Belastingdienst moet zoeken in alle zwarte lijsten
Zwarte lijsten Belastingdienst worden openbaar
De Raad van State dwingt de belastingdienst om in alle zogeheten fraudelijsten (ook verborgen lijsten) te zoeken naar informatie over een belastingplichtige, dit is duidelijk geworden in een uitspraak van de Raad van State op 30 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5793). In deze zaak lieten 2 inwoners uit het zonnige Bonaire het er niet bij zitten. Volgens de zonnige burgers uit Bonaire heeft de Belastingdienst onvoldoende onderzocht of zij voorkomen in het (verborgen) fraude registratie systeem.
Deze uitspraak kan tot een golf van informatie verzoeken leiden!
Zwarte lijsten bij de Belastingdienst over personen en bedrijven
De hoogste bestuursrechter was klip en klaar. De rechter zet vraagtekend bij eerdere mededelingen van het ministerie en de Belastingdienst. Dit komt ondermeer doordat er een aantal maanden geleden een digitale datakluis met 25.000.000 bestanden is gevonden, deze bestanden zijn buiten de zoekacties gebleven.
In deze zaak ging het om 2 inwoners uit Bonaire die na eerdere onthullingen over de FSV (Fraude Signalering Voorziening) wilden weten of ze bij de Belastingdienst op een zwarte lijst stonden. Aanleiding hiervoor was dat ze niet in aanmerking kwamen voor een betalingsregeling met de Belastingdienst en niet begrepen hoe dit kon.
Ruim 6 jaar geleden is gebleken dat de Belastingdienst - op grote schaal - burgers en bedrijven als mogelijk fraude risico personen heeft geregistreerd, soms gegrond en soms op ondeugdelijke gronden. Door een dergelijke registratie gingen er soms alarmbellen af, soms terecht en soms onterecht. Meestal kwam bij een verzoek de melding "u staat niet op de lijst". De Belastingdienst heeft echter - volgens de Raad van State - niet voldoende gezocht en moet haar huiswerk opnieuw maken.
Gevolgen voor de Belastingdienst
De uitspraak verschuift de last van ‘wat hebben we gevonden’ naar ‘waar hebben we gezocht’. Dat raakt de fiscus op vier fronten.
- Uitvoering. Elk inzageverzoek naar risicosignalen vergt voortaan een zoekslag in de datakluis en andere afgeschermde omgevingen. Bij circa 25 miljoen bestanden — grotendeels ongestructureerd — is dat geen druk op de knop. De termijn van art. 12 lid 3 AVG (maximaal drie maanden) wordt voor veel verzoeken onhaalbaar; termijnoverschrijding en dwangsommen liggen op de loer.
- Herbeoordeling van oude besluiten. Eerdere afwijzingen of ‘niets gevonden’-mededelingen zijn kwetsbaar. Formele rechtskracht staat niet in de weg aan een nieuw verzoek: het inzagerecht kan herhaald worden uitgeoefend (art. 12 lid 5 AVG begrenst alleen kennelijk ongegronde of buitensporige verzoeken). Een tweede verzoek na deze uitspraak is niet buitensporig, maar evident gemotiveerd.
- Inhoudelijke blootstelling. Inzage in de redenen van registratie kan nieuwe discriminatie- en onrechtmatigheidsvragen blootleggen — met als mogelijke vervolgstappen schadeclaims (art. 82 AVG), handhaving door de Autoriteit Persoonsgegevens (die de fiscus in 2022 al € 3,7 miljoen boete gaf voor de FSV) en politieke verantwoording (en Jetten heeft het al zo druk).
- Bewaren versus vernietigen. Gegevens die onrechtmatig zijn verwerkt, moeten op grond van art. 17 AVG worden gewist. Zolang inzageverzoeken en procedures lopen, mag niets verdwijnen dat de burger nodig heeft. Die spanning moet de fiscus expliciet en controleerbaar beheersen.
Onze verwachting is dat de Belastingdienst gaat werken met gestandaardiseerde zoekprotocollen, verlengde termijnen, etc. Dat laatste is in deze context lastig: wie een systeem onrechtmatig gebruikte, maakt moeilijk aannemelijk dat inzage een zwaarwegend fiscaal belang schaadt. Doo normaal, zou men in Twente zeggen: geef de burger gewoon wat van hem is.
Mogelijkheden voor belastingplichtigen
Voor wie vermoedt dat de fiscus hem als risico heeft gemarkeerd — een geweigerde betalingsregeling, boekenonderzoek, bijzondere vragen over de aangifte inkomstenbelasting of toeslagen, onverklaarbaar intensieve controles, een afgewezen teruggaaf — is de route nu scherper dan ooit. Een nieuw, breed geformuleerd art. 15 AVG-verzoek is het vertrekpunt. Maar wat zijn de mogelijkheden?
- Nieuw AVG-verzoek: met expliciete verwijzing naar de datakluis en deze uitspraak.
- Bezwaar en beroep tegen een onvolledig besluit:
- Ingebrekestelling en dwangsom (art. 4:17 Awb), bij overschrijding van de termijn
- Klacht bij de Autoriteit Persoonsgegevens, bij structureel onvolledige inzage
- Schadevergoeding (verzoek aan bestuursorgaan of bij de rechter)
Strategisch advies voor de DGA en de vermogende particulier: vraag ook inzage namens de vennootschap en verbonden entiteiten. Rechtspersonen hebben geen AVG-rechten, maar het verzoek van de DGA ziet wel op zijn persoonsgegevens in het dossier van de BV, zoals bestuurdersnamen in risicosignalen. Voor de BV zelf is de Woo geen begaanbare weg (artikel 67 AWR). Dossierinzage in een lopende bezwaar- of beroepsprocedure (art. 7:4 en 8:42 Awb) is dan de aangewezen route.
Let wel op het volgende;
- Het is een procedurele, geen inhoudelijke winst. De Afdeling zegt niet dát de burgers op een lijst staan, alleen dat beter moet worden gezocht. De uitkomst kan alsnog ‘niets gevonden’ zijn.
- De minister kan onderdelen weigeren ter bescherming van toezichts- of opsporingsbelangen. Wel moet dat per gegeven en gemotiveerd; de rechter kan via art. 8:29 Awb meekijken zonder dat de burger de stukken ziet.
- Kennelijk ongegronde of buitensporige verzoeken (art. 12 lid 5 AVG). Massale, sjabloonmatige verzoeken zonder enige aanleiding kunnen dat verweer uitlokken. Houd het verzoek dus concreet en persoonlijk.
- Bij een kluis van deze omvang is het realistisch dat beslissingen maanden of jaren op zich laten wachten. Een termijnvergoeding compenseert dat maar beperkt.
- Contra-argument van de fiscus. De minister kan stellen dat de datakluis een archief is waarin niet actief wordt verwerkt. Dat verweer is zwak: opslag ís verwerking (art. 4 sub 2 AVG), en wie gegevens bewaart, moet er inzage in kunnen geven.
- Inzage kan ook stukken opleveren die de belastingplichtige niet welgevallig zijn. Wie inzage vraagt terwijl een fiscaal geschil loopt, moet dat strategisch afstemmen.
Voorbeeld brief inzake informatie verzoek achterhouden informatie belastingdienst
AANGETEKEND
Belastingdienst
Postbus 2508
6401 DA Heerlen
Betreft: verzoek om inzage in persoonsgegevens ex artikel 15 AVG — risicosignalen voor fraude, inclusief datakluis en afgeschermde digitale omgevingen ten name van ............wonende te ......... aan de ................ (BSN Nummer)
Geachte heer, mevrouw,
Ondergetekende, [naam], geboren op [datum], hierna: verzoeker, verzoekt u hierbij op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) om bevestiging of de Belastingdienst persoonsgegevens van verzoeker verwerkt of heeft verwerkt, en zo ja, om inzage daarin. Dit verzoek ziet uitdrukkelijk op alle gegevensbestanden, applicaties en systemen waarin risicosignalen voor fraude met betrekking tot personen worden of zijn verwerkt, waaronder maar niet beperkt tot de Fraude Signalering Voorziening (FSV), daarmee vergelijkbare of daaraan voorafgaande systemen, risicomodellen, signaallijsten, lokale bestanden en spreadsheets.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5793, verzoekt verzoeker u uitdrukkelijk de zoekslag eveneens uit te strekken tot de in 2019 in gebruik genomen datakluis en tot alle overige afgeschermde digitale omgevingen binnen de Belastingdienst. De Afdeling heeft geoordeeld dat een mededeling dat geen gegevens zijn aangetroffen, zonder doorzoeking van deze omgevingen niet zonder meer geloofwaardig is.
Verzoeker verzoekt u, conform artikel 15, eerste lid, AVG, mede te verstrekken:
- de verwerkingsdoeleinden;
- de betrokken categorieën van persoonsgegevens, waaronder de aard van eventuele registraties of signaleringen en de daaraan ten grondslag liggende redenen of criteria
- de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt;
- de bewaartermijn of de criteria daarvoor;
- de herkomst van de gegevens, voor zover niet bij verzoeker verzameld;
- het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, waaronder profilering, en nuttige informatie over de onderliggende logica en de gevolgen daarvan voor verzoeker, waaronder de gevolgen voor betalingsregelingen, uitstel van betaling, teruggaven en controles.
Verzoeker verzoekt voorts op grond van artikel 15, derde lid, AVG om een volledige kopie van de persoonsgegevens, met inbegrip van uittreksels uit documenten en databanken voor zover dat noodzakelijk is om de gegevens in hun context te kunnen begrijpen (HvJ EU 4 mei 2023, C-487/21).
Verzoeker verzoekt u in uw besluit inzichtelijk te maken welke systemen en omgevingen zijn doorzocht, op welke wijze en met welke zoektermen, en welke systemen of omgevingen niet zijn doorzocht en waarom niet.
Indien u meent dat een beperking als bedoeld in artikel 23 AVG juncto artikel 41 Uitvoeringswet AVG van toepassing is, verzoekt verzoeker u dit per gegeven concreet te motiveren, met inachtneming van de eisen van noodzakelijkheid en evenredigheid, en de overige gegevens onverkort te verstrekken.
Verzoeker verzoekt u uitdrukkelijk geen gegevens die onder dit verzoek vallen te vernietigen of te wijzigen zolang dit verzoek en eventuele daaropvolgende procedures niet onherroepelijk zijn afgerond.
Verzoeker wijst u op de beslistermijn van artikel 12, derde lid, AVG. Een beslissing op dit verzoek geldt ingevolge artikel 34 Uitvoeringswet AVG als besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Verzoeker behoudt zich alle rechten voor, waaronder het recht op schadevergoeding op grond van artikel 82 AVG.
Ter identificatie treft u bijgaand een kopie van een geldig identiteitsbewijs aan, waarop de pasfoto en het BSN zijn afgeschermd.
Ik verzoek u de ontvangst van dit verzoek schriftelijk te bevestigen, dit zowel per post als per e-mail op adres .............@...........
Hoogachtend,
Naam / Handtekening
Bijlagen: kopie identiteitsbewijs (afgeschermd)
Noot fiscaal jurist inzake zwarte lijsten belastingdienst
Het is eigenlijk best pijnlijk of schrijnend dat de Raad van State na 6 jaar nog steeds de Belastingdienst moet dwingen om zich aan de wet te houden. Het is voor een belastingplichtige belangrijk om te kunnen weten waarom bepaalde besluiten door de Belastingdienst zijn genomen. Als er zand in de raderen zit kan op grond van onjuist informatie een onjuist besluit worden genomen. Het gebrek aan openheid aan de kant van de Belastingdienst is dan niet prettig. In deze procedure kregen de belastingplichtigen gelijk en tevens een kostenvergoeding van € 6.500 en € 2.000 schadevergoeding omdat het allemaal zo lang heeft geduurd (termijnoverschrijding).
Drie lessen worden helder in deze uitspraak
- Reikwijdte: Een verzoek naar een zwarte lijst is geen verzoek naar de FSV alleen maar naar elk systeem bij de Belastingdienst met fraude signalen
- Geloofwaardigheid: de gebruikelijke bewijslast bij "er zijn geen stukken gevonden" kantelt zodra vaststaat dat relevante bronnen niet zijn doorzocht.
- Procesorde: beroep tegen het nieuwe besluit gaat rechtstreeks naar de afdeling zonder tussenkomst van de rechtbank.
Kennisgroepstandpunt belastingdienst is geen wetgeving
Het kennisgroepstandpunt als onbedoelde wet
Steeds vaker merken wij in de praktijk dat de belastingdienst bij vooroverleg of bij een boekenonderzoek verwijst naar hun eigen bibliotheek, de standpunten van een kennisgroep (op dit moment meer dan 1.000). Deze standpunten lijken steeds meer een verlengde te worden van wetgeving. Dit maakt het voor de inspecteur en ook de belastingadviseur en belastingplichtige soms nodeloos ingewikkeld. Gelukkig is er nu een motie aangenomen die vraagt om meer ruimte bij de inspecteur.
Rechters doen formeel niks met kennisgroep standpunten
De rechtbank Zeeland West Brabant oordeelde in 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:4081) al dat er niet wordt geoordeeld op grond van kennisgroepstandpunten maar op grond van de wet. Nadeel is dat de inspecteur wel intern is gebonden aan dergelijke standpunten (vaste gedragslijn). Dit is in de praktijk het grootste probleem. Hierdoor ontstaat de merkwaardige situatie dat een mening van een groep deskundigen bij de belastingdienst geen formele wetgeving (en zelf geen beleidsregel) is maar voor de individuele inspecteur in de praktijk toch vrijwel dezelfde bindende werking heeft. De Belastingdienst erkent deze spagaat ook zelf.
Inspecteurs van de belastingdienst moeten - binnen de kaders van de wet en jurisprudentie - de ruimte houden om rekening te houden met de omstandigheden van een individueel geval, dit om altijd tot een redelijke oplossing te komen.
Inleiding: 'sorry, dat staat in een kennisgroepstandpunt'
Kennisgroepen spelen binnen de Belastingdienst een steeds belangrijker rol bij de toepassing en uitleg van belastingwetgeving en jurisprudentie. In deze kennisgroepen wordt kennis over specifieke fiscale onderwerpen gebundeld en besproken en worden standpunten ingenomen over de wijze waarop wetgeving, besluiten of jurisprudentie in een bepaalde situatie moet worden uitgelegd.
In een motie die is aangenomen (motie-Van Eijk/Inge van Dijk (Kamerstukken II 31066, nr. 1568) wordt erop gewezen dat deze kennisgroepen geen wet of formeel beleid zijn (dat weet elke fiscaal jurist al lang). De kamer vraagt de regering daarom om te waarborgen dat kennisgroep standpunten niet onnodig beperkend werken op de beoordelingsruimte van inspecteurs.
Kennisgroepen werken soms tegenstrijdig en geven geen duidelijkheid
De mening bij ons op kantoor is belangrijk maar het is geen wet. De mening van inspecteurs bij de belastingdienst zijn ook geen wetgeving, ook niet als deze worden vastgelegd in een kennisgroepstandpunt en/of op een internetsite worden geplaatst.
Wie regelmatig met de inspecteur aan tafel zit, kent het gesprek. De feiten zijn helder, de uitkomst van het standpunt is in dit geval onredelijk, de inspecteur ziet dat ook. En dan komt het: 'Ik snap uw punt, maar sorry, dat staat in een kennisgroepstandpunt.' Einde gesprek.
Roma locuta, causa finita – Rome heeft gesproken, de zaak is gesloten. Alleen zit Rome in dit geval ergens in Utrecht of Apeldoorn, heeft het de belastingplichtige nooit gehoord en staat zijn woord nergens in het Staatsblad. Een oudere fiscaal jurist, zoals ik zelf, kan hier niet mee leven, we hebben de trias politica (scheiding der machten) niet voor niks in ons DNA opgenomen. Wetgeving loopt langs de tweede kamer, de eerste kamer en komt dan in de staatscourant. Dat is een wet, de rest (zoals besluiten of kennisgroepstandpunten) zijn meningen.
In Twente zeggen we dan: 't is nig anders (het is niet anders). Die berusting is in het dagelijks leven een deugd, maar in de fiscale verhouding tussen burger en overheid is ze een probleem. Dit artikel onderzoekt waarom, wat de motie wel en niet verandert, en hoe u als adviseur met kennisgroepstandpunten omgaat.
Kennisgroepen: van vraagbaak naar gezaghebbende stem
Kennisgroepen zijn interne expertteams van de Belastingdienst, per wet
of onderwerp georganiseerd. Een inspecteur die met een lastige uitlegvraag
zit, legt die aan de kennisgroep voor; het antwoord is een standpunt dat
voor alle vergelijkbare gevallen geldt. Het doel is legitiem: eenheid van
uitvoering, zodat de ene DGA in Enschede niet anders wordt behandeld dan
de andere in Maastricht.
Sinds 2023 worden vastgestelde standpunten gepubliceerd op kennisgroepen.belastingdienst.nl. Dat is winst voor de transparantie, maar het heeft ook het gewicht van de standpunten vergroot. De Belastingdienst schrijft er zelf over, met verwijzing naar de staatssecretaris, dat kennisgroepstandpunten 'dezelfde betekenis hebben als formeel vastgesteld beleid' en dat 'de inspecteur is gehouden dit kennisgroepstandpunt toe te passen' (KG:206:2024:2), tja gekker moet het niet worden!
Een intern advies is een interne instructie geworden, en een interne instructie laat de inspecteur geen ruimte meer. De inspecteur die het standpunt onredelijk vindt, heeft formeel één route: terug naar de kennisgroep. De belastingplichtige heeft er geen: hij is geen partij bij die procedure, wordt niet gehoord en ziet de motivering vaak pas achteraf. Audi alteram partem (hoor ook de andere partij) is hier geen onderdeel van het proces.
Juridische status kennisgroep standpunten : geen wet, wel een vaste gedragslijn
Een kennisgroepstandpunt is geen wet, geen beleidsbesluit en geen beleidsregel in de zin van artikel 1:3 lid 4 Awb. Het is een interne uitleg die, zodra hij consequent wordt toegepast, feitelijk werkt als een vaste gedragslijn. Dat onderscheid klinkt academisch, maar het bepaalt wie zich erop kan beroepen en wie eraan gebonden is.
- De wet gaat voor. Belastingen worden geheven uit kracht van een wet (art. 104 Gw). Een kennisgroepstandpunt kan de wet niet aanvullen of beperken. De rechter toetst aan de wet en geeft het standpunt geen bijzonder gewicht: het is één gezaghebbende uitleg naast literatuur en lagere jurisprudentie. Lex dura, sed lex (de wet is hard, maar het is de wet)? Nee: hier geldt eerder lex, non opinio – de wet, niet een mening. Feitelijk zou een kennisgroepstandpunt dezelfde waarde moeten hebben als een boek of notitie van een gezaghebbende hoogleraar of erg slimme fiscaal jurist.
- Een gunstig standpunt bindt de Belastingdienst. Rechtbank Rotterdam oordeelde dat kennisgroepstandpunten 'materieel dezelfde waarde hebben als formeel vastgesteld beleid': een in beginsel vaste gedragslijn (ECLI:NL:RBROT:2022:6695). De belastingplichtige kan zich dus via het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel op een voor hem gunstig standpunt beroepen, ook als de rechter de wet strenger zou uitleggen.
- Een ongunstig standpunt bindt de belastingplichtige niet. Hij kan het bij de rechter gewoon bestrijden. De rechter is er niet aan gebonden.
- De inspecteur zit er klem tussen. Intern moet hij het standpunt toepassen; extern mag hij de wet niet ongunstiger toepassen dan die luidt. Als het standpunt materieel beleid is, dan hoort daar logischerwijs ook de gedachte van artikel 4:84 Awb bij: een bestuursorgaan handelt volgens zijn beleid, tenzij dat voor een belanghebbende wegens bijzondere omstandigheden onevenredige gevolgen heeft. Wie de lusten van beleid claimt, moet ook de lasten dragen. Of 4:84 Awb op een kennisgroepstandpunt rechtstreeks van toepassing is, is niet uitgekristalliseerd; het principe is in ieder geval sterk.
Kritiek: uniformiteit als eenrichtingsverkeer dat niet verder helpt
Het probleem is niet dát er kennisgroepen zijn, maar hóe hun standpunten in de praktijk doorwerken. Vier punten springen eruit.
- Asymmetrie. Een gunstig standpunt kan de burger inroepen, een ongunstig standpunt moet hij bestrijden tot aan de rechter. Voor een mkb'er of DGA met een belang van enkele duizenden euro's is procederen economisch onhaalbaar. Het standpunt wordt dan feitelijk de eindbeslissing, zonder dat een onafhankelijke rechter er ooit naar heeft gekeken en het standpunt is gebaseerd op de mening van een ambtenaar (en niet van de wetgever).
- Geen hoor en wederhoor. De kennisgroep beslist op basis van de casus zoals de inspecteur die voorlegt. De belastingplichtige kan zijn feiten en argumenten niet zelf inbrengen. Wat binnenkomt als een genuanceerde zaak, komt terug als een algemene regel.
- Verlies van maatwerk. Een standpunt is per definitie abstract. Juist bij DGA's, familiebedrijven en internationale structuren zijn de feiten zelden standaard. Summum ius, summa iniuria: het strengste recht is het grootste onrecht. Een regel die in 95% van de gevallen redelijk uitpakt, kan in de overige 5% onevenredig hard zijn, en daar moet de inspecteur kunnen bijsturen.
- Professionele verschraling. Een inspecteur die geleerd heeft dat zijn oordeel er niet toe doet, stopt met oordelen. Dat is slecht voor de kwaliteit van de uitvoering en voor het vertrouwen van burgers. Het is ook precies het beeld dat na de toeslagenaffaire niet meer zou terugkeren: een systeem dat de regel boven de mens stelt.
In Twente kennen we het begrip noaberschap: burenplicht, naar elkaar
omkijken en samen tot een redelijke oplossing komen. Tussen inspecteur
en belastingplichtige is dat geen romantiek maar een rechtsstatelijke opdracht.
De algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheids-
en evenredigheidsbeginsel (art. 3:2 en 3:4 Awb), vragen om een beoordeling
van het concrete geval.
De tweede motie: eerder schikken, minder doorprocederen
In dezelfde stemmingen is de motie-Oosterhuis/Inge van Dijk aangenomen
(Kamerstukken II 31066, nr. 1572). Die vraagt het kabinet de laagdrempelige
fiscale rechtsbescherming te verbeteren: geschillen vroegtijdig oplossen,
bijvoorbeeld via mediation, en terughoudend zijn met hoger beroep (Taxence).
Motie om eerder te schikken, minder te procederen en via mediaton fiscale conflicten op te lossen
De andere motie gaat nog een stapje verder (motie 29 september 2026). Mediation en een informeel overleg na bezwaar werken alleen als de inspecteur aan tafel iets te bieden heeft. Een inspecteur die gebonden is aan een standpunt, kan niet schikken over precies het punt waar het geschil om draait. Dan is mediation een lege handeling. Wie echt wil dat geschillen niet uitgroeien tot jarenlange procedures, moet de inspecteur dus ook de bevoegdheid en de menselijke ruimte geven om een compromis te sluiten.
De oproep tot terughoudendheid met hoger beroep raakt aan hetzelfde punt. Een Belastingdienst die elke verloren zaak doorprocedeert om een standpunt overeind te houden, maakt van de individuele belastingplichtige een proefkonijn voor rechtsvorming. Voor principiële vragen bestaat inmiddels de prejudiciële procedure (art. 27ga AWR) en het procederen op kosten van de Staat; die instrumenten verdienen de voorkeur boven het uitputten van een individuele burger.
Tegenargumenten: de verdediging van de kennisgroep
Eerlijk is eerlijk: er zijn goede redenen om kennisgroepen niet af te schaffen. De belangrijkste argumenten die wij in ons mooie Enschede kunnen bedenken zijn de volgende:
- Rechtsgelijkheid. Zonder centrale sturing hangt de uitkomst af van de inspecteur die je treft. Dat is willekeur, en willekeur is erger dan een strenge regel.
- Kwaliteit. Een inspecteur heeft niet op elk terrein diepgaande kennis. De kennisgroep bundelt die expertise en voorkomt fouten, ook in het voordeel van belastingplichtigen.
- Voorspelbaarheid. Gepubliceerde standpunten geven adviseurs zekerheid vooraf. Ze zijn bruikbaar bij structurering en bij het onderbouwen van aangifteposities.
- Risico op ongelijke deals. Meer vrijheid voor de inspecteur kan leiden tot maatwerk voor wie de beste adviseur heeft. Dat is ook geen rechtvaardige uitkomst.
Deze argumenten zijn terecht, maar ze pleiten voor kennisgroepen als vraagbaak en richtsnoer, niet als eindstation. De motie vraagt ook niet om afschaffing. Ze vraagt dat standpunten niet onnodig beperkend werken. De oplossing ligt in een afwijkingsbevoegdheid met motivering en registratie, zodat uniformiteit het uitgangspunt blijft en maatwerk de uitzondering, maar wel een echte uitzondering.
Praktische handvatten voor de adviespraktijk en noot fiscaal jurist
Totdat het kabinet de motie uitwerkt, verandert er formeel niets. De inspecteur blijft intern gebonden. Wat kunt u als adviseur nu al doen?
- Onderscheid de feiten. Een standpunt geldt voor 'vergelijkbare gevallen'. Laat met concrete feiten zien waarom uw casus afwijkt. Dat is de snelste route, want dan hoeft de inspecteur niet van het standpunt af te wijken.
- Vraag om voorlegging. Verzoek de inspecteur uw casus met uw argumenten opnieuw aan de kennisgroep voor te leggen. Lever zelf een schriftelijke onderbouwing aan, zodat uw standpunt ongefilterd bij de kennisgroep terechtkomt.
- Beroep op evenredigheid. Stel expliciet dat toepassing in uw geval onevenredig uitpakt (art. 3:4 lid 2 Awb, en naar analogie art. 4:84 Awb). Verwijs naar de motie als uitdrukking van de wens van de Kamer dat maatwerk mogelijk blijft (een motie bindt de rechter niet, maar weegt in het gesprek met de inspecteur).
- Toets het standpunt aan de wet of (nieuwe) jurisprudentie. Een standpunt heeft voor de rechter geen bijzonder gezag. Analyseer of het de wet juist uitlegt. Zo niet, dan is bezwaar en beroep een reële optie.
- Gebruik gunstige standpunten actief. Andersom kunt u uw cliënt beroepen op een gunstig standpunt via het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel, ook als de wettekst minder ruim is.
- Zoek de weg van overleg. Vraag naar mediation of een informeel gesprek in de bezwaarfase. Na de tweede motie is weigeren daarvan lastiger uit te leggen.
- Denk aan proceskosten en prejudiciële vragen. Voor principiële kwesties kan procederen op kosten van de Staat of een prejudiciële vraag (art. 27ga AWR) de kosten voor uw cliënt beperken.
Doe maor gewoon, dan doej al gek genog, zeggen ze in Twente (doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg). Dat geldt ook hier: geen principiële strijd tegen de kennisgroep, wel een goed gedocumenteerd verhaal waarom uw cliënt een ander antwoord verdient.
Een kennisgroepstandpunt is geen wet, maar werkt in de praktijk als een interne wet voor de inspecteur, zonder de waarborgen die bij echte wetgeving horen. De Belastingdienst behandelt het als beleid als dat uitkomt, maar ontneemt de inspecteur de afwijkingsruimte die bij beleid hoort. De motie-Van Eijk/Inge van Dijk legt de vinger op die zere plek. De echte toets komt nu: hoe werkt het kabinet de motie uit? Een geloofwaardige uitwerking bevat ten minste:
- een expliciete afwijkingsbevoegdheid voor de inspecteur bij bijzondere omstandigheden, met motivering;
- de mogelijkheid voor belastingplichtigen om hun argumenten zelf in te brengen bij de kennisgroep;
- een koppeling met de tweede motie, zodat mediation en schikkingen ook
over standpunt-kwesties mogelijk zijn.
Tot die tijd geldt voor de adviseur: neem het standpunt serieus, maar niet heilig. Het laatste woord is aan de wet en de rechter en niet aan iemand die erg slim is en bij de kennisgroep werkt.
De ambtshalve vermindering van belastingaanslagen
Aanslag onherroepelijk? De ambtshalve vermindering als tweede kans
U ontvangt een aanslag, de zes weken voor bezwaar is verlopen en pas daarna blijkt dat de aanslag te hoog is. Shit, te laat met reageren, maar zijn er nog mogelijkheden? In dit artikel een uiteenzetting van de mogelijkheden om alsnog met de belastingdienst in overleg te komen.
Het kan een vergeten aftrekpost zijn, een fout in de aangifte of een arrest van de Hoge Raad dat later uitkomt. De aanslag staat dan onherroepelijk vast, maar daarmee is niet alles verloren. Via een verzoek om ambtshalve verminderingkan de inspecteur de aanslag alsnog verlagen. De mogelijkheden zijn wel begrensd. De box 3-procedureshebben laten zien hoe hard die grenzen kunnen zijn: na het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 2026 krijgen belastingplichtigen die geen bezwaar hebben gemaakt geen rechtsherstel.
In dit artikel leest u wanneer ambtshalve vermindering mogelijk is, waar de inspecteur het verzoek mag afwijzen, wat de rechtspraak en de kennisgroepen van de Belastingdienst daarover zeggen en wat u in de praktijk kunt doen.
Het wettelijk kader bij een ambtshalve vermindering
Optie 1 bij de ambtshalve vermindering
Voor de meeste belastingen ligt de grondslag in art. 65 AWR.
- Het eerste lid bepaalt: "Een onjuiste belastingaanslag of beschikking kan door de inspecteur ambtshalve worden verminderd.
- Volgens het tweede lid geldt hetzelfde voor wie een onjuist bedrag op aangifte heeft voldaan of afgedragen, of van wie te veel is ingehouden. Denk aan de btw, de loonheffingen en de dividendbelasting.
- Het woord kan is belangrijk: art. 65 AWR geeft een bevoegdheid, geen recht. Hoe de inspecteur die bevoegdheid gebruikt, staat in paragraaf 23 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB).
- Volgens de Belastingdienst regelt het BFB uitputtend in welke gevallen de inspecteur zijn bevoegdheid gebruikt, zie kennisgroep KG:206:2024:2. Het BFB bevat een uitputtende regeling van de gevallen, waarin de inspecteur gebruik maakt van zijn bevoegdheid ex artikel 65 AWR om ambtshalve te verminderen.
Optie 2 bij de ambtshalve vermindering
Voor de inkomstenbelasting geldt een eigen regime in art. 9.6 Wet IB 2001, uitgewerkt in art. 45aa Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Dat regime is voor de belastingplichtige op drie punten gunstiger:
- De inspecteur is verplicht, niet alleen bevoegd. In de aangewezen gevallen wordt een onjuiste aanslag ambtshalve verminderd (art. 9.6 lid 2 Wet IB 2001).
- Een verzoek binnen zes weken leidt tot vermindering. Volgens art. 9.6 lid 3 Wet IB 2001 wordt een te hoge aanslag verminderd als het verzoek is ingediend binnen de termijn van art. 6:7 Awb. Een herziene aangifte die tot vermindering strekt, geldt als verzoek om ambtshalve vermindering (lid 4).
De termijn: vijf jaar, met weinig ruimte voor uitzonderingen
Een verzoek om ambtshalve vermindering moet binnen vijf jaar worden ingediend. Bij aanslagbelastingen begint die termijn na het einde van het kalenderjaar waarop de aanslag betrekking heeft. Voor de inkomstenbelasting heeft de Hoge Raad dit op 2 december 2022 bevestigd (ECLI:NL:HR:2022:1795). een verzoek voor de Vennootschapsbelasting over 2021 moet dus uiterlijk op 31 december 2026 worden ingediend.
Een valkuil bij navorderingsaanslagen.
De termijn loopt vanaf het einde van het belastingjaar en niet vanaf de dagtekening van de aanslag. Wordt een navorderingsaanslag pas na die vijf jaar opgelegd, dan is een verzoek om ambtshalve vermindering dus al te laat. De Hoge Raad vindt dat niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel Voor de praktijk betekent dit: maak bij een late navorderingsaanslag altijd tijdig bezwaar, want er is geen tweede kans.
Termijnoverschrijding bij ambtshalve aanslagen
Een verzoek dat op tijd is verstuurd maar buiten de termijn binnenkomt, kan verschoonbaar zijn (Hoge Raad 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1871) In 2024 heeft de Hoge Raad de maatstaf voor verschoonbaarheid versoepeld. Bij persoonlijke omstandigheden komt het erop aan (ECLI:NL:HR:2024:515). Echter... wie jarenlang de tijd had voor een verzoek, zal alleen niet snel verschoonbaar te laat zijn.
Wanneer mag de inspecteur een verzoek om amtshalve vermindering weigeren?
Ook binnen de termijn kan de inspecteur een verzoek afwijzen. De belangrijkste gronden zijn:
- Geen aangifte gedaan, of informatie- en administratieverplichtingen geschonden. In dat geval hoeft de inspecteur niet te verminderen, tenzij u overtuigend aantoont dat en in hoeverre de aanslag onjuist is (paragraaf 23 lid 6 BFB, zoals weergegeven door Van der Veen). Het bewijs dat u moet leveren is dan zwaar.
- U komt redelijkerwijs niet in aanmerking. De inspecteur mag bij het verzoek ook feiten meenemen die u zelf niet noemt. De Hoge Raad oordeelde al in 2006 dat er rekening moet worden gehouden met andere feiten die grond opleveren om de vermindering of teruggaaf te beperken, zodat per saldo (zoveel mogelijk) sprake is van een juiste belastingheffing, zie kennisgroep KG:206:2025:3. Een verzoek kan dus uitlopen op een lagere vermindering dan u vroeg. De kennisgroep trekt wel een grens bij de gecombineerde aanslag IB/PVV.
- Wie een keuze of een beroep op een faciliteit bij de aangifte had moeten doen, kan dat niet via ambtshalve vermindering herstellen. de Hoge Raad heeft op 19 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1719) laat zien hoe streng dat uitpakt. Een belastingplichtige had de lening van haar vader voor de eigen woning niet in de aangifte vermeld. Volgens de Hoge Raad is die vermelding een voorwaarde om de desbetreffende lening tot de eigenwoningschuld te rekenen. Een beroep op evenredigheid hielp niet. De renteaftrek was voor dat jaar definitief verloren. Soortgelijke risico's spelen bij doorschuifregelingen, keuzeregimes en andere voorwaarden die de wet aan de aangifte koppelt.
- Een vormvoorschrift niet gevolgd. Houdt u zich niet aan een voorgeschreven vorm voor het verzoek en herstelt u dat niet binnen de hersteltermijn, dan wordt het verzoek afgewezen (art. 4:5 Awb).
- Nieuwe jurisprudentie of nieuw beleid. Deze grond heeft de meeste gevolgen en wordt hierna apart besproken.
Nieuwe jurisprudentie en nieuw beleid: de kern van het box 3-dossier
Is een aanslag al onherroepelijk op het moment dat een gunstig arrest of gunstig beleid verschijnt, dan leidt dat niet tot ambtshalve vermindering. Volgens de Belastingdienst beoordeelt de inspecteur een verzoek aan de hand van wet, jurisprudentie en beleid zoals die golden op de dag voordat de aanslag onherroepelijk werd (paragraaf 23 lid 13 BFB, geciteerd in KG:206:2024:2).
Box 3: geen rechtsherstel voor wie geen bezwaar maakte
Na het Kerstarrest (Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963) oordeelde de Hoge Raad op 20 mei 2022 dat het arrest geen gevolgen heeft voor aanslagen die toen al vaststonden (zie Hoge Raad d.d. 20 mei 2022 ECLI:NL:HR:2022:720)
Daarna volgde de massaalbezwaarplusprocedure, met als uitkomst het arrest van 25 juni 2026. De Hoge Raad toetste de uitzondering voor nieuwe jurisprudentie aan het evenredigheidsbeginsel en hield haar in stand (zie Hoge Raad 25 juni 2026 ECLI:NL:HR:2026:907)
Dat de rechtspraak een schending van grondrechten uit het EVRM vaststelt, verandert daar niets aan (r.o. 4.4.7). Een opening voor het individuele geval blijft wel bestaan: bijzondere omstandigheden waardoor toepassing van de uitzondering onredelijk bezwarend zou zijn, of een buitensporige individuele last (r.o. 4.4.11–4.4.12 en 4.6). De Hoge Raad benadrukt daarbij dat de samenstelling en omvang van inkomen en vermogen buiten die bijzondere omstandigheden geen rol spelen. De lat ligt dus hoog en zelden kan bij nieuwe jurisprudentie nog een voordeel worden gehaald, het is niet anders! Maar er zijn soms mogelijkheden.
De uitzondering: de inspecteur mocht zijn standpunt redelijkerwijs niet juist vinden
Van belang voor de praktijk is Hoge Raad d.d. 26 april 2024 ECLI:NL:HR:2024:667 . De inspecteur kan zich niet op nieuwe jurisprudentie beroepen "indien hij bij het opleggen van die aanslag is uitgegaan van een rechtsopvatting waarvan hij redelijkerwijs niet mocht menen dat die juist was". De toets gebeurt naar de stand van het recht op het moment dat de aanslag onherroepelijk werd.
De kennisgroep past deze lijn ook toe op nieuw beleid, dit is dus meer de route van een "pleitbaar standpunt". Wie aannemelijk kan maken dat het standpunt van de inspecteur al bij het opleggen van de aanslag niet houdbaar was, heeft hier dus een ingang. In box 3 lukte dat niet: de rechtbank oordeelde dat de inspecteur redelijkerwijs van de juistheid van zijn rechtsopvatting mocht uitgaan
Kennisgroepstandpunten tellen als nieuw beleid, in beide richtingen
De Belastingdienst merkt een kennisgroepstandpunt aan als nieuw beleid. Een gunstig standpunt dat pas verschijnt nadat uw aanslag vaststaat, helpt u daarom in beginsel niet. Er is een uitzondering: bestond er vóór het onherroepelijk worden al een vaste gedragslijn met dezelfde inhoud, dan kunt u zich daarop beroepen. Het loont dus om uit te zoeken of de 'nieuwe' lijn in werkelijkheid al eerder werd gevolgd, bijvoorbeeld via stukken die op grond van de Woo openbaar zijn gemaakt.
Rechtsbescherming: een verschil tussen de inkomstenbelasting en de andere belastingen
Tegen een belastingbesluit staat alleen beroep open als het gaat om een aanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking (art. 26 AWR). Voor de inkomstenbelasting heeft de wetgever de afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering uitdrukkelijk als bezwaarbare beschikking aangemerkt (art. 9.6 lid 5 Wet IB 2001). Voor de andere belastingen, zoals de vennootschapsbelasting, de btw, de loonheffingen en de erfbelasting, is dat niet gebeurd.
In die gevallen blijft alleen de burgerlijke rechter over, en daar is de kans op succes klein
Wat kunt u als belastingplichtige doen?
- Maak bezwaar als het nog kan. Ambtshalve vermindering is een vangnet en geen vervanging van bezwaar. Met bezwaar heeft u rechtsbescherming en profiteert u van latere rechtspraak. Bij twijfel kunt u pro forma bezwaar maken en de gronden later aanvullen. De box 3-zaken laten zien wat het kost om dat niet te doen.
- Controleer eerst de termijn. Gaat het om een aanslagbelasting, dan loopt de termijn tot vijf jaar na het einde van het belastingjaar. Bij een navorderingsaanslag die laat wordt opgelegd, is bezwaar de enige route.
- Kies het juiste regime. Bij de inkomstenbelasting krijgt u op een afwijzing een bezwaarbare beschikking en daarmee toegang tot de rechter. Bij de andere belastingen moet het verzoek meteen volledig en overtuigend zijn, omdat er meestal geen rechter naar kijkt.
- Onderbouw het verzoek zoals een bezwaarschrift. Geef de feiten, de berekening, de bewijsstukken en de juridische grondslag. Houd er rekening mee dat de inspecteur ook naar andere onderdelen van de aanslag kan kijken. Beoordeel daarom vooraf of het verzoek per saldo iets oplevert.
- Is de onjuistheid ontstaan door nieuwe rechtspraak of nieuw beleid? Onderzoek dan (a) of het standpunt van de inspecteur bij het opleggen van de aanslag redelijkerwijs houdbaar was (HR 26 april 2024), (b) of er al eerder een gelijkluidende vaste gedragslijn bestond (KG:206:2024:2), en (c) of de minister een afwijkende regeling heeft getroffen. Pas daarna is een beroep op bijzondere omstandigheden in de zin van HR 25 juni 2026 aan de orde. Dat laatste vraagt concrete, individuele feiten.
- Keuzes en voorwaarden goed in de aangifte. Wat de wet aan de aangifte koppelt, zoals gegevens over een lening van familie of een keuzeregime, is na het onherroepelijk worden van de aanslag niet meer te herstellen. Controleer dit vóór indiening.
- Bent u te laat? Leg de omstandigheden vast. Beroept u zich op verschoonbaarheid, zorg dan voor bewijs van de omstandigheid die u verhinderde en dien alsnog in binnen zes weken nadat die omstandigheid is weggevallen.
Noot fiscaal jurist inzake ambtshalve mogelijkheden
Ambtshalve vermindering is een bruikbaar middel om een onherroepelijke aanslag te laten corrigeren, vooral bij feitelijke fouten en bij de inkomstenbelasting. De grenzen zijn na 2026 duidelijk. De uitzondering voor nieuwe jurisprudentie staat vast (HR 25 juni 2026), kennisgroepstandpunten worden als nieuw beleid behandeld, en buiten de inkomstenbelasting is er geen fiscale rechtsgang tegen een afwijzing. De ruimte die overblijft zit in de details: een standpunt van de inspecteur dat redelijkerwijs niet houdbaar was, een eerdere vaste gedragslijn, verschoonbare termijnoverschrijding en uitzonderlijke individuele omstandigheden. De belangrijkste les blijft dat een tijdig bezwaarschrift meer bescherming biedt dan een verzoek achteraf.
Vragen? Neem gerust contact met ons op.
Belastingdienst vraag om inzake in mailbox
De grenzen van het de fiscale informatie bevoegdheid
Op dit moment sturen we vrijwel geen faxen of brieven, de meeste communicatie gaat via de mail, whats app en andere digitale routes. De administratie van een onderneming bestond voorheen uit ordners en fysieke facturen, tegenwoordig is deze vervangen door slimme software pakketten en emailboxen. Hierbij loopt privé en zakelijke informatie en administratie en fiscale adviezen door elkaar. De inspecteur heeft veel rechten maar mag niet onbeperkt door uw mailboxen grasduinen op zoek naar informatie.
Wij merken dat inspecteurs steeds vaker vragen om de gehele mailbox, alle
whats app verkeer, onderliggende pakbonnen en ga zo maar door. Dit leidt
tot een spanningsveld tussen de wettelijke controlebevoegdheden enerzijds
en de grondrechtelijke bescherming van persoonsgegevens, privacy en het
verschoningsrecht. Voor de fiscale praktijk is dit – voor zowel ondernemers
als voor belastingadviseurs- een lastig terrein, waar liggen de juridische
en fiscale grenzen?
Het wettelijke kader bij een onderzoek door de belastingdienst
Het startpunt van een informatie verzoek door de belastingdienst staat keurig in artikel 47 AWR. Op grond van deze bepaling is een ieder gehouden om (desgevraagd) aan de inspecteur gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. Via artikel 53 AWR geldt dit ook voor ondernemers en voor informatie van derden.
Hoewel het wettelijke criterium prima facie (op het eerste gezicht) uiterst ruim is geformuleerd, ontbreekt een wettelijke bevoegdheid om ultra vires (buiten de wettelijke bevoegdheid tredend) ongeclausuleerd in gegevensdragers te speuren. Een mailbox als zodanig kwalificeert niet als 'de administratie'; hoogstens bevinden zich administratieve bescheiden binnen die mailbox.
Vissen in de administratie en hopen op een mooie fiscale vangst
Het verbod op 'fishing expeditions' en het motiveringsbeginsel begrenzen de vraatzucht van de inspecteur. De inspecteur mag de hem toegekende bevoegdheden niet aanwenden voor een fishing expedition (een willekeurige zoektocht waarbij op goed geluk naar belastbare feiten wordt gehengeld).
Uit de vaste jurisprudentie en parlementaire geschiedenis volgt dat de inspecteur gebonden is aan het evenredigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De inspecteur dient gemotiveerd te onderbouwen waarom de opgevraagde gegevens a priori (vooraf) redelijkerwijs relevant kunnen zijn voor de belastingheffing. Een generiek verzoek om "alle e-mails over de afgelopen vijf jaar" ontbeert deze vereiste concretisering en schendt de grenzen van een rechtmatige bevoegdheidsuitoefening.
Fairplay beginsel bij een onderzoek door de belastingdienst
Het informele verschoningsrecht van een belastingadviseur speelt zeker een rol. Dit recht berust op het fair play beginsel (eerlijk proces). De Hoge Raad heeft in een paar arresten de regels duidelijk gemaakt
- Hoge Raad 23 september 2005 ECLI:NL:HR:2005:AU3140 en
- Hoge Raad 27 april 2012 ECLI:NL:HR:2012:BV3426
geoordeeld dat de inspecteur zijn controlebevoegdheden niet mag aanwenden om kennis te nemen van fiscale adviezen die zijn opgesteld om de fiscale positie van de belastingplichtige te belichten.
De adviseur van de Hoge Raad (de AG) geeft in 2024 nog een paar aanwijzingen.
In zijn gezaghebbende conclusie van 20 december 2024 ECLI:NL:PHR:2024:1402)
betoogt advocaat-generaal Koopman dat het primaat bij de selectie van deze
stukken bij de adviseur zelf ligt:
- Het is in eerste instantie aan de adviseur om te bepalen welke correspondentie onder het informele verschoningsrecht valt;
- Deze toetsing mag vervolgens niet eenzijdig door de controlerend inspecteur zelf plaatsvinden;
- Het informele verschoningsrecht strekt zich eveneens uit tot derdenonderzoeken op grond van art. 53 AWR.
De EU wetgeving en onderzoeken van de belastingdienst
Verzoeken tot toegang tot mailboxen raken rechtstreeks de fundamentele rechten op respect voor het privé leven en de hetgeen hierover is omschreven in artikel 8 van het EVRM. Een inmenging in dit recht is uitsluitend gerechtvaardige als deze berust op een voldoende specifieke wettelijke grondslag. In een arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens d.d. 8 januari 2026 kwam dit aan de orde in de zaak Ferrieri en Bonassisa versus Italie. Het EHRM stelt vast dat Italie artikel 8 EVRM schond door bij banken gegevens op te vragen zonder toereikende wettelijke afbakening en zonder voorafgaande onafhankelijke rechterlijke toetsing (lees ook dit uitgebreide artikel)
Eenvoudige conclusie is dat het opvragen van een volledige mailbox – zonder voorafgaande waarborgen – niet langer EVRM proof is. Indien de inspecteur onrechtmatig kennisneemt van niet-fiscale privégegevens of verschoningsgerechtigde adviezen, dient in rechte een beroep te worden gedaan op bewijsuitsluiting in dubio pro fisco mag hierbij nimmer de maatstaf zijn (bij twijfel mag niet ten gunste van de fiscus worden beslist wanneer grondrechten zijn geschonden).
Belastingdienst vraagt informatie op banken, nieuwe regels
Naar aanleiding van de Europese rechtspraak hanteert de Belastingdienst
met ingang van 1 juli 2026 intern de vernieuwde Instructie informatieverzoeken
aan banken. Hierin is vastgelegd dat belastingplichtigen tijdig
moeten worden geïnformeerd over derdenverzoeken en dat verzoeken vooraf
getoetst moeten worden door de vaktechnisch coördinator Formeel Recht.
Checklist voor ondernemers en belastingadviseurs
- Maak een scheiding tussen privé informatie, adviezen en zuiver zakelijke informatie
- Gebruik een zakelijk mailadres en een privé mailadres in aparte mailboxen
- Archiveer adviezen van uw accountant, fiscalist en advocaat in aparte mailboxen met de tekst “verschoningsrecht of vertrouwelijk”
- Vraag de inspecteur om een toelichting omtrent de informatie, welke informatie is van belang en zoek bijvoorbeeld binnen uw mailbox op deze termen.
- Maak een intern protocol zodat bij uitvraag van informatie altijd toestemming van het bestuur van de vennootschap nodig is.
- Zorg ervoor dat informatie niet eindeloos in uw mailbox blijft staan en keurig wordt gearchiveerd in verschillende mappen.
- Vraag de inspecteur schriftelijk om het verzoek te specificeren op concrete belastingmiddelen, belastingjaren en rechtshandelingen
- Vraag de inspecteur om te motiveren wat de fiscale relevante is van de informatie. Wijs om de ontoelaatbare fishing expedition
- Indien de inspecteur weigert in te stemmen met een redelijk tegenvoorstel en volhardt in de integrale opvraag, stuur dan aan op het formaliseren van het geschil via een informatiebeschikking
Bron en vindplaatsen informatie verzoek belastingdienst
Instructie informatieverzoeken banken
Hoge Raad 23 september 2005 ECLI:NL:HR:2005:AU3140
Hoge Raad 27 april 2012 ECLI:NL:HR:2012:BV3426
Advocaat Generaal d.d. 20 december 2024 ECLI:NL:PHR:2024:1402
Ambtshalve aanslagen Belastingdienst vaak te hoog
Belastingplichtigen die een ambtshalve aanslag krijgen worden vaak benadeeld. De aanslag blijkt in de meeste gevallen veel te hoog. Dit volgt uit een brief van de inspectie belastingdienst, toeslagen en douane aan onze staatssecretaris. In de brief van 9 juni 2026 worden deze zorgpunten gedeeld. De aanleiding voor de brief is een eerder rapport inzake vroegsignaleringen. In dit artikel worden - voor de leesbaarheid - bedragen en percentage afgerond.
Uit het onderzoek blijkt dat 78.000 mensen een ambtshalve aanslag ontvingen (gemiddeld te betalen 7.000 euro). Bij de mensen die alsnog een aangifte indienen bleek bij 87% van de gevallen de aanslag lager uit te vallen, gemiddeld daalde de aanslag van € 12.000 tot € 4.000. Door de ambtshalve "machine" komen dus veel mensen in geldnood.
Wat is een ambtshalve aanslagen?
Als de belastingdienst u vraag om aangifte te doen bent u wettelijk verplicht de aangifte in te vullen en te versturen. Reageert u niet op de uitnodiging tot het doen van aangifte dan krijgt u een herinnering en uiteindelijk een aanmaning. Als hierop geen reactie volgt dan zal de belastingdienst - op grond van een schatting - een aanslag opleggen. De basis voor deze schatting is bij de belastingdienst bekende informatie, dit noemen we een ambtshalve aanslag.
Wordt er een boete opgeleg bij een ambtshalve aanslag ?
Er wordt vrijwel altijd een (verzuim) boete opgelegd, deze varieert tussen de € 470 en € 6.700 euro.
Waarom wordt er geen aangifte door belastingplichtigen ingediend?
De belangrijkste redenen dat mensen geen aangifte indienen zijn de volgende:
- geen vertrouwen in de overheid
- geen kennis omtrent indienen aangifte
- gezondheidsproblemen
- onvoldoende kennis van het belastingstelsel
- verminderd doenvermogen of psychische problemen
- beperkte digitale of taalvaardigheid
- bang voor de blauwe enveloppe
Juist deze groep moet worden beschermd tegen veel te hoge ambtshalve aanslagen en zou eigenlijk hulp moeten krijgen.
Hoe nauwkeurig zijn de schattingen van de belastingdienst?
- In 87% van de gevallen daalt de aanslag
- In 7% van de gevallen blijft de aanslag gelijk
- In 6% van de gevallen stijgt de aanslag
Daarnaast zijn de dalingen vrij fors, bij 36% van de genoemde groep daalt de aanslag zelfs met € 5.000 of meer. Bij 59% van de mensen die alsnog aangifte doen blijft er uiteindelijk niks over (of krijgen ze geld terug).
Het onderzoek van de belastingdienst blijkt zorgwekkend slecht. Bij 10% van de onderzochte dossiers was de vastlegging onvoldoende en is onduidelijk hoe tot de schatting is gekomen. Bij de directie MKB (ondernemers) was de schatting in 25% van de gevallen matig tot slecht. De gevolgen voor de belastingplichtige zijn ernstig. Door de belastingaanslag met boete daalt veelal ook de zorgtoeslag, huurtoeslag en/of het kindgebonden budget. Ook kan de eigen bijdrage in de zorg toenemen. Door deze elllende kan ook nog de studiebeurs van de kinderen in gevaar komen. Het is dus een waterval aan ellende die zich over de belastingplichtige kan uitstorten.
Belangenbehartiger voor belastingplichtigen en bedrijven
Sinds 2025 kennen we een nieuwe instantie, de Belangenbehartiger voor belastingplichtigen en toeslaggerechtigden. Deze belangenbehartiger heltp bedrijven en particulieren die vastlopen met hun aangiften (dossiers) of als u hulp nodig heeft. Maar waar kun je nog meer terecht als je tegen een muur van regels aanloopt als (MKB) bedrijf of particulier:
- klachtenregeling bij de belastingdienst
- mediaton via de belastingdienst
- nationale ombudsman
- commissie voor verzoekschriften van de eerste en tweede kamer
Noot fiscaal jurist inzake ambtshalve aanslagen
Een zorgwekkende brief met opmerkelijke conclusies. Dit temeer omdat sinds 2014 de belastingdienst alleen nog ambtshalve aanslagen heeft opgelegd als belastingplichtigen geld moeten betalen, bij een teruggave wordt geen brief verzonden (en hoort de belastingplichtige dus niks). Belangrijkste advies is dan ook dat de belastingplichtige bij een uitnodiging tot het doen van aangifte alsnog aangifte gaat doen. Vraag hierbij hulp bij het juridische loket, scholen, de belastingdienst of een belastingadviseur.
De gevolgen voor een te hoge ambtshalve aanslag zijn stevig en werken ook door bij de verlaging van de zorgtoeslag, huurtoeslag en/of het kindgebonden budget (en wellicht nog bij de studiebeurs van de kinderen).
Het IBDT wijst in haar brief op het feit dat de Belastingdienst verplicht is een redelijke schatting van het inkomen te maken en dat hierbij een inspannings- en onderzoeksplicht van toepassing is. In 10% van de gevallen is dit onvoldoende en bij ondernemers zelfs bijna 25%. De inspectie roept de bewindspersonen op om een beter inzicht te krijgen in het schattingsproces bij de Belastingdienst. Ook zouden mensen die recht hebben een op teruggave een bericht van de Belastingdienst moeten ontvangen. De belastingdienst laat in een reactie weten dat ze het belangrijk vinden dat een ambtshalve aanslag zorgvuldig wordt opgelegd. Over enkele maanden zal de belastingdienst inhoudelijk reageren.
De inspecteur moet een schatting met feitelijke stellingen onderbouwen zodat zij de redelijkheidstoets kan doorstaan, aldus de Hoge Raad op 17 augustus 2018. Willekeurig maar iets roepen of stellen door de inspecteur is niet toelaatbaar, aldus de Hoge Raad op 31 mei 2013. Met enige regelmaat zien we uitspraken voorbij komen waarbij de schatting op raadselachtige wijze tot stand is gekomen of waarbij de redelijkheid niet wordt betracht.
Schema uitspraken over onredelijke ambtshalve schattingen
Vindplaatsen en bronnen ambshalve aanslagen
Checklist fiscale procedure
Met enige regelmaat voeren wij voor belastingplichtigen en/of als ondersteuning van klanten van administratie- en accountantskantoren fiscale procedures bij de rechtbank en/of gerechtshoven. Ook worden er in voorkomende gevallen second opinions afgegeven over lopende procedures. Met ondersteuning van AI kunnen analyses en processtukken op dit moment vlot worden geanalyseerd. De betrouwbaarheid en creativiteit blijft altijd een issue, een ervaren fiscaal jurist met proces ervaring blijft dus noodzakelijk. AI maakt ons werk leuker, uitdagender en kan nieuwe inzichten geven. In dit artikel een overzicht van de do's en don'ts bij een fiscale procedure.
Hulp nodig bij een fiscale procedure in bezwaar of beroep? Vraag gerust een vrijblijvende offerte
De fiscale procedure, Do's & Don'ts
Procederen tegen de Belastingdienst is een fiscaal juridisch "spel" met eigen regels. Als u de spelregels kent vergroot u de kansen op succes. Het missen van termijnen, vergeten van termijnen of ruim opzetten van beroepschriften (materieel en formeel) zijn veel gemaakte fouten. In het kort de aftrap
- Aanslag wordt ontvangen
- Bezwaar binnen 6 weken (vergeet nieuwe feiten niet en vraag om een hoorzitting en dossierinzage)
- Beroep (rechtbank) binnen 6 weken (griffierecht particulieren € 50 en zakelijk € 365)
- Hoger beroep (gerechtshof) binnen 6 weken (griiffierecht particulieren € 136 en zakeljk € 548)
- Cassatie (Hoge Raad) binnen 6 weken (griffierecht gelijk aan Gerechtshof) > alleen rechtsvragen toelaatbaar
Aandachtspunten termijnoverschrijding bezwaarfase
Dien altijd een pro forma bezwaarschrift in als u termijnen dreigt te missen. Een ongemotiveerd bezwaarschrift (pro forma) is beter dan een te laat gemotiveerd bezwaarschrift. De belastingdienst zal u na ontvangst een termijn geven om te reageren.
- Vraag de inspecteur om uitstel voor motivering van uw pro forma bezwaarschrift, u heeft tenminste recht op 4 weken.
- Bij aangifte belasting (BTW, BPM) gaat de 6 weken termijn lopen op de betaaldatum en niet op de aangifte datum
- Mist u de termijn bekijk dan of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding (Hoge Raad d.d. 5 april 2024 ECLI:NL:HR:2024:515)
Aandachtspunten bezwaarfase belastingdienst
- Vraag altijd om een hoorgesprek met de belastingdienst. U kunt dan kijken of een oplossing voorhanden ligt en krijgt meer inzicht in de standpunten en bewijzen van de belastingdienst. Vraag om een gespreksverslag / notulen.
- Maak ook bezwaar tegen een eventuele boete (voorbeeld)
- Uitspraken van u - tijdens gesprekken voor de aanslag - mogen bij het opleggen van een boete soms niet worden gebruikt, zie criminal charge (kennisgroep KG:206:2023:6)
- Controleer bij een boete of de redelijke termijn is overschreden, zie kennisgroep standpunt KG:206:2025:2)
- Beroep u bij een boete eventueel op fouten van uw adviseur. Zie Rechtbank Gelderland d.d. 12 december 2025 ECLI:NL:RBGEL:2025:10887
- Maak bij het aankondigen van een vergrijpboete gebruik van uw zwijgrecht. Vraag tijdens onderzoek of er voornemende is tot het opleggen van een vergrijpboete.
- Voorafgaande aan het hoorgesprek is er een recht op dossierinzage. Stuur de inspecteur voordien een lijst met vragen en aandachtspunten en/of stukken die u wilt zien. Laat de inspecteur ook een inhoudsopgave maken van uw dossier. In dit artikel nemen wij u mee tijdens een hoorgesprek en hier kunt u alle aandachtspunten nog eens nalezen.
- Uw belastingadviseur kan eventueel ook digitaal bezwaar aantekenen (sinds 2025)
- Breng nieuwe standpunten, feiten en argumenten in tijdens de bezwaarfase
- Beroep u op het vertrouwensbeginsel, gaat vaak mis maar soms - met goede onderbouwing - zeker kansrijk.
Aandachtspunten bij de beroepsfase in fiscale zaken
- Argumenten: in elke fase (bezwaar, beroep en hoger beroep) kunt u nieuwe feiten, standpunten en argumenten naar voren brengen
- Primaire en subsidiaire standpunten: geef de rechter een alternatief als u hoofdstandpunt vaalt. U kunt meerdere alternatieve uitkomsten en routes aan de orde stellen.
- Verzoek explicitiet om een mondelinge behandeling (zitting).
- Bekijk of de redelijk termijn van 2 jaar is overschreden, dit kan een immateriele schadevergoeding meebrengen.
- Overzicht: zorg voor een heldere tijdlijn en overzicht van de feiten, draagt niet zoveel standpunten aan dat u de essentie uit het oog verliest.
- Bekijk of er algemene beginselen van behoorlijk bestuur bij u zijn geschonden. Dit is een onderdeel dat best kan van slagen kan hebben maar ook veel onderzoekstijd kan kosten.
- Betaal de griffierechten tijdig, bij niet tijdige betaling kan niet ontvankelijkheid van beroep volgen.
- Bij schending van uw verdedigingsbeginsel is er sneller recht op integrale proceskostenvergoeding, let hierop. Zie Hoge Raad d.d. 24 juni 2022 ECLI:NL:HR:2022:934
- Als de inspecteur alsnog (gedeeltelijk) aan uw bezwaren tegemoet komt bij de gang naar de rechter is er wellicht nog ruimte voor een hogere proceskostenvergoeding, zie Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 20 december 2022 ECLI:NL:GHARL:2022:10937
- Vraag om een proceskostenvergoeding en/of om vergoeding van alle (integrale) proceskosten
- Bekijk hoe de belastingdienst u op het spoor is gekomen, soms is dit via een klikbrief die u informatie voor uw zitting kan geven (zie Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 22 januari 2025 ECLI:NL:RBZWB:2025:300)
- Bekijk of alle bewijs van de inspecteur rechtmatig is verkregen.
- Verzoek om terugbetaling van het griffierecht.
- Immateriele schadevergoeding: vraag in voorkomende gevallen om een immateriele schadevergoeding. Zie Hoge Raad d.d. 14 juni 2024 ECLI:NL:HR:2024:853
- In voorkomende gevallen kan het verstandig zijn om adviseurs of betrokkenen op te roepen als getuige, let hierop.
- Wie stelt moet ook bewijzen: in fiscale zaken geldt als hoofdregel, wie stelt moet ook bewijzen. Als de inspecteur een correctie wil aanbrengen op uw aangifte dan moet de inspecteur daarvoor het bewijs leveren. Voor aftrekposten geldt het omgekeerde, die moet u aannemelijk maken (aannemelijk maken is de lichtst norm. De volgende stap is aantonen/ doen blijken, dit speelt enkel als de wet dit uitdrukkelijk heeft bepaald. De zwaarste sanctie die u kunt krijgen is de omkering van de bewijslast, dit treedt op als u niet voldoet aan informatieverzoeken of als u niet de vereiste aangifte heeft gedaan (zie Hoge Raad d.d. 24 april 2015 ECLI:NL:HR:2015:1083).
- De rechter kan u soms helpen maar veelal moet u argumenten zelf aanvoeren. Als bijvooorbeeld het vertrouwensbeginsel niet in uw stukken wordt benoemd mag de rechter die niet ambtshalve zomaar behandelen.
Op de zaak betrekking hebbende stukken in fiscale procedures
Dit is steeds vaker een belangrijk wapen in een fiscale procedure. Het volledige dossier moet u ter inzage worden verstrekt. Dit gaat om alle op de zaak betrekking hebbende stukken, deze moeten door de inspecteur worden verstrekt. Vaak is er discussie over welke stukken wel en niet moeten worden verstrekt.
- Bekijk of u alle op de zaak betrekking hebben stukken tijdens de bezwaarfase en dossierinzage heeft ontvangen.
- De inspecteur mag geen selectie maken van welke stukken wel en niet worden verstrekt (Hoge Raad d.d. 4 mei 2018 ECLI:NL:HR:2018:672)
- Ook stukken uit een strafrechtelijk onderzoek - die aan de inspecteur zijn verstrekt - moeten soms worden ingebracht (maar niet altijd), zie Hoge Raad d.d. 5 oktober 2018 ECLI:NL:HR:2018:1863.
- Betwist schriftelijk als u niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ontvangen.
Aandachtspunten bij hoger beroep in fiscale procedures
- Overweeg in hoger beroep een standpunt dat in beroep niet aan de orde geweest te bepleiten
- Breng nieuwe standpunten in als die voor u goed kunnen uitpakken
- Laat de procedure bij de rechtbank beoordelen door een andere / nieuwe fiscaal jurist
- Beoordeel alle stukken, inclusief de uitspraak, via AI (vraag eventueel een AI specialist)
Aandachtspunten tijdens de hoorzitting of zitten bij de rechter
- Controleer de uitnodiging voor datum, tijdstip en adres.
- Bekijk of de griffierechten tijdig zijn betaald.
- Zorg ervoor dat u een volmacht bij u heeft (als u adviseur bent van belastingplichtige), bekijk goed wie bestuurder van een BV is (zodat volmacht op de juiste naam staat). Bekijk ook of de volmacht voldoende ruim is opgesteld.
- Als er getuigen komen vang deze dan op bij de rechtbank of het Gerechtshof en bereid de getuigen voor op de mogelijke vragen.
- Wees op tijd, tenminste uurtje van tevoren bij de rechtbank of het Gerechtshof aanwezig zijn, vergeet uw paspoort, computer en dossier niet.
- Dien eventueel voor de zitting nog nadere stukken in, niet te laat want dit is in strijd met de goede procesorde.
- Bereid een pleitnotitie voor, beknopt en gestructureerd met explicitiete verwijzigingen naar wellicht recente ECLI nummers (tenminste 10 dagen voor de zitting, liever eerder). Neem de pleitnotitie - tenminste in 4 voud - mee naar de zitting. Overhandig de pleitnotitie aan de rechter en inspecteur.
- Verzoek de rechter om gerichte vragen te stellen aan de inspecteur over onderwerpen die u beide anders ziet
- Verschijn nooit slecht of onvoldoende voorbereid op een zitting
- Overweeg een schikking altijd, en dus niet klakkeloos afwijzen of eigenwijs zijn.
Turbo liquidatie en niet ontbonden stichting
In politiek Den Haag en door de belastingdienst wordt kritisch gekeken naar de turbo liquidatie (kamervragen en rapport belastingdienst), ook rechters gaan er regelmatig goed voor zitten.
Veel bestuurders denken dat een BV of stichting definitief is verdwenen zodra de kamer van koophandel een turbo liquidatie heeft geregistreerd. Een uitspraak van het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 25 maart 2026 (ECLI:NL:GHSHE:2026:812) maakt duidelijk dat de belastingdienst soms ook bij een ontbonden stichting zijn geld kan ophalen.
Advies nodig inzake een turboliquidatie en de fiscale gevolgen? Neem gerust contact op.
Turbo liquidatie en navorderingsaanslag
Een turbo liquidatie maakt de fiscale claim niet ongedaan. De inspecteur kan ook na ontbinding (navorderings) aanslagen opleggen en de ontbonden BV kan daartegen procederen zolang een heropening van de vereffening denkbaar is.
Een DGA liquideerde zijn BV's aan de lopende band. De BV's handelende in emballage goederen en auto's. Als de bank of belastingdienst lastige vragen gingen stellen volgt een liquidatie (of beter turbo liquidatie). Na een boekenonderzoek van de Belastingdienst en een strafrechtelijk onderzoek van de FIOD wordt het nadeel voor de belastingdienst ingeschat op ruim 4.000.000. Er worden navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting opgelegd. De Rechtbank Noord Nederland is het op 24 augustus 2026 ECLI:NL:RBNHO:2026:10995met de belastingdienst eens.
Navorderingsaanslagen bij stichting na turboliquidatie
In 2018 zijn 2 stichtingen ontbonden, de stichtingen zijn in 2012 opgericht. De stichting diende na de ontbinding nog aangiften vennootschapsbelasting in te dienen. In de aangifte vennootschapsbelasting over 2017 staat nog € 20.000 aan activa vermeld, dit geldt ook voor de aangiften over 2018 en 2019. De stichting stelt zelf dat er geen baten meer zijn en dat rechtsgeldig een turbo liquidatie is toegepast.
De FIOD gaat er eens voor zitten en verstrekt informatie aan de Belastingdienst, die vervolgens een onderzoek instellen. Na dit boekenonderzoek (2020) zijn aan deze stichtingen navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting opgelegd, betekening op het voormalige adres van de stichting (is adres vereffenaar). De vereffenaar stelt dat de aanslagen niet op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt. De rechtbank is het met de vereffenaar eens. De navorderingsaanslagen zijn alleen betekend aan belanghebbende en niet aan de andere personen binnen de stichting. Ook is de termijn voor het opleggen verstreken.
Noot fiscaal jurist inzake turbo liquidatie stichting
In deze zaak staat centraal of een stichting na ontbinding daadwerkelijk was opgehouden te bestaan, nu er na de ontbinding nog baten aanwezig waren (volgens de aangifte vennootschapsbelasting). Als het vermogen nog niet is vereffend en de stichting wel is ontbonden is deze nog niet opgehouden te bestaan, aldus het Gerechtshof. Het hof is er vlot klaar mee, de melding bij de kamer van koophandel "geen baten dus geëindigd" is niet doorslaggevend. Er waren nog baten dus geen geldige turboliquidatie. De KvK registratie is dus niet leidend en een turbo liquidatie kan gewoon feitelijk worden getoetst. De intentie van het bestuur doet er dan dus minder toe. Zelf beperkte banktegoeden kunnen betekenen dat er nog vereffend moet worden en de rechtspersoon dus blijft bestaan. In deze periode kan de belastingdienst gewoon (navorderings) aanslagen opleggen.
Een turbo liquidatie is een snelle manier om een BV, NV of stichting (of andere rechtspersoon) te ontbinden. Een turbo liquidatie mag alleen worden uitgevoerd als er geen baten meer in de rechtspersoon zitten. Dit wil zeggen dat er geen activiteiten meer worden uitgevoerd en er ook geen bezittingen meer aanwezig zijn. De rechters zijn regelmatig van mening dat bestuurders - ook bij een turboliquidatie - bij enig verwijt aansprakelijk zijn, zie Rechtbank Rotterdam d.d. 11 maart 2026.
De belastingdienst en overheid is kritisch op turbo liquidatie waarbij schulden of verplichtingen achterblijven (zie brief d.d. 12 augustus 2025 inzake tijdelijk wet transparantie turboliquidatie). Naast de aansprakelijkheid van de bestuurders (bij verwijtbaar gedrag) kijkt de belastingdienst ook of er is afgerekend over de aanwezige stille reserves en goodwill. Ook mag de rechtspersoon pas worden opgeheven nadat de laatste aangiften zijn gedaan en eventuele aanslagen zijn voldaan. Dit is ook wel terecht, uit onderzoek volgt dat in de periode 2016-2019 sprake was van bijna 2 miljard aan openstaande belastingschulden (hiervan had 500 miljoen betrekking op ontbindingen door een turboliquidatie). De belastingdienst zit er dan ook bovenop en zal vlot gaan procederen tegen stichtingen of BV's die nog schulden achterlaten (rapport belastingdienst, 29 pagina's), deze stukken zijn ook meegenomen bij de beantwoording van kamervragen op 20 februari 2026. Even een streepje door een stichting of BV en uitschrijven bij de KvK kan dus uiterst risicovol zijn. Advies nodig inzake een turboliquidatie en de fiscale gevolgen? Neem gerust contact op.
Bron turboliquidatie
Rechtbank Rotterdam d.d. 11 maart 2026 ECLI:NL:RBROT:2026:2669
Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 25 maart 2026 (ECLI:NL:GHSHE:2026:812
Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 7 maart 2024 ECIL:NL:RBZWB:2924:1487
Wanneer recht op integrale proceskostenvergoeding bij fiscale procedures
Een integrale proceskostenvergoeding in fiscale procedures wordt toegekend als er sprake is van bijzondere omstandigheden. De belangrijkste worden in dit artikel behandeld. U moet hier wel een beroep op doen. In dit artikel gaan we er eens goed voor zitten en geven u een helder inzicht in de mogelijkheden en onmogelijkheden. Hulp nodig bij een fiscale procedure? Neem gerust contact op met onderstaande specialisten.
Wanneer recht op een integrale proceskostenvergoeding
Een belastingplichtige heeft wellicht recht op een integrale proceskostenvergoeding als sprake is van de volgende situaties:
- Onzorgvuldigheid: de inspecteur heeft onzorgvuldig of onrechtmatig gehandeld (of is gewoon slordig of er is sprake van tunnelvisie).
- Vooringenomenheid: de inspecteur heeft het onderzoek vooringenomen opgestart en hierdoor fouten gemaakt.
- Verzuim: de inspecteur heeft fouten gemaakt en besluit deze in het traject te corrigeren of te herroepen, hierbij moet ook sprake zijn van onzorgvuldig of onrechtmatig handelen.
- Tegen beter weten in: de inspecteur handhaaft een standpunt zonder te luisteren naar de informatie van een belastingplichtige waarbij het standpunt - waarvan duidelijk had moeten zijn dat deze fout is - in de procedure geen stand kan houden of stand heeft gehouden.
Het verzoek om een immateriele schadevergoeding en/of integrale proceskostenvergoeding moet wel uitdrukkelijk door een belastingplichtige worden ingenomen en voldoende met stukken worden onderbouwd. Als dit wordt vergeten wordt soms geen proceskostenvergoeding verstrekt.
Proceskostenvergoeding in de bezwaarfase
Ook in de bezwaarfase kan een belastingplichtige recht hebben op een proceskostenvergoeding. Simpel gelijk krijgen wil echter nog niet zeggen dat automatisch recht bestaat op een proceskostenvergoeding in de bezwaarfase. Er bestaat een recht op proceskostenvergoeding in de bezwaarfase indien:
- De kosten door de belastingplichtige in redelijkheid zijn gemaakt; en
- De belastingdienst wijzigt haar beslissing (bijvoorbeeld de naheffings- of navorderingsaanslag) omdat de niet juist is; en
- De fout in de beslissing is te wijten aan de belastingdienst (de inspecteur); en
- De belastingplichtige heeft schriftelijk verzocht om een proceskostenvergoeding. Dit verzoek kan ook nog in het hoorgesprek worden gedaan, dit is vormvrij maar schriftelijk heeft de voorkeur.
De omvang van de proceskostenvergoeding staat in het besluit proceskosten bestuursrecht.
Integrale proceskostenvergoeding door onredelijk gedrag van de inspecteur
In een aantal procedures wordt duidelijk dat de rechter niet kijkt naar het puntensysteem van het besluit maar een integrale proceskostenvergoeding gaat toekennen. Als een belastingplichtige een procedure wint heeft hij of zij veelal recht op een vergoeding van de proceskosten volgens het forfaitaire besluit inzake proceskosten. Deze vergoeding dekt echter zelden de daadwerkelijke kosten van de belastingplichtige. Bij bijzondere omstandigheden mag de rechter van het besluit afwijken (artikel 1, letter a en artikel 2 lid 3 Bpb).
Wanneer recht op volledige proceskosten in een fiscale procedure
- In een procedure bij de Rechtbank Noord Nederland d.d. 8 maart 2021 (ECLI:NL:RBNHO:2021:1809) kwam dit aan de orde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur zeer onzorgvuldig gehandeld door bezwaren van de belastingplichtige volledig buiten beschouwing te laten. Hierdoor werd ht materiele geschilpunt onttrokken aan de toetsing van de rechtbank.
- Ook in een procedure bij het Gerechtshof Den Haag d.d. 10 maart 2026 ECLI:NL:GHDHA:2026:432 was sprake van een schending van het verdedigingsbeginsel. Als gevolg hiervan heeft de rechter besloten om de volledige proceskosten van belastingplichtige te vergoeden. Van schending van het verdedigingsbeginsel is sprake als een belastingplichtige bijvoorbeeld niet in de gelegenheid is gesteld op te reageren of hiervoor onvoldoende tijd heeft gehad of niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ontvangen. Een dergelijk besluit zou dan moeten worden vernietigd (Hoge Raad d.d. 24 juni 2022 ECLI:NL:HR:2022:934). In deze procedure had de inspecteur een naheffingsaanslag omzetbelasting met belastingrente opgelegd, zonder vooraf een kennisgeving van dit voornemen aan belastingplichtige te sturen.
Schema vergoeding proceskosten
Noot fiscaal jurist inzake integrale proceskostenvergoeding
Bij een eigenwijze of onwillige inspecteur ontstaat een soort fundering voor een mogelijke integrale proceskostenvergoeding. Hierbij is het wel van belang dat hierop een beroep wordt gedaan en dat dit standpunt uitgebreid en kundig wordt onderbouwd. Volgens de vaste lijn van de Hoge Raad in 2007 en Hoge Raad in 2011 speelt dit als er sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals onzorgvuldig handelen of vasthouden aan een evident onhoudbaar standpunt. In een procedure is het beste advies om te kiezen voor een dubbele strategie, het eerste standpunt is het vernietigen van het besluit en tweede standpunt (subsidiar) een integrale proceskostenvergoeding en wellicht immateriele schadevergoeding.
Voor het verdedigingsbeginsel loopt de route via het unierecht. Het Hof van Justitie heeft in een paar procedures (zoals Soprope en Kamino/ Datema) duidelijk gemaakt dat een belastingplichtige zijn visie en argumenten kenbaar moet kunnen maken. De Hoge Raad heeft dit in 2015 en 2020 en in 2025 ook opgepakt. Uit deze arresten volgt klip en klaar dat de inspecteur een belastingplichtige helder moet informeren over een concreet voornemen voor een besluit (en hiertoe argumenten, onderbouwing en info moet verstrekken) waarbij de belastingplichtige tijd heeft om hierop te reageren.
De gewone route (via de AWB) loopt via horen en bezwaar maken. De unierechtelijke route werkt ook sneller (eerder in de tijd), voor het nemen van een besluit moet de informatie worden verstrekt. In een reguliere procedure moeten hierbij ook alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan belastingplichtige worden verstrekt, zie hiertoe de Hoge Raad in 2018. Ook de belastingdienst heeft hierover een nette handreiking opgesteld.
In diverse procedures wordt kritisch gekeken naar de mogelijkheid voor een integrale proceskostenvergoeding, een opsomming:
- Hoge Raad 13 april 2007: afwijking forfait als besluit evident geen stand kan houden
- Hoge Raad 4 februari 2011: een vergissing is menselijk, geen sprake van verwijtbaarheid
- Hoge Raad 26 juni 2015: Nederlandse invulling van Kamino procedure
- Gerechtshof Den Haag d.d. 10 maart 2026 integrale proceskostenvergoeding in bezwaar wegens cumulatie van formele schendingen en onzorgvuldigheden
Bron proceskostenvergoeding
Hoge Raad d.d. 13 april 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BA2802)
Hoge Raad d.d. 4 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP2975)
Hoge Raad d.d. 26 juni 2015 ECLI:NL:HR:2015:1666
Hoge Raad d.d. 19 juni 2020 ECLI:NK:HR:202:1044
Rechtbank Noord Nederland d.d. 8 maart 2021 (ECLI:NL:RBNHO:2021:1809
Hoge Raad d.d. 13 juni 2025 ECLI:NL:HR:2025:903
Gerechtshof Den Haag d.d. 10 maart 2026 ECLI:NL:GHDHA:2026:432
Algoritme, signalering en risico classificatie modellen en de Belastingdienst
De Belastingdienst gebruikt al jaren algoritmes om risico’s te signaleren, met de huidige AI mogelijkheden zal dit de komende jaren alleen maar toenemen. Maar waar ligt de grens tussen efficiënt toezicht en onrechtmatige profilering? De recente uitspraak van Rechtbank Den Haag (22 april 2026) ECLI:NL:RBDHA:2026:5199 keek de rechtbank kritisch naar het OB Negatief-algoritme. Het mag allemaal maar er moet wel voldoend transparantie zijn en het algoritme moet controleerbaar zijn.
Voor ondernemers en adviseurs is dit geen theoretische discussie. Het raakt direct aan de vraag hoe aangiften worden geselecteerd, hoe groot de kans op controle is en of de Belastingdienst zich houdt aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Doen ze dit niet dan zullen de uitkomsten niet als basis voor de aanslagen mogen worden genomen. In dit artikel wordt dus gekeken naar onderzoekssystemen die wellicht in strijd zijn met de AVG wetgeving, privacy of archiefwet.
Algoritme, europese wetgeving, AVG en de belastingdienst
In dit artikel analyseren we de uitspraak maar kijken ook naar het bredere kader, zoals andere signaleringslijsten en gebruik van AI door de Belastingdienst. Blind vertrouwen op algoritmes en signaleringslijsten werken niet altijd, kijk maar naar alle gedoe over de toeslagenaffaire.
De kern van de uitspraak van de Rechtbank Den Haag is niet dat “de Belastingdienst vrij spel” krijgt met algoritmen. De kern is smaller:
- een geautomatiseerd risicoselectiemodel kan in het fiscale toezicht standhouden wanneer het model slechts een voorselectie maakt,
- de verdere beoordeling door een mens gaat plaatsvindt,
- het model is ingebed in een wettelijke toezichtstaak, en
- concrete aanwijzingen voor discriminatie of andere onoorbare selectiecriteria ontbreken
Algoritme en fraude signalering systeem van de belastingdienst
Een model dat negatieve btw-aangiften sorteert voor handmatige behandeling staat juridisch wezenlijk anders dan een systeem als FSV (Fraude Signalering Systeem), dit is niet toegestaan. Binnen dit systeem werden ruim 200.000 mensen onderzocht, pijnlijker dan deze signalering hebben we ook zelden gezien (artikel belastingdienst). De Autoriteit Persoonsgegevens heeft over FSV vastgesteld dat de verwerking onrechtmatig was, dat er geen toereikende grondslag bestond, dat de toegang te ruim was, dat gegevens te lang werden bewaard. Daarnaast was dit systeem onrechtmatig en discriminerend.
Het toepassen van een algoritme is dus prima maar moet wel voldoen aan een pakket van eisen, wettelijke basis en logische kenmerken en transparantie. Binnen deze waarborgen heeft de Belastingdienst meer dan voldoende ruimte.
Risico moddelen, AI en signaleringen bij de Belastingdienst
Elke organisatie wil processen versnellen en vereenvoudigen, met name als het standaard processen zijn. Bij overheidsorganisaties, zoals de Belastingdienst, zijn er veel standaard processen. Door alle commotie rondom de toeslagen affaire zijn in 2021 diverse risico modellen zoals OBCF, ABN en OB Negatief uitgezet. De belangrijkste redden is de strijdigheid mt de AVG. Een aantal modellen zijn daarna weer "aan"gezet omdat de vastlegging, transparantie of gegevensbescherming niet op orde waren.
Het aanvechten van modellen is best lastig. Het algemeen roepen dat een signalering of algoritme discriminerend of onduidelijk black box is zal niet helpen. De ondernemer of zijn fiscalist moet met concrete feiten aannemelijk maken dat er strijdigheid is met de AVG of Europese wetgeving. Hierbij moet er aandacht zijn voor het gehele proces, dus;
- welke gegevens worden bewaard en hoe lang
- welke selectieregels zijn opgesteld (wetenschappelijk en statisch voldoende onderbouwing?)
- is er sprake van een menselijke toetsing
- worden wettelijke regels netjes opgevolgd (zoals geen discriminatie)
Het Hof van Justitie kijkt niet alleen naar de formele labeltjes (zoals hierboven omschreven) maar ook naar de daadwerkelijke invloed van de geautomatiseerde uitkomst. Het Schufa arest was hiervan een mooi voorbeeld. Bij de FSV lijsten ging het om diverse redenen mis (strijdigheid AVG), de belangrijkste waren:
- toegang teveel werknemers van de belastingdienst
- bepaalde gegevens mochten er niet instaan
- gegevens te lang worden bewaard
- gegevens niet worden aangepast
- informatie niet altijd juist wordt toegepast of beoordeeld
- verboden selectie kenmerken (zoals dubbele nationaliteit)
Het BTW controle systeem is een stuk eenvoudiger, het controleert op fiscale inconsistenties of aangiftepatronen. Vorenstaande geldt in mindere mate ook voor het Risico Analyse Model (RAM), aldus onze staatssecretaris in 2025.
Noot fiscaal jurist inzake geautomatiseerde gegevensverwerking
Het Europese uitgangspunt is dat een belastingplichtige niet mag worden onderworpen aan een besluit dat uitsluitend op geautomatiseerde verwerking berust en de belastingplichtige dan treft. Naast de archiefwet, de AVG, de privacy rechten en het klassieke bestuursrecht (de AWB en bij fiscale zaken de AWR) is het dus ook belangrijk dat van een zorgvuldige voorbereiding sprake is en het besluit berust op een deugdelijke motivering. Vraag dus altijd om een inhoudelijke weergave van de software en de selectieregels. Op deze manier kunnen controle bevindingen en feiten beter worden vastgesteld.
Als we de AWB en AWR combineren komt er nog iets extra's bij. Op grond van de AWR moeten gegevens en inlichtingen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud door de inspecteur worden verstrekt. Bij een boete gaat dit recht soms nog een stapje verder.
Het verleden heeft laten zien dat de Belastingdienst de grenzen aan het verkennen is en daarbij soms de grenzen in eigen voordeel verder legt. De algemene rekenkamer heeft hierop forse kritiek gegeven. In 2026 kreeg de belastingdienst dan ook de big brother award, dit in verband met veelvuldig onrechtmatig gebruik van algoritmes. Ook Europa kijkt kritisch naar Nederland en zal binnenkort met nieuwe AI wetgeving komen. De Europese AI verordening zal in 2027 ingaan en ook beperkingen gaan opleggen aan de overheid.
Geautomatiseerde systemen zijn voor de belastingdienst noodzakelijk. Het onrechtmatig gebruik, schending van privacy en verkeerde selectie criteria ligt wel op de loer.
Krijgt u te maken met een boekenonderzoek of naheffings- navorderingsaanslag is het verstandig om altijd te vragen hoe de belastingdienst u in beeld heeft gekregen en/of er geautomatiseerde systemen zijn gebruikt.
Derde belanghebbende bij boete besluit
In dit artikel behandelen wij een bijzondere procedure bij de Raad van State. Volgens de RvS kunnen derden (in dit geval de FNV) de boete van een ondernemer - mede - bepalen. Zou dit in het fiscale wereldje ook kunnen?
De invloed van buitenstaander op jouw boete
In een uitspraak van de Raad van State op 22 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2294) is bepaald dat derden belanghebbende kunnen zijn bij boetebesluiten. De uitspraak volgt op een uitgebreide conclusie van de AG, de heer Widdershoven (ECLI:NL:RVS:2025:5985). Volgens de Raad van State (en de AG) kunnen derden kennelijk belanghebbenden zijn bij een besluit waarbij een bestuurlijke boete wordt opgelegd en/of een bestuurlijke boete wordt geweigerd (onder voorwaarden). De derde moet dan wel een belanghebbende zijn (artikel 1:2 lid 1 AWB). Maar kan een derde de hoogte van de boete bepalen? Of is dit iets wat een bestuursorgaan moet beslissen?
Boete aan transportondernemer
In deze zaak ging het om een boete die door de inspectie Leefomgeving en Transport was opgelegd aan een transportonderneming, dit naar aanleiding van een zogenaamd handhavingsverzoek van de FNV. De minister en de rechtbank waren van mening dat de FNV niet betrokken kon zijn bij de totstandkoming van het boetebesluit en ook geen bezwaar kon maken. De AG en de RvS zijn van mening dat de FNV belanghebbende kan zijn bij een dergelijk boetebesluit. De FNV behartigt immers (volgens haar statuten) de collectieve belangen van vrachtwagenchauffeurs, dit belang is voldoende specifiek en feitelijk worden deze werkzaamheden ook uitgevoerd. De FNV heeft ook belang bij de vraag of door de boete de overtreding wordt beëindigd (en/of de hoogte van de boete effectief werkt).
Gaat een derde nu ineens de boete bepalen en het bestuursorgaan niet?
Zowel de AG als de rechtbank en ook de minister zijn van mening dat de deelname van een derde als belanghebbende bij een boete procedure gevolgen kan hebben die haaks staan op de belangen van de transportondernemer (de overtreder), bijvoorbeeld het recht op een eerlijk proces en eerlijke vaststelling van de boete. Een boete wordt immers opgelegd door de minister en niet door de FNV, in deze zaak wordt dit ruim uitgelegd. Deze zaak is behandeld in de grote kamer van de RvS, dit gebeurt meestal bij kwesties die een iets gaan zeggen over de rechtseenheid en rechtsontwikkeling. Dit zal dus geen incident zijn, maar een richtinggevende keuze van de hoogste bestuursrechter. De kern van de overweging staat in het slot van de uitspraak (onder 12.1)
- Het beëindigen van de situatie dat chauffeurs langer dan toegestaan in hun vrachtwagencabines verblijven, valt voor zowel de betrokken chauffeurs als de chauffeurs van de benadeelde concurrenten binnen de omvang van het collectieve belang waarvoor FNV opkomt. Dit belang ziet op het effect dat met de boete wordt beoogd. De boete aan de transportonderneming kan namelijk als feitelijk gevolg hebben dat aan de overtredingen van het verbod om onder meer de weekeinden in de cabine van de vrachtwagen door te brengen een einde komt. FNV heeft daarom in dit geval een rechtstreeks belang bij de vraag of met de boete aan de transportonderneming de overtreding wordt beëindigd of niet. Als FNV aantoont dat het boetebedrag hoger moet zijn omdat anders de boete niet effectief is, zou dat ertoe kunnen leiden dat aan de transportonderneming een hogere boete moet worden opgelegd. Daarbij geldt dat de hoogte van de boete wordt bepaald aan de hand van artikel 5:46 van de Awb en het eventueel van toepassing beleid dat van toepassing is. Daarbij geldt dat de boete evenredig moet zijn.
Noot fiscaal jurist inzake boete opleggen
De gedachte dat een bestuurlijke rechter uiteindelijk een hogere boete kan opleggen dan het bestuursorgaan is niet helemaal nieuw, zie hiertoe ondermeer Rechtbank Oost Brabant d.d. 18 december 2024 ECLI:NL:RBOBR:2024:6353, ook hier kwam de FNV in beeld als belanghebbende. De rechtbank achtte de verhoging van de boete niet in strijd met het verbod van reformatio in peius.
Voor fiscale procedures speelt bovenstaande eigenlijk niet. Dat een belastingplichtige er in een fiscale procedure ineens slechter voor kan staan kan zeker voorkomen, ook binnen het fiscale recht zou dus reformatio in peius kunnen spelen. In oudere kamerstukken wordt dit leerstuk zelfs genoemd.
De huidige fiscale wetgeving geeft belastingplichtigen gelukkig voldoende bescherming. Een mooi voorbeeld hiervan was een procedure bij het Gerechtshof Arhem Leeuwarden d.d. 28 januari 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:681 . Aan belanghebbende wordt een boete opgelegd van € 6.300, deze wordt door de rechtbank verminderd tot € 4.000. Het gerechtshof was van mening dat de boete te laag was maar heeft deze wel in stand gelaten, een belastingplichtige mag door een hoger beroep - op dit onderdeel - niet in een slechtere positie worden gebracht, zie rechtsoverweging 4.12.
Soms kan het ook anders uitkomen, zie hiertoe een uitspraak van de Hoge Raad op 28 oktober 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2424). Als de inspecteur in hoger beroep de strafmaat van een bestuurlijke boete ter discussie stelt, is de hoger beroepsrechter gehouden te beoordelen welk boetebedrag in de omstandigheden van het geval passend en geboden is, en kan de boete lager uitvallen ook als de belastingplichtige geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld.
Volgens de parlementaire geschieden (met name bij artikel 8:69 AWB) is de rechtsbescherming de belangrijkste en primaire functie van het bestuursrecht, eigenlijk een verbod op reformatio in peius. Dit hoeft niet altijd een absolute waarheid te zijn, soms kan het anders uitpakken, bijvoorbeeld als de openbare orde in het geding is.
Bij fiscale procedures staat een belastingplichtige dus nog wel redelijk sterk en hoeft niet bang te zijn voor hogere boetes. Dit kan soms anders lopen als een inspecteur in beroep gaat en hierbij de boetediscussie opnieuw zou openen. Dit geeft de belastingrechter soms de ruimte voor een eigen (zelfstandige) beoordeling van de hoogte van de boete. De bescherming komt ook doordat de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (de AWR) niet een letterlijke kopie is van de AWB, de AWR kent ook een eigen fiscale bescherming voor belastingplichtige.
De AWR boven de AWB
Als de AWR afwijkt van de AWB gaat de AWR als bijzondere wet voor. De belangrijkste afwijking van de AWR zit hem zoals opgemerkt in de rechtsbescherming. De AWR kent een zogenoemd gesloten stelsel waarbij alleen kan worden geprocedeerd tegen belastingaanslagen en bepaalde aangewezen beschikkingen. In afwijking van de AWB kan slechts worden geprocedeerd door degene aan wie de aanslag of beschikking is opgelegd (artikel 26a AWR). Daar vallen derden (zoals de FNV) niet onder. Ook niet na de hiervoor besproken uitspraak van de Raad van State.
De fiscale geheimhouding binnen het fiscale speelveld
Vorenstaande wordt ook nog een aangevuld met de fiscale geheimhouding. Artikel 67 AWR heeft voorrang boven de Woo en fiscale gegevens over de persoon of zaken van een ander mogen niet verder bekend worden gemaakt. Dit regime verdraagt zich gelukkig slecht met een model waarin een brancheorganisatie of vakbond toegang krijgt tot het fiscale boete dossier van een belastingplichtige.
In de derde plaats wijst ook het fiscale boetebeleid zelf op een gesloten daderkring. In het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst wordt “belanghebbende” voor de boetetoepassing omschreven in termen van degene aan wie een boete kán worden opgelegd: pleger, medepleger, doen-pleger, uitlokker, medeplichtige, feitelijk leidinggever en opdrachtgever. Daarin figureren geen vakbonden, consumentenorganisaties of concurrenten die opkomen voor een extern collectief belang.
De FNV mag bij I&W nog proberen de boete op te schroeven, maar in het fiscale domein blijft het simpel: daar is de boete geen collectieve hobby—wat de Belastingdienst oplegt, is en blijft een exclusief onderonsje met de belastingplichtige.
In het fiscale boeterecht geldt nog altijd het adagium "res inter alios
acta", wat zich afspeelt tussen fiscus en belastingplichtige blijft keurig
binnen die twee-partijenverhouding. Anders dan in het bestuursrechtelijke
handhavingsdomein ontbreekt hier elk "ius tertii" voor vakbonden of andere
derden om de sanctie op te schroeven of mee te beslissen bij een verhoging
zoals bij de RvS. De fiscale boete is en blijft een punitieve "duplex"
tussen inspecteur en belastingplichtige—"ne bis in idem" en vooral: geen
ruimte voor een derde die nog even simpel een boete wil bijplussen.
Una via beginsel bij vergrijpboete en aansprakelijkheid bestuurder
Bestuurders van een BV of NV worden steeds vaker geconfronteerd met een combinatie van fiscale en strafrechtelijke sancties. Denk hierbij aan een vergrijpboete en een strafrechtelijke veroordeling wegens het feitelijk leidinggeven. Maar wanneer is dit toegestaan en wanneer niet. In dit artikel bespreken wij een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 10 april 2026 ECLI:NL:HR:2026:586. Op grond van het ne bis in idem beginsel mag een persoon niet twee keer worden veroordeeld of vervolgt voor hetzelfde feit. Het una via beginsel bepaalt helder en duidelijk dat er 1 route moet worden gekozen.
Vergrijpboete en strafvervolging, waarvoor is de bestuurder aansprakelijk?
In deze casus wordt een naheffingsaanslag loonheffingen met een vergrijpboete opgelegd aan een BV. De aanslag wordt niet betaald en de ontvanger stelt de bestuurder van de BV aansprakelijk. De aanslag ziet op het jaar 2013. Daarnaast is de bestuurder - als feitelijk leidinggevende - strafrechtelijk veroordeeld voor het onjuist of onvolledig doen van belastingaangiften loonheffingen, dit echter over de tijdvakken 2011 en 2012.
Het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden heeft op 18 maart 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:1602 geoordeeld dat de bestuurder wegens de aansprakelijkheidsstelling voor de boete (artikel 67f AWR) en de strafvervolging dubbel wordt gestraft. Materieel gaat het namelijk over hetzelfde. Het hof heeft deze mening omdat de inspecteur (ontvanger) het verwijt van opzet en grove schuld van de feitelijk bestuurder heeft onderbouwd met het strafvonnis. Hierbij staat - alsdus het hof - de schending ex artikel 5:44 AWB wel vast. De aansprakelijkheidsstelling voor de vergrijpboete gaat in de prullenbak.
De Hoge Raad kijkt hier anders naar en is er vlot klaar mee. De vergrijpboete ziet op 2023 en de strafrechtelijke veroordeling op 2011 en 2012. De Hoge Raad komt tot het volgende:
- Het middel keert zich tegen het hiervoor in 4.2 bedoelde oordeel van het Hof dat met de aansprakelijkstelling van belanghebbende voor de vergrijpboete 2013 het una-viabeginsel is geschonden. Volgens het middel is van zo’n schending geen sprake omdat de strafrechtelijke veroordeling ziet op de heffing over aangiftetijdvakken in 2011 en 2012, terwijl de vergrijpboete waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld ziet op de heffing over aangiftetijdvakken in 2013.
- Het middel slaagt. Aangezien de strafrechtelijke veroordeling van belanghebbende ziet op andere aangiftetijdvakken dan waarop de vergrijpboete ziet waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld, gaat het om sancties voor verschillende gedragingen. Van schending van het una-viabeginsel kan daarom geen sprake zijn.
De Hoge Raad kijkt vaker op deze wijze naar het una via beginsel, zie hiertoe ondermeer Hoge Raad d.d. 22 januari 2010 ECLI:NL:HR:2010:BL0087.
Noot fiscaal jurist inzake vergrijpboete en strafrechtelijke veroordeling
Het una via-beginsel is verwant aan het strafrechtelijke ne bis in idem-beginsel. Volgens dit beginsel is een tweede vervolging en bestraffing van eenzelfde persoon voor eenzelfde feit niet toegestaan. Voor de bestuurlijke boetes is het ne bis in idem-beginsel neergelegd art. 5:43 Awb. In aanvulling daarop regelt art. 5:44 Awb dat ook een bestuurlijke boeteprocedure en een strafrechtelijke procedure niet kunnen cumuleren. De strafrechtelijke tegenhanger van art. 5:44 Awb is art. 243(2) Wetboek van Strafvordering. Vaak gaat de discussie daarna om het volgende;
- Zelfde persoon
- Zelfde vergrijp of delict (of overtreding)
- Zelfde periode
Het Una via beginsel wordt in het fiscale sanctierecht beperkt uitgelegd. De bescherming tegen dubbel straffen moet erg zorgvuldig worden beoordeeld, het moet gaan om dezelfde periode en ook om dezelfde overtreding. In deze casus ging het voor belastingplichtige fout door de tijdvak afbakening. De bestuurder moet dus steeds vaker rekening houden met cumulatie van sancties.
U krijgt niet alle stukken van de belastingdienst
In bezwaar en beroepsprocedures moet de inspecteur in beginsel alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan u overleggen, aldus artikel 8;42 Algemene Wet Bestuursrecht. Het is nooit helemaal duidelijk of stukken bewust of onbewust worden achterhouden, het kan immers ook een strategische zet van de inspecteur zijn om niet alle informatie te verstrekken. Probleem is dat dit lang niet altijd aan het licht komt en als de inspecteur ontkent gelooft dit rechter dit doorgaans, dat schiet dus niet op. Meestal is een uitgebreid onderzoek, een hoorgesprek, een dossierinzage of Woo verzoek de enige echte route. Belastingplichtige moet dus een lange adem hebben.
Wij merken dat regelmatig niet alle stukken in uw dossier aanwezig zijn en/of in procedures niet alle relevante stukken worden verstrekt. Er volgt dan een discussie over het feit of bepaalde stukken of gegevens wel op niet op uw zaak (aanslag) betrekking hebben. In dit artikel behandelen wij ondermeer de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 16 april 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:2464 en de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 10 april 2026 (ECLI:NL:HR:2026:571).
Het achterhouden van stukken begint een steeds groter probleem te worden, ook Follow the money schreef hierover een uitgebreid artikel.
Onzorgvuldig handelen inspecteur bij achterhouden stukken
Een lang lopende procedure - bij de Hoge Raad - waarbij de inspecteur tijdens de cassatie procedure heeft gemeld dat uit een Woo procedure is gebleken dat een groot aantal stukken in het bezit waren van de inspecteur maar niet als gedingstukken zijn overlegd. Dit wordt tijdens eerdere zittingen nog ontkend, liegen noemen we dit. Deze stukken hadden aan belastingplichtige verstrekt moeten worden. De rechter mag dan kiezen, wat is de straf? De aanslag in de prullenbak ging te ver, dus krijgt belastingplichtige een proceskostenvergoeding van € 15.000.
Wat zijn op de zaak betrekking hebbende stukken?
Bij een beroepschrift moet de inspecteur op grond van de wet (artikel 8:42 AWB) naast een verweerschrift ook alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechter sturen. Het eenvoudige doel is dat bij een procedure op grond van alle relevante gegevens recht moet worden gesproken. In de basis moet de inspecteur alle stukken die hem / haar te beschikking stonden (of hebben gestaan) bij het nemen van zijn beslissing verstrekken. Uit de rechtspraak blijkt dat de volgende stukken in ieder geval moeten worden verstrekt:
- een stuk waarvan de belanghebbende voldoende gemotiveerd stelt dat het van enig belang kan zijn geweest moet door de inspecteur worden overlegd;
- het is niet relevant of een stuk in het voordeel of nadeel werkt van een belanghebbende;
- een stuk moet de inspecteur ook moet overleggen zijn stukken die belanghebbende zelf heeft;
- stukken die de inspecteur of andere collega's die betrokken zijn geweest bij de besluitvorming ter beschikking staan of hebben gestaan (Hoge Raad d.d. 4 mei 2018 ECLI:NL:HR:2018:672), maar die niet zijn gebruikt ter onderbouwing van het bestreden besluit, moeten ook worden verstrekt;
- stukken welke zijn gebruikt voor intern beraad;
- interne stukken die in het kader van de behandeling van een zaak zijn opgesteld, moet de inspecteur ook overleggen, indien uit andere stukken of stellingen blijkt dat deze interne stukken ten grondslag hebben gelegen aan de besluitvorming; dit geldt ook indien in redelijkheid gesteld kan worden dat deze stukken van belang kunnen zijn voor de besluitvorming door de rechter.
- stukken die pas in de loop van het beroep of het hoger beroep tot de beschikking van de inspecteur zijn gekomen moet je overleggen, het kan ook zijn dat dit pas later duidelijk is geworden (zoals in de casus die we in dit artikel behandelen);
- een stuk moet je ook overleggen indien de rechter al op basis van ander bewijsmateriaal een beslissing over het geschilpunt kan nemen;
- digitale gegevens uit de systemen moet de inspecteur overleggen, voor zover zij van belang en raadpleegbaar zijn met het oog op de betreffende zaak. Dit moet gebeuren in de vorm van een afdruk of op een andere geschikte wijze. Een brief of ander document dat in een systeem is opgeslagen, moet de inspecteur in zijn geheel overleggen;
- als een besluit geheel of deels het resultaat is van een geautomatiseerd proces en belanghebbende wil de juistheid van de in dat proces gemaakte keuzes, gegevens en aannames controleren en eventueel betwisten, dan moet de inspecteur deze keuzes, gegevens en aannames inzichtelijk en controleerbaar maken.
Wat zijn de gevolgen als de belastingdienst (of inspecteur) niet alle stukken verstrekt?
Als de inspecteur informatie niet gaat verstrekken in een procedure kan dit verstrekkende gevolgen hebben. Als u informatie niet zou verkrijgen kunt u de inspecteur of de rechter hierom vragen. Dit moet gemotiveerd en dat is niet altijd eenvoudig. Allereerst moet u weten of er stukken niet in in uw dossier zitten en vervolgens moet u aannemelijk maken dat deze stukken relevant zijn of zijn geweest. De rechter zal vervolgens bekijken of uw verzoek redelijk is. Meestal zal de informatie aan u ter beschikking worden gesteld. Doet de rechter dit niet dan zal er gemotiveerd een beslissing hierover worden genomen (uitspraak). Als de inspecteur moet verstrekken en dit niet doet dan kan de rechter hieraan gevolgen verbinden, die haar als passend voorkomen. Dit kan het volgende tot gevolg hebben:
- gunstiger bewijslastverdeling voor u (uitspraak);
- toekennen schadevergoeding (uitspraak)
- veroordeling inspecteur in kosten of griffierechten;
- verlagen of verminderen van de boete;
- vernietigen van de aanslag (uitspraak).
Welke stukken moet de belastingdienst verstrekken?
- adviezen
- derdenonderzoeken
- informatie uit boekenonderzoek
- standpunten kennisgroep
- correspondentie
- verslagen van telefooongesprekken
- e-mails
- klikbrieven soms ook (zie procedure rechtbank)
Noot fiscaal jurist inzake dossierinzage en op de zaak betrekking hebbende stukken
In deze langlopende zaak ging het om een belastingplichtige (ondernemer die pups fokt en bemiddelt bij de verkoop). Door een onderzoek van het RIEC (regionaal informatie- en expertise centrum) wordt uiteindelijk een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Ook de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) stellen een onderzoek in. Al deze rapporten komen bij de belastingdienst terecht (worden door hen opgevraagd). De conclusie - van de Rechtbank - is dat er 2.000 pubs zijn verkocht zonder dat hierover belasting is betaald. Het Gerechtshof kijkt meer naar de formele kant en komt tot lagere belastingaanslagen. Wat wel bijzonder is in deze casus is het feit dat het Gerechtshof ook heeft gezien dat niet alle stukken zijn overlegd, via de route van 8:31 AWB besluit het Hof hier niks aan te doen. Het Hof is van mening dat het gedrag van de inspecteur niet onzorgvuldig is, een echte motivering ontbreekt. Dit is slordig en ongebruikelijk. Een eenvoudige verwijziging naar artikel 8:31 AWB is niet voldoende (zie ook eerdere uitspraak van de Hoge Raad uit 2015)
Belastingplichtige stapt naar de Hoge Raad en die gaat er eens rustig voor zitten.
Het oordeel van het Hof is onbegrijpelijk. Belastingplichtige heeft duidelijk gemotiveerd waarom de stukken van belang kunnen zijn (voor de geschilpunten). Het Hof had hier beter naar moeten kijken, zodat alle omstandigheden van deze casus worden meegenomen en/of de stukken voor de waarheidsvinding van belang kunnen zijn. Er is sprake van een verregaande mate van onzorgvuldig handelen van de inspecteur, aldus ons hoogste rechtscollege. De aanslagen blijven op tafel maar belastingplichtige krijgt een proceskostenvergoeding van € 15.000 en als bonus nog € 1.500 aan immateriële schadevergoeding, omdat het allemaal zo lang heeft geduurd (voor punten telling zie deze uitspraak van de Hoge Raad uit 2024.
Bron achterhouden van dossier informatie van belastingplichtige
Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 25 mei 2021 (ECLI:NL:RBZWB:2021:3005)
Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 29 december 2022 (ECLI:NL:GHSHE:2022:4706)
Hoge Raad d.d. 18 december 2015 ECLI:NL:HR:2015:3600
Had gewoon even gebeld
Er was eens een tijd dat een klein foutje of verschilletje nog kon worden rechtgetrokken met een kort telefoontje. Bij de belastingdienst proberen ze dat nog steeds met het openstellen van de Belasting telefoon (0800-0543) zelf voor complexe problemen of ‘buitenlandsituaties'. In dit artikel bespreken we een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 10 april 2026 ECLI:NL:HR:2026:590 die niet helemaal nodig is geweest, formeel juist maar praktisch had dit via een kattebelletje een stuk sneller en eenvoudiger gekund.
Bel-angst slaat toe bij rechterlijke macht
In toenemende mate is er echter sprake van bel-angst. Vooral jongeren schijnen het lastig te vinden de telefoon te pakken. Wat dat betreft lijkt de rechterlijke macht met de tijd mee te gaan.
Kleine vergissing in een uitspraak laat zich niet makkelijk rechtzetten
Wat was er aan de hand?
Een automobilist had een geschilletje met de belastingdienst over de hoogte van de BPM. De belastingdienst moet binnen zes maanden beslissen op het bezwaar en vervolgens heeft de rechtbank anderhalf jaar om te beslissen op een eventueel beroep. Wordt die termijn niet gehaald, dan ontstaat een recht op vergoeding wegens immateriële schade (je bent te lang in onzekerheid; dat levert € 500 op per zes maanden overschrijding). Bezwaar leverde niets op, dus in beroep.
Bij de rechtbank duurde het te lang, maar daar kreeg onze automobilist niets voor (omdat hij procedeerde op basis van no-cure-no-pay ten onrechte). In hoger beroep heeft de automobilist meer succes. Het Hof stelt een immateriële schadevergoeding van op € 500. De belastingdienst wordt veroordeeld tot het betalen van die € 500.
Onze automobilist constateert dat de uitspraak van het Hof niet klopt omdat (o.a.) de belastingdienst de termijnoverschrijding niet veroorzaakte maar de rechtbank. Dan moet niet de belastingdienst (Staatssecretaris van Financiën) het bonnetje betalen maar de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Dus de automobilist stuurt een kattenbelletje naar het Hof: wilt u dat even corrigeren?
Herstelverzoek wordt aangemerkt als beroep is cassatie
Het Hof interpreteert het kattenbelletje echter als een klacht tegen zijn uitspraak en stuurt het door als beroepschrift in cassatie naar de Hoge Raad. Aldaar dienen zowel de Staatssecretaris als de Staat een verweerschrift in. De Hoge Raad gaat over tot rechtsvinding op superdetailniveau en oordeelt dat het ‘niet een kennelijke fout in de uitspraak van het Hof betreft die zich leent voor eenvoudig herstel’ (daar kun je wat van vinden) en oordeelt dat het inderdaad de Staat is die de € 500 moet ophoesten en niet de belastingdienst. Daarnaast moet de Staat alle griffierechten vergoeden en een proceskostenvergoeding in cassatie aan de automobilist betalen van € 1.868.
Commentaar fiscaal jurist inzake formeel belastingrecht
Formeel belastingrecht kan ontzettend boeiend en leuk zijn en regelmatig levert het de belastingplichtige ook nog wat op ook (soms zelfs de hoofdprijs). Ook hier klopt het formeel uiteindelijk allemaal. Toch zou je denken: kunnen ze bij het Hof of de belastingdienst (Ministerie van Financiën; dat is waar de ‘pruttel’ binnenkomt) niet even de telefoon pakken, de automobilist bellen en de Staat (Justitie) met de opmerking dat de Staat het bonnetje oppakt. Of beter: zelf betalen. Dat is goedkoper dan dit hele traject. Maar ja, dan heb je geen superdetailrechtsvinding…..
Heb je ook een (formeel) probleem? Bel dan even (0534327200). Bij bel-angst mag mailen ook en zelfs appen.
Bron een beller is sneller
Hoge Raad 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:590
Gerechtshof Den Haag 28 november 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2334
Rechtbank Den Haag 9 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:21071
Navorderingsaanslag door ontvangen steekpenningen
In dit artikel bespreken we een boefjes casus. Een commissaris bij een vastgoedgroep is betrokken bij een vastgoedtransactie van € 20.000.000. In 2008 en 2009 ontvangt de commissaris ruim € 350.000 op zijn privé bankrekening, insteek was € 500.000. De reden hiervoor is de verkoop van een schilderij uit zijn privé collectie, de waarde van dit schilderij blijkt € 15.000 te zijn (inschatting tussen de € 9.000 en € 20.000). De commissaris wordt veroordeeld wegen ambtelijke omkoping (taakstraf 240 uur tuinieren en 4 maanden voorwaardelijk). De commissaris is schadeplichtig richting de betalende partij, in 2023 wordt hiertoe een overeenkomst gesloten (terugbetalen € 520.000). Maar moet de commissaris belasting betalen over de ontvangen gelden ad € 350.000?
Steekpenningen, ambtelijke omkoping en belastingen
De inspecteur stelt dat er belasting moet worden betaald over € 150.000 in 2008 en € 195.000 in 2009 (kasstelsel). De Rechtbank Noord Holland doet op 30 september 2025 (ECLI:NL:RBNHO:2025:15824) uitspraak. De ontvangen bedragen hebben geen betrekking op het schilderij maar zijn in werkelijkheid provisies. De commissaris maakt niet aannemelijk dat het schilderij meer waard is dan € 15.000. Taxaties van andere schilderwerken overtuigen niet. De navorderingsaanslag over de ontvangen gelden (resultaat uit overige werkzaamheden) is dus terecht. Afrekening moet plaatsvinden op grond van kasbasis (dus moment ontvangen). Er mag geen voorziening worden gevormd voor de advocaatkosten (zijn ook van aftrek uitgesloten op grond van 3.14 Wet IB).
Noot fiscaal jurist inzake strafrecht en belastingheffing
Integriteitsincidenten (zoals omkoping en steekpenningen) zijn zelden alleen een strafrechtelijk probleem. Deze uitspraak laat klip en klaar zien dat de fiscale afwikkeling vaak evenzo hard kan aankomen. De toepassing van het kasstelsel bij resultaat uit werkzaamheden is in dit geval logisch (zie besluit uit 2001) . De commissaris wilde nog een voorziening vormen voor de latere advocaatkosten. De rechtbank wijst dit resoluut af, dergelijke kosten zijn niet aftrekbaar en in 2008 en 2009 was hierover nog geen zekerheid. Volgens een kennisgroep standpunt (KG:213:2024:5) zijn kosten van juridische bijstand zelden onder de aftrekbare kosten. Binnen de vastgoed wereld is wel vaker sprake van omkoping of andere strafbare feiten, zoals de Vestia zaak in 2021 . In deze casus zijn de financiële wonden stevig, de commissaris moet belasting betalen, zijn advocaatkosten bedroegen € 920.000 en tevens moet de commissaris € 520.000 terugbetalen aan de betalende partij. Misdaad loont gelukkig niet altijd. Een voorziening voor de advocaatkosten wordt vrijwel altijd afgewezen, zie hiertoe bijvoorbeeld de Hoge Raad d.d. 23 september 2011 ECLI:NL:HR:2011:BT2299. Omdat het geheel uiteindelijk verliesgevend is geweest zet de commissaris ook nog in op de buitensporige last, ook via deze route wordt hij niet in het gelijk gesteld, zie hiertoe ondermeer de Hoge Raad d.d. 6 april 2018 ECLI:NL:HR:2018:511. De Hoge Raad heeft op 18 december 2020 ECLI:NL:HR:2020:2048 een heldere visie gegeven op de aftrekbare kosten bij een misdrijf. De commissaris heeft de procedure ook niet echt sterk gevoerd, in de latere betalingen inzake de vaststellingsovereenkomst, de route naar verliesverrekening ging hierdoor dicht.
Belastingplan 2027
De belastingplannen voor 2027 worden op 15 september 2026 bekend gemaakt. Hieronder een samenvatting van de belangrijkste wijzigingen voor 2027 en daarna, tenminste voorzover deze nu bekend zijn. De eerste plannen voor de komende tijd zijn al bekend gemaakt in de voorjaarsnota 2026 (artikel). In dit artikel worden - enkel voor de leesbaarheid - getallen en percentages afgerond. Dit artikel wordt regelmatig bijgewerkt. Door forse investeringen en uitgaven voor asiel, milieu en defensie loopt het begrotingstekort fors op. Nederland staat met deze uitgaven voor grote uitdagingen. Met de onzekere vooruitzichten is dit een bijzondere begroting die de Europese grenzen gaat aantikken.
Belangrijkste aanpassingen in 2027
In onderstaande overzicht de belangrijkste aanpassingen voor 2027 en daarna
Prive personen (belastingplan 2027)
- Wijziging box 3 heffing
- Extra belasting over leaseauto (op benzine of diesel of hybride) die vanaf 2027 wordt gekocht (12% pseudo eindheffing voor werkgever)
- Afschaffing specifieke zorgkosten per 2028
- Bevriezing aftoppingsgrens pensioenen gedurende 6 jaar
- Oplossing voor hypotheekrenteaftrek 30 jaar
- Introductie van vrijheidsbijdrage voor bedrijven en particulieren
- Verlaging overdrachtsbelasting voor particuliere investeerders in woningen (van 8% naar 7%)
- Geen verhoging accijns op benzine in 2027
Bedrijven (belastingplan 2027)
- Verlaging van de startersaftrek
- Verhoging reiskostenvergoeding van 0,23 naar 0,25 per 1 januari 2026
- Tijdelijke verlaging MRB voor bestelauto's
- Verhoging energie investeringsaftrek
- Aanpassing excessief lenen bij de eigen BV
- Nieuwe definitie start ups en scale ups
- Fiscale stimulering werknemersparticipaties via aandelenopties (heffing bij vervreemding)
Bron belastingplannen 2027
BTW Boete bij fraude
Hoe creatief mag een inspecteur zijn bij opleggen van een boete?
Wie niet aan zijn belastingverplichtingen voldoet kan met diverse gevolgen worden geconfronteerd. Vragenbrieven, boekenonderzoeken, naheffingen en navorderingen en natuurlijk ook boetes. Voor al dat moois (of lelijks) moet er wel een wettelijke grondslag staan, zodat een belastingplichtige zich kan verweren. In dit artikelen behandelen wij een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 20 februari 2026 ECLI:NL:HR:2026:279.
Nu is de hele wereld niet in een eenduidige wettekst te pakken en heeft ook het belastingrecht ruime en niet al te duidelijke definities, omschrijvingen en open normen. Over het algemeen wordt dat in de praktijk wel redelijk vormgegeven en ingevuld, met als noodgrepen fraus legis (gekunstelde constructies worden genegeerd) en misbruik van recht (bepaalde aanspraken worden ontnomen).
Daar waar voor de belastingheffing een lenigheid van geest nog wel tot de gewenste heffing kan leiden, dienen de grondlagen voor een boete wel voldoende duidelijk uit de wet te blijken.
Internationale belastingfraude en boetes in Nederland
Een Nederlandse autodealer doet ook zaken in het buitenland en verkoopt auto’s aan ondernemers in Roemenië, Hongarije, Slowakije en Kroatië. Die auto’s worden in Nederland afgehaald. Op de facturen en vrachtbrieven staan de adressen van de buitenlandse ondernemers als afleveradres. In dergelijke situaties is geen omzetbelasting verschuldigd (0%-tarief) en dienen de omzetbelastingaspecten in het land van aflevering te worden geregeld.
De belastingdienst komt er echter achter dat de auto’s helemaal niet in bedoelde landen worden afgeleverd maar in Berlijn (Duitsland) en beschouwt een en ander als belastingfraude. Dan geldt het 0%-tarief niet en dient 21% belasting in rekening te worden gebracht en afgedragen aan de belastingdienst. De naheffingsaanslagen worden weliswaar aangevochten mij bij de Hoge Raad blijven die uiteindelijk in stand.
Welke boete bij internationale BTW fraude?
Naast de naheffingen legt de belastinginspecteur ook forse boetes op wegens het niet betalen van omzetbelasting (op grond van artikel 67f, lid 1, AWR). Naar het oordeel van het gerechtshof terecht. Onze dealer documenten frauduleus opgemaakt door daarop opzettelijk onjuiste bestemmingsgegevens te vermelden. Daarmee is actief meegewerkt aan (kort door de bocht, gelegenheid geven tot) belastingfraude.
Maar wat is nu de wettelijke grondslag voor de boete?
De Hoge Raad begint de zoektocht helemaal in het eerste artikel van de basiswet voor belastingheffing, de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De AWR geldt voor het heffing in Nederland van rijksbelastingen en boetes. De omzetbelasting is zo’n rijksbelasting. Bijgevolg ziet de boete van artikel 67f AWR ook op de Nederlandse belasting en strekt zich niet uit tot belastingen in ander lidstaten van de EU.
Aan de eis van opzettelijk niet betalen is voldaan als het handelen van de belastingplichtige moet zijn gericht geweest op het niet (volledig) betalen van omzetbelasting. Dat de opzet van onze autodealer was gericht op het niet-betalen van btw in een andere hoeft nog niet te betekenen dat diens opzet ook was gericht op het niet-betalen van omzetbelasting in Nederland (de belastinginspecteur heeft meermaals erkend dat het niet te doen was om de Nederlandse omzetbelasting). Daarmee is de boete van tafel.
De belastingdienst probeert de boete op creatieve wijze in stand te houden
In de kern stelt de Belastingdienst dat door de belastingfraude aan onze dealer (alsnog) het toepassen van het 0%-tarief moet worden geweigerd en dat in die zin het alsdan toch gaat om Nederlandse belasting en (impliciet) ook een boete kan worden opgelegd. Volgens de Hoge Raad is er met een ruime wetsuitleg (binnen de Europese regelgeving) wel een wettelijke grondslag te vinden voor de naheffing (20 AWR) in Nederland, maar geldt dat niet voor de boete: “Een zodanige ruime uitleg van het beboetbare feit van artikel 67f AWR zou meebrengen dat het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen wordt geschonden.”
Commentaar fiscaal jurist inzake fraude en fiscale boete
Volgens het Gerechtshof is de boete terecht opgelegd. Volgens de Hoge Raad ontbreekt het opzetbestanddeel. De Hoge Raad verwijst ook nog even naar een eerdere uitspraak Hoge Raad d.d. 6 september 2024 ECLI:NL:HR:2024:1135.
De belastinginspecteur koos voor een boete wegens het niet betalen van omzetbelasting, terwijl er ook andere (strafrechtelijke) opties waren. Dat in de wet niet is opgenomen dat de boete ook betrekking kan hebben op heffingen in het buitenland is een verzuim van de wetgever. Laat die dat dan ook repareren (als dat gewenst is). Dat bij de belastingheffing zelf de heffingsgrondslag hinein wird interpretiert is nog tot daartoe, maar laten we het strafrecht wel goed opschrijven en niet later erbij fantaseren.
Een terechte tik op de vingers van de Belastingdienst dus.
Onze autodealer kreeg aanvankelijk aanslagen van ruim € 1,5 miljoen en een boete van € 500.000. Die boete is in bezwaar al naar € 300.000 gegaan, bij de rechtbank bleef er € 285.000 over en bij het gerechtshof nog € 270.000. Door goed procederen maakt de gemachtigde van onze dealer er 0 van. Ben je dan spekkoper?
Fraude: niet aan beginnen dus.
Als het dan toch zover komt, zijn er natuurlijk ook talloze redenen om een straf c.q. boete te matigen. Het is daarom raadzaam een boete altijd met uw adviseur te bespreken om even beter te kijken of er echt niets aan is te doen. Wij oordelen hard, maar duidelijk en eerlijk.
Bron fiscale fraude en boete
Hoge Raad 20 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:279
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10306
Fiscale aspecten onzakelijke leningen
Binnen elk concern komen geldleningen voorbij. Civielrechtelijk is dit eenvoudig, van een geldlening is sprake als er een terugbetalingsverplichting is. In de basis volgt de fiscale wereld de civiele wereld (zie ook Hoge Raad 27 januari 1988 ECLI:NL:HR:1988:ZC3744). Er zijn echter ook uitzonderingen, fiscaal liggen leningen vaak gevoelig op het moment dat deze worden afgewaardeerd. Soms worden leningen gezien als eigen vermogen en soms als vreemd vermogen. In de genoemde procedure worden 3 uitzonderingen gemaakt, dit zijn:
- De bodemloze put lening : een lening onder zodanige voorwaarden en omstandigheden dat het voor de schuldeiser vanaf het begin duidelijk had moeten zijn dat aan de vordering geen waarde toekomt, dit omdat het bedrag (de vordering met rente) niet of niet volledig zal worden terugbetaald, zie ook Hoge Raad d.d. 29 oktober 2004 ECIL:NL:HR:2004:AR4761)
- De schijnlening: Partijen hebben in werkelijkheid een kapitaalstorting / verstrekking voor ogen gehad
- De deelnemerschapslening: een lening waarbij de schuldeiser in zekere mate deelneemt in de onderneming van de schuldenaar. Deze vorm is uiteindelijk ook opgenomen in de wet, zie ook Hoge Raad d.d. 25 november 2005 ECLI:NL:HR:2005:AT5958
Onzakelijke lening binnen concern: afwaardering niet aftrekbaar
De fiscale kwalificatie van leningen binnen concernverhoudingen blijft een terugkerend discussiepunt met de Belastingdienst. Met name bij structurele verliezen of afwaarderingen rijst regelmatig de vraag of sprake is van een zakelijke lening, dan wel van een zogenoemde onzakelijke lening. In een recente uitspraak van Rechtbank Gelderland d.d. 10 oktober 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:5461) wordt deze problematiek opnieuw scherp afgebakend. De rechtbank oordeelt dat X BV de afwaardering op een lening aan een gelieerde vennootschap niet ten laste van haar winst kan brengen, omdat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een onzakelijke lening.
In dit artikel wordt ingegaan op de feiten, de fiscale beoordeling door de rechtbank en de aandachtspunten voor de praktijk.
Wie draagt de bewijslast bij een onzakelijke lening?
De bewijslast voor een onzakelijke lening ligt in beginsel bij de inspecteur. De inspecteur moet aannemelijk maken dat geen derde onder vergelijkbare omstandigheden een dergelijke financiering zou verstrekken. Als deze hobbel wordt genomen ligt de bewijslast daarna bij belastingplichtige om het tegendeel aannemelijk te maken.
Wanneer gaat het mis bij een lening binnen concern
❌ rekening-courant laten oplopen zonder limiet
❌ geen zekerheden of veel te lage rente
❌ winst zit elders, risico in Nederland
❌ geen periodieke krediettoets
❌ pas documenteren bij controle
Praktijkcasus van een onzakelijke lening
X BV is moedermaatschappij van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Tot deze fiscale eenheid behoort onder meer A BV. Het X-concern houdt zich bezig met online gokactiviteiten. A BV heeft gelden uitgeleend aan Q, een gelieerde vennootschap gevestigd op Malta.
In de aangifte VPB 2019 waardeert X BV de door A BV aan Q verstrekte lening af met een bedrag van € 267.017. De inspecteur accepteert deze afwaardering niet en stelt zich op het standpunt dat, voor zover het betreft de na 31 januari 2016 in rekening-courant verstrekte bedragen, sprake is van een onzakelijke lening. Na bezwaar accepteert de inspecteur slechts een beperkte afwaardering van € 28.928.
Volgens de inspecteur heeft X BV een debiteurenrisico aanvaard dat een onafhankelijke derde onder vergelijkbare omstandigheden niet zou hebben genomen, ook niet tegen een hogere rentevergoeding. De afwaardering is daarom fiscaal (grotendeels) niet aftrekbaar.
Wat is het juridische kader van een onzakelijke lening ?
Van een onzakelijke lening is sprake indien een geldverstrekking plaatsvindt onder zodanige voorwaarden en omstandigheden dat daarbij een debiteurenrisico wordt aanvaard dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, terwijl dat risico ook niet kan worden gecompenseerd door een (hogere) rente. In dat geval wordt verondersteld dat het risico is aanvaard vanuit de aandeelhoudersrelatie. Latere verliezen op een dergelijke lening, waaronder afwaarderingen, blijven dan buiten aanmerking bij de winstbepaling.
De bewijslast rust in beginsel op de inspecteur, die aannemelijk moet maken dat geen sprake is van een zakelijke lening.
De Rechtbank Gelderland volgt de inspecteur in diens standpunt. De rechtbank acht doorslaggevend dat de inspecteur voldoende feiten en omstandigheden heeft aangedragen waaruit volgt dat een onafhankelijke derde de lening niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben verstrekt.
De rechtbank acht daarbij onder meer van belang:
- Ontbreken van zekerheden: Voor de verstrekte gelden zijn geen zekerheden bedongen, terwijl het gaat om substantiële bedragen binnen een concernverhouding.
- Financieringsstructuur van de debiteur: Q is volledig met vreemd vermogen gefinancierd. Eigen vermogen ontbreekt, waardoor het risico voor de crediteur van meet af aan aanzienlijk is.
- Structureel negatieve solvabiliteit: De solvabiliteit van Q is vanaf het begin negatief en blijft dat ook gedurende de relevante periode. Van enige verbetering of realistisch herstelperspectief is geen sprake.
- Economische toerekening van opbrengsten: De opbrengsten uit de gokactiviteiten komen niet toe aan A BV of X BV, maar aan de economisch rechthebbenden. Daarmee ontbreekt een directe economische rechtvaardiging voor het aanvaarden van het volledige debiteurenrisico door de Nederlandse vennootschappen.
Gelet op deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat X BV een debiteurenrisico heeft gelopen dat zodanig groot is, dat geen onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest de gelden te verstrekken, ook niet tegen een hogere rente of met een risico-opslag. De lening is dus niet at arm's length overeengekomen, zie ook Hoge Raad d.d. 25 november 2011 ECLI:NL:HR:2011:BN3442. Daarmee kwalificeren de na 31 januari 2016 verstrekte bedragen als onzakelijke lening. De afwaardering op deze lening kan daarom niet in aftrek worden gebracht op de fiscale winst. Het beroep van X BV wordt ongegrond verklaard.
Volledige lening onzakelijk of een deel van de lening onzakelijk
Dat de inspecteur uiteindelijk nog een afwaardering van € 28.928 accepteert, terwijl het grootste deel van de lening als onzakelijk wordt aangemerkt, hangt samen met het feit dat de beoordeling van de zakelijkheid per afzonderlijke geldverstrekking plaatsvindt. Met name bij een rekening-courantverhouding wordt niet de lening als geheel beoordeeld, maar moet per opname worden vastgesteld of een onafhankelijke derde onder vergelijkbare omstandigheden bereid zou zijn geweest de financiering te verstrekken.
In deze zaak stelt de inspecteur zich op het standpunt dat uitsluitend de na 31 januari 2016 verstrekte bedragen het karakter van een onzakelijke lening hebben. Daaruit volgt dat de tot dat moment uitgeleende bedragen nog als zakelijk zijn aangemerkt. Voor dit zakelijke deel van de vordering blijft een afwaardering fiscaal mogelijk. De door de inspecteur geaccepteerde afwaardering van € 28.928 ziet dan ook op dit deel van de lening.
Vanaf het moment waarop het debiteurenrisico zodanig is toegenomen dat geen onafhankelijke derde nog zou hebben gefinancierd, wordt het aanvaarden van dat risico geacht te zijn ingegeven door aandeelhoudersmotieven. Verliezen op de nadien verstrekte bedragen, waaronder afwaarderingen, blijven in dat geval fiscaal buiten aanmerking. Deze knip in de tijd verklaart waarom een beperkte afwaardering wordt toegestaan, terwijl het merendeel van de afwaardering wordt geweigerd.
Het kan soms ook zo zijn dat een zakelijke lening tijdens de looptijd een onzakelijk karakter krijgt, dit door het handelen van de een partij. Een voorbeeld hiervan is te vinden bij de Hoge Raad d.d. 1 maart 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ2735.
Advies en aandachtspunten bij een fiscaal onzakelijke lening
Deze uitspraak bevestigt opnieuw dat bij financieringen binnen een concern goed moet worden gekeken of leningen zakelijk zijn vormgegeven. In de praktijk zijn met name de volgende aandachtspunten van belang:
- Documenteer waarom een lening onder vergelijkbare voorwaarden ook door een derde zou zijn verstrekt;
- Leg de lening schriftelijk vast met een heldere datum stempel en/of opslaan op de harde schijf;
- Beoordeel structureel de financiële positie en solvabiliteit van de debiteur;
- Zorg voor passende zekerheden of een realistische risico-vergoeding;
- Reken een marktconforme rente;
- Let op situaties waarin opbrengsten niet (volledig) toekomen aan de crediteur of het concern.
Indien het debiteurenrisico feitelijk wordt gedragen vanuit aandeelhoudersmotieven, ligt het oordeel “onzakelijke lening” snel op de loer, met als gevolg dat afwaarderingen fiscaal niet aftrekbaar zijn.
Kennisgroep belastingdienst en onzakelijke leningen
De onzakelijke lening heeft ook bij de kennisgroep zijn intrede gedaan. De belangrijkste standpunten zijn de volgende:
- Schenking of gift bij een onzakelijke lening aan een kind (KG:063:2024:9)
- De invloed van een onzakelijke lening op het opgeofferde bedrag wordt in een kennisgroep standpunt uitgewerkt (KG:023:2025:5)
- Nagekomen rente bij een onzakelijke lening (KG:023:2024:7).
Noot fiscaal jurist inzake onzakelijke leningen binnen concernverband
De kwalificatie van een lening als zakelijk of onzakelijk is sterk feiten- en omstandighedenafhankelijk en vormt een belangrijk risico binnen concernstructuren, zeker bij internationale financieringen en structureel verlieslatende activiteiten. Deze uitspraak benadrukt dat de inspecteur, mits goed onderbouwd, met succes kan stellen dat een afwaardering buiten aanmerking moet blijven. De invloed van een onzakelijke lening op het opgeofferde bedrag wordt in een kennisgroep standpunt uitgewerkt (KG:023:2025:5), in een ander standpunt wordt ingegaan op nagekomen rente bij een onzakelijke lening (KG:023:2024:7).
Indien binnen uw concern sprake is van (rekening-courant) leningen aan gelieerde vennootschappen, of indien afwaarderingen worden overwogen, is het verstandig tijdig te beoordelen of het risico bestaat dat de lening fiscaal als onzakelijk wordt aangemerkt.
Op onze website (webshop) zijn overeenkomsten beschikbaar die kunnen helpen de lening zakelijk vorm te geven en de kans op een kwalificatie als onzakelijk te beperken. Desgewenst kunnen wij u hierbij ook inhoudelijk begeleiden en adviseren.
Turboliquidatie van een BV (of rechtspersoon)
Ditmaal een artikel dat niet primair een fiscaal onderwerp behandelt, maar een thema dat in de fiscale praktijk regelmatig aan de orde komt: de ontbinding van een besloten vennootschap. Daarbij spelen met name civielrechtelijke aspecten een centrale rol. In dit artikel wordt specifiek ingegaan op de zogenoemde turboliquidatie, via deze route verdwijnen er jaarlijks 40.000 rechtspersonen in Nederland.
Door een zogenaamde turboliquidatie kunt u op een snelle manier een BV, NV, stichting of andere rechtspersoon ontbinden. U mag de turboliquidatie alleen uitvoeren als er geen bater meer in de onderneming zit (geen activiteiten meer en geen bezittingen). Dit onderdeel kreeg de laatste tijd meer aandacht, ondermeer door een artikel in het Financiele dagblad op 20 december 2025, Misbruik via de Plof BV, kinderlijk eenvoudig en niemand krijgt er vat op.
Turboliquidatie en navorderingsaanslag
Een turboliquidatie maakt de fiscale claim niet ongedaan. De inspecteur kan ook na ontbinding (navorderings) aanslagen opleggen en de ontbonden BV kan daartegen procederen zolang een heropening van de vereffening denkbaar is.
Een DGA liquideerde zijn BV's aan de lopende band. De BV's handelende in emballage goederen en auto's. Als de bank of belastingdienst lastige vragen gingen stellen volgt een liquidatie (of beter turboliquidatie). Na een boekenonderzoek van de Belastingdienst en een strafrechtelijk onderzoek van de FIOD wordt het nadeel voor de belastingdienst ingeschat op ruim 4.000.000. Er worden navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting opgelegd. De Rechtbank Noord Nederland is het op 24 augustus 2026 ECLI:NL:RBNHO:2026:10995 met de belastingdienst eens.
Eindrapportage turboliquidatie door Belastingdienst
De staatssecretaris van Financiën heeft de eindrapportage van de onderzoekspilot naar turboliquidaties afgerond. Uit het rapport volgt het volgende:
- Turboliquidaties worden gebruikt om fiscaal misbruik te verhullen, grootschalig misbruik is niet vastgesteld.
- Merendeels van de turboliquidaties lijken normaal.
- Misbruik is lastig te detecteren.
- Data analyse en samenwerkingen tussen de Belastingdienst en de FIOD blijven nodig om misbruik in beeld te houden.
- De positie van schuldeisers is door de nieuwe wet beter geworden.
Hoe wordt een B.V. opgeheven of geliquideerd?
Voor het opheffen van een besloten vennootschap is een ontbindingsbesluit vereist. Dit besluit wordt genomen door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AVA). Bij een ‘eenmans-B.V.’ zal de directeur-grootaandeelhouder het besluit nemen. De statuten van de vennootschap zijn hierbij leidend.
Indien sprake is van meerdere aandeelhouders, bepalen de statuten op welke wijze en met welke meerderheid de B.V. kan worden ontbonden. De vennootschap houdt in beginsel op te bestaan op het moment dat het ontbindingsbesluit wordt genomen.
Let op: een ontbinding met terugwerkende kracht is niet mogelijk. Wel kan in het ontbindingsbesluit een toekomstig tijdstip worden aangewezen waarop de ontbinding ingaat. Dit besluit dient vervolgens te worden geregistreerd bij de Kamer van Koophandel middels het daarvoor bestemde formulier 17a
Vereffening van een BV hoe werkt dit?
Indien de B.V. op het moment van ontbinding nog baten heeft, blijft de vennootschap voortbestaan totdat het vermogen volledig is vereffend. Vanaf het moment van ontbinding dient de vennootschap in al haar uitingen de toevoeging “in liquidatie” te voeren.
Daarnaast dient een vereffenaar te worden aangewezen, die belast is met de afwikkeling van het vermogen. In veel gevallen is in de statuten vastgelegd wie als vereffenaar optreedt. Tevens moet een bewaarder van de boeken en bescheiden worden aangewezen, waarbij een bewaartermijn van zeven jaar geldt.
Inwerkingtreding tijdelijke wet transparantie turboliquidatie
Vanaf 15 november 2023 is de Wet transparantie turboliquidatie in werking getreden. Voorheen kon een B.V. met relatief eenvoudige handelingen (het ontbindingsbesluit en formulier 17a) worden ontbonden. Dit leidde in de praktijk tot misbruiksituaties waardoor de Wet transparantie turboliquidatie is ingevoerd.
De wet werd aanvankelijk aangenomen voor een periode van twee jaar. Op 12 augustus 2025 is besloten deze termijn met nog eens twee jaar te verlengen. Inmiddels is aangekondigd dat voorbereidingen worden getroffen om de wet permanent te maken, omdat het leidt tot meer transparantie voor de schuldeisers.
Met de inwerkingtreding van deze wet gelden aanvullende verplichtingen voor een rechtsgeldige turboliquidatie. De voorwaarden om tot een rechtsgeldige turboliquidatie te komen zijn:
- het opstellen van een rekening en verantwoording;
- het opstellen van een plan van verdeling;
- terinzagelegging van stukken;
- publicatie in een landelijk dagblad;
- het verkrijgen van een akte van non-verzet;
- het invullen en indienen van formulier 17b bij de Kamer van Koophandel.
Hierna worden enkele van deze verplichtingen nader toegelicht.
Rekening en verantwoording en plan van verdeling
Nadat het besluit tot ontbinding van een B.V. is genomen dient het bestuur binnen 14 dagen een aantal documenten te deponeren bij de Kamer van Koophandel waaronder de rekening en verantwoording. De rekening en verantwoording bestaat uit:
- een balans en een staat van baten en lasten van het lopende boekjaar, en – indien over het voorafgaande boekjaar nog geen jaarrekening is gedeponeerd – tevens een staat van baten en lasten over dat boekjaar;
- een toelichting op de rekening en verantwoording, waarin (voor zover van toepassing) wordt opgenomen:
- waarom de rechtspersoon op het moment van ontbinding geen bezittingen meer heeft en wat er met de baten is gebeurd in het boekjaar voorafgaand aan de ontbinding;
- welke baten aanwezig waren, welke opbrengsten deze hebben gegenereerd en hoe deze opbrengsten zijn verdeeld;
- waarom één of meer schuldeisers geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven.
De Kamer van Koophandel stelt een voorbeeldformulier beschikbaar dat hiervoor kan worden gebruikt.
Daarnaast dient, voor zover van toepassing, schriftelijk aan schuldeisers te worden medegedeeld dat de stukken met betrekking tot de turboliquidatie bij de Kamer van Koophandel zijn gedeponeerd.
Een plan van verdeling hoeft uitsluitend te worden gedeponeerd indien sprake is van meerdere aandeelhouders.
Aanvullende toelichting bij een turboliquidatie hoe werkt dit?
De rekening en verantwoording dient gedurende een periode van twee maanden ter inzage te liggen bij de Kamer van Koophandel. Tevens dient de vereffenaar via een advertentie in een landelijk dagblad bekend te maken dat de vennootschap in liquidatie verkeert en waar de stukken ter inzage liggen.
Gedurende de termijn van twee maanden kunnen schuldeisers verzet aantekenen bij de rechtbank. Indien geen verzet wordt ingesteld, houdt de B.V. definitief op te bestaan. Vervolgens dient bij de rechtbank een akte van non-verzet te worden opgevraagd en dient de beëindiging van de B.V. te worden doorgegeven middels formulier 17b. Het betreffende formulier treft u hier aan.
Meer schulden dan baten bij een liquidatie en nu?
Indien de B.V. meer schulden dan baten heeft en om die reden haar activiteiten moet staken, zijn verschillende opties mogelijk. Nadere informatie hierover is te vinden op de website van de Kamer van Koophandel. Kijk hiervoor naar het onderdeel op de site van de kamer van koophandel.
Indien tevens sprake is van betalingsproblemen richting de Belastingdienst, kan het noodzakelijk zijn een melding van betalingsonmacht te doen. Dit is met name van belang ter voorkoming van bestuurdersaansprakelijkheid. Lees hiervoor ons artikel.
Gevolgen niet voldoen aan de voorwaarden bij een liquidatie
Indien bij de ontbinding van een B.V. niet wordt voldaan aan alle wettelijke vereisten, kan dit leiden tot bestuurdersaansprakelijkheid. Zorgvuldige naleving van de wettelijke voorschriften is derhalve essentieel.
