijk haar betalingsonmacht te melden. Als dan uiteindelijk de belastingen niet worden betaald, dan moet de Belastingdienst aannemelijk maken dat het niet betalen van de schulden aan de (feitelijk) bestuurder / DGA van de rechtspersoon heeft gelegen (kennelijk onbehoorlijk bestuur).
Geen melding betalingsonmacht
Wij zien steeds vaker dan bestuurders / DGA's vergeten om op de juiste wijze en tijdig de betalingsonmacht te melden. Dit maakt de bewijslast voor de bestuurder / DGA lastiger. Er bestaat dan namelijk een (wettelijk) vermoeden dat er sprake is van onzorgvuldig gedrag (kennelijk onbehoorlijk bestuur).
Belastingdienst, schuldeiser of werknemers betalen?
De bestuurder moet dagelijks bekijken wie hij kan betalen. Worden werknemers niet betaald, dan lopen ze wellicht weg en als leveranciers niet worden betaald, wordt er niet meer geleverd. Als de Belastingdienst niet wordt betaald, kan er wellicht een aansprakelijkheid in privé ontstaan en / of wordt er beslag gelegd. Elke keuze kent dus zijn voor- en nadelen.
Maar als nu een werknemer (of leverancier) wel wordt betaald en de Belastingdienst niet, is dit dan onbehoorlijk of fout? In 2010 heeft de Hoge Raad al bepaald dat een bestuurder zelf mag bepalen wie hij wel en niet gaat betalen. Een aantal jaren later heeft de Hoge Raad een nuance aangebracht, in 2017: de bestuurder moet bij de genomen beslissing wel logisch (weldenkende ondernemer) blijven nadenken. Belangrijk hierbij is dat de bestuurder in het belang van de rechtspersoon moet blijven denken als hij schulden gaat betalen. Doet hij dit niet, dan moet de Belastingdienst (bij een tijdige melding) aannemelijk maken dat de bestuurder een ernstig (en persoonlijk) verwijt kan worden gemaakt.
Dit is vaak het grijze gebied waar veel over wordt geschreven en nagedacht. Aan de ene kant heeft de bestuurder een redelijk vrije keuze, maar aan de andere kant is er een grijs gebied binnen deze keuze. Als een bestuurder leveranciers en werknemers wel heeft betaald maar wist dat het bedrijf "kapot" zou gaan, dan heeft hij de Belastingdienst een spreekwoordelijke "loer" gedraaid. Dan is de bestuurder dus aansprakelijk (in privé). Hierbij komen de volgende problemen:
- De rechter en de Belastingdienst oordelen achteraf wat "weldenkend was" in een erg dynamische tijd.
- Achteraf blijkt dat de rechtspersoon failliet gaat, maar op dat moment kan dit nog onduidelijk zijn.
- Wat zou een andere ondernemer doen? Wat is dan een weldenkende ondernemer?
Als een bestuurder heeft besloten om de rechtspersoon failliet te laten gaan en hierbij de schuldeisers wel te betalen en de Belastingdienst niet, dan zal de Belastingdienst de bestuurder met succes privé aansprakelijk kunnen stellen.
Noot fiscaal jurist inzake bestuurdersaansprakelijkheid
Een bestuurder in zwaar weer moet zich laten adviseren door een advocaat en fiscaal jurist. Dat er moeilijke keuzes moeten worden gemaakt staat vast. Gelukkig heeft de bestuurder (ook op fiscaal gebied) de vrijheid om leveranciers / overige schuldeisers wel te betalen en de Belastingdienst niet. Wel moet op dat moment goed en schriftelijk worden vastgelegd hoe de keuze is gemaakt. Als een bestuurder aansprakelijk wordt gesteld (en tijdig een schriftelijke melding heeft gedaan), dan moet de Belastingdienst van goede huize komen en haar besluit uitgebreid en zorgvuldig motiveren.
Vragen ? Stuur een email.
Bron bestuurdersaansprakelijkheid en belastingen
Hoge Raad 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:576)
Hoge Raad 26 maart 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK9654)
Hoge Raad 31 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:530)
Hoge Raad d.d. 21 januari 2021 ECLI:NL:HR:2011:BL0202
Conclusie AG Ballegooijen 30 november 2009 ECLI:NL:PHR:2009:BL0202
Bestuurdersaansprakelijkheid en beëindiging van de onderneming
Als uw B.V. niet meer lekker draait, kunt u besluiten de stekker eruit te trekken. Daarbij zal het idee kunnen ontstaan om uw trouwe leveranciers en overige schuldeisers te betalen voordat u de Belastingdienst de laatste centen overmaakt. Op zich is dat toegestaan maar het is wel oppassen geblazen. De Belastingdienst zal proberen u in privé aansprakelijk te stellen voor de door de B.V. niet betaalde belastingschulden.
Bestuurdersaansprakelijkheid bij faillietverklaring
Onze inmiddels welbekende Henk zit in het transport. De laatste jaren gaat het niet echt lekker en tot overmaat van ramp levert een belangrijke afnemer zijn vervoerscontract in. De aandeelhouders en directie – waaronder Henk – komen bij elkaar en trekken de conclusie: einde oefening, contracten uitdienen en saneren de handel.
In de daaropvolgende periode haalt de bank zijn geld terug, worden activa verkocht en worden de noodzakelijke crediteuren (brandstofleveranciers, werknemers, ingehuurde transporteurs, etc.) voldaan. Verder worden betalingen verricht aan al of niet gelieerde zakelijke partners voor door hen in het kader van de voortgezette bedrijfsuitoefening verleende diensten. Aan het einde van het jaar wordt de B.V. – op eigen verzoek – failliet verklaard.
Bestuurder aansprakelijk voor niet betalen Belastingdienst
Bij de Belastingdienst wordt tijdig gemeld dat de B.V. niet meer aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen. Aan het einde van het jaar wordt de B.V. – op eigen verzoek – failliet verklaard. Een groot aantal belastingschulden blijft onbetaald. De Belastingdienst houdt Henk daarvoor aansprakelijk op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Henk had er ernstig rekening mee moeten houden dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat belastingschulden van de B.V. onbetaald zouden blijven.
Henk legt de zaak voor aan de rechter. De rechtbank houdt hem aansprakelijk voor een kleine 3 ton. In hoger beroep gaat er een tonnetje af omdat een deel in het faillissement viel. De Hoge Raad komt tot het oordeel dat het Hof niet helemaal de juiste maatstaf hanteerde om tot kennelijk onbehoorlijk bestuur (en dus aansprakelijkheid) te komen. Van de andere kant is het niet persé zo dat de faillietverklaring en de bevoegdheid van de curator tot betaling van (belasting-)schulden uitsluit dat het aan Henk is te wijten dat niet is betaald. Een ander Hof (het verwijzingshof) moet de zaak overdoen.
Ook het Verwijzingshof stelt Henk goeddeels in het ongelijk. Weer maakt Henk de gang naar de Hoge Raad. Deze keer trekt de Hoge Raad de zaak wat breder en formuleert de volgende algemene uitgangspunten:
- Er is geen algemene regel die meebrengt dat iemand die niet al zijn schulden kan betalen steeds onrechtmatig handelt wanneer hij een schuldeiser voldoet vóór andere schuldeisers.
- Dat geldt ook als hij geen rekening houdt met eventuele preferenties.
- De (bestuurder van de) vennootschap is dan ook in beginsel vrij eigen afwegingen te maken welke schuldeisers worden betaald.
- Die afweging is alleen kennelijk onbehoorlijk bestuur als geen redelijk denkend bestuurder dezelfde afweging had gemaakt.
- Van een geval waarin geen redelijk denkend bestuurder dezelfde afweging had gemaakt is sprake als de bestuurder van een vennootschap heeft bewerkstelligd dat belastingschulden van die vennootschap onbetaald zijn gebleven, terwijl hij wist of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat die belastingschulden onbetaald zouden blijven en hem persoonlijk een ernstig verwijt treft.
Maar ...!! Die vrijheid is beperkter als:
- De vennootschap heeft besloten haar activiteiten te beëindigen en niet over voldoende middelen beschikt om al haar schuldeisers te voldoen.
- In die situatie staat het (de bestuurder van) de vennootschap in beginsel niet vrij schuldeisers die aan de vennootschap zijn gelieerd met voorrang boven andere schuldeisers – onder wie de ontvanger – te voldoen.
- Tenzij die betaling door bijzondere omstandigheden wordt gerechtvaardigd.
- Dit geldt ook bij de voldoening van niet-gelieerde schuldeisers van de vennootschap als de bestuurder van de vennootschap bij die betaling een persoonlijk belang heeft.
- Doet een bestuurder in deze gevallen toch een betaling, dan kan dat al worden aangemerkt als kennelijk onbehoorlijk bestuur als hij ernstig rekening ermee had moeten houden dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat belastingschulden van de vennootschap onbetaald zouden blijven.
Met deze uitgangspunten in de hand komt de Hoge Raad tot het oordeel dat het Verwijzingshof heeft miskend dat het in beginsel aan Henk is een afweging te maken welke schuldeisers van de B.V. in de gegeven omstandigheden zouden worden betaald. Het volgende Verwijzingshof mag nu beoordelen of Henk alsnog toch de juiste afweging heeft gemaakt.
Opmerking fiscaal jurist
Ook bij het (niet) betalen van uw schulden moet u zakelijk handelen. Daarbij kunt u prima de zakelijke belangen laten prevaleren. Het mag echter niet zo zijn dat u de Belastingdienst (bewust) in de wind zet. Bij het afbouwen van de onderneming zijn de normen wat strenger en moet u (extra) oppassen bij betalingen aan gelieerde partijen en betalingen waarbij u een persoonlijk belang heeft.
Voor het overige: lekker vrij ondernemen. Betaal wie u wilt, maar denk aan uw adviseur.
En Henk?
Tja, het gaat om schulden vanaf 2008 waarvoor Henk in september 2011 aansprakelijk is gesteld en nog weet hij niet waar hij aan toe is. Dat kan ook nog wel twee jaar duren ook. En maar hopen dat hij niet teveel aan gelieerde partijen heeft betaald ...
Als u onze site een beetje volgt, weet u dat een fiscale planning bijna noodzakelijk is bij de opbouw, groei en bloei van uw bedrijf. Daarvoor kunt u altijd bij ons terecht. Ook wist u al dat bij de overdracht van uw onderneming fiscale begeleiding is vereist.
Nu weet u ook dat het beëindigen van uw onderneming fiscaal niet vanzelf gaat en de nodige deskundigheid kan gebruiken. U weet vast welk nummer u daarvoor moet bellen.
Jurisprudentie bij ‘Bestuurdersaansprakelijkheid en beëindiging van de onderneming’:
Hoge Raad Aansprakelijkstelling 2
Verwijzingshof Aansprakelijkstelling
Steekproef bij boekenonderzoek
Bij een boekenonderzoek wil de Belastingdienst vlot en in algemene lijnen door de administratie. Er wordt dan volgens de controle-aanpak van de Belastingdienst gebruik gemaakt van de (statische) steekproef, ook wel de guldensteekproef genoemd. Deze steekproef kent diverse problemen en tekortkomingen. Wat zijn de rechten van de Belastingdienst?
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Reductie aantal steekproeven belastingdienst
De belastingdienst heeft inmiddels vele nieuwe controlemedewerkers aangenomen en opgeleid. Het aantal controles MKB bedrijven zal de komende jaren dus toenemen. Bij een boekenonderzoek van de belastingdienst is de uitkomst altijd ongewis. Vooral als via een steekproef een onderzoek wordt ingestoken kunnen de financiele lasten (mede door extrapolatie) toenemen. Dit wordt nog eens versterkt door belastingrente en (verzuim) boetes. De belastingdienst heeft beleid gepubliceerd inzake het beperken van de steekproef bij belastingcontroles. Volgens het handboekcontrole 2026 van de belastingdienst (paragraaf 11.3.3) wordt het aantal steekproeven gereduceerd. Voor MKB bedrijven (maar ook binnen de publieke sector) kan het verstandig zijn om eens per 2-3 jaar zelf een steekproef te trekken (die aan de vereisten van de belastingdienst voldoet). Vragen? Neem gerust contact met ons op.
Steekproef belastingdienst en nu?
De laatste tijd zien we steeds vaker dat de belastingdienst gebruik maakt van de steekproef. Het is voor de belastingdienst namelijk een stuk minder werk om controles uit te voeren en om correcties op te leggen (rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 5 december 2019 ECLI:NL:RBZWB:2019:5440).
- Niet toegestaan: Rechtbank Noord Holland d.d. 15 januari 2026 ECLI:NL:RBNHO:2026:664 omdat de kerngegevens ontbreken levert de steekproef geen bewijsvermoeden op.
- Toegestaan: de Hoge Raad heeft al in 2008 toestemming gegeven voor een rechtsgeldige steekproef (Hoge Raad d.d. 14 maart 2008 ECLI:NL:HR:2008:AU0837), deze procedure ging over de BPM, thans wordt de steekproef voor vele belastingen gebruikt. Het Gerechtshof was het ook eens met de steekproef.
- Regels: de formele regels en voorwaarden om van een steekproef gebruik te mogen maken is niet echt duidelijk. In deze noot van de adviseur van de Hoge Raad (De AG) worden wel diverse aanwijzingen gegeven, hier is nog weinig mee gedaan. In 2020 gaf het Gerechtshof 's Hertogenbosch op 31 december 2020 (ECLI:NL:GHSHE:2020:4116) een nuttige toelichting. De steekproef moet statistisch verantwoord zijn en voor belastingplichtige controleerbaar. Dit is in de praktijk knap lastig, edoch er zijn binnen ons netwerk specialisten die de statische steekproef kunnen beoordelen. Belangrijk is dat de populatie homogeen is en op objectieve maatstaven moet worden bepaald.
- Praktijk: het is belangrijk om de steekproef door een deskundige te laten controleren (dus wat is waarom onderzocht en hoe is geselecteerd)
- Bewijslast belastingplichtige: de steekproef geeft een bewijsvermoeden. De belastingplichtige mag proberen om dit bewijs te ontzenuwen. Hiertoe moeten de resultaten - goed gemotiveerd - worden tegengesproken (in twijfel getrokken). Dit kan door een contra onderzoek of een volledig eigen boekenonderzoek van de gehele administratie. Lees voor een toelichting deze uitspraak.
- Extrapolatie: het onderzoek zal vaak over 1 jaar plaatsvinden en wordt dan ook toegepast over de andere jaren. Strikt formeel mag dit - aldus de Hoge Raad (en deze uitspraak). Beide periodes moeten dan wel op elkaar lijken qua feiten en omstandigheden (volgens de Hoge Raad en het Gerechtshof in 2016). De inspecteur moet dus met een toelichting komen over het uitsmeren van de resultaten uit jaar X over jaar X+1 of X-1. Rechters zijn erg kritisch over extrapolatie, hier valt dus nog wel iets te winnen, zie hiertoe diverse uitspraken van rechters (Rechtbank Leeuwarden d.d. 25 maart 2010, Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 28 januari 2011 en de Rechtbank Den Haag d.d. 25 oktober 2016)
- Boete: een boete bij een steekproef vereist nogal wat, deze moeten overtuigend worden aangetoond door de inspecteur, dit met een uitgebreide toelichting (en een boeterapport), zie Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Een boekenonderzoek op grond van steekproef
Hoe werkt eigenlijk een boekenonderzoek? Steeds vaker wordt bij een boekenonderzoek gebruik gemaakt van eenvoudige hulpmiddelen, zoals de steekproef. De steekproef vindt haar oorsprong in de accountancy. De Belastingdienst zet deze steekproef in fiscale controles (boekenonderzoeken etc.) steeds vaker in. De steekproef geeft soms vreemde resultaten, kent een overkill en wordt niet altijd op de juiste wijze toegepast. Dit komt door:
- extrapolatieregels worden ruim toegepast;
- de op te vragen informatie wordt ruim ingevuld;
- de statistische steekproef wordt niet goed ingevuld / toegepast (en op verschillende manieren).
Gevolgen steekproef Belastingdienst
De Belastingdienst past de steekproef bijvoorbeeld toe op inkoop- of verkoopfacturen. Als er in de auditfile ook memoriaalboekingen zitten, is dit niet juist, via memoriaalboekingen worden namelijk foute boekingen tegengeboekt. De fouten in de inkoop- of verkoopfacturen worden dan onjuist geïnterpreteerd. Bij de (gulden-)steekproef ligt de primaire aandacht op fouten in de administratie. De uitkomsten worden geëxtrapoleerd en hier komt dan een foutmarge uit. De Belastingdienst krijgt hierdoor geen compleet beeld. Het aantal fouten dat de Belastingdienst aantreft is vaak de basis voor de op te leggen (naheffings-)aanslagen. De fouten worden namelijk geëxtrapoleerd naar de toekomst (doorwerkende fout). Soms wordt op grond van een steekproef in het verkoopboek wel een forse correctie op af te dragen BTW opgelegd, maar geen rekening gehouden met de juiste inkoop-BTW.
De jurisprudentie over de steekproef bij een boekenonderzoek is nog beperkt. Een rechter is echter wel redelijk kritisch, de uitkomsten uit een steekproef mogen niet zomaar worden gebruikt als grondslag voor naheffingsaanslagen of navorderingsaanslagen. Soms is de steekproef te summier of wordt slechts een beperkte periode in de steekproef betrokken.
Uitspraken rechters over steekproef
In 2008 keek de Hoge Raad al eens naar de guldensteekproef. De methode wordt door de Hoge Raad (HR 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:AU0840) niet verboden. Extrapolatie moet echter wel zorgvuldig worden onderbouwd, het Gerechtshof in Den Bosch zoomde hierop in 2011 nog eens in (Hof Den Bosch 28 januari 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ2837). Het jaar dat werd onderzocht liet een hoge omzet zien, de vraag is of dit maatgevend is voor de overige jaren, volgens het Gerechtshof was dit hier niet zo. Volgens de rechter mag hiervan ook niet zomaar worden uitgegaan. Ook een loonbelastingcorrectie op grond van een steekproef moest in de prullenbak, aldus de Rechtbank Leeuwarden (Rechtbank Leeuwarden 25 maart 2010, ECLI:NL:RBLEE:2010:BL9918) en Rechtbank Den Haag 25 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:13230.
Belangrijkste probleem is vaak de extrapolatie naar andere jaren. Dit is toegestaan, maar dan wel met kanttekeningen:
- Er moet emiprisch bewijs zijn (dus niet alleen een steekproefresultaat).
- De Inspecteur moet met een helder en duidelijk verhaal komen waarom extrapolatie moet kloppen, dus het onderzochte jaar is geen incident.
- Fouten in het ene jaar moeten ook vookomen in de andere jaren (Gerechtshof Den Haag in 2016).
- De jaren moeten een constant beeld geven die aansluit bij feiten.
- De groep die wordt onderzocht moet homogeen zijn, bij werknemers (loonheffing) is dit eerder het geval dan bijvoorbeeld bij auto's (BPM).
Noot steekproeven en boekenonderzoeken
Wij adviseren regelmatig ondernemers bij boekenonderzoeken en hebben meer dan voldoende ervaring met het gebruik van steekproeven. Wilt u voor of tijdens een boekenonderzoek overleg over het plan van aanpak of de mogelijkheden? Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak.
Bron boekenonderzoek
Handboek controle belastingdienst
Fiscale boete of gevangenisstraf
FIOD invallen, boekenonderzoeken en fraudebestrijding staan hoog op de agenda de laatste jaren. In 2014 is er een nieuwe Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit ingevoerd (artikel 69a AWR). Normaal krijgt u een boete als u niet of niet tijdig uw belasting heeft betaald, de Belastingdienst kan echter ook kiezen voor een strafrechtelijke route met maximaal 6 jaar.
Boete bij te laat betalen
Normaal krijgt u een verzuimboete (artikel 67c AWR) als u uw belasting te laat heeft betaald. De boete bedraagt maximaal zo'n € 5.200. Als u niet zo'n keurige belastingbetaler bent en als er dus sprake is van opzet of grove schuld, dan kan de boete (artikel 67f AWR) worden verhoogd tot 100% van de te weinig betaalde of afgedragen belastingen.
Door allerlei fraudes bij toeslagen kwam er een nog strengere maatregel. Echte fraudeurs (kwaadwillenden) moeten via strafvervolging uiteindelijk de gevangenis in (artikel 69a AWR). Naast de gevangenisstraf kunt u ook nog een boete (in geld) krijgen. Door deze nieuwe wetgeving kunnen fraudeurs en oplichters nog beter worden aangepakt. De bepaling is zeker niet bedoeld voor mensen die simpelweg hun belasting niet kunnen betalen omdat er geen geld is, de goedwillende ondernemer of particulier hoeft zich dus normaal gesproken geen zorgen te maken. Als u om uitstel van betaling vraagt of betalingsonmacht heeft gemeld, dan hoeft u zich geen zorgen te maken (artikel 69c lid 3).
Fiscale boete of verbeurdverklaring
Een (fiscale of geld) boete is niet aftrekbaar (artikel 3.14 lid 1 onder c Wet IB). Het kan namelijk niet zo zijn dat een straf minder pijn doet doordat de boete aftrekbaar is. Ook boetes, kosten en lasten die hiermee (of met een misdrijf) samenhangen zijn niet aftrekbaar (mits belastingplichtige onherroepelijk is veroordeeld). Uit de wet, de wetsgeschiedenis en enkele uitspraken van rechters volgt echter wel dat verbeurdverklaringen gewoon aftrekbaar zijn. De verbeurdverklaring is een straf (sanctie) in het strafrecht waarbij de rechter bepaalt dat de belastingplichtige de (veroordeelde) eigendom over een voorwerp (of geld) verliest en waarbij de staat die eigendom verkrijgt. Als het voordeel wordt belast en dit voordeel wordt afgenomen dan is het (financieel) logisch dat dit aftrekbaar is (artikel 3.14 lid 3 wet IB). Aftrek zal plaatsvinden in het jaar waarin de ontneming feitelijk heeft plaatsgevonden. Tot zover is het helder.
In een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 15 mei 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3208) oordeelde deze belastingkamer echter anders. Het Gerechtshof stelde dat de verbeurdverklaring - onder omstandigheden - niet aftrekbaar was omdat deze samenhangt met criminele kosten (artikel 3.14 lid 1 onderdeel d wet IB). Dit is echter "onder omstandigheden". Omdat de Hoge Raad er verder niks mee deed is het nog gissen hoe dit moet worden gezien. Het lijkt erop dat een verbeurdverklaring niet aftrekbaar is deze moet worden gezien als een (punitieve) straf of sanctie. Een normale verbeurdverklaring (ontnemingsactie) is dus gewoon aftrekbaar omdat deze moet worden gezien als de voldoening van straf (geldbedrag).
