Bezuinigen belastingdienst kost geld
Kans op boekenonderzoek eens per 300 jaar
En dit uit onze mond....wij maken ons oprecht zorgen over de motivatie, kennis en bezuinigingen bij de belastingdienst. Als je elke dag je best doet en ervoor wilt zorgen dat iedereen een eerlijk deel van zijn belasting gaat betalen is het erg demotiverend dat er alleen maar wordt bezuinigd terwijl de nieuwe taken toenemen en de achterstanden oplopen. Dat je dan een keer de overstap naar de adviespraktijk of het bedrijfsleven maakt lijkt logisch. Jasper de Graaf (10 jaar belastingdienst en voorzitter kennisgroep invordering) deed in oktober 2026 zijn verhaal in Buitenhof. Zie deze korte weergave op youtube, da's best schrikken, zijn conclusies
Schrijnende conclusies (inkijk in de fiscale keuken bij de belastingdienst)
- Invordering is tijdens corona stilgelegd, hierdoor explosie in werkaanbod;
- Huidige invordering is alleen bezig met kwijtscheldingsverzoeken, echte invordering is geen tijd voor;
- Tekort aan mensen (alleen) op afdeling invordering ongeveer 1.000 mensen;
- De huidige coronaschulden is ongeveer € 5 miljard, hiervan komt 60% niet meer binnen.
- De schulden berg bij invordering (waar je iets mee moet, zoals incasso trajecten en betalingsregelingen) is ongeveer € 25 miljard, hiervoor zijn eigenlijk geen mensen beschikbaar;
- Wat kost het als je tijdig gaat invorderen? Dat is niet bekend, aldus de minister van financiën
- Boekenonderzoeken bij het MKB nu ongeveer 8.000 per jaar (dit was 10 jaar geleden 28.000), dus 75% minder, dit met een nalevingstekort van 5 miljard.
- Onderzoek bij 450 grote bedrijven heeft € 1 miljard opgeleverd
- Regelgeving complexer, minder mensen, dus minder boekenonderzoeken.
- Er zijn 2.400.000 ondernemingen en 8.000 onderzoeken dus eens in de 300 jaar kans op onderzoek.
- Elk jaar komt er 5 - 6 miljard niet op tijd binnen.
- Bezuinigen belastingdienst is nu ruim 250 miljoen, dit gaat 440 miljoen worden (dus duizenden mensen minder)
Bezuinigingen bij de belastingdienst
Vanaf 2035 krijgt de belastingdienst structureel ongeveer 450 miljoen minder, naast de aangekondigde 277 miljoen komt hier nog 162 miljoen bij (bericht FNV). De Belastingdienst heeft nu al een tekort aan mensen en de afdeling invordering en boekenonderzoeken loopt al te ver achter. Nog meer bezuinigen gaat zeker geld kosten, in dit artikel beschrijven wij enige feiten die aangeven dat dit niet goed gaat.
Het kabinet denkt dat de bezuinigingen wel kunnen omdat door een eenvoudiger belastingstelsel (dat er nog niet is) en kunstmatige intelligentie (dat nog niet werkt) iedereen sneller en beter kan werken. Ook lijkt het verstandig dat burgers en bedrijven niet meer met een persoon praten maar met een chatbot. Het toverwoord AI lijkt bij de overheid nu ook ontdekt. Zorg dat de belastingdienst voldoende mensen heeft om belasting te innen, fraude aan te pakken en schulden vlotter te laten binnenkomen.
Wat speelt er bij de belastingdienst ?
Er staat op dit moment ongeveer 25 miljard aan vorderingen open waarvoor uitstel is verleend en/of invorderingstrajecten lopen (zie belastingdienst in cijfers) . Daarnaast is er nog een zogenaamde nalevingstekort van ruim 5 miljard per jaar (kamerbrief september 2026).