Noot fiscaal jurist inzake een turboliquidatie
In dit artikel is uiteengezet hoe een besloten vennootschap op rechtsgeldige wijze kan worden ontbonden. Hoewel de nadruk ligt op civielrechtelijke aspecten, komt dit onderwerp in de fiscale praktijk regelmatig voor. Daarnaast kunnen ook fiscale gevolgen aan de orde zijn. Zo kan bij ontbinding tussen vennootschappen sprake zijn van een aftrekbaar liquidatieverlies bij de moedermaatschappij. Indien een natuurlijk persoon zijn of haar B.V. ontbindt, kan mogelijk een verlies in box 2 ontstaan. Dit verlies is verrekenbaar met toekomstige box 2-inkomsten, dan wel – na een wachttijd van twee jaar – om te zetten in een belastingkorting (box 1). Voordat wordt overgegaan tot ontbinding van een B.V. dienen derhalve ook de fiscale gevolgen zorgvuldig in kaart te worden gebracht. Indien u voornemens bent een B.V. te ont-binden, kunt u contact met ons opnemen om te kijken wat wij voor u kunnen betekenen.
Belastingrente onrechtmatig voor bedrijven
Op 16 januari 2026 heeft de Hoge Raad een principiële streep gezet door het belastingrentepercentage van 8% voor de vennootschaps-belasting (Vpb). Het arrest is met name relevant omdat de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2016:59)– ondanks een terughoudende toetsingsmaatstaf bij politiek-bestuurlijke keuzes – oordeelt dat deze selectieve lastenverzwaring voor Vpb-plichtigen onevenredig én ongelijk is.
Volgens de Hoge Raad d.d. 10 april 2026 (ECLI:NL:HR:2026:591) is de belastingrente van minimaal 4% voor andere belastingen dan de Vennootschapsbelasting niet onevenredig. Bij het in rekening brengen van belastingrente over een toekomstig tijdvak mag niet worden vooruitgelopen op een nog niet in werking getreden renteverhoging.
Uitspraak belastingdienst inzake massaal bezwaar tegen belastingrente
De inspecteur heeft (namens de belastingdienst) in februari 2026 collectief uitspraak gedaan op een groot aantal bezwaren tegen de in rekening gebrachte belastingrente sinds oktober 2020 (aanwijzing massaal bezwaar). Voor de inkomstenbelasting zijn de bezwaren ongegrond verklaard (zie hier) en voor de vennootschapsbelasting gegrond (zie hier). Vorenstaande onder verwijzing naar een uitspraak van de Hoge Raad op 16 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:59). Volgens de Hoge Raad is de belastingrente voor de inkomstenbelasting niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Beroep tegen de uitspraak is niet mogelijk. Voor de vennootschapsbelasting ligt dit anders, de verhoging van de belastingrente is niet verenigbaar met de fundamentele beginselen van evenredigheid. Vorenstaande wordt binnen 6 maanden afgerond via een beschikking.
Hoge Raad schrapt belastingrente Vennootschapsbelasting
De zaak draaide om een B.V. die op 27 juni 2023 aangifte Vpb 2021 deed. De inspecteur legde vervolgens een voorlopige aanslag op (dagtekening 15 juli 2023) conform de aangifte, maar bracht daarbij € 90.969 aan belastingrente in rekening over 1 juli 2022 t/m 26 augustus 2023, berekend tegen het toen geldende minimumpercentage van 8% voor de Vpb.
De B.V. bestreed niet zozeer de systematiek van belastingrente als zodanig, maar stelde dat de regeling die specifiek voor Vpb-plichtigen een hoger rentepercentage voorschrijft, in strijd is met algemene rechtsbeginselen. De kernvraag was dus: is de selectieve renteverhoging voor de Vpb (art. 1, onderdeel b, Besluit belasting- en invorderingsrente) rechtmatig?
Uitspraak rechtbank Noord-Nederland inzake onrechtmatige belastingrente
De rechtbank Noord-Nederland oordeelde op 7 november 2024 dat het verhoogde rentepercentage (minimum 8%) het evenredigheids-beginsel schendt en verklaarde de betreffende bepaling daarom onverbindend (ECLI:NL:RBNNE:2024:4361).
Sprongcassatie: wat is dat en waarom hier?
In plaats van de gebruikelijke route via hoger beroep, is hier sprongcassatie ingesteld: partijen spreken dan af dat het geschil na de uitspraak in eerste aanleg direct (zonder hoger beroep) in cassatie aan de Hoge Raad wordt voorgelegd.
De Staatssecretaris stelde sprongcassatie in mede omdat de rechtbankuitspraak leidde tot veel bezwaren van andere belastingplichtigen; de bezwaren zijn bovendien aangewezen als massaal bezwaar, zodat deze procedure richtinggevend is voor een grote groep dossiers.
Advies Advocaat-Generaal Koopman inzake rechtmatigheid belastingrente
Advocaat-Generaal Koopman concludeerde (26 september 2025; ECLI:NL:PHR:2025:1044) dat de verhoging naar 8% voor de Vpb onverbindend is. De A-G benaderde dat primair via het spoor van de delegatie: de besluitgever zou de gedelegeerde bevoegdheid hebben overschreden, mede tegen de achtergrond van de functie van belastingrente als compensatie voor het rentenadeel van de schatkist.
Daarnaast was de A-G kritisch op de onderbouwing van (i) de keuze voor aansluiting bij de (handels)rente en (ii) het selectieve karakter van de lastenverzwaring, en legde hij nadruk op het ontbreken van een overtuigende rechtvaardiging waarom juist Vpb-plichtigen structureel zwaarder zouden moeten worden belast dan belastingplichtigen bij andere middelen.
Arrest Hoge Raad inzake onrechtmatige belastingrente
De Hoge Raad pakt de analyse in stappen op en komt tot een genuanceerd oordeel. De strekking is als volgt:
- Het percentage is vastgesteld bij AMvB (het Besluit belasting- en invorderingsrente) en is daarom toetsbaar aan algemene rechtsbeginselen (anders dan een wet in formele zin).
- Anders dan A-G Koopman oordeelt de Hoge Raad dat art. 30hb AWR niet meebrengt dat de besluitgever het rentepercentage moet beperken tot het daadwerkelijk geleden rentenadeel. Er is dus ruimte voor een hoger percentage dan “zuivere compensatie”.
- Het Besluit is – opnieuw anders dan de A-G meende – zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd.
- De toetsing aan het evenredigheidsbeginsel moet materieel terughoudend zijn, omdat het gaat om politiek-bestuurlijke keuzes.
Maar die terughoudendheid redt de regeling niet: óók bij terughoudende toetsing kan een regeling sneuvelen wanneer de kern van de maatregel feitelijk neerkomt op een selectieve lastenverzwaring zonder deugdelijke rechtvaardiging.
De Hoge Raad leidt uit wetsgeschiedenis en toelichting af dat de verhoging voor de Vpb in hoofdzaak budgettair is gemotiveerd. Een budgettaire doelstelling kan op zichzelf bestaan, maar rechtvaardigt volgens de Hoge Raad niet dat die lasten selectief bij één groep belastingplichtigen worden neergelegd, terwijl voor andere middelen een lager regime geldt.
Concreet wijst de Hoge Raad de aangevoerde rechtvaardigingen af:
- Niet valt in te zien waarom de rente voor de Vpb hoger moet zijn dan voor andere belastingen; voor belastingrente moeten Vpb-plichtigen en andere belastingplichtigen als gelijke gevallen worden beschouwd.
- De vergelijking met de wettelijke handelsrente gaat niet op: een nog niet geformaliseerde belastingschuld is geen handelsvordering.
- Ook het argument dat belastingplichtigen de rente kunnen voorkómen (tijdige aangifte/voorlopige aanslag) draagt niet: zelfs een “vermijdbare” lastenverzwaring kan nog steeds onevenredig zijn als zij zonder goede grond selectief wordt opgelegd.
Bezwaar maken tegen hoogte belastingrente
AlsgevolgvanhetarrestvandeHogeRaad,waarbijderegelingonverbindendisverklaard,zijndevolgenderentetarievenvantoepassing:
- Periode 2022 : rente 8% (na arrest 4%)
- Periode 1 januari 2023 - 30 juni 2023 : rente 8% (na arrest 4%)
- Periode 1 juli 2023 - 31 december 2023 : rente 8% (na arrest 6%)
- Periode 2024 : rente 10% (na arrest 7,5%)
- Periode 2025 : rente 9% (na arrest 6,5%)
- Vanaf 2026 : rente 7,5% (na arrest 5%)
Recent en definitieve aanslag ontvangen?
Ga dan na of een bezwaar tegen de belastingrente nog mogelijk is. Dit is mogelijk binnen 6 weken te rekenen vanaf de dagtekening van de aanslag.
Recent een voorlopige aanslag ontvangen ?
Voor voorlopige aanslagen geldt in de praktijk dat je niet “zuiver” via bezwaar tegen de voorlopige aanslag bezwaar kunt maken voor de belastingrente, maar via een verzoek om herziening en vervolgens – na afwijzing – bezwaar.
Is er reeds bezwaar gemaakt en is dit bezwaar aangewezen onder de massaal bezwaarprocedure? Dan zal op korte termijn het bezwaar worden toegekend via een collectieve uitspraak.
Dit arrest kan in de praktijk leiden tot een (aanzienlijke) verlaging of teruggaaf van belastingrente bij Vpb-aanslagen, maar het resultaat hangt sterk af van de feiten, de relevante renteperiode en het tijdig bezwaar maken. Heeft u vragen, wilt u laten toetsen of u nog bezwaar kunt maken, of wilt u weten of uw dossier onder de massaal bezwaarprocedure valt? Neem dan contact op met één van onze fiscaal juristen via onderstaand formulier of bel ons .
Derdenonderzoek belastingdienst en privacy
Soms staat het publieke of fiscale belang op gespannen voet met basis grondrechten van een burger. Een voorbeeld hiervan is het recht op privacy ten opzichte van de onderzoeksrechten van de belastingdienst (zoals een boekenonderzoek of derdenonderzoek). Soms is het voor de belastingheffing wenselijk dat het recht op privacy (artikel 8 EVRM) opzij wordt gezet. Door de verregaande digitalisering is het steeds eenvoudiger om diverse data aan elkaar te knopen en via datamining inzichtelijk te maken. De privacy komt hierbij steeds meer onder druk, maar wat mag nu wel en wat mag niet?
In een procedure bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kwam dit onderdeel voor het eerst op Europees niveau aan de orde, dit in de zaak van de heer Ferrieri en mevrouw Bonassisa.
Derdenonderzoek belastingdienst bij bancaire instelling, mag dit?
De Italiaanse belastingdienst heeft in het kader van een onderzoek gegevens van prive personen opgevraagd bij een bancaire instelling. De bank stuurt een kort briefje aan de personen over dit verzoek. De bank stuurt de informatie (op grond van op haar rustende wettelijke verplichting) aan de belastingdienst. In Italië bestaat - evenzo als in Nederland - geen mogelijkheid om bezwaar te maken tegen dit derdenonderzoek resp. de informatieverstrekking door de bank. Beide personen stappen naar de europese rechter met als reden:
- Zeer uitgebreide bevoegdheid van de Italiaanse belastingdienst.
- Ontbreken van (voldoende) procedurele waarborgen ter bescherming van hun rechten (willekeur / misbruik).
De Europese rechter gaat er eens goed voor zitten. Er is sprake van schending van de rechten die zijn opgenomen in artikel 8 van het EVRM (inzage in bankgegevens is een inbreuk op het privé leven). Dit met de volgende gronden:
- Geen rechterlijke toetsing vooraf of achteraf (ook geen alternatief via een onafhankelijke toetsing).
- Onvoldoende waarborgen om de personen te beschermen tegen misbruik of willekeur.
- Te uitgebreide bevoegdheid van de belastingdienst waarbij niet vereist is dat er bij het verzoek wordt gemeld waarom de informatie wordt opgevraagd en/of waarom de personen worden gecontroleerd.
De vraag die nu volgt is of er een wettelijke basis is binnen het Italiaanse recht. Binnen het Italiaanse recht is dit opgenomen in de wet edoch zijn er zeer beperkte grenzen en is de bevoegdheid eigenlijk onbeperkt. Een onderbouwing van een dergelijk verzoek is ook niet nodig. Hiermee is de Europese rechter van oordeel dat er een wettelijke basis is maar dat deze wetgeving onvoldoende helderheid en kwaliteit heeft geboden. Mede door het ontbreken van rechtsmiddelen tegen dit verzoek om informatie maakt dat de rechter kritisch wordt. Omdat er ook achteraf geen of een beperkte toetsing mogelijk is, zorgt ervoor dat de rechter strijdigheid met artikel 8 EVRM heeft vastgesteld.
Noot fiscaal jurist inzake privacy en derdenonderzoek
Deze casus speelde in Italie en de vraag is dan ook, wat kan dit voor Nederland betekenen. De Italiaanse belastingdienst heeft onbeperkte bevoegdheden en er wordt niet uitgelegd waarom een burger wordt gecontroleerd. Tevens ontbreken er duidelijke waarborgen. Vooraf of achteraf toetsen is vrijwel onmogelijk. In Nederland is dit al niet heel anders, brede bevoegdheden voor de belastingdienst en relatief zwakke checks and balances. De Nederlandse rechters hebben in de SMS parking zaak, de ANPR zaak en de Museumkaart zaak laten zien dat uitgebreide informatievergaring best mogelijk moet zijn. Er moet echter wel een wettelijke basis zijn voor de informatie verzameling (ANPR zaak).
In Nederland wordt algemene informatie automatisch aan de belastingdienst verstrekt en meer informatie op grond van een verzoek ex artikel 47 en 53 AWR. De informatie wordt vaak eerst bij de belastingplichtige opgevraagd en daarna bij de bancaire instelling.
- Ook in Nederland zijn banken wettelijk verplicht om aan een derdenonderzoek medewerking te verlenen (vaak zelfs zonder melding aan de belastingplichtige).
- Ook in Nederland zal de belastingdienst veelal niet motiveren waarom de informatie wordt opgevraagd.
- Ook in Nederland kan een belastingplichtige niet vooraf naar de rechter stappen of bezwaar maken bij een onafhankelijk orgaan. Achteraf beoordelen kan wel maar dan slechts marginaal. De toetsing achteraf kan dan door de bank bij een rechter onder de aandacht worden gebracht (en men kan een kostenvergoeding vragen).
Over het algemeen geven Nederlandse rechters de Belastingdienst veel ruimte bij het verzamelen van gegevens van belastingplichtigen en derden, mits dit gebeurt op grond van de ene wet (zoals de AWR of de AWB) en gericht is op een fiscaal legitiem doel (correcte heffing of bestrijden van fraude). Zelfs brede sleepnet vragen worden nog te vaak geaccepteerd (in het licht van het algemene belang). De uitspraak van de Europese rechter geeft aan dat de lat in Nederland te hoog is gelegd en teveel is doorgeslagen richting de belastingdienst. Dit zou een wake up call moeten zijn voor de Nederlandse overheid.
Voor de praktijk is bij een derdenonderzoek dus van belang hoe de belastingdienst aan de informatie is gekomen. Een toetsing door de Nederlandse rechter met de grondrechten (privacy) moet dan aan de orde worden gesteld. De algemene wet bestuursrecht kent wel algemene kaders (artikel 3:3 AWB), dit artikel bepaalt dat overheidsorganen hun bevoegdheden niet voor andere doeleinden mogen gebruiken dan waarvoor zij zijn verleend. Hierbij geldt dus bij derdenonderzoeken het volgende:
- Subsidiariteitsbeginsel: zijn er minder ingrijpende mogelijkheden om zelfde doel te bereiken?
- Proportionaliteitsbeginsel: doel moet in redelijke verhouding staan tot de inbreuk.
- Verbod op detournement de pouvoir: bevoegdheden niet gebruiken voor ander doel dan waarvoor deze is gegeven.
- Fair play: geen informatie opvragen bij anderen als deze informatie ook eenvoudig bij belastingplichtige valt op te vragen.
- Motiveringsbeginsel: onderbouwen waarom de gevraagde informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing van belastingplichtige.
- Zorgvuldigheid: inspecteur moet voorafgaand aan het derdenonderzoek eerst zorgvuldig de reeds aanwezige informatie onderzoeken.
In het kader van de rechtsbescherming is het aan te bevelen dat de bank en/of de belastingplichtige de mogelijkheid krijgt om vooraf in bezwaar te komen tegen een informatieverzoek. De belangen van een belastingplichtige worden nog te vaak uit het oog verloren, de belangen van de belastingdienst staan nog steeds op de eerste plek. Tevens moet er altijd een belangenafweging plaatsvinden, het EHRM eist dit en de Nederlandse wet kijkt hier nog onvoldoende naar.
Voor de liefhebber is deze scriptie / dit onderzoek leuk en nuttig om te lezen.
Een boete van de belastingdienst - verschuilen achter de adviseur?
Als belastingplichtige kunt u talloze fouten maken die aanleiding kunnen zijn voor een boete. In de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) zijn daaraan liefst twee hoofdstukken gewijd. In hoofdstuk VIIIA gaat het om verzuimboeten en (al wat ernstiger) vergrijpboeten. Hoewel verzuimboetes ook al aardig in de papieren kunnen lopen, doen vergrijpboetes meestal echt pijn. Beide leveren echter geen ‘strafblad’ op’. U heeft een serieus probleem als u in aanraking komt met Hoofdstuk IX van de AWR. Dat heet ‘Strafrechtelijke bepalingen’ en is precies wat er staat: strafrecht.
Wie is strafbaar bij opzettelijk onjuist aangifte doen?
De meeste belastingplichtigen kunnen niet meer zonder een belastingadviseur. De meeste adviseurs doen hun werk naar eer en geweten en de goeie besparen meer belasting dan dat ze kosten. Er zijn ook slechte en een aantal hele slechte.
In een recente casus werd zo’n (hele) slechte adviseur strafrechtelijk vervolgd. Deze adviseur bleek er een gewoonte van te maken om voor klanten de aftrekposten naar hoge bedragen op te voeren en de inkomsten naar te lage bedragen te verantwoorden. Volgens de belastingdienst (en later de officier van justitie) was dat opzettelijk met als doel te weinig belasting te betalen (belastingfraude).
Daarop wordt de adviseur strafrechtelijk vervolgd op grond van artikel 69 AWR (opzettelijk onjuiste belastingaangifte met als doel te weinig te betalen) en op grond van artikel 420ter Wetboek van strafrecht (witwassen). Bij de rechtbank wordt de adviseur voor alle (bewezen) feiten gezamenlijk) veroordeeld tot 25 maanden gevangenisstraf; in hoger beroep wordt dat bij het Hof (ECLI:NL:GHAMS:2023:1031) (18 maanden en omdat de procedure te lang duurde verminderd tot) 14 maanden gevangenis en worden een half miljoen aan banktegoeden en een kwart miljoen aan contanten die in beslag zijn genomen verbeurd verklaard.
Alleen de belastingplichtige zelf kan (onjuist) aangifte doen
In cassatie trekt de Hoge Raad de zaken (terecht) uit elkaar. De Hoge Raad stelt vast dat artikel 69 AWR een zogenoemd kwaliteitsdelict is. Alleen die een specifieke hoedanigheid (kwaliteit) heeft kan daarvoor veroordeeld worden. In dit geval is de ‘kwaliteit’ die van belasting- c.q. aangifteplichtige. Dat is (in principe) alleen de belastingplichtige zelf en niet diens adviseur.
De adviseur is dus veroordeeld voor een feit waarvoor hij niet strafbaar kan zijn. Dat mag niet. Omdat het Hof alles op een hoop heeft gegooid en één straf heeft opgelegd (onder toepassing van artikel 57 Wetboek van strafrecht; samenloop van meer strafbare feiten) moet een ander Hof bepalen wat wel een passende straf is (zonder - samenloop met -69 AWR). Daarbij komt dat ook bij de Hoge Raad de zaak te lang is blijven liggen, dat ook reden is voor strafvermindering. Het zal niet verbazen als de straf uiteindelijk slecht 1/3 is van de straf bij de rechtbank. Wel is de adviseur de inbeslaggenomen gelden kwijt.
Als lesje voor de toekomst voor officier van justitie, de rechtbank, de advocaat-generaal en het Hof geeft de Hoge Raad als uitbrander aan dat er ook ander vervolgingsopties zijn (medeplegen, uitlokking of medeplichtigheid (art. 47–51 Sr) of – in bepaalde gevallen – valsheid in geschrifte (art. 225 lid 2 Sr). Dat wekt ten minste de indruk dat (ook?) de Hoge Raad meent dat de adviseur te goed weg gaat komen. Procederen is een vak; gelukkig voor de adviseur laten de officier en de rechter ook weleens een steekje vallen….
Commentaar fiscaal jurist inzake boete bij medepleger
De rotte appel onder de adviseurs komt er uiteindelijk nog genadig af. De vervolging is terecht, alleen jammer dat ze er een potje van hebben gemaakt. Mocht u nu denken: dan kom ik er als bestuurder van een vennootschap ook wel mee weg, kunt u die gedachte begraven. Artikel 42 AWR geeft u ook de kwaliteit van belastingplichtige en is artikel 69 AWR wel op u van toepassing.
De belastingplichtigen zelf zijn in dit geval kennelijk niet vervolgd. Dat lijkt ook lastig nu bijna niet te bewijzen valt dat (ook) zij opzettelijk frauduleus hebben gehandeld (de hoeveelheid boter op iemands hoofd is nog geen bewijs van opzet).
Fraude: niet aan beginnen dus.
Als het dan toch zover komt, zijn er natuurlijk ook talloze redenen om een straf c.q. boete te matigen. Het is daarom raadzaam een boete altijd met uw adviseur te bespreken om even beter te kijken of er echt niets aan is te doen. Wij oordelen hard, maar duidelijk en eerlijk.
Jurisprudentie inzake boete bij medepleger
Hoge Raad 18 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1699
Parket bij de Hoge Raad 2 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:868
Gerechtshof Amsterdam 2 mei 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1031
Meer over fiscale straffen:
Fiscale boete en strafvervolging
Fiscale boete of gevangenisstraf
Verzuimboete bij afwezigheid van alle schuld bij belastingplichtige
De Belastingdienst legt jaarlijks duizenden verzuimboetes op wegens het te laat indienen van de aangifte inkomstenbelasting. In veel gevallen blijft de boete in stand, omdat de lat voor het aannemen van afwezigheid van alle schuld (avas) uitzonderlijk hoog ligt. Recent heeft de Rechtbank Noord-Nederland d.d. 28 oktober 2025 echter geoordeeld dat X aannemelijk maakt dat haar géén verwijt kan worden gemaakt (ECLI:NL:RBNNE:2025:4836). De verzuimboete van € 385 wordt daarom vernietigd.
Verzuimboetes wordt via de computer opgelegd
Verzuimboetes zijn geen vergrijpboetes, hiervoor is dus opzet of groeve schuld geen issue. De verzuimboete wordt opgelegd als een aangifte of betaling niet op tijd is. Een dergelijk verzuim is doorgaans eenvoudig via een computer vast te stellen. Verzuimboeteoplegging leent zich daarom (aldus een brief van onze staatssecretaris in februari 2026) prima voor een geautomatiseerd proces en is hiermee doelmatig. Bezwaar maken tegen dergelijke boetes kan altijd en bij de beoordeling wordt rekening gehouden met specifieke (persoonlijke of verzachtende) omstandigheden. Het maken van bezwaar bij bijzondere omstandigheden is dus verstandig. Hulp nodig, stuur een bericht aan ons en wij nemen contact met u op.
Procedure bij Rechtbank over verzuimboete bij Avas
X ontvangt een aanslag IB/PVV 2022 naar een belastbaar inkomen van € 11.871, met gelijktijdige oplegging van een verzuimboete wegens het niet tijdig indienen van de aangifte (art. 67a AWR). Zij krijgt een uitnodiging, herinnering en uiteindelijk een aanmaning d.d. 22 augustus 2023. Toch komt de aangifte pas binnen op 3 juni 2024. X voert aan dat zij in deze periode langdurig was opgenomen in behandel- en zorginstellingen en kampte met ernstige psychische problematiek. Zij heeft meerdere ziekenhuisopnames ondergaan, kreeg intensieve jeugdhulp en voerde gelijktijdig een juridische procedure tegen haar tandarts. Hoewel hulpverleners haar ondersteunen, kunnen zij de aangifte niet voor haar indienen.
De inspecteur betwist (deels) deze omstandigheden en stelt dat X, net zoals zij een advocaat kon inschakelen in haar tandartsenprocedure, externe hulp had kunnen regelen voor het doen van de aangifte. Kernvraag is of X alle in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te voorkomen dat de aangifte te laat werd gedaan.
Avas: een strenge maatstaf in het boeterecht
De rechtspraak hanteert bij avas een strikte toets: alleen wanneer de belastingplichtige alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem of haar kan worden verwacht, vervalt de boete. In de praktijk wordt avas vooral aangenomen bij zeer uitzonderlijke omstandigheden, zoals acute medische noodsituaties of situaties waarin de belastingplichtige objectief niet in staat was om te handelen.
De vraag in hoeverre psychische problematiek kan leiden tot het ontbreken van verwijtbaarheid houdt de uitvoeringspraktijk al geruime tijd bezig. In veel zaken oordelen rechters dat een belastingplichtige, zelfs wanneer sprake is van aanzienlijke gezondheidsproblemen, toch in staat had moeten zijn om hulp van derden in te schakelen en dat het ontbreken van dergelijke stappen aan hem of haar kan worden toegerekend. Tegen die achtergrond krijgt deze uitspraak bijzondere betekenis. De rechtbank erkent dat de psychische belastbaarheid van X zó beperkt was dat zelfs het organiseren of zoeken van aanvullende ondersteuning feitelijk buiten haar mogelijkheden viel.
Waarom de rechtbank tot avas komt
De rechtbank beoordeelt de situatie van X in de periode februari tot en met september 2023 zorgvuldig. Uit brieven van behandelaars blijkt dat de psychische en medische situatie van X ernstig en langdurig was. De rechtbank acht aannemelijk dat X in deze periode niet in staat was om de aangifte te doen, noch om initiatief te nemen voor het vinden van professionele hulp buiten haar directe netwerk.
Belangrijk is dat X wél hulp heeft gevraagd binnen haar bestaande zorgstructuur. Dat deze hulpverleners de aangifte niet voor haar mochten of konden indienen, kan haar niet worden verweten. De rechtbank acht het, gezien de beperkingen, niet redelijk om van X te verlangen dat zij verder zou zoeken naar een fiscalist of administratiekantoor. De rechter benadrukt dat het niet gaat om abstracte mogelijkheden, maar om wat X in haar concrete psychische toestand feitelijk kon realiseren.
Daarmee concludeert de rechtbank dat X binnen haar vermogens alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar kon worden verwacht. De verzuimboete wordt vernietigd.
Noot fiscaal jurist: belangrijke nuancering in het avas-kader
Deze uitspraak brengt belangrijke duidelijkheid in het boeterecht. De rechtbank maakt duidelijk dat de beoordeling van avas geen theoretische redenering is, maar een concrete afweging waarbij wordt gekeken naar wat de belastingplichtige in zijn of haar werkelijke situatie nog kon doen. In situaties waarin sprake is van ernstige psychische problematiek kan het inschakelen van externe deskundigen feitelijk onmogelijk zijn, ook al is dat theoretisch denkbaar.
Voor de praktijk bij een verzuimboete betekent dit:
- Documentatie van hulpverleners is cruciaal voor het aannemelijk maken van avas;
- Het tijdig vragen van hulp binnen het bestaande zorgnetwerk kan voldoende zijn wanneer de belastingplichtige redelijkerwijs niet tot meer in staat is;
- De inspecteur kan niet volstaan met de stelling dat ’externe hulp beschikbaar is’; de rechter kijkt naar de feitelijke toegankelijkheid daarvan voor de betrokkene.
Wij verwachten dat deze uitspraak met name relevant is voor belastingplichtigen met langdurige zorgtrajecten of ernstige psychische beperkingen. Het blijft echter maatwerk: avas wordt niet snel aangenomen, maar deze zaak laat zien dat de rechter ruimte ziet wanneer de persoonlijke omstandigheden daadwerkelijk elke verwijtbaarheid uitsluiten. Heeft u een boete ontvangen maar was tijdige aangifte feitelijk onmogelijk? Wij helpen graag bij de beoordeling en onderbouwing van uw positie, stuur ons gerust een e-mail.
Invorderingsrente door de belastingdienst
De invorderingsrente bedraagt 4% (verhoging naar 4,3% vanaf 2026). Invorderingsrente is verschuldigd bij overschrijding van de door een belastingplichtige geldende uiterste betalingstermijn van een belastingaanslag. De invorderingsrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag waarop de belastingaanslag uiterlijk had moeten worden betaald en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag van de laatste betaling.
Wat is invorderingsrente en wanneer moet u deze betalen aan de belastingdienst?
Invorderingsrente (2026: 4,3%) is rente die de belastingdienst in rekening brengt als u uw belastingaanslag niet op tijd (binnen de wettelijke termijn) zou betalen. De rente moet ook worden betaald als u uitstel van betaling hebt gekregen. Het is verstandig om het niet betwiste deel van de aanslag dus gewoon te betalen. De belastingdienst is geen bank en als het een bank is dan geen goedkope bank.
Voorbeeld invorderingsrente over belastingaanslag
U krijgt een belastingaanslag met een te betalen bedrag van € 10.000. De uiterste betaaldatum van deze aanslag is 1 januari 2026. Het bedrag dat u betaalt staat op 1 april 2026 op de rekening van de belastingdienst. U moet dan 4,3% invorderingsrente betalen over de periode 2 januari 2026 tot en met 31 maart 2026.
Percentage invorderingsrente
De invorderingsrente is gelijk aan de wettelijke rente (aldus artikel 29 invorderingswet), de invorderingsrente wordt per 2026 verhoogd tot 4,3%. Het percentage is de laatste jaren opgelopen van 1% tot 4% (en vanaf 2026 zelfs 4,3%).
Waar is de wettelijke regeling inzake invorderingsrente geregeld?
De invorderingsrente is geregeld in een apart besluit inzake belastingrente en invorderingsrente (besluit)
Wordt er ook invorderingsrente vergoed door de belastingdienst?
In sommige gevallen wordt er ook invorderingsrente vergoed, denk hierbij aan:
- Terugbetaling belastingdienst te laat: u heeft recht op een terugbetaling van teveel betaalde belastingen per 1 januari 2026. Als het bedrag op 14 januari 2026 nog niet is betaald vergoed de belastingdienst invorderingsrente;
- Bezwaar maken tegen belastingaanslag: De belastingaanslag is tijdig betaald. Er wordt bezwaar ingesteld tegen de aanslag en het bezwaar wordt toegekend. Over de terugbetaling wordt invorderingsrente vergoed;
- Strijd met Europees recht: een btw-aanslag is tijdig betaald. Op grond van unierecht wordt de aanslag verminderd. Over de verlaging wordt invorderingsrente vergoed.
Invorderingsrente wordt dus vergoed als een belastingteruggaaf te laat wordt uitbetaald of te laat wordt verrekend. U krijgt de invorderingsrente vergoed vanaf de dag na de datum van de belastingaanslag of teruggaafbrief tot de dag dat de uitbetaling of verrekening heeft plaatsgevonden. Dit kan ook spelen als uw bezwaarschrift wordt toegekend en de aanslag al is betaald. U krijgt dan invorderingsrente vergoed over de periode vanaf de dag na afloop van de betalingstermijn die bij de aanslag hoort tot 6 weken na de datum van de verlaging.
Tips omtrent invorderingsrente
Een procedure over een belastingaanslag komt elke dag voor (binnen onze fiscale adviespraktijk). Betalen van de aanslag voorkomt dat er achteraf nog rente moet worden betaald, deze rente is vaak hoger dan de rente op een spaarrekening. Het is verstandig om in ieder geval het niet betwiste deel van de belastingaanslag te betalen. Invorderingsrente is geen boete en dus ook geen straf, aldus het fiscale recht.
Het begrip ‘economisch eigendom’ in de overdrachtsbelasting
In dit artikel gaan wij kort in op het begrip ‘‘economisch’ eigendom in de overdrachtsbelasting. Over dit begrip kan een heel boekwerk worden geschreven, in dit artikel zullen slechts enkele hoofdlijnen worden weergegeven waaruit kan worden geconcludeerd dat hiernaar goed moet worden gekeken wanneer er handelingen worden verricht welke de heffing van overdrachtsbelasting kan veroorzaken.
Economisch eigendom en vastgoed, hoe werkt dit fiscaal?
Art. 2 Wet Belastingen van rechtsverkeer (hierna: BRV) bepaalt wanneer sprake is van een belastbaar feit voor de heffing van overdrachtsbelasting. Overdrachtsbelasting wordt geheven ter zake van de verkrijging van het juridisch of economisch eigendom van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen.
Het verschil tussen juridisch en economisch eigendom wordt geïllustreerd in de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie van 14 december 2012, nr. 329692, V-N 2013/5.26. Juridisch eigendom vormt een absoluut recht dat tegen een ieder inroepbaar is. Het heeft absolute werking. Economisch eigendom vormt een relatief, verbintenisrechtelijk, recht dat de koper alleen tegen de verkoper kan inroepen.
Het begrip economisch eigendom in de Wet Belastingen van Rechtsverkeer wijkt af van de invulling door de Hoge Raad van dat begrip in de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting. Een voor de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting ingenomen standpunt is dan ook niet beslissend voor de toepassing van art. 2, tweede lid Wet Belastingen van Rechtsverkeer.
Verkrijging in de zin van de Wet Belastingen van Rechtsverkeer, juridisch of economisch?
Van een verkrijging in de zin van de Wet Belastingen van Rechtsverkeer is sprake bij een verkrijging in civielrechtelijke zin. Onder deze (juridische) verkrijging wordt mede begrepen de verkrijging van het economisch eigendom van die onroerende zaken of rechten. Het begrip economisch eigendom is niet vast omlijnd. Onder economisch eigendom wordt verstaan een samenstel van rechten en verplichtingen met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onroerende zaken of rechten waaraan deze zijn onderworpen, dat een belang bij die zaken of rechten vertegenwoordigt. Het belang omvat ten minste enig risico van waardeverandering en komt toe aan een ander dan de eigenaar of beperkt gerechtigde. Onder de verkrijging van het economisch eigendom van onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen wordt mede verstaan de verkrijging van een samenstel van rechten en verplichtingen dat een belang als hiervoor bedoeld vertegenwoordigt bij een bestanddeel van een onroerende zaak dat zelfstandig aan een recht kan worden onderworpen, dan wel bij een recht waaraan een onroerende zaak kan worden onderworpen.
Economisch eigendom komt niet terug in het Burgerlijk Wetboek. Uit de Parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever het niet nodig heeft gevonden de figuur van economisch eigendom te regelen naast rechtsfiguren als huur, huurkoop en de beperkte zakelijke rechten, zoals vruchtgebruik of erfpacht. Dit betekent dat economisch eigendom goederenrechtelijk geen betekenis heeft en slechts een verbintenisrechtelijk karakter heeft. De Hoge Raad heeft het begrip gekarakteriseerd als het bestaan van een aantal verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen met betrekking tot een zaak, die niet in alle gevallen dezelfde inhoud behoeven te hebben. Ook in de literatuur wordt aan het begrip niet één specifieke betekenis gegeven. Het begrip wordt gebruikt als verzamelterm voor verschillende rechtsverschijnselen waarbij de economische waarde van een goed toekomt aan een ander dan de juridisch rechthebbende.
Tijdens de parlementaire behandeling is erop gewezen dat een ruime definitie wordt gegeven van het begrip economisch eigendom. Dit om het ontgaan van heffing van overdrachtsbelasting zoveel mogelijk te voorkomen.
Hof Amsterdam 29 november 2012, nr. 11/00353, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY5804, illustreert de ruime definitie van het economisch eigendom. In het arrest van de Hoge Raad d.d. 10 januari 2014, nr. 13/00266, ECLI:NL:HR:2014:4, verwerpt de Hoge Raad het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 van de Wet RO. In het berechte geval werd niet gedeeld in de waardeontwikkeling van de opstal. Ook had de belanghebbende niet de beschikkingsmacht over het registergoed. Het meedelen in de waardeontwikkeling van de grond was echter voldoende voor het constateren van economisch eigendom.
Als voorbeeld van een belastbaar feit voor de overdrachtsbelasting als gevolg van het begrip economisch eigendom de volgende situatie. Soms verleent een vervreemder aan de koper vooruitlopend op de juridische eigendomsverkrijging van een woning al toegang tot de woning al dan niet in combinatie met het recht om enige werkzaamheden aan de woning te verrichten of te laten verrichten. De koper verkrijgt dan op zichzelf bezien meer dan uitsluitend het recht op levering, zodat de verkrijging niet lijkt te zijn uitgezonderd op grond van art. 2, derde lid, onderdeel a Wet Belastingen van Rechtsverkeer. Onder voorwaarden is dit toch sinds 2025 uitgesloten als belastbaar feit voor de overdrachtsbelasting:
- De verkrijger is een natuurlijk persoon die de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken (zelfbewoningseis);
- De sleutelovereenkomst moet worden gesloten in samenhang met de eerder gesloten koopovereenkomst;
- De juridische levering bij de notaris moet plaatsvinden binnen zes maanden na het ingaan van de sleutelovereenkomst.
Bovenstaand voorbeeld laat wel zien hoe snel een belastbaar feit kan ontstaan terwijl hierover in beginsel veelal niet wordt nagedacht.
Noot fiscaal jurist inzake economische eigendom
Uit het bovenstaande blijkt dat een ruime definitie wordt gegeven van het begrip economisch eigendom. Hierdoor kun je in vele situaties tegen heffing van overdrachtsbelasting aanlopen terwijl dit ongewenst is. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde komen wanneer er prijsafspraken worden gemaakt ten aanzien van een toekomstige verkoop van aandelen in een onroerende-zaaklichaam.
Teneinde deze heffing van overdrachtsbelasting te voorkomen dient u altijd uw fiscalist mee te laten kijken op afspraken die worden gemaakt bij een onroerende zaak-lichaam. Veelal kan de heffing van overdrachtsbelasting simpelweg worden voorkomen door de afspraken anders vorm te geven met dezelfde uitkomst.
Indien u nader van gedachten wilt wisselen omtrent een mogelijk belastbaar feit neem dan contact op met één van onderstaande adviseurs.
Verwijzingen voor de liefhebber
Vergrijpboete en "Doen plegen"
Op 3 juni heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak waarbij de ex-vrouw met de DigiD code van haar ex-man onjuiste aangiften heeft ingediend voor haar ex-man. De rechtbank komt tot de conclusie dat geen sprake is van doen-plegen. Maar wat is eigenlijk doen plegen?
Kwaliteitsdelicten bij vergrijpboetes
Doen plegen betekent dat iemand opzetten een ander aanzet om een strafbaar feit te plegen. Die ander (de uitvoerder) weet vaak niet dat hij iets strafbaars doet en kan daarom niet gestraft worden. Hij is als het ware een ‘willoos werktuig’. In belastingzaken speelt ‘doen plegen’ vooral bij zogeheten kwaliteitsdelicten. Dat zijn strafbare feiten die alleen gepleegd kunnen worden door mensen met een bepaalde rol, zoals iemand die verplicht is belastingaangifte te doen.
Rechtspraak in zake doen plegen
Iemand kan alleen vervolgd worden voor doen plegen als de uitvoerder helemaal geen schuld heeft. De HR heeft al in 1913 (HR 21 april 1913, NJ 1913, W. 950) bepaald dat de uitvoerder de juist ‘kwaliteit’ moet hebben, bijvoorbeeld dat hij degene is die belasting moet aangeven. In de casus waarin Rechtbank Amsterdam op 3 juni 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:5921) uitspraak heeft gedaan kwam de rechtbank tot de conclusie dat de vrouw niet de juiste persoon was om aangifte te doen en dus niet strafbaar was voor dat specifieke belastingfeit. Deze uitspraak is in lijn met de uitspraak van de HR in 1990 (HR 11 september 1990, NJ 1991/276) en de rechtbank Den Haag in 2012 (Rechtbank Den Haag 2 april 2012, LJN BW0994). In het eerste geval oordeelt de Hoge Raad dat doen plegen alleen mogelijk is als de uitvoerder niet strafbaar is. Bij de dader moet hierbij sprake zijn van opzet, voor de uitvoerder geldt dit niet. In de tweede casus oordeelt de rechtbank dat de verdachte niet de aangifteplichtige is en daarom dient te worden vrijgesproken van doen plegen.
Ook in een procedure waarbij door de belastingadviseur opzettelijk onjuist een aangifte inkomstenbelasting ten name van een ander is ingediend ging de AG er eens goed voor zitten (ECLI:NL:PHR:2020:631) . De Hoge Raad d.d. 15 september 2020 ECLI:NL:HR:2020:1372 gaf een uitgebreide toelichting en verwees de zaak door naar het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2022:2926), hierbij is besloten dat het bewezenverklaarde niet kwalificeerbaar was.
Bestuurder geen pleger bij niet doen van een aangifte vennootschapsbelasting
Bij het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 24 februari 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:1967 kwam een procedure voorbij waarbij een bestuurder over meerdere jaren geen aangiften vennootschapsbelasting van de BV had ingediend. Het Hof oordeelde dat de bestuurder (verdachte) als pleger kan worden aangemerkt (artikel 69 lid 1 AWR), dit in kader van "het opzettelijk niet doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte". Deze procedure komt uiteindelijk bij de Hoge Raad op 24 maart 2026 ECLI:NL:HR:2026:424. Die denkt er anders over. De bestuurder is niet de persoon die de aangifteplicht droeg. De aangifteplicht berust immers bij de rechtspersoon aan wie het aangiftebiljet is gericht. Dit is de BV zelf en niet de natuurlijke persoon die als bestuurder optreedt of feitelijk de correspondentie ontvangt en de aangifte verzorgt. Verantwoordelijk zijn voor iets wil nog niet zeggen dat die persoon ook "pleger" is voor het niet doen van de aangifte. Dit wil nog niet zeggen dat de bestuurder lekker achteruit kan gaan zitten. Op grond van het strafrecht (artikel 47-51 WvS) is er voldoende ruimte om de bestuurder als medepleger of feitelijk leidinggevende aan te pakken. Hier speelde echter de toets van "pleger". De zaak wordt teruggewezen naar hetzelfde gerechtshof.
Noot fiscaal jurist inzake doen plegen
Op basis van de historische en recente jurisprudentie kan de belastingadviseur niet worden aangewezen als doen pleger. Wat niet betekent dat de belastingadviseur helemaal niet strafrechtelijk vervolgd kan worden voor het doen van een aangifte voor een ander. Op basis van medeplichtigheid of medeplegen is dit namelijk wel mogelijk. Al moet hier wel worden aangetoond dat er sprake is van opzet vanuit de zijde van de belastingadviseur.
Bronnen doen plegen medepleger
Rechtbank Amsterdam 3 juni 2025, 81.321555.24, ECLI:NL:RBAMS:2025:5921, V-N 2025/41.15.
HR 21 april 1913, NJ 1913, W. 950.
HR 11 september 1990, NJ 1991/276
Rechtbank Den Haag 2 april 2012, LJN BW0994
Vergrijpboete bij onjuiste aangifte inkomstenbelasting
Henk woont in Polen en werkt als zorgverlener in Nederland. De inspecteur verzoekt de bank van Henk om informatie over de afgelopen vijf jaren. Uit deze bankinformatie blijkt dat Henk niet alle inkomsten heeft opgegeven in zijn aangifte inkomstenbelasting. Er volgt een navorderingsaanslag met 50% vergrijpboete. Henk stelt dat hij geen uitnodiging tot het doen van aangifte heeft ontvangen zodat de bewijslast niet kan worden omgekeerd. Het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden (d.d. 16 april 2024) ECLI:NL:GHARL:2024:2592 vernietigd de vergrijpboete, hierbij maakt het volgens het Gerechtshof niet uit dat Henk de voorafingevulde aangifte inkomstenbelasting digitaal heeft geopend. De Hoge Raad is het op 10 oktober 2025 ECLI:NL:HR:2025:1500 is het hier niet mee eens en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof.
Vergrijpboete als belastingplichtige niet of niet correct is uitgenodigd om aangife te doen
Volgens de Hoge Raad kan er ook een vergrijpboete worden opgelegd als een belastingplichtige niet of niet correct is uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting (artikel 67e lid 1 AWR). Henk heeft een onjuiste aangifte ingediend en hierbij inkomen niet opgegeven. Dit heeft Henk ook gezien bij het raadplegen van de vooraf ingevulde aangifte inkomstenbelasting. Het Gerechtshof heeft de navorderingaanslag in stand gehouden maar de 50% vergrijpboete is niet akkoord omdat Henk niet correct is uitgenodigd voor het doen van aangifte. Het Gerechtshof verwijst voor een toelichting naar een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 30 september 2022 ECLI:NL:HR:2022:1341. Henk stelt principaal cassatieberoep in maar hij is te laat met het indienen van de gronden (artikel 6:6 AWB, niet ontvankelijk).
De Hoge Raad maakt nu onderscheid tussen artikel 67D AWR (boete wegen niet doen van aangifte), deze vereist een correcte uitnodiging en aanmaning en artikel 67E AWR (boete bij navordering wegens opzet/ grove schuld), hierbij is geen uitnodiging vereist. De Hoge Raad verruimt de mogelijkheid tot het opleggen van een vergrijpboete bij navordering, ook al is het uitnodigingsproces gebrekkig verlopen.
Vergrijpboete ter discussie stellen
De vergrijpboete wordt soms iets te vlot door een inspecteur opgelegd. Deze kan om verschillende redenen worden verminderd of tot nihil worden bijgesteld (door de rechter). De belangrijkste oorzaken uit de rechtspraak zijn:
- Procedure loopt te lang (overschrijding van de redelijke termijn), zie Hoge Raad d.d. 6 september 2024 ECLI:NL:HR:2024:1132 of Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 23 juli 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:4871
- Vergrijpboete voor hetzelfde feit bij verschillende belastingtypen
- Vergrijpboete wordt niet overtuigend via feitelijk bewijs aannemelijk gemaakt, derhalve geen (of beperkt) sprake van opzet of grove schuld (uitgebreide toelichting in mening AG op 4 april 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:410)
- Ontbreken van voldoende bewijs voor opzet of grove schuld, Gerechtshof Amsterdam d.d. 15 november 2022 ECLI:NL:GHAMS:2022:3728
- De grondslagen en/of omstandigheden zijn anders of niet juist voorgesteld, zie Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 14 mei 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:3357
- De boete moet wel in balans zijn, de noodzaak van een juiste kwalificatie van het vergrijp en de evenredigheid van de opgelegde boete, zie hiertoe mening AG op 5 juli 2024 ECLI:NL:PHR:2024:736
- Beboeting wordt niet tijdig medegedeeld, schending verdedigingsbeginsel (kennisgeving boete (met motivering) is later gedagtekend dan de boetebeschikking. Zie hiertoe bijvoorbeeld Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 7 mei 2025 ECLI:NL:RBZWB:2025:2724.
Soorten vergrijpboete
Er zijn meerdere soorten vergrijpboetes, de belangrijkste:
- Belasting is opzettelijk (of grove schuld) niet betaald (of niet volledig betaald), artikel 67f ZWR
- Opzettelijk niet of onjuist aangifte doen (voor aanslagbelasting), artikel 67d AWR
- Bij navordering mits sprake van opzet (of grove schuld) en er te weinig belasting is betaald, artikel 67e AWR
- Informatieverplichting niet nakomen (uit eigen beweging), artikel 10a AWR
- Opzettelijk onjuiste informatie of inlichtingen verstrekken bij verzoek voorlopige aanslag, artikel 67cc AWR
Vergrijpboete moet worden gemotiveerd
De Hoge Raad is het niet eens met de conclusie van het Gerechtshof. Hij grijpt daarbij terug op het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). De waarborgen van dit Europese verdrag maken, dat de bewijslast op de belastinginspecteur rust dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van de twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de feiten en omstandigheden buiten een redelijke twijfel komen vast te staan. In wat normaler Nederlands: u bent onschuldig tenzij het tegendeel wordt bewezen.
Matiging boete door Hoge Raad
De Hoge Raad (cassatie) bekijkt een zaak niet meer inhoudelijk en veel zaken worden dan ook afgedaan met zogenaamde artikel 81 RO beslissingen. Het cassatieberoep wordt dan afgewezen zonder uitgebreide inhoudelijke motivering. In de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 21 november 2025 ECLI:NL:HR:2025:1727 faalde het inhoudelijke beroep (klachten nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling). Maar hiermee was nog niet alles gezegd.
De Hoge Raad komt ambtshalve toe aan vraag of de redelijke termijn in cassatie wordt overschreden, ook bij het instellen van cassatie beroep (of tweede cassatieprocedure) begint de redelijke termijn dus weer te lopen (1 jaar). De boete wordt ambtshalve verlaagd (gematigd). Belastingplichtige is vergeten immateriele schadevergoeding te vragen, dat is jammer. Dit is een interessante uitspraak, materieel gebeurt er niks maar de redelijke termijn kan de boete wel verlagen (in dit geval met 15%). Cassatie kan dus van belang zijn voor de boete (en termijnbewaking). Bij boeten moet de tijdlijn dus scherp in de gaten worden gehouden, ook als de materiële / inhoudelijke kansen bij cassatie beperkt zijn. Gelukkig bewaakt de Hoge Raad nog steeds de fundamentele proces belangen en waarborgt deze op de juiste wijze.
Noot fiscaal jurist inzake vergrijpboete
Het komt steeds vaker voor dat er (forse) vergrijpboetes worden opgelegd. Het komt er op aan of de belanghebbende op het moment van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn, dat door inhoudelijke gebreken in de aangifte een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven, soms maakt het dan niet uit of het voortraject goed is verlopen.
Met andere woorden, fouten maken is menselijk en leidt niet direct tot vergrijpboetes, maar soms ook weer wel. Dat wordt pas anders als u de fout op het moment van het doen van aangifte moest weten. De vaststelling dat belastingplichtige iets had behoren te weten is niet voldoende om te beoordelen dat er sprake is van voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (1) dat hij de wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven (2) en dat hij deze kans bovendien bewust heeft aangevraagd (3), zie hiertoe ook de Hoge Raad in februari 2022 (onder 2.4.1). De Hoge Raad verwijst de zaak vervolgens naar een ander Gerechtshof.
Rechtsbescherming belastingplichtigen
Bij een fiscaal geschil schrijft de wet (artikel 7:4 AWB en 8:42 AWB) voor dat alle fiscaal relevante informatie aan belastingplichtige en de rechter moet worden verstrekt. Dit zijn de zogenaamde "op de zaak betrekking hebbende stukken". Wij zien vaak dat dit niet is gebeurd. De vraag is dan "hoe vaak"? Uit een eigen onderzoek van de Belastingdienst komt een onluisterend beeld naar voren, in dit artikel een toelichting.
De (eigen) onderzoekers noemen de situatie "zorgelijk". De staatssecretaris noemende de situatie destijds "valt wel mee, zijn incidenten".
Binnen de belastingdienst is geen beleid omtrent "welke informatie moeten we verstrekken". Door het "we willen winnen" gevoel worden soms bewust stukken achtergehouden. Maar wat valt er te winnen? Een redelijke uitleg van wetgeving en fiscale belangen moet het uitgangspunt zijn. De rechter moet een uitspraak kunnen doen op grond van alle fiscaal relevante informatie, zonder deze informatie is een correcte uitspraak niet mogelijk. De rechtsbescherming van belastingplichtigen (bedrijven en particulieren) is dus niet op orde. De cultuur binnen de belastingdienst zou op dit onderdeel vlot moeten worden veranderen.
Grootste probleem voor fiscaal juristen en belastingplichtigen in procedures is dat niet weet wat je niet weet. Wat wordt er uit een dossier gehaald en wat niet? Sommige rechters vragen door op ontbrekende stukken en soms wordt dit eenvoudig van tafel geveegd. Gelukkig zijn rechters steeds kritischer.
Onderzoek binnen de Belastingdienst naar achterhouden stukken
Een onderzoeksrapport van de IBTD (inspectie belastingen, toeslagen en douane) geeft aan dat de rechtsbescherming van belastingplichtigen (burgers en bedrijven) niet best is. Een eigen onderzoek binnen de belastingdienst komt met opmerkelijke en best schrijnende conclusies.
In fiscale procedures moet de belastingdienst alle relevante informatie aan de rechter (en belastingplichtige) verstrekken. Dit doet de belastingdienst niet in alle gevallen. De vraag is " is dit een incident of niet?". Binnen de fiscale wereld wordt er al langer geklaagd over het feit dat met veel duwen en trekken niet altijd alle fiscaal relevante informatie wordt verstrekt. Zonder alle informatie is de kans op een succesvolle procedure stukken kleiner en kan de verdediging in fiscale procedures een probleem worden.
De staatssecretaris (destijds de heer Van Rij) erkende wel dat er soms iets mis ging maar het zou om incidenten gaan. Ondanks deze "geruststelling" wordt er een intern onderzoek ingesteld. Uit de bestudering van enkele fiscale procedures komt naar vorren dat niet altijd een compleet fiscaal procesdossier wordt verstrekt.
Er worden onterecht stukken achtergehouden omdat elke inspecteur er zijn eigen regels op na weet te houden.
Uit gesprekken met medewerkers van de belastingdienst volgt dat er zelf een selectie wordt gemaakt van stukken die wel en niet worden verstrekt.
De "we willen winnnen" mentaliteit zorgt niet altijd voor een correcte procedure, intern worden medewerkers niet gecorrigeerd op hun gedrag.
Samenvatting onderzoek Belastingdienst
Uit het onderzoek volgt dat het volgende:
- Dossier wordt niet volledig en juist ter beschikking gesteld: Niet alle op de zaak betrekking hebben stukken worden door de belastingdienst verstrekt. Het IBTD ziet structurele risico's op onvolledige dossierverstrekking door de Belastingdienst in complexe zaken, hierdoor wordt rechtsbescherming onder druk gezet.
- Grondoorzaaken onvolledig dossier: de uitleg van artikel 8:42 AWB is binnen de belastingdienst niet gelijk. De sterk inhoudelijk gedreven werkcultuur binnen de Belastingdienst zorgt ervoor dat er te weinig ruimte is voor de menselijke maat en normale communicatie met belasingplichten.
- Interne samenwerking: er wordt intern niet samengewerkt en overleg gevoerd over het verstrekken van informatie aan belastingplichtigen. Een inspecteur zal dus nog te vaak op eigen houtje beslissingen nemen. Een integraal overzicht ontbreekt.
- Informatiehuishouding: dossiers worden niet allemaal op dezelfde wijze (niet uniform) gearchiveerd en vastgelegd. Cruciale stukken en informatie kunnen hierdoor ontbreken.
- Evaluatie en zelf reflectie: er is te weinig kwaliteitscontrole en borging in het werkproces.
Aanbevelingen voor de Belastingdienst
De IBTD pleit voor een uniforme interpretatie van het begrip in 8:42 AWB. Daarnaast moeten er correctiemechanismen intern worden ingebouwd in alle fasen van het proces. Derhalve behandeling binnen een team met evaluatie momenten. De informatie huishouding moet beter, hierdoor kunnen medewerkers van de Belastingdienst sneller, duidelijker en vollediger alle relevante documenten van een belastingplichtige opzoeken en verstrekken. Tevens wordt gewezen op de menselijke maat, er moet meer bewustzijn komen bij medewerkers van de belastingdienst over de impact van hun handelen.
De algemene conclusie is dat er altijd een compleet dossier van de belastingplichtige moet zijn en dat deze ook wordt verstrekt. In dit kader heeft de Hoge Raad ook al bepaald dat ook interne stukken en stukken die later beschikbaar zijn gekomen ook moeten worden verstrekt.
In dit kader zou ook de werkinstructie inzake "op de zaak betrekking hebbende stukken" moeten worden nageleefd.
Verbeterpunten van de commissie inzake informatie verstrekken door de Belastingdienst
- De huidige vastlegging en verslaglegging en het beheer (borging) van procesbeschrijvingen, werkinstructies en kennisontwikkeling vergt verbetering;
- Voor het leren in de organisatie vinden wij het belangrijk dat er beter zicht komt op de kwaliteit van de werkzaamheden;
- Het is belangrijk dat de Belastingdienst kritisch blijft over wat hij verstaat onder ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’. Dit kan hij doen door hier regelmatig op te reflecteren.
Noot fiscaal jurist inzake op de zaak betrekking hebbende stukken
Als een belastingplichtige in bezwaar gaat heeft de belastingplichtige recht op inzage in zijn volledige dossier. Bij de stap naar de rechter moeten alle op de zaak betrekking hebbende stukken beschikbaar zijn. Tot zover de theorie. In de praktijk zien wij dat niet altijd alle op de zaak betrekkinghebbende stukken worden verstrekt. Rechters dwingen de inspecteur steeds vaker om meer informatie te verstrekken. Soms komen rechters zelfs tot de conclusie dat een aanslag naar de prullenbak kan (als niet alle informatie wordt verstrekt).
Heeft u een discussie met belastingdienst over dit onderwerp? Neem gerust contact met ons op.
Bewijsvermoeden en vergrijpboete
Gebruik bewijsvermoedens voor boeteoplegging nog steeds mogelijk (art. 11, 27e en 67d AWR)
Op 8 april 2022 heeft de Hoge Raad bepaald (ECLI:NL:HR:2022:526) dat bij het opleggen van een fiscale boete een verzwaarde bewijslast voor de Belastingdienst geldt. De inspecteur moet niet slechts aannemelijk maken dat sprake is van een beboetbaar feit, maar dit overtuigend aantonen.
In een uitgebreid advies aan de Hoge Raad d.d. 31 augustus 2022 (ECLI:NL:PHR:2022:783) stelt de heer Niessen het volgende;
- het bewijs van ‘aannemelijkheid’ houdt in dat een bepaald scenario weliswaar niet zonder meer met ‘harde’ feiten kan worden aangetoond maar daarvoor wel voldoende ‘verankerde’ aanwijzingen bestaan om het voor ‘waar’ te houden, indien er niet een ander scenario aanwezig is waarvoor dat eveneens geldt. Dit betekent dat in dergelijke gevallen het onderscheid tussen aannemelijkheid en overtuigend bewijs niet steeds volstrekt objectief kan worden vastgesteld.
De Hoge Raad was het uiteindelijk (Hoge Raad d.d. 3 februari 2025 ECLI:NL:HR:2023:97) niet met de AG eens, maar dit terzijde.
Op 18 juli 2025 (HR 18 juli 2025, 24/00735, ECLI:NL:HR:2025:1063) heeft de Hoge Raad over bewijsvermoedens en het opleggen van boetes duidelijkheid verschaft: bewijsvermoedens mogen worden toegepast bij het opleggen van vergrijpboeten! In dit artikel geven wij een nadere toelichting.
Bewijsvermoeden voldoende voor vergrijpboete
In dit arrest exploiteert X samen met een andere natuurlijk persoon in VOF-verband een coffeeshop. Hof Amsterdam oordeelt na het verwijzingsarrest (HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1438) dat het hanteren van de zo gebrekkige, oncontroleerbare inkoop- en kasadministratie geen enkele andere plausibele verklaring toelaat dan dat dit is gebeurd met het doel om stelselmatig omzet en winst buiten het zicht van de Belastingdienst te houden. X heeft dus opzettelijk onjuiste aangiften gedaan. Een vergrijpboete van € 10.000 per jaar is passend en geboden. X gaat wederom in cassatie en stelt dat het hof ten onrechte gebruikmaakt van bewijsvermoedens.
De Hoge Raad oordeelt dat de in het arrest HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526,
BNB 2022/68, V-N 2022/17.10, geformuleerde strenge bewijsmaatstaf van ‘doen
blijken’ niet uitsluit dat voor het bewijzen van een bestanddeel van een
beboetbaar feit gebruik wordt gemaakt van niet-ontzenuwde bewijsvermoedens.
Naar het oordeel van de Hoge Raad staan de feiten en omstandigheden die
ten grondslag liggen aan het door het hof aangenomen niet-ontzenuwde bewijsvermoeden
van opzet buiten redelijke twijfel vast. Het beroep van X is ongegrond
verklaard.
Wat zijn nu bewijsvermoedens?
Bewijsvermoedens zijn feitelijke omstandigheden die het vermoeden rechtvaardigen dat een bepaald juridisch relevant feit zich heeft voorgedaan. Ze zijn vooral van belang wanneer direct bewijs ontbreekt, bijvoorbeeld bij feiten die zich moeilijk objectief laten vaststellen. Het bewijsvermoeden vormt dan een logisch brugstuk tussen wat feitelijk vaststaat en wat juridisch vereist is voor de sanctie.
Voorwaarden bewijsvermoedens
In dit arrest van 18 juli 2025 bevestigt de Hoge Raad dat de inspecteur de elementen van het beboetbare feit overtuigend moet doen blijken (lees: aantonen) – dat wil zeggen: buiten redelijke twijfel. Dit is een zwaardere bewijsmaatstaf dan de bewijsmaatstaf in reguliere belastingzaken, waar in beginsel volstaan kan worden met het aannemelijk maken van feiten en omstandigheden.
Deze zware eis sluit het gebruik van bewijsvermoedens echter niet uit, mits aan enkele voorwaarden is voldaan:
- Het vermoeden moet voortvloeien uit vaststaande feiten en omstandigheden die zelf ook buiten redelijke twijfel staan. Hierin wordt verwezen naar het arrest van 8 april 2022 (ECLI:NL:HR:2022:526) waarin de Hoge Raad geoordeeld heeft dat de waarborgen van art. 6 lid 2 EVRM meebrengen dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.
- Het moet zó sterk zijn dat er in redelijkheid geen andere conclusie mogelijk is dan dat het vermoeden klopt;
- Tenzij de belastingplichtige het vermoeden weet te weerleggen (contra-indicatie).
Vooral bij opzet of grove schuld kunnen gedragingen van de belastingplichtige die sterk wijzen op doelbewust handelen, als grond dienen voor een bewijsvermoeden.
Voorbeeldarrest van het gebruik van bewijsvermoedens
In dit arrest ging het om een vof waarbij alle financiële transacties via de kas liepen. De administratie was volgens de inspecteur zodanig gebrekkig dat controle feitelijk onmogelijk was. Het hof vond dat:
- De kas- en inkoopadministratie niet controleerbaar was;
- Er sprake was van onduidelijke bijstortingen en onttrekkingen;
- Niet alle omzet werd verantwoord.
Op basis van deze vaststellingen concludeerde het hof opzet, mede op basis van bewijsvermoedens. De feiten en omstandigheden stonden buiten redelijke twijfel vast en rechtvaardigden daarmee een vermoeden van opzet. De Hoge Raad ging hierin mee.
Noot fiscaal jurist inzake vergrijpboete
Wat je je afvraagt is hoe het dan zit met het zwijgrecht? De belastingplichtige
is namelijk niet verplicht mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Toch
kan het weigeren gevolgen hebben wanneer sprake is van een sterk vermoeden.
Volgens
de Advocaat-Generaal is het toegestaan dat het uitblijven van een verklaring
meeweegt in het bewijsoordeel – zolang zwijgen op zichzelf niet als bewijs
wordt gezien. Als van de belastingplichtige in redelijkheid mag worden
verwacht dat hij het vermoeden ontzenuwt, kan het niet meewerken nadelig
uitpakken. De Hoge Raad buigt zich in deze kwestie niet hierover. Wat we
wel weten is dat de Hoge Raad duidelijk heeft aangegeven dat bewijsvermoedens
ook bij vergrijpboeten mogen worden gebruikt – ondanks de zwaardere bewijslast.
Cruciaal is dat de onderliggende feiten buiten redelijke twijfel vaststaan
en het vermoeden logisch en overtuigend uit die feiten voortvloeit. In
elke zaak zal opnieuw beoordeeld moeten worden of aan die eisen is voldaan.
Binnen ons team van specialisten staan wij wekelijks belastingplichtigen
bij in fiscale bezwaar- en beroepszaken. Wilt u advies of een second opinion?
Neem gerust contact met ons op.
Inkomsten verplaatsen naar buitenland via constructie
Stel je eens voor, je denkt in het verleden een veilige en slimme fiscale route te hebben bedacht en dan valt jaren later alsnog een navorderingsaanslag van miljoenen met rente en boete op je deurmat. Dit overkwam een cardioloog die ooit meewerkte aan een baanbrekende medische innovatie. De belastingdienst kwam hem op spoor via een zorgvuldig internationaal onderzoek en legde navorderingsaanslagen met een inkomen van bijna € 4.000.000 op. Toen de cardioloog de schrik te boven was zag hij ook nog een vergrijpboete van € 1.500.000 op de aanslag staan. En daarna zag zijn vrouw nog € 660.000 aan rente op de aanslag. Gelukkig had de cardioloog een sterk hart.
In dit artikel behandelen wij de fiscale procedure die een mooi inzicht geeft in de zorgvuldige onderzoeken van de belastingdienst waarbij internationale gegevensuitwisseling een belangrijke rol heeft gespeeld. Ook kwamen er brieven en excel bestanden aan de orde die diep onder de lade lagen.
Mega boete van tafel maar aanslag blijft.
De Rechtbank Zeeland West Brabant heeft op 7 juli 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:4267) deed uitspraak over de volgende situatie
- Een cardioloog was getrouwd en heeft 3 kinderen, hij woont met zijn gezin in Nederland
- In 1997 heeft de cardioloog zijn royalty rechten verkocht aan zijn zwager voor 100.000 gulden, over dit bedrag wordt in Nederland belasting betaald
- De zwager woont in België (en volgens de Zwager woont hij in Monaco, een land met een fiscaal vriendelijk stelsel)
- In 2007 ontving de cardioloog in totaal € 2.300.000 van zijn zwager als schenking
- In 2008 verkocht de zwager de rechten aan een Zweedse vennootschap voor € 11.000.000
- Uit een internationaal (strafrechtelijk) onderzoek - inzake de zwager - in België en Monaco komen allerlei stukken boven water. Dit zowel bij de zwager als bij de belastingadviseur van de zwager.
- In 2010 sluit de zwager een overeenkomst met de belastingdienst
- In 2011 stuurt de Belgische fiscus (of FIOD) informatie naar de belastingdienst in Nederland. In 2012 wordt een strafrechtelijk onderzoek in Nederland opgestart.
- In 2017 wordt het dossier van de FIOD overgedragen aan de belastingdienst in Nederland
Fiscale beoordeling van deze feiten over tover truc royalty's
De cardioloog heeft op een slimme wijze geprobeerd om belast inkomen om te zetten in belastingvrije schenkingen. Dit komt via een strafrechtelijk onderzoek in België (en Monaco) in beeld bij de Nederlandse FIOD en de belastingdienst. Het volgende speelt hier
- Nieuw feit: volgens de rechtbank is sprake van een nieuw feit dat navordering kan rechtvaardigen
- Termijn navordering: de verlengde navorderingstermijn (12 jaar in plaats van 5 jaar) is toepasbaar omdat het inkomen uit het buitenland kwam
- Voortvarend handelen: hoewel het onderzoek jaren heeft geduurd is er geen sprake geweest van onverklaarbare stilstand in de procedure
- Boete: de boete wordt vernietigd, zie hierna waarom.
- Proceskostenvergoeding: de cardioloog krijgt een proceskostenvergoeding van € 20.000
Informatie niet in dossier en onrechtmatig verkregen bewijs
Geheimhouding stukken fiscale dossier: De inspecteur wil niet alle informatie uit zijn dossier verstrekken (8:29 AWB). De rechtbank wijst dit deels toe. Volgens de rechter zijn echter niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken verstrekt (8:42 AWB). De inspecteur stelt dat de informatie uit Monaco komt en dat hij dit niet zomaar mag verstrekken, dit is flauwekul volgens de rechtbank.
Er is sprake van schending van het "zo zeer indruist criterium". Dit criterium komt uit een aantal uitspraken van de Hoge Raad (zie artikel), de eerste is uit 1992. Dit criterium houdt in dat het gebruik van bewijsmateriaal slechts dan niet is toegestaan, indien het is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik ervan onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. De inspecteur wist dat Monaco geen toestemming heeft gegeven om bepaalde bijlagen te gebruiken, de stukken zijn echter wel gebruikt in het onderzoek. Gebruik van deze informatie is - volgens de rechter - in strijd met de goede verdragstrouw en druist in tegen een behoorlijk handelende overheid. Het gebruik van deze bijlagen is daarom ontoelaatbaar.
Daarna kan de rechter beslissen welke gevolgen hieraan worden verbonden, in het beste geval (voor de cardioloog) kan de aanslag naar de prullenbak. Zover gaat de rechter echter niet. De stukken worden uitgesloten maar de stukken die zijn opgemaakt op grond van deze stukken mogen wel worden gebruikt. Via een u bocht (en verwijzing naar Hoge Raad d.d. 31 januari 2025 ECLI:NL:HR:2025:154) stelt de rechtbank dat het zorgvuldigheidsbeginsel er niet direct aan in de weg staat dat de belastingdienst (inspecteur) gebruik heeft gemaakt van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs, indien de inspecteur ook via een andere weg (op andere wijze) aan de stukken had kunnen komen.
Mega vergrijpboete wordt vernietigd
Diverse stukken worden uitgesloten maar de navorderingsaanslag blijft in stand. Vervolgens gaat de rechter er eens goed voor zitten. Kan de vergrijpboete van € 750.000 wel in stand blijven?
- De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen (zie Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
- De inspecteur dient dus overtuigend aan te tonen dat het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat de verweten gedraging zich voordoet, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur niet in zijn bewijslast geslaagd. De inspecteur heeft met alles wat hij heeft overgelegd en aangevoerd niet overtuigend bewezen dat belanghebbende (voorwaardelijke) opzet had tot het doen van een onjuiste aangifte over het onderhavige jaar. Niet is buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat de zwager van belanghebbende de royalty’s niet (in zekere mate) zelf heeft gehouden.
Grove schuld en boete bij vastgoed ontwikkelaar
Doet u opzettelijk geen aangifte of een onjuiste of onvolledige aangifte, dan krijgt u van de Belastingdienst een vergrijpboete opgelegd, tenminste hiertoe kan de inspecteur besluiten. De Belastingdienst mag alleen ene vergrijpboete opleggen als aantoonbaar sprake is van opzet (willens en wetens handelen) of grove schuld (voorwaardelijke opzet, willen staat centraal, lichtvaardig of slordig handelen). Bij bepaalde boetes is zelfs grove schuld niet voldoende, opzet lijkt de ondergrens (bij een vergrijpboete). Boete is bij grove schuld meestal lager dan bij voorwaardelijke opzet. De belastingdienst moet dus overtuigend aantonen (doen blijken) dat sprake is van grove schuld of opzet omdat de waarborgen van het EVRM (Europees verdrag voor de rechten van de mens) ook meespelen. De belastingplichtige moet dus weten dat hij iets fout deed (en bewust). In dit artikel behandelen we een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1169)
Hoge Raad verduidelijkt wanneer belastingboetes terecht zijn
Een vastgoedbedrijf, X N.V., dat gebouwen beheert en verhuurt, kreeg in 2018 een controle van de Belastingdienst over de btw-aangiften van 2015 en 2016. Daarbij bleek dat het bedrijf ten onrechte btw had teruggevraagd over kosten die eigenlijk alleen met btw-vrije verhuur te maken hadden. In zulke gevallen mag je de btw niet aftrekken. De Belastingdienst legde daarom een naheffingsaanslag en twee boetes op.
- De eerste boete (artikel 67f AWR) was omdat te weinig btw was betaald.
- De tweede boete (artikel 10a AWR, in combinatie met artikel 15a van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968), omdat het bedrijf dit niet zelf had gemeld via een zogenaamde suppletie.
Volgens de Belastingdienst kwam dit door grove schuld van het bedrijf; Ze hadden moeten weten dat de btw aftrek niet is toegestaan en hadden actie moeten ondernemen om dit te corrigeren.
De vraag voor Gerechtshof Den Haag was of de twee vergrijpboeten terecht waren opgelegd, en dan met name of er sprake was van grove schuld bij X. Het Hof stelde voorop dat grove schuld betekent dat de belastingplichtige een “in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid” kan worden verweten. De belastingplichtige had redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn handelen tot gevolg kon hebben dat te weinig btw zou worden geheven of betaald.
Het Hof stelt wel dat de Belastingdienst een zware bewijslast heeft en op basis van feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel moet aantonen dat aan de vereisten voor grove schuld is voldaan, zie ook de uitspraak van de Hoge Raad van 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.
Het Gerechtshof in Den Haag gaf de Belastingdienst gelijk. Het Hof vond dat van een professioneel vastgoedbedrijf mag worden verwacht dat het zijn administratie goed op orde heeft t.a.v. de 67f AWR boete. Omdat dat niet het geval was, vond het Hof dat het bedrijf "grof nalatig" was geweest, bijna alsof het expres was gedaan. Ook voor de artikel 10a AWR boete concludeerde het Hof tot grove schuld. De ervaren vastgoedexploitant had moeten beseffen dat de voorbelasting niet in aftrek mocht worden gebracht en dat zij ruim de tijd had gehad om suppleties in te dienen.
Het bedrijf ging in cassatie bij de Hoge Raad. X stelde dat de Belastingdienst alleen maar aannames deed en geen harde bewijzen had. De Hoge Raad verwierp deze klacht. Volgens de Hoge Raad ECLI:NL:HR:2025:1169:
- Is het wél toegestaan om bepaalde aannames te gebruiken, zolang die logisch zijn en gebaseerd op de feiten.
- Was het terecht dat het Hof stelde dat een ervaren vastgoedbedrijf als X N.V. had moeten weten dat de btw niet aftrekbaar was bij vrijgestelde verhuur.
- Was de redenering van het Hof juridisch juist en goed onderbouwd.
Noot fiscaal jurist inzake vergrijpboete
De boetes blijven staan, en de Hoge Raad heeft duidelijk gemaakt wanneer sprake is van grove schuld bij belastingzaken, vooral bij ervaren bedrijven. In een eerdere uitspraak van de Hoge Raad van 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526 is duidelijk aangegeven dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten elke redelijke twijfel zijn komen vast te staan (doen blijken / overtuigend aantonen).
Het bewijsrecht regelt door middel van de bewijslastverdeling wie het bewijs moet leveren, of beter gezegd: wie het bewijsrisico draagt. Het bewijsrecht regelt verder welke bewijsmiddelen zijn toegelaten en de mate van zekerheid die is vereist voordat een feit als vaststaand kan worden aangemerkt (de bewijsmaatstaf).
Vaak is er discussie over een vergrijpboete en steeds vaker ontbreekt het bewijs en/of is het dossier niet op orde en/of wordt een vergrijpboete al tijdens het boekenonderzoek aangekondigd (zonder te wijzen op cautie). Dit is een aandachtspunt binnen de formeel fiscale rechtsorde.
Bron vergrijpboete bij vastgoedbedrijf
Gerechtshof Den Haag 30 november 2023: ECLI:NL:GHDHA:2023:2354
DGA / Bestuurder moet tijdig de betalingsonmacht melden
Kunt u als (feitelijk) bestuurder uw belastingen en/of premies niet meer betalen? U moet dit binnen 2 weken nadat u de belastingen of premies had moeten betalen schriftelijke melden bij de Belastingdienst. Doet u dit niet of niet tijdig dan kunt u in privé aansprakelijk worden gesteld voor de niet betaalde belastingen en premies.
Het belang van een rechtsgeldige melding betalingsonmacht
De gedachte dat bestuurders van een besloten vennootschap automatisch gevrijwaard zijn van privé-aansprakelijkheid is een hardnekkig misverstand. Hoewel de B.V. in beginsel aansprakelijk is voor haar schulden, bestaat voor specifieke belastingschulden (zoals omzetbelasting en loonbelasting) een mogelijke aansprakelijkheid voor de bestuurder. In dit artikel wordt de aansprakelijkheid van bestuurders ten aanzien van de omzetbelasting en/of loonbelasting nader toegelicht. Centraal staat hierin het belang van een rechtsgeldige melding betalingsonmacht. Deze regeling is volgens de Hoge Raad d.d. 11 juli 2025 ECLI:NL:HR:2025:1128 niet in strijd met het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel . Ook wordt in deze procedure nog gekeken naar de situaties dat er meer bestuurders zijn en er één bestuurder aansprakelijk wordt gesteld, volgens de Hoge Raad is dit aan de belastingdienst om een keuze te maken.
Melding betalingsonmacht bij de Belastingdienst
Een bestuurder van een lichaam met rechtspersoonlijkheid, kan aansprakelijk worden gesteld voor onder andere onbetaald gebleven loon- en omzetbelasting. Het lichaam is verplicht om een melding betalingsonmacht te doen. Dit houdt in dat het lichaam de Belastingdienst ervan op de hoogte moet stellen dat het de verschuldigde loon- of omzetbelasting niet kan betalen.
Bestuurdersaansprakelijkheid
De bestuurdersaansprakelijkheid staat gecodificeerd in artikel 36 van de invorderingswet 1990. Dat er een verplichte melding betalingsonmacht moet worden ingediend door het lichaam is terug te vinden in lid 2. Indien er een rechtsgeldige melding betalingsonmacht heeft plaatsgevonden is de bestuurder in beginsel niet aansprakelijk voor de onbetaald gebleven omzetbelasting en/of loonbelasting. Echter, op grond van lid 3 kan de Belastingdienst de bestuurder alsnog aansprakelijk stellen, maar dan dient de Belastingdienst aannemelijk te maken dat sprake is van (kennelijk) onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling
Is er echter geen, niet tijdige, of een onjuiste melding betalingsonmacht gedaan, dan wordt verondersteld dat sprake is van (kennelijk) onbehoorlijk bestuur. Er is dan nog één escape (een zware bewijslast); de bestuurder dient aannemelijk te maken dat het niet aan de bestuurder is te wijten dat de juiste melding niet is gedaan. Ingeval dat niet is te weerleggen door de bestuurder is de bestuurder aansprakelijk.
Hoe betalingsonmacht melden?
Een melding betalingsonmacht moet schriftelijk plaatsvinden, maar is verder in principe vormvrij. De schriftelijke melding betalingsonmacht dient wel inzichtelijk te maken wat de oorzaak is van de betalingsproblemen. Toch verdient het de voorkeur om gebruik te maken van het formulier dat de Belastingdienst op de website beschikbaar heeft gesteld. Deze vindt u hier.
Let op! Een mondelinge melding van betalingsonmacht is uitdrukkelijk niet mogelijk!
Tijdige melding betalingsonmacht
Eén van de voorwaarden is dat er een tijdige melding betalingsonmacht wordt gedaan. Wanneer is sprake van een tijdige melding? Uiterlijk twee weken na de dag waarop de verschuldigde belasting moest zijn voldaan. De bewijslast van de tijdige melding ligt bij de belastingplichtige, zie hiertoe Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 28 maart 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:2614
Voorbeeld inzake tijdige melding betalingsonmacht
De omzetbelasting over het eerste kwartaal 2025 moet uiterlijk 30 april 2025 zijn gedaan en betaald. Indien een melding betalingsonmacht uiterlijk 14 mei 2025 is gedaan is sprake van een tijdige melding betalingsonmacht. Wordt na 14 mei 2025 gemeld dan is in beginsel al sprake van bestuurdersaansprakelijkheid. Desondanks blijft alsdan het advies om alsnog zo spoedig mogelijk melding betalingsonmacht te doen, omdat dan wel sprake is van een tijdige melding voor eventuele toekomstige onbetaald gebleven omzetbelasting/loonbelasting.
Hoe lang geldt de betalingsonmacht?
In principe blijft de melding betalingsonmacht rechtsgeldig zo lang de situatie blijft voortduren. Echter, indien er een betaling plaatsvindt op de lopende betalingsverplichting wordt geacht dat geen sprake meer is van een betalingsonmacht (voor alle belastingmiddelen). Mocht nog steeds sprake zijn van betalingsonmacht moet opnieuw een melding worden gedaan! Let op! Ook indien geen of niet tijdig aangifte is gedaan moet er opnieuw een melding betalingsonmacht worden gemeld!
Melding betalingsonmacht geen verzoek om uitstel van betaling
Een melding betalingsonmacht is geen verzoek om uitstel van betaling is. Beide regelingen staan los van elkaar. Dit betekent dat afzonderlijk een mogelijke betalingsregeling dient te worden getroffen losstaand van de vraag of sprake is van een melding betalingsonmacht.
Noot fiscaal jurist inzake melding betalingsonmacht
Als goed bestuurder dienen de belangen van de vennootschap in het oog gehouden te worden. Ofwel: als bestuurder bestaat er geen vrijbrief om te doen en laten wat hij/zij wil. Ondanks goed bestuurder kan een niet correcte melding betalingsonmacht u als bestuurder in een benarde positie brengen. Als bestuurder van bijvoorbeeld een B.V. wordt dus niet per definitie aan aansprakelijkheid ontkomen. Gevolg van een niet correctie melding is dat u ‘met 1-0 achter staat’. Probeer dan nog maar eens aannemelijk te maken dat het niet aan u is te wijten dat u geen tijdige en/of correcte melding betalingsonmacht heeft gedaan.
Als de melding tijdig is gedaan kan de bestuurder nog wel privé aansprakelijk worden gesteld, dit als er sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van 3 jaren voorafgaande aan het tijdstip van de melding (artikel 36 Invorderingswet 1990 en bijvoorbeeld Rechtbank Noord Nederland 6 februari 2024 ECLI:NL:RBNNE:2024:344
Is uw vennootschap in betalingsproblemen dan is actie snel vereist. Wij kunnen u hierin bijstaan. Maar let op! De tijd is kort om de situatie in beeld te krijgen. Daarom ook het advies ga niet achterover leunen en onderneem actie!
Belastingadviseur als medepleger voor boete
Langzaam maar zeker zien we steeds vaker een boetes voor notarissen, belastingadviseurs en accountants, dit als medepleger. In dit artikel kijken we naar de boete voor een medepleger en naar de uitspraak van de Rechtbank Noord Nederland d.d. 2 mei 2025 ECLI:NL:RBNHO:2025:5600). en Gerechtshof Amsterdam d.d. 10 juni 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:1548. In beide procedures wordt een belastingadviseur als "boefje" gezien.
Binnen dit vakgebied kennen we verschillende begrippen, zoals de overtreder of medepleger (artikel 5:1 AWB), maar ook medepleger, uitlokker of medeplichtige. In de procedure bij de Rechtbank wordt een boete opgelegd aan een belastingadvieskantoor (medeplichtige, artikel 67o en 67f AWR). De belastingplichtige moest naheffingsaanslagen omzetbelasting betalen met een vergrijpboete van 50%. Daarnaast kreeg het belastingadvieskantoor een boete van € 90.000, deze wordt door de rechtbank iets verlaagd i.v.m. termijnoverschrijding.
Natuurlijk zijn we op zoek gegaan naar het aantal boetes dat aan dienstverleners en collega kantoren wordt opgelegd, hierover zijn geen getallen bekend. Ook is er geen informatie over kantoren die het betreffen (zie artikel)
Bestuurder geen pleger bij niet doen van een aangifte vennootschapsbelasting
Bij het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 24 februari 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:1967 kwam een procedure voorbij waarbij een bestuurder over meerdere jaren geen aangiften vennootschapsbelasting van de BV had ingediend. Het Hof oordeelde dat de bestuurder (verdachte) als pleger kan worden aangemerkt (artikel 69 lid 1 AWR), dit in kader van "het opzettelijk niet doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte". Deze procedure komt uiteindelijk bij de Hoge Raad op 24 maart 2026 ECLI:NL:HR:2026:424. Die denkt er anders over. De bestuurder is niet de persoon die de aangifteplicht droeg. De aangifteplicht berust immers bij de rechtspersoon aan wie het aangiftebiljet is gericht. Dit is de BV zelf en niet de natuurlijke persoon die als bestuurder optreedt of feitelijk de correspondentie ontvangt en de aangifte verzorgt. Verantwoordelijk zijn voor iets wil nog niet zeggen dat die persoon ook "pleger" is voor het niet doen van de aangifte. Dit wil nog niet zeggen dat de bestuurder lekker achteruit kan gaan zitten. Op grond van het strafrecht (artikel 47-51 WvS) is er voldoende ruimte om de bestuurder als medepleger of feitelijk leidinggevende aan te pakken. Hier speelde echter de toets van "pleger". De zaak wordt teruggewezen naar hetzelfde gerechtshof.
Toetsing van toestemmingsvereiste medepleger
Uit het arrest van de Hoge Raad van 6 september 2024 ECLI:NL:HR:2024:1132 volgt dat het toestemmingsvereiste is bedoeld als waarborg voor de betrokkene en dat dit inhoudt dat op een hoger niveau in de organisatie wordt (her)beoordeeld of het opleggen van een boete in het voorliggende geval rechtens juist en opportuun is. Daarbij is van belang of degene die de toestemming heeft verleend over voldoende en juiste informatie heeft beschikt om de rechtmatigheid en de opportuniteit van de voorgenomen beboeting te kunnen beoordelen. Er is toestemming verleend door de (plaatsvervangende) directeur MKB van de belastingdienst en door de directeur bij het ministerie van financien.
Bestuurlijke boete aan medepleger of belastingadviseur
Bij het opleggen van een bestuursrechtelijke (medeplegers) boete moet zorgvuldig en terughoudend worden gehandeld, aldus de 4e tranche van de AWB. Met name bij samenspanning met de klant en echte fraudegevallen kan de adviseur ook in beeld komen. Soms wordt de bestuurslijke route verlaten en wordt in overleg met het OM de strafrechtelijke route gevolgd.
Noot fiscaal jurist inzake medepleger
Sinds 1 juli 2009 kennen we de vierde tranche van de AWB. Niet alleen de boef (pleger) maar ook zijn maatje (medepleger) en een feitelijk leidinggevende kan een bestuurlijke boete krijgen. Dit geldt ook voor de vergrijpboete. Voor een dergelijke boete moet eerst de onjuiste aangifte bij belastingplichtige vaststaan. Vervolgens moet helder zijn dat de accountant of belastingadviseur aan deze overtreding heeft deelgenomen. De boete via het strafrecht bestaat al langer en wordt soms ook gekozen. Voor het begrip medepleger wordt vaak gekeken naar het strafrecht. Een helder arrest over de overwegingen is al ruim 10 jaar oud (Hoge Raad d.d. 2 december 2014 ECLI:NL:HR:2014:3474). Er moet dus een samenwerking zijn geweest tussen de belastingplichtige en de belastingadviseur. Daarnaast moet deze samenwerking gericht zijn op het "delict". De medepleger moet dus een (actieve) bijdrage hebben geleverd, hij of zij hoeft echter geen uitvoerder te zijn geweest van de delict (of alle handelingen zelf te hebben verricht).
Soms volgt een bestuurlijke boete en soms loopt de route via het strafrecht. Het OM heeft vaak een lastige casus als het gaat om het vervolgen van een adviseur. Uit onderstaande jurisprudentie volgt dat (feiten) rechters terughoudend zijn bij het daadwerkelijk vervolgen van adviseurs. De route via het bestuursrecht lijkt dan ook een meer logische route. Bij echte boefjes (fraudegevallen) zou het strafrecht in beeld kunnen komen maar dan moet het meer zijn dan een eenvoudige medepleger.
Bron bestanden medepleger
Hoge Raad d.d. 8 juli 2025 ECLI:NL:HR:2025:1116
Rechtbank Overijssel d.d. 17 juni 2025 ECLI:NL:RBOVE:2025:3852
Hoge Raad d.d. 20 mei 2025 ECLI:NL:HR:2025:779
Rechtbank Noord Nederland d.d. 2 mei 2025 ECLI:NL:RBNHO:2025:5600
Hoge Raad d.d. 6 september 2024 ECLI:NL:HR:2024:1132
Fiscale procedure en dan geen proceskostenvergoeding?
Wie een geschil heeft met de Belastingdienst, kan een lange juridische weg afleggen: van bezwaar tot beroep, hoger beroep en uiteindelijk cassatie bij de Hoge Raad. Voor wie (gedeeltelijk) gelijk krijgt, bestaat de mogelijkheid tot een proceskostenvergoeding – mits een specialist is ingeschakeld. Deze vergoeding is echter bescheiden en vaak niet kostendekkend, vandaar de bijnaam: het fooienbesluit.
Maar wat als u uiteindelijk gelijk krijgt, wél kosten hebt gemaakt, maar tóch met lege handen achterblijft? In dit artikel bespreken we een schrijnend voorbeeld: een belastingplichtige die na jaren procederen zijn gelijk krijgt, maar géén vergoeding ontvangt voor zijn juridische kosten in cassatie. Een technisch-juridisch verhaal met grote praktische relevantie – en een zure nasmaak. In dit artikel bespreken wij de uitspraak van de Hoge Raad 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:900
Geen kostenvergoeding ondanks gewonnen zaak. Een gebrek in de wet?
Als u het niet eens bent met een belastingaanslag kunt u daartegen in bezwaar. En daarna nog in beroep, hoger beroep en aan het einde kunt u dan beroep in cassatie indienen bij de Hoge Raad.
Als u de zaak wint, of anderszins (gedeeltelijk) gelijk krijgt, kunt u aanspraak maken op een proceskostenvergoeding als u een specialist heeft ingeschakeld. Zeer bijzondere omstandigheden daargelaten is de vergoeding bijna lange na niet kostendekkend (daarom wordt het ook wel het fooienbesluit genoemd).
Gelijk krijgen en toch geen proceskostenvergoeding?!
In een recente zaak deed een belastingplichtige, Frank, een beroep op een bijzondere regeling (30%-regeling). Dat werd afgewezen. Ook bezwaar en beroep mocht niet baten. Uiteindelijk krijgt Frank in hoger beroep gelijk van de Gerechtshof.
Daar kon de belastinginspecteur niet mee leven dus zijn baas, de staatssecretaris van financiën, stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. En dan wordt het opletten geblazen. Frank had de zaak gewonnen, dus voor hem was er geen reden om in cassatie te gaan. Hij kan er immers toch niet beter van worden. Wat wel mogelijk is, is dat de belastingdienst in cassatie gelijk krijgt op een bepaald punt. Dan is er voor Frank de mogelijkheid om aan te voeren dat hij ook op een ander punt gelijk heeft, dat ook leidt tot het winnen van de zaak. Die mogelijkheid heet incidenteel beroep.
Incidenteel beroep in cassatie inzake proceskosten
Dat incidentele beroep in cassatie kan alleen in het begin van de procedure worden ingediend. Frank kan dus niet wachten op de uitspraak van de Hoge Raad en dan alsnog roepen: o ja, ik had ook nog een ander punt.
Aangezien beroep in cassatie niet mogelijk is als je volledig gelijk hebt gekregen van het Gerechtshof (je kunt er niet beter van worden, dus is het beroep niet-ontvankelijk), had Frank zogenoemd voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld (onder de voorwaarde dat de belastingdienst gelijk zou krijgen). Op dat moment moet hij dat beroep ook volledig motiveren.
Geen proceskosten voor een incidenteel beroep in cassatie
Als het Incidenteel beroep in cassatie gegrond is krijgt Frank daarvoor (conform het fooienbesluit) een proceskostenvergoeding (hij heeft daarvoor immers een specialist ingeschakeld. In deze zaak loopt het echter anders. De belastingdienst (staatssecretaris van financiën) komt lopende de cassatie tot inkeer of een nieuw inzicht en komt tot de conclusie dat Frank eigenlijk wel gelijk heeft. Daarop trekt hij zijn beroep in cassatie in. Dan heeft Frank reeds al zijn stukken laten verzorgen door een specialist.
De intrekking van het beroep in cassatie heeft tot gevolg dat op basis van de wet (voor de fijnproevers: artikel 8:112, tweede lid Awb jo. artikel 29 AWR)het voorwaardelijk incidentele beroep in cassatie vervalt (immers, vanaf dat moment is er voor Frank geen beter resultaat mogelijk). Het zure voor Frank is, dat de Hoge Raad droogjes vaststelt dat het incidentele beroep is vervallen en er (dus) geen reden meer is voor een proceskostenvergoeding.
Opmerking fiscaal jurist inzake proceskostenvergoeding
Weliswaar zou Frank ook geen proceskostenvergoeding hebben gekregen als zijn incidentele beroep wel was behandeld en hij daarin ongelijk zou hebben gekregen, maar dat neemt niet weg dat de belastingdienst hem in wezen gedwongen heeft dat incidentele beroep in te stellen. Zo de belastingdienst (staatssecretaris van financiën) geen beroep in cassatie hebben ingesteld, zou Frank nimmer de kosten van het incidentele beroep hebben gemaakt.
In dit geval heeft de belastingdienst (staatssecretaris van financiën) eerst op het incidentele beroep afwijzend gereageerd en pas na repliek in cassatie (hetgeen op zich al zelden voorkomt) de zaak ingetrokken.
Strikt genomen voorziet de wet niet in een proceskostenvergoeding bij een vervallen incidenteel beroep (terecht) doch hier zou je hopen dat er ergens toch een potje is om enige genoegdoening aan Frank te schenken. Hij heeft een lange weg moeten afleggen waarin de belastingdienst meteen bij bezwaar al dezelfde afweging had kunnen maken als nu is gebeurd. De eerste afwijzing van het bezwaar is van november 2019. Ruim vijf jaar en wat een (gemeenschaps)geld…….
Loopt u ook tegen een fiscaal probleem aan? Bel ons en wij lossen het op. Dat hoeft zeker geen vijf jaar te duren; laat u niet afschrikken!
Bron proceskostenvergoeding
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 december 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10937
Vergrijpboetes en de bewijslast van de inspecteur: wanneer is het echt opzet of grove schuld?
Het Nederlandse belastingrecht kent een krachtig handhavingsinstrument: de vergrijpboete. Deze boete kan bijvoorbeeld worden opgelegd wanneer een belastingplichtige opzettelijk of grofschuldig een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan. Maar hoever moet de Belastingdienst gaan om deze opzet of grove schuld aan te tonen? En volstaat een kasopstelling als bewijsgrond? In dit artikelen behandelen wij de vergrijpboete en enkele uitspraken van rechters, ondermeer de uitspraak van het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 26 februari 2025 ECLI:NL:GHSHE:2025:523 waarin opzet/ grove schuld door de inspecteur niet overtuigend is aangetoond/
Wat is een vergrijpboete?
Een vergrijpboete t.a.v. van een onjuiste aangifte is geregeld de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Artikel 67e AWR bepaalt dat een inspecteur een vergrijpboete kan opleggen indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten is dat te weinig belasting is geheven.
De basis voor het opleggen van de vergrijpboete is de wettelijke bepaling. Daarnaast is er beleid geformuleerd in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB). In dit besluit is bepaald dat de hoogte van de boete varieert afhankelijk van de ernst van het vergrijp. Voor inkomsten in box 1 is het volgende daarover opgenomen:
- Bij grove schuld kan een boete van maximaal 25% worden opgelegd;
- Bij (voorwaardelijke) opzet loopt dit op tot maximaal 50%;
- Bij recidive kan dit zelfs oplopen tot 100%.
Streep door vergrijpboete ex bestuurder voetbalclub
Als bestuurder een vergrijpboete aan je broek krijgen? Dan staat niet alleen je portemonnee onder druk, maar ook je reputatie. De fiscus legt ze soms voortvarend op, maar gelukkig kijkt de rechter kritischer. In een procedure bij de Rechtbank Gelderland d.d. 5 juni 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:4322) oordeelde de rechter dat een ex-bestuurder van een voetbalclub ten onrechte als feitelijk leidinggever werd aangemerkt. Hoewel hij ooit betrokken was bij een spelerstransfer, was zijn rol bij de latere afwikkeling onvoldoende concreet. De rechtbank herhaalt: bestuurder zijn is niet hetzelfde als leiding geven aan een strafbaar feit. En voor een boete moet de Belastingdienst het bewijs keihard rond hebben. Omdat die bewijslast zwaarder is dan bij de belastingheffing zelf, sneuvelde de boete. De uitspraak is een reminder: wie als adviseur scherp blijft op bewijs en betrokkenheid, kan veel ellende besparen.
Voor een helder overzicht van de stappen die de belastingdienst moet doorlopen verwijzen wij u naar een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 26 april 2016 ECLI:NL:HR:2016:733.
Geduld is vereist, maar rechtvaardigheid duurt soms gewoon even. Belangrijk is dat de belastingdienst met overtuigend aangetoond bewijs komt met concrete gedragingen door de feitelijk leidinggevende.
Hierbij spelen voor een vergriipboete een aantal zaken:
- Feitelijk leiding geven: dit moet concreet worden onderbouwd (zie Hoge Raad d.d. 16 december 1986 ECLI:NL:HR:1986:AC9607) , dit speelde bij de Slavenburg bank, de zogenoemde slavenburg jurisprudentie.
- Is de verboden gedraging door de BV (of rechtspersoon) verricht, zie Drijfmest arrest van de Hoge Raad d.d. 21 oktober 2003 ECLI:NL:HR:2003:AF7938
- Wordt het geheel (opzet of grove schuld) voldoende overtuigend aangetoond (zie Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Al met al moet het volgende worden beoordeeld:
- Kan de (strafbare) gedraging worden toegerekend aan belastingplichtige ( de rechtspersoon)
- Is er hierbij sprake van opzet bij deze strafbare gedraging
- Heeft de persoon (bestuurder) zich gedragen als actief (of passief) feitelijk leidinggevende van dit (strafbare) feit
- Is dit gedrag opzettelijk uitgevoerd door de feitelijk bestuurder/ leidinggevende.
- Heeft de belastingdienst voldoende overtuigend aangetoond dat sprake
is van opzet of grove schuld (zie
Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Vergrijpboete ter discussie stellen
De vergrijpboete wordt soms iets te vlot door een inspecteur opgelegd. Deze kan om verschillende redenen worden verminderd of tot nihil worden bijgesteld (door de rechter). De belangrijkste oorzaken uit de rechtspraak zijn:
- Procedure loopt te lang (overschrijding van de redelijke termijn), zie Hoge Raad d.d. 6 september 2024 ECLI:NL:HR:2024:1132 of Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 23 juli 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:4871
- Vergrijpboete voor hetzelfde feit bij verschillende belastingtypen
- Vergrijpboete wordt niet overtuigend via feitelijk bewijs aannemelijk gemaakt, derhalve geen (of beperkt) sprake van opzet of grove schuld (uitgebreide toelichting in mening AG op 4 april 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:410)
- Ontbreken van voldoende bewijs voor opzet of grove schuld, Gerechtshof Amsterdam d.d. 15 november 2022 ECLI:NL:GHAMS:2022:3728
- De grondslagen en/of omstandigheden zijn anders of niet juist voorgesteld, zie Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 14 mei 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:3357
- De boete moet wel in balans zijn, de noodzaak van een juiste kwalificatie van het vergrijp en de evenredigheid van de opgelegde boete, zie hiertoe mening AG op 5 juli 2024 ECLI:NL:PHR:2024:736
- Beboeting wordt niet tijdig medegedeeld, schending verdedigingsbeginsel (kennisgeving boete (met motivering) is later gedagtekend dan de boetebeschikking. Zie hiertoe bijvoorbeeld Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 7 mei 2025 ECLI:NL:RBZWB:2025:2724.
De verzwaarde bewijslast voor de Belastingdienst bij een vergrijpboete
Voor het opleggen van een vergrijpboete rust een verzwaarde bewijslast op de inspecteur. De Belastingdienst moet concreet en overtuigend bewijzen dat er sprake is van opzet of grove schuld. De enkele aanwezigheid van een onjuiste aangifte is onvoldoende.
De Hoge Raad heeft dit nogmaals bevestigd in het arrest van 8 april 2022 (ECLI:NL:HR:2022:526). Hierin oordeelde de Hoge Raad dat een vergrijpboete slechts kan worden opgelegd indien overtuigend is bewezen dat de belastingplichtige zelf opzettelijk of grof schuldig heeft gehandeld. Als dit niet met voldoende precisie kan worden vastgesteld – bijvoorbeeld wanneer sprake is van een gezamenlijke huishouding of onderneming - mag geen boete worden opgelegd, ook niet aan slechts één van hen zonder duidelijk aanwijsbare individuele verantwoordelijkheid. Een vergelijkbare situatie komt ook aan de orde bij de Hoge Raad d.d. 3 februari 2023 ECLI:NL:HR:2023:97
De kasopstelling: hulpmiddel of bewijs?
Een veelgebruikt instrument in fiscale onderzoeken is de zogeheten kasopstelling. Hiermee probeert de Belastingdienst door middel van een administratieve reconstructie inzicht te krijgen in de geldstromen van een belastingplichtige, waarbij een negatief kassaldo een indicatie zou kunnen zijn voor niet-aangegeven inkomsten.
Hoewel kasopstellingen vaak leiden tot correcties in de belastingaanslag, is hun bewijswaarde voor het opleggen van een boete beperkt. Een kasopstelling wijst op een financieel tekort, maar zegt weinig over de herkomst van gelden, de betrokkenheid van de belastingplichtige, of diens intentie.
In meerdere uitspraken is geoordeeld dat de kasopstelling geen voldoende zelfstandig bewijs vormt voor het opleggen van een vergrijpboete. Zeker wanneer de inspecteur niet kan aanwijzen wie precies verantwoordelijk is voor de contante uitgaven of onverklaarde inkomsten binnen een huishouden of onderneming, faalt de bewijslast.
Individuele toerekening: wie heeft 'het gedaan'?
Een belangrijk aspect bij het vaststellen van opzet of grove schuld is dat deze moet worden toegerekend aan een specifieke persoon. Dit is vooral van belang in situaties waarin meerdere personen (bijv. vennootschap onder firma of huwelijk) betrokken zijn bij de financiële huishouding.
Het Hof Den Bosch benadrukte in zijn uitspraak dat de Belastingdienst in zulke gevallen meer moet doen dan aannemen dat alle betrokkenen even verantwoordelijk zijn. De inspecteur moet concreet aantonen welke belastingplichtige verantwoordelijk is geweest voor het vergrijp.
Dit principe sluit aan bij de uitgangspunten van het strafrecht: je kunt iemand alleen beboeten als er voldoende bewijs is dat die persoon het delict heeft gepleegd. In fiscale zin betekent dit dat niet de hele administratie als 'vergrijpelijk' kan worden aangemerkt, maar dat de inspecteur moet bewijzen dat de belastingplichtige bewust heeft nagelaten correct aangifte te doen.
Het belang van motivering en onderbouwing
Een goed gemotiveerde boetebeschikking is essentieel. De belastingplichtige moet precies kunnen begrijpen waarop de Belastingdienst zich baseert. Het gaat dan niet alleen om de feitelijke correcties in de aanslag, maar vooral om de gedragingen waarop de boete steunt.
Een motivering die uitsluitend verwijst naar een kasopstelling, zonder verdere onderbouwing van opzet of grove schuld, voldoet niet aan de wettelijke eisen. Daarnaast moet de inspecteur ook eventuele verklaringen of alternatieve hypotheses van de belastingplichtige serieus onderzoeken en meewegen.
De rol van de adviseur: vroegtijdig schakelen en documenteren
Voor fiscale adviseurs ligt hier een belangrijke taak. In gevallen waarin de Belastingdienst correcties aankondigt of overgaat tot boekenonderzoek, is het essentieel om direct te beginnen met het vastleggen van verklaringen, reconstructies en bewijsstukken. Ook is inzage in het boete dossier een belangrijk aandachtspunt.
Matiging boete door Hoge Raad
De Hoge Raad (cassatie) bekijkt een zaak niet meer inhoudelijk en veel zaken worden dan ook afgedaan met zogenaamde artikel 81 RO beslissingen. Het cassatieberoep wordt dan afgewezen zonder uitgebreide inhoudelijke motivering. In de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 21 november 2025 ECLI:NL:HR:2025:1727 faalde het inhoudelijke beroep (klachten nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling). Maar hiermee was nog niet alles gezegd.
De Hoge Raad komt ambtshalve toe aan vraag of de redelijke termijn in cassatie wordt overschreden, ook bij het instellen van cassatie beroep (of tweede cassatieprocedure) begint de redelijke termijn dus weer te lopen (1 jaar). De boete wordt ambtshalve verlaagd (gematigd). Belastingplichtige is vergeten immateriele schadevergoeding te vragen, dat is jammer. Dit is een interessante uitspraak, materieel gebeurt er niks maar de redelijke termijn kan de boete wel verlagen (in dit geval met 15%). Cassatie kan dus van belang zijn voor de boete (en termijnbewaking). Bij boeten moet de tijdlijn dus scherp in de gaten worden gehouden, ook als de materiële / inhoudelijke kansen bij cassatie beperkt zijn. Gelukkig bewaakt de Hoge Raad nog steeds de fundamentele proces belangen en waarborgt deze op de juiste wijze.
Noot fiscaal jurist inzake vergrijpboete
De kernboodschap van recente jurisprudentie is helder: een kasopstelling kan een belangrijk signaal zijn, maar is op zichzelf onvoldoende om een vergrijpboete op te leggen. De inspecteur moet concreet, specifiek en overtuigend bewijs aanleveren.
De lat ligt dus hoog – en terecht. Want de gevolgen van een vergrijpboete zijn niet alleen financieel, maar kunnen ook reputatieschade, beroepsmatige gevolgen en zelfs strafrechtelijke implicaties met zich meebrengen.
Heeft u een aankondiging van een boekenonderzoek of vergrijpboete ontvangen? Neem dan contact op met één van onze adviseurs.
Bronnen vergrijpboete
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2022:526
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:523
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:524
Aanslag niet ontvangen en bezwaar maken
De ontvangsttheorie en de verzendtheorie. U heeft een aanslag niet ontvangen en daardoor in de termijn om bezwaar te maken verlopen. De inspecteur moet altijd (meestal via een verzendadministratie) aannemelijk maken dat een aanslag of uitspraak op bezwaar tijdig is verzonden (zie ondermeer Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 7 december 2023 ECLI:NL:GHSHE:2023:3796)
Wie moet wat bewijzen? Volgens artikel 6:9 Algemene Wet Bestuursrecht (AWB) moet een bezwaar- of beroepschrift tijdig worden ingediend, soms is er - aldus lid 6:9 lid 2 nog een extra week ruimte. Belangrijke jurisprudentie over dit onderwerp:
- Hoge Raad d.d. 11 oktober 2024 ECLI:NL:HR:2024:1423: In deze uitspraak wordt door de Hoge Raad bevestigd dat bij betwisting van de ontvangst van een stuk door de rechtbank de bewijslast bij de verzender ligt (aannemelijk maken dat stuk is verzonden).
- Hoge Raad d.d. 14 oktober 2011 ECLI:NL:HR:2011:BT7470: Bij ontbreken van een leesbare poststempel wordt aangenomen dat het bezwaar- en beroepschrift tijdig ter post is bezorgd als het is ontvangen op de eerste of tweede werkdag na het einde van de termijn. De datumstempel is vrijwel altijd bepalend voor de terpostbezorging (Hoge Raad 28 januari 2011 ECLI:NL:HR:2011:BP2138)
Belastingaanslag niet ontvangen; toch bezwaar mogelijk!
Belasting betalen moeten we allemaal. Doorgaans doen we aangifte en enige tijd later volgt er een belastingaanslag. Dat proces moet wel helder en transparant zijn, zodat iedereen weet waaraan hij/zij toe is. De aanslag moet op de juiste manier worden bekend gemaakt en bezwaren tegen die aanslag moeten tijdig en correct worden ingediend.
Aan beide zijden van de lijn gaat het in de praktijk nogal eens fout. Soms kunnen die foutjes hersteld worden en soms niet. Daarbij zou u verwachten: gelijke monniken, gelijke kappen.
Helaas! Welkom in de wondere wereld van het formele belastingrecht alwaar de belastingdienst toch vaker meer gelijk is dan de burger.
Ontvangsttheorie versus verzendtheorie
Wanneer is nu een aanslag opgelegd en een bezwaar ingediend? U zou voor het verzenden van een aanslag hetzelfde criterium verwachten als voor het maken van bezwaar; wie de brief verstuurt zou niet moeten uitmaken. Het enkel stellen dat een aanslag niet is ontvangen is - gek genoeg- niet voldoende, er moeten aanvullende omtstandigheden worden aangevoerd, aldus de Rechtbank Amsterdam d.d. 22 februari 2024 ECLI:NL:RBAMS:2024:836, in deze zaak is de naheffingsaanslag via "mijn overheid" verzonden, tja dan is het lastig bewijzen. In een andere procedure bij deze rechtbank (Rechtbank Amsterdam d.d. 4 juli 2024 ECLI:NL:RBAMS:2024:8588) wordt terecht de vraag opgeworpen of de (fictie) van de verzendtheorie niet achterhaald is, mede gezien EU jurisprudentie.
De voorwaarden voor het maken van bezwaar zijn redelijk bekend (binnen zes weken aan het juiste anders onder vermelding van naam, adres en reden van het bezwaar.
Wanneer is het bezwaar nu tijdig?
In het belastingrecht moet een bezwaarschrift als hoofdregel vóór het einde van de termijn door de inspecteur ontvangen zijn (de Ontvangsttheorie). Daarbij is er één belangrijke versoepeling: de gemitigeerde verzendtheorie. Als een bezwaar per post is verstuurd, is het tijdig ingediend als het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd én niet later dan een week na afloop van de termijn door de inspecteur is ontvangen.
Wordt een bezwaarschrift na die termijn ontvangen of kunt u niet bewijzen dat het voor het einde van de zes weken ter post is bezorgd (door vb. een poststempel), dan kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard wegens termijnoverschrijding.
Wel moet u de kans krijgen om met (bewijs van) een goede reden te komen waarom het te laat is ingediend. De rechter was daarin streng, maar wordt soepeler. Als de reden goed genoeg is, kunt u alsnog door voor de inhoud.
Dan de inspecteur. Die moet ook aanslagen opleggen binnen wettelijke termijnen. Die zijn veel langer dan zes weken, maar termijn is termijn. De wet bepaalt dat een aanslag bekend wordt gemaakt door toezending of uitreiking aan e belastingplichtige Bij de beoordeling van de tijdigheid geldt voor de belastingdienst echter de verzendtheorie. De belastingdienst hoeft in beginsel slechts aan te tonen dat een stuk tijdig verzonden is. In de praktijk betekent dit dat de Belastingdienst een aanslagbiljet per post verzendt. Sinds 1983 niet meer aangetekend (dat vond toenmalig minister van economische zaken, Lubbers, te duur).
Nu gebeurt het met enige regelmaat dat de belastingplichtige een aanslag niet ontvangt (de postbezorging blijkt bepaald niet stipter te worden). Hoe kan deze dan nog (tijdig) bezwaar maken?
Op hoofdlijn zijn er dan twee (te combineren) mogelijkheden. Enerzijds is de redenering dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is (een goede reden waarom het bezwaar te laat is) omdat de aanslag niet ontvangen of verkeerd bekendgemaakt (onjuist adres) is; anderzijds kan worden geredeneerd dat bij een onjuiste bekendmaking de termijn überhaupt niet is gaan lopen. Een termijn die niet is gaan lopen kan ook niet worden overschreden.
De belastingdienst moet bewijzen dat de aanslag tijdig en naar het juiste adres is gestuurd. Als de belastingplichtige stelt dat de aanslag niet is ontvangen, moet de belastingdienst bewijzen dat het wel is verzonden (in de zin dat het kenbaar moet zijn aangeboden aan de externe postdienst). De administratieve vastlegging van verzending van aanslagen wordt steeds complexer, maar ook beter. Als er een boete in het spel is, moet het bewijs nog sterker zijn, namelijk ‘overtuigend’.
Als de belastingdienst voldoende bewijs van verzending heeft geleverd, wordt daarmee vermoed dat de belastingplichtige de aanslag ook heeft ontvangen. De belastingplichtige kan dat vermoeden van ontvangst ontzenuwen door feiten of omstandigheden aan te voeren die twijfel zaaien over de daadwerkelijke bezorging. Algemene cijfers dat het bij de postbezorging nogal eens fout gaat, zijn daarbij tot op heden op zichzelf onvoldoende om de bezorging te ontkrachten.
Aanslag is verzonden volgens belastingdienst, bezwaartermijn verlopen, een ongelijk speelveld
Voor zichzelf heeft de belastindienst het heel goed geregeld, maar de belastingplichtige zit ten onrechte opgezadeld met risico’s die niet de zijne/hare zouden moeten zijn. De belastingdienst kan volstaan met aantonen van verzending, terwijl de belastingplichtige zelf hard moet bewijzen dat zijn stukken tijdig zijn aangekomen. Dit lukt niet altijd, zo maakt een heffingsambtenaar in een procedure bij het Gerechtshof Den Haag d.d. 27 mei 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:966) niet aannemelijk dat een uitspraak op bezwaar tijdig per mail aan het juiste mailadres is verzonden.
Van adviseurs wordt verlangd dat zij bij belangrijke stukken kiezen voor een betrouwbare verzendwijze en bewijs van verzending regelen (wat Lubbers voor de overheid te duur vond).
Gelukkig heeft de digitale wereld ook steeds meer vat op de belastingdienst en worden aanslagen ook al digitaal bekend gemaakt. Bij de rechtspraak is digitaal procederen al de norm, terwijl het bij de belastingdienst nog niet mogelijk is digitaal bezwaar te maken (ze zijn er wel mee bezig. Overigens blijkt het in de praktijk ook mogelijk via de mail bezwaar te maken. De inspecteur stuurt dan in voorkomende gevallen een reactie met het verzoek het bezwaar per post in te dienen, maar neemt de datum van de indiening per mail als datum van ontvangst. Two steps forward and one step back is nog beter dan het omgekeerde.
Accountant of boekhouder ziek .. is dit verschoonbare termijn overschrijding?
De boekhouder of accountant (kleine zelfstandige zonder personeel) lag in het ziekenhuis (6 maanden) in verband met een zware operatie. Hierdoor heeft de klant de aanslag / beschikking gemist (inzake TVL subsidie). Is dit een verschoonbare termijnoverschrijding? Volgens het college van beroep voor het bedrijfsleven wel (ECLI:NL:CBB:2025:313)
Opmerking fiscaal jurist inzake verzendtheorie en belastingen
Termijnen worden minder scherp en zouden niet ‘dodelijk’ moeten zijn; misbruik daargelaten. Zeker bij termijnen van zes weken, waarbij de wederpartij geen, nauwelijks of zeer lange termijnen kent. Aanslag gehad, termijntje vergeten of blijft de aanslag maar uit? Samen met onze adviseurs vindt u vast een goede reden. Hulp nodig? Stuur ons gerust via onderstaand formulier een bericht of kom langs voor een afspraak.
Melding betalingsonmacht niet nodig .. of toch wel?
Op 2 mei 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:435) kwam AG Koopman met een bijzondere conclusies over de bestuurdersaaansprakelijkheid en meldingsregeling betalingsonmacht. In de tussenbeslissing van de Hoge Raad op 6 oktober 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1371) kwam ons hoogste college nog tot de conclusie dat de ontvangen geen ruimte heeft om af te zien van een bestuurdersaansprakelijkheid. Koopman (de AG) komt nu met een "geitenspoor".
De ontvanger beschikt over een (discretionare) bevoegheid en kan afzien van het aasprakelijk stellen van de bestuurder. Aansprakelijk stellen is dus een keuze. In de genoemde procedure bij de Hoge Raad worden prjejudiciele vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de EU. De centrale vraag was of de meldingsregeling wel is toegestaan (strijdigheid met evenredigheidsbeginsel). Deze vragen zijn op 14 november 2024 beantwoord, er is geen sprake van een strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel.
De Hoge Raad is van mening dat artikel 36 Invorderingswet geen discretionare bevoegdheid kent en dwingend is. De ontvanger mag verder geen belang tegen elkaar afwegen, aldus de Hoge Raad. Deze conclusie is volgens Koopman niet juist. In deze uitgebreide toelichting gaat Koopman in op de materiële kant (artikel 36 IW) en de formele uitvoering (artikel 49 IW). Dat een bestuurder aansprakelijk is kan wel vaststaan maar dat wil nog niet zeggen dat hij of zij ook aansprakelijk gesteld moet worden. Bij een kwestie waarbij geen sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur is er dus nog een alternatieve route. Een kleine vergissing (niet melden) hoeft dus niet per definitie desastreuze gevolgen voor de bestuurder te hebben, aldus Koopman.
De procedure inzake vergeten melding betalingsonmacht
De Advocaat-Generaal (AG) behandelt in deze conclusie de meldingsregeling bij betalingsonmacht en de daarmee samenhangende bestuurdersaansprakelijkheid uit art. 36(4) Invorderingswet 1990 (IW 1990). De aanleiding is een prejudiciële vraag van de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU) over de verenigbaarheid van deze regeling met het Europese evenredigheidsbeginsel. Het HvJ EU oordeelde dat de regeling niet in strijd is met het Unierecht.
Hoewel dit een tegenslag is voor belanghebbende, onderzoekt de AG mogelijke "lichtpuntjes" ter verzachting van de strikte toepassing van de regeling:
- Discretionaire bevoegdheid ontvanger: De AG stelt dat de Hoge Raad onterecht oordeelt dat de ontvanger géén beleidsvrijheid heeft bij het al dan niet aansprakelijk stellen van bestuurders. Uit wetssystematiek, parlementaire geschiedenis, beleidsregels (Leidraad Invordering), en jurisprudentie volgt dat art. 49 IW 1990 géén gebonden maar een discretionaire bevoegdheid bevat. De ontvanger moet ruimte hebben om belangen af te wegen en niet automatisch tot aansprakelijkstelling over te gaan.
- Lichtpuntjes bij toepassing meldingsregeling: Andere disculperende omstandigheden dan overmacht of deskundigenadvies zijn juridisch toegestaan, maar in de praktijk zeldzaam.
- Geen lichtere bewijslast: De maatstaf blijft ‘aannemelijk maken’.
- Correct bestuur ≠ disculpatie: Ook bij goed bestuur kan verwijtbaarheid van niet-melden bestaan.
- Geringe verwijtbaarheid: De AG bepleit een soepeler toepassing van de verwijtbaarheidstoets (vergelijkbaar met art. 6:11 Awb) — ook bij licht verwijtbaar gedrag kan disculpatie mogelijk zijn.
- Evenredigheidstoets bij besluitvorming ontvanger: Op basis van de Harderwijk-uitspraak (ABRvS 2022) kan een te harde toepassing alsnog door de rechter worden getoetst en gecorrigeerd.
Noot fiscaal jurist inzake bestuurdersaansprakelijkheid en meldingsplicht
De AG adviseert de Hoge Raad om het cassatieberoep ongegrond te verklaren,
omdat er onvoldoende aanknopingspunten zijn dat belanghebbende terecht
een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel of op disculpatie. Tegelijkertijd
doet de AG een krachtige oproep aan de Hoge Raad om terug te komen van
het oordeel dat art. 49 IW 1990 een gebonden bevoegdheid bevat. Volgens
de AG moet de ontvanger een discretionaire bevoegdheid hebben bij het nemen
van een aansprakelijkstellingsbesluit, inclusief ruimte voor belangenafweging
en toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Deze visie zou in de praktijk
grote impact hebben voor de bescherming van bestuurders, vooral wanneer
zij in goede trouw hebben gehandeld maar formeel tekortschoten
in hun meldingsplicht. De AG creëert daarmee ruimte voor een
menselijker en meer proportionele toepassing van bestuurdersaansprakelijkheid
binnen het invorderingsrecht. Vragen over dit onderwerp? Stuur
ons gerust een e-mail.
Navorderingsaanslag en kenbare fout
De Belastingdienst kan een navorderingsaanslag opleggen als sprake is van een nieuw feit (artikel 16 AWR). Dit is ter bescherming van een belastingplichtige. Een strafrechtelijk onderzoek kan een nieuw feit opleveren, maar natuurlijk ook een boekenonderzoek. De optie om een navorderingsaanslag op te leggen verloopt na 5 jaar (te vermeerderen met uitstel termijn) en soms na 12 jaar (buitenland situatie). Navordering is dus mogelijk maar is wel gebonden een keurige en strikte regels (die niet altijd even duidelijk zijn).
De meeste discussie bij rechters zal plaatsvinden over "is er een nieuw feit" en "is er sprake van een kenbare fout". Bij kwade trouw is een nieuw feit dan weer niet nodig. Voldoende regels voor gedoe derhalve. In dit artikel kijken we verder naar "de kenbare fout". De aanleiding voor "de kenbare fout" was een procedure bij de rechtbank waarbij een belastingplichtige bij aftrekbare hypotheekrente 3.000.000 euro had ingevoerd in plaats van (de betaalde) 3.000 euro. De rechter oordeelde toen dat navordering niet kon plaatsvinden. In navolging op deze uitspraak is de wet aangepast.
Kenbare fout en navordering terecht
De Hoge Raad heeft op 17 juli 2026 (ECLI:NL:HR:2026:1296) een uitspraak gedaan die niet in lijn lag met de eerdere uitspraak van het Gerechtshof Den Haag op 11 juli 2023 (ECLI:NL:GHDHA:2023:1405). Het arrest verruimt niet het begrip kenbare fout maar verduidelijkt vooral hoe de oorzaak van de te lage aanslag moet worden vastgesteld. Het Hof keek naar de aanslagregelend ambtenaar die onvoldoende kennis had genomen van het dossier en zag daarin een niet navorderbare beoordelingsfout. De Hoge Raad gaat een stap terug in het proces, doordat geen behandelvoornemen in de software is opgenomen rammelden de computers door en wordt een aanslag opgelegd. Dat was een administratieve fout (ex artikel 16 lid 2 onderdeel c AWR). Een belastingplichtige kan doorgaan niet profiteren van een evident te lage aanslag als hij of zij wist dat een aanzienlijk inkomensbestanddeel ten onrechte buiten de heffing is gebleven. Wat bijzonder is bij deze uitspraak is het volgende:
- Het Hof stelde vast dat bij het opleggen van de primitieve aanslag een fout was gemaakt. Het kwalificeerde deze fout echter als een verwijtbaar onjuist inzicht in de feiten. Volgens het Hof had de aanslagregelend ambtenaar nagelaten kennis te nemen van de informatie die al bij de Belastingdienst aanwezig was. Bij een zorgvuldige dossiervorming en dossierbeoordeling zou de ambtenaar hebben onderkend dat in 2016 een aandelenverkoop had plaatsgevonden. Dus kwam de rekening bij de Belastingdienst te liggen.
- De Hoge Raad is sympathieker naar de belastingdienst en stelt dat er sprake is van een kenbare fout (meer dan 30% te weinig geheven belasting). Deze fout was ook voor belastingplichtige duidelijk (kenbaar). De Hoge Raad volgt hierbij niet het standpunt van de AG.
Aanslag wordt opgelegd voordat boekenonderzoek is afgerond, is dit kenbare fout ?
Het Gerechtshof Den Haag oordeelt dat het vaststellen van belastingaanslagen, vóór afronding van het boekenonderzoek, een kenbare fout is waarbij de belastingplichtige of zijn adviseur niet mochten denken "dit is juist". In deze casus ontving belastingplichtige navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, de eerste vraag was of sprake is van een nieuw feit. Immers de inspecteur wist alles door het boekenonderzoek. Van een nieuw feit is volgens het geen sprake edoch er is wel sprake van een kenbare fout (artikel 16 lid 2 onderdeel C AWR). Op dat moment liep er namelijk al correspondentie tussen de belastingdienst en de adviseur over onderwerpen die gingen over deze navorderingsaanslagen. De belastingplichtige stapt nog naar de Hoge Raad die is van oordeel dat het standpunt onvoldoende is onderbouwd. De zaak gaat naar het Gerechtshof Amsterdam, zij gaan er eens goed voor zitten. Dit hof is ook van mening dat sprake is van een in redelijkheid kenbare fout, of dan ook sprake is van een ambtelijk verzuim doet niet terzake. Ook de adviseur had simpel kunnen zien dat de aanslagen fout waren.
Wat mag de inspecteur nog corrigeren bij een kenbare fout ?
De hoofdregelis bij navordering is simpel, de inspecteur die een aanslag heeft opgelegd moet daar in beginsel bij blijven. Wil de inspecteur hier later op terugkomen of een fout rechtzetten dan heeft hij een grondslag nodig, dit is een nieuw feit of kwade trouw. Ook kan een alternatieve route worden gekozen, de belangrijkste is de kenbare fout. In een tweetal kennisgroep standpunten wordt hierop ingegaan:
- De begrippen fout en kenbaarheid KG:206:2022:5
- Kenbaarheidsvereiste bij een conserverende aanslag KG:206:2022:6
In beide kennisgroep standpunten wordt duidelijk dat het begrip - ook volgende Hoge Raad - ruim moet worden uitgelegd. Onder een fout vallen niet allen schrijf- en tikfouten maar ook geautomatiseerde verwerkingsfouten en administratieve vergissingen. Dit gaat best ver, feitelijk wordt gezegd dat elke fout die niet berust op een bewuste keuze van de inspecteur kan worden teruggedraaid.
Het keerpunt is dus helder, berust een afwijking op een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten of het recht dan is er geen fout en kan die dus niet worden teruggedraaidm, zie hiertoe ook de Hoge Raad in 2018. Onder een fout valt géén "beoordelingsfout van de inspecteur ten gevolge van diens onjuiste vaststelling van de feiten of onjuiste toepassing van het recht". Simpel gezegd: als de inspecteur bewust een keuze heeft gemaakt — ook al is die keuze fout — is er geen ruimte voor navordering op grond van artikel 16 lid 2 onderdeel c AWR.
Er is een kenbare fout maar kan deze dan altijd worden hersteld?
Ook als er een fout is, moet die fout redelijkerwijs kenbaar zijn voor de belastingplichtige. De wet geeft daarvoor een handvat: bij een afwijking van 30% of meer is de fout in ieder geval kenbaar. Onder die grens kan de inspecteur de kenbaarheid nog steeds bewijzen, maar dan moet hij het aannemelijk maken aan de hand van concrete omstandigheden. Dit is minder objectief dan het lijkt. De kenbaarheidseis wordt in de praktijk verschillend uitgelegd. Kritiek luidt dat de fictie een quasi-automatisme is geworden, terwijl de wetgever bedoelde dat kenbaarheid ook bij 30%+ nog een reële toets zou zijn.
Actuele ontwikkeling inzake kenbare fout en pleitbaar standpunt
De Hoge Raad heeft in 2025 twee arresten gewezen die de positie van de belastingplichtige aanmerkelijk hebben versterkt. De eerste uitspraak van de Hoge Raad ging over bovenstaande casus en is verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam, die in 2026 uitspraak deed. De tweede uitspraak van de Hoge Raad lag hiermee in lijn. Bij een pleitbaar standpunt zijn de wet, jurisprudentie of andere rechtsbronnen zo onduidelijk dat de belastingplichtige zich redelijkerwijs kon beroepen op de gekozen positie. In dat geval kan de fout niet worden aangemerkt als "kenbaar", ongeacht de omvang van het verschil met de uiteindelijke correcte belasting.
Checklist inzake navordering en nieuw feit
- Is er een nieuw feit of kwade trouw? Zo ja, dan is navordering al mogelijk via artikel 16 lid 1 AWR en heeft u de kenbare fout niet nodig.
- Is er een fout in de ruime betekenis van het woord (tikfout, systeemfout, geautomatiseerde verwerkingsfout)? Zo nee, dan is navordering uitgesloten.
- Is er sprake van een beoordelingsfout van de inspecteur? Zo ja, dan is navordering uitgesloten op grond van Hoge Raad 15 juni 2018,
- Heeft de belastingplichtige een pleitbaar standpunt ingenomen in zijn aangifte? Zo ja, dan blokkeert dit navordering op grond van Hoge Raad 26 september 2025 en Hoge Raad 21 november 2025 — tenzij de inspecteur de correctie vóór het opleggen van de primitieve aanslag heeft aangekondigd.
- Is de fout kenbaar? Bij een afwijking van 30% of meer geldt de wettelijke fictie; onder die grens moet de inspecteur het bewijzen.
- Is de navorderingstermijn van twee jaar na de primitieve aanslag verstreken? Zo ja, dan is de mogelijkheid alsnog vervallen.
Stroomschema inzake kenbare fout en navordering
Bron en vindplaats kenbare fout
Hoge Raad d.d. 13 juli 2018 ECLI:NL:HR:2018:1203
Gerechtshof Den Haag d.d. 9 april 2024 ECLI:NL:GHDHA:2024:567
Hoge Raad d.d. 26 september 2025 ECLI:NL:HR:2025:1391
Hoge Raad d.d. 21 november 2025 ECLI:NL:HR:2025:1735
Gerechtshof Amsterdam d.d. 17 maart 2026 ECLI:NL:GHAMS:2026:1584
Ontbreken adminstratie en omkering bewijslast
Als u uw administratie niet op orde heeft, dan kan de belastingdienst de bewijslast omkeren. Dit is een zware maatregel welke niet zomaar mag worden toegepast. De rechter zal kritisch kijken of de Belastingdienst zorgvuldig met de maatregel is omgegaan. Een correcte en controleerbare administratie (artikel 52 AWR) vormt de basis voor de fiscale verhouding tussen de ondernemer en de belastingdienst. Als deze administratie ontbreekt kan dit leiden tot een omkering en verzwaring van de bewijslast (artikel 27e AWR) van de ondernemer. De inspecteur krijgt dan de ruimte om de winst (en andere grondslagen) te schatten. Het is vervolgens aan de ondernemer om te schatting te weerleggen. In dit artikel behandelen wij een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 18 maart 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:1145) waarbij de administratie ontbrak en de ondernemer conform een schatting van de inspecteur navorderingsaanslagen in de brievenbus ontving. De vergrijpboetes waren door de Rechtbank Noord Nederland d.d. 24 augustus 2022 (ECLI:NL:RBNHO:2022:12534) vernietigd, het gerechtshof was het hier niet mee eens, de boetes zijn terecht door de inspecteur opgelegd.
| De inspecteur mag schatten | ||
| De ondernemer moet aantonen dat die schatting onjuist is | ||
| Onderbouw altijd de omzet en bewaar administratie 7 jaar | ||
| Bewijslast rust volledig bij de ondernemer | ||
| Marginale toetsing vervalt : rechter toetst "redelijk verdedigbaar" | ||
| Boete speciale aandacht, kan er regelmatig af. |
Naheffingsaanslag wegens gebrekige administratie
Een ondernemer met een kermisattractie en oliebollenkraam heeft zijn administratie niet helemaal op orde. De belastingdienst stelt een boekenonderzoek in bij de ondernemer. Tijdens dit boekenonderzoek wordt duidelijk dat de administratie verre van volledig is, zo ontbreekt een kasadministratie, agenda, vastlegging van kosten en inkoopfacturen, ontbreken enkele bankafschriften en verkoopfacturen en sluit de administratie niet aan. De inspecteur legt een naheffingsaanslag omzetbelasting en een vergrijpboete op.
De ondernemer vraag tijdens de zitting bij de Rechtbank Zeeland West Brabant is op 17 februari 2022 (ECIL:NL:RBZWB:2022:819 om een correctie en dient veel stukken in, dit is onvoldoende, de aanslag blijft grotendeels in stand. Ook de vergrijpboete van 25% blijft in stand. Bij het Gerechtshof 's Hertogenbosch op 21 februari 2024 ECLI:NL:GHSHE:2024:514 vraagt de ondernemer wederom om enig begrip en terugverwijzing naar de rechtbank. Het Hof geeft de ondernemer geen tweede kans. Voor de geconstateerde gebreken in de administratie geeft het hof belanghebbende geen herstelmogelijkheid. Een administratie moet regelmatig worden bijgehouden om een goede vastlegging van de werkelijkheid te garanderen. Een achteraf na afloop van enig jaar opgestelde administratie brengt het risico met zich dat de werkelijkheid niet goed wordt weergegeven. De ondernemer komt ook niet met nieuwe feiten. Al met al een slecht gevoerde procedure bij een rommelige ondernemer. Ook de Hoge Raad doet er op 24 april 2026 niks mee (ECLI:NL:HR:2026:728), artikel 81 RO zaak.
Correctie winst restaurant zonder administratie
Henk is met zijn vrouw eigenaar van een grill restaurant. Naar aanleiding van een melding (en gedeeltelijke verstrekking van een deel van de administratie) door een werknemer wordt een boekenonderzoek ingesteld. De administratie is niet op orde (deels weggegooid) en de bewijslast wordt omgekeerd. De inspecteur stelt een schatting van de winst op en op grond hiervan worden diverse navorderingsaanslagen met boetes opgelegd. Henk stelt dat de omzetten niet redelijk zijn geschat. De rechtbank en het Gerechtshof zijn het met de belastingdienst eens. Dit komt met name omdat Henk over grote sommen contant geld beschikt (waarvoor geen logische verklaring is).
Wanneer mag de bewijslast worden omgekeerd door de belastingdienst
Degene die aangifte doet, is gehouden de in de aangifte gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen. Dat stelt de belastingdienst in staat een juiste belastingaanslag op te leggen. Als in een aangifte niet de gehele winst wordt aangegeven, heeft de belastingdienst niet de benodigde informatie om een juiste aanslag op te leggen. Om de bewijs- en informatiepositie van de belastingdienst te verbeteren bij onvolledige aangifte, bepaalt de wet dat belastingdienst de inkomsten, marges en kosten mag schatten. De beruchte ‘omkering van de bewijslast’. Ook moet de belastingdienst een redelijke schatting maken van het inkomen.
Belastingdienst moet redelijke schatting bewijzen
De belastingdienst vordert vijf jaar na. De eerste vier jaar over € 5.000 wegens de kleding en het vijfde jaar naast de kleding ook over het horloge (€ 68.000). Bij het gerechtshof gaat de correctie voor de kleding terug naar € 1500 per jaar. Die voor het horloge blijft echter € 68.000. Daartegen komt Henk in cassatie en volgens de Hoge Raad heeft hij daar een punt.
De Hoge Raad stelt droogjes vast dat het gerechtshof heeft geoordeeld dat er onvoldoende bewijs is dat het horloge van Henk is. Dan kan dat horloge evenmin een aanknopingspunt zijn voor de bepaling van het inkomen (dat Henk verdiend zou hebben om het horloge te kopen). De belastingdienst moet onderbouwen dat de schatting redelijk is. Dat kan niet op basis van een horloge dat niet van de belastingplichtige is. Daaraan doet niet af dat de bewijsdrempel van de schatting lager is dan voor de onjuiste aangifte.
Contant geld in huis en aanslag belastingdienst via navorderingsaanslag
In deze procedure speelde de redelijke schatting bij het opleggen van navorderingsaanslagen. Een man is ondernemer (in een VOF met zijn broer en vader). Bij een politie inval bij zijn vader wordt ruim € 250.000 contant geld gevonden. De belastingdienst is scherp en stelt direct een boekenonderzoek bij de onderneming in. De kasadministratie is niet op orde (negatieve kas) en er worden contante stortingen zonder heldere herkomst vastgesteld. Er worden navorderingsaanslagen aan de man opgelegd. Het inkomen wordt vastgesteld op € 580.000 en de aanslagen en rente (€ 44.000) en vergrijpboetes (€ 130.000) zijn fors. De belastingplichtige neemt de zaak niet echt serieus en roept alleen "geen nieuw feit en slechte schatting en niet alle stukken ontvangën", hij komt niet met eigen bewijs. De Rechtbank Zeeland West Brabant is het op 3 november 2023 ECLI:NLRBZWB:2023:7345 met de belastingdienst eens, de boete wordt wel iets lager vastgesteld. Ook het Gerechtshof 's Hertogenbosch laat op 22 oktober 2025 ECLI:NL:GHSHE:2025:2909 weinig heel van de standpunten van belastingplichtige.
Kennisgroep belastingdienst inzake omkering van de bewijslast
Op 27 mei 2022 heeft de hoge raad een arrest gewezen inzake de omkering van de bewijslast. De Hoge Raad heeft in zijn arrest kort gezegd geoordeeld dat het niet beantwoorden van vraag 37 van het aangiftebiljet enkel voor de elementen in de aangifte waar de niet beantwoording van deze vraag voor van belang kan zijn, tot omkering en verzwaring van de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangifte leidt. Door de kennisgroep wordt een standpunt ingenomenomtrent de genoemde procedure. De vragen die worden beantwoord zijn de volgende:
- Heeft de Hoge Raad met het arrest van 27 mei 2022, afstand genomen van het vereiste dat absoluut en relatief aanzienlijk te weinig belasting moet zijn geheven zoals de Hoge Raad voor inhoudelijke gebreken heeft geformuleerd in zijn arrest HR 24 april 2015 ECLI:NL:HR:2015:1083. De belastingdienst komt tot de volgende beantwoording : De kennisgroep onderkent een verschil in het niet beantwoorden van een vraag zoals in het arrest van 27 mei 2022 het geval was en inhoudelijke gebreken in de aangifte zoals aan de orde in het arrest van 24 april 2015. Voor het niet beantwoorden van een dergelijke vraag geldt het toetsingskader zoals de Hoge Raad heeft uiteengezet in het arrest van 27 mei 2022. Ten aanzien van inhoudelijke gebreken ziet de kennisgroep voldoende aanleiding om aan te nemen dat de Hoge Raad niet is teruggekomen van het arrest van 24 april 2015.
- Heeft het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022 tot gevolg dat uitsluitend nog partiële omkering en verzwaring van de bewijslast kan plaatsvinden? Nee. Ervan uitgaande dat de Hoge Raad niet is teruggekomen van het arrest van 24 april 2015 blijft voor inhoudelijke gebreken in de aangifte gelden dat de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is op de gehele belastingaanslag.
Het niet doen van de vereiste aangifte kan leiden tot het intreden van de bewijsrechtelijke sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast. Dit is geregeld in artikel 25, derde lid, en artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
- Artikel 25, derde lid, AWR luidt als volgt: “Indien het bezwaar is gericht tegen een aanslag, een navorderingsaanslag, een naheffingsaanslag of een beschikking, met betrekking tot welke de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, wordt bij de uitspraak op het bezwaarschrift de belastingaanslag of beschikking gehandhaafd, tenzij is gebleken dat en in hoeverre die belastingaanslag of beschikking onjuist is. De eerste volzin vindt geen toepassing voor zover het bezwaar is gericht tegen een vergrijpboete.”
- Artikel 27e, eerste lid, AWR luidt als volgt: “Indien de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.”
De centrale vraag is of de Hoge Raad in zijn arrest uit 2022 is teruggekomen op haar arrest uit 2015. In dit laatste arrest oordeelde de Hoge Raad dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte niet de vereiste aangifte is gedaan als volgens de aangifte verschuldigde belastingen (relatief en absoluut) aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belastingen. Omdat de Hoge Raad in zijn laatste arrest niet uitdrukkelijk afstand neemt van het eerdere arrest gaat de belastingdienst ervan uit dat de Hoge Raad niet is teruggekomen van zijn eerdere oordeel, dit is logisch omdat dit de belastingdienst ook niet goed zou uitkomen.
Als het arrest uit 2022 goed wordt gelezen dan komen wij tot de conclusie dat omkering van de bewijslast niet langer geldt voor de hele aangifte, maar alleen voor de onderdelen in de aangifte inkomstenbelasting waarvan aan belastingplichtige een verwijt kan worden gemaakt.
Advisering fiscaal jurist inzake omkering bewijslast en bewijsvoering
Doe altijd aangifte, anders loop je per definitie tegen de omkering van de bewijslast aan. Dat is een zeer penibele situatie voor de belastingplichtige, want bewijs maar eens dat je iets niet genoten hebt en/of dat de inspecteur de omzet te hoog heeft ingeschat. Terecht stelt de Hoge Raad dan ook de eis van een redelijke schatting. Maar als er bijvoorbeeld via aanwezige bezittingen of contanten vreemde verschillen ontstaan staat de belastingplichtige 3-0 achter.
Heeft u de belastingdienst op bezoek of vindt onderzoek plaats, neem dan contact op met uw deskundige en voorkom de omkering van de bewijslast of beperk de schade.
Bronnen ‘Omkering bewijslast en redelijke schatting’
Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093
Hoge Raad 27 mei 2022 ECLI:NL:HR:2022:767
Hoge Raad 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22 april 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1269
Jacht op fiscale constructies
Belastingadviseurs bedenken soms wandelpaden die ervoor zorgen dat er minder belasting kan worden betaald. Als de adviseur en zijn klant op de normale wandelpaden blijven is er niet veel aan de hand, je mag immers zelf je (fiscale) route bepalen. Verstoppen (ontduiken) tijdens de fiscale wandeling mag niet maar steeds vaker wordt er ook gekeken naar de speciale wandeling waarbij men niet geniet van de natuur maar enkel belasting wil besparen (fraus legis). De coordinatiegroep constructiebestrijding (CCB) en de coordinatiegroep Taxhavens en concernfinancieringen (CTC) bekijkt deze structuren en informeert de Belastingdienst (en bewindslieden) hierover. In het FD in mei 2025 stond hierover een speciale bijdrage. In dit artikel duiken wij in de mogelijkheden en onmogelijkheden van het fiscale landschap.
Waarschuwing coordinatiegroep constructiebestrijding
De coordinatiegroep constructiebestrijding (hierna CCB)heeft een aantal belangrijke taken:
- ontwikkelen van beleid (en wetgeving) tegen de bestrijding van constructies
- ondersteunen Belastingdienst
- Informeren van de Belastingdienst over bestaan en aanpak fiscale constructies
Via zogenaamde WOO verzoeken komen soms leuke rapporten naar voren over constructies binnen het fiscale landschap. Deze bijdrage uit 2021 (25 pagina's) geeft inzicht in enkele structureren die vaker voorbij komen bij de Belastingdienst. Constructies die voorbij komen zijn:
- Omleiden winst en salaris via buitenlandse rechtspersonen
- Vermogen onderbrengen in trust, stichting of APV (zie document)
- BTW constructies (vrijgestelde ondernemers gaan joint ventures aan met dienstverlenende bedrijven, dit speelt met name bij scholen en ziekenhuizen) (zie document)
- Overdrachtsbelasting constructies (kopen bedrijf met vastgoed zonder overdrachtsbelasting en vervolgens bedrijf weer terugverkopen, dit speelt soms bij hotels, restaurants, etc.) (zie document)
- Stalling immateriele rechten in taxhavens (zie document)
- Woonplaatsonderzoeken (zie 1document zie 2 document)
De structuren komen aan het licht bij fiscale procedures maar ook via de Panama papers of andere openbare bronnen.