Verzuimboete en strafververvolging
De Hoge Raad oordeelt in 2022 dat de strafrechtelijke vervolging van een natuurlijk persoon wegens een belastingverzuim wel mogelijk is, ook al is aan de BV een fiscale sanctie opgelegd. De DGA wordt namelijk als prive persoon (natuurlijk persoon) vervolgd in de hoedanigheid van de persoon die de opdracht heeft gegeven aan het door BV begane feit (feitelijke leiding). Daarnaast is er een verschil tussen de aard en ernst van het strafbare feit en de oplegging van de verzuimboete. De zaak wordt deels afgerond en wel verwezen.
Noot fiscaal jurist over boete of gevangenisstraf
De Belastingdienst kan soms stevig ten strijde trekken. In een procedure bij het Gerechtshof was duidelijk dat er niet tijdig was betaald. De ondernemer (B.V.) had ook geen uitstel van betaling aangevraagd en / of betalingsonmacht gemeld. De rechter was echter zorgvuldig in haar afweging. Er was geen sprake van een fraudeur of boef (kwaadwillende), er kon simpelweg niet worden betaald. Als niet is aangetoond dat er sprake is van een "boef", dan heeft de wetgever niet voor ogen gehad dat hiervoor artikel 69a AWR moet worden toegepast. De Belastingdienst heeft voldoende middelen (beslag, etc.) om belastingplichtigen die niet betalen aan te pakken, iemand hoeft dan niet direct de gevangenis in. Als iemand niet kan betalen, dan hoeft hij nog niet zomaar de gevangenis in, aldus het Gerechtshof. De wetgeving is geschreven om fraudeurs aan te pakken.
De Belastingdienst moet via de reguliere kanalen proberen belastingaanslagen te innen. Hierbij moet de Belastingdienst correct, netjes en voortvarend te werk gaan. Als de Belastingdienst dit niet doet (of als dit niet lukt), dan noemen we dit "pech". Het moet dan niet mogelijk zijn om iemand de gevangenis in te jagen.
Vragen over fiscale boetes? Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak.
Bron geldboete of gevangenisstraf
Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden d.d. 13 februari 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:1244)
Boekenonderzoek na definitieve aanslag
Een definitieve aanslag is normaal gesproken een definitieve afsluiting van een fiscale periode. Dit is - evenzo als in het normale leven - soms echter niet zo. De Belastingdienst kan terugkomen op een definitieve aanslag via een navorderingsaanslag, bijvoorbeeld na een boekenonderzoek.
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Wanneer navorderen bij boekenonderzoek?
U doet aangifte (bijvoorbeeld voor de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting) en levert hiervoor informatie aan. De inspecteur (of computer) beoordeelt deze informatie en er volgt een voorlopige of definitieve aanslag. Als achteraf blijkt dat de inspecteur niet alle informatie tot zijn beschikking had, kan de Belastingdienst terugkomen op de definitieve aanslag, dit kan niet in alle gevallen. Als de inspecteur een fout wil herstellen, dan kan dit via een formele en vastomlijnde route, met als eindresultaat een navorderingsaanslag. U moet kunnen vertrouwen op de Belastingdienst en er vanuit kunnen gaan dat de inspecteur scherp en kritisch is. Er moet dus sprake zijn van een nieuw feit welke een navorderingsaanslag (bijvoorbeeld tijdens een boekenonderzoek) kan rechtvaardigen.
Nieuw feit tijdens boekenonderzoek
Van een nieuw feit is sprake als:
- de informatie tijdens het opleggen van de aanslag niet bekend had kunnen zijn;
- de informatie bewust / onbewust niet is verstrekt en de inspecteur dit niet kon weten.
Gaat het om een inspecteur die heeft liggen slapen (een ambtelijk verzuim), dan kan er geen navorderingsaanslag worden opgelegd.
Geen nieuw feit tijdens boekenonderzoek maar wel navorderingsaanslag
Soms is een nieuw feit niet nodig, dit speelt als u te kwader trouw bent (bewust informatie niet verstrekt). De inspecteur moet dan wel de kwade trouw bewijzen. Bij een administratieve fout (typ- of rekenfout) kan de inspecteur ook een navorderingsaanslag opleggen. Het moet dan voor u (of uw adviseur) wel duidelijk zijn geweest dat er sprake is geweest van een administratieve fout. U dacht bijvoorbeeld dat u € 10.000 zou terug ontvangen en u krijgt €100.000 op uw bankrekening gestort (een nulletje extra). Als een fout het gevolg is van een bepaalde werkwijze van de Belastingdienst, dan is het herstellen via een navorderingsaanslag niet mogelijk.
Termijn navordering bij boekenonderzoek
De Belastingdienst kan gelukkig niet eeuwig navorderen. De maximale termijn hiertoe is 5 jaar nadat de belastingschuld is ontstaan. Als u uitstel heeft gehad voor het indienen van de aangifte, dan moet u deze termijn bij de genoemde 5 jaar optellen. Voor situaties waar het buitenland bij betrokken is (bijvoorbeeld vermogen staat in buitenland) bedraagt de termijn geen 5 jaar maar 12 jaar. Ook tegen een navorderingsaanslag kunt u in bezwaar en beroep bij de fiscale rechter.
Begeleiding bij boekenonderzoek
Het is niet verstandig om een boekenonderzoek als ondernemer zelf - zonder hulp - op te pakken. Een aantal tips voor boekenonderzoek:
- Schakel een specialist in, voor de controlerend ambtenaar is het dagelijks werk, hij is specialist, u niet.
- Zorg voor een nette ruimte voor de inspecteur / controlerend ambtenaar van de Belastingdienst.
- Verstrek alleen informatie welke fiscaal relevant is en tot uw administratie behoort, laat dit vooraf goed beoordelen door een deskundige accountant of fiscaal jurist.
- Zorg ervoor dat één persoon binnen uw bedrijf contactpersoon is, andere personen niet met de Belastingdienst laten praten.
- Geef geen originelen aan de controlerend ambtenaar.
- Geeft kort en bondig antwoord op vragen.
Wij adviseren wekelijks ondernemers bij een boekenonderzoek. Wilt u een vrijblijvend gesprek? Maak gerust een afspraak bij ons op kantoor.
Bron boekenonderzoek
Handboek controle belastingdienst
Boekenonderzoek horeca, en nu?
De Belastingdienst komt gemiddeld eens per 25 jaar bij u langs. De horeca is sinds jaren een branche die vaker onderzoek krijgt van de Belastingdienst. Wij adviseren regelmatig horecabedrijven (of de accountant van de horecaondernemer) bij boekenonderzoeken. Wilt u een gratis adviesgesprek, neem gerust contact op.
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Meer boekenonderzoeken Belastingdienst
Uit het rapport analyse niveau toezicht achteraf volgt dat het aantal boekenonderzoek bij MKB bedrijven met 33% is gedaald. Het aantal jaarlijkse onderzoeken is gedaald van 27.000 (in 2016) tot iets meer dan 15.000 (in 2019). De oorzaak is gelegen in personeel- en capaciteitsgebrek bij de belastingdienst. Daarnaast kosten controles veel tijd en zijn deze complex. Op dit moment wordt op grond van data analyses een risico analyse gemaakt en worden onderzoeken dus anders ingezet. Van de 2,7 miljoen MKB bedrijven worden er jaarlijks maar een paar procent gecontroleerd. Onze staatssecretaris (van Rij) komt in de zomer met een actieplan voor een toename en verbetering van het aantal boekenonderzoeken bij MKB bedrijven, aldus het FD. Wij adviseren veel ondernemers tijdens boekenonderzoeken, maar ook via een fiscale scan vooraf. Via een fiscale scan inventariseren wij de risico gebieden maar ook de fiscale mogelijkheden. Interesse in een fiscale APK, neem gerust contact met ons op.
Belastingdienst en onderzoeken horeca
De reden dat de Belastingdienst meer boekenonderzoeken in de horeca uitvoert, is dat er regelmatig fouten in de administratie worden geconstateerd. De administratieve vastlegging is veelal niet conform fiscale eisen. Veel voorkomende problemen en/of fouten zijn:
- kassyteem sluit niet aan bij administratie;
- lonen worden zwart betaald (zonder inhouding loonheffing);
- niet alle omzet wordt geboekt;
- primaire vastlegging sluit niet aan bij kassa.
De insteek is nog te vaak "het zal wel niet kloppen", dit terwijl wij zien dat vele horecaondernemers - evenzo als andere ondernemers - keurig hun werk en administratie vastleggen en wellicht een paar kleine fouten maken.
Aankondiging onderzoek in horeca
Een boekenonderzoek wordt vrijwel altijd via een brief aangekondigd. De Belastingdienst geeft hierin aan welke belastingen worden onderzocht en wil veelal een zogenaamde auditfile van uw administratie ontvangen. Op dit verzoek moet u niet direct ingaan. Plan eerst een gesprek met uw fiscaal jurist en accountant en neem hierin door hoe met het onderzoek om te gaan. Afspraken maken over het gebruik van de auditfile is verstandig. U moet bij een boekenonderzoek alle tot uw administratie behorende bescheiden aan de Belastingdienst verstrekken, deze moeten echter wel fiscaal relevant zijn. Dit laatste levert vaak discussie op "wat is fiscaal relevant?". De inrichting van uw administratie is ook niet een zwart of wit gebied, u heeft hierbinnen een redelijke speelruimte. De administratie moet passen bij de aard en omvang van uw horecaonderneming.
De controleur zal ook (soms heel veel) vragen stellen. De controleur mag elke vraag stellen edoch u hoeft niet alle vragen te beantwoorden. Elke vraag moet fiscaal relevant zijn. Daarnaast moeten de vragen betrekking hebben op uw eigen belastingplicht. Het is verstandig om bij gesprekken een specialist (fiscaal jurist) te laten aansluiten.
Voorbereiding boekenonderzoek horeca
Een goede en gedegen voorbereiding is van essentieel belang. Het gaat vaak over het verre verleden (3-5 jaar terug) en hiervan is ook niet altijd direct alle informatie voorhanden. Ook kunt u zich als horecaondernemer wellicht niet meer alle feiten en omstandig-heden herinneren. Gelukkig is ook uw geheugen niet zonder beperkingen, dus dit is niet vreemd. In mijn praktijk zie ik vaak dat de ondernemer met de beste bedoelingen vragen heeft beantwoord maar niet op de juiste wijze en/of niet volledig. Dit kan verre-gaande gevolgen hebben. Er worden conclusies getrokken op grond van eerste verklaringen, ook als deze daarna worden inge-trokken.
Waarneming ter plaatse door Belastingdienst in horeca
Binnen de horeca is er steeds vaker sprake van een waarneming ter plaatse. De Belastingdienst komt dan - meestal zonder verdere aankondiging - in uw onderneming kijken, meestal als gast. Op grond hiervan wordt er bijvoorbeeld gekeken naar:
- werknemers;
- vastlegging van bestellingen;
- betalingen door klanten.
Vragen over boekenonderzoek binnen horeca
Als een onderzoek door de Belastingdienst binnen uw horecabedrijf is aangekondigd, dan is het verstandig om een afspraak te maken met één van onze specialisten. Een vrijblijvend gesprek is binnen 48 uur te regelen en wij zullen u voorbereiden over het traject en de dingen die u vooral niet moet doen.
Hulp bij boekenonderzoek belastingdienst
Als u een boekenonderzoek van de Belastingdienst verwacht, is het belangrijk om goed voorbereid te zijn en advies in te winnen over hoe u hier het beste mee om kunt gaan. Hier zijn enkele tips die u kunnen helpen bij het begeleiden van een boekenonderzoek:
- Wees goed voorbereid: Zorg ervoor dat u alle benodigde documentatie bij de hand heeft voordat het onderzoek begint. Dit kan onder meer uw boekhouding, facturen, bonnen en bankafschriften omvatten.
- Stel een contactpersoon aan: Wijs een contactpersoon binnen uw organisatie aan die verantwoordelijk is voor het begeleiden van het boekenonderzoek. Deze persoon kan als aanspreekpunt fungeren voor de Belastingdienst en ervoor zorgen dat alle benodigde informatie op een efficiënte en effectieve manier wordt verstrekt.
- Wees transparant: Wees zo open en eerlijk mogelijk tegenover de Belastingdienst. Het verbergen of achterhouden van informatie kan leiden tot verdere problemen en boetes.
- Houd deadlines in de gaten: Zorg ervoor dat u alle deadlines in de gaten houdt en dat u alle benodigde informatie op tijd verstrekt. Hierdoor kunt u vertragingen en extra kosten voorkomen.
- Overweeg het inschakelen van een deskundige: Als u zich zorgen maakt over het boekenonderzoek van de belastingdienst of als u zich niet volledig zeker voelt over de informatie die u verstrekt, kunt u overwegen om een deskundige in te schakelen. Een belastingadviseur kan u helpen bij het voorbereiden van het onderzoek en u adviseren over hoe u het beste kunt omgaan met eventuele problemen die zich voordoen. Wi jadviseren wekelijks accountants en belastingplichtigen bij boekenonderzoeken, vraag gerust een vrijblijvende offerte of kom eens langs voor een bakje koffie.
Door deze tips te volgen, kunt u het boekenonderzoek van de Belastingdienst succesvol begeleiden en ervoor zorgen dat u zich geen zorgen hoeft te maken over onverwachte problemen of boetes.
Bron boekenonderzoek
Handboek controle belastingdienst
Boekenonderzoek wet DBA
De Belastingdienst heeft een plan gemaakt om meer toezicht te gaan houden op de DBA (de Wet Deregulering arbeidsrelaties). In 2018 en 2019 worden vele bedrijven bezocht om met hen te "praten" over hun werkwijze en ervaringen met opdrachtnemers. Hieruit zullen zeker ook boekenonderzoeken volgen.
Er zijn op 7 maart 2025 interne documenten openbaar gemaakt over de wet DBA, dit betreft ondermeer een samenvatting van reactie op het memo "uitvoering van de wet DBA" een normenkader Tax Control Framework, uitgangspunten fiscale strategie van de Belastingdienst en de controle aanpak van de belastingdienst. Dit geeft een mooi kijkje in de fiscale keuken.
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Geen boete in 2026 bij schijnzelfstandigheid
Het kabinet heeft in december 2025 toegezegd dat ook in 2026 geen (verzuim) boetes worden opgelegd bij constatering van schijnzelfstandigheid. Controles en naheffingen blijven wel mogelijk. De toezegging betekent een verlenging van de zogenoemde zachte landing in 2026. Wettelijke regelingen blijven maar toepassing door de Belastingdienst zal terughoudend worden toegepast, de Belastingdienst zal dus beginnen met een eenvoudig bedrijfsbezoek met een waarschuwing.
Verlenging zachte landing voor ondernemers en opdrachtgevers in 2026, wat gaat er veranderen in 2026?
- Geen verzuimboetes bij schijnzelfstandigheid in 2026.
- Naheffingen loonbelasting en premies blijven mogelijk in 2026.
- Belastingdienst begint met een eenvoudig bedrijfsbezoek.
- Bij zwaarde signalen en fouten volgt een boekenonderzoek en eventueel naheffingen.
- Bij aantoonbare kwaadwillendheid of ernstige nalatigheid blijven vergrijpboetes mogelijk.
- Civielrechtelijk risiço's voor werkgevers/ opdrachtgevers (claims pensioen, CAO rechten en minimumloon) blijven bestaan (gaat Belastingdienst niet over)
- Geen verzuimboetes bij schijnzelfstandigheid in 2026.
Onderzoek naar zelfstandigen in het kader van de DBA
De Belastingdienst heeft aangekondigd om ruim 100 opdrachtgevers te gaan bezoeken. Er wordt een selectie van bedrijven gemaakt. Er is door de Belastingdienst een selectie gemaakt om te kijken welke bedrijven worden bezocht. De criteria zijn:
- bedrijf werkt nog niet met goedgekeurde modelovereenkomsten;
- de modelovereenkomst is afgekeurd;
- de onderhandelingen over de modelovereenkomst zijn gestopt;
- er wordt veel gewerkt met goedgekeurde modelovereenkomsten.
Er worden zoveel mogelijk branches bezocht, de focus zal liggen op ad 1 en ad 2.
Belastingdienst komt op bezoek in kader DBA
Het is belangrijk om goed voorbereid het gesprek aan te gaan. Het kan lijken op een algemeen en oriënterend gesprek edoch dit kan eenvoudig omslaan in een boekenonderzoek. Zoals uit de notitie van de Belastingdienst volgt, zal bij een vermoeden van een (fictieve) dienstbetrekking (of kwaadwillendheid) direct een nader onderzoek worden ingesteld. Handhaven is voor de Belastingdienst erg intensief (bewijslast bij de Belastingdienst), maar men wil dit op korte termijn oppakken. Laat altijd uw accountant of één van onze gespecialiseerde fiscalisten bij dit gesprek aansluiten en zorg voor een goede voorbereiding.
Noot fiscaal jurist over boekenonderzoek DBA
Sinds 1 juli 2018 zal de Belastingdienst niet alleen handhaven bij de ernstigste gevallen van kwaadwillenden, maar ook bij andere kwaadwillenden. Via deze notitie wordt de eerste stap in deze richting gezet. De Belastingdienst moet bij kwaadwillenden het volgende bewijzen:
- er is sprake van schijnzelfstandigheid;
- de persoon die wordt ingehuurd is in (fictieve) dienstbetrekking;
- U handelt - willens en wetens - in strijd met de wet en laat dit voortbestaan.
U loopt als opdrachtgever het risico op naheffingen loonbelasting en forse boeten. Er zal vermoedelijk met terugwerkende kracht worden gekeken naar de feiten (tot en met 1 mei 2016).
Het is belangrijk dat u op dit moment al goed kijkt naar uw contracten (en de feitelijke werkwijze) van zelfstandigen die voor uw bedrijf werken. Voor niet kwaadwillenden loopt de termijn (transitieperiode) voor de nieuwe wetgeving door tot 1 januari 2020. Voor 1 januari 2019 komt er meer duidelijkheid over het begrip "gezagsverhouding".
Wij adviseren regelmatig klanten over hoe om te gaan met zelfstandigheden. Wij adviseren u graag over de risico's en de mogelijke problemen (en oplossingen). Een oriënterend gesprek bij ons op kantoor is zonder verdere kosten of verplichtingen.
Boekenonderzoek Belastingdienst
Help, de Belastingdienst komt op bezoek!
Steeds meer ondernemers krijgen de Belastingdienst op bezoek. Wij begeleiden wekelijks accountants en ondernemers bij dergelijke onderzoeken. Een boekenonderzoek is voor veel ondernemers (en accountants) geen dagelijkse praktijk, voor ons wel!
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Wat wel en niet te doen bij een boekenonderzoek
Do's bij boekenonderzoek
- Stel vast welk soort onderzoek het is ? Betreft het tevens een derdenonderzoek?
- Stel uw accountant of (beter) uw fiscaal jurist direct op te hoogte.
- Zorg ervoor dat u goed beoordeelt of u de informatie wel moet verstrekken, u hoeft namelijk niet alle informatie te verstrekken.
- Zorg ervoor dat slechts één persoon als contactpersoon gaat optreden.
- Leg alles schriftelijk vast.
Dont's tijdens boekenonderzoek
- Voer de gesprekken niet alleen, laat uw adviseur aanschuiven, feitelijk vanaf het begin.
- Geef geen originele bescheiden mee en maak afschriften van de informatie welke de Belastingdienst wil meenemen.
- Beantwoord de vragen zeker niet te uitgebreid, maar blijf kort en bondig.
Hulp nodig bij boekenonderzoek?
Een boekenonderzoek blijft voor de ondernemer een lastige kwestie. Wij begeleiden vrijwel dagelijks ondernemers bij boekenonderzoeken. Dit levert altijd een voordeel op en zorgt voor een vlotte doorlooptijd en correcte afhandeling. Boetes en torenhoge naheffingen / navorderingen kunnen veelal worden voorkomen.
Jongbloed Fiscaal Juristen helpt u verder
- Gratis oriënterend gesprek om de mogelijkheden te bekijken (neem contact op).
- Direct aan tafel met een ervaren fiscaal jurist.
- Wij begeleiden het traject van begin tot eind.
- Beperkte kosten en vooraf duidelijke offerte.
Hulp bij boekenonderzoek belastingdienst
Als u een boekenonderzoek van de Belastingdienst verwacht, is het belangrijk om goed voorbereid te zijn en advies in te winnen over hoe u hier het beste mee om kunt gaan. Hier zijn enkele tips die u kunnen helpen bij het begeleiden van een boekenonderzoek:
- Wees goed voorbereid: Zorg ervoor dat u alle benodigde documentatie bij de hand heeft voordat het onderzoek begint. Dit kan onder meer uw boekhouding, facturen, bonnen en bankafschriften omvatten.
- Stel een contactpersoon aan: Wijs een contactpersoon binnen uw organisatie aan die verantwoordelijk is voor het begeleiden van het boekenonderzoek. Deze persoon kan als aanspreekpunt fungeren voor de Belastingdienst en ervoor zorgen dat alle benodigde informatie op een efficiënte en effectieve manier wordt verstrekt.
- Wees transparant: Wees zo open en eerlijk mogelijk tegenover de Belastingdienst. Het verbergen of achterhouden van informatie kan leiden tot verdere problemen en boetes.
- Houd deadlines in de gaten: Zorg ervoor dat u alle deadlines in de gaten houdt en dat u alle benodigde informatie op tijd verstrekt. Hierdoor kunt u vertragingen en extra kosten voorkomen.
- Overweeg het inschakelen van een deskundige: Als u zich zorgen maakt over het boekenonderzoek van de belastingdienst of als u zich niet volledig zeker voelt over de informatie die u verstrekt, kunt u overwegen om een deskundige in te schakelen. Een belastingadviseur kan u helpen bij het voorbereiden van het onderzoek en u adviseren over hoe u het beste kunt omgaan met eventuele problemen die zich voordoen. Wi jadviseren wekelijks accountants en belastingplichtigen bij boekenonderzoeken, vraag gerust een vrijblijvende offerte of kom eens langs voor een bakje koffie.
Door deze tips te volgen, kunt u het boekenonderzoek van de Belastingdienst succesvol begeleiden en ervoor zorgen dat u zich geen zorgen hoeft te maken over onverwachte problemen of boetes.
FIOD Inval
Help de FIOD doet een inval of onderzoek!
Steeds meer ondernemers krijgen de FIOD op bezoek. Wij begeleiden wekelijks ondernemers (maar ook accountants en belastingadviseurs) bij dergelijke onderzoeken. Een FIOD inval is voor veel ondernemers (en accountants) geen dagelijkse praktijk, voor ons wel ! Wij begeleiden u vanuit fiscaal en juridisch perspectief. Direct wordt er voor u een ervaren advocaat en fiscaal jurist ingeschakeld. Indien nodig wordt dit team uitgebreid met een persvoorlichter en/of advocaat ondernemingsrecht om uw bezittingen veilig te stellen.