Omdat er te weinig mensen zijn is het aantal boekenonderzoeken de laatste jaren met 70% gedaald en is de kans dat een bedrijf wordt onderzocht erg klein (eens in de 300 jaar)
Versoepelingen coronabelastingschulden
Vanwege de coronacrisis kon u als ondernemer tot uiterlijk 1 april 2022 uitstel van betaling aanvragen voor belastingschulden waarvan de uiterste betaaldatum vóór die periode lag. Aanvankelijk was dit tot uiterlijk 30 september 2021, vervolgens tot uiterlijk 31 januari 2022 en uiteindelijk dus tot 1 april 2022. Ondernemers die al uitstel van betaling hadden tot 1 oktober 2021, kregen voor nieuwe schulden vanaf 1 oktober automatisch uitstel tot en met 31 maart 2022. Het kabinet komt nu met diverse versoepelmogelijkheden omtrent de coronabelastingschulden.
Flexibeler invorderingsbeleid per 1 juli 2025
Het kabinet wil per 1 juli 2025 het invorderingsbeleid aanpassen om zo een ruimere betalingsregeling mogelijk te maken bij saneringsakkoorden. Levensvatbare ondernemingen krijgen hierdoor meer kans (lees hier de kamervragen). Soms kan een ondernemer niet binnen de huidige regeling zijn of haar coronaschulden aflossen, een saneringsakkoord is dan een betere route. De ondernemer moet aannemelijk maken dat betaling binnen 12 maanden niet tot de mogelijkheden behoort.
Verzoek om kwijtschelding of betalingsregeling is geen bezwaarschrift
De Rechtbank Zeeland West Brabant heeft op 12 oktober 2023 (ECLI:NL:RBZWB:2023:7164) uitgesproken dat een verzoek om kwijtschelding of een betalingsregeling niet kan worden aangemerkt als een bezwaarschrift. Ook in beroep bij het Gerechtshof 's Hertogenbosch op 6 november 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:3486) kwam dezelfde conclusie op tafel. De Hoge Raad was er nog sneller klaar mee op 4 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:521) en verklaarde de zaak niet ontvankelijk omdat het griffierecht niet tijdig is voldaan. De bezwaarschriften tegen diverse (gemeentelijke) aanslagen waren te laat (en geen verschoonbare termijnoverschreiding). De verzoeken om kwijtschelding en uitstel van betaling kwalificeren ook niet als bezwaarschrift, deze gaan immers niet over de grondslagen van de aanslagen.
Uitbreiding saneringsregeling belastingdienst tot 1 april 2024
In deze onzekere tijden biedt de Belastingdienst een helpende hand aan ondernemers die worstelen met belastingschulden en andere financiële verplichtingen. Een belangrijke versoepeling van de voorwaarden voor het sluiten van een saneringsakkoord is verlengd tot 1 april 2024. Dit artikel licht toe wat deze versoepeling inhoudt en hoe u als ondernemer hier gebruik van kunt maken.
- Wat is een saneringsakkoord?Een saneringsakkoord stelt ondernemers in staat om met hun schuldeisers overeen te komen dat slechts een deel van de schulden betaald hoeft te worden. Dit biedt een uitweg voor ondernemers die hun belastingschuld en andere schulden niet kunnen voldoen.
- Versoepeling voorwaarden tot 1 April 2024: - Normaal gesproken vereist de Belastingdienst een dubbel uitkeringspercentage van wat andere schuldeisers ontvangen. Echter, tot 1 april 2024 is een gelijk uitkeringspercentage voldoende. Deze versoepeling vergroot de kans dat ook andere schuldeisers akkoord gaan met het saneringsvoorstel.
- Hoe dien je een verzoek om schuldsanering in? Voor ZZP'ers en eenmanszaken: Neem contact op met uw gemeente voor het opstarten van een minnelijk schuldsaneringstraject. Voor rechtspersonen: Regel zelf een saneringsakkoord met uw schuldeisers en dien een verzoek tot kwijtschelding van belasting in bij de Belastingdienst.