Ook in 2025 is via een WOO verzoek informatie bekend geworden, deze kunt u hier raadplegen (82 pagina's). Hieruit volgt het volgende:
- Er zijn steeds meer woonplaatsonderzoeken.
- Er is redelijk wat weerstand tegen verstrekken van informatie (en veel informatiebeschikkingen).
- Constructies waarbij emigratie en zetelverplaatsing leiden tot lagere heffing op box 2 heffing hebben de aandacht. De Box 2 claim blijft vaak in Nederland
- Veel onderzoeken naar de feitelijke leiding van rechtspersonen. Neemt het bestuur ook de feitelijke besluiten in het buitenland? Trustkantoren worden vaak onderuit gehaald.
- APV en trust structuren hebben de aandacht van de belastingdienst.
Jacht op schenk - en erfbelasting constructies
Inspecteurs moeten bepaalde schenkingsconstructies en vermogensoverdrachten actiever bestrijden, aldus het CCB. Voorbeelden worden genoemd in een notitie (hier te raadplegen op grond van Woo verzoek). De belangrijkste voorbeelden zijn:
- Erfpacht ouders en kind: oudes verkopen grond onder een eigen woning aan de kinderen (of een stichting of familie fonds). De grond wordt beheert t.b.v. de kinderen. Hiermee kan vermogen worden overgedragen zonder schenk of erfbelasting
- Verkoop pand tegen lage prijs: de huurder voldoet aan de verhuurder een afkoopsom voor de resterende huurperiode. Vervolgens wordt het vastgoed tegen een lagere prijs door de verhuurder verkocht aan de huurder. Grondslag overdrachtsbelasting is hiermee lager.
- Terugbetaling van agio of kapitaal (zie bericht staatscourant)
- Samenwerkingsverbanden tussen eenmanszaak en BV (van dezelfde eigenaar).
- Wijzigen van de huwelijksgemeenschap in het zicht van overlijden.
- Vermogensoverheveling opa / oma aan kleinkinderen (zie document)
De grens tussen belastingadvies, belastingplanning, belastingontwijking en belastingontduiking blijft een grijs gebied voor de overheid, de klant en de adviseur. Vermogensoverdracht binnen de familie moet zoveel mogelijk met zo min mogelijk belastingheffing plaatsvinden. Ook heeft de belastingbetaler steeds meer problemen met de belastingheffing over zijn box 3 vermogen.
Bezwaar maken bij de belastingdienst: hoe moeilijk kunnen ze het maken?
Een blauwe envelop op de deurmat, zelden met een inhoud waar je blij van wordt. Meestal betalen. Als u het met de hoogte van het bedrag niet eens bent, kunt u bezwaar maken. Kan nu tegen alles bezwaar worden gemaakt en is er een geëffend pand?
Nee dat kan niet !
Gesloten stelsel binnen fiscale wetgeving bij bezwaarprocedure
Het begint al met een chicane in de wet. Bezwaar is alleen mogelijk als tegen het besluit beroep kan worden ingesteld. Waartegen beroep kan worden ingesteld is geregeld in Hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb): tegen besluiten van een bestuursorgaan. Een hele reeks besluiten is van beroep uitgesloten. Maar tegen alles wat resteert staat dan wel beroep open.
Om beroep in te kunnen stellen moet je wel eerst bezwaar maken (artikel 7:1 Awb). Je moet dus eerst kijken of je de volgende stap mag zetten (in beroep gaan bij de rechter) voordat je de eerste stap kunt zetten (bezwaar maken).
Dat is het algemene verhaal. In belastingzaken was dat niet moeilijk genoeg. Daar kun je alleen in bezwaar (en beroep) tegen belastingaanslagen en bepaalde in de wet aangewezen beschikkingen (bepaalde besluiten). Dat heet het gesloten stelsel van rechtsbescherming. Als we deze dubbel toegangspoort al gepasseerd zijn, zijn we nog niet in het walhalla. Zie voorbeeld bezwaarschriften.
Termijnen bezwaarprocedure
Zes weken heb je de tijd om tegen een aanslag (of beschikking) in bezwaar te komen (artikel 6:7 Awb). Daarna is het einde oefening. Weliswaar kijkt de belastingdienst er zelf nog wel naar, maar kan de beslissing niet meer worden voorgelegd aan de rechter. Deze zogenoemde ambtshalve beoordeling vindt alleen plaats als het bezwaar binnen vijf jaar na het belastingjaar wordt ingediend.
Heb je bijvoorbeeld een aftrekpost in 2025 en de belastingdienst kent die toe na bezwaar, betekent dat niet dat die ook alsnog wordt toegekend voor de eerdere jaren, ook niet als de situatie toen exact hetzelfde was. Doorgaans komt dat nog wel goed in de ambtshalve beoordeling, maar zonder rechtsbescherming en maximaal 5 jaar.
Op zich wordt de termijn van zes weken streng gehandhaafd behalve als u er echt niets aan kunt doen (6:11 Awb). In de praktijk wordt dit haakje in de rechtspraak steeds meer gebruikt (maar beperkt tot echt wel schrijnende situaties). Wees dus op tijd en doet het aangetekend want we zien steeds vaker dat de post niet of niet tijdig wordt bezorgd (en de rechter houdt nog te vaak de PostNL de hand boven het hoofd).
Als je eenmaal door de poort bent en nog op tijd ook, is het nog niet helemaal feest. Ook dan moet je tijdig motiveren waarom je het niet met een aanslag eens bent. Doe je dat niet binnen de gegeven tijd (en aanmaning), ga je nog door de zijdeur af. Dan volgt een zogenoemde niet-ontvankelijkverklaring.
Accountant of boekhouder ziek .. is dit verschoonbare termijn overschrijding?
De boekhouder of accountant (kleine zelfstandige zonder personeel) lag in het ziekenhuis (6 maanden) in verband met een zware operatie. Hierdoor heeft de klant de aanslag / beschikking gemist (inzake TVL subsidie). Is dit een verschoonbare termijnoverschrijding? Volgens het college van beroep voor het bedrijfsleven wel (ECLI:NL:CBB:2025:313)
Geen lagere aanslag mogelijk: geen rechtsbescherming
In bezwaar tegen een concrete aanslag moet je wel een financieel belang hebben. Het bezwaar moet kunnen leiden tot een lagere aanslag. Bijvoorbeeld een bedrag is weliswaar aftrekbaar, maar blijft onder een wettelijke drempel (vb. bij giften) waardoor de aanslag niet lager kan worden. Ook dan heb je geen poot om op te staan. Ook niet als in andere jaren de drempel wel wordt gehaald (ieder jaar staat op zich en steeds moet bezwaar worden gemaakt).
Daarnaast moet er wel een positief bedrag op een aanslag zijn. Een sprekend voorbeeld is de motorrijtuigenbelasting. Als u niet automatisch betaalt, krijgt u elke drie maanden een rekening. Dat is echter geen aanslag, zodat er geen bezwaar mogelijk is. Pas als u hem betaalt kunt u bezwaar maken tegen die betaling (afdracht). Maakt u bezwaar tegen de rekening en doet u verder niets, dan krijgt u een naheffingsaanslag (met boete). Daartegen is wel bezwaar mogelijk.
Eenmaal in de bezwaarprocedure
Zoals opgemerkt, moet je aangeven waarom de aanslag te hoog is (motiveren). Daar ligt de lat in principe raak, want u mag van alles roepen en het hoeft niet eens ‘raak’ te zijn. So far so good.
Om goed te kunnen motiveren waarom de aanslag te hoog is, wil je weten wat er aan de hand is, waarom de belastingdienst een standpunt inneemt en waarop dat is gebaseerd. Je wilt dus het dossier inzien. Dat inzagerecht heb je echter pas nadat je een motivering hebt ingediend. Bovendien is dat inzagerecht gekoppeld aan het hoorrecht (artikel 7:4 Awb).
Voordat de belastingdienst op het bezwaar beslist, krijg je de gelegenheid te worden gehoord (artikel 7:2 Awb). 10 dagen vooraf liggen de stukken (eenmalig) ter inzage bij de belastingdienst.
Er is dus in bezwaar geen recht op (inzage in) de stukken die de belastingdienst heeft als u niet wordt gehoord. Dus ook als u geen behoefte heeft te worden gehoord, dient u wel daarom te verzoeken om de stukken in te mogen zien.
Bij een verstandige belastinginspecteur lost zich dit probleem in de praktijk wel op, want die zal alle stukken uit zichzelf of op verzoek verstrekken. Als dat niet lukt volgt een rondje: summier motiveren, hoorrecht inroep en inzage vragen en daarop inhoudelijker motiveren. Omslachtig en ook dan kan het verstrekken van stukken niet of nauwelijks worden afgedwongen.
De heroverweging binnen de bezwaarprocedure
Bij een bezwaar moet de belastingdienst het besluit (de aanslag) heroverwegen (7:11 Awb). Dat mag niet door dezelfde persoon als degene die de aanslag heeft opgelegd. Vaak is lastig tot niet te achterhalen welke persoon de aanslag heeft opgelegd (of daarbij betrokken is geweest). Wel is het zo dat bij het horen, die persoon daarbij aanwezig mag zijn, maar moet dan wel in de minderheid zijn. Op zich kan dat een voordeel zijn omdat die persoon van de hoed en de rand weet. Aan de andere kant, komt het in de praktijk voor dat die persoon erg dominant in het dossier aanwezig is en het de vraag is in hoeverre echt sprake is van een heroverweging (door een ander.
Opmerking fiscaal jurist inzake bezwaar bij belastingdienst
De belastingdienst beschikt over een groot aantal rechten en bevoegdheden om tot een belastingheffing te komen. Die zijn bij lange na niet allemaal te toetsen in bezwaar en bij de rechter. Hoe daar tegen effectief in het geweer te komen is een specialisatie op zich.
Een bezwaarschrift lijkt op zich een eenvoudige procedure maar er moet door nogal wat ‘hoepeltjes te worden gesprongen’.
Het gesloten systeem mag best wat meer worden geopend en de termijnen kunnen echt wat ruimer. Misschien nog belangrijker is de – nu toch echt moderne – openheid: geef een belastingplichtige (digitaal) toegang tot zijn eigen dossier en zorg dat het actueel compleet is. Als er geprocedeerd wordt, moet uiteindelijk toch alles op tafel. Belastingplichtigen hebben recht om te weten wat er over hen bekend is en waarop de belastingdienst de beslissingen baseert.
Vragenbrieven van de belastingdienst gehad? Boekenonderzoek aangekondigd of aanslag opgelegd? Raadpleeg een van onze deskundigen.
Bron bezwaar maken bij de belastingdienst
Opleggen ambtshalve aanslagen
De staatssecretaris van Financiën heeft documenten openbaar gemaakt met betrekking tot de beslissingscriteria en werkwijze van de Belastingdienst bij het opleggen van voorlopige aanslagen inkomstenbelasting. De documenten kunt u hier raadplegen.
Hoe wordt een inschatting gemaakt bij een voorlopige of ambtshalve aanslag?
Op grond van de Wet open overheid (Woo) is een verzoek gedaan om interne werkinstructies en schema's openbaar te maken. Op grond van deze documenten moet de inspecteur een inschatting maken bij een ambtshalve voorlopige aanslag inkomstenbelasting. Op verzoek zijn de volgende documenten gepubliceerd:
- Handboek IH belastingjaar 2025 – Voorlopige aanslagregeling
- Handboek AVA
In het document staan verschillende schema's, hieronder het schema voor de start en het verloop van een interne procedure
In de fiscale wereld is de oplegging van voorlopige ambtshalve aanslagen (AH VA) een belangrijk proces dat nauwkeurig en zorgvuldig moet worden uitgevoerd. De interne stukken van de belastingdienst geven inzicht in de beslissingscriteria en werkwijze van een inspecteur bij het opleggen van een AH VA, aan de hand van de richtlijnen uit het document "Handboek IH belastingjaar 2025 - Voorlopige aanslagregeling".
Beslissingscriteria voor ambtshalve voorlopige aanslag
Bij het opleggen van een voorlopige ambtshalve aanslag zijn er specifieke criterium die moeten worden nageleefd:
- Geen belemmeringen of beperkingen: Een AH VA kan worden opgelegd als er geen belemmeringen of beperkingen zijn vastgesteld.
- Definitieve belemmering: Dit criterium geldt in gevallen van overlijden van de belastingplichtige, een verstreken belastingjaar (+3 jaar), of een bestaande definitieve aanslag voor hetzelfde jaar.
- Tijdelijke belemmering: Een AH VA kan niet worden opgelegd als er een openstaand verzoek of wijziging VA voor hetzelfde belastingjaar is.
- Beperking: Dit betreft een verstreken belastingjaar (+2,5 jaar), aanwezigheid van een definitieve aanslag, of indien een AV-post aanwezig is.
- Verwerking als AV-post: In gevallen van complexe berekeningen of specifieke gevallen, moet de AH VA als AV-post worden verwerkt.
Werkwijze bij Opleggen van ambtshalve voorlopige aanslag
De werkwijze voor het opleggen van een AH VA door een inspecteur kent diverse stappen:
- Proces starten: De inspecteur begint het proces in ABS (systeem voor belastingaanslagen).
- Registreren: Bijzondere elementen en heffingsgrondslagen worden geregistreerd en eventueel gewijzigd.
- Selecteren: Wekelijks worden voorvastgestelde en vastgestelde heffingszaken VA geselecteerd.
- Risico bepalen: Beoordelen van risico’s door middel van intensief toezicht (ITO) of automatische methode (AUTOM).
- Uitworp behandelen: Handmatige beoordeling en eventuele correcties door de afdeling CAP.
- AV-post vastleggen: Verwerken als AV-post indien noodzakelijk.
- Berekenen: Heffingsgrondslagen worden berekend.
- Besluit formaliseren: Definitieve besluitvorming en dagtekening worden vastgesteld.
- Communicatie raakvlakken: Betrokken partijen zoals Inning en O&M worden geïnformeerd.
Voor een efficiënte en nauwkeurige oplegging van AH VA, zijn er enkele belangrijke tips en aandachtspunten waar inspecteurs rekening mee moeten houden:
- Consistentie en volledigheid: Zorg ervoor dat alle heffingsgrondslagen en relevante gegevens volledig en correct zijn geregistreerd om uitval en fouten te minimaliseren.
- Parkeren bij tijdelijke belemmering: Houd goed bij wanneer tijdelijke belemmeringen zijn opgeheven om het proces tijdig te hervatten.
- Risico's beoordelen: Gebruik vrijblijvende berekeningen bij uitworpbehandeling om foutieve aanslagen te voorkomen.
- Document nauwkeurig: Volg de werkinstructies bij bijzondere gevallen zoals AV-posten en penposten voor correcte afdracht.
- Behandelwijze bewaken: Bewaak de behandelwijze bij HOT/HOR-beoordelingen om herhaalde doorloop en inefficiëntie te voorkomen.
- Afwijkende handelingen: Noteer afwijkende behandelingen tijdig en duidelijk om consistentie en traceerbaarheid te garanderen.
- Oplegtermijnen volgen: Houd strikte oplegtermijnen aan voor verzoek/wijziging VA tot 1 mei na het belastingjaar of datum van aangifte/uitstel voor aangifte.
Door deze richtlijnen te volgen, kan een inspecteur effectief en nauwkeurig voorlopige ambtshalve aanslagen opleggen en beheren. Dit komt de fiscale efficiëntie en rechtvaardigheid ten goede, en verzekert dat belastingplichtigen op correcte wijze worden belast.
Bron opleggen ambtshalve aanslagen en voorlopige aanslagen
Besluit WOO d.d. 4 april 2025 inzake voorlopige aanslagen en ambtshalve aanslagen
Interne documenten belastingdienst inzake ambtshalve aanslagen (36 pagina's)
Hoe ervaren MKB ondernemers een boekenonderzoek van de Belastingdienst?
De directie MKB (afdeling Klantbehandeling) heeft de Radboud Universiteit (RU) gevraagd om te onderzoeken hoe mkb’ers ons controleproces ervaren. Zo heeft de RU in samenwerking met een mkb-kantoor 22 ondernemers geïnterviewd bij wie onlangs een boekenonderzoek was afgerond. Daaruit bleek dat de meeste ondernemers tevreden zijn over de controlemedewerker, al willen ze meer duidelijkheid over de procedures en de aanleidingen.
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Downloads inzake ervaringen MKB ondernemers bij boekenonderzoek
Samenvatting onderzoek Radboud Universiteit inzake boekenonderzoek ((8 pagina's)
Managementreactie op onderzoek Radboud Universiteit (1 pagina)
Wat vinden MKB ondernemers van de Belastingdienst bij boekenonderzoek
Er zijn diverse MKB ondernemers benaderd om hun reactie te geven op boekenonderzoeken die door de Belastingdienst zijn uitgevoerd. Uit het rapport volgt het volgende:
- De doorlooptijd van een boekenonderzoek vinden veel ondernemers te lang.
- De tijd die een onderzoek van de ondernemers vraagt vinden veel ondernemers te veel, dit speelt met name bij een boekenonderzoek dat wordt ingestoken via een steekproef.
- Extra kosten door inschakelen deskundigheid fiscalist of accountant (die min of meer gedwongen moeten worden gemaakt) wordt als onaangenaam ervaren.
- Procedurele onzekerheid is voor veel ondernemers bezwaarlijk. Dit hangt samen met a) doorlooptijd b) stappen tijdens proces onduidelijk c) gevolgen van de controle onduidelijk (met name t.a.v. boetes) d) taakverdeling binnen belastingdienst is onduidelijk.
- Opstelling belastingdienst richting ondernemer is meestal redelijk.
- Controle ervaring is qua menselijke maat, openheid, opstelling en inlevingsvermogen positief.
- Controle medewerkers van de belastingdienst worden als objectief en niet vooringenomen gezien.
- Er is weinig twijfel over de deskundigheid van de controle medewerker.
- De toeslagen affaire werkt voor in de beeldvorming van de belastingdienst.
Noot fiscaal jurist inzake boekenonderzoek belastingdienst
Het beeld dat ondernemers schetsen over hun ervaring bij een boekenonderzoek is in z'n algemeenheid redelijk positief. De doorlooptijd en onzekerheden verdienen wel aandacht. Ook kan het taalgebruik bij schriftelijke communicatie beter. De vooringenomenheid blijft een aandachtspunt, dit is met name ontstaan door de toeslagen affaire.
De mondelinge communicatie kan verbeteren wanneer controlemedewerkers meer uitleg geven over het hoe en waarom van een controle, bijvoorbeeld over de controle-aanleiding, en zij meer aan verwachtingsmanagement doen over wat ondernemers (inhoudelijk) van de schriftelijke communicatie kunnen verwachten.
Controlemedewerkers van de belastingdienst wordt geadviseerd om alert te zijn op de informatiebehoeften van ondernemers, die onder meer door spanning voor een controle beïnvloed kunnen worden. Het is belangrijk dat de doorlooptijd van een boekenonderzoek wordt verkort, bijvoorbeeld doordat de Belastingdienst een maximale termijn hanteert voor de doorlooptijd.
De geïnterviewde ondernemers waren niet anoniem en hebben ook een reactie van de Belastingdienst ontvangen. De vraag is in hoeverre deze ondernemers volledig "het achterste van hun tong lieten zien" bij de beantwoording van de vragen. Het algemene beeld uit het onderzoek is redelijk positief. Het is goed om te lezen dat er vertrouwen is in de deskundigheid van de controle medewerker en dat de opstelling van deze medewerkers als positief wordt ervaren.
Informatiebeschikking en dwangsom
Als de inspecteur van mening is dat niet aan de informatieverplichtingen wordt voldaan, dan kan de inspecteur een informatiebeschikking nemen. Een dergelijk informatieverplichting kan ook aan de belastingadviseur , accountant of administratieplichtige worden opgelegd. De inspecteur heeft nog meer mogelijkheden. Zo is het niet voldoen aan de informatieverplichtingen ook een strafbaar feit (artikel 68 en 69 AWR).
De inspecteur kan het nakomen van de informatieverplichtingen ook in een civiele (kort geding) procedure afdwingen, dit wordt in onderstaande procedure bij de rechtbank Noord Holland d.d. 5 februari 2025 behandeld (ECLI:NL:RBNHO:2025:875). In deze procedure wordt een dwangsom van € 750.000 gevorderd, deze wordt afgewezen. De opgelegde dwangsom van € 100.000 per dag is echter ook stevig.
Op laste van een dwangsom wordt dan nakoming van de informatieverplichtingen gevorderd. Doordat de inspecteur dit dwangmiddel steeds vaker aan de orde stelt schrijven wij dit artikel. Wij voeren regelmatig procedures over de informatiebeschikking. Zijn er dus vragen neem gerust contact met ons op.
Kabinet wil informatiebeschikking versnellen
De langdurige procedure rondom de informatiebeschikking moet korter worden (aldus kamerbrief d.d. 20 januari 2026). De regeling is 15 jaar geleden ingevoerd om de rechtsbescherming van een belastingplichtige bij een informatieverzoek van de belastingdienst (inspecteur) te verbeteren, dit door de sanctie (omkering bewijslast) niet direct te laten intreden. Hoewel bezwaar en beroep tegen een informatiebeschikking mogelijk is werkt deze nog zeker niet conform haar oorspronkelijke doel. De prioriteit zal liggen bij het versnellen van de doorlooptijd (minder rechtsonzekerheid). Het zou mooi zijn als ook aandacht wordt besteed aan de zware consequenties (omkering bewijslast), met name als de informatie er simpelweg niet is of als de tekortkomingen zeer beperkt zijn.
Informatiebeschikking staat ter discussie
Sinds 2011 kennen we de informatiebeschikking in de AWR. Dat de rechtsbescherming voor belastingplichtige niet is bereikt is wel helder. Nog te vaak zorgt een informatiebeschikking voor scheve verhoudingen en langdurige bezwaar en beroepsprocedures. Met de informatiebeschikking heeft de belastingdienst (inspecteur) de mogelijkheid gekregen om een voor bezwaar (en beroep) vatbare informatiebeschikking vast te stellen wanneer niet (volledig) wordt voldaan aan zijn informatieverzoek of de administratieplicht van een belastingplichtige. De vraag is of dit beter kan, er wordt immers geen aanslag opgelegd, trajecten duren lang en geven onzekerheid. Er is een pre consultatie (tot 1 juni 2025) die dit in beeld moet brengen.
De informatiebeschikking is een dwangmiddel
De informatiebeschikking is eigenlijk in de wet opgenomen ter verbetering van de rechtsbescherming van belastingplichtigen, de praktijk werkt vaak anders. Deze verbetering van de rechtsbescherming is erin gelegen dat u zich kunt verweren tegen de door de Belastingdienst gestelde vragen. Indien blijkt dat u ten onrechte niet hebt meegewerkt aan een informatieverzoek, zal de rechter u een hersteltermijn bieden. Dat doet hij tenzij het niet mogelijk is aan de verplichting te voldoen ofwel indien u misbruik van procesrecht maakt. In de informatiebeschikking neemt de inspecteur op aan welke verplichting u niet hebt voldaan en waarop hij deze mening baseert. Omdat de informatiebeschikking tevens als moment van heroverweging geldt, moet voor u voldoende duidelijk zijn wat de inspecteur precies van u verwacht en wat u in zijn ogen hebt nagelaten. Maar wat als de inspecteur slechts algemeenheden opneemt in de informatiebeschikking? De rechtbank oordeelde dat de inhoud van de vragen zo algemeen was, dat de informatiebeschikking vernietigd dient te worden. Er zijn meerdere gronden waarom een informatiebeschikking soms niet juist of op de juiste gronden wordt verzonden. Soms kan een informatiebeschikking ook de omkering van de bewijslast tot gevolg hebben.
Belastingrecht en Informatieverstrekking
De uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland in de zaak tussen de Belastingdienst en een eigenwijze belastingplichtigen. Dit vonnis benadrukt dat belastingplichtigen gehouden zijn om gevraagde informatie volledig en tijdig te verstrekken en dat het niet naleven van deze verplichting aanzienlijke juridische en financiële gevolgen kan hebben.
Feiten van de zaak, de dwangsom bij een informatiebeschikking
De Belastingdienst heeft sinds 2017 herhaaldelijk verzocht om informatie over buitenlandse bankrekeningen en vermogensbestanddelen van de belastingplichtige. Dit verzoek bleef onbeantwoord, ondanks een eerdere veroordeling door de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland op 1 december 2022. In dat vonnis werd een dwangsom van €15.000 per dag opgelegd met een maximum van €350.000.
Omdat de gedaagden niet volledig aan dit vonnis hebben voldaan, heeft de Belastingdienst verdere juridische stappen ondernomen, waaronder executoriaal beslaglegging op onroerende zaken en een hernieuwde eis om volledige medewerking.
Uitspraak van de Rechtbank inzake dwangsom 100.000 euro per dag
De rechtbank oordeelde dat de belastingplichtige hun wettelijke verplichting niet is nagekomen. De rechter heeft:
- De gevorderde dwangsom van € 750.000 wordt afgewezen.
- Belastingplichtige veroordeeld tot het verstrekken van de gevraagde informatie binnen 14 dagen.
- Een dwangsom opgelegd van € 100.000 per dag zonder maximum totdat aan de informatieverplichting is voldaan.
- De proceskosten van € 2.134,97 ten laste van belastingplichtige gelegd.
- Uitvoerbaarheid bij voorraad bepaald.
De rechtbank verwierp het argument dat het fysiek onmogelijk zou zijn om bepaalde documenten te verkrijgen. Dit dient eventueel in een executiegeschil aan de orde te komen, maar vormt geen grond voor vrijstelling van de informatieverplichting.
Advies belastingplichtigen inzake informatiebeschikking
- Wees proactief – Kom belastinginformatie-verzoeken tijdig en volledig na en beoordeel altijd of het verzoek redelijk is, overleg dit met een fiscaal jurist.
- Bezwaar: overweeg om in bezwaar te gaan tegen de informatiebeschikking
- Aanslag is al opgelegd: als de aanslag al definitief is opgelegd vervalt de grond onder de informatiebeschikking, aldus de Hoge Raad op 2 oktober 2015 ECLI:NL:HR:2015:2895
- Termijnverlenging: het opleggen van een informatiebeschikking zorgt ervoor dat de navorderingstermijn wordt verlengd (artikel 52a lid 2 AWR).
- Vragen herhalen: als de inspecteur vragen zou herhalen in de informatiebeschikking kan de rechter deze soms vernietigen, zie Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 11 juli 2017 ECLI:NL:GHARL:2017:5864
- Geliquideerde BV: aan een geliquideerde rechtspersoon kan geen informatiebeschikking worden opgelegd, aldus Gerechthof Arnhem Leeuwarden d.d. 17 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:9537
- Documenteer alles – Bewaar bewijsstukken van verstrekte informatie en correspondentie met de Belastingdienst.
- Wacht niet te lang – Het negeren van brieven kan leiden tot hoge dwangsommen en beslagleggingen.
Noot van een Fiscaal Jurist inzake dwangsom en informatiebeschikking
Deze zaak onderstreept het belang van een tijdige en volledige informatieverstrekking aan de Belastingdienst. Niet voldoen aan deze verplichting kan resulteren in aanzienlijke financiële schade en juridische complicaties. In deze procedure is de Belastingdienst al sinds 2017 (ruim 7 jaar) met belastingplichtige aan het "stoeien". Of er sprake is van een spoedeisend belang wordt in de uitspraak niet duidelijk, in R.O 4.2. staat echter dat dit niet door belastingplichtige is betwist, dit zou een blunder van belastingplichtige en/of diens adviseurs kunnen zijn.
. Op grond van een Woo verzoek is er meer informatie vanuit de Belastingdienst bekend over een informatiebeschikking, dit document kunt u hier raadplegen. De Belastingdienst hoeft een belastingplichtige niet te vertellen waarom een informatiebeschikking wordt gestuurd en/of op grond waarvan de gevraagde inlichtingen moeten worden verstrekt (Hoge Raad d.d. 4 juni 2010 ECLI:NL:HR:2010:BM0137).
De Belastingdienst heeft soms iets te snel de neiging om de bewijslast om te keren richting de belastingplichtige, dit wordt ook steeds vaker als dreigement gebruikt. Sinds enkele jaren kan de Belastingdienst een briefje sturen aan de Belastingplichtige, dit met het verzoek om bepaalde informatie aan te leveren, de zogenaamde informatiebeschikking. Dit doet de Belastingdienst als ze denken (of vermoeden) dat er sprake is van fraude of achterwege laten van inkomen (zeg zwart geld). Tegen een informatiebeschikking kan de belastingplichtige in bezwaar en beroep, dit maakt de rechtszekerheid iets groter. Het is echter moeilijk te bewijzen als u geen misdrijf heeft gepleegd en / of zwart geld heeft, immers wat niet is gebeurd is niet gebeurd.
Bent u als ondernemer of particulier in een vergelijkbare situatie verwikkeld of vreest u voor een belastingcontrole? Neem dan contact met ons op. Wij kunnen u juridisch bijstaan en helpen om problemen met de Belastingdienst te voorkomen of op te lossen.
Betalingregeling of kwijtschelding belastingen bij de Belastingdienst
Als een belastingplichtige uitstel van betaling of kwijtschelding van belastingen wil aanvragen moet hij/ zij hiervoor een verzoek aan de Belastingdienst sturen. Formeel is dit geregeld in de invorderingswet (artikel 25 en 26). De leidraad invordering geeft dan nog extra handvatten en uitleg. Voor een toelichting over het beleid inzake vermindering van boetes kunt u dit bestand raadplegen.
Flexibeler invorderingsbeleid per 1 juli 2025
Het kabinet wil per 1 juli 2025 het invorderingsbeleid aanpassen om zo een ruimere betalingsregeling mogelijk te maken bij saneringsakkoorden. Levensvatbare ondernemingen krijgen hierdoor meer kans (lees hier de kamervragen). Soms kan een ondernemer niet binnen de huidige regeling zijn of haar coronaschulden aflossen, een saneringsakkoord is dan een betere route. De ondernemer moet aannemelijk maken dat betaling binnen 12 maanden niet tot de mogelijkheden behoort.
Verzoek om kwijtschelding of betalingsregeling is geen bezwaarschrift
De Rechtbank Zeeland West Brabant heeft op 12 oktober 2023 (ECLI:NL:RBZWB:2023:7164) uitgesproken dat een verzoek om kwijtschelding of een betalingsregeling niet kan worden aangemerkt als een bezwaarschrift. Ook in beroep bij het Gerechtshof 's Hertogenbosch op 6 november 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:3486) kwam dezelfde conclusie op tafel. De Hoge Raad was er nog sneller klaar mee op 4 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:521) en verklaarde de zaak niet ontvankelijk omdat het griffierecht niet tijdig is voldaan. De bezwaarschriften tegen diverse (gemeentelijke) aanslagen waren te laat (en geen verschoonbare termijnoverschreiding). De verzoeken om kwijtschelding en uitstel van betaling kwalificeren ook niet als bezwaarschrift, deze gaan immers niet over de grondslagen van de aanslagen.
Woo verzoek kwijtscheldingsverzoeken Belastingdienst
In maart 2025 is meer inzicht verkregen over de interne behandeling van sanerings- en kwijtscheldingsverzoeken bij de Belastingdienst. Via een Woo verzoek is de volgende informatie bekend geworden:
- Overzicht saneringen in 2023 en 2024
- Verzoek kwijtschelding van belastingen en premies voor ondernemingen
- Handelingsperspectieven voor ondernemers met en zonder coronal uitstel na 1 april 2022
- Tijdelijke instructie saneringen
Verbeterde rechtsbescherming voor belastingplichtigen bij discussies over uitstel van betaling en kwijtschelding
Op 23 januari 2025 heeft de staatssecretaris van Financiën een besluit genomen dat tot doel heeft de rechtsbescherming voor belastingplichtigen bij discussies over uitstel van betaling en kwijtschelding van belastingschulden te verbeteren. Deze maatregel, onderdeel van de Fiscale Vereenvoudigingswet, treedt in werking op 1 januari 2027. Dit besluit is een nadere uitwerking van de brief van de staatssecretaris uit juni 2023.
Betalingsregeling bij de Belastingdienst
Onder het huidige systeem dient een belastingplichtige een verzoek in bij de ontvanger voor uitstel van betaling of kwijtschelding van belastingschulden. Dit is geregeld volgens artikel 25 Invorderingswet 1990 (uitstel van betaling) en artikel 26 Invorderingswet 1990 (kwijtschelding). De Leidraad Invordering 2008 en de Instructie Invordering en Belastingdeurwaarders bevatten nadere beleidsregels en richtlijnen voor de ontvangers. Indien een verzoek wordt afgewezen, kan de belastingplichtige administratief beroep instellen bij de directeur van de belastingdienst. De procedure is echter weinig effectief gebleken. Het administratief beroep wordt vaak afgehandeld door dezelfde afdeling die het oorspronkelijke verzoek beoordeelde – een geval van de bekende "slager die zijn eigen vlees keurt".
Kwijtschelding belastingschulden
De ontvanger is bevoegd om onder bepaalde voorwaarden en omstandigheden belastingschulden deels of volledig kwijt te schelden (artikel 26 invorderingswet / artikel 7 - 28 uitvoeringsregeling invorderingswet). U moet hiertoe (als ondernemer) een verzoek indienen bij de ontvanger. Advisering bij dit verzoek is wenselijk omdat een verzoek tot kwijtschelding enkel wordt verleend als sprake is van betalingsonmacht. In sommige gevallen worden belastingen gedeeltelijk kwijtgescholden. Kwijtschelding wordt enkel verleend als er ook een akkoord is bereikt met alle overige schuldeisers, eventueel tegen gedeeltelijke betaling van de schuld.
Wijzigingen betalingsregeling belastingdienst of kwijtschelding belastingschulden
Per 1 januari 2027 worden beslissingen van de ontvanger rondom uitstel van betaling en kwijtschelding voor bezwaar vatbare beschikkingen. Dit houdt in dat belastingplichtigen bezwaar kunnen maken tegen de beschikking en vervolgens in beroep kunnen gaan bij de fiscale rechter. De belangrijkste verandering is de overgang van een administratief beroepsprocedure naar een reguliere bezwaar- en beroepsprocedure. De wijzigingen zullen eerst gelden voor rijksbelastingen, later ook voor lokale heffingen.
Voordelen van de wijziging
- onafhankelijke beoordeling: De fiscale rechter kan de beslissingen van de ontvanger beoordelen met een frisse en objectieve blik. Dit verhoogt de kans op een eerlijke behandeling.
- betere rechtsbescherming: Echte onafhankelijke toetsing kan burgers die in een financieel moeilijke positie verkeren meer bescherming bieden.
Kanttekeningen
- Financiële barrières: Procederen met een kundige gemachtigde kan de winstkansen vergroten, maar financiële middelen vormen vaak een barrière voor belastingplichtigen die kwijtschelding of uitstel van betaling nodig hebben.
- Capaciteitsproblemen: De rechterlijke macht kampt al met capaciteitsproblemen, waardoor doorlooptijden van zaken kunnen oplopen en extra onzekerheid kan ontstaan.
Praktische tips voor ondernemers met betalingsproblemen
- Documentatie en voorbereiding: Zorg altijd dat uw verzoeken voor uitstel of kwijtschelding goed gedocumenteerd en onderbouwd zijn.
- Herziening en beroep: Maak actief gebruik van de mogelijkheid om bezwaar te maken en zo nodig in beroep te gaan. Deze nieuwe rechtsbescherming kan in uw voordeel werken. U zou elementen uit dit nieuwe besluit kunnen meenemen bij uw huidige verzoek voor een betalingsregeling of kwijtschelding.,
- Advies: Overweeg om juridisch advies in te winnen bij het indienen van bezwaar en beroep. Een ervaren fiscaal jurist kan uw kansen op een gunstige uitkomst vergroten. Vraag gerust een vrijblijvende offerte via e-mail of onderstaand antwoord formulier.
Noot fiscaal jurist inzake betalingsregeling en/of kwijtschelding belastingen
In de huidige praktijk zien wij steeds vaker dat een administratieve beroepsprocedure weinig heeft toegevoegd. De slager die zijn eigen vlees gaat keuren levert simpelweg minder kans op succes en/of een redelijke belangenafweging. Nog te vaak wordt het advies van de ontvanger en diens toelichting met advies gewoon opgevolgd. In het kader van de rechtsbescherming is dit dus een mooie stap vooruit. De belastingplichtige krijgt in de nieuwe situatie een beschikking waarmee hij/zij de gang naar de rechter kan maken.
Met de invoering van deze nieuwe regeling wordt een belangrijke stap gezet in de richting van verbeterde rechtsbescherming voor belastingplichtigen in Nederland. Dit is een noodzakelijke ontwikkeling die belastingplichtigen in financiële nood een eerlijkere kans biedt op uitstel van betaling of kwijtschelding van belastingschulden. Het is echter belangrijk om goed voorbereid te zijn en alle mogelijke juridische middelen effectief te benutten. Hiervoor is kennis van de wetgeving, leidraad en de genoemde instructie invordering van essentieel belang.
Meer informatie over dit onderwerp en hoe wij u kunnen helpen, vindt u op onze website. Neem gerust contact met ons op voor een vrijblijvend gesprek.
Bron betalingsregeling en rechtsbescherming
Onrechtmatig verkregen bewijs in belastingzaken
In een arrest van 20 maart 2015 en 31 januari 2025 gaat de belastingkamer van de Hoge Raad verder in op het toetsingskader van het gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs door de inspecteur en/of gebruik in fiscale procedures. Dat de literatuur hier veel over schrijft en de meningen verdeeld zijn spreekt voor zich, temeer ook omdat er gekeken wordt naar EU uitspraken over dit onderwerp (zoals Hof van Justitie d.d. 17 december 2015).
Onrechtmatig verkregen bewijs en gebruik in fiscale procedures
In de procedure uit 2025 was er een strafrechtelijk onderzoek geweest waarbij er bij de heer Y een huiszoeking heeft plaatsgevonden. Bij deze huiszoeking is een overeenkomst aangetroffen (een schenkingsakte). Deze schenkingsakte is door het openbaar ministerie ter beschikking gesteld aan de inspecteur. Uit deze akte volgt dat de heer X zijn aandelen (in ruim 20 bedrijven) heeft geschonken aan zijn zoon (de heer Y). Omdat Y niet alle vragen van de inspecteur heeft beantwoord wordt een informatiebeschikking uitgereikt. De heer Y wil niet alle vragen beantwoorden omdat hij van mening is dat de inspecteur de schenkingsakte onrechtmatig heeft verkregen. Zowel de rechtbank als het gerechtshof waren van mening dat de informatie mag worden gebruikt omdat is voldaan aan het “zozeer indruist criterium”. Ook de Hoge Raad is in 2025 van mening dat de akte mag worden gebruikt. Het gebruik van dergelijke bewijsmiddelen is niet toegestaan als artikel 6 EVRM daartoe dwingt of de bewijsmiddelen zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar wordt geacht.
Noot fiscaal jurist inzake bewijsmiddelen
Discussie over onrechtmatig verkregen bewijs is van alle tijden en dagen. De belangrijkste uitspraken stammen uit 1992 en 2015, met nu een nuance in 2025. Deze uitspraken liggen nog niet helemaal in lijn met uitspraken van het Hof van Justitie. In de casus uit 2015 ging het om een belastingplichtige die in de strafzaak is vrijgesproken (belastende bewijs mocht niet worden gebruikt). De basis voor de Hoge Raad is het volgende;
- De Hoge Raad overwoog dat strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen in een belastingprocedure in elk geval toelaatbaar moet zijn als de verkrijging daarvan niet onrechtmatig is geweest jegens de belastingplichtige in de fiscale procedure.
- Er moet met alle omstandigheden rekening worden gehouden en hierbij spelen ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijke rol (met name zorgvuldigheidsbeginsel).
- Van strijdigheid met algemene beginselen is geen sprake als de inspecteur het onrechtmatig strafrechtelijk verkregen bewijs ook rechtmatig had kunnen verkrijgen, bijvoorbeeld door de juiste vragen te stellen (op grond van beschikbare informatie).
- De bewijsmiddelen mogen niet worden gebruikt als ze zijn verkregen op een manier (of wijze) die die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht (het ‘zozeer indruist’-criterium)
In sommige gevallen is informatie in het strafproces onrechtmatig verkregen maar ligt deze informatie wel in het fiscale dossier. Soms mag dit en soms niet, aldus de Hoge Raad. Als bewijsmateriaal met schending van het verschoningsrecht wordt verkregen mag deze informatie – ook fiscaal – niet worden gebruikt.
De belastingrechter is echter volgens de belastingkamer van de Hoge Raad niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter (noch aan de feitenvaststelling, noch aan het rechtmatigheidsoordeel), de belastingrechter heeft immers een ander en eigen toetsingskader. Als de feiten op elkaar lijken moet de belastingrechter wel met een heldere motivering komen.
Er zijn ook stromingen die stellen dat het Europese handvest zich verzet tegen het “zozeer indruist” criterium. In het arrest uit 2015 wordt de hoofdlijn duidelijk. Het arrest uit 2025 geeft een verdere verfijning van dit arrest.
Het “zo zeer indruist criterium” (uit 1992) volstaat dus nog steeds als maatstaf om te kunnen bepalen of informatie – dat is bestempeld als strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs – wel of niet bruikbaar is bij fiscale procedures en fiscale boetes. De inspecteur moet dus netjes omgaan met het verkrijgen van bewijsmateriaal en het gebruik hiervan zal dan zelden door de rechter worden uitgesloten.
Bron onrechtmatig verkregen wijs
Hoge Raad d.d. 1 juli 1992 ECLI:NL:HR:1992:ZC5028
Hoge Raad 20 maart 2015, nr. 13/03959, ECLI:NL:HR: 2015:643
HvJ EU 17 december 2015, zaak C-419/14, ECLI:EU:C:2015:832
Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 10 juni 2021 ECLI:NL:RBZWB:2021:2950
Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 9 november 20222 ECLI:NL:GHSHE:2022:3875
Liquidatie vennootschap binnen fiscale eenheid
Toepassing van de hardheidsclausule met betrekking tot artikel 15ai Wet Vpb 1969 en liquidatie binnen fiscale eenheid
Op 5 februari 2025 is een belangrijke mededeling gepubliceerd over het toepassen van de hardheidsclausule in geval van een liquidatie binnen een fiscale eenheid in relatie tot de antimisbruikbepaling van artikel 15ai Wet VPB 1969. In dit artikel wordt ingegaan op deze goedkeuring.
Hardheidsclausule binnen fiscale wetgeving
De hardheidsclausule is opgenomen in artikel 63 van de Algemene Wet Rijksbelastingen (AWR). De hardheidsclausule is een bepaling in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), die het mogelijk maakt om af te wijken van de strikte toepassing van de belastingwetgeving in gevallen waarin het resultaat van die wetgeving onredelijk of onevenredig zwaar zou zijn voor de belastingplichtige.
Het doel van de hardheidsclausule is om, zoals de wettekst zelf beschrijft, onbillijke gevolgen van wetgeving te voorkomen. Wanneer de wet in een bepaald geval niet past bij de werkelijke situatie of de bedoeling van de wetgever dan heeft de Staatsecretaris door toepassing van de hardheidsclausule de mogelijkheid om de gevolgen van deze wetgeving buiten toepassing te laten. Dit zorgt voor een zekere flexibiliteit in de belastingwetgeving en voorkomt dat belastingplichtigen onterecht benadeeld worden door vaak onbedoelde gevolgen.
Artikel 15ai wet VPB
Artikel 15ai legt een sanctie op bij de beëindiging van de fiscale eenheid of bij de ontvoeging van een vennootschap. De sanctie houdt in dat vermogensbestanddelendie binnen de fiscale eenheid zijn overgedragen, op het moment van de ontvoeging van de vennootschap tegen de werkelijke waarde worden gewaardeerd. Dit kan leiden tot een fiscale herwaardering waarbij belasting wordt geheven over het verschil tussen de oorspronkelijke waarde en de hogere werkelijke waarde op het moment dat de vermogensbestanddelen zijn overgedragen. =
De sanctie is bedoeld om belastingontwijking of besparing te voorkomen door ervoor te zorgen dat er geen belastingvoordeel ontstaat bij de overdracht van vermogensbestanddelen binnen de fiscale eenheid.
Toepassing hardheidsclausule in relatie tot artikel 15ai
De toepassing van de hardheidsclausule is voor de volgende situatie
goedgekeurd:
- A B.V. – B.V. en C. B.V. een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. C. B.V. wordt geliquideerd binnen de fiscale eenheid, in dat kader ontvangt B B.V. vermogensbestanddelen van C B.V. Door de liquidatie is C B.V. geen onderdeel meer van de fiscale eenheid. De sanctie van artikel 15ai blijft buiten toepassing omdat artikel 15ai een ontvoegingstijdstip vereist. Omdat C B.V. wordt geliquideerd is sprake van een beëindiging van een fiscale eenheid door ontbinding en vereffening (artikel 15aa, eerste lid, onderdeel c, Wet Vpb 1969) hierdoor is geen sprake van een ontvoeging in de zin van artikel 15ai.
Voor zover niets nieuws.
Op een later moment eindigt de (resterende) fiscale eenheid tussen A. B.V. en B. B.V. omdat A. B.V. niet meer voldoet aan de bezitseis (ten minste 95% van de aandelen in B.V.). Door het beëindigen van de fiscale eenheid zou artikel 15ai Wet Vpb 1969 in werking treden voor de vermogensbestanddelen die eerder in het kader van de liquidatie van C. B.V. binnen de fiscale eenheid zijn overgedragen aan B B.V. Deze situatie wordt onwenselijk geacht waardoor is goedgekeurd dat door toepassing van de hardheidsclausule de gevolgen van artikel 15ai buiten toepassing worden gelaten ten aanzien van de vermogensbestanddelen die bij de liquidatie van C. B.V. zijn overgedragen aan B B.V.
Noot fiscaal jurist inzake hardheidsclausule bij liquidatie
De fiscale wet- en regelgeving ten aanzien van fiscale eenheid problematiek en herstructureringen is complex. Overweegt u een herstructurering of het aangaan of verbreken van een fiscale eenheid dan is het verstandig dit in overleg met uw fiscalist te doen.
Neem gerust contact op voor een persoonlijk gesprek of een vrijblijvende consultatie. Samen zorgen we ervoor dat uw fiscale vraagstukken op een efficiënte en juridisch verantwoorde manier worden opgelost.
Liquidatieverlies regeling kost overheid 1 miljard
De uitspraak van de Hoge Raad in 2025 (inzake liquidatieverlies van buitenlandse deelneming) kan de overheid flink in de papieren lopen. Wij schreven hierover op deze site een artikel. Volgens de Hoge Raad mocht AEGON ruim € 100 miljoen aan liquidatieverliezen van 2 buitenlandse (Ierse) dochterondernemingen ten laste van de Nederlandse winst brengen. De belastingdienst weigerde de aftrek omdat er in Ierland al een tegemoetkoming is verstrekt (group relief regeling). Volgens de Hoge Raad is deze regeling geen "tegemoetkoming voor de belastingheffing voorzover deze voor de liquidatie heeft plaatsgevonden" en dus echt iets anders. De beoordeling moet plaatsvinden op het moment van liquidatie, en toen waren de verliezen niet meer verrekenbaar. De Hoge Raad oordeelde dat Aegon het volledige liquidatieverlies in aftrek mag brengen, en passeerde daarmee het advies van de procureur-generaal (ECLI:NL:PHR:2022:361). Dit "geintje" kost de belastingdienst jaarlijks 65 miljoen en over verleden ongeveer 1 miljard euro, aldus een brief van de staatssecretaris op 20 juni 2025. Vermoedelijk zal de liquidatieverliesregeling voor de toekomst worden aangepast, dit zal tijdens prinsjesdag 2025 duidelijk worden.
Bron liquidatie rechtspersoon binnen fiscale eenheid
Mededeling over toepassen hardheidsclausule binnen fiscale eenheid en artikel 15ai wet VPB
Procedure ketenaansprakelijkheid en inlenersaansprakelijkheid
In de wereld van fiscale geschillen belanden veel zaken in langdurige juridische trajecten waarin de aansprakelijkheid van bestuurders van vennootschappen ter discussie staat. Echter, een vaak onderschat aspect is de verjaring van de aansprakelijkheidsschuld of belastingschuld. Soms duurt de procedure in bezwaar en beroep zo lang dat de vordering verjaart, wat betekent dat de belastingdienst de schuld niet langer met dwang kan invorderen. Dit maakt het essentieel om regelmatig te beoordelen of de belastingdienst de juiste stuitingsmaatregelen heeft genomen om verjaring te voorkomen. Bij het voeren van een procedure moet de belastingplichtige dit wel aan de orde stellen, anders is het een gemiste kans.
Procedure inzake aansprakelijkheidstelling bestuurder in prive
In dit artikelen behandelen wij een procedure die een lang traject heeft doorlopen. De procedure begon bij de Rechtbank Den Haag d.d. 5 november 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:12474). De casus was niet heel complex, een bestuurder maakt met een curator afspraken over de afwikkeling van een faillissement en aan hem wordt finale kwijting verleend (door de curator). De belastingdienst komt echter ook nog om de hoek kijken en stelt de bestuurder aansprakelijk voor nog niet (door de BV) betaalde (naheffingsaanslagen) loonheffingen. De bestuurderr is naar het oordeel van de rechtbank terecht aansprakelijk gesteld door de belastingdienst. De Belastingdienst heeft aannemelijk gemaakt dat er sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Er is geen sprake geweest van samenloop van de aansprakelijkstellingen tussen de Belastingdienst en de curator, aangezien de curator de aansprakelijkstellingsprocedure niet heeft doorgezet. De belastingplichtige gaat in beroep bij het Gerechtshof in Den Haag d.d. 19 juni 2020 ECLI:NL:GHDHA:2020:1208, hierin stond uitdrukkelijk (nogmaals) de samenloopt tussen de aansprakelijkheidsstellingen centraal. Het Gerechtshof is het grotendeels met belastingplichtige eens.
- Het Hof komt tot een andere afweging dan de Rechtbank en concludeert dat, gelet op de duidelijke tekst van artikel 36.1 van de Leidraad, de Ontvanger, die van de faillissementen op de hoogte is gebracht en ook de in geding zijnde naheffingsaanslagen als vorderingen heeft ingebracht, niet nog het recht heeft belanghebbende aansprakelijk te stellen....
De zaak gaat via het parket d.d. 28 mei 2021 ECLI:NL:PHR:2021:527 naar de Hoge Raad op 14 april 2023 (ECLI:NL:HR:2023:563). De Hoge Raad verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam d.d. 28 november 2023 ECLI:NL:GHAMS:2023:2936. Hierbij speelt de verjaring van de vordering de belangrijkste rol, de inhoud doet er al minder toe. Die komt tot de conclusie dat de vordering is verjaard. Omdat het allemaal nog niet lang genoeg heeft geduurd komt de Hoge Raad op 24 januari 2025 ECLI:NL:HR:2025:111 tot haar slot oordeeld. De Hoge Raad concludeert klip en klaar " vordering is verjaard".
De valkuilen van verjaring in aansprakelijkheidszaken
De verjaring van een aansprakelijkstellingsschuld is accessoir aan de belastingschuld zelf. Dit houdt in dat de aansprakelijkstellingsschuld niet zelfstandig verjaart; als de oorspronkelijke belastingschuld verjaart, gebeurt dit ook voor de aansprakelijkstellingsschuld. Een belangrijk aspect hierbij is uitstel van betaling. Gedurende de periode waarin uitstel van betaling wordt verleend, loopt de verjaringstermijn namelijk niet. Daarnaast kan verjaring gestuit worden door een schriftelijke mededeling te sturen, conform artikel 27 IW 1990.
Een specifieke complicatie treedt op bij ontbonden en lege BV's. In zulke gevallen biedt stuiting van de belastingschuld zelf weinig nut, aangezien de BV toch geen verhaal biedt. Maar omdat de aansprakelijkheidsstelling van de belastingschuld afhankelijk is, moet de belastingschuld gestuit worden om verjaring van de aansprakelijkheidsschuld te voorkomen. Artikel 27 lid 2 IW 1990 biedt hier een oplossing: indien de belastingschuldige niet meer bestaat, treedt de aansprakelijkgestelde 'in de plaats' van de belastingschuldige voor wat betreft de verjaring. Dit betekent dat de ontvanger zijn stuitingsacties mag richten tot de aansprakelijkgestelde. Echter, dit moet nog steeds betrekking hebben op de stuiting van de belastingschuld.
Een recente uitspraak van de Hoge Raad (24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:111) illustreert hoe dit in de praktijk kan misgaan. In deze zaak ging het om een bestuurder van een BV die aansprakelijk was gesteld voor bepaalde belastingschulden van de BV. De bestuurder ging in bezwaar en beroep, en kreeg tijdens deze procedure uitstel van betaling voor de aansprakelijkheidsschuld. Bovendien stuurde de Belastingdienst een stuitingsbrief, maar deze werd ruim vijf jaar na de laatste gestuurde stuitingsbrief verstuurd. Dit zou te laat zijn, tenzij de verjaringstermijn verlengd zou zijn door het verleende uitstel. De Hoge Raad oordeelde echter dat alleen uitstel van betaling voor de belastingschuld zelf de verjaringstermijn kon verlengen, niet het uitstel voor de aansprakelijkheidsschuld. Zodoende was de stuitingsbrief te laat en de aansprakelijkheidsschuld verjaard.
Noot fiscaal jurist inzake verjaring
Wat kunnen we hiervan leren? Voor belastingplichtigen en professionals in het fiscale recht is het belangrijk om scherp te blijven op de details van uitstel van betaling en stuitingsmaatregelen. Alleen door nauwgezet toezicht kunnen verjaringen correct worden voorkomen, waardoor onnodige risico's en kosten worden vermeden. Het blijft een fijnmazig spel van regels en uitzonderingen, waarin zorgvuldig handelen het verschil kan maken tussen een succesvolle vordering en een verjaring die de ontvanger met lege handen achterlaat. Zijn er vragen of opmerkingen over dit onderdeel stuur ons dan gerust een e-mail of uw vraag via onderstaand formulier.
Het Fiscale Bodemrecht
Het fiscale bodemrecht geeft de Belastingdienst de mogelijkheid om zich te verhalen op bepaalde roerende zaken die bij de belastingschuldige in gebruik zijn en zich op diens bodem bevinden, zelfs als deze zaken toebehoren aan een derde partij. In dit artikel zullen de kernvragen rondom dit thema worden beantwoord:
- Wat wil het fiscale bodemrecht precies zeggen?
- Wat is een bodemzaak en wat is "de fiscale bodem"?
- Waarop kan het fiscale bodemrecht worden toegepast?
- Worden uw rechten of de rechten van derden nog beschermd bij het fiscale bodemrecht?
- Jurisprudentie over het fiscale bodemrecht.
Wat wil het fiscale bodemrecht precies zeggen?
Op grond van het fiscale bodemrecht kan de Belastingdienst zich bij vorderingen op de belastingplichtige verhalen op roerende zaken die bij de belastingplichtige in gebruik zijn (ook als die roerende zaken van iemand anders (een derde) zijn. De roerende zaken moeten zich dan wel op de bodem van de belastingplichtige bevinden. Dit recht heeft de belastingdienst op grond van artikel 22 van de invorderingswet. Bodembeslag kan voor en na het faillissement worden gelegd en geeft de Belastingdienst een bijzondere voorkeurspositie. Na het faillissement gaat het bodembeslag van de Belastingdienst op in het algemene faillissementsbeslag. Bodembeslag op goederen van derden vallen niet onder het faillissementsbeslag en hierop blijft dus (eventueel) het bodembeslag rusten.
Wat is een bodemzaak en wat is "de fiscale bodem"?
Onder de bodem wordt het terrein (perceel) van de belastingplichtige verstaan (of het deel dat de belastingplichtige huurt of in gebruik heeft). Dit kan ook spelen als meerdere personen of bedrijven over hetzelfde perceel kunnen beschikken. Wie eigenaar is maakt niet veel uit, het gaat om de grond/ het terrein dat de belastingplichtige (of belastingschuldige) in gebruik heeft en waarop de roerende zaken staan.
- Bodemzaken zijn inventaris (zoals lampen, bureau's, computers, kassa's, etc.)
- Geen bodemzaken: niet alle roerende zaken die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden, kwalificeren als bodemzaak'. Voorraad, showmodellen, grondstoffen, halffabricaten, en voertuigen bestemd worden niet als bodemzaken aangemerkt.
- Reëel eigendom: de reële eigendom van een ander - waarbij deze roerende zaak zowel juridisch als economisch aan een derde toebehoort - zoals bij huurkoop of financial lease - wordt ontzien door de Belastingdienst. Dit moet wel juist en tijdig worden aangetoond.
Waarop kan het fiscale bodemrecht worden toegepast?
De ontvanger van de Belastingdienst kan het bodemrecht toepassen bij beslaglegging voor naheffingsaanslagen in specifieke belastingscategorieën, waaronder: loonbelasting, omzetbelasting, premies werknemersverzekeringen, accijns, verbruiksbelastingen, dividendbelasting en assurantiebelasting. Het bodemrecht geldt niet voor de boetes, aldus de Hoge Raad in 2003. Ook is het bodemrecht (nog) niet in strijd met het EU recht (Gasus Zaak)
Het bodemrecht kan niet worden toegepast voor belastingschulden die betrekking hebben op, vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting.
Worden uw rechten of de rechten van derden nog beschermd bij het fiscale bodemrecht?
De ontvanger komt langs bij belastingplichtige zal vervolgens op vrijwel alles (wat kan binnen de wet) beslag leggen. Wat van belastingplichtige is en wat van een derde is op dat moment niet relevant. Binnen enkele dagen (formeel 8 dagen) na de beslaglegging moet de belastingdeurwaarder de zaak dan betekenen aan de derde (als die bekend is). De derde kan vervolgens binnen 7 dagen beroep instellen (bij de belastingdienst) tegen de beslaglegging. De executie wordt hiermee uitgesteld. Als de derde het niet eens is met de uitspraak kan er een civiele procedure worden gestart.
Jurisprudentie over bodembeslag
- Gerechtshof Amsterdam d.d. 8 oktober 2013 ECLI:NL:GHAMS:2013:3258: verzet bij horecazaak tegen beslag op inventaris (en met succes).
- Hoge Raad 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3171: De Hoge Raad oordeelde over de reikwijdte van het bodemrecht, met name in situaties waarin derden eigenaar zijn van de bodemzaken.
- Hoge Raad 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3674: Deze uitspraak verduidelijkt de positie van de Belastingdienst ten opzichte van pandhouders bij de toepassing van het bodemrecht.
- Hoge Raad 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866: De Hoge Raad ging in op de vraag of bepaalde leaseconstructies onder het bodemrecht vallen.
- Gerechtshof Den Haag d.d. 29 juni 2022 ECLI:GHDHA:2022:1167: bodemrecht bij financial lease en andere leaseregelingen.
- Gerechtshof Amsterdam 8 oktober 2024 ECLI:NLGHAMS:2024:2812: terughoudendheid van de ontvanger t.a.v. reele eigendom van een derde.
Noot fiscaal jurist inzake bodembeslag
De Belastingdienst heeft in de basis het voorrecht op alle goederen van de belastingplichtige of belastingschuldige (artikel 21 invorderingswet). Dit geldt echter niet voor alle goederen en voor alle belastingvorderingen. Derden hebben soms nog enige rechten maar zeker niet altijd. Derden kunnen zich niet verzetten tegen beslaglegging op zaken (roerende) die voor de inrichting van het pand zijn gebruikt (artikel 22 lid 2 invorderingswet). Tot 2013 konden partijen (een derde en belastingschuldige) eenvoudig het bodemrecht omzeilen. Als nu een zekerheidsgerechtigde handelingen zou verrichten die ervoor zorgen dat bodembeslag niet meer mogelijk is, moet dit worden gemeld bij de bij de Belastingdienst (bijvoorbeeld via bodemverhuur of ophalen van goederen) (formulier), mits waarde boven de 10.000 euro. Het pandrecht van de belastingdienst (mits juist is gelegd) gaat boven andere pandrechten. Een uitleg over het bodemrecht staat in de invorderingswet.
Reële eigendom van een derde wordt gerespecteerd. Indien de goederen of roerende zaken in eigendom toebehoren aan een derde maar de belastingplichtige had een zogenaamde afnameverplichting gaat het voor de derde alsnog mis. Het eigendom wordt dan niet gerespecteerd. Bij bedrijfsinmenging geldt hetzelfde. Vragen over bodembeslag? Stuur ons gerust een e-mail
Verklaring betalingsgedrag kan digitaal
Sinds 2025 is het mogelijk om online een verklaring betalingsbedrag aan te vragen. Jaarlijks worden er door 50.000 ondernemers dergelijke verklaringen aangevraagd (tot dit moment via de post). Via een verklaring betalingsgedrag kan een ondernemer (of persoon) aantonen dat op zijn naam of op naam van de onderneming/ vennootschap geen belastingaanslagen of andere vorderingen van de Belastingdienst openstaan. Er zijn drie soorten verklaringen:
- verklaring betalingsgedrag inlenersaansprakelijkheid (uitlener) (toelichting) (aanvraag);
- verklaring betalingsgedrag ketenaansprakelijkheid (onderaannemer) (toelichting) (aanvraag);
- verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen (toelichting) (aanvraag).
Voor het online aanvragen van een verklaring logt u in met uw DigiD, in de loop van 2025 volgt ook nog de optie om in te loggen met eHerkenning. De verklaring in pdf downloaden, invullen en aanvragen blijft ook gewoon mogelijk. Als u periodiek een verklaring betalingsgedrag ontvangt hoeft u deze niet nog eens aan te vragen. De beslistermijn is vrij kort, ongeveer 1 tot 2 weken.
Waarom hebt u een verklaring betalingsgedrag nodig?
Als een klant of derde vraagt om aan te tonen dat u voldoet aan uw aangifteplicht of betalingsverplichtingen en dat er op uw naam (of uw bedrijf) geen belastingschulden of andere vorderingen van de Belastingdienst openstaan kunt u een dergelijke verklaring aanvragen bij de Belastingdienst. Dit is soms nodig bij opdrachten, vergunningen of aanbestedingsprocedures.
Op welke belastingen heeft de verklaring betalingsgedrag betrekking?
De Belastingdienst zal de verklaring verstrekken voor alle formele belastingschulden, dit zijn loonheffingen, omzetbelasting, vennootschapsbelasting, motorrijtuigenbelasting, inkomstenbelasting en toeslagen. Als u bedrijf onderdeel is van een fiscale eenheid dan geldt de verklaring voor de gehele fiscale eenheid (BTW en/of VPB).
Hoe verklaring betalingsgedrag aanvragen?
Dit kan dus vanaf 2025 digitaal maar ook gewoon op papier (zie onder voor de link). U krijgt de verklaring als u niet achterloopt met 1 of meer betalingen en u geen uitstel van betaling hebt gekregen of zekerheid voor betalingen hebt gegeven. Ook als u achterloopt met de termijnbetalingen van een betalingsregeling kan de verklaring worden geweigerd. Ook moet u tijdig aangifte doen en deze aangifte tijdig voldoen. Als de verklaring wordt afgewezen kunt u een nieuw verzoek indienen (als aan alle voorwaarden is voldaan).
Inleners - en ketenaansprakelijkheid
Inlenersaansprakelijkheid is een vorm van ketenaansprakelijkheid. Deze aansprakelijkheid is bedacht voor de Belastingdienst en moet voorkomen dat de Belastingdienst belastingen en premies zou kunnen mislopen bij malafide uitzendbureau's of uitleners of onderaannemers. Als een werknemer ter beschikking is gesteld aan een hoofdaannemer (of derde) om onder dienst leiding (toezicht) werkzaamheden te verrichten, is de inlener (hoofdelijk) aansprakelijk voor de loonheffingen die de uitlener verschuldigd is in verband met het verrichten van die werkzaamheden door die werknemer. Als er geen sprake is van leiding en toezicht is de inlener ook niet aansprakelijk, zie als voorbeeld Rechtbank Amsterdam 28 april 2004 (ECLI:NL:RBAMS:2004:AV3527). Ook kan sprake zijn van disculpatie aan de kant van de inlener (Gerechtshof Amsterdam 19 maart 2007 ECLI:NL:GHAMS:2007:BA1925). Ook moet de inspecteur een belangenafweging maken, zie Rechtbank 's Gravenhage d.d. 9 maart 2007 (ECLI:NL:RBSGR:2007:BA1260).
Het gaat dan om de loonheffingen en niet om de boete (en in de basis ook niet om de belastingrente). Dit kan ook spelen als de inlener volledig te goeder trouw is (tenzij bijzondere omstandigheden). Buitenlandse uitzendbureau's verdienen bijzondere aandacht in dergelijke situaties (omdat die soms geen loonheffingen afdragen). De aansprakelijkheid geldt ook voor de omzetbelasting van de uitlener, tenzij deze BTW is verlegd. U kunt een uitlener controleren (via de KvK).
Noot fiscaal jurist inzake verklaring betalingsgedrag Belastingdienst
De verklaring is bedacht om ervoor te zorgen dat inleners minder snel aansprakelijk zijn voor belastingschulden van uitleners. Keten - en inlenersaansprakelijkheid zijn een groot zakelijk risico en kunnen stevige financiele gevolgen hebben. Onderaannemers en uitleners moeten dus altijd goed worden gecheckt. Ook zouden aannemers moeten afspreken dat de onderaannemer niet zonder schriftelijke toestemming (een deel van) het werk mag uitbesteden aan een derde. In sommige gevallen moet de hoofdaannemer ook rekening houden met het extreem hoge anoniementarief, let er dus op dat uw onderaannemer in het bezit is van de paspoorten van de werknemers.
Een onderaannemer / uitlener vraagt de Belastingdienst regelmatig om een dergelijke verklaring, veelal om aan te tonen dat alle loonheffingen en BTW betalingen zijn voldaan. De verklaring wordt dan verstrekt aan de aannemer/inlener. De verklaring geeft voor de aannemer / inlener geen vrijwaring voor een mogelijke aansprakelijkheid (ketenaansprakelijk). De Belastingdienst kan een inlener echter niet zomaar aansprakelijk stellen voor de belastingschulden van de uitlener, bijvoorbeeld als de belastingschulden zijn ontstaan na de datum van de verklaring betalinggedrag (en de inlener te goede trouw is), aldus het Gerechtshof Den Bosch d.d. 31 december 2020 (ECLI:NL:GHSHE:2020:4126). De kennisgroep van de Belastingdienst gaat in dit artikel nader in op deze procedure. De uitspraak is in lijn met een eerdere uitspraak van de Hoge Raad d.d. 11 mei 2012 ECLI:NL:HR:2012:BW5396.
Wij adviseren vele opdrachtgevers en aannemers bij de risico's of procedures aangaande de keten- of inlenersaansprakelijkheid. Neem gerust contact op met onderstaande adviseurs.
Bron verklaring betalingsgedrag
Aanvragen verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen
Aanvragen verklaring betalingsgedrag ketenaansprakelijkheid
Aanvragen verklaring betalingsgedrag inlenersaansprakelijkheid
Rijdende rechter of Robotrechter in belastingzaken
De belastingrechtspraak loopt redelijk vol (38.000 zaken per jaar komen binnen en 30.000 worden er per jaar afgehandeld, cijfers 2023). Fiscale rechters worden gek van alle formaliteiten en vastleggingen. Ons systeem in Nederland loopt vast door regels, interne procedures en vele vastleggingen. Dit speelt bij vele publieke diensten, zoals de zorg, het onderwijs maar dus ook in onze fiscale wereld. Dagelijks worden veel rechters en fiscale adviseurs lastig gevallen met administratief gedoe, dit terwijl we liever met de inhoud en advisering bezig zijn. Kan dit niet sneller en praktischer? Wat kan AI voor ons betekenen?
Ik heb op dit moment een griepje en dus tijd om uitzending gemist te kijken (ja het gaat al weer iets beter) en bezig te zijn met onze eigen AI software. Kunnen we op grond hiervan tot een betere procespraktijk komen? Ik denk het wel.
De fiscale rijdende rechter brengt hoop
Tijdens een (uitlopend) griepje heb je tijd om eens grappige tv programma’s te kijken via NPO start of ander kanaal. Nu zat ik te kijken naar “de rijdende rechter” en “voor de rechter”. Frank Visser bekijkt een situatie, laat mensen mondeling hun standpunt toelichten op locatie en tijdens een hoorzitting doet hij vervolgens mondeling uitspraak. Hiermee is de zaak afgedaan. Waarom doen we dit niet bij eenvoudige belastingzaken?
Achterstanden rechtspraak lopen op
De komende jaren zullen de achterstanden oplopen, nieuwe mensen zijn lastig te krijgen, AI zal nog niet helemaal zijn intrede doen, fiscale procedures (over box 3, vastgoed, BOR, emigraties, excessief lenen, etc.) zullen toenemen. Door deze arbeidsdruk zal het ziekteverzuim verder stijgen en tevens zal er vaker (immateriele) schadevergoeding (i.v.m. lange doorlooptijd) moeten worden betaald.
Een rechter moet altijd het gehele traject van een procedure uiterst grondig doorlopen en na de zitting de uitspraak zorgvuldig en juist uitwerken (met uitzondering van 80a procedures bij de Hoge Raad natuurlijk). Een mondelinge uitspraak is mogelijk (8:67 AWB) echter fiscaal zien we dit nog weinig, omdat ook dan alle feiten/gronden en overwegingen moeten worden weergegeven.
Hulp van AI bij mondelinge uitspraak
Het zou mooi zijn als we bij eenvoudige (of kleinere zaken, bijvoorbeeld met belang tot € 2.500) de route van de rijdende rechter mogen volgen. De rechter roept partijen bijeen voor een zitting en legt in heldere “AI taal” uit wat er aan de hand is, wat de wet zegt, wat zijn overwegingen zijn en wat dan de uitspraak is. Dit wordt vervolgens tijdens de zitting op een A4tje vastgelegd en hiermee is de zaak klaar. Als iemand dan nog in beroep zou willen zou deze partij om een dossierinzage bij de rechter en/of een uitgebreide uitspraak kunnen vragen (dit tegen een kostenvergoeding). We zien een dergelijke handelswijze op dit moment al bij eenvoudige strafzaken bij de politierechter.
Vorenstaande is voor de rechter, de belastingplichtige en de Belastingdienst prettig omdat er dan vlot duidelijkheid is en in normale mensentaal wordt gesteld wat er aan de hand is en wat de conclusie is.
AI in de fiscale rechtspraak, de robot rechter
Al sinds 2019 wordt er binnen de rechtspraak gesproken over AI. Een robotrechter is echt zo gek nog niet. Immers een robotrechter heeft nooit de griep (ik nu wel), is nooit chagrijnig, kent alle algemene beginselen, staat niet in de file en valt niet onder de arbeidstijdenwet. Uit vele onderzoeken is op te maken dat de juiste AI software in ruim 80% van de gevallen tot een juiste uitkomst komt.
Wat je wel mist in de uitspraak is de menselijke maat, de fiscale ontwikkelingen, belangenafweging en “om denken”. Hoger beroep hoeft niet omdat de rechter ook dan tot dezelfde conclusie komt.
De juridische medewerkers kunnen dus de uitspraak laten voorbereiden door AI (als hulpmiddel en slimme digitale collega). Voor de uiteindelijke uitspraak is de menselijk maat, ratio, logica en rechtsontwikkeling nodig, hiervoor blijven mensen noodzakelijk, het blijft immers maatwerk, dat zal een algoritme lastig begrijpen.
Fiscale adviseur en AI
Aan de advieskant kan wellicht AI ook helpen bij het voorspellen van de juridische uitkomst, dit voorkomt een fiscale procedure (soms) aan de voorkant. De door ons kantoor ontwikkelde AI tool heeft al ruim 75.000 fiscale uitspraken ingelezen en kan op grond van wetgeving, uitspraken van rechters, commentaren en vele boeken advies geven en casussen voorspellen. Klik hier voor een intro film. Hierbij is en blijft het van essentieel belang dat een de beantwoording wordt getoetst (bronvermelding) wordt ontdaan van fiscale hallucinaties en dat de uitgebreide motivering door een mens wordt getoetst op logica en juistheid. Meer dan een extreem slimme collega (die onbetrouwbaar of onberekenbaar kan zijn) is het dus niet, maar wel een extreem handig hulpmiddel die nieuwe inzichten en tijdsbesparingen zal opleveren.
Ons AI programma kan het volgende prima weergeven:
- De feiten van de zaak.
- Een korte en bondige samenvatting van de zaak.
- Formaliteiten (niet ontvankelijk).
- Overzicht van vergelijkbare zaken en vindplaatsen in fiscale databestanden (bronvermelding).
- Combinatie advies voor uw klant waarbij fiscale boeken, commentaren en rechtspraak wordt geraadpleegd.
Conclusie over de rijdende of robot rechter
Er zijn in Nederland 2.700 rechters (en ruim 10.000 rechtspraak medewerkers) die jaarlijks worden overspoeld met 1.400.000 nieuwe zaken. Voor ruim € 50 euro kun je al naar de rechtbank (WOZ zaken), dus de drempel is laag. Het aantal procedures zal de komende jaren alleen maar toenemen, het aantal fiscale rechters/ adviseurs echter niet direct.
Als we via AI de instroom kunnen beperken (voorspellen fiscale procedure) en het traject bij de rechter kunnen verkorten (AI als hulpmiddel en mondelinge uitspraken) kunnen we overbelasting voorkomen en blijven we allemaal lekker aan het werk met de dingen waar we goed in zijn. Wilt u informatie over onze AI Software of een vrijblijvende demo? Stuur gerust een bericht via onderstaand formulier.
Bron bestanden
Ai in de fiscale rechtspraak (2019)
Verzekeringsplicht Directeur Groot Aandeelhouder bij minderheidsbelang
De verzekeringsplicht van directeuren/aandeelhouders is geregeld onderwerp van discussie en dus ook voer voor procedures. In september 2024 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een procedure met betrekking tot aandeelhouders van een medisch specialistisch bedrijf. In een eerdere procedure bij het Gerechtshof Den Bosch is nog anders besloten (verwijzingsuitspraak van Hoge Raad uit 2022). Deze uitspraak is in lijn met een eerdere uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. Zowel wetgeving als rechters schaken nog op verschillende - vaak onduidelijke - borden. Alvorens in te gaan op de procedure schetsen we eerst het fiscale kader.
Een DGA is onder voorwaarden uitgezonderd van het normale werknemersbegrip in de Ziektewet, WW en WAO. In dergelijke gevallen zijn er geen premies verschuldigd. In de praktijk wordt dan gekeken naar een oude uitspraak van de CrvB en de regeling aanwijzing DGA uit 2016. Aan laatstgenoemde komen we echter pas toe als de DGA als werknemer van de BV (rechtspersoon) zou kwalificeren. Voorts geldt deze regeling enkel voor de DGA die al dan niet zijn BV statutair bestuurder is (met een aanmerkelijk belang).
Fiscale kader inzake verzekeringsplicht minderheidsaandeelhouder
Centrale Raad van Beroep inzake verzekeringsplicht DGA
De Centrale Raad van Beroep heeft in 1985 een uitspraak gedaan die in feite de kern vormt van het niet langer verzekerd zijn van de directeur-grootaandeelhouder voor de premies werknemersverzekeringen. De Centrale Raad besliste namelijk dat directeuren grootaandeelhouders niet in dienstbetrekking zijn bij hun eigen B.V. als zij de feitelijke macht in de vergadering van aandeelhouders hebben. In gewoon Nederlands; als een directeur-grootaandeelhouder zijn eigen ontslag op basis van zijn aandelenbezit/stemrecht kan tegenhouden, is hij niet in dienst bij zijn B.V. Een van de drie elementen voor het bestaan van een dienstbetrekking, de gezagsverhouding, ontbreekt dan.
Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2016
In de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2016 geeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan onder welke voorwaarden iemand als directeur-groot-aandeelhouder en niet als werknemer voor de werknemersverzekeringen moet worden aangemerkt. ls een directeur-grootaandeelhouder geen werknemer, dan is hij niet verplicht verzekerd voor de Ziektewet (ZW), de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en de Werkeloosheidswet (WW).
Onder directeur-grootaandeelhouder in de zin van de regeling wordt verstaan:
- de bestuurder die, eventueel samen met zijn echtgenoot, houder is van een zodanig aantal aandelen, al dan niet van een bepaalde soort of aanduiding als bedoeld in artikel 242, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dat hij, eventueel samen met zijn echtgenoot, ingevolge de statuten van de vennootschap over zijn ontslag kan besluiten; of
- de bestuurder die, samen met bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad, eventueel samen met zijn echtgenoot, houder is van aandelen, al dan niet van een bepaalde soort of aanduiding als bedoeld in artikel 242, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die ten minste twee derde van de stemmen vertegenwoordigen, zodat hij, samen met zijn bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad, eventueel samen met zijn echtgenoot, over zijn ontslag kan besluiten.
- de bestuurder die een zodanige zeggenschap heeft binnen die vennootschap door tussenkomst van een of meer rechtspersonen, waarvan hij bestuurder is, al dan niet met elkaar in een groep verbonden, of door tussenkomst van vennootschappen waarvan hij aandelen houdt, dat hij hierdoor over zijn ontslag kan besluiten. Het eerste lid is ten aanzien van de relatie tot de echtgenoot en bloed- en aanverwanten van overeenkomstige toepassing.
- bestuurders die samen alle aandelen van de vennootschap bezitten en als aandeelhouders een gelijk of nagenoeg gelijk deel van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen. Als een bestuurder aandelen van de vennootschap bezit door tussenkomst van één of meerdere rechtspersonen waarvan hij bestuurder is of van vennootschappen waarvan hij aandelen houdt, is de eerste zin van overeenkomstige toepassing.
Procedure Rechtbank Gelderland inzake verzekeringsplicht
Feiten
- Belanghebbende oefent een medisch specialistisch bedrijf uit op het gebied van radiologie en nucleaire geneeskunde. Alle aandeelhouders van belanghebbende zijn ook bestuurder van haar. Zij zijn daarnaast als radioloog in dienstbetrekking werkzaam bij belanghebbende;
- In 2018 had belanghebbende 42 aandeelhouders, hun aandelenbelang varieert van 1,43 tot 2,6%;
- De inspecteur heeft een beschikking afgegeven. In die beschikking staat dat de aandeelhouders in dienstbetrekking werkzaam zijn bij belanghebbende waardoor zij kwalificeren als werknemers van belanghebbende en verzekerden voor de werknemersverzekeringen; dat de aandeelhouders niet kwalificeren als directeur-grootaandeelhouder, als bedoeld in de Regeling 2016.
De procedure handelt vervolgens over de vraag of aan de vierde bovengenoemde bullit wordt voldaan, namelijk dat de bestuurders een gelijk of nagenoeg gelijk deel in het kapitaal hebben.
Oordeel
De Rechtbank verwijst naar de toelichting op de Regeling Aanwijzing directeur-grootaandeelhouder:
- Dit onderdeel ziet op de bestuurders die samen aandeelhouder zijn van een vennootschap en nevengeschikt zijn ten opzichte van elkaar. In dat geval is geen sprake van ondergeschiktheid. Bepalend is dat de bestuurders alles bij elkaar genomen een gelijkwaardig economisch belang hebben in de vennootschap en een positie innemen die zich laat vergelijken met de verhouding tussen gelijkgerechtigde mede-eigenaren van een onderneming (…) Om dit economische belang te benadrukken gaat het niet om de stemmen, maar het aandeel in het kapitaal van de vennootschap, dat de bestuurder als aandeelhouders vertegenwoordigen. (…) Het is mogelijk dat het geplaatste deel van het maatschappelijke kapitaal niet in gelijke mate deelbaar is door het aantal aandeelhouders. Wanneer in dat geval de verdeling zo klein mogelijk is, bijvoorbeeld 33-33-34 bij 100 aandelen, kan toch nevengeschiktheid worden aangenomen. (…)”.
De Rechtbank concludeert vervolgens dat geen sprake is van een “gelijk of nagenoeg gelijk deel in het kapitaal”. De specialisten/bestuurders zijn dientengevolge verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen.
Noot fiscaal Jurist inzake verzekeringsplicht DGA
In de procedures rond verzekeringsplicht van directeuren-aandeelhouders valt niet echt een eenduidige lijn te ontdekken. De uitspraken zijn sterk casuistisch. In een wat oudere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit 1998 , komt deze tot een andersluidend oordeel. In die situatie is geen sprake van verzekeringsplicht van een bestuurder/aandeelhouder met een beduidend kleiner aandelenpakket op basis van materiele indicaties:
- Er was in die situatie sprake van onafhankelijk werkende advocaten;
- De aandeelhouder met een kleiner belang was statutair directeur en functioneerde als zodanig binnen de directievergadering; een ieder had daar een gelijke stem;
- Voor alle directeuren/aandeelhouders gold dat zij geschorst en ontslagen konden worden als 3 van de 5 directeuren/aandeelhouders voor zouden stemmen.
Op basis van de verscheidenheid in jurisprudentie kan worden aangenomen dat belanghebbende in hoger beroep zal gaan. We wachten het af.
Bronnen verzekeringsplicht DGA
Centrale Raad van Beroep 4 oktober 1985, ECLI:NL:CRVB:1985:AM8604
Regeling aanwijzing directeur-groot-aandeelhouder 2016
Rechtbank Gelderland 25 september 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:7860
Belastingrente in strijd met evenredigheidsbeginsel
De belastingrente van 8% voor de vennootschapsbelasting is in strijd met het evenredigheidsbeginsel, aldus de rechtbank Noord Nederland. Een mooie uitspraak waar ondernemers hun voordeel mee kunnen doen.
Uitspraak belastingdienst inzake massaal bezwaar tegen belastingrente
De inspecteur heeft (namens de belastingdienst) in februari 2026 collectief uitspraak gedaan op een groot aantal bezwaren tegen de in rekening gebrachte belastingrente sinds oktober 2020 (aanwijzing massaal bezwaar). Voor de inkomstenbelasting zijn de bezwaren ongegrond verklaard (zie hier) en voor de vennootschapsbelasting gegrond (zie hier). Vorenstaande onder verwijzing naar een uitspraak van de Hoge Raad op 16 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:59). Volgens de Hoge Raad is de belastingrente voor de inkomstenbelasting niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Beroep tegen de uitspraak is niet mogelijk. Voor de vennootschapsbelasting ligt dit anders, de verhoging van de belastingrente is niet verenigbaar met de fundamentele beginselen van evenredigheid. Vorenstaande wordt binnen 6 maanden afgerond via een beschikking.
Volgens de Hoge Raad d.d. 10 april 2026 (ECLI:NL:HR:2026:591) is de belastingrente van minimaal 4% voor andere belastingen dan de Vennootschapsbelasting niet onevenredig. Bij het in rekening brengen van belastingrente over een toekomstig tijdvak mag niet worden vooruitgelopen op een nog niet in werking getreden renteverhoging.
Hoge Raad "belastingrente voor vennootschapsbelasting is onverbindend"
In lijn met het advies van de advocaat generaal (ECLI:NL:PHR:2025:1044) op 1 oktober 2025 is het percentage van 8% voor de vennootschapsbelasting onverbindend verklaard door de Hoge Raad op 16 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:59), dit omdat het Bbi in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Bijzonder bij deze procedure was dat ook externe meedenkers via een speciale route (Amicus Curiae) konden meedenken met deze beslissing, dit is massaal gedaan (zie deze 149 reacties) . In dit artikel geeft de Hoge Raad een heldere uiteenzetting. Volgens de Hoge Raad is 4% (voor 2022 en 2023) een redelijk percentage. Vanaf 2024 zou dit 4,5% moeten zijn.
Rechters over belastingrente
Er is al een uitspraak van de Rechtbank (zie onder) die de rente te hoog vinden, echter er zijn ook rechters die dit vinden maar de bal bij de wetgever leggen. Voor de komende periode doen belastingplichtigen er goed aan om bezwaar te maken tegen aanslagen met hoge belastingrentes. De onderstaande uitspraak van de AG is voor belastingplichtigen hoopgevend.
De advocaat generaal (ECLI:NL:PHR:2025:1393) (adviseur van de Hoge Raad) heeft op 19 december 2025 een percentage van 4% (inkomstenbelasting) goedgekeurd. Er was geen sprake van schending van mensenrechten, hiervoor moet een last disproportioneel zijn maar ook buitensporig zwaar. Een rente van 4% is niet buitensporig zwaar, tenminste niet voor iedereen. De last moet wel individueel worden bekeken. In deze procedure ging het om relatief kleine bedragen.
In een ander advies van de advocaat generaal (ECLI:NL:PHR:2025:1044) op 1 oktober 2025 is het percentage van 8% voor de vennootschapsbelasting onverbindend verklaard. In lijn met dit advies heeft de Hoge Raad op 16 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:59) het besluit onverbindend verklaard.
Advocaat Generaal over hoge belastingrente
De adviseur van de Hoge Raad (Advocaat Generaal) heeft op 26 september 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1044) ook bepaald dat de hoge rente de prullenbak in zou moeten, of formeel (in fiscale taal) "Het bij Besluit belasting- en invorderingsrente (Bbi) per 1 januari 2022 naar 8% verhoogde percentage vennootschapsbelastingrente is onverbindend omdat de Besluitgever buiten een aan hem gedelegeerde regelbevoegdheid is gegaan".
De advocaat generaal (ECLI:N::PHR:2025:1393) (adviseur van de Hoge Raad) heeft op 19 december 2025 een percentage van 4% (inkomstenbelasting) goedgekeurd. Er was geen sprake van schending van mensenrechten, hiervoor moet een last disproportioneel zijn maar ook buitensporig zwaar. Een rente van 4% is niet buitensporig zwaar, tenminste niet voor iedereen. De last moet wel individueel worden bekeken. In deze procedure ging het om relatief kleine bedragen.
Kamervragen over belastingrente en invorderingsrente
Op 20 oktober 2025 zijn er ook kamervragen gesteld over de belastingrente en invorderingsrente. Uit de antwoorden op de gestelde kamervragen volgt dat er nog geen actie wordt ondernomen (wel voor de belastingrente bij toeslagen). Uit de nota van toelichting volgt dat er een aantal kernpunten worden geformuleerd, in deze brief wordt teven een toelichting gegeven.
Aanwijzing massaal bezwaar belastingrente Vennootschapsbelasting
De staatsscretaris kreeg een belletje van de Belastingdienst. Er komen zoveel bezwaarschriften binnen dat we de brievenbus moeten dichthouden, we hebben niet de capaciteit om deze bezwaarschriften tijdig te behandelen (paniek). De rechtbank (zie onder) heeft het besluit belasting - en invorderingsrente onverbindend verklaard (strijdigheid met evenredigheidsbeginsel). Er is sprongcassatie ingesteld op 18 december 2024. Het gaat om de belastingrente over de periode 1 juli 2022 tot en met 26 augustus 2023. Omdat de bezwaarschriften dezelfde rechtsvraag bevatten is besloten tot aanwijzing massaal bezwaar (zie brief d.d. 17 februari 2025 en besluit). Er loopt een proefprocedure die waarschijnlijk dit jaar bij de Hoge Raad wordt behandeld. Belastingplichtigen profiteren van een massaalbezwaarprocedure omdat zij eenvoudig kunnen meeliften op een gunstige uitkomst. Als de Hoge Raad in hun voordeel zou beslissen worden alle beschikkingen belastingrente verminderd. Advies maak wel bezwaar tegen de wellicht te hoge belastingrente.
De belastingrente
De belastingrente is verschuldigd als niet tijdig een aanslag is aangevraagd of de aangifte is ingediend en er een bedrag aan belastingen moet worden betaald. Dit tarief was gekoppeld aan de rente voor handelstransacties, voor de inkomstenbelasting is deze rente 7,5% en voor de vennootschapsbelasting is deze zelfs 10%. Er is veel kritiek op deze rente, dit is immers niet marktconform. Er wordt geen belastingrente berekend als er een voorlopige aanslag wordt aangevraagd voor 1 mei van het lopende boekjaar op het niveau van het kalenderjaar wordt gebracht (binnen 4 maanden) en de aanslag conform wordt opgelegd.
De uitspraak
Op 7 november 2024 is uitspraak gedaan door de Rechtbank Noord-Nederland over de belastingrente voor de Vennootschapsbelasting (hierna: vpb). De casus zag op een voorlopige aanslag vpb waarover de inspecteur 8% belastingrente heeft gerekend. In geschil heeft de inspecteur het juiste bedrag aan belastingrente gerekend.
Voor COVID-19 werd het percentage van de belastingrente opgenomen in de wettekst. Wanneer iets is opgenomen in de wettekst mag de rechter het bepaalde niet toetsen aan de algemene rechtsbeginselen. Toen de COVID-19 uitbrak is ervoor gekozen om het percentage niet in de wet op te nemen, maar in een besluit. Op die manier kon de wetgever de belastingrente in verband met COVID-19 sneller aanpassen. Omdat de rente (sinds corona) niet meer is ondergebracht in de wet maar in het besluit Belasting- en invorderingsrente kan deze worden getoetst aan de algemene rechtsbeginselen (zoals het evenredigheidsbeginsel). De rechtbank besluit dat de het besluit onverbindend moet worden verklaard omdat er geen rechtsvaardigingsgrond is voor deze belachelijk hoge rente. De rechtbank concludeert dat een belastingrente van 8% onevenredige nadelige gevolgen heeft voor de vpb-plichtigen. Tussen partijen was overeengekomen dat wanneer de belanghebbende in het gelijk zou worden gesteld, het percentage zou worden verlaagd naar 4%. Conclusie: de rechtbank verklaard het beroep gegrond en verminderd de belastingrente naar 4%. Dat er hoger beroep (of sprongcassatie) gaat volgen ligt voor de hand. Deze uitspraak geldt voor alle aanslagen die zijn opgelegd vanaf (1 januari) 2022.
Mogelijk geldt voorgenoemde ook voor de per 1 januari 2024 geldende belastingrente van 10%. Belangrijk daarbij is wel om te beseffen dat de rente over de jaren 2022 en 2023 werd vastgesteld aan de hand van de wettelijke rente voor handelstransacties. Sinds 2024 is de belastingrente gekoppeld aan de voor de Europese Centrale Bank geldende rente. Dit zorgt ervoor dat de feiten en omstandigheden wijzigen en mogelijk kunnen leiden tot een andere uitkomst.
In een eerdere uitspraak van de Rechtbank Gelderland d.d. 3 februari 2021 (ECLI:NL:RBGEL:2021:497) is de strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel ook al eens aan de orde gesteld. In hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 29 maart 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:2520) weer redelijk teniet gedaan, edoch destijds stond de belastingrente nog in de wet.
Evenredigheidsbeginsel in de fiscale wetgeving
De Belastingdienst en de belastingplichtige moeten zich aan besluiten (en de wet) houden dit is de basis. Echter moet de Belastingdienst nadelige gevolgen van een besluit afwegen tegen de belangen van de belastingplichtige (en de maatschappij). Wettelijke bepalingen worden zelden door rechters opzij gezet, voor besluiten ligt dit anders. De rechter mag in beginsel geen (dwingende) wetten buiten beschouwing laten ook niet als deze onredelijk zijn (zie RvS 1 maart 2023). Een rechter gaat niet over onredelijke wetgeving en mag deze in principe niet toetsen (artikel 120 Grondwet). Er komt wellicht nog aangepaste wetgeving waardoor dit in de toekomst wellicht wel kan. Op dit moment kan dit alleen via een u bocht als bepaalde omstandigheden bij het opstellen en invoeren van wetgeving niet is meegenomen (zie AG 18 mei 2022 ECLI:NL:RVS:2022:1441) . Een mooi voorbeeld inzake de belastingrente is een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 18 november 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1673), de belastingrente wordt in rekening gebracht zodat een belastingplichtige tijdig zijn belastingen gaat betalen. In dit geval stond het geld al bij de Belastingdienst en ging de rentetikker wel lopen (dus geen rentenadeel).
Bij lagere wetgeving (zoals besluiten en ministeriele regelingen) is er meer speelruimte voor rechters en de Belastingdienst. In een casus bij de Raad van State d.d. 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285).
Belastingrente over oudere jaren niet strijdig met EVRM of EU Recht
In een zaak die liep bij het Gerechtshof Den Haag d.d. 17 september 2024 (ECLI:NL:GHDHA:2024:1800) kwam de vraag aan de orde of de belastingrente - die toen nog in de wet stond - in strijd is met het EU recht, het EVRM en/of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag en belastingrente opgelegd over een periode van vijf jaar. In geschil is de vraag of de belastingrente in strijd is met Europese verdragen en beginselen van behoorlijk bestuur. Het belastingrentepercentage is gelijk aan de wettelijke rente voor niet-handelstransacties, met een minimum van 4%. Het doel van de regeling is niet budgettaire opbrengst, maar eerder het realiseren van geschatte inkomsten. Door COVID-19 is dit percentage tijdelijk verlaagd, maar in 2020 weer vastgesteld op minimaal 4%. Het hof acht het minimumpercentage van 4% voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar. Dit betekent dat belastingplichtigen voldoende geïnformeerd zijn over de regeling. Verder komt het Hof tot het volgende:
- Legitiem doel en ‘fair balance’-toets: Het heffen van belastingrente dient een legitiem doel. Hoewel de belastingrente deels budgettair is gemotiveerd, blijft het percentage binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever en kan niet worden beschouwd als een buitensporige last voor individuele belastingplichtigen.
- Geen strafmaatregel: Het hof stelt dat belastingrente geen "boete" is, maar een gevolg van tijdsverloop en hoogte van de te betalen belasting zonder strafcomponent. Hiermee is er geen sprake van een 'criminal charge' volgens art. 6 EVRM.
- EU Handvest en evenredigheidsbeginsel: Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de belastingrenteberekening binnen de werkingssfeer van het EU Handvest valt. Zelfs als dit het geval was, leidt dit niet tot een ander oordeel.
- Geen schending van behoorlijk bestuur: Het hof oordeelt dat het belastingrentepercentage, vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur, binnen de beleidsruimte valt van de staatssecretaris. Er is geen sprake van een willekeurige of onredelijke heffing die in strijd is met de intentie van de wetgever.
Noot fiscaal jurist inzake belastingrente en beginselen behoorlijk bestuur
Als de Belastingdienst aangiften of belastingzaken in behandeling heeft moet er rekening worden gehouden met een aantal algemene richtlijnen, dit noemen we binnen ons vak de algemeen beginselen van behoorlijk bestuur. Als belastingplichtige kunt u hierop een beroep doen, de belangrijkste algemene beginselen zijn:
- Gelijkheidsbeginsel: gelijke gevallen moet gelijk worden behandeld.
- Vertrouwensbeginsel: u mag vertrouwen op informatie en mededelingen van de Belastingdienst, echter niet altijd.
- Fair play beginsel: breed begrip, ondermeer bij redelijke verdeling bewijslast, niet vooringenomen en zonder partijdig standpunt.
- Proportionaliteitsbeginsel: onderzoek en vragen in verhouding tot het doel dat er wordt gediend.
- Verbod willekeur: spreekt voor zich.
- Verbod misbruik van bevoegdheden: bevoegdheden alleen gebruiken voor doel waarvoor deze is gegeven.
- Zorgvuldigheidsbeginsel: bij besluiten alle belangen zorgvuldig afwegen en onderzoeken.
- Motiveringsbeginsel: deugdelijke en heldere motiviering voor genomen besluiten.
- Rechtszekerheidsbeginsel: belasting kan alleen worden geheven op grond van de wet en beleidsregels. Zonder motivering mag hiervan niet worden afgeweken.
Het besluit inzake de hoge belastingrente is om belastingplichtigen snel en correct hun belastingschulden te laten betalen. Om hiervoor een extreem hoge rente te rekenen is hiermee niet in lijn, de hoge rente lijkt dan meer op een straf. Ook standpunten van kennisgroepen worden als beleid aangemerkt (zie hier). In de zaak die speelde bij het Gerechtshof Den Haag is gekeken naar strijdigheid met het EU recht / EVRM tijdens de periode dat de belastingrente is opgenomen in wetgeving, het oordeel van het hof was "dit is prima". Onder het besluit komt de rechtbank tot oordeel dat de belastingrente wel strijdig is met de algemene rechtsbeginselen. Het lijkt logisch dat er tegen de uitspraak van de Rechtbank nog hoger beroep gaat volgen, de Belastingdienst zal hierbij kijken naar de argumenten van het Gerechtshof. Het Hof stelt voorop dat het relevante belastingrentepercentage op grond van artikel 30hb AWR, zoals dat met ingang van 1 oktober 2020 luidt, bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld. Het uitgangspunt is dat aan de staatsecretaris hierbij beleidsruimte toekomt en dat de rechter zich terughoudend opstelt bij de beoordeling van de vraag of de staatssecretaris in redelijkheid tot vaststelling van het besluit heeft kunnen komen (HR 24 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1360).
We wachten maar eens af, maar voorlopig adviseren wij belastingplichtigen wel bezwaar te maken en/of met de uitspraak van de rechtbank rekening te houden met beroepszaken.
Tip voor de vpb-plichtigen
Ontvangt u een aanslag vpb waarbij 8 of 10% aan belastingrente in rekening is gebracht over de jaren 2021, 2022 of 2023? Maak bezwaar tegen de aanslag vpb binnen 6 weken en doe een beroep op de uitspraak ter behoud van rechten. Let wel, dit betreft een uitspraak van een rechtbank en daarom is de verwachting dat er nog in hoger beroep zal worden gegaan. De conclusie in hoger beroep kan anders zijn. Advies is daarom om wel de aanslag inclusief belastingrente te betalen. Als u namelijk uitstel van betaling vraagt en in Hoger beroep wordt geconcludeerd dat de rente van 8 of 10% wel mag, dan moet u over het gehele bedrag invorderingsrente betalen!
Mag de Belastingdienst e-mails opvragen?
Wij zijn wekelijks betrokken bij boekenonderzoeken en/of fiscale procedures. Hierbij wordt door de Belastingdienst informatie opgevraagd die voor het fiscale onderzoek van belang kan zijn. De Belastingdienst heeft hierbij ruime bevoegdheden maar dit wil nog niet zeggen dat alles zomaar mag.
Als informatie vrijwillig wordt gegeven mag deze worden gebruikt, schakel dus altijd vroegtijdig een fiscaal jurist in bij een onderzoek
Mag de Belastingdienst de hoogte van uw kerstboom vragen? Jazeker mag dit, maar dit is fiscaal niet relevant dus hoeft u geen antwoord te geven. Maar waar liggen dan de grenzen? In dit artikel een overzicht.
Belastingdienst wil inzage in mijn e-mailbox en agenda, mag dit?
De basis voor de vragen van de Belastingdienst liggen vaak in een gewone brief of een informatieverzoek. In artikel 47 van de Algemene Wet Inzake Rijksbelasting (AWR) - kort gezegd - dat u alle gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en gegevensdragers moet verschaffen die voor de belastingheffing relevant kunnen zijn. Een paar woorden vallen op "belastingheffing" en "kunnen". Ook een derde moet deze informatie over u aan de Belastingdienst verstrekken (artikel 48 en 53 AWR). Of de informatie dan ook wordt verstrekt is aan belastingplichtige of de derde. Een eventueel bezoek (doorzoeking of beslaglegging) om de informatie op te halen is niet mogelijk. Dit kan de FIOD dan weer wel.
Tip: het is van belang om helder te krijgen waarom welke informatie door de Belastingdienst wordt opgevraagd. De Belastingdienst moet dit klip en klaar duidelijk maken. Schakel voor het onderzoek een fiscaal jurist of advocaat in zodat er niet teveel informatie wordt verstrekt.
Bij een inzage in uw emailbox zijn er 2 routes. De Belastingdienst vraagt naar alle e-mails inzake een onderwerp of persoon of de Belastingdienst maakt bij een bezoek een kopie van uw e-mailbox. Alternatief is dat u samen met de inspecteur achter uw PC schuift en dat de inspecteur een paar zoekwoorden roept en dan deze mails wil meenemen. Het kan dan ook zijn dat er adviezen van notarissen, advocaten of andere geheimhouders in beeld komen. Op dergelijke informatie is het verschoningsrecht van toepassing, zie Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 2 mei 2023 ECLI:N::GHSHE:2023:1329), hierin wordt helder omschreven dat het Openbaar Ministerie niet juist met verkregen e-mails is omgegaan. Ook adviezen van uw fiscaal jurist hoeft u niet te verstrekken. Maar als de inspecteur deze informatie heeft of meekrijgt is het maar de vraag hoe hiermee wordt omgegaan.
Ook in een andere procedure bij de Rechtbank Gelderland d.d. 9 december 2020 ECLI:NL:RBGEL:2020:6488 wordt bij een boekenonderzoek het e-mailverkeer opgevraagd en wordt hiervoor toestemming gegeven.
Mag de Belastingdienst uw agenda, mailbox, whatsapp of archiefkasten zomaar inkijken? Maak altijd een heldere mappen structuur met klanten. Zorg er ook voor dat u een prive en zakelijke mailbox heeft hiermee wordt er al een heldere scheiding aangebracht.
Bij dergelijke verzoeken worden vragen erg uitgebreid geformuleerd. Dit zien we regelmatig terug bij een woonplaatsonderzoek, vestigingsplaatsonderzoek of derdenonderzoek. Het is dus van belang dat u de inspecteur vraagt welke concrete informatie hij wil ontvangen en waarom. Dit verzoek moet dan op papier worden gezet zodat u precies deze informatie gaat verstrekken en ook niet meer dan dat. Informatie die ziet op advisering, interne communicatie, privé mails, verschoningsgerechtigden en eventueel privacy gevoelige informatie wordt dan dus niet verstrekt.
De inspecteur van de Belastingdienst zal stellen dat uw emailbox tot uw administratie behoort en dat enkel hierdoor hij/zij het recht heeft om hierin te kijken en/of deze mee te nemen. Immers de informatie "kan" relevant zijn. De vervolg vraag is dan wel "is het fiscaal ook relevant?".
Jurisprudentie over inzage in mailbox door Belastingdienst
Over inzage in mailboxen is nog niet veel jurisprudentie voorhanden. In een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 1 februari 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:715) oordeelt het Gerechtshof dat een belastingadviseur zijn gehele emailbox moet verstrekken. In eerste aanleg had de rechtbank hetzelfde beoordeeld. Volgens Rechtbank Gelderland is het verzoek om de e-mails te overleggen geen fishing expedition maar een rechtmatig verzoek dat verband houdt met de controle op de aangegeven omzet en de opgegeven kosten. Ook worden volgens het Gerechtshof de grenzen van de redelijkheid hierbij niet overschreden. De gevraagde informatie kan namelijk van belang zijn voor de vraag of de belastingadviseur haar eigen omzet juist en volledig heeft verantwoord. De belastingadviseur heeft geen afgeleid of informeel verschoningsrecht.
Snuffelen en vissen is echter niet toegestaan, dit hoort thuis in het strafrecht, dit geldt voor snuffelen op kantoor in de kast, de lade of in de kelder maar ook voor snuffelen in een mailbox zonder heldere reden. Dit wordt ook helder in de folder van de Belastingdienst (derdenonderzoek). Hierbij staat in onderdeel 4 ondermeer dat "de informatie van belang moet zijn voor de heffing van belastingen". De Belastingdienst moet zich naast het bepaalde in de AWR ook houden aan haar eigen beleidslijnen en Europese wetgeving zoals het recht op privacy (artikel 8 EVRM). Hierbij is een balans tussen "inbreuk op privacy en doel van het onderzoek" een continue spanningsproces. Voor een inbreuk op de privacy van een belastingplichtige is altijd een (exacte) wettelijke grondslag vereist en deze grondslag moet voldoende met waarborgen worden omkleed, zie hiertoe de uitspraak van het EHRM in 2013 (ECLI:CE:ECHR:2013:0314) waarbij de Noorse Belastingdienst een server wilde ontvangen.
Ook de artikelen 48, 49 en 52 van de AWR lezen helpt bij een discussie. Informatie moet:
- nodig zijn voor de fiscale vraag die aan de orde is;
- fiscaal relevant zijn;
- niet onder het verschoningsrecht vallen;
- geen betrekking heeft op fiscale advisering (Hoge Raad d.d. 23 september 2005 ECLI:NL:HR:2005:AU3140, met heldere mening van de AG op 23 september 2005;
- met een administratie wordt (op grond van artikel 52 AWR) bedoeld de gegevens betreffende de vermogenstoestand van de administratieplichtige, voor zover daaruit de rechten en verplichtingen van de administratieplichtige ,alsmede de voor de belastingheffing overigens van belang zijnde feiten, kunnen blijken.
Het mag duidelijk zijn dat niet alle e-mails onder bovenstaande begrip vallen. Dit nog los van de privacy discussie.
Noot fiscaal jurist inzake verstrekken van informatie
We hebben de Nederlandse wet (AWR) en het Europese kader. Daarnaast gelden natuurlijk ook de normale omgangsvormen, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Er moet een redelijke verhouding zitten tussen de tijd en inspanning van een belastingplichtige en het doel van het onderzoek (evenredigheidsbeginsel). Lees hierbij ook eens deze uitspraak . Ook is het zeer uitgebreid opvragen van willekeurige informatie (fishing expedition) niet toegestaan.
Belangrijke tips voor de praktijk
- Schakel tijdig een specialist in (fiscaal jurist of advocaat).
- Gebruik altijd een zakelijk en privé mailadres (scheiding privé en werk).
- Maak duidelijke mappen binnen uw e-mail omgeving, splitsing per klant, onderneming of onderwerp.
- Sla adviezen van uw fiscalist, accountant of advocaat op in een aparte map.
- Intern overleg binnen uw bedrijf hoeft u niet te bewaren.
- Mail niet alles in cc aan iedereen.
Waar ligt de grens bij een informatie verzoek
- De informatie moet voor de belastingheffing van de betreffende belastingplichtige van belang kunnen zijn.
- Verzoek om informatie moet via de belastingplichtige lopen.
- Geef exact antwoord op gestelde vragen en verstrek ook exact deze informatie (en niet meer).
- Vragen over de rol van externen (zoals boekhouder en fiscalist) hoeven niet te worden beantwoord.
- Een phishing expedition is verboden, dus laat de inspecteur niet op uw computer rond snuffelen.
- De algemene beginselen van behoorlijk bestuur moeten altijd in acht worden genomen.
- Recht op privacy moet worden gewaarborgd, geef dus niet zomaar info van werknemers, derden, etc. Maar ook geen medische info, telefoonnummers of mailadressen.
- Bekijk goed of de informatie die wordt opgevraagd ook ziet op de periode van het onderzoek.
- Informatie van notarissen, artsen en advocaten (verschoningsgerechtigden) mogen niet worden opgevraagd. Dit geldt ook voor mensen die door de verschoningsgerechtigden zijn ingeschakeld.
- Adviezen van uw accountant en/of fiscalist die de fiscale positie bekijken mogen niet worden opgevraagd.
De Quick scan van Damste Advocaten en Jongbloed Fiscaal Juristen
Met de aankondiging van de Belastingdienst dat zij vanaf 1 januari 2025 weer streng gaat controleren op de inzet van ZZP’ers, is er in veel sectoren onrust ontstaan. De Belastingdienst heeft een beoordelingskader bekend gemaakt in november 2024. Ook het ministerie is met een toelichting gekomen "ZZPer ja of nee". Ook heeft de het ministerie van sociale zaken een keuze hulp opgesteld, deze kunt u hier raadplegen. De Raad van State is van mening dat de nieuwe regeling tekort schiet en niet voldoet (zie notitie 6 november 2024). Er is ook een totaaloverzicht gemaakt, hier staan vrijwel alle richtlijnen en aanwijzingen op 1 pagina.
Als ondernemer is het belangrijk om te weten dat het ook na deze datum mogelijk blijft om met ZZP'ers te werken zonder het risico van een dienstverband. Echter, de spelregels veranderen en de risico’s worden groter. Om goed voorbereid te zijn is het essentieel dat u nu al inzicht krijgt in waar uw organisatie risico’s loopt bij de inzet van ZZP’ers. Is er sprake van werkinhoudelijke aansturing of organisatorische inbedding? Hoe staat het met het ondernemerschap van uw zelfstandigen? Volgens onderzoek van diverse accountantskantoren zijn in diverse sectoren veel ondernemers (soms meer dan de helft) schijnzelfstandig (zie artikel inzake landbouw).
Vraag nu de quick scan hier aan !
Zachte landing na opheffing handhavingsmoratorium per 2025
De Belastingdienst gaat vanaf 2025 weer volledig handhaven als het gaat om arbeidsrelaties van (vermeende) ondernemers. Dit wil zeggen dat vanaf 2025 weer naheffingsaanslagen loonheffingen kunnen worden opgelegd (terugwerkende kracht tot 1 januari 2025, tenzij sprake is van kwaadwillendheid of indien afspraken niet worden nagekomen). Naar aanleiding van een motie (de motie Aartsen c.s) zullen ondernemers niet te strak worden aangepakt, dus minder snel (verzuim en vergrijp) boetes. De goedgekeurde modelovereenkomsten blijven tot eind 2029 gewoon van toepassing (motie van Oostenbruggen c.s.). Voor een nadere toelichting is een internetsite door de overheid opgezet.
ZZP’ers en de Belastingdienst: Wat ondernemers moeten weten voor 2025
Jongbloed Fiscaal Juristen en Damste Advocaten hebben samen een **quick scan** ontwikkeld die u duidelijkheid geeft. Deze scan helpt u de belangrijkste risico’s in kaart te brengen en biedt concrete aanbevelingen om problemen te voorkomen.
Wees proactief en voorkom onaangename verrassingen! Vraag nu onze quick scan aan en zorg ervoor dat uw organisatie voldoet aan de nieuwe eisen.
Werken met zelfstandigen vanaf 2025
Vanaf 1 januari 2025 gaat de Belastingdienst weer streng controleren op de inzet van ZZP’ers. Dit is het einde van het handhavingsmoratorium dat enkele jaren geleden werd ingevoerd. Veel ondernemers hebben hiervan geprofiteerd door met ZZP’ers samen te werken zonder dat er directe controle of sancties volgden. Echter, deze soepelere periode loopt af en veel bedrijven vragen zich af: hoe kunnen we nog gebruikmaken van de diensten van ZZP’ers zonder dat we risico lopen op een dienstverband?
In deze blog bespreken we de veranderingen die op komst zijn en wat u als ondernemer nu kunt doen om goed voorbereid te zijn.
Wat verandert er op 1 januari 2025?
De Belastingdienst kondigt aan vanaf 2025 weer actief te gaan controleren op de arbeidsrelatie tussen opdrachtgevers en zelfstandigen. Dit betekent dat bedrijven die ZZP’ers inhuren moeten kunnen aantonen dat er geen sprake is van een verkapt dienstverband. Bij een dienstverband bent u als ondernemer namelijk verplicht om loonheffingen af te dragen en krijgt u te maken met arbeidsrechtelijke verplichtingen.
De belangrijkste criteria waarop gecontroleerd wordt, zijn onder andere:
- Werkinhoudelijke aansturing: Geeft de opdrachtgever direct leiding aan de ZZP’er in de uitvoering van de werkzaamheden?
- Organisatorische inbedding: Is de ZZP’er een vast onderdeel van de organisatie en werkt hij/zij onder dezelfde voorwaarden als werknemers?
- Ondernemerschap van de ZZP’er: Draagt de zelfstandige zelfstandig ondernemersrisico en handelt hij/zij als ondernemer met meerdere opdrachtgevers?
Als een van deze elementen niet op orde is kan de Belastingdienst concluderen dat er sprake is van een dienstverband, met als gevolg forse naheffingen en boetes.
Hoe kunt u zich voorbereiden?
Het is belangrijk om nu al stappen te ondernemen om risico’s te vermijden. Het werken met ZZP’ers kan na 1 januari 2025 nog steeds, maar u moet aantonen dat de samenwerking voldoet aan de regels. Dit betekent dat u de werkinhoudelijke aansturing, de organisatorische inbedding en het ondernemerschap van de zelfstandige helder moet hebben.
Daarnaast is het verstandig om uw bestaande samenwerkingsverbanden te laten toetsen. Zijn er contracten die moeten worden aangepast? Moet er iets veranderen in de dagelijkse praktijk? Het is van groot belang dat uw bedrijf tijdig de juiste maatregelen treft om toekomstige problemen te voorkomen.
De oplossing: een quick scan voor uw bedrijf
Om u te helpen, hebben Jongbloed Fiscaal Juristen en Damste Advocaten een **quick scan** ontwikkeld. Deze quick scan biedt een praktische beoordeling van de risico’s die uw bedrijf loopt bij het inhuren van ZZP’ers. Wij brengen in kaart waar u mogelijk tegen problemen aanloopt en welke aanpassingen nodig zijn om volledig compliant te zijn met de nieuwe regelgeving.
Met onze quick scan krijgt u:
- Inzicht in uw huidige samenwerking met ZZP’ers.
- Duidelijke aanbevelingen voor aanpassingen in de praktijk.
- Concrete handvatten om risico’s te beperken.
- Voorbeeld afspraken en overeenkomsten voor de praktijk.
Vraag nu de quick scan hier aan !
Wacht niet tot de Belastingdienst bij u op de stoep staat. Voorzie uw bedrijf nu al van de zekerheid dat u ook na 1 januari 2025 kunt blijven werken met ZZP’ers zonder problemen. Vraag vandaag nog onze quick scan aan en zorg ervoor dat u volledig voldoet aan de nieuwe eisen.
Heeft u vragen of wilt u meer informatie? Neem gerust contact met ons op! Wij helpen u graag verder.
Door actief maatregelen te nemen en gebruik te maken van de quick scan, zorgt u ervoor dat uw organisatie klaar is voor de nieuwe realiteit van werken met ZZP’ers.
Bron bestanden
Totaaloverzicht site belastingdienst
Internetsite over het juiste contract (ministerie)
Internetsite over beoordeling arbeidsrelatie (webmodule ministerie)
Kansspelbelasting verhoging
Klein gokje, grote verplichting: de fiscale kant van kansspelbelasting
De kansspelbelasting is een belangrijke inkomstenbron voor de Nederlandse overheid. De regelgeving omtrent kansspelbelasting heeft de afgelopen jaren diverse aanpassingen ondergaan en er staan nieuwe wijzigingen op stapel. In dit artikel bespreken we de huidige regels, recente veranderingen en wat de toekomst brengt voor zowel particulieren als bedrijven die te maken hebben met kansspelwinsten, waaronder geldprijzen, objecten en verschillende soorten kansspelen, zowel binnen als buiten Nederland.
Recente ontwikkelingen en huidige kansspelbelasting
Er zijn belangrijke veranderingen op komst. De kansspelbelasting zal volgens het Belastingplan 2025 vanaf januari 2025 stijgen naar 34,20% en in 2026 naar 37,80%. Deze verhoging maakt deel uit van bredere fiscale maatregelen om de staatskas te spekken en tegelijkertijd verantwoord gokken te bevorderen. De ingangsdatum van deze (wets)wijziging is nog niet definitief. Eerst moeten de Tweede en Eerste Kamer het wetsvoorstel aannemen. Na publicatie in het Staatsblad of de Staatscourant kan de wet ingaan.
Op dit moment ligt (2024) het tarief voor kansspelbelasting in Nederland op 30,50%. Dit percentage geldt voor verschillende soorten kansspelen, waaronder o.a. loterijen en casinospelen. Het basisprincipe is eenvoudig: als je een prijs wint in een kansspel en deze boven het grensbedrag uitkomt van € 449, moet je kansspelbelasting betalen. Voor winsten boven de €449 geldt dat je over het volledige bedrag belasting moet afdragen.
Wat is wel en geen kansspel?
Niet alle spellen vallen onder de kansspelbelasting. Het onderscheid tussen wat wel en niet als kansspel wordt beschouwd is van belang voor de belastingplicht. Een kansspel wordt gedefinieerd als een spel waarbij de uitkomst voornamelijk afhankelijk is van toeval en niet van de vaardigheid van de speler. Spellen die geen kansspel zijn en dus niet onder de kansspelbelasting vallen, zijn spellen waarbij de vaardigheid van de speler centraal staat. Voorbeelden hiervan zijn schaken, dammen of bridge.
Hoewel er bij sommige spellen elementen van toeval kunnen zijn, zoals bij poker, worden deze niet altijd als kansspel beschouwd wanneer ze onder bepaalde voorwaarden en in specifieke contexten worden gespeeld (zoals privépokerspellen zonder commerciële belangen). Volgens de rechter is pokeren een kansspel, aldus de Hoge Raad op 11 juli 2014 ( en Gerechtshof Amsterdam 3 maart 2016), daarna was er ook nog de discussie of een pokersite op Malta in Nederland kansspelbelasting moet betalen, dit was niet zo aldus de Rechtbank Zeeland Westbrabant op 13 april 2017. Voor een groot deel wordt dit later door het Gerechtshof 's Hertogenbosch, 31 december 2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:5296) bevestigd. De Hoge Raad heeft zich op 11 september 2020 nog even gebogen over de bewijslastverdeling. Over buitenlandse pokersites is de laatste jaren veel geprocedeerd. Al met al gelden nu de volgende regels;
- live pokeren in Nederland: de organisaties (meestal Holland Casino) voldoet aan de kansspelbelasting;
- live pokeren in de EU: er wordt in het buitenland belasting betaald, niet in Nederland;
- live pokeren buiten de EU: kansspel moet door winnaar worden afgedragen, verliezen zijn niet aftrekbaar.
En als je een partij poker zou spelen met je vrienden of collega's en hierbij een prijs of geld zou winnen, is deze vrij van kansspelbelasting.
Naast loterijen (zoals de Staatsloterij of Postcodeloterij) en casinospelen vallen de volgende categorieën onder kansspelen:
- pokerspelen;
- puzzels;
- bingo's;
- weddenschappen;
- kansspelen met een kansspelautomaat.
Wanneer moet er kansspelbelasting worden betaald?
Prijs gewonnen bij een kansspel is natuurlijk een feestje. Maar wanneer moet er belasting worden betaald? Enkele voorbeelden:
- Prijs lager dan € 449 (cijfers 2024) > geen kansspelbelasting, tenzij het gaat om een prijs bij een online kansspel.
- Prijs hoger dan € 449 (cijfers 2024) bij Nederlands kansspel > bij een fysiek spel (dus offline) zal de organisator (in Nederland gevestigd) de belasting afdragen.
- Prijs hoger dan € 449 (cijfers 2024) bij buitenlands kansspel > de leiding of het bestuur van het kansspel is niet in Nederland gevestigd en het gaat om een offline kansspel, de winnaar moet zelf aangifte doen voor de kansspelbelasting.
- Prijs bij online kansspel > betalen over de winst, als de aanbieder in het buitenland is gevestigd en geen vergunning heeft van de kansspelautoriteiten. De aangifte moet je zelf indienen. Als de aanbieder wel een vergunning heeft hoef je geen aangifte te doen. Controle of aanbieder een vergunning heeft kan hier.
Belastingplichtig voor de kansspelbelasting
De kansspelbelasting kan door de organisator of de prijswinnaar worden betaald. Dit is afhankelijk van het soort kansspel. In de rechtspraak is meermaals benadrukt dat de verplichting tot het betalen van kansspelbelasting onlosmakelijk verbonden is aan het winnen van een prijs. Zo oordeelde de Hoge Raad in een arrest uit 2015 dat de belastingplicht niet alleen van toepassing is op geldprijzen, maar ook op materiële prijzen zoals auto’s of reizen, waarbij de marktwaarde van het object bepalend is voor de belastingaanslag (HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1108).
Geen aangifteplicht
Bij casino's in Nederland, zoals Holland Casino, zijn de gokexploitanten verantwoordelijk voor het afdragen van de kansspelbelasting. De speler ontvangt het nettobedrag waarbij de belasting al is verrekend. Dit geldt ook voor andere kansspelautomaten, zoals die in amusementscentra. Het gaat in dit onderdeel om een offline kansspel. Hiervan is sprake als er bij het spel fysiek contact is. Wanneer je dus speelt in een landgebonden casino, een loterij, een bingo of een pokertoernooi waar de organisator is gevestigd in Nederland en er sprake is van een offline kansspel, dan verzorgd de aanbieder de aangifte kansspelbelasting voor prijzen boven de €449. Daarnaast verzorgd de aanbieder de aangifte kansspelbelasting voor prijzen boven de €449 bij een online kansspel waarvan de aanbieder een vergunning van de Nederlandse kansspelautoriteit heeft. Deze aanbieders zijn te herkennen aan het woordmerk ‘Vergunninghouder Kansspelautoriteit’ op hun website.
Wel aangifteplicht
Je moet wel via dit formulier zelf aangifte kansspelbelasting doen wanneer:
- Je een prijs in geld of natura hebt gewonnen bij een online kansspel waarvoor in Nederland geen vergunning is verleend door de kansspelautoriteit.
- Je een prijs in geld of natura hebt gewonnen met een offline kansspel waarvan de leiding van de organisatie niet in Nederland is gevestigd.
- Je een prijs in geld of natura hebt gewonnen door deelname aan een loterij in het buitenland.
Let op: er is toch geen aangifteplicht wanneer je een prijs hebt gewonnen bij een offline casinospel, een kansspelautomaat, een sportweddenschap of een weddenschap op paardenraces en de organisator binnen de Europese Unie gevestigd.
Noot fiscaal jurist inzake kansspelbelasting
Het is belangrijk dat spelers, zowel in Nederland als daarbuiten, goed op de hoogte zijn van de regelgeving rondom kansspelbelasting. Door goed voorbereid te zijn voorkom je vervelende verrassingen wanneer je een mooie prijs wint – of dit nu in de vorm van geld of een object is. Zijn er vragen (naar aanleiding van bovenstaande), neem gerust vrijblijvend contact op met onderstaande fiscalisten.
Bronnen, de fiscale kant van kansspelbelasting
ZZPer met BV hiermee dienstbetrekking discussie voorkomen?
Met de aankondiging van de Belastingdienst dat zij vanaf 1 januari 2025 weer streng gaat controleren (einde van het zogenoemde handhavingsmoratorium) op de inzet van ZZP’ers, is er in veel sectoren onrust ontstaan, niet alleen bij de opdrachtgevers maar ook bij de ZZP’ers zelf. Nu is de discussie over schijnzelfstandigheid niet nieuw, maar voor het einde van het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 werd er alleen gecorrigeerd als sprake was van kwaadwillendheid.
Naheffingen over periode voor 2025 bij ZZPer?
Het opheffen van het handhavingsmoratorium wil niet zeggen dat correcties nu ook met terugwerkende kracht zullen plaatsvinden. Er wordt namelijk wel rekening gehouden met het handhavingsmoratorium, waardoor correcties met terugwerkende kracht alleen worden doorgevoerd tot 1 januari 2025. Voor de periode vóór 1 januari 2025 kan de Belastingdienst, binnen de vijfjaarstermijn, alleen correcties opleggen bij kwaadwillendheid of onvoldoende opvolging van eerder gegeven aanwijzingen.
Vanuit een mogelijk verminderd beroep op de inzet van ZZP’ers als gevolg van het eind van het handhavingsmoratorium is het logisch dat wordt gekeken naar mogelijke oplossingen. Om die reden beantwoorden wij hierna de vaag of de B.V. voor de ZZP’er vanaf 2025 de oplossing is voor het ontstane probleem.
Terugblik, niet elke ZZPer is ondernemer
De Wet Derugulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA) is in 2016 ingevoerd met als doel om schijnzelfstandigheid beter aan te pakken. De Wet DBA werd daarmee ‘de opvolger’ van de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR). De invoering van de Wet DBA leidde tot veel onrust, omdat de regels rondom het werken met zelfstandigen niet duidelijk waren.
Om deze onrust te verminderen is het handhavingsmoratorium ingesteld kort na de invoering van de Wet DBA.
Dit handhavingsmoratorium hield in dat de Belastingdienst bij opdrachtgevers niet met terugwerkende kracht kon corrigeren op de kwalificatie van de arbeidsrelatie voor de loonheffingen, behalve in gevallen van evidente kwaadwillendheid.
Onder de Wet DBA kon worden gewerkt met zogenoemde modelovereenkomsten. In de kamerbrief van 6 september jl. is aangegeven dat deze modelovereenkomsten zullen worden uitgefaseerd. De Belastingdienst beoordeelt de aan haar voorgelegde modelovereenkomsten (beoordeling op de kwalificatie van de arbeidsrelatie) vanaf 6 september ook niet langer; lopende goedkeuringen blijven wel geldig tot de einddatum van de goedkeuring, mits wordt gewerkt zoals overeengekomen in de (goedgekeurde) modeloveeenkomst.
Wat zeggen rechters over ondernemerschap van ZZPer?
Op dit moment is voor het beoordelen van een arbeidsrelatie het zogenoemde Deliveroo-arrest leidend.
De Hoge Raad heeft in dit arrest aangegeven dat de beoordeling van de arbeidsrelatie holistisch dient plaats te vinden (alle feiten en omstandigheden worden gewogen). In dit kader weegt de Hoge Raad de volgende omstandigheden:
- de aard en duur van de werkzaamheden;
- de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald;
- de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht;
- het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren;
- de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen;
- de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd;
- de hoogte van deze beloningen;
- de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt;
- de vraag of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen (het ondernemerschap) en
- het gewicht dat toekomt aan een contractueel beding.
Nieuwe wetgeving inzake ZZPer en dienstbetrekking
De Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Wet VBAR) ligt op dit moment bij de Raad van State. De wet wordt naar verwachting op 1 januari 2026 ingevoerd. Op basis van deze wet wordt de arbeidsrelatie beoordeeld op basis van ‘werkinhoudelijke aansturing’ en “organisatorische inbedding’ en deze criteria worden afgezet tegen het ondernemerschap van de zelfstandigen. Het komt ons voor dat hiermee niet veel meer duidelijkheid wordt geschapen, maar dat wel aansluiting wordt gezocht bij de holistische beoordeling van de arbeidsrelatie in lijn met het Deliveroo-arrest. De Wet kent wel een echtsvermoeden van het bestaan van een dienstbetrekking als de opdrachtnemer minder verdiend dan een kleine EUR 33 per uur.
De B.V., een oplossing voor de ZZPer?
Als de werkzaamheden van een zelfstandige via een B.V. plaatsvinden, moet worden gekeken of aan de B.V. reële betekenis toekomt. Bij deze beoordeling is van belang of er ook andere dan fiscale motieven zijn om bij het uitvoeren van de opdrachten te kiezen voor de B.V. De arbeidsrelatie van de zelfstandige wordt voorts nog steeds getoetst aan de drie criteria voor het bestaan van een dienstbetrekking:
- moet de opdrachtnemer/werknemer gedurende een zekere tijd persoonlijk arbeid verrichten?
- wordt loon betaald?
- is sprake van een gezagsverhouding.
Daarbij wordt ‘door de B.V. heen gekeken indien deze geen reële betekenis toekomt; het verweer dat er geen sprake kan zijn van loon omdat wordt gefactureerd vanuit een B.V. heeft alsdan geen kans van slagen; de opdrachtnemer/werknemer wordt geacht de beloning zelf te hebben ontvangen.
In feite wordt derhalve het ondernemerschap van de opdrachtnemer beoordeeld. In een recente uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch pleitte volgens het Gerechtshof een aantal elementen tegen het bestaan van een gezagsverhouding (lees voor het ondernemerschap van de opdrachtnemer:
- betaling per opdracht;
- eigen vervoer, kleding en gereedschappen;
- niet herkenbaar als werknemer van de opdrachtgever;
- de mogelijkheid om zelf te bepalen wanneer je niet beschikbaar bent;
- niet meedoen aan bedrijfsuitjes, bedrijfstrainingen en functioneringsgesprekken;
- geen doorbetaling bij ziekte en verlof;
- het voor eigen rekening moeten oplossen van problemen achteraf.
Los van deze uitspraak kan gewicht worden gehecht aan het feit of (i) gelijktijdig of volgtijdig sprake is van meerdere opdrachtgevers, (ii) opdrachtnemer aansprakelijk is voor fouten etc.
Kort maar goed, het enkel tussenschuiven van een B.V. biedt geen uitkomst voor ZZP’ers / schijnzelfstandigen. Net als degenen die niet werken via een B.V. gaat het er in alle gevallen om te beoordelen of iemand ‘ondernemer’ is of in feite werkt in een verkapt dienstverband.
Bronnen ZZPer met een BV
HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443, inzake Deliveroo (artikel)
Kamerbrief 6 september 2024 inzake het opheffen van het handhavingsmoratorium.
Hof Arnhem-Leeuwarden 15 januari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BY9433.
Hof Arnhem-Leewarden 15 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10512.
Verzenden bezwaar en beroepschrift
Henk heeft tijdig digitaal beroep ingesteld tegen een uitspraak op bezwaar. De Rechtbank heeft het beroep niet ontvankelijk verklaard (8:54 AWB). Henk stelt dat het beroepschrift tijdig is ingediend, de rechtbank achtte die niet voldoende bewezen. De Hoge Raad is op 11 oktober 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1423) van mening dat Henk slechts aannemelijk hoefte te maken dat het beroepschrift tijdig is verzonden. Kennelijk is het stuk niet door de Belastingdienst ontvangen.
Accountant of boekhouder ziek .. is dit verschoonbare termijn overschrijding?
De boekhouder of accountant (kleine zelfstandige zonder personeel) lag in het ziekenhuis (6 maanden) in verband met een zware operatie. Hierdoor heeft de klant de aanslag / beschikking gemist (inzake TVL subsidie). Is dit een verschoonbare termijnoverschrijding? Volgens het college van beroep voor het bedrijfsleven wel (ECLI:NL:CBB:2025:313)
Digitaal bezwaar maken tegen aanslagen
Vanaf 2025 kunnen wij als fiscale dienstverlener (via onze software) digitaal bezwaar aantekenen tegen belastingaanslagen inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting of omzetbelasting. Dit gaat meestal via de post en vanaf 2025 dus via de digitale route. Dit kan met exact, AFAS en Nextens software. Een bezwaarschrift per post versturen kan natuurlijk ook. Voordeel van de digitale route is dat de snelheid omhoog gaat en dat er geen onduidelijkheid is over ontvangst door de belastingdienst en de plek binnen de belastingdienst waar het bezwaarschrift wordt behandeld.
Ontvangst of verzendtheorie bij fiscale procedures
Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd (soms gaat dit nu digitaal), mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen, aldus 6.9 lid 2 AWB. Als de Belastingdienst een stuk te laat heeft ontvangen is er vaak sprake van gedoe. Een beroep op de verschoonbare termijnoverschrijding is mogelijk als u aannemelijk maakt dat uw bezwaar of beroepschrift is verzonden. Het geniet daarom altijd de voorkeur om belangrijke documenten, zoals bezwaarschriften en beroepschriften aangetekend te versturen. Dat beroepschriften nu digitaal kunnen worden ingediend is hiertoe een mooie stap vooruit.
Noot fiscaal jurist inzake ontvangst en verzendtheorie
De Centrale Raad van Beroep heeft ook al eens gekeken naar de ontvangst en verzendtheorie bij bezwaar en beroepschriften (ECLI:NL:CRVB:2020:1207), hierbij speelt de AWB een belangrijke rol (ondermeer artikel 6:9 lid 2 AWB). Als het bezwaarschrift of (hoger)beroepschrift binnen de wettelijke termijn bij een bestuursorgaan ter post of digitaal is bezorgd én het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen, dan is het stuk toch tijdig ingediend, dit kan dus via verschillende postbedrijven en ook digitaal. In het verleden mochten poststukken enkel door PostNL worden verzonden, dit is op grond van een poolse procedure bij het Hof van Justitie (zaak C545/17) niet toegestaan. Kort en goed komen we tot het volgende;
Hier is een samenvatting van het artikel met bullets en enkele praktische tips:
- Problemen bij bezwaar en beroep: Termijnen voor bezwaar en beroep zorgen vaak voor problemen, vooral als burgers niet tijdig op de hoogte worden gebracht van een beschikking.
- Risico’s bij verzending: De overheid hanteert de "verzendtheorie" (iets is tijdig als het is verzonden), terwijl burgers de "ontvangsttheorie" moeten volgen (iets is tijdig als het is ontvangen), wat risico's voor burgers met zich meebrengt.
- Bewijslast bij verzending: De bewijslast van de verzending ligt bij de verzender. Voor burgers betekent dit dat zij vaak in een onmogelijke bewijspositie zitten als zij moeten bewijzen dat iets niet is ontvangen.
- Betrouwbaarheid van post en elektronische verzending: Aangetekende verzending biedt geen garantie van de inhoud en de betrouwbaarheid van reguliere post blijft een punt van zorg. Fax wordt nog steeds als een veilige optie gezien, ondanks pogingen van de Belastingdienst om het gebruik te ontmoedigen. Gelukkig kunnen beroepschriften digitaal worden ingediend en wordt ook de e-mail steeds vaker gebruikt.
- Bekendmaking van beschikkingen: De verzend- en ontvangstregels bij beschikkingen zijn voor burgers nadelig, aangezien de overheid vaak vertrouwt op de dagtekening van verzending in plaats van ontvangst.
- Jurisprudentie over ontvangst: Rechters zijn terughoudend in het accepteren van claims over niet-ontvangen stukken, tenzij er overtuigend bewijs is dat de stukken daadwerkelijk niet zijn ontvangen en/of zijn verzonden, zie ook de uitspraak van de Hoge Raad die hier is behandeld.
Tips bij ontvangen en verzenden van stukken
- Gebruik aangetekende post: Overweeg altijd om belangrijke stukken aangetekend te versturen, hoewel dit geen garantie biedt over de inhoud van de verzending. Verstuur beroepschriften zoveel mogelijk digitaal en bezwaarschriften ook per e-mail met ontvangst en leesbevestiging.
- Bewaar verzendbewijzen: Houd verzendbewijzen zorgvuldig bij, bijvoorbeeld een verzendjournaal bij faxverzending, om bewijs te kunnen leveren in geval van een geschil.
- Elektronische opties: Maak, indien toegestaan, gebruik van elektronische communicatie (zoals fax, mail of uploaden) die een verzendbewijs levert.
- Let op ontvangstbevestigingen: Vraag om ontvangstbevestigingen als
je elektronische stukken verstuurt. Dit kan helpen om aan te tonen dat
een document correct is afgeleverd.
Navordering, Vertrouwensbeginsel en Toerekening
In de basis moeten mensen elkaar kunnen vertrouwen, binnen de fiscale wereld is dit niet anders. Als een belastingplichtige op grond van een toezegging of afspraak met de inspecteur (of andere gedragingen of uitlatingen van de Belastingdienst) redelijkerwijs op een bepaalde behandeling of afspraak mag vertrouwen moet de Belastingdienst deze ook nakomen en honoreren. Het is wel van belang dat de toezegging is gedaan op heldere en volledige feiten en openheid van zaken. Daarnaast mag de toezegging of afspraak niet klip en klaar in strijd zijn met de wet (en had de belastingplichtige dit ook moeten weten of beseffen).
Tip: op algemene inlichtingen of informatie van de belastingtelefoon mag een belastingplichtige niet altijd vertrouwen, vastleggen van dergelijke telefoongesprekken of afspraken is dus van belang.
In de praktijk zien wij niet vaak dat de belastingdienst (en ook rechters) meegaan in het stellen "vertrouwensbeginsel geschonden". Het is van belang om dit goed en zorgvuldig te onderbouwen met voldoende jurisprudentie en inhoudelijke onderbouwingen.
Vertrouwen op de Belastingdienst
Als belastingplichtige mag u erop vertrouwen dat een eenmaal opgelegde belastingaanslag zekerheid biedt. Toch heeft de Belastingdienst onder bepaalde omstandigheden de mogelijkheid om een te lage aanslag te corrigeren door middel van navordering. Dit kan ingrijpende financiële gevolgen hebben, vooral wanneer u dacht dat uw zaak definitief was afgerond. De wet stelt echter strenge voorwaarden aan navordering en de Belastingdienst moet zich daarbij houden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb), waaronder het vertrouwensbeginsel in belastingzaken. Dit beginsel beschermt u als u redelijkerwijs mocht vertrouwen op de juistheid van de aanslag. In dit artikel behandelen we hoe het vertrouwensbeginsel werkt bij navordering en wat dit voor u betekent. Ook bespreken we hoe de kennis van een inspecteur kan worden toegerekend aan een andere inspecteur en wat dit in de praktijk betekent voor belastingprocedures.
Vertrouwensbeginsel bij juist invullen formulieren belastingdienst
Vertrouwen is goed en controleren is beter. De basis van het vertrouwensbeginsel is dat een belastingplichtige de belastingdienst moet kunnen vertrouwen en hij of zij ervan mag gaan dat er zorgvuldig wordt gehandeld. Tevens kan de belastingdienst (de inspecteur) niet terugkomen op eerdere handelingen. In een casus bij het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 31 januari 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:269) ging het om een in België wonende pensionado met pensioen uit Nederland en België (buitenlands belastingplichtig). De heer X vroeg keurig elk jaar een vrijstellingsverklaring in Nederland aan zodat er geen loonbelasting en premies volksverzekeringen worden ingehouden over zijn pensioenuitkering. In deze verklaring is geen ruimte om aan te geven dat er ook pensioen in het woonland (België) wordt betaald. De inspecteur trekt de verklaring per 2018 in en legt over 2014 tot en met 2017 navorderingaanslagen op. Partijen zijn het er over eens dat bij een juiste opgave Nederland inderdaad had mogen heffen, edoch de heer X heeft alles keurig opgegeven en ingevuld en mocht er dan ook op vertrouwen dat er niks aan de hand was. Volgens de inspecteur had de heer X (of zijn fiscalist) moeten weten dat de Nederlandse vrijstellingsbeschikking fout zou moeten zijn, dus de heer X mag er op vertrouwen maar dit vertrouwen is niet gerechtvaardigd (aldus de inspecteur). Volgens het Gerechtshof ligt dit anders, de heer X mag op de vrijstellingsverklaring vertrouwen, dit vertrouwen is ook gerechtvaardigd omdat:
- de toezegging is niet in strijd met een juiste wetstoepassing welke de belastingplichtige had moeten weten of beseffen
- de belastingplichtige mocht in redelijk vertrouwen op de uitlatingen van de belastingdienst
- de belastingdienst moet de toezegging hebben gedaan op grond van alle relevante feiten en omstandigheden.
Het Gerechtshof was het dus met de heer X eens. De Hoge Raad d.d. 24 oktober 2025 ECLI:NL:HR:2025:1618 vraagt eerst de AG om advies (d.d. 22 november 2024 ECLI:NL:PHR:2024:1255). Volgens de AG ligt de zaak vrij simpel, de heer X heeft het aanvraagformulier juist en volledig ingevuld en hij mag er dan op vertrouwen dat alle relevante informatie is verstrekt. Volgens de AG was er voor de heer X geen aanleiding om te denken (of veronderstellen) dat hij informatie over de feitelijke heffing in België moest verstrekken, hierover werden immers geen vragen gesteld. Van de heer X hoeft niet worden verwacht dat hij de Nederlandse Belastingdienst onderwijs gaat geven over het Belgische belastingrecht. Dat de belastingdienst een vraag over de belastingheffing in België niet opneemt in het formulier komt voor rekening van de Nederlandse belastingdienst.
Geen nieuw feit dus geen navorderingsaanslag
De Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt op 5 juni 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:3526) dat de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2020 en de belastingrentebeschikking onterecht aan belanghebbende (X) zijn opgelegd. De inspecteur beschikte namelijk niet over een nieuw feit en maakte een beoordelingsfout.
- Henk diende op 29 maart 2021 zijn aangifte IB 2020 in met een belastbaar inkomen van € 68.422.
- De inspecteur stelde op 13 augustus 2021 een onderzoek in naar de aangifte IB 2019 van Henk, wat op 11 maart 2022 leidde tot een correctie.
- Desondanks werd de definitieve aanslag IB 2020 op 18 maart 2022 automatisch vastgesteld, zonder rekening te houden met deze eerdere correctie.
- Op 30 mei 2022 ontving de inspecteur nadere gegevens vanuit Luxemburg, waarna op 21 juni 2022 een navorderingsaanslag werd opgelegd voor een inkomen van € 87.293, inclusief € 1.030 belastingrente.
Er is geen nieuw feit, omdat de inspecteur bij het vaststellen van de oorspronkelijke aanslag IB 2020 het dossier had moeten raadplegen. Daaruit bleek al dat de aangifte onjuist was (correctie 2019). Er is geen sprake van een kenbare fout, omdat de inspecteur een verwijtbare beoordelingsfout maakte. Hij had maatregelen moeten nemen om automatische verwerking van de aangifte 2020 te voorkomen. De rechtbank vernietigt zowel de navorderingsaanslag IB 2020 als de belastingrentebeschikking van Henk. De inspecteur had zijn controledossier beter moeten benutten en de aanslag zorgvuldiger moeten opleggen.
Geen nieuw feit voor in buitenland wonende belastingplichtige
Het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 2 juli 2025 ECLI:NLGHSHE:2025:1853, heeft diverse navorderingsaanslagen vernietigd. De aanslagen waren opgelegd aan een in Duitsland wonenden belastingplichtige. Volgens het hof had de inspecteur uit eerdere gegevens kunnen opmaken (of afleiden) dat het pensioen publiekrechtelijk is opgebouwd en dat de AOW uitkering in Duitsland belastbaar zou zijn. Het nieuwe feit is niet aanwezig en de navorderingsaanslagen over 2017, 2018 en 2019 gaan in de prullenbak. In dit geval deed de belastingplichtige in Nederland aangifte (als kwalificerend buitenlands belastingplichtige), hij gaf zijn pensioen op en claimde aftrek voor rentekosten (eigen woning) en specifieke zorgkosten (als ook de heffingskortingen). De aangifte wordt gevolgd en in later (in 2022) worden navorderingsaanslagen opgelegd. De rechter gaat er eens goed voor zitten en stelt dat de inspecteur het dossier goed kendem dit volgt uit het hoorverslag uit 2002 en de aanslag inkomstenbelasting over 2015. Aandachtspunt in deze procedure is nog dat er een wijziging heeft plaatsgevonden in de verdragsafspraak in 2016. Deze informatie was in het fiscale dossier aanwezig. Ook voor de alternatieve route (artikel 16 lid 2 c AWR) kon geen opening bieden (navordering is toegestaan bij een fout van belastingplichtige die voor hem of haar kenbaar was). In de procedure in eerste aanleg (Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 14 juni 2023 ECLI:NL:RBZWB:2023:4125) ging het voor de belastingdienst nog wel goed (en bleven de navorderingsaanslagen wel in stand).