Jaarverslag FIOD 2024
In het jaarverslag van de FIOD over 2024 (publicatie 21 mei 2025) wordt nader ingegaan op de voortdurende internationalisering en digitalisering van de maatschappij. Digitale criminele geldstromen en internationale samenwerking spelen een steeds grotere rol in financiële en fiscale criminaliteit en daarmee in de opsporing van de FIOD. Cybercrime en het gebruik van crypto komt steeds vaker voor en kennis hieromtrent binnen het Financial Adveanced Cyber Team (FACT) wordt opgeschaald.
Hulp nodig bij FIOD inval?
Wij begeleiden vrijwel maandelijks ondernemers bij FIOD invallen. De combinatie tussen strafrecht en fiscaalrecht vereist een breder inzicht dan een gemiddelde advocaat kan geven. Het in teamverband werken zorgt voor een vlotte afhandeling en veelal is er sneller duidelijkheid omtrent uw situatie, voorarrest of het onderzoek bij het openbaar ministerie
Jongbloed Fiscaaljuristen helpt u verder
- Gratis oriënterend gesprek om de mogelijkheden te bekijken (neem contact op).
- Direct aan tafel met ervaren fiscaal jurist en advocaat
- Wij begeleiden het traject van begin tot eind
- Vooraf duidelijke offerte
Bodembeslag Belastingdienst en reële eigendom
Bodembeslag Belastingdienst
De Belastingdienst heeft veel rechten en zelfs een voorrecht op alle goederen van de belastingplichtige (artikel 21 Invorderingswet). De Belastingdienst kan zich hierbij ook verhalen op zaken die niet van de belastingplichtige zijn maar van iemand anders (een derde), dit is het zogenaamde bodemrecht. Tot 2013 kon men via een bodemverhuurconstructie het bodemrecht van de Belastingdienst eenvoudig omzeilen, dit is nu anders. Derden kunnen zich lastig verzetten tegen de beslaglegging op roerende zaken voor de inrichting van een onroerende zaak. De Belastingdienst (ontvanger) heeft een pandrecht dat voorgaat op andere pandrechten.
Wat zijn bodemzaken?
Bodemzaken zijn roerende zaken die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden en die ook dienstbaar zijn aan die bodem. Hierbij kunt u denken aan computers, bureau's en overige inventaris. Onder bodemzaken vallen niet de voorraad en de bedrijfsauto's. Het kan zijn dat er bodembeslag wordt gelegd op roerende zaken van derden (niet de belastingplichtige).
Mededeling doen aan de Belastingdienst
Als een pandhouder zijn pandrecht gaat uitoefenen moet hij dit melden aan de Belastingdienst. Sinds 2018 geldt dit ook voor de belastingplichtige zelf (dus voor pandhouder en pandgever). Een voorbeeld kan dit verduidelijken:
De zaak speelde bij de Rechtbank Zeeland - West Brabant. Holding B.V. verstrekt een lening van € 500.000 aan de werk B.V. Er wordt als zekerheid voor de lening een pandrecht gevestigd op alle activa van de werk B.V. De werk B.V. gaat failliet en Holding B.V. oefent het pandrecht uit. De Belastingdienst is het hier niet mee eens en stapt met succes naar de rechter.
Reële eigendom derde en beslag
De Belastingdienst (ontvanger) mag zaken niet in beslag nemen als er sprake is van reële eigendom van een derde. Dit geldt bijvoorbeeld bij een verhuur- / huursituaties of operationele lease, op dergelijke situaties wordt bodembeslag niet toegepast.
Bij andere situaties (geen economische eigendom bij derde), zoals eigendomsvoorbehoud, financial lease of (bezitloos) pandrecht, treft het bodembeslag meestal wel de zaken van de derde.
Ook bij een afnameverplichting bij de leverancier, in combinatie met roerende zaken van een derde, blijft het recht van de Belastingdienst bestaan. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een tapinstallatie (met afnameverplichting bij een brouwerij). Ook bij vermengeling van bedrijven wordt de eigendom van een derde niet gerespecteerd, hierbij kunt u denken aan een situatie waarbij een franchisegever inventaris ter beschikking stelt aan bedrijf en dit bedrijf failliet gaat met achterlaten van BTW- of loonbelastingschulden. Soms is de rechter echter scherp en wijst ze de Belastingdienst terecht, zie hiertoe een uitspraak van de Rechtbank Zutphen d.d. 16 februari 2011.
Bij reële eigendom van een derde moet de Belastingdienst dit eigendom respecteren. Deze goederen mogen dus niet worden verkocht en / of uitgewonnen. Reële eigendom wil zeggen dat de verkoper / verhuurder juridisch eigenaar is en blijft, maar ook dat het economisch risico bij de verkoper/ verhuurder blijft liggen. Waardeveranderingen komen dus voor zijn rekening en niet voor rekening van de belastingschuldige. Bij verhuur of operational lease gaat het meestal goed voor de derde, dit mag zelfs nog worden aangevuld met een koopoptie voor de huurder.
Anders gezegd: eventuele waardedalingen of -stijgingen komen voor risico van de verkoper. Er is geen sprake van reële eigendom ingeval van verkoop onder eigendomsvoorbehoud of financial lease. Reële eigendom kan wel worden bereikt door bijvoorbeeld huur of operational lease overeen te komen. Eventueel met een koopoptie of verlengingsmogelijkheden.
Voor een nadere toelichting omtrent de voorwaarden kunt u kijken in het besluit leaseregelingen. Hierin staat keurig opgenomen wanneer het wel en niet goed gaat voor de derde.
Een bijkomend probleem is dat de derde soms niet weet dat er bodembeslag bij zijn relatie of klant is of wordt gelegd. Als de Belastingdienst bekend is met het feit dat een derde eigenaar is, dan zal de Belastingdienst zich bij de derde melden, dit moet binnen 8 dagen na het beslag. Dreigt er een bodembeslagsituatie, dan is het aan te raden de zaken via een afvoerconstructie van de bodem te halen.
Als er beslag wordt gelegd op zaken van derden, dan moet die derde binnen 7 dagen na de beslaglegging een beroepschrift indienen bij de Belastingdienst. De verkoopwerkzaamheden van de Belastingdienst moeten dan worden gestaakt in afwachting op de beslissing op het beroepschrift.
Conclusie beslag en eigendom
Zorg ervoor dat u vlot en tijdig reageert op handelingen van de Belastingdienst. Als u vragen of opmerkingen heeft, kunt u altijd een gesprek aangaan met één van onze fiscaal juristen.
Beslag Belastingdienst op eigendommen
De Belastingdienst kan beslag leggen op uw eigendommen als u uw belastingschulden niet tijdig heeft betaald en er een dwangbevel hierover aan u is gestuurd. Dit kan gaan om privé eigendommen of eigendommen van uw bedrijf of onderneming. Wordt er niet tijdig betaald, dan kan de belastingdeurwaarder de zaken verkopen die hij in beslag heeft genomen. Met de opbrengst worden uw aanslagen verminderd.
Wat kunt u doen tegen een beslag op goederen?
Het belangrijkste is om in gesprek te blijven met de Belastingdienst. De meest praktische oplossingen zijn een betalingsregeling / verzoek tot uitstel van betaling en / of verzoek om kwijtschelding van belastingschulden. Lukt deze route niet, dan kunt u via de rechter proberen het beslag eraf te krijgen en / of een procedure tegen de beslaglegging op te starten (verzetsprocedure).
Verzoek uitstel van betaling of kwijtschelding
Met het formulier betalingsregeling voor particulieren kunt u een betalingsregeling aanvragen. Een kwijtscheldingsformulier staat ook op de site van de Belastingdienst, dit kunt u hier downloaden. Het formulier moet u sturen aan:
- Belastingdienst / landelijke incasso / Postbus 100 in 6400 AC Heerlen.
Vragen beslag Belastingdienst
Als u als ondernemer problemen heeft met de Belastingdienst, belt u dan gerust eens met één van onze fiscaal juristen. We kunnen niet alle situaties oplossen maar veelal wel met u de mogelijkheden bekijken en zoeken welke route eventueel succesvol is.
Beslag Belastingdienst op loon of uitkering
De Belastingdienst kan vrij eenvoudig beslag leggen op uw salaris bij uw werkgever of uw uitkering bij een uitkeringsinstantie of verzekeraar. Er kan ook beslag worden gelegd op partneralimentatie. Het beslag wordt gelegd om uw belastingaanslag / schuld, kosten en rente af te lossen. Een deel van uw salaris, alimentatie, pensioen of uitkering wordt hiervoor dan gebruikt. De Belastingdienst heeft voor de beslaglegging geen vonnis van de rechter nodig, ze mogen dit dus zelf beslissen.
Beslagvrije voet bij beslag Belastingdienst
De Belastingdienst mag niet op het gehele salaris of de uitkering beslag leggen. Het deel waarop geen beslag mag worden gelegd noemt men de beslagvrije voet. De hoogte van de beslagvrije voet moet per persoon worden berekend en dit is afhankelijk van:
- uw salaris / uitkering / alimentatie / lijfrente / pensioen;
- uw woonkosten / woonlasten;
- de premie voor uw zorgverzekering;
- het inkomen van uw partner of echtgenoot;
- de bijstandsnorm op dat moment.
Voorbeelden beslagvrije voet
De exacte bedragen verschillen per jaar, in het kort komt het ongeveer hierop neer:
- u heeft een partner en bent beide ouder dan 21 jaar: € 1.200;
- u heeft een partner en bent beide ouder dan 65 jaar: € 1.270;
- u heeft een partner en bent beide jonger dan 21 jaar: € 660;
- u bent een alleenstaande ouder, dan geldt er een minimum van € 840 en een maximum van € 1.080.
Wat kunt u doen om een beslaglegging te voorkomen?
De beslaglegging kan de Belastingdienst snel en eenvoudig regelen. U kunt een aantal dingen doen om een beslaglegging te voorkomen. De belangrijkste zijn:
- Blijf communiceren met de Belastingdienst.
- Maak bezwaar tegen de aanslag en vraag uitstel van betaling.
- Doe een beroep op een speciale crisismaatregel met het verzoek om een redelijke betalingsregeling gedurende een periode van 12 maanden.
- Bekijk of u nog tegoeden heeft bij de Belastingdienst, bijvoorbeeld een teruggave inkomstenbelasting of een teruggave van toeslagen.
- Verzoek de Belastingdienst om een mediationtraject om uw problemen op te lossen, u moet dan wel een complexer probleem hebben waarbij verschillende inzichten spelen en daarnaast ook fouten door de Belastingdienst zijn gemaakt.
- U krijgt eerst een aanslag (of naheffingsaanslag), een herinnering en daarna aanmaning. Vervolgens volgt er een dwangbevel. Na het dwangbevel komt de belastingdeurwaarder bij u langs met een hernieuwd bevel tot betaling. Dit moet hij aan iemand afgeven en als er niemand thuis is, mag hij het ook in de brievenbus gooien. U heeft dan nog 2 dagen om te betalen. Als er dan nog niet wordt betaald, mag de Belastingdienst beslag leggen op uw salaris, uitkering of uw bezittingen (verkoop veelal binnen 4 weken). Kijk goed of de Belastingdienst zich aan deze spelregels heeft gehouden, zo niet, maak dan direct bezwaar, ga in beroep of neem contact op met de Belastingdienst. U kunt op dit moment soms nog een betalingsregeling afspreken.
- In sommige gevallen heeft u recht op kwijtschelding van belastingen, dit is een speciale regeling.
Computercrash en boekenonderzoek Belastingdienst
De computer van een ondernemer crasht en de administratie is niet meer te benaderen. Hierdoor kan de ondernemer veel vragen van de Belastingdienst niet meer beantwoorden. Er is geen backup gemaakt en de harde schijf is niet meer te benaderen. En nu? Is dit overmacht of heeft de ondernemer een groot probleem?
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Bewaarplicht boekhouding bij FIOD inval en computercrash
In een procedure in 2021 ging het ook mis voor de ondernemer. De ondernemer had betalingen ontvangen op zijn prive rekening en dit was de aanleiding voor een bezoek van de FIOD. De ondernemer ontvangt een navorderingsaanslag en claimt in zijn bewaarschrift ruim € 200.000 aan kosten. De bewijslast hiervoor ligt natuurlijk bij de ondernemer. De boekhouding is niet volledig door een computercrash en de backup werkt niet meer. Ook de papierenboekhouding is niet meer beschikbaar, deze is namelijk weggegooid door de curator en de FIOD heeft een deel in beslag genomen. De rechter is er snel klaar mee, dat is dan pech, wie stelt moet bewijzen en de ondernemer heeft een bewaarplicht waarin hij heeft verzaakt.
Procedure over fiscale problemen bij computercrash
Er wordt een boekenonderzoek ingesteld bij een ondernemer. De aangiften BTW en loonheffingen worden onderzocht. Er wordt een kopie van de digitale administratie gevraagd. Deze administratie is niet meer voorhanden omdat de computer kapot is gegaan. De computer was niet meer te herstellen en is weggegooid. De ondernemer beroept zich op overmacht. Op de harde schijf stond de digitale administratie en vele primaire vastleggingen. De inspecteur krijgt de informatie niet en stuurt de ondernemer een zogenaamde informatiebeschikking. De informatie wordt uiteindelijk niet verstrekt en op grond van schattingen worden naheffingsaanslagen en vergrijpboetes opgelegd. De ondernemer stelt dat hij heeft voldaan aan zijn informatieplicht omdat hij alle informatie die beschikbaar was heeft verstrekt.
De rechter is er vlot klaar mee. De ondernemer moet zorgen voor zijn administratie en tijdig een backup maken. Doet hij dit niet, dan is dit voor risico van de ondernemer. De gebreken in de administratie waren teveel en ernstig, aldus de rechter. De omkering van de bewijslast is terecht en de informatiebeschikking bleef dus in stand.
Noot fiscaal jurist over computercrash
Een escortbureau heeft de administratie bijgehouden op een mooie PC. Naast dit escortbureau worden er ook webcamdiensten verleend, stripteaseshows gegeven en is er een limo-service. Er wordt een strafrechtelijk onderzoek opgestart naar verboden vrouwenhandel. Uit afgeluisterde telefoongesprekken volgt dat er informatie niet in de administratie wordt opgenomen. Alle signalen staan op rood en de Belastingdienst start een onderzoek. De ondernemer komt met de melding: "Wat ik heb kunt u krijgen en de PC is stuk, sorry." De administratieplicht van de ondernemer is niet weg als de PC kapot gaat, daarnaast staat de ondernemer er gekleurd op. Een pleister op de wonden: de boete wordt verminderd (termijnoverschrijding) en er wordt een immateriële schadevergoeding verstrekt van € 2.500. Dit lijkt ook het maximaal haalbare voor deze ondernemer. In andere gevallen waarbij de PC kapot is kan de primaire papierenadministratie met het bankboek een ondernemer best helpen. Niet al uw informatie is namelijk fiscaal relevant en / of behoort tot de administratie van de ondernemer.
Bron computercrash en boekenonderzoek
Rechtbank Noord Nederland d.d. 15 september 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:7654).
Rechtbank Den Haag d.d. 4 maart 20021 ECLI:NL:RBDHA:2021:2407
De rechter oordeelde dat het in de risicosfeer van de ondernemer lag dat hij geen back-up had gemaakt van de gegevens op de harde schijf van de computer. Verder vond de rechter de ernst van de gebreken in de administratie zo ernstig dat zij een omkering van de bewijslast rechtvaardigden. De informatiebeschikking bleef daarom in stand.
Bestuurdersaansprakelijkheid en faillissement
Een B.V. kan haar belastingschulden niet betalen. De B.V. maakt (rechtsgeldig) melding van deze onmacht om te kunnen betalen (de melding betalingsonmacht). Uiteindelijk gaat de B.V. failliet. Is er sprake van onbehoorlijk bestuur of niet? Volgens het Gerechtshof is er sprake van onbehoorlijk bestuur - ondanks de melding - omdat concurrent schuldeisers wel worden betaald en de Belastingdienst niet.
Bestuurdersaansprakelijkheid en meldingsplicht, mag maar moet niet!
Op 2 mei 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:435) kwam AG Koopman met een bijzondere conclusies over de bestuurdersaaansprakelijkheid en meldingsregeling betalingsonmacht. In de tussenbeslissing van de Hoge Raad op 6 oktober 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1371) kwam ons hoogste college nog tot de conclusie dat de ontvangen geen ruimte heeft om af te zien van een bestuurdersaansprakelijkheid. Koopman (de AG) komt nu met een geitenspoor. De ontvanger beschikt over een (discretionare) bevoegheid en kan afzien van het aasprakelijk stellen van de bestuurder. Aansprakelijk stellen is dus een keuze. In de genoemde procedure bij de Hoge Raad worden prjejudiciele vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de EU. De centrale vraag was of de meldingsregeling wel is toegestaan (strijdigheid met evenredigheidsbeginsel). Deze vragen zijn op 14 november 2024 beantwoord, er is geen sprake van een strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel.
De Hoge Raad is van mening dat artikel 36 Invorderingswet geen discretionare bevoegdheid kent en dwingend is. De ontvanger mag verder geen belang tegen elkaar afwegen, aldus de Hoge Raad. Deze conclusie is volgens Koopman niet juist. In deze uitgebreide toelichting gaat Koopman in op de materiele kant (artikel 36 IW) en de formele uitvoering (artikel 49 IW). Dat een bestuurder aansprakelijk is kan wel vaststaan maar dat wil nog niet zeggen dat hij of zij ook aansprakelijk gesteld moet worden. Bij een kwestie waarbij geen sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur is er dus nog een alternatieve route. Een kleine vergissing (niet melden) hoeft dus niet per definitie desastreuze gevolgen voor de bestuurder te hebben, aldus Koopman.
De procedure over betalingsonmacht en bestuurdersaansprakelijkheid
Holding X B.V. is aandeelhouder van 2 dochter B.V.'s. De activiteiten hebben betrekking op het verzorgen van opleidingen. De dochter B.V.'s gaan in 2011 failliet en maken een doorstart. Deze doorstart is van korte duur. In 2012 kan de dochter B.V. haar belastingschulden niet betalen en doet hierom een rechtsgeldige melding betalingsonmacht. In 2013 gaat de dochter B.V. alsnog failliet. De Belastingdienst krijgt ongeveer € 180.000 aan loonheffingen en BTW niet betaald. Het Gerechtshof is van mening dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur, de reden is:
- RO 4.3: handelscrediteuren zijn wel betaald.
Betalingsonmacht belastingschulden bij faillissement
De belastingdienst heeft een sterke positie bij een faillissement en kan vrij eenvoudig de bestuurder aansprakelijk stellen via artikel 36 invorderingswet, de bestuurdersaansprakelijkheid. Op basis van dit artikel is de bestuurder hoofdelijk (in privé) aansprakelijk voor (onder meer) de omzetbelasting en loonbelastingschulden van de rechtspersoon. Als er niet tijdig betalingsonmacht is gemeld bestaat er (op grond van artikel 36 lid 4 invorderingswet). Dus als er niet tijdig en op de juiste wijze is gemeld is de bestuurder in principe in privé aansprakelijk voro diverse belastingschulden van de rechtspersoon, dit is slechts anders als de bestuurder aannemelijk maakt dat het niet of niet juist melden niet aan hem of haar te wijten is. Dit is in de praktijk een redelijk onmogelijke opgave. Dit heeft tot gevolg dat de boef en de bonafide bestuurder beide in prive kunnen worden aangesproken voor (diverse) belastingschulden van de rechtpersoon. Maar er is hoop voor de bonafide bestuurder !
Bonafide bestuurder en bestuurdersaansprakelijkheid
In de basis is de bestuurder niet aansprakelijk voor schulden van de BV (rechtspersoon). Voor de belastingschulden staat er een belangrijke uitzondering in artikel 36 invorderingswet. Al met al, niet melden of niet juist melden en de bestuurder is aansprakelijk in privé. In 2009 heeft de adviseur van de Hoge Raad dat dit (het niet tijdig melden) tot oneerlijke (onevenredige) situaties zou kunnen leiden bij bonafide bestuurders. De Hoge Raad ging hier in 2011 nog aan voorbij (de wet is de wet). De melding betalingsonmacht dient te worden gedaan binnen 2 weken nadat de verschuldigde belasting behoorde te zijn afgedragen of te zijn voldaan. Bij een naheffingsaanslag kan er geen tijdige melding betalingsonmacht meer plaatsvinden. Dit onweerlegbare bewijsvermoeden is in de volksmond oneerlijk, in het recht is sprake van strijdigheid met het communautaire evenredigheidsbeginsel. In het arrest van de Hoge Raad op 6 oktober 2023 komt de Hoge Raad terug op haar eigen arrest uit 2011. In sommige gevallen (bijvoorbeeld een naheffingsaanslag) is het onmogelijk dat de bestuurder het vereiste bewijs zal kunnen leveren dat het niet aan hem of haar te wijten is dat geen of niet op de juiste wijze een melding betalingsonmacht is gedaan. De bestuurderaansprakelijkheid in prive is dan dus niet te voorkomen, zelfs als sprake is van een eerlijke / bonafide bestuurder. Er worden nu door de Hoge Raad (prejudiciële) vragen gesteld of het (unierechtelijke) evenredigheidsbeginsel zich hiertegen verzet. Deze zaak richt zich op de omzetbelasting, de toekomstige vervolg vraag zal zijn of de loonheffing hiermee in lijn mag worden gezet.
Noot fiscaal jurist over onbehoorlijk bestuur
Bij ondernemen hoort risico nemen. Een bestuurder heeft dus een grote mate van vrijheid om dit in te vullen. Als achteraf blijkt dat een beslissing niet juist bleek te zijn, wil dit nog niet zeggen dat de beslissing slecht was. Artikel 36 van de invorderingswet bepaalt dat bestuurders persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de door de B.V. / rechtspersoon te betalen belastingen. Meestal kan de bestuurder deze aansprakelijkheid voorkomen door tijdig de betalingsonmacht te melden.
Soms is een bestuurder - zelfs bij een tijdige melding - aansprakelijk voor de niet betaalde belastingen van zijn B.V. Bij een probleemsituatie is het in ieder geval van belang om tijdig een advocaat en fiscaal jurist op te lijnen. Tevens moet er tijdig melding worden gemaakt van het feit dat belastingen niet tijdig kunnen worden betaald. Daarnaast spelen een aantal zaken:
- Zorg voor tijdige publicatie van uw cijfers.
- Informeer de bancaire instellingen op een nette en correcte wijze.
- Blijf met de Belastingdienst in gesprek.
- Betaal niet selectief uw schuldeisers.
- Zorg ervoor dat uw administratie op orde is.