- Wat als niet alle sSchuldeisers akkoord gaan? - Mocht niet iedere schuldeiser instemmen met uw betalingsvoorstel, dan biedt de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA) een mogelijkheid om alsnog een schuldregeling te treffen.
- Actie vereist vóór 1 April 2024: Zorg ervoor dat uw verzoek om deelname aan een saneringsakkoord vóór deze datum is ingediend. U heeft daarna nog 90 dagen de tijd om uw verzoek volledig in te vullen.
- Conclusie: De Belastingdienst erkent de voortdurende impact van de coronacrisis op ondernemers en biedt daarom deze versoepeling aan. Het is een cruciale kans voor ondernemers om hun financiële situatie te stabiliseren en een weg naar herstel in te slaan. Maak gebruik van deze mogelijkheid en neem de nodige stappen om uw schuldenlast te verlichten.
- Nuttige links: Ik kan mijn schulden niet betalen? Hoe werkt een minnelijke regeling? Kwijtschelding belastingen voor ondernemers Hoe werkt de WHOA?
Belastingsoorten onder uitstel
Het uitstel van betaling geldt voor alle hiernavolgende belastingen:
- Accijnzen
- Assurantiebelasting
- BPM vanaf het tijdvak mei 2020
- Inkomensafhankelijke bijdrage Zvw
- Inkomstenbelasting / premies volksverzekeringen
- Loonheffingen
- Milieubelastingen
- Kansspelbelasting
- Omzetbelasting
- Vennootschapsbelasting en
- Verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken
Voor de loonheffing en omzetbelasting valt dus ook de aangifte februari 2022 in het uitstel, maar niet de aangifte maart 2022 of het eerste kwartaal 2022.
De voorlopige aanslagen IB en VPB 2022 vallen ook onder het bijzonder uitstel van betaling, dus ook de termijnen over april tot en met december 2022 hoeft u in eerste instantie nog niet te voldoen. Deze gaan mee in de afbetalingsregeling die start op 1 oktober 2022 (zie hierna). Dit geldt echter alleen indien de eerste termijn vóór 1 april 2022 verviel. Lag de uiterste betaaltermijn van de eerste termijn op of na 1 april 2022, dan valt de voorlopige aanslag buiten het bijzonder uitstel van betaling.
Basisregels aflossing coronabelasting
De startdatum voor het terugbetalen van coronabelastingschulden is 1 oktober 2022. U krijgt van de Belastingdienst een betalingsregeling aangeboden van 60 maanden waarmee u dan iedere maand tot 1 oktober 2027 een vast bedrag terugbetaalt. De uiterste betaaldatum van de eerste betalingstermijn ligt op 31 oktober 2022. Elke volgende termijn vervalt telkens een maand later.
Gedurende de betalingsregeling die loopt per 1 oktober 2022 moet u tijdig de juiste aangiften indienen en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen tijdig en volledig nakomen. Doet u dat niet, dan kan de ontvanger de betalingsregeling die loopt vanaf 1 oktober 2022 nog weigeren of beëindigen. De ontvanger moet u wel eerst de gelegenheid bieden om binnen veertien dagen alsnog aan uw verplichtingen te voldoen, voordat de ontvanger over kan gaan tot weigering of beëindiging van de regeling.
Versoepeling coronabelastingschulden algemeen
Onder meer naar aanleiding van gesprekken met ondernemersorganisaties heeft het kabinet besloten de betalingsregeling flexibeler in te steken. Op die manier wil het kabinet tegemoetkomen aan problemen die in de kern gezonde ondernemingen ervaren bij het aflossen van de belastingschuld.
U krijgt als ondernemer onder voorwaarden de mogelijkheid om:
- de maandbedragen per kwartaal te voldoen;
- een incidentele betaalpauze (één keer gedurende maximaal drie maanden) in te lassen; en
- de aflossingstermijn van de coronabelastingschulden te verlengen van 5 naar 7 jaar.