De Regels rondom navorderingsaanslagen
De mogelijkheid tot navordering is geregeld in artikel 16 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Deze regels zijn van toepassing op zogenoemde aanslagbelastingen, zoals de inkomstenbelasting. Navordering kan plaatsvinden als de Belastingdienst een nieuw feit ontdekt, zoals fouten in de aangifte of nieuwe informatie waarover zij op het moment van de aanslag niet beschikte. Er zijn echter situaties waarin de inspecteur geen nieuw feit nodig heeft, bijvoorbeeld bij fouten in de verrekening van voorheffingen zoals de loonheffing.
Tip: Heeft u een navorderingsaanslag ontvangen en twijfelt u of deze terecht is? Schakel een fiscaal jurist in om uw rechten te onderzoeken. Wij kunnen beoordelen of de Belastingdienst zich aan de voorwaarden voor navordering heeft gehouden.
Foutieve Verrekening van Loonheffing
In de besproken casus gaat het om een belastingplichtige (hierna: "belanghebbende") die door zijn werkgever naar Oman was uitgezonden. In zijn aangifte over 2016 had hij een groot bedrag aan ingehouden loonheffing opgegeven, waarmee de inspecteur akkoord ging. Later bleek dat de werkgever deze loonheffing foutief had berekend en een aanzienlijke teruggaaf had ontvangen, zonder dit door te geven aan de werknemer. De werknemer was hiervan niet op de hoogte, maar vroeg zelf om een herziening van zijn belastingaanslag. De inspecteur keurde dit verzoek goed en verleende een teruggaaf. Vervolgens legde de inspecteur echter een navorderingsaanslag op, omdat de werknemer geen recht zou hebben op de teruggaaf.
Vertrouwensbeginsel en Belastingdienst
Het vertrouwensbeginsel houdt in dat u als belastingplichtige mag vertrouwen op een bewuste beslissing van de Belastingdienst. Als de inspecteur bijvoorbeeld bewust een standpunt heeft ingenomen op basis van alle beschikbare informatie (Hoge Raad 10 december 2021), dan mag u er in beginsel op rekenen dat dit standpunt in rechte wordt beschermd. Dit geldt met name als u volledig en open bent geweest in uw communicatie met de Belastingdienst. Een inspecteur kan een gemaakte afspraak wel voor de toekomst opzeggen (Rechtbank Noord Holland d.d. 26 juli 2022)
In de casus oordeelde het Hof dat de werknemer een beroep op het vertrouwensbeginsel kon doen, omdat de inspecteur handmatig het verzoek om teruggaaf had beoordeeld en dit bewust had toegewezen. De werknemer mocht erop vertrouwen dat de inspecteur op de hoogte was van alle relevante informatie en een weloverwogen beslissing had genomen.
Tip: Heeft de Belastingdienst een standpunt ingenomen dat in uw voordeel werkt? Zorg ervoor dat u alle relevante informatie verstrekt en documenteer uw communicatie zorgvuldig. Dit kan helpen om een beroep op het vertrouwensbeginsel succesvol te laten zijn.
Vertrouwen op website, beleid en algemene informatie Belastingdienst
Voor toepassing van het vertrouwensbeginsel moet wel een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen uitlatingen van de Belastingdienst en een bewuste standpuntsbepaling (zoals ruling, vaststellingsovereenkomst etc.).
- Algemene voorlichting via de internetsite, handboeken, belastingtelefoon, etc. zijn in de basis geen grondslag voor het vertrouwensbeginsel (zie Hoge Raad d.d. 16 mei 2008 ECLI:NL:HR:2008:BB7839) .
- Soms kan een belastingplichtige wel vertrouwen ontlenen aan algemene informatie van de Belastingdienst, kijk hiertoe naar de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 5 november 2021 ECLI:NL:HR:2021:1654.
- Als het om beleid gaat mag de belastingplichtige hier wel op vertrouwen, zie hiertoe een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 9 april 2021 ECLI:NL:HR:2021:439
- Een telefonische toezegging van de inspecteur kan soms vertrouwen opwekken (Hof Den Haag d.d. 18 april 2003) of Hof 's Hertogenbosch d.d. 13 februari 2020 en ditzelfde Hof op 14 oktober 2021.
- Een fout in het aangifteprogramma van de Belastingdient levert dan weer geen vertrouwen op (Hoge Raad d.d. 7 december 2001).
- Als de aangifte door de Belastingdienst is gemaakt (hulp bij aangifte) dan mag je hierop dan wel weer vertrouwen (Hof Arnhem 29 augustus 2002).
- Als een inspecteur of controleur tijdens een boekenonderzoek een uitspraak doet over een fiscale heffing mag je hierop vertrouwen, ook als hij/ zij deze toezegging binnen 2 dagen zou herroepen, aldus de Hoge Raad op 14 juni 2000.
Als er met de Belastingdienst overleg is geweest inzake een aftrekpost, bijvoorbeeld via een briefwisseling, is al snel sprake van "vertrouwen". In een situatie omtrent studiekosten (ruim € 100.000) voor een verkeersvlieger speelde dit. Het Gerechtshof was op 25 februari 2014 van mening dat de belastingplichtige zich mocht beroepen op het vertrouwensbeginsel.
Toerekening van Kennis tussen Inspecteurs en vertrouwensbeginsel
Een ander interessant aspect van deze zaak was de vraag of de kennis van de ene inspecteur kan worden toegerekend aan de andere. In deze casus was de inspecteur loonheffing op de hoogte van de teruggaaf aan de werkgever, maar de inspecteur inkomstenbelasting blijkbaar niet. Het Hof oordeelde dat de kennis van de inspecteur loonheffing toegerekend moest worden aan de inspecteur inkomstenbelasting, omdat beide informatie deelden binnen het systeem van de Belastingdienst.
Dit is belangrijk, omdat het betekent dat u als belastingplichtige niet de dupe mag worden van interne miscommunicatie of gebrekkige coördinatie binnen de Belastingdienst. Als de ene inspecteur over cruciale informatie beschikt, mag de andere inspecteur daar niet zomaar aan voorbijgaan.
Tip: Bij geschillen met de Belastingdienst is het verstandig om na te gaan of de relevante inspecteurs op de hoogte zijn van alle feiten. In complexe zaken kan het nuttig zijn om dit expliciet te vermelden in uw correspondentie. Vraag hiertoe om een dossierinzage, zowel van het papieren als digitale dossier!
Jurisprudentie: vertrouwensbeginsel in de Rechtspraak
De jurisprudentie rondom het vertrouwensbeginsel laat zien dat dit beginsel een krachtige bescherming biedt aan belastingplichtigen, maar dat het zorgvuldig moet worden toegepast. De belastingplichtige moet voldoen aan zijn **informatiezorgplicht**, wat betekent dat hij de Belastingdienst correct en volledig moet informeren. Daarnaast mag de beslissing van de Belastingdienst niet in strijd zijn met de wet, anders kan het beroep op het vertrouwensbeginsel alsnog worden afgewezen.
In de praktijk zien we echter dat de Hoge Raad steeds vaker oog heeft voor de zogenoemde "menselijke maat" in belastingzaken. Dit houdt in dat de belastingplichtige in redelijkheid mag vertrouwen op toezeggingen of handelingen van de Belastingdienst, ook als deze niet altijd perfect verlopen. Een recente uitspraak van de Staatsraad Advocaat-Generaal heeft dit verder verduidelijkt, waarbij hij pleit voor meer aandacht voor het burgerperspectief.
Tip: Heeft de inspecteur in uw zaak een standpunt ingenomen waar u op vertrouwt? Houd er rekening mee dat dit niet zomaar kan worden teruggedraaid, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals een wetswijziging. Wij kunnen u helpen om uw rechten te beschermen en bezwaar of beroep aan te tekenen als de Belastingdienst haar standpunt herziet.
Noot fiscaal jurist inzake vertrouwensbeginsel
Het vertrouwensbeginsel en de regels rond navordering bieden belastingplichtigen belangrijke bescherming tegen willekeurige of onjuiste handelingen van de Belastingdienst. Toch blijft de toepassing ervan vaak complex en is het verstandig om juridische ondersteuning in te schakelen. Of het nu gaat om een beroep op het vertrouwensbeginsel of om de vraag of een inspecteur een navorderingsaanslag mag opleggen: een goed onderbouwd bezwaar kan het verschil maken.
Let erop dat een rechter niet ambtshalve de beginselen van behoorlijk bestuur gaat toetsen, u moet hierop dus wel een beroep doen,
Heeft u te maken met een navorderingsaanslag of twijfelt u of de Belastingdienst haar afspraken nakomt? Ons team van ervaren fiscale juristen staan klaar om u te ondersteunen. Neem gerust contact met ons op voor een vrijblijvend adviesgesprek. Wij helpen u graag om uw rechten te verdedigen en eventuele fiscale risico's te minimaliseren.
Schending verdedigingsbeginsel, vernietiging aanslag
Bij BTW-naheffingsaanslagen kan de aanslag vernietigd worden als geen hoor- en wederhoor heeft plaatsgevonden voordat de aanslag is opgelegd. De omstandigheid dat geen hoor en wederhoor plaatsvindt, is in strijd met het verdedigingsbeginsel. De aanslag moet worden vernietigd indien hoor- en wederhoor tot een andere uitkomst had kunnen leiden. Over deze vraag ging de volgende procedure.
Op grond van het EI verdedigingsbeginsel moet de belastingdienst een belastingplichtige vooraf de gelegenheid geven (of bieden) om te reageren op een voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag. Als een inspecteur zich niet aan deze spelregel zou houden, terwijl de belastingplichtige wel een (relevante) inbreng had kunnen geven, vernietigd de rechter de desbetreffende aanslag. In de procedure die wij hier behandelen ging de aanslag inderdaad in de spreekwoordelijke prullenbak. In een eerdere kwestie bij de Hoge Raad (in 2022) wordt er enige nuance door de Hoge Raad besproken.
Het verdedigingsbeginsel in de fiscale wereld
Belanghebbende is ondernemer voor de omzetbelasting. Zijn ondernemingsactiviteiten bestaan uit het geven van hockeylessen. Belanghebbende is in het bezit van het diploma trainer en coach niveau 4 van de KNHB.
Belanghebbende sluit met een bedrijf een “Overeenkomst van opdracht Trainer Topsportklas Hockey” voor het verzorgen van hockeytrainingen en theorielessen voor leerlingen van de Topsportklas Hockey van school. De hockeytrainingen worden twee keer per week gegeven. De theorielessen worden een keer per week gegeven op school.
Voor de hockeylessen heeft belanghebbende facturen uitgereikt aan het bedrijf. Belanghebbende heeft op die facturen geen omzetbelasting in rekening gebracht. Belanghebbende heeft in verband met de hockeylessen ook geen omzetbelasting aangegeven en voldaan.
De inspecteur concludeerde na een boekenonderzoek dat de hockeylessen niet waren vrijgesteld van BTW en legde een naheffingsaanslag BTW op.
Schending verdedigingsbeginsel, de procedure
Belanghebbende betoogt dat het verdedigingsbeginsel is geschonden omdat hij niet expliciet is uitgenodigd om te worden gehoord voordat de naheffingsaanslag is opgelegd. Belanghebbende bestrijdt dat hij bij de slotbespreking van het boekenonderzoek aanwezig was. Hij kan zich niet anders herinneren dan dat hij een telefoongesprek met de controlerend ambtenaar en zijn voormalige adviseur heeft gevoerd. Of tijdens dit gesprek alle correcties zijn besproken is volgens belanghebbende dan ook de vraag. De inspecteur brengt daartegen in dat de controleambtenaar op 14 augustus 2019 de correcties met de toenmalige adviseur heeft besproken en naar aanleiding daarvan nog stukken zijn ingediend. Het boekenonderzoek is afgesloten met een slotgesprek op 10 september 2019 met belanghebbende en zijn toenmalige adviseur en tijdens dit gesprek zijn de correcties besproken. Daarmee meent de inspecteur dat hij belanghebbende voldoende gelegenheid heeft geboden om zijn standpunt naar voren te brengen. De rechtbank is het nog met de inspecteur eens, het Gerechtshof gaat er eens goed voor zitten.
Het Gerechtshof maakt uit de gang van zaken rond het afsluiten van het boekenonderzoek bij belanghebbende op dat de correcties zijn besproken met in ieder geval de toenmalige adviseur van belanghebbende en dat een (mogelijk telefonisch) slotgesprek is gevolgd. Het Gerechtshof kan echter niet uit de beschikbare informatie afleiden dat de controleambtenaar belanghebbende of zijn toenmalige adviseur tijdig en expliciet van de voorgenomen naheffingsaanslag op de hoogte heeft gesteld. Ook maakt het Gerechtshof uit het dossier niet op dat de controleambtenaar daarbij voldoende nauwkeurig de elementen die hij aan die naheffingsaanslag ten grondslag wil leggen heeft vermeld. Dit betekent dat de inspecteur het verdedigingsbeginsel heeft geschonden.
Het Gerechtshof moet vervolgens beoordelen of het besluitvormingsproces van de inspecteur zonder die schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, betoogt dat de feiten met betrekking tot de toepassing van de onderwijsvrijstelling niet duidelijk waren tijdens het boekenonderzoek en dat belanghebbende in de bezwaarfase daarover desgevraagd nog feitelijke informatie heeft verzameld en verstrekt, waaronder de overeenkomst op grond waarvan hij de hockeylessen gaf.
Naar het oordeel van het Gerechtshof heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat hij een inbreng had kunnen leveren die voor het opleggen van de naheffingsaanslag van belang was en waarvan op voorhand niet valt uit te sluiten dat deze inbreng tot een ander besluitvormingsproces zou hebben geleid. Dit betekent dat de inspecteur het verdedigingsbeginsel heeft geschonden en dat de naheffingsaanslag niet in stand kan blijven voor zover die ziet op de correctie met betrekking tot de facturen die zien op de hockeylessen.
Noot fiscaal Jurist inzake verdedigingsbeginsel en formeel belastingrecht
Hoor- en wederhoor is bij het opleggen van aanslagen een belangrijk punt. Op grond van het Europees verdedigingsbeginsel moet de Belastingdienst een belastingplichtige vooraf de gelegenheid bieden te reageren op een voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag. Soms hoeft een belastingplichtige niet te worden gehoord (Hoge Raad 10 juli 2015)
Als de inspecteur dit recht schendt, terwijl de belastingplichtige een relevante inbreng had kunnen geven, leidt dit doorgaans tot het vernietigen van de desbetreffende aanslag doorgaans (Hoge Raad 30 oktober 2015).
Van belang is vast te stellen dat het een Europees beginsel is en dus met name de omzetbelasting (beheerst door de EU-richtlijn) zal regarderen. Los daarvan is van belang dat wordt voldaan aan het andere afloop-criterium; hoor en wederhoor had moeten kunnen leiden tot een andere afloop. Zo dit niet het geval is, leidt de schending van het verdedigingsbeginsel niet tot vernietiging van de aanslag.
Aandachtspunten bij het verdedigingsbeginsel zijn
- Is de belastingplichtige zelf gehoord of anderen (zoals zijn adviseur)
- Had de belastingplichtige relevante info kunnen toevoegen en/of een inbreng kunnen hebben wat tot gevolg zou hebben dat de conclusie anders zou zijn?
- Is per tijdvak / aanslag sprake geweest van horen van de belastingplichtige?
- Is de belastingplichtige tijdig op de hoogte gebracht van de voorgenomen maatregelen van de belastingdienst?
- Heeft de inspecteur expliciet gecommuniceerd over alle relevante elementen van de naheffingsaanslag?
- Heeft de belastingplichtige voldoende tijd gehad om te reageren en/of bewijs te verzamelen?
Het niet naleven van de richtlijnen kan tot gevolg hebben dat de aanslag wordt vernietigd.
Bronnen verdedigingsbeginsel
Gerechtshof Den Bosch 3 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2150
Hoge Raad d.d. 24 juni 2022 ECLI:NL:HR:2022:934
Hoge Raad d.d. 30 oktober 2015 ECLI:NL:HR:2015:3174
Bewaarplicht Belastingdienst
Voor particulieren geldt geen wettelijke bewaarplicht. Maar voor naheffingen door de Belastingdienst is het slim om uw administratie 5 jaar te bewaren, soms kunnen ook vragen worden gesteld bij verhoging van uw hypotheek of verbouwing van uw eigen woning. Voor bedrijven en zelfstandigen geldt wel een wettelijke bewaarplicht van 7 tot 10 jaar. In de kern
- Basisgegevens 7 jaar
- Gegevens onroerende zaken 10 jaar
Geen bewaarplicht voor particulieren
Particulieren hebben feitelijk geen bewaarplicht voor hun administratie. Omdat de belastingdienst maximaal over de laatste 5 jaren kan navorderen is het wel verstandig om uw administratie (bankafschriften en onderliggende informatie belastingaangifte) te bewaren.
Bewaarplicht financiële gegevens van bedrijven
Bedrijven en zelfstandigen moeten hun administratie 7 jaar bewaren. Er zijn ook gegevens die een bedrijf 10 jaar moet bewaren. De gegevens die u moet bewaren zijn in ieder geval de volgende:
- kasadministratie (ook kladaantekeningen) en kassabonnen
- financiële aantekeningen, zoals het inkoop- en verkoopboek
- tussentijds gemaakte controleberekeningen
- ontvangen facturen en kopieën van verzonden facturen
- bankafschriften
- contracten, overeenkomsten en andere afspraken
- agenda's en afsprakenboeken
- correspondentie
- software en databestanden
- grootboekkaarten
- debiteuren en crediteuren administratie
- in en verkoop administratie
- loonadministratie
- gegevens die van belang zijn voor belastingheffing van derden
- voorraad administratie en voorraad waardering
Waarom is het belangrijk om gegevens voor de belastingdienst te bewaren?
Als uw administratie niet juist of volledig is kan dit extreem vervelende gevolgen hebben. De belastingdienst kan zelf een schatting maken van uw omzet en winst en op grond hiervan een aanslag opleggen (redelijke schatting). Als u het hiermee niet eens bent dan moet u bewijzen dat de berekening onjuist is (omkering van de bewijslast)
Toelichting op bezwaarplicht bedrijven
Digitale bankafschriften van de zakelijke rekening
Bij de meeste banken kunt u maximaal 2 jaar uw digitale bankafschriften downloaden. Doe dit dus elk jaar (en wellicht nog beter elk kwartaal). U moet immers de bankafschriften van de laatste 7 jaar opslaan.
Bankafschriften van de privérekening
Soms maken niet alleen je zakelijke bankafschriften, maar ook je bankafschriften van je privérekening(en) deel uit van de administratie. Deze kun je dus het beste ook downloaden en bewaren. Als de belastingdienst vraagt om uw privé administratie is het verstandig om een belastingadviseur te raadplegen, de informatie moet namelijk fiscaal wel relevant zijn.
Agenda op je telefoon of op papier en bewaarplicht belastingdienst
De zakelijke agenda op je telefoon of op papier moet worden bewaard omdat deze (soms) tot uw administratie behoort. Het is verstandig om een privé en zakelijke agenda bij te houden op uw telefoon. Hiermee kunt u voorkomen dat de belastingdienst ook zicht krijgt op uw privé agenda (wat weer vragen kan oproepen).
Zakelijke e-mails en bewaarplicht belastingdienst
Zakelijke e-mails maken deel uit van de administratie van uw bedrijf, deze moet u dus bewaren. Maak ook regelmatig een backup en zorg ervoor dat privé mails apart worden bewaard en/of op een ander mailadres binnenkomen.
Kassabonnen en facturen en bewaarplicht belastingdienst
Sommige kassabonnen en facturen worden geprint op thermisch papier, deze vervagen na verloop van tijd. Maak dus tijdig een scan.
Digitaal bewaren van gegevens
Gegevens die je digitaal ontvangt of opmaakt (bijvoorbeeld facturen) moet je ook digitaal bewaren. Zorg ervoor dat er altijd een backup is.
Contante omzet, alle bescheiden bewaren
Ontvang je omzet in contanten, dan moet je een kasadministratie bijhouden. Ook alle basisgegevens waarmee je deze kasadministratie opmaakt moet je bewaren. Denk hierbij aan detailgegevens van de kassa, kascontroles, kladbriefjes en dergelijke. Maak dus niet teveel stukken, stukken die worden opgesteld moeten worden bewaard. Werk zoveel mogelijk met digitale systemen.
Digitale (inkoop)facturen uit cloudomgeving
Sommige facturen, zoals facturen van je telefoon- of internetprovider, staan in een cloud-omgeving bij de provider. Je kunt deze achteraf nog wel downloaden, maar soms is deze mogelijkheid beperkt. Als je net overgestapt bent naar een andere provider, dan kun je vaak niet meer bij je gegevens komen. Download daarom ook deze facturen regelmatig en sla ze digitaal op.
Ingebrekestelling van de Belastingdienst "de dwangsom regeling"
De dwangsomregeling, zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is een belangrijk instrument om bestuursorganen te stimuleren tijdig te reageren op verzoeken en bezwaarschriften. Binnenkort kun je ook een dwangsom vragen als een dossierinzage wordt geweigerd. Het niet naleven van beslistermijnen kan leiden tot de verplichting voor het bestuursorgaan om een dwangsom te betalen. Hoewel dit mechanisme bedoeld is om de efficiëntie te verhogen, wordt het soms misbruikt door burgers die verzoeken indienen met de intentie om dwangsommen te incasseren. Dit artikel bespreekt de werking van de dwangsomregeling, relevante jurisprudentie en recente wetswijzigingen.
Dwangsom bij belastingdienst indienen (download)
De dwangsom kan via een speciaal formulier worden ingediend. Het formulier kunt u via de site van de belastingdienst downloaden. Hierbij stelt u de Belastingdienst in gebreke en verzoekt om een beslissing binnen 2 weken.
Werking van de Dwangsomregeling
- Ingebrekestelling: Een belastingplichtige kan rechtstreeks in beroep komen bij de rechtbank als de Belastingdienst na indiening van een bezwaarschrift niet binnen de in artikel 7:10 Awb gestelde termijn uitspraak doet en twee weken zijn verstreken na een ingebrekestelling (artikel 6:12 Awb).
- Dwangsom: Wordt ondanks de ingebrekestelling binnen twee weken geen uitspraak op bezwaar gedaan, dan is de inspecteur een dwangsom verschuldigd (artikel 4:17 Awb). De maximale dwangsom bedraagt €1.442.
- Rechtsgang: In afdeling 8.2.4A van de Awb (artikel 8:55b e.v.) is aangegeven hoe de rechtbank moet omgaan met een beroep dat gericht is tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Relevante Jurisprudentie inzake een ingebrekestelling en dwangsom
- Ontvangstdatum beslistermijn: Voor een ingebrekestelling mag de beslistermijn van het bestuursorgaan nog niet zijn verstreken. Bepalend is de datum van ontvangst door het bestuursorgaan (HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:785).
- Ingebrekestelling per E-mail: Ingebrekestelling kan ook per e-mail worden gedaan (Hof Arnhem 11 september 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BX7754).
- Samenhangende beschikkingen: Voor de toepassing van de dwangsomregeling kan slechts één dwangsom worden verbeurd met betrekking tot samenhangende beschikkingen op hetzelfde biljet (HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:485).
- Beslissende datum: De formele datum van de beschikking is beslissend voor de dwangsom, ongeacht eerdere communicatie (Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04 maart 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:1439).
- Niet tijdig betalen dan rente vergoeden: als een dwangsom niet tijdig wordt betaald moet de belastingdienst - na 4 weken - ook rente vergoeden (HR 26 februari 2016 ECLI:NL:HR:2016:315)
- Eisen ingebrekestelling: Een ingebrekestelling moet duidelijk maken op welke aanvraag het betrekking heeft, dat het bestuursorgaan niet tijdig heeft beslist, en aandringen op een besluit (HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2300).
- Schriftelijke kennisgeving vermindering: een schriftelijke kennisgeving van de vermindering van een aanslag is geen uitspraak op bezwaar, ook niet als volledig aan het bezwaar tegemoet wordt gekomen (HR 11 oktober 2019 ECLI:NL:HR:2019:1574)
- Ambtshalve vermindering is ook beschikking: een beslissing op verzoek om een ambtshalve vermindering van een belastingaanslag moet ook worden aangemerkt als een beschikking waarop de dwangsomregeling kan worden toegepast (HR 3 februari 2023 ECLI:NL:HR:2023:134)
- Weigeren dossierinzage: als de belastingdienst weigert om dossiers te verstrekken kan ook een dwangsom worden opgelegd die fors hoger is (Rechtbank Gelderland 6 oktober 2021 ECLI:NL:RBGEL:2021:5341)
- Een ingebrekestelling inzake het uitblijven van een dwangsombesluit levert geen recht op een extra dwangsom op (HR 21 juni 2024 ECLI:NL:HR:2024:906)
Noot fiscaaljurist inzake ingebrekestelling en dwangsom
De dwangsomregeling is een krachtig middel om de overheid aan te sporen tijdig te reageren op verzoeken en bezwaarschriften. De wetgeving is in 2009 ingevoerd om de overheid te kunnen dwingen om een beslissing te nemen. De regeling is tussendoor ook aangepast (lees hier). Als een dossierinzage wordt geweigerd kan op dit moment alleen nog de civiele route worden bewandeld (voorlopige voorziening of normale rechtbank procedure) Er is een wetsvoorstel van Pieter Omtzigt in de maak dat ook meer druk moet zetten op dit soort trajecten.
Echter, de mogelijkheid tot misbruik door speculatieve indieners vraagt om een zorgvuldige afweging en mogelijk verdere aanscherping van de regels. Door het volgen van de relevante jurisprudentie en wetswijzigingen kunnen zowel bestuursorganen als belastingplichtigen zich beter voorbereiden op de implicaties van deze regeling.
Voor meer informatie en juridische ondersteuning, kunt u ons een e-mail sturen.
Maximale immateriële schadevergoeding fiscale procedure
In onze blog Immateriele Schadevergoeding bij fiscale procedures schreven we over de immateriële schadevergoeding als een fiscale procedure wel erg lang duurt. Daarin liepen we beetje te klagen over kantoren die procedures voerden over (bijna) niets en slechts met het oogmerk te verdienen aan de proceskostenvergoeding en de immateriële schadevergoeding.
Onze klaagzang is gehoord en beantwoord door de Hoge Raad (althans, dat willen we graag geloven).
De Hoge Raad constateert het volgende:
- Zoals blijkt uit de conclusie van de Advocaat-Generaal, worden in sterk toenemende mate belastingprocedures over een belang van meer dan € 15 gevoerd in de hoop en verwachting een vergoeding van immateriële schade en een daaraan gekoppelde vergoeding van proceskosten te verkrijgen vanwege een overschrijding van de redelijke termijn.”
Forse verhoging bagatelgrens door Hoge Raad bij fiscale procedures
De heer X procedeert om het principe en 0,80 cent aan invorderingsrente. Het Gerechtshof was van mening dat X, ondanks de termijnoverschrijding, geen recht heeft op immateriele schadevergoeding omdat het financiele belang minder is dan dan de bagatelgrens van € 15. Deze breng is genoemd in een eerder arrest van de Hoge Raad .
- De Hoge Raad is er nu ook wel klaar mee en besluit de ondergrens - bij een termijn overschrijding van korter dan 12 maanden - te verhogen tot € 1.000.
- Bij een langere termijnoverschrijding mag de rechter naar eigen inzicht de zaak invullen !
Eindelijk !
Dat is reden om er eens flink het mes in te zetten. Daarbij wordt inspiratie opgedaan in strafzaken en fiscale boetezaken, alwaar belangen onder de € 1.000 in de regel geen reden zijn tot matiging van de straf wegens termijnoverschrijding. De ondergrens van € 15 wordt aanzienlijk opgehoogd. (betrappen we hier onze hoogste rechter op een foutje? ‘van meer dan € 15’ moet toch zijn minder…)
Schade vergoeding in fiscale procedures
Niet meer zeuren onder de € 1.000.
De Hoge Raad schrijft het iets vriendelijker:
- In zo’n geval mag zonder meer worden verondersteld dat de lange duur van de procedure niet of nauwelijks tot spanning en frustratie bij de belanghebbende heeft geleid.
Schade vergoeding bij korter dan 1 jaar wachten
Als het minder dan een jaar te lang heeft geduurd en het belang blijft onder die € 1.000, krijg je geen schadevergoeding. In zo’n geval mag zonder meer worden verondersteld dat de lange duur van de procedure niet of nauwelijks tot spanning en frustratie bij de belanghebbende heeft geleid.
Schade vergoeding bij langer dan 1 jaar wachten
Als het langer dan een jaar te lang duurt en het bedrag blijft onder de € 1.000, handelt de rechter naar bevind van zaken. De grens van € 1.000 wordt bepaald op de hoogte van het bestreden deel van de aanslag (met rente).
Krijg je een aanslag van € 5.000 en je meent dat het € 3.000 moet zijn, is het belang € 2.0000. Meen je dat de aanslag € 4.500 moet zijn, kom je niet aan de € 1.000. Belachelijke standpunten worden niet meegenomen.
Nadere voorwaarde immateriele schadevergoeding
- Als het belang niet direct duidelijk is (bijvoorbeeld bij de WOZ), moet je als belastingplichtige wel aannemelijk maken dat je de € 1.000 haalt.
- Als het van belang is voor meer jaren, mag dat belang voor die jaren ook worden meegeteld.
- Allerlei nevenzaken worden niet meegewogen (vb. proceskosten, griffierechten, wettelijke rente, (im)materiële schade en dwangsommen).
Noot fiscaal jurist inzake immateriele schadevergoeding in fiscale procedures
Zijn we nu blij? Ja, want we hebben een ontzettend leuk vak. Genuanceerder. € 1.000 blijft toch echt geld en het is zuur al je lang op gerechtigheid moet wachten. Financiële genoegdoening krijg je niet meer voor al dat wachten. Aan de andere kant kun je nog steeds elk fiscaal geschil bij de rechter brengen (in de hier besproken zaak ging het om € 0,80).
Als je wint, krijg je de belasting terug (en een schamele proceskostenvergoeding). Dat is altijd nog beter dan een soort verlofstelsel waarin je bepaalde zaken (onder bijvoorbeeld € 1.000) niet meer bij de rechter kunt leggen. Dat is een spookbeeld dat opdoemt als de rechtspraak volledig verstopt raakt. Laten we dus onze zegeningen tellen en deze aflaat slikken. Heeft u nu ook een geschilletje, leg het even bij een van onze adviseurs neer. Ook onder de € 1.000, want vooraf geven wij veelal een offerte.
Jurisprudentie bij Immateriële schadevergoeding fiscale procedure
Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853
Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292
Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 26 oktober 2022 ECLI:NL:GHSHE:2022:3789
Parket bij de Hoge Raad 17 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1042
UBD melding BTW verlegd
Zijn er door uw bedrijf bedragen betaald aan derden voor werkzaamheden of diensten? Krijgt iemand een beloning in de vorm van goederen (in natura)? Dan moet u wellicht een aantal gegevens over deze uitbetaalde bedragen of de beloning in natura doorgeven aan de Belastingdienst. Dit noemen we het UBD "uitbetaalde bedragen aan derden". Meestal geldt dit voor ondernemers, BV''s, verenigingen of stichtingen. Maar de regeling geldt ook voor particulieren. Doet u dit niet dan kunnen forse boetes en/of een gevangenisstraf volgen.
Bedragen uitbetaald aan derden? Denk aan de UBD-melding
Met ingang van 1 januari 2022 vervangt de UBD-melding (Uitbetaalde bedragen aan derden) de zogenaamde IB47 verklaring. Bij de Belastingdienst moet jaarlijks melding worden gedaan van bedragen die zijn uitbetaald aan natuurlijke personen, niet zijnde werknemers, die geen factuur hebben uitgereikt of een factuur zonder BTW. Dit geldt ook als op de factuur ‘BTW verlegd’ staat vermeld.
Meldingen moeten steeds uiterlijk voor 1 februari worden gedaan van het jaar volgend op het jaar van de uitbetaling.
Wie moet de UBD-melding doen?
De UBD-melding moet worden gedaan door administratieplichtigen; administratieplichtigen zijn organisaties die die een aangifte loonheffingen indienen. Ook niet-inhoudingsplichtigen kunnen met de UBD-melding te maken krijgen, maar zij zijn slechts verplicht de melding te doen na een daartoe strekkende uitnodiging van de Belastingdienst.
De meldingsplicht geldt niet voor:
- personen die bij de inhoudingsplichtige in loondienst zijn (die worden al opgegeven via de aangifte loonheffingen);
- personen van wie een factuur met btw wordt ontvangen. Bij een factuur zonder btw of met € 0 aan btw moet u de gegevens wel aan ons opgeven. Dit geldt ook als op de factuur ‘btw verlegd’ is opgenomen. Tevens moeten bedragen worden gemeld voor ondernemers die de kleine ondernemingsregeling toepassen; ook zij vermelden op hun factuur geen BTW.
- artiesten of beroepssporters die onder de artiesten- en beroepssportersregeling vallen.
- vrijwilligers
- erfgerechtigden tot de inkomsten uit een auteursrecht
Wat moet worden gemeld?
Bij de UBD-melding moeten per persoon de volgende gegevens worden aangeleverd:
- het bedrag dat is uitbetaald (per uitbetaling of het totaalbedrag), hieronder vallen ook kostenvergoedingen die zijn uitbetaald. Ook beloningen in natura tellen mee en worden gesteld op waarde economisch verkeer;
- de datum waarop de uitbetaling is verricht;
- naam, adres, geboortedatum en BSN van de natuurlijke persoon aan wie de uitbetaling is verricht.
Wanneer moet de UBD-melding worden gedaan?
Voor 2024 geldt dat bedragen die betrekking hebben op het kalenderjaar 2024 (dus betaald in 2024) ook gedurende het jaar aangeleverd kunnen worden. Voor eerdere jaren (2022 en 2023) gold dat de UBD-melding uiterlijk 31 januari volgend op het jaar van uitbetaling moest plaatsvinden.
Hoe moet de UBD-melding worden gedaan?
De gegevens moeten digitaal worden aangeleverd via het gegevensportaal van de Belastingdienst (hiervoor is een account nodig) of via Digipoort (hiervoor is specifieke software nodig).
Ik doe UBD melding het toch niet!
Het niet voldoen aan de meldingsplicht kan leiden tot een boete van de derde categorie (2024: max EUR 10.300) of een gevangenisstraf van 6 maanden (artikel 68 AWR). Als sprake is van opzet, kunnen de straffen nog hoger uitvallen.
Noot fiscaal jurist inzake UBD melding
Sinds 2022 is deze nieuwe regeling geintroduceerd, naast de oude en bekende IB47 regeling. De nieuwe regeling geldt voor inhoudingsplichtigen en collectieve organisaties. De gegevens over de uitbetaling moeten voor 1 februari na het kalenderjaar worden verstrekt aan de Belastingdienst. De verplichtiging geldt al vanaf 1 euro ! De informatie (bedrag, datum betaling en NAW gegevens ontvanger (met BSN nummer) moet digitaal worden verstrekt aan de belastingdienst.
Zijn er vragen of krijgt u te maken met een onderzoek? Neem gerust contact met ons op.
Bronnen UBD Melding
Immateriele Schadevergoeding bij fiscale procedures
Belastingprocedures zijn nooit leuk (behalve voor vakidioten). Zeker als het lang duurt gaat dat knagen en levert spanning en frustratie op. Sinds jaar en dag erkent de Hoge Raad (in aansluiting op Europese jurisprudentie) dat bij overschrijding van de redelijke termijn spanning en frustratie op kan treden. Stel u krijgt een aanslag van € 500.000 en u spreekt met uw adviseur af dat hij of zij de vergoeding inzake immateriele schadevergoeding zou ontvangen. Zou u dan stress hebben over de uitslag van de procedure? Ik denk het wel !!
In deze blog beschrijven wij de procedure bij het Gerechtshof Den Haag d.d. 13 juli 2023 waarbij de Hoge Raad haar arrest heeft gewezen op 31 mei 2024. De Hoge Raad is van mening dat X BV spanning en frustratie moet hebben ervaren door het lange duur van de procedure. Het simpele feit dat X BV bij voorbaat de beslissing heeft genomen over de besteding van de vergoeding staat hier los van. Ook bij No Cure no Pay situaties kan er recht bestaan op een vergoeding van immateriele schade (aldus Hoge Raad .d. 2 juni 2017)
De procedure over immateriele schadevergoeding in het kort
- Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag BPM
- De Rechtbank kende € 500 aan immateriele schadevergoeding toe wegens termijnoverschrijding
- Het Gerechtshof zag een langere termijnoverschrijding maar liet het bedrag gelijk
- Belanghebbende klaagt erover dat aan hem geen (of een beperkte) vergoeding voor spanning en frustratie wordt toegekend
- In belastingzaken wordt hiervoor een vergoeding verstrekt (tenzij bijzondere omstandigheden). Volgens het Hof was sprake van een bijzondere omstandigheid omdat de vergoeding (op grond van een overeenkomst tussen gemachtigde en belanghebbende) aan de gemachtige moest worden betaald.
- De Hoge Raad is het hier niet mee eens. De vergoeding wordt vastgesteld op € 1.000, daarnaast moet griffierecht worden vergoed en krijgt belanghebbende een vergoeding voor de beroepsmatige rechtsbijstand.
Spanning en frustratie blijkt een fiscaal juridische diagnose
Sinds de jaren dertig wordt het begrip “stress” ook gebruikt in de psychologie en de geneeskunde. Met stress wordt dan de spanning bedoeld die optreedt bij een verstoring van het evenwicht tussen de draaglast en de draagkracht van een persoon. Frustratie ontstaat wanneer iemand niet in staat is om een doel te bereiken of een probleem op te lossen. Dit kan leiden tot gevoelens van woede en irritatie, wat op zijn beurt kan leiden tot agressief gedrag.
Tja, daar kunnen fiscaal juristen nog een puntje aanzuigen. Dat lossen we pragmatisch op door als grond voor vergoeding van immateriële schade de spanning en frustratie te veronderstellen (zie Hoge Raad 10 juni 2011). Een soort van juridische diagnose derhalve. ‘Gij zult spanning en frustratie ervaren’.
Dus als het te lang duurt heeft u recht op een schadevergoeding. Dat is nadien verder uitgewerkt en komt neer op een vergoeding van € 500 voor elk halfjaar dat het te lang (langer dan 2 jaar) duurt.
Wanneer immateriele schadevergoeding in fiscale procedure
Zowel onze Minister van Justitie en Veiligheid als onze Staatssecretaris van Financiën vonden dat automatisme wat al te gortig in een eenvoudige BPM-zaak, waarin de belastingplichtige zijn immateriële schadevergoeding op voorhand afstond aan zijn gemachtigde. Hoezo spanning en frustratie en waarom zouden we betalen als het geld toch niet bij het ‘slachtoffer’ belandt?
De Hoge Raad is er als hoofdarts snel klaar mee:
- “Dat (…) bij voorbaat een beslissing heeft genomen over de besteding van de vergoeding (…) brengt niet mee dat die spanning en frustratie hem bespaard zullen blijven, en hij dus niet zulke immateriële schade zal lijden.” en
- “dat aan toekenning van een vergoeding van immateriële schade (…) niet in de weg staat dat de (…) schade aan de rechtsbijstandverlener wordt uitbetaald. (…) Een (…) prijsgeven volgt niet t (…) bij voorbaat (…) immateriële schade, door middel van verrekening ‘met gesloten beurzen’, in mindering wordt gebracht op de vergoeding die de gemachtigde aan hem in rekening zal brengen.”
Noot fiscaal jurist over fiscale procedures
Het feit dat vooraf vaststaat dat er in wezen geen geldelijke genoegdoening zal zijn omdat de ‘opbrengst’ naar de adviseur gaat, betekent niet dat de schadevergoeding niet geclaimd kan worden.
- O ja, ook uw BV, vof, stichting, vereniging of wat ook kan (juridisch) spanning en frustratie voelen (Hoge Raad d.d 19 februari 2016).
Gelukkig zijn wij geen psycholoog, arts of anderszins deskundig om de diagnose spanning en frustratie vast te stellen. Wat ons als specialisten wel frustreert (dit is geen diagnose) is dat er kantoortjes zijn die procedures aangaan waarbij niet de klant voorop staat maar het verdienmodel dat erop is gericht zoveel mogelijk proceskosten en immateriële schadevergoedingen binnen te slepen. Met dat oogmerk worden procedures gefrustreerd en onnodig lang gerekt.
Dat leidt ertoe dat de fiscale rechtspraak meer en meer verstopt raakt en tot (te) lange doorlooptijden leidt. Daardoor hebben echte zaken (ja, dat is arbitrair) wel spanning en frustratie, die alleen maar verder oploopt.
Er was altijd een een ondergrens van € 15 (Hoge Raad 24 februari 2017). Dit is sinds 14 juni 2024 anders. Er geldt een ondergrens van € 1.000 (zie Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853). Als het minder dan een jaar te lang heeft geduurd en het belang blijft onder die € 1.000, krijg je geen schadevergoeding. In zo’n geval mag zonder meer worden verondersteld dat de lange duur van de procedure niet of nauwelijks tot spanning en frustratie bij de belanghebbende heeft geleid. Als het langer dan een jaar te lang duurt en het bedrag blijft onder de € 1.000, handelt de rechter naar bevind van zaken. De grens van € 1.000 wordt bepaald op de hoogte van het bestreden deel van de aanslag (met rente). Krijg je een aanslag van € 5.000 en je meent dat het € 3.000 moet zijn, is het belang € 2.0000. Meen je dat de aanslag € 4.500 moet zijn, kom je niet aan de € 1.000. Belachelijke standpunten worden niet meegenomen. Als het belang niet direct duidelijk is (bijvoorbeeld bij de WOZ), moet je als belastingplichtige wel aannemelijk maken dat je de € 1.000 haalt.
Als het van belang is voor meer jaren, mag dat belang voor die jaren ook worden meegeteld. Allerlei nevenzaken worden niet meegewogen (vb. proceskosten, griffierechten, wettelijke rente, (im)materiële schade en dwangsommen). Daaronder heb je geen spanning en frustratie. Die grens kan wel wat hoger (zet er maar en 1 voor of achter). De adviseur van de Hoge Raad heeft daarvoor een uitgebreid pleidooi gehouden (AG 17 november 2023). De uitspraak daarop door de Hoge Raad is aanstaande. Hopelijk pakken ze de handschoen op (en anders moet de wetgever er eens over gaan nadenken).
Een vergoeding voor immateriele schade bedraagt normaal gesproken € 500 per half jaar.
Bron vermelding immateriele schadevergoeding
Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853
Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 26 oktober 2022 ECLI:NL:GHSHE:2022:3789
Parket bij de Hoge Raad 17 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1042
Hoge Raad 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252
Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292
Hoge Raad d.d. 2 juni 2017 ECLI":NL:HR:2017:965
Parket bij de Hoge Raad 17 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1042
Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775
Hoge Raad 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046
Inzagerecht bij een boekenonderzoek
De afgelopen maanden zijn wij vaker betrokken bij boekenonderzoeken. De meeste boekenonderzoeken van de belastingdienst hebben betrekking op de omzetbelasting en loonbelasting. Soms wordt een algemeen onderzoek (steeds vaker een steekproef) opgestart, maar dit zien we minder vaak. Maar wat zijn precies de rechten van belastingplichtige? Welke informatie moet je wel en niet verstrekken? En voor dit artikel "hoe te handelen na het onderzoek en informatie krijgen over de inhoud, aanleiding en strekking van het onderzoek.. de dossierinzage". De belastingdienst neemt het handboek controle als uitgangspunt bij vrijwel elk onderzoek.
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Informatieplicht bij dossier inzage geschonden
De belastingdienst verstrekt niet altijd alle dossierinformatie aan een belastingplichtige en/of de rechter. Er zijn 138 zaken onderzocht en in 10% van deze zaken is de verplichting geschonden. Bij ongeveer 50% van de onderzochte zaken bestond er een geschil over de dossierinzage en/of informatieverstrekking door de Belastingdienst. Bij één zaak was het zo ernstig dat de aanslag in de prullenbak verdween, in andere zaken werden proceskosten en/of griffierechten vergoed. Er kan sprake zijn van drie situaties:
- Computers niet op orde (tekortkoming in de informatie huishouding bij de Belastingdienst)
- Interpretatie artikel 8:42 AWB
- Onterecht verzoek op geheimhouding stukken (onwil)
De staatssecretaris heeft toegezegd dat interne processen worden verbeterd en tevens intern sneller met procesdeskundigen wordt overlegd welke informatie op grond van artikel 8:42 AWB wel of niet moet worden verstrekt. Het is slordig of kwalijk dat informatie niet wordt verstrekt, edoch bij 2.000 procedures en 60 kritische zaken valt dit ook wel weer mee. Dit blijkt uit een jurisprudentieonderzoek dat de staatssecretaris heeft laten uitvoeren.
Wettelijk recht op dosserinzage vanaf 2026
Vanaf 2026 wordt de dossierinzage in de wet opgenomen (amendement), dit zou per 2024 of 2025 worden ingevoerd maar kan technisch niet worden uitgevoerd (zie correspondentie hieromtrent brief 1, brief 2, brief 3, brief 4).
Welke informatie moet u verstrekken bij een boekenonderzoek?
Bij een boekenonderzoek vraagt de Belastingdienst erg veel informatie op. Als u het met de opgevraagde informatie niet eens bent, dan kunt u de inspecteur vragen waarom hij de informatie wil ontvangen en waarom deze informatie van belang voor uw belastingheffing, hierbij kunt u denken aan:
- kijken of u de juiste aangifte heeft gedaan;
- voldoende belasting is betaald;
- een aftrekpost juist is opgevoerd;
- teveel afdrachtverminderingen zijn geclaimd, etc.
De inspecteur moet motiveren waarom hij de gevraagde informatie wil inzien of ontvangen. Er moet dan dus een directe samenhang zijn tussen de verzochte informatie en de hiermee samenhangende belastingheffing. Deze informatieverstrekking gaat in de praktijk wel ver, echter niet onbeperkt en wel met als grens "beginselen behoorlijk bestuur", "fair play" en "redelijkheid en billijkheid". Tenslotte moet er niet zoveel informatie worden opgevraagd waardoor het gaat lijken op een fishing expedition. De informatie moet duidelijk, helder en zonder enig voorbehoud worden verstrekt, aldus artikel 49 AWR.
Inzagerecht in uw BTW dossier van de belastingdienst
Transparantie is een belangrijke pijler van rechtsbescherming. Zonder toegang tot de relevante documenten is het voor een belastingplichtige onmogelijk om zich effectief te verweren tegen de stellingen van de inspecteur, die vaak de basis vormen voor naheffingsaanslagen. Dit kan leiden tot een kafkaiaanse situatie situatie waarin de belastingplichtige zich machteloos voelt of gaat voelen. Voor BTW-procedures is daarom een recht op inzage van de op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het hoorgesprek vastgelegd. Dit artikel belicht de rechten en mogelijkheden van belastingplichtigen om inzage te verkrijgen in relevante documenten, en bespreekt recente ontwikkelingen in de wetgeving die deze rechten verder kunnen uitbreiden.
Het inzagerecht bij fiscale onderzoeken of procedures
Het inzagerecht is verankerd in diverse wettelijke bepalingen en jurisprudentie:
- Artikel 7:4 lid 2 Awb: Deze bepaling stelt dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen van de belastingplichtige ter inzage moeten worden gelegd.
- Artikel 7:4 lid 4 Awb voegt daaraan toe dat de belastingplichtige tegen kostprijs afschriften van deze stukken kan ontvangen .
- Artikel 5:49 Awb: Bij boetedossiers bestaat er altijd recht op inzage in de op de boete betrekking hebbende stukken, afgeleid van het recht op een eerlijk proces zoals verankerd in artikel 6 EVRM .
- Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672: Dit arrest verduidelijkt dat het gaat om stukken die de inspecteur ter beschikking staan of stonden en die relevant zijn voor het geschil .
Handreiking fiscaal beleid bij opleggen boetes
Voor de formele kant en het standpunt van de belastingdienst is er informatie beschikbaar over de wijze waarop de belastingdienst fiscale boetes kan opleggen (lees hier de handreiking uit een WOO onderzoek), vertrekpunt in deze discussie is artikel 5:49 AWB en artikel 67 AWR, dit in combinatie met het besluit bestuurlijke boeten (pagraaf 13).
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Uit jurisprudentie blijkt dat het begrip ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ breed moet worden geïnterpreteerd. Het omvat onder andere:
- Controle-rapporten
- Interne correspondentie zoals memo's en e-mails
- Kladaantekeningen
- Digitale gegevens uit de systemen van de Belastingdienst
De crux is of deze stukken een rol hebben gespeeld in de besluitvorming van de inspecteur. In deze procedure in 2021 wordt nog eens duidelijk wat er wel en niet moet worden verstrekt. Ook informatie verkregen uit een derdenonderzoek moet aan de belastingplichtige worden verstrekt. De rechter stelt in deze procedure dat binnen 4 weken alle informatie moet worden verstrekt. Het valt ons op dat de rechter ook een beetje klaar is met "verstoppertje spelen". Als de informatie niet binnen 4 weken wordt verstrekt wordt er een dwangsom van € 10.000 per week opgelegd. Ook moet de Belastingdienst de werkelijke proceskosten vergoeden, dit zien we zelden.
Het Belang van Inzagerecht bij de belastingdienst
Het inzagerecht is van belang voor de rechtsbescherming van de belastingplichtige. Het stelt de belastingplichtige in staat om zich goed voor te bereiden op het hoorgesprek en voorkomt dat de inspecteur beslissingen neemt op basis van informatie die voor de belastingplichtige onbekend is. Ook kan deze informatie worden meegenomen bij een slotpleidooi (hoorzitting) inzake uw bezwaarschrift.
Daarnaast draagt het inzagerecht bij aan de efficiëntie van het bestuursrechtelijke proces. Door tijdig inzicht te krijgen in de relevante stukken, kunnen geschilpunten al in de bezwaarfase worden opgelost, wat onnodige procedures bij de administratieve rechter voorkomt .
Uitbreiding van het Inzagerecht per 2025
Een belangrijke recente ontwikkeling is de invoering van een nieuw artikel 66a AWR, geïntroduceerd door een amendement van het lid Omtzigt, dat belastingplichtigen het recht geeft om hun volledige fiscale dossier in te zien. Dit amendement, aangenomen in het kader van het Belastingplan 2024, treedt in werking op 31 december 2025 of op een eerder bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip . De achtergrond van dit amendement ligt in de toeslagenaffaire, waarbij stelselmatig bleek dat het inzagerecht tekortschiet. Belanghebbenden konden niet weten waartegen ze zich moesten verweren, wat leidde tot een oneerlijk proces .
Het nieuwe artikel 66a AWR regelt het recht op inzage in het fiscale dossier, waaronder belastingaanslagen, gespreksverslagen, boekenonderzoeken, uitwisselingen van fiscale gegevens met andere landen of instanties, en gegevens opgeslagen in IT-systemen voor fraudeopsporing en risicosignalering . De praktische uitwerking van deze wet zal door de staatssecretaris van Financiën in de zomer van 2024 nader worden toegelicht.
Tips bij dossierinzage belastingdienst
Neem uw paspoort of rijbewijs mee naar elke bezoek bij de belastingdienst. Onderstaand enkele tips welke u voor de dossierinzage aan de inspecteur kunt sturen.
- Vragen om inhoudsopgave van het dossier (met melding welke stukken eruit zijn gehaald).
- Vragen of er ook een digitaal dossier aanwezig is.
- Vraag expliciet of het dossier dat u mag inzien volledig is en/of er stukken zijn uitgehaald. Als er stukken zijn uitgehaald vraag dan waarom.
- Leg de stukken op chronologische volgorde en maak na het gesprek een tijdlijn. Dit geeft een beter inzicht in de feiten.
- Vragen om e-mails, notities, standpunten kennisgroep en vastleggingen van telefoongesprekken.
- Vragen of behandelaar erbij kan zijn.
- Kijk kritisch of er stukken ontbreken (bijvoorbeeld door verwijzingen in de stukken naar andere stukken, mails of telefoongesprekken).
- Vraag vooraf om de voorgenomen uitspraak op bezwaar en/of het standpunt van de inspecteur.
- Vraag aan einde van gesprek dat toekomstige stukken aan u worden toegestuurd.
- Aangeven dat je eventueel afschriften en/of foto's, wilt nemen.
Tips voor hoorgesprek belastingdienst
De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt (artikel 7:2) dat u in de gelegenheid moet worden gesteld te worden gehoord voordat er een beslissing wordt genomen. Als de belastingdienst aan al uw bezwaren tegemoet komt is dit niet echt nodig. In Artikel 25 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is bepaald dat u slechts wordt gehoord op zijn verzoek. In het hoorgesprek kan de belastingdienst extra informatie inwinnen en kunt u uw zienswijze nader toelichten. Hierbij een aantal tips voor het hoorgesprek:
- Stel een agenda op voor de onderwerpen welke u wilt bespreken.
- Begin het gesprek met een korte inleiding waarin u het volgende aangeeft (a) de feiten (b) standpunt inspecteur (c) uw standpunt (d) de geschilpunten.
- Vraag om een toelichting van het standpunt van de inspecteur met indien nodig een verduidelijking van zijn mening of standpunt. Vraag dus om het standpunt van de belastingdienst en hoe ze bij dit standpunt komen.
- Let op de non verbale communicatie van de inspecteur en overige aanwezigen.
- Neem alle relevante informatie mee naar het hoorgesprek.
- Wees helder en duidelijk en geef de inspecteur wellicht nieuwe inzichten, vermijd juridisch of fiscaal jargon, maar noem indien nodig wel jurisprudentie en wetsartikelen.
- Als u nog stukken of informatie wilt toevoegen neem deze dan mee naar de hoorzitting en laat afschriften achter voor de belastingdienst.
- Maak een (pleit) notitie met een samenvatting van alle feiten en laat dit aan gespreksverslag hechten.
- Maak zelf tijdens bespreking verslag en stuur dit direct na de hoorzitting aan de inspecteur. Leg hierin de belangrijkste punten en eventuele afspraken vast. Dit verslag zal dienen als gespreksverslag in de latere fase.
- Vraag of er stukken uit dossier zijn gehaald en waarom.
- Indien gewenst probeer in het hoorgesprek een compromis te bereiken of onderzoek of er op onderdelen nog oplossingen zijn te vinden.
- Vraag of er derdenonderzoeken zijn verricht en/of externe informatie over u is ingewonnen.
- Maak indien nodig en gewenst duidelijk afspraken aan het einde van het gesprek (dus moet er nog informatie worden aangeleverd en/of standpunten worden toegelicht).
- Sluit het gesprek correct en professioneel af en bedank de belastingdienst medewerker voor het gesprek.
- Vraag eventueel een fiscaal jurist (second opion) om de situatie te beoordelen. U kunt ons hiertoe een mail sturen voor een vrijblijvende offerte.
Aanbevelingen voor de praktijk
Het is voor belastingplichtigen belanrijk om na indiening van een bezwaarschrift altijd een hoorgesprek aan te vragen. Gezien de koppeling tussen het hoorgesprek en het inzagerecht, is dit van belang om volledige toegang tot de relevante stukken te verkrijgen. De Hoge Raad heeft aangegeven dat het initiatief bij de belastingplichtige ligt om gehoord te worden. In de praktijk is het raadzaam om, na een besluit van de inspecteur, een licht gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen waarin wordt verzocht om een hoorgesprek en inzage in de op de zaak betrekking hebbende stukken. Dit voorkomt inefficiënties en zorgt ervoor dat de belastingplichtige alle benodigde informatie heeft om zijn bezwaar nader te motiveren. Het is volgens het Gerechtshof 's Hertogenbosch heeft op 9 augustus 2023 (ECLI:NL:GHSHE:2023:2595) van belang dat u bij een schending van het inzagerecht (artikel 7:4 lid 3 AWB) hierover een opmerking maakt tijdens de hoorzitting.
Het inzagerecht is een fundamentele waarborg in fiscale procedures. Het stelt belastingplichtigen in staat om te weten waartegen zij zich moeten verweren, wat zowel de rechtsbescherming als de efficiëntie van het proces bevordert. De recente wetswijzigingen, zoals het nieuwe artikel 66a AWR, versterken dit recht door belastingplichtigen toegang te geven tot hun volledige fiscale dossier. Om deze rechten effectief te benutten, is het cruciaal dat belastingplichtigen en hun adviseurs de juiste stappen volgen en tijdig om een hoorgesprek en inzage verzoeken.
Een privéagenda is geen administratie
Wie een onderneming drijft moet een administratie voeren, die bewaren en ter beschikking stellen als de belastinginspecteur daarom vraagt. In de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is dat tamelijk ruim ingevuld. Begeleiding tijdens een boekenonderzoek door een fiscaal jurist is essentieel, hiermee weet u precies wat uw rechten en plichten zijn en wat u wel en vooral niet moet doen bij vragen van de belastingdienst. In dit artikel gaan we dieper in op de administratieplicht en de grenzen van de bevoegdheden van de belastingdienst. In een eerder artikel schreven we al over een uitspraak van de Hoge Raad over "de agenda", in dit artikel doen we dit nog eens dunnetjes over.
Administratieplicht bij boekenonderzoek van de belastingdienst
In artikel 52 AWR is de administratieplicht opgenomen. De administratie moet zodanig zijn ingericht: ”dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken”. Een praktisch onhaalbare norm. In de praktijk wordt die soep niet zo heet gegeten, maar wel heel warm, waaraan menig ondernemer de tong brandt, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Hoge Raad inzake detailgegevens van een bestelling bij een chinees restaurant (Hoge Raad 21 maart 2008). De bewaarplicht van deze gegevens is in artikel 52, vierde lid, AWR bepaald op in principe 7 jaar.
In artikel 47 AWR is de informatieplicht aan de belastinginspecteur opgenomen, zie hiertoe de uitspraak van de Hoge Raad waarbij wordt gesproken over een zeer ingrijpend dwangmiddel als een inspecteur onderzoeksbevoegdheden zou instellen nadat er beroep bij een belastingrechter is ingesteld (Hoge Raad 10 februari 1988), in de fase van een fiscale procedure zijn partijen gelijken van elkaar en moet er rekening worden gehouden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verstrekt moeten worden “de gegevens en inlichtingen … welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn”. Wederom een ruime norm. Het moet niet van belang zijn, het zou van belang kunnen zijn. De vraag of gegevens en inlichtingen van belang kunnen zijn moet worden beantwoord naar objectieve redelijkheidsnormen, zie hiertoe Hoge Raad 8 januari 1986.
De privéagenda bij een boekenonderzoek van de belastingdienst
De casus inzake de prive agenda
In een recente casus (Hoge Raad d.d. 5 april 2024) voerde meneer Boek-Houder uit Emmen (hierna B) een organisatie-, accountants- en (belasting)adviesbureau waarin hij onder meer voor een vast bedrag ook de belangaangiften verzorgde voor mensen in zijn vriendenkring. Op een gegeven moment krijgt meneer B een boekenonderzoek van de belastingdienst. Tijdens een bespreking geeft hij aan dat hij afspraken met die particulieren in zijn privéagenda noteerde, en in die agenda ook het aantal per week ingediende aangiften noteerde.
U voelt hem aankomen: de belastinginspecteur wil die agenda inzien. De heer B weigert dat en stelt dat het om privéafspraken gaat. Overigens heeft hij de agenda’s ook niet bewaard. Het spel komt op de wagen. Zoals gebruikelijk in dit soort zaken neem de belastinginspecteur een beschikking waarin deze vaststelt dat meneer B niet aan zijn informatieverplichting voldoet (artikel 52a AWR). Als dat vast komt te staan vindt de zogenoemde verzwaring en omkering van de bewijslast plaats. Dan moet meneer Br bewijzen dat de aanstaande belastingaanslag te hoog is (artikel 25 AWR). Een schier onmogelijke taak.
Wat zegt de rechter over de prive agenda bij een boekenonderzoek van de belastingdienst?
Uiteindelijk is het aan de Hoge Raad om te oordelen of de privéagenda moet worden verstrekt en wat daarvan de consequenties zijn. Het begint hoopvol:
- “Op zichzelf beschouwd leidt het niet-verstrekken van gegevens … waarover de belastingplichtige niet of niet meer beschikt en ook niet kan beschikken, niet tot schending van de … informatieverplichting. Dit is niet anders indien de belastingplichtige niet meer over de gevraagde gegevensdragers beschikt omdat hij deze niet heeft bewaard.”
Wat ik niet heb, hoeft ik niet te geven. Maar dan
- “Op grond van artikel 54 AWR wordt de administratieplichtige die niet … voldoet aan …47… AWR neergelegde verplichting gegevensdragers…voor raadpleging beschikbaar te stellen, … geacht niet volledig te hebben voldaan aan een bij of krachtens artikel 52 AWR opgelegde verplichting, tenzij aannemelijk is dat … het gevolg is van overmacht.”
Een rechtsvermoeden dus, dat je niet aan je verplichtingen hebt voldaan. Tenzij dat het gevolg is van overmacht.
Het Hof had al vastgesteld dat:
- (i) de privéagenda van belang zouden kunnen zijn, aangezien afspraken voor het verzorgen van belastingaangiften voor mensen in de vriendenkring in de privéagenda stonden;
- (ii) vergoedingen voor het verzorgen van belastingaangiften zijn ontvangen en dus niet kan worden gezegd dat het doen van die aangiften uitsluitend in de privésfeer plaatsvindt;
- (iii) zelfs als er geen vergoeding wordt ontvangen, kan de privéagenda nog steeds van belang zijn voor de belastingheffing, juist in verband met een eventuele controle of al dan niet vergoedingen worden ontvangen; en
- (iv) de privéagenda niet is bewaard, komt voor rekening en risico van meneer B. Houder.
Daarmee behoorde de privéagenda tot de administratie en moest die aan de belastinginspecteur worden verstrekt. Dat de privéagenda er niet (meer) is, is niet het gevolg van overmacht. De rechtbank had hier eerder ook al naar gekeken.
De facto loopt meneer B daarmee hoogstwaarschijnlijk tegen de omkering en verzwaring van de bewijslast aan. Dat hangt af van een technisch dingetje. Het Hof heeft in het midden gelaten of meneer B niet meer over de agenda beschikt. In zijn uitspraak heeft het Hof meneer B nog vier weken gegeven om aan het verzoek van de belastinginspecteur te voldoen. Die termijn eindigt vier weken na het arrest van de Hoge Raad. Meneer B heeft dus nog die tijd om de privéagenda alsnog ergens op te duikelen.
Advisering fiscaal jurist inzake boekenonderzoek en fiscale procedure
Buiten kijf is dat ook een adviseur zich aan de regels moet houden. Vanzelfsprekend is er wat voor te zeggen, dat een privéagenda privé is en moet blijven. Eenieder heeft recht op privacy en het respecteren van diens persoonlijk levenssfeer. Die aspecten, het recht op een redelijke afweging van ieders belangen en het proportionaliteitsvereiste (hoe groot kan het belang zijn bij een paar vrienden tegen € 95 tot € 100) kunnen op zich meebrengen dat niet iedere aantekening in een privéagenda leidt tot de verplichting die agenda tot de administratie te rekenen en te delen met de belastinginspecteur.
Kennisname van de uitspraken van de rechtbank, het Hof en de Hoge Raad geven ons het gevoel dat er iets meer aan de hand is. Meneer B lijkt eerder principieel dan pragmatisch. Niet alleen weigert hij inzage, maar doet ook een AVG-verzoek en een WOO-verzoek. Daarnaast wraakt hij zowel de raadsheren van het Hof als die van de Hoge Raad (vruchteloos, overigens).
Als je scherp aan de wind zeilt, loop je het risico dat de rechter weinig ruimte laat de feiten soepel in jouw voordeel te waarderen en de eerder de streep in het zand wat duidelijker trekt qua administratieve verplichtingen. Zeker bij professionals. Een element dat een rol kan spelen, is dat de wet de mogelijkheid biedt bepaalde delen die privé zijn (dat zal het overgrote deel zijn) onleesbaar te maken (artikel 8:29 Awb).
Weliswaar is er met dit arrest weer wat meer duidelijkheid over de administratieplicht maar meneer B. Houder heeft zijn collega-adviseurs (en alle ander belastingplichtigen) een slechte dient bewezen. Bij elke vastlegging van zakelijke gegevens in privéstukken, zal de Pavlov-reactie van de belastinginspecteur zijn: laat alles maar zien dan. En de rechter zal hem daarin sneller volgen. Hoever mag de belastingdienst gaan bij een verzoek om informatie?
Fiscaal advies inzake uw administratie, agenda en e-mail
Zorg voor een goede en afgescheiden administratie! Voor u het weet zit uw privéagenda of prive e-mail erbij. Heeft u strikt gescheiden agenda’s, e-mail en de zakelijke stukken apart van de privézaken? Ook digitaal, of heeft u zowel uw privéagenda als zakelijke agenda op de telefoon staan (en staan de afspraken ook weleens in de andere agenda)…? Krijgt u vragen over uw administratie, hoe eenvoudig die ook lijken, neem contact met ons op.
Bron inzake administratieplicht en prive agenda
- Hoge Raad 8 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW8125, zijn gevraagde inlichtingen - op zichzelf beschouwd - van belang voor de belastingheffing van een belastingplichtige of niet?
- Hoge Raad 10 februari 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3761, spreekt van ‘zeer ingrijpende dwangmiddelen’
- Hoge Raad 21 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7256, waarin de Chinees de detailgegevens van de bestellingen in zijn administratie moest opnemen en bewaren.
- Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:528 inzake het niet verstrekken van een (niet bewaarde) prive agenda met zakelijke afspraken.
Verschoonbare termijnoverschrijdingen in bezwaar en beroep bij fiscale zaken
In de praktijk van het bestuursrecht moeten bezwaren en beroepen tegen besluiten van bestuursorganen binnen strikte termijnen worden ingediend. Het missen van deze termijnen leidt vaak tot niet-ontvankelijkheid van de zaak, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Recente jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) wijst op een minder strenge benadering bij de beoordeling van dergelijke overschrijdingen (notitie rechtspraak 30 januari 2024)
Termijnoverschrijding niet verschoonbaar na woningbrand
Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 26 juni 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:3602 een uitspraak gedaan in het kader van een termijnoverschrijding bij het indienen van een bezwaarschrift (artikel 6:11 AWB). In deze situatie is de woning van belastingplichtige in 2020 getroffen door een brand en is belastingplichtige opgenomen in het ziekenhuis. Daarna is belastingplichtige tijdelijk bij zijn dochter gaan wonen. De post (waaronder een navorderingsaanslag) is op het oude adres bezorgd en hierdoor was belastingplichtige niet tijdig op de hoogte en was hij niet op tijd met een bezwaarschrift indienen. Conclusie rechtbank en gerechtshof? Pech, geen verschoonbare reden. Dit is wel een erg strikte uitleg, in een procedure bij het college van beroep voor het bedrijfsleven (ECLI:NL:CBB:2024:31) wordt er meer naar bijzondere omstandigheden (zoals psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener of ziekte of overlijden van diens naasten, of om externe omstandigheden, zoals een natuurramp, een besmettelijke dierziekte op het bedrijf of een brand in de woning of in een bedrijfspand) gekeken. De Hoge Raad heeft op 5 april 2024 (ECLI:NL:HR:2024:515) een algemeen kader geschetst. Cassatie lijkt ons - gezien deze jurisprudentie - niet geheel kansloos. Kern is volgens de Hoge Raad dat er bezwaar moet worden ingediend zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kan worden verlangd. Het Gerechtshof was in deze casus wel erg streng en legt het zwaartepunt op de eigen verantwoordelijkheid en op het feit dat belastingplichtige geen maatregelen heeft getroffen. Het was slimmer geweest dat belastingplichtige een heldere toelichting had gegeven op a) tijdig handelen niet gevergd kon worden b) snel is gehandeld (en wat dan precies) nadat dit ook in redelijkheid kon. Deze onderbouwing was onvoldoende in deze procedure.
Accountant of boekhouder ziek .. is dit verschoonbare termijn overschrijding?
De boekhouder of accountant (kleine zelfstandige zonder personeel) lag in het ziekenhuis (6 maanden) in verband met een zware operatie. Hierdoor heeft de klant de aanslag / beschikking gemist (inzake TVL subsidie). Is dit een verschoonbare termijnoverschrijding? Volgens het college van beroep voor het bedrijfsleven wel (ECLI:NL:CBB:2025:313). Aan de andere kant is detentie dan weer geen reden om later een aangifte inkomstenbelasting in te dienen ( aldus Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19 mei 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3003)
Een soepelere benadering van verschoonbare termijnoverschrijding
Volgens bestaande wetgeving is een overschrijding van de termijn voor het indienen van bezwaar of beroep slechts verschoonbaar als niet kan worden gesteld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit zou het geval kunnen zijn bij bijzondere omstandigheden die het indienen binnen de gestelde termijn onmogelijk maakten. Volgens de Hoge Raad d.d. 19 april 2024 (ECLI:NL:HR:2024:625) moet er meer maatwerk worden geleverd en geeft de wetgeving hiervoor ook ruimte. Een goed luisterend oor (naar belastingplichtige) is hierbij van belang.
Een belangrijke uitspraak van het CBb (ECLI:NL:CBB:2024:31) stelt dat bestuursorganen en rechters flexibeler moeten omgaan met de beoordeling van wat een 'verschoonbare termijnoverschrijding' is. Hierbij wordt nadrukkelijk gekeken naar de individuele omstandigheden van de zaak.
Bijzondere omstandigheden bij verschoonbare termijnoverschrijding in bezwaar en beroep
- Ernstige persoonlijke of externe situaties, zoals ziekte of een natuurramp, kunnen gronden vormen voor een verschoonbare overschrijding.
- Maatwerk in de beoordeling: Elke zaak verdient een unieke benadering op basis van de specifieke context en omstandigheden.
Het CBb heeft aangegeven dat de huidige wetgeving slechts beperkte ruimte biedt voor een minder strikte beoordeling van termijnoverschrijdingen. Indien een ruimere benadering gewenst is, dan behoort dit door de wetgever te worden vastgesteld.
Belang van Uniformiteit en Rechtsontwikkeling
De beslissing om deze benadering te wijzigen komt van een grote kamer binnen het CBb, samengesteld uit leden van verschillende rechtsprekende instanties. Deze aanpak dient om eenheid in de rechtspraak te bevorderen en recht te doen aan de behoeften van burgers om hun zaak inhoudelijk beoordeeld te zien. Er zijn aanvullende uitspraken gedaan (ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33, ECLI:NL:CBB:2024:34) die deze benadering ondersteunen.
Noot fiscaal jurist inzake verschoonbare termijnoverschrijding
Deze recente ontwikkelingen zijn een welkome verandering voor belastingplichtigen en burgers die door buitengewone omstandigheden mogelijk hun recht op een inhoudelijke beoordeling mislopen. Dit vereist echter een zorgvuldige afweging van de omstandigheden van elke individuele zaak door bestuursorganen en rechters. Volgens de Hoge Raad moet er maatwerk worden geleverd, ondersteuning wordt gevonden in dit arrest van de Hoge Raad op 5 april 2024 (ECLI:NL:HR:2024:515). Kort en goed
- Naheffingsaanslag omzetbelasting; bezwaar ongegrond verklaard; belanghebbende ontvangt uitspraak te laat door verhuizing;
- beroep niet tijdig ingediend; Rechtbank verklaart beroep niet-ontvankelijk
- Belanghebbende was verhuisd, gaf dit te laat door aan de belastingdienst waardoor hij de uitspraak op bezwaar niet tijdig ontving.
- Belanghebbende stelde dat hij niet op de hoogte was van de afwijzing omdat deze niet op mijnoverheid.nl stond.
- Rechtbank oordeelde aanvankelijk dat belanghebbende zelf verantwoordelijk is voor het tijdig doorgeven van adreswijzigingen en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk.
- Cassatie: Belanghebbende stelt dat hij niet tijdig op de hoogte was van de afwijzing en dat het beroep toch ontvankelijk moet worden verklaard vanwege zijn pogingen om de uitspraken te verkrijgen.
- Juridische kwestie: Is de termijnoverschrijding verschoonbaar gelet op de omstandigheden, waaronder de geringe verwijtbaarheid
- Uitspraak Hoge Raad: Beoordeeld moet worden of het redelijk is om te verwachten dat belanghebbende tijdig beroep kon instellen. Geringe verwijtbaarheid kan een reden zijn om termijnoverschrijding niet aan de indiener toe te rekenen. Hoge Raad verklaart het verzet van belanghebbende gegrond en vernietigt de uitspraak van de Rechtbank; zaak moet opnieuw beoordeeld worden met inachtneming van dit arrest. Geen veroordeling in de proceskosten; griffierecht moet worden vergoed aan belanghebbende.
De Hoge Raad oordeelt dat de Rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de geringe verwijtbaarheid van de belanghebbende niet zou leiden tot het aanmerken van de termijnoverschrijding als niet-toerekenbaar. Al met al hangt het dus sterk van de feiten af of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in bezwaar en beroep. De inspecteur en/of rechter moet hierbij een zorgvuldige belangenafweging maken.
Publicatie RTL inzake achterhouden informatie
Onderstaand het artikel op de internetsite van RTL met medewerking van onze collega, de heer mr Marco Bik. Deze langlopende procedure maakt duidelijk dat het achterhouden van informatie steeds vaker door rechters kritisch wordt bekeken. In deze procedure ging het Gerechtshof er eens goed voor zitten en na meerdere zittingsdagen komt het Gerechtshof tot de conclusie dat er € 80.000 aan proceskostenvergoeding moet worden betaald en dat de aanslag (verzamelinkomen 21.000.000) in de prullenbak kan. Oh ja, ook de € 131 griffierechten wordt vergoed !
Hof kritisch: Belastingdienst hield (weer) info achter voor rechter
De Belastingdienst is in
een zaak die al sinds 2015 speelt flink de fout in gegaan. Het hof
oordeelde deze week dat een inspecteur 'zeer lichtvaardig met de waarheid
is omgesprongen'. Maar dat is niet het ergste: in de jaren erna werd informatie
achtergehouden voor de rechter. En het is niet voor het eerst dat dit gebeurt.
De zaak waar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden deze week uitspraak in deed,
speelt al sinds 2015. Toen begon de Belastingdienst een onderzoek naar
een ondernemer die in 2011 zijn bedrijf verkocht en zou hebben gelogen
over zijn woonplaats. Hij vertrok naar het buitenland en kreeg van de Belastingdienst
een aanslag over zijn inkomen van ruim 21 miljoen euro.
Aanleiding onrechtmatig
Tijdens dat onderzoek ging volgens het Hof van alles fout. Zo begon de zaak door een anonieme tip die bleek te komen van een medewerker van de Belastingdienst. Die informatie hield de Belastingdienst achter. Ook dook de belastinginspecteur zonder aanleiding in de systemen van de Belastingdienst om uit te vinden hoeveel panden van de ondernemer waard waren.
De ondernemer vond dat er geen sprake was van een eerlijk proces en
stapte naar de rechter. Die oordeelde in 2020 over de zaak, maar bleek
niet alle informatie van de Belastingdienst te hebben gekregen, zo oordeelt
het hof. Belastingdienst
houdt informatie achter voor rechter: 'Je staat met 1-0 achter'
Het hof maakt nu gehakt van de aanslag die de Belastingdienst de ondernemer oplegde. Het onderzoek dat de inspecteur begon, kan volgens het hof namelijk niet als bewijs dienen 'omdat de aanleiding onrechtmatig was'. De naheffing gaat van tafel en de Belastingdienst moet de proceskosten – tot wel 80.000 euro – vergoeden.
Rechters zijn er klaar mee
Eerder ontdekte de politieke redactie van RTL Nieuws al dat de Belastingdienst soms informatie achterhoudt voor de rechter. Dit druist in tegen de wet, die voorschrijft dat alle relevante stukken in een zaak moeten worden overgelegd. "Rechters zijn hier steeds vaker klaar mee", zei fiscaal jurist Marco Bik daar toen over. Later kwamen er meer zaken aan het licht.
Staatssecretaris Van Rij van Financiën zei in een reactie dat het gaat om incidenten en dat de Belastingdienst altijd probeert ervan te leren als het toch een keer fout gaat. In een Kamerbrief benadrukte hij nog eens 'dat er geen aanwijzingen zijn dat er sprake is van een werkwijze waarbij de Belastingdienst regelmatig en ten onrechte stukken zou achterhouden'.
Volgens staatssecretaris Van Rij zijn dit incidenten, en is het geen schering en inslag. De advocaat van de ondernemer, Mark Hendriks, laat aan RTL Nieuws weten dat hij het meest schokkende aan de zaak vindt dat het niet één fout van een individuele ambtenaar was. "Hier waren tal van belastingambtenaren bij betrokken, van hoog tot laag in de organisatie. Van de door de staatssecretaris beloofde cultuuromslag lijkt bitter weinig terechtgekomen."
Op de zaak betrekking hebbende stukken.. wat is dit?
In de rechtspraak is de vraag wat een op de zaak betrekking hebbend
stuk is vaak aan de orde geweest. In een advies
van de AG uit 2022 wordt dit nauwgezet omschreven. Hieruit blijkt het
volgende over stukken die moeten worden overgelegd:
- een stuk waarvan de belanghebbende voldoende gemotiveerd stelt dat het van enig belang kan zijn geweest moet je overleggen;
- het is niet relevant of een stuk in het voordeel of nadeel werkt van een belanghebbende;
- een stuk moet je ook overleggen indien belanghebbende zelf over het stuk beschikt
- stukken die de inspecteur of andere collega's die betrokken zijn geweest bij de besluitvorming ter beschikking staan of hebben bestaan, maar die niet zijn gebruikt ter onderbouwing van het bestreden besluit, moet je ook overleggen;
- interne stukken die in het kader van de behandeling van een zaak zijn opgesteld, moet je ook overleggen indien uit andere stukken of stellingen blijkt dat deze interne stukken ten grondslag hebben gelegen aan de besluitvorming;
- stukken die pas in de loop van het beroep of het hoger beroep tot jouw beschikking zij gekomen moet je overleggen;
- een stuk moet je ook overleggen indien de rechter al op basis van ander bewijsmateriaal een beslissing over het geschilpunt kan nemen;
- digitale gegevens uit de systemen moet je overleggen, voor zover zij van belang en raadpleegbaar zijn met het oog op de betreffende zaak. Dit moet gebeuren in de vorm van een afdruk of op een andere geschikte wijze. Een brief of ander document dat in een systeem is opgeslagen, moet je in zijn geheel overleggen;
- als een besluit geheel of deels het resultaat is van een geautomatiseerd proces en belanghebbende wil de juistheid van de in dat proces gemaakte keuzes, gegevens en aannames controleren en eventueel betwisten, dan moet je deze keuzes, gegevens en aannames inzichtelijk en controleerbaar maken.
Er zijn ook stukken die je niet hoeft te overleggen. Daarbij is het
volgende van belang:
- stukken die niet ter beschikking hebben gestaan aan de inspecteur of andere collega’s die betrokken zijn geweest bij de besluitvorming, hoef je niet te overleggen, ook al ben je met het bestaan ervan bekend. Denk bijvoorbeeld aan stukken die ten grondslag liggen aan een proces-verbaal van de FIOD;
- softwareprogramma's en andere elektronische systemen voor gegevensopslag, -bewerking, - verwerking of beheer hoef je niet te overleggen.
- indien onvoldoende duidelijk is welk stuk volgens belanghebbende ontbreekt, hoeft het stuk niet te worden overgelegd;
- indien sprake is van misbruik van procesrecht hoef je het dossier ook niet aan te vullen
Noot fiscaal jurist inzake achterhouden van informatie door de belastingdienst
Deze zaak kreeg veel aandacht in de pers, ondermeer in het FD , binnen de fiscale wereld en bij RTL. Het onzorgvuldig handelen van de belastingdienst kwam voor het grote publiek in beeld bij de toeslagen affaire. De uitspraak is deze zaak staat echter niet op zich en is stevig.
- De ondernemer (DGA) emigreerde in 2001 naar Zwitserland en krijgt een conserverende aanslag die in 2011 wordt kwijtgescholden.
- De aandelen in zijn BV worden voor 21 miljoen verkocht
- De inspecteur krijgt in 2015 informatie dat de ondernemer niet naar Zwitserland is geemigreerd.
- Er volgt een navorderingsaanslag in 2011 van ruim 21 miljoen.
- Na enkele procedures over de te verstrekken gegevens is in geschil of het recht op een eerlijk proces is geschonen en/of de woonplaats van de ondernemer in Nederland is gelegen.
- De inspecteur blijft bij zijn standpunt dat hij bepaalde stukken niet wil verstrekken.
- Deel van de geschoonde informatie wordt aan belastingplichtige en de rechtbank verstrekt, dit met een beroep op artikel 8:29 AWB (geheimhouding)
- De rechtbank doet er nog niet veel mee maar het gerechtshof gaat er eens goed voor zitten en heeft meerdere zittingsdagen nodig.
- Het Gerechtshof is van mening dat alle bewijsmiddelen die de inspecteur over de woonplaats heeft ingebracht worden uitgesloten.
- De belastingdienst verhulde informatie en liet deze in de lade liggen, het hof verwijs nog even fijntjes naar het tipgevers arrest uit 2015, aan het achterhouden van informatie moeten hoge eisen worden gesteld, aldus het hof. Ook moeten bepaalde getuigen (werknemers van de belastingdienst) tijdens de zitting worden gehoord (verwijzing Hoge Raad 9 augustus 2013).
- De inspecteur blijft - ondanks verzoeken van belastingplichtige en het hof - van mening dat bepaalde informatie niet hoeft te worden verstrekt. Het is dan aan de rechter om hier gevolgen aan te verbinden.
- Het onderzoek naar een ondernemer was onrechtmatig
- De aanslag gaat in de prullenbak en de ondernemer krijgt een proceskostenvergoeding van € 80.000
In dit artikel komen Marco Bik en Mark Hendriks aan het woord over het achterhouden van informatie door de belastingdienst. De schending van de rechten van belastingplichtige kwam in 2022 bij de Hoge Raad al eens aan bod. In mei 2022 boog ook de rechtbank Noord Nederland zich over een dergelijke situatie, ook in deze procedure worden de beginselen van een goede rechtsorde ernstig geschonden door stukken niet tijdig aan belastingplichtige te overleggen, dit was dusdanig ernstig dat een navorderingsaanslag in de prullenbak verdween. In dezelfde jaar dook de Rechtbank Noord Nederland (juni 2022) in een vergelijkbare casus waarin een FIOD dossier voor een belastingplichtige was achtergehouden. Ook de rechtbank Gelderland kwam in dat jaar achter een schending van artikel 8:42 AWB, ook hier wordt informatie achter gehouden en ging de aanslag in de put. Het Gerechtshof Den Bosch deed het in een andere zaak nog even dunnetjes over, hierbij bleef de aanslag in stand maar wordt een proceskostenvergoeding van 10.000 euro toegekend. Het Gerechtshof Den Bosch ging in 2022 nog een stapje verder en vernietigde de gehele aanslag.
Een rechter kan dus zelf beslissen welke gevolgen er worden gehangen aan het fenomeen "achterhouden van informatie". Artikel 8:42 AWB is vrij duidelijk, de belastingdienst moet in een fiscale procedure alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechter (en eigenlijk ook belastingplichtige) voorleggen. Maar wat zijn op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel) en moeten alle stukken worden verstrekt?
Op grond van 8:29 AWB kan de belastingdienst bepaalde informatie niet verstrekken omdat deze geheim moeten blijven. Als de belastingdienst onterecht informatie niet verstrekt kan de rechter hieraan gevolgen verbinden, aldus 8:31 AWB. De Hoge Raad heeft dit keurig en strak opgeschreven in een arrest uit 2018.
De gevolgen van het niet verstrekken van informatie kunnen dus van uiteenlopende aard zijn (toelichting overheid)
Bron inzake achterhouden van informatie
Artikel RTL inzake achterhouden informatie d.d. 19 april 2024
Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 16 april 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:2464
Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 11 juli 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:6004
Hoge Raad d.d. 22 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:639
AG d.d. 16 maart 2022 ECLI:NL:PHR:2022:245
Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 28 april 2021 ECLI:NL:GHARL:2021:4161
Rechtbank Gelderland d.d. 10 maart 2020 ECLI:NL:RBGEL:2020:1636
Fiscaal juridische grens tussen boekenonderzoek (belastingcontrole) en fiscale opsporing
Tijdens een boekenonderzoek geldt de informatieplicht, iedere belastingplichtige is verplicht om informatie aan de belastingdienst te verstrekken. Belangrijk hierbij is dat de informatie voor uw belastingheffing van belang kan of moet zijn. De informatieverplichting ziet op het verstrekken van gevens en inlichtingen en voor het raadplegen van boeken, bescheiden, inzage in software en mogelijke andere gegevensdragers. Als niet juist of volledig aan deze verplichting wordt voldaan kan de inspecteur een informatiebeschikking vaststellen. Maar wat als tijdens het boekenonderzoek blijkt dat het fiscale strafrecht in beeld komt, aldan geldt het zwijgrecht en dus geen informatieplicht. In deze blog beschrijven wij het lastige moment waarop de informatieplicht overgaat naar zwijgrecht. Helemaal duidelijk zal dit zelden zijn. Soms is "mondje dicht" het beste advies bij een boekenonderzoek.
Grenzen van de informatieplicht en het zwijgrecht: Fiscale controle versus strafrechtelijke opsporing
In Nederland is de interactie tussen de fiscale controlebevoegdheden en strafrechtelijke opsporingsbevoegdheden een belangrijk aspect. De Belastingdienst bezit uitgebreide controlebevoegdheden om de naleving van belastingwetten te waarborgen. Volgens artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is eenieder verplicht om op verzoek gegevens en inlichtingen te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing. Dit dient echter binnen de grenzen van de fiscale wetgeving te blijven. Een belangrijke uitspraak hiervoor is van de Hoge Raad d.d. 21 februari 2023 (ECLI:NL:HR:2023:237)
Overgang naar opsporing en het zwijgrecht
De belastingdienst moet volledig en juist een onderzoek bij een belastingplichtige kunnen instellen, hiervoor is informatie nodig. De wettekst is hiermee redelijk aan de kant van de belastingdienst. Voor het uitvoeren van haar taken heeft de belastingdienst omvangrijke controle bevoegdheden, zowel bij u als bij derden. Er mag echter geen informatie worden opgevraagd die fiscaal niet relevant is, deze grens wordt tijdens het boekenonderzoek soms opgezocht of geraakt. Artikel 47 AWR is het vertrekpunt, iedere belastingplichtige is gehouden om desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken omtrent haar administratie, dit begint meestal bij een papieren administratie en een audit file. Hierna worden er verdere vragen gesteld waarbij soms agenda's, adviezen en mails worden opgevraagd.
Dwangmiddelen belastingdienst om informatie te verkrijgen van belastingplichtige
Bij de belastingplichtige rust een inspanningsverplichting om de informatie ook daadwerkelijk te verstrekken. Nakoming hiervan kan eventueel door de inspecteur worden afgedwongen via een informatiebeschikking of een dwangsom (via de civiele rechter). Ook kan een belastingplichtige wegens een weigering om informatie volledig te verstrekken strafrechtelijk worden vervolgd. Er kunnen dus stevige dwangmiddelen worden ingezet.
Wanneer vervalt de informatieverplichting?
De informatieplicht van een belastingplichtige kent wel grenzen. Vanaf het moment dat redelijkerwijs een bestraffende sanctie valt te verwachten of wordt aangekondigd (in de vorm van een vergrijpboete of overdracht van het dossier aan de FIOD) is sprake van een zogenaamde criminal charge (artikel 6 EVRM). Een vergrijpboete valt namelijk aan te merken als een sanctie met een straf karakter. De belastingplichtige (of diens adviseur of accountant) mag zich vanaf dat moment beroepen op zijn zwijgrecht. Het zwijgrecht moet ervoor zorgen dat een belastingplichtige geen belastende verklaringen gaat afleggen. Ook moet er een waarborg zijn dat verklaringen en informatie uit vrije wil worden afgelegd of verstrekt.
De vraag waarbij - binnen dit grijze gebied - de overgang heeft plaatsgevonden tussen de informatieplicht en het strafrecht (zwijgrecht) is niet altijd even duidelijk. Voor de praktijk en bij procedures is dit echter een essentiele vraag. De informatieplicht vervalt op het moment dat een belastingplichtige via de inspecteur heeft vernomen dat er een (voornemen) voor een vergrijpboete is, eigenlijk ligt dit moment al eerder, namelijk op het moment dat de belastingplichtige kan vermoeden dat de inspecteur een boete gaat opleggen en/of de inspecteur de overweging heeft om een vergrijpboete op te gaan leggen.
Wanneer een fiscale controle overgaat in een strafrechtelijk onderzoek, treedt artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in werking, waarbij de belastingplichtige niet meer verplicht kan worden om mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Dit is het fundamentele zwijgrecht dat in werking treedt zodra de controlebevoegdheden worden gebruikt voor opsporingsdoeleinden. Gerechtshof Amsterdam (Gerechtshof Amsterdam 3 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1338) heeft in deze context geoordeeld dat zodra er sprake is van een vermoeden van een strafbaar feit, de belastingplichtige zijn zwijgrecht mag inroepen en elke verdere informatieplicht vervalt. Ook een latere uitspraak van het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 1 februari 2023 (ECLI:NL:GHSHE:2023:393) is lezenswaardig.
Dossierinzage bij boekenonderzoek en vergrijpboete
Een dossierinzage kan hierbij van essentieel belang zijn omdat hieruit duidelijk kan worden of belastingplichtige nog informatie heeft verstrekt terwijl een beroep op zijn zwijgrecht al mogelijk was geweest. De overgang van fiscaal naar strafrecht is in een procedure een cruciaal moment. Als er een boekenonderzoek heeft plaatsgevonden en de bestuurders of administratieplichtigen zijn aangemerkt als verdachte (n) dan is het van groot belang om volledig inzicht te krijgen in het controle dossier en alle stukken, mails en gesprekken die hieraan ten grondslag hebben gelegen. Als er bij aanvang van een boekenonderzoek als strafrechtelijk verdenkingen waren dan kan deze informatie wellicht onrechtmatig zijn verkregen, omdat de controle ambtenaar de belastingplichtige hierop had moeten wijzen (zwijgrecht /niet tot antwoorden verplicht). De rechter kan hieraan verregaande consequenties verbinden.
Inzet van Controlebevoegdheden voor Opsporingsdoeleinden
Indien controlebevoegdheden onterecht worden ingezet voor opsporingsdoeleinden, kan dit leiden tot schendingen van de beginselen van een behoorlijke procesorde. Dit kan onder meer leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging, zoals bepaald in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en bekrachtigd door de Hoge Raad (Hoge Raad 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:237).
Conclusie vergrijpboete en boekenonderzoek
De fijnmazige balans tussen fiscale controle en strafrechtelijke opsporing vereist juridische kennis en nauwgezette aandacht voor de rechten van de belastingplichtige. Een zorgvuldig opgezette tijdlijn van het onderzoek (met de onderliggende informatie) is hiervoor van belang. Een begeleiding van een boekenonderzoek door uw accountant in overleg met gespecialiseerde fiscaal jurist is van essentieel belang voor een juiste uitkomst.
In de praktijk komt het herhaaldelijk voor dat tijdens een gezellig praatje met de ambtenaren tijdens een boekenonderzoek of bij de bespreking van de resultaten bepaalde zinnetjes onder water worden ingevlochten, denk hierbij aan "u hoeft niet te antwoorden" of " u bent niet tot antwoorden verplicht", dit kan duiden op het voornemen om een vergrijpboete op te leggen en/of dat er al contact is geweest met de FIOD of het Openbaar Ministerie.
Het zwijgrecht (en dus de cautieplicht) geldt in ieder geval vanaf het tijdstip waarop kan worden gesproken van een 'criminal charge'. Veelal wordt aangenomen dat sprake is van een criminal charge vanaf het tijdstip waarop de belastingplichtige uit handelingen van het bestuursorgaan redelijkerwijs kan afleiden dat hem een boete zal worden opgelegd. Dat kan dus midden in een gesprek zijn.
Omdat u wel verplicht bent om vragen te beantwoorden als het gaat om de belastingheffing zelf, is het vaak lastig om tijdens een boekenonderzoek te onderkennen wanneer het nu gaat om de belastingheffing en wanneer om de boete. Het is niet noodzakelijkerwijs zo dat de vragen t.b.v. de boete altijd aan het einde van een gesprek zitten. Draag uw werknemers daarom op om geen vragen te beantwoorden en wijs een verantwoordelijke aan die de ambtenaren te woord staat. Betrek bij twijfel altijd een adviseur bij het gesprek. En natuurlijk, het is verstandiger om vragen schriftelijk te beantwoorden, niet mondeling. Dwing de inspecteur hiertoe zodat u controle kunt houden op de feiten, gevolgen en heffingen.
Hulp bij boekenonderzoek belastingdienst
Als u een boekenonderzoek van de Belastingdienst verwacht, is het belangrijk om goed voorbereid te zijn en advies in te winnen over hoe u hier het beste mee om kunt gaan. Hier zijn enkele tips die u kunnen helpen bij het begeleiden van een boekenonderzoek:
- Wees goed voorbereid: Zorg ervoor dat u alle benodigde documentatie bij de hand heeft voordat het onderzoek begint. Dit kan onder meer uw boekhouding, facturen, bonnen en bankafschriften omvatten.
- Stel een contactpersoon aan: Wijs een contactpersoon binnen uw organisatie aan die verantwoordelijk is voor het begeleiden van het boekenonderzoek. Deze persoon kan als aanspreekpunt fungeren voor de Belastingdienst en ervoor zorgen dat alle benodigde informatie op een efficiënte en effectieve manier wordt verstrekt.
- Wees transparant: Wees zo open en eerlijk mogelijk tegenover de Belastingdienst. Het verbergen of achterhouden van informatie kan leiden tot verdere problemen en boetes.
- Houd deadlines in de gaten: Zorg ervoor dat u alle deadlines in de gaten houdt en dat u alle benodigde informatie op tijd verstrekt. Hierdoor kunt u vertragingen en extra kosten voorkomen.
- Overweeg het inschakelen van een deskundige: Als u zich zorgen maakt over het boekenonderzoek van de belastingdienst of als u zich niet volledig zeker voelt over de informatie die u verstrekt, kunt u overwegen om een deskundige in te schakelen. Een belastingadviseur kan u helpen bij het voorbereiden van het onderzoek en u adviseren over hoe u het beste kunt omgaan met eventuele problemen die zich voordoen. Wi jadviseren wekelijks accountants en belastingplichtigen bij boekenonderzoeken, vraag gerust een vrijblijvende offerte of kom eens langs voor een bakje koffie.
Door deze tips te volgen, kunt u het boekenonderzoek van de Belastingdienst succesvol begeleiden en ervoor zorgen dat u zich geen zorgen hoeft te maken over onverwachte problemen of boetes.
Vragen of hulp nodig bij boekenonderzoek
Neem gerust contact op met onderstaande adviseurs of stuur ons een verzoek om een offerte.
Bron inzake cautie Boekenonderzoek
Fraus legis in de fiscale wereld
In februari 2024 heeft advocaat-generaal mr. Wattel een belangrijke conclusie gepubliceerd die licht werpt op de complexe materie rondom artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting (Vpb) en het leerstuk van fraus legis. Deze kwestie is van groot belang voor fiscaal juristen en belastingadviseurs, gezien de implicaties voor de fiscale praktijk en de interpretatie van belastingwetgeving. In deze blogbijdrage zullen we de kernpunten van Wattels conclusie verkennen, met speciale aandacht voor de onderscheiding tussen fraus legis en fraude, en de betekenis van de geest van de wet in de hedendaagse fiscale jurisprudentie.
Samenvatting Wattel inzake fraus legis en belastingheffing
In de conclusie wordt een uitgebreid overzicht gegeven van alle relevante jurisprudentie over dit onderwerp (fraus legis)
De Staatssecretaris betoogt bij verweer dat de door de belanghebbende gestelde verschillen met de Hunkemöller-casus niet van wezenlijk belang zijn. Het gaat er volgens de Staatssecretaris om dat [A] de overnameconstructie heeft georkestreerd, net zoals in Hunkemöller, en dat de financieringsstructuur in essentie dezelfde kenmerken vertoont:
- Via de kaaimaneilanden wordt eigen vermogen gestort in fondsen. Dit geldt wordt gebruikt als leningen voor de aankoop van deelnemingen (aftrekbare rente)
- De verschillen die belanghebbende noemt, zijn niet van dien aard dat daarmee de financieringsstructuur wezenlijk verschilt van de financieringsstructuur die in de zaak Hunkemöller aan de orde was. Ook in de onderhavige zaak is sprake van een door [A] georkestreerde financieringsstructuur waarbij eigen vermogen van investeerders via een omweg als vreemd vermogen in de Nederlandse vennootschap is ingebracht, met als doel het creëren van renteaftrek in Nederland zonder dat daar een compenserende heffing tegenover staat. Dat de coördinatie van de investering en financiering door de overige investeerders ook door [A] moest worden georganiseerd, doet daar niet aan af. Het essentiële punt is dat [A] de structuur heeft opgezet en geleid, net zoals in Hunkemöller het geval was.
- De vraag of de door de belanghebbende aangevoerde verschillen met de Hunkemöller-casus van wezenlijk belang zijn voor de toepassing van fraus legis, is in essentie een feitelijke vraag die door het Hof is beoordeeld. Het Hof heeft geoordeeld dat de verschillen niet van dien aard zijn dat de financieringsstructuur wezenlijk verschilt van die in Hunkemöller. Dit oordeel is feitelijk en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst.
- Het Hof heeft zijn oordeel gebaseerd op een vergelijking van de kenmerken van de financieringsstructuur in de onderhavige zaak met die in Hunkemöller. Het Hof heeft daarbij onder meer overwogen dat ook in de onderhavige zaak sprake is van een door [A] georkestreerde financieringsstructuur waarbij eigen vermogen van investeerders via een omweg als vreemd vermogen in de Nederlandse vennootschap is ingebracht, met als doel het creëren van renteaftrek in Nederland zonder dat daar een compenserende heffing tegenover staat. Het Hof heeft verder overwogen dat de verschillen die de belanghebbende noemt, niet van dien aard zijn dat daarmee de financieringsstructuur wezenlijk verschilt van de financieringsstructuur die in de zaak Hunkemöller aan de orde was.
- Gezien deze overwegingen van het Hof, lijkt het oordeel van het Hof dat de financieringsstructuur in essentie dezelfde kenmerken vertoont als die in Hunkemöller, niet onbegrijpelijk. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de essentie van de financieringsstructuur – het via een omweg inbrengen van eigen vermogen als vreemd vermogen met als doel het creëren van renteaftrek zonder compenserende heffing – in beide zaken gelijk is, ondanks de door de belanghebbende aangevoerde verschillen. Dit oordeel is feitelijk en verweven met waarderingen van feitelijke aard, waardoor het in cassatie slechts beperkt toetsbaar is.
- Mijn conclusie strekt ertoe dat zowel het cassatieberoep van de belanghebbende als dat van de Staatssecretaris ongegrond verklaard wordt.
Kernpunten over fraus legis in het fiscale landschap
- Aanleiding: De discussie rondom artikel 10a Vpb brengt niet alleen de technische uitdagingen aan het licht maar benadrukt ook het belang van het leerstuk fraus legis, waarbij misbruik van recht centraal staat. Dit leerstuk stelt de inspecteur in staat fiscale correcties toe te passen wanneer handelingen weliswaar binnen de letter van de wet vallen, maar indruisen tegen de geest van de wet.
- Ultimum Remedium: Wattel beschouwt fraus legis als een laatste redmiddel ("ultimum remedium") dat pas wordt ingezet als andere correctiemogelijkheden zijn uitgeput. Dit is met name relevant bij rentekosten, waar de inspecteur geen mogelijkheid heeft de lening te herkwalificeren of een beroep te doen op wettelijke renteaftrekbepalingen zoals artikel 10a Vpb.
- Fraus Legis is niet gelijk aan Fraude: Er wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen fraus legis en fraude. Fraus legis sluit beboeting of bestraffing uit, omdat het handelen binnen de letter van de wet, maar tegen de geest ervan, niet gelijkstaat aan fraude. Dit standpunt wordt ondersteund door het 'lex certa'-beginsel van artikel 7 EVRM, dat vereist dat wetten duidelijk, voorzienbaar en kenbaar moeten zijn.
- Pleitbaar Standpunt: De notie van een pleitbaar standpunt speelt een cruciale rol. Dit concept houdt in dat een belastingplichtige redelijkerwijs kon menen dat zijn aangifte correct was, gebaseerd op objectieve maatstaven. Dit sluit (voorwaardelijk) opzet uit en biedt een bescherming tegen beboeting of bestraffing in gevallen van fraus legis, aldus de Hoge Raad op 3 oktober 2017. Ook de zogenaamde credit Suisse arresten hebben vastgesteld dat als sprake is van een pleitbaar standpunt en lastig sprake kan zijn van een onjuiste aangifte (Hoge Raad d.d. 21 april 2017)
- De Geest van de Wet: De toenemende focus op tax planning en belastingontwijking benadrukt het belang van de geest van de wet. Terwijl de praktijk en jurisprudentie zich ontwikkelen, wordt duidelijk dat handelen in strijd met de geest van de wet niet per se fraude oplevert. Dit onderscheid is cruciaal in een tijd waarin de aanpak van belastingontwijking intensiever wordt. De recente conclusie van advocaat-generaal mr. Emiliou, die stelt dat beboeting bij het niet voldoen aan meldplichten uit DAC6 niet in strijd is met het Europese legaliteitsbeginsel, illustreert de delicate balans tussen het naleven van de wet en het voorkomen van misbruik.
Renteaftrek beperking bij overnames en fraus legis
Er zijn de laatste jaren diverse uitspraken van de rechters geweest over de renteaftrek bij overnames. De belangrijkste arresten zijn het Hunkemoller arrest (ECLI:NL:HR:2021:1152) , Auto Bar arrest, Hans Anders (ECLI:NL:HR:2022:1085) arrest en Italiaanse beursvennootschap arrest. Er is veel over geschreven en het lijkt erop dat de Hoge Raad nog niet 1 lijn heeft ontdekt. Het zakelijkheidsbeginsel wordt in veel doctrine aan de orde gesteld. De vraag die aan de orde komt heeft betrekking op de aftrek van rente bij overnames. Bij de overname van Hans Anders en de koffieautomatenexploitant Autobar was de Hoge Raad in eerste aanleg van mening dat bij de buitenlandse investeerders geen sprake van belastingtontwijking (door rente in aftrek te brengen over leningen waarmee de overnames zijn betaald). Vanaf de invoering van het beroemde artikel 10a VPB is de vraag of de aldaar beschreven situaties uitputtend waren of niet. Ook is toen de route van "fraus legis" aan de orde gesteld. Het enkel lezen van artikel 10a is dan niet voldoende. In een recent arrest van de Hoge Raad (5 september 2025 ECLI:NL:HR:2025:1250) is door de Hoge Raad bevestigd dat er sprake is van fraus legis bij aftrek van rente bij overname van een Nederlandse retailketen. Ook al zijn er zakelijke motieven dan nog kan fraus legis in beeld komen, aldus ons hoogste rechtscollege. Bij gekunstelde structuren wordt alsnog de rentaftrek om zeep geholpen (strijd met doel en strekking). In de meeste zaken speelt hierbij de winstdrainage problematiek waarbij de holding geen echte rol heeft vervuld en enkel is opgezet om om de renteaftrek te regelen, de financiele spilfunctie ontbreekt en de holding is enkel doorgeefluik van geld.
Noot fiscaal jurist inzake fraus legis in fiscale wereld
Als fiscaal juristen staan we op een glijdende schaal waarbij we moeten waken voor een te ruime interpretatie van de wet die de duidelijkheid en voorzienbaarheid ondermijnt. Het lex certa-beginsel dient als een baken van rechtszekerheid, waarbij de overheid alleen mag ingrijpen als de regels vooraf duidelijk en kenbaar zijn gemaakt. Deze ontwikkelingen vragen om een zorgvuldige afweging en een diepgaand begrip van zowel de letter als de geest van de wet.
Bij Fraus Legis gaat het om constructies die tegen de geest of doel en strekking van de wet ingaan. Dit moet worden bestreden maar wel zorgvuldig door de belastingdienst worden ingezet (als laatste middel). Tax planning is een essentieel onderdeel van financiële planning, waarbij economisch en juridisch handelen wordt afgestemd op fiscale gevolgen om het resultaat na belastingen te optimaliseren. Dit kan leiden tot het gebruik van alternatieve, soms gekunstelde, rechtswegen om een gunstiger fiscale behandeling te verkrijgen. Hieronder volgt een korte uiteenzetting van de belangrijkste aspecten van tax planning, inclusief de grenzen van wat toelaatbaar is volgens de Nederlandse wetgeving.
Toelaatbare route binnen fiscale wetgeving
- Zakelijke doelstelling speelt belangrijke rol: als zakelijke overwegingen een bepaalde route rechtvaardigen hoeft nog geen sprake te zijn van fraus legis (zie ook het Bovag arrest)
- Gebruik van zakelijke beloningen: Het in de onderneming mee laten werken van de echtgenoot en hem/haar daarvoor een zakelijke beloning toekennen, wat leidt tot progressievoordeel.
- Omzetting van ondernemingsvorm: Bijvoorbeeld de omzetting van een persoonlijke onderneming in een bv. (Hoge Raad inzake toelaatbare constructie)
- Uitstellen van dividenduitkeringen: Door grootaandeelhouders om uitstel van ab-heffing te bewerkstelligen.
- Emigratie: Waardoor pensioen- en lijfrentetermijnen niet onderworpen zullen zijn aan inkomstenbelasting in Nederland.
- Periodieke schenkingen: Om toekomstige erfbelasting te verlagen.
Grenzen van tax planning:
- Strijd met doel en strekking van de fiscale wetgeving: De Hoge Raad heeft bepaald dat de vrijheid van de belastingplichtige om de gunstigste fiscale weg te kiezen haar grens vindt daar waar de gevolgde weg leidt tot wetsontduiking.
- Fraus legis: Als belastingverijdeling het hoofddoel is en de constructie in strijd is met het doel en de strekking van de fiscale wetgeving, kan de rechter concluderen tot fraus legis. De beoogde fiscale behandeling wordt dan onthouden.
Conclusie inzake fraus legis
Hoewel tax planning een legitieme strategie is om fiscale efficiëntie te bereiken, is het cruciaal om de grenzen van de wet te respecteren. De praktijk leert dat niet elke fiscaal gemotiveerde rechtshandeling ontoelaatbaar is, maar de toetssteen blijft of de gekozen rechtsweg leidt tot een resultaat dat de bedoeling van de wet geweld aandoet. Fiscaal juristen en belastingadviseurs spelen een sleutelrol in het navigeren binnen deze grenzen, waarbij zij niet alleen de letter, maar ook de geest van de wet in acht moeten nemen. Het is onze professionele plicht om binnen de kaders van de wet te blijven en tegelijkertijd de belangen van onze cliënten optimaal te dienen.
Informatiebeschikking en niet verstrekken stukken
In deze blog gaan wij nader in op een uitspraak van de Rechtbank waarbij de inspecteur weigerde om op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. De rechter (Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 7 februari 2024 ECLI:NL:RBZWB:2024:647) kan de gehele aanslag in de prullenbak gooien , de bewijslast gunstiger verdelen, maar ook een proceskostenvergoeding toekennen. In deze zaak is besloten om een proceskostenvergoeding van € 10.000 toe te kennen (schending artikel 8:42 AWB).
Informatieplicht bij dossier inzage geschonden
De belastingdienst verstrekt niet altijd alle dossierinformatie aan een belastingplichtige en/of de rechter. Er zijn 138 zaken onderzocht en in 10% van deze zaken is de verplichting geschonden. Bij ongeveer 50% van de onderzochte zaken bestond er een geschil over de dossierinzage en/of informatieverstrekking door de Belastingdienst. Bij één zaak was het zo ernstig dat de aanslag in de prullenbak verdween, in andere zaken werden proceskosten en/of griffierechten vergoed. Er kan sprake zijn van drie situaties:
- Computers niet op orde (tekortkoming in de informatie huishouding bij de Belastingdienst)
- Interpretatie artikel 8:42 AWB
- Onterecht verzoek op geheimhouding stukken (onwil)
De staatssecretaris heeft toegezegd dat interne processen worden verbeterd en tevens intern sneller met procesdeskundigen wordt overlegd welke informatie op grond van artikel 8:42 AWB wel of niet moet worden verstrekt. Het is slordig of kwalijk dat informatie niet wordt verstrekt, edoch bij 2.000 procedures en 60 kritische zaken valt dit ook wel weer mee. Dit blijkt uit een jurisprudentieonderzoek dat de staatssecretaris heeft laten uitvoeren.
Informatiebeschikking en inspanningsverplichting
In een procedure bij het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 28 april 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026:2718) gaat het in de kern om de vraag hoe ver de inspanningsverplichting van een belastingplichtige reikt bij een informatieverzoek (of informatiebeschikking) van de belastingdienst op grond van artikel 47 AWR (in combi met artikel 52a AWR). Centraal staat een buitenlandse SPF structuur (stichting particulier fonds) waarin online kansspelen waren ondergebracht. Belanghebbende stelt dat hij niet over de administratie kan beschikken. Volgens hem bevonden de stukken zich bij de buitenlandse bestuurders, vereffenaars en bewaarders van de administratie. De belastingdienst en het Gerechtshof zijn het hier niet mee eens. De inspecteur heeft bewezen dat de informatie relevant is voor de belastingheffing. Het Gerechtshof stelt dat belanghebbende alleen aan een informatiebeschikking kan ontkomen als hij aannemelijk maakt dat hij niet over de stukken kon beschikken en dat hij alle redelijkerwijs van hem te verlangen inspanningen heeft verricht om de stukken alsnog te verkrijgen (zie Hoge Raad 22 september 2023 ECLI:NL:HR:2023:1270. Omdat belanghebbende de SPF heeft opgericht en ook begunstigde en houder van de oprichtersrechten is had hij over de administratie kunnen beschikken, aldus het Gerechtshof.
Kabinet wil informatiebeschikking versnellen
De langdurige procedure rondom de informatiebeschikking moet korter worden (aldus kamerbrief d.d. 20 januari 2026). De regeling is 15 jaar geleden ingevoerd om de rechtsbescherming van een belastingplichtige bij een informatieverzoek van de belastingdienst (inspecteur) te verbeteren, dit door de sanctie (omkering bewijslast) niet direct te laten intreden. Hoewel bezwaar en beroep tegen een informatiebeschikking mogelijk is werkt deze nog zeker niet conform haar oorspronkelijke doel. De prioriteit zal liggen bij het versnellen van de doorlooptijd (minder rechtsonzekerheid). Het zou mooi zijn als ook aandacht wordt besteed aan de zware consequenties (omkering bewijslast), met name als de informatie er simpelweg niet is of als de tekortkomingen zeer beperkt zijn.
Informatiebeschikking staat ter discussie
Sinds 2011 kennen we de informatiebeschikking in de AWR. Dat de rechtsbescherming voor belastingplichtige niet is bereikt is wel helder. Nog te vaak zorgt een informatiebeschikking voor scheve verhoudingen en langdurige bezwaar en beroepsprocedures. Met de informatiebeschikking heeft de belastingdienst (inspecteur) de mogelijkheid gekregen om een voor bezwaar (en beroep) vatbare informatiebeschikking vast te stellen wanneer niet (volledig) wordt voldaan aan zijn informatieverzoek of de administratieplicht van een belastingplichtige. De vraag is of dit beter kan, er wordt immers geen aanslag opgelegd, trajecten duren lang en geven onzekerheid. Er is een pre consultatie (tot 1 juni 2025) die dit in beeld moet brengen.
Weigeren om alle stukken aan belastingplichtige te verstrekken
In bezwaar en beroepsprocedures moet de inspecteur in beginsel alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan u overleggen. Wij merken dat regelmatig niet alle stukken in uw dossier aanwezig zijn en/of in procedures niet alle relevante stukken worden verstrekt. Er volgt dan een discussie over het feit of bepaalde stukken of gegevens wel op niet op uw zaak (aanslag) betrekking hebben. Maar welke informatie moet er nu wel en niet worden verstrekt? In dit artikel een overzicht van uw rechten en de gevolgen bij de rechter als niet alle stukken worden verstrekt. Dit gaat derhalve om:
- adviezen
- derdenonderzoeken
- informatie uit boekenonderzoek
- standpunten kennisgroep
- correspondentie
- verslagen van telefooongesprekken
- e-mails
De inspecteur mag geen selectie maken zodat hij naar eigen inzicht gaat beoordelen welke stukken wel en niet worden verstrekt. De Hoge Raad heeft in haar arrest duidelijk gemaakt welke stukken wel en niet moeten worden verstrekt. Dit is in 2022 door de Hoge Raad nog eens herhaald en verder duidelijk gemaakt.
Verzoeken om inzage stukken tijdens hoorzitting
Het is volgens het Gerechtshof 's Hertogenbosch heeft op 9 augustus 2023 (ECLI:NL:GHSHE:2023:2595) van belang dat u bij een schending van het inzagerecht (artikel 7:4 lid 3 AWB) hierover een opmerking maakt tijdens de hoorzitting. Als een belanghebbende - die door een proffesionele gemachtigde wordt bijgestaan - tijdens een hoorzitting niet opnieuw aanvoert dat hij door het achterwege laten van de inzage in zijn stukken (dossier bij de belastingdienst of de overheidsinstelling) informatie mist, de belanghebbende deze informatie kennelijk niet nodig heeft, niet meer nodig heeft of niet heeft gemist. Tijdens een (telefonische) hoorzitting is het ontbreken van het inzagerecht niet aan de orde gesteld. Het Hof gaat met de wettekst in de hand (artikel 6:22 AWB) aan het inzagerecht / de inzageplicht (artikel 7:4 lid 2 AWB), voorbij. Het Gerechtshof komt tot het volgende:
- RO 4.6: Indien, zoals in het onderhavige geval, geen ter inzagelegging heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de hoorzitting, dan mag van belanghebbende worden verwacht dat hij voorafgaande of tijdens die hoorzitting nogmaals daarom verzoekt. Als een belanghebbende, zeker in het geval hij wordt vertegenwoordigd door een professionele gemachtigde, tijdens die hoorzitting niet opnieuw aanvoert dat hij door het achterwege laten van de ter inzagelegging informatie mist, dan mag in beginsel worden aangenomen dat hij die stukken kennelijk niet (meer) nodig heeft. Het laten passeren van de mogelijkheid in de bezwaarfase om informatie te vergaren, die nodig is om de bezwaarfase optimaal te laten verlopen, moet dan voor rekening van belanghebbende blijven. Uit het verslag van de (telefonische) hoorzitting volgt niet dat belanghebbende zijn klacht over schending van het inzagerecht naar voren heeft gebracht. Weliswaar golden ten tijde van het horen van coronamaatregelen maar ook dan geldt dat de gemachtigde had kunnen informeren naar de gang van zaken met betrekking tot de inzage.
De Hoge Raad laat het verder bij op 12 april 2024 (ECLI:NL:HR:2024:578). Dit hoeft geen algemene lijn te zijn, het inzagerecht speelde tijdens de corona periode, de ambtenaar heeft dit recht niet gemeld, de hoorzitting was telefonisch en tevens waren alle stukken online beschikbaar. Ook heeft de ambtenaar een paar keer gevraagd of belanghebbende alle stukken in bezit had.
De Essentie van Informatiebeschikking en Artikel 8:42 Awb
In een recente uitspraak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een belangrijke beslissing genomen die de aandacht verdient van elke fiscaal jurist en belastingadviseur. De zaak betrof een naar Maltees recht opgerichte Ltd. die, samen met enkele gelieerde vennootschappen, twee internetcasino's exploiteerde. De inspecteur vermoedde dat deze vennootschappen in Nederland belastingplichtig waren en vroeg daarom om de volledige administratie. Toen niet aan deze verzoeken werd voldaan, volgden informatiebeschikkingen. Echter, de inspecteur had niet alle relevante stukken overlegd, wat resulteerde in een veroordeling tot het betalen van €10.000 aan proceskosten, naast de reguliere kosten.
Belangrijke aandachtspunten "op de zaak betrekking hebbende stukken"
- Artikel 8:42 Awb schending: De rechtbank vond dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken had overgelegd. Dit wordt gezien als een schending van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wat leidde tot een extra proceskostenveroordeling.
- Informatiebeschikking deels vernietigd: De informatiebeschikking werd vernietigd voor zover deze betrekking had op de administratieplicht van artikel 52 AWR, omdat niet vaststond dat de Ltd. in Nederland belastingplichtig was. Dit toont het belang van het vaststellen van belastingplicht alvorens administratieve verplichtingen op te leggen.
- Handhaving van informatieverplichting: De verplichting op basis van artikel 47 AWR (informatieverplichting) bleef echter in stand, hoewel zonder de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast. Dit benadrukt de breedte van de informatieverplichting, zelfs zonder directe belastingplicht vastgesteld te hebben.
- Proceskostenveroordeling: De zaak benadrukt de potentiële financiële consequenties voor de belastingdienst bij het niet naleven van de vereisten van het bestuursrecht, met name de overlegging van alle relevante stukken.
- Belang van tijdige en volledige informatievoorziening: Het belang van het verstrekken van gevraagde informatie wordt onderstreept, evenals de mogelijkheid van een informatiebeschikking als middel voor de inspecteur om deze informatie te verkrijgen.
Deze uitspraak illustreert de complexe interactie tussen de administratieve verplichtingen van belastingplichtigen en de informatieverzoeken van de belastingdienst. Het onderstreept tevens de kritieke rol van de rechterlijke toetsing in het handhaven van de balans tussen deze verplichtingen en rechten. De nuances van deze zaak dienen als een belangrijke herinnering voor zowel fiscale professionals als hun cliënten om zorgvuldig te navigeren door de vereisten van de belastingwetgeving en de procedurele verdediging tegen informatiebeschikkingen.
Dossierinzage en stukken uit dossier
Deze uitspraak toont nog eens aan dat het belangrijk is dat er in de bezwaarfase een dossierinzage heeft plaatsgevonden. Als de Belastingdienst stukken niet verstrekt of uit uw dossier heeft gehaald, dan kan er discussie ontstaan. Soms mogen stukken geheim worden gehouden, maar dit kan niet zonder toelichting. Het is ook de vraag of u dit te weten komt of kunt zien. Een ervaren fiscaal jurist die zorgvuldig uw dossier gaat raadplegen is dan ook wenselijk. Op grond van de algemene wet bestuursrecht (artikel 8:31) moet de inspecteur de stukken aan de rechter verstrekken, als hierom wordt verzocht. Als dit niet is gebeurd (en er dus stukken ontbreken), dan kan een rechter de aanslagen welke zijn opgelegd hierom vernietigen.
Niet overleggen van stukken en de gevolgen hiervan
Als de inspecteur informatie niet gaat verstrekken in een procedure kan dit verstrekkende gevolgen hebben. Als u informatie niet zou verkrijgen kunt u de inspecteur of de rechter hierom vragen. Dit moet gemotiveerd en dat is niet altijd eenvoudig. Allereerst moet u weten of er stukken niet in in uw dossier zitten en vervolgens moet u aannemelijk maken dat deze stukken relevant zijn of zijn geweest. De rechter zal vervolgens bekijken of uw verzoek redelijk is. Meestal zal de informatie aan u ter beschikking worden gesteld. Doet de rechter dit niet dan zal er gemotiveerd een beslissing hierover worden genomen (uitspraak). Als de inspecteur moet verstrekken en dit niet doet dan kan de rechter hieraan gevolgen verbinden, die haar als passend voorkomen. Dit kan het volgende tot gevolg hebben:
- gunstiger bewijslastverdeling voor u (uitspraak);
- toekennen schadevergoeding (uitspraak)
- veroordeling inspecteur in kosten of griffierechten;
- verlagen of verminderen van de boete;
- vernietigen van de aanslag (uitspraak).
Fiscale advisering bij procedure in bezwaar of beroep
Vragen over informatiebeschikking
Wij adviseren regelmatig belastingplichtigen die er even niet uitkomen met de Belastingdienst. Heeft u vragen of opmerkingen, stuur dan gerust een e-mail aan onze specialist of neem telefonisch contact op.
Bitcoin verzwijgen voor fiscus is gevaarlijk
Bron 7 maart 2024 Nu.nl (met medewerking mr M. Bik)
Belastingaangifte 2023 en bitcon
Boetebeleid Belastingdienst aangepast in verband met DAC 8
Onder de nieuwe DAC8 wetgeving gelden nieuwe beleidsregels voor de vergrijpboete bij binnenlandse informatie verplichtingen in het kader van deze wetgeving. Als het aan opzet of grove schuld van de belanghebbende is te wijten dat deze verplichtingen (het melden) niet, te laat, onjuist of onvolledig worden (of zijn) nagekomen legt de inspecteur een vergrijpboete op. De hoogte wordt afgestemd met de vaktechnische coördinator formeel recht. De boete voor de grensoverschrijdende informatieverplichting is fors verhoogd (van 4e categorie € 27.500 tot de 6e categorie € 1.100.000). Het besluit is in werking getreden (per 8 augustus 2026).
Nieuwe DAC8 wetgeving voor crypto in Nederland
Het Ministerie van Financiën heeft een wetsvoorstel ingediend om de Europese DAC8-richtlijn in de Nederlandse wet te implementeren, waarmee aanbieders van cryptodiensten vanaf 1 januari 2026 verplicht worden om gebruikersgegevens te verzamelen, controleren en delen met de Belastingdienst. Dit moet belastingontwijking en -ontduiking tegengaan. De gegevens worden jaarlijks gedeeld met andere EU-lidstaten en, door implementatie van het CARF, ook met niet-EU-landen die hieraan meedoen. Voor cryptobezitters verandert er niets; zij moeten al aangifte doen. De consultatie loopt tot 21 november, met indiening van het voorstel in het tweede kwartaal van 2025. Relevante documenten :
Bewust of onbewust crypto of bitcoin vergeten?
Vergeten om aangifte te doen?
Meevaller: je mag kijken naar de waarde van begin 2023
Procesafspraken tussen OM en verdediging
Wij adviseren regelmatig - in overleg met gespecialiseerde advocaten - clienten bij fiscale fraude zaken. Ons deel van de advisering ziet dan op de fiscaal inhoudelijke kant van het (boeken) onderzoek en de berekening van het "echte" fiscale nadeel. Clienten zitten vaak te lang in een trein tijdens een fraudezaak, dit duurt vaak jaren. Gevolg hiervan is, onzekerheid, kranten die in de nek hijgen, banken en accountants die vragen blijven stellen, etc. Clienten willen dan graag duidelijkheid en hun blik weer op de toekomst richten en het verleden afsluiten. Procesafspraken met het Openbaar Ministerie kunnen hierbij soms helpen, hiervoor zijn echter wel twee welwillende partijen nodig. Als partijen (verdachte en OM) het eens zijn, kan de rechter soms nog roet in het eten gooien. De Hoge Raad heeft in 2022 gelukkig wel aangegeven dat het maken van procesafspraken is toegestaan. Ook heeft het OM in 2023 een stuk opgesteld waarin deze route wordt beschreven. In deze aanwijzing is vastgelegd waar de procesafspraken aan moeten voldoen. De belangen van beide partijen moeten voldoende worden afgewogen en er mag geen sprake zijn van willekeur. Dit stuk geeft dus redelijk heldere handvatten voor een verdachte en diens advocaat (en fiscaal jurist).
Afspraken maken met het OM
Afspraken met elkaar maken is van alle tijden. De laatste tijd worden er steeds meer afspraken gemaakt tussen het Openbaar Ministerie (OM) en de verdediging om - via de rechter - tot afspraken te komen over een bepaalde situatie. Zowel de verdediging als het OM doen water bij de spreekwoordelijke wijn zodat veel sneller tot een einduitspraak kan worden gekomen. Recentelijk waren er diverse uitspraken waardoor we maar eens een overzicht artikel gaan schrijven.
Het initiatief voor een afspraak tussen de verdachte en het OM kan van beide partijen komen. Dit begin meestal bij een eerste kennismaking of een verkennend gesprek met de advocaat en de officer van justitie. In dit gesprek komen de eerste indicaties naar voren die vervolgens intern bij het OM worden besproken. De recherche officier van justitie zal (soms in overleg met de officier van jusititie) bekijken of de casus zich leent voor het maken van procesafspraken. De proceshouding, de strafbare feiten en het fiscale nadeel zijn belangrijke onderdelen. Uiteindelijk kan dan worden gekomen tot een overeenkomst. De rechter wordt hierover voordien geinformeerd. In de gesprekken moeten partijen vertrouwelijk met elkaar kunnen spreken en de handen aan beide kanten vrij hebben om heldere afspraken te maken. Vaak is het fiscale nadeel (en of dit is betaald) een belangrijk onderdeel, dit is voer voor fiscaal juristen (belastingkundigen) en minder voor de advocaat. Goed en zorgvuldig overleg tussen beide juristen is dus van belang.
Procesafspraken in fiscale fraude zaken
De laatste jaren zien we steeds meer procesafspraken binnen het strafrecht. De jurisprudentie gaat nog wel een beetje "van links naar rechts" maar de lijn wordt na een uitspraak van de Hoge Raad in 2022 wel duidelijker. Binnen een procesafspraak worden vooraf afspraken gemaakt over ondermeer:
- de hoogte van de straf
- de onderzoekswensen
- de ontnemingsvordering
- de straffen
Om dit fenomeen wat meer handen en voeten te geven heeft het OM ook een aanwijziging procesafspraken in strafzaken opgesteld.
Het ontstaan van het fenomeen procesafspraken in het strafrecht is al enige tijd in ontwikkeling. Het Openbaar Ministerie en de verdediging kunnen in zo'n procesafspraak afspraken maken over bijv. de hoogte van de straf, onderzoekswensen en de ontnemingsvordering. De Hoge Raad oordeelde in 2022 dat procesafspraken onder voorwaarden zijn toegestaan (ECLI:NL:HR:2022:1252) en het Openbaar Ministerie stelde een Aanwijzing procesafspraken in strafzaken (2023A002) op.
Procesafspraken binnen het strafrecht
In het kader van (formele) strafrecht hebben recente ontwikkelingen rondom procesafspraken in strafzaken aanzienlijke aandacht gekregen. Deze trend werd ingezet door de rechtbank Rotterdam in oktober 2021 (ECLI:NL:RBROT:2021:9953) met het doel om het strafproces te versnellen door middel van wederzijdse concessies van het OM en de verdediging. Dergelijke afspraken omvatten onder meer het laten vallen van onderzoekswensen door de verdediging en de toezegging van het OM om lagere straffen te eisen in ruil.
De jurisprudentie ontwikkelde zich langs twee lijnen: zaken waarin de gemaakte afspraken werden gevolgd en zaken waarin de rechtbank ervan afweek. Vooral de afwijkingen zijn opmerkelijk, zoals in de uitspraken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2022:2524) en de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2022:3512), waarbij de rechtbanken de procesafspraken niet volgden vanwege diverse redenen, waaronder onvoldoende tijdwinst en de noodzaak voor een grondige rechterlijke toetsing. Soms wil de rechter de verdediging iets meer aan de tand voelen en/of aan het woord laten. Soms mist de rechter ook de context voor gemaakte afspraken, de rechter wil dan inzicht in het vooroverleg, de beweegredenen en de gesprekken die hebben geleid tot het uiteindelijke voorstel en/of de gemaakte afspraken. De rechter kan dan het onderzoek heropenen om een duidelijke rechterlijke toetsing te kunnen toepassen. Als het spannend gaat worden (zoals bij wapenbezit) kan de rechter de gemaakte afspraken te karig vinden (Rechtbank Noord Holland d.d. 21 juni 2022 ECLI:NL:RBNHO:2022:5329), de rechter was in deze casus niet akkoord met de strafmaat. Deze kwestie draaide om wapenbezit (en handel) waarbij 30 maanden gevangenisstraf is voorgesteld. De rechtbank veroordeelde de verdachte uiteindelijk tot 42 maanden, mede door de ernst van de feiten maar ook omdat geen tijdwinst zou worden behaald met de voorgestelde afspraken.
Hoge Raad is akkoord met maken bindende procesafspraken tussen partijen
De Hoge Raad heeft zich in september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252) uitgesproken over de toelaatbaarheid van procesafspraken, waarbij benadrukt werd dat dergelijke afspraken in beginsel toelaatbaar zijn ondanks het ontbreken van een wettelijk kader. De zelfstandige positie van de rechter moet echter gewaarborgd blijven, met voldoende aandacht voor onder meer rechtsbijstand voor de verdachte en de belangen van het slachtoffer.
Recente zaken tonen aan dat de praktijk weerbarstig is en dat veel procesafspraken uiteindelijk niet het beoogde effect sorteren. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2022:10371) heeft echter laten zien dat er ruimte is voor succesvolle toepassing van procesafspraken, mits deze zorgvuldig worden voorbereid en gepresenteerd.
Conclusie inzake procesafspraken tussen verdachte en het OM
Deze ontwikkelingen in de jurisprudentie maken de noodzaak duidelijk voor een gedegen voorbereiding en presentatie van procesafspraken en de cruciale rol van de rechterlijke toetsing in het waarborgen van de rechtvaardigheid en efficiëntie van het strafproces. Recentelijk verschenen er weer uitspraken over dit onderwerp. De Rechtbank Overijssel boog zich op 12 februari 2024 (ECLI:NL:RBOVE:2024:698) boog zich over een casus waarbij een verdachte meerdere malen opzettelijk onjuiste aangifte omzetbelasting had ingediend en hierbij feitelijk leiding had gegeven aan een rechtspersoon (valsheid in geschrifte). Partijen gingen voordat ze naar de rechter gingen met elkaar aan tafel en maakten heldere afspraken over:
- de openstaande onderzoekswensen zouden komen te vervallen
- het fiscale nadeel is voordien duidelijk vastgesteld
- de taakstraf (eis) wordt helder op papier gezet (evenzo de geldboete)
- partijen doen vooraf afstand van een hoger beroep
- de verdediging gaat rustig achteruit zitten en zal geen verweren voeren tegen de tenlaste gelegende feiten (en straffen)
Of een rechter - met het arrest van de Hoge Raad in de hand - meegaat in dit soort zaken is altijd de vraag. De rechter zal altijd zelf toetsen wat zijn mening is en/of ook artikel 6 EVRM voldoende is gewaarborgd, derhalve een eigen belangenafweging van de op te leggen straffen en gemaakte afspraken. Vaak wordt bij fiscale belastingnadelen ook gekeken over de naheffingsaanslagen of navorderingsaanslagen ook daadwerkelijk (volledig) zijn voldaan, hierdoor is in ieder geval het belastingnadeel voor de staat teniet gegaan.
Procesafspraken tussen het OM en de verdediging zijn derhalve toelaatbaar als de wettelijke regeling en de eisen van een eerlijk proces voldoende in acht zijn genomen. Procesafspraken in strafzaken doen geen afbreuk aan de eigen verantwoordelijkheid van de (straf) rechter voor de uitkomst van een zaak. De rechter kan - op grond van eigen bevindingen - tot een uitspraak komen die aansluit bij de tussen partijen gemaakte procesafspraken, een garantie is dit echter nooit (rechter is niet verplicht om partijen te volgen). De uitkomst van het proces moet in verhouding staan tot de ernst van de zaak, de uiteindelijk "hamer van de rechter" is hierbij beslissend. Een goede voorbereiding kan wel veel onduidelijkheid en gedoe voorkomen. De belangrijkste overwegingen bij een gemaakte afspraak zijn:
- bij de totstandkoming van de gemaakte afspraken moet de verdachte rechtsbijstand hebben gehad;
- de officier van justitie moet bij het maken van procesafspraken voldoende rekening houden met de belangen van de verdachte;
- als de verdachte afziet van verdedigingsrechten met voldoende gewaarborgd worden dat er sprake is van een eerlijk proces;
- de rechter moet eenvoudig kunnen vaststellen dat de verdachte vrijwillig - op basis van heldere informatie - bewust de rechtsgevolgn heeft aanvaard en afstand heeft gedaan van zijn of haar (verdegings) rechten;
- de rechter zal het afdoeningsvoorstel altijd zelfstandig beoordelen;
- als de rechter - op grond van bewezenverklaringen en/of strafoplegging - tot een ander oordeel komt is het van belang dat partijen zich nog even kunnen uitlaten over het hoe en waarom van de gemaakte afspraken. Soms moet een zaak dan wellicht worden heropend;
- het afdoeningsvoorstel moet bij een openbare zitting worden voorgelezen (en helder samengevat);
Een gecombineerde aanpak van (fiscale) strafzaken met een fiscaal jurist en een (gespecialiseerde) advocaat kan veel gedoe en gezeur voorkomen. Temeer omdat helder en duidelijk het fiscale nadeel moet worden vastgesteld. Dit is een belangrijke overweging voor de rechter. Als er vragen of opmerkingen zijn horen wij graag van u, dit kan eenvoudig via het versturen van een e-mail via onderstaand formulier.
Kwijtschelding belastingschulden
Kwijtschelding belastingschulden kan spelen bij particulieren en ondernemers. In dit artikel kijken wij naar de mogelijkheden en onmogelijkheden. Het vertrekpunt voor de kwijtschelding is gelegen in de invorderingswet. De aanleiding voor dit artikel is dat kennisgroep van de Belastingdienst een toelichting heeft gegeven en steeds meer particulieren en ondernemers aanlopen tegen financiele verplichtingen die niet kunnen worden nagekomen. Ook is er een uitspraak van de Rechtbank uit 2023 welke wij nader bespreken in dit artikel. Tenslotte wordt de invorderingswet in 2024 uitgebreid met een hardheidsclausule.
Woo verzoek kwijtscheldingsverzoeken Belastingdienst
In maart 2025 is meer inzicht verkregen over de interne behandeling van sanerings- en kwijtscheldingsverzoeken bij de Belastingdienst. Via een Woo verzoek is de volgende informatie bekend geworden:
- Overzicht saneringen in 2023 en 2024
- Verzoek kwijtschelding van belastingen en premies voor ondernemingen
- Handelingsperspectieven voor ondernemers met en zonder coronal uitstel na 1 april 2022
- Tijdelijke instructie saneringen
Verzoek om kwijtschelding of betalingsregeling is geen bezwaarschrift
De Rechtbank Zeeland West Brabant heeft op 12 oktober 2023 (ECLI:NL:RBZWB:2023:7164) uitgesproken dat een verzoek om kwijtschelding of een betalingsregeling niet kan worden aangemerkt als een bezwaarschrift. Ook in beroep bij het Gerechtshof 's Hertogenbosch op 6 november 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:3486) kwam dezelfde conclusie op tafel. De Hoge Raad was er nog sneller klaar mee op 4 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:521) en verklaarde de zaak niet ontvankelijk omdat het griffierecht niet tijdig is voldaan. De bezwaarschriften tegen diverse (gemeentelijke) aanslagen waren te laat (en geen verschoonbare termijnoverschreiding). De verzoeken om kwijtschelding en uitstel van betaling kwalificeren ook niet als bezwaarschrift, deze gaan immers niet over de grondslagen van de aanslagen.
Kwijtschelding belastingschulden bij ondernemers
De ontvanger / belastingdienst kan onder voorwaarden belastingschulden kwijtschelden (basis artikel 26 uitvoeringsregeling IW). Het verzoek om kwijtschelding moet bij de ontvanger worden ingediend (dus niet bij de inspecteur) via een speciaal formulier.
- Kwijtschelding wordt (deels) verleend als belastingplichtige (eventueel met zijn of haar partner) niet kan betalen en er ook geen uitzicht is "op beter". We spreken dan over evidente betalingsonmacht.
- Voor ondernemers is het lastiger om kwijtschelding te verkrijgen als men zich niet aan fiscale regels heeft gehouden, zoals het niet of niet tijdig indienen van aangiften en/of situaties waarbij en boeten zijn opgelegd.
- Bij kwijtschelding aan ondernemers moet er ook een akkoord zijn bereikt met de overige schuldeisers.
- Door de corona periode (besluit) zijn er soms speciale (gunstige) regelingen en/of kunnen ondernemers een adempauze/ betaalpauze van 6 maanden aanvragen.
Kwijtschelding belastingschulden bij particulieren
Kwijtschelding vindt alleen plaats als de persoonlijk de schulden echt niet meer kan betalen en het uitzicht hierop ook niet aanwezig is, men spreekt dan over "evidente betalingsonmacht" . Op de site van de Belastingdienst staat informatie en een formulier om een kwijtscheldingsverzoek in te dienen.
- Vanaf 2024 worden de mogelijkheden iets beter, er komt dan namelijk een hardheidsclausule in de invorderingswet.
- Algemene bepalingen inzake kwijtschelding staan opgenomen in de invorderingswet (artikel 7 tot en met 9). De voorwaarden voor kwijtschelding van prive belastingschulden zijn neergelegd in artikel 10 tot en met 19 uitvoeringsregeling invorderingswet.
- De belastingdienst zal op grond van het vermogen en inkomen van een belastingplichtige bekijken of er nog mogelijkheden zijn.
- Bij een betalingsregeling wordt er altijd invorderingsrente in rekening gebracht.
- In bepaalde gevallen wordt de belastingschuld deels kwijtgescholden.
- Als een belastingschuldige geen vermogen heeft en ook geen betalingscapaciteit wordt de openstaande belastingschuld (veelal) kwijtgescholden.
- In artikel 12 en 13 uitvoeringsregeling invorderingswet wordt helder toegelicht wat onder vermogen van een belastingschuldige moet worden gezien.
- Onder betalingscapaciteit wordt gezien het verschil tussen het netto besteedbare inkomen en de kosten om te leven. Niet alle uitgaven worden hierbij meegenomen, kijk even in artikel 15 uitvoeringsregeling invorderingswet). Leningen worden niet altijd meegenomen.
- Het inkomen van uw partner (gehuwd of samenwonend) wordt meegenomen.
Standpunt belastingdienst inzake problematische schulden
De Kennisgroep invordering & civiel recht heeft vragen beantwoord over het begrip problematische schuldensituatie. De Kennisgroep beantwoordt ook welke ruimte er is om uitstel van betaling te verlenen, als de belastingschuldige geen kwijtschelding krijgt omdat er geen sprake is van een problematische schuldensituatie. In haar uitspraak van 31 juli 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:3232, wees de Rechtbank Overijssel een verzoek om een dwangakkoord af.
- De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een problematische schuldensituatie.
- De schuldenaar kan zijn totale schuldenlast in circa 38 maanden aflossen.
- Volgens de rechtbank heeft de schuldenaar daarbij perspectief om zijn schulden binnen een afzienbare periode af te lossen.
Aan de Kennisgroep invordering & civiel recht zijn naar aanleiding van deze uitspraak vragen gesteld.
Vragen kennisgroep belastingdienst inzake problematische belastingschulden
- Wanneer is er sprake van een problematische schuldensituatie?
- Beoordeelt de ontvanger bij het behandelen van een kwijtscheldingsverzoek of er sprake is van een problematische schuldensituatie?
- Welke ruimte om uitstel van betaling te verlenen heeft de ontvanger als hij een kwijtscheldingsverzoek afwijst omdat er geen sprake is van een problematische schuldensituatie, maar het ook duidelijk is dat de belastingschuld niet binnen twaalf maanden betaald kan worden?
Antwoorden kennisgroep belastingdienst inzake problematische belastingschulden
Van problematische schulden is sprake als redelijkerwijs is te voorzien dat de belastingschuldige zijn schulden niet kan blijven betalen of daar al mee opgehouden is. Of er sprake is van een problematische schuldensituatie moet per geval beoordeeld worden.
Er moet onderscheid gemaakt worden tussen verschillende situaties.
- Regulier kwijtscheldingsverzoek van een particulier:
De ontvanger beoordeelt of een particuliere belastingschuldige in aanmerking komt voor kwijtschelding op basis van de betalingscapaciteit en het aanwezige vermogen van de belastingschuldige. Of er sprake is van een problematische schuldensituatie wordt hierbij niet losstaand getoetst. - Minnelijk voorstel van een schuldverlener die NVVK-lid is voor een
particulier:
De Belastingdienst heeft een convenant gesloten met de NVVK. De ontvanger beoordeelt een minnelijk voorstel voor een particulier niet inhoudelijk, als het voorstel is gedaan door een NVVK-lid en de ontvanger bij opgave van de schuld geen bijzonderheid heeft aangegeven. De ontvanger beoordeelt in deze situatie niet zelfstandig of er sprake is van een problematische schuldensituatie. De ontvanger vertrouwt op het oordeel van het NVVK-lid. - Overige situaties (er is een bijzonderheid aangegeven bij de schuldopgave,
de schuldhulpverlener is geen NVVK-lid of de belastingschuldige is ondernemer):
De ontvanger beoordeelt het voorstel in deze situaties inhoudelijk. Onderdeel van de beoordeling is of de belastingschuldige redelijkerwijs in aanmerking zou komen voor een dwangakkoord. De ontvanger maakt hierbij een belangenafweging waarbij de schuldensituatie een rol kan spelen. De ontvanger kan op grond van de belangenafweging een minnelijk voorstel afwijzen als hij beoordeelt dat er geen sprake is van een problematische schuldensituatie. - De ontvanger kan maximaal twaalf maanden uitstel van betaling verlenen. Als er bijzondere omstandigheden zijn, kan hij de belastingschuldige een langere termijn gunnen. Als de belastingschuldige zijn belastingschuld niet in twaalf maanden kan aflossen en hij ook niet in aanmerking komt voor kwijtschelding, omdat de ontvanger en/of de rechtbank beoordeelt dat er geen sprake is van een problematische schuldensituatie, dan kan dat een bijzondere omstandigheid zijn als bedoeld in artikel 25.5.1 van de Leidraad Invordering 2008 (hierna: LI 2008). De ontvanger kan de belastingschuldige dan langer dan twaalf maanden uitstel van betaling verlenen (zie ook artikel 25.5.11 LI 2008).