Om onbehoorlijk bestuur te voorkomen is het volgende van belang:
- Van onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 36, lid 3, van de Wet kan pas worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder - onder dezelfde omstandigheden - gehandeld zou hebben als de aansprakelijk gestelde bestuurder heeft gedaan, hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als hij handelingen (van structurele aard) heeft verricht waardoor belastingschulden niet worden betaald, dit aldus de Hoge Raad in onderstaande uitspraak
- Naar het oordeel van het Hof treft belanghebbende het verwijt dat de belastingschulden van [A] onbetaald zijn gebleven. Gelet op genoemde structurele, slechte financiële omstandigheden en het (oplopende) bedrag aan belastingschulden van [A] had geen redelijk denkend bestuurder zo gehandeld als belanghebbende heeft gedaan.
Bron bestuurder aansprakelijk
Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 2 juni 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:2498).
Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 27 januari 2016 (ECLI:NL:RBZWB:2016:658).
Vergrijpboete notaris als medepleger
Een (voormalig) notaris - die in zwaar weer zat - krijgt een vergrijpboete (€ 72.000) opgelegd als medepleger omdat hij opzettelijk (ten onrechte) overdrachtsbelasting voor een klant heeft teruggevraagd bij de teruglevering van een bedrijfspand. Door schijnconstructies is onrechtmatig overdrachtsbelasting teruggevraagd, aldus de Belastingdienst (en Rechtbank).
Procedure notaris inzake overdrachtsbelasting
De eerste vraag die aan de orde wordt gesteld bij de Rechtbank is: is de notaris een medepleger? Er staat vast dat de notaris de teruggave heeft aangevraagd en dat de Inspecteur deze in 2010 heeft uitbetaald. In artikel 5:1 AWB (Algemene Wet Bestuursrecht) staat in lid 1 wat een overtreding is, in lid 2 staat vervolgens dat voor deze overtreding zowel de pleger als de medepleger als overtreder wordt gezien. De Inspecteur toont aan dat er tussen de notaris en de directie van de B.V. veel contact is geweest over het opzetten van een schijnconstructie om zo de heffing van twee keer overdrachtsbelasting te voorkomen. Hiermee is de inspecteur geslaagd in zijn bewijs.
De hoogte van de boete (100%) is passend en geboden, aldus de Belastingdienst. Er is immers sprake van samenspanning en een notaris welke kan worden verweten dat hij als notaris heeft meegewerkt aan het ten onrechte (bewust) terugvragen van overdrachtsbelasting. De notaris heeft zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid niet genomen. Juist van een notaris mag worden verwacht dat hij een netjes functionerend rechtsverkeer gaat waarborgen, aldus de Rechtbank. De boete wordt verminderd tot zo'n € 30.000, de reden hiervoor is:
- Notaris heeft de teruggave niet zelf ontvangen;
- De redelijke termijn is overschreden (ruim 18 maanden).
Streep door vergrijpboete ex bestuurder voetbalclub
Als bestuurder een vergrijpboete aan je broek krijgen? Dan staat niet alleen je portemonnee onder druk, maar ook je reputatie. De fiscus legt ze soms voortvarend op, maar gelukkig kijkt de rechter kritischer. In een procedure bij de Rechtbank Gelderland d.d. 5 juni 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:4322) oordeelde de rechter dat een ex-bestuurder van een voetbalclub ten onrechte als feitelijk leidinggever werd aangemerkt. Hoewel hij ooit betrokken was bij een spelerstransfer, was zijn rol bij de latere afwikkeling onvoldoende concreet. De rechtbank herhaalt: bestuurder zijn is niet hetzelfde als leiding geven aan een strafbaar feit. En voor een boete moet de Belastingdienst het bewijs keihard rond hebben. Omdat die bewijslast zwaarder is dan bij de belastingheffing zelf, sneuvelde de boete. De uitspraak is een reminder: wie als adviseur scherp blijft op bewijs en betrokkenheid, kan veel ellende besparen.
Voor een helder overzicht van de stappen die de belastingdienst moet doorlopen verwijzen wij u naar een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 26 april 2016 ECLI:NL:HR:2016:733.
Geduld is vereist, maar rechtvaardigheid duurt soms gewoon even. Belangrijk is dat de belastingdienst met overtuigend aangetoond bewijs komt met concrete gedragingen door de feitelijk leidinggevende.
Hierbij spelen voor een vergriipboete een aantal zaken:
- Feitelijk leiding geven: dit moet concreet worden onderbouwd (zie Hoge Raad d.d. 16 december 1986 ECLI:NL:HR:1986:AC9607) , dit speelde bij de Slavenburg bank, de zogenoemde slavenburg jurisprudentie.
- Is de verboden gedraging door de BV (of rechtspersoon) verricht, zie Drijfmest arrest van de Hoge Raad d.d. 21 oktober 2003 ECLI:NL:HR:2003:AF7938
- Wordt het geheel (opzet of grove schuld) voldoende overtuigend aangetoond (zie Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Al met al moet het volgende worden beoordeeld:
- Kan de (strafbare) gedraging worden toegerekend aan belastingplichtige ( de rechtspersoon)
- Is er hierbij sprake van opzet bij deze strafbare gedraging
- Heeft de persoon (bestuurder) zich gedragen als actief (of passief) feitelijk leidinggevende van dit (strafbare) feit
- Is dit gedrag opzettelijk uitgevoerd door de feitelijk bestuurder/ leidinggevende.
- Heeft de belastingdienst voldoende overtuigend aangetoond dat sprake
is van opzet of grove schuld (zie
Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Vergrijpboete ter discussie stellen
De vergrijpboete wordt soms iets te vlot door een inspecteur opgelegd. Deze kan om verschillende redenen worden verminderd of tot nihil worden bijgesteld (door de rechter). De belangrijkste oorzaken uit de rechtspraak zijn:
- Procedure loopt te lang (overschrijding van de redelijke termijn), zie Hoge Raad d.d. 6 september 2024 ECLI:NL:HR:2024:1132 of Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 23 juli 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:4871
- Vergrijpboete voor hetzelfde feit bij verschillende belastingtypen
- Vergrijpboete wordt niet overtuigend via feitelijk bewijs aannemelijk gemaakt, derhalve geen (of beperkt) sprake van opzet of grove schuld (uitgebreide toelichting in mening AG op 4 april 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:410)
- Ontbreken van voldoende bewijs voor opzet of grove schuld, Gerechtshof Amsterdam d.d. 15 november 2022 ECLI:NL:GHAMS:2022:3728
- De grondslagen en/of omstandigheden zijn anders of niet juist voorgesteld, zie Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 14 mei 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:3357
- De boete moet wel in balans zijn, de noodzaak van een juiste kwalificatie van het vergrijp en de evenredigheid van de opgelegde boete, zie hiertoe mening AG op 5 juli 2024 ECLI:NL:PHR:2024:736
- Beboeting wordt niet tijdig medegedeeld, schending verdedigingsbeginsel (kennisgeving boete (met motivering) is later gedagtekend dan de boetebeschikking. Zie hiertoe bijvoorbeeld Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 7 mei 2025 ECLI:NL:RBZWB:2025:2724.
Hoge Raad inzake vergrijpboete
In 2022 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over de term "bewust". Een autohandelaar heeft een naheffingsaanslag BTW met een vergrijpboete ontvangen. De reden is dat de handelaar door de gebrekkige administratie had moeten inzien dat hij geen recht had op de levering van auto's tegen het nultarief. Hij had moeten weten dat hij niet aannemelijk zou kunnen maken dat de auto's naar een andere EU lidstaat zijn vervoerd. Ook had de handelaar zijn adviseur niet zomaar mogen vertrouwen. De Hoge Raad denkt hier anders over. Voorwaardelijke opzet is niet aan de orde. Aan de handelaar kan niet de voor opzet vereiste "bewustheid" met betrekking tot de onjuiste aangifte worden verweten, aldus ons hoogste rechtscollege. Verder kunnen de omstandigheden dat belanghebbende geen openheid van zaken heeft gegeven en dat hij het laakbare van zijn gedragingen niet heeft ingezien, niet bijdragen aan het oordeel dat hij bewust fouten heeft gemaakt. De Hoge Raad vernietigd de vergrijpboete en verwijst de zaak naar een ander Gerechtshof.
Bestuurder geen pleger bij niet doen van een aangifte vennootschapsbelasting
Bij het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 24 februari 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:1967 kwam een procedure voorbij waarbij een bestuurder over meerdere jaren geen aangiften vennootschapsbelasting van de BV had ingediend. Het Hof oordeelde dat de bestuurder (verdachte) als pleger kan worden aangemerkt (artikel 69 lid 1 AWR), dit in kader van "het opzettelijk niet doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte". Deze procedure komt uiteindelijk bij de Hoge Raad op 24 maart 2026 ECLI:NL:HR:2026:424. Die denkt er anders over. De bestuurder is niet de persoon die de aangifteplicht droeg. De aangifteplicht berust immers bij de rechtspersoon aan wie het aangiftebiljet is gericht. Dit is de BV zelf en niet de natuurlijke persoon die als bestuurder optreedt of feitelijk de correspondentie ontvangt en de aangifte verzorgt. Verantwoordelijk zijn voor iets wil nog niet zeggen dat die persoon ook "pleger" is voor het niet doen van de aangifte. Dit wil nog niet zeggen dat de bestuurder lekker achteruit kan gaan zitten. Op grond van het strafrecht (artikel 47-51 WvS) is er voldoende ruimte om de bestuurder als medepleger of feitelijk leidinggevende aan te pakken. Hier speelde echter de toets van "pleger". De zaak wordt teruggewezen naar hetzelfde gerechtshof.
Noot fiscaal jurist over boete notaris
Sinds midden 2009 is het mogelijk dat een boete aan de belastingplichtige en aan de adviseur / medepleger wordt opgelegd (vierde tranche AWB). Een medepleger is niet de belastingplichtige en een boete kan aan hem / haar ook nadien (dus na de aanslag) worden opgelegd. Sinds 2014 is deze wetgeving iets aangepast. Sinds 2014 is de wet nog ruimer, een vergrijpboete kan ook worden opgelegd aan een medepleger, een uitlokker en iemand die het vergrijp heeft doen plegen. De Belastingdienst maakt de laatste jaren steeds vaker gebruik van deze mogelijkheid. Begin 2017 heeft de Belastingdienst aangekondigd om een openbare lijst te willen maken met adviseurs die hebben meegewerkt aan belastingontduiking. De adviseur achter de klant wordt dus steeds vaker bestraft en de scheiding tussen "scherp adviseren" en "belastingontduiking" wordt steeds dunner. Maatschappelijk is dit een goede ontwikkeling, mits de overheid maar voldoende kennis heeft om de verschillen uit elkaar te houden. In deze procedure was niet evident dat sprake was van bewust belastingontduiken, sterker nog, de casus is aan de Belastingdienst voorgelegd.
In een arrest van de Hoge Raad d.d. 15 september 2020 is gebleken dat een adviseur niet altijd als medepleger kan worden gezien als er opzettelijk onjuist of onvolledig aangifte is gedaan (artikel 69.2 AWR), dit in tegenstelling tot de uitspraak van het Gerechtshof. De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2020:121), inhoudende dat als aangifte ingediende gegevensdrager uitsluitend kan worden aangemerkt als ‘bij belastingwet voorziene aangifte’ indien die aangifte is gedaan door degene op wiens belasting- of betalingsplicht die aangifte betrekking heeft of door degene die uit hoofde van art. 42 tot en met 44 AWR als vertegenwoordiger van belasting- of betalingsplichtige kan optreden en dat art. 47 tot en met 51 Sr diverse mogelijkheden bieden om degene die anders dan als pleger betrokken is bij onjuist of onvolledig doen van bij belastingwet voorziene aangifte, onder specifieke voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor die betrokkenheid.
Waarmee kunnen wij u helpen?
De kans op een onjuiste aangifte is door de ingewikkeldheid / complexiteit van het belastingrecht snel aanwezig. Dat wil echter nog niet zeggen dat u als belastingplichtige zich er steeds van bewust moet zijn geweest dat uw aangifte onjuist of mogelijk onjuist is. Schakel daarom voor het doen van aangifte een deskundige in. Is eenmaal een boete opgelegd of wordt dat aangekondigd, neem dan direct contact met ons op. Wij beschikken over de deskundigheid om een boete eventueel te voorkomen dan wel te beoordelen of die volgens de regelen der kunst is opgelegd. Mail ons voor een vrijblijvend gesprek.
Bron notaris als medepleger
Rechtbank Gelderland d.d. 24 april 2017 (ECLI:NL:RBGEL:2017:2297).
Fiscaal due diligence onderzoek en boekenonderzoek
Met enige regelmaat ben ik betrokken bij het opstellen van een fiscaal due diligence onderzoek (DDO). Een dergelijk rapport wordt opgesteld om bij een overname de fiscale risico's goed in beeld te hebben. De Belastingdienst heeft een gezonde interesse in dergelijke rapporten omdat het een grondslag kan zijn voor navorderingen / naheffingen bij belastingplichtige. De Belastingdienst kan deze informatie ook halen uit de koopovereenkomst, maar het DDO is de beste bron. Wat moet u doen als de Belastingdienst hierom vraagt?
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Fiscaal DDO en geheimhouding Belastingdienst
U moet het rapport niet aan de Belastingdienst verstrekken, dit met een beroep op het (informele) verschoningsrecht van een fiscalist of accountant. Het is wellicht nog beter om het rapport in opdracht van een advocaat te laten opstellen zodat het wellicht valt onder het afgeleide verschoningsrecht van een advocaat. Een andere tip die ook werkt is om 2 rapporten op te stellen:
- Rapport 1: de feiten en korte conclusies;
- Rapport 2: met alle toelichtingen / bevindingen en een volledige weergave.
In voorkomende gevallen kunt u dan rapport 1 aan de Belastingdienst verstrekken. In eerste instantie is het dan het beste om de Belastingdienst te vragen een informatiebeschikking te verstrekken. Hiermee kunt u het verzoek om het fiscale DDO te verstrekken voorleggen aan de rechter.
Fiscale risico's in koopovereenkomst
De fiscale risico's kunt u het beste opnemen in algemene garanties of een bijlage. Als alle fiscale risico's namelijk in een koopovereenkomst staan omschreven, dan kan de Belastingdienst eenvoudig en gericht een onderzoek instellen.
Noot fiscaal jurist
Aan belastingadviseurs (en accountants) komt geen wettelijk verschoningsrecht toe. Ze kunnen zich wel beroepen op het informele verschoningsrecht, dus is dunner maar wel een goede insteek. De Belastingdienst mag geen adviezen van belastingadviseurs bij hun cliënten opvragen, vroeger stond dit in de invorderingswet (paragraaf 32.2 van de leidraad AWR). Dit artikel is ingetrokken toen ik nog studeerde (in 1993), dus erg lang geleden. Dit verschoningsrecht kan worden ingeroepen op grond van het fair play beginsel en / of het vertrouwensbeginsel. Of een DDO mag worden opgevraagd is aan de orde geweest in een cassatieprocedure bij de Hoge Raad op 23 september 2005 (BNB 2006/21). Volgens de Hoge Raad verzet het fair play beginsel zich er tegen dat een fiscaal DDO aan de Belastingdienst wordt verstrekt. Het document moet wellicht wel worden gesplitst tussen een deel waarbij er sprake is van het belichten van de fiscale positie en / of mogelijke advisering en overige onderdelen. De overige onderdelen kunnen dan eventueel wel worden verstrekt. Met een beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan een belastingadviseur derhalve het verstrekken van een dergelijk rapport weigeren. Vorenstaande moet ook gelden bij horizontaal toezicht maar hierbij wordt de lijn wel iets dunner. De Belastingdienst zou kunnen stellen dat de adviseur uitdrukkelijk afscheid neemt van het vertrouwensbeginsel door het tekenen van een convenant met de Belastingdienst.
Bron boekenonderzoek
Handboek controle belastingdienst
Fiscaal strafrecht
In het Nederlandse belastingrecht leidt gelukkig niet elke fiscale fout tot strafrechtelijke vervolging. De laatste tijd zien we echter wel steeds vaker dat belastingplichtigen en adviseurs via de strafrechtelijke route worden vervolgd. In dit onderdeel diverse artikelen over dit onderwerp.
Nieuws 2023 inzake protocol AAFD
Het Protocol AAFD staat voor Protocol Aanmelding en Afdoening van Fiscale Delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen. Omdat fiscale delicten vaak zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk kunnen worden afgehandeld, volgt uit artikel 5:44 lid 1 Awb en artikel 243 lid 2 Sv dat het één het ander uitsluit, tot zover de wet (una via beginsel en in verlengde hiervan het ne bis in idem beginsel, dus geen dubbele straf van dezelfde persoon voor hetzelfde feit). Er moet dus een keuze worden gemaakt: of fiscaal "aanpakken" of strafrechtelijk, dit volgt meestal uit het overleg tussen FIOD, OM en de belastingdienst. Voor dit overleg van de "weegploeg" is er sinds 1 juli 2023 een nieuw protocol. In de kern de wijzigingen:
- Nadeel tenminste € 100.000. Vanaf 1 juli 2023 geldt dit ook voor zaken waarin het nadeel onvoldoende bepaalbaar is. Er moet wel sprake zijn van een vermoeden van opzet.
- Er is binnen Europa een nieuwe entiteit, het Europees Openbaar Ministerie. Het EOM is een onafhankelijk orgaan van de Europese Unie en onderzoekt en vervolgt strafbare feiten die de financiële belangen van de EU kunnen schaden. Soms zullen zaken dus aan het EOM moeten worden voorgelegd, het AAFD is dan buiten beeld.
- AAFD is ook van toepassing op strafbare feiten uit de Wet op de internationale bijstandsverlening (WIB).
- Daarnaast wordt de evolutie van het boetesysteem nog benoemd (zoals de deelnemersboete (artikel 67 letter o AWR / artikel 5:1 AWB) en de mogelijkheid om namen van overtreders openbaar te maken (artikel 67 letter r AWR).
Samenloop strafrecht en belastingrecht
Het strafrecht en het belastingrecht lopen soms samen op. Als iemand in een strafzaak verdacht wordt van belastingfraude, dan moet u er rekening mee houden dat u gelijktijdig (of volgtijdig) te maken krijgt met strafrecht en belastingrecht. Lees hierover dit uitgebreide artikel.
De strafrechtelijke procedure in de praktijk
Indien er gekozen wordt voor strafrechtelijke vervolging, dan kunnen de gevolgen voor de betrokkene ernstig zijn. Alleen al het onderzoek dat wordt verricht wanneer iemand verdacht wordt van het plegen van een fiscaal strafbaar feit, wordt vaak als zeer belastend ervaren. Het komt veelvuldig voor dat tijdens dat onderzoek verdachten worden vastgezet om langdurig te worden verhoord, hun huis en werkplek overhoop worden gehaald op zoek naar bewijzen en allerlei mensen uit hun zakelijke en privéomgeving worden gehoord. Indien het tot een veroordeling komt, kunnen voorts serieuze straffen worden opgelegd. Ging het tot een aantal jaren geleden meestal om straffen als het opleggen van voorwaardelijke gevangenisstraffen, taakstraffen en boetes, tegenwoordig komt het steeds vaker voor dat de strafrechter overgaat tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, die men moet doorbrengen in een gevangenis. Bestraffing wegens het plegen van een fiscaal strafbaar feit kan daarnaast ook iemands toekomstperspectieven schaden (bijvoorbeeld omdat het dan lange tijd onmogelijk is om bepaalde functies uit te oefenen).
De opsporingsambtenaren van de FIOD-ECD, de dienst die bij fiscale delicten het opsporingsonderzoek verricht, zijn in de regel goed opgeleid en zeer bedreven in verhoortechnieken. In de praktijk komt het dikwijls voor dat verdachten bij FIOD-verhoren door bijvoorbeeld overrompeling, uitgeoefende druk of handige toepassing van psychologische inzichten verklaringen afleggen waarvan zij later spijt krijgen. Het is dan ook zeer verstandig om direct de hulp van een gespecialiseerde advocaat in te roepen zodra men wordt verdacht van het plegen van een fiscaal strafbaar feit. Hetzelfde geldt in het geval men vreest mogelijk in de toekomst als verdachte te zullen worden aangemerkt. Zo’n gespecialiseerde advocaat kan mensen behoeden voor het maken van onnodige misstappen en helpen de best mogelijke verdediging te voeren.
Boekenonderzoek Belastingdienst
Een boekenonderzoek door de belastingdienst kan voor ondernemers een vervelende verrassing zijn. Bij een boekenonderzoek controleert de belastingdienst de administratie van uw bedrijf en de door uw bedrijf ingediende aangiften. Als de belastingdienst fouten ontdekt tijdens het boekenonderzoek kan dit aanleiding zijn voor een naheffing en/of verzuimboete of vergrijpboete. Het is belangrijk om een boekenonderzoek goed voor te bereiden en uw te laten begeleiden door een deskundige fiscalist of belastingadviseur, dit kan veel problemen en naheffingen bij het boekenonderzoek voorkomen.
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Wat houdt een boekenonderzoek van de belastingdienst in ?
Een boekenonderzoek van de Belastingdienst is een controle van de door een ondernemer ingediende aangiften en de administratie. Het boekenonderzoek kan spontaan plaatsvinden maar de aanleiding kan ook een derden onderzoek zijn. Een boekenonderzoek gaat meestal over de 5 laatste jaren en begint vaak bij een specifiek belastingonderdeel (veelal BTW en loonheffingen). Een boekenonderzoek wordt altijd schriftelijk aangekondigd. U moet in het begin veel informatie aanleveren.
Hoe lang duurt een boekenonderzoek van de belastingdienst?
Een boekenonderzoek duurt meestal een aantal dagen en soms een week. Dit hangt natuurlijk af van de complexiteit en de omvang van uw bedrijf. Een gedegen voorbereiding is van essentieel belang.
Waarom wordt een boekenonderzoek ingesteld?
Een boekenonderzoek wordt meestal spontaan ingesteld. Soms zijn er ook binnen een branche of soort onderneming onderzoeken. Ook is het denkbaar dat er een andere aanleiding is voor het onderzoek (bijvoorbeeld een eerder onderzoek bij een derde). Via een boekenonderzoek kan de Belastingdienst vaststellen of een onderneming zich heeft gehouden aan de fiscale spelregels.
Hulp bij boekenonderzoek belastingdienst
Als u een boekenonderzoek van de Belastingdienst verwacht, is het belangrijk om goed voorbereid te zijn en advies in te winnen over hoe u hier het beste mee om kunt gaan. Hier zijn enkele tips die u kunnen helpen bij het begeleiden van een boekenonderzoek:
- Wees goed voorbereid: Zorg ervoor dat u alle benodigde documentatie bij de hand heeft voordat het onderzoek begint. Dit kan onder meer uw boekhouding, facturen, bonnen en bankafschriften omvatten.
- Stel een contactpersoon aan: Wijs een contactpersoon binnen uw organisatie aan die verantwoordelijk is voor het begeleiden van het boekenonderzoek. Deze persoon kan als aanspreekpunt fungeren voor de Belastingdienst en ervoor zorgen dat alle benodigde informatie op een efficiënte en effectieve manier wordt verstrekt.