U krijgt vóór 1 oktober 2022 van de Belastingdienst een brief met een overzicht van de totale belastingschuld, de voorwaarden van de betalingsregeling en het maandbedrag van de betalingsregeling.
Kwartaalaflossing inzake betalingsregeling
U kunt schriftelijk verzoeken om betaling per kwartaal, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden.
- Er is vanaf 1 april 2022 steeds voldaan aan nieuwe betalingsverplichtingen voor belastingen waarvoor aangifte gedaan moest worden en dit blijft ook zo.
- U motiveert in een brief waarom betaling per kwartaal u een uitkomst biedt.
De betaling per kwartaal kan bijvoorbeeld helpen als u een bedrijf heeft met een sterkt wisselende omzet door seizoensinvloeden.
Betaalpauze betalingsregeling Belastingdienst
U kunt een betaalpauze van zes maanden aanvragen als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden.
- Er is vanaf 1 april 2022 steeds voldaan aan nieuwe betalingsverplichtingen voor belastingen waarvoor aangifte gedaan moest worden en dit blijft ook zo.
- In een brief geeft u gemotiveerd aan waarom u een betaalpauze nodig acht en u maakt aannemelijk, dat de betalingsproblemen van tijdelijke aard zijn.
Let op! Bij het toekennen van een betaalpauze wordt de uiteindelijke duur van de betalingsregeling niet verlengd. De resterende termijnen worden dus hoger.
Verlenging aflossingstermijn betalingsregeling Belastingdienst
Onder voorwaarden wordt het ook mogelijk om de aflossingstermijn van de coronabelastingschuld van 5 jaar te verlengen naar 7 jaar. Het gaat hierbij om in de kern gezonde ondernemingen, met een schuld van minimaal € 10.000. De volgende drie groepen komen niet in aanmerking voor de verlenging:
- Bedrijven die gebruik hebben gemaakt van het belastinguitstel, maar er financieel niet slecht voor staan;
- Bedrijven die een hoge (corona-)belastingschuld hebben opgebouwd, maar de jaren voorafgaand aan corona niet of nauwelijks winst hebben gemaakt.
- Bedrijven met een openstaande (corona-)belastingschuld lager dan € 20.000.
Voor de verlenging dient een verzoek worden ingediend bij de Belastingdienst. Hieruit moet blijken dat de schuld niet binnen 5 jaar kan worden afgelost, doch wel binnen 7 jaar. De voorwaarden die gelden voor een verlenging luiden als volgt:
- Er is vanaf 1 april 2022 steeds voldaan aan nieuwe betalingsverplichtingen voor belastingen waarvoor aangifte gedaan moest worden en dit blijft ook zo;
- Er is geen sprake van een pre-coronaschuld (een schuld die al vóór 12 maart betaald had moeten worden), dan wel er was vóór 12 maart 2020 al (bijzonder) uitstel van betaling;
- Er wordt per brief gemotiveerd aangegeven waarom de betalingstermijn verlengd dient te worden. Aannemelijk gemaakt dient te worden dat de belastingschuld binnen 7 jaar kan worden afgelost;
- Er wordt een liquiditeitsprognose meegestuurd voor de komende twee jaar.
Bekend is dat bij een schuld vanaf € 50.000 meer onderbouwing wordt gevraagd dan bij een schuld tussen de € 10.000 en € 50.000. Er dient dan namelijk een deskundigenverklaring te worden meegestuurd aangaande de levensvatbaarheid van de onderneming.
Noot van de adviseur inzake betalingsregeling
Het kabinet wil geen verdere verruiming van de fiscale coronamaatregelen, zoals het opnieuw tijdelijk uitstellen van belastingbetaling. Per 1 augustus 2022 neemt de Belastingdienst echter wel een soepelere houding aan in saneringsakkoorden ten aanzien van het uit te keren bedrag. De Belastingdienst neemt vanaf die datum tot 1 oktober 2023 genoegen met een gelijk percentage van de opbrengst uit een saneringsakkoord als aan concurrente schuldeisers wordt uitgekeerd (100% in plaats van 200% dus). Met dien verstande is het raadzaam om dit jaar te gebruiken om tot eventuele saneringsakkoorden te komen.