Daarnaast is in het convenant met de NVVK afgesproken dat een minnelijk voorstel ook een voorstel voor een betalingsregeling kan zijn, waarbij de belastingschuld volledig wordt voldaan. Als de ontvanger van een NVVK-lid een minnelijk voorstel krijgt om de (niet-problematische) belastingschuld binnen een bepaalde termijn te betalen, dan wordt dit conform het convenant in beginsel geaccepteerd.
Beschouwing belastingdienst inzake kwijtschelding belastingschulden
De regels over kwijtschelding van rijksbelastingen zijn, op basis van artikel 26, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, neergelegd in Hoofdstuk II van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (hierna: URIW). Daarnaast zijn er beleidsregels neergelegd in de LI 2008. Er zijn aparte kwijtscheldingsregels voor particulieren (daaronder vallen ook ex-ondernemers, zie artikel 26.1.10 LI 2008) en ondernemers.
Voor particulieren geldt, kort samengevat, dat kwijtschelding mogelijk is als er geen vermogen noch (voldoende) betalingscapaciteit aanwezig is (en ook niet binnen afzienbare tijd wordt verwacht) om de belastingschuld te voldoen. Er mag bovendien geen sprake zijn van een van de afwijzingsgronden (zie artikel 26.1.9 LI 2008, artikel 8 URIW en artikel 18 URIW). Voor ondernemers geldt, kort samengevat, dat er alleen kwijtschelding wordt verleend in het kader van een akkoord met alle schuldeisers en als aan de voorwaarden voor medewerking aan een akkoord is voldaan (zie artikelen 21 en 22 URIW en artikel 26.3.1 LI 2008, met een aantal specifieke bepalingen voor Whoa-akkoorden in artikel 73.3a.2 LI 2008).
Voor natuurlijke personen (particulieren dan wel ondernemers) geldt dat een kwijtscheldingsverzoek de vorm kan hebben van een buitengerechtelijk akkoord (ook wel ‘minnelijke schuldregeling’ of ‘minnelijk voorstel’) dat aan alle schuldeisers wordt aangeboden. Artikel 19a en artikel 22a URIW bepalen dat de ontvanger medewerking verleent aan een akkoord onder de voorwaarden daar genoemd:
- “in gevallen waarin, naar redelijkerwijs mag worden aangenomen, de belastingschuldige (…) in aanmerking zou komen voor de toepassing van een schuldregeling als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet” (het dwangakkoord).
Voor de ontvanger is aanvullend beleid geformuleerd voor minnelijke schuldregelingen (Msnp) in artikelen 73.5 en 73.5a LI 2008. Zo kan de ontvanger maximaal 18 maanden uitstel van betaling verlenen, zodat de schuldhulpverlener een poging kan doen een schuldregeling met de schuldeisers tot stand te brengen (artikel 73.5.1 LI 2008). Voor het verlenen van dit uitstel geldt onder meer dezelfde voorwaarde als die van artikel 19a, tweede lid, URIW:
- "redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de belastingschuldige (…) in aanmerking zou komen voor een schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Fw."
In de Instructie Invordering en Belastingdeurwaarders zijn in dat kader een aantal toetsingspunten genoemd in artikel 52.6.
NVVK-convenant belastingdienst inzake minnelijke regeling
De Belastingdienst heeft in 2020, samen met vijf andere overheidsschuldeisers, een convenant gesloten met de NVVK. De afspraken in het convenant komen erop neer dat de overheidsschuldeisers een minnelijk voorstel van een schuldhulpverlener die is aangesloten bij de NVVK zonder inhoudelijke beoordeling aanvaarden. Dit is alleen anders als de overheidsschuldeiser al bij de opgave van de schuld een bijzonderheid opgeeft.
- Voor ondernemers met schulden geldt tussen de NVVK en de Belastingdienst de aanvullende afspraak dat voor de ontvanger het ondernemerschap standaard geldt als een bijzonderheid bij de schuldopgave. Voor ondernemers beoordeelt de ontvanger het minnelijke voorstel dus wél inhoudelijk.
- Als er sprake is van schuldhulpverlening door een NVVK-lid dan gelden de afspraken uit het convenant. De basis daarvan is onderling vertrouwen. Op het moment dat het NVVK-lid een schuldenoverzicht opvraagt, controleert de ontvanger het dossier op bijzonderheden. Uit het dossier kan bijvoorbeeld blijken dat er sprake is van fraude, ontbrekende aangiften of het ontbreken van goede trouw. Zijn er geen bijzonderheden, dan verleent de ontvanger uitstel van betaling. Als er vervolgens een schuldregeling wordt aangeboden, dan accepteert de ontvanger die.
- In andere situaties (er is een bijzonderheid aangegeven bij het opgeven van de schuld, of de schulphulpverlener is geen NVVK-lid, of de belastingschuldige is ondernemer) beoordeelt de ontvanger het aangeboden voorstel inhoudelijk. Uitgangspunt daarbij is artikel 19a URIW. De ontvanger stemt in met het voorstel als het voldoet aan de voorwaarden daar genoemd én als de belastingschuldige in aanmerking zou komen voor een dwangakkoord.
Problematische schuldensituatie belastingdienst
Bij de beoordeling van een verzoek om een dwangakkoord gaat het volgens artikel 287a, vijfde lid, Fw om de vraag of de niet-instemmende schuldeiser:
- “in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.”
De schuldensituatie is onderdeel van deze belangenafweging. De ontvanger kan een akkoord dus afwijzen als er geen sprake is van een problematische schuldensituatie. Volgens de NVVK Gedragscode Schuldhulpverlening is een problematische schuldensituatie:
- De situatie waarin te voorzien is dat een natuurlijk persoon schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of is gestopt met afbetalen. In ieder geval een situatie waarin niet binnen 36 maanden alle openstaande vorderingen betaald kunnen worden (met een betalingsregeling).
- De NVVK meent dat een persoon die niet binnen 36 maanden al zijn schulden kan betalen problematische schulden heeft.
- De Rechtbank Overijssel oordeelt in de uitspraak van 31 juli 2023 dat het kunnen aflossen van de schulden binnen 38 maanden ook betekent dat er geen problematische schuldensituatie is. In hoger beroep heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 23 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8970, nogmaals het verzoek afgewezen. In hoger beroep bleek de betalingscapaciteit minder, maar oordeelt het hof toch dat de schuldeiser uitzicht heeft op volledige betaling.
- In de toelichting op de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (Stcrt. 2014, 32149) staat het volgende: Van problematische schulden is sprake indien redelijkerwijs is te voorzien dat een rechthebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, of hij heeft opgehouden te betalen. De rechthebbende is niet in staat om bestaande schulden te betalen en voortzetting van zijn gedrag leidt mogelijk tot nieuwe schulden. De hoogte van de schuldenlast zegt in dit kader op zichzelf niet zoveel, maar moet worden afgezet tegen de inkomsten, het vermogen, de huishoudsituatie en de leeftijd, gezondheid en opleiding en verdiencapaciteit van de schuldenaar. Door de Hoge Raad is uitgemaakt dat, in weerwil van de meervoudsvorm ‘schulden’ in het eerste lid van artikel 284 van de Faillissementswet, ook een enkele schuld reeds tot de situatie kan leiden dat een schuld te problematisch is geworden om nog te kunnen aflossen. Het probleemgehalte van een schuldenlast vraagt een weging die sterk afhankelijk is van de bijzondere omstandigheden van het geval. Een hoge schuldenlast kan goed draaglijk zijn voor een verdienend stel zonder kinderen, terwijl een relatief kleine schuldenlast algauw problematisch kan zijn voor een alleenstaande ouder met kinderen. Voor beide gevallen geldt echter dat schulden die nog wel kunnen worden afgelost, ook moeten worden afgelost.”
- Of er sprake is van een problematische schuldensituatie, is dus casuïstisch. In het overgrote deel van de minnelijke voorstellen zal hier geen twijfel over mogelijk zijn. Het zal direct duidelijk zijn dat er sprake is van een problematische schuldensituatie. Twijfelt de ontvanger er wel over én is er sprake van een overige situatie (er is een bijzonderheid aangegeven bij het opgeven van de schuld, de schulphulpverlener is geen NVVK-lid of de belastingschuldige is ondernemer) dan beoordeelt de ontvanger aan de hand van alle omstandigheden van het geval of er sprake is van een problematische schuldensituatie.
Wijziging duur Wsnp en Msnp naar 18 maanden
Dat het traject van de Wsnp en Msnp per 1 juli 2023 is verkort naar 18 maanden, betekent niet dat eerder wordt aangenomen dat er sprake is van een problematische schuldensituatie. Er is sindsdien niet standaard sprake van een problematische schuldensituatie als de schuldenlast niet binnen circa 18 maanden kan worden afgelost. De uitspraak van de Rechtbank Overijssel van 31 juli 2023 maakt daarbij duidelijk dat er volledige aflossing van de schulden mag worden verwacht, als er perspectief is dit binnen een afzienbare periode te doen. Wat daarbij ‘een afzienbare periode is’, moet per geval worden beoordeeld.
Uitstel van betaling na afwijzing kwijtscheldingsverzoek
- De ontvanger kan uitstel van betaling verlenen voor een periode van maximaal twaalf maanden. Als er volgens de ontvanger bijzondere omstandigheden zijn, kan een langere termijn gegund worden (artikel 25.5.1 LI 2008).
- Als de ontvanger kwijtschelding van de belastingschuld afwijst omdat er volgens de ontvanger (en/of de rechtbank) geen problematische schuldensituatie is, dan moet de belastingschuldige de kans krijgen de belastingschuld naar capaciteit af te lossen. Als de belastingschuldige de schuld niet binnen twaalf maanden kan aflossen, maar ook niet in aanmerking komt voor kwijtschelding, kan dat beschouwd worden als bijzondere omstandigheid zoals bedoeld in artikel 25.5.1 LI 2008. De ontvanger kan de belastingschuldige dan een langere termijn dan twaalf maanden gunnen. De belastingschuldige moet zich daarbij inspannen de schuld zo snel mogelijk af te lossen (zie artikel 25.5.11 LI 2008).
- Tot slot is in het convenant met de NVVK afgesproken dat een minnelijk voorstel ook een voorstel voor een betalingsregeling kan zijn, waarbij de belastingschuld volledig wordt voldaan. Als de ontvanger van een NVVK-lid een minnelijk voorstel krijgt om de (niet-problematische) belastingschuld binnen een bepaalde termijn te betalen, dan wordt dit conform het convenant in beginsel geaccepteerd.
- In hoger beroep heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 23 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8970, nogmaals het verzoek afgewezen. In hoger beroep bleek de betalingscapaciteit minder, maar oordeelt het hof toch dat de schuldeiser uitzicht heeft op volledige betaling.
Bron kwijtschelding belastingschulden
Rechtbank Overijssel d.d. 31 juli 2023 ECLI:NL:RBOVE:2023:3232
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 23 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8970
Standpunt
kennisgroep belastingdienst inzake belastingschulden d.d. 30 november 2023
Advocaat is nog geen fiscaal jurist
Er wordt een boekenonderzoek ingesteld bij een advocaat. De administratie (in word) is niet op orde, kosten worden niet juist bijgehouden en de stukken worden niet lang genoeg bewaard. Er volgens navorderingsaanslagen (nadere info) met vergrijpboetes. De advocaat wil - tijdens de corona periode - worden gehoord. Dit horen moet - volgens de inspecteur - daarom telefonisch plaatsvinden. Volgens de advocaat is dit niet zorgvuldig. De advocaat gaat er eens goed voor zitten en komt met het volgende:
- onzorgvuldig handelen door de belastingdienst
- verwijtbaar gedrag door de belastingdienst
- onrechtmatig handelen door de belastingdienst (of diens medewerkers)
- achterhouden van stukken en leugenachtige verklaringen
- ruim 10 belastingambtenaren moeten als getuige worden gehoord
Alle stellingen van de advocaat berusten op losse flodders en worden verder niet onderbouwd (aannemelijk gemaakt). De enige concrete aanwijzing van de advocaat berust op het ontbreken van fiscale kennis en een onjuiste lezing van het controlerapport. Zowel de rechtbank als het gerechtshof laten alle aanslagen en boetes in stand.
Verschil tussen advocaat en fiscaal jurist
De administratie is niet juist, de stellingen in de procedure zijn zwak en worden niet via de juiste bewijslastverdeling ingestoken. Een op dit gebied onkundige zou dergelijke procedures niet moeten voeren. Wat zou ChatGPT hierover zeggen?
- Beide professionals hebben een juridische opleiding genoten, maar de specialisatie en aanvullende training kunnen variëren afhankelijk van hun gekozen vakgebied.
- Beide hebben een academische studie afgerond, edoch met hun eigen specialisatie.
- Een advocaat is een juridisch professional die is opgeleid om cliënten te vertegenwoordigen en te adviseren in juridische zaken. Advocaten kunnen zich specialiseren in verschillende rechtsgebieden, zoals strafrecht, familierecht, arbeidsrecht, enz.
- Fiscaal jurist: Een fiscaal jurist is gespecialiseerd in belastingrecht. Dit betekent dat hij of zij zich voornamelijk bezighoudt met zaken die betrekking hebben op belastingen, zoals inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, btw, en andere belastinggerelateerde kwesties.
Kijk daar wringt zich de schoen. Heb je weinig verstand van een bepaald onderwerp, maar belet dat je niet om commentaar te leveren of te procederen? Dan loop je kans dat iemand het volgende tegen je zegt: “Schoenmaker, hou je bij je leest!”. Deze zegswijze wordt gebruikt om aan te geven dat iemand zich beter bij zijn eigen vakgebied kan houden.
Bewijsvoering in fiscale procedure
Deze procedure is grappig om te lezen. De advocaat trekt vel van leer maar vergeet zijn standpunten ook aannemelijk te maken. Roeptoeteren heeft dan niet veel zin bij de fiscale rechter. In het fiscale recht geldt als basis de vrije bewijsleer. De belastingplichtige kan en mag dus met alle mogelijke middelen het bewijs leveren om zijn of haar stelling, standpunt, aangifte of administratie te onderbouwen. Dit geldt ook voor de Belastingdienst. De vraag die hieraan vooraf gaat is "wie moet wat bewijzen", derhalve de verdeling van de bewijslast. Als vertrekpunt geldt dat het voldoende is dat een partij een te bewijzen factuur, gebeurtenis of feit "aannemelijk moet maken". In sommige gevallen is er een zwaardere bewijs nodig. In dergelijke gevallen is sprake van "aantonen" of "doen blijken". Het kan ook zijn dat de bewijslast volledig bij een belastingplichtige komt te liggen en ook nog in verzwaarde vorm, dit speelt bij de omkering van de bewijslast. In dergelijke gevallen moet een feit of gebeurtenis "overtuigend worden aangetoond".
In de meeste gevallen kan een partij eenvoudig voldoen aan zijn bewijslast door een feit aannemelijk te maken. Denk hier echter niet te makkelijk over, de rechter moet wel overtuigd zijn (en worden) dat de feiten zich hebben voorgedaan. Dat wil zeggen dat niet elke twijfel hierover uitgesloten moet zijn. Het is dus geen volledig bewijs, maar de lichtste vorm van bewijs.
In de fiscale wetgeving wordt soms het woord "aantonen" genoemd. Dit is een zwaardere vorm dan "aannemelijk maken". Dit geldt enkel als het ook zo in de wet staat opgenomen. Dit komt voor als in de belastingwet het woord "aantonen" of "doen blijken" is opgenomen. In dergelijke gevallen moeten de (betwiste) feiten volledig en zorgvuldig worden bewezen, derhalve overtuigend worden aangetoond (Hoge Raad d.d. 26 mei 1999 ECLI:NL:HR:1999:AA2766). Soms halen rechters de woorden "doen blijken" en "aantonen" door elkaar, veel Europese rechters hebben het over "aantonen".
Wat gaat er allemaal mis in deze procedure ?
De advocaat maakt er een rommeltje van, de fiscale spelregels worden met voeten getreden. Een aantal voorbeelden:
- Administratieplicht (artikel 52 AWR): de administratie wordt opgemaakt in word. Dit bestand wordt geprint en daarna van de harde schijf gehaald. In dit document worden de gemaakte kosten genoemd. De datum, factuur, naam leverancier, etc. ontbreken. De nota's zijn ook niet genummerd. Er zitten prive facturen tussen de zakelijke kosten.
- Informatiebeschikking: er wordt een informatiebeschikking aan belastingplichtige toegezonden. Hierover wordt geprocedeerd (rechtbank). In de procedure wordt om een schadevergoeding gevraagd. De rechter stelt dat de advocaat waarschijnlijk heeft bedoeld dat er een onkostenvergoeding moet worden verstrekt (artikel 52 lid 7 AWR). Vervolgens gaat de advocaat nog naar hetGerechtshof en de Hoge Raad, beide zonder succes.
- Horen: door Covid-19 ging dit even niet fysiek en moest het telefonisch. Daar was "belastingplichtige" het niet mee eens. Uiteindelijk heeft er geen hoorzitting plaatsgevonden. Hierdoor is het de aanslag volgens de advocaat nietig. De rechter gaat hier niet in mee.
- Getuigen: Belanghebbende heeft bij brief van 18 mei 2023 de inspecteur verzocht om (minimaal) twaalf medewerkers van de belastingdienst mee te brengen naar de mondelinge behandeling, om ter zitting te worden gehoord. Belanghebbende heeft een kopie van deze brief aan het Hof doen toekomen. De inspecteur heeft aan deze uitnodiging geen gevolg gegeven. Ter zitting heeft belanghebbende het Hof verzocht genoemde getuigen op te roepen om, op een nadere zitting, alsnog te worden gehoord. Belanghebbende heeft hetzelfde getuigenverzoek ook gedaan bij de rechtbank, edoch daar is het afgewezen. Het Hof neemt deze overwegingen alsmede het besluit om bedoelde getuigen niet op te roepen, mutatis mutandis, over en maakt ze tot de zijne. Belanghebbende heeft niet onderbouwd dat bedoelde getuigen (zoals ook de rechtbank al heeft vastgesteld) voor de beslissing in deze fiscale procedure relevante informatie kunnen verstrekken, tja dan ben je vrijwel kansloos in fiscale zaken.
Noot fiscaal jurist inzake fiscale procedure
Procederen is een vak. Zowel in civiele als fiscale zaken. Bij grotere belangen is het verstandig een specialist in te schakelen. Onze afdeling procesrecht doet dit op een praktische manier. Wij beoordelen met u (meestal binnen 1 uur) of een procedure opstarten (of in Hoger Beroep gaan) zinvol. Vragen? Neem gerust contact op met onderstaande fiscaal juristen, waar nodig schakelen zij nog een specialist bij.
Boete aan belastingadviseur
Een belastingadviseur die over de schreef gaat kan zijn lidmaatschap van een beroepsvereniging verliezen (NOB/RB) en strafrechtelijk worden vervolgd. Ook kan de Belastingdienst hem op een openbare zwarte lijst zetten en/of een boete opleggen. Via een zogenaamde deelnemersboete (4e tranche AWB) wordt de belastingadviseur dan gezien als medepleger. Een boete kan worden opgelegd indien sprake is van:
- opdracht geven tot fiscale overtreding
- leiding geven aan fiscale overtreding/activiteiten
- het doen plegen of uitlokken van een overtreding (artikel 67o AWR)
- het medeplegen van een overtreding door advies (zie uitleg Hoge Raad d.d. 14 maart 2023)
Voor een dergelijke boete moet de Inspecteur wel eerst zijn of haar baas om toestemming vragen (paragraaf 2 lid 6 BBBB). Naast een boete kan er aan de belastingadviseur ook een gevangenisstraf worden opgelegd (zie rechtbank Rotterdam, Rechtbank Noord Nederland en Gerechtshof 's Hertogenbosch).
Deelnemersboete aan belastingadviseur
De deelnemersboete wordt steeds vaker opgelegd door de nieuwe wetgeving. In veel gevallen zal de boete niet worden opgelegd en is een goed gesprek met de Belastingdienst nog wel mogelijk. In een aantal twijfelachtige adviezen inzake Malta (Rechtbank Noord Nederland d.d. 10 juni 2021en Gerechtshof Amsterdam d.d. 14 juni 2022) is de boete afgewezen. Bij een slordige interne procedure bij de Belastingdienst (advies inzake Guernsey Ltd's) ging het ook mis (Gerechtshof Den Haag d.d. 2 maart 2022). Ook ging de boete aan een notaris in de prullenbak (Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 23 mei 2018)
Fiscale advisering is een mooi vak
Belastingen zijn leuk en worden steeds leuker. Het is zelfs zo leuk dat wij er ons beroep van hebben gemaakt. Belasting betalen is belangrijk voor de Nederlandse economie, dus noodzakelijk, maar wordt niet altijd als leuk ervaren. Ons werk is dat u "geen cent teveel" gaat betalen. Wij faciliteren u dus bij uw belastingverplichtingen, dit op deskundige wijze en met de wettekst en jurisprudentie als onze fiscale bijbel. Nu zijn er natuurlijk altijd mensen met een lagere belastingmoraal of mensen met minder kennis of simpelweg belastingadviseurs die slordig werken. Ook zij zoeken de fiscaal meest gunstige weg.
Fiscale boete bij belastingadviseur in brievenbus
In dit artikel behandelen wij een tweetal casussen waarbij er een boete wordt opgelegd aan de belastingadviseur. Naast de boete kan de Belastingdienst ook de naam van de adviseur bekend maken (openbare zwarte lijst ex artikel 67r AWR). In dit artikel behandelen wij een casus waarbij een accountants- en belastingadvieskantoor (PWC voor de liefhebber) een boete van € 300.000 kreeg omdat er bewust of onbewust een foute aangifte vennootschapsbelasting is ingediend en tevens een boete van € 1.000.000 aan een adviseur die een buitenlandstructuur heeft opgezet.
Standpunt kennisgroep belastingdienst
Het beleid van de Belastingdienst inzake het instellen van een schuldonderzoek bij een boete is openbaar gemaakt in augustus 2023. Er is verzocht om openbaarmaking van alle interne stukken waarin vastlegging heeft plaatsgevonden over het beleid met betrekking tot het (zuivere) schuldonderzoek (ad titel 5.2 AWB). In dit stuk vindt u werkinstructies, interne memo's, standpunten, notulen van vergaderingen etc. De stukken kunt u hier raadplegen. Een aantal zaken vallen op:
- voor de matiging van een boete wordt ook naar het huidige gedrag gekeken;
- voor verzuimboetes is minder ruimte voor responsief handhaven;
- vragen stellen over de boete is toegestaan maar belastingplichtige kan zich beroepen op zijn zwijgrecht (artikel 5:10a AWB);
- hoe moet een onderzoek inzake DGA salaris plaatsvinden;
- stappenplan inzake opleggen van een boete;
- hoe werkt het schuldonderzoek;
- wanneer melding mogelijke fraudezaak.
Boete aan belastingadviseur casus 1
Een belastingadviseur is betrokken bij een structuur waarbij een klant twee rechtspersonen heeft opgericht op Guernsey. Dit is zo bedacht om de discussie over een lucratief belang te voorkomen. Aan de rechtspersonen op Guernsey zijn navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting opgelegd, deze rechtspersonen zijn volgens de Belastingdienst namelijk in Nederland gevestigd. Zowel de rechtbank als het Gerechtshof hebben de boete vernietigd omdat de Belastingdienst zich niet heeft gehouden aan haar eigen interne spelregels. De inspecteur moet namelijk - voor een dergelijke boete - toestemming vragen aan zijn directeur. De directeur is door de inspecteur niet juist/volledig geïnformeerd. Uit het besluit van de directeur moet namelijk het volgende volgen:
- Welke daderschapsvorm;
- Welke schuldkwalificatie;
- Welk boetebedrag;
- De directeur moet juist en volledig over alle feiten en gronden worden geïnformeerd.
In deze casus wordt de directeur niet juist en onvolledig geïnformeerd over de feiten en gronden. Daarnaast wordt voorwaardelijke opzet niet aannemelijk gemaakt en is van grove schuld geen sprake (wordt niet voldoende onderbouwd). Onder de huidige jurisprudentie zou de inspecteur nog meer moeten bewijzen, volgens de Hoge Raad in 2022 moet voor de aanwezigheid van opzet namelijk overtuigend worden aangetoond (doen blijken) dat hiervan sprake is.
Boete aan belastingadviseur casus 2
Er komt een aangifte vennootschapsbelasting binnen bij de Belastingdienst. Er is sprake van een vermogenssprong in de aangifte van bijna € 3.000.000. De Belastingdienst stelt eerst telefonisch enkele vragen en wegens uitblijven van een reactie wordt een brief gestuurd. De fiscalist beantwoordt de vragenbrief, maar het vermoeden van belastingontduiking bleef. Vervolgens belt de Belastingdienst maar eens met de FIOD, het gaat immers om een nadeel voor de schatkist van ongeveer € 700.000. De FIOD laat een medewerker een bezoek brengen aan het accountantskantoor en de belastingplichtige, de administratie wordt in beslag genomen. Uit het onderzoek volgt dat het fiscale kantoor haar werk niet goed heeft gedaan, de externe adviseur heeft een fout gemaakt die niet door het fiscale kantoor is opgemerkt (ook niet na vragen van de Belastingdienst). Het Openbaar Ministerie stelt vast dat er een verkeerde voorstelling van zaken wordt gegeven in de beantwoording van de vragenbrief van de Belastingdienst. Omdat de feiten onjuist zijn weergegeven, is er geen sprake van een "fiscaal andere duiding van interpretatieverschil". Het accountantskantoor had dit moeten weten en zien en dat is volgens het OM "zeer ernstig". Belastingplichtige voldoet alsnog de verschuldigde vennootschapsbelasting en de adviseur krijgt een boete van € 300.000. Er worden interne maatregelen genomen bij het accountantskantoor en strafvervolging gaat in het "putje" omdat dit niet nodig wordt gevonden. Het kantoor heeft het vertrouwen van de Belastingdienst op ernstige wijze geschonden, dat is slecht voor adviserend Nederland en doet de samenwerking met de Belastingdienst geen goed.
Noot boete voor belastingadviseur
De belastingadviseur heeft een informatieplicht jegens de Belastingdienst. Wanneer de Belastingdienst vragen stelt over de aangifte vennootschapsbelasting wordt opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken gegeven. Op z'n Nederlands noemen we dit "liegen", omdat het opzettelijk is gebeurd. Het vertrouwen van de Belastingdienst is hiermee beschaamd, temeer omdat de klant onder horizontaal toezicht viel en het een gerespecteerd kantoor betrof.
De belastingadviseur wordt meer en meer de duimschroeven aangedraaid en zoals uit bovenstaande volgt, is dit soms terecht. Fiscalisten konden al bestuursrechtelijk geweigerd worden als vertegenwoordiger (artikel 2:2 Awb) en strafrechtelijk is ook het nodige mogelijk, zoals hier blijkt. Ook kan een adviseur bestuursrechtelijk worden beboet als hij (met de belastingplichtige) medepleger of medeplichtig is aan een fiscaal vergrijp. Sinds vele jaren moeten adviseurs hun klanten checken (Wwft) en sinds 2020 moeten belastingadviseurs internationale structuren spontaan melden bij de Belastingdienst.
Het is standaard praktijk dat de adviseur (via de geautomatiseerde systemen) aangifte doet voor de klant. Indien die aangifte onjuist blijkt te zijn, kan de adviseur geen fiscale boete krijgen. Recent oordeelde de Hoge Raad (noot 2) dat het een kwaliteitsdelict is, dat alleen gepleegd kan worden door degene die op basis van de wet aangifte moet doen (en dat is de klant zelf, c.q. de bestuurder van de bv). Strafrechtelijke vervolging is echter wel mogelijk (art. 225 Sr: ‘valsheid in geschrift’). Deze route heeft de Belastingdienst in deze casus dus gekozen. Een medepleger (artikel 5:1 AWB) kan echter wel een fiscale boete krijgen, het moet dan wel gaan om een bewuste samenwerking, daarvan was in deze casus geen sprake.
De volgende stap die nog kan worden gezet is de zogenaamde wall of shame. Als aan de adviseur een fiscale boete is opgelegd, kan diens naam worden gepubliceerd (Artikel 67r Algemene wet inzake rijksbelastingen), met naam en toenaam. De hoogte van de boete en de aard van de boete staan dan voor vijf jaar op de site van de Belastingdienst. Voor een boete is niet vereist dat de adviseur er zelf beter van geworden is. Bovendien hangt hem een ‘beroepsverbod’ boven het hoofd. De schuldige van de benoemde strafbare feiten, in zijn beroepsuitoefening begaan, kan namelijk van de uitoefening van dat beroep worden ontzet (Artikel 69, zesde lid AWR).
Hoe graag wij als fiscaal juristen ook verlost willen zijn van concurrerende ‘rotte appels’, is dit niet de methode. Er zijn al meer dan genoeg (illegale) zwarte lijsten binnen de Belastingdienst. Wij willen geen malafide klanten en via een beetje 'googelen' kan deze klant wel een malafide adviseur vinden.
Wij doen niet mee aan de grote bangmaak-show en gaan vrolijk door met ons werk, naar eer en geweten en hopen dat fiscalisten altijd op grond van vertrouwen met de Belastingdienst overleggen, dat dit soms fout gaat is teleurstellend.
Ik kan mij voorstellen dat een kritische lezer denkt: als er een wall of shame komt met fiscalisten, dan zou er ook een site moeten komen met belastingambtenaren die de wettelijke route niet keurig bewandelen. De Belastingdienst heeft vorig jaar al mensen ontslagen wegens fraude, wellicht dat de Belastingdienst zelf ook een voorzet kan geven voor een dergelijke lijst. Wij zouden namelijk bij sollicitanten graag weten of ze verdacht worden van fraude.
Sinds een aantal jaren is het mogelijk dat vergrijpboetes niet aan belastingplichtige maar aan de medepleger worden opgelegd (artikel 5:1 AWB). Ook kunnen dergelijke boetes worden opgelegd aan doen plegers, uitlokkers of medeplichtigen (artikel 67o AWR). Dit is overgenomen in het strafrecht zodat ook een gevangenisstraf mogelijk is. Tevens kan de medepleger of belastingadviseur - sinds 2020 - aan de schandpaal worden genageld (kamerstuk 35303). Rechters zijn hier gelukkig erg kritisch op (Gerechtshof Den Haag 2 maart 2022). De belastingadviseur wordt hiervan via een voor bezwaar vatbare beschikking op de hoogte gebracht, zodat er nog wel rechtsgangen openstaan. Het is goed dat de belastingadviespraktijk zich bewust is van haar rol in het proces van advisering, zie hiertoe ook de panama papers, iedereen moet immers een fair share betalen.
Loopt u ook tegen bovenstaande problemen aan, of heeft u een - gewoon - fiscaal probleem, aarzel dan niet en neem contact met ons op.
Informatieverzoek door Belastingdienst in bezwaarfase
Stel u voert een aftrekpost op in uw aangifte inkomstenbelasting, zoals giften of hypotheekrente. Of de Belastingdienst is van mening dat u meer inkomen hebt genoten dan u hebt aangegeven. Wie moet dan wat bewijzen en wie moet er aan de slag? In de fiscale wereld geldt "wie stelt moet bewijzen". Belastingverlagende of waardeverlagende zaken moeten door de belastingplichtige worden bewezen. Maar soms gebruikt of misbruikt een bestuursorgaan haar bevoegdheden een beetje. De belastingdienst heeft ook haar standpunt openbaar gemaakt inzake de vragen die over een boete mogen worden gesteld, deze kunt u hier raadplegen.
No Cure No Pay kantoren bij WOZ procedure aangepakt
In het begin van elk jaar jaar krijgen alle huizenbezitters de WOZ-beschikking. Altijd spannend wat je huis nu weer waard is. Maar ook belangrijk, want de hoogtes van onder andere het eigenwoningforfait en de gemeentelijke- en waterschapsbelasting hangen ervan af.
Wie het niet eens is met de waarde kan bezwaar maken. Op zich is dat geen hogere wiskunde en kunt u dat zelf doen. Gemakkelijker is het om dat uit te besteden. In toenemende mate wordt daarbij gebruik gemaakt van zogenoemde no cure no pay kantoren. Als het lukt om de waarde omlaag te krijgen, komt de bezwaarmaker in aanmerking voor een proceskostenvergoeding en een aanvullende vergoeding als het allemaal te lang duurt. Die vergoedingen gaan naar het no cure no pay kantoor en de huiseigenaar profiteert van de lagere waarde (en daardoor lagere belastingen). Op zich niets mis mee en een mooi verdienmodel.
Wat is het probleem met no cure no pay kantoren?
Volgens de gemeenten zijn er (teveel) no cure no pay kantoren die misbruik maken van de wettelijke regeling en massaal bezwaren indienen op identieke gronden en niet kijken naar de individuele woning. Die kantoren zouden er volgens VNG baat bij hebben om het bezwaarproces zo formeel mogelijk te laten verlopen, bijvoorbeeld door standaard om een hoorzitting te vragen, omdat dit een hogere vergoeding oplevert. Het is vooral de bulkmatige, geautomatiseerde en daardoor winstgevende aanpak is die hen stoort, lees hiertoe dit artikel. Ook levert het voor de gemeenten (veel) meer werk op. Het aantal bezwaren is aanzienlijk toegenomen.
De gemeenten doen er alles aan om het door hen gevoelde misbruik in te perken (lees artikel VNG). De vraag is overigens of dat misbruik inderdaad zo groot is (rapport Pro Facto inzake beroep in bezwaar bij no cure no pay bedrijven), ook in dit artikel uit 2021 volgt dat het probleem wellicht wordt overschat.
Fiscale grensverkenning bij bestuursorgaan
De gemeente Huizen was het zat en gaf de (massale) bezwaarmakers een koekje van eigen deeg.
- Direct na de ontvangst van een bezwaarschrift werd bij de ontvangstbevestiging een vragenformulier gedaan met (algemene) vragen die van toepassing zijn op o.a. de (onderhouds-)toestand van de specifieke woning.
- Vragen dus die alleen de woningeigenaar zelf kan beantwoorden.
- Daarbij werd alvast opgemerkt dat als het formulier niet ingevuld werd geretourneerd, de gemeente een informatiebeschikking zou nemen waarbij wordt vastgesteld dat de bezwaarmaker niet aan zijn/haar informatieverplichting heeft voldaan.
- In dat geval moet de belastingplichtige aantonen (zware vorm van bewijs) dat de waarde te hoog is (normaal gesproken moet de gemeente bewijzen dat de waarde niet te hoog is).
De gemeente Huizen had deze aanpak goed dichtgetimmerd en wist aannemelijk te maken dat iedere bezwaarmaker eenzelfde formulier kreeg (of een telefoontje) en dat de gevraagde informatie van belang was voor een goede afweging in bezwaar. De aanpak van de gemeente wordt door gerechtshof Arnhem-Leeuwarden getoetst en akkoord bevonden. Ook de Hoge Raad zag geen redenen om een streep te zetten door de aanpak. Een knap staaltje juridisch werk van de gemeente!
Opmerking fiscaal jurist inzake informatieverzoek in bezwaarfase
De wet geeft de belastinginspecteur (in dit geval de heffingsambtenaar van de gemeente) de bevoegdheid om informatie op te vragen die van belang kan zijn voor de belastingheffing, aldus artikel 47 AWR, ook in de bezwaarfase. Normaal gesproken wordt informatie pas opgevraagd wanneer is onderkend wat het probleem of bezwaar precies behelst. Om dat helemaal in het begin van het traject te doen (met algemene vragen voor elke belastingplichtige) is niet verboden, maar wel op het randje. Bovendien
ziet die informatie weliswaar op ene specifiek huis, maar is ook wel erg algemeen en bergt het risico in zicht dat je informatie ontvangt die helemaal niet nodig is of onbruikbaar. Dat zit wel tegen de grens aan. Kennelijk net niet eroverheen, aangezien het de zegen van de hoogste rechter heeft.
In wezen wordt het fiscale procesrecht door de gemeente gebruikt om een ongewenst effect van het systeem te bestrijden. Als een belastingplichtige het systeem gebruikt, oneigenlijk gebruikt of zelfs misbruikt, moet dat binnen het systeem aangepakt worden. Ook dan dient een bestuursorgaan zich magistratelijk te gedragen en niet aan grensverkenning te doen. Het ware beter geweest als het systeem werd verbeterd. Kennelijk was de nood zo hoog dat deze kunstgreep nodig was.
Artikel 47 AWR schrijft voor dat een ieder (dus het no cure no pay, kantoor maar ook de belastingplichtige) verplicht is aan de ambtenaar (bijvoorbeeld inspecteur) de informatie te verstrekken die van belang kan zijn voor de belastingheffing (of WOZ beschikking). De informatieverplichting ontstaat echter pas als de inspecteur of gemeente om de informatie heeft gevraagd en de gevraagde informatie ook van belang is voor de WOZ beschikking (of belastingheffing). Voldoende hierbij is dat de inspecteur/ambtenaar op basis van zijn eigen informatie in redelijkheid zou kunnen menen dat de gevraagde informatie van belang zou kunnen zijn, aldus de Hoge Raad in 2015 .De informatie kan bij belastingplichtigen en/of derden worden opgevraagd. De bevoegdheden zijn echter niet onbegrensd, zowel de wet als de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geven een marsroute.
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de verplichtingen uit artikel 47 AWR in ieder geval beperkt worden tot de informatie waarover de belastingplichtige kan beschikken.
Als er om informatie wordt gevraagd moet dit klip en klaar en duidelijk worden verstrekt (artikel 49 AWR). Het is niet zo dat een belastingplichtige verplicht is om deze informatie mondeling te beantwoorden (rechtbank Noord Nederland d.d. 23 april 2015), dit is in strijd met het proportionaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel, aldus de rechter. De informatie waarom wordt gevraagd moet wel van belang zijn en deze vraag geldt voor elke individuele vraag die de ambtenaar/inspecteur aan belastingplichtige heeft gesteld, aldus het gerechtshof Den Bosch d.d. 24 mei 2019. Ook mag niet teveel (het onmogelijke) van belastingplichtige worden gevraagd, de belastingplichtige moet wel over de informatie beschikken of kunnen beschikken, aldus de Hoge Raad in 2002. Hiervoor moet de belastingplichtige wel zijn best doen (Hoge Raad 2015). Het vissen naar informatie door belachelijk veel en willekeurig informatie op te vragen is niet toegestaan, aldus het gerechtshof Arnhem Leeuwarden in 2019, de vragen moeten dus concreet zijn en het moet helder zijn waarom deze worden opgevraagd.
Naast de wet hebben we ook nog algemene omgangsvormen, binnen ons vak noemen we dit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij informatieverzoeken speelt hierbij
- fair play beginsel
- evenredigheidsbeginsel
- zorgvuldigheidsbeginsel
De Hoge Raad heeft deze beginselen strikt en netjes in 1986 langs de meetlat gelegd (Hoge Raad 8 januari 1986). Het lijkt erop dat deze uitgangspunten niet zijn meegenomen in het onderhavige arrest d.d. 25 augustus 2023, hoewel deze wel aan de orde zijn gesteld. De inspecteur of ambtenaar kan in de bezwaarfase ook een informatiebeschikking nemen, maar ook dit is met regels omgeven, aldus de Hoge Raad in 2021.
Het is verstandig om bij een bezwaar en/of beroepsprocedure goed te controleren of de vragen die worden gesteld door de inspecteur of ambtenaar op de juiste wijze zijn te toetsen. De bevoegdheden zijn ruim maar niet onbeperkt. De gevraagde informatie moet relevant zijn en de belastingplichtige moet hierover kunnen beschikken. In de handreiking informatiebeschikking en kostenvergoedingsbeschikking wordt het geheel nog eens kritisch tegen het licht gehouden.
Bronnen informatieplicht in bezwaarfase
Handreiking informatiebeschikking
Van beroep in bezwaar Werkwijze en verdienmodel ‘no cure no pay’ bedrijven WOZ en BPM
No cure no-pay in WOZ en- BPM serieus probleem?
No cure no pay bij uitvoering woz wordt aangepakt
No cure no pay bij woz easy money
Hoge Raad d.d. 8 januari 1986 ECLI:NL:HR:1986:AW8125
Hoge Raad d.d. 25 januari 2002 ECLI:NL:HR:2002:AD8475
Hoge Raad d.d. 18 december 2015 ECLI:NL:HR:2015:3603
Hoge Raad d.d. 24 april 2015 ECLI:NL:HR:2015:1137 (mooie en overzichtelijke conclusie AG)
Gerechtshof Arnhem Leeuwarden 10 september 2019 ECLI:NL:GHARL:2019:7321
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10087
Boete inkeerregeling disproportioneel
Een belastingplichtige, we noemen hem Henk, heeft vermogen in het buitenland. De vader van Henk woont in Suriname en schenkt hem geldbedragen en aandelen in een rechtspersoon (vormgegeven via een vordering). Henk heeft verzuimd om dit vermogen in zijn aangifte inkomstenbelasting op te nemen als box 3 vermogen, dit voelt niet lekker. In 2018 gaat Henk met zijn verhaal - via een kundige fiscaal jurist - naar de Belastingdienst (vrijwillige verbetering/inkeer). De inspecteur hoort het verhaal van Henk aan en legt hem (gematigde) vergrijpboetes op (grove schuld in plaats van opzet). In bezwaar en beroep gaan de boetes nog verder naar beneden. Het Gerechtshof toetst de boetes nog eens grondig aan het criterium "doen blijken". Het verwijt aan Henk is minder ernstig dan dat het lijkt, de boete wordt nog verder verlaagd. De boetes zijn niet proportioneel, aldus het gerechtshof.
Conclusie vermindering boete bij inkeerregeling : De boete wordt verminderd van € 120.000 tot € 60.000 en dan tot € 55.000 en door het gerechtshof zelfs tot €10.000.
Vrijwillige Inkeer zorgt voor lagere vergrijpboete
Angelo is in Italie geboren en komt in 2006 in Nederland wonen. In de jaren 2010 - 2016 doet Angelo tijdig aangifte maar geeft niet zijn volledige buitenlandse vermogen op in zijn aangifte inkomstenbelasting. Angelo verzweeg bankrekeningen in diverse landen en vastgoed in Italie, het gaat om ruim 10 miljoen euro. In 2021 wordt een formulier vrijwillige verbetering ingediend. In 2022 volgen de navorderingsaanslagen en vergrijpboetes (ruim € 170.000). De Rechtbank Gelderland is op 15 november 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:7965) van mening dat Angelo een ernstig verwijt valt te maken maar acht de totale boete te hoog (wanverhouding tussen ernst van de zaak en de boete, disproportioneel). De passende boete wordt vastgesteld op € 50.000, grove schuld wordt - mede gezien Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526) bewezen. De aanslagen zijn voldoende vlot (voortvarend) opgelegd en ook is tijdig de cautie gegeven. De boetes worden nog iets verder verminderd in verband met undue delay (Hoge Raad d.d. 22 april 2005 ECLI:NL:HR:2005:AO9006).
Boete bij inkeerregeling kan lager worden vastgesteld, waarom?
Bij een vrijwillige verbetering kan de inspecteur een boete opleggen tot wel 300% (artikel 67e lid 6 AWR). Meestal bedraagt de boete zo'n 100% - 150% maar in sommige gevallen is er ruimte voor een lagere boete. De boete in deze casus bedroeg 120% (in totaal € 120.000) en wordt door de inspecteur verminderd tot 60% (in totaal € 60.000, afgeronde bedragen). Er is geen sprake van opzet maar van grove schuld. De inspecteur heeft dit bevestigd. Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid. Daarbij kan worden gedacht aan laakbare slordigheden of aan ernstige nalatigheid. Bij grove schuld had een belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven of betaald. Tijdens de bezwaarprocedure gaat er nog 10% van de boete af, in verband met de redelijke termijn, zoals opgenomen in artikel 6 EVRM. De rechtbank heeft de boete verminderd tot 55%, wederom in verband met de redelijke termijn. Een vergoeding wegens immateriële schade wordt door de rechtbank niet toegekend (dit onder verwijzing naar Hoge Raad d.d 10 juni 2011).
Het gerechtshof gaat er in juli 2023 nog eens goed voor zitten. Voorop dient te worden gesteld - aldus het gerechtshof - dat de bewijslast dat er sprake is van een beboetbaar feit op de inspecteur rust. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, BNB 2022/68 heeft geoordeeld, kan de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering ‘doen blijken’, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond. De inspecteur moet de beboetbare feiten dus overtuigend aantonen (en niet slechts aannemelijk maken). De omvang van de verschuldigde inkomstenbelasting doet er niet toe; het gaat om het feit zelf en niet om de bedragen! Omdat Henk niet over enige fiscale kennis beschikt had nader - en meer specifiek - advies moeten worden ingewonnen door Henk. Door dit niet te doen is Henk onzorgvuldig geweest, aldus de rechter. Het is immers wel een feit van algemene bekendheid dat banktegoeden in de aangifte inkomstenbelasting moeten worden opgenomen, zie Hoge Raad d.d. 28 juni 2013.
Dat er sprake is van schuld of grove schuld, zoals de fiscale wetgeving dit stelt, staat dan ook wel vast. Nu klinkt dit vrij ernstig maar hiermee wordt ook laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid bedoeld, . Een boete van € 10.000 is gezien de gedragingen meer dan voldoende, aldus het hof.
Boete inkeerregeling of vrijwillige verbetering aangifte inkomstenbelasting
Bij een vrijwillige verbetering kan de inspecteur een boete opleggen tot wel 300%. Meestal bedraagt de boete zo'n 150% maar in sommige gevallen is er ruimte voor een lagere boete. In dit geval legt de inspecteur een boete op van 120%, dit omdat Henk niet opzettelijk een onjuiste aangifte heeft ingediend. Henk heeft aandelen in een Surinaamse rechtspersoon verkregen. Deze aandelen worden in 2012 door de rechtspersoon gekocht voor € 4.500.000. Hierdoor verkrijgt Henk een vordering op de buitenlandse rechtspersoon. Zowel de aandelen als de vordering stonden niet in de aangifte inkomstenbelasting van Henk. Vanaf 2014 wordt de vordering afgelost. De bankrekening waarop de aflossing heeft plaatsgevonden wordt niet opgenomen in de aangifte inkomstenbelasting. Volgens de inspecteur is "willens en wetens" een onjuiste aangifte ingediend (artikel 67e en 67n AWR, juncto paragraaf 5 en 7 BBBB). Over 2014 en 2015 wordt een boete opgelegd en over 2016 niet (verbeterde aangifte binnen 2 jaar na het indienen van de aangifte).
In een aankondigingsbrief geeft de inspecteur aan dat de boete wordt verminderd van 120% tot 60%. De reden is:
- In de kennisgeving boete van 15 maart 2019 heb ik u de motivering van de boete gegeven. Hierbij heb ik het standpunt ingenomen, dat er voor de jaren 2014 en 2015 sprake is van het (voorwaardelijk) opzettelijk doen van een onjuiste aangifte;
- In het mondeling onderhoud heeft u aangegeven, dat [belanghebbende] fiscaal onwetend is en hij hierover nog overleg heeft gevoerd met een adviseur. Hiervan werd slechts een ontvangen email overgelegd waarin de adviseur een korte uitleg geeft. Uit deze email concludeer ik dat slechts een "schenking" uit Suriname ter sprake is gekomen. Dit punt (schenkingen uit Suriname) was echter al bij de beoordeling van de aangifte over 2010 ter sprake gekomen. Naar aanleiding van de ontvangen reactie was er geen grond om af te wijken van de betreffende aangifte. De aangifte werd met dagtekening 8 augustus 2013 vastgesteld.
- De situatie is echter in de periode 2013 - 2015 significant gewijzigd. De schenkingen in 2010 bedroegen € 2.000 per maand. In 2013 werd € 42.000 ontvangen. De ontvangsten bedroegen in 2014 en 2015 resp. € 120.000 en € 300.000. Naast de omstandigheden - verkrijging en verkoop van aandelen en een schuldvordering - genoemd in mijn brief van 15 maart 2019 ben ik van mening, dat de achtergronden van deze wijzigingen kenbaar gemaakt moesten worden aan de adviseur. Deze wijzigingen komen echter niet uit de korte uitleg van de adviseur naar voren. [Belanghebbende] had in ieder geval het voorgaande moeten vermelden aan de adviseur en verder advies moeten inwinnen. Dit heeft hij echter niet gedaan. Naar mijn mening is aan hem ernstige nalatigheid te wijten dat te weinig inkomstenbelasting is geheven over de jaren 2014 en 2015.
- Gelet op de omstandigheden ben ik dan ook van mening, dat er in ieder geval sprake is van grove schuld. Een boete van 60% is in dat geval passend en geboden.”
Advies fiscaal jurist inzake boete bij inkeerregeling of vrijwillige verbetering
Het verhaal achter de boete is van cruciaal belang. Elke Nederlander moet de wet kennen maar je kunt ook niet alles weten. De inspecteur kan niet zomaar een boete van 100% opleggen. Een inspecteur moet juist en volledig motiveren waarom een vergrijpboete wordt opgelegd. Vaak gebeurt dit niet of niet volledig. Ook verliest de inspecteur regelmatig uit het oog dat het opleggen van een boete maatwerk is. De feiten en de belevingswereld van een belastingplichtige staan centraal bij het opleggen van een boete, hier wordt nog te vaak geen rekening mee gehouden.
Beyond a reasonable doubt bij vergrijpboete
Uitgangspunt bij een boete is dat de Belastingdienst moet bewijzen dat een vergrijp (bewust) is begaan (beyond a reasonable doubt). De inspecteur moet dus bewijzen dat (1) te weinig belasting is betaald (2) als gevolg van opzet of grove schuld van de belastingplichtige. Dat er te weinig belasting is betaald staat veelal wel eenvoudig vast. Maar de "kwade bedoeling/opzet" of "verwijtbaar slordig handelen/grove schuld" moet door de inspecteur strak onderbouwd worden aangetoond. Door deze opzet of grove schuld moet dan weer te weinig belasting zijn betaald. Iemand die zich vergist moet je dus niet lastig vallen met een boete. Het is voor de inspecteur niet altijd even eenvoudig om om de kwade bedoelingen klip en klaar te bewijzen, aldus de Hoge Raad in 2022.
Opzet, slordig of bewust handelen bij vergrijpboete
Opzet betekent expres of bewust. Dit is dus willens en wetens een bepaalde handeling verrichten. Of een persoon "beter had kunnen weten" doet er niet toe. Hier ontstaat dan ook het lastige traject voor de inspecteur, hij of zij kan niet in het hoofd van de belastingplichtige kijken en weet ook niet altijd waarom een belastingplichtige zo heeft gehandeld en over welke kennis de belastingplichtige beschikt. In de rechtspraak zien we soms ook nog een tussenvorm "de voorwaardelijke opzet". Dit is bewust aanvaarden van een aanmerkelijke kans om te weinig belasting te betalen, hiervan is in onderhavige casus sprake. Bij voorwaardelijke opzet gaat het om (1) wetenschap/bewustheid van een aanmerkelijke kans dat te weinig belasting wordt betaald en (2) het bewust aanvaarden van die kans. Iemand die bewust een woning voor een te laag bedrag in zijn aangifte heeft opgenomen voldoet aan deze voorwaarden (Hoge Raad 28 juni 2013). Er is dan een aanmerkelijke kans dat een onjuist aangifte wordt gedaan. Maar wat is een aanmerkelijke kans? De lat moet dan volgens de Hoge Raad in 2023 hoog worden gelegd. In dit arrest gaat ons hoogste rechtscollege dieper in op een gedraging van een belastingplichtige. De belastingplichtige moet het gevolg wel hebben gewild. De inspecteur stelt soms te snel dat als bepaalde inkomsten (of vermogen) niet worden opgegeven dat dit opzettelijk gebeurt. Het is in dergelijke procedures van belang om contra indicaties en feiten goed naar voren te brengen.
De grens tussen grove schuld en slordig handelen is een dunne lijn en soms lastig in beeld te brengen, zoals ook volgt uit een procedure bij het Gerechtshof in 2011. Slordig of nalatig handelen is dus iets anders dan (bewust) schuldig. Ook is het zo dat wanneer er sprake is van grove schuld er geen sprake kan zijn van opzet. Beide begrippen sluiten elkaar uit, aldus de Rechtbank Gelderland in 2018 of de Rechtbank Noord Nederland in 2020 en het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden in 2023.
Pleitbaar standpunt of vertrouwen in adviseur
Dan kan het nog over een andere boeg: er kan sprake zijn van een pleitbaar standpunt en/of het vertrouwen in je belastingadviseur of accountant. Van een pleitbaar standpunt is sprake als de belastingplichtige weliswaar te weinig belasting heeft betaald, maar dat het in de aangifte ingenomen standpunt dat minder belasting verschuldigd was, in redelijkheid verdedigbaar (pleitbaar) was volgens de belastingplichtige. Of de belastingplichtige dit voor ogen had bij het indienen van de aangifte doet er niet toe, kan dus ook achteraf (Hoge Raad d.d. 21 april 2017) . Ook als een belastingplichtige zich laat bijstaan door een voldoende deskundige adviseur aan wiens zorgvuldige taakvervulling niet behoefde te worden getwijfeld kan belastingplichtige vrijuit gaan (verwezen arrest Hoge Raad d.d. 13 februari 2009). De belastingplichtige moet dan wel zorgvuldig zijn adviseur uitzoeken en niet naar "Boekhoudkantoor De Vrolijke Telstrook" stappen zonder enige referentie of onderzoek (AG 1 december 2006)
Boete moet zorgvuldig worden onderbouwd en moet maatwerk zijn
Als de inspecteur de boete heeft bewezen moet hij zich vervolgens buigen over de hoogte van de boete. Aan het bepalen van de hoogte van de boete worden wel minder hoge eisen gesteld (Gerechtshof Amsterdam in 2022) . De boete moet - zoals in onderhavige casus - proportioneel/evenredig zijn. Dit wil aldus diverse rechters betekenen dat er een redelijke verhouding moet zijn tussen de (1) uiteindelijke hoogte van de boete en de ernst van het begrijp (2) de omstandigheden waaronder het vergrijp heeft plaatsgevonden en/of is begaan en (3) de persoonlijke omstandigheden van de beboete persoon.
Naast vorenstaande wordt er dan ook gekeken naar de financiële omstandigheden van de belastingplichtige, aldus de Hoge Raad in 2014.
De belastingdienst zal bij het opleggen van een boete de wet (AWR) en besluiten (Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst) op tafel leggen en bestuderen. In paragraaf 25 van het BBBB staat dat in geval van opzet in beginsel een boete van 50% van het wettelijke maximum wordt opgelegd, bij grove schuld is dit 25%. Aan deze percentages kan worden gesleuteld als er strafverzwarende of strafverminderende omstandigheden zijn. Zowel de fiscaal jurist als de rechter zijn niet gebonden aan het beleid in het BBBB, dit is immers "maar" een besluit. Een belastingplichtige kan wel rechten ontlenen aan het BBBB (geen plichten).
Deugdelijk bekend maken van een boete
De laatste stap is dat een boete deugdelijk bekend moet worden gemaakt. Bij de bekendmaking (de blauwe envelop of een mail of mededeling) moet worden aangegeven wat de overtreding is geweest (en op grond van welk wetsartikel). De belastingplichtige moet weten wat hem wordt verweten, ook moet duidelijk zijn of er sprake is van opzet of grove schuld.
Laat u door een specialist adviseren als een boete wordt opgelegd
Laat u door een deskundige en ervaren fiscaal jurist adviseren als een boete wordt opgelegd. Wij staan u graag bij, dus neem gerust contact op (email)
Bron inzake disproportionele boete
Hoge Raad d.d. 10 juni 2011 ECLI:NL:HR:2011:BO5087
Hoge Raad d.d. 28 juni 2013 ECLI:NL:HR:2013:63
Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526
Rechtbank Den Haag d.d. 16 december 2022 ECLI:N:RBDHA:2022:14092
Boete belastingdienst verminderen
Als er te laat aangifte wordt gedaan of te laat belasting wordt betaald kan er een verzuimboete worden opgelegd (eerder artikel). De boete is afhankelijk van het soort belastingen.
- De boete voor prive personen (aangifte inkomstenbelasting, schenkbelasting) bedraagt zo'n € 400 (cijfers 2023 € 385) en
- Voor bedrijven (aangifte Vennootschapsbelasting) zo'n € 3.000 (cijfers 2023 € 2.757).
- Meestal wordt bij een eerste verzuim een boete opgelegd van € 68.
- Voor aangiftebelastingen (zoals loonheffingen en omzetbelasting) is de boete maximaal € 1.377.
- Bij te laat betalen kan de boete hoger zijn en oplopen tot € 5.514.
De belastingdienst geeft ook een kijkje in de fiscale boete keuken, lees hiertoe dit artikel.
Handreiking fiscaal beleid bij opleggen boetes
Voor de formele kant en het standpunt van de belastingdienst is er informatie beschikbaar over de wijze waarop de belastingdienst fiscale boetes kan opleggen (lees hier de handreiking uit een WOO onderzoek), vertrekpunt in deze discussie is artikel 5:49 AWB en artikel 67 AWR, dit in combinatie met het besluit bestuurlijke boeten (pagraaf 13).
Standpunt kennisgroep belastingdienst
Het beleid van de belastingdienst inzake het instellen van een schuldonderzoek bij een boete is openbaar gemaakt in augustus 2023. Er is verzocht om openbaarmakeing van alle interne stukken waarin vastlegging heeft plaatsgevonden over het beleid met betrekking tot het (zuivere) schuldonderzoek (ad titel 5.2 AWB). In dit stuk vindt u werkinstructies, interne memo's, standpunten, notulen van vergaderingen etc. Het stukken kunt u hier raadplegen. Een aantal zaken vallen op:
- Voor de matiging van een boete wordt ook naar het huidige gedrag gekeken
- Voor verzuimboetes is minder ruimte voor responsief handhaven
- Vragen stellen over de boete toegestaan maar belastingplichtige kan zich beroepen op zijn zwijgrecht (artikel 5:10a AWB)
- Hoe moet een onderzoek inzake DGA salaris plaatsvinden
- Stappenplan inzake opleggen van een boete
- Hoe werkt het schuldonderzoek
- Wanneer melding mogelijke fraudezaak
Wat is een verzuimboete?
De Belastingdienst legt verzuimboeten op als een belastingplichtige (prive of via BV) zijn fiscale verplichtingen niet (of niet tijdig) is nagekomen, zonder dat dit aan opzet of grove schuld te wijten is. Basis voor het opleggen van een verzuimboete bij een aangiftebelasting zijn de artikelen 67b en 67c (lees artikel) van de AWR. De uitwerking is opgenomen in de leidraad invordering).
Is een boete van de belastingdienst aftrekbaar?
Een boete is voor prive personen en bedrijven niet aftrekbaar. De kosten die worden gemaakt om een boete te verminderen zijn voor bedrijven wel aftrekbaar.
Wanneer wordt een verzuimboete opgelegd?
Een verzuimboete wegen het niet tijdig doen van aangifte wordt alleen opgelegd als de belastingplichtige niet tijdig de aangifte heeft ingediend en dit ook na het ontvangen van een aanmaning als (binnen 10 dagen) niet oppakt.
Hoe groot is de boete bij te laat betalen van belastingen ?
De boete voor het niet, niet volledig of te laat betalen van inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting bedraagt 5% van de niet (tijdig) betaalde belastingen met een minimum van € 50 en een maximum van € 5.514 (zie leidraad invordering) .
Kan een verzuimboete worden verminderd?
Een verzuimboete wordt meestal - na overleg met de belastingdienst - verminderd bij bijzondere omstandigheden, hierbij kunt u denken aan:
- eerste verzuim
- slechte financiele positie
- beperkte draagkracht
- kleine onderneming / weinig winst
- geringe termijnoverschrijding
- wanverhouding tussen boete en ernst van het feit (zie besluit uit 2021)
Afwezigheid van alle schuld (AVAS) en verzuimboete
Ontbreekt alle schuld bij een belastingplichtige (voor te laat aangifte doen) dan moet de verzuimboete volledig worden verminderd.
Wat zeggen rechters over een verzuimboete ?
Het mag duidelijk zijn dat er veel jurisprudentie is over een verzuimboete, AVAS, niet tijdige betaling van aanslagen, etc. In dit onderdeel een aantal richtinggevende uitspraken van rechters.
- Aanmaning niet ontvangen dus geen boete: Hoge Raad d.d. 15 december 2006 ECLI:NL:HR:2006:AZ4416 of Gerechtshof Arnhem d.d. 24 april 2012 ECLI:NL:GHARN:2012:BW5522. Als de inspecteur kan bewijzen dat alle correspondentie (en ook de aanmaning) naar juiste adres is verzonden, blijft de boete in stand, aldus Gerechthof Den Haag in 2017.
- Aanslag niet ontvangen per post: als onduidelijk is welke postvervoerder de aanslag heeft bezorgd kan er geen boete worden opgelegd, aldus de Hoge Raad in 2023. De rechtbank en het gerechtshof dachten hier anders over.
- Vermindering boete door ziekte ondernemer en slechte financiele positie bedrijf: Gerechthof Den Haag in 2013.
- Belastingadviseur doet te laat aangifte blijft schuld van belastingplichtige (geen AVAS): Gerechtshof Amsterdam in 2012.
- Drukke tijd en wisselen accountant of belastingadviseur is geen reden voor matiging boete: Gerechtshof Amsterdam in 2012
- Bij indienen aangifte binnen redelijk termijn (na verstrijken termijn aanmaning) en nihilaanslag matiging boete: Gerechtshof Arnhem in 2012.
- Verzuimboete kan in geen verhouding staan tot verschuldigde belasting. Een matigingsgrond is wel "boete/ ernst verwijt": Rechtbank Den Haag in 2019
- Geen boete als ondernemer alles doet om tijdig aangifte in te dienen, dit volgt uit emails en correspondentie: Gerechtshof Den Haag in 2013.
- Stelselmatig te laat aangifte doen en niet onderbouwen van financieel slechte positie laat boete in stand: Gerechtshof Arnhem Leeuwarden in 2023(Hoge Raad : 81 RO)
Matiging boete door Hoge Raad
De Hoge Raad (cassatie) bekijkt een zaak niet meer inhoudelijk en veel zaken worden dan ook afgedaan met zogenaamde artikel 81 RO beslissingen. Het cassatieberoep wordt dan afgewezen zonder uitgebreide inhoudelijke motivering. In de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 21 november 2025 ECLI:NL:HR:2025:1727 faalde het inhoudelijke beroep (klachten nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling). Maar hiermee was nog niet alles gezegd.
De Hoge Raad komt ambtshalve toe aan vraag of de redelijke termijn in cassatie wordt overschreden, ook bij het instellen van cassatie beroep (of tweede cassatieprocedure) begint de redelijke termijn dus weer te lopen (1 jaar). De boete wordt ambtshalve verlaagd (gematigd). Belastingplichtige is vergeten immateriele schadevergoeding te vragen, dat is jammer. Dit is een interessante uitspraak, materieel gebeurt er niks maar de redelijke termijn kan de boete wel verlagen (in dit geval met 15%). Cassatie kan dus van belang zijn voor de boete (en termijnbewaking). Bij boeten moet de tijdlijn dus scherp in de gaten worden gehouden, ook als de materiële / inhoudelijke kansen bij cassatie beperkt zijn. Gelukkig bewaakt de Hoge Raad nog steeds de fundamentele proces belangen en waarborgt deze op de juiste wijze.
Noot fiscaal jurist inzake verzuimboete
Als belastingplichtige moet je altijd op tijd aangifte doen en/of de belastingen hiertoe tijdig betalen. Omdat mensen soms fouten maken kunnen er boetes worden opgelegd. De belastingrijkste gronden om een boete te verminderen is het ontbreken van alle schuld (AVAS) of een wanverhouding tussen de boete en de ernst van het verwijt. Ook kan de financiele situatie een grond zijn om boetes te matigen. Het is verstandig om een fiscaal jurist in te schakelen bij het verminderen van een boete. Zijn er vragen of opmerkingen, stuur gerust een e-mail of neem contact op met één van onderstaande adviseurs. Wij geven vooraf een offerte zodat er geen onduidelijkheid is over de kosten.
Saneringsakkoord voor 1 oktober 2023
Bent u prive ondernemer of heeft u een rechtspersoon (BV/NV) met belastingschulden en overige schulden? Staat het water u aan de lippen of ziet de toekomst er door de (corona) schulden niet gunstig uit? Dan zou u moeten overwegen om voor 1 oktober 2023 een afspraak te maken met al uw schuldeisers. De belastingdienst gaat namelijk tot dat moment soepeler om met een saneringsakkoord.
Flexibeler invorderingsbeleid per 1 juli 2025
Het kabinet wil per 1 juli 2025 het invorderingsbeleid aanpassen om zo een ruimere betalingsregeling mogelijk te maken bij saneringsakkoorden. Levensvatbare ondernemingen krijgen hierdoor meer kans (lees hier de kamervragen). Soms kan een ondernemer niet binnen de huidige regeling zijn of haar coronaschulden aflossen, een saneringsakkoord is dan een betere route. De ondernemer moet aannemelijk maken dat betaling binnen 12 maanden niet tot de mogelijkheden behoort.
Woo verzoek kwijtscheldingsverzoeken Belastingdienst
In maart 2025 is meer inzicht verkregen over de interne behandeling van sanerings- en kwijtscheldingsverzoeken bij de Belastingdienst. Via een Woo verzoek is de volgende informatie bekend geworden:
- Overzicht saneringen in 2023 en 2024
- Verzoek kwijtschelding van belastingen en premies voor ondernemingen
- Handelingsperspectieven voor ondernemers met en zonder coronal uitstel na 1 april 2022
- Tijdelijke instructie saneringen
Uitbreiding saneringsregeling belastingdienst tot 1 april 2024
In deze onzekere tijden biedt de Belastingdienst een helpende hand aan ondernemers die worstelen met belastingschulden en andere financiële verplichtingen. Een belangrijke versoepeling van de voorwaarden voor het sluiten van een saneringsakkoord is verlengd tot 1 april 2024. Dit artikel licht toe wat deze versoepeling inhoudt en hoe u als ondernemer hier gebruik van kunt maken.
- Wat is een saneringsakkoord?Een saneringsakkoord stelt ondernemers in staat om met hun schuldeisers overeen te komen dat slechts een deel van de schulden betaald hoeft te worden. Dit biedt een uitweg voor ondernemers die hun belastingschuld en andere schulden niet kunnen voldoen.
- Versoepeling voorwaarden tot 1 April 2024: - Normaal gesproken vereist de Belastingdienst een dubbel uitkeringspercentage van wat andere schuldeisers ontvangen. Echter, tot 1 april 2024 is een gelijk uitkeringspercentage voldoende. Deze versoepeling vergroot de kans dat ook andere schuldeisers akkoord gaan met het saneringsvoorstel.
- Hoe dien je een verzoek om schuldsanering in? Voor ZZP'ers en eenmanszaken: Neem contact op met uw gemeente voor het opstarten van een minnelijk schuldsaneringstraject. Voor rechtspersonen: Regel zelf een saneringsakkoord met uw schuldeisers en dien een verzoek tot kwijtschelding van belasting in bij de Belastingdienst.
- Wat als niet alle sSchuldeisers akkoord gaan? - Mocht niet iedere schuldeiser instemmen met uw betalingsvoorstel, dan biedt de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA) een mogelijkheid om alsnog een schuldregeling te treffen.
- Actie vereist vóór 1 April 2024: Zorg ervoor dat uw verzoek om deelname aan een saneringsakkoord vóór deze datum is ingediend. U heeft daarna nog 90 dagen de tijd om uw verzoek volledig in te vullen.
- Conclusie: De Belastingdienst erkent de voortdurende impact van de coronacrisis op ondernemers en biedt daarom deze versoepeling aan. Het is een cruciale kans voor ondernemers om hun financiële situatie te stabiliseren en een weg naar herstel in te slaan. Maak gebruik van deze mogelijkheid en neem de nodige stappen om uw schuldenlast te verlichten.
- Nuttige links: Ik kan mijn schulden niet betalen? Hoe werkt een minnelijke regeling? Kwijtschelding belastingen voor ondernemers Hoe werkt de WHOA?
Saneringsakkoord aanbieden
Met een minnelijk saneringsakkoord maakt u buiten de rechter om afspraken met alle schuldeisers om zoveel mogelijk schulden af te lossen binnen een periode van 36 maanden. Na deze periode wordt een eventueel restbedrag kwijtgescholden. Voorwaarden voor zo'n regeling wel dat alle overige schuldeisers akkoord gaan met het saneringsvoorstel.
Normaal gesproken geldt de voorwaarde dat de belastingdienst ten minste het dubbele uitkeringspercentage eist (dan al uw andere schuldeisers). Door de coronacrisis gaat de belastingdienst (tot 1 oktober 2023) akkoord met hetzelfde percentage als de overige schuldeisers.
Eenmanszaak of ZZPer en saneringsakkoord
Neem contact op met uw gemeente die kan voor u een minnelijk schuldsaneringsproject opstarten. Lees meer bij Ik kan mijn schulden niet betalen en Hoe werkt minnelijke schuldsanering?. Kijk hier voor een actieplan voor dit traject.
Rechtspersoon en saneringsakkoord
Een rechtspersoon moet zelf het saneringsakkoord regelen met zijn schuldeisers, dit kunt u zelf regelen of via uw accountant of advocaat. Gaan al uw schuldeisers akkoord met het betalingsvoorstel dan kunt u ook de belastingdienst verzoeken om (gedeeltelijke) kwijtschelding van belastingschulden. Dit doet u met het formulier Verzoek kwijtschelding van belasting en/of premie voor ondernemingen. In het formulier staat aan welke voorwaarden uw verzoek moet voldoen.
Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA)
Naast een minnelijk traject kunt u ook een eigen traject opstarten. Dat kan sinds 2021 met de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA). Het voordeel van zo’n traject is dat niet elke schuldeiser akkoord hoeft te gaan, waardoor een faillissement afgewend kan worden en een doorstart meer kans van slagen heeft. Nadeel van een WHOA traject zijn de kosten, deze lopen al vlot op tot € 5.000 - €10.000. Deze kosten zien met name op accountantskosten en advocaatkosten. Een WHOA-traject wordt uiteindelijk bekrachtigd door de rechtbank (homologatie). Niet de schuldeisers maar de rechter is degene die bepaalt of het akkoord dat met een deel van de schuldeisers is bereikt, rechtsgeldig wordt. Dus bij lastige schuldeisers is dit een goed alternatief.
Lees meer bij Kwijtschelding van belasting voor ondernemers.
Fraus legis en belastingen
In 1926 wees de Hoge Raad het zogenoemde Driedagenarrest. In dit arrest paste de Hoge Raad voor het eerst fraus legis toe in het belastingrecht (Successiewet). Fraus legis is een bijzonder rechtsmiddel dat de rechter kan gebruiken om misbruik van de wet te bestrijden. Van fraus legis is sprake als het gaat om constructies die bedoeld zijn om belastingen te besparen en in strijd zijn met doel en strekking van de wet. In deze bijdrage schrijven wij - samen met mr. Dennis van der Veen van Civra - een uitgebreider artikel over de stromingen binnen fraus legis.
Fraus legis meer en meer ‘van stal’ gehaald
Fraus legis een Latijnse term en betekent “bedrog van de wet”. Deze term verwijst naar een situatie waarin een (rechts) persoon de wet misbruikt of omzeilt om oneerlijke voordelen te behalen. Het bijzondere aan fraus legis is dat de Belastingdienst hiermee situaties aanpakt die strikt genomen niet onder een bepaling uit de belastingwet vallen. Een soort fiscaal vuilniszak begrip als andere routes niet werken.
Indien bewezen is dat er sprake is van misbruik van recht, wordt een situatie die (meestal net) buiten de belastingwet valt, er toch in onder gebracht. Het laat zich raden dat fraus legis daarmee raakt aan diverse beginselen van de rechtsbescherming, zoals het legaliteitsbeginsel. Dit laatste beginsel – wat in dit artikel niet centraal staat – houdt zoveel in als dat het handelen van de Belastingdienst steeds gebaseerd moet zijn op een reeds aanwezige bepaling.
Fraus legis of pleitbaar standpunt
Ook zal er snel een discussie ontstaan tussen pleitbaar standpunt en fraus legis. Lees hiertoe deze scriptie uit 2019, (of deze uit 2015). Hierin wordt helder omschreven dat een belastingplichtige het recht heeft om fiscaal de meest voordelige route te kiezen binnen de toepasselijke wetgeving. Deze weg wordt de laatste jaren steeds vaker met dorpels en rotondes moeilijker gemaakt.
De belangrijkste hobbel is de route van fraus legis, een afvalbegrip waar steeds vaker structuren in worden ondergebracht, terwijl ze wel binnen de wetgeving zijn uitgevoerd (dus binnen de grenzen van de wet). Het credit suisse arrest uit 2017 maakt - met name volgens de mening van de AG de heer Wattel - duidelijk hoe de lijnen lopen binnen de begrippen "pleitbaar standpunt", "boete" en "het strafrecht".
De Hoge Raad is al langer op zoek naar de juiste route en afbaking van het begrip pleitbaar standpunt, dit kwam uitdrukkelijk aan de orde in het Mauritius arrest (2015) en het onderwijsarrest (2016) . De centrale vraag is of de route van fraus legis de weg naar het pleitbaar standpunt uitsluit of andersom: kan een pleitbaar standpunt de route naar fraus legis dichtgooien? Het pleitbaar standpunt komt met name aan de orde bij een mogelijke boete of strafvervolging, een pleitbaar standpunt is namelijk cruciaal om te voorkomen dat men beschuldigd kan worden van fraus legis. Beide begrippen zijn namelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Inleiding binnen de leer van fraus legis
Bij fraus legis handelt een belastingplichtige zodanig dat het door hem of haar neergelegde feitencomplex in strijd is met het doel en strekking van de wet. Als dit het geval is dan roept de Hoge Raad dat sprake is van fraus legis.
Ontwijken, ontduiken of fraus legis
In het belastingrecht is het ontwijken van belasting toegestaan, maar het ontduiken van belastingheffing als gevolg van complexe of slimme constructies niet. In feite worden de mazen van de wet gebruikt - al dan niet met toepassing van kunstmatige structuren - om de belastingdruk te verlagen of te vermijden. Het feitencomplex wordt zodanig vormgegeven dat het niet naar de letter van een regeling kan worden belast.
Via fraus legis wordt de stuctuur alsnog in de heffing ‘ingetrokken’ door aan te sluiten bij het meest nabij gelegen feit dat wél onder de heffing valt. Met andere woorden: rechtshandelingen worden bij toepassing van het leerstuk van fraus legis weggedacht of vervangen door andere rechtshandelingen. In de praktijk gebeurt dit middels substitutie of eliminatie. Bij substitutie wordt de toegepaste handeling (fictief) vervangen door een andere handeling. Eliminatie houdt in dat wordt gedaan alsof de handeling niet heeft plaatsgevonden.
Succesvol beroep op fraus legis
In een arrest van de Hoge Raad d.d. 21 november 1984 (nr. 22.092, BNB 1985/32, niet gepubliceerd) geeft de Hoge Raad de norm waaraan moet worden voldaan voor een succesvol beroep op het leerstuk van fraus legis:
- De doorslaggevende beweegreden voor het aangaan van de rechtshandeling is verijdeling van belastingheffing (het subjectieve motiefvereiste);
- De gekozen wijze van belastingverijdeling is strijdig met doel en strekking van de wet (het objectieve normvereiste).
- De transactie had voor partijen - buiten het beoogde fiscale voordeel - geen reële, praktische betekenis.
Tegenwoordig wordt wel aangenomen dat er sprake is van fraus legis, zodra aan het motiefvereiste en het normvereiste is voldaan. Het is belangrijk om in te zien dat aan beide vereisten moet zijn voldaan. Dit betekent namelijk dat belastingbesparende constructies, hoe complex ook van aard, zijn toegestaan zolang er niet in strijd met doel en strekking van de wet wordt gehandeld. De Hoge Raad heeft dit in 1988 bevestigd.
Uit dit arrest uit 1985 blijkt dat het - in tegenstelling tot het arrest uit 1926 - niet vereist is dat de betwiste rechtshandeling praktisch gelijk dient te zijn aan een situatie die met een wettelijke bepaling wordt bestreden. Het leerstuk van de fraus legis kan dus ook worden bestreden in situaties waarin de wet niet een regeling heeft getroffen om misbruik tegen te gaan.
Motiefvereiste bij fraus legis
Fraus legis komt, zoals gezegd, aan de orde als belastingbesparing het volstrekt overwegende motief is geweest voor een bepaalde actie. De Hoge Raad heeft daarover in een arrest uit 1985 de volgende twee uitspraken gedaan:
- “Het Hof heeft (…) terecht geoordeeld dat doel en strekking van artikel 35 (…) zouden worden miskend.”
- “(…) het doel dat met die rechtshandelingen was beoogd, te weten niet anders dan het scheppen van aftrekposten op een inkomen.”
Normvereiste bij fraus legis
Bij toetsing aan het normvereiste gaat het om de vraag of gehandeld wordt in strijd met doel en strekking van de (belasting)wet. Het is onvoldoende dat een bepaalde situatie nu eenmaal niet binnen de wet valt. Steeds moet ook worden gekeken of de gekozen route in strijd is met doel en strekking van de wet. De parlementaire geschiedenis bij een bepaling uit de belastingwet is dan van groot belang. Zo overwoog de Hoge Raad in een casus uit 1954 (premieschenk arrest, HR 17 februari 1954, BNB 1954/140) dat er geen sprake was van fraus legis, omdat de belastingplichtige niet de bedoeling had om:
- “de Wet te ontduiken, daar hij blijkens de vaststaande feiten niets anders heeft gedaan dan gebruikmaken van een figuur, welke de wetgever niet onder art. 84 heeft willen brengen.”
Een ander, bekend voorbeeld is dat van belastingplichtigen die hun aanmerkelijk belang lieten verwateren door onder andere het plaatsen van preferente aandelen. Volgens de Hoge Raad heeft de wetgever bewust aanvaard dat door de spreiding van aandelenbezit een aanmerkelijk belang kan verwateren en dat daardoor niet langer is voldaan aan de eisen aan een aanmerkelijk belang. De Hoge Raad overwoog:
- “De wetgever heeft (…) bewust aanvaard dat (…) de grens van zeven percent (…) zou kunnen worden overschreden.”
Uit deze uitspraak komt naar voren dat situaties die door de wetgever zijn onderkend en vervolgens niet onder het bereik van een bepaling uit de belastingwet zijn gebracht, niet onder fraus legis vallen. Dit vereist echter wel enige nuance. De Hoge Raad oordeelde op 8 juli 1992 (niet gepubliceerd) als volgt:
- “Aangenomen moet worden dat als de wetgever deze voor de hand liggende ontgaansmogelijkheid had willen uitsluiten, hij daarvoor een regeling zou hebben getroffen.”
Echter, in 2009 volgde een nuance. Toen oordeelde de Hoge Raad over een zaak waarin na de invoering van de bepalingen in de belastingwet, allerlei constructies ontstonden. Het oordeel daarover:
- “Belanghebbendes algemene stelling, dat de wetgever, na te hebben kennisgenomen van het arrest van de Hoge Raad [DV: over constructies] (…), geen actie heeft ondernomen, kan hieraan niet afdoen. Aan die stelling ligt kennelijk de opvatting ten grondslag dat indien blijkt dat constructies worden opgezet om aan toepassing van een regeling te ontkomen, het uitblijven van bestrijding van zulke constructies door middel van nadere wetgeving eraan in de wet staat dat het ontgaan van de geldende wetgeving wordt bestreden met een beroep op het leerstuk van fraus legis. Deze opvatting is onjuist.”
Meerwegenleer binnen fraus legis
Als iemand de fiscaal voordeligste route kiest voor een rechtshandeling, is dat geen aanleiding om fraus legis te stellen. Slechts in het geval er meerdere mogelijkheden zijn om het doel te bereiken, mag het ontgaan van belastingheffing niet de doorslaggevende reden zijn geweest om te komen tot een bepaalde vormgeving. Daarbij geldt dat fraus legis bedoeld is als een zogenaamd ultimum remedium: een laatste redmiddel.
Bewijslast bij fraus legis
Het zal altijd de belastinginspecteur zijn die een beroep doet op fraus legis. Hij zal aannemelijk moeten maken dat belastingverijdeling de doorslaggevende beweegreden is geweest voor het aangaan van de rechtshandeling. Slaagt hij hierin, dan dient de belastingplichtige aannemelijk te maken dat er (ook) een niet-fiscale en meer dan bijkomstige reden voor de gekozen route bestaat. De Hoge Raad overwoog daarover in 1983:
- “(…) dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten opzichte van de beoogde verijdeling van de Nederlandse belastingheffing de (…) fiscale redenen een meer dan bijkomstige rol hebben gespeeld.”
- Kortom: ook als de Belastingdienst eenmaal het standpunt heeft ingenomen dat sprake is van fraus legis, loont het om als belastingplichtige verweer te voeren.
Overzicht rechtspraak fraus legis
Rechtspraak waarin het leerstuk van fraus legis door de belastingdienst in stelling wordt gebracht om structuren of rechtshandelingen (alsnog) onder de heffing te brengen, zijn talrijk. Hierna volgt dan ook ‘slechts’ een bloemlezing van door de auteurs gekozen hoogtepunten.
Het Driedagenarrest uit 1926 inzake fraus legis
De oudste toepassing van fraus legis in het Nederlandse belastingrecht is het zogenoemde Driedagenarrest (HR 26 mei 1926, NJ1926/723). In die zaak was een geldsom geschonken tegen een periodieke uitkering die eindigde drie dagen voor het overlijden. Als de periodieke uitkering had voortgeduurd tot de dag van overlijden, was sprake geweest van een belaste schenking. In wat ouder (maar leuker) Nederlands overweegt de Hoge Raad:
- “dat hier eene periodieke uitkering tot stand is gekomen, die praktisch op een lijn is te stellen met eene die tot aan het overlijden van de gerechtigde voortduurt, en dan ook de door partijen geschapen rechtstoestand zoozeer aan den door de wet aan belasting onderworpen toestand nabijkomt, dat doel en strekking van de wet zouden worden miskend, indien de in fraudem legis gepleegde handeling der partijen niet evenzeer als de in de wet voorziene verrichting door de belasting werd getroffen.”
Wie dit arrest goed bestudeert ziet daarin drie elementen terug die we nog altijd zien terugkomen in fraus legis discussies:
- De enige bedoeling en het enige belang bij wat partijen doen, is het verijdelen van belastingheffing.
- De rechtstoestand die partijen hebben gecreëerd is feitelijk op één lijn te stellen met een rechtstoestand die in de belastingwet wel aan heffing is onderworpen.
- Doel en strekking van de wet worden miskend als de handeling van partijen niet aan diezelfde heffing wordt onderworpen.
Huwelijkse voorwaarden arrest bij overlijden
Deze zaak ligt nog bij de Hoge Raad. De conclusie van de Advocaat-Generaal van 17 februari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:188is al wel gepubliceerd. De zaak gaat over het wijzigen van huwelijkse voorwaarden in het zicht van overlijden.
Man en vrouw waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Zij hadden 1,5 maand vóór het overlijden van de man in hun huwelijkse voorwaarden vastgelegd dat de man voor 10% en de vrouw voor 90% gerechtigd is tot zowel de goederen als de schulden van de huwelijksgemeenschap. De A-G concludeert, dat de wijziging van de huwelijkse voorwaarden heeft plaatsgevonden in het zicht van overlijden van de man. Daarmee is, aangezien de vrouw daartegen geen zodanige reële, zakelijke motieven heeft aangevoerd, het ontgaan van erfbelasting als motief gegeven. Het hier aanvaarden van de beoogde fiscale gevolgen van wijziging van de huwelijkse voorwaarden, zou de weg openen naar een herhaalbaar en willekeurig ontgaan van erfbelasting. Dat acht de A-G in strijd met doel en strekking van de Successiewet.
Dit onderdeel zullen we wellicht nog aanvullen als hiervoor aanleiding zou bestaan.
Noot fiscaal juristen inzake fraus legis
Sinds de introductie van het begrip fraus legis in 1926 is er veel veranderd. Over een aantal jaren vieren we het 100 jarig bestaan van dit begrip, maar feitelijk valt er niet veel te vieren. De onbalans tussen rechtszekerheid, vrijheid in keuzes maken en het pleitbare standpunt, maken het voor belastingplichtigen niet eenvoudiger. Het leerstuk moet en kan volgens de Hoge Raad alleen worden toegepast als een belastingplichtige zich bewust is van het feit dat de route die niet door de beugel kon en waarbij hij of zij zich zou moeten beseffen dat de route enkel zo is vormgegeven om zo om de wet "te wandelen". Naast fraus legis zijn ook misbruik van recht en fraus conventionis (bij verdragen) antimisbruikleerstukken die de inspecteur van stal kan halen om fiscale routes te bestrijden. Internationaal zie je fraus legis enkel nog verschijnen bij de omzetbelasting, binnen de nationale praktijk zien we dit leerstuk bij alle fiscale wetten opduiken.
Belastingontduiking laat zich eenvoudiger aanpakken dan belastingontwijking. De vraag is ook in welke situatie belastingontwijking moet worden aangepakt en in welke situatie niet. De beginselen inzake gelijkheid en rechtszekerheid zullen altijd zorgvuldig moeten worden gewogen. Als een wettekst (met parlementaire geschiedenis) niet geheel duidelijk is kan de rechter de wet gaan interpreteren. Een belastingplichtige moet echter altijd de vrijheid hebben om een voor hem/haar gunstige weg te bewandelen. Als het centrale motief echter belastingverijdeling is geweest zal een rechter vaker optreden. Hierbij zien wij vaak gekunstelde routes die vaak reële en praktische betekening missen. Bijzonder om bij vorenstaande te melden is dat in het buitenland (Duitsland, Belgie en de VS) de bewijslast vaak bij belastingplichtige wordt neergelegd, in Nederland ligt deze bij de inspecteur.
Agressieve tax planning wordt via wetgeving (DAC 6) en regelingen (horizontaal toezicht) al redelijk beteugeld, en terecht. De laatste jaren komen de verhoudingen tussen fraus legis en anti misbruik bepalingen (zoals artikel 10a VPB) ook steeds vaker aan de orde, in 2021 en 2022 waren hierover diverse uitspraken (Hoge Raad 9 juli 2021, Hoge Raad 16 juli 2021). In het eerste arrest was de rente gewoon aftrekbaar (geen fraus legis) en in het tweede arrest ging het bij een convertible instrument niet goed voor belastingplichtige.
De komende jaren zal fraus legis aan terrein gaan winnen en zullen fiscalisten zich meer en meer moeten specialiseren op deze stroming. Zijn er vragen of opmerkingen, stuur gerust een e-mail of neem contact op met onderstaande adviseurs of de heer mr. Dennis van de Veen.
Bronnen Fraus Legis
Hoge Raad d.d. 26 mei 1926 ECLI:NL:HR:1926:78
Hoge Raad 21 december 1981, BNB 1982/73
Hoge Raad 21 september 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW8795 (niet gepubliceerd)
Hoge Raad 21 november 1984, BNB 1985/32
Hoge Raad 20 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8319 (niet gepubliceerd)
Hoge Raad d.d. 11 mei 1988 ECLI:NL:HR:ZC3832 (niet gepubliceerd)
Hoge Raad 8 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5034 (niet gepubliceerd)
Hoge Raad 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2006
Hoge Raad 24 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:118
Hoge Raad d.d. 21 april 2017 ECLI:NL:HR:2017:638
Hoge Raad 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2006
Parket
van de Hoge Raad 17 februari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:188
Overige uitspraken en info
HR 21 december 1981, BNB 1982/73
Mr. D. van der Veen, Civra
Vergrijpboete bij suppletie omzetbelasting
Boete terecht maar toch vernietigd
Ondernemers moeten de btw die ze aan hun klanten in rekening brengen aangeven en voldoen aan de Belastingdienst. De btw die ze zelf hebben betaald kunnen ze daarbij in aftrek brengen. Daar komt geen belastinginspecteur aan te pas. Dat doen van aangifte gaat niet altijd goed. Dat is niet erg en kan worden hersteld (door een suppletieaangifte).
Daarbij geldt wel de eis dat de ondernemer, zodra hij constateert dat de aangifte onjuist of onvolledig is, verplicht is alsnog bij wijze van suppletie de juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen te verstrekken. Als hij dat niet, niet tijdig of niet juist doet, kan een boete worden opgelegd (ex artikel 10a AWR). Een suppletieaangifte moet via een aparte brief worden ingediend. Het enkel opnemen van de btw-schuld in de aangifte vennootschapsbelasting is niet voldoende.
Doet u opzettelijk geen aangifte of een onjuiste of onvolledige aangifte, dan krijgt u van de Belastingdienst een vergrijpboete opgelegd, tenminste dit kan de Belastingdienst doen. Er kan ook een vergrijpboete worden opgelegd bij een navorderingsaanslag. De Belastingdienst mag alleen ene vergirjpboete opleggen als aantoonbaar sprake is van opzet (willens en wetens handelen) of grove schuld (voorwaardelijke opzet, willen staat centraal, lichtvaardig of slordig handelen). Bij bepaalde boetes is zelfs grove schuld niet voldoende, opzet lijkt de ondergrens (bij een vergrijpboete). Boete is bij grove schuld meestal lager dan bij voorwaardelijke opzet.
De belastingdienst moet dus overtuigend aantonen (doen blijken) dat sprake is van grove schuld of opzet omdat de waarborgen van het EVRM (Europees verdrag voor de rechten van de mens) ook meespelen. De belastingplichtige moet dus weten dat hij iets fout deed (en bewust).
Streep door vergrijpboete ex bestuurder voetbalclub
Als bestuurder een vergrijpboete aan je broek krijgen? Dan staat niet alleen je portemonnee onder druk, maar ook je reputatie. De fiscus legt ze soms voortvarend op, maar gelukkig kijkt de rechter kritischer. In een procedure bij de Rechtbank Gelderland d.d. 5 juni 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:4322) oordeelde de rechter dat een ex-bestuurder van een voetbalclub ten onrechte als feitelijk leidinggever werd aangemerkt. Hoewel hij ooit betrokken was bij een spelerstransfer, was zijn rol bij de latere afwikkeling onvoldoende concreet. De rechtbank herhaalt: bestuurder zijn is niet hetzelfde als leiding geven aan een strafbaar feit. En voor een boete moet de Belastingdienst het bewijs keihard rond hebben. Omdat die bewijslast zwaarder is dan bij de belastingheffing zelf, sneuvelde de boete. De uitspraak is een reminder: wie als adviseur scherp blijft op bewijs en betrokkenheid, kan veel ellende besparen.
Voor een helder overzicht van de stappen die de belastingdienst moet doorlopen verwijzen wij u naar een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 26 april 2016 ECLI:NL:HR:2016:733.
Geduld is vereist, maar rechtvaardigheid duurt soms gewoon even. Belangrijk is dat de belastingdienst met overtuigend aangetoond bewijs komt met concrete gedragingen door de feitelijk leidinggevende.
Hierbij spelen voor een vergriipboete een aantal zaken:
- Feitelijk leiding geven: dit moet concreet worden onderbouwd (zie Hoge Raad d.d. 16 december 1986 ECLI:NL:HR:1986:AC9607) , dit speelde bij de Slavenburg bank, de zogenoemde slavenburg jurisprudentie.
- Is de verboden gedraging door de BV (of rechtspersoon) verricht, zie Drijfmest arrest van de Hoge Raad d.d. 21 oktober 2003 ECLI:NL:HR:2003:AF7938
- Wordt het geheel (opzet of grove schuld) voldoende overtuigend aangetoond (zie Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Al met al moet het volgende worden beoordeeld:
- Kan de (strafbare) gedraging worden toegerekend aan belastingplichtige ( de rechtspersoon)
- Is er hierbij sprake van opzet bij deze strafbare gedraging
- Heeft de persoon (bestuurder) zich gedragen als actief (of passief) feitelijk leidinggevende van dit (strafbare) feit
- Is dit gedrag opzettelijk uitgevoerd door de feitelijk bestuurder/ leidinggevende.
- Heeft de belastingdienst voldoende overtuigend aangetoond dat sprake
is van opzet of grove schuld (zie
Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Belastingdienst moet vergrijpboete overtuigend aantonen
Sinds de uitspraak van de Hoge Raad van 8 april 2022 (ECLI:NL:HR:2022:526) geldt dat de inspecteur een fiscale overtreding overtuigend moet aantonen bij het opleggen van een boete; aannemelijkheid is onvoldoende. Deze zwaardere bewijsmaatstaf heeft geleid tot toenemende aandacht voor de wijze waarop bewijs in fiscale boetezaken wordt beoordeeld. Omdat fiscale boetes een punitief karakter hebben (boete is bedoeld om te straffen), ligt aansluiting bij strafrechtelijke waarborgen voor de hand, waaronder het hanteren van bewijsminima. In het strafrecht gelden immers bewijsminima om lichtvaardige veroordelingen te voorkomen; dat zou ook in het fiscale boeterecht wenselijk zijn. De huidige vrije bewijsleer in het fiscale recht kan leiden tot subjectieve beoordelingen en ongelijke uitkomsten, zoals bleek bij de Luxemburgse bankrekeningzaken. Bewijsminima zouden bijdragen aan rechtszekerheid, bescherming tegen willekeur en betere aansluiting bij artikel 6 EVRM, dat strikte eisen stelt aan bewijs in punitieve procedures. Hoewel tegenstanders wijzen op het belang van flexibiliteit, sluiten bewijsminima een zorgvuldige en flexibele beoordeling van complex bewijs niet uit. De auteur pleit daarom voor invoering van bewijsminima in het fiscale boeterecht, in lijn met de oproep van A-G Koopman op 5 juli 2024 (ECLI:NL:PHR:2024:774) , ter versterking van de rechtspositie van de belastingplichtige.
Krijgt u een boete? Schakel een specialist in die u bijstaat in uw communicatie met de Belastingdienst.
Soorten vergrijpboete
Er zijn meerdere soorten vergrijpboetes, de belangrijkste:
- Belasting is opzettelijk (of grove schuld) niet betaald (of niet volledig betaald), artikel 67f ZWR
- Opzettelijk niet of onjuist aangifte doen (voor aanslagbelasting), artikel 67d AWR
- Bij navordering mits sprake van opzet (of grove schuld) en er te weinig belasting is betaald, artikel 67e AWR
- Informatieverplichting niet nakomen (uit eigen beweging), artikel 10a AWR
- Opzettelijk onjuiste informatie of inlichtingen verstrekken bij verzoek
voorlopige aanslag, artikel 67cc AWR
Wijziging suppletie BTW per 2025
Vanaf 1 januari 2025 geldt een nieuwe verplichting voor ondernemers die btw moeten corrigeren (zie artikel). Wanneer u constateert dat er te weinig btw is aangegeven en afgedragen, moet dit binnen acht weken worden gecorrigeerd door een btw-suppletie in te dienen bij de Belastingdienst. Bij niet-naleving van deze termijn kan een vergrijpboete (voor de liefhebber artikel 10a lid 3 AWR, er geldt een uitzondering voor correcties van € 1.000 of minder) van 100% van het te suppleren bedrag worden opgelegd. In deze blog bespreken we wat deze aanscherping betekent en geven we praktische tips om problemen te voorkomen. De oude regels voor een suppletie waren:
- zo spoedig mogelijk indienen; en
- indienen voordat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid bekend is of zal worden. Uit een hierna te noemen uitspraak van de rechtbank volgt dat deze laatste regel maatgevend was.
Opmaken jaarrekening en suppletie omzetbelasting
Als bij het opstellen van de jaarrekening blijkt dat er te weinig omzetbelasting is aangegeven en voldaan, wordt dit bedrag als schuld op de balans opgenomen. Het opnemen in de jaarrekening en / of de aangifte vennootschapsbelasting wordt niet als vrijwillige verbetering en / of suppletieaangifte gezien. Op het moment dat de ondernemer (of bestuurder) ziet dat er te weinig omzetbelasting is voldaan, dan moet er separaat een suppletieaangifte omzetbelasting worden ingediend. Als de suppletie beperkt is, wordt er geen boete opgelegd. De suppletie moet dan aan het volgende voldoen:
- Bedrag moet lager zijn dan €20.000;
- Het belastingbedrag bedraagt minder dan 10% van het belastingbedrag dat eerder is betaald over de tijdvakken waarop de verbetering betrekking heeft.
Als u niet aan bovenstaande voldoet, dan volgt een verzuimboete van 5% (maximaal € 5.500). Als u geen suppletie zou indienen, kan een vergrijpboete worden opgelegd, deze bedraagt veelal 25% of 50% (maximaal 100%) van het belastingbedrag. De boete moet worden opgelegd binnen 5 jaar na afloop van het jaar waarin de belastingschuld is ontstaan. Door een arrest van de Hoge Raad uit 2021 is het voor de Belastingdienst wel lastiger om een boete op te leggen. De Belastingdienst mag de informatie uit de suppletie niet gebruiken als bewijs voor het opleggen van een boete. Er zijn zelfs rechters die vinden dat er zowel aan de DGA als aan de bv vergrijpboetes kunnen worden opgelegd, dit lijkt een onjuiste uitspraak. Lang verhaal kort, dien zo spoedig mogelijk de suppletieaangifte in, maar in ieder geval vóór het indienen van de aangifte vennootschapsbelasting en / of inkomstenbelasting. Bij het nadien indienen van de suppletieaangifte is geen sprake meer van een vrijwillige verbetering en kan de Belastingdienst een vergrijpboete opleggen (die kan oplopen tot 100% van het btw-bedrag).
Hoe moet u een suppletieaangifte omzetbelasting indienen
U kunt via 'Inloggen voor ondernemers' op de site van de Belastingdienst een formulier 'Suppletie omzetbelasting' downloaden. U kunt deze vervolgens digitaal versturen. U kunt ook een papieren formulier downloaden op de site van de Belastingdienst.
Suppletieaangifte omzetbelasting indienen
Een suppletieaangifte moet worden ingediend via een aparte brief of formulier (artikel 15 uitvoeringsbesluit omzetbelasting). Het opnemen van de btw-schuld in de aangifte vennootschapsbelasting is niet voldoende. Het Gerechtshof heeft dit niet goed beoordeeld.
In een procedure bij de Hoge Raad in maart 2023 was het volgende aan de hand.
- Over 2014 en 2015 had de ondernemer de aangiften btw niet helemaal juist gedaan.
- Dat bleek uit de jaarrekeningen 2014 en 2015, waarin was opgenomen dat er nog een btw-schuld openstond, in totaal ruim € 330.000. Die jaarrekeningen zaten bij de aangiften vennootschapsbelasting voor die jaren.
- Op 5 april 2018 wordt een boekenonderzoek door de Belastingdienst ingesteld.
- De suppletieaangiften worden op 13 en 16 april 2018 ingediend, dus veel te laat en nadat de Belastingdienst zich heeft gemeld voor een onderzoek.
- De ondernemer krijgt een boekenonderzoek en de Belastingdienst stelt: er is te weinig btw betaald, dat wist u (want het staat in de jaarrekening) en u heeft daarvan geen suppletie gedaan. Dus u krijgt een vergrijpboete van 50%.
- Onze ondernemer is het niet eens met de boete en komt uiteindelijk in 2020 bij het Gerechtshof Den Haag. Dat oordeelt dat wel correct suppletie is gedaan. Want de ondernemer heeft 'precieze cijfermatige informatie verschaft die onmiskenbaar inhoudt dat over de desbetreffende jaren nog omzetbelasting is verschuldigd (opm.: in de jaarrekeningen bij de aangiften), maar de Inspecteur heeft die informatie ook als zodanig opgevat (opm.: zoals blijkt uit het boekenonderzoek).' De boete gaat van tafel.
- De Belastingdienst is het daarmee niet eens en gaat naar de Hoge Raad. De Belastingdienst meent dat op deze wijze (vermelding in een bijlage bij een aangifte van een andere belasting) geen suppletie kan worden gedaan.
- De Hoge Raad oordeelt dat inderdaad niet op deze wijze suppletie kan worden gedaan. In de toelichting bij de bepaling die de suppletie regelt is namelijk het volgende opgenomen: “Het in de winstaangifte opnemen van de aan het eind van een kalender- of boekjaar verschuldigde belasting wordt in elk geval niet aangemerkt als een suppletie.” Nogal klontjes, maar het hof had dat kennelijk gemist.
Houdini: ongelijk en toch de boete van tafel
Intermezzo: de Hoge Raad gaat over de uitleg van het recht, niet over de vaststelling van de feiten. In dit geval gaat het om de rechtsopvatting van het hof dat aan de suppletieverplichtingen kon worden voldaan door het gespecificeerd vermelden van onbetaalde omzetbelastingschulden in (een bijlage bij) de aangifte voor de vennootschapsbelasting. Dat is dus en rechtsvraag, die het hof onjuist heeft beantwoord.
Als een gerechtshof een rechtsvraag onjuist beantwoordt (en die beantwoording is in uw voordeel), is er (bijna per definitie) sprake van een pleitbaar standpunt (immers, als dergelijke topdeskundigen het met mij eens zijn, kan ik dat ten minste ook verdedigen). Bij een pleitbaar standpunt is het vaste jurisprudentie dat dan geen boete kan worden opgelegd als dat standpunt uiteindelijk toch onjuist blijkt.
Matiging boete door Hoge Raad
De Hoge Raad (cassatie) bekijkt een zaak niet meer inhoudelijk en veel zaken worden dan ook afgedaan met zogenaamde artikel 81 RO beslissingen. Het cassatieberoep wordt dan afgewezen zonder uitgebreide inhoudelijke motivering. In de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 21 november 2025 ECLI:NL:HR:2025:1727 faalde het inhoudelijke beroep (klachten nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling). Maar hiermee was nog niet alles gezegd.
De Hoge Raad komt ambtshalve toe aan vraag of de redelijke termijn in cassatie wordt overschreden, ook bij het instellen van cassatie beroep (of tweede cassatieprocedure) begint de redelijke termijn dus weer te lopen (1 jaar). De boete wordt ambtshalve verlaagd (gematigd). Belastingplichtige is vergeten immateriele schadevergoeding te vragen, dat is jammer. Dit is een interessante uitspraak, materieel gebeurt er niks maar de redelijke termijn kan de boete wel verlagen (in dit geval met 15%). Cassatie kan dus van belang zijn voor de boete (en termijnbewaking). Bij boeten moet de tijdlijn dus scherp in de gaten worden gehouden, ook als de materiële / inhoudelijke kansen bij cassatie beperkt zijn. Gelukkig bewaakt de Hoge Raad nog steeds de fundamentele proces belangen en waarborgt deze op de juiste wijze.
Noot fiscaal jurist inzake suppletie en boete
Het juist, tijdig en volledig aangifte doen is niet altijd eenvoudig. De les van deze uitspraak is, dat je alert moet blijven en afwijkingen zo spoedig en volledig mogelijk meldt en dan ook nog ‘binnen de lijntjes kleurt’ (lees: het digitale suppletieformulier gebruikt).
De Gordiaanse knoop is doorgehakt (of ontward) en de ondernemer trekt aan het kortste eind, maar krijgt toch geen boete (en het eind blijkt dus lang genoeg …). Onder het motto ‘iedereen wordt geacht de wet te kennen’ (of niemand wordt geacht de wet niet te kennen): vanaf nu is het duidelijk, suppletie doe je niet via een andere aangifte. Dat is niet meer pleitbaar, dus de volgende krijgt wel een boete.
Neemt u bij vragen over boetes, pleitbare standpunten en veel meer contact op met onze deskundigen. Veel ellende is te voorkomen of repareren.
Bron fiscale boete Belastingdienst
Gerechtshof Den Haag d.d. 12 november 2020 ECLI:NL:GHDHA:2020:2803
Parket Hoge Raad d.d. 27 januari 2022 ECLI:NL:PHR:2022:66
Hoge Raad d.d. 31 maart 2023 ECLI:NL:2023:491
Hoge Raad d.d. 24 september 2021 ECLI:NL:HR:2021:1351
Rechtbank Den Haag d.d. 22 augustus 2017 ECLI:NL:RBDHA:2017:10715
Fiscale boete is strafrecht
Wie een overtreding of misdrijf begaat, kan strafrechtelijk worden vervolgd. Ook in het belastingrecht kun je van alles fout doen dat kan worden bestraft. Het overgrote deel van die belastingzaken wordt buiten het strafrecht gehouden. Alleen de zware gevallen komen nog bij de strafrechter. Dat is vooral gedaan omdat anders het strafrechtelijke apparaat vastloopt.
Fiscale boete of verbeurdverklaring
Een (fiscale of geld) boete is niet aftrekbaar (artikel 3.14 lid 1 onder c Wet IB). Het kan namelijk niet zo zijn dat een straf minder pijn doet doordat de boete aftrekbaar is. Ook boetes, kosten en lasten die hiermee (of met een misdrijf) samenhangen zijn niet aftrekbaar (mits belastingplichtige onherroepelijk is veroordeeld). Uit de wet, de wetsgeschiedenis en enkele uitspraken van rechters volgt echter wel dat verbeurdverklaringen gewoon aftrekbaar zijn. De verbeurdverklaring is een straf (sanctie) in het strafrecht waarbij de rechter bepaalt dat de belastingplichtige de (veroordeelde) eigendom over een voorwerp (of geld) verliest en waarbij de staat die eigendom verkrijgt. Als het voordeel wordt belast en dit voordeel wordt afgenomen dan is het (financieel) logisch dat dit aftrekbaar is (artikel 3.14 lid 3 wet IB). Aftrek zal plaatsvinden in het jaar waarin de ontneming feitelijk heeft plaatsgevonden. Tot zover is het helder.
In een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 15 mei 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3208) oordeelde deze belastingkamer echter anders. Het Gerechtshof stelde dat de verbeurdverklaring - onder omstandigheden - niet aftrekbaar was omdat deze samenhangt met criminele kosten (artikel 3.14 lid 1 onderdeel d wet IB). Dit is echter "onder omstandigheden". Omdat de Hoge Raad er verder niks mee deed is het nog gissen hoe dit moet worden gezien. Het lijkt erop dat een verbeurdverklaring niet aftrekbaar is deze moet worden gezien als een (punitieve) straf of sanctie. Een normale verbeurdverklaring (ontnemingsactie) is dus gewoon aftrekbaar omdat deze moet worden gezien als de voldoening van straf (geldbedrag).
Fiscale boete is een straf, dus waarborgen EVRM
Tot 1998 noemden we een fiscale sanctie een verhoging van de belasting en daarna wat het echt is: een boete. Al sinds 1985 oordeelt onze Hoge Raad dat het opleggen van een boete wordt aangemerkt als het instellen van een strafvervolging in de zin van artikel 6 EVRM (het recht op een eerlijk proces met allerlei waarborgen). Eén van die waarborgen ligt in het bewijs dat geleverd moet worden om een boete te mogen opleggen.
Standpunt kennisgroep belastingdienst
Het beleid van de belastingdienst inzake het instellen van een schuldonderzoek bij een boete is openbaar gemaakt in augustus 2023. Er is verzocht om openbaarmakeing van alle interne stukken waarin vastlegging heeft plaatsgevonden over het beleid met betrekking tot het (zuivere) schuldonderzoek (ad titel 5.2 AWB). In dit stuk vindt u werkinstructies, interne memo's, standpunten, notulen van vergaderingen etc. Het stukken kunt u hier raadplegen. Een aantal zaken vallen op:
- Voor de matiging van een boete wordt ook naar het huidige gedrag gekeken
- Voor verzuimboetes is minder ruimte voor responsief handhaven
- Vragen stellen over de boete toegestaan maar belastingplichtige kan zich beroepen op zijn zwijgrecht (artikel 5:10a AWB)
- Hoe moet een onderzoek inzake DGA salaris plaatsvinden
- Stappenplan inzake opleggen van een boete
- Hoe werkt het schuldonderzoek
- Wanneer melding mogelijke fraudezaak
Nieuws 2023 inzake protocol AAFD
Het Protocol AAFD staat voor Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen. Omdat fiscale delicten vaak zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk kunnen worden afgehandeld, volgt uit artikel 5:44 lid 1 Awb en artikel 243 lid 2 Sv dat het één het ander uitsluit, tot zover de wet (una via beginsel en in verlengde hiervan het ne bis in idem beginsel, dus geen dubbele straf van dezelfde persoon voor hetzelfde feit). Er moet dus een keuze worden gemaakt, of fiscaal "aanpakken" of strafrechtelijk, dit volgt meestal uit het overleg tussen FIOD, OM en de belastingdienst. Voor dit overleg van de "weegploeg" is er sinds 1 juli 2023 een nieuw protocol. In de kern de wijzigingen
- Nadeel tenminste € 100.000. Vanaf 1 juli 2023 geldt het ook voor zaken waarin het nadeel onvoldoende bepaalbaar is. Er moet wel sprake zijn van een vermoeden van opzet.
- Er is binnen Europa een nieuwe entiteit, het Europees Openbaar Ministerie. Het EOM is een onafhankelijk orgaan van de Europese Unie en onderzoekt en vervolgt strafbare feiten die de financiële belangen van de EU kunnen schaden. Soms zullen zaken dus aan het EOM moeten worden voorgelegd, het AAFD is dan buiten beeld.
- AAFD is ook van toepassing voor strafbare feit en uit de Wet op de internationale bijstandsverlening (WIB)
- Daarnaast wordt de evolutie van het boete systeem nog benoemd (zoals de deelnemersboete (artikel 67 letter o AWR / artikel 5:1 AWB) en de mogelijkheid om namen van overtreders openbaar te maken (artikel 67 letter r AWR)
Bewijs: aannemelijk maken of overtuigend aantonen
Het is aan de Belastingdienst om met bewijs te komen van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat een boete aan de orde is. Bewijs kent verschillende gradaties, van aannemelijk tot overtuigend aantonen. Deze woorden klinken vrij simpel, maar de achtergrond wordt minutieus opgebouwd. Het lijkt zelfs soms op een woordspelletje, zoals scrabble.
In 2022 sluit de Hoge Raad voor de gradatie van het bewijs opnieuw aan bij artikel 6 EVRM en bij de rechtsregels van de Strafkamer van de Hoge Raad. Bij het bewijs dienen de waarborgen van artikel 6 EVRM in acht te worden genomen. Deze even op een rijtje:
- De bewijslast ligt bij de Belastingdienst en de belastingplichtige moet bij twijfel het voordeel van die twijfel worden gegund (lees meer in dit arrest).
- Dit betekent dat elk element van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. In het belastingrecht noemen wen dat 'doen blijken'.
- De desbetreffende feiten en omstandigheden moeten dus overtuigend worden aangetoond (lees meer in dit arrest).
Fiscaal advies en noot fiscaal jurist
De lat voor de bewijslast bij een boete ligt daarmee hoog (en dat is logisch). De Belastingdienst kan de boete niet enkel baseren op andere jaren, aannames, ervaringscijfers, extrapolatie van oudere jaren of branchegegevens.
De rechtspraak van het EHRM laat echter wel toe dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van vermoedens. Dat gebruik mag er echter niet toe leiden dat de bewijslast wordt verschoven naar de belastingplichtige. Het vermoeden moet redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen en moet voor elke aanslag op zich worden beoordeeld.
In het arrest uit 2023 volgt de Hoge Raad (jammer genoeg) niet het advies van de Advocaat-Generaal Niessen om een vergrijpboete op een ambtshalve bijgebrachte grond te vernietigen. Volgens de Hoge Raad heeft het gerechtshof hiermee al voldoende rekening gehouden.
Het zwijgen van de belastingplichtige kan alleen bijdragen tot het bewijs voor zover uit de aanwezige bewijsmiddelen reeds een zodanige verdenking voortvloeit, dat die vraagt om uitleg van de belastingplichtige (schreeuwt om een toelichting). Dat zwijgen kan alleen meewegen bij het waarderen van de overtuigingskracht van de andere bewijsstukken. Het is zelf dus geen bewijs. Het kan er wel voor zorgen dat drempel van buiten redelijke twijfel wel wordt gehaald.
Heeft u een boete gekregen of staat er in een (concept-)rapport van een boekenonderzoek een voornemen tot het opleggen van een boete, loont het de moeite om dit voor te leggen aan één van onze deskundigen. In de praktijk zien we dat de Belastingdienst nog niet altijd binnen de strenge normen werkt en te vaak een boete oplegt. Daarnaast kunt u - uitgebreid en op elk moment - inzage vragen in uw boetedossier. Het is veelal verstandig om bij aankondiging van een boete uw medewerking te beperken en eerst een fiscaal deskundige in te schakelen.
Bron Strafrecht en fiscale boete
Hoge Raad d.d. 19 juni 1985 ECLI:NL:HR:1985:AC8934
Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97
Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526
Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324 (4.8.3 en 4.8.4)
Raad van State 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:999 (2.1 en 2.8)
Geen bestuurdersaansprakelijkheid
Een bv gaat failliet en de bestuurders worden aansprakelijk gesteld voor naheffingsaanslagen loonheffingen. Volgende de Hoge Raad (in 2023) heeft het gerechtshof niet goed onderzocht of betalingen in zicht van het faillissement onbehoorlijk waren of niet.
Bestuurdersaansprakelijkheid en meldingsplicht, mag maar moet niet!
Op 2 mei 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:435) kwam AG Koopman met een bijzondere conclusies over de bestuurdersaaansprakelijkheid en meldingsregeling betalingsonmacht. In de tussenbeslissing van de Hoge Raad op 6 oktober 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1371) kwam ons hoogste college nog tot de conclusie dat de ontvangen geen ruimte heeft om af te zien van een bestuurdersaansprakelijkheid. Koopman (de AG) komt nu met een geitenspoor. De ontvanger beschikt over een (discretionare) bevoegheid en kan afzien van het aasprakelijk stellen van de bestuurder. Aansprakelijk stellen is dus een keuze. In de genoemde procedure bij de Hoge Raad worden prjejudiciele vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de EU. De centrale vraag was of de meldingsregeling wel is toegestaan (strijdigheid met evenredigheidsbeginsel). Deze vragen zijn op 14 november 2024 beantwoord, er is geen sprake van een strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel.
De Hoge Raad is van mening dat artikel 36 Invorderingswet geen discretionare bevoegdheid kent en dwingend is. De ontvanger mag verder geen belang tegen elkaar afwegen, aldus de Hoge Raad. Deze conclusie is volgens Koopman niet juist. In deze uitgebreide toelichting gaat Koopman in op de materiele kant (artikel 36 IW) en de formele uitvoering (artikel 49 IW). Dat een bestuurder aansprakelijk is kan wel vaststaan maar dat wil nog niet zeggen dat hij of zij ook aansprakelijk gesteld moet worden. Bij een kwestie waarbij geen sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur is er dus nog een alternatieve route. Een kleine vergissing (niet melden) hoeft dus niet per definitie desastreuze gevolgen voor de bestuurder te hebben, aldus Koopman.
Bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement
Artikel 36 van de Invorderingswet bepaalt dat bestuurders persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de door de bv / rechtspersoon te betalen belastingen. Meestal kan de bestuurder deze aansprakelijkheid voorkomen door tijdig de betalingsonmacht te melden. Soms is een bestuurder - zelfs bij een tijdige melding - aansprakelijk voor de niet betaalde belastingen van zijn bv. Bij een probleemsituatie is het in ieder geval van belang om tijdig een advocaat en fiscaal jurist op te lijnen. Tevens moet er tijdig melding worden gemaakt van het feit dat belastingen niet tijdig kunnen worden betaald. Daarnaast spelen een aantal zaken:
- Zorg voor tijdige publicatie van uw cijfers.
- Informeer de bancaire instellingen op een nette en correcte wijze.
- Blijf met de Belastingdienst in gesprek.
- Betaal niet selectief uw schuldeisers.
- Zorg ervoor dat uw administratie op orde is.
Betalingsonmacht belastingschulden bij faillissement
De belastingdienst heeft een sterke positie bij een faillissement en kan vrij eenvoudig de bestuurder aansprakelijk stellen via artikel 36 invorderingswet, de bestuurdersaansprakelijkheid. Op basis van dit artikel is de bestuurder hoofdelijk (in privé) aansprakelijk voor (onder meer) de omzetbelasting en loonbelastingschulden van de rechtspersoon. Als er niet tijdig betalingsonmacht is gemeld bestaat er (op grond van artikel 36 lid 4 invorderingswet). Dus als er niet tijdig en op de juiste wijze is gemeld is de bestuurder in principe in privé aansprakelijk voro diverse belastingschulden van de rechtspersoon, dit is slechts anders als de bestuurder aannemelijk maakt dat het niet of niet juist melden niet aan hem of haar te wijten is. Dit is in de praktijk een redelijk onmogelijke opgave. Dit heeft tot gevolg dat de boef en de bonafide bestuurder beide in prive kunnen worden aangesproken voor (diverse) belastingschulden van de rechtpersoon. Maar er is hoop voor de bonafide bestuurder !
Bonafide bestuurder en bestuurdersaansprakelijkheid
In de basis is de bestuurder niet aansprakelijk voor schulden van de BV (rechtspersoon). Voor de belastingschulden staat er een belangrijke uitzondering in artikel 36 invorderingswet. Al met al, niet melden of niet juist melden en de bestuurder is aansprakelijk in privé. In 2009 heeft de adviseur van de Hoge Raad dat dit (het niet tijdig melden) tot oneerlijke (onevenredige) situaties zou kunnen leiden bij bonafide bestuurders. De Hoge Raad ging hier in 2011 nog aan voorbij (de wet is de wet). De melding betalingsonmacht dient te worden gedaan binnen 2 weken nadat de verschuldigde belasting behoorde te zijn afgedragen of te zijn voldaan. Bij een naheffingsaanslag kan er geen tijdige melding betalingsonmacht meer plaatsvinden. Dit onweerlegbare bewijsvermoeden is in de volksmond oneerlijk, in het recht is sprake van strijdigheid met het communautaire evenredigheidsbeginsel. In het arrest van de Hoge Raad op 6 oktober 2023 komt de Hoge Raad terug op haar eigen arrest uit 2011. In sommige gevallen (bijvoorbeeld een naheffingsaanslag) is het onmogelijk dat de bestuurder het vereiste bewijs zal kunnen leveren dat het niet aan hem of haar te wijten is dat geen of niet op de juiste wijze een melding betalingsonmacht is gedaan. De bestuurderaansprakelijkheid in prive is dan dus niet te voorkomen, zelfs als sprake is van een eerlijke / bonafide bestuurder. Er worden nu door de Hoge Raad (prejudiciële) vragen gesteld of het (unierechtelijke) evenredigheidsbeginsel zich hiertegen verzet. Deze zaak richt zich op de omzetbelasting, de toekomstige vervolg vraag zal zijn of de loonheffing hiermee in lijn mag worden gezet.
Voorkomen onbehoorlijk bestuur
Om onbehoorlijk bestuur te voorkomen, is het volgende van belang:
- Van onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 36, lid 3 van de wet kan pas worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder - onder dezelfde omstandigheden - gehandeld zou hebben als de aansprakelijk gestelde bestuurder heeft gedaan. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als hij handelingen (van structurele aard) heeft verricht waardoor belastingschulden niet worden betaald, dit aldus de Hoge Raad in 2023.
- Naar het oordeel van het Hof treft belanghebbende het verwijt dat de belastingschulden van [A] onbetaald zijn gebleven. Gelet op genoemde structurele slechte financiële omstandigheden en het (oplopende) bedrag aan belastingschulden van [A], had geen redelijk denkend bestuurder zo gehandeld als belanghebbende heeft gedaan.
De casus inzake bestuurdersaansprakelijkheid
- Henk was samen met zijn broer bestuurder van Uitzendbureau X B.V.
- In 2015 gaat het uitzendbureau failliet. De activiteiten zijn overgedragen aan Uitzendbureau Y B.V.
- Henk en zijn broer worden in privé aansprakelijk gesteld voor naheffingsaanslagen die zijn opgelegd aan X B.V. Ook zijn er vergrijpboetes opgelegd.
- Het gerechtshof is van mening dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur, omdat X B.V. voorafgaande aan haar faillissement betalingen heeft verricht aan Y B.V., aan Henk, zijn broer en hun moeder en tevens aan een gelieerde rechtspersoon in België. De belastingschulden zijn echter niet voldaan.
- De Hoge Raad is het niet met het gerechtshof eens, omdat het hof onvoldoende heeft onderzocht of sprake is van een gelieerde rechtspersoon en Henk en zijn broer een persoonljk belang hadden. De motivering is ontoereikend.
- De zaak wordt verwezen naar een ander gerechtshof.
Fiscaal advies inzake onbehoorlijk bestuur
Bij ondernemen hoort risico nemen en soms gaat dit mis. Een bestuurder heeft een redelijke mate van vrijheid om zelf te bepalen wie er wel en niet wordt betaald. Als achteraf is gebleken dat dit niet de juiste (juridische) keuze is geweest, wil dit nog niet zeggen dat het een foute beslissing is geweest (op dat moment).
Een rechter moet de feiten en uitgangspunten soms beter onderzoeken. In eerste instantie is het echter aan belanghebbende om gestelde feiten door de inspecteur - indien onjuist - met onderliggende stukken te weerspreken. In een eerder arrest van de Hoge Raad uit 2019 is al uitgemaakt dat een bestuurder niet onrechtmatig heeft gehandeld als de ene schuldeiser voor de andere schuldeiser wordt betaald, zelfs als de bestuurder daarbij geen rekening heeft gehouden met eventuele preferenties. Een bestuurder heeft - binnen kaders - de vrijheid om te bepalen welke schuldeisers van de bv wel en niet worden betaald. Als bekend is dat de bv het 'niet gaat halen', moet voorzichtig worden omgegaan met de volgorde van betaling. Een gelieerde bv wel betalen en de Belastingdienst niet, is dan een risicovolle actie (soms kan het te rechtvaardigen zijn door bijzondere omstandigheden). Het is cruciaal om in een dergelijk traject een gespecialiseerde advocaat in te schakelen.
Bron bestuurder aansprakelijk
Hoge Raad 10 februari 2023 ECLI:NL:HR:2023:184
Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 2 juni 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:2498).
Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 27 januari 2016 (ECLI:NL:RBZWB:2016:658).
Hoge Raad d.d. 31 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:530).
Openheid Belastingdienst over standpunten
De Belastingdienst gaat vanaf 1 april 2023 meer inzicht geven over interne
standpunten omtrent complexe fiscale aangelegenheden.
Standpunten van de Belastingdienst over ingewikkelde belastingzaken zijn
op dit moment nog vertrouwelijk.
In het kort openheid Belastingdienst
- Kennisgroepen binnen de Belastingdienst maken hun mening openbaar.
- Standpunten waren voorheen alleen bekend bij de belastingplichtige of diens belastingadviseur.
- Standpunten van de Belastingdienst over individuele gevallen waren onbekend.
- Interne standpunten over fiscale vraagstukken worden openbaar voor iedereen.
- Standpunten vanaf 1 april 2023 op de site van de Belastingdienst.
- Er zullen komende periode meer bezwaar- en beroepsprocedures volgen (en verzoeken ambtshalve vermindering).
Interne standpunten Belastingdienst worden bekend
Vanaf 1 april 2023 zal de Belastingdienst haar interne standpunten online zetten voor iedereen. Er zullen op grond hiervan standpunten bekend worden waar belastingadviseurs en belastingplichtigen hun voordeel mee kunnen behalen. Vaak gaat het hierbij om complexe fiscale vraagstukken waarover de wet en / of jurisprudentie (uitspraken rechters) niet geheel duidelijk zijn. De transparantie is prettig en kan best nuttig zijn, wij juichen dit dus toe. Tot op dit moment is onbekend wat er met verschillende belastingplichtigen over bepaalde zaken wordt afgesproken, dit wordt nu ineens geheel duidelijk. De rechtsongelijkheid is hiermee ineens (grotendeels) opgeheven.
Noot fiscaal jurist inzake openheid Belastingdienst
Vanaf 1 april 2023 (geen grap) worden de standpunten over 2022 openbaar gemaakt. De nieuwe standpunten van kennisgroepen worden vervolgens binnen 2 weken gepubliceerd. De openheid vanuit de Belastingdienst is het gevolg van diverse rechtszaken waarbij steeds vaker om openheid wordt gevraagd en standpunten van kennisgroepen (minutieus) worden zwart gelakt. Standpunten van kennisgroepen zijn echter geen 'persoonlijke beleidsopvattingen voor intern beraad' en moeten gewoon openbaar worden gemaakt (aldus de rechter).
Fiscaal uitvoeringsbeleid wordt regelmatig gepubliceerd, maar er zijn ook andere vormen van 'beleid of meningen'. Beleid staat standaard in de Staatscourant, maar standpunten van kennisgroepen, memo's en verslagen niet. Deze worden soms opgevraagd op grond van openbaarmakingsverzoeken (WOO, voorheen WOB-verzoeken). Als sprake is van gecoördineerd beleid, kan hierop een beroep worden gedaan door andere belastingplichtigen.
Over enkele weken is duidelijk wat er met belastingplichtigen wordt afgesproken en of de belastingdienst hierbij gunstige standpunten heeft ingenomen voor bepaalde belastingplichtigen. De standpunten van diverse kennisgroepen (er zijn er ruim 25) worden dan dus duidelijk. Deze kennisgroepen formuleren algemene standpunten over bepaalde rechtsvragen, waarbij wetgeving, beleid en rechtspraak (jurisprudentie) worden uitgewerkt. Dit speelt met name als wetgeving niet geheel duidelijk is. Tot op dit moment ging dit standpunt enkel naar de fiscalist van belastingplichtige en wisten wij niet wat deze standpunten precies inhielden. Vanaf 1 april 2023 kan iedereen kennisnemen van deze standpunten.
Wij denken dat dit smullen gaat worden en veel leesvoer gaat opleveren. Binnen de Belastingdienst zijn namelijk ook inspecteurs werkzaam die hun eigen standpunten innemen en toepassen. Dit kan leiden tot rechtsongelijkheid en dus procedures. De kans bestaat ook dat feiten en omstandigheden worden gekleurd naar de standpunten van de Belastingdienst. De vervolgvraag zal ook zijn over welke periode standpunten bekend worden gemaakt, de eerste WOO-verzoeken over oudere jaren zijn al in de maak.
Er zullen de komende tijd veel ambtshalve verzoeken, bezwaarschriften en procedures worden gevoerd door belastingplichtigen die minder voordelig zijn behandeld en / of mogelijkheden zien om een gunstige regeling af te spreken. Beroepen op het gelijkheidsbeginsel zullen toenemen. Adviseurs zullen met name kijken naar gunstige standpunten, hierbij speelt het risico van cherry picking, dit is echter niet rechtens en moet niet de bedoeling zijn.
Wij houden u op de hoogte !
Horizontaal toezicht is geen garantie
Het enkele feit dat u of uw adviseur deelneemt aan horizontaal toezicht en daartoe een convenant heeft gesloten, betekent niet dat je er daarmee vanuit kunt gaan dat je aangifte wordt gevolgd en er niet zal worden nagevorderd. De Hoge Raad tikt de fiscaal dienstverlener even over de spreekwoordelijke vingers en maakt duidelijk dat een convenant de fiscale spelregels niet zal veranderen.
Convenant niet zaligmakend
In 2005 is de Belastingdienst begonnen met een nieuwe vorm van toezicht, het horizontaal toezicht. Het begon met een 20-tal zeer grote ondernemingen. Daarna volgden de andere zeer grote ondernemingen en middelgrote ondernemingen. Begin 2011 is een variant van horizontaal toezicht ingevoerd in het segment van het midden- en kleinbedrijf (verder: mkb). Ook een aantal fiscaal dienstverleners heeft een convenant. Niet primair voor zichzelf, maar ten behoeve van hun klanten. Er is zelfs een leidraad horizontaal toezicht mkb fiscaal dienstverleners.
Kort door de bocht: de dienstverlener kleurt binnen de lijntjes en houdt zich aan de afspraken en krijgt daarvoor sneller de aanslagen, sneller antwoord op vragen en minder gedoe (en hoop op minder onderzoeken, vragenbrieven en soepeler aanslagregeling).
Aangifte via fiscaal dienstverlener levert geen garanties op
Een plastisch chirurg uit een recente zaak liet zijn aangiften verzorgen door een fiscaal dienstverlener met zo’n convenant. Voor de inkomstenbelasting ging dat aanvankelijk goed. De aangiften werden keurig ‘gevolgd’ en de aanslagen werden overeenkomstig de aangiften opgelegd. Iedereen blij.
Totdat de Belastingdienst er op basis van de aangifte vennootschapsbelasting over 2011 achter kwam dat de plastisch chirurg fors leende van zijn holding. Lang verhaal kort: in 2010 zijn de schulden van de plastisch chirurg naar de mening van de Belastingdienst aan de bv dermate hoog, dat die nooit kunnen worden terugbetaald. De Belastingdienst stelt zich op het standpunt dat daarmee sprake is van een winstuitdeling van de bv aan de plastisch chirurg en vordert na van de plastisch chirurg. Aldus is een belastingaanslag van zo’n € 200.000 zijn deel, te verhogen met een boete van € 100.000.
Toch navorderen ondanks een convenant
De navordering loopt uit op een procedure. Daarin doet de plastisch chirurg een beroep op het vertrouwensbeginsel dat in de weg zou staan aan de navordering. Hij stelt dat hij erop mag vertrouwen dat navordering achterwege zal blijven indien de aanslag is vastgesteld in overeenstemming met een onder horizontaal toezicht ingediende aangifte.
Dat standpunt wordt door de Hoge Raad naar het rijk der fabelen verwezen.
- Voor het in rechte te beschermen vertrouwen dat de inspecteur een bepaalde toepassing zal geven aan wettelijke of andere door hem in acht te nemen algemene regels en op grond daarvan navordering achterwege zal laten, is méér vereist dan de enkele omstandigheid dat de aanslag met betrekking tot een bepaald punt is vastgesteld in overeenstemming met de aangifte. Daarvoor zijn een of meer andere omstandigheden vereist die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat de vaststelling van de aanslag met betrekking tot dit punt berust op een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur. Dit is niet anders in gevallen waarin de aanslag is vastgesteld in overeenstemming met een aangifte die namens de belastingplichtige is ingediend door een fiscaal dienstverlener die deelneemt aan horizontaal toezicht. Hetzelfde geldt voor een aangifte die is ingediend door of namens de belastingplichtige die deelneemt aan horizontaal toezicht.
Kort en goed: het enkele feit dat u of uw adviseur deelneemt aan horizontaal toezicht en daartoe een convenant heeft gesloten, betekent niet dat je er daarmee vanuit kunt gaan dat je aangifte wordt gevolgd en er niet zal worden nagevorderd.
Opmerking fiscaal jurist inzake horizontaal toezicht Belastingdienst
Een terechte beslissing van de Hoge Raad. Ook het Hof en de A-G hadden er weinig woorden voor nodig. Bij de rechtbank was het zelfs (nog) geen issue. Zoals in de inleiding beschreven, geeft een convenant soms voordelen. Alle belastingplichtigen zijn echter gelijk voor de wet. Een convenant kan en mag dus niet ingrijpen in de (toepassing van de) wet zelf. Als aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan, kan van eenieder worden nagevorderd. Een convenant heeft daarop geen invloed omdat het een convenant is (en geen wet).
Eerder zou het tegendeel kunnen worden bepleit. Als de aangiften door ‘de oogharen’ worden geregeld, zal een controle achteraf (navordering) strenger kunnen zijn en dus eerder worden toegepast, nu ingecalculeerde aangifterisico’s moeten worden bestreden. Ook dat is onwenselijk want: gelijke monniken, gelijke kappen.
U begrijpt, wij hebben geen convenant. Dat houdt ons scherp (en de fiscus ook) en daarnaast blijft het speelveld eerlijk, overzichtelijk en kunnen we op grond van vertrouwen altijd 'zaken' met elkaar doen. Wel zo eerlijk en prettig. Heeft u ook een geschil? Bel ons. Een convenant zal ons zeker niet beperken.
Bron horizontaal toezicht Belastingdienst
Hoge Raad 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26
Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden 7 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2879
Rechtbank Gelderland 31 januari 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:361
Bodemrecht Belastingdienst
Het bodemrecht van de Belastingdienst (artikel 22 lid 3 invorderingswet) is vastgelegd in de wet en gaat vrij ver. Op grond van het bodemrecht heeft de Belastingdienst (ontvanger) de mogelijkheid om (bodem-)beslag te leggen op zaken die zich op de bodem van de belastingplichtige / belastingschuldigde bevinden. Dit geldt ook als deze zaken toebehoren aan derden. Derden kunnen een brief (beroepschrift) indienen om hun eigendom terug te vorderen (termijn 7 dagen). Bij reële eigendom van de Belastingdienst (leidraad artikel 22.8.10) wordt ontzien, hiervan is sprake als zowel de juridische als de economische eigendom (in overwegen mate) aan de derde toebehoren. Hiervan is geen sprake bij financial lease of een gewoon eigendomsvoorbehoud, dit komt omdat de economische eigendom (risico op waardeverandering) bij de gebruiker ligt.
Wat zijn bodemzaken?
Bodemzaken zijn roerende zaken die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden en die ook dienstbaar zijn aan die bodem. Onder bodem wordt verstaan het perceel (of deel perceel) dat de belastingschuldige gebruikt. Hierbij kunt u denken aan computers, bureau's en overige inventaris. Onder bodemzaken vallen - volgens redelijk vaste rechtspraak - niet de voorraad, showroom modellen en de bedrijfsauto's. In een uitspraak van de Hoge Raad uit 2014 wordt nadere toelichting gegeven op de bodem van de belastingschuldige bij een franchise-organisatie. De rechthebbende (franchisegever) krijgt hierin gelijk.
Operational lease en bodembeslag
Deze procedure uit 2022 is leuk om te lezen. In deze casus heeft Piet B.V. een lease-overeenkomst gesloten met een gelieerde rechtspersoon (Henk B.V.), beide zijn fictieve namen. De Belastingdienst (ontvanger) luistert slecht naar de bestuurder van Piet B.V. en blijft maar vragen stellen en gaat aan stellingen van Piet B.V. voorbij. De ontvanger stelt dat dat Henk B.V. de economische eigenaar is (dus is bodembeslag mogelijk). De rechter stelt dat sprake is van operational lease en dat bodembeslag niet mogelijk is. Er is sprake van reële eigendom van Piet B.V., omdat de overeenkomsten en de economische eigendom (risico waardeverandering) bij Piet B.V. liggen. Het restwaarderisico kan beperkt zijn, maar dan toch. De lease-overeenkomsten zijn ook voldoende bepaalbaar en het is helder om welke machines het gaat. Piet B.V. mocht dus voor het faillissement van Henk B.V. de machines weghalen. Piet B.V. krijgt een proceskostenvergoeding van € 10.000 (niet alle kosten, dus geen integrale proceskostenvergoeding), omdat er sprake is van een onwelwillende houding van de ontvanger. De onwelwillendheid volgt uit het feit dat alle stellingen van de bestuurder van Piet B.V. worden betwist en er belachelijk veel bewijs moet worden verstrekt. Ook bij een aannemelijk standpunt wordt om extra bewijs of getuigen gevraagd. Lees eens rechtsoverweging 6.4 voor een keurige toelichting.
Noot fiscaal jurist inzake bodembeslag
Bij bodembeslag of bodemrecht is het zaak dat er snel wordt gereageerd. Vaak is er discussie met de Belastingdienst over rechten van een derde, dit speelt met name bij lease. Voor een nadere toelichting omtrent de voorwaarden kunt u kijken in het besluit leaseregelingen. Hierin staat keurig opgenomen wanneer het wel en niet goed gaat voor de derde.
Een bijkomend probleem is dat de derde soms niet weet dat er bodembeslag bij zijn relatie of klant is of wordt gelegd. Als de Belastingdienst bekend is met het feit dat een derde eigenaar is, dan zal de Belastingdienst zich bij de derde melden, dit moet binnen 8 dagen na het beslag. Dreigt er een bodembeslagsituatie, dan is het aan te raden de zaken via een afvoerconstructie van de bodem te halen.
Cruciaal is dat binnen een concern de juiste en volledige overeenkomsten worden vastgelegd. Als u vragen of opmerkingen heeft, kunt u altijd een gesprek aangaan met één van onze fiscaal juristen.
Bron bodembeslag fiscus
Goed van vertrouwen en kwade trouw in vestigingsplaatsdiscussie
Mag een belastinginspecteur twee keer dezelfde feiten onderzoeken?
Om belasting te kunnen heffen, heeft de Belastingdienst informatie nodig. Die levert u in principe aan door een aangifte in te dienen. Als die aangifte vragen oproept, kan de belastinginspecteur daarover vragen stellen en soms is dat zelfs verplicht (om te voorkomen dat de Belastingdienst haar rechten verspeelt). Nadat een belastingaanslag is opgelegd, is het daarmee voor dat jaar klaar.
De Belastingdienst kan echter meer belasting heffen (navorderen) als blijkt dat de aanslag te laag is. Daarvoor is dan wel nieuwe informatie nodig. Fiscalisten noemen dat een nieuw feit. Dan gaat het om feiten die de inspecteur bij het opleggen van de belasting niet kende of behoorde te kennen. Dat was in de volgende casus aan de orde in het kader van de feitelijke vestigingsplaats van de belastingplichtige.
Vestigingsplaats discussie en nieuw feit
In internationaal verband is erg belangrijk waar een onderneming is gevestigd. Dat land mag in beginsel belasting heffen over de winsten. In het belastingrecht gaat het dan om de zogenoemde feitelijke vestigingsplaats. De bepaling van de vraag wat nu de feitelijke vestigingsplaats van een onderneming is, is in wezen vernauwd tot de vraag waar de kernbeslissingen van de onderneming worden genomen. In onze casus gaat het om een Cypriotische Limited. De aandelen worden gehouden door een Nederlandse nv, waarvan de aandelen weer in handen zijn van de in Nederland woonachtige heer Asbak.
In 2013 heeft de belastinginspecteur vragen gesteld over de feitelijke vestigingsplaats van de Limited. De adviseur antwoordt daarop dat die op Cyprus ligt op grond van de volgende punten:
- Het bestuur van de Limited wordt door een trustkantoor gevoerd.
- Dat bestuur is zelfstandig bevoegd om de vennootschap te vertegenwoordigen en verricht zelfstandig voor en namens de vennootschap betalingen vanaf een lokale bankrekening.
- De boekhouding en de aangiften worden ook verzorgd door het trustkantoor.
- Alle aandeelhoudersvergaderingen worden gehouden op Cyprus in aanwezigheid van de heer Asbak (als bestuurder van de nv). Tijdens die vergaderingen vindt een inhoudelijke beoordeling plaats van de financiële situatie van de Limited. Ook worden tijdens deze vergaderingen aandeelhoudersbesluiten genomen in overleg met de directie.
Kennelijk is de belastinginspecteur tevreden met dit antwoord en komt er niet meer op terug. Kennelijk aanvaardt hij dus de vestigingsplaats op Cyprus. Tot 2015.
Dan wordt er nader onderzoek ingesteld naar de vestigingsplaats van de Limited. Daarbij komen o.a. de volgende stukken boven water:
- Special Resolution (statutenwijziging);
- De managementovereenkomst;
- De notulen van de bestuurs- en aandeelhoudersvergaderingen;
- Het e-mailverkeer tussen o.a. het trustkantoor, de heer Asbak en de belastingadviseurs;
- De urenverantwoording van de Limited.
Daarop stelt de Inspecteur vast dat de Limited niet - zoals voorgespiegeld - op Cyprus, maar in Nederland is gevestigd.
Wel of geen nieuw feit bij fiscaal vestigingsplaatsonderzoek?
Buiten discussie is dat de Limited in Nederland gevestigd is, maar de vraag is of de belastinginspecteur dat kon / moest weten in 2013 toen hij de aanslag oplegde. Als dat het geval is, kan hij niet navorderen. De rechtbank meent dat er geen nieuw feit is:
- “Door (na het antwoord van de adviseur in 2013) stil te zitten en vervolgens in 2014 wederom vragen te stellen over de vestigingsplaats van eiseres en pas in 2015 over te gaan tot het instellen van een vestigingsplaatsonderzoek, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank een ambtelijk verzuim begaan. Hij beschikte binnen de aanslagtermijn (…) over zodanige informatie dat een behoorlijke taakvervulling hem er redelijkerwijs toe had moeten brengen een nader onderzoek naar de vestigingsplaats van eiseres in te stellen (…) Voor die jaren is er daarom geen nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.”
In hoger beroep komt het Hof tot een tegengesteld oordeel:
- “De (…) informatie (uit 2013) laat onverlet dat hij (de belastinginspecteur) in redelijkheid mocht uitgaan van de juistheid van (…) door een gerenommeerd belastingadvieskantoor gepresenteerde gegeven dat (de Limited) was gevestigd op Cyprus. De Inspecteur was niet tot een nader onderzoek gehouden omdat vorenbedoelde informatie de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid openliet dat de vestigingsplaats van belanghebbende zich op Cyprus bevond (…)
- Naar het oordeel van het Hof vormt de tijdens het vestigingsplaatsonderzoek (in 2015) aan het licht gekomen informatie (…) het nieuwe feit (…). Die informatie was de Inspecteur niet eerder bekend.”
In wezen komt het dus aan op het antwoord op de vraag of de belastinginspecteur al in 2013 had moeten ‘doorpakken’.