- Wees transparant: Wees zo open en eerlijk mogelijk tegenover de Belastingdienst. Het verbergen of achterhouden van informatie kan leiden tot verdere problemen en boetes.
- Houd deadlines in de gaten: Zorg ervoor dat u alle deadlines in de gaten houdt en dat u alle benodigde informatie op tijd verstrekt. Hierdoor kunt u vertragingen en extra kosten voorkomen.
- Overweeg het inschakelen van een deskundige: Als u zich zorgen maakt over het boekenonderzoek van de belastingdienst of als u zich niet volledig zeker voelt over de informatie die u verstrekt, kunt u overwegen om een deskundige in te schakelen. Een belastingadviseur kan u helpen bij het voorbereiden van het onderzoek en u adviseren over hoe u het beste kunt omgaan met eventuele problemen die zich voordoen. Wij adviseren wekelijks accountants en belastingplichtigen bij boekenonderzoeken, vraag gerust een vrijblijvende offerte of kom eens langs voor een bakje koffie.
Door deze tips te volgen, kunt u het boekenonderzoek van de Belastingdienst succesvol begeleiden en ervoor zorgen dat u zich geen zorgen hoeft te maken over onverwachte problemen of boetes.
Belegeiding boekenonderzoek door fiscaal jurist
Wij adviseren dagelijks ondernemers bij boekenonderzoeken van de Belastingdienst. Als de Belastingdienst een boekenonderzoek bij u instelt, dan controleren zij uw administratie, aangiften en overige administratieve bescheiden en vastleggingen. De laatste jaren zijn de meeste onderzoeken toegespitst op de loonheffingen en omzetbelasting.
Onze fiscaal juristen zijn experts in de advisering hieromtrent en een aantal collega's hebben tientallen jaren ervaring opgedaan bij de Belastingdienst zodat ze alle ins en outs kennen.
Een boekenonderzoek wordt altijd (veel schriftelijk) van tevoren aangekondigd en achteraf wordt een controlerapport opgesteld, dit rapport bestaat uit een openbaar en niet openbaar gedeelte.
Het geniet de voorkeur om vanaf dag één begeleiding en advisering in te roepen. Dit is niet voor onze portemonnee maar voor de uwe. U geeft al snel de verkeerde antwoorden, verstrekt onnodig teveel informatie, geeft ruimte voor extra onderzoeken, etc.
Meer boekenonderzoeken Belastingdienst
Uit het rapport analyse niveau toezicht achteraf volgt dat het aantal boekenonderzoek bij MKB bedrijven met 33% is gedaald. Het aantal jaarlijkse onderzoeken is gedaald van 27.000 (in 2016) tot iets meer dan 15.000 (in 2019). De oorzaak is gelegen in personeel- en capaciteitsgebrek bij de belastingdienst. Daarnaast kosten controles veel tijd en zijn deze complex. Op dit moment wordt op grond van data analyses een risico analyse gemaakt en worden onderzoeken dus anders ingezet. Van de 2,7 miljoen MKB bedrijven worden er jaarlijks maar een paar procent gecontroleerd. Onze staatssecretaris (van Rij) komt in de zomer met een actieplan voor een toename en verbetering van het aantal boekenonderzoeken bij MKB bedrijven, aldus het FD. Wij adviseren veel ondernemers tijdens boekenonderzoeken, maar ook via een fiscale scan vooraf. Via een fiscale scan inventariseren wij de risico gebieden maar ook de fiscale mogelijkheden. Interesse in een fiscale APK, neem gerust contact met ons op.
Uw rechten tijdens een boekenonderzoek
De rechten volgens de Belastingdienst zijn de volgende:
- U heeft recht op uitleg als ze van uw aangifte afwijken;
- U heeft recht op geheimhouding van fiscale gegevens. De Belastingdienst mag de gegevens enkel gebruiken voor de fiscale heffingen/ belastingwetgeving.
- U kunt in bezwaar en beroep gaan
- U mag een fiscalist of adviseur inschakelen
Maar gelukkig is er meer en kan het beter, welke rechten zijn er nog meer:
- U mag de fiscaal meest gunstige route kiezen en het voor u meest gunstige standpunt innemen. Dit moet dan wel verdedigbaar zijn (op grond van adviezen, wetgeving en jurisprudentie).
- De inspecteur mag vragen stellen over de fiscale feiten, niet over andere zaken, en u gaat over de antwoorden. Laat u dus tijdens het onderzoek bijstaan door een deskundige, zo voorkomt u dat u teveel (voor u irrelevante) informatie verstrekt en/of teveel gaat uitweiden.
- Laat u zich niet meeslepen in een discussie of intimideren tijdens een controle. U heeft recht op een (deskundige) adviseur voordat u informatie gaat verstrekken.
- Als er boetes worden opgelegd heeft u recht op uw zwijgrecht. De inspecteur moet u hierop wijzen (de cautie)
- U mag bepalen in welke computer, telefoon of kast de inspecteur gaat kijken.
- Het gaat enkel om fiscaal relevante feiten, deze kunnen worden opgevraagd.
- Fiscale adviezen hoeven niet te worden verstrekt, zorg ervoor dat deze in een aparte map op uw harde schijf staan (of nog beter op beveiligde omgeving). Ook adviezen en brieven van uw advocaat hoeft u niet te verstrekken (verschoningsrecht).
- De inspecteur moet tijdens het onderzoek duidelijk en zorgvuldig zijn (de algemene beginselen van behoorlijk bestuur)
- Maar gerust een afspraak met één van onze specialisten. Wij zijn er binnen 24 uur !
Laat u adviseren bij een boekenonderzoek
Wij adviseren tientallen ondernemers en accountants bij boekenonderzoeken, dit is een vak. Het verdient absoluut de voorkeur om reeds vanaf dag één aanwezig te zijn, dit voorkomt dat u teveel en/of onjuiste (of onvolledige) informatie verstrekt (in uw enthousiasme). Veel ondernemers gaan er nog steeds vanuit dat ze niks te verbergen hebben en alles juist hebben gedaan.
Update 29 april 2015: Parkeergegevens blijven voortaan geheim
De algmeen directeur van de Belastingdienst, de heer Blokpoel, is tot het inzicht gekomen dat het gebruik van parkeergegevens te ver gaat wat betreft de privacy van belastingplichtigen. Ook al mag het volgens de rechter dus wel, de Belastingdienst zal parkeergegevens niet langer opvragen voor het controleren van rittenadministraties. Reeds verzamelde informatie is intussen door de Belastingdienst vernietigd.
- See more at: http://www.jongbloed-fiscaaljuristen.nl/databank/formeel_belastingrecht/rechten_belastingdienst_boekenonderzoek/#sthash.DRMBWkuT.dpufUpdate 29 april 2015: Parkeergegevens blijven voortaan geheim
De algmeen directeur van de Belastingdienst, de heer Blokpoel, is tot het inzicht gekomen dat het gebruik van parkeergegevens te ver gaat wat betreft de privacy van belastingplichtigen. Ook al mag het volgens de rechter dus wel, de Belastingdienst zal parkeergegevens niet langer opvragen voor het controleren van rittenadministraties. Reeds verzamelde informatie is intussen door de Belastingdienst vernietigd.
- See more at: http://www.jongbloed-fiscaaljuristen.nl/databank/formeel_belastingrecht/rechten_belastingdienst_boekenonderzoek/#sthash.DRMBWkuT.dpufParkeergegevens blijven toch geheim
Een korte update inzake het door de Belastingdienst opvragen en gebruiken van parkeergegevens voor de controle van rittenadministraties van leaserijders.
Onlangs heeft het Gerechtshof bepaald dat de Belastingdienst geen onrechtmatig gebruik maakt van haar bevoegheden en daarbij geen buitenproportionele schending van de privacy van de betreffende leaserijders plaatsvindt. Kort gezegd: volgens de rechter is de Belastingdienst bevoegd de parkeergegevens op te vragen en te gebruiken.
Gelukkig komt nu de ommekeer. De algemeen directeur van de Belastingdienst verklaart dat het beleid van de Belastingdienst terzake is aangepast. Het gebruik van de gegevens gaat te ver wat betreft de privacy van belastingplichtigen en zal niet langer worden gedaan. Reeds op deze wijze verkregen informatie is ondertussen vernietigd en zal derhalve niet worden gebruikt.
Mooi dat de Belastingdienst tot inzicht is gekomen!
Faillissement B.V. en belastingen
De laatste tijd adviseren wij regelmatig DGA's waarvan een B.V. of de gehele structuur dreigt "om te vallen". Een faillissement van een B.V. vraagt aandacht, tijdig voorsorteren en deskundige begeleiding. De fiscale gevolgen worden vaak niet voldoende in de gaten gehouden.
Regelmatig adviseren wij DGA's en bedrijven over nieuwe mogelijkheden en structuren en bij mogelijkheden om een faillissement te voorkomen en / of de schade voor de bestuurder en / of het bedrijf te beperken. Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.
Een faillissement van de B.V.
Een DGA heeft een holdingstructuur en de werkmaatschappij gaat failliet. De schulden kunnen niet meer worden betaald en een schuldeiser vraag het faillissement van de werkmaatschappij aan bij de Rechtbank. Soms vraagt de DGA zelf het faillissement aan, voor de gevolgen maakt dit niet uit. Eventueel kan de DGA een doorstart overwegen, edoch dit is altijd onzeker (curator en rechter-commissaris moeten hier immers mee instemmen).
Bij een faillissement van een B.V. gaat de DGA (in privé) niet failliet. In een aantal situaties loopt de DGA echter wel een risico. De belangrijkste risico's zijn:
- Aansprakelijkheidsstelling door de curator (of schuldeisers) (bijvoorbeeld door niet voldaan aan stortingsplicht of onbehoorlijk bestuur).
- Aansprakelijkheid voor belastingschulden.
- Rekening-courantvorderingen van de werkmaatschappij / holding op de DGA.
- Borgstelling bij de bancaire instelling.
Als de werkmaatschappij failliet gaat, zal de Rechtbank een curator in de buurt aanwijzen. Deze curator zal zich meestal nog dezelfde dag melden bij de DGA. De DGA krijgt een lijst met vragen en moet deze binnen een paar dagen beantwoorden. De curator zit er primair voor de schuldeisers. Zorg ervoor dat u de administratie (voor het faillissement) op orde heeft.
Aansprakelijkheid DGA bij faillissement
Een DGA / bestuurder kan aansprakelijk worden gesteld door de curator. Er moet dan sprake zijn van een (kennelijk) gebrekkige of onbehoorlijke taakvervulling. Voorbeelden hiervan zijn:
- Administratie is niet op orde.
- Verwijtbaar gedrag bij de bestuurder (slecht ondernemen / beslissingen nemen).
- Betalingsonmacht is niet tijdig gemeld bij de Belastingdienst.
- Er zijn - in het zicht van het faillissement - transacties verricht die schuldeisers hebben benadeeld (pauliana).
- De publicatiestukken zijn te laat ingediend bij het handelsregister.
Faillissement en vennootschapsbelasting
- Liquidatieverlies: Bij de liquidatie van een deelneming (minimaal 5% belang) kunt u een liquidatieverlies nemen in de holding. Als de liquidatie-uitkering lager is dan hetgeen u voor de deelneming heeft opgeofferd (betaald), dan is dit verlies aftrekbaar in de holding (als liquidatieverlies). Het verlies is aftrekbaar als de vereffening van de liquidatie is voltooid. Als een faillissementsafwikkeling lang duurt, dan kan ook pas later het liquidatieverlies worden genomen. Het feit dat de curator zou stellen dat alle betrokken schuldeisers niets zullen ontvangen bij liquidatie maakt dit niet anders, derhalve eerst vereffenen en dan liquidatieverlies nemen.
- Fiscale eenheid vennootschapbelasting: Als de holding en de werkmaatschappij zijn ondergebracht in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (holding heeft minimaal 95% van de aandelen in de werkmaatschappij en er is een verzoek tot fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting ingediend bij de Belastingdienst, waarbij er een beschikking is afgegeven), kan er een probleem ontstaan. Voor de Belastingdienst is er sprake van één belastingplichtige. Voordeel van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting is dat er 1 aangifte vennootschapsbelasting wordt ingediend en dat onderlinge resultaten (holding en werkmaatschappij) met elkaar mogen worden verrekend. Als de werkmaatschappij failliet gaat (en uiteindelijk wordt ontbonden), kan er fiscale winst ontstaan omdat bepaalde schulden niet hoeven te worden betaald resp. kunnen worden betaald (of worden kwijtgescholden). De bate / winst wordt belast bij de holding. Een ontvoeging in het zicht van liquidatie of een faillissement zal in de praktijk zelden werken (anti-misbruikbepaling in de Wet op de Vennootschapsbelasting).
Faillissement en omzetbelasting
Veel structuren met een holding en werkmaatschappij vormen een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Hiervan is sprake als de holding en de werkmaatschappij een financiële, organisatorische en economische eenheid vormen. Voordeel is dat over onderlinge diensten (zoals management fee) geen omzetbelasting (hierna BTW) in rekening hoeft te worden gebracht. Tevens doen beide B.V.'s maar 1 keer aangifte voor de omzetbelasting. Eenvoud is derhalve het grootste voordeel.
Het belangrijkste nadeel is dat de B.V.'s die zijn opgenomen in de fiscale eenheid voor de omzetbelasting ook onderling aansprakelijk zijn voor BTW-schulden. Als een B.V. binnen de fiscale eenheid failliet gaat, ontstaat er vaak een BTW-claim. Bij een faillissement van de werkmaatschappij wordt de fiscale eenheid tussen de holding en de werkmaatschappij verbroken. De holding blijft echter wel aansprakelijk voor BTW schulden (naheffingen, rente en boetes) van de werkmaatschappij. Dit geldt enkel voor BTW-schulden die betrekking hebben op de periode voorafgaande aan het faillissement. De curator is na het faillissement verantwoordelijk voor het indienen van de aangiften (en het afdragen van de BTW).
Het grootste risico is dat u voorafgaande aan het faillissement BTW heeft teruggevraagd maar de facturen niet heeft betaald. De BTW is dan ten onrechte teruggevraagd.
Werknemer en faillissement
Een werknemer leent geld aan zijn werkgever omdat de bank weigert geld aan de B.V. te lenen. De B.V. gaat vervolgens failliet en de werknemer is zijn geld kwijt. De werknemer wil de lening (niet ontvangen bedrag) in zijn aangifte Inkomstenbelasting aftrekken (als negatief loon). Volgens de Hoge Raad d.d. 10 januari 2014 is een dergelijk verlies voor de werknemer niet aftrekbaar. Voor de liefhebber, het Gerechtshof in Arnhem heeft op 28 augustus 2012 anders beslist, maar deze uitspraak is dus ingehaald door de genoemde uitspraak in cassatie van de Hoge Raad.
Bodembeslag / bodemvoorrecht Belastingdienst en faillissement
De Belastingdienst heeft een supervoorrecht bij faillissementen. Op grond van artikel 21 invorderingswet heeft de Belastingdienst een voorrecht op alle goederen van de belastingplichtige. De Belastingdienst zou zichzelf hiermee bij voorrang op het gehele vermogen van de belastingplichtige kunnen richten. In de praktijk gaan zekerheidsrechten (hypotheek en pandrecht) voor dergelijke rechten, maar artikel 21 (lid 2) invorderingswet maakt hierop een belangrijke uitzondering. Voor omzetbelasting en loonbelasting gaat het recht van de Belastingdienst boven het zogenaamde stil pandrecht (op roerende zaken die op de bodem van belastingplichtige staan). Op zaken die zich op de bodem van belastingplichtige bevinden heeft de Belastingdienst dus vaak een sterker / beter recht dan de bancaire instelling (met pandrecht) / schuldeisers. Ook schuldeisers die onder eigendomsvoorbehoud hebben geleverd staan door het recht van de Belastingdienst aan de zijlijn te kijken.
In een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 11 april 2014 ging het voor de schuldeiser de goede kant op. B.V. X is eigenaar van een bedrijfspand en de inventaris. B.V. Y huurt het bedrijfspand en de inventaris van B.V. X. B.V. Y gaat failliet. De curator heeft de onderneming van B.V. Y voortgezet en de Belastingdienst legt bodembeslag op onder meer de inventaris. Volgens B.V. X is er geen sprake van "bodemzaken" en moet het bodembeslag worden opgeheven. De Hoge Raad is het met B.V. X eens, de Belastingdienst had geen bodembeslag mogen leggen. Een belangrijke reden was dat B.V. Y haar administratie op het perceel (bij B.V. X) had liggen. Deze procedure is gevoerd onder oude wetgeving !
Lagere boete Belastingdienst door financiële problemen
De Belastingdienst kan een boete opleggen als u een onjuiste of niet volledige aangifte heeft ingediend. De boete kan worden verlaagd omdat u de boete niet kunt betalen, bijvoorbeeld door betalingsproblemen of een lastige financiële situatie binnen uw bedrijf.
De procedure bij de Hoge Raad
Er is een (strafrechtelijk) onderzoek ingesteld bij een bedrijf. Er worden naheffingsaanslagen loonbelasting en premies volksverzekeringen opgelegd. Er wordt ook een geldboete opgelegd van € 145.000 (opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangifte). De boete wordt door de Belastingdienst (inspecteur) verminderd met 20% tot € 116.000 (wegens termijnoverschrijding).
De rechtbank heeft de boete nog verder verminderd (tot € 110.000), dit ook vanwege de lange termijn (van onzekerheid). In Hoger Beroep bij het Gerechtshof (uitspraak d.d. 4 december 2012), de boete blijft in stand. De belanghebbende gaat in cassatie bij de Hoge Raad.
In de B.V. zat een negatief eigen vermogen en in 2007 worden de bedrijfsactiviteiten beëindigd. Er zijn geen financiële middelen meer om de boete te betalen, mede hierom wordt om verlaging van de boete gevraagd. De rechtbank en het Gerechtshof gingen hierin niet mee (reden was mede een slechte toelichting op de cijfers / balans). De Hoge Raad was het met belanghebbende eens. De financiële omstandigheden binnen een bedrijf kunnen een reden zijn om een boete te verlagen.
De zaak wordt door de Hoge Raad verwezen naar een nieuw Gerechtshof (in 's Hertogenbosch). De Hoge Raad stelt als aanwijzing nog even het volgende:
- Met het oog op de verdere behandeling na verwijzing merkt de Hoge Raad nog het volgende op. Eerder in dit geding heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat het zakelijke karakter van loonbelastingschulden er als regel aan in de weg staat om een boete wegens het niet (tijdig) afdragen van deze belasting te matigen op grond van de financiële positie van de inhoudingsplichtige. Dit standpunt moet worden verworpen. De financiële positie van een inhoudingsplichtige wordt mede bepaald door diens verplichting loonbelastingschulden te betalen. Het karakter van deze schulden vormt geen goede grond om dit element van zijn draagkracht buiten beschouwing te laten bij de bepaling van de proportionaliteit van een boete.
De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de kosten en het beroep wordt dus gegrond verklaard.
Bron boete verlaging bij financiële noodzaak
Meer boekenonderzoeken Belastingdienst
Meer boekenonderzoeken door de belastingdienst
De Belastingdienst zal in de komende jaren (2025 en daarna) meer boekenonderzoeken uitvoeren. De Belastingdienst heeft hiervoor nieuwe werknemers in dienstbetrekking genomen. In een aankondiging in januari 2025 is duidelijk gemaakt dat kleinere holding BV's en ondernemers vaker worden onderzocht. De belangrijkste onderzoeken hebben betrekking op:
- loonbelasting;
- werkkostenregeling;
- suppletie omzetbelasting;
- rekening-courant DGA;
- privé-opnamen en privé- / zakelijke kosten;
- bijtelling auto van de zaak;
- buitenlandse bankrekeningen;
- BTW-perikelen (vrijstelling of niet).
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Meer boekenonderzoeken Belastingdienst
Uit het rapport analyse niveau toezicht achteraf volgt dat het aantal boekenonderzoek bij MKB bedrijven met 33% is gedaald. Het aantal jaarlijkse onderzoeken is gedaald van 27.000 (in 2016) tot iets meer dan 15.000 (in 2019). De oorzaak is gelegen in personeel- en capaciteitsgebrek bij de belastingdienst. Daarnaast kosten controles veel tijd en zijn deze complex. Op dit moment wordt op grond van data analyses een risico analyse gemaakt en worden onderzoeken dus anders ingezet. Van de 2,7 miljoen MKB bedrijven worden er jaarlijks maar een paar procent gecontroleerd. Onze staatssecretaris (van Rij) komt in de zomer met een actieplan voor een toename en verbetering van het aantal boekenonderzoeken bij MKB bedrijven, aldus het FD. Wij adviseren veel ondernemers tijdens boekenonderzoeken, maar ook via een fiscale scan vooraf. Via een fiscale scan inventariseren wij de risico gebieden maar ook de fiscale mogelijkheden. Interesse in een fiscale APK, neem gerust contact met ons op.
Waarom boekenonderzoek Belastingdienst?
Vroeger was de stelregel dat u eens per 5 jaar een boekenonderzoek zou krijgen. Veel ondernemers weten dat dit niet is gelukt, het overgrote deel van ons klantenbestand heeft de laatste 10 jaar geen bezoek van de Belastingdienst gehad. Vroeger werden bedrijven willekeurig uitgekozen. Tegenwoordig is dit niet (meer) zo, de Belastingdienst stelt een onderzoek om de volgende redenen:
- een tip of melding via de kliklijn (van derde, werknemer, bank, etc.);
- een artikel in de krant
- een branche (gerichte onderzoeken binnen een sector / branche);
- een speciaal onderwerp (zoals de WVA, auto van de zaak, buitenlandse bankrekening, etc.);
- digitale (aangifte-)informatie (zoals de rekening-courantschuld van de DGA, sterk wisselende winsten, etc.).
Rechten en plichten bij een boekenonderzoek van de Belastingdienst
Veel ondernemers zijn niet op de hoogte van hun rechten en plichten tijdens een boekenonderzoek. Simpelweg komt het erop neer dat de Belastingdienst vrij veel rechten heeft. Dit moet ook, maar niet onbeperkt. Voor een controle gelden een paar beperkingen:
- informatie waarom wordt gevraagd moet fiscaal relevant zijn;
- de controleur moet zich netjes gedragen;
- de controleur moet de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen;
- fiscale adviezen, medische informatie en privézaken hoeft u niet te verstrekken.
Aandachtspunten voor een boekenonderzoek
Het belangrijkste bij een (aankondiging tot) boekenonderzoek is dat u dit onderzoek serieus neemt. Laat u voor en tijdens het boekenonderzoek adviseren en bijstaan door een specialist. Ik adviseer maandelijks ondernemers bij een boekenonderzoek en ik merk dat het verstandig is dat de ondernemer zelf de regie neemt en met zijn fiscaal jurist zorgt voor een redelijk kader voor een boekenonderzoek.