Bieden de in dit artikel omschreven versoepelingen aangaande coronabelastingschulden
mogelijk een uitkomst voor u, of wenst u meer informatie te ontvangen?
Neem dan gerust eens vrijblijvend contact op met onderstaande adviseurs.
TVL-regeling en btw-aangifte
Oordeel Belastingdienst over btw-aangifte leidend bij beoordeling TVL-aanvraag
Voor de toepassing van de TVL is de aangifte omzetbelasting (in beginsel) leidend. Dit levert uitvoeringsproblemen op, omdat de mate van omzetverlies niet in alle gevallen uit de aangifte omzetbelasting kan worden afgeleid, bijvoorbeeld bij handelaren in margegoederen. Voor de margegoederen is een tegemoetkoming gemaakt in overleg met de BOVAG. In die gevallen mag de mate van omzetverlies ook anderszins worden aangetoond. Ook gevallen waarin niet (alle) omzet is onderworpen aan de omzetbelasting leveren complicaties op in de toekenning van de TVL.
Daar waar de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) zich steeds vasthoudt aan de ingediende aangiften omzetbelasting, laat zij dat in een recente procedure juist los omdat zij de juistheid van de ingediende aangiftes ter discussie stelt.
Procedure inzake omzet en TVL-regeling
RVO wees subsidieaanvragen voor TVL Q2 en Q3 2021 af, omdat volgens haar niet was voldaan aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van ten minste 30% omzetverlies. De bv heeft voor beide aanvragen Q3 2020 gekozen als referentieperiode. Bij de TVL-aanvragen heeft zij voor die periode een omzet van (afgerond) € 437.000 opgegeven. RVO acht niet aannemelijk dat de bv deze omzet in de referentieperiode ook daadwerkelijk heeft gerealiseerd.
De bv heeft veel stukken overgelegd om de opgegeven omzet mee te onderbouwen: verkoopfacturen, de gedeponeerde jaarrekening, de balans van Q3 2020 en kopieën van de ingediende aangiftes omzetbelasting. RVO heeft de bv gevraagd naar bankafschriften waaruit blijkt dat de verkoopfacturen ook zijn betaald. De bv heeft deze bankafschriften niet overlegd. De bv stelt dat de facturen contant zijn betaald. RVO is van mening dat de contante betalingen door de bv niet zijn aangetoond (met kasstortingen of ander bewijs).
RVO concludeert om die reden dat de omzet in de referentieperiode Q3 2020 niet is komen vast te staan. Om die reden kan het omzetverlies niet worden bepaald.
Uit artikel 2.3.3, vijfde lid (voor Q2 2021), en artikel 2.4.3, vijfde lid (voor Q3 2021), van de TVL volgt dat ondernemingen die aangifte omzetbelasting doen, hun omzet moeten aantonen met die aangifte, die is gedaan overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968. De regelgever heeft daarvoor gekozen in verband met de uitvoerbaarheid van de TVL en de beperking van de administratieve lasten.
Het is primair de taak van de Belastingdienst om te controleren of de aangifte omzetbelasting overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968 is gedaan. Dit heeft tot gevolg dat, zolang de Belastingdienst niet tot correctie overgaat, RVO uit zal moeten gaan van die aangifte omzetbelasting.
Het College begrijpt wel dat in sommige gevallen bij RVO twijfels kunnen ontstaan over de juistheid van een ingediende aangifte omzetbelasting, maar RVO dient zich in die gevallen te beperken tot het doen van navraag bij de Belastingdienst.
Ook als de Belastingdienst een onderzoek is gestart, betekent dat nog niet dat vaststaat dat de aangifte omzetbelasting onjuist is. Ook dit is dus onvoldoende reden om aanvragen TVL af te wijzen. Pas als de Belastingdienst concludeert dat de aangifte onjuist is en overgaat tot een aanpassing van die aangifte, kan RVO besluiten de subsidieverlening daarop aan te passen.