Vertrouwensbeginsel bij juist invullen formulieren belastingdienst
Vertrouwen is goed en controleren is beter. De basis van het vertrouwensbeginsel is dat een belastingplichtige de belastingdienst moet kunnen vertrouwen en hij of zij ervan mag gaan dat er zorgvuldig wordt gehandeld. Tevens kan de belastingdienst (de inspecteur) niet terugkomen op eerdere handelingen. In een casus bij het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 31 januari 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:269) ging het om een in België wonende pensionado met pensioen uit Nederland en België (buitenlands belastingplichtig). De heer X vroeg keurig elk jaar een vrijstellingsverklaring in Nederland aan zodat er geen loonbelasting en premies volksverzekeringen worden ingehouden over zijn pensioenuitkering. In deze verklaring is geen ruimte om aan te geven dat er ook pensioen in het woonland (België) wordt betaald. De inspecteur trekt de verklaring per 2018 in en legt over 2014 tot en met 2017 navorderingaanslagen op. Partijen zijn het er over eens dat bij een juiste opgave Nederland inderdaad had mogen heffen, edoch de heer X heeft alles keurig opgegeven en ingevuld en mocht er dan ook op vertrouwen dat er niks aan de hand was. Volgens de inspecteur had de heer X (of zijn fiscalist) moeten weten dat de Nederlandse vrijstellingsbeschikking fout zou moeten zijn, dus de heer X mag er op vertrouwen maar dit vertrouwen is niet gerechtvaardigd (aldus de inspecteur). Volgens het Gerechtshof ligt dit anders, de heer X mag op de vrijstellingsverklaring vertrouwen, dit vertrouwen is ook gerechtvaardigd omdat:
- de toezegging is niet in strijd met een juiste wetstoepassing welke de belastingplichtige had moeten weten of beseffen
- de belastingplichtige mocht in redelijk vertrouwen op de uitlatingen van de belastingdienst
- de belastingdienst moet de toezegging hebben gedaan op grond van alle relevante feiten en omstandigheden.
Het Gerechtshof was het dus met de heer X eens. De Hoge Raad d.d. 24 oktober 2025 ECLI:NL:HR:2025:1618 vraagt eerst de AG om advies (d.d. 22 november 2024 ECLI:NL:PHR:2024:1255). Volgens de AG ligt de zaak vrij simpel, de heer X heeft het aanvraagformulier juist en volledig ingevuld en hij mag er dan op vertrouwen dat alle relevante informatie is verstrekt. Volgens de AG was er voor de heer X geen aanleiding om te denken (of veronderstellen) dat hij informatie over de feitelijke heffing in België moest verstrekken, hierover werden immers geen vragen gesteld. Van de heer X hoeft niet worden verwacht dat hij de Nederlandse Belastingdienst onderwijs gaat geven over het Belgische belastingrecht. Dat de belastingdienst een vraag over de belastingheffing in België niet opneemt in het formulier komt voor rekening van de Nederlandse belastingdienst.
Fiscale noot inzake vestigingsplaats en nieuw fiscaal feit
De structuur inzake de Ltd. is op diverse momenten aan de orde geweest tussen belastingplichtige (of diens adviseur) en de Belastingdienst. Er zijn zelfs schriftelijke vragen gesteld (en beantwoord) in 2013, er kwamen geen nadere vragen. De Belastingdienst besluit 2 jaar later (in 2015) om maar eens een nader onderzoek in te stellen.
Het beoordelingskader waarbinnen de rechter moet blijven bij zijn oordeel of sprake is van een nieuw feit moet door de Hoge Raad – als hoogste belastingrechter – worden gegeven. Het uiteindelijke feitelijke oordeel is aan de feitenrechter (het Hof).
Er is veel te zeggen voor het standpunt dat een belastinginspecteur moet doorpakken als hij een onderwerp onderzoekt en zich niet moet laten afschepen met een (minimaal) antwoord van de adviseur. Van de andere kant mag worden verwacht dat informatie volledig, onverbloemd en duidelijk wordt verstrekt. Liegen is soms iets anders dan niet alles vertellen, dat zal iedereen wel meemaken, edoch binnen de fiscale wereld (en bij afstemming en overleg met de Belastingdienst) moet hiervoor ten zeerste worden gewaakt. Gelukkig hebben we hiervoor de goede trouw en kwade trouw.
De vraag komt op in hoeverre de onderbuik ook meespeelt. Het is geen sympathieke casus: er gebeurt weinig in de Limited en door de trust wordt de vestigingsplaats gecreëerd. Van de andere kant zijn dit soort structuren binnen de Belastingdienst bekend en mag worden verwacht dat daarop doorgepakt wordt, ook bij gerenommeerde advieskantoren. Had de inspecteur de feiten die bij het onderzoek bekend zijn geworden reeds in 2013 moeten of kunnen weten? Een lastige vraag, waarbij feiten en omstandigheden door rechters worden gewogen.
In dat verband is de kwade trouw nog van belang. De belastinginspecteur mag erop vertrouwen dat de aangifte en informatieverstrekking juist en volledig zijn (goede trouw). Als dat opzettelijk niet zo is, is sprake van kwade trouw en heeft de belastinginspecteur geen nieuw feit nodig.
Dat standpunt (kwade trouw) nam de belastinginspecteur dan ook in. De rechtbank vond dat geen sprake was van kwade trouw. De rechtbank achtte aannemelijk dat de constructie erop was gericht daadwerkelijk op Cyprus te zijn gevestigd en aldaar belastingplichtig te zijn. De Limited heeft als zodanig gehandeld en er is ook op Cyprus belasting betaald. Een beetje kwade trouw bestaat niet, maar de handelwijze bij de informatieverstrekking lijkt wel gewicht in de schaal te kunnen leggen bij de vraag of de belastinginspecteur moet doorpakken of niet. Hopelijk gaat de Hoge Raad klare wijn schenken zonder kwade afdronk.
Heeft u een procedure bij de Belastingdienst of een vragenbrief ontvangen, neem dan contact met ons op. Wij zullen u volledig te goeder trouw bijstaan.
Bron vestigingsplaats en kwade trouw
Gerechtshof Den Haag 3 november 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2269
Rechtbank Den Haag 28 mei 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:6296
Hoge Raad 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082
Belastingdienst is geen bank
Geen rente als het geld al op de rekening van de fiscus staat, de Hoge Raad past wel de belastingrente aan !
Belastingdienst en rente
Belasting betalen is een noodzakelijk kwaad. En net als eenieder vindt de Belastingdienst het vervelend om lang op haar geld te moeten wachten. Daarom wordt er rente – belastingrente – in rekening gebracht. Dat is uitvoerig in de wet geregeld. De basis ligt in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en is voor de belastingheffing uitgewerkt in de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Daarbij is vooral aan het belang van de Belastingdienst gedacht. In dit artikel een arrest van de Hoge Raad.
Belastingrente soms onredelijk
Mallorca B.V. krijgt over 2016 een voorlopige aanslag over de in dat jaar te verwachten winst van zo’n € 13 miljoen. Zij betaalt die aanslag keurig. Begin 2018 doet Mallorca B.V. aangifte over 2016 en daaruit blijkt een winst van krap € 11,4 miljoen. Daarop stort de Belastingdienst een deel van de betaalde voorlopige aanslag terug (voorlopige aanslag 2). Zonder vergoeding van belastingrente.
Later is er gedoe over 2014 en geeft Mallorca B.V. aan dat de aangifte 2016 toch hoger moet zijn. De winst over 2016 moet € 11,5 miljoen zijn, een tonnetje meer dus. Eind 2018 leg de Belastingdienst voor dat verschil de derde voorlopige aanslag op. Er is immers per saldo over een tonnetje te weinig belasting betaald. Daarbij rekent de Belastingdienst wel belastingrente, en wel vanaf medio 2017 tot eind 2018. Mallorca B.V. vindt dat niet eerlijk. Over het bedrag dat van 2016 tot begin 2018 teveel bij de Belastingdienst stond krijgt zij geen rente, maar ze moet alsnog rente betalen over de derde voorlopige aanslag, terwijl dat geld in elk geval tot begin 2018 op de rekening van de Belastingdienst stond. De Belastingdienst is duidelijk. Dat is de wet en daar houden we ons (en u) aan.
Belastingrente mag niet worden gerekend
De Hoge Raad vermindert de rente. De Hoge Raad is van oordeel dat de belastingrente niet door de beugel kan.
- Letterlijk: “Gevolgen als hiervoor (…) bedoeld kunnen niet worden aanvaard. Dat zou immers leiden tot een onverklaarbare afwijking van de regeling over verzuimrente in de Awb,”
- De belastingrente wordt verminderd tot rente over de periode begin 2018 tot eind 2018, dus toen het geld niet meer op de rekening van de Belastingdienst stond.
Opmerking fiscaal jurist inzake belastingrente
De Hoge Raad sluit dus aan bij de (eerlijkere) regeling van de Awb en zet daarmee de AWR opzij. Beide wetten zijn van het gelijke niveau (allebei wetten in formele zin), waarbij de vuistregel is dat dan een bijzondere wet voorgaat op de algemene. Daarvan is hier – terecht – afgeweken.
Opgemerkt zij dat door wetswijziging de berekening van belastingrente vanaf 1 januari 2023 veelal (maar niet altijd) aansluit bij de redenering van de Hoge Raad. In die zin is de Hoge Raad zijn tijd vooruit. Ondanks dat het vaak niet zal lonen, is het bij hogere belastingaanslagen (of aanslagen over jaren in het verre verleden) wel nuttig om te beoordelen of de belastingrente terecht is. Daarvoor kunt u altijd bij ons terecht.
Bron belastingrente
De belastingschuld verjaart na 5 jaar
Wij krijgen veel vragen over het verjaren (of niet) van belastingschulden. In dit artikel een helder overzicht van de stand van zaken en de jurisprudentie over dit onderwerp. De algemene verjaringstermijn bedraagt 20 jaar. Voor overeenkomsten is dit veelal 5 jaar (Consumentenkoop 2 jaar). Maar hoe zit het met belastingschulden? Een belastingschuld verjaart 5 jaar na de dag volgende op die waarop de laatste akte van vervolging ter zake van die belastingaanslag aan de belastingschuldige is betekend (afdeling 4.4.3 Awb). Lees voor de werkinstructie bij de belastingdienst inzake verjaring deze interne notitie (werkinstructie belastingdienst) uit 2020.
Vragen over het verjaren van een belastingschuld of kwijtschelding van belastingen? Stuur ons gerust een e-mail.
Soorten verjaring voor belastingschulden
Er zijn 2 soorten van verjaring:
- Materiele verjaring: de belastingdienst mag de aanslag niet meer opleggen. De bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag verjaart na 5 jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. Na het verlopen van deze termijn heeft de belastingdienst geen mogelijkheid meer om de aanslag op te leggen (tenzij buitenlandse oorsprong of buitenlands inkomen of vermogen, dan is de termijn 12 jaar).
- Formele verjaring: er is ale een aanslag opgelegd maar de invordering hiervan verjaart. Als er 5 jaar is verstreken nadat de betalingstermijn is afgelopen is sprake van verjaring. De belastingdienst mag dan niet meer overgaan tot invordering.
Belastingadvies of vrijblijvende offerte
Belastingen is voor particulieren of ondernemers niet altijd het meest leuke onderdeel. Ons team van ruim 20 fiscale specialisten (belastingadviseur en/of fiscaal juristen) nemen u graag mee in de wondere wereld van het fiscale advies, uw aangifte, een fiscale procedure en/of begeleiding van een boekenonderzoek. Wij adviseren u, onderhouden het contact met de Belastingdienst en adviseren u (pro) actief en vlot tegen vaste tarieven.
Vrijblijvende offerte of vraag? |
Tijdig opleggen aanslagen
Iedereen moet belasting betalen. Daarvoor gelden wettelijk regels. In het belastingrecht kennen we een strikt onderscheid tussen twee fases.
- Eerst moet worden vastgesteld waarover en hoeveel u belasting moet betalen. Dat noemen we de heffing en gebeurt door de (belasting-)Inspecteur. Daarbij gelden termijnen.
- Zo moet een aanslag in de inkomstenbelasting worden opgelegd binnen 3 jaar.
- Navorderen kan tot 5 jaar en in buitenlandsituaties 12 jaar (eventueel te verlengen met de uitsteltermijn).
Haalt de Inspecteur die termijn niet, dan is het einde oefening en kan hij geen belasting meer heffen. Daarover gaat dit artikel niet.
Schema en checklist inzake verjaring belastingschuld
Nagekomen bate bij faillissement en verjaring
In een kennisgroep standpunt van de belastingdienst (KG:207:2022:7) wordt beoordeeld of een belastingschuld is verjaard:
- Het vraagstuk: Het faillissement van belastingschuldige X werd in 2005 uitgesproken en is in 2006 opgeheven wegens de toestand van de boedel. Daardoor is X in 2006 opgehouden te bestaan, nu geen bekende baten meer aanwezig waren. Recent bleek toch nog sprake te zijn van een (nagekomen) bate. De rechtbank heeft bij beschikking de vereffening van de betreffende vennootschap heropend en de oud-curator tot vereffenaar benoemd. De vereffenaar verzoekt de ontvanger om – eventuele – belastingschulden van X als vordering bij hem in te dienen.
- De vraag: is de belastingschuld verjaard?
- Antwoord: ja
Tijdig innen van belasting door de Belastingdienst
Dit artikel gaat over de tweede fase van het proces: de inning van belastingen.
Ook de inningsfase is omgeven met wettelijke regels. Als de belastinginspecteur heeft vastgesteld waarover en hoeveel belasting u moet betalen, geeft hij die gegevens door aan de (belasting-)Ontvanger. Die ontvanger stuurt u het aanslagbiljet (met de beruchte acceptgiro). U wordt dan van belastingplichtige ineens belastingschuldige. Voor de inning van de uit dat biljet blijkende belastingschuld staan ook termijnen. Als die niet worden gehaald, is sprake van verjaring.
Verjaring van belastingschulden na 5 jaar
De verjaringstermijn is geregeld in de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) en de Invorderingswet. Een belastingschuld is verjaard nadat de betalingstermijn met 5 jaar is verstreken (artikel 4:104 AWB). Er is een specifieke regeling voor het geval dat uitstel van betaling is gegeven. De verjaringstermijn wordt dan verlengd met de periode dat uitstel van betaling is verleend (artikel 4:111 AWB). Uitstel van betaling schort aldus de verjaring op.
De artikelen 4:105 en 4:106 van de Awb bepalen evenwel dat de verjaring wordt gestuit door een daad van rechtsvervolging overeenkomstig artikel 3:316, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), door erkenning van het recht op betaling, een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van de Awb, een beschikking tot verrekening of een dwangbevel dan wel door een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel.
De Ontvanger kan voorkomen dat een belastingaanslag verjaart. Dat noemen we stuiting (artikel 27 invorderingswet). Dat kan bijvoorbeeld door een brief waarin hij zich ondubbelzinnig zijn recht op betaling voorhoudt of een aantal andere manieren (artikel 4:105 of 4:106 AWB). Dan begint de 5-jaarstermijn opnieuw.
Bewijzen ontvanger dat tijdig is gestuit
5 Jaar is een vrij lange termijn en niemand heeft in het hoofd wanneer een belastingaanslag nu precies op opgelegd, wanneer die betaald had moeten zijn en of en nog uitstel van betaling is verleend, of de Ontvanger ooit heeft gestuit en wanneer dan. Als de verjaringstermijn in beginsel is verstreken (5 jaar na afloop van de laatste betalingstermijn), is het aan de Ontvanger te bewijzen dat hij binnen de verjaringstermijn op enigerlei wijze de verjaring heeft gestuit, zie hiertoe de uitspraak van het Gerechtshof in 2022.
Natuurlijke verbintenis en verjaring belastingschulden
Hiervoor zagen we dat een belastingschuld is verjaard nadat de betalingstermijn met 5 jaar is verstreken. De belastingschuld is daarmee echter niet volledig verdwenen. Na verjaring blijft een zogenaamde natuurlijke verbintenis bestaan. Daarop mag de Belastingdienst niet meer actief aanmanen of invorderen. Ook mag de Belastingdienst niet verrekenen met eventuele teruggaven.
Let op! Indien echter de belastingschuldige na verjaring de belastingschuld desondanks betaalt, geldt deze betaling niet als onverschuldigd. Dat (gevoelsmatig) teveel betaalde krijgt u niet terug!
Opmerking fiscaal jurist inzake verjaring belastingschulden
Laat u goed adviseren indien u twijfelt of een belastingschuld verjaard is en ga niet direct tot betaling over. Ondanks de vele mogelijkheden om de verjaring te stuiten, komt het met enige regelmaat voor dat belastingplichtigen een succesvol beroep doen op verjaring. Vaak als gevolg fouten van de Belastingdienst. Bijvoorbeeld het niet goed vastleggen van verleend uitstel, waardoor achteraf niet aangetoond kan worden dat de verjaring is opgeschort.
Waarschuwing: als u nu niet meer helemaal in beeld heeft welke belastingschulden u nog open heeft staan en wellicht denkt tegen het einde van een verjaringstermijn te lopen, is het mogelijk om bij de Ontvanger een overzicht van openstaande belastingschulden op te vragen. Wees daarmee voorzichtig! U zult niet de eerste zijn waarbij prompt de ‘stuitingsbrieven’ binnen dwarrelen.
Bron verjaring belastingschulden
Gerechtshof d.d. 1 maart 2022 ECLI:NL:GHARL:2022:1678
Gerechtshof d.d. 13 december 2018 ECLI:NL:GHSHE:2018:5255
Immateriële schadevergoeding bij fiscale procedure
Te lang op een uitspraak wachten: immateriële schadevergoeding!
Vraag om immateriële schadevergoeding, anders verspeelt u uw rechten!
De immateriële schadevergoeding bij fiscale procedures
Als u het niet eens bent met een belastingaanslag, kunt u daartegen in bezwaar en daarna in beroep. Op basis van Europees recht moet u binnen een redelijke termijn duidelijkheid hebben over uw zaak in de vorm van een uitspraak van een rechter. Als u die duidelijkheid niet tijdig heeft, wordt er vanuit gegaan dat dit stress oplevert (of, zoals de Hoge Raad het zo fraai zegt: ‘gelegen is in de spanning en frustratie die een belastingplichtige ondervindt ten gevolge van het geschil’) en kunt u aanspraak maken op een immateriële schadevergoeding. Inmiddels heeft de Hoge Raad wat meer kader gegeven en wat concrete zaken opgelost.
Wij voeren wekelijks voor cliënten fiscale procedures en merken hierbij dat sommige belastingadviseurs of accountants de looproutes binnen de fiscale rechtspraak niet altijd volledig of juist onderkennen. Onbekendheid met het recht kan schade veroorzaken, leerden we vroeger al (Iuris ignorantia nocet).
Invloed corona op de immateriële schadevergoeding
Soms zijn er bijzondere omstandigheden waardoor een zaak wat langer loopt, waardoor er niet tijdig wordt beslist en het ook niet redelijk is dat door die oorzaak een schadevergoeding moet worden betaald. De Belastingdienst meende dat de coronapandemie zo’n geval was waarin geen schadevergoeding behoefde te worden betaald. De Hoge Raad steekt daar een stokje voor. Corona 'mag niet in algemene zin worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid'. Dat is alleen anders als u al was uitgenodigd voor een zitting in de periode waarin de gerechtsgebouwen waren gesloten (de periode 17 maart 2020 tot en met 10 mei 2020) en daarom opnieuw een zitting moest worden gepland. In veruit de meeste gevallen heeft corona dus geen invloed op uw recht tot schadevergoeding.
Onduidelijkheid weg, dan geen immateriële schadevergoeding
Het komt voor dat een zaak inhoudelijk al is beslist (u krijgt bijvoorbeeld alsnog gelijk van de belastinginspecteur) maar de zaak loopt nog door voor bijzaken, bijvoorbeeld de hoogte van de proceskostenvergoeding of de schadevergoeding. Die extra wachttijd telt niet mee voor de schadevergoeding, aldus de Hoge Raad. De termijn stopt dus als er duidelijkheid is in het eigenlijke geschil (de hoofdzaak). Dit geldt ook indien het geschil inzake de belasting niet is beëindigd door een uitspraak van de rechter, maar door de kennisgeving van een beslissing van de inspecteur. Dat hoeft dus geen formele uitspraak te zijn.
Vragen om immateriële schadevergoeding
Het recht op schadevergoeding moet u wel (tijdig) claimen. U krijgt niet automatisch een vergoeding bij termijnoverschrijding. Dat geldt ook voor zaken die op Europeesrechtelijke leest zijn geschoeid (bijvoorbeeld omzetbelasting, milieuheffingen en BPM), aldus de Hoge Raad.
Rechter keurt zijn 'eigen vlees' bij schadevergoeding
Het is wellicht wat vreemd dat een rechter die te lang over een zaak doet ook een beslissing moet nemen over de (hoogte van de) schadevergoeding. Haar / zijn eigen verzuim dus. Het EHRM (Europees Hof voor de Rechten van de Mens) heeft echter aanvaard dat in strafzaken door dezelfde rechters wordt beslist of de op te leggen straf wordt gematigd door de eigen termijnoverschrijding. De Hoge Raad meent dat het voor niet-strafzaken niet anders is. 'Daarom moet worden aangenomen dat het EVRM zich evenmin ertegen verzet dat in belastinggeschillen over de (hoogte van de) compensatie wordt geoordeeld door dezelfde rechters die de beslissing over het belastinggeschil moeten nemen in een proces dat onredelijk lang heeft geduurd.’
Opmerking fiscaal jurist inzake immateriële schadevergoeding
Wees altijd op uw qui-vive als het over uw procedure gaat en vraag tijdig
om een vergoeding bij een (aankomende) termijnoverschrijding. Of beter
nog, schakel één van onze specialisten in. De rechter zal niet uit zichzelf
een immateriële schadevergoeding toekennen, immers de internis non iudicat
praetor (over gedachten oordeelt de rechter niet).
Bron immateriële schadevergoeding
Vermogensvergelijking en aangifte inkomstenbelasting
Heeft u de vereiste belastingaangifte gedaan? Vergelijk hem met andere jaren!
Een van de meest gebruikte controletechnieken tijdens een belastingcontrole en/of controle van uw aangifte inkomstenbelasting is de vermogensvergelijking. Hierbij kijkt de inspecteur of controleur van de belastingdienst naar alle bezittingen, schulden, inkomsten en bestedingen van een persoon (of ondernemer/DGA). Deze cijfers kan de inspecteur vervolgens gebruiken om de netto prive bestedingen te berekenen. Als een persoon aan het begin van het jaar € 500.000 bezit en aan het einde van het jaar € 750.000 en hij zou € 250.000 verdienen, zonder rendement op zijn vermogen (of schenkingen of andere vermogensmutaties), zal de inspecteur vragen gaan stellen. Immers waar heeft de persoon dan van geleefd?
Niet de vereiste aangifte inkomstenbelasting ingediend
Meneer Van Gaha [1] beschikt over verhuurde panden met een waarde van zo’n € 1, 3 miljoen, waarop schulden zitten van zo’n € 850.000. De huur van circa € 160.000 komt binnen in box 3. In zijn aangifte over 2014 geeft hij de panden aan in box 3 en een bescheiden inkomen in box 1. De Inspecteur legt een aanslag op overeenkomstig de aangifte. Achteraf blijkt dat er vermogensbestanddelen niet in de aangifte staan. Er volgt een navorderingsaanslag met een (box 1) inkomen van ruim € 550.000 (en € 50.000 belastingrente).
Boekenonderzoek n.a.v. aangifte inkomstenbelasting
Jaren later stelt de Inspecteur een boekenonderzoek in naar de aangifte van 2013 t/m 2017. Daarin legt hij de aangiften 2014 en 2015 naast elkaar en ziet een vermogenssprong die hij niet uit de aangiften kan verklaren. Na een vragenbrief blijkt o.a. dat meneer in 2014 een aannemer ruim € 700.000 heeft betaald voor de ontwikkeling van een appartementencomplex, dat de schulden zijn toegenomen en er een bouwdepot staat bij de bank.
Na wat plussen en minnen komt de rechtbank tot de conclusie dat, op basis van de aangiften en de wel bekende uitgaven, meneer in 2014 rond heeft moeten komen van aan karige € 7.898, dit nog afgezien van de betaling aan de aannemer.
Onverklaarde inkomsten in aangifte inkomstenbelasting
Ook voor de rechter kan meneer Van Gaha niet uitleggen hoe hij aan de € 700.000 komt die aan de aannemer is betaald. De rechtbank meent, dat hij inkomen heeft verworven dat hij niet heeft aangegeven (letterlijk: 'ogenschijnlijk uit het ‘niets’ heeft verkregen en betaald”).
Omkering bewijslast bij onjuiste aangifte inkomstenbelasting
Vervolgens slaat het systeem van de wet genadeloos toe. Omdat een aanzienlijk bedrag niet is verantwoord, is niet de vereiste aangifte gedaan. Als niet de vereiste aangifte is gedaan, moet de belastingplichtige, meneer Van Gaha, bewijzen dat de door de Inspecteur opgelegde (navorderings-)aanslag niet juist is. Dat is een onmogelijke taak. De enige grens daarbij is, dat de Inspecteur wel een redelijke schatting moet maken van het inkomen.
In dit geval acht de rechter de schatting redelijk. Na wat plussen en minnen komt de vermogenstoename door de investeringen (lees: de betalingen aan de aannemer). De verder niet toegelichte of onderbouwde stellingen van meneer Van Gaha ter verklaring van de vermogenstoename worden terzijde geschoven.
Opmerking fiscaal jurist inzake onjuiste aangifte
Hoewel ieder jaar op zich staat, kan er wel een lijn ontdekt worden als je meer jaren met elkaar vergelijkt. Grote verschillen kunnen voor de Inspecteur aanleiding zijn om nader onderzoek te doen en vragen te stellen. De rechtbank oordeelt in dit geval dat Van Gaha ruim € 700.000 'uit het niets' heeft verkregen, zonder dat hier een verhaal bij is (of verklaring). Voor 2014 is de vereiste aangifte niet gedaan en wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. De schatting van de Inspecteur komt de rechter niet onredelijk over.
De Inspecteur komt vrij laat (vlak voor de zitting) met een controlerapport en een brief met uitleg. Deze stukken worden (terecht) tardief verklaard omdat deze veel eerder hadden moeten worden verstrekt.
Voordat u de aangifte indient, kan het lonen te kijken naar het beeld over de afgelopen jaren en kunt u de mogelijke verschillen verklaren. Een beetje fiscalist maakt een vermogensvergelijking van complexere aangiften inkomstenbelasting. Veel adviseurs maken bij een aangifte als extra informatie (voor alleen de klant) een overzicht van zogenoemd ‘netto privé’, dit doen fiscalisten via een vermogensvergelijking. Via een vermogensvergelijking kun je zien hoeveel er is besteed in een belastingjaar. Als dat vraagtekens oproept, kunnen die voor het indienen van de aangifte worden beantwoord. Hiermee worden mogelijke problemen voorkomen.
Meneer Van Gaha was daartoe niet in staat, ook niet toen het al te laat was.
Wij zullen altijd uw positie integraal beoordelen. Dat betekent ook kritische vragen. Dreigt u tegen dergelijke problemen op te lopen, neem dan contact met ons op. Berouw komt na de zonde, maar wellicht is inkeer nog mogelijk en kan de ‘dodelijke’ omkering van de bewijslast worden vermeden.
Dus: bel gerust als we uw probleem moeten oplossen. Of nog beter: voorkomen.
Bron inzake onjuiste aangifte inkomstenbelasting
Rechtbank Zeeland - West-Brabant 31 augustus 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:5048
[1]Waarschijnlijk niet de echte naam
Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie
De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel ‘Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie’ in ontvangst mogen nemen. Dit wetsvoorstel heeft betrekking op de ontbinding op eigen initiatief van rechtspersonen zonder baten, in de praktijk turboliquidatie genoemd. De voorgestelde wijzigingen betreffen de introductie van deponeringsverplichtingen voor bestuurders en de mogelijkheid om een civielrechtelijk bestuursverbod alsmede boetes op te leggen in geval van misbruik. De wet zal per 15 november 2023 worden ingevoerd.
Eindrapportage turboliquidatie door Belastingdienst
De staatssecretaris van Financiën heeft de eindrapportage van de onderzoekspilot naar turboliquidaties afgerond. Uit het rapport volgt het volgende:
- Turboliquidaties worden gebruikt om fiscaal misbruik te verhullen, grootschalig misbruik is niet vastgesteld.
- Merendeels van de turboliquidaties lijken normaal.
- Misbruik is lastig te detecteren.
- Data analyse en samenwerkingen tussen de Belastingdienst en de FIOD blijven nodig om misbruikt in beeld te houden
- De positie van schuldeisers is door de nieuwe wet beter geworden.
Turbo liquidatie en navorderingsaanslag
Een turbo liquidatie maakt de fiscale claim niet ongedaan. De inspecteur kan ook na ontbinding (navorderings) aanslagen opleggen en de ontbonden BV kan daartegen procederen zolang een heropening van de vereffening denkbaar is.
Een DGA liquideerde zijn BV's aan de lopende band. De BV's handelende in emballage goederen en auto's. Als de bank of belastingdienst lastige vragen gingen stellen volgt een liquidatie (of beter turbo liquidatie). Na een boekenonderzoek van de Belastingdienst en een strafrechtelijk onderzoek van de FIOD wordt het nadeel voor de belastingdienst ingeschat op ruim 4.000.000. Er worden navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting opgelegd. De Rechtbank Noord Nederland is het op 24 augustus 2026 ECLI:NL:RBNHO:2026:10995met de belastingdienst eens.
Nieuws september 2023
Sinds tientallen jaren kun je een rechtspersoon eenvoudig liquideren via een zogenaamde turboliquidatie. De nieuwe wetgeving moet schuldeisers beter beschermen en gaat in per 15 november 2023. Het snel en eenvoudig ontbinden is dan een stuk minder eenvoudig en met meer regels omkleed. Op dit moment kun je een BV ontbinden als er geen baten meer zijn, dit kan via een eenvoudig ontbindingsbesluit door de aandeelhouder (s). Vereffening is niet vereist.
Nieuwe wetgeving turbo liquidatie
Onder de nieuwe wetgeving voor een turbo liquidatie moet het bestuur stukken opstellen voor de liquidatie / ontbinding. Dit zijn:
- Een ontbindingsbalans en staat van baten en lasten over het ontbindingsjaar alsmede over het voorgaande boekjaar als er op het moment van ontbinding over dat jaar nog geen jaarrekening openbaar is gemaakt;
- Een toelichting over de oorzaak van het ontbreken van baten;
- Een omschrijving van de verdeling van de wel aanwezige baten voorafgaand aan de ontbinding.
- Eventueel extra stukken maar dit is maatwerk.
De stukken moeten binnen 14 dagen na het besluit ter inzage worden gelegd bij de kamer van koophandel / handelsregister. Ook moeten de stukken worden verstrekt aan de schuldeisers. Doet de bestuurder dit niet dan kan sprake zijn van een economisch delict en/of een bestuursverbod.
Fiscale gevolgen liquidatie BV
Het ontbinden van een BV heeft ook fiscale gevolgen. Als een DGA een BV zou ontbinden kan er inkomstenbelasting verschuldigd zijn. De ontbinding wordt fiscaal namelijk gezien als een fictieve vervreemding. De verkrijgingsprijs (storting bij oprichting of daarna) is belastingvrij vermogen (dus niet belast met inkomstenbelasting). De waarde boven de verkrijgingsprijs is wel belast met inkomstenbelasting (meestal in box 2). Is het vermogen lager dan de verkrijgingsprijs dan is sprake van verlies uit aanmerkelijk belang. Tevens kunnen er fiscale problemen ontstaan als in de BV een pensioen of stamrecht is ondergebracht en/of als de DGA een schuld aan zijn BV heeft.
Wat is een turboliquidatie?
We spreken over een turboliquidatie als een rechtspersoon op eigen initiatief wordt ontbonden, terwijl er op het tijdstip van ontbinding geen baten (activa) meer zijn. De rechtspersoon houdt dan namelijk direct op te bestaan, ongeacht of zij op dat moment nog schulden heeft.
In veel gevallen wordt de rechtspersoon voorafgaande aan het ontbindingsbesluit ‘leeg’ gemaakt: activa worden te gelde gemaakt, schulden worden voldaan, overeenkomsten alsmede andere rechtsverhoudingen afgewikkeld en een eventueel overschot wordt uitgekeerd. De wetgever spreekt in dit geval van een ‘feitelijke vereffening’.
In de huidige wetgeving mag publicatie in het geval van turboliquidatie achterwege blijven, er kan simpelweg worden volstaan met een ontbindingsbesluit door het daartoe bevoegde orgaan en melding aan het handelsregister, waarna de vennootschap wordt doorgehaald. Op het moment dat u voornemens bent om te stoppen met uw bedrijf, zou dit een eenvoudige mogelijkheid zijn. Eventuele rekening-courantverhoudingen met de dga of aanwezige pensioenen moeten correct worden afgewikkeld, dit vereist maatwerk.
Inhoud wetsvoorstel
Het wetsvoorstel dat is neergelegd bij de Tweede Kamer stelt aan een turboliquidatie de aanvullende voorwaarde van een transparantieverplichting. Op grond van deze transparantieverplichting moet het gewezen bestuur binnen 14 dagen na de ontbindingsdatum het volgende bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel deponeren:
- Een balans en een staat van baten en lasten met betrekking tot het boekjaar, waarin de rechtspersoon is ontbonden.
- De jaarrekeningen over de boekjaren die vooraf zijn gegaan aan het boekjaar waarin de rechtspersoon is ontbonden, voor zover deze nog niet eerder door de rechtspersoon zijn gepubliceerd.
- Een beschrijving van (a) de oorzaak van het ontbreken van baten op het tijdstip van ontbinding, (b) de wijze waarop de baten van de rechtspersoon te gelde zijn gemaakt en de opbrengsten zijn verdeeld en (c) de redenen waarom een schuldeiser geheel of gedeeltelijk onbetaald is gebleven.
Nadat het bestuur de deponering hiervan heeft gedaan, dient het eventuele schuldeisers hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen.
Achterliggende gedachte Turboliquidatie wet
De voorgestelde wet is ingegeven vanuit de verwachting dat een aanzienlijk aantal ondernemers die zijn getroffen door de uitbraak van het coronavirus op korte termijn hun bedrijf willen beëindigen door middel van een turboliquidatie. Deze toename brengt volgens de Minister voor Rechtsbescherming een tijdelijk verhoogd risico op misbruik van de turboliquidatie met zich mee. De voorgestelde regeling moet de positie van de schuldeiser beschermen, de transparantie vergroten en misbruik tegengaan.
Sancties turboliquidatie
Niet-naleving kan de gewezen bestuurder van de betreffende vennootschap een maximale boete van € 22.500 (of zes maanden hechtenis), dan wel een bestuursverbod opleveren.
Inwerkingtreding
De regeling moet in eerste instantie gaan gelden voor een periode van twee jaar vanaf de datum van inwerkingtreding. Uiterlijk drie maanden vóór afloop van deze tweejaarstermijn zal de Minister beslissen of hij een permanente regeling in wenst te voeren. Genomen ontbindingsbesluiten vóór de inwerkingtreding worden uitgezonderd.
Noot fiscaal jurist inzake turboliquidatie
Volgens de letterlijke wettekst mag je bij enkel schulden en geen baten ook overgaan tot turboliquidatie. In dit geval is het echter aan te raden om te overwegen dat het bestuur zelf overgaat tot een faillissementsaanvraag in plaats van een turboliquidatie. Wanneer het bestuur dit namelijk achterwege laat en – ondanks dat er schulden bestaan – besluit tot turboliquidatie, kan dit gevolgen hebben voor bestuurdersaansprakelijkheid in geval van herleving van die bv ofwel alsnog de faillietverklaring van die bv. In geval van een turboliquidatie waarbij één of meer schuldeisers geheel of deels onbetaald zijn gebleven, kan de rechtbank op verzoek van het OM ook een bestuursverbod opleggen aan de (gewezen) bestuurder (s) indien:
- Niet aan de deponeringsplicht is voldaan; of
- De bestuurder bewust namens de rechtspersoon handelingen heeft verricht of nagelaten waardoor één of meer schuldeisers zijn benadeeld; of
- Bestuurders in de laatste 2 jaar eerder betrokken zijn geweest bij een turboliquidatie (met benadeling).
Overweegt u uw vennootschap te liquideren en vraagt u zich af of u de juiste procedure volgt? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact op met onderstaande adviseurs. Of wellicht bent u wel benieuwd hoe uw onderneming er op dit moment voorstaat? Kijk voor een fiscale keuring dan eens op www.fiscale-apk.nl.
Bronnen
De volledige tekst van het wetsvoorstel vindt u hier.
Woo-verzoek verzuimboetes
Interne richtlijn Belastingdienst over opleggen en verminderen van verzuimboetes inkomstenbelasting
Via een Woo-verzoek zijn in september 2022 interne stukken van de Belastingdienst over de verzuimboete openbaar gemaakt. Weinig nieuws maar toch een paar leuke dingen, vandaar dit artikel. In juli is op grond van de oude regeling (WOB) ook al informatie openbaar gemaakt over de vergrijpboete.
Woo-verzoek geeft kijkje in de keuken van de Belastingdienst
Middels een Woo-verzoek (voorheen ook wel bekend als WOB-verzoek) kan men verzoeken tot openbaarmaking van informatie over bestuurlijke aangelegenheden bij het hiervoor in de wet aangewezen bestuursorgaan. De staatssecretaris van Financiën heeft op 1 september 2022 gedeeltelijk ingestemd met het openbaar maken van alle interne richtlijnen, beleidsaanwijzingen, beleidsstukken en andere soortgelijke documenten ten aanzien van het opleggen en verminderen van verzuimboetes. In totaal betreffen het 119 openbaar gemaakte pagina’s, waarin in dit artikel de meest opvallende zaken worden toegelicht.
Wanneer krijgt u een verzuimboete?
De naam 'verzuimboete' zegt het eigenlijk al: wanneer u verzuimt aan uw (wettelijke) verplichting te voldoen, kan de Belastingdienst dit beboeten middels een verzuimboete. De verzuimboete is opgenomen in de Algemene Wet Rijksbelastingen (hierna: AWR), meer specifiek in artikel 67a en verder.
U kunt een verzuimboete krijgen in de navolgende situaties:
- Niet (tijdig) doen van aangifte (67a en 67b AWR);
- Niet (tijdig) de verschuldigde belasting betalen (67c AWR);
- Het onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens ten aanzien van een voorlopige aanslag of verzoek tot herziening (67cc AWR).
De maximale verzuimboete voor het te laat indienen of te laat betalen van de verschuldigde belasting bedraagt € 5.514, echter het is de richtlijn van de Belastingdienst een gematigde boete op te leggen in de meeste gevallen. Zo is het bijvoorbeeld beleid dat bij het te laat indienen van een aangifte vennootschapsbelasting een boete van 50% van het maximum wordt opgelegd.
Wanneer u in bezwaar gaat tegen uw belastingaanslag en deze derhalve wordt verminderd, is in artikel 67h AWR opgenomen dat een bestuurlijke boete evenredig met de belastingaanslag dient te worden verminderd.
Mocht het verzuim niet aan uw handelen te wijten vallen en is derhalve sprake van afwezigheid van alle schuld, vrijwaart dit u van een bestuurlijke boete.
Woo-verzoek inzake boetes
In het Woo-verzoek zijn zoals benoemd interne beleidsstukken opgenomen van de Belastingdienst ten aanzien van verzuimboeten in de Inkomstenbelasting. Het geldende beleid is normaliter opgenomen in Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB). Zo is onder andere in het BBBB bepaald, dat bij het niet tijdig indienen van een aangifte inkomstenbelasting de verzuimboete 7% van de maximale verzuimboete bedraagt. Enkel in uitzonderlijke gevallen kan men de maximale verzuimboete opleggen.
Uit de werkinstructie blijkt onder andere dat sprake is van een uitzonderlijke situatie wanneer stelselmatig sprake is van verzuim. Uit de interne beleidstukken van de Belastingdienst blijkt dat hiervan sprake is bij een 4e opeenvolgend verzuim en men dan spreekt van stelselmatig verzuim en de maximale wettelijke verzuimboete oplegt.
Ten aanzien van het matigen van verzuimboeten is geen nadere informatie verstrekt anders dat men beoordeelt of sprake is van afwezigheid van alle schuld. Enige houvast zijn jurisprudentie en de beleidslijnen hierover uit het BBBB. Een matiging van de verzuimboete is enkel mogelijk wanneer sprake is van:
- Een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de op te leggen of opgelegde boete; of
- Verzachtende omstandigheden die hebben geleid tot het beboetbare feit.
Het beoordelen of een boete passend en geboden is blijft maatwerk!
Noot fiscaal jurist inzake veruimboete
De interne beleidsstukken, het BBBB en de geldende jurisprudentie zijn voor u van belang in de afweging of u wellicht bezwaar wenst te maken tegen de aan u opgelegde verzuimboete. Bij het beoordelen van de vraag of een verzuimboete aan u terecht is opgelegd dan wel of de hoogte van de verzuimboete gerechtvaardigd is, dient op basis van alle feiten en omstandigheden te worden beoordeeld.
Verzuimboetes kunnen spelen in verschillende situaties, bijvoorbeeld bij een te laat ingediende aangifte, maar ook in navolging van een boekenonderzoek. Is aan u een verzuimboete opgelegd of heeft de belastinginspecteur kenbaar gemaakt voornemens te zijn aan u een verzuimboete op te leggen, neem dan eens vrijblijvend contact op met één van onze fiscalisten om een afweging te maken of in bezwaar gaan tegen deze verzuimboete gewenst is!
Bron Woo-verzuimboete
Standpunt van de kennisgroep Belastingdienst is beleid
Het is goed om specialistische kennis te bundelen. Bij de Belastingdienst zijn hierom kennisgroepen in het leven geroepen. Deze kennisgroepen ondersteunen inspecteurs en medewerkers van de Belastingdienst bij specifieke vragen op vaktechnisch gebied. Het standpunt van de kennisgroep is hiermee ook vaak het standpunt van de inspecteur. De vraag is hoe dit standpunt formeel-rechtelijk moet worden gezien en welke waarde hieraan moet worden toegekend.
Standpunt kennisgroep moet openbaar
De inspecteur geeft in onze praktijk vaak aan: "is standpunt kennisgroep". Daar moet je het dan als fiscalist of belastingplichtige maar mee doen. De onderliggende informatie, vraagstelling, feitenbeoordeling, etc. worden meestal niet ter inzage verstrekt. De overheid is op dit onderdeel zeker niet transparant genoeg. Meestal wordt het standpunt van de kennisgroep afgedaan als persoonlijke opvatting van beleid of wetgeving welke niet hoeft te worden verstrekt aan de belastingplichtige, soms krijg je enkel een klein briefje met het standpunt.
Via een beroep op de Wet Open Overheid (Woo, vroeger WOB) heeft een belastingplichtige dit eens bij de rechter neergelegd. De Rechtbank Rotterdam heeft onlangs bepaald dat een standpunt van de kennisgroep van de Belastingdienst (waaraan een inspecteur zich moet houden) openbaar moet worden gemaakt. Het is volgens de rechtbank geen persoonlijke beleidsopvatting (intern).
Ook andere belastingplichtigen moeten zich namelijk kunnen beroepen op dergelijke standpunten (gelijkheid / voorkomen willekeur).
Noot fiscaal jurist inzake fiscale procedure
Voor een fiscale bezwaar- of beroepsprocedure moet nog te vaak heel veel tijd en energie worden gestoken in de afstemming met de Belastingdienst. Vaak wordt er beperkt informatie uit het fiscale dossier van de Belastingdienst verstrekt en worden de spreekwoordelijke kaarten tegen de borst gehouden via slopende en lange procedures. Feitelijk kennen we binnen het belastingrecht 2 soorten regels:
- De feitelijke regels (het materiële belastingrecht): deze bestaan uit de regels en wetten die bepalen hoeveel belasting u moet betalen of terugkrijgt. Hierbij kunt u denken aan inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, etc.
- De formele regels (het formele belastingrecht): deze regels gaan over het vaststellen van de belastingschuld en de betaling / inning.
Het formele belastingrecht ziet met name op bezwaarzaken, beroepszaken (procedures) en het verminderen of voorkomen van sancties. De formele kant wordt de laatste jaren steeds belangrijker, soms krijgt een belastingplichtige via de formele route alsnog gelijk, terwijl er materieel ongelijk is ontstaan.
Bent u betrokken in een bezwaar- of beroepsprocedure? Neem gerust eens vrijblijvend contact op met één van onze specialisten voor bijvoorbeeld een second opinion.
Bron kennisgroep en beleid
Rechtbank Rotterdam d.d. 12 juli 2022 ECLI:NL:RBROT:2022:6695
Voorbeeld brief
Verzoek ambtshalve vermindering box 3
Belastingdienst Regio _______________
Kantoor _______________
Postbus ___
Plaats _______________ Datum __ - __ - ___
Onderwerp: verzoek ambtshalve vermindering box 3 aanslag Inkomstenbelasting _______________
ten name van de heer / mevrouw _______________, wonende aan de _______________
__ te _______________(aanslagnummer _______________)
Weledelgestrenge heer, vrouwe,
Via deze brief verzoek ik om ambtshalve vermindering voor de aanslag Inkomstenbelasting over ______. De aanslag is gedagtekend op ___ - ___ - ____ en heeft als aanslagnummer _______________. Een kopie van de aanslag(en) treft u als bijlage bij deze brief aan (bijlage 1).
In de aanslag is rekening gehouden met de heffing over box 3 vermogen. De grondslag voor sparen en beleggen is bepaald op € _____. Het aandeel hiervan dat aan mij is toegerekend bedraagt € _____. Het voordeel uit sparen en beleggen is bepaald op € _____.
Uit het u bekende arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 is op te maken dat de Nederlandse wetgeving inzake box 3 - sinds 2017 -in strijd is met het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens. Zowel de Rechtbank Noord-Holland (7 januari 2022) als de Rechtbank Zeeland Westbrabant 7 april 2022 (ECLI:NL:RBZWB:2022:1814) hebben beslist dat ook als sprake is van een verzoek om ambtshalve vermindering rechtsherstel moet plaatsvinden. Vorenstaande door te heffen over het werkelijke rendement.
Het werkelijke rendement dat door mij is ontvangen volgt uit bijgaand overzicht van mijn bank. De spaarrrente bedraagt ___% en ik heb € ______ ontvangen in het jaar van de genoemde aanslag.
Tussenoverweging
De Hoge Raad heeft op 20 mei 2022 (ECLI:NL:HR:2022:720) in haar arrest bepaald dat er geen verzoek tot ambtshalve vermindering kan worden ingediend omdat de onjuistheid van de aanslag volgt uit nieuwe jurisprudentie (artikel 45a uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001). De staatssecretaris heeft tijdens prinsjesdag aangegeven dat er - mede door budgettaire gevolgen - geen compensatie gaat plaatsvinden. Vanwege de vele verzoeken en bezwaarschriften zal er vermoedelijk nog een heroverweging plaatsvinden. Ik verzoek u dan ook dit bezwaarschrift aan te houden totdat er duidelijkheid is.
Primair Standpunt
Ik ben van mening dat mijn definitieve aanslagen inkomstenbelasting over
de periode 2017 tot en met 2020 alsnog moet worden verminderd conform het
voorschrift ingevolge het zogenoemde Kerstarrest (arrest Hoge Raad d.d.
24 december 2021,
ECLI:NL:HR:2021:1963), waarbij op voorhand akkoord wordt gegaan met toepassing
van de zogenoemde spaarvariant om dit rechtsherstel qua bedrag aan terug
te geven box 3 belasting te bepalen.
Subsidiar Standpunt
Ik verzoek u subsidiar om mijn definitieve aanslagen Inkomstenbelasting
over de jaren 2017 tot en met 2020 alsnog te verlagen inzake de opgelegde
box 3 heffing over het box 3 vermogen dat ziet op betaal- en spaarrekeningen,
waarbij de bepaling van het
inkomen uit sparen en beleggen daaruit, in lijn met een ‘redelijk’ rechtsherstel
plaatsvindt.
Tijdig indiening van het verzoek
De aanslag is gedagtekend __ - __ - ___ en het verzoek ambtshalve vermindering is ingediend op __ - __ - ___. Het verzoek is derhalve binnen de termijn van 5 jaar na het aanslagjaar ingediend.
Vergoeding kosten
Ik verzoek u - indien ik hierop recht heb - de kosten voor deze fase en de hieraan voorafgaande fase te vergoeden.
Horen
Tenslotte verzoek ik u mij te horen als u voornemende bent van dit bezwaarschrift af te wijken. Ik verneem dan graag vóór het horen schriftelijk uw argumenten en motivatie waarom u niet voornemende bent om (volledig) aan mijn bezwaren tegemoet te komen.
Dossierinzage
Als u besluit om dit ambtshalve verzoek af te wijzen, verzoek ik u vriendelijk om te worden gehoord nadat u mij eerst inzake heeft gegeven in mijn fiscale dossier en tevens alle bestanden waarin u informatie van mij heeft opgeslagen (de zogenaamde zwarte lijst / AVG discussie).
Ontvangstbevestiging
Deze brief wordt u per reguliere post toegestuurd. Ik verzoek u mij de ontvangst van deze brief schriftelijk te bevestigen binnen een periode van 14 dagen. Als u nog vragen of opmerkingen heeft, hoor ik deze graag. Dit kunt u per post en e-mail (.....@...) aan mij versturen.
Met vriendelijke groet
_______________
Bijlage 1 : aanslag inkomstenbelasting over ____
Noot
Wij kunnen geen verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid dragen voor mogelijke fiscale consequenties van dit antwoord omdat u (nog) geen klant bent. De aard van de vraagstelling via onze infomail brengt bovendien met zich mee dat niet het gehele feitencomplex bij ons bekend is.
Box 3 ambtshalve verminderen of niet
Voor de snelle lezer ... dit is niet mogelijk op grond van een arrest van de Hoge Raad d.d. 20 mei 2022. De staatsecretaris heeft op prinsjesdag laten weten dat er geen regeling komt voor mensen die geen bezwaar hebben gemaakt. Deze mensen hadden dit geld wel terug gekregen als de massaal bezwaar procedure niet was afgeschaft. Erg opmerkelijk (en eigen ongehoord) is het dat deze massaal procedure vermoedelijk weer wordt ingevoerd omdat men dit onredelijk vond (staat in belastingplannen 2023). Lees ondermeer dit artikel over dit onderwerp.
Advies aan Hoge Raad: geen teruggave box 3 heffing voor niet bezwaarmakers
Op 8 mei 2026 heeft de adviseur van de Hoge Raad (de AG) aangegeven dat niet bezwaarmakers geen recht hebben op teruggave van box 3 heffing voor de jaren 2017 - 2020 (ECLI:NL:PHR:2026:463 / ECLI:NL:PHR:2026:456 en ECLI:NL:PHR:2026:457), zie deze samenvatting over de mening van de advocaat generaal. De Hoge Raad heeft op 25 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:907) laten weten dat ze het met de AG eens zijn, de deur is dus definitief dicht. De staatssecretaris heeft op 17 juli 2026 een besluit genomen waaruit volgt dat alle als massaal bezwaar aangewezen verzoeken om ambtshalve vermindering ongegrond worden verklaard (staatscourant 17 juli 2026 nr 25867).
Tarieven Box 3
| Soort belegging | 2022 | 2023 | 2024 |
| Banktegoeden | 0,00% | 0,36% | 1,03% |
| Beleggingen | 5,53% | 6,17% | 6,04% |
| Schulden | 2,28% | 2,57% | 2,47% |
Box 3 wijziging 2023 en 2024
Het tarief in box 3 wordt verhoogd van 32% naar 36% in 2024. Het tarief blijft dan in 2025 ook 36%. Het heffingsvrije vermogen van € 57.000 per belastingplichtige blijft in 2023 en 2024 gelijk. Het nieuwe box 3 stelsel is uitgesteld tot 2027. Tevens zijn er nog een paar kleinere wijzigingen per 2023 / 2024, de belangrijkste:
- Vermogen binnen een VvE (vereniging van eigenaren) wordt gezien als spaarsaldo (en niet als overige bezitting). Bezittingen in box 3 worden gezien als banktegoeden (fictief rendement 0,36%) of overige bezittingen (fictief rendement 6,17% in 2023). Dit geldt per 2023.
- Vermogen op de derdenrekening bij de notaris wordt gezien als spaarsaldo (per 2023)
- Onderlingen vorderingen en schulden tussen ouders en kinderen kunnen een probleem opleveren. Het forfaitaire rendement op vorderingen bedraagt 6,17% en voor schulden 2,46% (cijfers 2023). Bij onderlinge vorderingen en schulden (ouders / kinderen en fiscale partners) zou dit oneerlijk zijn. De vorderingen en schulden worden per 2023 gedefiscaliseerd. Dit kan ook plaatsvinden door verrekenbeding bij huwelijkse voorwaarden.
- Tip: als het werkelijke rendement lager is dan het forfaitarie rendement maak dan bezwaar tegen uw aanslag inkomstenbelasting.
Indienen verzoek voor 31 december 2022 wel nodig
Belastingbetalers (in box 3) die voor 31 december 2022 een verzoek indienen om ambtshalve vermindering voor box 3 te verkrijgen hebben waarschijnlijk toch een betere positie dan mensen die dit verzoek niet indienen. In de kamerbrief van 4 november 2022 staat dat mensen die niet tijdig bezwaar hebben gemaakt tegen hun box 3 heffing (de niet bezwaarmakers) over 2017 - 2020 geen verzoek hoeven in te dienen voor een amtshalve vermindering. De kamerbrief is echter niet geheel duidelijk over de rechtspositie over 2017. Er zijn hierover vragen gesteld door koepelorganisaties (NOB, SRA, NBA, etc.). Dit verzoek kunt u via deze modelbrief eenvoudig indienen. Vorenstaande komt doordat de massaalbezwaarprocedure via een wetswijziging pas na 31 december 2020 van kracht wordt, dan is de 5 jaarstermijn voor 2017 verstreken. Lang verhaal kort, dien alsnog een ambtshalve verzoek in voor 2017 (modelbrief)
Nieuws 7 november 2022 toch massaalbezwaar procedure
Het kabinet stelt voor om een procedure "massaal bezwaar" in te richten voor de personen die geen bezwaar hebben gemaakt tegen de box 3 heffing en nu achter het spreekwoordelijke net vissen. Als de Hoge Raad een positieve uitspraak zou doen in een nieuwe zaak dan zouden deze mensen hiervan gebruik kunnen maken. De kern van de procedure is of niet bezwaarmakers net zoals bezwaarmakers in aanmerking komen voor rechtsherstel. Het indienen van een ambtshalve verzoek hiertoe zou dan niet meer nodig zijn. Duidelijkhied komt begin 2023. Het kabinet benadrukt dat de Hoge Raad in zijn arrest van 20 mei jl. duidelijk heeft aangegeven dat voor niet-bezwaarmakers geen recht bestaat op een op rechtsherstel gerichte box 3-compensatie. Het kabinet verwacht daarom niet dat nieuwe procedures voor niet-bezwaarmakers een grote kans op rechtsherstel opleveren.
Omdat de duidelijkheid er pas in 2023 zal zijn is het verstandig om voor 2017 een verzoek in te dienen.
Nieuws verzoek ambtshalve vermindering box 3
Er zijn veel belastingplichtigen die een verzoek ambtshalve vermindering (voorbeeld) hebben ingediend. De Belastingdienst vermindert een aanslag als wordt geconstateerd dat die te hoog is vastgesteld, tenzij sprake is van nieuwe jurisprudentie (artikel 45aa Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting). De uitspraak van de Hoge Raad is later dan de aanslag, dus is een ambtshalve verzoek niet mogelijk, aldus de Hoge Raad. Bij RTL laat de staatssecretaris weten dat de Belastingdienst wordt bedolven onder meer dan 100.000 verzoeken. De belastingdienst zal vermoedelijk alle verzoeken afwijzen. Vervolgens zullen vele mensen de stap naar de rechter gaan overwegen, waardoor dit systeem gaat vastlopen.
Hoge Raad inzake ambtshalve verminderingen
De Hoge Raad heeft op 24 december 2021 geoordeeld dat sinds 2017 de box 3 heffing in strijd is met het EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens). Op dit moment is de box 3 heffing dus feitelijk een loze letter. Als er bezwaar is aangetekend tegen de aanslag inkomstenbelasting, zal de Belastingdienst een bedrag terugbetalen (beetje afhankelijk van hoe uw box 3 vermogen is samengesteld, bij spaarrekening kan dit anders zijn dan bij verhuurde panden of beleggingen).
Als u geen bezwaar heeft gemaakt, zijn er - volgens de rechtbank - ook mogelijkheden. De Hoge Raad heeft echter op 20 mei 2022 aangegeven dat deze mogelijkheden er niet zijn, dit in cassatie op een uitspraak van het Gerechtshof in oktober 2021
Stand van zaken per 10 juli 2022
In een brief van de staatssecretaris van Financien wordt ingegaan op de mogelijke vormgeving en overwegingen bij de volgende scenario’s:
- Geen rechtsherstel voor niet-bezwaarmakers;
- Volledig rechtsherstel voor niet-bezwaarmakers; of
- Gedeeltelijk rechtsherstel voor niet-bezwaarmakers, waarbij verschillende mogelijkheden zijn uitgewerkt.
Als iedereen tegemoet wordt gekomen zou dit 7 miljard euro kosten. Omdat het juridisch niet verplicht is om niet bezwaarmakers te compenseren (aldus de Hoge Raad, zie hieronder) lijkt dit een illusie. Het kabinet zal kiezen tussen optie 1 en 3, aldus de doctrine (er is simpelweg door de hoge inflatie, koopkracht herstel maatregelen, corona compensatie, etc. geen geld). Ook zal er worden gekeken naar de uitvoerbaarheid van een maatregel binnen de belastingdienst. Tijdens prinsjesdag zal er meer bekend worden en wellicht al iets eerder. Dien in ieder geval tijdens een verzoek ambtshalve vermindering in.
Status box 3 per 20 mei 2022
Te laat is te laat. Als er een verzoek wordt gedaan om een ambtshalve vermindering (dus bezwaar buiten de wettelijke termijn van 6 weken) van het box 3 vermogen zal dit worden afgewezen. De Hoge Raad heeft op 20 mei 2022 in een arrest aangegeven dat dit rechtsgeldig is omdat de onjuistheid van de aanslagen volgt uit nieuwe jurisprudentie. Hierbij is van belang dat de minister na het bekende "kerst arrest box 3" niet bekend heeft gemaakt dat mag worden afgeweken van artikel 45aaa uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. In dit wetsartikel staat als voorwaarde voor een ambtshalve vermindering dat deze niet mag berusten op nieuwe jurisprudentie.
Status box 3 per 1 mei 2022
Uit de kamerbrief van 28 april 2022 valt het volgende op te maken:
- De 60.000 spaarders die bezwaar hebben gemaakt tegen de te hoge belastingheffing over hun vermogen (sinds 2017) krijgen voor 4 augustus 2022 automatisch uitbetaald.
- De mensen die te laat of geen bezwaar hebben gemaakt moeten wachten op een arrest van de Hoge Raad.
- Aanslagen over 2017 tot en met 2021 (en 2022) die nog niet zijn opgelegd of wel zijn opgelegd maar nog niet onherroepelijk vaststonden worden afgewikkeld volgens de forfaitaire spaarvariant.
Adviezen aan kabinet over box 3
Uit diverse stukken - welke zijn opgevraagd door Pieter Omtzigt over de heffing in box 3 - volgt dat er nimmer is gekeken naar een strijdigheid van box 3 met het EVRM. Dit is bijzonder! Het kabinet is van plan om vanaf 2025 een geheel nieuw stelsel te introduceren. Voor 2023 en 2024 moet nog noodwetgeving worden gemaakt. Tevens wordt er nu nagedacht over de box 3 heffing sinds 2017. Wie worden er gecompenseerd en wie niet? Rechtsherstel van iedereen zou redelijk zijn, de vraag is of de redelijkheid het gaat winnen van de beschikbare middelen. Er is een spaarvariant en een forfaitaire variant bedacht, zie onder voor de onderliggende stukken.
Nieuws box 3 heffing voor 2017
De uitspraak van de Hoge Raad ziet op de box 3 heffing vanaf 2017. In een rechtbank-uitspraak in april 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:3300) blijft de aanslag over box 3 in 2016 gewoon in stand.
Massaal bezwaar inzake box 3
In reactie op het genoemde arrest van de Hoge Raad heeft de Belastingdienst op 4 februari 2022 uitspraak gedaan in de massaalbezwaarprocedure box 3 over 2017 - 2020. De uitspraak kunt u hier raadplegen.
Geen bezwaar gemaakt tegen box 3 heffing, en dan?
Maar wat als u geen bezwaar heeft gemaakt? Op de site van de Belastingdienst staat dat de Belastingdienst nog niet weet hoe hiermee om te gaan. Het kabinet besluit of en hoe dit hersteld wordt en wie daarvoor in aanmerking komt. Dit besluit is thans nog niet bekend. Veel mensen hebben geen bezwaar gemaakt tegen de box 3 heffing. Via een verzoek ambtshalve vermindering zou u alsnog - ook buiten de bezwaartermijn van 6 weken - box 3 heffing terug kunnen krijgen, aldus de rechtbank op 7 april 2022. De Belastingdienst denkt hier normaal gesproken anders over, op grond van het besluit fiscaal bestuursrecht van 15 oktober 2021 (nr 2021 - 9585). De Belastingdienst vermindert een aanslag als wordt geconstateerd dat die te hoog is vastgesteld, tenzij sprake is van nieuwe jurisprudentie (artikel 45aa Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting). De uitspraak van de Hoge Raad is later dan de aanslag, dus is een ambtshalve verzoek niet mogelijk.
De enige optie lijkt dus dat het kabinet (de minister) gaat vaststellen dat nieuwe jurisprudentie wel een aanleiding kan zijn om eerdere aanslagen ambtshalve te verminderen. Het kabinet zal vermoedelijk wachten op een nieuw arrest van de Hoge Raad over ambtshalve verzoeken tot vermindering. De reden hiervoor is dat, als ook deze mensen (die geen bezwaar hebben gemaakt) worden gecompenseerd, dit € 10 miljard gaat kosten.
Noot ambtshalve vermindering box 3 aanvragen
Op de site van de Belastingdienst staat: "we weten het niet en wachten op het kabinet." Wat de Belastingdienst niet heeft gemeld is dat volgens de Rechtbank Zeeland - West Brabant op 7 april 2022 - onder verwijzing naar het genoemde arrest - een ambtshalve vermindering moet kunnen.
Een belangrijke spelregel voor een ambtshalve vermindering is dat het verzoek tot vermindering binnen 5 jaar na afloop van het jaar waarop de aanslag betrekking heeft moet worden ingediend. Een verzoek voor de vermindering van de aanslag 2017 moet dus vóór 31 december 2022 worden ingediend.
Voorbeeldbrief verzoek ambtshalve vermindering box 3
Wilt u hier niet op wachten,dan kunt u via deze link een voorbeeldbrief downloaden n deze opsturen naar de Belastingdienst.
Bron box 3 en ambtshalve verzoek
Uitspraak Hoge Raad 20 mei 2022
Uitspraak Hoge Raad 24 december 2021
Kamerbrief staatssecretaris van Rij op 24 januari 2022
Standpunt Belastingdienst inzake box 3
Rechtbank Zeeland - West Brabant d.d. 7 april 2022 ECLI:NL:RBZWB:2022:1814
Bronnen overheidsinformatie na uitspraak Hoge Raad
Kamerbrief over contourennota box 3
Kamerbrief technische briefing box 3
Antwoorden Kamervragen over compensatie box 3
Bijlage 1 budgettaire gevolgen
DJ
Vergrijpboete terecht of niet?
Belastingdienst moet boete overtuigend aantonen
Het opleggen van boetes door de Belastingdienst is een veel voorkomende gebeurtenis. Er kan sprake zijn van verzuimboetes (te laat aangifte gedaan of te laat betaald) of van vergrijpboetes (opzettelijk foutief aangifte gedaan). Dat laatste komt sneller voor dan menigeen denkt; onder het motto “iedere Nederlander behoort de wet te kennen" wordt opzet of grove schuld door de Belastingdienst helaas al snel aangenomen. In april 2022 heeft de Hoge Raad arrest gewezen over de onderbouwing van de boete door de Belastingdienst. De Belastingdienst moet overtuigend aantonen dat "deze belastingplichtige" echt dat vergrijp heeft begaan. Er kan weer iets meer (opgelucht) adem worden gehaald.
Doet u opzettelijk geen aangifte of een onjuiste of onvolledige aangifte, dan krijgt u van de Belastingdienst een vergrijpboete opgelegd, tenminste dit kan de Belastingdienst doen. Er kan ook een vergrijpboete worden opgelegd bij een navorderingsaanslag. De Belastingdienst mag alleen ene vergirjpboete opleggen als aantoonbaar sprake is van opzet (willens en wetens handelen) of grove schuld (voorwaardelijke opzet, willen staat centraal, lichtvaardig of slordig handelen). Bij bepaalde boetes is zelfs grove schuld niet voldoende, opzet lijkt de ondergrens (bij een vergrijpboete). Boete is bij grove schuld meestal lager dan bij voorwaardelijke opzet.
De belastingdienst moet dus overtuigend aantonen (doen blijken) dat sprake is van grove schuld of opzet omdat de waarborgen van het EVRM (Europees verdrag voor de rechten van de mens) ook meespelen. De belastingplichtige moet dus weten dat hij iets fout deed (en bewust).
Streep door vergrijpboete ex bestuurder voetbalclub
Als bestuurder een vergrijpboete aan je broek krijgen? Dan staat niet alleen je portemonnee onder druk, maar ook je reputatie. De fiscus legt ze soms voortvarend op, maar gelukkig kijkt de rechter kritischer. In een procedure bij de Rechtbank Gelderland d.d. 5 juni 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:4322) oordeelde de rechter dat een ex-bestuurder van een voetbalclub ten onrechte als feitelijk leidinggever werd aangemerkt. Hoewel hij ooit betrokken was bij een spelerstransfer, was zijn rol bij de latere afwikkeling onvoldoende concreet. De rechtbank herhaalt: bestuurder zijn is niet hetzelfde als leiding geven aan een strafbaar feit. En voor een boete moet de Belastingdienst het bewijs keihard rond hebben. Omdat die bewijslast zwaarder is dan bij de belastingheffing zelf, sneuvelde de boete. De uitspraak is een reminder: wie als adviseur scherp blijft op bewijs en betrokkenheid, kan veel ellende besparen.
Voor een helder overzicht van de stappen die de belastingdienst moet doorlopen verwijzen wij u naar een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 26 april 2016 ECLI:NL:HR:2016:733.
Geduld is vereist, maar rechtvaardigheid duurt soms gewoon even. Belangrijk is dat de belastingdienst met overtuigend aangetoond bewijs komt met concrete gedragingen door de feitelijk leidinggevende.
Hierbij spelen voor een vergriipboete een aantal zaken:
- Feitelijk leiding geven: dit moet concreet worden onderbouwd (zie Hoge Raad d.d. 16 december 1986 ECLI:NL:HR:1986:AC9607) , dit speelde bij de Slavenburg bank, de zogenoemde slavenburg jurisprudentie.
- Is de verboden gedraging door de BV (of rechtspersoon) verricht, zie Drijfmest arrest van de Hoge Raad d.d. 21 oktober 2003 ECLI:NL:HR:2003:AF7938
- Wordt het geheel (opzet of grove schuld) voldoende overtuigend aangetoond (zie Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Al met al moet het volgende worden beoordeeld:
- Kan de (strafbare) gedraging worden toegerekend aan belastingplichtige ( de rechtspersoon)
- Is er hierbij sprake van opzet bij deze strafbare gedraging
- Heeft de persoon (bestuurder) zich gedragen als actief (of passief) feitelijk leidinggevende van dit (strafbare) feit
- Is dit gedrag opzettelijk uitgevoerd door de feitelijk bestuurder/ leidinggevende.
- Heeft de belastingdienst voldoende overtuigend aangetoond dat sprake
is van opzet of grove schuld (zie
Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Vergrijpboete ter discussie stellen
De vergrijpboete wordt soms iets te vlot door een inspecteur opgelegd. Deze kan om verschillende redenen worden verminderd of tot nihil worden bijgesteld (door de rechter). De belangrijkste oorzaken uit de rechtspraak zijn:
- Procedure loopt te lang (overschrijding van de redelijke termijn), zie Hoge Raad d.d. 6 september 2024 ECLI:NL:HR:2024:1132 of Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 23 juli 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:4871
- Vergrijpboete voor hetzelfde feit bij verschillende belastingtypen
- Vergrijpboete wordt niet overtuigend via feitelijk bewijs aannemelijk gemaakt, derhalve geen (of beperkt) sprake van opzet of grove schuld (uitgebreide toelichting in mening AG op 4 april 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:410)
- Ontbreken van voldoende bewijs voor opzet of grove schuld, Gerechtshof Amsterdam d.d. 15 november 2022 ECLI:NL:GHAMS:2022:3728
- De grondslagen en/of omstandigheden zijn anders of niet juist voorgesteld, zie Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 14 mei 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:3357
- De boete moet wel in balans zijn, de noodzaak van een juiste kwalificatie van het vergrijp en de evenredigheid van de opgelegde boete, zie hiertoe mening AG op 5 juli 2024 ECLI:NL:PHR:2024:736
- Beboeting wordt niet tijdig medegedeeld, schending verdedigingsbeginsel (kennisgeving boete (met motivering) is later gedagtekend dan de boetebeschikking. Zie hiertoe bijvoorbeeld Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 7 mei 2025 ECLI:NL:RBZWB:2025:2724.
Belastingdienst moet vergrijpboete overtuigend aantonen
Sinds de uitspraak van de Hoge Raad van 8 april 2022 (ECLI:NL:HR:2022:526) geldt dat de inspecteur een fiscale overtreding overtuigend moet aantonen bij het opleggen van een boete; aannemelijkheid is onvoldoende. Deze zwaardere bewijsmaatstaf heeft geleid tot toenemende aandacht voor de wijze waarop bewijs in fiscale boetezaken wordt beoordeeld. Omdat fiscale boetes een punitief karakter hebben (boete is bedoeld om te straffen), ligt aansluiting bij strafrechtelijke waarborgen voor de hand, waaronder het hanteren van bewijsminima. In het strafrecht gelden immers bewijsminima om lichtvaardige veroordelingen te voorkomen; dat zou ook in het fiscale boeterecht wenselijk zijn. De huidige vrije bewijsleer in het fiscale recht kan leiden tot subjectieve beoordelingen en ongelijke uitkomsten, zoals bleek bij de Luxemburgse bankrekeningzaken. Bewijsminima zouden bijdragen aan rechtszekerheid, bescherming tegen willekeur en betere aansluiting bij artikel 6 EVRM, dat strikte eisen stelt aan bewijs in punitieve procedures. Hoewel tegenstanders wijzen op het belang van flexibiliteit, sluiten bewijsminima een zorgvuldige en flexibele beoordeling van complex bewijs niet uit. De auteur pleit daarom voor invoering van bewijsminima in het fiscale boeterecht, in lijn met de oproep van A-G Koopman op 5 juli 2024 (ECLI:NL:PHR:2024:774) , ter versterking van de rechtspositie van de belastingplichtige.
Krijgt u een boete? Schakel een specialist in die u bijstaat in uw communicatie met de Belastingdienst.
Soorten vergrijpboete
Er zijn meerdere soorten vergrijpboetes, de belangrijkste:
- Belasting is opzettelijk (of grove schuld) niet betaald (of niet volledig betaald), artikel 67f ZWR
- Opzettelijk niet of onjuist aangifte doen (voor aanslagbelasting), artikel 67d AWR
- Bij navordering mits sprake van opzet (of grove schuld) en er te weinig belasting is betaald, artikel 67e AWR
- Informatieverplichting niet nakomen (uit eigen beweging), artikel 10a AWR
- Opzettelijk onjuiste informatie of inlichtingen verstrekken bij verzoek
voorlopige aanslag, artikel 67cc AWR
Handreiking fiscaal beleid bij opleggen boetes
Voor de formele kant en het standpunt van de belastingdienst is er informatie beschikbaar over de wijze waarop de belastingdienst fiscale boetes kan opleggen (lees hier de handreiking uit een WOO onderzoek), vertrekpunt in deze discussie is artikel 5:49 AWB en artikel 67 AWR, dit in combinatie met het besluit bestuurlijke boeten (pagraaf 13).
Standpunt kennisgroep belastingdienst
Het beleid van de belastingdienst inzake het instellen van een schuldonderzoek bij een boete is openbaar gemaakt in augustus 2023. Er is verzocht om openbaarmakeing van alle interne stukken waarin vastlegging heeft plaatsgevonden over het beleid met betrekking tot het (zuivere) schuldonderzoek (ad titel 5.2 AWB). In dit stuk vindt u werkinstructies, interne memo's, standpunten, notulen van vergaderingen etc. Het stukken kunt u hier raadplegen. Een aantal zaken vallen op:
- Voor de matiging van een boete wordt ook naar het huidige gedrag gekeken
- Voor verzuimboetes is minder ruimte voor responsief handhaven
- Vragen stellen over de boete toegestaan maar belastingplichtige kan zich beroepen op zijn zwijgrecht (artikel 5:10a AWB)
- Hoe moet een onderzoek inzake DGA salaris plaatsvinden
- Stappenplan inzake opleggen van een boete
- Hoe werkt het schuldonderzoek
- Wanneer melding mogelijke fraudezaak
Navorderingsaanslag vennootschapsbelasting met boete
Belanghebbende heeft aangifte gedaan met een belastbaar bedrag van € 27.000. Er worden aanslagen opgelegd en hiermee is de zaak voorlopig afgerond. In 2012 wordt een boekenonderzoek aangekondigd. Er volgt discussie over aftrekbare kosten ad € 1.200.000. Er zou 2x gefactureerd zijn voor dezelfde kosten. Tevens wordt een vergrijpboete van 75% aangekondigd in verband met opzet en listigheid. Aan belanghebbende is vervolgens een navorderingsaanslag opgelegd met een boete van ruim € 210.000. De boete is in de bezwaarprocedure verminderd tot € 85.000. Tijdens de procedure bij de Rechtbank is de boete verminderd tot € 50.000.
Het Hof stelt voorop dat de boetebeschikking, waarbij het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende wordt geweten dat de aanslag vennootschapsbelasting 2010 / 2011 tot een te laag bedrag is opgelegd, terecht is. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat op het moment van het doen van de aangifte sprake was van voorwaardelijke opzet gericht op het doen van onjuiste aangifte. Deze voorwaardelijke opzet was gebaseerd op het feit dat sprake was van dubbele facturering en dubbele aftrek van kosten. In dergelijke gevallen wordt, aldus het Gerechtshof, in beginsel een boetebeschikking van 50% van het nagevorderde bedrag opgelegd. De boete wordt - in verband met overschrijding van de redelijke termijn - nog wel iets verminderd tot € 40.000.
Vergrijpboete bij onjuiste verzending aanmaning
De Hoge Raad heeft in 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1341) bepaald dat er geen vergrijpboete kan worden opgelegd wegens het opzettelijk niet doen van aangifte als belastingplichtige niet eerst op de voorgeschreven wijze is aangemaand. Als de inspecteur weet dat (of kon weten) dat een aanslag naar een onjuist adres wordt gestuurd komt dit voor rekening van de inspecteur. In deze casus ging het om een vergrijpboete die is opgelegd tijdens een boekenonderzoek. De boete had betrekking op het opzetting niet doen van aangifte. Er is een aanmaning aan het huisadres van X gestuurd, terwijl de inspecteur wist dat X in voorlopige hechtenis zat. De boete moet dan worden vernietigd !
Vergrijpboete moet worden gemotiveerd
De Hoge Raad is het niet eens met de conclusie van het Gerechtshof. Hij grijpt daarbij terug op het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). De waarborgen van dit Europese verdrag maken, dat de bewijslast op de belastinginspecteur rust dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van de twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de feiten en omstandigheden buiten een redelijke twijfel komen vast te staan. In wat normaler Nederlands: u bent onschuldig tenzij het tegendeel wordt bewezen.
Matiging boete door Hoge Raad
De Hoge Raad (cassatie) bekijkt een zaak niet meer inhoudelijk en veel zaken worden dan ook afgedaan met zogenaamde artikel 81 RO beslissingen. Het cassatieberoep wordt dan afgewezen zonder uitgebreide inhoudelijke motivering. In de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 21 november 2025 ECLI:NL:HR:2025:1727 faalde het inhoudelijke beroep (klachten nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling). Maar hiermee was nog niet alles gezegd.
De Hoge Raad komt ambtshalve toe aan vraag of de redelijke termijn in cassatie wordt overschreden, ook bij het instellen van cassatie beroep (of tweede cassatieprocedure) begint de redelijke termijn dus weer te lopen (1 jaar). De boete wordt ambtshalve verlaagd (gematigd). Belastingplichtige is vergeten immateriele schadevergoeding te vragen, dat is jammer. Dit is een interessante uitspraak, materieel gebeurt er niks maar de redelijke termijn kan de boete wel verlagen (in dit geval met 15%). Cassatie kan dus van belang zijn voor de boete (en termijnbewaking). Bij boeten moet de tijdlijn dus scherp in de gaten worden gehouden, ook als de materiële / inhoudelijke kansen bij cassatie beperkt zijn. Gelukkig bewaakt de Hoge Raad nog steeds de fundamentele proces belangen en waarborgt deze op de juiste wijze.
Noot fiscaal jurist inzake vergrijpboete bij boekenonderzoek
Het komt er dus op aan of de belanghebbende op het moment van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn, dat door inhoudelijke gebreken in de aangifte een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Met andere woorden, fouten maken is menselijk en leidt niet direct tot vergrijpboetes. Dat wordt pas anders als u de fout op het moment van het doen van aangifte moest weten. De vaststelling dat belastingplichtige iets had behoren te weten is niet voldoende om te beoordelen dat er sprake is van voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (1) dat hij de wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven (2) en dat hij deze kans bovendien bewust heeft aangevraagd (3), zie hiertoe ook de Hoge Raad in februari 2022 (onder 2.4.1). De Hoge Raad verwijst de zaak vervolgens naar een ander Gerechtshof.
Bronnen vergrijpboete
Gerechtshof Den Bosch 23 juli 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2352
Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526
Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324
MB/DJ
Procedure zwarte lijst Belastingdienst
Als iemand op de FSV lijst staat mag de inspecteur gewoon een onderzoek instellen, dit is in meerdere uitspraken duidelijk geworden. Lees hier bijvoorbeeld een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam uit 2023. Aandachtspunt om te onderzoeken is dan wel dat de melding op de FSV lijst niet de aanleiding is geweest om een onderzoek in te stellen. Hiertoe kan een dossierinzage curciaal zijn. Als hieruit volgt dat er sprake is van een risicoselectie, een verwerking van persoonsgegevens in een databank of een gebruik van een databank waarin persoonsgegevens zijn opgeslagen, kunnen de kaarten anders liggen en kan sprake zin van schending van grondrechten.
Wij krijgen de laatste weken veel verzoeken inzake hulp aan mensen die op de zwarte lijst staan opgenomen. De centrale vraag is: wat kun je ermee? Het blijkt dat ook bedrijven en zelfs (verdachte) belastingadviseurs op de lijst zijn gezet. Na de toeslagenaffaire is dit het zoveelste incident binnen de fiscale wereld. Advies nodig? Mail of bel gerust met onderstaande adviseurs.
Uit onderstaande procedure volgt dat de Belastingdienst alle systemen moet doorspitten om te kijken of er informatie over een belastingplichtige is opgeslagen, een simpel "nee, u staat niet op de zwarte lijst", is niet voldoende.
De zwarte lijst van de Belastingdienst, een never ending story
De door de Belastingdienst in het verleden gehanteerde zwarte lijst (FSV-applicatie) is zeker na de kinderopvangtoeslag-affaire een hot topic. Een groot aantal getroffenen is actief door de Belastingdienst middels een brief benaderd over het feit dat zij op deze lijst hebben gestaan. Niet iedereen heeft zo’n brief ontvangen. Degenen die betrokken zijn in een strafrechtelijk onderzoek of worden genoemd in een tip- of klikbrief ontvangen geen bericht van de Belastingdienst. Dit blijft verwonderlijk. Immers, in Nederland hoor je onschuldig te zijn tot het tegendeel is bewezen. Het is dan ook bijzonder dat degene van wie vaststaat dat deze de wet heeft overtreden (de Belastingdienst), zichzelf mandateert om regels op te stellen over de informatiestroom. Dit is niet alleen onbegrijpelijk en onbehoorlijk, het is absoluut onwenselijk.
Procedures inzake zwarte lijst / FSV / Project 1043
In december 2021 deed de Hoge Raad haar eerste uitspraak inzake belastingplichtigen die staan opgenomen op de zwarte lijst. Ook al was een belastingplichtige opgenomen op de zogenaamde zwarte lijst kon dit nog niet (automatisch) tot gevolg hebben dat de aanslag wordt verlaagd. De strijdigheid met het handelen in strijd met de AVG wordt dus terzijde geschoven. Begin 2022 keek de Hoge Raad opnieuw naar een casus. Ook hierin is vastgesteld dat - ondanks opname op de zwarte lijst - het belastingonderzoek niet onrechtmatig is geweest. Vervolgens is het woord aan lagere rechters. Het Gerechtshof Den Haag doet in maart 2022 uitspraak. Ook hierin wordt een navorderingsaanslag in stand gelaten (niet onrechtmatig). Bij aanhoudende negatieve resultaten zou er altijd een onderzoek worden ingesteld, aldus de inspecteur. Ook het Gerechtshof Arnhem doet in maart 2022 een gelijkluidende uitspraak. Belastingplichtige heeft niet gemotiveerd gesteld dat in haar geval sprake zou kunnen zijn van een uitzonderlijke situatie die in strijd zou zijn met grondrechten. Enkel verwijzen naar de zwarte lijst of project 1043 is derhalve onvoldoende.
Procedure zwarte lijst bij Rechtbank Den Haag
Inmiddels lopen er ook procedures tegen de Belastingdienst voor wat betreft de inzage in de zwarte lijst. Recent heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan. Waar ging het om?
De eiser in deze procedure is in december 2001 geëmigreerd. Op 26 september 2019 heeft hij van de Belastingdienst een vragenbrief ontvangen in het kader van een woonplaatsonderzoek.
De eiser denkt dat de aanleiding hiervoor een telefoongesprek is geweest dat hij heeft gevoerd met twee medewerkers van de Belastingdienst over het faillissement van een bedrijf. De eiser heeft op basis van dit vermoeden verzocht om inzage in de van hem verwerkte persoonsgegevens. De Belastingdienst heeft meegedeeld welke gegevens zijn verwerkt in het kader van het woonplaatsonderzoek en dat eiser niet voorkomt in de Fraude Signalering Voorziening (FSV).
Verder is er volgens de Belastingdienst ten aanzien van het faillissement van het bedrijf alleen een memo teruggevonden, waarin alleen de naam van de eiser is verwerkt. Volgens de eiser heeft de Belastingdienst onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet voorkomt op de FSV en dat er niet meer gegevens zijn verwerkt in de andere systemen van de Belastingdienst.
De Rechtbank oordeelt dat het gegeven dat iemand op een lijst of in een systeem voorkomt onder omstandigheden is aan te merken als een persoonsgegeven. Gelet op wat bekend is over het gebruik van de lijsten en systemen door de Belastingdienst, kan het opnemen van eiser op een lijst een waardering van zijn eigenschappen of gedragingen betekenen.
De Belastingdienst kan dan ook niet volstaan met de verwijzing naar de persoonsgegevens zoals weergegeven in “Mijn Belastingdienst” / “Mijn Toeslagen”, maar moet ook onderzoeken of eiser in de door de Belastingdienst gebruikte systemen of applicaties is opgenomen.
Dat de Belastingdienst in een groot aantal applicaties en systemen gegevens verwerkt, betekent niet dat van de Belastingdienst niet mag worden verwacht dat hij in ieder geval probeert te achterhalen in welke applicaties en systemen gegevens van eiser zijn verwerkt.
De Belastingdienst dient (alsnog) een zoekslag te verrichten naar de aanwezigheid van persoonsgegevens van eiser in de applicaties en systemen die de Belastingdienst gebruikt of alsnog voldoende te motiveren waarom dit een onevenredige inspanning vraagt. Daarbij merkt de rechtbank op dat de omstandigheid dat er een onderzoek gaande is naar een aantal van de door de Belastingdienst gebruikte systemen zonder nadere motivering onvoldoende is om deze systemen uit te sluiten van de zoekslag.
Noot fiscaal jurist inzake zwarte lijst en dossierinzage
Al met al buigen rechters nog niet snel voor procedures inzake opname van belastingplichtigen op een zwarte lijst. De uitsprake van de Hoge Raad en de Gerechtshoven zijn ook wel te volgen, edoch leveren wel een tegenstrijdig en onbevredigende gevoel op. Zo merken wij ook bij diverse vragen die aan ons worden gesteld. Het is immers een feit dat iemand (zonder het te weten) jaren op een lijst kan staan, strenger worden aangepakt en dus vooringenomen met een tunnelvisie aanslagen krijgt opgelegd. Het vertrouwen in onze overheid (lees: belastingdienst) heeft een schrammetje opgelopen en dit wordt dan lastig hersteld. Dat een beroep op de zwarte lijst dan snel in het putje gaat verdwijnen is wel begrijpelijk maar doet het gevoel geen goed.
Dit muisje zal nog wel een staartje hebben (of krijgen). Het is niet meer dan billijk dat de overtreder (de Belastingdienst) alles in het werk moet stellen om te kijken welke gegevens in de systemen van de Belastingdienst zijn opgeslagen. Met een “quick and dirty” onderzoek in de FSV-applicatie is de Belastingdienst er dan ook niet. Het zal wel de nodige brieven en procedures veroorzaken want pro-actief herstel van vertrouwen lijkt nog ver te zoeken.
Alleen in uitzonderlijke situaties is bij een opname op de zwarte lijst sprake van schending van een grondrecht (bijvoorbeeld discriminatie op grond van nationaliteit, geloof, etc.). Gevolg hiervan is dat de inspecteur niet de bevoegdheid had of heeft om een aangifte te corrigeren. De bal ligt dan bij belastingplichtige, hij/zij moet aanmelijk maken (gemotiveerd stellen) dat hiervan sprake is. Goed motiveren en het volledige inzicht krijgen in alle systemen van de Belastingdienst is dan de eerste logische stap. Het speurwerk moet dus door de belastingplichtige zelf plaatsvinden.
Als een belastingplichtige over de onrechtmatige selectie wil klagen moet de selectie en de informatie worden beoordeeld. Indien de selectie onrechtmatig is geweest mag deze informatie niet worden gebruikt bij het opleggen van de aanslag. Ook moet worden beoordeeld waarom een aangifte (of persoon) onder de loep wordt genomen. Als iemand op een zwarte lijst moet door de belastingplichtige (en daarna door de rechter) worden onderzocht of de (hoogte van) de belastingaanslag het gevolg is van plaatsing op de lijst. Ook het gebruik van informatie van flitspalen voor het gebruik van de auto (bijtelling) is in het verleden niet toegestaan wegens gebrek aan een wettelijke grondslag. Opname op de zwarte lijst is hiermee eenvoudig te vergelijken. Onderzoek naar schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur en internationale verdragen zal in een procedure ook aan de orde moeten komen, dit is nog onvoldoende gebeurd.
Een pittig onderzoek ! Lees ook eens de conclusie van de Advocaat Generaal in juni 2021.
Bronnen inzake zwarte lijst
Rechtbank Den Haag 22 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2434
Hoge Raad d.d. 10 december 2021 ECLI:NL:HR:2021:1748
Hoge Raad d.d 14 januari 2022 ECLI:NL:HR:2022:14
Gerechtshof Den Haag d.d. 1 maart 2022 ECLI:NLGHDHA:2022:308
Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 8 maart 2022 ECLI:NLGHARL:2022:1748
MB
De vragenbrief van de Belastingdienst
De blauwe enveloppen van de Belastingdienst leveren vaak de nodige stress op. Als na opening blijkt dat het geen aanslag is, daalt de hartslag. Om meteen weer te stijgen, omdat het een vragenbrief blijkt te zijn.
Wat te doen bij vragenbrief Belastingdienst
De Belastingdienst krijgt bergen gegevens binnen. De belangrijkste stromen zijn de aangiften, de automatische verstrekking van gegevens door banken en de opgaven van de werkgever. Maar er is veel meer. Soms zijn die gegevens voor de Belastingdienst niet helemaal duidelijk, op het eerste gezicht tegenstrijdig of niet direct te plaatsen of te verifiëren.
Alle informatie in uw vooraf ingevulde aangifte komt binnen vanuit diverse instanties, maar er zijn natuurlijk ook allerlei systemen aan elkaar gekoppeld en de Belastingdienst kan ook klikbrieven, informatie uit het buitenland of informatie van derden ontvangen. In de nabije toekomst krijgt de Belastingdienst ook automatisch informatie van digitale platformen (vanaf 2023 / DAC 7 wetgeving) en over cryptomunten (2024 / DAC 8).
Om alles helder te krijgen, heeft de Belastingdienst vergaande bevoegdheden. De belangrijkste wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een eigen afdeling van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Die heeft dan ook een duidelijke naam: ‘ Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing’.
Alles wat van belang kan zijn voor uw eigen belastingheffing moet je aanleveren als de Belastingdienst daarnaar vraagt (artikel 47 Awr). Dat geldt ook voor derden (als ze administratieplichtig zijn) als aan hen gegevens over u worden gevraagd.
Het niet aanleveren van de gevraagde gegevens kan ernstige gevolgen hebben. Uiteindelijk kan dat leiden tot de verplichting dat u moet bewijzen dat uw aanslag te hoog is. Bijna onmogelijk. Dit nog los van de mogelijke sancties (boetes of zelf strafvervolging).
Neem de brief dus serieus!
Wat wil de Belastingdienst nu eigenlijk weten in de vragenbrief?
De vragenbrief kan zien op een specifiek element van uw aangifte, maar doorgaans is die zeer uitgebreid en betreft meerdere jaren en belastingsoorten. Bij ondernemers vaak een combinatie van inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting, aangevuld met loonbelasting en omzetbelasting.
Die brij aan gegevens levert vaak nog niet de informatie op die direct bruikbaar is. Die gegevens moeten worden uitgezocht. Om het (ook uzelf) makkelijker te maken, kunt u contact zoeken met de Belastingdienst en doorvragen wat ze nu werkelijk willen weten of onderzoeken. Dat levert gerichtere vragen en meer duidelijkheid op. Gegevens waar ze toch niets mee doen kunnen achterwege blijven. Effectiever en efficiënter. En eerder van het gedoe af.
Hulp belastingadviseur bij vragenbrief Belastingdienst
De adviseur ‘verstaat’ de taal van de Belastingdienst en kan dus doelgerichter mee de vragen beantwoorden en het kaf van het koren scheiden. De vragenbrieven lopen daarom vaak via de adviseur.
De adviseur moet er wel scherp op zijn. Deze moet toetsen wat de Belastingdienst vraagt en mag vragen. Belangrijk hierbij is of de informatie wel fiscaal relevant is.
Maar belangrijk is ook dat de adviseur naar zijn eigen rol kijkt. De adviseur heeft een vertrouwensrelatie met de klant en voelt een vertrouwensrelatie met de Belastingdienst. Dit laatste hoeft niet altijd in het belang te zijn van de klant, maar dit terzijde.
De adviseur heeft doorgaans meerdere klanten uit dezelfde branche. Dat brengt mee dat hij ook over meer informatie kan beschikken van de klant zelf. Bijvoorbeeld informatie van concurrenten, branchegegevens, gegevens van afnemers of leveranciers of boze ex-echtgenoten. Het is zeer de vraag of de Belastingdienst die gegevens mag opvragen. Het zijn immers geen gegevens van de belastingplichtige zelf (47 Awr) en de adviseur kan - juist door de vertrouwensrelatie - ook niet worden aangemerkt als een ‘echte’ derde (53 Awr).
Die vertrouwensrelatie werd in het verleden altijd gerespecteerd. De via de adviseur lopende vragenbrieven moeten dan ook heel precies worden beoordeeld of ze geen vragen bevatten inzake de gegevens en wetenschap van de adviseur. Deze moet dan op de rem trappen. Ook moet hij er alert op zijn dat hij geen eigen gegevens verstrekt uit serviceoogpunt of dat het nu eenmaal in het dossier zit.
Adviezen hoeven nooit verstrekt te worden, maar ga als adviseur ook zeer prudent om met ‘overige gegevens’. Sleep die naar de folder ‘advies’ of ‘vertrouwelijk’.
Over wie worden vragen gesteld in de vragenbrief van de Belastingdienst?
Bij ondernemers met een eigen bv komt het vaak voor dat de vragen betrekking hebben op zowel het inkomen van de ondernemer als directeur van zijn bv, als op de bv zelf. Sommige belastingambtenaren maken er dan een gewoonte van om identieke brieven te sturen aan de directeur en aan de bv. Dan wordt informatie over de bv en de directeur gevraagd onder verwijzing naar de verplichtingen van artikel 47 Awr en artikel 53 Awr, onder de toevoeging ‘voor zover van toepassing’. Bovendien wordt dan gedreigd met informatiebeschikkingen (met omkering van de bewijslast).
Daarbij wordt ten onrechte de suggestie gewekt dat de directeur als privé persoon ook verplicht is informatie te verstrekken over de bv. Dat is onjuist. De directeur is geen administratieplichtige, dus hij hoeft geen gegevens over derden (zijn eigen bv) te verstrekken (artikel 53 Awr mist toepassing).
Mogen wij u adviseren of helpen bij een vragenbrief?
Ga nooit alleen een gesprek aan en / of geef antwoorden op vragen welke volgens u onschuldig zijn. Fiscaliteit is een vak en vragen worden veelal niet zomaar gesteld. Daarnaast moet de gevraagde informatie fiscaal relevant zijn voor uw belastingheffing. Is dat niet het geval, dan rust op u niet de verplichting de gevraagde informatie te verstrekken. U zult niet de eerste zijn die veel te veel vragen heeft beantwoord en hierdoor een groot probleem veroorzaakt. Het is van essentieel belang dat de vragen goed worden beoordeeld en dat deze niet suggestief zijn en / of duiden om veel meer wetenschap (of een ander doel) bij de Belastingdienst. Vragen die berusten op het verkrijgen van fiscaal relevante feiten mogen altijd worden gesteld, maar vaak gaat het veel verder.
Als u onjuist of niet relevante vragen zou beantwoorden, levert u de inspecteur 'gratis' extra informatie, welke weer nieuwe vragen tot gevolg kan hebben. De niet relevante antwoorden welke door u zijn gegeven worden altijd gebruikt in een nader onderzoek en dit is op dat moment ook rechtens. We zien nog te vaak dat belastingplichtigen - door onwetendheid of de gedachte "ik heb niets te verbergen" - meewerken aan hun eigen 'veroordeling . Vragen staat immers vrij en antwoorden hoeft niet altijd.
Krijgt u een vragenbrief, neem dan contact op met één van onze specialisten. Die kunnen een hoop stress wegnemen, duiding geven en de beantwoording efficiënt in goede banen leiden. Ook weten onze fiscaal juristen precies welke informatie wel en niet mag worden gevraagd en kunnen zij - indien gewenst - eerst een overleg met de Belastingdienst voeren.
Verschoningsrecht advocaat en accountant
Staat heeft onrechtmatig gehandeld door e-mails tussen de advocaat en klant in te zien. In deze zaak heeft de FIOD en het OM het verschoningsrecht geschonden door onterecht duizenden e-mails in te zien.
In de aanwijzing is beschreven welke regels er voor het Openbaar Ministerie en bijvoorbeeld de FIOD gelden als zij tijdens een onderzoek in aanraking komen met informatie van een geheimhouder. Aanleiding voor deze toelichting was de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 12 maart 2024 ECLI:NL:HR:2024:375 (toelichting OM)
Informeel verschoningsrecht belastingadviseur
In een toelichting van de AG op 20 december 2024 komt de adviseur van de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2024:1402 dd 20 december 2024) tot de conclusie dat het informele verschoningsrecht (Belastingdienst mag fiscale en juridische adviezen van belastingadviseur niet inzien) in stand moet blijven en de inspecteur deze stukken niet mag inzien (ook niet als deze via de FIOD of het OM worden verkregen). De inspecteur zou anders alle argumenten van belastingplichtige op een presenteerblaadje op zijn bureau krijgen, dit is niet de bedoeling. Omdat de inspecteur deze stukken via de FIOD heeft ontvangen (inval bij de belastingadviseur) moet hiervoor een bewijsuitsluiting worden toegepast.
FIOD en OM schenden verschoningsrecht in strafzaak
Een advocaat (maar ook een fiscalist en accountant) is wettelijk (en op grond van zijn vak) verplicht tot geheimhouding van alle communicatie met zijn klant. Het verschoningsrecht van advocaten (en notarissen, artsen etc) wordt door rechters erkend, edoch niet voor accountants en belastingadviseurs, zij hebben wel een informeel verschoningsrecht (artikel 53a AWR). Ook opsproringsambtenaren (FIOD/ Belastingdienst / OM) moeten dit verschoningsrecht respecteren. Dit verschoningsrecht wordt in een bekende zaak die hier wordt omschreven geschonden. Een dergelijke schending is feitelijk niet te herstellen, omdat deze informatie altijd (onbewust) zal meewegen. De gevolgen kunnen dus groot zijn.
Fraudezaak Box Consultants en Stibbe / BDO
De advocaten van de van fraude verdachte vermogensbeheerder Box Consultants zijn erachter gekomen dat duizenden mails van de advocaat bij het OM en de FIOD zijn terechtgekomen. In 2020 heeft het Gerechtshof bepaald dat een onafhankelijke onderzoeker moet bekijken wat het OM de FIOD met deze informatie heeft gedaan. Ook een accountant is bij dit onderzoek betrokken. De accountant is ingeschakeld door de advocaat en heeft hiermee onder het afgeleid beroepsgeheim van de advocaat. Op 22 februari 2022 was er een zitting (kort geding) waarbij de advocaten en het OM weer over elkaar heen rolden.
Het OM heeft ruim 3.000 e-mails bij het hostingbedrijf van Box opgevraagd, hiertussen zaten ook e-mails van de advocaat en de accountant. De vraag is wat er met de hierin opgenomen informatie is gebeurd, dergelijke mails tussen de advocaat en haar cliënt vallen namelijk onder het verschoningsrecht. De handleiding van het OM geeft al enige duidelijkheid. Het OM stelt dat de mails inhoudelijk worden bekeken - door een andere OvJ, die niet bij het onderzoek betrokken is - zodat deze persoon kan bepalen of de informatie onder het verschoningsrecht valt.
Noot fiscaal jurist inzake verschoningsrecht en strafzaak
De FIOD en het OM hebben een tik op de vingers gekregen doordat er onterecht duizenden e-mails tussen de advocaat en zijn cliënt in te zien. De informatie welke is ingezien zal altijd - in het hoofd - meespelen in een toekomstige procedure. Advocaten kantoor Stibbe trekt terecht vel van leer tegen een niet correct handelende overheid. Via beslag op e-mails van de klant kreeg de FIOD ook zicht op e-mailverkeer tussen de klant en de advocaat.
Als dergelijke informatie tussen alle data zit moet normaal gesproken direct contact worden gezocht met de officier van justitie. Dit gebeurde in deze zaak pas na 6 maanden. In de tussentijd kon de FIOD prettig rondneuzen in de e-mails en de ontvangen informatie. Ruim 150 mails werden nader onderzocht op relevante informatie. De eenvoudige vraag is waarom de FIOD (of OM) niet bij de beslaglegging heeft aangegeven dat mailverkeer tussen de klant en de advocaat niet hoeft te worden verstrekt. Bewust?
De OvJ besloot dat de stukken moesten worden vernietigd, maar het onderzoeksteam deed dit niet en onderzocht de informatie nog maar eens tot in detail. De rechter is er snel klaar mee (uitspraak) . Schending van het verschoningsrecht door de Nederlandse staat is een grove ondermijning van de rechtsbeginselen in Nederland. Dit lijkt eerder een hardnekkig probleem dan een incident.
Uit de e-mails valt nog wel iets op te nemen; het onderzoek van de accountant is verricht via de advocaat, hiermee vallen de onderzoeksresultaten mede onder het verschoningsrecht. De accountant zelf heeft geen verschoningsrecht, maar via deze route dus wel. Het geknoei van het OM en de FIOD ging in deze zaak veel te ver.
De uitspraak van de rechter in deze zaak is zwak te noemen "vingertje omhoog met de melding "niet meer doen hé". Het verschoningsrecht van advocaten is in deze zaak onherstelbaar kapot gemaakt. Dit gebeurde achter de schermen en niet via de geldende regels, dit terwijl dan elke controle ontbreekt. Door de inbreuk is er informatie bekend geworden die altijd zal meespelen bij een feiten beoordeling. Een wettelijke verankering van het verschoningsrecht is noodzakelijk. Een eenvoudige oplossing zou zijn dat bij dergelijk handelen de straf zo hoog is dat de FIOD en het OM het wel uit zijn hoofd laat om dergelijke informatie in te zien.
Een procedure tegen de staat (onrechtmatige daad) met een vergoeding van schade en een "stop" van dit soort gedrag, zie hiertoe mede het arrest van de Hoge Raad uit 2021.
Specialistische hulp bij een FIOD onderzoek of boekenonderzoek is essentieel. Vragen? Neem gerust contact op met onze specialisten !
Bron verschoningsrecht advocaat
Rechtbank Oost Brabant d.d. 22 maart 2022 ECLI:NL:RBOBR:2022:1035
Op de zaak betrekking hebbende stukken
De belastingplichtige heeft in bezwaar recht op inzage in zijn dossier (controle en boete). In de praktijk zien wij dat deze dossierinzage frequent lastig verloopt. Er lijkt een diepgeworteld idee te bestaan bij medewerkers van de Belastingdienst dat het aan hen is te bepalen welke stukken wel en welke stukken niet tot de zaak behoren. Een misconceptie. In de jurisprudentie heeft de Belastingdienst al herhaaldelijk lik op stuk gehad. Vooralsnog leidt dit lik-op-stuk-beleid van de Hoge Raad nog niet tot aangepast gedrag bij de Belastingdienst. Wij zijn veel betrokken bij bezwaar- en beroepsprocedures, onze ervaringen hieruit worden opgenomen in dit artikel.
Dossierinzage tijdens bezwaar en ontbreken stukken
Het (evident) achterhouden van stukken ontneemt een belastingplichtige de mogelijkheid zijn zaak optimaal te bepleiten en te voorzien van tegenbewijs. Bovendien sluit het de mogelijkheid uit dat de belastingplichtige uit die niet-verstrekte stukken informatie put, die aanleiding kan vormen de aanslagen op andere gronden aan te vechten.
Hoe zit het nu met die 'op de zaak betrekking hebbende stukken' ?
Geheimhouding klikbrieven niet toegestaan
In een procedure bij de Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 22 januari 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:300) was de inspecteur niet bereid om de inhoud van zogenaamde klikbrieven te verstrekken. De belangrijkste reden was de privacy en veiligheid van de tipgever/ klikspaan. De rechtbank is dit niet met de inspecteur eens. De inspecteur heeft onvoldoende concrete en verificeerbare redenen aangevoerd voor de geheimhouding. Het enkel stellen dat een tipgever risico loopt en hier geestelijke last van zou kunnen krijgen is onvoldoende. Er is namelijk geen onderzoek gedaan naar de feitelijke risico's voor de tipgevers. Het belang van de belastingplichtige bij de inhoud van de ongeschoonde inhoud van de klikbrieven weegt zwaarder dan de reden voor geheimhouding. De brireven moeten binnen 2 weken aan belastingplichtige worden verstrekt.
Stukken strafdossier niet verstrekt door inspecteur
De FIOD heeft een strafrechtelijk onderzoek ingesteld bij de heer X (handel in sigaretten). De inspecteur legt naheffingsaanslagen op van ruim 100.000 euro. In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd en/of de inspecteur in dat kader alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingebracht. De inspecteur stelt dat hieraan keurig is voldaan doordat hij een bewerkte versie van het overzichtsproces verbaal en een aantal bijlagen heeft verstrekt, dit terwijl het volledige FIOD dossier hem ter beschikking stond (aldus de bevestiging tijdens de zitting). De rechtbank Noord Holland d.d. 2 april 2024 (ECLI:NL:RBNHO:2024:3170) is het hier niet mee eens. De inspecteur is echter volgens de rechtbank verplicht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen. Dit zijn alle zaken die hem ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die voor de beslechting van het geschil relevant kunnen zijn. Het staat de inspecteur dan niet vrij om zelf een selectie te maken. Beroep op artikel 8:29 AWB slaag niet. Volgens de rechtbank heeft de inspecteur door zijn eigen selectie te maken artikel 8:42 eerste lid AWB geschonden. Hierdoor blijft onduidelijk of de heer X de sigaretten voorhanden heeft gehad. Voor een verdieping over dit onderwerp kunt u ook onderstaande arresten raadplegen:
- Hoge Raad d.d. 3 april 2009 ECLI:NL:HR:2009:BH9184 (anonimisering op de zaak betrekking hebbende stukken)
- Hoge Raad d.d. 23 mei 2014 ECLI:NL:HR:2014:1182 (selectie maken stukken door inspecteur)
- Hoge Raad d.d 4 mei 2018 ECLI:NL:HR:2018:672 (uitleg op de zaak betrekking hebbende stukken)
- Hoge Raad d.d. 25 juni 2021 ECLI:NL:HR:2021:995 (op de zaak betrekking hebbende stukken en strafdossier)
Wettelijk kader bij op de zaak betrekking hebbende stukken
Vertrekpunt voor een discussie is de wet. Laten we hier eens doorheen wandelen.
Artikel 7:4 Algemene Wet Bestuursrecht luidt als volgt:
- Tot tien dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken indienen.
- Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende tenminste een week voor belanghebbende ter inzage. (…)
De Belastingdienst moet de op de zaak betrekking hebbende stukken bij een gerechtelijke procedure ook toezenden aan de rechtbank (8:42 Algemene Wet Bestuursrecht). Voldoet de belastinginspecteur niet aan deze inlichtingenplicht, dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die haar geraden voorkomen (8:31 Algemene Wet Bestuursrecht).
Rechtspraak inzake op de zaak betrekking hebbende stukken
Er zijn diverse uitspraken en arresten met betrekking tot (de gevolgen van het niet) verstrekken van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
- Gerechtshof 's Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2022:4703) d.d. 29 december 2022. Een belastingplichtige wordt via een beschikking aansprakelijk gesteld voor een belastingschuld van een derde. Naar het oordeel van het Gerechtshof heeft de Belastingdienst (formeel ontvanger) onrechtmatig gehandeld door de beschikking af te geven zonder een goed onderzoek naar bewijs te verrichten (naar de verzending van de naheffingsaanslagen). Ook zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken niet verstrekt. Volgens het gerechtshof is hierdoor onrechtmatig gehandeld. De ontvanger beroept zich ook ten onrechte op haar geheimhoudingsplicht. Gerechtshof kent een schadevergoeding toe en tevens moeten de proceskosten integraal worden vergoed.
- Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2018:2591) oordeelde bijvoorbeeld al: “Indien een belanghebbende zich - voldoende gemotiveerd - op het standpunt stelt dat een bepaald aan de inspecteur ter beschikking staand stuk dient te worden overgelegd omdat het op de zaak betrekking heeft, kan geen doorslaggevende betekenis toekomen aan de betwisting van dat laatste door de inspecteur. Die betwisting - evenals haar eventuele onderbouwing - berust immers mede op feitelijke gegevens (de inhoud van dat stuk) die aan de belanghebbende en de rechter niet bekend zijn, zodat zij door de belanghebbende niet kunnen worden weerlegd, en door de rechter niet op juistheid kunnen worden getoetst. Daarbij komt dat, indien de inspecteur meent dat gewichtige redenen zich tegen overlegging van het stuk verzetten, hij zich kan beroepen op artikel 8:29 van de Awb. In het licht van dit een en ander dient artikel 8:42 van de Awb aldus te worden uitgelegd dat, behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 van de Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, tegemoet dient te worden gekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak (zie HR 25 april 2008, nr. 43448, ECLI:NL:HR:2008:BA3823, BNB 2008/161).”
- De Hoge Raad geeft voor de te overleggen stukken het volgende kader: i) Tot de op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb over te leggen stukken behoren alle stukken die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Tot de door de inspecteur over te leggen stukken behoren niet stukken die zich bevinden onder derden (bijvoorbeeld het Openbaar Ministerie) en die niet aan hem zijn verstrekt, ook al is hij bekend met het bestaan daarvan (vgl. HR 12 juli 2013, nr. 11/04625, ECLI:NL:HR:2013:29, BNB 2013/226, rechtsoverweging 3.3.1.3). ii) Een redelijke strekking van artikel 8:42, lid 1, Awb strokende, uitleg van die bepaling brengt mee dat de daarin opgenomen verplichting tot overlegging van stukken zich ook uitstrekt tot stukken die pas in de loop van het beroep of hoger beroep ter beschikking van de inspecteur zijn gekomen. Indien dergelijke stukken ter beschikking van de inspecteur komen na afloop van de in artikel 8:42 Awb bedoelde termijn, dient hij deze alsnog onverwijld aan de rechter toe te zenden. iii) Tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren niet slechts de stukken die de inspecteur heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit. Daartoe behoren in beginsel ook stukken als hiervoor onder i) en ii) bedoeld die de inspecteur wel ter beschikking staan of hebben gestaan maar die hij niet heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit. Stukken die de inspecteur wel heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit, maar die voor de beoordeling van de zaak door de rechter niet (langer) van belang zijn, behoren niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. Dit is bijvoorbeeld het geval ten aanzien van stukken die betrekking hebben op een element van de aanslag dat in beroep niet (meer) ter discussie staat. iv) Als een stuk passages bevat die op de zaak betrekking hebben, is dit stuk als geheel een op de zaak betrekking hebbend stuk. De verplichting om dit stuk over te leggen, ziet daardoor niet slechts op de voor de beoordeling van de zaak relevante passages. v) Ook ten aanzien van hetgeen hiervoor onder i tot en met iv is overwogen geldt hetgeen is neergelegd in overweging 2.3.2 van het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2015, nr. 14/01189, ECLI:NL:HR:2015:874, BNB 2015/129: indien de inspecteur verzuimt te voldoen aan de verplichting om op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen is het op grond van artikel 8:31 Awb aan de rechter om daaruit de gevolgtrekkingen te maken die hem geraden voorkomen. Dit voorschrift staat toe dat de rechter onder omstandigheden de gevolgtrekking maakt dat voorbijgegaan moet worden aan dit verzuim. Beslist de rechter niet aanstonds aan het verzuim voorbij te gaan, dan mag hij over de toepassing van artikel 8:31 Awb niet beslissen alvorens partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten.”
Noot inzake op de zaak betrekking hebbende stukken
Recent heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de rechter moet onderzoeken of alle op de zaak betrekking hebbende stukken ook zijn overlegd. Het Gerechtshof had in deze procedure overwogen dat belanghebbende de door haar gestelde inkomensprognoses niet had onderbouwd met stukken. Op de zitting bij het Gerechtshof stelt belanghebbende deze stukken al in de bezwaarfase aan de Inspecteur te hebben verstrekt. De Hoge Raad concludeert dat het Gerechtshof had moeten onderzoeken of de stukken de belastinginspecteur ter beschikking hadden gestaan. Zo dat het geval was, hadden deze stukken als stukken van de zaak door de belastinginspecteur aan de rechter moeten worden verstrekt. De inspecteur moet alle stukken die hij / zij tot de beschikking heeft gehad aan de belastingplichtige verstrekken. Of deze stukken ook zijn gebruikt doet niet terzake.
Ook kan de inspecteur stukken via een URL link aan de rechter of belastingplichtige sturen (artikel 8:42 awb), dit is volgens de Hoge Raad (binnen redelijke grenzen) toegestaan (Hoge Raad d.d. 31 mei 2024 ECLI:NL:HR:2024:567).
Als de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan belastingplichtige verstrekt, is het aan de rechter om daar consequenties aan te verbinden (artikel 8:31 AWB). Een mogelijke consequentie van het niet verstrekken van stukken kan zijn dat de aanslag wordt vernietigd. Ook kan de zaak worden terugverwezen en / of kan er een schadevergoeding worden toegekend.
In bezwaar- en beroepszaken kan de belastingplichtige zijn / haar dossier inzien. Wij zien dat, los van de echte discussie (materiële belastingschuld), ook de formele aspecten steeds vaker voor een gelijk bij belastingplichtige kunnen zorgen. Jongbloed Fiscaal Juristen is gespecialiseerd in fiscale bezwaar- en beroepszaken en heeft ruime ervaring met voeren van procedures tegen de Belastingdienst.
Laat u eens bijstaan door een fiscaal jurist in bezwaar- of beroepszaken (of bij een boekenonderzoek). Vrijblijvende afspraak of second opinion? Mail of bel ons gerust.
Bronnen op de zaak betrekking hebbende stukken
https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2018:2591
https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2015:874
https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2018:672
https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2022:278
Belastingadviseurs op zwarte lijst
De Belastingdienst heeft een zwarte lijst die nooit had mogen worden opgesteld. Omtrent deze lijst en de gevolgen wordt veel geschreven. Steeds vaker krijgen wij verzoeken om particulieren en ondernemers te helpen bij problemen die hierdoor ontstaan. Dat de Belastingdienst nooit persoonsgegevens had mogen verwerken in de Fraude Signalering Voorziening (FSV / zwarte lijst) staat wel vast. Ook worden de regels van de AVG door de Belastingdienst met voeten getreden. Naar nu blijkt staan er ook ruim 200 belastingadviseurs op de lijst (artikel 1 vandaag oktober 2021).
Als iemand op de FSV lijst staat mag de inspecteur gewoon een onderzoek instellen, dit is in meerdere uitspraken duidelijk geworden. Lees hier bijvoorbeeld een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam uit 2023. Aandachtspunt om te onderzoeken is dan wel dat de melding op de FSV lijst niet de aanleiding is geweest om een onderzoek in te stellen. Hiertoe kan een dossierinzage curciaal zijn. Als hieruit volgt dat er sprake is van een risicoselectie, een verwerking van persoonsgegevens in een databank of een gebruik van een databank waarin persoonsgegevens zijn opgeslagen, kunnen de kaarten anders liggen en kan sprake zin van schending van grondrechten.
CAF-onderzoek naar 200 belastingadviseurs
Binnen de Belastingdienst is een speciaal team bezig om boefjes in kaart te brengen, het zogenaamde Combinatieteam Aanpak Facilitators (CAF). Binnen dit team worden ondermeer accountants en belastingadviseurs die verdacht worden van fraude (terecht) stevig aangepakt. Dit ging veelal om belastingadviseurs die aangiften inkomstenbelasting verzorgden. Als er meer aftrekposten werden opgevoerd dan het gemiddelde, kon dit een aanleiding zijn om een belastingadviseur op deze lijst te plaatsen. Het CAF-team ging vervolgens in overleg met het Openbaar Ministerie en / of de FIOD. Een enkel 'vermoeden' was genoeg voor een nader onderzoek of een inval. Voor belastingadviseurs is er geen aparte regeling (voor gedupeerden in de toeslagen affaire wel).
Kamervragen over belastingadviseurs op zwarte lijst
Staatssecretaris Van Rij heeft antwoorden gegeven op Kamervragen over belastingadviseurs op deze zwarte lijst. Het gaat blijkbaar om 218 belastingadviseurs waarbij mogelijke fraude voor de inkomstenbelasting is onderzocht. Het hoofddoel van het CAF team, 'detecteren, analyseren, onderzoeken en stoppen van fraude', is een goede zaak. Hoe het CAF-team een belastingadviseur op de lijst heeft gezet is niet helemaal duidelijk. Om meer duidelijkheid te krijgen, heeft de staatssecretaris aangekondigd een extern onderzoek te laten instellen (lees Kamervragen 21 februari 2022).
Noot fiscaal jurist inzake zwarte lijst met belastingadviseurs
Dat er controle moet zijn op malafide belastingadviseurs is helder. Dat dit onderzoek zorgvuldig moet plaatsvinden ook. Kennelijk is er door het CAF-team gekeken naar aangiften waarop evenredig veel aftrekposten stonden. Vervolgens wordt gekeken naar de belastingadviseur die deze aangifte heeft ingediend. Als deze belastingadviseur meer aangiften met evenredig veel aftrekposten zou hebben ingediend, werd er een onderzoek opgestart. De Belastingdienst ging dan in overleg met het Openbaar Ministerie. Als er na een onderzoek werd geconcludeerd dat er sprake is van strafbare feiten (of een redelijk vermoeden tot een strafbaar feit), wordt besloten tot het aanpakken van de belastingadviseur. Vorenstaande - kennelijk - conform het protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten (AAFD). De centrale vraag is nu of dergelijke onderzoeken zorgvuldig zijn verricht en belastingadviseurs terecht zijn aangepakt. In diverse weekverslagen van het CAF wordt duidelijk dat de onderzoeken soms met een tunnelvisie worden uitgevoerd. Ook de FIOD zat strak op frauderende belastingadviseurs (bericht 2017). Dit werkte vrij eenvoudig, aangiften met bijvoorbeeld veel ziektekosten worden op grond van een algoritme uit het systeem gegooid en onderzocht. Vervolgens wordt gekeken naar een beconnummer (exclusief nummer van een belastingadviseur die de aangifte had ingediend) of het IP-adres van waaruit de aangifte inkomstenbelasting is verstuurd. Deze informatie wordt vervolgens uitgewisseld tussen verschillende overheidsorganen. Het probleem is dat een algoritme nog niks zegt over de juistheid van een ingediende aangifte, edoch door deze handelswijze werden belastingplichtigen en hun adviseurs wel in een verdachtenbankje gezet. De procedure bij de rechter wordt dan in gang gezet op grond van gemiddelden, schattingen, extrapolatie, vooroordelen en vage verklaringen, dit in combinatie met algoritmen en statistieken. Zo mag het fiscale recht niet werken, dit moet op grond van een grondig onderzoek, feiten en bewijzen. Wil vorenstaande zeggen dat alle belastingadviseurs deugen? Zeker niet, het is goed dat malafide belastingadviseurs worden aangepakt, maar dan wel op grond van degelijke onderzoeken en feiten. Bij de Belastingdienst moeten fiscalisten naar dossiers kijken en geen wiskundigen spelen.
De zwarte lijst van de Belastingdienst
Als iemand op de FSV lijst staat mag de inspecteur gewoon een onderzoek instellen, dit is in meerdere uitspraken duidelijk geworden. Lees hier bijvoorbeeld een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam uit 2023. Aandachtspunt om te onderzoeken is dan wel dat de melding op de FSV lijst niet de aanleiding is geweest om een onderzoek in te stellen. Hiertoe kan een dossierinzage curciaal zijn. Als hieruit volgt dat er sprake is van een risicoselectie, een verwerking van persoonsgegevens in een databank of een gebruik van een databank waarin persoonsgegevens zijn opgeslagen, kunnen de kaarten anders liggen en kan sprake zin van schending van grondrechten.
Het handelen van de Belastingdienst houdt (in ieder geval de fiscale) gemoederen al enige tijd bezig. Eén van de zaken die daarbij een rol speelt is het gebruik van de Fraude Signalering Voorziening (FSV), ook wel de zwarte lijst genoemd.
De FSV werd door de Belastingdienst gebruikt voor het signaleren van risicosignalen (bijvoorbeeld een klikbrief). Dit systeem blijkt niet te voldoen aan de eisen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het systeem is daarom op 27 februari 2020 uitgezet en wordt niet meer door de Belastingdienst gebruikt.
AVG en zwarte lijst Belastingdienst
Personen die in de FSV-applicatie opgenomen zijn of opgenomen zijn geweest, zouden hiervan in het voorjaar van 2021 automatisch bericht ontvangen. De Belastingdienst filtert wel wie er wel of niet een melding krijgt van de vermelding in de applicatie. Personen die zijn betrokken bij een strafrechtelijk onderzoek of worden genoemd in een tip- of klikbrief, ontvangen geen brief van de Belastingdienst. In de praktijk zien wij ook dat mensen regelmatig geen antwoord ontvangen op hun AVG-verzoek.
Op zichzelf genomen is dat best vreemd. Immers vaststaat dat met het FSV-systeem door de Belastingdienst de wet werd overtreden. Bij een tip- of klikbrief is op zijn minst nog maar de vraag of ook daadwerkelijk sprake is van strafbare feiten. De overheid lijkt dus te veroordelen zonder proces, terwijl zij zelf niet compliant is aan wet- en regelgeving. Op zijn minst curieus.
Rechtspersonen op zwarte lijst Belastingdienst
Vervelender wordt het als het gaat om rechtspersonen. Rechtspersonen vallen niet onder de reikwijdte van de AVG. Rechtspersonen die staan opgenomen in de applicatie ontvangen om die reden dan ook geen brief van de Belastingdienst ingeval zij zijn opgenomen in de applicatie.
Wellicht ook curieus, maar daarenboven onwenselijk. Immers de bestuurders van deze rechtspersonen kunnen gevolgen ondervinden als de rechtspersoon is opgenomen in de applicatie (aansprakelijkheid). Het is dan op zijn zachtst gezegd ook niet passend dat de overtreder van wet- en regelgeving (Belastingdienst) zich nu beroept op dezelfde wet- en regelgeving om de rechtspersonen niet te informeren.
Het ligt in de rede dat bestuurders bij een beroep op de AVG om duidelijkheid over de opname in de zwarte lijst, ook vragen naar de rechtspersonen waarvan zij bestuurder zijn en hun beroep stoelen op hun afgeleide belang (aansprakelijkheid of verantwoordelijkheid voor onrechtmatig handelen).
Waarmee kunnen wij u helpen?
Wij adviseren vele ondernemers in bezwaar- en beroepszaken en / of bij het verkrijgen van informatie over de zwarte lijst. Wilt u een vrijblijvende afspraak of offerte ontvangen? Mail ons gerust.
Bron zwarte lijst Belastingdienst
Parlementaire enquête fraudebeleid
Informatie Belastingdienst inzake zwarte lijst
Rapport PWC 17 maart 2022 (Effecten FSV MKB)
Rapport PWC 17 maart 2022 (onderzoek aan de Poort)
Kamerbrief d.d. 29 maart 2022 bij PWC rapporten
MB
Knevelarij en zwarte lijst
Als iemand op de FSV lijst staat mag de inspecteur gewoon een onderzoek instellen, dit is in meerdere uitspraken duidelijk geworden. Lees hier bijvoorbeeld een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam uit 2023. Aandachtspunt om te onderzoeken is dan wel dat de melding op de FSV lijst niet de aanleiding is geweest om een onderzoek in te stellen. Hiertoe kan een dossierinzage curciaal zijn. Als hieruit volgt dat er sprake is van een risicoselectie, een verwerking van persoonsgegevens in een databank of een gebruik van een databank waarin persoonsgegevens zijn opgeslagen, kunnen de kaarten anders liggen en kan sprake zin van schending van grondrechten.
Vertrouwen Belastingdienst op dieptepunt
Opname zwarte lijst zorgt voor vermindering aanslagen
Het Gerechtshof in Arnhem heeft een vernietigende uitspraak gepubliceerd over de handelswijze van een inspecteur bij de Belastingdienst. In deze zaak staat centraal: “kunnen we de Belastingdienst nog wel vertrouwen?” De Belastingdienst heeft een ondernemer bestookt met ruim 400 brieven, dit bleek achteraf onterecht en de ondernemer wordt op alle onderdelen - die hier ter discussie stonden - in het gelijk gesteld. Tijdens de zitting trekt de inspecteur alle naheffingsaanslagen in. Tevens geeft de inspecteur aan de zaak ook intern te willen oplossen. De ondernemer krijgt € 25.000 aan vergoeding voor gemaakte kosten.
Zwarte lijst en procedures tegen de belastingdienst
Uit gestelde kamervragen volgt dat er naast privé personen (ongeveer 240.000) ook rechtspersonen (ongeveer 85.000) op de zwarte lijst stonden. Verzoeken inzake rechtspersonen op deze lijst worden afgewezen (hiervoor geldt de AVG niet, deze ziet op persoonsgegevens, aldus onze minister) maar ook verzoeken door privé personen worden steeds vaker negatief beantwoord resp. er wordt geen informatie verstrekt.
Vertrouwen in Belastingdienst op dieptepunt
Na vele incidenten, zoals de toeslagenaffaire en de zwarte lijst, is het vertrouwen van de maatschappij richting de Belastingdienst gedaald tot een dieptepunt. De burgers vertrouwen de Belastingdienst steeds minder, maar het blijkt nu dat dit wantrouwen ook bij rechters gaat spelen.
De rechters in Arnhem vragen zich openlijk af of we de Belastingdienst nog wel kunnen “vertrouwen”. Deze stevige uitspraak is de eerste uitspraak die dit onderdeel klip en klaar aan de orde stelt. De felle bewoordingen van het Gerechtshof hebben wij nog nooit voorbij zien komen. Deze ondernemer stond op de zwarte lijst (Fraude Signalering Voorziening), kennelijk staan dus niet alleen personen, maar ook bedrijven op deze lijst. De ondernemer in deze casus wordt continue bestookt met brieven (400 in getal) en is vermoedelijk administratief ondergedoopt in de beantwoording van al deze brieven en de hiermee samenhangende procedures. Na passende en scherpe vragen van de rechter worden de naheffingen door de Belastingdienst ingetrokken.
Rechter en wantrouwen Belastingdienst, de zaak
De bv’s behoren in eigendom toe aan een echtpaar. Een werknemer binnen het concern wordt uitgebreid gecontroleerd in verband met mogelijke toeslagenfraude. In 2016 wordt hierdoor ook de werkgever (het concern) bij een controle betrokken. Volgens de ondernemer werd er door de Belastingdienst verondersteld dat sprake is van (vermeende) fraude bij het indienen van belastingaangiftes, zonder hiervoor ook maar enig bewijs te hebben. De ondernemer heeft honderden bezwaar- en beroepszaken moeten voeren, dit met de nodige financiële en psychische stress tot gevolg.
Toen het voor de ondernemer helder is geworden dat hij op de zwarte lijst stond, gingen de alarmbellen aan. De ondernemer kreeg echter geen informatie uit het zogenaamde FSV-dossier. Deze stukken worden ook niet aan de rechter ter beschikking gesteld.
De inspecteur erkende tijdens de zitting dat er onzorgvuldig is gehandeld door de Belastingdienst. Tijdens de zitting geeft de inspecteur – na indringende vragen van de rechter – toe dat diverse aanslagen in de prullenbak kunnen en overige zaken in overleg moeten worden opgelost. De rechter is woest en spreekt nogmaals zijn wantrouwen richting de Belastingdienst uit.
De zwarte lijst (FSV), wat wil dit zeggen?
De Belastingdienst heeft in 20 jaar tijd een lijst met ruim 250.000 burgers opgebouwd. In deze lijst stonden gegevens van burgers die om verschillende redenen op deze lijst zijn opgenomen. Naar nu blijkt stonden op deze lijst ook bedrijven en ondernemers. Kerndiscussie is dat burgers op deze lijst worden opgenomen zonder dat er echt bewijs is van fraude, een vermoeden of boze buurman kan al genoeg zijn. Een wettelijke grondslag voor deze lijst was er dan ook niet. Uit berichtgeving volgt zelfs dat er voor het frauderisico ook etnisch wordt gekeken naar de burger die wordt opgenomen, denk hierbij een uiterlijke kenmerken en nationaliteit.
Noot fiscaal jurist inzake vertrouwen Belastingdienst
Een uiterst verontrustende uitspraak van het Gerechtshof. Mede door opname op de zwarte lijst wordt een ondernemer bestookt met 400 brieven en honderden bezwaar- en beroepszaken. Dat dit stress zal hebben opgeleverd is wel duidelijk. Tijdens de zitting (pas in hoger beroep) trekt de Belastingdienst alles in.
Tegen de uitspraak is geen beroep in cassatie ingesteld. In deze casus is de informatie uit de zwarte lijst niet aan belastingplichtige ter beschikking gesteld, blijkbaar komt dit vaker voor (artikel trouw 2 maart 2022). Volgens kamer vragen over dit onderwerp had de inspecteur de informatie uit de zwarte lijst hoog waarschijnlijk gewoon aan de rechter moeten verstrekken (op grond van artikel 8:42 AWB / 8;29 AWB), dit is niet gebeurd. In het besluit beroep in belastingzaken staan de formele regels voor een beroepsprocedure, deze lijken niet zorgvuldig in acht te zijn genomen.
Wat ook tot "fronsende wenkbrauwen" mag leiden is dat een inspecteur tijdens de bezwaar procedure altijd de volledig zaak in eerste aanleg (de aanslag) moet voorleggen aan een collega (iemand anders dan degene die bij de aanslag betrokken was). In deze casus had dit zeker moeten plaatsvinden omdat de controle is uitgevoerd door een inspecteur die bekend stond om zijn strenge aanpak. De controleur werkt ook niet meer bij de Belastingdienst (zie RO 2.8 van uitspraak) . Op dergelijke momenten zouden alle alarmbellen aan moeten gaan. Niks is echter minder waar, de formele trein rammelt gewoon door.
Tijdens de beroepsprocedure moet er op grond van het besluit beroep in belastingzaken ook nog collegiale toetsing plaatsvinden van bijvoorbeeld het verweerschrift. Bij de beslissing om een procedure te beginnen moet er ook nog toestemming komen van een vakman, de zogenaamde vaktechnische coördinator bij de Belastingdienst. Hoe kan een vakman besluiten tot een dergelijke procedure waarbij de inspecteur tijdens de zitting met zijn spreekwoordelijke mond vol tanden staat?
De zaak wordt dus door meerdere medewerkers binnen de Belastingdienst beoordeeld. Ondanks deze formele regels gaat er nog van alles mis en wordt de belastingplichtige met de rug tegen de muur gezet.
Wat zorgwekkend is, is het volgende:
- Een ondernemer krijgt een onderzoek en er volgt diverse correspondentie met de medewerker van de Belastingdienst.
- Er worden honderden aanslagen opgelegd en de DGA (Directeur-Grootaandeelhouder) klimt in de pen.
- Diverse informatie wordt "over en weer gestuurd", edoch zonder een succesvolle afloop.
- Vervolgens vindt er bij een andere inspecteur een bezwaarprocedure plaats, dit met een volledig onafhankelijke beoordeling. Tijdens deze bezwaarprocedure blijft alles gewoon bij wat het was.
- Er volgt een beroepsprocedure (veelal ook bij een andere inspecteur), dit ook zonder succes.
- Er hebben dus zeker 3 inspecteurs naar de zaak gekeken.
- Er volgt een Hoger Beroep bij het Gerechtshof, in deze zaak stelt de inspecteur: "alles ging fout en we moeten de zaak breder trekken om het op te lossen."
Hoe is dit mogelijk? Waarom trekt er in deze fase, die jaren heeft geduurd, niemand aan de bel? Het vertrouwen in de Belastingdienst staat op dit moment op het laagste niveau sinds 2015. Er worden sinds 2022 binnen de gehele organisatie van de Belastingdienst programma's ontwikkeld om de kwaliteit en vakkennis te vergroten en hierbij ook de menselijke maat in acht te nemen, zie hiertoe het jaarplan 2022 van de Belastingdienst . Het woord "menselijke maat" komt sinds het eerst 4x voor in dit jaarplan.
Als fiscalist spreek je bijna van knevelarij of onrechtmatige overheidsdaad.
Knevelarij is in het Nederlandse rechtssysteem het innen, ontvangen of terughouden van geld door iemand die daartoe misbruik maakt van zijn positie als ambtenaar, terwijl hij weet (of kon weten) dat dit geld niet is verschuldigd. Deze strafrechtelijke weg loopt via het OM. In de toeslagenaffaire is dit vaak aan de orde geweest en recentelijk hebben gedupeerden uit deze affaire ook aangifte gedaan jegens ambtenaren van de Belastingdienst. Ook het ministerie heeft in het verleden al eens aangifte gedaan van twee mogelijke misdrijven.
Een andere (civiele) route is de schadevergoeding ex artikel 6:162 BW (de onrechtmatige daad). Als een belastingplichtige vindt dat hij / zij schade heeft geleden door handelen, nalaten of een vergissing van een werknemer van de Belastingdienst, dan kan hij / zij de Belastingdienst hiervoor aansprakelijk stellen. Lees hiertoe deze WOB-informatie. In een dergelijke procedure zult u niet de inspecteur (knevelarij), maar de staat dagvaarden.
Er zijn door de heer Omtzigt reeds vragen gesteld aan de nieuwe staatssecretaris van Financiën. Deze zaak zal dus nog wel een staartje krijgen. In deze zaak wordt niet op keurige wijze belasting geïnd, maar worden willens en wetens levens kapotgemaakt. Het is goed dat de rechter de Belastingdienst nu een halt toeroept. Dat de inhoud van de lijst nog steeds niet openbaar wordt gemaakt en bedrijven al helemaal geen inzage krijgen (AVG is voor particulieren), is schrijnend. Nog steeds worden de kaarten onterecht tegen de borst gehouden.
De bikkelharde en genadeloze werkwijze van de inspecteur wordt in deze zaak wel erg helder. Ondernemertje pesten behoort niet tot een taak van wie dan ook. Het is dan ook niet gek dat een rechter openlijk het wantrouwen in de Belastingdienst ter discussie stelt. De Belastingdienst moet de komende jaren echt aan zijn imago gaan werken en stoppen met bedenkelijke spelletjes.
Deze ondernemer kreeg ten onrechte diverse aanslagen vennootschapsbelasting, omzetbelasting en loonheffingen in de brievenbus. In deze procedure ging het enkel om de opgelegde naheffingsaanslagen loonheffingen, namelijk het DGA-loon van de ondernemer.
Hoewel de inspecteur stelt dat opname op de zwarte lijst niet de aanleiding is geweest voor het onderzoek, gaan er bij de rechter wel alarmbellen aan en spreekt de rechter zijn wantrouwen richting de Belastingdienst uit. Hoewel de vermelding op de zwarte lijst wellicht niet de aanleiding is geweest voor het uitgebreide onderzoek, zal de vermelding – aldus de rechter – zeker van grote invloed zijn geweest op het verloop van dit onderzoek en de opstelling van de inspecteur.
Anders dan in het arrest van de Hoge Raad in 2021 ging het in deze zaak om naheffingsaanslagen waarbij de bewijslast bij de inspecteur ligt en niet bij de ondernemer. De inspecteur geeft na een streng verhoor aan dat de naheffingsaanslagen worden vernietigd en dat er naar het gehele dossier zal worden gekeken.
In geschil blijft dan nog de proceskostenvergoeding. De rechter ziet ruimte om niet bij het karige forfait aan te sluiten, maar meer te kijken naar een echte vergoeding van gemaakte kosten. De ondernemer geeft aan dat deze kosten ruim € 40.000 bedragen, de rechter stelt de vergoeding in redelijkheid vast op € 25.000.
Wij vinden het zorgwekkend om de laatste jaren te moeten lezen dat gezinnen en ondernemers bewust door de Belastingdienst kapot worden gemaakt. Deze ondernemer is er psychisch aan onderdoor gegaan en moest honderden bezwaar- en beroepsprocedures voeren. Zowel in de bezwaar- als beroepsfase bleef de inspecteur vasthouden aan zijn gelijk. Pas in hoger beroep is duidelijk geworden dat er feitelijk sprake is van knevelarij, een straffeit dat door het OM zou moeten worden opgepakt. Dat dit in Nederland mogelijk is, roept vele vragen op. Dat de enige sanctie een kostenvergoeding is, maakt verdrietig.
Het lopende onderzoek van PWC zal de komende tijd meer duidelijkheid gaan geven over de zwarte lijst en gevolgen hiervoor voor belastingplichtigen. Eerdere aangiften bij het OM (Openbaar Ministerie) gingen nog de prullenbak in. Hopelijk zullen de lopende onderzoeken meer informatie opleveren, waardoor een inspecteur – in voorkomende gevallen – wel kan worden vervolgd.
Bron zwarte lijst en vertrouwen Belastingdienst
Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden d.d. 25 januari 2022 ECLI:NL:GHARL:2022:488
Gerechthof Den Haag d.d. 13 juli 2022 ECLI:NL:GHDHA:2022:1301
FSV zwarte lijst van de Belastingdienst
Hoge Raad d.d. 10 december 2021 ECLI:NL:HR:2021: 1748
Parlementaire enquête fraudebeleid
Rapport PWC 17 maart 2022 (Effecten FSV MKB)
Rapport PWC 17 maart 2022 (onderzoek aan de Poort)
Moet een belastingplichtige zijn agenda verstrekken aan de Belastingdienst?
De administratie moet 7 jaar worden bewaard. Maar wat behoort er tot de administratie van een belastingplichtige? Volgens de Belastingdienst behoort een (privé-)agenda tot de administratie van een belastingplichtige. Moet u dan de papieren of digitale agenda (Outlook / Google) volledig verstrekken aan de Belastingdienst? In deze procedure bij de Hoge Raad in april 2024 is bepaald dat in bepaalde situaties de prive agenda moet worden verstrekt.
Agenda onderdeel van de administratie
Een agenda bevat privé- en soms zakelijke afspraken van een belastingplichtige. De Belastingdienst kan veel informatie uit een dergelijke agenda halen. Voor een kapster, belastingadviseur, consultant, etc. kan een agenda ook fiscaal relevante informatie bevatten, zoals het aantal afspraken, de locatie, etc. Ook als er kladaantekeningen in de agenda staan opgenomen, is de agenda relevant voor de Belastingdienst. De agenda kan ook relevant zijn bij een derdenonderzoek (dus een onderzoek bij iemand anders), dit om te controleren of een afspraak daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
Moet een agenda zomaar aan de Belastingdienst worden verstrekt?
Het belangrijkste is dat de agenda fiscaal relevant is, immers enkel fiscaal relevante informatie moet door de belastingplichtige worden verstrekt. Geheimhouders (advocaten, notarissen) hoeven een agenda niet te verstrekken. Hier blijft het overigens niet bij. Alle boeken en bescheiden (en andere gegevensdragers) moeten - ter keuze en beoordeling van de inspecteur - geraadpleegd kunnen worden door de Belastingdienst. Een zakelijke agenda moet dus worden verstrekt (ook digitaal), de strijdigheid met de Wet Bescherming Persoonsgegevens wordt opgeheven in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. De fiscale relevantie moet echter wel vaststaan, dit zou u kunnen opvragen bij de Belastingdienst (waarom wilt u de agenda ontvangen en wat is de fiscale relevantie?). Als u de agenda niet zou verstrekken, is het mogelijk dat de Belastingdienst een informatiebeschikking verstrekt en / of de administratie verwerpt. In beide gevallen wordt de bewijslast omgekeerd.
Belastingadviseur weigert agenda te verstrekken
In een procedure bij het Gerechtshof (in 2022) weigerde een belastingadviseur zijn agenda te verstrekken aan de Belastingdienst. De inspecteur wil deze agenda ontvangen om te kijken naar de afspraken inzake het verzorgen van aangiften inkomstenbelasting. In de agenda stonden zakelijke en privé-afspraken. De inspecteur stuurt een informatiebeschikking aan de belastingadviseur (omkering bewijslast). Zowel de rechtbank als het gerechtshof zijn het met de inspecteur eens. Het standpunt van de inspecteur is redelijk en de informatie uit de (privé- en zakelijke) agenda is fiscaal relevant. Dit komt mede omdat de belastingadviseur ook privé-afspraken inzake aangiften voor vrienden in zijn agenda noteert. Dat deze afspraken geen geld opleveren en dus geen bron van inkomen vormen, wordt als "flauwekul" verworpen door het gerechtshof. De rechter komt tot het volgende:
- RO 4.16: Naar het oordeel van de rechtbank mocht de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de door hem gevraagde gegevens en bescheiden van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing. Aangezien belanghebbende afspraken voor het invullen van belastingformulieren voor mensen in de vriendenkring in zijn privé-agenda noteert (…), zou die agenda van belang kunnen zijn voor de heffing van IB/PVV en omzetbelasting in de betrokken jaren. De stelling van belanghebbende dat de Belastingdienst al over de gegevens zou beschikken, verandert dit niet.
Dat de privé-agenda niet is bewaard, komt voor rekening en risico van de belastingadviseur. De algemene beginselen en artikel 8 EVRM worden niet geschonden. De Hoge Raad heeft op 5 april 2024 de uitspraak van het Gerechtshof bevestigd (ECLI:NL:HR:2024:528)
Noot belastingadviseur inzake verstrekken agenda aan Belastingdienst
Aan de inspecteur moet (op grond van artikel 47 en 49 AWR) alle fiscaal relevante informatie worden verstrekt.
Bij een boekenonderzoek of een controle wordt veel informatie door de Belastingdienst opgevraagd. Belangrijk is dat een belastingplichtige zijn rechten bij een boekenonderzoek kent en ook de regie gaat houden over de stukken die worden verstrekt en de antwoorden die worden gegeven. Het inschakelen van een ervaren fiscalist is dus bittere noodzaak. Vertrouwelijke informatie of adviezen hoeven niet te worden verstrekt, ook informatie van een advocaat hoeft niet te worden verstrekt aan de Belastingdienst (geheimhouding / fair play). Een inspecteur moet tijdens een onderzoek ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen en moet dus zorgvuldig de belangen van een belastingplichtige afwegen. Een inspecteur wijzen op deze beginselen en / of fairplay of de fiscale relevantie is dus niet gek. Ook mag een inspecteur niet - zonder toestemming van belastingplichtige - in kasten of een computer kijken. Als de inspecteur voornemende is om een boete op leggen (vraag hierom), moet hij / zij u op de cautie wijzen (zwijgrecht). Tenslotte moet de inspecteur u altijd een redelijke termijn geven en moet u erop letten dat u niet zomaar alle vragen gaat beantwoorden.
