Volg ons op:

Twitter Updates

Fiscaal procederen: over gelijk hebben en gelijk krijgen

Een veelgehoorde klacht is dat ondernemers in geschillen met de Belastingdienst overtuigd zijn van hun gelijk, maar dat het lastig is dat gelijk bij de Belastingdienst te halen. Daarbij leeft de gedachte dat procederen bij de belastingrechter duur en omslachtig is.

Gelijke behandeling en bewijsproblemen

Het komt regelmatig voor dat ondernemers in hun omgeving vernemen dat een collega-ondernemer door de Belastingdienst anders (gunstiger) wordt behandeld dan zijzelf. Soms is de wet duidelijk en kan op die wijze tamelijk eenvoudig worden bereikt dat de wet correct wordt toegepast en de aanslag verlaagd.

Soms wordt echter de wet niet correct toegepast bij de collega-ondernemer. Dan komen we op het terrein van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel.

Er zijn in het kort drie manieren om de gunstigere behandeling ook deelachtig te worden:

  1. Er is beleid waarop de gunstigere behandeling is gebaseerd.
  2. Er is een oogmerk van begunstiging.
  3. De meerderheidsregel.

In alle gevallen moet de belastingplichtige bewijzen dat inderdaad sprake is van een (onterechte) gunstigere behandeling. Dat bewijs blijkt in de praktijk zeer lastig te leveren.

De meerderheidsregel

De meerderheidsregel was aan de orde in een recente procedure. In het kort houdt die regel in dat, als in een meerderheid van gelijke gevallen sprake is van een gunstige toepassing, er voor de belastingplichtige ook aanspraak bestaat op een gunstigere behandeling. Daaraan zijn wel de nodige mitsen en maren verbonden en uitzonderingen op te maken.

In een recente zaak was het volgende aan de hand. Een belastingplichtige heeft een auto van de zaak en voor het privégebruik wordt maandelijks een bedrag op zijn salaris ingehouden. Althans op papier. Na onderzoek van de FIOD blijkt sprake van een constructie waarbij de maandelijkse betalingen / inhoudingen niet zien op het privégebruik maar dienen als aflossing op de koopsom van de auto na afloop van de leasetermijn.

In dergelijke gevallen is de inhouding niet aftrekbaar. Belanghebbende had de kosten echter wel in aftrek gebracht. De inspecteur vordert na over de afgetrokken inhouding. Terecht, zo zou je denken. Belanghebbende werpt echter de meerderheidsregel in de strijd.

Er lijkt sprake van een soort ‘adviesproduct’, aangezien belanghebbende in staat is overtuigend een aantal gelijke gevallen op te lepelen waarbij de aangifte in vergelijkbare gevallen niet is gecorrigeerd en niet is nagevorderd. Daarmee voldoet hij volgens de rechter aan zijn zogenoemde stelplicht en bewijslast. Dan is het aan de Belastingdienst te bewijzen dat de meerderheidsregel niet is geschonden.

De Belastingdienst kiest ervoor om het FIOD-rapport (waarin kennelijk 39 vergelijkbare zaken worden genoemd) over de constructie niet in het geding te brengen. De inspecteur heeft echter ook eigen onderzoek verricht, hetgeen resulteert in een lijst met 19 vergelijkbare gevallen. Die lijst is echter dermate krakkemikkig, dat de rechter deze onvoldoende vindt voor het bewijs dat (in meerderheid) wel juist is geheven. Het beroep op de meerderheidsregel wordt toegewezen. De navordering wordt vernietigd.

Een mooi voorbeeld van (volgens de wet) ongelijk hebben maar gelijk krijgen.

Beloning voor ongewenst gedrag?

Een curieuze zaak waarin de ene belastingplichtige gelijk krijgt en de andere, in ogenschijnlijk dezelfde situatie, niet.

Beide belanghebbenden zijn ondernemer in de prostitutiebranche en stellen tegen een vergoeding kamers ter beschikking aan prostituees voor de duur van een dag(deel) of week(deel). Beiden beschikken over een vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting. De voorwaarden van de vergunning zien op hygiëne en veiligheid.

Nu is de enkele verhuur van onroerende zaken vrijgesteld van BTW. Dat geldt ook voor de (korte) verhuur van kamers als in deze zaken. Dan moet wel sprake zijn van ‘kale’ verhuur. De voorwaarden van de vergunning brengen in beginsel mee dat voor de hygiëne en de veiligheid diensten moeten verricht waardoor er niet langer sprake is van ‘kale’ verhuur. Bij een ‘combinatie’ van verhuur en dienstverlening geldt geen vrijstelling. Tot zover geen probleem.

Daar waar de zaken uit elkaar gaan lopen, is het naleven van de vergunningsvoorwaarden. Bij de eerste exploitant blijkt dat de voorwaarden worden nageleefd. Dan is er dus geen vrijstelling en volgt normale BTW-heffing over de (huur)inkomsten. Bij de tweede exploitant staat echter vast dat hij er een potje van maakt en de vergunningsvoorwaarden niet naleeft. Daarmee is geen sprake van (aanvullende) dienstverlening. Wat resteert is ‘kale’ verhuur. Onbelast derhalve. Door het verschil in dienstverlening is geen sprake van gelijke gevallen.

De belastingrechter gaat niet over de moraliteit van belastingplichtige en diens activiteiten. Afgezien van de gevolgen voor de verleende vergunning wordt de ‘immorele’ exploitant dus fiscaal bevoordeeld. Fiscaal gezien haalt hij terecht zijn gelijk.

Conclusie

Procederen tegen de Belastingdienst heeft zin. Duur hoeft het ook niet te zijn. Neem contact op voor een gratis gesprek. Daarin maken we een inschatting van uw kansen en de kosten van een procedure.

Een garantie op succes kunnen we helaas niet geven. Wel de beste kans daarop.

Bron / rechtspraak

Hof Den Haag, 24 juli 2013.

Hoge Raad, 6 december 2013.

Hoge Raad, 6 december 2013.

Zie ook:

Belastingheffing amoreel of immoreel?


Meer weten van fiscaal procederen: gelijk hebben en krijgen



Auteur(s) van fiscaal procederen: gelijk hebben en krijgen


mr. D.J.B. Jongbloed Dennis).
Fiscaal Jurist, DGA

088 027 00 00
d.jongbloed@jongbloed.tv


Jongbloed Fiscaal Juristen N.V.
Marthalaan 5
7511 AZ Enschede
, Overijssel

mr. J.A.P.N. Antonis (Rob).
Fiscaal Jurist ,

0880270000
r.antonis@jongbloed.tv




Jongbloed Fiscaal Juristen N.V.
Marthalaan 5
7511 AZ Enschede
, Overijssel

Artikel datum : 20-12-2013 | Artikel laatst gewijzigd : 10-10-2018

© 2018 Jongbloed Fiscaal Juristen