Noot fiscaal jurist inzake TVL
Wij begeleiden vele ondernemers in NOW- en TVL-procedures. Dat de RVO het niet direct aannemelijk vindt dat de bv de omzet die zij over Q3 van 2022 heeft opgegeven ook heeft gerealiseerd is niet relevant. Op grond hiervan een aanvraag afwijzen kan dus niet zomaar. RVO had met de Belastingdienst moeten bellen om de omzet te controleren. Dat de Belastingdienst een eigen onderzoek is gestart bij de ondernemer, wil nog niet zeggen dat de aangifte omzetbelasting niet juist zou zijn. RVO moet dus gewoon de subsidie verlenen. Als u in bezwaar of beroep gaat tegen een TVL-besluit, is het verstandig een specialist in te schakelen. Neem daartoe gerust vrijblijvend contact met onderstaande contactpersonen.
Bronnen TVL-regeling en omzet
College van Beroep voor het Bedrijfsleven 2 augustus 2022, ECLI:NL:CBB:2022:491
College van Beroep voor het Bedrijfsleven 11 januari 2022, ECLI:NL:CBB:2022:5
Onzorgvuldig besluit inzake NOW
Accountantsverklaring, NOW en onderzoeksplicht UWV
De achterliggende maanden hebben diverse rechters bij procedures inzake de TVL en de NOW al herhaaldelijk geoordeeld dat meer maatwerk moet worden geleverd door RVO respectievelijk UWV. Dat is ook passend, gelet op de bedoeling van beide regelingen; een tegemoetkoming van bedrijven die (financieel) getroffen zijn door de COVID-19-pandemie.
Zowel RVO als UWV laten bij de toekenning van de subsidie (en in veel gevallen ook nog bij de behandeling van het bezwaar) de tekst van de subsidieregeling prevaleren, zonder maatwerk te leveren. Rechtbank Zeeland - West Brabant heeft het UWV recent weer op de vingers getikt in de volgende zaak.
NOW-regeling en bonus in referentiemaand
Een bedrijf heeft op 14 april 2020 een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming op grond van de NOW-1. Bij besluit van 15 april 2020 heeft het bedrijf een tegemoetkoming van € 115.136 ontvangen, waarvan € 92.109 als voorschot is uitbetaald. Het bedrag is een tegemoetkoming in de loonkosten op basis van het te verwachten omzetverlies in de periode van 1 april 2020 tot en met 30 juni 2020.
Op 5 februari 2021 heeft het bedrijf verzocht om een definitieve berekening van de tegemoetkoming. Op 4 maart 2021 is de definitieve toekenning door het UWV vastgesteld op een bedrag van € 15.606. Aan het bedrijf is door het UWV medegedeeld dat zij een bedrag van € 76.503 moet terugbetalen.
Het bezwaar tekent tegen de beslissing bezwaar aan, maar dat bezwaar wordt door het UWV ongegrond verklaard. Bij de Rechtbank voert het bedrijf aan dat het UWV is uitgegaan van een te hoge loonsom over januari 2020 (referentiemaand). Een gedeelte van de loonsom in deze maand betreft de eindafrekening van variabele beloningen (projectbonussen) over het jaar 2019 en had niet bij de NOW-berekening moeten worden betrokken
Het bedrijf is van mening dat zij met de verklaring van BDO Accountants van 26 juli 2021 objectief verifieerbare gegevens heeft aangeleverd die aantonen dat de referentiemaand januari 2020 niet representatief is geweest, omdat sprake was van uitbetalen van projectbonussen. De mogelijkheid tot aanpassing van de loonsom is expliciet benoemd in de brief van de minister aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 22 maart 2021. Er had dus rekening moeten worden gehouden met de variabele beloningen.