Hulp bij boekenonderzoek belastingdienst
Als u een boekenonderzoek van de Belastingdienst verwacht, is het belangrijk om goed voorbereid te zijn en advies in te winnen over hoe u hier het beste mee om kunt gaan. Hier zijn enkele tips die u kunnen helpen bij het begeleiden van een boekenonderzoek:
- Wees goed voorbereid: Zorg ervoor dat u alle benodigde documentatie bij de hand heeft voordat het onderzoek begint. Dit kan onder meer uw boekhouding, facturen, bonnen en bankafschriften omvatten.
- Stel een contactpersoon aan: Wijs een contactpersoon binnen uw organisatie aan die verantwoordelijk is voor het begeleiden van het boekenonderzoek. Deze persoon kan als aanspreekpunt fungeren voor de Belastingdienst en ervoor zorgen dat alle benodigde informatie op een efficiënte en effectieve manier wordt verstrekt.
- Wees transparant: Wees zo open en eerlijk mogelijk tegenover de Belastingdienst. Het verbergen of achterhouden van informatie kan leiden tot verdere problemen en boetes.
- Houd deadlines in de gaten: Zorg ervoor dat u alle deadlines in de gaten houdt en dat u alle benodigde informatie op tijd verstrekt. Hierdoor kunt u vertragingen en extra kosten voorkomen.
- Overweeg het inschakelen van een deskundige: Als u zich zorgen maakt over het boekenonderzoek van de belastingdienst of als u zich niet volledig zeker voelt over de informatie die u verstrekt, kunt u overwegen om een deskundige in te schakelen. Een belastingadviseur kan u helpen bij het voorbereiden van het onderzoek en u adviseren over hoe u het beste kunt omgaan met eventuele problemen die zich voordoen. Wi jadviseren wekelijks accountants en belastingplichtigen bij boekenonderzoeken, vraag gerust een vrijblijvende offerte of kom eens langs voor een bakje koffie.
Door deze tips te volgen, kunt u het boekenonderzoek van de Belastingdienst succesvol begeleiden en ervoor zorgen dat u zich geen zorgen hoeft te maken over onverwachte problemen of boetes.
Meer boekenonderzoeken fiscus
De Belastingdienst zal in 2024 en daarna meer boekenonderzoeken uitvoeren. De corona maatregelen worden minder en vanaf juni 2021 worden de onderzoeken weer actief opgestart. In januari 2025 is aangekondigd dat de belastingdienst meer en beter gaat controleren bij kleinere ondernemingen en DGA's. De meeste boekenonderzoeken hebben betrekking op:
- loonbelasting / werkkostenregeling;
- privé opnamen eigenaar;
- rekening-courant aandeelhouder met B.V.;
- auto van de zaak (bijtelling);
- buitenlandse bankrekeningen.
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Boekenonderzoeken Belastingdienst
Het aantal boekenonderzoeken van de Belastingdienst is in 2019 met ongeveer 20% toegenomen, dit blijkt uit de rapportage van de Belastingdienst. In 2020 waren de onderzoeken beperkt, door coronaperikelen. Ook in onze praktijk zien we een substantiële stijging van het aantal onderzoeken. Er is structureel ruim € 150 miljoen vrijgemaakt en in 2021 worden er ruim 1.000 mensen vrijgemaakt om dit verder te intensiveren.
Meer boekenonderzoeken Belastingdienst
Uit het rapport analyse niveau toezicht achteraf volgt dat het aantal boekenonderzoek bij MKB bedrijven met 33% is gedaald. Het aantal jaarlijkse onderzoeken is gedaald van 27.000 (in 2016) tot iets meer dan 15.000 (in 2019). De oorzaak is gelegen in personeel- en capaciteitsgebrek bij de belastingdienst. Daarnaast kosten controles veel tijd en zijn deze complex. Op dit moment wordt op grond van data analyses een risico analyse gemaakt en worden onderzoeken dus anders ingezet. Van de 2,7 miljoen MKB bedrijven worden er jaarlijks maar een paar procent gecontroleerd. Onze staatssecretaris (van Rij) komt in de zomer met een actieplan voor een toename en verbetering van het aantal boekenonderzoeken bij MKB bedrijven, aldus het FD. Wij adviseren veel ondernemers tijdens boekenonderzoeken, maar ook via een fiscale scan vooraf. Via een fiscale scan inventariseren wij de risico gebieden maar ook de fiscale mogelijkheden. Interesse in een fiscale APK, neem gerust contact met ons op.
Verplichtingen t.b.v. controle / boekenonderzoek
Ten behoeve van de controle gelden bij de administratie onder meer de volgende verplichtingen:
- Bewaarplicht administratie (7 jaar, statuten etc. onbeperkt). Ook de onderliggende stukken dienen te worden bewaard, zelfs nadat de gegevens zijn verwerkt. Het is eventueel wel toegestaan die stukken te vervangen door een toegestane vastlegging. Bijvoorbeeld het in (beveiligd) pdf scannen van kladbriefjes.
- Meewerkplicht. De administratie moet voor de Belastingdienst worden ontsloten en inzichtelijk gemaakt. Daaronder valt, binnen redelijke grenzen, het leesbaar maken van data voor de geautomatiseerde systemen van de Belastingdienst en het inzichtelijk maken van het systeem zelf.
- Bij overgang op een nieuw (automatiserings)systeem moet worden geregeld dat oude gegevens beschikbaar blijven c.q. makkelijk beschikbaar kunnen worden gemaakt.
- Ook de onderliggende stukken moeten worden verstrekt.
De administratie moet zodanig zijn ingericht, dat controle binnen redelijke termijn mogelijk is. Wat een redelijke termijn is, verschilt per onderneming en hangt onder meer af van de aard en omvang van die onderneming. Het is niet de Belastingdienst die uitmaakt wat een redelijke termijn is. Het is ook haar beleid met de redelijke belangen van de onderneming rekening te houden.
Als de zaak onder de rechter is, mag geen boekenonderzoek in die zaak meer worden verricht. De rechter kan echter wel vragen stellen of onderzoek laten verrichten. Het is dus belangrijk nauwkeurig vast te stellen waartoe het onderzoek dient. Verleen nooit medewerking of toestemming zonder eerst uw adviseur te raadplegen.
Als de controleur tijdens een boekenonderzoek bepaalde gegevens opvraagt (op grond van artikel 47 AWR) waarvan u vindt dat deze niet relevant zijn voor het lopende boekenonderzoek, kan de Belastingdienst twee dingen doen. Accepteren dat de betreffende gegevens niet relevant zijn ofwel het afgeven van een informatiebeschikking.
Begeleiding boekenonderzoek
Als u wordt lastig gevallen met een boekenonderzoek, is het verstandig om u in een vroegtijdig stadium (dus voor het eerste gesprek) te laten adviseren door een fiscaal jurist, hij kan u helpen bij de voorbereiding en tevens mogelijke "fouten" herstellen. Tevens kan hij u aangeven wat u wel en vooral niet moet doen. Bel of mail gerust met één van onze collega's.
Rechten Belastingdienst boekenonderzoek
Door een uitspraak van de rechter worden de rechten van de Belastingdienst bij een boekenonderzoek wellicht beperkt. In dit artikel een nadere toelichting. In dit artikel behandelen wij de procedure bij de Rechtbank (gunstig voor belastingplichtige) en het Gerechtshof (gunstig voor de Belastingdienst) inzake informatie van een parkeer-app. Zoals uit onderstaande uitspraak volgt, heeft de Belastingdienst verregaande bevoegdheden om informatie op te vragen.
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Rechten belastingdienst bij boekenonderzoek
Het boekenonderzoek is een controle van uw aangiften en administratie. Het kan gaan om een onderzoek over een periode of om controle van bepaalde onderdelen van uw aangiften en administratie. Een boekenonderzoek wordt altijd van tevoren aangekondigd, aldus de internetsite van de Belastingdienst. Omdat wij de komende jaren meer boekenonderzoeken verwachten (waaronder deelonderzoeken over de werkkostenregeling, subsidies, afdrachtverminderingen (zoals WVA) en loonheffingen), maken wij hier inzichtelijk wat u mogelijk staat te wachten.
De bevoegheden van de Belastingdienst bij een onderzoek gaan redelijk ver. Het is echter wel van belang dat de Belastingdienst zich aan spelregels heeft gehouden.
Rechtbank uitspraak omtrent verstrekken informatie aan Belastingdienst
De Rechtbank Oost-Brabant in Den Bosch heeft een redelijk opmerkelijke uitspraak gedaan. Het bedrijf SMS Parking hoeft geen parkeergegevens van klanten aan de Belastingdienst te verstrekken. De Belastingdienst wilde deze informatie ontvangen om te kunnen kijken waar een automobilist zijn auto heeft geparkeerd (reden waarschijnlijk: controleren kilometeradministratie). Volgens de rechter vormt dit een te grote inbreuk op de privacy van de burger.
De rechter is vlot en helder. De Belastingdienst schendt de privacy van burgers door klakkeloos extreem grote hoeveelheden op te eisen om te kijken of er toevallig ook bruikbare informatie tussen zou kunnen zitten. In dit kader ging het om ruim 2 miljoen parkeertransacties welke in 2012 zijn verwerkt. De Belastingdienst wilde op basis van deze kentekengegevens kijken of belastingplichtigen wellicht het privégebruik met de auto van de zaak hebben verzwegen. De informatie van SMS Parking wordt dan dus vergeleken met de kilometeradministratie van de belastingplichtige.
Deze uitspraak is volgens ons de eerste heldere uitspraak over een zogenaamde phishing expedition. Het verzoek van de Belastingdienst is zo omvangrijk, dat dit niet valt te combineren met een regulier boekenonderzoek en / of verzoek bij derden om informatie te verstrekken. In 1974 deed de Hoge Raad een uitspraak in cassatie waarbij is aangegeven dat de Belastingdienst vrijwel alles mag vragen, deze tijd is echter anders dan de situatie in 2013. We hebben nu privacywetgeving en Europees recht.
De Belastingdienst moet bij het opvragen van informatie rekening houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een onderdeel hiervan is het beginsel van proportionaliteit. De grens welke hierbij kan gelden heeft de rechter nog niet strak omschreven, maar dit zal de Hoge Raad waarschijnlijk wel gaan doen in 2014. De Belastingdienst heeft al aangekondigd om in hoger beroep te gaan, gezien het belang is dit logisch.
Gerechtshof inzake rechten belastingplichtige
De Belastingdienst is in hoger beroep gegaan inzake hiervoor genoemde uitspraak. Het bedrijf SMS Parking wordt door het Gerechtshof in het ongelijk gesteld en moet de informatie aan de Belastingdienst verstrekken. De belangrijkste reden is dat de kentekeninformatie niet direct naar een persoon herleidt.
Rechten Belastingdienst bij informatieverzoek
De rechten van de Belastingdienst op grond van de wet (met name artikel 47 en 53 AWR) zijn ruim geformuleerd. Meestal zal een informatieverzoek ook onder een dergelijke bepaling ressorteren. Vaak zal de informatie ook voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. Als u veel informatie heeft verzameld, zit er altijd wel iets bij waar u iets mee kunt, is dan de stelling. Het kan echter wel zo zijn dat de Belastingdienst door het verzoek het subsidiariteitsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel schendt. In dit kader kan worden verwezen naar artikel 8 EVRM (recht op bescherming voor zijn privéleven) en de relevante privacywetgeving.
Bij het opvragen van informatie behoeft het niet vooraf vast te staan dat deze informatie relevant is (Hoge Raad, 22 september 2006). Het gaat immers om inlichtingen, boeken en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing ten aanzien van een belastingplichtige / derde.
Het kan echter wel zijn dat sprake is van zekere mate van overkill (proportioneel) of dat sprake is van een strijdigheid met een ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur of Europese Wetgeving. Dit komt thans eindelijk eens aan de orde. Iedereen moet gewoon zijn of haar auto kunnen parkeren zonder dat de overheid deze informatie zomaar krijgt.
De Belastingdienst vraagt een grote bak informatie op en kijkt vervolgens of er nog "hits" zijn. Als dit zonder beperking ongeclausuleerd mogelijk zou zijn, worden de rechten van de Belastingdienst wel erg ver opgerekt. De Belastingdienst kan dit redelijk eenvoudig oplossen door informatie gericht op te vragen met een bepaald doel (Rechtbank Amsterdam d.d. 8 november 2011), dus niet vissen in open zee maar op een gerichte en goede visplek !
In de onderhavige casus mocht de Belastingdienst ook nog ruim € 1.300 aan kosten voor de parkeerorganisatie vergoeden. We wachten het Hoge Beroep maar eens af !
Gevolgen voor de parkeerpraktijk
Een aantal organisaties heeft hun informatie al aan de Belastingdienst verstrekt, door de uitspraak in Hoger Beroep zal de Belastingdienst bij alle organisaties die informatie van auto's vastleggen informatie gaan opvragen. Dergelijke organisaties zullen de informatie korter gaan bewaren, dit om toekomstige problemen te voorkomen.
Update 29 april 2015: parkeergegevens blijven voortaan geheim
De algemeen directeur van de Belastingdienst, de heer Blokpoel, is tot het inzicht gekomen dat het gebruik van parkeergegevens te ver gaat wat betreft de privacy van belastingplichtigen. Ook al mag het volgens de rechter dus wel, de Belastingdienst zal parkeergegevens niet langer opvragen voor het controleren van rittenadministraties. Reeds verzamelde informatie is intussen door de Belastingdienst vernietigd.
Bron informatie boekenonderzoek
Toelichting Rechtbank Oost-Brabant (Den Bosch) d.d. 26 november 2013.
Hoger beroep in belastingzaken
De belastingplichtige die na bezwaar bij de Belastingdienst en beroep bij de rechtbank naar zijn mening nog steeds geen of onvoldoende gelijk heeft gekregen, kan tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep komen bij het gerechtshof. Ook de Belastingdienst heeft het recht van hoger beroep.
Waartegen en bij welke rechter kan hoger beroep worden ingesteld?
Hoger beroep in een belastingzaak kan worden ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
In afwijking op het algemene bestuursrecht moet het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerechtshof. Dus niet bij de Raad van State of de Centrale Raad van Beroep. Bij welk gerechtshof u moet zijn, volgt uit de wet. Dat is het gerechtshof van het gebied (ressort) waarin de rechtbank is gelegen dat de bestreden uitspraak heeft gedaan.
In Nederland zijn er vier gerechtshoven. De zaken van de rechtbanken Noord-Nederland (Leeuwarden) en Oost-Nederland (Arnhem) gaan naar gerechtshof Arnhem / Leeuwarden, de zaken van rechtbank Noord-Holland (Haarlem) naar gerechtshof Amsterdam, de zaken van rechtbank Den Haag naar gerechtshof Den Haag.
Voor het indienen van een hoger beroepschrift is griffierecht verschuldigd. Voor natuurlijke personen bedraagt het griffierecht bij het gerechtshof (uitzonderingen daargelaten) € 118 en voor rechtspersonen € 478.
Waaraan moet het hoger beroepschrift voldoen en wat is de termijn?
Het beroepschrift moet de volgende onderdelen bevatten:
- naam en adres indiener;
- dagtekening;
- omschrijving van het besluit (uitspraak op bezwaar) waartegen beroep is ingesteld;
- de gronden (redenen) van het beroep.
Als niet aan die voorwaarden is voldaan, moet de rechter daarop wijzen en de mogelijkheid bieden het ontbrekende alsnog in te dienen. Als dat niet gebeurt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Bij het beroep moet een kopie van het besluit (uitspraak van de rechtbank) waartegen hoger beroep is ingesteld worden gevoegd.
De termijn voor het indienen van een hoger beroep is zes weken, te rekenen vanaf de dag na die van bekendmaking van de uitspraak van de rechtbank.
Procedureverloop
Nadat het hoger beroep is ingediend en compleet is, wordt griffierecht geheven en worden de stukken doorgezonden aan de Belastingdienst voor het indienen van een verweerschrift. Op dat verweerschrift kan (na eventuele toestemming van de rechter) schriftelijk worden gereageerd. Dat is de repliek. Daarop wordt weer gereageerd door de Belastingdienst. Dat is de dupliek.
Daarna bestaat de mogelijkheid dat de rechter nader vooronderzoek verricht. Deze kan dan inlichtingen inwinnen bij partijen, getuigen en deskundigen horen, onderzoek ter plaatse verrichten, etc. Van deze mogelijkheid wordt zeer sporadisch gebruik gemaakt.
Nadat het vooronderzoek is afgerond wordt de zaak geagendeerd op zitting voor de mondelinge behandeling (het onderzoek ter zitting). Als hoofdregel worden de zaken behandeld in meervoudige kamer (drie rechters). Als de zaak zich daarvoor leent, vindt behandeling plaats in enkelvoudige kamer (één rechter). De namen van de rechters worden doorgaans in de uitnodiging voor de zitting vermeld. Tot tien dagen voor de zitting kunnen nadere stukken worden ingediend.
Procestactiek
Anders dan in het algemene bestuursprocesrecht kent het fiscale procesrecht geen zogenoemde fuiken of trechters. Dat betekent dat in elk stadium van de procedure nieuwe feiten en omstandigheden, maar ook nieuwe argumenten kunnen worden ingebracht. Dat is alleen anders in cassatie. De Hoge Raad oordeelt niet over feiten, zodat in cassatie in beginsel alleen nieuwe argumenten kunnen worden ingebracht.
De Belastingdienst of de rechter kan u dus niet tegenwerpen dat u bepaalde feiten, omstandigheden, argumenten of grieven niet in een eerder stadium (bij bezwaar of in beroep) heeft ingebracht. De enige beperking hierbij is de goede procesorde. Alleen als de wederpartij in zijn belangen wordt geschaad omdat sprake is van een inbreng waarop hij niet bedacht hoefde zijn, die zodanig laat is dat hij zich daartegen onvoldoende kan verweren, wordt de inbreng buiten behandeling gelaten. Uit procestechnische overwegingen kan het van belang zijn om zolang mogelijk ‘het kruit droog te houden’.
Een tweede belangrijk element van het hoger beroep is de herkansingsfunctie. Het is de laatste mogelijkheid om misslagen of onjuistheden in een eerdere fase recht te zetten. Nog meer dan bij de rechtbank moet het hoger beroepschrift volgens een strakke structuur te worden opgebouwd. Daarbij kunnen ook feitelijk onjuiste vaststellingen door de rechtbank worden bestreden en rechtgezet.
In de praktijk komt het veelvuldig voor dat een zaak wordt beslist op de (verdeling van de) bewijslast. Vaak oordeelt een rechtbank dat een belastingplichtige bepaalde feiten niet of onvoldoende heeft gesteld / bewezen / aannemelijk gemaakt. Het hoger beroep is de laatste mogelijkheid omdat bewijs alsnog te leveren. Ook kan in hoger beroep aan de orde komen of de bewijslast juist is verdeeld.
Omdat het gerechtshof de laatste feitelijke instantie is, is het belangrijk strak en doelgericht te procederen. Het is een kwestie van tactiek en het aanvoelen van de zaak op welk moment de feiten naar voren worden gebracht, maar vooral het moment van het inbrengen van argumenten kan belangrijk zijn. Een ervaren adviseur kan daar goede diensten bewijzen.
De zitting / mondelinge behandeling
Evenals bij de rechtbank kan ook bij het gerechtshof de zaak mondeling ter zitting worden toegelicht. Ook kunnen getuigen en deskundigen worden gehoord en vindt het debat met en onder leiding van de rechter plaats. De rechter kan actief vragen stellen maar ook passief het debat volgen. Bij de teams belastingrecht van de gerechtshoven bestaat een lange traditie die erop is gericht partijen ter zitting nader tot elkaar te brengen. In veel feitelijke geschillen (vooral waarderingskwesties) wordt dan een compromis gesloten. Bij het gerechtshof moet u dan ook bedacht zijn op een actief participerende rechter die ook nog aanstuurt op een compromis. Het vergt de nodige ervaring om dan zo ver te gaan als nodig voor het beste resultaat.
Van de zitting wordt door de griffier proces-verbaal opgemaakt. Doorgaans bevat dat een kernachtige beschrijving van het verhandelde ter zitting. Omdat het proces-verbaal van de zitting de enige bron is voor de Hoge Raad van wat op de zitting is gebeurd, is het van belang te verifiëren dat bepaalde opmerkingen correct in dat verslag worden opgenomen. Nog verstandiger is het om belangrijke punten (die nog niet uit de stukken blijken) op te nemen in een pleitnota. Een afschrift daarvan wordt aan het proces-verbaal van de zitting gehecht (en gaat mee naar de Hoge Raad).
Als de rechter zich voldoende acht voorgelicht, sluit hij het onderzoek. Doorgaans zal hij meedelen dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan op een termijn van zes weken.
Beslistermijn en uitspraak
Het gerechtshof beslist op het beroep binnen zes weken nadat het onderzoek is gesloten (de zitting is geweest). Die termijn kan eenmaal met zes weken worden verlengd. Aan overschrijding van de termijn zijn in beginsel geen consequenties verbonden.
Hoofdregel is dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan.
Kostenvergoeding, schadevergoeding en griffierecht
Als het beroep wordt gehonoreerd, kan aanspraak worden gemaakt op vergoeding van de (proces)kosten van het beroep. De vergoeding is forfaitair (lees: laag) vastgesteld. Het standaardtarief voor het indienen van een hoger beroepschrift door een adviseur is € 472.
Ook is de rechter bevoegd om, als de belastingplichtige (gedeeltelijk) in het gelijk wordt gesteld, een schadevergoeding toe te kennen. Daarom dient wel te worden verzocht. De immateriële schade vanwege de lange duur van de procedure valt hieronder. De kosten van de procedure vallen er niet onder. Die worden forfaitair vergoed.
Als het beroep (gedeeltelijk) wordt gehonoreerd, wordt ook het betaalde griffierecht vergoed.
Oriënterend gesprek
Als u overweegt om een hoger beroepsprocedure op te starten, is het verstandig om te kijken wat uw kansen zijn. In een oriënterend gesprek (geen kosten) kunnen wij met u de mogelijkheden en onmogelijkheden doorlopen, tevens kan dan op basis van wetgeving en jurisprudentie (uitspraken van rechters) worden bekeken wat uw kansen zijn. De uitspraak van de rechtbank zal daarbij een belangrijk uitgangspunt zijn. Bel gerust met één van onze adviseurs. Als het dan tot een procedure in hoger beroep komt, werken we nauw samen met u en uw adviseur.
Bezwaar Belastingdienst
In het belastingrecht geeft het bezwaar de belastingplichtige de mogelijkheid zich tegen een door de Belastingdienst opgelegde belastingaanslag of beschikking te verzetten. Bezwaar maken moet schriftelijk. Op onze internetsite staan voorbeeld-bezwaarschriften.