Op grond van de inlichtingenverplichting moet iedere ondernemer (belastingplichtige) op verzoek van de Belastingdienst de informatie verstrekken die voor zijn belastingheffing (of die van anderen) relevant is of kan zijn. Dit geldt ook voor het verstrekken van uw agenda. Als een belastingplichtige de informatie niet meer heeft is geen sprake van schending van de inlichtingenverplichting, tenzij de belastingplichtige (zoals in deze casus) een administratieplichtige is.
Tenslotte, het is verstandig om een privé- en zakelijke agenda te bezitten !
Bron verstrekken agenda aan belastingdienst
Gerechtshof Den Bosch d.d. 12 januari 2022 ECLI:NL:GHSHE:2022:38
Rechtbank Zeeland - West Brabant d.d. 25 juni 2020 ECLI:NLRBZWB:2020:2670
Controledossier Belastingdienst opvragen
Henk is verwikkeld in een fiscale procedure tegen de Belastingdienst. Henk ging in beroep tegen een informatiebeschikking en wil hiertoe ook meer informatie ontvangen van de Belastingdienst. De inspecteur piept enkel over artikel 47 AWR waarin staat dat Henk alle informatie moet verstrekken, Henk verstrekt ook alle (fiscaal relevante) informatie. Echter de inspecteur moet ook alle informatie van belastingplichtige aan Henk verstrekken, dit gaat moeizaam. Henk heeft het verslag boekenonderzoek ontvangen, maar wil ook graag het volledige controledossier (met interne correspondentie en notities) ontvangen. De rechter is het met Henk eens! Deze uitspraak biedt mogelijkheden voor toekomstige bezwaarzaken en onderzoeken van de Belastingdienst. Of er hoger beroep is aangetekend, is niet bekend.
Informatieplicht bij dossier inzage geschonden
De belastingdienst verstrekt niet altijd alle dossierinformatie aan een belastingplichtige en/of de rechter. Er zijn 138 zaken onderzocht en in 10% van deze zaken is de verplichting geschonden. Bij ongeveer 50% van de onderzochte zaken bestond er een geschil over de dossierinzage en/of informatieverstrekking door de Belastingdienst. Bij één zaak was het zo ernstig dat de aanslag in de prullenbak verdween, in andere zaken werden proceskosten en/of griffierechten vergoed. Er kan sprake zijn van drie situaties:
- Computers niet op orde (tekortkoming in de informatie huishouding bij de Belastingdienst)
- Interpretatie artikel 8:42 AWB
- Onterecht verzoek op geheimhouding stukken (onwil)
De staatssecretaris heeft toegezegd dat interne processen worden verbeterd en tevens intern sneller met procesdeskundigen wordt overlegd welke informatie op grond van artikel 8:42 AWB wel of niet moet worden verstrekt. Het is slordig of kwalijk dat informatie niet wordt verstrekt, edoch bij 2.000 procedures en 60 kritische zaken valt dit ook wel weer mee. Dit blijkt uit een jurisprudentieonderzoek dat de staatssecretaris heeft laten uitvoeren.
Informatie opvragen bij de belastingdienst of inspecteur
De inspecteur vraag vaak alle informatie (ook fiscaal niet relevant) op bij een belastingplichtige. Soms is deze informatie door omstandigheden niet of niet meer beschikbaar. De inspecteur is veelal niet bereid om zelf een onderzoek in te stellen, bijvoorbeeld bij derden (zoals banken en klanten). Op dat moment ontstaat er een patstelling tussen belastingplichtige en de inspecteur. Zijn hiervoor oplossingen? Jazeker, zowel in via het strafrecht als via een recente uitspraak van de Rechtbank Noord Holland (oktober 2021) zijn er mogelijkheden. In de genoemde procedure (over crypto valuta) deed belastingplichtige zijn best om alle relevante informatie op te vragen en te verstrekken, volgens de inspecteur is er opzettelijk onjuiste informatie verstrekt. De rechter denkt hier anders over (rechtsoverweging 24), namelijk : Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser in ieder geval ten dele opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt betreffende de wijze waarop eiser de bitcoins heeft verkregen.Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Alhoewel eiser in het beroepschrift, in de aanvullingen daarop en ter zitting uitgebreid en gedetailleerd heeft verklaard over de gang van zaken bij de gestelde aankoop van de bitcoins, heeft hij geen concrete of verifieerbare informatie verstrekt over de gestelde verkoper van de 164,999 bitcoins.
Interne dossierinformatie, oordeelsvorming en controlestrategie geheimhouden?
De vraag is altijd welke informatie de Belastingdienst wel en niet moet verstrekken. De geheimhoudingskamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 14 april 2025 ECLI:NL:RBZWB:2025:2166, oordeelt dat de inspecteur grotendeels recht heeft op geheimhouding van de volgende stukken:
- controlestrategie,
- persoonlijke werkaantekeningen en
- interne oordeelsvorming
De rechtbank wijst het verzoek om geheimhouding af voor enkele delen van de stukken, maar keurt het verzoek voor het merendeel van de documenten goed. Het gaat hierbij met name om stukken met persoonsgegevens van medewerkers van de belastingdienst en stukken die zien op de persoonlijke levenssfeer van belastingambtenaren. Geheimhouding is alleen toegestaan bij gewichtige reden, er moet altijd een terughoudendheidstoets worden toegepast (geheimhouding is de uitzondering). In deze uitspraak mogen stukken met strategische overwegingen (zie ook Hoge Raad d.d. 4 mei 2018 ECLI:NL:HR:2018:672) , intern beraad en persoonlijke werkaantekeningen deels geheim worden gehouden. Diverse mails (zonder melding mailadres) moeten wel worden verstrekt.
Geheimhouding klikbrieven niet toegestaan
In een procedure bij de Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 22 januari 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:300) was de inspecteur niet bereid om de inhoud van zogenaamde klikbrieven te verstrekken. De belangrijkste reden was de privacy en veiligheid van de tipgever/ klikspaan. De rechtbank is dit niet met de inspecteur eens. De inspecteur heeft onvoldoende concrete en verificeerbare redenen aangevoerd voor de geheimhouding. Het enkel stellen dat een tipgever risico loopt en hier geestelijke last van zou kunnen krijgen is onvoldoende. Er is namelijk geen onderzoek gedaan naar de feitelijke risico's voor de tipgevers. Het belang van de belastingplichtige bij de inhoud van de ongeschoonde inhoud van de klikbrieven weegt zwaarder dan de reden voor geheimhouding. De brireven moeten binnen 2 weken aan belastingplichtige worden verstrekt.
Procedure inzake dossierinzage bij de Belastingdienst
De inspecteur mag zelf bepalen welke informatie hij / zij in het dossier van de Belastingdienst neerlegt. Het moet gaan om zogenaamde "op de zaak betrekking hebbende stukken". Volgens de inspecteur is het verslag boekenonderzoek voldoende, omdat het controledossier (en de correspondentie en notities) geen enkele rol hebben gespeeld bij het stellen van vragen aan Henk en bij het verstrekken van de informatiebeschikking. Ook in de bezwaarfase (waarbij u om inzage in uw dossier kunt vragen) is deze informatie niet meegewogen. Conclusie: de informatie wordt niet aan Henk verstrekt.
De rechtbank is het niet met de inspecteur eens en stelt in haar uitspraak (RO 2.7) het volgende:
- Naar het oordeel van de rechtbank zijn in dit geval de op de zaken betrekking hebbende stukken: alle stukken die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan in relatie tot het nemen van de informatiebeschikking.
- Daartoe behoort in ieder geval het controledossier, voor zover dat niet reeds, al dan niet met een beroep op artikel 8:29 van de Awb, is overgelegd.
- De inspecteur heeft immers zelf gesteld dat het controlerapport dat is opgemaakt naar aanleiding van het boekenonderzoek bij [X] tot door de inspecteur verzamelde stukken behoort.
- Nu het controlerapport tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoort, behoren daartoe ook de achterliggende stukken zoals het volledige controledossier en de (interne) correspondentie en interne notities.
- Dit brengt met zich dat ook het controledossier en de (interne) correspondentie en interne notities voorafgaande aan de overlegging van het controlerapport van belang kunnen zijn voor de beantwoording van de vraag of de informatiebeschikking terecht is genomen.
- Zonder kennisneming van die stukken kan niet worden uitgesloten dat de stukken van enig belang voor de besluitvorming in de onderhavige zaak zijn geweest.
Tips bij dossierinzage belastingdienst
Neem uw paspoort of rijbewijs mee naar elke bezoek bij de belastingdienst. Onderstaand enkele tips welke u voor de dossierinzage aan de inspecteur kunt sturen.
- Vragen om inhoudsopgave van het dossier (met melding welke stukken eruit zijn gehaald).
- Vragen of er ook een digitaal dossier aanwezig is.
- Vraag expliciet of het dossier dat u mag inzien volledig is en/of er stukken zijn uitgehaald. Als er stukken zijn uitgehaald vraag dan waarom.
- Leg de stukken op chronologische volgorde en maak na het gesprek een tijdlijn. Dit geeft een beter inzicht in de feiten.
- Vragen om e-mails, notities, standpunten kennisgroep en vastleggingen van telefoongesprekken.
- Vragen of behandelaar erbij kan zijn.
- Kijk kritisch of er stukken ontbreken (bijvoorbeeld door verwijzingen in de stukken naar andere stukken, mails of telefoongesprekken).
- Vraag vooraf om de voorgenomen uitspraak op bezwaar en/of het standpunt van de inspecteur.
- Vraag aan einde van gesprek dat toekomstige stukken aan u worden toegestuurd.
- Aangeven dat je eventueel afschriften en/of foto's, wilt nemen.
Tips voor hoorgesprek belastingdienst
De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt (artikel 7:2) dat u in de gelegenheid moet worden gesteld te worden gehoord voordat er een beslissing wordt genomen. Als de belastingdienst aan al uw bezwaren tegemoet komt is dit niet echt nodig. In Artikel 25 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is bepaald dat u slechts wordt gehoord op zijn verzoek. In het hoorgesprek kan de belastingdienst extra informatie inwinnen en kunt u uw zienswijze nader toelichten. Hierbij een aantal tips voor het hoorgesprek:
- Stel een agenda op voor de onderwerpen welke u wilt bespreken.
- Begin het gesprek met een korte inleiding waarin u het volgende aangeeft (a) de feiten (b) standpunt inspecteur (c) uw standpunt (d) de geschilpunten.
- Vraag om een toelichting van het standpunt van de inspecteur met indien nodig een verduidelijking van zijn mening of standpunt. Vraag dus om het standpunt van de belastingdienst en hoe ze bij dit standpunt komen.
- Let op de non verbale communicatie van de inspecteur en overige aanwezigen.
- Neem alle relevante informatie mee naar het hoorgesprek.
- Wees helder en duidelijk en geef de inspecteur wellicht nieuwe inzichten, vermijd juridisch of fiscaal jargon, maar noem indien nodig wel jurisprudentie en wetsartikelen.
- Als u nog stukken of informatie wilt toevoegen neem deze dan mee naar de hoorzitting en laat afschriften achter voor de belastingdienst.
- Maak een (pleit) notitie met een samenvatting van alle feiten en laat dit aan gespreksverslag hechten.
- Maak zelf tijdens bespreking verslag en stuur dit direct na de hoorzitting aan de inspecteur. Leg hierin de belangrijkste punten en eventuele afspraken vast. Dit verslag zal dienen als gespreksverslag in de latere fase.
- Vraag of er stukken uit dossier zijn gehaald en waarom.
- Indien gewenst probeer in het hoorgesprek een compromis te bereiken of onderzoek of er op onderdelen nog oplossingen zijn te vinden.
- Vraag of er derdenonderzoeken zijn verricht en/of externe informatie over u is ingewonnen.
- Maak indien nodig en gewenst duidelijk afspraken aan het einde van het gesprek (dus moet er nog informatie worden aangeleverd en/of standpunten worden toegelicht).
- Sluit het gesprek correct en professioneel af en bedank de belastingdienst medewerker voor het gesprek.
- Vraag eventueel een fiscaal jurist (second opion) om de situatie te beoordelen. U kunt ons hiertoe een mail sturen voor een vrijblijvende offerte.
Noot inzake op zaak betrekking hebbende stukken
De inspecteur heeft niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken verstrekt. In dit kader was voor Henk van belang waarom er een woonplaatsonderzoek is ingesteld, welke informatie er intern bij de Belastingdienst is opgevraagd en welke mening de teams binnen de Belastingdienst op interne memo's hebben geschreven. Het mag duidelijk zijn dat dit uiterst relevante informatie betreft. De rechtbank heeft de inspecteur verzocht de informatie alsnog te verstrekken en hiermee wordt het onderzoek heropend. Deze procedure lijkt in grote lijnen ook op een procedure bij het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden. In deze laatste procedure ging het om 2.200 stukken en 1.500 berichten die alsnog moesten worden verstrekt.
Wij hebben steeds vaker discussie met de inspecteur over het dossier van een belastingplichtige welke ter inzage wordt verstrekt. Veel documenten, interne notities, telefoongesprekken, mails worden niet opgenomen in het dossier van de Belastingplichtige of worden (deels) zwart gelakt. De belangrijkste reden welke wordt aangevoerd is dan: "doet niet terzake of is niet gebruikt bij opleggen van de aanslag" of dat deze onder de "geheimhouding" vallen.
De rechter is de laatste jaren meer op de hand van de belastingplichtige en eist veel meer informatie. Bij een boekenonderzoek moeten veelal ook de interne notities, concept-verslagen en correspondentie worden verstrekt. Bij een FIOD-inval moet ook het zogenaamde weegdocument worden opgenomen. Als het gaat om persoonlijke meningen van inspecteurs, mogen deze veelal wel uit een fiscaal dossier worden verwijderd, dit moet dan wel door de inspecteur worden gemotiveerd (dus waarom).
De Hoge Raad (ons hoogste rechtscollege) stelt dat de Inspecteur verplicht is dat alle stukken die een rol spelen bij de besluitvorming tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren. Het moet dus om een volledig en logisch dossier gaan. Soms is geheimhouding (wegens een gewichtige reden) noodzakelijk, de stukken hoeven dan niet te worden verstrekt (artikel 8:29 AWB). Soms mag de rechter deze stukken wel zien en de belastingplichtige niet, dit loopt dan via de geheimhoudingskamer.
Laat u adviseren door een fiscalist, zodat deze - in overleg met de Belastingdienst - alle relevante informatie in bezit krijgt. De informatie kan ervoor zorgen dat u een procedure eenvoudiger kunt motiveren en / of simpelweg wint omdat informatie niet mocht worden gebruikt of op verkeerde gronden bij u in overweging is genomen. Voor de waarheidsvinding en een juiste aanslag of aansprakelijkheidsstelling is het van belang dat de inspecteur ook kritisch kijkt naar zijn / haar eigen werk en mogelijke hobbels in het dossier of gaten in de bewijsvoering.
Bron op de zaak betrekking hebbende stukken
Rechtbank Zeeland - West Brabant d.d. 2 september 2021 ECLI:NL:RBZWB:2021:4447
Gerechtshof 10 november 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:4838)
Hoge Raad 15 januari 2016 nr. 14/02925, ECLI:NL:HR:2016:39
Hoge Raad d.d. 4 mei 2018 (ECLI:NL:HR:2018:672)
Gerechtshof Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL: 2019: 7933)
Hoge Raad 25 april 2008, nrs. 43448 en 43791, ECLI:NL:HR:2008:BA3823 en ECLI:NL:HR:2008:BB5868
Hoge Raad 15 november 2013, nr. 12/0606, ECLI:NL:HR:2013:1129
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 oktober 2014, 13/00842-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2014:4205
Ne bis in idem beginsel in belastingzaken
Het Hof van Justitie in Luxemburg gaat zich buigen over het verbod van dubbele strafoplegging (ne bis in idem-beginsel), dit in een belgische procedure die aan de EU rechter wordt voorgelegd. In Nederland is het toegestaan dat een belastingplichtige in het ene jaar bestuursrechtelijk wordt beboet en in andere jaar strafrechtelijk wordt vervolgd (aldus de Hoge Raad). Dat een administratieve (fiscale) boete en daarna strafrechtelijke vervolging of afdoening als dubbele straf voelt mag helder zijn. Het woord is nu aan het Hof van Justitie, beetje hoop dus nog.
Samenloop strafrecht en fiscale boete
Als iemand in een strafzaak of het daaraan voorafgaande strafrechtelijk onderzoek verdacht wordt van belastingfraude, dan moet hij er goed op bedacht zijn dat hij niet alleen te maken heeft met het strafrecht, maar ook met het belastingrecht. In dit soort zaken kunnen strafrecht en belastingrecht op diverse manieren verband met elkaar houden. Uit het oogpunt van een goede verdediging is het cruciaal om acht te slaan op de diverse verbanden tussen beide rechtsgebieden.
Als een belastingplichtige voor hetzelfde feitencomplex wordt beboet door de Belastingdienst en ook strafrechtelijk wordt vervolgd door het Openbaar Ministerie (OM), schuurt er iets. U wordt dan twee keer bestraft, dit is binnen het Nederlandse rechtssysteem niet toegestaan. Het ne bis in idem beginsel en het una via beginsel (5:44 AWB / artikel 243 wetboek van Strafvordering) willen namelijk het dubbel straffen van dezelfde persoon voor hetzelfde feit voorkomen.
Aanpak fiscale fraude in Nederland
De Belastingdienst, de FIOD en het Openbaar Ministerie zitten regelmatig om de tafel om fiscale zaken te bespreken. Er moet bij een vervolging een keuze worden gemaakt. Wordt de belastingplichtige aangepakt door de Belastingdienst, door het OM of door beide? In dit artikel een zaak waarbij een relatief kleine zaak via het OM wordt aangepakt, maar waarbij de computers van de Belastingdienst ervoor zorgen dat het strafrecht niet in beeld mag komen.
Verzuimboete en strafvervolging
Henk is eigenaar van een eenmanszaak, maar voldoet al jaren de btw niet tijdig. Er worden naheffingsaanslagen met verzuimboeten opgelegd, deze worden ook niet tijdig voldaan. Henk wordt vervolgens strafrechtelijk vervolgd door het OM. Henk is onderdeel van het zogenaamde paperclip project, waarbij ook kleinere ondernemers worden aangepakt via de strafrechtelijke route. Er wordt door de rechtbank een taakstraf van 120 uur opgelegd (met proeftijd van 2 jaar). Henk gaat succesvol in beroep bij het Gerechtshof. Het Gerechtshof (ECLI:NL:GHSHE:2021:1168) stelt vast dat er eerst een verzuimboete is opgelegd door de Belastingdienst. Deze verzuimboetes (artikel 67c AWR) zijn voor exact hetzelfde feit opgelegd (dat is vaak het kern-issue). Door de verzuimboete is een strafrechtelijke route niet meer mogelijk. Het Gerechtshof vernietigde het vonnis van de Rechtbank en verklaart het OM niet ontvankelijk in de strafvervolging.
Noot fiscaal jurist inzake samenloop boete en strafvervolging
Het ne bis in idem beginsel is al erg oud, maar zeker nog niet stoffig. De rechter moet zorgvuldig beoordelen of het om dezelfde feiten gaat, vaak wordt hierin een beetje geschoven door het OM / de Belastingdienst. De rechter pakt dan zijn stofkam en kijkt naar het volgende:
- Alle feiten moeten helder zijn;
- De gedragingen van de verdachte worden beoordeeld;
- De schuldgraad wordt onder de loep genomen;
- De rechtsnormen en strafmaxima worden bekeken.
In dit geval wordt Henk vervolgd voor het niet tijdig betalen van de btw, hiervoor heeft Henk ook al een verzuimboete gekregen (artikel 69a AWR). De Hoge Raad heeft hier ook al eens naar gekeken (Hoge Raad 6 oktober 2015 ECLI:NL:HR:2015:2978).
Het Gerechtshof geeft het OM ook nog even een tik over de vingers. Henk kon de btw niet betalen en heeft dit ook laten weten aan de Belastingdienst. De Belastingdienst stelt: "Dat zal wel, maar u moet dit melden via speciale formulieren, dat is niet gebeurd, pech." De rechter is hierover heerlijk helder :
- Uit
het procesdossier kan worden afgeleid dat aan de strafvervolging de gedachte
ten grondslag ligt dat een verzoek om uitstel van betaling alleen schriftelijk
kon worden gedaan en alleen via de website van Belastingdienst te vinden
formulieren en dat de betalingsonmacht had moeten worden gemeld. Alleen
voor lichamen kan een melding van betalingsonmacht worden gedaan en dit
moet sinds 4 juli 2010 schriftelijk. Zelfs voor deze schriftelijke melding
van betalingsonmacht voor lichamen geldt, dat deze niet alleen kan geschieden
door gebruik te maken van de door Belastingdienst op de website geplaatste
formulieren, maar dat het begrip ‘schriftelijk’ overigens ruim kan worden
uitgelegd. Het veronderstelt iedere weergave van schrifttekens ongeacht
wat de drager van die tekens is.
Een verzoek om uitstel van betaling voor een éénmanszaak, zoals die van de verdachte, is vormvrij.
Dus ook al was de strafvervolging rechtens, dan nog zou deze in de prullenbak kunnen. De verdachte "vangen" op een formaliteit terwijl de menselijke maat ook moet meespelen is niet gewenst. Henk heeft tijdig aangegeven niet te kunnen betalen, dan moet je als overheid niet roepen: "Verkeerde formulier, dus pech."
Informatiebeschikking wegens weigeren inlichtingen
Indien een belanghebbende in de ogen van de heffingsambtenaar niet voldoet aan bepaalde verplichtingen, zoals het verstrekken van inlichtingen op verzoek, dan kan hij dit bij formele beschikking kenbaar maken. Dit wordt de informatiebeschikking genoemd. De belanghebbende kan vervolgens deze beschikking bestrijden en daarmee, nog voordat een aanslag daadwerkelijk is opgelegd, de vermeende schending van verplichtingen aanvechten. Recent is voor de rechtbank Midden-Nederland een zaak behandeld over een niet teruggestuurd koopinlichtingenformulier. Is deze informatiebeschikking terecht afgegeven?
Kabinet wil informatiebeschikking versnellen
De langdurige procedure rondom de informatiebeschikking moet korter worden (aldus kamerbrief d.d. 20 januari 2026). De regeling is 15 jaar geleden ingevoerd om de rechtsbescherming van een belastingplichtige bij een informatieverzoek van de belastingdienst (inspecteur) te verbeteren, dit door de sanctie (omkering bewijslast) niet direct te laten intreden. Hoewel bezwaar en beroep tegen een informatiebeschikking mogelijk is werkt deze nog zeker niet conform haar oorspronkelijke doel. De prioriteit zal liggen bij het versnellen van de doorlooptijd (minder rechtsonzekerheid). Het zou mooi zijn als ook aandacht wordt besteed aan de zware consequenties (omkering bewijslast), met name als de informatie er simpelweg niet is of als de tekortkomingen zeer beperkt zijn.
Informatiebeschikking en inspanningsverplichting
In een procedure bij het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 28 april 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026:2718) gaat het in de kern om de vraag hoe ver de inspanningsverplichting van een belastingplichtige reikt bij een informatieverzoek (of informatiebeschikking) van de belastingdienst op grond van artikel 47 AWR (in combi met artikel 52a AWR). Centraal staat een buitenlandse SPF structuur (stichting particulier fonds) waarin online kansspelen waren ondergebracht. Belanghebbende stelt dat hij niet over de administratie kan beschikken. Volgens hem bevonden de stukken zich bij de buitenlandse bestuurders, vereffenaars en bewaarders van de administratie. De belastingdienst en het Gerechtshof zijn het hier niet mee eens. De inspecteur heeft bewezen dat de informatie relevant is voor de belastingheffing. Het Gerechtshof stelt dat belanghebbende alleen aan een informatiebeschikking kan ontkomen als hij aannemelijk maakt dat hij niet over de stukken kon beschikken en dat hij alle redelijkerwijs van hem te verlangen inspanningen heeft verricht om de stukken alsnog te verkrijgen (zie Hoge Raad 22 september 2023 ECLI:NL:HR:2023:1270. Omdat belanghebbende de SPF heeft opgericht en ook begunstigde en houder van de oprichtersrechten is had hij over de administratie kunnen beschikken, aldus het Gerechtshof.
Informatiebeschikking staat ter discussie
Sinds 2011 kennen we de informatiebeschikking in de AWR. Dat de rechtsbescherming voor belastingplichtige niet is bereikt is wel helder. Nog te vaak zorgt een informatiebeschikking voor scheve verhoudingen en langdurige bezwaar en beroepsprocedures. Met de informatiebeschikking heeft de belastingdienst (inspecteur) de mogelijkheid gekregen om een voor bezwaar (en beroep) vatbare informatiebeschikking vast te stellen wanneer niet (volledig) wordt voldaan aan zijn informatieverzoek of de administratieplicht van een belastingplichtige. De vraag is of dit beter kan, er wordt immers geen aanslag opgelegd, trajecten duren lang en geven onzekerheid. Er is een pre consultatie (tot 1 juni 2025) die dit in beeld moet brengen.
Waarvoor werd de informatiebeschikking afgegeven?
De heffingsambtenaar heeft aan de belanghebbende in deze zaak een koopinlichtingenformulier toegestuurd. Dat is een formulier waarmee inlichtingen worden opgevraagd met betrekking tot de koop van onroerend goed. Daarbij wordt gevraagd naar de koopprijs, maar ook naar kenmerken van de woning, zoals de onderhoudstoestand. Ook komt het voor dat bijvoorbeeld wordt gevraagd naar de relatie tussen de koper en de verkoper. In deze zaak heeft de belanghebbende het formulier niet teruggestuurd aan de heffingsambtenaar.
Vervolgens wordt een informatiebeschikking afgegeven. De onderbouwing wordt door de ambtenaar gevonden in artikel 47 AWR, waarin is opgenomen dat eenieder inlichtingen moet verstrekken, op verzoek, die voor de eigen belastingheffing relevant kunnen zijn. De belanghebbende gaat in bezwaar, maar trekt daar aan het kortste eind. Het is dan aan de rechter zich over de zaak uit te spreken.
Bezwaren tegen de informatiebeschikking
Belanghebbende vindt dat door de ambtenaar onduidelijk is gecommuniceerd. Voorts is zij van mening dat de wetsartikelen waarnaar wordt verwezen, op haar niet van toepassing zijn. De informatiebeschikking is dus opgelegd, terwijl dit niet mogelijk was. De heffingsambtenaar is uiteraard een andere mening toegedaan.
Rechtbank over deze informatiebeschikking
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende verplicht is om inlichtingen te verstrekken die voor de eigen WOZ-beschikking en daarop gebaseerde aanslagen van belang kunnen zijn. Dat is de verplichting van artikel 47 AWR. In tegenstelling tot wat belanghebbende meent, is dit artikel ook van toepassing bij de bepaling van de WOZ-waarde en de heffing van onroerendezaakbelasting. Daar komt nog bij dat belanghebbende ook verplicht is gegevens te verschaffen ten behoeve van de waardebepaling (het koopinlichtingenformulier). Dat is opgenomen in de Wet WOZ en daaronder liggende regelgeving. De heffingsambtenaar heeft dus de mogelijkheid een informatiebeschikking op te leggen. De gevraagde informatie, zoals de totstandkoming van de overeenkomst, voorgenomen investeringen en marktconformiteit, vallen volgens de rechtbank allen binnen het bereik van de verplichtingen van artikel 47 AWR. De vraag is dan uiteraard nog wel of hij deze bevoegdheid op correcte wijze heeft toegepast.
Is deze informatiebeschikking terecht opgelegd?
Belanghebbende meent dat in ieder geval de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd. Hier is de rechtbank het niet mee eens. Ondanks de wat onduidelijke communicatie voorafgaand aan de uitspraak, is voldoende gemotiveerd dat de beslissing is gebaseerd op artikel 47 AWR. Voorts is het niet bezwaarlijk dat alle informatie aan belanghebbende wordt gevraagd, ondanks dat er meerdere eigenaren van de onroerende zaak zijn. De wet WOZ maakt dit mogelijk. De heffingsambtenaar kan ermee volstaan om zich slechts tot de eigenaar te richten aan wie hij de beschikking bekend wil maken.
Een ander argument dat belanghebbende niet verder helpt, is dat belanghebbende aanvoert dat de heffingsambtenaar gratis documenten wenst, waar zij en de mede-eigenaar geld voor hebben betaald. De rechtbank verwijst naar de wet waarin duidelijk is opgenomen dat documenten ter beschikking moeten worden gesteld en dat de heffingsambtenaar deze mag kopiëren.
Informatiebeschikking en privacy
Tot slot is er nog het argument dat belanghebbende de inlichtingen niet kan verstrekken zonder daarbij de privacy van de mede-eigenaar te schenden. Onder verwijzing naar de wet kan de rechtbank dit argument redelijk eenvoudig afdoen. De wet bevat namelijk een bepaling waaruit volgt dat met betrekking tot artikel 47 AWR, niemand zich kan beroepen op geheimhouding, zelfs niet als die geheimhouding uit de wet volgt. Interessant is daarbij dat artikel 47 AWR expliciet ziet op de eigen belastingheffing en belanghebbende zich op de privacy van de partner beroept. De gevraagde gegevens zijn echter ook allemaal relevant voor de eigen belastingheffing, zodat hier verder weinig aandacht aan wordt besteed.
Oordeel rechtbank over informatiebeschikking
De rechtbank oordeelt dat artikel 47 AWR met betrekking tot het koopinlichtingenformulier mag worden toegepast. Dat betekent dat belanghebbende de inlichtingen dient te verstrekken. De informatiebeschikking wegens weigering tot het voldoen aan deze verplichting is daarmee terecht opgelegd. Aangezien het niet onmogelijk is om alsnog aan de verplichting te voldoen, gunt de rechtbank belanghebbende een aanvullende termijn om de inlichtingen te verstrekken. Deze termijn bedraagt vier weken na de datum van de uitspraak.
Fiscaal-jurist over informatiebeschikking
De informatiebeschikking is ingevoerd ter verbetering van de rechtsbescherming van de belastingplichtige. In de jaren na de invoering is veel rechtspraak gewezen, die zich niet altijd in het licht van deze doelstelling laat uitleggen. Zo is het voor de inspecteur mogelijk om nog in de bezwaarfase een informatiebeschikking af te geven, tenzij hij daarbij in strijd handelt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een onherroepelijke informatiebeschikking leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast, hetgeen maakt dat u in een vrijwel ondoenlijke bewijspositie terechtkomt. Deze sanctie blijft alleen achterwege, indien dit leidt tot disproportionaliteit. Daarvan is niet vaak sprake.
De meeste gerechtelijke procedures over de informatiebeschikking worden door de Belastingdienst gewonnen. Toch is het belangrijk om u tegen de beschikking te verzetten, dit in het licht van de verregaande gevolgen van een onherroepelijke informatiebeschikking. Van belang is daarbij dat u zich laat bijstaan door een specialist. Hebt u een informatiebeschikking ontvangen? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact op met één van onderstaande auteurs. Houd daarbij wel rekening met de geldende termijnen voor bezwaar en beroep.
Geen navordering bij beoordelingsfout Belastingdienst
Zodra u een definitieve aanslag krijgt opgelegd, moet u erop kunnen vertrouwen dat deze aanslag inderdaad definitief is. Het zou afdoen aan uw rechtszekerheid als te pas en te onpas nog bedragen konden worden nagevorderd. Toch is navordering onder voorwaarden mogelijk. De inspecteur kan navorderen indien sprake is van een nieuw feit of indien de belastingplichtige te kwader trouw is geweest. Wij zien in de praktijk dat de Belastingdienst relatief snel naar het middel van navordering grijpt. Soms terecht, maar soms ook niet. In een recente zaak bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch kwam de vraag aan de orde of de belastingplichtige te kwader trouw was geweest. In dit artikel gaan wij in op deze uitspraak.
Wat ging vooraf aan de navordering van de Belastingdienst?
Het betreft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 2012. De belastingplichtige is tegen de navordering in bezwaar gegaan, maar dat heeft niet tot een ander oordeel geleid. Succes heeft belastingplichtige wél bij de rechtbank. De rechtbank verklaart het beroep namelijk gegrond, hetgeen voor de inspecteur reden is om in hoger beroep te gaan. Het gerechtshof begint, zoals gebruikelijk, met het vaststellen van de feiten en omstandigheden.
De belastingplichtige is op 1 oktober 2012 in Nederland komen wonen. Hij houdt alle aandelen in een pensioen bv en deze bv houdt alle aandelen in een vastgoed bv. Deze bv’s zijn allemaal in Nederland gevestigd. De belastingplichtige is eigenaar van een aantal onroerende zaken en deze zijn in december 2012 aan de vastgoed bv geleverd. In 2014 heeft de inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd. De inspecteur is van mening dat sprake is van inkomen als gevolg van het ter beschikking stellen van vermogen en dat de waarde in het economisch verkeer sterk afwijkt van de waarde waarvoor de onroerende zaken zijn verkocht.
In privé vraag de belastingplichtige steeds om uitstel voor de aangifte 2012. Dit doet hij vanwege het lopende onderzoek en de impact daarvan op de uitkomst voor de aangifte 2012. Hij verwijst ook steeds naar de het lopende onderzoek. De inspecteur verleent het uitstel. Uiteindelijk doet de belastingplichtige aangifte en hij stuurt een afzonderlijke brief mee, waarin eveneens het lopende onderzoek wordt benoemd.
In december 2015 wordt de aanslag opgelegd, overeenkomstig de aangifte. De belastingplichtige laat deze aanslag aan de inspecteur zien. De inspecteur besluit echter in 2016 over te gaan tot navordering over 2012. Vast staat ook dat tussen de inspecteur die de controle verricht en degene die de aanslag heeft vastgesteld, overleg is gevoerd over deze kwestie. Uit dit contact komt ook naar voren dat de aangifte geblokkeerd had moeten zijn en de definitieve aanslag niet opgelegd had moeten worden. Er is voorts van alles gebeurd bij de Belastingdienst intern. Hierna een korte samenvatting.
De aangifte IB 2012 van belastingplichtige is geruime tijd geblokkeerd geweest wegens het lopende onderzoek. Toch heeft de aangifte vroegtijdig tot een aanslag geleid. De uitgeworpen aangifte is door een medewerker doorgezet naar het team buitenland. Deze heeft de aangifte versneld afgehandeld en niet inhoudelijk naar de posten gekeken. Dat komt volgens hem omdat dit type aangifte over het algemeen relatief gemakkelijk is en daarom ook zo wordt behandeld. Deze medewerker voelde zich niet geroepen om iedere post te controleren. Tot slot geeft hij aan dat het negeren van de blokkade niet aan hem verwijtbaar is. Uiteindelijk komt men tot de slotsom dat de aangifte handmatig is afgedaan, maar dat de uitworpreden inzichtelijk moet zijn geweest. Die is vervolgens niet gezien of bewust weggeklikt. Er is slechts sprake van uitvoering van beleid.
Kenbare fout en navordering terecht
De Hoge Raad heeft op 17 juli 2026 (ECLI:NL:HR:2026:1296) een uitspraak gedaan die niet in lijn lag met de eerdere uitspraak van het Gerechtshof Den Haag op 11 juli 2023 (ECLI:NL:GHDHA:2023:1405). Het arrest verruimt niet het begrip kenbare fout maar verduidelijkt vooral hoe de oorzaak van de te lage aanslag moet worden vastgesteld. Het Hof keek naar de aanslagregelend ambtenaar die onvoldoende kennis had genomen van het dossier en zag daarin een niet navorderbare beoordelingsfout. De Hoge Raad gaat een stap terug in het proces, doordat geen behandelvoornemen in de software is opgenomen rammelden de computers door en wordt een aanslag opgelegd. Dat was een administratieve fout (ex artikel 16 lid 2 onderdeel c AWR). Een belastingplichtige kan doorgaan niet profiteren van een evident te lage aanslag als hij of zij wist dat een aanzienlijk inkomensbestanddeel ten onrechte buiten de heffing is gebleven. Wat bijzonder is bij deze uitspraak is het volgende:
- Het Hof stelde vast dat bij het opleggen van de primitieve aanslag een fout was gemaakt. Het kwalificeerde deze fout echter als een verwijtbaar onjuist inzicht in de feiten. Volgens het Hof had de aanslagregelend ambtenaar nagelaten kennis te nemen van de informatie die al bij de Belastingdienst aanwezig was. Bij een zorgvuldige dossiervorming en dossierbeoordeling zou de ambtenaar hebben onderkend dat in 2016 een aandelenverkoop had plaatsgevonden. Dus kwam de rekening bij de Belastingdienst te liggen.
- De Hoge Raad is sympathieker naar de belastingdienst en stelt dat er sprake is van een kenbare fout (meer dan 30% te weinig geheven belasting). Deze fout was ook voor belastingplichtige duidelijk (kenbaar). De Hoge Raad volgt hierbij niet het standpunt van de AG.
Aangifte wordt uitgeworpen maar geen nieuw feit
De Hoge Raad oordeelt in 2022 over een situatie dat een aangifte inkomstenbelasting (over 2012) wordt uitgeworpen in het systeem van de belastingdienst. De vraag is of de inspecteur zich kan beroepen op een nieuw feit als een aangifte door haar eigen systeem wordt uitgeworpen ter controle en de inspecteur er verder niet naar kijkt. Opmerkelijk is dat de Hoge Raad concludeert dat de inspecteur zich gewoon kan beroepen op een nieuw feit dat navordering kan opleveren. Dit arrest is eigenlijk een bevestiging van de "niet onwaarschijnlijke mogelijkheid" zoals opgenomen in artikel 16 AWR (lid 2 letter c). De criteria die bepalen dat een aangifte moet worden uitgeworpen zijn kennelijk niet direct relevant voor een onderzoeksplicht voor de inspecteur. De belastingplichtige had wellicht een brief aan de Belastingdienst moeten sturen waarin hij of zij het negatieve resultaat uit overige werkzaamheden zou toelichten, als dit zou zijn gebeurd dan is er geen sprake van een nieuw feit. De onderzoeksplicht van de inspecteur is altijd een feitelijke aangelegenheid. Het is dus cruciaal dat belanghebbende alle feiten juist en volledig in beeld heeft. De Hoge Raad deed op 15 juni 2018 ook een uitspraak, in deze uitspraak (arrest) moest de inspecteur wel een onderzoek instellen als een aangifte wordt uitgeworpen. In deze casus werden er door de inspecteur wel vragen gesteld, in de casus uit 2022 niet.
Geschil bij navordering door de Belastingdienst
Zoals aangegeven, is voor navordering een nieuw feit of kwade trouw vereist. Dat van een nieuw feit geen sprake is, daar zijn partijen het wel over eens. De inspecteur meent echter dat de belastingplichtige te kwader trouw is en dat sprake is van een fout. Daarmee bedoelt de inspecteur dat sprake is van een fout die de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is. Ook dan mag namelijk tot navordering worden overgegaan. De belastingplichtige is het hier (uiteraard) mee oneens.
Gerechtshof over de navordering door de Belastingdienst
De discussie richt zich dus op de vraag naar kwade trouw en de aanwezigheid van een kenbare fout. Het gerechtshof beschrijft eerst de regel met betrekking tot de kwade trouw. Indien de belastingplichtige ten aanzien van een feit aan de inspecteur opzettelijk onjuiste gegevens of inlichtingen verstrekt of deze juist onthoudt, dan is sprake van kwade trouw. Daarbij is wel vereist dat de belastingplichtige bij het doen van de aangifte weet dat zijn opgaaf van gegevens leidt tot een aanslag met een te laag bedrag. De inspecteur is degene die hierbij de bewijslast draagt. Hij meent aan deze bewijslast te voldoen, door op te merken dat de belastingplichtige uit een brief had moeten afleiden dat de waarde die bij de vastgoedtransactie werd gebruikt sowieso te hoog was. Dat ziet de inspecteur als voldoende reden voor de kwade trouw. Daarbij zou ook meetellen dat de aangifte die is ingediend, is ingediend met aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting wordt geheven.
Het gerechtshof is het hiermee oneens. De inspecteur heeft de kwade trouw niet voldoende aannemelijk gemaakt. De toetsing op kwade trouw moet plaatsvinden naar de gedragingen bij het indienen van de aangifte waarbij informatie is verstrekt. Bij het doen van de aangifte heeft deze belastingplichtige steeds uitstel aangevraagd wegens het lopende onderzoek en toen hij geen uitstel meer kreeg, heeft hij een begeleidende brief meegestuurd. Dat de belastingplichtige belastingheffing wil vermijden is een onjuiste conclusie van de inspecteur. Het tegenovergestelde is eerder waar. De inspecteur had met een extra handeling bekend kunnen zijn met de gehele inhoud van de begeleidende brief. Dit punt van de inspecteur wordt dus niet gevolgd en dat is onzes inziens niet meer dan terecht.
De vraag is dan hoe het gerechtshof aankijkt tegen het argument dat sprake is van een fout die de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is. Hierover oordeelde de Hoge Raad reeds dat het begrip ‘fout’ ruim bedoeld is. Het betreft iedere misslag die bij de Belastingdienst optreedt in de aanslagregeling, zoals schrijf-, reken-, overname- en intoetsfouten. Het kan echter ook fouten betreffen als gevolg van een geautomatiseerde verwerking van de aangifte. Aan het foutbegrip zit echter ook een grens. Het is niet de bedoeling dat beoordelingsfouten herstelbaar zijn. Beoordelingsfouten zijn fouten als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht bij de inspecteur. Navordering is dan niet mogelijk.
Het gerechtshof stelt vast dat de inspecteur veel informatie had. Vervolgens zijn intern een aantal meldingen verzonden / ontvangen. Deze meldingen zien er juist op dat aangiften door het geautomatiseerde systeem worden afgedaan. Nadat een medewerker de aangifte heeft geselecteerd, is gekozen voor een versnelde regeling. Nergens is actie ondernomen en de aangifte heeft geleid tot een aanslag. Er is sprake van een beoordelingsfout. De inspecteur die de uitgeworpen aangifte te zien kreeg, had moeten weten waarom de aangifte is uitgeworpen. De systemen waarin de informatie zich bevindt, zijn niet geraadpleegd. Raadpleging zou ertoe hebben geleid dat de inspecteur met alle informatie over het lopende onderzoek bekend was. Het niet raadplegen is aan te merken als een beoordelings- of inschattingsfout. Navordering is dan niet mogelijk. De navorderingsaanslag kan niet overeind blijven.
Geen nieuw feit dus geen navorderingsaanslag
De Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt op 5 juni 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:3526) dat de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2020 en de belastingrentebeschikking onterecht aan belanghebbende (X) zijn opgelegd. De inspecteur beschikte namelijk niet over een nieuw feit en maakte een beoordelingsfout.
- Henk diende op 29 maart 2021 zijn aangifte IB 2020 in met een belastbaar inkomen van € 68.422.
- De inspecteur stelde op 13 augustus 2021 een onderzoek in naar de aangifte IB 2019 van Henk, wat op 11 maart 2022 leidde tot een correctie.
- Desondanks werd de definitieve aanslag IB 2020 op 18 maart 2022 automatisch vastgesteld, zonder rekening te houden met deze eerdere correctie.
- Op 30 mei 2022 ontving de inspecteur nadere gegevens vanuit Luxemburg, waarna op 21 juni 2022 een navorderingsaanslag werd opgelegd voor een inkomen van € 87.293, inclusief € 1.030 belastingrente.
Er is geen nieuw feit, omdat de inspecteur bij het vaststellen van de
oorspronkelijke aanslag IB 2020 het dossier had moeten raadplegen. Daaruit
bleek al dat de aangifte onjuist was (correctie 2019). Er is geen sprake
van een kenbare fout, omdat de inspecteur een verwijtbare beoordelingsfout
maakte. Hij had maatregelen moeten nemen om automatische verwerking
van de aangifte 2020 te voorkomen. De rechtbank vernietigt zowel de navorderingsaanslag
IB 2020 als de belastingrentebeschikking van Henk. De inspecteur had zijn
controledossier beter moeten benutten en de aanslag zorgvuldiger moeten
opleggen.
Geen nieuw feit voor in buitenland wonende belastingplichtige
Het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 2 juli 2025 ECLI:NLGHSHE:2025:1853, heeft diverse navorderingsaanslagen vernietigd. De aanslagen waren opgelegd aan een in Duitsland wonenden belastingplichtige. Volgens het hof had de inspecteur uit eerdere gegevens kunnen opmaken (of afleiden) dat het pensioen publiekrechtelijk is opgebouwd en dat de AOW uitkering in Duitsland belastbaar zou zijn. Het nieuwe feit is niet aanwezig en de navorderingsaanslagen over 2017, 2018 en 2019 gaan in de prullenbak. In dit geval deed de belastingplichtige in Nederland aangifte (als kwalificerend buitenlands belastingplichtige), hij gaf zijn pensioen op en claimde aftrek voor rentekosten (eigen woning) en specifieke zorgkosten (als ook de heffingskortingen). De aangifte wordt gevolgd en in later (in 2022) worden navorderingsaanslagen opgelegd. De rechter gaat er eens goed voor zitten en stelt dat de inspecteur het dossier goed kendem dit volgt uit het hoorverslag uit 2002 en de aanslag inkomstenbelasting over 2015. Aandachtspunt in deze procedure is nog dat er een wijziging heeft plaatsgevonden in de verdragsafspraak in 2016. Deze informatie was in het fiscale dossier aanwezig. Ook voor de alternatieve route (artikel 16 lid 2 c AWR) kon geen opening bieden (navordering is toegestaan bij een fout van belastingplichtige die voor hem of haar kenbaar was). In de procedure in eerste aanleg (Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 14 juni 2023 ECLI:NL:RBZWB:2023:4125) ging het voor de belastingdienst nog wel goed (en bleven de navorderingsaanslagen wel in stand).
Fiscaal-jurist over beoordelingsfouten en navordering door Belastingdienst
Navordering is een middel dat in de praktijk veel wordt gebruikt. Soms terecht, maar soms ook onterecht. De inspecteur vindt over het algemeen al snel dat sprake is van een nieuw feit of kwade trouw, maar de rechtspraak is hier gelukkig terughoudender in. Dat geldt ook voor het argument dat sprake is geweest van een ‘kenbaar’ foutje. Indien u wordt geconfronteerd met een navorderingsaanslag, is het daarom raadzaam een specialist te raadplegen.
Wat deze zaak bijzonder maakt is dat er intern bij de Belastingdienst dingen niet goed zijn gegaan. Deze aangifte had eigenlijk niet afgedaan mogen worden zoals is geschied. Dit wordt echter niet toegegeven; de belastingplichtige moet immers tot aan het gerechtshof procederen om het gelijk te halen dat hij verdient. Het is nu te hopen dat geen cassatie wordt ingesteld tegen deze uitspraak van het hof, die onzes inziens terecht is. Waar gewerkt wordt, worden immers fouten gemaakt, ook beoordelingsfouten.
Neem gerust eens vrijblijvend contact op met één van onderstaande auteurs indien u met navordering wordt geconfronteerd.
Uitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2021:2006
Startersvrijstelling en overdrachtsbelasting
Op 29 juni 2021 heeft de Staatssecretaris van Financiën een besluit doen publiceren in de sfeer van de overdrachtsbelasting. Het besluit richt zich specifiek op de toepassing van de startersvrijstelling en het 2%-tarief. Sinds 1 januari 2021 geldt het 2%-tarief uitsluitend voor woningen die als hoofdverblijf van de verkrijger(s) gaan dienen. De startersvrijstelling geldt voor verkrijgers van onroerende zaken die aan de volgende voorwaarden voldoen:
- De verkrijger is meerderjarig, doch jonger dan 35 jaar;
- Er wordt een woning verkregen;
- De woning die wordt verkregen wordt anders dan tijdelijk als hoofdverblijf – door de verkrijger – gebruikt;
- De startersvrijstelling is niet eerder gebruikt;
- Er wordt voldaan aan de woningwaardegrens.
In dit artikel leest u meer over de startersvrijstelling. Wij gaan hierna in op het gepubliceerde besluit.
Nadere toelichting op de startersvrijstelling / 2%-tarief
Zoals beschreven kan per 1 januari 2021 bij de verkrijging van een woning onder voorwaarden het 2%-tarief worden toegepast. Voorts kan de startersvrijstelling van toepassing zijn. De Staatssecretaris heeft aanleiding gezien om een tweetal goedkeuringen te verlenen, waarmee tegemoet wordt gekomen aan signalen uit de praktijk. Het betreft:
- Een goedkeuring voor het geval zich na ondertekening van de koopovereenkomst, doch voor de verkrijging van de onroerende zaak, een onvoorziene omstandigheid voordoet;
- Een goedkeuring voor het geval dat bij toepassing van de startersvrijstelling op dezelfde dag zowel een beperkt recht dat betrekking heeft op een woning, als de bloot eigendom van die woning wordt verkregen.
Wij behandelen beide goedkeuringen hierna. De goedkeuringen zijn afgegeven op grond van de hardheidsclausule.
Onvoorziene omstandigheden bij startersvrijstelling
Om van de startersvrijstelling of het 2%-tarief gebruik te kunnen maken, moet de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gebruikt gaan worden. De wet bevat reeds de bepaling dat rekening kan worden gehouden met onvoorziene omstandigheden die zich voordoen na de verkrijging van de woning. Dit doet zich bijvoorbeeld voor indien de woning geheel tenietgaat. Het is dan onredelijk om de vrijstelling of het lage tarief terug te nemen.
Het komt echter ook voor dat zich onvoorziene omstandigheden voordoen voorafgaand aan de verkrijging, maar na het tekenen van de koopovereenkomst. Indien dit gebeurt, is de hiervoor benoemde wetsbepaling niet van toepassing en moet – naar de letter van de wet – het verlaagde tarief of de startersvrijstelling worden teruggenomen. Dit is een onwenselijke situatie. De staatssecretaris keurt daarom goed dat onder voorwaarden ook bij onvoorziene omstandigheden na het tekenen van de koopovereenkomst, maar voor de verkrijging, het verlaagde tarief of de startersvrijstelling niet wordt teruggenomen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij het overlijden van de koper. Aan de goedkeuring zijn de volgende vijf voorwaarden verbonden:
- Er is sprake van een onvoorziene omstandigheid die zich heeft voorgedaan na het tekenen van de koopovereenkomst, maar voor de verkrijging van de woning;
- De verkrijger maakt aannemelijk dat het voornemen steeds is geweest om de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gebruiken en dat dit nu redelijkerwijs niet meer zal gebeuren;
- In de akte van levering wordt opgenomen dat een beroep op het besluit (en de specifieke goedkeuring die het betreft) wordt gedaan;
- Aan de andere vereisten voor toepassing van het verlaagde tarief of de startersvrijstelling is voldaan. Daarbij dient onder andere gedacht te worden aan de verklaring die wordt afgegeven en waaruit volgt dat het de bedoeling is om de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gebruiken. Dat de verklaring dwingende teksten bevat, doet daaraan niet af.
- Bij een overdracht van de woning binnen zes maanden kan formeel gezien aanspraak worden gemaakt op een vermindering van de overdrachtsbelasting. De verkrijger die een beroep doet op deze goedkeuring is alsnog overdrachtsbelasting verschuldigd naar hetzelfde tarief dat bij de volgende verkrijging wordt toegepast.
In het besluit zijn een aantal voorbeelden opgenomen, die wij hierna – soms versimpeld – hebben overgenomen.
Voorbeeld 1. Geen doorverkoop binnen zes maanden
Annie en Kees zijn gehuwd en tekenen een koopovereenkomst voor een woning van € 350.000. Het voornemen is om de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken. De akte van levering zal een paar maanden later bij de notaris worden verleden. Tussen het tekenmoment en de leveringsdatum komt het tot een scheiding tussen Annie en Kees. Geen van beide kan in de woning gaan wonen, die moet dus worden doorverkocht.
Op de leveringsdatum is de scheiding voltrokken. Ieder krijgt dus 50% van de onverdeelde helft geleverd. Zonder nadere goedkeuring zouden beiden over hun aandeel 8% overdrachtsbelasting verschuldigd zijn, omdat zij de woning beiden niet als hoofdverblijf gaan gebruiken.
In de akte van levering dient te worden opgenomen dat een beroep wordt gedaan op dit besluit en moet de specifieke goedkeuring worden benoemd. Beiden mogen dan alsnog het 2%-tarief of de startersvrijstelling toepassen.
Voorbeeld 2. Doorverkopen binnen zes maanden
Stel dat Annie en Kees de woning binnen zes maanden na de levering doorverkopen aan iemand die de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken. We gaan er vanuit dat deze persoon het verlaagd tarief kan toepassen.
De verschuldigde overdrachtsbelasting bedraagt dan 2% over de grondslag, te verminderen met overdrachtsbelasting die Annie en Kees reeds hebben voldaan bij hun eerdere verkrijging.
De laatste voorwaarde werkt in deze situatie als volgt uit. Stel dat Annie en Kees de woning voor € 360.000 verkopen. Op grond van de wet is het zo dat, als de verkrijging door Annie en Kees belast is met overdrachtsbelasting, de maatstaf van heffing voor de koper wordt vastgesteld op het verschil. Dat is slechts € 10.000. Dat leidt tot een lagere belastingheffing.
De goedkeuring heeft nu tot gevolg dat Annie en Kees alsnog hetzelfde tarief zijn verschuldigd als de opvolgend koper. Dit kan gevolgen hebben indien Annie of Kees (of beiden) gebruik hebben gemaakt van de startersvrijstelling. Er is dan nog immers 2% verschuldigd in plaats van niets. Uiteraard staat het partijen vrij om afspraken te maken over de verdeling van deze ‘belastinglast’.
Verkrijging beperkt recht en bloot eigendom op één dag
De startersvrijstelling geldt alleen als deze niet eerder is toegepast. Sommige verkrijgingen voelen voor de verkrijger als één geheel, maar voor de overdrachtsbelasting kunnen twee verkrijgingen worden onderscheiden. Zonder nadere regels betekent dat één keer startersvrijstelling en één keer het verlaagd tarief. De Staatssecretaris acht dit onwenselijk op het moment dat op één dag een beperkt recht op en het bloot eigendom van dezelfde woning wordt verkregen. Daarom is een goedkeuring afgegeven. Deze goedkeuring heeft tot gevolg dat voor de startersvrijstelling sprake is van één verkrijging van de volle eigendom.
Hierbij gelden drie voorwaarden:
- De waarde van het verkregen bloot eigendom, vermeerderd met de waarde van het beperkte recht, komt niet uit boven de woningwaardegrens;
- De verklaring bij de startersvrijstelling wordt aan beide notariële akten gehecht en in de akte moet worden opgenomen dat sprake is van toepassing van dit besluit en deze goedkeuring. Dit moet in ieder geval in de akte zijn opgenomen waaraan de originele verklaring niet is gehecht;
- Aan de overige eisen voor toepassing van de startersvrijstelling, zoals de leeftijdsgrens, wordt voldaan.
Het volgende voorbeeld ontlenen wij aan het besluit.
Voorbeeld 3. Verkrijging beperkt recht en bloot eigendom
Annie koopt van Kees op een dag voor € 200.000 het recht van erfpacht op een stuk grond met daarop een woning. Op diezelfde dag koopt Annie van Henk voor € 50.000 de eigendom van het stuk grond met de woning, waarbij uiteraard rekening is gehouden met het feit dat de grond is bezwaard met een recht van erfpacht. Aan het einde van de dag heeft Annie dus twee transacties gehad, doch één keer het volle eigendom verkregen. Zonder goedkeuring kan één keer de startersvrijstelling worden toegepast, mits aan de overige voorwaarden is voldaan.
De totale waarde voor de toepassing van de goedkeuring bedraagt € 250.000 en ligt daarmee beneden de woningwaardegrens. Op de verkrijging van het totaal kan de startersvrijstelling worden toegepast. Aan beide notariële akten dient de verklaring te worden gehecht en in ieder geval in de akte waaraan niet het origineel is gehecht, moet toepassing van deze goedkeuring worden opgenomen.
Ingang en terugwerkende kracht goedkeuringen startersvrijstelling / 2%-tarief
Voor verkrijgingen in de periode 1 januari 2021 – datum van inwerkingtreding van het besluit – kan een verzoek om toepassing van de goedkeuring(en) alsnog worden gedaan. Indien is voldaan aan de voorwaarden, wordt het verzoek ingewilligd. Daarbij gaan wij er vanuit dat bij het ontbreken van extra verklaringen / hechtingen aan de akten, daarmee coulant wordt omgegaan. Het verzoek moet worden gericht aan het Ministerie van Financiën.
Fiscaal jurist over startersvrijstelling en 2%-tarief
De regeling per 1 januari 2021 klinkt eenvoudig, maar ondertussen is al duidelijk dat in de praktijk complexe situaties voorkomen. Daartoe behoren uiteraard de vragen over of iets kwalificeert als woning, maar ook het hoofdverblijfcriterium zorgt soms voor hoofdbrekens. Tussen het reguliere tarief van 8% en het verlaagd tarief van 2% zit een gat van 6%-punt. In het eerste kwartaal van 2021 bedroeg de gemiddelde prijs van een eengezinswoning € 395.000. Het financieel belang bedraagt dan € 23.700 exclusief eventuele rente en boete. Neem daarom bij twijfel altijd contact op met een specialist. Wij ondersteunen in onze praktijk zowel notariskantoren als particulieren en bedrijven. Neem gerust eens rechtstreeks contact op met één van onderstaande auteurs.
Besluit startersvrijstelling en verlaagd tarief overdrachtsbelasting
Boekenonderzoek en cautie
Boekenonderzoek aangekondigd? Hangt er een boete in de lucht?
Beste advies? Mondje dicht, alles schriftelijk en bel een fiscalist.
Aankondiging boekenonderzoek ontvangen of lopend boekenonderzoek? Voorkom onnodige naheffingen, boetes of discussies met de belastingdienst. Vraag gerust een vrijblijvende offerte of (telefonisch) adviesgesprek.
Miranda-waarschuwing
Onderstaande Miranda-waarschuwing
- You have the right to remain silent. Should you waive that right, anything you say can be held against you in the court of law. You have the right to speak to an attorney. If you cannot afford an attorney, one will be appointed for you. Do you understand these rights as they have been read to you?
komt niet alleen voor in Amerikaanse politieseries, maar moet ook goede diensten bewijzen in het belastingrecht. Via het Europese recht heeft het zwijgrecht ook zijn weg gevonden in het bestuurs- en belastingrecht. Sinds 1 juli 2009 bepaalt artikel 5:10a van de Awb:
- Degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie, is niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen. Voor het verhoor wordt aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.
Uw rechten tijdens een boekenonderzoek
De strekking van bovenstaande bepaling is duidelijk, zou je denken.
In de eerste plaats geldt de verplichting te wijzen op het zwijgrecht (het geven van de cautie) niet voor schriftelijke vragen. Bij schriftelijke vragen is als regel geen sprake van een verhoor. Dit is slechts anders indien in bijzondere omstandigheden van een schriftelijke vraag een zodanige druk om te antwoorden zou uitgaan, dat materieel sprake is van een verhoor.
Wanneer is sprake van een verhoor?
De wetgever omschrijft het zo: “Een verhoor is een mondelinge ondervraging met het oog op het opleggen van een bestraffende sanctie.” De Hoge Raad formuleert het als: “alle gevallen waarin anders dan schriftelijk vragen aan de betrokkene worden gesteld met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete."
Als een controlerende ambtenaar, zoals een inspecteur van de Belastingdienst, vragen stelt, is de belastingplichtige over het algemeen verplicht om te antwoorden. Als deze ambtenaar (hierdoor) de belastingplichtige gaat verdenken, moet hij een cautie geven. Er is dan sprake van een sfeerovergang (van de controlesfeer naar de opsporingssfeer).
Een typische cautie in Nederland is:
- "U hoeft niet te antwoorden, maar..."; of
- "U bent niet tot antwoorden verplicht, maar..." (steeds gevolgd door de eerste vraag van de opsporingsambtenaar). Zoals altijd bij het woordje 'maar' moet u op uw qui-vive zijn.
De praktijk bij een boekenonderzoek
In de praktijk komt het herhaaldelijk voor dat tijdens een gezellig praatje met de ambtenaren tijdens een boekenonderzoek of bij de bespreking van de resultaten dergelijke zinnetjes worden ingevlochten. Ook het moment waarop pleegt door de ambtenaren te worden uitgesteld. In die zin is een verhoor niet altijd als zodanig kenbaar en kan dus onderdeel zijn van een (voortgangs-)gesprek en zelfs van een telefoongesprek.
Het zwijgrecht (en dus de cautieplicht) geldt in ieder geval vanaf het tijdstip waarop kan worden gesproken van een 'criminal charge'. Veelal wordt aangenomen dat sprake is van een criminal charge vanaf het tijdstip waarop de belastingplichtige uit handelingen van het bestuursorgaan redelijkerwijs kan afleiden dat hem een boete zal worden opgelegd. Dat kan dus midden in een gesprek zijn.
Advies inzake boekenonderzoek
Omdat u wel verplicht bent om vragen te beantwoorden als het gaat om de belastingheffing zelf, is het vaak lastig om tijdens een boekenonderzoek te onderkennen wanneer het nu gaat om de belastingheffing en wanneer om de boete. Het is niet noodzakelijkerwijs zo dat de vragen t.b.v. de boete altijd aan het einde van een gesprek zitten. Draag uw werknemers daarom op om geen vragen te beantwoorden en wijs een verantwoordelijke aan die de ambtenaren te woord staat. Betrek bij twijfel altijd een adviseur bij het gesprek. En natuurlijk, het is verstandiger om vragen schriftelijk te beantwoorden, niet mondeling. Dwing de inspecteur hiertoe zodat u controle kunt houden op de feiten, gevolgen en heffingen.
Hulp bij boekenonderzoek belastingdienst
Als u een boekenonderzoek van de Belastingdienst verwacht, is het belangrijk om goed voorbereid te zijn en advies in te winnen over hoe u hier het beste mee om kunt gaan. Hier zijn enkele tips die u kunnen helpen bij het begeleiden van een boekenonderzoek:
- Wees goed voorbereid: Zorg ervoor dat u alle benodigde documentatie bij de hand heeft voordat het onderzoek begint. Dit kan onder meer uw boekhouding, facturen, bonnen en bankafschriften omvatten.
- Stel een contactpersoon aan: Wijs een contactpersoon binnen uw organisatie aan die verantwoordelijk is voor het begeleiden van het boekenonderzoek. Deze persoon kan als aanspreekpunt fungeren voor de Belastingdienst en ervoor zorgen dat alle benodigde informatie op een efficiënte en effectieve manier wordt verstrekt.
- Wees transparant: Wees zo open en eerlijk mogelijk tegenover de Belastingdienst. Het verbergen of achterhouden van informatie kan leiden tot verdere problemen en boetes.
- Houd deadlines in de gaten: Zorg ervoor dat u alle deadlines in de gaten houdt en dat u alle benodigde informatie op tijd verstrekt. Hierdoor kunt u vertragingen en extra kosten voorkomen.
- Overweeg het inschakelen van een deskundige: Als u zich zorgen maakt over het boekenonderzoek van de belastingdienst of als u zich niet volledig zeker voelt over de informatie die u verstrekt, kunt u overwegen om een deskundige in te schakelen. Een belastingadviseur kan u helpen bij het voorbereiden van het onderzoek en u adviseren over hoe u het beste kunt omgaan met eventuele problemen die zich voordoen. Wi jadviseren wekelijks accountants en belastingplichtigen bij boekenonderzoeken, vraag gerust een vrijblijvende offerte of kom eens langs voor een bakje koffie.
Door deze tips te volgen, kunt u het boekenonderzoek van de Belastingdienst succesvol begeleiden en ervoor zorgen dat u zich geen zorgen hoeft te maken over onverwachte problemen of boetes.
Bron inzake cautie Boekenonderzoek
De fiscale informatieplicht
Hoe ver mag de Belastingdienst gaan met het opvragen en meenemen van stukken?
Crypto en informatieplicht
In een procedure bij de voorzieningenrechter in Den Haag d.d. 3 januari 2025 speelt het volgende (ECLI:NL:RBDHA:2025:22) geschil tussen de Belastingdienst en een belastingplichtige. De kernvraag is of de belastingplichtige heeft voldaan aan zijn wettelijke informatieplicht over het verloop en de omvang van zijn (crypto)vermogen. Hoewel de Belastingdienst en de belastingplichtige al een paar jaar met elkaar corresponderen over (de omvang van) het (crypto)vermogen van de belastingplichtige, is gebleken dat de Belastingdienst nog onvoldoende informatie heeft ontvangen. Daarmee kan controle van de door de belastingplichtige ingediende belastingaangiften nog niet plaatsvinden. De vorderingen van de Belastingdienst leiden tot een bevel aan de belastingplichtige, opgelegd door de voorzieningenrechter, tot informatieverstrekking op straffe van een dwangsom van 2.500 euro per dag met een maximum van 1.000.000 euro.
Rechten Belastingdienst inzake opvragen informatie
De Belastingdienst heeft vergaande mogelijkheden om informatie op te vragen. Na het aangiftebiljet (dat u duidelijk, stellig en zonder voorbehoud (artikel 8 AWR) moet indienen) is de vragenbrief het meest gebruikte middel om die informatie te vergaren. Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn (artikel 47 AWR). Ook dat moet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud (artikel 49 AWR).
Het voorstaande geldt ook voor administratieplichtigen voor gegevens die betrekking hebben op derden (artikel 53 AWR). U kunt dus als ondernemer door de Belastingdienst gebruikt worden als informatiepunt voor de belastingheffing van anderen. Een (zakelijke) relatie met die derde is niet nodig. Het beschikken over de gegevens is voldoende. Naast de begrenzing dat het moet gaan om gegevens die fiscaal relevant kunnen zijn, is er nog een belangrijke beperking.
Die beperking zit in het verschoningsrecht. De verplichting tot gegevensverstrekking geldt niet (artikel 53a AWR) als u een zogenoemde verschoningsgerechtigde bent. Dat zijn bekleders van een geestelijk ambt, notarissen, advocaten, artsen en apothekers die zich beroepen op de omstandigheid, dat zij uit hoofde van hun stand, ambt of beroep tot geheimhouding verplicht zijn. Sommigen – zoals belastingadviseurs – kunnen zich beroepen op een (daarvan) afgeleid verschoningsrecht (Hoge Raad 12 maart 1997, rolnr. 30478).
Dat de Belastingdienst (en de FIOD) dit verschoningsrecht niet standaard respecteren, blijkt wel uit de volgende zaak.
Verschoningsrecht en informatieplicht Belastingdienst
De belastingplichtige is betrokken geweest bij een vliegtuigongeluk. Daarop heeft hij de vliegtuigmaatschappij en de -bouwer aansprakelijk gesteld. Van (het voorschot op) de schadevergoeding heeft hij een BMW gekocht. Omdat hij contant afrekende, is daarvan een MOT-melding gedaan (Melding Ongebruikelijke Transactie). Daarop is een onderzoek geweest en is de FIOD in het huis geweest van de belastingplichtige. Daarbij is een ordner met stukken meegenomen. Op die ordner stond “25 februari vliegtuigcrash en het ziekenhuis advocaat informatie”.
De daarna door de inspecteur gestelde vragen weigerde de belastingplichtige te beantwoorden. Hij meende dat de ordner onrechtmatig verkregen was, omdat deze onder het verschoningsrecht van zijn advocaat viel en hem bovendien niet was gewezen op zijn recht om te zwijgen (de zogenoemde cautie). De vraag is of terecht informatiebeschikkingen zijn genomen wegens het niet antwoorden.
De zaak gaat een beetje als een nachtkaars uit, omdat het hof heeft vastgesteld dat deze via een andere weg op de hoogte was van een belangrijke brief uit die ordner waaruit een bepaalde inkomens- en vermogenspositie van de belastingplichtige bleek (en de daarop gebaseerde vragenbrief dus voortkwam uit de al dan niet onrechtmatig verkregen ordner). De cautieplicht is niet geschonden omdat (schriftelijk en mondeling) geen vragen zijn gesteld m.b.t. het opleggen van een boete.
T.a.v. het verschoningsrecht merkt de Hoge Raad wel op dat het aan de verschoningsgerechtigde (in dit geval de advocaat) is om te bepalen of stukken onder het verschoningrecht vallen. Dat is dus niet aan de inspecteur, maar ook niet aan de belastingplichtige. Het gaat dus om de visie van de advocaat, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.
De staatssecretaris had het nog gewaagd te stellen dat stukken uit de ordner waren verstrekt aan de tegenpartij in de civiele procedure (de vliegtuigbouwer) en dat daarmee de stukken bij een derde terecht waren gekomen zonder een beroep te doen op het verschoningsrecht, zodat tegen de Belastingdienst ook geen beroep op het verschoningsrecht kan worden gedaan. Met één pennenstreek veegt de Hoge Raad dat argument van tafel: “… brengt niet mee dat de advocaat ten aanzien van die stukken jegens anderen niet langer een beroep op zijn verschoningsrecht kan doen.”
Opmerking fiscaal jurist inzake fiscale informatieplicht
Een belastingplichtige dient altijd volledig vrij over zijn (fiscale) zaken te kunnen overleggen met zijn adviseur. Bij huis- of kantoorbezoek dient de inspecteur (en FIOD) de rechten van de belastingplichtige te respecteren en geen stukken in te zien of mee te nemen waarbij overduidelijke tekenen zijn dat die onder het (afgeleide) verschoningsrecht vallen. Zorg dat dergelijke (advies-)stukken deugdelijk zijn opgeborgen. Als het niet anders kan, geef ze slechts mee onder protest en in een verzegelde envelop en maak een notitie van hetgeen wordt meegenomen.
Overleg altijd met uw adviseur voordat u zelfstandig stukken verstrekt en laat u niet overrompelen. De tijd dat alleen de belastingplichtigen de grens opzoeken ligt ver achter ons.
Bron fiscale informatieplicht
HR 12 maart 1997, nr. 30.478, BNB 1997/146
Rechtsbescherming verder in de knel. Voorkom dat de FIOD stukken achterhoudt.
Als u verdacht wordt van een strafbaar feit, kan het zijn dat ook de Belastingdienst nog eens ‘op de koffie komt’. De wet geeft de belastinginspecteur de bevoegdheid tot het opvragen van stukken uit een strafdossier bij het OM[1]. Die gegevens kunnen dan gebruikt worden om de resultaten van de (vermeende) criminele activiteiten te belasten.
Jaarverslag FIOD 2024
In het jaarverslag van de FIOD over 2024 (publicatie 21 mei 2025) wordt nader ingegaan op de voortdurende internationalisering en digitalisering van de maatschappij. Digitale criminele geldstromen en internationale samenwerking spelen een steeds grotere rol in financiële en fiscale criminaliteit en daarmee in de opsporing van de FIOD. Cybercrime en het gebruik van crypto komt steeds vaker voor en kennis hieromtrent binnen het Financial Adveanced Cyber Team (FACT) wordt opgeschaald.
Waarom werden stukken achtergehouden door de FIOD?
De kinderopvangsector zit in de hoek waar tegenwoordig de klappen vallen. Zo ook in de volgende, recente casus. De Belastingdienst doet een onderzoek bij een gastouderbureau en het daarvan opgemaakte rapport leidt tot het inschakelen van de FIOD. Een en ander leidt tot vervolging en veroordeling (valsheid in geschrifte, witwassen, lid criminele organisatie) van de dochter op wiens naam het bureau stond.
De belastinginspecteur vraagt de stukken op bij het OM t.b.v. de belastingheffing. De OvJ stemt daarmee in, waarop de stukken worden verstrekt aan de FIOD. De FIOD selecteert vervolgens de stukken en stelt die ter beschikking aan de belastinginspecteur. Op basis van die stukken volgen navorderingsaanslagen.
De belastingplichtige komt tegen de aanslagen in beroep en belandt uiteindelijk bij de Hoge Raad.
In een (fiscale) procedure is van belang dat beide partijen over dezelfde ‘wapens’ beschikken. Eén van de vereisten daarvoor is dat de belastinginspecteur ‘alle op de zaak betrekking hebbende stukken’[2]aan de rechter stuurt (en dus ook aan de belastingplichtige).
De belastingplichtige stelt dat de belastinginspecteur niet alle stukken heeft verstrekt omdat deze niet het volledige strafdossier heeft ingediend, maar slechts een selectie. In wezen heeft hij dus geen eerlijk proces gehad.
Stukken strafdossier niet verstrekt door inspecteur
De FIOD heeft een strafrechtelijk onderzoek ingesteld bij de heer X (handel in sigaretten). De inspecteur legt naheffingsaanslagen op van ruim 100.000 euro. In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd en/of de inspecteur in dat kader alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingebracht. De inspecteur stelt dat hieraan keurig is voldaan doordat hij een bewerkte versie van het overzichtsproces verbaal en een aantal bijlagen heeft verstrekt, dit terwijl het volledige FIOD dossier hem ter beschikking stond (aldus de bevestiging tijdens de zitting). De rechtbank Noord Holland d.d. 2 april 2024 (ECLI:NL:RBNHO:2024:3170) is het hier niet mee eens. De inspecteur is echter volgens de rechtbank verplicht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen. Dit zijn alle zaken die hem ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die voor de beslechting van het geschil relevant kunnen zijn. Het staat de inspecteur dan niet vrij om zelf een selectie te maken. Beroep op artikel 8:29 AWB slaag niet. Volgens de rechtbank heeft de inspecteur door zijn eigen selectie te maken artikel 8:42 eerste lid AWB geschonden. Hierdoor blijft onduidelijk of de heer X de sigaretten voorhanden heeft gehad. Voor een verdieping over dit onderwerp kunt u ook onderstaande arresten raadplegen:
- Hoge Raad d.d. 3 april 2009 ECLI:NL:HR:2009:BH9184 (anonimisering op de zaak betrekking hebbende stukken)
- Hoge Raad d.d. 23 mei 2014 ECLI:NL:HR:2014:1182 (selectie maken stukken door inspecteur)
- Hoge Raad d.d 4 mei 2018 ECLI:NL:HR:2018:672 (uitleg op de zaak betrekking hebbende stukken)
- Hoge Raad d.d. 25 juni 2021 ECLI:NL:HR:2021:995 (op de zaak betrekking hebbende stukken en strafdossier)
De Hoge Raad over stukken achterhouden
De Hoge Raad pelt de zaak af en oordeelt in stappen als volgt.
- De verplichting stukken in te brengen ziet op de belastinginspecteur zoals aangeduid in de wet en niet op de Belastingdienst als geheel. De FIOD is weliswaar onderdeel van de Belastingdienst, maar niet de belastinginspecteur. De stukken die onder de FIOD zijn hoeven dus in beginsel niet ingediend te worden.
- De stukken die de FIOD, maar ook het OM of andere instanties, heeft moeten WEL worden ingediend als: - die stukken die de belastinginspecteur ter beschikking staan of hebben gestaan EN van belang kunnen zijn voor het (resterende) fiscale geschil. Dat moet per stuk afzonderlijk worden beoordeeld.
- De belastinginspecteur is niet verplicht het OM te verzoeken het gehele dossier beschikbaar te stellen om daar zelf de stukken uit te selecteren.
- De belastingplichtige heeft niet de stelling ingenomen dat de FIOD bij de selectie stukken heeft achtergehouden die wel voor de belastingheffing van belang kunnen zijn.
Eindconclusie is dan dat de belastinginspecteur de wet niet heeft geschonden en de navorderingen blijven in stand.
Opmerking fiscaal jurist over zaakstukken
De Belastingdienst zet de FIOD / het OM op het spoor en na de strafvervolging maakt de Belastingdienst gebruik van de aldaar verzamelde gegevens. Op zich is dat niet bezwaarlijk, iedereen moet zijn deel van de belasting betalen, al kan over de wijze waarop anders worden gedacht. Het knelpunt zit in de beoordeling van de gegevens, de strafrechtelijke bewijsstukken.
Laten we het voorzichtig als volgt stellen. Het is geen onomstreden gedachte dat het OM bij de jacht op en vervolging van strafbare feiten eerder op zoek gaat naar belastend materiaal als ontlastend materiaal en ook minder genegen kan zijn gevonden ontlastend materiaal in het dossier te voegen. Datzelfde geldt ook voor de FIOD en de belastinginspecteur. Die zijn geneigd om vooreerst op zoek te gaan naar materiaal dat de belastingheffing rechtvaardigt en hebben minder oog voor materiaal dat de andere kant op wijst. In het kader van het FIOD-onderzoek volgt uit het EVRM dat ook recht staat op kennisname van ontlastende stukken.[3]Dat zou ook kunnen gelden voor de selectie van materiaal uit een strafdossier.
Als een belastingplichtige niet weet wat er allemaal aan materiaal is, is het niet te controleren of er mogelijk materiaal ontbreekt. In de termen van de Awb: of alle van belang zijnde stukken zijn ingediend. In wezen is sprake van een niet objectief controleerbare zeeffunctie toegepast door de overheid. De rechter zelf is ook niet gehouden zelfstandig op zoek te gaan naar (ontlastend) bewijs. Het is dus aan de belastingplichtige om op het (mogelijke) bestaan daarvan te wijzen en om inbreng van dat bewijs te verzoeken.
Ook het feit dat de FIOD onderdeel is van de Belastingdienst baart zorgen, nu de Hoge Raad die (processueel) niet gelijkstelt aan de belastinginspecteur. Het is immers niet ondenkbaar dat de belastinginspecteur een kortere lijn heeft met de FIOD dan de belastingplichtige, in die zin dat de ‘collega’s’ gevraagd wordt nog eens het dossier in te duiken voor bewijsstukken. Dat geeft de belastinginspecteur in wezen toegang tot het gehele FIOD-dossier als hij dat wenst (dus ter beschikking staat en dus moet worden ingediend). Die optie ligt voor de belastingplichtige minder voor de hand. Er is al geen effectieve controle op (de volledigheid van) de stukken die het OM verstrekt. De tussenschakeling van de FIOD leidt dan mogelijk tot extra ruis. De rechtsbescherming van de belastingplichtige is er niet beter op geworden.
Of de belastingplichtige over een volledig dossier beschikt, blijft dus in nevelen gehuld. Wellicht dat er een oplossing zit in het hiervoor opgenomen punt 4. in de uitspraak van de Hoge Raad. De belastingplichtige kan het standpunt innemen dat de FIOD bij de selectie stukken achterhoudt. Die stelling moet wel worden onderbouwd. Aan de onderbouwing moeten dan niet al te hoge eisen worden gesteld. Ook kan worden gedacht aan de verplichting om van een strafdossier een volledige inhoudsopgave te verstrekken met vermelding van de aard van de inhoud van het stuk. In algemene zin moet zoveel mogelijk worden gewaarborgd dat de belastingplichtige over een volledig dossier beschikt. Voorts moet toetsbaar zijn dat dit werkelijk het geval is. Door het weglakken van delen van stukken kan de inspecteur inzichtelijk maken welke stukken er zijn. Desnoods past hij daarbij artikel 8:29 Awb toe (geheimhouding). Op die manier wordt de onafhankelijke rechter – al dan niet in de vorm van de geheimhoudingskamer – erbij betrokken.
Informatiebeschikkingen loonheffingen en btw
De informatiebeschikking is in 2011 in de wet opgenomen ter verbetering van de rechtsbescherming van belastingplichtigen. De belastingplichtige heeft op grond van de belastingwet diverse verplichtingen ten behoeve van de belastingheffing. Voorbeelden zijn het desgevraagd verstrekken van inlichtingen en het voeren van een binnen een redelijke termijn controleerbare administratie. De wet spreekt in dit verband over te allen tijde. Dit impliceert dat de administratie steeds beschikbaar moet zijn voor controle. De Belastingdienst heeft die inlichtingen en administratie nodig om zijn werk te kunnen doen; het vaststellen van de juiste belastingschuld en het innen hiervan.
Het komt voor dat belastingplichtigen en de Belastingdienst van mening verschillen over de manier waarop de belastingplichtige aan zijn verplichtingen heeft voldaan. De informatiebeschikking komt er – kortgezegd – op neer dat de inspecteur bij beschikking vastlegt hoe hij meent dat de belastingplichtige niet aan de verplichtingen heeft voldaan. De belastingplichtige kan deze beschikking bestrijden in bezwaar, beroep, hoger beroep en tot slot cassatieberoep. Een onherroepelijke informatiebeschikking leidt, tenzij dit disproportioneel zou zijn, tot omkering en verzwaring van de bewijslast. Na de informatiebeschikkingsprocedure kan (en wordt vaak ook) nog geprocedeerd worden over de opgelegde belastingaanslagen. Bij totstandkoming van de wet die de informatiebeschikking regelt, is onder meer aangegeven dat de informatiebeschikking moet werken tegen de inspecteur die zich als een “rupsje-nooit-genoeg” kan gedragen.
De Hoge Raad heeft recent twee uitspraken gedaan in hetzelfde dossier van een groep belastingplichtigen. Het betreft informatiebeschikkingen in de sfeer van de loonheffingen en in de btw-sfeer. Wij behandelen in dit uitgebreide artikel deze uitspraken en de overwegingen van de Hoge Raad. Wij geven eerst het feitencomplex weer, gaan daarna in op de loonheffingen, vervolgens op de btw en tot slot op de gevolgen van deze uitspraak voor de praktijk.
Kabinet wil informatiebeschikking versnellen
De langdurige procedure rondom de informatiebeschikking moet korter worden (aldus kamerbrief d.d. 20 januari 2026). De regeling is 15 jaar geleden ingevoerd om de rechtsbescherming van een belastingplichtige bij een informatieverzoek van de belastingdienst (inspecteur) te verbeteren, dit door de sanctie (omkering bewijslast) niet direct te laten intreden. Hoewel bezwaar en beroep tegen een informatiebeschikking mogelijk is werkt deze nog zeker niet conform haar oorspronkelijke doel. De prioriteit zal liggen bij het versnellen van de doorlooptijd (minder rechtsonzekerheid). Het zou mooi zijn als ook aandacht wordt besteed aan de zware consequenties (omkering bewijslast), met name als de informatie er simpelweg niet is of als de tekortkomingen zeer beperkt zijn.
Informatiebeschikking staat ter discussie
Sinds 2011 kennen we de informatiebeschikking in de AWR. Dat de rechtsbescherming voor belastingplichtige niet is bereikt is wel helder. Nog te vaak zorgt een informatiebeschikking voor scheve verhoudingen en langdurige bezwaar en beroepsprocedures. Met de informatiebeschikking heeft de belastingdienst (inspecteur) de mogelijkheid gekregen om een voor bezwaar (en beroep) vatbare informatiebeschikking vast te stellen wanneer niet (volledig) wordt voldaan aan zijn informatieverzoek of de administratieplicht van een belastingplichtige. De vraag is of dit beter kan, er wordt immers geen aanslag opgelegd, trajecten duren lang en geven onzekerheid. Er is een pre consultatie (tot 1 juni 2025) die dit in beeld moet brengen.
Feitencomplex bij de informatiebeschikkingen
De belastingplichtige in kwestie heeft een horecaonderneming. Tot het personeel behoort ook een aantal muzikanten. De Belastingdienst heeft in 2010 een boekenonderzoek uitgevoerd. Naar aanleiding van de bevindingen tijdens dit onderzoek is een waarschuwing afgegeven, omdat de administratie- en bewaarplicht niet (geheel) is nagekomen. Voorts zijn bij vaststellingsovereenkomst afspraken gemaakt over het bewaren van planning, roosters en urenverantwoordingen.
In 2013 wordt wederom een boekenonderzoek ingesteld. De inspecteur kijkt naar het tijdvak 2012, in het bijzonder december, voor de loonheffingen. De conclusie is dat de situatie is verbeterd, maar dat de afspraken niet geheel zijn nagekomen. Zo zijn de oorspronkelijke roosters niet aanwezig. Ook lijkt het erop dat de urenverantwoording niet volledig is. De inspecteur breidt het onderzoek uit naar 2011. Een week later volgt een brief met een verzoek om informatie. Hieraan wordt geen gehoor gegeven.
Dit is voor de inspecteur aanleiding om een informatiebeschikking af te geven voor de loonheffingen 2011 en 2012. Hierin zijn de vermeende gebreken opgenomen. De informatiebeschikking ziet op de administratie- en bewaarverplichting van artikel 52 AWR en de inlichtingenverplichting van artikel 47 AWR.
Voor de omzetbelasting (btw) is sprake van een fiscale eenheid. Deze fiscale eenheid is een zelfstandige belastingplichtige. In de onderneming wordt gebruikgemaakt van een kassasysteem. Het systeem voegt gegevens samen, zorgt voor gedetailleerde rapporten en bewaart deze maximaal 14 dagen. Het is dus aan de ondernemer om steeds de juiste informatie tijdig op te slaan in de vorm van back-ups. Die back-ups zijn echter nooit gemaakt. Dat is bijzonder, omdat onderdeel van de in 2010 gemaakte afspraken is dat detailgegevens uit het kassasysteem worden opgeslagen.
De inspecteur kwam langs om december 2012 te controleren, maar breidt het onderzoek uit naar 2011. Dit doet hij als gevolg van geconstateerde gebreken. Ook voor de btw geeft de inspecteur een informatiebeschikking voor tijdvak 2011 en tijdvak 2012 af. Hij geeft aan dat in zijn ogen niet is voldaan aan de administratie- en bewaarverplichtingen van artikel 52 AWR. Dit oordeel baseert hij op drie vaststellingen: detailgegevens zijn niet bewaard, de omzetrapportages zijn onbetrouwbaar en de administratie bevat verder onvoldoende gegevens om de omzet binnen redelijke termijn te kunnen controleren. In de informatiebeschikking werkt de inspecteur nog verder uit wat hij precies heeft geconstateerd. Uit de stukken komt naar voren dat de administratie niet (lijkt) aan te sluiten bij de ingediende aangiften.
De inspecteur tot slot nog iets bijzonders. Hij heeft 2012 uitgebreid onderzocht. Vervolgens merkt hij op dat in 2011:
- De onderneming op hetzelfde adres is gevestigd;
- De bedrijfsvoering hetzelfde was;
- De bedrijfsinrichting hetzelfde was;
- De wijze van het voeren van de administratie hetzelfde was.
Op grond hiervan meent de inspecteur te mogen concluderen dat er voldoende grond is om aan te nemen dat in 2011 dezelfde gebreken voorkomen als in 2012. Dit doet de inspecteur zowel in de loonheffingen als in de btw.
Wij gaan hierna afzonderlijk in de op informatiebeschikkingen voor de loonheffingen en de informatiebeschikkingen in de omzetbelasting.
Informatiebeschikkingen voor de loonheffingen
Het gerechtshof kwam tot het oordeel dat de informatiebeschikkingen terecht zijn afgegeven en dat omkering en verzwaring van de bewijslast plaatsvindt. De inspecteur heeft eerst voldoende aannemelijk gemaakt dat in december 2012 de administratie niet deugde. Ditzelfde heeft de inspecteur voor 2011 gedaan, doch daarbij telt ook mee dat de belastingplichtige niet de gevraagde inlichtingen – zoals roosters – heeft verstrekt. Zoals hiervoor aangegeven heeft de inspecteur echter zijn bevindingen doorgetrokken; dat wordt wel een bewijsvermoeden genoemd. Wij gaan verderop in dit artikel nader in op het bewijsvermoeden. Volgens het hof kan het gebruikmaken ervan door de beugel. Voldoende aannemelijk is dat de administratie ook in de niet gecontroleerde tijdvakken dezelfde gebreken vertoont. Tot slot hecht het hof er waarde aan dat de belastingplichtige de bevindingen over december 2012 niet heeft bestreden.
De belastingplichtige komt op drie aspecten op tegen dit oordeel van het hof:
- Het oordeel dat de bevindingen over december 2012 niet zijn bestreden;
- Het oordeel dat de administratie over 2011 niet voldoet aan de gestelde eisen;
- Het oordeel dat het bewijsvermoeden gehanteerd mag worden.
Het bestrijden van de bevindingen over december 2012
De Hoge Raad geeft de belastingplichtige hierin gelijk. Uit de zaakstukken in hoger beroep blijkt duidelijk dat de bevindingen wel degelijk zijn bestreden. Het hof heeft daarom zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. De argumenten die zijn aangevoerd, dienen te worden onderzocht. Dat moet dus alsnog gebeuren. De Hoge Raad is echter geen feitenrechter, dus het onderzoek moet door een ander gerechtshof worden verricht. Op basis van dat onderzoek kan overigens blijken dat de administratie inderdaad niet deugt; de belastingplichtige zou dan alsnog aan het kortste eind trekken. De Hoge Raad wijst ook nog op het volgende. Indien uit het onderzoek volgt dat de aangifte niet overeenstemt met de administratie, dan betekent dat niet direct dat de administratieplicht is geschonden. Daarvoor is meer nodig. De administratieplicht is pas dan geschonden, als de aard en omvang van de gebreken zodanig zijn, dat de administratie niet kan dienen als grondslag voor de verplichtingen inzake de loonheffingen. Dat afspraken die eerder zijn gemaakt wel of niet zijn nagekomen, doet daaraan niet af.
Het gaat er bij schending van de administratieplicht dus steeds om of die schending zodanig is dat de administratie niet als deugdelijke grondslag voor het bepalen van de fiscale verplichtingen kan dienen. Wij merken op dat dit ook in de praktijk een heet hangijzer is. Het standpunt dat de administratieplicht is geschonden wordt al snel ingenomen; en niet altijd terecht.
Voldoet de administratie over 2011 aan de gestelde eisen?
De Hoge Raad sluit aan bij wat hij besloot over de bevindingen over december 2012. Het niet aanleveren van de roosters doet voor de kwaliteit van de administratie weliswaar ter zake, maar maakt niet dat de administratie direct ondeugdelijk is. Het niet verstrekken van stukken werpt immers op zichzelf bezien geen licht op de kwaliteit van de administratie.
Wij merken op dat het belangrijk is de administratieplicht van de inlichtingenplicht te onderscheiden. Het niet verstrekken van gevraagde stukken valt niet onder de administratieplicht van artikel 52 AWR, maar onder de inlichtingenplicht van artikel 47 AWR. Laatstgenoemde plicht kan ook reden zijn voor het afgeven van een informatiebeschikking. De inspecteur dient uiteraard naar het juiste middel te grijpen en doet – zo leert de praktijk ons – dat niet altijd.
Het hanteren van het bewijsvermoeden
Hier gaat het erom dat de inspecteur zonder de administratie te onderzoeken, heeft geoordeeld dat dezelfde gebreken aanwezig zijn als in andere tijdvakken. De Hoge Raad maakt hier korte metten mee, omdat – zoals eerder bleek – in die eerdere tijdvakken ook nog onvoldoende duidelijk is of de administratie voldoende ondeugdelijk is.
De Hoge Raad gaat hier vervolgens nader op in. De inspecteur dient bij een gebrekkige administratie een informatiebeschikking af te geven. Die is gebaseerd op een onderzoek naar de administratie. Uit het wettelijk systeem vloeit voort dat de administratie (de grondslag voor de heffing) per tijdvak moet worden beoordeeld. Dat dezelfde wet het mogelijk maakt om in een naheffingsaanslag of informatiebeschikking meerdere tijdvakken te betrekken, doet daaraan niet af.
Bewijsvermoedens zijn echter niet verboden. Zo’n vermoeden komt vooral aan de orde indien hetgeen moet worden bewezen niet of uiterst lastig waarneembaar is voor de rechter of de partij die de bewijslast draagt. Dat doet zich niet voor bij het beoordelen van een administratie. Immers: mits gevoerd is de administratie voorhanden en kan de inspecteur aangeven wat wel en niet klopt. Voorts is het zo dat het niet voldoen aan de administratieplicht tot omkering en verzwaring van de bewijslast kan leiden, waardoor de belastingplichtige in een bijna ondoenlijke positie komt. Daarom moet terughoudend worden omgegaan met het doortrekken van bevindingen.
Bij een bewijsvermoeden wordt een bepaald gegeven zozeer aannemelijk geacht (vermoed) dat de inspecteur of de belastingplichtige moet zorgen dat aan het gegeven getwijfeld dient te worden. Anders gezegd: het gaat dan om het ontzenuwen van een vermoeden. Een bewijsvermoeden moet worden onderscheiden van omkering en verzwaring van de bewijslast. Immers: bij omkering en verzwaring moet de belastingplichtige het tegendeel doen blijken (overtuigend aantonen). Bij een vermoeden kan hij volstaan met ontzenuwen. Vanzelfsprekend dient met bewijsvermoedens terughoudend te worden omgegaan.
Conclusie informatiebeschikkingen voor de loonheffingen
Op grond van bovenstaande vernietigt de Hoge Raad de uitspraak van het gerechtshof. De informatiebeschikking over 2011 wordt in overeenstemming met de uitspraak van de rechtbank vernietigt. De in die beschikking gestelde feiten die op dat specifieke jaar zien – voor zover al aanwezig – zijn volstrekt onvoldoende om tot schending van de fiscale verplichtingen te kunnen concluderen. De informatiebeschikking over 2012 moet opnieuw worden beoordeeld en hiervoor wordt de zaak verwezen naar het gerechtshof Amsterdam.
Informatiebeschikkingen voor de omzetbelasting (btw)
Het hof heeft geoordeeld dat de informatiebeschikking zowel voor 2011 als voor 2012 terecht is afgegeven. Dat de administratie over 2011 nog niet tot in detail was gecontroleerd, doet daaraan volgens het hof niet af. De belastingplichtige komt op tegen het doortrekken van de bevindingen over 2012 naar 2011.
De Hoge Raad merkt eerst op dat de detailgegevens over de omzet uit het kassasysteem, tot de administratie behoren. De wet schrijft voor dat de administratie wordt bewaard, dus dit had belastingplichtige moeten doen. De gegevens kunnen namelijk van belang zijn voor de belastingheffing, bijvoorbeeld om de volledigheid van de omzet te controleren. De gegevens zouden niet onder deze wettelijke bepaling vallen, als een fiscaal belang ontbreekt. Dat doet zich bijvoorbeeld voor als de administratie voldoende andere gegevens bevat om de controle mogelijk te maken. Voorts is van een schending geen sprake als de gebreken zo beperkt zijn, dat omkering en verzwaring van de bewijslast disproportioneel is. In uiterste gevallen kan ook sprake zijn van overmacht.
De belastingplichtige merkt op dat de inspecteur 2012 heeft gecontroleerd, maar met betrekking tot 2011 geen inhoudelijke controle heeft uitgevoerd. De enkele conclusie dat twee documenten niet aansluiten is onvoldoende om schending van de administratieplicht aan te nemen. De Hoge Raad is het hiermee oneens. Het feit dat detailgegevens die behoren bij de administratie niet zijn bewaard, maakt dat niet is voldaan aan de administratieverplichting. Een uitzonderingssituatie lijkt zich hier niet voor te doen, doch de Hoge Raad laat zich (uiteraard) niet te veel in met de feiten en omstandigheden. De Hoge Raad is immers geen feitenrechter.
Conclusie informatiebeschikkingen voor de omzetbelasting
De Hoge Raad laat de informatiebeschikkingen voor de omzetbelasting intact. In tegenstelling tot de zaak die ziet op de loonheffingen, is voor de omzetbelasting wel vastgesteld dat de administratie over 2011 onvoldoende is. Dit is onder andere het gevolg van het ontbreken van de detailgegevens.
Informatiebeschikkingen in de praktijk
De informatiebeschikking is ingevoerd ter verbetering van de rechtsbescherming van belastingplichtigen. Wij merken dat belastingplichtigen de informatiebeschikking vaak complex vinden. Het middel werkt enorm vertragend op de ‘totale procedure’ en zeker bij schending van de administratieverplichting voelt de beschikking overbodig. Een gebrekkige administratie kan immers niet achteraf nog worden hersteld. Bijna de hele fiscale wereld deelt die opvatting en een voorstel voor een wetsvoorstel (inderdaad), ligt al enige tijd klaar om dit manco te verhelpen.
Informatiebeschikkingen wegens het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting hebben een duidelijke meerwaarde en verbeteren uw rechtspositie. U kunt voorafgaand aan de procedure over de belastingaanslag, immers laten toetsen door de rechter of u aan bepaalde verplichtingen moet voldoen of al hebt voldaan. Indien de rechter u in het ongelijk stelt, krijgt u een hersteltermijn om alsnog aan de verplichting te voldoen, mits verstrekking van de informatie nog mogelijk is en u geen misbruik van procesrecht hebt gemaakt. Een onherroepelijke informatiebeschikking heeft uiteindelijk omkering en verzwaring van de bewijslast tot gevolg. Het is daarom van belang om in bezwaar en beroep te komen tegen de informatiebeschikking. Op die manier kunt u omkering en verzwaring van de bewijslast voorkomen. Diezelfde vraag – naar omkering en verzwaring van de bewijslast – kan ook in de procedure over de belastingaanslag aan de orde komen. Echter, voorkomen is beter dan genezen.
Wordt u geconfronteerd met een informatiebeschikking? Neem dan contact op met een van onderstaande auteurs. Wij helpen u graag en het eerste contact is altijd vrijblijvend.
Rechtspraak
Gebrekkige administratie niet herstelbaar: ECLI:NL:GHARL:2015:3200
Hoge Raad loonheffingen: ECLI:NL:HR:2021:986
Hoge Raad omzetbelasting: ECLI:NL:HR:2021:987
Bewijsvermoeden: ECLI:NL:HR:1995:AA3124
Wetsartikelen
Artikel 47 AWR: inlichtingenverplichting
Artikel 52 AWR: administratie- en bewaarverplichting
Artikel 52a AWR: informatiebeschikking
Artikel 27e AWR: omkering en verzwaring van de bewijslast
Navordering en belastingkorting
De Belastingdienst mag overgaan tot navordering indien aanvankelijk te weinig belasting is geheven. Dit geldt bij zogenaamde aanslagbelastingen, zoals de inkomstenbelasting. Indien u achteraf nog wordt geconfronteerd met te betalen belasting, dan doet dat afbreuk aan uw rechtszekerheid. U hebt immers al een aanslag van de Belastingdienst ontvangen. Daarom mag de Belastingdienst niet zonder meer overgaan tot navordering. De Belastingdienst mag in principe alleen navorderen bij een zogenaamd nieuw feit. Indien wordt nagevorderd op basis van een feit dat de inspecteur kende of redelijkerwijs had moeten kennen, dan mag niet worden nagevorderd. Op dit beginsel zijn enkele uitzonderingen:
- Indien sprake is van een onjuiste verrekening van voorlopige aanslagen en / of voorheffingen mag worden nagevorderd;
- Indien sprake is van een onjuiste toerekening van bestanddelen van het inkomsten tussen partners mag worden nagevorderd;
- Indien sprake is van kwade trouw aan de zijde van de belastingplichtige mag worden nagevorderd;
- Indien sprake is van een zogenaamde kenbare fout mag worden nagevorderd.
In alle andere gevallen mag echter slechts worden nagevorderd bij aanwezigheid van een nieuw feit. Daarenboven dient navordering uiteraard binnen de gestelde termijnen plaats te vinden.
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in juni 2021 uitspraak gedaan in een zaak die draaide om de vraag of een inspecteur redelijkerwijs bekend had moeten zijn met een feit. Wij behandelen in dit artikel deze – lezenswaardige – uitspraak.
Waarom wil de inspecteur navorderen?
De partner van belanghebbende heeft in 2011 een verlies uit aanmerkelijk belang om laten zetten in een belastingkorting. Die mogelijkheid biedt de wet en de belastingkorting is toegekend. De korting bedraagt € 644.085. In 2014 is nog niet de gehele korting benut.
De belanghebbende doet in 2017 de aangifte IB over 2014. De belasting bedraagt nihil. De belanghebbende geeft aan recht te hebben op uitbetaling van heffingskorting(en). Dit komt doordat het drempelinkomen van de partner en de verschuldigde inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen van de partner. De inspecteur stelt de heffingskortingen vast.
De partner heeft over 2014 zelf geen aangifte gedaan. Naar aanleiding van de aangifte van belanghebbende wordt aan de partner in 2018 een navorderingsaanslag opgelegd. De te betalen belasting ligt in de buurt van wat belanghebbende al had aangegeven. Echter, als gevolg van de belastingkorting bedraagt de te betalen belasting voor de partner uiteindelijk nihil.
Het gevolg is dat de aangifte van belanghebbende onjuist was. De belasting die is aangegeven bij de partner is namelijk niet verschuldigd als gevolg van de belastingkorting. De inspecteur wil daarom de uitbetaalde gecombineerde heffingskorting navorderen, vermeerderd met belastingrente. Belanghebbende meent dat dit niet mogelijk is.
Waarom vindt belanghebbende dat navordering niet mag?
Belanghebbende meent dat geen sprake is van een nieuw feit. De belastingkorting is in 2011 toegekend, dus de inspecteur die naar de aangifte over 2014 keek, had moeten weten dat de partner recht had op een belastingkorting. Als gevolg hiervan is sprake van een ambtelijk verzuim en niet van een nieuw feit. Navorderen is dan niet mogelijk. De inspecteur is (uiteraard) van mening dat navorderen wel mogelijk is.
Mag de inspecteur van het hof navorderen?
Interessant is eerst dat de inspecteur zich beroept op de regel dat mag worden nagevorderd bij een vermindering van de aanslag van de partner, die relevant is voor de aan belanghebbende verleende heffingskorting. Daarmee lijkt de inspecteur de nieuw-feit-discussie te willen vermijden. Met dit argument maakt het hof korte metten. De regel waar de inspecteur op wijst betreft een verruiming van de navorderingstermijn. De ‘normale’ termijn bedraagt vijf jaar en die termijn is nog niet afgelopen. De regel waar de inspecteur zich op beroept is dus niet van toepassing. Het zal er dus om gaan of sprake is van een nieuw feit.
Het hof over het nieuwe feit en de belastingkorting
Het hof geeft eerst de hoofdregel aan. De inspecteur die zich heeft bezig gehouden met de aangifte van belanghebbende over 2014 mag uitgaan van de juistheid van de aangeleverde gegevens. Hij hoeft dus niet altijd een nader onderzoek te verrichten. Een nader onderzoek is wel nodig indien de inspecteur, na met normale zorgvuldigheid de inhoud van de aangifte te hebben bestudeerd, aan de juistheid van enig gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Daarbij geldt de ingewikkeld geformuleerde regel die wij op deze site al vaker noemden: voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.
Het hof moet nu echter dieper kijken, omdat er informatie aanwezig was bij de Belastingdienst over de belastingkorting. Daarover merkt het hof op dat de inspecteur in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het dossier van belanghebbende. Hij hoeft niet over te gaan tot het raadplegen van al dan niet aanwezige dossiers die horen bij andere belastingplichtigen of andere belastingmiddelen. Dat hoeft ook niet als daarin mogelijk relevante gegevens zitten. Dit onderzoek is slechts nodig indien de inspecteur gegevens aantreft in de aangifte van belanghebbende die daartoe redelijkerwijs aanleiding geven.
Zoals aangegeven, meent belanghebbende dat de inspecteur wist dat er sprake was van een belastingkorting. Die beschikking is immers van 2011 en het betreft de aanslag over 2014. Het hof gaat hier niet in mee. Daarbij is volgens het hof van belang dat niet gesteld of gebleken is dat de persoon van de inspecteur die de korting heeft toegekend, dezelfde persoon is die nu de aanslag behandelt. Belanghebbende heeft niet aannemelijk kunnen maken dat de betrokken aanslagregelaar bekend was met de beschikking heffingskorting van de partner. Aan de juistheid van de aangifte van belanghebbende hoefde ook niet getwijfeld te worden. Er was dus ook geen aanleiding voor nader onderzoek in het dossier van de partner van belanghebbende.
De inspecteur mag dus navorderen
Het hof komt daarmee tot het oordeel dat de inspecteur een nieuw feit heeft. Van een ambtelijk verzuim is dus geen sprake. De navorderingsaanslag blijft daarmee intact. Het startpunt lijkt te zijn dat het niet gaat om de handelwijze binnen de eenheid, maar om de handelwijze ten aanzien van de specifieke belastingplichtige, in dit geval belanghebbende.
Advies bij navordering en nieuw feit
Navordering doet afbreuk aan uw rechtszekerheid. Een eerder opgelegde aanslag pakt immers alsnog anders uit dan verwacht. Laat daarom altijd toetsen of de inspecteur wel over mag gaan tot navordering. Neem daarvoor gerust contact met één van onderstaande auteurs op. Het eerste contact is altijd vrijblijvend.
Fiscale boete of strafvervolging
Een boete van de Belastingdienst én een strafvervolging door de officier van justitie, kan dat?
Fiscale boete en strafvervolging
Als belastingplichtige kunt u talloze fouten maken die aanleiding kunnen zijn voor een boete. Dat u niet aan uw fiscale verplichtingen voldoet kan vele oorzaken hebben. Onwetendheid, laksheid, vergeten, uitbesteed aan adviseur of accountant, nalatigheid, opzet en alles wat daartussen zit.
Nieuws 2023 inzake protocol AAFD
Het Protocol AAFD staat voor Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen. Omdat fiscale delicten vaak zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk kunnen worden afgehandeld, volgt uit artikel 5:44 lid 1 Awb en artikel 243 lid 2 Sv dat het één het ander uitsluit, tot zover de wet (una via beginsel en in verlengde hiervan het ne bis in idem beginsel, dus geen dubbele straf van dezelfde persoon voor hetzelfde feit). Er moet dus een keuze worden gemaakt, of fiscaal "aanpakken" of strafrechtelijk, dit volgt meestal uit het overleg tussen FIOD, OM en de belastingdienst. Voor dit overleg van de "weegploeg" is er sinds 1 juli 2023 een nieuw protocol. In de kern de wijzigingen
- Nadeel tenminste € 100.000. Vanaf 1 juli 2023 geldt het ook voor zaken waarin het nadeel onvoldoende bepaalbaar is. Er moet wel sprake zijn van een vermoeden van opzet.
- Er is binnen Europa een nieuwe entiteit, het Europees Openbaar Ministerie. Het EOM is een onafhankelijk orgaan van de Europese Unie en onderzoekt en vervolgt strafbare feiten die de financiële belangen van de EU kunnen schaden. Soms zullen zaken dus aan het EOM moeten worden voorgelegd, het AAFD is dan buiten beeld.
- AAFD is ook van toepassing voor strafbare feit en uit de Wet op de internationale bijstandsverlening (WIB)
- Daarnaast wordt de evolutie van het boete systeem nog benoemd (zoals de deelnemersboete (artikel 67 letter o AWR / artikel 5:1 AWB) en de mogelijkheid om namen van overtreders openbaar te maken (artikel 67 letter r AWR)
Afwezigheid van alle schuld
Bij afwezigheid van alle schuld (AVAS) krijgt u geen boete. De lat daarvoor ligt hoog. U mag geen enkel foutje hebben gemaakt. Grof weergegeven worden de kleinere zaken afgedaan door een boete van de Belastingdienst en worden de zwaardere zaken strafrechtelijk vervolgd. Tussen Belastingdienst, FIOD en het Openbaar Ministerie zijn daarover afspraken gemaakt die zijn neergelegd in het AAFD Protocol.
Verzuimboete en strafververvolging
De Hoge Raad oordeelt in 2022 dat de strafrechtelijke vervolging van een natuurlijk persoon wegens een belastingverzuim wel mogelijk is, ook al is aan de BV een fiscale sanctie opgelegd. De DGA wordt namelijk als prive persoon (natuurlijk persoon) vervolgd in de hoedanigheid van de persoon die de opdracht heeft gegeven aan het door BV begane feit (feitelijke leiding). Daarnaast is er een verschil tussen de aard en ernst van het strafbare feit en de oplegging van de verzuimboete. De zaak wordt deels afgerond en wel verwezen.
Fiscale boete of verbeurdverklaring
Een (fiscale of geld) boete is niet aftrekbaar (artikel 3.14 lid 1 onder c Wet IB). Het kan namelijk niet zo zijn dat een straf minder pijn doet doordat de boete aftrekbaar is. Ook boetes, kosten en lasten die hiermee (of met een misdrijf) samenhangen zijn niet aftrekbaar (mits belastingplichtige onherroepelijk is veroordeeld). Uit de wet, de wetsgeschiedenis en enkele uitspraken van rechters volgt echter wel dat verbeurdverklaringen gewoon aftrekbaar zijn. De verbeurdverklaring is een straf (sanctie) in het strafrecht waarbij de rechter bepaalt dat de belastingplichtige de (veroordeelde) eigendom over een voorwerp (of geld) verliest en waarbij de staat die eigendom verkrijgt. Als het voordeel wordt belast en dit voordeel wordt afgenomen dan is het (financieel) logisch dat dit aftrekbaar is (artikel 3.14 lid 3 wet IB). Aftrek zal plaatsvinden in het jaar waarin de ontneming feitelijk heeft plaatsgevonden. Tot zover is het helder.
In een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 15 mei 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3208) oordeelde deze belastingkamer echter anders. Het Gerechtshof stelde dat de verbeurdverklaring - onder omstandigheden - niet aftrekbaar was omdat deze samenhangt met criminele kosten (artikel 3.14 lid 1 onderdeel d wet IB). Dit is echter "onder omstandigheden". Omdat de Hoge Raad er verder niks mee deed is het nog gissen hoe dit moet worden gezien. Het lijkt erop dat een verbeurdverklaring niet aftrekbaar is deze moet worden gezien als een (punitieve) straf of sanctie. Een normale verbeurdverklaring (ontnemingsactie) is dus gewoon aftrekbaar omdat deze moet worden gezien als de voldoening van straf (geldbedrag).
Ne bis in idem en una via beginsel
Het opleggen van een boete is strafvervolging. De Oude Grieken hadden al een wet die ‘verbiedt dat dezelfde persoon tweemaal wordt berecht voor hetzelfde feit’[1]. Dat zogenoemde ne bis in idem-beginsel geldt nog steeds.
Daarnaast geldt dat u maar op één manier aangepakt kunt worden: het una via-beginsel. Dat beginsel beoogt een vroegtijdige keuze tussen een boete van de Belastingdienst of strafvervolging. Nu staat dat in de artikelen 5:43 en 5:44 van de Awb. Die afstemming is geregeld in het AAFD Protocol. Het belang kwam ook aan de orde in een uitspraak van het Gerechtshof in 2021. In deze zogenaamde "paperclip procedure" wordt een belastingplichtige een verzuimboete opgelegd en tevens wordt hij strafrechtelijk vervolgd. Dit kan en mag niet, aldus het Gerechtshof. Het OM wordt in deze procedure niet ontvankelijk verklaard. In deze procedure ging het om een verzuimboete (van slechts 3%). De vraag die in de praktijk voorbij komt is of het ne bis in idem-beginsel alleen in beeld komt bij vergrijpboetes of ook bij verzuimboetes. Het Gerechtshof is hierover duidelijk (bij alle boetes), nu de Hoge Raad nog.
De overheid moet dus kiezen, óf via een boete (bestuursrecht) een belastingplichtige straffen, óf via het strafrecht. De Belastingdienst overlegt een relevante casus met de FIOD in een Tripartiete overleg, hiervoor bestaan regels. Deze regels zijn vastgelegd in het AAFD Protocol, het protocol voor aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen. In dit protocol staat wanneer een fiscaal delict in aanmerking komt voor strafrechtelijke vervolging. Feitelijk speelt dit al bij een drempel van € 20.000 of meer, in de praktijk is deze drempel € 100.000.
Waar gaat het fout bij boete of strafvervolging?
In de praktijk blijkt nogal eens dat de Belastingdienst een grote ‘boetemachine’ is waarin tamelijk geautomatiseerd met boetes wordt gestrooid wegens het niet, te laat of te weinig doen van belastingaangifte en / of de betaling daarvan. Vooral in situaties waarin de officier van justitie op basis van de aanvullende toetsingscriteria van het AAFD Protocol ook gaat vervolgen, wordt uit het oog verloren dat al een boete is opgelegd. Er wordt bijvoorbeeld strenger strafrechtelijk gehandhaafd omdat bepaalde zaken vaak voorkomen (vb. het schuiven met btw naar een andere maand, toeslagenfraude of airbnb-verhuur) of er een combinatie is met andere strafbare feiten.
Ook komt het voor dat informatie wel bij de Belastingdienst bekend is, maar dat de officier van justitie strengere normen heeft. Voor de belastingheffing is een verzoek om uitstel van betaling of de opgave dat je niet kunt betalen (melding betalingsonmacht) tamelijk vormvrij, terwijl de officier van justitie (ten onrechte) eist dat een specifiek formulier is gebruikt.
Let er bij een boete dus op dat, ook als die terecht is, wel regels gelden.
Commentaar fiscaal jurist
Een boete is vervelend, maar soms terecht. Niettemin loont het altijd de moeite om te checken of de Belastingdienst en officier van justitie zich aan de regels houden. Als het dan toch zover komt, zijn er natuurlijk ook talloze redenen om een boete te matigen. Het is daarom raadzaam een boete altijd met uw adviseur te bespreken om even beter te kijken of er echt niets aan is te doen. Wilt u een afspraak? Bel ons gerust voor een vrijblijvende bespreking.
Bron fiscale boete of strafvervolging
Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 13 april 2021 ECLI:NL:GHSHE:2021:1168
Folder belastingdienst inzake preventie en opsporing
[1]Demosthenes, Speech against Leptines, vert. J.H. Vince, Harvard: Harvard University Press 1962.
Menselijke maat bij de Belastingdienst
Een ondernemer (73 jaar) had Omzetbelasting (BTW) moeten afdragen over zijn diensten aan een ANBI. Het gaat om een bedrag van ruim € 55.000. De aanslag is terecht, maar de rechter komt met een opmerkelijke aanbeveling. Hoewel de aanslag juist is, adviseert de rechter de Belastingdienst (met klem) de aanslag niet op te leggen.
De menselijke maat bij de rechtbank
Henk is 73 jaar jong en verricht via een eenmanszaak ICT-diensten die belast zijn met btw. In 2014 en 2015 ontwikkelde Henk voor een ANBI-instelling (goede doelen-stichting) een softwarepakket. De werkzaamheden worden uitgevoerd door studenten met een vluchtelingenachtergrond. De studenten ontvingen een normaal salaris en de uren worden bij de ANBI in rekening gebracht (tarief € 30). Op de facturen wordt - ten onrechtte - geen BTW in rekening gebracht. Er volgt een naheffingsaanslag, zonder boete, met belastingrente van ruim € 55.000. De Rechtbank Noord Nederland beslist als volgt:
- Naheffingsaanslag is terecht, diensten zijn niet vrijgesteld van btw.
- Inspecteur hoeft bij een naheffingsaanslag btw niet over nieuw feit te beschikken.
- Beroep op vertrouwensbeginsel faalt.
- Beroep van Henk is ongegrond.
De rechtbank komt echter ook nog tot een opmerkelijke conclusie:
- Henk helpt mensen met een achterstand op de arbeidsmarkt naar een vaste baan.
- Henk voldoet aan alle fiscale verplichtingen t.a.v. het loon (nagelaten btw in rekening te brengen).
- Henk kan de BTW niet alsnog in rekening brengen bij de ANBI-instelling (stichting).
- Henk kan de € 55.000 niet betalen (gezien zijn inkomens- en vermogenpositie).
- Henk heeft veel stress door deze situatie en een klein pensioentje.
De menselijke maat bij de Belastingdienst ontbreekt
De rechtbank geeft de inspecteur, mede in het kader van de huidige maatschappelijke discussie over de "menselijke maat", met klem in overweging om na te gaan of eventueel alsnog in de heffings- dan wel in de invorderingssfeer een tegemoetkoming kon worden getroffen, die in de situatie van Henk passend zou zijn (rechtsoverweging 19).
Conclusie fiscaal jurist over de menselijke maat bij de Belastingdienst
Allereerst was het voor Henk verstandig geweest om voordien te overleggen met een fiscaal jurist. Via de kosten voor gemene rekening (artikel 11 lid 1 letter f Wet op de Omzetbelasting 1968) was het probleem niet ontstaan.
Cultuur Belastingdienst en menselijke maat
De Belastingdienst is belangrijk voor Nederland, maar de Belastingdienst moet nadrukkelijk ook de menselijke maat nastreven en haar eigen interne organisatie op orde brengen. In 2019 en 2020 heeft een cultuuronderzoek binnen de Belastingdienst plaatsgevonden. Medewerkers hebben behoefte aan een duidelijk beleid omtrent de menselijke maat en voelen zich niet "veilig" op hun werkplek. Men durft dus niet alles te zeggen wat men vindt of voelt. Een angstcultuur noemen we dit in normaal Nederlands.
Er wordt veel geschreven over de menselijke maat bij de Belastingdienst. Dit kwam duidelijk naar voren bij de toeslagenaffaire. De Belastingdienst begint binnenkort een eigen onderzoek: "hoe ziet Nederland de Belastingdienst?". Dit onderdeel, "de menselijke maat", zal hierin zeker naar voren komen, mede omdat de Belastingdienst er slecht "op staat" en dit ook de belastingmoraal zal beïnvloeden.
Rechtspraak en kabinet over de menselijke maat
De rechter geeft nu voor het eerst advies aan de Belastingdienst. Ook in het jaarplan 2021 van de Raad voor de Rechtspraak wordt geadviseerd de menselijk maat in ogenschouw te nemen. Nu hopen dat de regering dit ook eens serieus oppakt en de medewerkers van de Belastingdienst de mogelijkheid geeft hiermee rekening te houden. Een werknemer bij de dienst moet zich aan de wet houden, dus zijn opties zijn beperkt. Een inspecteur kan enkel de wet toepassen, dus bij de heffing kan de inspecteur niet anders omdat er willekeur zou ontstaan. De invorderaar (degene die de belastingen daadwerkelijk gaat innen) zou de menselijke maat wel kunnen toepassen, dit via een coulante regeling, kwijtschelding of afboeken in verband met oninbaarheid (het niet verder bemoeilijken).
Hulp vanuit Den Haag is dus van essentieel belang en in de huidige tijd noodzakelijk. De wettelijke kaders moeten dan beter worden ingevuld. Het beeld dat de maatschappij heeft van de Belastingdienst is niet fraai en dit is soms terecht maar zeker niet altijd. De belastingdienst bestaat immers niet, hier werken (verschillende) mensen die zich aan de wet moeten houden, da's niet anders.
Strafzaken en menselijke maat
De menselijke maat speelt bij vele organisaties, zeker de Belastingdienst (toeslagen affaire) maar ook het openbaar ministerie zou haar lessen moeten trekken uit deze discussie. Ook in fraude onderzoeken moet voorop staan dat fraude wordt bestreden (en niet een zaak wordt rondgemaakt). In sommige zaken zien wij dat belastende informatie wordt meegenomen terwijl ontlastende informatie niet is gebruikt. Zowel rechtens als vanuit de menselijke maat mag een objectief onderzoek worden verwacht, doel redeneren hoort hier niet bij. Dit kan door de onderzoekers worden opgepakt maar in een later stadium ook door de Officier van Justitie. Een open gesprek tussen advocaat/ klant en de OvJ zou hierbij een mooie eerste stap zijn. Dit voorkomt een jarenlange procedure en bijbehorende onzekerheid.
De menselijke maat in de praktijk
Als mijn ouders zouden zijn betrokken bij de toeslagenaffaire, zou ik als fiscalist op dezelfde wijze handelen als de Belastingdienst, dus via diverse bezwaar- en beroepsprocedures, beslagleggingen op bankrekeningen van de Belastingdienst en computers van de inspecteur. Daarnaast zou ik slecht bereikbaar zijn en alleen veel brieven en e-mails sturen, met duidelijke (en korte) termijnen en financiële gevolgen. Dit werkt natuurlijk niet en mag ook niet de bedoeling zijn.
En als ik nog een wens mag uitspreken: "de wetgeving is complex en niet alle burgers begrijpen dit even goed." Er is dus een belangrijke plek weggelegd voor belastingadviseurs, sociale raadslieden en belastingwinkels. Laat de Belastingdienst hiervoor een apart telefoonnummer, mailadres en separate afdeling in het leven roepen. Via eenvoudige communicatie los je problemen op.
De regering (het kabinet) moet de Belastingdienst meer ruimte geven om niet alleen de letter van de wet te volgen, maar ook in de geest van de wet te handelen. Dit zal vele problemen voorkomen en de belastingmoraal positief beïnvloeden. De hardheidsclausule geeft hiervoor al een opening, hierdoor zouden inspecteurs meer vrijheid kunnen krijgen bij het beoordelen van een situatie. Bij onbillijkheden van overwegende aard zou een inspecteur dan ruimte krijgen om af te wijken van een dwingende wetgeving.
Als mijn zoon Max met een schoolrapport binnenkomt, kijk ik naar de cijfers en naar zijn ontwikkeling. Dit beoordeel ik niet als een jaarverslag of onderzoeksrapport. Ik kijk naar zijn ontwikkeling en wat hij wel of niet kan, waar liggen zijn positieve kansen en waar is hij goed in? Behandel een belastingplichtige zoals ik mijn zoon behandel en niet als geldzak of tegenpartij!
Bron menselijke maat bij Rechtbank
Rechtbank Noord-Nederland d.d. 22 april 2021 ECLI:NL:RBNNE:2021:1604
Klikbrief Belastingdienst
Een boze ex-echtgenoot of ex-werknemer stuurt een klikbrief naar de Belastingdienst. Deze klikbrief heeft tot gevolg dat diverse controleurs de onderneming gaan bestoken met vragen en een boekenonderzoek instellen. Vele navorderingsaanslagen en boetes volgen. En nu? In dit artikel een leuke uitspraak van het Gerechtshof Den Haag.
Dossierinzage en informatieverstrekking Belastingdienst
De Belastingdienst ontvangt een (gedetailleerde) klikbrief per mail over een reinigingsbedrijf. In de mail wordt tot in detail aangegeven hoe het bedrijf belastingen heeft ontdoken. De Inspecteur begint met een glimlach op zijn gezicht een boekenonderzoek, hij weet namelijk precies waar hij moet zoeken. Elk schot is raak! Tijdens het onderzoek wordt geen melding gemaakt van de klikbrief en / of de aanleiding voor het onderzoek.
Algemene beginselen behoorlijk bestuur en nemo tenetur-beginsel
De ondernemer neemt een fiscalist in de hand die stevig ten strijde trekt. De ondernemer is niet gewezen op zijn rechten en aan hem is geen cautie gegeven. Partijen komen er niet uit en stappen naar de rechter. De rechtbank doet er niet veel mee, er is geen sprake van een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of het beginsel dat niemand gehouden is om tegen zichzelf bewijs te leveren (nemo tenetur-beginsel, EVRM). De ondernemer heeft echter wel degelijk meegewerkt aan zijn eigen veroordeling omdat hij niet op zijn rechten is gewezen.
De Inspecteur is zich van geen kwaad bewust. Hij heeft de klikbrief als handleiding genomen en zelfstandig een onderzoek ingesteld en hierbij gekeken of de informatie uit de (gedetailleerde) mail juist bleek te zijn.
Noot fiscaal jurist inzake "op de zaak betrekking hebbende stukken"
De ondernemer gaat in hoger beroep. Insteek is dat de aanslagen naar de prullenbak worden verwezen en de boetes van tafel gaan. Het gedrag van de Inspecteur was een overheidsdienaar onwaardig en dan moet dit ook gevolgen hebben, aldus de ondernemer.
Het gerechtshof wijst de Belastingdienst op pittige toon op de beginselen van behoorlijk bestuur en de wijze waarom het onderzoek heeft plaatsgevonden. De Inspecteur had de ondernemer moeten informeren over de aanleiding van het onderzoek (de klikbrief), immers de Inspecteur kwam bij de ondernemer op bezoek om te kijken of de informatie uit de klikbrief juist was. Het ging dus niet om een normaal boekenonderzoek en eerder om een opsporingsonderzoek. De ondernemer heeft zich hiertegen nooit kunnen wapenen of verdedigen.
Tijdens de zitting gaan partijen even de "gang" op en sluiten een vaststellingsovereenkomst / compromis. De aanslagen blijven normaal in stand, maar de boetes worden verminderd van 50% tot 10%. De Inspecteur wordt veroordeeld in de vergoeding van de proceskosten van de ondernemer, deze worden vastgesteld op € 2.100, hier komen de griffierechten dan nog bij.
Het is soms begrijpelijk dat de overheid niet direct alle kaarten op tafel legt. Wij vragen ons echter wel af waarom er niet gewoon openheid van zaken van wordt gegeven. De formele kant wordt in procedures steeds belangrijker, steeds vaker zien wij dat stukken worden achtergehouden, "er niet meer zijn", niet van belang zouden zijn, etc. Het is echter al lang duidelijk dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage moeten worden verstrekt. De kaarten tegen de post houden of verstoppertje spelen hoort hier niet bij.
Er komt meer toezicht op het handelen van de Belastingdienst, dit stond helder en duidelijk in het advies enkele deskundigen (1 oktober 2020). Wij zouden adviseren om ook een ombudsman voor fiscale zaken en klachten in te stellen.
Hulp bij boekenonderzoek
Bent u ondernemer en is bij u een boekenonderzoek ingesteld en / of bent u betrokken bij een fiscale procedure? Laat u eens adviseren door een fiscaal jurist, soms valt er op formele gronden nog veel te doen! Neem gerust contact op voor een vrijblijvend gesprek.
Bron klikbrief Belastingdienst
Gerechtshof Den Haag d.d. 12 juni 2020 ECLI:NL:GHDHA: 2020:1201
Inspecteur moet belastingplichtige helpen
Een DGA heeft last van de crisis. Zijn pensioen staat bij een verzekeraar en hij wil dit geld gebruiken om zijn bedrijf te redden. De DGA laat zijn pensioenreserve overboeken naar zijn eigen B.V. en gebruikt dit geld om schulden van zijn bedrijf te betalen. De Belastingdienst stelt: "pensioen is weg dus pensioen is afgekocht." Gevolg: een forse aanslag !
- Moet de Belastingdienst of overheid de belastingplichtige helpen?
- Heeft de Belastingdienst een zorgplicht?
Onze premier de heer Rutte riep al eens: "doe eens normaal man." Dit zou soms ook voor de Belastingdienst moeten gelden, aldus de Advocaat-Generaal!
Zorgplicht belastingdienst of Inspecteur
Soms maken belastingplichtigen fouten en heeft dit tot gevolg dat er forse belastingaanslagen (moeten) worden opgelegd. De wet is soms hard, maar het is de wet. In deze casus gebruikte de DGA zijn pensioengeld om zijn bedrijf te redden. De Inspecteur stelt (terecht) dat het pensioen is prijsgegeven. De Rechtbank en het Gerechtshof gaven de Inspecteur gelijk. Ook de Hoge Raad kan niet veel anders dan de wet toepassen, de wet is de wet !
De Advocaat-Generaal (de heer Niessen) komt nu met het volgende:
- Hij meent dat een zorgplicht tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur moet worden gerekend en dat het ‘reële burgerperspectief’ erkenning verdient.
- Van de medewerkers van de Belastingdienst kan worden verwacht dat zij ernaar streven om waar mogelijk belastingplichtigen die onnodig en kennelijk onbewust handelingen verrichten die voor hen onbedoelde en onverwachte substantiële financiële nadelen brengen, daarop te attenderen, informatie te verstrekken en te bespreken of en hoe zij deze nadelen kunnen vermijden.
- De belastingrechter kan hierop toezicht houden door in dergelijke gevallen marginaal te toetsen of de Inspecteur aan zijn zorgplicht heeft voldaan, en zo niet, de bestuurlijke lus toe te passen.
Noot fiscaal jurist inzake hulp door de Belastingdienst
De insteek van de algemene wet bestuursrecht (AWB) is dat er eerlijke spelregels zijn tussen burgers en de overheid. Bij de totstandkoming van de AWB (Kamerstukken, publicaties) is duidelijk geworden dat de overheid in de basis er is voor de burger en dat de overheid in voorkomende gevallen de burger moet helpen of de helpende hand moet bieden.
De Inspecteur kan niet voordien of tijdig een belastingplichtige informeren bij een mogelijke fout. Als het probleem er is, kan de Inspecteur wel meedenken over een oplossing, deze mogelijkheden heeft de Inspecteur namelijk wel.
De houding binnen de Belastingdienst zou dus moeten veranderen. De toeslagenaffaire heeft duidelijk gemaakt dat de houding van de Belastingdienst eerder de andere kant op gaat, dit met als gevolg dat er aangifte is gedaan door het OM tegen de Belastingdienst (beroepsmatige discriminatie en knevelarij). Deze fout door een kleine groep mensen zorgt binnen de Belastingdienst voor frustratie, boosheid, verbazing, maar ook schaamte. Dit probleem is veroorzaakt door de druk van de overheid op de Belastingdienst en het ontstaan van een onjuiste cultuur binnen de Belastingdienst. Dit kan nu positief worden opgelost als de Belastingdient (met de belastingadviseur en de belastingplichtige) een probleem wil oplossen. Gezien allerlei onderzoeken en de druk van de Minister is de speelruimte voor de goedwillende belastinginspecteur echter beperkt.
De rechter zou kunnen helpen door naast de formele kant van het verhaal (de wet) ook te kijken naar de materiële kant (het rechtsgevoel en de feiten) van de zaak. De Inspecteur heeft namelijk op dit moment weinig wettelijke mogelijkheden, wellicht uitstel van betaling. De Inspecteur zal zich in deze tijd van interne onderzoeken altijd aan de wet willen houden. Samen met belastingplichtige en eventueel een adviseur zoeken naar kansen en mogelijkheden kan wel helpen !
Bron zorgplicht Belastingdienst
Advocaat-Generaal d.d. 15 mei 2020 ECLI:NL:PHR:2020:486
Wanneer krijgt u een vergrijpboete van de Belastingdienst?
Doet u opzettelijk geen aangifte of een onjuiste of onvolledige aangifte, dan krijgt u van de Belastingdienst een vergrijpboete opgelegd, tenminste dit kan de Belastingdienst doen. Er kan ook een vergrijpboete worden opgelegd bij een navorderingsaanslag. De Belastingdienst mag alleen ene vergirjpboete opleggen als aantoonbaar sprake is van opzet (willens en wetens handelen) of grove schuld (voorwaardelijke opzet, willen staat centraal, lichtvaardig of slordig handelen). Bij bepaalde boetes is zelfs grove schuld niet voldoende, opzet lijkt de ondergrens (bij een vergrijpboete). Boete is bij grove schuld meestal lager dan bij voorwaardelijke opzet.
De belastingdienst moet dus overtuigend aantonen (doen blijken) dat sprake is van grove schuld of opzet omdat de waarborgen van het EVRM (Europees verdrag voor de rechten van de mens) ook meespelen. De belastingplichtige moet dus weten dat hij iets fout deed (en bewust).
Vergrijpboete ter discussie stellen
De vergrijpboete wordt soms iets te vlot door een inspecteur opgelegd. Deze kan om verschillende redenen worden verminderd of tot nihil worden bijgesteld (door de rechter). De belangrijkste oorzaken uit de rechtspraak zijn:
- Procedure loopt te lang (overschrijding van de redelijke termijn), zie Hoge Raad d.d. 6 september 2024 ECLI:NL:HR:2024:1132 of Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 23 juli 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:4871
- Vergrijpboete voor hetzelfde feit bij verschillende belastingtypen
- Vergrijpboete wordt niet overtuigend via feitelijk bewijs aannemelijk gemaakt, derhalve geen (of beperkt) sprake van opzet of grove schuld (uitgebreide toelichting in mening AG op 4 april 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:410)
- Ontbreken van voldoende bewijs voor opzet of grove schuld, Gerechtshof Amsterdam d.d. 15 november 2022 ECLI:NL:GHAMS:2022:3728
- De grondslagen en/of omstandigheden zijn anders of niet juist voorgesteld, zie Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 14 mei 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:3357
- De boete moet wel in balans zijn, de noodzaak van een juiste kwalificatie van het vergrijp en de evenredigheid van de opgelegde boete, zie hiertoe mening AG op 5 juli 2024 ECLI:NL:PHR:2024:736
- Beboeting wordt niet tijdig medegedeeld, schending verdedigingsbeginsel (kennisgeving boete (met motivering) is later gedagtekend dan de boetebeschikking. Zie hiertoe bijvoorbeeld Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 7 mei 2025 ECLI:NL:RBZWB:2025:2724.
Streep door vergrijpboete ex bestuurder voetbalclub
Als bestuurder een vergrijpboete aan je broek krijgen? Dan staat niet alleen je portemonnee onder druk, maar ook je reputatie. De fiscus legt ze soms voortvarend op, maar gelukkig kijkt de rechter kritischer. In een procedure bij de Rechtbank Gelderland d.d. 5 juni 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:4322) oordeelde de rechter dat een ex-bestuurder van een voetbalclub ten onrechte als feitelijk leidinggever werd aangemerkt. Hoewel hij ooit betrokken was bij een spelerstransfer, was zijn rol bij de latere afwikkeling onvoldoende concreet. De rechtbank herhaalt: bestuurder zijn is niet hetzelfde als leiding geven aan een strafbaar feit. En voor een boete moet de Belastingdienst het bewijs keihard rond hebben. Omdat die bewijslast zwaarder is dan bij de belastingheffing zelf, sneuvelde de boete. De uitspraak is een reminder: wie als adviseur scherp blijft op bewijs en betrokkenheid, kan veel ellende besparen.
Voor een helder overzicht van de stappen die de belastingdienst moet doorlopen verwijzen wij u naar een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 26 april 2016 ECLI:NL:HR:2016:733.
Geduld is vereist, maar rechtvaardigheid duurt soms gewoon even. Belangrijk is dat de belastingdienst met overtuigend aangetoond bewijs komt met concrete gedragingen door de feitelijk leidinggevende.
Hierbij spelen voor een vergriipboete een aantal zaken:
- Feitelijk leiding geven: dit moet concreet worden onderbouwd (zie Hoge Raad d.d. 16 december 1986 ECLI:NL:HR:1986:AC9607) , dit speelde bij de Slavenburg bank, de zogenoemde slavenburg jurisprudentie.
- Is de verboden gedraging door de BV (of rechtspersoon) verricht, zie Drijfmest arrest van de Hoge Raad d.d. 21 oktober 2003 ECLI:NL:HR:2003:AF7938
- Wordt het geheel (opzet of grove schuld) voldoende overtuigend aangetoond (zie Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Al met al moet het volgende worden beoordeeld:
- Kan de (strafbare) gedraging worden toegerekend aan belastingplichtige ( de rechtspersoon)
- Is er hierbij sprake van opzet bij deze strafbare gedraging
- Heeft de persoon (bestuurder) zich gedragen als actief (of passief) feitelijk leidinggevende van dit (strafbare) feit
- Is dit gedrag opzettelijk uitgevoerd door de feitelijk bestuurder/ leidinggevende.
- Heeft de belastingdienst voldoende overtuigend aangetoond dat sprake
is van opzet of grove schuld (zie
Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Belastingdienst moet vergrijpboete overtuigend aantonen
Sinds de uitspraak van de Hoge Raad van 8 april 2022 (ECLI:NL:HR:2022:526) geldt dat de inspecteur een fiscale overtreding overtuigend moet aantonen bij het opleggen van een boete; aannemelijkheid is onvoldoende. Deze zwaardere bewijsmaatstaf heeft geleid tot toenemende aandacht voor de wijze waarop bewijs in fiscale boetezaken wordt beoordeeld. Omdat fiscale boetes een punitief karakter hebben (boete is bedoeld om te straffen), ligt aansluiting bij strafrechtelijke waarborgen voor de hand, waaronder het hanteren van bewijsminima. In het strafrecht gelden immers bewijsminima om lichtvaardige veroordelingen te voorkomen; dat zou ook in het fiscale boeterecht wenselijk zijn. De huidige vrije bewijsleer in het fiscale recht kan leiden tot subjectieve beoordelingen en ongelijke uitkomsten, zoals bleek bij de Luxemburgse bankrekeningzaken. Bewijsminima zouden bijdragen aan rechtszekerheid, bescherming tegen willekeur en betere aansluiting bij artikel 6 EVRM, dat strikte eisen stelt aan bewijs in punitieve procedures. Hoewel tegenstanders wijzen op het belang van flexibiliteit, sluiten bewijsminima een zorgvuldige en flexibele beoordeling van complex bewijs niet uit. De auteur pleit daarom voor invoering van bewijsminima in het fiscale boeterecht, in lijn met de oproep van A-G Koopman op 5 juli 2024 (ECLI:NL:PHR:2024:774) , ter versterking van de rechtspositie van de belastingplichtige.
Krijgt u een boete? Schakel een specialist in die u bijstaat in uw communicatie met de Belastingdienst.
Soorten vergrijpboete
Er zijn meerdere soorten vergrijpboetes, de belangrijkste:
- Belasting is opzettelijk (of grove schuld) niet betaald (of niet volledig betaald), artikel 67f ZWR
- Opzettelijk niet of onjuist aangifte doen (voor aanslagbelasting), artikel 67d AWR
- Bij navordering mits sprake van opzet (of grove schuld) en er te weinig belasting is betaald, artikel 67e AWR
- Informatieverplichting niet nakomen (uit eigen beweging), artikel 10a AWR
- Opzettelijk onjuiste informatie of inlichtingen verstrekken bij verzoek
voorlopige aanslag, artikel 67cc AWR
De vergrijpboete van de Belastingdienst
Als u in de ogen van de Belastingdienst niet de juiste aangifte doet, heeft de Inspecteur de mogelijkheid een vergrijpboete op te leggen als:
- de aangifte opzettelijk niet dan wel onjuist of onvolledig is gedaan (artikel 67d van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen, AWR); of
- het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat een aanslag te laag is vastgesteld of te weinig belasting is betaald (artikel 67e AWR).
De eerste optie is aan de orde als de Inspecteur voor het opleggen van de aanslag constateert dat de aangifte niet deugt. De tweede optie geldt als de Inspecteur vaststelt dat de aangifte niet deugt nadat de aanslag al is opgelegd.
Handreiking fiscaal beleid bij opleggen boetes
Voor de formele kant en het standpunt van de belastingdienst is er informatie beschikbaar over de wijze waarop de belastingdienst fiscale boetes kan opleggen (lees hier de handreiking uit een WOO onderzoek), vertrekpunt in deze discussie is artikel 5:49 AWB en artikel 67 AWR, dit in combinatie met het besluit bestuurlijke boeten (pagraaf 13).
Standpunt kennisgroep belastingdienst
Het beleid van de belastingdienst inzake het instellen van een schuldonderzoek bij een boete is openbaar gemaakt in augustus 2023. Er is verzocht om openbaarmakeing van alle interne stukken waarin vastlegging heeft plaatsgevonden over het beleid met betrekking tot het (zuivere) schuldonderzoek (ad titel 5.2 AWB). In dit stuk vindt u werkinstructies, interne memo's, standpunten, notulen van vergaderingen etc. Het stukken kunt u hier raadplegen. Een aantal zaken vallen op:
- Voor de matiging van een boete wordt ook naar het huidige gedrag gekeken
- Voor verzuimboetes is minder ruimte voor responsief handhaven
- Vragen stellen over de boete toegestaan maar belastingplichtige kan zich beroepen op zijn zwijgrecht (artikel 5:10a AWB)
- Hoe moet een onderzoek inzake DGA salaris plaatsvinden
- Stappenplan inzake opleggen van een boete
- Hoe werkt het schuldonderzoek
- Wanneer melding mogelijke fraudezaak
Hoe hoog is een vergrijpboete van de Belastingdienst?
Standaard wordt bij opzet een boete opgelegd van 50% van de te weinig geheven belasting. Bij grove schuld is dat 25%. Terecht constateert u dat direct bij de aanslag alleen een boete kan worden opgelegd als sprake is van opzet. Als de Inspecteur dus kan bewijzen dat sprake is van opzet, verdubbelt dat dus de boete. Dit artikel gaat alleen over de opzet (en dus niet over het minder ernstige ‘grove schuld’).
Vereisten belastingdienst bij opleggen boete
Als de inspecteur een belastingplichtige een boete oplegt moet de inspecteur uiterlijk op het moment van bekendmaken van de de boete de reden noemen. Bij onduidelijkheid komt alleen betekenis toe aan wat er op het aangiftebiljet is vermeld. In een procedure bij het Gerechtshof Den Bosch komt een boete aan de orde i.v.m. het niet tijdig betalen van aangiftebelasting, in deze de BTW (artikel 67f AWR). Er wordt niet aan de vereisten van artikel 67f AWR voldaan, de boete wordt vernietigd. De Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:704) heeft in 2021 het oordeel van het Gerechtshof (ECLI:NL:GHSHE:2019:2155) bevestigd.
Wanneer is er sprake van opzet?
Het daadwerkelijk weten dat de aangifte onjuist is, is een vereiste voor opzet. Als de Inspecteur die wetenschap kan bewijzen, is sprake van opzet. Doorgaans ligt de kennis / wetenschap van de belastingplichtige niet vast in documenten.
Reeds in 1954 is door de Hoge Raad [1] bepaalt dat ook “zich willens en wetens blootstelt aan de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans (dat de aangifte onjuist / de aanslag te laag is)” voldoende is voor opzet. Later wordt dat voorwaardelijk opzet genoemd.
Later heeft de Hoge Raad [2] geëist dat voor voorwaardelijk opzet sprake moet zijn van de volgende twee voorwaarden:
- de belastingplichtige moet zich van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, bewust te zijn geweest; en
- de aanmerkelijke kans ten tijde van zijn gedraging bewust (willens en wetens) te hebben aanvaard.
Waar maakt de Belastingdienst of de rechter soms een denkfout bij vergrijpboetes?
Veel Inspecteurs (en helaas ook sommige rechters) leggen de jurisprudentie verkeerd uit, waardoor ze te snel tot de conclusie komen dat sprake is van voorwaardelijk opzet. Regelmatig komen we tegen dat wordt gesteld dat de belastingplichtige ‘had moeten weten dat zijn aangifte onjuist of onvolledig is’ voldoende is voor voorwaardelijk opzet. Dat is uitdrukkelijk niet voldoende. Of zoals de Hoe Raad[3] het zegt:
- De omstandigheid dat een belastingplichtige had moeten weten dat zijn aangifte onjuist of onvolledig is, brengt niet mee dat hem de voor opzet vereiste bewustheid met betrekking tot die onjuistheid of onvolledigheid kan worden verweten.