Waartegen kan bezwaar worden gemaakt?
Niet tegen elke beslissing of handeling van de Belastingdienst kan bezwaar worden gemaakt. Anders dan in het algemene bestuursrecht kan alleen bezwaar worden gemaakt tegen:
- belastingaanslagen;
- voor bezwaar vatbare beschikkingen;
- voldoening, afdracht en inhouding.
Voor het indienen van een bezwaarschrift is geen griffierecht verschuldigd.
Waaraan moet het bezwaarschrift voldoen?
Het bezwaarschrift moet de volgende onderdelen bevatten:
- naam en adres indiener;
- dagtekening;
- omschrijving van het besluit waartegen bezwaar wordt gemaakt;
- de gronden (redenen) van het bezwaar.
Als niet aan die voorwaarden is voldaan, moet de Belastingdienst daarop wijzen en de mogelijkheid bieden het ontbrekende alsnog in te dienen. Als dat niet gebeurt, kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard. In het algemeen zal de Belastingdienst dan nog wel een beslissing nemen op het bezwaar, maar die kan dan niet meer worden voorgelegd aan de rechter.
Wanneer moet bezwaar worden gemaakt?
De termijn voor het indienen van een bezwaar is zes weken, te rekenen vanaf de dagtekening van de beslissing van de Belastingdienst. Doorgaans is de dagtekening van belastingaanslagen gelegen na de verzending. Dat geeft dus wat extra ruimte.
Als de dagtekening ligt voor die van bekendmaking, beginnen de zes weken te lopen vanaf de dag na die bekendmaking.
Als sprake is van inhouding (bijvoorbeeld van loonbelasting), afdracht (bijvoorbeeld dividendbelasting) of voldoening (bijvoorbeeld BTW), begint de termijn te lopen de dag na die van inhouding / voldoening / afdracht.
Mondelinge toelichting
Bij de behandeling van het bezwaar bestaat ook de mogelijkheid de grieven mondeling toe te lichten. Op grond van de wet dient in belastingzaken te worden verzocht om te worden gehoord. De Belastingdienst heeft echter het beleid dat zij vraagt of de belastingplichtige wil worden gehoord.
Beslistermijn
De Belastingdienst beslist op het bezwaar binnen zes weken nadat de bezwaartermijn is verstreken dan wel nadat het bezwaar compleet is. Die termijn kan eenmaal met zes weken worden verlengd. Verdere verlenging is mogelijk met instemming van de belastingplichtige.
Redelijke termijn
De Belastingdienst moet binnen een redelijke termijn uitspraak doen op een bezwaarschrift (artikel 8:73 AWB). Als de Belastingdienst dit niet doet, dan kan er immateriële schadevergoeding worden geclaimd. In een procedure bij de Hoge Raad in 2013 wordt in deze een vergoeding van € 2.000 toegekend in een situatie waarbij een belastingplichtige ruim 2 jaar moest wachten op beantwoording van zijn bezwaarschrift.
Kostenvergoeding
Als het bezwaar wordt gehonoreerd, kan aanspraak worden gemaakt op vergoeding van de kosten van het bezwaar. De vergoeding is forfaitair (lees: laag) vastgesteld. Het standaardtarief voor het indienen van een bezwaarschrift door een adviseur is € 235.
Uitzonderingen
Niet in alle gevallen is het bezwaar de aangewezen weg om tegen een beslissing van de Belastingdienst op te komen. De belangrijkste uitzonderingen zijn:
- De voorlopige aanslag inkomstenbelasting. Daarvan kan bij de Belastingdienst om herziening worden gevraagd. Als dat verzoek wordt afgewezen, kan tegen die afwijzing wel bezwaar worden gemaakt.
- Rechtstreeks beroep. Als in de fase voorafgaande aan het bezwaar, doorgaans bij de aanslagregeling, het geschil al uitvoerig is besproken en uitgekristalliseerd, kan – met toestemming van de Belastingdienst – direct in beroep worden gekomen bij de (belasting)rechter.
Oriënterend gesprek
Als u overweegt om een bezwaarprocedure jegens de Belastingdienst op te starten, is het verstandig om te kijken wat uw kansen zijn. In een oriënterend gesprek (geen kosten) kunnen wij met u de mogelijkheden en onmogelijkheden doorlopen. Tevens kan dan op basis van wetgeving en jurisprudentie (uitspraken van rechters) worden bekeken wat uw kansen zijn. Bel gerust met één van onze adviseurs.
Boekenonderzoek en opvragen (back-up) server
Er wordt bij een belastingplichtige een boekenonderzoek ingesteld. De inspecteur / controleur van de Belastingdienst vraagt een kopie op van de volledige back-up van de boekhouding. Op deze back-up staan ook persoonlijke gegevens en e-mails van enkele werknemers. De belastingplichtige weigert deze informatie te verstrekken. De rechter is het met de Belastingdienst eens, de informatie moet worden verstrekt.
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Beoordeling uitspraak door fiscaal jurist
Let erop dat u adviezen en administratieve zaken gescheiden van elkaar opslaat. Als de informatie gescheiden was geweest, had de ondernemer de informatie niet behoeven te verstrekken.
Om een boekenonderzoek goed te kunnen uitvoeren, moet de Belastingdienst de boekhouding kunnen raadplegen. De belastingplichtige moet de gegevens verstrekken welke hiervoor van belang zijn. Deze procedure speelde voor de Europese Rechter en kwam uit Noorwegen overwaaien. In Nederland is de regeling echter niet anders.
Bron
Uitspraak Europees Hof voor de Rechten van de mens (EVRM) d.d. 14 maart 2013.
Bewijs inspecteur ongeldig
Een uitspraak van het Gerechtshof in Arnhem / Leeuwarden d.d. 9 april 2013 is redelijk opmerkelijk. Een inspecteur komt tijdens de zitting met informatie inzake een bewijsaanbod welke bij hem is neergelegd. De rechter vindt dit niet te laat en geldig (als het niet geldig zou zijn noemt men dit "tardief", in het juridische taalgebruik). Vervolgens loopt de zaak jaren voor verschillende rechters. Het aanslagbiljet is niet op de voorgeschreven wijze aan belastingplichtige bekendgemaakt en het bezwaarschrift van belastingplichtige is onterecht niet ontvankelijk verklaard.
Procedure Gerechtshof inzake ongeldig bewijs
Henk (fictieve naam) heeft een schildersbedrijf. In 2009 ontvangt bij een aanmaning voor een BTW naheffingsaanslag uit 2006. Henk maakt hiertegen bezwaar en dit bezwaarschrift is volgens de Belastingdienst te laat (termijnoverschrijding). De Rechtbank verwijst de zaak terug naar de inspecteur. De inspecteur gaat in Hoger Beroep. Tijdens de zitting stelt de inspecteur dat hij bewijs kan leveren voor het verzenden van de naheffingsaanslag in 2009. Henk baalt hiervan omdat hij zich hiertegen niet kan verweren. Het Gerechtshof in 's-Hertogenbosch oordeelt dat het algemene belang van een doelmatige procesgang met zich meebrengt dat het bewijsaanbod als zijnde tardief wordt gepasseerd. Henk krijgt gelijk. We zijn nog niet klaar, de Staatssecretaris van Financiën komt in cassatie. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond, de zaak wordt verwezen. Het verwijzingshof Arnhem / Leeuwarden dient in de eerste plaats een oordeel te geven over de vraag of het bewijsaanbod van de inspecteur met betrekking tot generatienummers en een duplicaat aanslagbiljet tardief was. De rechter vindt het bewijsaanbod niet tardief, edoch is wel van mening dat het bezwaarschrift tijdig is omdat het aanslagbiljet Henk niet heeft bereikt, het gelijk is aan Henk. De rechter verwijst de zaak wederom terug naar de inspecteur, zo zijn we jaren procederen verder en geen stap vooruit.
Het Hof verwijst de zaak terug naar de inspecteur voor een inhoudelijke behandeling daarvan. Het hoger beroep van de inspecteur is ongegrond.
Wie moet wat bewijzen in fiscale zaken?
Wie stelt bewijst ... dat is de basis bij een fiscale procedure. Als een belastingplichtige stelt dat een bepaalde post aftrekbaar is, dan moet hij / zij dit ook bewijzen. Omgekeerd moet de Belastingdienst bewijzen dat bepaalde inkomsten niet kloppen. De Belastingdienst moet haar werk in openheid, grondig en zorgvuldig verrichten. De belastingplichtige kan met een lichtere vorm van bewijs toe, de belastingplichtige moet een aftrekpost meestal aannemelijk maken. Soms is een zwaarder bewijs in de wet verankerd, denk hierbij aan een sluitende kilometeradministratie bij een auto van de zaak. Als u geen aangifte doet en / of de Belastingdienst uw administratie of aangifte niet kan vertrouwen, dan kan de Belastingdienst de bewijslast omkeren. De belastingplichtige moet dan overtuigend aantonen dat uw inkomen of vermogen lager is.
In procedures bij de rechter bepaalt de belastingrechter wie wat moet bewijzen. De rechter moet hierbij de redelijkheid betrachten, dus wie kan het eenvoudigst het bewijs leveren en / of wie zou dit moeten doen omdat hij / zij er belang bij heeft?
Bron
Gerechtshof Arnhem / Leeuwarden (Hoger Beroep) d.d. 9 april 2013
Rechtspraak formeel belastingrecht
In dit onderdeel worden diverse uitspraken van de Rechtbank, het Gerechtshof of de Hoge Raad behandeld en voorzien van adviezen door fiscaal juristen of belastingadviseurs.
Geschillen met de Belastingdienst & formeel belastingrecht
Feitelijk kennen we binnen het belastingrecht 2 soorten regels:
- De feitelijke regels (het materiële belastingrecht): deze bestaan uit de regels en wetten die bepalen hoeveel belasting u moet betalen of terugkrijgt. Hierbij kunt u denken aan inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, etc.
- De formele regels (het formele belastingrecht): deze regels gaan over het vaststellen van de belastingschuld en de betaling / inning.
Het formele belastingrecht
Het formele belastingrecht ziet met name op bezwaarzaken, beroepszaken (procedures) en het verminderen of voorkomen van sancties.
Het formele belastingrecht een vak
Er zijn enkele kantoren in Nederland die zich specifiek richten op het formele belastingrecht. Sinds 2012 richt ons kantoor zich specifiek op procedures welke betrekking hebben op het formele belastingrecht. Bij het formele belastingrecht moet u denken aan:
- bevoegdheden van de Belastingdienst bij een boekenonderzoek of FIOD-inval;
- fiscale bezwaarprocedures;
- fiscaal invorderingsrecht;
- beslagleggingen;
- betalingsregelingen;
- fiscale beroepsprocedures.
Binnen het formele belastingrecht spelen veelal de volgende vraagstukken:
- rechtszekerheid belastingplichtige voldoende in acht genomen;
- werkwijze Belastingdienst correct;
- wetgeving op de juiste wijze tot stand gekomen;
- regels algemene wet bestuursrecht en algemene wet inzake rijksbelastingen in acht genomen (motivering, termijnen, tijdigheid, uitoefening bevoegdheden, etc.).
Als u vragen opmerkingen heeft, belt u gerust met één van onze specialisten. Dit kan geheel vrijblijvend.
Betalingsregeling Belastingdienst
Mede door de economische omstandigheden in Nederland zitten veel bedrijven in de problemen. Vrijwel wekelijks zijn wij betrokken bij het treffen van een betalingsregeling met de Belastingdienst. Het verzoeken om uitstel van betaling of een betalingsregeling is de meest gekozen route. Regelmatig adviseren wij bedrijven en DGA's over dit onderwerp, bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.
Flexibeler invorderingsbeleid per 1 juli 2025
Het kabinet wil per 1 juli 2025 het invorderingsbeleid aanpassen om zo een ruimere betalingsregeling mogelijk te maken bij saneringsakkoorden. Levensvatbare ondernemingen krijgen hierdoor meer kans (lees hier de kamervragen). Soms kan een ondernemer niet binnen de huidige regeling zijn of haar coronaschulden aflossen, een saneringsakkoord is dan een betere route. De ondernemer moet aannemelijk maken dat betaling binnen 12 maanden niet tot de mogelijkheden behoort.
Verzoek om kwijtschelding of betalingsregeling is geen bezwaarschrift
De Rechtbank Zeeland West Brabant heeft op 12 oktober 2023 (ECLI:NL:RBZWB:2023:7164) uitgesproken dat een verzoek om kwijtschelding of een betalingsregeling niet kan worden aangemerkt als een bezwaarschrift. Ook in beroep bij het Gerechtshof 's Hertogenbosch op 6 november 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:3486) kwam dezelfde conclusie op tafel. De Hoge Raad was er nog sneller klaar mee op 4 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:521) en verklaarde de zaak niet ontvankelijk omdat het griffierecht niet tijdig is voldaan. De bezwaarschriften tegen diverse (gemeentelijke) aanslagen waren te laat (en geen verschoonbare termijnoverschreiding). De verzoeken om kwijtschelding en uitstel van betaling kwalificeren ook niet als bezwaarschrift, deze gaan immers niet over de grondslagen van de aanslagen.
Uitbreiding saneringsregeling belastingdienst tot 1 april 2024
In deze onzekere tijden biedt de Belastingdienst een helpende hand aan ondernemers die worstelen met belastingschulden en andere financiële verplichtingen. Een belangrijke versoepeling van de voorwaarden voor het sluiten van een saneringsakkoord is verlengd tot 1 april 2024. Dit artikel licht toe wat deze versoepeling inhoudt en hoe u als ondernemer hier gebruik van kunt maken.
- Wat is een saneringsakkoord?Een saneringsakkoord stelt ondernemers in staat om met hun schuldeisers overeen te komen dat slechts een deel van de schulden betaald hoeft te worden. Dit biedt een uitweg voor ondernemers die hun belastingschuld en andere schulden niet kunnen voldoen.
- Versoepeling voorwaarden tot 1 April 2024: - Normaal gesproken vereist de Belastingdienst een dubbel uitkeringspercentage van wat andere schuldeisers ontvangen. Echter, tot 1 april 2024 is een gelijk uitkeringspercentage voldoende. Deze versoepeling vergroot de kans dat ook andere schuldeisers akkoord gaan met het saneringsvoorstel.
- Hoe dien je een verzoek om schuldsanering in? Voor ZZP'ers en eenmanszaken: Neem contact op met uw gemeente voor het opstarten van een minnelijk schuldsaneringstraject. Voor rechtspersonen: Regel zelf een saneringsakkoord met uw schuldeisers en dien een verzoek tot kwijtschelding van belasting in bij de Belastingdienst.
- Wat als niet alle sSchuldeisers akkoord gaan? - Mocht niet iedere schuldeiser instemmen met uw betalingsvoorstel, dan biedt de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA) een mogelijkheid om alsnog een schuldregeling te treffen.
- Actie vereist vóór 1 April 2024: Zorg ervoor dat uw verzoek om deelname aan een saneringsakkoord vóór deze datum is ingediend. U heeft daarna nog 90 dagen de tijd om uw verzoek volledig in te vullen.
- Conclusie: De Belastingdienst erkent de voortdurende impact van de coronacrisis op ondernemers en biedt daarom deze versoepeling aan. Het is een cruciale kans voor ondernemers om hun financiële situatie te stabiliseren en een weg naar herstel in te slaan. Maak gebruik van deze mogelijkheid en neem de nodige stappen om uw schuldenlast te verlichten.
- Nuttige links: Ik kan mijn schulden niet betalen? Hoe werkt een minnelijke regeling? Kwijtschelding belastingen voor ondernemers Hoe werkt de WHOA?
Nieuws betalingsregeling na 1 oktober 2021
Ondernemers die als gevolg van de coronapandemie een belastingschuld bij de Belastingdienst hebben opgebouwd krijgen ook na 30 september 2021 meer ruimte om die uitgestelde belastingen te betalen (bron belastingdienst). Het gaat om ruim 250.000 ondernemers met een totale schuld van 19 miljard euro. Als een ondernemer uitstel van betaling heeft aangevraagd moeten ze normaal gesproken vanaf 1 oktober 2021 weer aangifte doen en op tijd betalen. Tevens moet worden gestart met de aflossing van de oude schulden (in 5 jaar tijd). Als u bedrijf levensvatbaar is kan de Belastingdienst ook soepel omgaan met nieuwe schulden die na 1 oktober 2021 ontstaan. Er zullen wel strengere voorwaarden gaan gelden. Bent u het niet eens met de Belastingdienst dan kunnen wij u altijd helpen, stuur hiertoe gerust een e-mailaan ons.
Uitstel van betaling voor ondernemers bij de Belastingdienst
Meestal wordt bezwaar gemaakt tegen een aanslag, eventueel dan weer gevolgd door beroep bij de rechter. Bij een bezwaar of beroep wordt tevens om uitstel van betaling verzocht. De Belastingdienst / de ontvanger kan voorwaarden verbinden aan het geven van uitstel van betaling, soms wordt er om zekerheid gevraagd. In de praktijk wordt deze route niet vaak overwogen en wordt het vragen om uitstel van betaling of mediation vergeten. Tijdens een bezwaarfase met uitstel van betaling moet de ontvanger al handelen alsof er uitstel van betaling is verleend, rust in het bedrijf derhalve. De ontvanger moet de ingezette invorderingsmaatregelen staken en eerst inhoudelijk reageren. Ook dit traject kan enkele maanden - binnen de wettelijke termijnen - worden opgerekt, als hieraan behoefte bestaat tenminste. Een eenvoudig briefje kan dus al direct uitstel opleveren, hierdoor is er ook ruimte om met de Belastingdienst / invorderaar in gesprek te komen.
Als u een teruggave verwacht (verliesverrekening, omzetbelasting, etc.), kan uitstel van betaling er ook voor zorgen dat u enige ruimte krijgt om de teruggave te regelen (bijvoorbeeld indienen aangifte inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting of omzetbelasting). De beschikbare liquiditeit binnen het bedrijf kan dan voor andere dingen worden gebruikt en de toekomstige teruggave kan worden gebruikt voor de aflossing van de schuld aan de Belastingdienst.
Betalingsregeling voor ondernemers bij de Belastingdienst
De Belastingdienst vraagt veel informatie voordat er een betalingsregeling wordt verstrekt. Een betalingsregeling wordt zeker niet altijd zomaar verstrekt. U moet een goed verhaal hebben en de betalingsproblemen moeten niet het gevolg zijn van een slecht bedrijf, structurele problemen of een bedrijf zonder perspectief. De betalingsproblemen moeten het gevolg zijn van een incident of de crisis, waarbij een oplossing in de nabije toekomst te verwachten is. Maak dit de Belastingdienst duidelijk en wij kiezen er dan ook vrijwel altijd voor om met de Belastingdienst in gesprek te komen. Daarnaast is het verstandig om deze gesprekken te combineren met bezwaarschriften, verzoeken om mediation, etc.
Als men nalatig is geweest bij het doen van aangifte of bewust fout aangifte heeft gedaan, ontbreekt het vertrouwen bij de Belastingdienst en de invorderaar. Dit vertrouwen kunt u soms herstellen, maar u staat wel 1-0 achter.
Een betalingsregeling moet dus worden voorzien van:
- waar nodig bezwaarschriften;
- actuele administratie;
- toelichting over ontstaan belastingschulden;
- weergave van de toekomst van uw bedrijf;
- verzoek om uitstel van betaling;
- verzoek om mediation.
De gemiddelde betalingsregeling moet binnen 12 maanden worden terugbetaald, soms is een langere periode mogelijk, maar dit zijn incidenten. De toekomstige betalingsverplichtingen moeten tijdig worden nagekomen, de schuld mag derhalve niet oplopen. Tussentijdse teruggaven zullen worden verrekend met de openstaande belastingschuld.
De Belastingdienst / invorderaar of ontvanger zal bij een betalingsregeling zekerheid vragen, dit is meestal een probleem of simpelweg niet mogelijk. Banken hebben vaak alles al in zekerheid en voor de Belastingdienst blijft er dan weinig over. Gezamenlijk met uw bank en de Belastingdienst praten kan dan ook verstandig zijn.
Crisismaatregel bij betalingsregeling
Doe bij uw verzoek om een betalingsregeling uitdrukkelijk een verzoek om de tijdelijke crisismaatregel. Deze maatregel is op u van toepassing als u kunt aantonen dat de betalingsproblemen direct samenhangen met de huidige crisis. De betalingsregeling wordt veelal eenvoudiger verstrekt. Het is wel van belang dat u hiervoor een deskundige heeft ingeschakeld, deze moet namelijk bepalen dat er een samenhang is tussen de belastingschuld en de crisis. Ook deze regeling moet binnen 12 maanden aflopen, maar veelal hoeft er geen zekerheid te worden verstrekt. U moet de Belastingdienst uitdrukkelijk wijzen op de crisismaatregel.
Beroep tegen afwijzen betalingsregeling
Als de Belastingdienst / ontvanger het verzoek om uitstel van betaling of een betalingsregeling afwijst of weigert, kunt u via mediation proberen om alsnog tot elkaar te komen. Dit is een lastige route die de Belastingdienst niet altijd voorstaat. Als de mediation niet doorgaat, kunt u nog in beroep komen tegen het weigeren of afwijzen van de betalingsregeling. Het beroep wordt ingesteld bij de directeur invordering. Er zal een zorgvuldige toetsing plaatsvinden.
Vragen over betalingsregeling Belastingdienst
U kunt voor vragen of opmerkingen contact met mij opnemen, bel of mail gerust.
Bodembeslag en Belastingdienst
Bodemrecht Belastingdienst is enkele jaren geleden aangepast. Bodemverhuurconstructies zijn hierdoor lastiger geworden. Regelmatig adviseren wij DGA's en bedrijven over nieuwe mogelijkheden en structuren. Regelmatig wordt er hierbij geadviseerd over bodemverhuurstructuren en de rechten van de Belastingdienst om beslag te kunnen leggen en / of het voorkomen van beslagleggingen. Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.
Rechten van de Belastingdienst
De Belastingdienst int belastingen, zo eenvoudig is de wereld. Om belastingen te kunnen innen, heeft de Belastingdienst bevoegdheden die verder gaan dan een normale schuldeiser, de belangrijkste zijn:
- Dwangbevel: hierdoor kan de Belastingdienst executoriale maatregelen nemen om een belastingbedrag te incasseren zonder dat ze langs de rechter moeten. Ze kunnen hierdoor uw roerende zaken verkopen of beslag leggen op uw bankrekening.
- Loonbeslag: door een dwangbevel kan de Belastingdienst (zonder tussenkomst van de rechter) loonbeslag leggen bij uw werkgever of uitkeringsinstantie.
- Bodemrecht: de Belastingdienst heeft het recht om beslag te leggen op zaken die in eigendom toebehoren aan X, terwijl het belastingschulden betreffen van Y, mits deze zaken zich op de bodem van Y bevinden (in bedrijf of woning).
- Voorrecht: de Belastingdienst hoeft eigenlijk enkel de hypotheekhouder en de pandhouder voor te laten gaan bij bijvoorbeeld een executieverkoop. Bij bodembeslag gaat de Belastingdienst soms zelfs voor de pandhouder.
Het bodemrecht of bodembeslag in de volksmond geeft de Belastingdienst het recht om beslag te leggen op alle goederen die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden. Het is hierbij niet van belang van wie deze goederen zijn. De ontvanger mag dus beslag legggen op inventaris, auto's, etc. als de belastingschuldige zijn BTW of loonheffing niet heeft betaald.
Veel juristen hebben zich gebogen over dit bodemrecht en diverse structuren bedacht om dit recht van de Belastingdienst te ontgaan. Het gevecht gaat meestal tussen de Belastingdienst, de bank en de leasemaatschappij. In de praktijk kozen dergelijke partijen ervoor om het bedrijfspand van de ondernemer aan de huisbank te verhuren. Hierdoor staat de inventaris in het bedrijfspand niet meer op de grond van de belastingschuldige, maar op de grond van de bank. Gevolg: inventaris is geen bodemzaak van de ondernemer / belastingschuldige. Deze bodemverhuurconstructie wordt vaak toegepast, de Belastingdienst baalt hier al lang van. Dus ... kwam er nieuwe wetgeving.
Hoe werkt het bodemrecht?
Het bodemrecht geeft de Belastingdienst het recht om zakelijke belastingen te verhalen op roerende zaken van een derde. Zakelijke belastingen zijn BTW, loonheffing, accijns, etc. Het gaat hierbij om zaken die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden, maar niet van hem of haar zijn. Als de belastingschuldige een auto niet op tijd heeft betaald, dan kan de leverancier de auto ophalen, de Belastingdienst kan echter ook bodembeslag leggen. Als de Belastingdienst sneller is, dan heeft de leverancier meestal het nakijken. In de praktijk wordt de bodem verhuurd aan de kredietverlener en is hiermee bodembeslag niet meer mogelijk (bodemverhuurconstructie). Voordeel van deze constructie is dat de onderneming na een faillissement of executie kan worden voortgezet omdat de machines en inventaris blijven staan. De bodemverhuurconstructie wordt - mits juist uitgevoerd - door de rechter (Hoge Raad) en de Belastingdienst goedgekeurd resp. gedoogd. Vanaf 2013 wordt dit anders, de Staatssecretaris is van mening dat de bodemverhuurconstructie moet worden bestreden. De kredietverlener wordt verplicht om bij de Belastingdienst te melden dat hij van zijn rechten gebruik gaat maken. De Belastingdienst heeft vervolgens 4 weken de tijd om te beslissen of ze gebruik maken van het bodemrecht. De kredietverlener kan zich dan dus op veel minder roerende zaken verhalen. Gevolg zal zijn dat minder bedrijven kunnen worden doorverkocht bij een faillissement en dat kredietverleners (banken / investeerders, etc.) minder snel bereid zijn om financieringen te verstrekken.
Bodemrecht, en toen?
Wat van jou is, is van jou en wat van mij is, is van mij. Dit geldt voor iedereen behalve voor de Belastingdienst. Een schuldeiser van A kan zich niet verhalen op bezittingen van B. Voor zakelijke schulden mag de Belastingdienst bodembeslag leggen (artikel 22 invorderingswet). Dit bodembeslag of bodemrecht heeft verstrekkende gevolgen. Voor de Belastingdienst is dit vooral interessant bij een executieverkoop of een faillissement. Onder bodembeslag vallen roerende zaken die zich op de bodem van de belastingschuldige / belastingplichtige bevinden. Hierbij kunt u denken aan:
- inventaris;
- auto's;
- computers;
- voorraden, etc.
Bodembeslag kan zowel voor als na faillissement worden gelegd. Bodembeslag kan ook komen te rusten op roerende zaken die van iemand anders (een derde) zijn als deze zaken zich duurzaam op de bodem van de failliet (belastingschuldige) bevinden. Het bodembeslag gaat bij een faillissement op in het faillissementsbeslag, de Belastingdienst kan zich op deze goederen niet meer verhalen. Bodembeslag op goederen van een derde wordt niet getroffen door het faillissementsbeslag, de derde is immers niet failliet. De Belastingdienst kan dus de goederen / roerende zaken van derden gewoon uitwinnen en verkopen.
Reële eigendom
De Belastingdienst hanteert (gelukkig) wel een beleid dat reële eigendom van een derde wordt ontzien, dit staat in de Leidraad invordering. Als de derde kan aantonen dat de bodemzaak zijn eigendom is, zal de Belastingdienst dit meestal respecteren. U moet hiervoor wel moeite doen en er vlot bij zijn. De Belastingdienst zal uw recht niet erkennen als de roerende zaken zich op de bodem van de failliet / belastingschuldige bevinden waarbij de belastingschuldige een zogenaamde afnameverplichting had. Ook bij zogenaamde bedrijfsinmenging wordt de eigendom van derde niet gerespecteerd.
Nieuws over bodembeslag sinds 2013
Sinds 2013 is er een nieuw fiscaal bodemrecht. De positie van de Belastingdienst / de ontvanger is een stuk beter geworden. En als het voor de Belastingdienst beter wordt, dan wordt het voor anderen slechter. De huidige / nieuwe regeling gaat veel te ver en is mede daarom omstreden. De gevolgen voor financieringen van bedrijven kunnen erg groot zijn. Zodra banken de gevolgen van deze regeling overzien, zal dit ook zijn weerslag kennen binnen MKB financieringen.
Als een pandhouder (of andere gerechtigde) voornemens is om zijn rechten uit te oefenen dan wel iets te doen waardoor de zaak geen bodemzaak meer is, dan moet hij dit melden aan de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft dan 4 weken de tijd om actie te ondernemen, de pandhouder mag dan dus niets doen. Als de pandhouder zich niet aan deze regel zou houden, dan moet de pandhouder op verzoek van de Belastingdienst een verklaring verstrekken omtrent de (executie)waarde van de betreffende bodemzaak. Dit bedrag moet dan door de pandhouder worden overgemaakt aan de Belastingdienst. De pandhouder krijgt voor dit bedrag een (vaak waardeloze) vordering op de belastingschuldige.
Voorbeeld bodemrecht in 2013
Machinefabriek X B.V. levert in 2013 een machine aan Jansen B.V. De machine wordt onder eigendomsvoorbehoud geleverd. De factuur wordt niet betaald. U wilt als eigenaar de machine ophalen. Sinds 2013 moet u dit eerst melden aan de Belastingdienst, waarschijnlijk bent u de machine kwijt. De Belastingdienst zal namelijk na uw melding bodembeslag leggen.
Tenslotte
De nieuwe regeling geldt sinds 2013 en derhalve voor aanslagen welke zijn opgekomen na 1 januari 2013.
Belastingdienst mag meer dan andere schuldeisers
Een concern van een aantal B.V.'s (of N.V.'s) kiest al snel voor een fiscale
eenheid. Dit is gemakkelijk, én aangifte vennootschapsbelasting én intern
eenvoudig activa verplaatsen naar andere B.V.'s zonder belastingheffing.
Wat mijn klanten zich veelal niet realiseren is dat de eenheid (van een
aantal B.V.'s) voor de Belastingdienst aansprakelijk is voor belastingschulden.
De Belastingdienst mag vorderingen van de ene B.V. verrekenen met schulden
van de andere.
Een teruggave van vennootschapsbelasting of omzetbelasting van B.V. X mag
dus worden verrekend met een loonbelastingschuld van B.V. Y. Gezien de
golf van faillissementen zie je steeds meer problemen die ontstaan door
de fiscale eenheid. De rechter heeft in december 2004 bepaald dat het verrekenen
ook zijn beperkingen kent. Belastingvorderingen en schulden mogen worden
verrekend, maar niet een onverschuldigde betaling, rente, procesvergoedingen
en schadevergoedingen.
De Belastingdienst (of ontvanger) is hebberig en heeft veel rechten, deze rechten zijn nu iets ingeperkt.
FIOD zit cryptobezitter op de hielen
In 2021 heeft de FIOD ruim € 520 miljoen "opgehaald" via ruim 900 onderzoeken. Het bijzondere is dat de FIOD in 2020 exact hetzelfde aantal onderzoeken heeft verricht. Wat opvalt is dat in 2021 veel onderzoeken betrekking hadden op steunmaatregelen inzake corona en cryptotransacties. Voor de kritische lezer valt ook op dat de ABN AMRO in april 2021 met de FIOD (formeel OM) heeft geschikt voor € 480 miljoen, dus dan nog maar € 40 miljoen te gaan in 899 onderzoeken?
Wij hebben een sterk vermoeden dat het verslag niet geheel juist is en / of er informatie ontbreekt.
Jaarverslag FIOD 2024
In het jaarverslag van de FIOD over 2024 (publicatie 21 mei 2025) wordt nader ingegaan op de voortdurende internationalisering en digitalisering van de maatschappij. Digitale criminele geldstromen en internationale samenwerking spelen een steeds grotere rol in financiële en fiscale criminaliteit en daarmee in de opsporing van de FIOD. Cybercrime en het gebruik van crypto komt steeds vaker voor en kennis hieromtrent binnen het Financial Adveanced Cyber Team (FACT) wordt opgeschaald.
Nieuwe DAC8 wetgeving voor crypto in Nederland
Het Ministerie van Financiën heeft een wetsvoorstel ingediend om de Europese DAC8-richtlijn in de Nederlandse wet te implementeren, waarmee aanbieders van cryptodiensten vanaf 1 januari 2026 verplicht worden om gebruikersgegevens te verzamelen, controleren en delen met de Belastingdienst. Dit moet belastingontwijking en -ontduiking tegengaan. De gegevens worden jaarlijks gedeeld met andere EU-lidstaten en, door implementatie van het CARF, ook met niet-EU-landen die hieraan meedoen. Voor cryptobezitters verandert er niets; zij moeten al aangifte doen. De consultatie loopt tot 21 november, met indiening van het voorstel in het tweede kwartaal van 2025. Relevante documenten :
- Concept wettekst implementatie EU richtlijn gegevensuitwisseling crypto activa
- Concept memorie van toelichting DAC8 en gegevensuitwisseling crypto activa
- Beleidskompas formulier crypto
Terugblik FIOD inzake onderzoeken
In 2020 heeft de FIOD ruim 900 onderzoeken afgerond, waarvan 319 op verzoek van het buitenland (lees meer). In 2021 zijn er ook 900 onderzoeken afgerond, waarvan 321 op verzoek van het buitenland (lees meer). Toeval? Geen idee, in 2019 waren het 800 onderzoeken, dus het getal is niet elk jaar gelijk (lees meer). Bij de onderzoeken wordt steeds meer gebruik gemaakt van slimme technologie en data-analyse, het ouderwetse recherchewerk blijft ook.
Crypto en FIOD-onderzoek
De FIOD zit fraude met bitcoins / crypto valuta dicht op de huid. Opsporing van witwassen van geld is hierbij vaak de eerste aanleiding. Ook het verzwijgen van dergelijke inkomsten / vermogen kan een aanleiding zijn voor dergelijke onderzoeken. Criminele organisaties benutten steeds vaker digitale platforms bij het plegen of voorbereiden van misdrijven. De georganiseerde misdaad digitaliseert het witwasproces in het verleden via (buitenlandse) rechtspersonen en adviseurs en thans steeds verder via cryptovaluta, aanbieders van cryptodiensten en internationale witwasconstructies om de waarde razendsnel wereldwijd te verplaatsen. De politie geeft de FIOD steeds vaker toegang tot grote hoeveelheden ontsleutelde cryptodata, dit maakt onderzoeken een stuk eenvoudiger. Op dit moment komt echter het grootste gedeelte van alle informatie nog uit onderzoeken bij banken.
Bron FIOD en crypto
Moet een belastingplichtige zijn agenda verstrekken aan de Belastingdienst?
De administratie moet 7 jaar worden bewaard. Maar wat behoort er tot de administratie van een belastingplichtige? Volgens de Belastingdienst behoort een (privé-)agenda tot de administratie van een belastingplichtige. Moet u dan de papieren of digitale agenda (Outlook / Google) volledig verstrekken aan de Belastingdienst? In deze procedure bij de Hoge Raad in april 2024 is bepaald dat in bepaalde situaties de prive agenda moet worden verstrekt.
Agenda onderdeel van de administratie
Een agenda bevat privé- en soms zakelijke afspraken van een belastingplichtige. De Belastingdienst kan veel informatie uit een dergelijke agenda halen. Voor een kapster, belastingadviseur, consultant, etc. kan een agenda ook fiscaal relevante informatie bevatten, zoals het aantal afspraken, de locatie, etc. Ook als er kladaantekeningen in de agenda staan opgenomen, is de agenda relevant voor de Belastingdienst. De agenda kan ook relevant zijn bij een derdenonderzoek (dus een onderzoek bij iemand anders), dit om te controleren of een afspraak daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
Moet een agenda zomaar aan de Belastingdienst worden verstrekt?
Het belangrijkste is dat de agenda fiscaal relevant is, immers enkel fiscaal relevante informatie moet door de belastingplichtige worden verstrekt. Geheimhouders (advocaten, notarissen) hoeven een agenda niet te verstrekken. Hier blijft het overigens niet bij. Alle boeken en bescheiden (en andere gegevensdragers) moeten - ter keuze en beoordeling van de inspecteur - geraadpleegd kunnen worden door de Belastingdienst. Een zakelijke agenda moet dus worden verstrekt (ook digitaal), de strijdigheid met de Wet Bescherming Persoonsgegevens wordt opgeheven in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. De fiscale relevantie moet echter wel vaststaan, dit zou u kunnen opvragen bij de Belastingdienst (waarom wilt u de agenda ontvangen en wat is de fiscale relevantie?). Als u de agenda niet zou verstrekken, is het mogelijk dat de Belastingdienst een informatiebeschikking verstrekt en / of de administratie verwerpt. In beide gevallen wordt de bewijslast omgekeerd.
Belastingadviseur weigert agenda te verstrekken
In een procedure bij het Gerechtshof (in 2022) weigerde een belastingadviseur zijn agenda te verstrekken aan de Belastingdienst. De inspecteur wil deze agenda ontvangen om te kijken naar de afspraken inzake het verzorgen van aangiften inkomstenbelasting. In de agenda stonden zakelijke en privé-afspraken. De inspecteur stuurt een informatiebeschikking aan de belastingadviseur (omkering bewijslast). Zowel de rechtbank als het gerechtshof zijn het met de inspecteur eens. Het standpunt van de inspecteur is redelijk en de informatie uit de (privé- en zakelijke) agenda is fiscaal relevant. Dit komt mede omdat de belastingadviseur ook privé-afspraken inzake aangiften voor vrienden in zijn agenda noteert. Dat deze afspraken geen geld opleveren en dus geen bron van inkomen vormen, wordt als "flauwekul" verworpen door het gerechtshof. De rechter komt tot het volgende:
- RO 4.16: Naar het oordeel van de rechtbank mocht de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de door hem gevraagde gegevens en bescheiden van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing. Aangezien belanghebbende afspraken voor het invullen van belastingformulieren voor mensen in de vriendenkring in zijn privé-agenda noteert (…), zou die agenda van belang kunnen zijn voor de heffing van IB/PVV en omzetbelasting in de betrokken jaren. De stelling van belanghebbende dat de Belastingdienst al over de gegevens zou beschikken, verandert dit niet.
Dat de privé-agenda niet is bewaard, komt voor rekening en risico van de belastingadviseur. De algemene beginselen en artikel 8 EVRM worden niet geschonden. De Hoge Raad heeft op 5 april 2024 de uitspraak van het Gerechtshof bevestigd (ECLI:NL:HR:2024:528)
Noot belastingadviseur inzake verstrekken agenda aan Belastingdienst
Aan de inspecteur moet (op grond van artikel 47 en 49 AWR) alle fiscaal relevante informatie worden verstrekt.
Bij een boekenonderzoek of een controle wordt veel informatie door de Belastingdienst opgevraagd. Belangrijk is dat een belastingplichtige zijn rechten bij een boekenonderzoek kent en ook de regie gaat houden over de stukken die worden verstrekt en de antwoorden die worden gegeven. Het inschakelen van een ervaren fiscalist is dus bittere noodzaak. Vertrouwelijke informatie of adviezen hoeven niet te worden verstrekt, ook informatie van een advocaat hoeft niet te worden verstrekt aan de Belastingdienst (geheimhouding / fair play). Een inspecteur moet tijdens een onderzoek ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen en moet dus zorgvuldig de belangen van een belastingplichtige afwegen. Een inspecteur wijzen op deze beginselen en / of fairplay of de fiscale relevantie is dus niet gek. Ook mag een inspecteur niet - zonder toestemming van belastingplichtige - in kasten of een computer kijken. Als de inspecteur voornemende is om een boete op leggen (vraag hierom), moet hij / zij u op de cautie wijzen (zwijgrecht). Tenslotte moet de inspecteur u altijd een redelijke termijn geven en moet u erop letten dat u niet zomaar alle vragen gaat beantwoorden.
Op grond van de inlichtingenverplichting moet iedere ondernemer (belastingplichtige) op verzoek van de Belastingdienst de informatie verstrekken die voor zijn belastingheffing (of die van anderen) relevant is of kan zijn. Dit geldt ook voor het verstrekken van uw agenda. Als een belastingplichtige de informatie niet meer heeft is geen sprake van schending van de inlichtingenverplichting, tenzij de belastingplichtige (zoals in deze casus) een administratieplichtige is.
Tenslotte, het is verstandig om een privé- en zakelijke agenda te bezitten !
Bron verstrekken agenda aan belastingdienst
Gerechtshof Den Bosch d.d. 12 januari 2022 ECLI:NL:GHSHE:2022:38
Rechtbank Zeeland - West Brabant d.d. 25 juni 2020 ECLI:NLRBZWB:2020:2670
Bewaarplicht Belastingdienst
Voor particulieren geldt geen wettelijke bewaarplicht. Maar voor naheffingen door de Belastingdienst is het slim om uw administratie 5 jaar te bewaren, soms kunnen ook vragen worden gesteld bij verhoging van uw hypotheek of verbouwing van uw eigen woning. Voor bedrijven en zelfstandigen geldt wel een wettelijke bewaarplicht van 7 tot 10 jaar. In de kern
- Basisgegevens 7 jaar
- Gegevens onroerende zaken 10 jaar
Geen bewaarplicht voor particulieren
Particulieren hebben feitelijk geen bewaarplicht voor hun administratie. Omdat de belastingdienst maximaal over de laatste 5 jaren kan navorderen is het wel verstandig om uw administratie (bankafschriften en onderliggende informatie belastingaangifte) te bewaren.
Bewaarplicht financiële gegevens van bedrijven
Bedrijven en zelfstandigen moeten hun administratie 7 jaar bewaren. Er zijn ook gegevens die een bedrijf 10 jaar moet bewaren. De gegevens die u moet bewaren zijn in ieder geval de volgende:
- kasadministratie (ook kladaantekeningen) en kassabonnen
- financiële aantekeningen, zoals het inkoop- en verkoopboek
- tussentijds gemaakte controleberekeningen
- ontvangen facturen en kopieën van verzonden facturen
- bankafschriften
- contracten, overeenkomsten en andere afspraken
- agenda's en afsprakenboeken
- correspondentie
- software en databestanden
- grootboekkaarten
- debiteuren en crediteuren administratie
- in en verkoop administratie
- loonadministratie
- gegevens die van belang zijn voor belastingheffing van derden
- voorraad administratie en voorraad waardering
Waarom is het belangrijk om gegevens voor de belastingdienst te bewaren?
Als uw administratie niet juist of volledig is kan dit extreem vervelende gevolgen hebben. De belastingdienst kan zelf een schatting maken van uw omzet en winst en op grond hiervan een aanslag opleggen (redelijke schatting). Als u het hiermee niet eens bent dan moet u bewijzen dat de berekening onjuist is (omkering van de bewijslast)
Toelichting op bezwaarplicht bedrijven
Digitale bankafschriften van de zakelijke rekening
Bij de meeste banken kunt u maximaal 2 jaar uw digitale bankafschriften downloaden. Doe dit dus elk jaar (en wellicht nog beter elk kwartaal). U moet immers de bankafschriften van de laatste 7 jaar opslaan.
Bankafschriften van de privérekening
Soms maken niet alleen je zakelijke bankafschriften, maar ook je bankafschriften van je privérekening(en) deel uit van de administratie. Deze kun je dus het beste ook downloaden en bewaren. Als de belastingdienst vraagt om uw privé administratie is het verstandig om een belastingadviseur te raadplegen, de informatie moet namelijk fiscaal wel relevant zijn.
Agenda op je telefoon of op papier en bewaarplicht belastingdienst
De zakelijke agenda op je telefoon of op papier moet worden bewaard omdat deze (soms) tot uw administratie behoort. Het is verstandig om een privé en zakelijke agenda bij te houden op uw telefoon. Hiermee kunt u voorkomen dat de belastingdienst ook zicht krijgt op uw privé agenda (wat weer vragen kan oproepen).
Zakelijke e-mails en bewaarplicht belastingdienst
Zakelijke e-mails maken deel uit van de administratie van uw bedrijf, deze moet u dus bewaren. Maak ook regelmatig een backup en zorg ervoor dat privé mails apart worden bewaard en/of op een ander mailadres binnenkomen.
Kassabonnen en facturen en bewaarplicht belastingdienst
Sommige kassabonnen en facturen worden geprint op thermisch papier, deze vervagen na verloop van tijd. Maak dus tijdig een scan.
Digitaal bewaren van gegevens
Gegevens die je digitaal ontvangt of opmaakt (bijvoorbeeld facturen) moet je ook digitaal bewaren. Zorg ervoor dat er altijd een backup is.
Contante omzet, alle bescheiden bewaren
Ontvang je omzet in contanten, dan moet je een kasadministratie bijhouden. Ook alle basisgegevens waarmee je deze kasadministratie opmaakt moet je bewaren. Denk hierbij aan detailgegevens van de kassa, kascontroles, kladbriefjes en dergelijke. Maak dus niet teveel stukken, stukken die worden opgesteld moeten worden bewaard. Werk zoveel mogelijk met digitale systemen.
Digitale (inkoop)facturen uit cloudomgeving
Sommige facturen, zoals facturen van je telefoon- of internetprovider, staan in een cloud-omgeving bij de provider. Je kunt deze achteraf nog wel downloaden, maar soms is deze mogelijkheid beperkt. Als je net overgestapt bent naar een andere provider, dan kun je vaak niet meer bij je gegevens komen. Download daarom ook deze facturen regelmatig en sla ze digitaal op.