De Inspecteur kan de belastingplichtige niet dwingen een standpunt in de aangifte in te nemen dat de Belastingdienst aanhangt. De Hoge Raad [4] besliste recentelijk nog:
- Voor het bestaan van voorwaardelijk opzet bij toepassing van de artikelen 67d en 67e AWR is (…) niet alleen vereist dat de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat hij die kans toen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). (…) De omstandigheid dat de belastingplichtige zich bewust is van de (…) kans dat de inspecteur zijn standpunt niet zal delen, en die kans bewust aanvaardt, brengt op zichzelf niet mee dat hij welbewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat te weinig belasting wordt geheven.”
Conclusie ten aanzien van de vergrijpboete
De conclusie is dat de vaststelling van (voorwaardelijk) opzet steeds voldoende moet worden gemotiveerd door de Inspecteur. Ook als de wetenschap dat de aangifte (mogelijk) onjuist is op grond van feiten en omstandigheden voor de hand ligt. Dat is vaak geen sinecure en de bewijslast ligt bij de Inspecteur.
Aan het vergaren van dat bewijs hoeft u niet mee te werken. Het is immers strafvervolging. Daarop dient de Inspecteur u te wijzen als hij vragen stelt of onderzoek doet. Dat wordt nogal eens vergeten.
Hoge Raad inzake vergrijpboete "had moeten weten is geen opzet"
In 2022 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over de term "bewust". Had moeten weten is nog niet gelijk (voorwaardelijke) opzet. Als de inspecteur aan een belastingplichtige een verwijt maakt moet de inspecteur dit goed kunnen motiveren. Lichtzinnig een vergrijpboete opleggen is niet aan de orde. Tevens moet de inspecteur bewijzen dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet of grove schuld. De bewijslast voor de schuldgradatie opzet (50%) of grove schuld (25%) ligt bij de inspecteur (paragraaf 25 BBB).
Had moeten weten is nog steed (en gelukkig) geen opzet. Van opzet is pas sprake als iemand willens en weten de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een bepaald gevolg zal intreden (Hoge Raad 25 maart 2003 ECLI:NL:HR:2003:AE9049).
Een autohandelaar heeft een naheffingsaanslag BTW met een vergrijpboete ontvangen. De reden is dat de handelaar door de gebrekkige administratie had moeten inzien dat hij geen recht had op de levering van auto's tegen het nultarief. Hij had moeten weten dat hij niet aannemelijk zou kunnen maken dat de auto's naar een andere EU lidstaat zijn vervoerd. Ook had de handelaar zijn adviseur niet zomaar mogen vertrouwen. De Hoge Raad denkt hier anders over. Voorwaardelijke opzet is niet aan de orde. Aan de handelaar kan niet de voor opzet vereiste "bewustheid" met betrekking tot de onjuiste aangifte worden verweten, aldus ons hoogste rechtscollege. Verder kunnen de omstandigheden dat belanghebbende geen openheid van zaken heeft gegeven en dat hij het laakbare van zijn gedragingen niet heeft ingezien, niet bijdragen aan het oordeel dat hij bewust fouten heeft gemaakt. De Hoge Raad vernietigd de vergrijpboete en verwijst de zaak naar een ander Gerechtshof.
Matiging boete door Hoge Raad
De Hoge Raad (cassatie) bekijkt een zaak niet meer inhoudelijk en veel zaken worden dan ook afgedaan met zogenaamde artikel 81 RO beslissingen. Het cassatieberoep wordt dan afgewezen zonder uitgebreide inhoudelijke motivering. In de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 21 november 2025 ECLI:NL:HR:2025:1727 faalde het inhoudelijke beroep (klachten nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling). Maar hiermee was nog niet alles gezegd.
De Hoge Raad komt ambtshalve toe aan vraag of de redelijke termijn in cassatie wordt overschreden, ook bij het instellen van cassatie beroep (of tweede cassatieprocedure) begint de redelijke termijn dus weer te lopen (1 jaar). De boete wordt ambtshalve verlaagd (gematigd). Belastingplichtige is vergeten immateriele schadevergoeding te vragen, dat is jammer. Dit is een interessante uitspraak, materieel gebeurt er niks maar de redelijke termijn kan de boete wel verlagen (in dit geval met 15%). Cassatie kan dus van belang zijn voor de boete (en termijnbewaking). Bij boeten moet de tijdlijn dus scherp in de gaten worden gehouden, ook als de materiële / inhoudelijke kansen bij cassatie beperkt zijn. Gelukkig bewaakt de Hoge Raad nog steeds de fundamentele proces belangen en waarborgt deze op de juiste wijze.
Noot fiscaal jurist inzake de vergrijpboete door de Belastingdienst
Bij het opleggen van boetes slaat de inspecteur met enige regelmaat de plank volledig mis. Soms is er geen (of niet volledig) boete dossier maar steeds vaker ontbreekt simpelweg het bewijs. Een inspecteur stelt al vlot in correspondentie dat "de heer X bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er te weinig belasting zou worden geheven en dit opzettelijk heeft gedaan". Zo'n zinnetje lijkt inderdaad op opzet maar er wordt geen bewijs geleverd waarom dit zo is. De simpele stelling wordt dus niet van bewijs voorzien. Dit bewijs moet betrekking hebben op:
- de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg zal intreden
- belastingplichtige de wetenschap hiervan had
- belastingplichtige bewust heeft aanvaard dat hierdoor te wenig belasting wordt geheven (wil)
Als deze elementen moet de inspecteur nalopen en niet alleen voorzien van zinnen of stellingen maar ook bewijzen. Dit moet uit het boetedossier volgen. Deze kritische blik op het boetedossier is dus van essentieel belang, zo volgt nogmaals uit de hierboven genoemde Hoge Raad uitspraak uit 2022. Zodra een boete is aankondigd kunt u in het boetedossier kijken, dit is verstandig. Vervolgens moet de boetebeschikking worden vergeleken met de vaak een stuk eerder aangekondigde boete. Dit is specialisten werk, wij helpen u graag en doeltreffend in dergelijke situaties.
De kans op een onjuiste aangifte is door de ingewikkeldheid / complexiteit van het belastingrecht snel aanwezig. Dat wil echter nog niet zeggen dat u als belastingplichtige zich er steeds van bewust moet zijn geweest dat uw aangifte onjuist of mogelijk onjuist is. Schakel daarom voor het doen van aangifte een deskundige in. Is eenmaal een boete opgelegd of wordt dat aangekondigd, neem dan direct contact met ons op. Wij beschikken over de deskundigheid om een boete eventueel te voorkomen dan wel te beoordelen of die volgens de regelen der kunst is opgelegd. Mail ons voor een vrijblijvend gesprek.
Bron fiscale vergrijpboete
Klein leed - deel 2
Fiscalisten zijn juristen en houden dus van regeltjes. Want zonder regeltjes is het chaos.
Ook geschillen over kleine regeltjes kunnen we uitvechten tot en met de Hoge Raad.
Misschien wel omdat het grote leed van de Brexit op 29 maart niet doorging, heeft de Hoge Raad de kans gegrepen te oordelen over klein leed.
Griffierecht
Een vennootschap heeft een geschilletje met de Belastingdienst over een verzoek tot teruggaaf van BTW. Het bezwaar wordt afgewezen en de vennootschap komt in beroep bij de belastingrechter.
Voor de behandeling van het beroep is griffierecht verschuldigd. Omdat iedereen toegang moet hebben tot de rechter is er een regeling die het griffierecht kwijtscheldt of verlaagt als deze echt niet kan worden betaald (betalingsonmacht). De vennootschap krijgt de nota griffierecht en doet een beroep op die regeling, maar betaalt het griffierecht wel. Voordat op het verzoek om kwijtschelding is beslist, stort de rechtbank het geld terug.
Daarna wordt het verzoek tot kwijtschelding echter door de rechtbank afgewezen. Bijna vier maanden later wordt het beroep van de vennootschap door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet is betaald. Tegen zo’n beslissing staat verzet open bij de rechtbank zelf.
Dat verzet wordt echter afgewezen. In dat geval kun je rechtstreeks beroep in cassatie bij de Hoge Raad instellen. Dat doet de vennootschap. Met succes.
De Hoge Raad gaat er met vijf man sterk voor zitten (excuus: drie vrouwen en twee mannen) en oordeelt kort en duidelijk: betaald is betaald. Daaraan doet niet af dat is teruggestort. Het beroep is ontvankelijk en moet inhoudelijk worden behandeld.
Wel moet het griffierecht opnieuw aan de rechtbank worden betaald, maar de ontvankelijkheid hangt daar niet (meer) vanaf.
Opmerking fiscaal jurist
Mooi en terecht dat de vennootschap hier wordt ‘gered’. Als het griffierecht een belemmering is, maar je zekerheidshalve toch maar betaalt, zou het wel heel zuur zijn als je door de terugstorting uiteindelijk je punt inhoudelijk niet kunt maken.
Tip: betaal het griffierecht op tijd en / of doe een verzoek, maar laat het niet ‘hangen’!
Wel benieuwd of de vennootschap het griffierecht inmiddels (weer) heeft betaald. Het griffierecht voor cassatie krijgt hij vergoed door de staat.
Jurisprudentie bij ‘klein leed-2’:
Klein leed - deel 1
Fiscalisten zijn juristen en houden dus van regeltjes. Want zonder regeltjes is het chaos.
Ook geschillen over kleine regeltjes kunnen we uitvechten tot en met de Hoge Raad.
Misschien wel omdat het grote leed van de Brexit op 29 maart niet doorging, heeft de Hoge Raad de kans gegrepen te oordelen over klein leed.
Fiscale procedure inzake parkeerbelasting Delft
In Delft moet je betalen om je auto te parkeren. Dat noemen ze belasting. Ondanks dat er in Delft steen en been wordt geklaagd dat lang niet altijd duidelijk is waar, wanneer en hoeveel belasting moet worden betaald, gaat de belastingrechter er steevast vanuit dat het wel duidelijk is en u anders maar beter had moeten kijken.
’s Avonds na tienen parkeert mevrouw X de auto in Delft en koopt geen kaartje (voldoet geen belasting). Omdat het kenteken op naam van meneer Y staat, die op hetzelfde adres woont, komt de bekeuring (naheffingsaanslag) op zijn naam binnen.
Bezwaar maken tegen aanslag
Een bureau maakt, namens mevrouw X, bezwaar tegen de aanslag. In eerdere jurisprudentie is al uitgemaakt dat degene die feitelijk parkeert ook bezwaar kan maken tegen de aanslag, ook al staat die niet op haar naam.
De ambtenaar die het bezwaar behandelt en ook van regeltjes houdt, ziet dat de aanslag op naam van meneer staat en vraagt om een volmacht van meneer Y (de kentekenhouder). Ook na twee keer vragen komt er geen volmacht. Dus wordt het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Mevrouw X is niet akkoord en stapt naar de rechtbank. De rechtbank meent echter dat de aanslag op naam van meneer Y staat en in bezwaar nergens door mevrouw X wordt opgemerkt dat zij – als feitelijk parkeerder – zelf in bezwaar komt. Ook niet als reactie op het verzoek om een volmacht. Dat had ze wel kunnen en moeten doen. Mevrouw X stapt in hoger beroep naar het Gerechtshof. Dat gaat er met zijn drieën voor zitten, maar is er ook snel klaar mee. In bezwaar bleek niet dat mevrouw voor zichzelf opkwam. Dat zulks in beroep en hoger beroep duidelijk wordt, is te laat.
In cassatie
Dus mevrouw X gaat in cassatie bij de Hoge Raad. Die vindt de zaak kennelijk zo moeilijk of principieel dat er een advocaat-generaal wordt ingeschakeld voor een conclusie (advies). Ook die A-G meent dat mevrouw X ongelijk heeft.
Uitspraak Hoge Raad
De Hoge Raad kijkt er met vijf personen naar. Ook daar vangt mevrouw X bot. Er was voor de ambtenaar geen reden te veronderstellen dat mevrouw X voor zichzelf in bezwaar kwam. Dan hoeft de ambtenaar ook niet te onderzoeken of mevrouw X misschien zelf in bezwaar kwam, dat moet zij zelf maar stellen.
Opmerking fiscaal jurist
Het formele belastingrecht slaat overal toe. In deze parkeerbelastingzaak zijn er tien (!) magistraten aan te pas gekomen om te beoordelen of iemand op de juiste manier in bezwaar is gekomen. Dat heeft niet tot een praktische oplossing geleid.
Het hele probleem was opgelost geweest als mevrouw X in haar bezwaar had gezet: als parkeerder kom ik in bezwaar…… Of als de ambtenaar had gevraagd: bent u de parkeerder?
Moraal van het verhaal: maak duidelijk wat u wilt en waarom. Maar schakel altijd een deskundige in.
Jurisprudentie bij ‘klein leed’:
Arrest Hoge Raad machtiging parkeerbelasting
Douanerechten in fiscale procedure
De rechter krijgt tikje over de vingers
Een leuke casus waarbij het Gerechtshof - tot tweemaal toe - een tikje over de vingers krijgt. Een onderzoek moet zorgvuldig en moet voldoende met reden omkleed worden uitgevoerd. Daarnaast is een heldere toelichting essentieel. Zo niet, "dan moet je je huiswerk opnieuw doen". In een fiscale zaak over de beoordeling van het land van herkomst van geïmporteerde knoflookbollen trekt de Hoge Raad een scherpe lijn. Na twee maal een onjuiste beoordeling moet de rechter in de hoek.
Welke rechter voor douanerechten?
Douanerecht is bijzonder en gecompliceerd. Dat is de reden dat de behandeling van douanezaken landelijk is toegewezen aan slechts één rechtbank: die van Noord-Holland. Bijgevolg vindt het hoger beroep steeds plaats bij het Gerechtshof in Amsterdam en uiteindelijk cassatie bij de Hoge Raad. Die concentratie leidt tot specialisatie en specifieke deskundigheid. Daardoor is het aantal rechters dat echt verstand van zaken heeft beperkt.
Dat kan wel eens een conflictje opleveren, zoals ook in onderstaande zaak.
Douanerechten en land van herkomst
Een bedrijf importeert een partij knoflookbollen en beweert dat die uit Pakistan komt. De douane twijfelt daaraan en laat onderzoeken of de bollen in werkelijkheid niet uit China komen, waardoor hogere douanerechten verschuldigd zijn. De test vindt plaats in een Amerikaans laboratorium en de conclusie is: 98-99% zeker dat de bollen uit China komen.
Het bedrijf heeft aanmerkingen op het onderzoek en stapt naar de rechter. Bij de rechtbank nul op rekest en bij het Hof evenmin succes. Het Hof acht het onderzoek deugdelijk. Bij de Hoge Raad heeft het bedrijf meer succes. De Hoge Raad stelt vast dat het oordeel van het Hof niet deugt omdat de onderzoeksbevindingen zelf niet inzichtelijk of controleerbaar waren gemaakt en het Hof niet zomaar de resultaten van het door het bedrijf ingeschakelde Schotse laboratorium opzij mocht schuiven.
Het Hof moest dus opnieuw naar het onderzoek kijken. Door de concentratie van douanezaken moet dat door hetzelfde Hof. Het Hof neemt de tweede beoordeling serieus en schakelt zelfs een deskundige in. Wederom is de conclusie: Amerikaans rapport betrouwbaar; bollen uit China.
Weer gaat het bedrijf naar de Hoge Raad en weer klaagt het over de (beoordeling van de) onderzoeksmethode. De Hoge Raad oordeelt dat de beoordeling van het onderzoek weer onvoldoende is. Het vergelijkingsmateriaal (bollen uit Pakistan) dat het Amerikaanse laboratorium heeft is klein en er kan niet worden afgeleid of er overlap is tussen Chinese en Pakistaanse knoflookbollen-populaties (dat het bedrijf wel gesteld had). Bij onvoldoende inzicht in de representativiteit van dat vergelijkingsmateriaal valt niet te beoordelen in hoeverre de onderzoeksbevindingen van het Amerikaanse laboratorium juist of onjuist zijn. Het Hof heeft het huiswerk dus (weer) niet goed gedaan.
Op zich niets bijzonders. Het komt vaker voor dat de Hoge Raad de zaken scherp stelt en een Hof corrigeert. Het bijzondere is de volgende uitbrander van de Hoge Raad.
- “Het Hof heeft de eerste uitspraak gedaan in gedeeltelijk dezelfde samenstelling als de bestreden uitspraak. De bestreden uitspraak wordt vernietigd op eenzelfde grond als die waarop de eerste uitspraak is vernietigd. Uit het oogpunt van een behoorlijke rechtspleging dient het Hof deze zaak na verwijzing te behandelen en te beslissen in volledig andere samenstelling, dat wil zeggen zonder raadsheren die bij de eerste of de bestreden uitspraak betrokken zijn geweest.”
Conclusie: het Hof moet het nog een keer overdoen, maar nu met rechters die zich er nog niet eerder tegenaan hebben bemoeid. Allemaal in de hoek dus.
Noot fiscaal jurist over douanerechten en rechters !
Vanzelfsprekend moet de rechter toetsen of de gehanteerde onderzoeksmethodes de toets der kritiek kunnen doorstaan. Dat geldt temeer als het al de tweede keer is.
Opmerkelijk is wel dat slechts één van de drie rechters van het Hof zowel bij de eerste beoordeling als de tweede beoordeling zat. Hij kon zijn visie dus niet ‘doordrukken’, want geen meerderheid. Kennelijk heeft de Hoge Raad er geen vertrouwen in dat de andere twee in de derde ronde wel tot een goede beoordeling kunnen komen.
Nu zijn rechters wel gewend dat de Hoge Raad een beoordelingskader geeft en kunnen omgaan met het feit dat zij het dus in een eerdere instantie – met de kennis van nu - niet helemaal goed hebben gedaan. Maar om nu in een arrest met zijn drieën in de hoek te worden gezet, voert wel wat ver.
Voor degenen die procedures en de ambtelijke molen leuk vinden, "komt ie":
- import knoflook in 2007;
- uitspraak Rechtbank 2011;
- uitspraak Gerechtshof 2012;
- arrest Hoge Raad 2013 (met vragen aan Hof van Justitie);
- beantwoording vragen HvJ 2014;
- eind arrest Hoge Raad 2015;
- uitspraak Gerechtshof 2018;
- arrest Hoge Raad 2019.
Het belang van deze zaak was € 98.000. Dit is vast en zeker opgegaan aan juridische bijstand. De belangrijkste conclusie van de Hoge Raad tot nu toe is: "heren rechters, kunt u uw werk zorgvuldig uitvoeren?" Dit moet voor belastingplichtige uiterst onrechtvaardig voelen. Gelukkig zijn dit incidenten.
Vragen en opmerkingen over fiscale procedures
Procederen is een vak. Als u vragen of opmerkingen heeft, laat ons dan eens vrijblijvend meedenken over uw kansen en risico's. Soms heeft u materieel ongelijk en krijgt u via de formele route alsnog uw gelijk.
Bron over douanerechten en onafhankelijke rechter
Vermindering van fiscale boete door belastingschuld
Bij het vaststellen van een boete moet de Belastingdienst rekening houden met alle omstandigheden van de zaak. Ook het inkomen en vermogen van de belastingplichtige is daarbij van belang.
Lagere fiscale boete door schulden
Een B.V. verkeerde in zwaar weer en beschikte niet over voldoende liquiditeiten. Dat heeft geleid tot het niet betalen van de loonheffing over het salaris van haar directeur. Dat liep op tot een tonnetje. Daarnaast was er wat geschoven met de afdracht van BTW (te laat in het jaar afgedragen). Voor dat schuiven met de BTW kreeg de B.V. een aantal boetes opgelegd.
Met wat gewee en geklaag ging er wat van de boete af. Een boetevermindering vanwege de loonbelastingschuld ging er bij de belastingrechter in hoger beroep niet in. Het Hof [1] oordeelde als volgt:
- “Het niet betalen van belastingschulden kan natuurlijk niet leiden tot vermindering van boeten, die zijn opgelegd omdat andere belastingschulden te laat zijn betaald. Anders zou de vreemde situatie ontstaan dat een belanghebbende door het niet betalen van belastingschulden een vermindering van boeten, die zijn opgelegd voor het te laat betalen van andere belastingschulden, zou kunnen bewerkstelligen.”
Daar zit geen woord Spaans bij. Toch stapt de B.V. naar de hoogste rechter. De Hoge Raad [2] geeft meer grond onder de voeten:
- “De financiële positie van een belastingplichtige wordt mede bepaald door diens verplichting belastingschulden te betalen. Het karakter van deze schulden vormt geen grond om dit element van zijn draagkracht buiten beschouwing te laten bij de bepaling van de proportionaliteit van een boete.”
Om in boetetermen te blijven: schuld is schuld; het doet er niet toe waar die vandaan komt. Een ander Hof moet nu beoordelen of de belastingschuld leidt tot een (nog) lagere boete.
Handreiking fiscaal beleid bij opleggen boetes
Voor de formele kant en het standpunt van de belastingdienst is er informatie beschikbaar over de wijze waarop de belastingdienst fiscale boetes kan opleggen (lees hier de handreiking uit een WOO onderzoek), vertrekpunt in deze discussie is artikel 5:49 AWB en artikel 67 AWR, dit in combinatie met het besluit bestuurlijke boeten (pagraaf 13).
Standpunt kennisgroep belastingdienst
Het beleid van de belastingdienst inzake het instellen van een schuldonderzoek bij een boete is openbaar gemaakt in augustus 2023. Er is verzocht om openbaarmakeing van alle interne stukken waarin vastlegging heeft plaatsgevonden over het beleid met betrekking tot het (zuivere) schuldonderzoek (ad titel 5.2 AWB). In dit stuk vindt u werkinstructies, interne memo's, standpunten, notulen van vergaderingen etc. Het stukken kunt u hier raadplegen. Een aantal zaken vallen op:
- Voor de matiging van een boete wordt ook naar het huidige gedrag gekeken
- Voor verzuimboetes is minder ruimte voor responsief handhaven
- Vragen stellen over de boete toegestaan maar belastingplichtige kan zich beroepen op zijn zwijgrecht (artikel 5:10a AWB)
- Hoe moet een onderzoek inzake DGA salaris plaatsvinden
- Stappenplan inzake opleggen van een boete
- Hoe werkt het schuldonderzoek
- Wanneer melding mogelijke fraudezaak
Fiscale boete en advisering
Het opleggen van boeten is maatwerk. Met alle relevante feiten en omstandigheden moet rekening worden gehouden.
Als de Belastingdienst u een boete oplegt, neem dan contact met ons op. Wij kunnen beoordelen of de boete naar de regelen der kunst is opgelegd en of alle omstandigheden voldoende in de boetehoogte zijn verwerkt.
Neem vrijblijvend contact op als u een boete heeft gekregen.
Vereisten belastingdienst bij opleggen boete
Als de inspecteur een belastingplichtige een boete oplegt moet de inspecteur uiterlijk op het moment van bekendmaken van de de boete de reden noemen. Bij onduidelijkheid komt alleen betekenis toe aan wat er op het aangiftebiljet is vermeld. In een procedure bij het Gerechtshof Den Bosch komt een boete aan de orde i.v.m. het niet tijdig betalen van aangiftebelasting, in deze de BTW (artikel 67f AWR). Er wordt niet aan de vereisten van artikel 67f AWR voldaan, de boete wordt vernietigd. De Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:704) heeft in 2021 het oordeel van het Gerechtshof (ECLI:NL:GHSHE:2019:2155) bevestigd.
Matiging boete door Hoge Raad
De Hoge Raad (cassatie) bekijkt een zaak niet meer inhoudelijk en veel zaken worden dan ook afgedaan met zogenaamde artikel 81 RO beslissingen. Het cassatieberoep wordt dan afgewezen zonder uitgebreide inhoudelijke motivering. In de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 21 november 2025 ECLI:NL:HR:2025:1727 faalde het inhoudelijke beroep (klachten nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling). Maar hiermee was nog niet alles gezegd.
De Hoge Raad komt ambtshalve toe aan vraag of de redelijke termijn in cassatie wordt overschreden, ook bij het instellen van cassatie beroep (of tweede cassatieprocedure) begint de redelijke termijn dus weer te lopen (1 jaar). De boete wordt ambtshalve verlaagd (gematigd). Belastingplichtige is vergeten immateriele schadevergoeding te vragen, dat is jammer. Dit is een interessante uitspraak, materieel gebeurt er niks maar de redelijke termijn kan de boete wel verlagen (in dit geval met 15%). Cassatie kan dus van belang zijn voor de boete (en termijnbewaking). Bij boeten moet de tijdlijn dus scherp in de gaten worden gehouden, ook als de materiële / inhoudelijke kansen bij cassatie beperkt zijn. Gelukkig bewaakt de Hoge Raad nog steeds de fundamentele proces belangen en waarborgt deze op de juiste wijze.
Bron fiscale boete door schulden
Belasting besparen via fiscale procedure
Een belastingprocedure winnen omdat je inhoudelijk gelijk hebt, is het mooiste wat er is. Soms moet je voor verschillende ankers gaan liggen en soms helpt het fiscale procesrecht een handje. Hieronder het verhaal van een producent van theelichtjes die op formele gronden een substantiële belastingbesparing bereikte. Materieel krijg je soms ongelijk, via de formele route kun je dan toch nog winnen.
Fiscale procedure winnen op formele gronden
In Nederland zijn er twee grote producenten van theelichtjes. Die dingen zitten in een aluminium cupje. Nu was de vraag of (het aluminium in) die cupjes verpakking zijn voor de – al lang afgeschafte – verpakkingenbelasting. Het maken van die cupjes en het op de markt brengen ervan (import) is dan belast. De Belastingdienst stelde dat sprake was van verpakking en legde aanslagen op. De twee producenten stelden uitgebreid dat geen sprake was van verpakking en dat dus de aanslagen van tafel moesten.
Jongbloed Fiscaal Juristen stond de kleinste van de twee grote producenten bij en een gerenommeerd advocatenkantoor de andere. De grote producent verloor de procedure, wij wonnen. Niet helemaal, maar voor een belangrijk deel.
In gescheiden procedures voor verschillende rechtbanken en (in hoger beroep) gerechtshoven [1][2], kregen beide producenten gelijk. Geen verpakking, dus geen belasting. Tegen alle verwachtingen in, oordeelde de Hoge Raad [3] dat WEL sprake was van verpakking en dus WEL belasting verschuldigd was.
Meerderheidsregel in fiscale procedures
Jongbloed Fiscaal Juristen had echter nog wat extra – formele – pijlen op de boog. Een ander gerechtshof moest van de Hoge Raad [4] uitzoeken hoeveel belasting dan verschuldigd was en alsnog antwoord geven op de formele bezwaren. Het eerste gerechtshof was daaraan niet toegekomen omdat dat meende dat er geen belasting kon worden geheven.
In de procedure heeft Jongbloed Fiscaal Juristen een beroep gedaan op de meerderheidsregel. Dat betekent dat, als je kunt bewijzen dat in een meerderheid van gelijke gevallen geen belasting is betaald, jij die belasting ook niet hoeft te betalen.
Jongbloed Fiscaal Juristen heeft daarbij uitvoerig betoogd dat het grootwinkelbedrijf (IKEA, AH, Blokker, HEMA, etc.) over de theelichtjes geen belasting heeft betaald en een aantal kleinere producenten en importeurs ook niet.
De argumenten van Jongbloed Fiscaal Juristen waren kennelijk zo sterk dat het gerechtshof aan de Belastingdienst de opdracht gaf te bewijzen dat de genoemde bedrijven WEL belasting hadden betaald over de theelichtjes. De Belastingdienst bestreed dat sprake was van gelijke gevallen (veel ruimer assortiment en importeur i.t.t. producent) en dat de belasting was geheven als lumpsum over een veelheid van producten met aluminium. De Belastingdienst kon echter geen belastingaanslagen of afspraken tonen waaruit bleek dat die zagen op de theelichtjes.
Omdat er twijfel bleef bestaan over de vraag of sprake was van gelijke gevallen en of aannemelijk was dat van anderen belasting was geheven, hebben partijen, op verzoek van het gerechtshof, een compromis gesloten. Het resultaat daarvan is dat de producent van Jongbloed Fiscaal Juristen een substantieel bedrag van de verpakkingsbelasting niet hoeft te betalen.
Fiscaal procederen is een vak. Het zoet van deze ‘deal’?
De ‘kleinere’ producent betaalt aanzienlijk minder dan de grote broer. En de glimlach van Jongbloed Fiscaal Juristen: het grote advocatenkantoor had wel de meerderheidsregel ingeroepen, maar niet zo grondig onderbouwd als wij en verliest dat beroep integraal.
Moraal van het verhaal
Fiscaal procederen is specialistenwerk en wij zetten voor onze clienten dat extra stapje WEL. Discussie met de Belastingdienst? Bel ons gerust voor een vrijblijvende afspraak. Ook het eerste gesprek - bij ons op kantoor - met een specialist procesvoering is gratis.
Second opinon fiscale procedure
Een second opinion is een belangrijk onderdeel van een fiscale procedure tegen de Belastingdienst. Het kan u helpen om een objectief advies te krijgen over de haalbaarheid van uw zaak en de beste strategie om uw belangen te beschermen.
Het is belangrijk om te werken met een ervaren fiscaal jurist of belastingadviseur die bekend is met de complexe regels en voorschriften die van toepassing zijn op fiscale procedures. Een goede adviseur kan u helpen om uw zaak op een duidelijke en overtuigende manier te presenteren, en kan u helpen om de beste strategie te bepalen om uw zaak te winnen.
Bij het zoeken naar een adviseur is het belangrijk om te zoeken naar iemand die ervaring heeft met het behandelen van fiscale procedures tegen de Belastingdienst. U kunt ook overwegen om te zoeken naar iemand die gespecialiseerd is in uw specifieke fiscale kwestie, zoals BTW, vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting.
Als u besluit om een second opinion te vragen, is het belangrijk om alle relevante documentatie en informatie over uw zaak te verstrekken. Dit kan onder meer uw belastingaangiften, correspondentie met de Belastingdienst en eventuele reeds gedane betalingen omvatten. Met deze informatie kan uw adviseur een goed beeld krijgen van uw situatie en u voorzien van een objectieve beoordeling van uw zaak.
In het algemeen kan een second opinion u helpen om uw zaak op een duidelijke en overtuigende manier te presenteren, en om de beste strategie te bepalen om uw belangen te beschermen. Met de juiste adviseur aan uw zijde kunt u uw kansen op succes in een fiscale procedure tegen de Belastingdienst maximaliseren. Wij helpen u graag, vraag gerust een vrijblijvende offerte
Bron fiscale procedures
Het verhoren van een belastinginspecteur of FIOD-ambtenaar
Soms heb je als belastingplichtige het gevoel dat de Belastingdienst over meer informatie beschikt dan deze prijsgeeft. Daarbij zou ook wel eens informatie kunnen zitten die voor jou als belastingplichtige nuttig is. Dan zou je graag voor de rechter de inspecteur onder ede willen horen.
Kan ik als belastingplichtige de belastinginspecteur voor de rechter verhoren?
Sinds het zogenoemde Tipgeversarrest [1] weten we dat, als de inspecteur de informatie niet wil geven, deze ook niet kan worden afgedwongen door zijn collega van de FIOD daarover te verhoren. De Hoge Raad zegt:
- “De in artikel 8:29 Awb opgenomen regeling zou van deze werking worden ontdaan indien zou worden aanvaard dat ambtenaren die tot dezelfde dienst behoren als de inspecteur, zoals de FIOD-ambtenaren, als getuigen ter zitting verschenen, kunnen worden gedwongen de gegevens prijs te geven die de inspecteur in diezelfde procedure niet wil verstrekken. Tot het verstrekken van die informatie kunnen deze getuigen dan ook niet worden gedwongen.”
Bij een doordachte proceshouding van de Belastingdienst en de FIOD is het dus lastig om informatie uit ze te persen. Dat neemt niet weg dat verhoren van ambtenaren zeer nuttig kan zijn.
Er is een zekere parallel met de dossierinzage in de bezwaarfase:
- Enerzijds kan de Belastingdienst meer loslaten / laten zien dan ze van plan zijn; en
- Anderzijds kan hun starre proceshouding ook positief uitpakken voor de belastingplichtige.
In het Tipgeversarrest kwam de naam van de tipgever niet boven water, maar
gingen wel alle belastingaanslagen van tafel [2].
Een mooi resultaat dus.
Voorlopig getuigenverhoor in fiscale procedure
In het belastingrecht lukt het dus niet om informatie van de Belastingdienst af te dwingen. In het burgerlijk recht is er een mogelijkheid om feiten boven water te krijgen: het voorlopig getuigenverhoor. Een belangrijke beperking is dat een voorlopig getuigenverhoor niet kan worden gebruikt tot het boven water krijgen van feiten en informatie ten behoeve van een procedure bij een andere (dan de burgerlijke) rechter. Dit middel kan dus niet worden gebruikt enkel en alleen ten behoeve van de belastingprocedure.
Dat die feiten ook van belang zijn voor de belastingprocedure is geen bezwaar, ze mogen die procedure echter niet ‘verstoren’[3].
We moeten dus op zoek naar andere dan fiscale redenen om een voorlopig getuigenverhoor erdoor te krijgen. Een zoektocht naar die redenen kunt u het beste overlaten aan één van onze deskundigen. Hoe zij het voor elkaar hebben gekregen toch te profiteren van gegevens die de Belastingdienst niet wenst te verstrekken, vertellen wij u graag in een vrijblijvend gesprek bij ons op kantoor.
Vragen over fiscale procedure en uw kansen
In een vrijblijvend gesprek analyseren wij graag uw kansen en risico's. Bel gerust voor een afspraak !
Bronnen horen belastinginspecteur in fiscale procedures
Fiscale procedure
Vrijwel wekelijks voeren wij voor clienten fiscale procedures tegen de Belastingdienst. In dit onderdeel treft u enkele artikelen aan over het voeren van een dergelijke procedure en de hieraan verbonden formele eisen. Ook geven wij u tips over het voeren van een procedure in de fiscale wereld.
Second opinon fiscale procedure
Een second opinion is een belangrijk onderdeel van een fiscale procedure tegen de Belastingdienst. Het kan u helpen om een objectief advies te krijgen over de haalbaarheid van uw zaak en de beste strategie om uw belangen te beschermen.
Het is belangrijk om te werken met een ervaren fiscaal jurist of belastingadviseur die bekend is met de complexe regels en voorschriften die van toepassing zijn op fiscale procedures. Een goede adviseur kan u helpen om uw zaak op een duidelijke en overtuigende manier te presenteren, en kan u helpen om de beste strategie te bepalen om uw zaak te winnen.
Bij het zoeken naar een adviseur is het belangrijk om te zoeken naar iemand die ervaring heeft met het behandelen van fiscale procedures tegen de Belastingdienst. U kunt ook overwegen om te zoeken naar iemand die gespecialiseerd is in uw specifieke fiscale kwestie, zoals BTW, vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting.
Als u besluit om een second opinion te vragen, is het belangrijk om alle relevante documentatie en informatie over uw zaak te verstrekken. Dit kan onder meer uw belastingaangiften, correspondentie met de Belastingdienst en eventuele reeds gedane betalingen omvatten. Met deze informatie kan uw adviseur een goed beeld krijgen van uw situatie en u voorzien van een objectieve beoordeling van uw zaak.
In het algemeen kan een second opinion u helpen om uw zaak op een duidelijke en overtuigende manier te presenteren, en om de beste strategie te bepalen om uw belangen te beschermen. Met de juiste adviseur aan uw zijde kunt u uw kansen op succes in een fiscale procedure tegen de Belastingdienst maximaliseren. Wij helpen u graag, vraag gerust een vrijblijvende offerte
Hoe zit het eigenlijk met de verjaring van belastingschulden?
Evenals het civiele recht kent ook het fiscale recht verjaringstermijnen. Deze verjaringstermijnen zijn ervoor om de belastingplichtige rechtszekerheid te geven. Na een bepaalde periode is de termijn voor het opleggen van een navorderingsaanslag of naheffingsaanslag niet meer mogelijk. Daarnaast gelden er ook verjaringstermijnen voor reeds geformaliseerde belastingschulden. Lees voor de werkinstructie bij de belastingdienst inzake verjaring deze interne notitie (werkinstructie belastingdienst) uit 2020.
Belastingadvies of vrijblijvende offerte
Belastingen is voor particulieren of ondernemers niet altijd het meest leuke onderdeel. Ons team van ruim 20 fiscale specialisten (belastingadviseur en/of fiscaal juristen) nemen u graag mee in de wondere wereld van het fiscale advies, uw aangifte, een fiscale procedure en/of begeleiding van een boekenonderzoek. Wij adviseren u, onderhouden het contact met de Belastingdienst en adviseren u (pro) actief en vlot tegen vaste tarieven.
Vrijblijvende offerte of vraag? |
Wat is de navorderingstermijn bij de aanslagbelasting?
De verjaring van aanslagbelastingen (inkomsten-, vennootschaps-, schenk-, erf- en overdrachtsbelasting) is geregeld in artikel 16 algemene wet inzake rijksbelasting (“AWR”). Hierin is opgenomen dat belastingaanslagen verjaren na verloop van een periode van 5 jaar. Is het inkomen of vermogen echter opgekomen in het buitenland, dan wordt de navorderingtermijn verlengd tot 12 jaar. Indien deze termijnen van 5, respectievelijk 12 jaar zijn verstreken, dan kan er geen navorderingsaanslag worden opgelegd. Wordt er een navorderingaanslag buiten de termijn opgelegd, dan zal een bezwaar- of beroepschrift volstaan met een beroep op verjaring.
Uitstel leidt tot verlening van de navorderingstermijn
Indien er uitstel is verleend voor het indienen van de aangifte, dan wordt de navorderingstermijn verlengd met het verleende uitstel. Voor het doen van aangifte inkomsten- en vennootschapsbelasting wordt er doorgaans 5, 11 of 12 maanden uitstel verleend voor het doen van de aangifte. Het verleende uitstel verlengt de navorderingstermijn.
Checklist / schema inzake verjaring belastingschuld
De naheffingstermijn bij de aangiftebelasting
De verjaring van aangiftebelasting (loon-, omzet-, dividend-, kansspelbelasting, accijnzen, autobelastingen en milieuheffingen) is geregeld in artikel 20 AWR. Hierin is opgenomen dat de bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag verjaart na verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan dan wel de teruggaaf is verleend. Bij aangiftebelastingen wordt geen uitstel verleend voor het doen van aangifte, deze verjaringstermijn zal derhalve niet verlengd worden.
Informatiebeschikking en de verlening van de navorderings- en naheffingstermijn
De hiervoor benoemde termijnen kunnen worden verlengd indien er een informatiebeschikking is opgelegd. De navorderingstermijn wordt verlengd met de periode tussen de bekendmaking van de met betrekking tot die belastingaanslag of beschikking genomen informatiebeschikking en het moment waarop deze informatiebeschikking onherroepelijk komt vast te staan of wordt vernietigd. De verlenging geldt zowel voor de aanslag- als aangiftebelasting.
Voorbeeld
Over het jaar 2012 is er een boekenonderzoek ingesteld, waarna er op 3 maart 2018 een naheffingsaanslag omzetbelasting en een navorderingsaanslag inkomstenbelasting worden opgelegd. In beginsel lijken zowel de navorderingsaanslag inkomstenbelasting als de naheffingsaanslag omzetbelasting verjaard. Echter, indien er uitstel is verleend voor het doen van de aangifte inkomstenbelasting, is de navorderingstermijn nog niet verstreken. Voor de omzetbelasting wel.
Stel, er is medio 2017 een informatiebeschikking uitgereikt die na verloop van 6 maanden is vernietigd. In dat geval wordt de navorderingstermijn verlengd met 6 maanden en betekent dat ook de naheffingsaanslag omzetbelasting tijdig is opgelegd.
Wanneer verjaren reeds geformaliseerde belastingschulden?
Indien er een belastingaanslag is opgelegd, dan kan verjaring plaatsvinden op grond van de algemene wet bestuursrecht (“AWB”). Verjaring van een belastingaanslag vindt plaats 5 jaar nadat de betaaltermijn is verstreken. Dit geldt voor alle belastingen, dus zowel voor de aangifte als aanslagbelasting. De termijn van 5 jaar kan echter worden gestuit, dit door een aanmaning, beschikking tot verrekening of dwangbevel dan wel door een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel. In de praktijk is het dan ook zeer lastig te achterhalen of een openstaande belastingschuld nog invorderbaar is. Mocht in de afgelopen 5 jaar ergens een aanmaning of dwangbevel zijn ontvangen, dan herleeft namelijk de verjaringstermijn van 5 jaar weer.
Aansprakelijkheid notaris voor overdrachtsbelasting
Er wordt overdrachtsbelasting geheven bij de verkrijging van onroerende zaken binnen Nederland (of rechten hierop). De invorderingswet (artikel 42) regelt wie er aansprakelijk kan worden gesteld voor deze overdrachtsbelasting (als de verkrijger deze niet zou betalen of te weinig heeft betaald). De ontvanger kan een notaris - die de akte heeft opgesteld - aansprakelijk stellen. In de praktijk gebeurt dit steeds vaker en ook steeds vaker onterecht. Wij adviseren regelmatig notarissen bij conflicten met de Belastingdienst.
Uitspraken rechters inzake aansprakelijkheid notaris
In een procedure bij de Rechtbank Gelderland (2017) oordeelt de Inspecteur dat de notaris aansprakelijk is voor de niet betaalde overdrachtsbelasting. Volgens de rechter onterecht. De hoofdelijke aansprakelijkheid van de notaris heeft enkel betrekking op de overdrachtsbelasting die ingevolge de inhoud van de akte verschuldigd zou zijn. In deze situatie is de notaris betrokken bij de levering van een woning in 2003, deze woning wordt in 2008 terug geleverd. In 2008 wordt een beroep gedaan op een vrijstelling (artikel 15 lid 1 letter r van de Wet Belastingen Rechtsverkeer, de WBR, juncto artikel 19 WBR). Er wordt een naheffingsaanslag opgelegd, deze is volgens de Hoge Raad (arrest 2014) terecht. De aanslag wordt niet betaald en dus wordt de notaris aansprakelijk gesteld. Volgens de Rechtbank is de notaris niet aansprakelijk omdat in de akte een beroep wordt gedaan op een vrijstelling. Dat de notaris zijn onderzoeksplicht niet strak heeft verzorgd doet niet ter zake.
In een andere procedure bij het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden (2018) liep het via een andere route. De rechter stelt hierbij dat de notaris - op grond van artikel 42 invorderingswet - niet verplicht is de verschuldigde overdrachtsbelasting vast te stellen. Een CV koopt de (economische) eigendom van een bedrijfspand. Een paar jaar later wil de CV de eigendom weer verkopen. Er wordt bij de verkoop een beroep gedaan op een reorganisatievrijstelling (artikel 18 WBR). De notaris stelt een stappenplan op o.g.v. een advies van een derde. De Inspecteur stelt dat het beroep op de vrijstelling niet terecht is, er volgt een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting van ruim € 2 miljoen. De koper gaat failliet en de notaris krijgt de naheffingsaanslag op de deurmat. Volgens de rechter hoeft de notaris niet vast te stellen of de gestelde feiten juist zijn. De notaris moet kijken of op grond van de gestelde feiten in de akte overdrachtsbelasting moet worden betaald, niet meer dan dat !
Fiscaal advies voor notaris
Wij adviseren regelmatig notarissen of notariskantoren bij naheffingsaanslagen van de Belastingdienst. Heeft u vragen of opmerkingen, stuur dan gerust geheel vrijblijvend een e-mail of neem contact op met één van onze adviseurs.
Bron aansprakelijkheid notaris
Rechtbank Gelderland d.d. 13 juni 2017 (ECLI:NL:RBGEL:2017:3112).
Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 6 februari 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:1128).
Vergrijpboete voor adviseur
De Belastingadviseur of accountant is niet altijd aansprakelijk !
U bent accountant of belastingadviseur en u verzorgt de aangiften omzetbelasting van uw klant. Omdat uw klant dit vraagt, doet u een nihil-aangifte terwijl uit de boekhouding een te betalen bedrag volgt. U maakt zich dan als medepleger schuldig aan het opzettelijk onjuist doen van aangifte. In deze casus ging het om een administratiekantoor dat de jaarrekeningen van haar klant had opgesteld. Uit de jaarrekeningen volgt dat er nog BTW moet worden nabetaald (suppletie-aangiften). Ook doet het administratiekantoor bewust fout aangifte voor de BTW gedurende het jaar. Er wordt door de Belastingdienst een vergrijpboete opgelegd aan het administratiekantoor. Strafrechtelijke vervolging had ook gekund.
Administratiekantoor of accountant als medepleger
Accountants en administratiekantoren kunnen een boete krijgen van de Belastingdienst als zij door hun werkzaamheden voor de klant bewust fouten maken. Als een accountant enkel aanwezig is geweest bij een (strafbaar) feit, wordt hij niet gezien als medepleger. In een arrest van de Hoge Raad (uit 2012) volgen redelijk duidelijk de kaders. Deze zaak ging over een voetbaltrainer die voor de aangifte inkomstenbelasting volledig vertrouwde op zijn belastingadviseur. Bij de trainer was geen sprake van opzet, dus geen ruimte voor een boete. Voor het medeplegen moet de adviseur actief zijn geweest (hebben deelgenomen), er moet dus sprake zijn van "nauw en bewust" samenwerken. Kunnen in dit voorbeeld de trainer en de belastingadviseur hebben samengewerkt als de trainer er niet vanaf wist (geen pleger)? Dus is er een medepleger als er geen pleger is? Volgens de Hoge Raad hoeft er geen pleger te zijn en kan de belastingadviseur zelfstandig als medepleger worden gezien. In dit geval was de veroordeelde belastingadviseur niet eens de persoon die de aangifte had ingevuld, ondertekend of verzonden. Toch wordt hij gezien als medepleger.
Streep door vergrijpboete ex bestuurder voetbalclub
Als bestuurder een vergrijpboete aan je broek krijgen? Dan staat niet alleen je portemonnee onder druk, maar ook je reputatie. De fiscus legt ze soms voortvarend op, maar gelukkig kijkt de rechter kritischer. In een procedure bij de Rechtbank Gelderland d.d. 5 juni 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:4322) oordeelde de rechter dat een ex-bestuurder van een voetbalclub ten onrechte als feitelijk leidinggever werd aangemerkt. Hoewel hij ooit betrokken was bij een spelerstransfer, was zijn rol bij de latere afwikkeling onvoldoende concreet. De rechtbank herhaalt: bestuurder zijn is niet hetzelfde als leiding geven aan een strafbaar feit. En voor een boete moet de Belastingdienst het bewijs keihard rond hebben. Omdat die bewijslast zwaarder is dan bij de belastingheffing zelf, sneuvelde de boete. De uitspraak is een reminder: wie als adviseur scherp blijft op bewijs en betrokkenheid, kan veel ellende besparen.
Voor een helder overzicht van de stappen die de belastingdienst moet doorlopen verwijzen wij u naar een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 26 april 2016 ECLI:NL:HR:2016:733.
Geduld is vereist, maar rechtvaardigheid duurt soms gewoon even. Belangrijk is dat de belastingdienst met overtuigend aangetoond bewijs komt met concrete gedragingen door de feitelijk leidinggevende.
Hierbij spelen voor een vergriipboete een aantal zaken:
- Feitelijk leiding geven: dit moet concreet worden onderbouwd (zie Hoge Raad d.d. 16 december 1986 ECLI:NL:HR:1986:AC9607) , dit speelde bij de Slavenburg bank, de zogenoemde slavenburg jurisprudentie.
- Is de verboden gedraging door de BV (of rechtspersoon) verricht, zie Drijfmest arrest van de Hoge Raad d.d. 21 oktober 2003 ECLI:NL:HR:2003:AF7938
- Wordt het geheel (opzet of grove schuld) voldoende overtuigend aangetoond (zie Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Al met al moet het volgende worden beoordeeld:
- Kan de (strafbare) gedraging worden toegerekend aan belastingplichtige ( de rechtspersoon)
- Is er hierbij sprake van opzet bij deze strafbare gedraging
- Heeft de persoon (bestuurder) zich gedragen als actief (of passief) feitelijk leidinggevende van dit (strafbare) feit
- Is dit gedrag opzettelijk uitgevoerd door de feitelijk bestuurder/ leidinggevende.
- Heeft de belastingdienst voldoende overtuigend aangetoond dat sprake
is van opzet of grove schuld (zie
Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Vergrijpboete ter discussie stellen
De vergrijpboete wordt soms iets te vlot door een inspecteur opgelegd. Deze kan om verschillende redenen worden verminderd of tot nihil worden bijgesteld (door de rechter). De belangrijkste oorzaken uit de rechtspraak zijn:
- Procedure loopt te lang (overschrijding van de redelijke termijn), zie Hoge Raad d.d. 6 september 2024 ECLI:NL:HR:2024:1132 of Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 23 juli 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:4871
- Vergrijpboete voor hetzelfde feit bij verschillende belastingtypen
- Vergrijpboete wordt niet overtuigend via feitelijk bewijs aannemelijk gemaakt, derhalve geen (of beperkt) sprake van opzet of grove schuld (uitgebreide toelichting in mening AG op 4 april 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:410)
- Ontbreken van voldoende bewijs voor opzet of grove schuld, Gerechtshof Amsterdam d.d. 15 november 2022 ECLI:NL:GHAMS:2022:3728
- De grondslagen en/of omstandigheden zijn anders of niet juist voorgesteld, zie Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 14 mei 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:3357
- De boete moet wel in balans zijn, de noodzaak van een juiste kwalificatie van het vergrijp en de evenredigheid van de opgelegde boete, zie hiertoe mening AG op 5 juli 2024 ECLI:NL:PHR:2024:736
- Beboeting wordt niet tijdig medegedeeld, schending verdedigingsbeginsel (kennisgeving boete (met motivering) is later gedagtekend dan de boetebeschikking. Zie hiertoe bijvoorbeeld Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 7 mei 2025 ECLI:NL:RBZWB:2025:2724.
Vragen over medepleger of vergrijpboete
Steeds vaker worden adviseurs, accountants of administratiekantoren aansprakelijk gesteld en worden vergrijpboetes opgelegd. Wij adviseren ook steeds vaker adviseurs over dit onderwerp. Maak gerust een vrijblijvende afspraak.
In een arrest van de Hoge Raad d.d. 15 september 2020 is gebleken dat een adviseur niet altijd als medepleger kan worden gezien als er opzettelijk onjuist of onvolledig aangifte is gedaan (artikel 69.2 AWR), dit in tegenstelling tot de uitspraak van het Gerechtshof. De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2020:121), inhoudende dat als aangifte ingediende gegevensdrager uitsluitend kan worden aangemerkt als ‘bij belastingwet voorziene aangifte’ indien die aangifte is gedaan door degene op wiens belasting- of betalingsplicht die aangifte betrekking heeft of door degene die uit hoofde van art. 42 tot en met 44 AWR als vertegenwoordiger van belasting- of betalingsplichtige kan optreden en dat art. 47 tot en met 51 Sr diverse mogelijkheden bieden om degene die anders dan als pleger betrokken is bij onjuist of onvolledig doen van bij belastingwet voorziene aangifte, onder specifieke voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor die betrokkenheid.
Hoge Raad inzake vergrijpboete
In 2022 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over de term "bewust". Een autohandelaar heeft een naheffingsaanslag BTW met een vergrijpboete ontvangen. De reden is dat de handelaar door de gebrekkige administratie had moeten inzien dat hij geen recht had op de levering van auto's tegen het nultarief. Hij had moeten weten dat hij niet aannemelijk zou kunnen maken dat de auto's naar een andere EU lidstaat zijn vervoerd. Ook had de handelaar zijn adviseur niet zomaar mogen vertrouwen. De Hoge Raad denkt hier anders over. Voorwaardelijke opzet is niet aan de orde. Aan de handelaar kan niet de voor opzet vereiste "bewustheid" met betrekking tot de onjuiste aangifte worden verweten, aldus ons hoogste rechtscollege. Verder kunnen de omstandigheden dat belanghebbende geen openheid van zaken heeft gegeven en dat hij het laakbare van zijn gedragingen niet heeft ingezien, niet bijdragen aan het oordeel dat hij bewust fouten heeft gemaakt. De Hoge Raad vernietigd de vergrijpboete en verwijst de zaak naar een ander Gerechtshof.
Waarmee kunnen wij u helpen?
De kans op een onjuiste aangifte is door de ingewikkeldheid / complexiteit van het belastingrecht snel aanwezig. Dat wil echter nog niet zeggen dat u als belastingplichtige zich er steeds van bewust moet zijn geweest dat uw aangifte onjuist of mogelijk onjuist is. Schakel daarom voor het doen van aangifte een deskundige in. Is eenmaal een boete opgelegd of wordt dat aangekondigd, neem dan direct contact met ons op. Wij beschikken over de deskundigheid om een boete eventueel te voorkomen dan wel te beoordelen of die volgens de regelen der kunst is opgelegd. Mail ons voor een vrijblijvend gesprek.
Bron inzake medepleger en boete
Rechtbank Noord Nederland 30 november 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:9859).
Executieverkoop Belastingdienst voorkomen
Als een ondernemer de belastingschulden niet kan betalen, kan de Belastingdienst beslag leggen op bankrekeningen, salarissen en (on)roerende zaken. Regelmatig adviseren wij dan ook ondernemers en DGA's bij een mogelijke executieverkoop door de Belastingdienst. Het slechtste advies is om niets te doen, u moet zelf aan de spreekwoordelijke bal blijven en met de Belastingdienst in gesprek komen of blijven. Wat soms steekt is dat een executie ook wordt doorgezet als er nog discussie bestaat over de (omvang van) de opgelegde aanslagen.
Procedure tegen de Belastingdienst bij executie
Als een betalingsregeling, verzoek om kwijtschelding en alle overige opties zijn uitgewerkt, dan rest vaak nog maar één route. Een laatste redmiddel om een verkoop / executie te voorkomen is de zogenaamde verzetsprocedure op grond van artikel 17 van de Invorderingswet. U procedeert dan bij de civiele rechter tegen de opgelegde dwangbevelen. De Belastingdienst kan onrechtmatig jegens een ondernemer handelen door een executie ook uit te voeren.
Een dergelijke procedure heeft een vertragend effect op de verkoop (schorsende werking). De wet is hier duidelijk over (artikel 17 lid 2 invorderingswet). De Hoge Raad heeft in 1994 (HR 7 oktober 1994) een nuancering aangebracht, de schorsende werking kan alleen door een rechter worden opgeheven als er sprake is van misbruik van procesrecht. Dus als u echt kansloos bent zal er geen schorsende werking zijn, zie hiertoe een procedure bij de Rechtbank Rotterdam d.d. 24 mei 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:4167). De rechter zal dan de belangen van de ondernemer (geen of latere executie) afwegen tegen de belangen van de Belastingdienst (spullen bij executie verkopen).
Wetswijziging verzetsprocedure 2018
Per 1 januari 2018 is de invorderingswet aangepast, een verzetsprocedure heeft hierdoor geen schorsende werking meer !
Beleid van de Belastingdienst bij executie
De Belastingdienst stelt vaak dat ze gewoon mogen executeren als ze hiervoor toestemming hebben van het Ministerie van Financiën. Dit zal dan gebeuren op grond van een "notitie" van de Staatssecretaris, deze is echter in strijd met de genoemde wetsbepaling in de Invorderingswet. Ook de nationale ombudsman is dit met de ondernemer eens, een wet gaat voor een notitie / beleid van de Staatssecretaris. De rechtspraak is gelukkig helder: "schorsende werking volgt uit de wet en het is aan de rechter om hier iets van te vinden. Niet aan de Belastingdienst of het Ministerie". Zie hiertoe onder meer een uitspraak van de Rechtbank Utrecht d.d. 14 september 2011 en een arrest van de Hoge Raad d.d. 8 juni 2007. Ook in een meer recente arrest kwam dit aan de orde, Hoge Raad d.d. 1 mei 2015.
Advisering over executie
Als u een nader advies wenst over betalingsproblemen met de Belastingdienst helpen wij u graag. Neem gerust contact op voor een afspraak.
Bron executieverkoop Belastingdienst
Hoge Raad d.d. 1 mei 2015 (ECLI:NL:2015:1188).
Hoge Raad d.d. 8 juni 2007 (ECL:NL:HR:2007:BA1525).
Hoge Raad d.d. 7 oktober 1994 (ECLI:NL:HR:1994:ZC1475).
Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 5 december 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:5464)
Beslag Belastingdienst op eigendommen
De Belastingdienst kan beslag leggen op uw eigendommen als u uw belastingschulden niet tijdig heeft betaald en er een dwangbevel hierover aan u is gestuurd. Dit kan gaan om privé eigendommen of eigendommen van uw bedrijf of onderneming. Wordt er niet tijdig betaald, dan kan de belastingdeurwaarder de zaken verkopen die hij in beslag heeft genomen. Met de opbrengst worden uw aanslagen verminderd.
Wat kunt u doen tegen een beslag op goederen?
Het belangrijkste is om in gesprek te blijven met de Belastingdienst. De meest praktische oplossingen zijn een betalingsregeling / verzoek tot uitstel van betaling en / of verzoek om kwijtschelding van belastingschulden. Lukt deze route niet, dan kunt u via de rechter proberen het beslag eraf te krijgen en / of een procedure tegen de beslaglegging op te starten (verzetsprocedure).
Verzoek uitstel van betaling of kwijtschelding
Met het formulier betalingsregeling voor particulieren kunt u een betalingsregeling aanvragen. Een kwijtscheldingsformulier staat ook op de site van de Belastingdienst, dit kunt u hier downloaden. Het formulier moet u sturen aan:
- Belastingdienst / landelijke incasso / Postbus 100 in 6400 AC Heerlen.
Vragen beslag Belastingdienst
Als u als ondernemer problemen heeft met de Belastingdienst, belt u dan gerust eens met één van onze fiscaal juristen. We kunnen niet alle situaties oplossen maar veelal wel met u de mogelijkheden bekijken en zoeken welke route eventueel succesvol is.
Beslag Belastingdienst op loon of uitkering
De Belastingdienst kan vrij eenvoudig beslag leggen op uw salaris bij uw werkgever of uw uitkering bij een uitkeringsinstantie of verzekeraar. Er kan ook beslag worden gelegd op partneralimentatie. Het beslag wordt gelegd om uw belastingaanslag / schuld, kosten en rente af te lossen. Een deel van uw salaris, alimentatie, pensioen of uitkering wordt hiervoor dan gebruikt. De Belastingdienst heeft voor de beslaglegging geen vonnis van de rechter nodig, ze mogen dit dus zelf beslissen.
Beslagvrije voet bij beslag Belastingdienst
De Belastingdienst mag niet op het gehele salaris of de uitkering beslag leggen. Het deel waarop geen beslag mag worden gelegd noemt men de beslagvrije voet. De hoogte van de beslagvrije voet moet per persoon worden berekend en dit is afhankelijk van:
- uw salaris / uitkering / alimentatie / lijfrente / pensioen;
- uw woonkosten / woonlasten;
- de premie voor uw zorgverzekering;
- het inkomen van uw partner of echtgenoot;
- de bijstandsnorm op dat moment.
Voorbeelden beslagvrije voet
De exacte bedragen verschillen per jaar, in het kort komt het ongeveer hierop neer:
- u heeft een partner en bent beide ouder dan 21 jaar: € 1.200;
- u heeft een partner en bent beide ouder dan 65 jaar: € 1.270;
- u heeft een partner en bent beide jonger dan 21 jaar: € 660;
- u bent een alleenstaande ouder, dan geldt er een minimum van € 840 en een maximum van € 1.080.
Wat kunt u doen om een beslaglegging te voorkomen?
De beslaglegging kan de Belastingdienst snel en eenvoudig regelen. U kunt een aantal dingen doen om een beslaglegging te voorkomen. De belangrijkste zijn:
- Blijf communiceren met de Belastingdienst.
- Maak bezwaar tegen de aanslag en vraag uitstel van betaling.
- Doe een beroep op een speciale crisismaatregel met het verzoek om een redelijke betalingsregeling gedurende een periode van 12 maanden.
- Bekijk of u nog tegoeden heeft bij de Belastingdienst, bijvoorbeeld een teruggave inkomstenbelasting of een teruggave van toeslagen.
- Verzoek de Belastingdienst om een mediationtraject om uw problemen op te lossen, u moet dan wel een complexer probleem hebben waarbij verschillende inzichten spelen en daarnaast ook fouten door de Belastingdienst zijn gemaakt.
- U krijgt eerst een aanslag (of naheffingsaanslag), een herinnering en daarna aanmaning. Vervolgens volgt er een dwangbevel. Na het dwangbevel komt de belastingdeurwaarder bij u langs met een hernieuwd bevel tot betaling. Dit moet hij aan iemand afgeven en als er niemand thuis is, mag hij het ook in de brievenbus gooien. U heeft dan nog 2 dagen om te betalen. Als er dan nog niet wordt betaald, mag de Belastingdienst beslag leggen op uw salaris, uitkering of uw bezittingen (verkoop veelal binnen 4 weken). Kijk goed of de Belastingdienst zich aan deze spelregels heeft gehouden, zo niet, maak dan direct bezwaar, ga in beroep of neem contact op met de Belastingdienst. U kunt op dit moment soms nog een betalingsregeling afspreken.
- In sommige gevallen heeft u recht op kwijtschelding van belastingen, dit is een speciale regeling.
Vertrouwensbeginsel en belastingen
Op de overheid moet je kunnen vertrouwen. Maar in hoeverre mag u de Belastingdienst vertrouwen? In dit artikel een eenvoudig overzicht.
Vertrouwensbeginsel bij een navorderingsaanslag
In deze zaak speelde X een belangrijke rol in een project in Oman namens zijn werkgever, Y BV. Naar aanleiding van zijn IB-aangifte 2016 kreeg X een teruggaaf van loonheffing op basis van het Golfstatenbesluit. Dit verzoek werd gehonoreerd door de inspecteur, wat leidde tot een terugbetaling van € 121.955. Echter, later bleek dat Y BV al correcties had doorgevoerd in de loonadministratie, waardoor X niet daadwerkelijk recht had op die teruggaaf. De inspecteur legde in 2021 een navorderingsaanslag IB 2016 op, gebaseerd op de herziene loongegevens van Y BV.
X stelde beroep in tegen deze navorderingsaanslag, met als argument dat hij in vertrouwen had gehandeld op basis van de eerdere beslissing van de inspecteur. Hoewel de Rechtbank Den Haag op 22 augustus 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:12568) in eerste instantie oordeelde dat de navorderingsaanslag terecht was, vernietigde Hof Den Haag d.d. 10 april 2024 (ECLI:NL:GHDHA:2024:804) deze beslissing op basis van het vertrouwensbeginsel. Het Hof oordeelde dat de inspecteur door het inwilligen van X’s verzoek het vertrouwen had gewekt dat de teruggaaf terecht was. X had geen kennis van de eerdere correcties door Y BV en had alle relevante informatie correct verstrekt. Het hoger beroep van X was succesvol en de navorderingsaanslag werd vernietigd.
Vertrouwensbeginsel bij juist invullen formulieren belastingdienst
Vertrouwen is goed en controleren is beter. De basis van het vertrouwensbeginsel is dat een belastingplichtige de belastingdienst moet kunnen vertrouwen en hij of zij ervan mag gaan dat er zorgvuldig wordt gehandeld. Tevens kan de belastingdienst (de inspecteur) niet terugkomen op eerdere handelingen. In een casus bij het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 31 januari 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:269) ging het om een in België wonende pensionado met pensioen uit Nederland en België (buitenlands belastingplichtig). De heer X vroeg keurig elk jaar een vrijstellingsverklaring in Nederland aan zodat er geen loonbelasting en premies volksverzekeringen worden ingehouden over zijn pensioenuitkering. In deze verklaring is geen ruimte om aan te geven dat er ook pensioen in het woonland (België) wordt betaald. De inspecteur trekt de verklaring per 2018 in en legt over 2014 tot en met 2017 navorderingaanslagen op. Partijen zijn het er over eens dat bij een juiste opgave Nederland inderdaad had mogen heffen, edoch de heer X heeft alles keurig opgegeven en ingevuld en mocht er dan ook op vertrouwen dat er niks aan de hand was. Volgens de inspecteur had de heer X (of zijn fiscalist) moeten weten dat de Nederlandse vrijstellingsbeschikking fout zou moeten zijn, dus de heer X mag er op vertrouwen maar dit vertrouwen is niet gerechtvaardigd (aldus de inspecteur). Volgens het Gerechtshof ligt dit anders, de heer X mag op de vrijstellingsverklaring vertrouwen, dit vertrouwen is ook gerechtvaardigd omdat:
- de toezegging is niet in strijd met een juiste wetstoepassing welke de belastingplichtige had moeten weten of beseffen
- de belastingplichtige mocht in redelijk vertrouwen op de uitlatingen van de belastingdienst
- de belastingdienst moet de toezegging hebben gedaan op grond van alle relevante feiten en omstandigheden.
Het Gerechtshof was het dus met de heer X eens. De Hoge Raad d.d. 24 oktober 2025 ECLI:NL:HR:2025:1618 vraagt eerst de AG om advies (d.d. 22 november 2024 ECLI:NL:PHR:2024:1255). Volgens de AG ligt de zaak vrij simpel, de heer X heeft het aanvraagformulier juist en volledig ingevuld en hij mag er dan op vertrouwen dat alle relevante informatie is verstrekt. Volgens de AG was er voor de heer X geen aanleiding om te denken (of veronderstellen) dat hij informatie over de feitelijke heffing in België moest verstrekken, hierover werden immers geen vragen gesteld. Van de heer X hoeft niet worden verwacht dat hij de Nederlandse Belastingdienst onderwijs gaat geven over het Belgische belastingrecht. Dat de belastingdienst een vraag over de belastingheffing in België niet opneemt in het formulier komt voor rekening van de Nederlandse belastingdienst.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur en vertrouwen
Je mag op je ouders vertrouwen en op de Belastingdienst dus ook. Een belastingplichtige mag in beginsel vetrouwen op uitlatingen van de Belastingdienst (inspecteur). Dit geldt ook als deze uitlatingen in strijd zijn met de wet (contra legem). Dit gaat echter niet zover dat je op alle inlichtingen mag vertrouwen. Een eis is dat dat belastingplichtige, door de onjuiste inlichtingen, een handeling heeft verricht of nagelaten ten gevolge waarvan hij of zij niet alleen de belastingen moet betalen maar ook nog schade heeft geleden. De Hoge Raad heeft hierover in 1979 (ECLI:NL:HR:1979:AM4918) maar ook in 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1654) een uitspraak (arrest) gewezen. In de laatste casus ging de belastingplichtige uit van inlichtingen op de internetsite van de Belastingdienst (inzake revisierente bij afkoop van een lijfrente). In het laatste arrest komt de Hoge Raad dus terug op haar eigen arrest uit 1979. Het zogenaamde dispositievereiste wordt dus afgeschaft.
- In gevallen waarin de belastingplichtige, afgaande op – achteraf bezien onjuiste – informatie, een handeling heeft verricht of nagelaten ten gevolge waarvan een hoger bedrag van hem wordt geheven dan hij op basis van die informatie meende als gevolg van die handeling of dat nalaten te moeten betalen, zal doeltreffende rechtsbescherming tegen inbreuken op het vertrouwensbeginsel in de regel het oordeel rechtvaardigen dat het meerdere niet van de belastingplichtige mag worden geheven.
Vertrouwen op de Belastingdienst
De Belastingdienst doet in allerlei vormen mededelingen richting u. Wanneer kunt u op een mededeling, toezegging, afspraak, beleid, etc. met succes een beroep doen?
- Inlichtingen: aan inlichtingen is de Belastingdienst zelden gebonden, denk aan een mededeling of inlichting via de Belastingtelefoon. Reden: voorlichtende taak van de Belastingdienst. Conclusie: bel of mail altijd een fiscalist.
- Toezegging: een specifieke toezegging is voor de Belastingdienst meestal wel bindend, mits alle feiten bekend zijn tenminste. Schriftelijk vastleggen is verstandig, dit voorkomt onduidelijkheden.
- Bewust standpunt: als de Belastingdienst op grond van feiten bewust een standpunt heeft ingenomen, dan kunt u hierop een beroep doen.
- Beleid: u mag van de Belastingdienst verwachten dat ze beleid van de Minister van Financiën uitvoeren. Pas echter op bij beleid dat niet openbaar is gemaakt.
- Vaststellingsovereenkomst: hierin worden gemaakte afspraken helder vastgelegd. U mag hierop niet vertrouwen als relevante informatie niet is verstrekt.
Van belang is ook:
- Handelen: dat u naar aanleiding van de informatie / toezegging / inlichting als u "iets hebt gedaan of niet gedaan" en dat u naast de te betalen belastingen ook schade heeft (zoals gemaakte kosten voor een adviseur).
- Wetgeving: is de inlichting achterhaald door nieuwe jurisprudentie of wetgeving, dan kunt u hierop zelden een beroep doen.
- Strijdig met de wet: als een toezegging echt in strijd is met de wet, dan geldt deze toezegging (hoe mooi ook) niet !
- Foutje bedankt: als de Belastingdienst een echte fout maakt, dan geldt een toezegging ook niet. Bijvoorbeeld: "ik deel uw standpunt", terwijl dit had moeten zijn: "ik deel uw standpunt niet." Dit moet dan wel duidelijk uit de brief volgen.
Vertrouwen op overeenkomsten met anderen
In 2003 sluit een partner van een advocaten- en belastingadvieskantoor met vestigingen over de hele wereld (en ook in Nederland) een overeenkomst met de Belastingdienst. De partner werkt niet met een B.V. maar met een Florida Professional Association (PA) als een persoonlijke houdstervennootschap. Hij was tot 2011 eigenaar van de PA. De Belastingdienst (in Limburg en Amsterdam) sloot een overeenkomst met de PA. De partner stelt dat met de Belastingdienst is afgesproken dat 20% van de winst niet belast is in Nederland en dat hiervoor dus aftrek elders belast kan worden geclaimd. Of er in de VS belasting zou worden betaald over dit deel zou dan niet van belang zijn. In 2012 sluiten andere partners een compromis met de Belastingdienst, de partner/ belastingplichtige doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat hij gebruik wil maken van deze afspraken.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel gaat in de prullenbak. De afspraak in compromis is in 2012 gemaakt, toen had belastingplichtige al geen aandelen meer in het advieskantoor. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel snijdt wel hout. Belanghebbende moet op dezelfde manier worden behandeld als zijn medepartners, ook al heeft hij het compromis niet getekend.
Noot fiscaal jurist over vertrouwensbeginsel
Vaak is er discussie met de Belastingdienst over gevoerde gesprekken, notities en overeenkomsten. Soms lijken zaken duidelijk maar zijn ze het bij nader inzien toch niet. De Belastingdienst heeft evenzo als de belastingplichtige belang bij duidelijkheid. Hierbij hoort een open communicatie, verstand van het wettelijk systeem en de bereidheid om tot afspraken te komen. Het goed vastleggen is een kunst. Laat u hierbij adviseren! Vragen? Bel of mail gerust.
Bron vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel
Rechtbank Noord Nederland d.d. 19 juli 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:5794).
Bestuurdersaansprakelijkheid en faillissement
Een B.V. kan haar belastingschulden niet betalen. De B.V. maakt (rechtsgeldig) melding van deze onmacht om te kunnen betalen (de melding betalingsonmacht). Uiteindelijk gaat de B.V. failliet. Is er sprake van onbehoorlijk bestuur of niet? Volgens het Gerechtshof is er sprake van onbehoorlijk bestuur - ondanks de melding - omdat concurrent schuldeisers wel worden betaald en de Belastingdienst niet.
Bestuurdersaansprakelijkheid en meldingsplicht, mag maar moet niet!
Op 2 mei 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:435) kwam AG Koopman met een bijzondere conclusies over de bestuurdersaaansprakelijkheid en meldingsregeling betalingsonmacht. In de tussenbeslissing van de Hoge Raad op 6 oktober 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1371) kwam ons hoogste college nog tot de conclusie dat de ontvangen geen ruimte heeft om af te zien van een bestuurdersaansprakelijkheid. Koopman (de AG) komt nu met een geitenspoor. De ontvanger beschikt over een (discretionare) bevoegheid en kan afzien van het aasprakelijk stellen van de bestuurder. Aansprakelijk stellen is dus een keuze. In de genoemde procedure bij de Hoge Raad worden prjejudiciele vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de EU. De centrale vraag was of de meldingsregeling wel is toegestaan (strijdigheid met evenredigheidsbeginsel). Deze vragen zijn op 14 november 2024 beantwoord, er is geen sprake van een strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel.
De Hoge Raad is van mening dat artikel 36 Invorderingswet geen discretionare bevoegdheid kent en dwingend is. De ontvanger mag verder geen belang tegen elkaar afwegen, aldus de Hoge Raad. Deze conclusie is volgens Koopman niet juist. In deze uitgebreide toelichting gaat Koopman in op de materiele kant (artikel 36 IW) en de formele uitvoering (artikel 49 IW). Dat een bestuurder aansprakelijk is kan wel vaststaan maar dat wil nog niet zeggen dat hij of zij ook aansprakelijk gesteld moet worden. Bij een kwestie waarbij geen sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur is er dus nog een alternatieve route. Een kleine vergissing (niet melden) hoeft dus niet per definitie desastreuze gevolgen voor de bestuurder te hebben, aldus Koopman.
De procedure over betalingsonmacht en bestuurdersaansprakelijkheid
Holding X B.V. is aandeelhouder van 2 dochter B.V.'s. De activiteiten hebben betrekking op het verzorgen van opleidingen. De dochter B.V.'s gaan in 2011 failliet en maken een doorstart. Deze doorstart is van korte duur. In 2012 kan de dochter B.V. haar belastingschulden niet betalen en doet hierom een rechtsgeldige melding betalingsonmacht. In 2013 gaat de dochter B.V. alsnog failliet. De Belastingdienst krijgt ongeveer € 180.000 aan loonheffingen en BTW niet betaald. Het Gerechtshof is van mening dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur, de reden is:
- RO 4.3: handelscrediteuren zijn wel betaald.
Betalingsonmacht belastingschulden bij faillissement
De belastingdienst heeft een sterke positie bij een faillissement en kan vrij eenvoudig de bestuurder aansprakelijk stellen via artikel 36 invorderingswet, de bestuurdersaansprakelijkheid. Op basis van dit artikel is de bestuurder hoofdelijk (in privé) aansprakelijk voor (onder meer) de omzetbelasting en loonbelastingschulden van de rechtspersoon. Als er niet tijdig betalingsonmacht is gemeld bestaat er (op grond van artikel 36 lid 4 invorderingswet). Dus als er niet tijdig en op de juiste wijze is gemeld is de bestuurder in principe in privé aansprakelijk voro diverse belastingschulden van de rechtspersoon, dit is slechts anders als de bestuurder aannemelijk maakt dat het niet of niet juist melden niet aan hem of haar te wijten is. Dit is in de praktijk een redelijk onmogelijke opgave. Dit heeft tot gevolg dat de boef en de bonafide bestuurder beide in prive kunnen worden aangesproken voor (diverse) belastingschulden van de rechtpersoon. Maar er is hoop voor de bonafide bestuurder !
Bonafide bestuurder en bestuurdersaansprakelijkheid
In de basis is de bestuurder niet aansprakelijk voor schulden van de BV (rechtspersoon). Voor de belastingschulden staat er een belangrijke uitzondering in artikel 36 invorderingswet. Al met al, niet melden of niet juist melden en de bestuurder is aansprakelijk in privé. In 2009 heeft de adviseur van de Hoge Raad dat dit (het niet tijdig melden) tot oneerlijke (onevenredige) situaties zou kunnen leiden bij bonafide bestuurders. De Hoge Raad ging hier in 2011 nog aan voorbij (de wet is de wet). De melding betalingsonmacht dient te worden gedaan binnen 2 weken nadat de verschuldigde belasting behoorde te zijn afgedragen of te zijn voldaan. Bij een naheffingsaanslag kan er geen tijdige melding betalingsonmacht meer plaatsvinden. Dit onweerlegbare bewijsvermoeden is in de volksmond oneerlijk, in het recht is sprake van strijdigheid met het communautaire evenredigheidsbeginsel. In het arrest van de Hoge Raad op 6 oktober 2023 komt de Hoge Raad terug op haar eigen arrest uit 2011. In sommige gevallen (bijvoorbeeld een naheffingsaanslag) is het onmogelijk dat de bestuurder het vereiste bewijs zal kunnen leveren dat het niet aan hem of haar te wijten is dat geen of niet op de juiste wijze een melding betalingsonmacht is gedaan. De bestuurderaansprakelijkheid in prive is dan dus niet te voorkomen, zelfs als sprake is van een eerlijke / bonafide bestuurder. Er worden nu door de Hoge Raad (prejudiciële) vragen gesteld of het (unierechtelijke) evenredigheidsbeginsel zich hiertegen verzet. Deze zaak richt zich op de omzetbelasting, de toekomstige vervolg vraag zal zijn of de loonheffing hiermee in lijn mag worden gezet.
Noot fiscaal jurist over onbehoorlijk bestuur
Bij ondernemen hoort risico nemen. Een bestuurder heeft dus een grote mate van vrijheid om dit in te vullen. Als achteraf blijkt dat een beslissing niet juist bleek te zijn, wil dit nog niet zeggen dat de beslissing slecht was. Artikel 36 van de invorderingswet bepaalt dat bestuurders persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de door de B.V. / rechtspersoon te betalen belastingen. Meestal kan de bestuurder deze aansprakelijkheid voorkomen door tijdig de betalingsonmacht te melden.
Soms is een bestuurder - zelfs bij een tijdige melding - aansprakelijk voor de niet betaalde belastingen van zijn B.V. Bij een probleemsituatie is het in ieder geval van belang om tijdig een advocaat en fiscaal jurist op te lijnen. Tevens moet er tijdig melding worden gemaakt van het feit dat belastingen niet tijdig kunnen worden betaald. Daarnaast spelen een aantal zaken:
- Zorg voor tijdige publicatie van uw cijfers.
- Informeer de bancaire instellingen op een nette en correcte wijze.
- Blijf met de Belastingdienst in gesprek.
- Betaal niet selectief uw schuldeisers.
- Zorg ervoor dat uw administratie op orde is.
Om onbehoorlijk bestuur te voorkomen is het volgende van belang:
- Van onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 36, lid 3, van de Wet kan pas worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder - onder dezelfde omstandigheden - gehandeld zou hebben als de aansprakelijk gestelde bestuurder heeft gedaan, hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als hij handelingen (van structurele aard) heeft verricht waardoor belastingschulden niet worden betaald, dit aldus de Hoge Raad in onderstaande uitspraak
- Naar het oordeel van het Hof treft belanghebbende het verwijt dat de belastingschulden van [A] onbetaald zijn gebleven. Gelet op genoemde structurele, slechte financiële omstandigheden en het (oplopende) bedrag aan belastingschulden van [A] had geen redelijk denkend bestuurder zo gehandeld als belanghebbende heeft gedaan.
Bron bestuurder aansprakelijk
Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 2 juni 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:2498).
Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 27 januari 2016 (ECLI:NL:RBZWB:2016:658).
Vergrijpboete notaris als medepleger
Een (voormalig) notaris - die in zwaar weer zat - krijgt een vergrijpboete (€ 72.000) opgelegd als medepleger omdat hij opzettelijk (ten onrechte) overdrachtsbelasting voor een klant heeft teruggevraagd bij de teruglevering van een bedrijfspand. Door schijnconstructies is onrechtmatig overdrachtsbelasting teruggevraagd, aldus de Belastingdienst (en Rechtbank).
Procedure notaris inzake overdrachtsbelasting
De eerste vraag die aan de orde wordt gesteld bij de Rechtbank is: is de notaris een medepleger? Er staat vast dat de notaris de teruggave heeft aangevraagd en dat de Inspecteur deze in 2010 heeft uitbetaald. In artikel 5:1 AWB (Algemene Wet Bestuursrecht) staat in lid 1 wat een overtreding is, in lid 2 staat vervolgens dat voor deze overtreding zowel de pleger als de medepleger als overtreder wordt gezien. De Inspecteur toont aan dat er tussen de notaris en de directie van de B.V. veel contact is geweest over het opzetten van een schijnconstructie om zo de heffing van twee keer overdrachtsbelasting te voorkomen. Hiermee is de inspecteur geslaagd in zijn bewijs.
De hoogte van de boete (100%) is passend en geboden, aldus de Belastingdienst. Er is immers sprake van samenspanning en een notaris welke kan worden verweten dat hij als notaris heeft meegewerkt aan het ten onrechte (bewust) terugvragen van overdrachtsbelasting. De notaris heeft zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid niet genomen. Juist van een notaris mag worden verwacht dat hij een netjes functionerend rechtsverkeer gaat waarborgen, aldus de Rechtbank. De boete wordt verminderd tot zo'n € 30.000, de reden hiervoor is:
- Notaris heeft de teruggave niet zelf ontvangen;
- De redelijke termijn is overschreden (ruim 18 maanden).
Streep door vergrijpboete ex bestuurder voetbalclub
Als bestuurder een vergrijpboete aan je broek krijgen? Dan staat niet alleen je portemonnee onder druk, maar ook je reputatie. De fiscus legt ze soms voortvarend op, maar gelukkig kijkt de rechter kritischer. In een procedure bij de Rechtbank Gelderland d.d. 5 juni 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:4322) oordeelde de rechter dat een ex-bestuurder van een voetbalclub ten onrechte als feitelijk leidinggever werd aangemerkt. Hoewel hij ooit betrokken was bij een spelerstransfer, was zijn rol bij de latere afwikkeling onvoldoende concreet. De rechtbank herhaalt: bestuurder zijn is niet hetzelfde als leiding geven aan een strafbaar feit. En voor een boete moet de Belastingdienst het bewijs keihard rond hebben. Omdat die bewijslast zwaarder is dan bij de belastingheffing zelf, sneuvelde de boete. De uitspraak is een reminder: wie als adviseur scherp blijft op bewijs en betrokkenheid, kan veel ellende besparen.
Voor een helder overzicht van de stappen die de belastingdienst moet doorlopen verwijzen wij u naar een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 26 april 2016 ECLI:NL:HR:2016:733.
Geduld is vereist, maar rechtvaardigheid duurt soms gewoon even. Belangrijk is dat de belastingdienst met overtuigend aangetoond bewijs komt met concrete gedragingen door de feitelijk leidinggevende.
Hierbij spelen voor een vergriipboete een aantal zaken:
- Feitelijk leiding geven: dit moet concreet worden onderbouwd (zie Hoge Raad d.d. 16 december 1986 ECLI:NL:HR:1986:AC9607) , dit speelde bij de Slavenburg bank, de zogenoemde slavenburg jurisprudentie.
- Is de verboden gedraging door de BV (of rechtspersoon) verricht, zie Drijfmest arrest van de Hoge Raad d.d. 21 oktober 2003 ECLI:NL:HR:2003:AF7938
- Wordt het geheel (opzet of grove schuld) voldoende overtuigend aangetoond (zie Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Al met al moet het volgende worden beoordeeld:
- Kan de (strafbare) gedraging worden toegerekend aan belastingplichtige ( de rechtspersoon)
- Is er hierbij sprake van opzet bij deze strafbare gedraging
- Heeft de persoon (bestuurder) zich gedragen als actief (of passief) feitelijk leidinggevende van dit (strafbare) feit
- Is dit gedrag opzettelijk uitgevoerd door de feitelijk bestuurder/ leidinggevende.
- Heeft de belastingdienst voldoende overtuigend aangetoond dat sprake
is van opzet of grove schuld (zie
Hoge Raad d.d. 8 april 2022 ECLI:NL:HR:2022:526)
Vergrijpboete ter discussie stellen
De vergrijpboete wordt soms iets te vlot door een inspecteur opgelegd. Deze kan om verschillende redenen worden verminderd of tot nihil worden bijgesteld (door de rechter). De belangrijkste oorzaken uit de rechtspraak zijn:
- Procedure loopt te lang (overschrijding van de redelijke termijn), zie Hoge Raad d.d. 6 september 2024 ECLI:NL:HR:2024:1132 of Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 23 juli 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:4871
- Vergrijpboete voor hetzelfde feit bij verschillende belastingtypen
- Vergrijpboete wordt niet overtuigend via feitelijk bewijs aannemelijk gemaakt, derhalve geen (of beperkt) sprake van opzet of grove schuld (uitgebreide toelichting in mening AG op 4 april 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:410)
- Ontbreken van voldoende bewijs voor opzet of grove schuld, Gerechtshof Amsterdam d.d. 15 november 2022 ECLI:NL:GHAMS:2022:3728
- De grondslagen en/of omstandigheden zijn anders of niet juist voorgesteld, zie Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 14 mei 2024 ECLI:NL:GHARL:2024:3357
- De boete moet wel in balans zijn, de noodzaak van een juiste kwalificatie van het vergrijp en de evenredigheid van de opgelegde boete, zie hiertoe mening AG op 5 juli 2024 ECLI:NL:PHR:2024:736
- Beboeting wordt niet tijdig medegedeeld, schending verdedigingsbeginsel (kennisgeving boete (met motivering) is later gedagtekend dan de boetebeschikking. Zie hiertoe bijvoorbeeld Rechtbank Zeeland West Brabant d.d. 7 mei 2025 ECLI:NL:RBZWB:2025:2724.
Hoge Raad inzake vergrijpboete
In 2022 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over de term "bewust". Een autohandelaar heeft een naheffingsaanslag BTW met een vergrijpboete ontvangen. De reden is dat de handelaar door de gebrekkige administratie had moeten inzien dat hij geen recht had op de levering van auto's tegen het nultarief. Hij had moeten weten dat hij niet aannemelijk zou kunnen maken dat de auto's naar een andere EU lidstaat zijn vervoerd. Ook had de handelaar zijn adviseur niet zomaar mogen vertrouwen. De Hoge Raad denkt hier anders over. Voorwaardelijke opzet is niet aan de orde. Aan de handelaar kan niet de voor opzet vereiste "bewustheid" met betrekking tot de onjuiste aangifte worden verweten, aldus ons hoogste rechtscollege. Verder kunnen de omstandigheden dat belanghebbende geen openheid van zaken heeft gegeven en dat hij het laakbare van zijn gedragingen niet heeft ingezien, niet bijdragen aan het oordeel dat hij bewust fouten heeft gemaakt. De Hoge Raad vernietigd de vergrijpboete en verwijst de zaak naar een ander Gerechtshof.
Bestuurder geen pleger bij niet doen van een aangifte vennootschapsbelasting
Bij het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 24 februari 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:1967 kwam een procedure voorbij waarbij een bestuurder over meerdere jaren geen aangiften vennootschapsbelasting van de BV had ingediend. Het Hof oordeelde dat de bestuurder (verdachte) als pleger kan worden aangemerkt (artikel 69 lid 1 AWR), dit in kader van "het opzettelijk niet doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte". Deze procedure komt uiteindelijk bij de Hoge Raad op 24 maart 2026 ECLI:NL:HR:2026:424. Die denkt er anders over. De bestuurder is niet de persoon die de aangifteplicht droeg. De aangifteplicht berust immers bij de rechtspersoon aan wie het aangiftebiljet is gericht. Dit is de BV zelf en niet de natuurlijke persoon die als bestuurder optreedt of feitelijk de correspondentie ontvangt en de aangifte verzorgt. Verantwoordelijk zijn voor iets wil nog niet zeggen dat die persoon ook "pleger" is voor het niet doen van de aangifte. Dit wil nog niet zeggen dat de bestuurder lekker achteruit kan gaan zitten. Op grond van het strafrecht (artikel 47-51 WvS) is er voldoende ruimte om de bestuurder als medepleger of feitelijk leidinggevende aan te pakken. Hier speelde echter de toets van "pleger". De zaak wordt teruggewezen naar hetzelfde gerechtshof.
Noot fiscaal jurist over boete notaris
Sinds midden 2009 is het mogelijk dat een boete aan de belastingplichtige en aan de adviseur / medepleger wordt opgelegd (vierde tranche AWB). Een medepleger is niet de belastingplichtige en een boete kan aan hem / haar ook nadien (dus na de aanslag) worden opgelegd. Sinds 2014 is deze wetgeving iets aangepast. Sinds 2014 is de wet nog ruimer, een vergrijpboete kan ook worden opgelegd aan een medepleger, een uitlokker en iemand die het vergrijp heeft doen plegen. De Belastingdienst maakt de laatste jaren steeds vaker gebruik van deze mogelijkheid. Begin 2017 heeft de Belastingdienst aangekondigd om een openbare lijst te willen maken met adviseurs die hebben meegewerkt aan belastingontduiking. De adviseur achter de klant wordt dus steeds vaker bestraft en de scheiding tussen "scherp adviseren" en "belastingontduiking" wordt steeds dunner. Maatschappelijk is dit een goede ontwikkeling, mits de overheid maar voldoende kennis heeft om de verschillen uit elkaar te houden. In deze procedure was niet evident dat sprake was van bewust belastingontduiken, sterker nog, de casus is aan de Belastingdienst voorgelegd.
In een arrest van de Hoge Raad d.d. 15 september 2020 is gebleken dat een adviseur niet altijd als medepleger kan worden gezien als er opzettelijk onjuist of onvolledig aangifte is gedaan (artikel 69.2 AWR), dit in tegenstelling tot de uitspraak van het Gerechtshof. De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2020:121), inhoudende dat als aangifte ingediende gegevensdrager uitsluitend kan worden aangemerkt als ‘bij belastingwet voorziene aangifte’ indien die aangifte is gedaan door degene op wiens belasting- of betalingsplicht die aangifte betrekking heeft of door degene die uit hoofde van art. 42 tot en met 44 AWR als vertegenwoordiger van belasting- of betalingsplichtige kan optreden en dat art. 47 tot en met 51 Sr diverse mogelijkheden bieden om degene die anders dan als pleger betrokken is bij onjuist of onvolledig doen van bij belastingwet voorziene aangifte, onder specifieke voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor die betrokkenheid.
Waarmee kunnen wij u helpen?
De kans op een onjuiste aangifte is door de ingewikkeldheid / complexiteit van het belastingrecht snel aanwezig. Dat wil echter nog niet zeggen dat u als belastingplichtige zich er steeds van bewust moet zijn geweest dat uw aangifte onjuist of mogelijk onjuist is. Schakel daarom voor het doen van aangifte een deskundige in. Is eenmaal een boete opgelegd of wordt dat aangekondigd, neem dan direct contact met ons op. Wij beschikken over de deskundigheid om een boete eventueel te voorkomen dan wel te beoordelen of die volgens de regelen der kunst is opgelegd. Mail ons voor een vrijblijvend gesprek.
Bron notaris als medepleger
Rechtbank Gelderland d.d. 24 april 2017 (ECLI:NL:RBGEL:2017:2297).
Prejudiciële vragen fiscale zaken bij de Hoge Raad
Sinds 2016 is het in fiscale zaken mogelijk dat de feitenrechter (Rechtbank en / of Gerechtshof) een rechtsvraag aan de belastingkamer van de Hoge Raad gaat voorleggen. Voor civiele zaken bestaat deze mogelijkheid al enkele jaren. Het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad is een optie die nog weinig wordt gebruikt.
Moet de Hoge Raad bij afwijzing verplicht prejudiciele vragen stellen?
De Europese rechter (EHRM) heeft in de zaak Gondert versus Germany C-34701/21 in december 2025 geoordeeld dat op grond van artikel 6 EVRM en gelet op het europese vereiste van een eerlijk proces de Hoge Raad (de hoogste rechter) helder moet motiveren waarom er geen prejudiciele vragen zijn gesteld. Er moet dan wel (door belastingplichtige) een concreet, helder en onderbouwd verzoek hierom worden gedaan. Als dergelijke vragen door de belastingplichtige zijn gesteld mag de Hoge Raad de zaak niet zonder verdere toelichting via artikel 81 RO afdoen. De toekomstige praktijk zal leren hoe dit gaat uitwerken.
Voor welke zaken prejudiciële vragen stellen?
In veel zaken kunnen er prejudiciële vragen worden gesteld. Er gelden echter wel spelregels, de belangrijkste zijn:
- Het moet (ex artikel 27ga AWR) gaan om een rechtsvraag.
- De rechtsvraag moet van belang zijn voor de zaak die bij de feitenrechter wordt neergelegd en moet relevant zijn om over deze zaak te kunnen beslissen in de juiste zin.
- De rechtsvraag moet voor de zaak relevant zijn en tevens voor vele zaken / geschillen. Voor adviseurs is het dus van belang om te melden bij welke situaties / zaken deze rechtsvraag ook aan de orde is.
Het stellen van (prejudiciële) rechtsvragen kan op verzoek van de inspecteur, adviseur van partijen of door de feitenrechter zelf (ambtshalve). Als de rechter het zelfstandig bepaalt, dan moet hij partijen in de gelegenheid stellen daarop te reageren. Als een rechtsvraag wordt voorgelegd, dan moet hierin het volgende zorgvuldig worden opgenomen:
- Het geschil;
- De feiten;
- Standpunten van partijen;
- De rechtsvraag;
- Denkrichting van de feitenrechter (eventueel).
De zaak wordt na het stellen van de vragen tijdelijk stopgezet (geschorst).
Procedure bij de Hoge Raad bij prejudiciële vragen
De informatie (zie hierboven) komt bij de Hoge Raad binnen in de postbus. Een procedure bij de Hoge Raad is meestal schriftelijk. Partijen krijgen de mogelijkheid om schriftelijk op de prejudiciële fiscale vragen te reageren. Of er nog een mondelinge behandeling moet volgen zal de Hoge Raad zelf beoordelen, partijen hebben hier geen invloed op. Als adviseur kunt u hierom wel verzoeken, eventueel kunt u aangeven dat u wilt reageren op de reactie van de inspecteur van de Belastingdienst. U kunt de Hoge Raad echter niet dwingen. Meestal zal de procureur generaal een eerste advies (conclusie) uitbrengen. Hierop kunnen partijen reageren.
Eventueel kunnen ook andere dan partijen in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijk te reageren op het geschil en / of de rechtsvraag. Dit zal de Hoge Raad zelf bepalen.
Uiteindelijk doet de Hoge Raad schriftelijk uitspraak en stuurt dit naar partijen en de feitenrechter, beide op hetzelfde moment. De Hoge Raad hoeft de vraag niet te beantwoorden, dit zal de Hoge Raad doen als de vraag ziet niet leent voor prejudiciële vragen en / of het gewicht onvoldoende is (lijkt een beetje op 81 RO uitspraken).
Wat kan de adviseur met prejudiciële fiscale vragen?
In de praktijk zien we deze optie nog zelden. Te weinig wijzen de adviseurs - eventueel in samenspraak met de inspecteur - de rechtbanken op deze mogelijkheid, terwijl de geschikte zaken er wel zijn.
Niet elke zaak leent zich echter voor dergelijke rechtsvragen die in een groot aantal vergelijkbare gevallen kunnen spelen. Het is echter de moeite waard om binnen de klantenkring of branche te bekijken of een bepaald probleem breder speelt. Vaak zijn kleinere geschillen niet de moeite waard om aan de rechter voor te leggen, maar bij een brede impact kan het wel lonen.
Deze optie is ook prettiger (en sneller) dan bijvoorbeeld sprongcassatie, hierbij moet namelijk de uitspraak van de Rechtbank worden afgewacht alvorens de adviseur in actie kan komen. Bij prejudiciële vragen aan de Hoge Raad kan het antwoord worden gegeven voordat de uitspraak van de Rechtbank er is. Bij sprongcassatie moeten ook beide partijen hiermee instemmen, dit hoeft bij prejudiciële vragen niet, daar is het aan de rechter.
Bij prejudiciële vragen maakt de Rechtbank (op verzoek van de adviseur) eigenlijk een kleine wandeling langs de Hoge Raad om zo duidelijkheid te krijgen, de lopende zaak wordt geschorst en wellicht komt er snel meer duidelijkheid.
Fiscaal strafrecht
In het Nederlandse belastingrecht leidt gelukkig niet elke fiscale fout tot strafrechtelijke vervolging. Slechts de overtreding van bepaalde regels levert een strafbaar feit op. Daarnaast heeft de overheid als beleid (behalve als het gaat om douanedelicten) om slechts bij de ernstigste gevallen over te gaan tot strafrechtelijke vervolging. Doorgaans wordt vereist dat de betrokkene opzettelijk (dat wil zeggen willens en wetens) heeft gehandeld en daarnaast dat de Belastingdienst een aanzienlijk bedrag is of zou zijn misgelopen dan wel dat er bijkomende factoren aanwezig zijn (zoals dat er ook andere strafbare feiten zijn gepleegd of dat de betrokkene een voorbeeldfunctie in de samenleving heeft).
Samenloop strafrecht en belastingrecht
Het strafrecht en het belastingrecht lopen soms samen op. Als iemand in een strafzaak verdacht wordt van belastingfraude, dan moet u er rekening mee houden dat u gelijktijdig (of volgtijdig) te maken krijgt met strafrecht en belastingrecht. Lees hierover dit uitgebreide artikel.
De strafrechtelijke procedure in de praktijk
Indien er echter gekozen wordt voor strafrechtelijke vervolging, dan kunnen de gevolgen voor de betrokkene ernstig zijn. Alleen al het onderzoek dat wordt verricht als iemand verdacht wordt van het plegen van een fiscaal strafbaar feit, wordt vaak als zeer belastend ervaren. Het komt veelvuldig voor dat tijdens dat onderzoek verdachten worden vastgezet om langdurig te worden verhoord, hun huis en werkplek overhoop worden gehaald op zoek naar bewijzen en allerlei mensen uit hun zakelijke en privéomgeving worden gehoord. Indien het tot een veroordeling komt, kunnen voorts serieuze straffen worden opgelegd. Ging het tot een aantal jaren geleden meestal om straffen als het opleggen van voorwaardelijke gevangenisstraffen, taakstraffen en boetes, tegenwoordig komt het steeds vaker voor dat de strafrechter overgaat tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, die men moet doorbrengen in een gevangenis. Bestraffing wegens het plegen van een fiscaal strafbaar feit kan daarnaast ook iemands toekomstperspectieven schaden (bijvoorbeeld omdat het dan lange tijd onmogelijk is om bepaalde functies uit te oefenen).
De opsporingsambtenaren van de FIOD-ECD, de dienst die bij fiscale delicten het opsporingsonderzoek verricht, zijn in de regel goed opgeleid en zeer bedreven in verhoortechnieken. In de praktijk komt het dikwijls voor dat verdachten bij FIOD-verhoren door bijvoorbeeld overrompeling, uitgeoefende druk of handige toepassing van psychologische inzichten verklaringen afleggen waarvan zij later spijt krijgen. Het is dan ook zeer verstandig om direct de hulp van een gespecialiseerde advocaat in te roepen zodra men wordt verdacht van het plegen van een fiscaal strafbaar feit. Hetzelfde geldt in het geval men vreest mogelijk in de toekomst als verdachte te zullen worden aangemerkt. Zo’n gespecialiseerde advocaat kan mensen behoeden voor het maken van onnodige misstappen en helpen de best mogelijke verdediging te voeren.
Beroep
De belastingplichtige die het niet eens is met een door de Belastingdienst opgelegde aanslag of beschikking kan zich daartegen verweren bij de (belasting)rechter. Voordat de belastingplichtige bij die rechter terecht kan, moet hij eerst bij de Belastingdienst bezwaar maken tegen die aanslag of beschikking. De Belastingdienst beslist dan op dat bezwaar. Als de belastingplichtige niet of niet volledig in het gelijk wordt gesteld, kan hij in beroep komen bij de rechtbank.
Waartegen kan beroep worden ingesteld?
Beroep kan worden ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de Belastingdienst. Daarnaast is beroep mogelijk tegen de (schriftelijke) weigering van de Belastingdienst om uitspraak te doen en het niet tijdig doen van uitspraak.
Bij welke rechter moet het beroep worden ingesteld?
De beslechting van geschillen in rijksbelastingen is geconcentreerd bij vijf rechtbanken. Dat zijn de rechtbanken Noord-Nederland (Leeuwarden), Oost-Nederland (Arnhem), Noord-Holland (Haarlem), Den Haag (Den Haag) en Zeeland-West-Brabant (Breda).
De bevoegde rechtbank is die van het gebied waarvan de indiener van het beroepschrift woont / is gevestigd. Als de indiener geen woonplaats in Nederland heeft, moet het beroep worden ingesteld bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de Belastingdienst gevestigd is. Alle douanezaken gaan naar Noord-Holland (Haarlem).
Voor het indienen van een beroepschrift is griffierecht verschuldigd. Voor natuurlijke personen bedraagt het griffierecht bij de rechtbank (uitzonderingen daargelaten) € 44 en voor rechtspersonen € 318.
Waaraan moet het beroepschrift voldoen?
Het beroepschrift moet de volgende onderdelen bevatten:
- naam en adres indiener;
- dagtekening;
- omschrijving van het besluit (uitspraak op bezwaar) waartegen beroep is ingesteld;
- de gronden (redenen) van het beroep.
Als niet aan die voorwaarden is voldaan, moet de rechter daarop wijzen en de mogelijkheid bieden het ontbrekende alsnog in te dienen. Als dat niet gebeurt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Bij het beroep moet een kopie van het besluit (uitspraak op bezwaar) waartegen beroep is ingesteld worden gevoegd.
Wanneer moet beroep worden ingesteld?
De termijn voor het indienen van een beroep is zes weken, te rekenen vanaf de dagtekening van de beslissing van de Belastingdienst. Doorgaans is de dagtekening van belastingaanslagen gelegen na de verzending. Dat geeft dus wat extra ruimte.
Als de dagtekening ligt voor die van bekendmaking, beginnen de zes weken te lopen vanaf de dag na die bekendmaking.
Procedureverloop
Nadat het beroep is ingediend en compleet is, wordt griffierecht geheven en worden de stukken doorgezonden aan de Belastingdienst voor het indienen van een verweerschrift. Op dat verweerschrift kan (na eventuele toestemming van de rechter) schriftelijk worden gereageerd. Dat is de repliek. Daarop wordt weer gereageerd door de Belastingdienst. Dat is de dupliek.
Daarna bestaat de mogelijkheid dat de rechter nader vooronderzoek verricht. Deze kan dan inlichtingen inwinnen bij partijen, getuigen en deskundigen horen, onderzoek ter plaatse verrichten, etc. Van deze mogelijkheid wordt zeer sporadisch gebruik gemaakt.
Nadat het vooronderzoek is afgerond, wordt de zaak geagendeerd op zitting voor de mondelinge behandeling (het onderzoek ter zitting). Als hoofdregel worden de zaken behandeld in enkelvoudige kamer (één rechter). Als de zaak zich daarvoor leent, vindt behandeling plaats in meervoudige kamer (drie rechters). De namen van de rechters worden doorgaans in de uitnodiging voor de zitting vermeld. Tot tien dagen voor de zitting kunnen nadere stukken worden ingediend.
Procestactiek
In een belastingprocedure is het voor de belastingplichtige belangrijk
de rechter in kennis te stellen van alle feiten en omstandigheden en die
zodanig te duiden dat ze kunnen leiden tot een positief oordeel van de
rechter.
Het beroepschrift moet dus volgens een bepaalde structuur zijn opgebouwd
waarbij de standpunten logisch moeten worden beargumenteerd. Daardoor zal
de rechter bij zijn beoordeling uitgaan van het beroepschrift als basisdocument.
Als het beroepschrift warrig, onvolledig of ongestructureerd is, zal de
rechter eerder de reactie van de Belastingdienst (het verweerschrift) als
uitgangspunt hanteren.
De Belastingdienst is verplicht tot het verstrekken van alle gegevens die
bij het opleggen van de aanslag of de beschikking van belang kunnen zijn
geweest. Dus niet alleen de gegevens die hij heeft gebruikt, maar vooral
ook de gegevens die hij niet heeft gebruikt maar wel van belang kunnen
zijn. Controleer of u echt beschikt over alle gegevens. Zo niet, attendeer
de rechter daarop en vraag ze op.
Nu kan het zo zijn dat u denkt dat bepaalde zaken niet zijn opgenomen of onderbelicht zijn gebleven, bijvoorbeeld naar aanleiding van het verweerschrift van de Belastingdienst. Die nieuwe feiten en omstandigheden kunnen nog worden ingebracht bij repliek. Tot slot kan, als laatste mogelijkheid, nog iets ingebracht worden tot uiterlijk tien dagen voor de zitting. Op de zitting is het in beginsel niet mogelijk om met nieuwe feiten te komen. Nieuwe argumenten zijn wel toegestaan.
Het is een kwestie van tactiek en het aanvoelen van de zaak op welk moment de feiten naar voren worden gebracht, maar vooral het moment van het inbrengen van argumenten kan belangrijk zijn. Een ervaren adviseur kan daar goede diensten bewijzen.
De zitting / mondelinge behandeling
Bij de behandeling ter zitting bestaat ook de mogelijkheid de grieven mondeling toe te lichten. Aldaar kunnen ook getuigen en deskundigen worden gehoord (mits aangekondigd) en vindt het debat met en onder leiding van de rechter plaats. De rechter kan actief vragen stellen maar ook passief het debat volgen.
Van de zitting wordt door de griffier proces-verbaal opgemaakt. Doorgaans bevat dat een kernachtige beschrijving van het verhandelde ter zitting. Als de rechter zich voldoende acht voorgelicht, sluit hij het onderzoek en deelt mee in welke vorm (mondeling of schriftelijk) en wanneer (na twee of na zes weken) hij uitspraak zal doen.
Beslistermijn en uitspraak
De belastingrechter beslist op het beroep binnen zes weken nadat de het onderzoek is gesloten (de zitting is geweest). Die termijn kan eenmaal met zes weken worden verlengd. Aan overschrijding van de termijn zijn in beginsel geen consequenties verbonden.
Hoofdregel is dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan. In het belastingrecht wordt echter veelvuldig gebruik gemaakt van de mogelijkheid om mondeling uitspraak te doen. Die uitspraak kan dan direct na de sluiting van het onderzoek (ter zitting) worden gedaan, maar kan ook maximaal twee weken worden verdaagd. Van die verdagingsmogelijkheid wordt in de praktijk standaard gebruik gemaakt. De mondelinge uitspraak wordt neergelegd in een proces-verbaal dat aan partijen wordt verstrekt.
Kostenvergoeding, schadevergoeding en griffierecht
Als het beroep wordt gehonoreerd, kan aanspraak worden gemaakt op vergoeding van de (proces)kosten van het beroep. De vergoeding is forfaitair (lees: laag) vastgesteld. Het standaardtarief voor het indienen van een beroepschrift door een adviseur is € 472.
Ook is de rechter bevoegd om, als de belastingplichtige (gedeeltelijk) in het gelijk wordt gesteld, een schadevergoeding toe te kennen. Daarom dient wel te worden verzocht. De immateriële schade vanwege de lange duur van de procedure valt hieronder. De kosten van de procedure vallen er niet onder. Die worden forfaitair vergoed.
Als het beroep (gedeeltelijk) wordt gehonoreerd, wordt ook het betaalde griffierecht vergoed.
Uitzonderingen
Niet in alle gevallen dient een beroep te worden voorafgegaan door een (afgeronde) bezwaarprocedure. Rechtstreeks beroep. Als in de fase voorafgaande aan het bezwaar, doorgaans bij de aanslagregeling, het geschil al uitvoerig is besproken en uitgekristalliseerd, kan – met toestemming van de Belastingdienst – direct in beroep worden gekomen bij de (belasting)rechter.
(Niet) tijdig beslissen. Als de Belastingdienst niet tijdig op het bezwaar beslist of weigert te beslissen, kan ook in beroep worden gekomen.
Oriënterend gesprek
Als u overweegt om een beroepsprocedure jegens de Belastingdienst op te starten, is het verstandig om te kijken wat uw kansen zijn. In een oriënterend gesprek (geen kosten) kunnen wij met u de mogelijkheden en onmogelijkheden doorlopen, tevens kan dan op basis van wetgeving en jurisprudentie (uitspraken van rechters) worden bekeken wat uw kansen zijn. Bel gerust met één van onze adviseurs.
Als het dan tot een procedure komt, werken we nauw samen met u en uw adviseur.
Hoger beroep in belastingzaken
De belastingplichtige die na bezwaar bij de Belastingdienst en beroep bij de rechtbank naar zijn mening nog steeds geen of onvoldoende gelijk heeft gekregen, kan tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep komen bij het gerechtshof. Ook de Belastingdienst heeft het recht van hoger beroep.
Waartegen en bij welke rechter kan hoger beroep worden ingesteld?
Hoger beroep in een belastingzaak kan worden ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
In afwijking op het algemene bestuursrecht moet het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerechtshof. Dus niet bij de Raad van State of de Centrale Raad van Beroep. Bij welk gerechtshof u moet zijn, volgt uit de wet. Dat is het gerechtshof van het gebied (ressort) waarin de rechtbank is gelegen dat de bestreden uitspraak heeft gedaan.
In Nederland zijn er vier gerechtshoven. De zaken van de rechtbanken Noord-Nederland (Leeuwarden) en Oost-Nederland (Arnhem) gaan naar gerechtshof Arnhem / Leeuwarden, de zaken van rechtbank Noord-Holland (Haarlem) naar gerechtshof Amsterdam, de zaken van rechtbank Den Haag naar gerechtshof Den Haag.
Voor het indienen van een hoger beroepschrift is griffierecht verschuldigd. Voor natuurlijke personen bedraagt het griffierecht bij het gerechtshof (uitzonderingen daargelaten) € 118 en voor rechtspersonen € 478.
Waaraan moet het hoger beroepschrift voldoen en wat is de termijn?
Het beroepschrift moet de volgende onderdelen bevatten:
- naam en adres indiener;
- dagtekening;
- omschrijving van het besluit (uitspraak op bezwaar) waartegen beroep is ingesteld;
- de gronden (redenen) van het beroep.
Als niet aan die voorwaarden is voldaan, moet de rechter daarop wijzen en de mogelijkheid bieden het ontbrekende alsnog in te dienen. Als dat niet gebeurt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Bij het beroep moet een kopie van het besluit (uitspraak van de rechtbank) waartegen hoger beroep is ingesteld worden gevoegd.
De termijn voor het indienen van een hoger beroep is zes weken, te rekenen vanaf de dag na die van bekendmaking van de uitspraak van de rechtbank.
Procedureverloop
Nadat het hoger beroep is ingediend en compleet is, wordt griffierecht geheven en worden de stukken doorgezonden aan de Belastingdienst voor het indienen van een verweerschrift. Op dat verweerschrift kan (na eventuele toestemming van de rechter) schriftelijk worden gereageerd. Dat is de repliek. Daarop wordt weer gereageerd door de Belastingdienst. Dat is de dupliek.
Daarna bestaat de mogelijkheid dat de rechter nader vooronderzoek verricht. Deze kan dan inlichtingen inwinnen bij partijen, getuigen en deskundigen horen, onderzoek ter plaatse verrichten, etc. Van deze mogelijkheid wordt zeer sporadisch gebruik gemaakt.
Nadat het vooronderzoek is afgerond wordt de zaak geagendeerd op zitting voor de mondelinge behandeling (het onderzoek ter zitting). Als hoofdregel worden de zaken behandeld in meervoudige kamer (drie rechters). Als de zaak zich daarvoor leent, vindt behandeling plaats in enkelvoudige kamer (één rechter). De namen van de rechters worden doorgaans in de uitnodiging voor de zitting vermeld. Tot tien dagen voor de zitting kunnen nadere stukken worden ingediend.
Procestactiek
Anders dan in het algemene bestuursprocesrecht kent het fiscale procesrecht geen zogenoemde fuiken of trechters. Dat betekent dat in elk stadium van de procedure nieuwe feiten en omstandigheden, maar ook nieuwe argumenten kunnen worden ingebracht. Dat is alleen anders in cassatie. De Hoge Raad oordeelt niet over feiten, zodat in cassatie in beginsel alleen nieuwe argumenten kunnen worden ingebracht.
De Belastingdienst of de rechter kan u dus niet tegenwerpen dat u bepaalde feiten, omstandigheden, argumenten of grieven niet in een eerder stadium (bij bezwaar of in beroep) heeft ingebracht. De enige beperking hierbij is de goede procesorde. Alleen als de wederpartij in zijn belangen wordt geschaad omdat sprake is van een inbreng waarop hij niet bedacht hoefde zijn, die zodanig laat is dat hij zich daartegen onvoldoende kan verweren, wordt de inbreng buiten behandeling gelaten. Uit procestechnische overwegingen kan het van belang zijn om zolang mogelijk ‘het kruit droog te houden’.
Een tweede belangrijk element van het hoger beroep is de herkansingsfunctie. Het is de laatste mogelijkheid om misslagen of onjuistheden in een eerdere fase recht te zetten. Nog meer dan bij de rechtbank moet het hoger beroepschrift volgens een strakke structuur te worden opgebouwd. Daarbij kunnen ook feitelijk onjuiste vaststellingen door de rechtbank worden bestreden en rechtgezet.
In de praktijk komt het veelvuldig voor dat een zaak wordt beslist op de (verdeling van de) bewijslast. Vaak oordeelt een rechtbank dat een belastingplichtige bepaalde feiten niet of onvoldoende heeft gesteld / bewezen / aannemelijk gemaakt. Het hoger beroep is de laatste mogelijkheid omdat bewijs alsnog te leveren. Ook kan in hoger beroep aan de orde komen of de bewijslast juist is verdeeld.
Omdat het gerechtshof de laatste feitelijke instantie is, is het belangrijk strak en doelgericht te procederen. Het is een kwestie van tactiek en het aanvoelen van de zaak op welk moment de feiten naar voren worden gebracht, maar vooral het moment van het inbrengen van argumenten kan belangrijk zijn. Een ervaren adviseur kan daar goede diensten bewijzen.
De zitting / mondelinge behandeling
Evenals bij de rechtbank kan ook bij het gerechtshof de zaak mondeling ter zitting worden toegelicht. Ook kunnen getuigen en deskundigen worden gehoord en vindt het debat met en onder leiding van de rechter plaats. De rechter kan actief vragen stellen maar ook passief het debat volgen. Bij de teams belastingrecht van de gerechtshoven bestaat een lange traditie die erop is gericht partijen ter zitting nader tot elkaar te brengen. In veel feitelijke geschillen (vooral waarderingskwesties) wordt dan een compromis gesloten. Bij het gerechtshof moet u dan ook bedacht zijn op een actief participerende rechter die ook nog aanstuurt op een compromis. Het vergt de nodige ervaring om dan zo ver te gaan als nodig voor het beste resultaat.
Van de zitting wordt door de griffier proces-verbaal opgemaakt. Doorgaans bevat dat een kernachtige beschrijving van het verhandelde ter zitting. Omdat het proces-verbaal van de zitting de enige bron is voor de Hoge Raad van wat op de zitting is gebeurd, is het van belang te verifiëren dat bepaalde opmerkingen correct in dat verslag worden opgenomen. Nog verstandiger is het om belangrijke punten (die nog niet uit de stukken blijken) op te nemen in een pleitnota. Een afschrift daarvan wordt aan het proces-verbaal van de zitting gehecht (en gaat mee naar de Hoge Raad).
Als de rechter zich voldoende acht voorgelicht, sluit hij het onderzoek. Doorgaans zal hij meedelen dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan op een termijn van zes weken.
Beslistermijn en uitspraak
Het gerechtshof beslist op het beroep binnen zes weken nadat het onderzoek is gesloten (de zitting is geweest). Die termijn kan eenmaal met zes weken worden verlengd. Aan overschrijding van de termijn zijn in beginsel geen consequenties verbonden.
Hoofdregel is dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan.
Kostenvergoeding, schadevergoeding en griffierecht
Als het beroep wordt gehonoreerd, kan aanspraak worden gemaakt op vergoeding van de (proces)kosten van het beroep. De vergoeding is forfaitair (lees: laag) vastgesteld. Het standaardtarief voor het indienen van een hoger beroepschrift door een adviseur is € 472.
Ook is de rechter bevoegd om, als de belastingplichtige (gedeeltelijk) in het gelijk wordt gesteld, een schadevergoeding toe te kennen. Daarom dient wel te worden verzocht. De immateriële schade vanwege de lange duur van de procedure valt hieronder. De kosten van de procedure vallen er niet onder. Die worden forfaitair vergoed.
Als het beroep (gedeeltelijk) wordt gehonoreerd, wordt ook het betaalde griffierecht vergoed.
Oriënterend gesprek
Als u overweegt om een hoger beroepsprocedure op te starten, is het verstandig om te kijken wat uw kansen zijn. In een oriënterend gesprek (geen kosten) kunnen wij met u de mogelijkheden en onmogelijkheden doorlopen, tevens kan dan op basis van wetgeving en jurisprudentie (uitspraken van rechters) worden bekeken wat uw kansen zijn. De uitspraak van de rechtbank zal daarbij een belangrijk uitgangspunt zijn. Bel gerust met één van onze adviseurs. Als het dan tot een procedure in hoger beroep komt, werken we nauw samen met u en uw adviseur.
Bezwaar Belastingdienst
In het belastingrecht geeft het bezwaar de belastingplichtige de mogelijkheid zich tegen een door de Belastingdienst opgelegde belastingaanslag of beschikking te verzetten. Bezwaar maken moet schriftelijk. Op onze internetsite staan voorbeeld-bezwaarschriften.
Waartegen kan bezwaar worden gemaakt?
Niet tegen elke beslissing of handeling van de Belastingdienst kan bezwaar worden gemaakt. Anders dan in het algemene bestuursrecht kan alleen bezwaar worden gemaakt tegen:
- belastingaanslagen;
- voor bezwaar vatbare beschikkingen;
- voldoening, afdracht en inhouding.
Voor het indienen van een bezwaarschrift is geen griffierecht verschuldigd.
Waaraan moet het bezwaarschrift voldoen?
Het bezwaarschrift moet de volgende onderdelen bevatten:
- naam en adres indiener;
- dagtekening;
- omschrijving van het besluit waartegen bezwaar wordt gemaakt;
- de gronden (redenen) van het bezwaar.
Als niet aan die voorwaarden is voldaan, moet de Belastingdienst daarop wijzen en de mogelijkheid bieden het ontbrekende alsnog in te dienen. Als dat niet gebeurt, kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard. In het algemeen zal de Belastingdienst dan nog wel een beslissing nemen op het bezwaar, maar die kan dan niet meer worden voorgelegd aan de rechter.
Wanneer moet bezwaar worden gemaakt?
De termijn voor het indienen van een bezwaar is zes weken, te rekenen vanaf de dagtekening van de beslissing van de Belastingdienst. Doorgaans is de dagtekening van belastingaanslagen gelegen na de verzending. Dat geeft dus wat extra ruimte.
Als de dagtekening ligt voor die van bekendmaking, beginnen de zes weken te lopen vanaf de dag na die bekendmaking.
Als sprake is van inhouding (bijvoorbeeld van loonbelasting), afdracht (bijvoorbeeld dividendbelasting) of voldoening (bijvoorbeeld BTW), begint de termijn te lopen de dag na die van inhouding / voldoening / afdracht.
Mondelinge toelichting
Bij de behandeling van het bezwaar bestaat ook de mogelijkheid de grieven mondeling toe te lichten. Op grond van de wet dient in belastingzaken te worden verzocht om te worden gehoord. De Belastingdienst heeft echter het beleid dat zij vraagt of de belastingplichtige wil worden gehoord.
Beslistermijn
De Belastingdienst beslist op het bezwaar binnen zes weken nadat de bezwaartermijn is verstreken dan wel nadat het bezwaar compleet is. Die termijn kan eenmaal met zes weken worden verlengd. Verdere verlenging is mogelijk met instemming van de belastingplichtige.
Redelijke termijn
De Belastingdienst moet binnen een redelijke termijn uitspraak doen op een bezwaarschrift (artikel 8:73 AWB). Als de Belastingdienst dit niet doet, dan kan er immateriële schadevergoeding worden geclaimd. In een procedure bij de Hoge Raad in 2013 wordt in deze een vergoeding van € 2.000 toegekend in een situatie waarbij een belastingplichtige ruim 2 jaar moest wachten op beantwoording van zijn bezwaarschrift.
Kostenvergoeding
Als het bezwaar wordt gehonoreerd, kan aanspraak worden gemaakt op vergoeding van de kosten van het bezwaar. De vergoeding is forfaitair (lees: laag) vastgesteld. Het standaardtarief voor het indienen van een bezwaarschrift door een adviseur is € 235.
Uitzonderingen
Niet in alle gevallen is het bezwaar de aangewezen weg om tegen een beslissing van de Belastingdienst op te komen. De belangrijkste uitzonderingen zijn:
- De voorlopige aanslag inkomstenbelasting. Daarvan kan bij de Belastingdienst om herziening worden gevraagd. Als dat verzoek wordt afgewezen, kan tegen die afwijzing wel bezwaar worden gemaakt.
- Rechtstreeks beroep. Als in de fase voorafgaande aan het bezwaar, doorgaans bij de aanslagregeling, het geschil al uitvoerig is besproken en uitgekristalliseerd, kan – met toestemming van de Belastingdienst – direct in beroep worden gekomen bij de (belasting)rechter.
Oriënterend gesprek
Als u overweegt om een bezwaarprocedure jegens de Belastingdienst op te starten, is het verstandig om te kijken wat uw kansen zijn. In een oriënterend gesprek (geen kosten) kunnen wij met u de mogelijkheden en onmogelijkheden doorlopen. Tevens kan dan op basis van wetgeving en jurisprudentie (uitspraken van rechters) worden bekeken wat uw kansen zijn. Bel gerust met één van onze adviseurs.
Bewijs inspecteur ongeldig
Een uitspraak van het Gerechtshof in Arnhem / Leeuwarden d.d. 9 april 2013 is redelijk opmerkelijk. Een inspecteur komt tijdens de zitting met informatie inzake een bewijsaanbod welke bij hem is neergelegd. De rechter vindt dit niet te laat en geldig (als het niet geldig zou zijn noemt men dit "tardief", in het juridische taalgebruik). Vervolgens loopt de zaak jaren voor verschillende rechters. Het aanslagbiljet is niet op de voorgeschreven wijze aan belastingplichtige bekendgemaakt en het bezwaarschrift van belastingplichtige is onterecht niet ontvankelijk verklaard.
Procedure Gerechtshof inzake ongeldig bewijs
Henk (fictieve naam) heeft een schildersbedrijf. In 2009 ontvangt bij een aanmaning voor een BTW naheffingsaanslag uit 2006. Henk maakt hiertegen bezwaar en dit bezwaarschrift is volgens de Belastingdienst te laat (termijnoverschrijding). De Rechtbank verwijst de zaak terug naar de inspecteur. De inspecteur gaat in Hoger Beroep. Tijdens de zitting stelt de inspecteur dat hij bewijs kan leveren voor het verzenden van de naheffingsaanslag in 2009. Henk baalt hiervan omdat hij zich hiertegen niet kan verweren. Het Gerechtshof in 's-Hertogenbosch oordeelt dat het algemene belang van een doelmatige procesgang met zich meebrengt dat het bewijsaanbod als zijnde tardief wordt gepasseerd. Henk krijgt gelijk. We zijn nog niet klaar, de Staatssecretaris van Financiën komt in cassatie. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond, de zaak wordt verwezen. Het verwijzingshof Arnhem / Leeuwarden dient in de eerste plaats een oordeel te geven over de vraag of het bewijsaanbod van de inspecteur met betrekking tot generatienummers en een duplicaat aanslagbiljet tardief was. De rechter vindt het bewijsaanbod niet tardief, edoch is wel van mening dat het bezwaarschrift tijdig is omdat het aanslagbiljet Henk niet heeft bereikt, het gelijk is aan Henk. De rechter verwijst de zaak wederom terug naar de inspecteur, zo zijn we jaren procederen verder en geen stap vooruit.
Het Hof verwijst de zaak terug naar de inspecteur voor een inhoudelijke behandeling daarvan. Het hoger beroep van de inspecteur is ongegrond.
Wie moet wat bewijzen in fiscale zaken?
Wie stelt bewijst ... dat is de basis bij een fiscale procedure. Als een belastingplichtige stelt dat een bepaalde post aftrekbaar is, dan moet hij / zij dit ook bewijzen. Omgekeerd moet de Belastingdienst bewijzen dat bepaalde inkomsten niet kloppen. De Belastingdienst moet haar werk in openheid, grondig en zorgvuldig verrichten. De belastingplichtige kan met een lichtere vorm van bewijs toe, de belastingplichtige moet een aftrekpost meestal aannemelijk maken. Soms is een zwaarder bewijs in de wet verankerd, denk hierbij aan een sluitende kilometeradministratie bij een auto van de zaak. Als u geen aangifte doet en / of de Belastingdienst uw administratie of aangifte niet kan vertrouwen, dan kan de Belastingdienst de bewijslast omkeren. De belastingplichtige moet dan overtuigend aantonen dat uw inkomen of vermogen lager is.
In procedures bij de rechter bepaalt de belastingrechter wie wat moet bewijzen. De rechter moet hierbij de redelijkheid betrachten, dus wie kan het eenvoudigst het bewijs leveren en / of wie zou dit moeten doen omdat hij / zij er belang bij heeft?
Bron
Gerechtshof Arnhem / Leeuwarden (Hoger Beroep) d.d. 9 april 2013
Rechtspraak formeel belastingrecht
In dit onderdeel worden diverse uitspraken van de Rechtbank, het Gerechtshof of de Hoge Raad behandeld en voorzien van adviezen door fiscaal juristen of belastingadviseurs.
Fiscale geschillen
Ondernemingen en particulieren krijgen steeds vaker te maken met fiscale geschillen. In onze praktijk begeleiden wij steeds vaker ondernemingen bij bezwaar- en beroepsprocedures tegen de Belastingdienst / fiscale autoriteiten. Meestal gaat het hierbij om:
- interpretatieverschillen van complexe fiscale wetgeving;
- inkeerregelingen en procedures omtrent de inkeerregeling;
- procedures inzake auto's;
- betalingsregelingen;
- mediationzaken omtrent procedures en betalingsregelingen;
- tekortkomingen in de administratie- en boekenonderzoeken.
Jongbloed Fiscaal Juristen helpt u bij fiscale procedures
Wij staan vrijwel dagelijks ondernemers en particulieren bij inzake problemen en discussies met de Belastingdienst en / of fiscale autoriteiten zoals het Ministerie van Financiën of de FIOD. Wij kunnen u bijstaan in alle fasen van dit proces, derhalve bij een bezwaarprocedure, boekenonderzoek, FIOD-onderzoek of een fiscale procedure bij de Rechtbank of het Gerechtshof. Steeds vaker worden wij hierbij door intermediairs (zoals een bancaire instelling, advocaat of accountant) ingeschakeld.
Onze fiscaal juristen en fiscaal economen hebben een ruime ervaring met dit soort procedures.
Waarom Jongbloed Fiscaal Juristen?
Jongbloed Fiscaal Juristen N.V. is qua ervaring vergelijkbaar met de grotere kantoren in Nederland. Het onderscheidende vermogen is gelegen in het feit dat wij praktisch adviseren en procederen. Daarnaast zijn wij één met onze klant en maken wij vooraf een inschatting van de win- en verlieskansen en de kosten. U kunt hierdoor een redelijke inschatting maken van de mogelijkheden en de risico's.
Geschillen met de Belastingdienst & formeel belastingrecht
Feitelijk kennen we binnen het belastingrecht 2 soorten regels:
- De feitelijke regels (het materiële belastingrecht): deze bestaan uit de regels en wetten die bepalen hoeveel belasting u moet betalen of terugkrijgt. Hierbij kunt u denken aan inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, etc.
- De formele regels (het formele belastingrecht): deze regels gaan over het vaststellen van de belastingschuld en de betaling / inning.
Het formele belastingrecht
Het formele belastingrecht ziet met name op bezwaarzaken, beroepszaken (procedures) en het verminderen of voorkomen van sancties.
Het formele belastingrecht een vak
Er zijn enkele kantoren in Nederland die zich specifiek richten op het formele belastingrecht. Sinds 2012 richt ons kantoor zich specifiek op procedures welke betrekking hebben op het formele belastingrecht. Bij het formele belastingrecht moet u denken aan:
- bevoegdheden van de Belastingdienst bij een boekenonderzoek of FIOD-inval;
- fiscale bezwaarprocedures;
- fiscaal invorderingsrecht;
- beslagleggingen;
- betalingsregelingen;
- fiscale beroepsprocedures.
Binnen het formele belastingrecht spelen veelal de volgende vraagstukken:
- rechtszekerheid belastingplichtige voldoende in acht genomen;
- werkwijze Belastingdienst correct;
- wetgeving op de juiste wijze tot stand gekomen;
- regels algemene wet bestuursrecht en algemene wet inzake rijksbelastingen in acht genomen (motivering, termijnen, tijdigheid, uitoefening bevoegdheden, etc.).
Als u vragen opmerkingen heeft, belt u gerust met één van onze specialisten. Dit kan geheel vrijblijvend.
Beslag Belastingdienst
De Belastingdienst kan vrij eenvoudig beslag leggen op uw bankrekeningen, salaris bij uw werkgever of uw uitkering bij een uitkeringsinstantie of verzekeraar. Er kan ook beslag worden gelegd op partneralimentatie. Het beslag wordt gelegd om uw belastingaanslag / schuld, kosten en rente af te lossen. Een deel van uw salaris, alimentatie, pensioen of uitkering wordt hiervoor dan gebruikt. De Belastingdienst heeft voor de beslaglegging geen vonnis van de rechter nodig, ze mogen dit dus zelf beslissen.
Beslagvrije voet bij beslag Belastingdienst
De Belastingdienst mag niet op het gehele salaris of de uitkering beslag leggen. Het deel waarop geen beslag mag worden gelegd noemt men de beslagvrije voet. De hoogte van de beslagvrije voet moet per persoon worden berekend en dit is afhankelijk van:
- uw salaris / uitkering / alimentatie / lijfrente / pensioen;
- uw woonkosten / woonlasten;
- de premie voor uw zorgverzekering;
- het inkomen van uw partner of echtgenoot;
- de bijstandsnorm op dat moment.
Voorbeelden beslagvrije voet
De exacte bedragen verschillen per jaar, in het kort komt het ongeveer hierop neer:
- u heeft een partner en bent beide ouder dan 21 jaar: € 1.200;
- u heeft een partner en bent beide ouder dan 65 jaar: € 1.270;
- u heeft een partner en bent beide jonger dan 21 jaar: € 660;
- u bent een alleenstaande ouder, dan geldt er een minimum van € 840 en een maximum van € 1.080.
Wat kunt u doen om een beslaglegging te voorkomen?
De beslaglegging kan de Belastingdienst snel en eenvoudig regelen. U kunt een aantal dingen doen om een beslaglegging te voorkomen. De belangrijkste zijn:
- Blijf communiceren met de Belastingdienst.
- Maak bezwaar tegen de aanslag en vraag uitstel van betaling.
- Doe een beroep op een speciale crisismaatregel met het verzoek om een redelijke betalingsregeling gedurende een periode van 12 maanden.
- Bekijk of u nog tegoeden heeft bij de Belastingdienst, bijvoorbeeld een teruggave inkomstenbelasting of een teruggave van toeslagen.
- Verzoek de Belastingdienst om een mediationtraject om uw problemen op te lossen, u moet dan wel een complexer probleem hebben waarbij verschillende inzichten spelen en daarnaast ook fouten door de Belastingdienst zijn gemaakt.
- U krijgt eerst een aanslag (of naheffingsaanslag), een herinnering en daarna aanmaning. Vervolgens volgt er een dwangbevel. Na het dwangbevel komt de belastingdeurwaarder bij u langs met een hernieuwd bevel tot betaling. Dit moet hij aan iemand afgeven en als er niemand thuis is, mag hij het ook in de brievenbus gooien. U heeft dan nog 2 dagen om te betalen. Als er dan nog niet wordt betaald, mag de Belastingdienst beslag leggen op uw salaris, uitkering of uw bezittingen (verkoop veelal binnen 4 weken). Kijk goed of de Belastingdienst zich aan deze spelregels heeft gehouden, zo niet, maak dan direct bezwaar, ga in beroep of neem contact op met de Belastingdienst. U kunt op dit moment soms nog een betalingsregeling afspreken.
- In sommige gevallen heeft u recht op kwijtschelding van belastingen, dit is een speciale regeling.
Mediation en Belastingdienst
Mediation komt voor in de bezwaarfase maar soms ook in de beroepsfase. In dit artikel een overzicht.
Mediation en bezwaar
U kunt mediation onder andere toepassen:
- bij een geschil dat is ontstaan tijdens een controle;
- bij een geschil over een beroepschrift;
- in de bezwaarfase;
- bij klachten over de Belastingdienst;
- in situaties waarbij een geschil escaleert.
Checklist mediation met de Belastingdienst
Mediation is zinvol als de volgende vragen aan de orde zijn:
- Het geschil duurt al lang.
- Het geschil escaleert en overleg is niet meer mogelijk, de partijen zitten met de hakken in het zand.
- Ik heb geen behoefte aan een principiële uitspraak van de rechter.
- Ik wil een snelle oplossing voor het geschil.
- Ik zie best wel redelijke oplossingen die binnen de wet- en regelgeving passen.
- Ik heb het gevoel dat ik niet wordt begrepen.
- Mediation bespaart kosten en de kosten van een procedure wegen niet op tegen het belang.
- Ik kan niet meer praten met de inspecteur of medewerker van de Belastingdienst.
- Ik denk door de mediation ook andere geschillen te kunnen oplossen.
- Een goede relatie is van belang en via mediation kan ik hiervoor een basis leggen.
- Een bemiddelingspoging is nog niet ondernomen.
Mediation en beroep
De rechter kan ook besluiten om mediation toe te passen. De rechter komt er dan niet aan te pas, hij zal een bemiddelaar (mediator) aanwijzen. De uitkomst zal worden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Mediation gaat meestal sneller en soms krijgt u een beetje gelijk, dit kan ook voldoende zijn.
Formeel belastingrecht
Wat is formeel belastingrecht en wat is fiscaal procesrecht?
Het formele belastingrecht en het fiscale procesrecht zijn grote en tamelijk abstracte begrippen. Ze laten zich het best omschrijven door wat ze niet zijn. Het formele belastingrecht en het fiscale procesrecht gaan niet over de belasting zelf. Het gaat om de (algemene) regels eromheen. Deze kunnen substantiële voordelen opleveren.
Aan de ene kant gaan vragen zoals: zijn bepaalde kosten aftrekbaar van de (inkomsten)belasting, zijn bepaalde diensten vrijgesteld van (omzet)belasting en is op een dividenduitkering de deelnemingsvrijstelling van de vennootschapsbelasting van toepassing, over de belasting zelf.
Anderzijds zijn vragen zoals: is de aanslag in de (inkomsten)belasting tijdig opgelegd, is de boete terecht, vraagt de Belastingdienst terecht bepaalde informatie op, hoe ga ik in beroep en kan ik vertrouwen ontlenen aan de handelwijze van de Belastingdienst in andere jaren, vragen van formeel belastingrecht en fiscaal procesrecht.
Formeel belastingrecht
Formeel belastingrecht is kort gezegd alle regelgeving waaraan de Belastingdienst en de belastingplichtige zich moeten houden bij het heffen van belasting. De belangrijkste regels van het formele belastingrecht zijn vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Algemene Wet inzake rijksbelastingen (AWR). Dus in de kern: hoe wordt belasting geheven.
Steeds vaker krijgen wij op kantoor te maken met formeel belastingrecht, mediation, bezwaar- en beroepsprocedures, etc. Specialisten bij ons op kantoor zijn:
Vormfout door de Belastingdienst
Fouten maken is menselijk. Vanuit dat oogpunt is de Belastingdienst menselijk. Vooral bij massale processen (maar niet alleen daar!) laat de Belastingdienst nogal eens een steekje vallen. De lijst met schrijf- en tikfouten, overnamefouten, systeemfouten, instructiefouten, automatiseringsfouten, etc. is onuitputtelijk. Duidelijke fouten moeten kunnen worden rechtgezet. Daar staat tegenover dat de belastingplichtige moet kunnen vertrouwen op de Belastingdienst. Als er een aanslag komt, moet er zekerheid zijn dat het daarmee klaar is (rechtszekerheid). In dit artikel bespreken wij een procedure bij de rechtbank (augustus 2022) waarin een complexe discussie over een waardering eenvoudig door de rechter wordt opgelost, "de aanslag is te laat, dus kan in de prullenbak".
Herstel van fouten
Herstel van fouten gaat door middel van navordering (of naheffing). Hoofdregel is en blijft dat voor navordering een nieuw feit vereist is. Dat is een omstandigheid die de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag nog niet kende (of behoefde te kennen). Sinds 2010 kan - ook zonder dat nieuwe feit - worden nagevorderd als een aanslag door een fout een te laag bedrag is. Het maakt niet uit wie de fout maakt. Vereist is wel dat het de belastingplichtige kenbaar is dat de aanslag te laag is. Een aanslag die 30% of meer te laag is, wordt geacht kenbaar te laag te zijn. Voorheen kon meestal niet worden nagevorderd als aanslagen te laag waren door een door de Belastingdienst gekozen werkwijze of fouten in de automatisering. Recent heeft de Hoge Raad (zie onder) meer duidelijkheid gegeven wat nu een fout is.
Beoordelingsfout Belastingdienst is geen fout maar slordig
Eerst wat geen fout is. Beoordelingsfouten van de Inspecteur zijn geen fouten als hier bedoeld. Als de Inspecteur dus op basis van de juiste feiten tot een onjuiste conclusie komt of de wet niet goed toepast, kan hij niet navorderen. Zelfs niet als die fout voor de belastingplichtige kenbaar is. Dat is alleen anders als de belastingplichtige te kwader trouw is (dus bijvoorbeeld moedwillig onjuiste aangifte doet of zaken verzwijgt / verstopt).
Schrijf- en tikfout van de Belastingdienst kan soms worden hersteld
Het begrip 'fout' is bewust neutraal en ruim uitgelegd: “elke misslag die bij de Belastingdienst optreedt in verband met de aanslagregeling, zoals schrijf-, reken-, overname- en intoetsfouten, maar ook andere fouten zoals 'fouten ten gevolge van de geautomatiseerde verwerking van aangiften', indien het gevolg daarvan is dat de belastingschuld op een te laag bedrag is vastgesteld.” Dat is dus erg ruim. Een uitdaging om een misslag te bedenken die hier niet onder valt. De vraag komt op of de rechtszekerheid van de belastingplichtige niet teveel in het gedrang komt om de fouten bij de Belastingdienst te kunnen repareren. Het verschil tussen € 2.079 en € 2.970 is in elk geval voor de wetgever kenbaar. In een zaak waarin gedurende een boekenonderzoek toch een te lage aanslag werd opgelegd over het onderzochte jaar ondanks een ambtelijke instructie dat niet te doen, terwijl aan de belastingplichtige al kenbaar was gemaakt dat van de aangifte zou worden afgeweken, werd navordering toegestaan.
Aanslag te laat opgelegd is fout van de Belastingdienst
Als uitgangspunt voor het tijdig opleggen van aanslagen geldt het volgende:
- Een aanslag moet binnen 3 jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan worden opgelegd (artikel 11, lid 3, AWR);
- Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt deze termijn met de duur van dit uitstel verleend;
- Op grond van artikel 11, lid 4, AWR, wordt de belastingschuld geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop het tijdvak waarover de belasting wordt geheven eindigt.
In de casus bij de rechtbank is de belastingschuld ontstaan per 31 december 2015. De aanslag moet dan worden opgelegd vóór 31 december 2018, tenzij uitstel is verleend. De aanslag wordt in oktober 2019 opgelegd. Volgens de Inspecteur is er uitstel verleend (en dus is de aanslag - volgens hem - tijdig). De belastingplichtige stelt dat er geen uitstel is verleend.
- In het geval een belastingplichtige betwist dat door of namens hem om uitstel voor het indienen van de aangifte is verzocht, dient de Inspecteur ter voldoening aan de op hem rustende bewijslast meer bewijs in te brengen dan het enkele noemen van het beconnummer waarmee om het uitstel zou zijn verzocht.
- Van de Inspecteur mag dan worden verwacht dat hij (een kopie van) het uitstelverzoek en van de beslissing waarmee het uitstel is verleend in het geding brengt, dan wel op een andere wijze aannemelijk maakt dat door of namens de belastingplichtige om uitstel is verzocht en dat dit uitstel vervolgens is verleend.
- Indien dergelijke stukken binnen de Belastingdienst niet (meer) beschikbaar zijn en de Inspecteur ook niet op een andere wijze bewijs kan leveren, behoren de gevolgen daarvan voor rekening van de Inspecteur te komen.
Conclusie inzake vormfouten Belastingdienst
De mogelijkheid voor de Belastingdienst om na te vorderen is uitgebreid ten koste van de rechtszekerheid. Niettemin blijft het specialistenwerk en afhankelijk van de feiten van uw zaak. Neem dus bij een navorderingsaanslag altijd contact op. Dat geldt zeker als daarbij ook een boete is opgelegd. Als een aanslag te laat is opgelegd, kan een aanslag ook in de prullenbak verdwijnen. Het fiscale recht kan dus zowel materieel als formeel worden ingevuld. Verweer voeren op formele gronden loont vrijwel altijd. Denk hierbij ook aan andere formele verweren zoals discriminatie, willekeur, etc.
Laat u tijdens een bezwaar- of beroepsprocedure dus altijd bijstaan door een deskundige. Wilt u een second opinion of een vrijblijvend gesprek met een specialist? Neem gerust contact met ons op.
Bron fouten door de Belastingdienst
Hoge
Raad d.d. 27 juni 2014, 13/02845, ECLI:NL:HR:2014:1527.
Hoge
Raad d.d. 27 juni 2014, 14/00350, ECLI:NL:HR:2014:1528.
Hoge
Raad d.d. 27 juni 2014, 13/02194, ECLI:NL:HR:2014:1529.
Rechtbank Zeeland - West Brabant d.d. 24 augustus 2022 ECLI:NL:RBZWB:2022:4622