Refentiemaand NOW-regeling
De Rechtbank kan het standpunt van het UWV volgen dat de in januari 2020 uitgekeerde bonussen niet zijn aan te merken als Extra Periode Salaris (EPS) als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder d, van de NOW. De bonussen kunnen dus niet op grond van deze bepaling buiten de loonsom van januari 2020 worden gelaten.
In artikel 7, eerste lid, onder d, van de NOW-1 staat dat de loonsom wordt verminderd met een extra periode salaris (EPS) dat naast het reguliere loon en vakantiebijslag wordt uitbetaald in het tijdvak. Onder EPS wordt verstaan extra loon dat naast het reguliere loon en vakantiebijslag wordt uitbetaald naar aanleiding van afspraken in de individuele of collectieve arbeidsovereenkomst, en dat niet afhankelijk is van bedrijfsresultaten of kwalitatieve of kwantitatieve prestaties van de werknemer.
De loonsom in de referentiemaand kan wel worden aangepast op basis van begunstigend beleid. Op basis van de Kamerbrief van 3 december 2020 (Kamerstukken II, nr. 2020-2021, 35420, nr. 199) en de beantwoording van Kamervragen op 28 mei 2021 (Kamerstukken II, nr. 2020-2021, 2950, p. 3) is het beleid aangepast.
De minister kan de loonsommen corrigeren indien de werkgever zijn standpunt kan onderbouwen. Het is dan aan de werkgever om met objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen dat sprake is van een incidentele betaling in de referentiemaand. De rechtbank stelt vast dat het UWV in elk geval in de bezwaarfase ruimte heeft om maatwerk te leveren.
Noot fiscaal jurist inzake NOW en referentiemaand
In dit geval heeft het bedrijf in bezwaar aangevoerd dat de bonussen die in januari 2020 zijn uitgekeerd een eindafrekening betreffen van bonussen uit 2019. Zij heeft haar stelling in bezwaar cijfermatig onderbouwd en ter zitting nader toegelicht. Verder heeft eiseres aangegeven dat een consultant al voor de coronamaatregelen zelf ontslag had genomen per 1 februari 2020 omdat hij een andere baan had en dat per 1 februari 2020 twee personeelsleden minder uren zijn gaan werken.
In het bestreden besluit heeft het UWV niet onderzocht wat de invloed van de in januari 2020 uitgekeerde bonussen, die zijn toe te rekenen aan het jaar 2019, is geweest op de loonsom in januari 2020, terwijl het bedrijf daartoe in de bezwaarfase wel objectieve en verifieerbare gegevens heeft ingediend.
Het had op de weg van het UWV gelegen daar nader onderzoek naar te doen en indien nodig nadere stukken op te vragen. Het UWV heeft verder ook niet onderzocht wat het effect is geweest van het beëindigen van het dienstverband van een consultant per 1 februari 2020 en het minder uren gaan werken van twee personeelsleden per 1 februari 2020 voor de toepassing van de NOW-1.
Naar het oordeel van de Rechtbank betekent dit dat het onderzoek in bewaar onzorgvuldig is geweest, omdat het UWV niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken bij de beoordeling. Het bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd. De Rechtbank concludeert dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Het beroep is gegrond.
De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat een nieuwe berekening van de tegemoetkoming zal moeten worden gemaakt. Daarvoor zal het UWV een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.
Net als eerdere uitspraken komt er via rechtspraak steeds meer nadruk te liggen op de noodzaak van maatwerk. Als bij de vaststelling van de subsidie zaken nog redelijk geautomatiseerd worden vastgesteld, dan moet in bezwaar worden geoordeeld of maatwerk geboden is. Rechtbank Limburg had al eerder in vergelijkbare zin geoordeeld.
Bronnen begunstigend beleid NOW regeling
Rechtbank Zeeland - West-Brabant 28 april 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2443
Procedure TVL inzake SBI-code
In het begin van de TVL-regeling was er veel discussie over de SBI-code welke is opgenomen bij de Kamer van Koophandel en de SBI-code welke past bij de feitelijke werkzaamheden. In 2020 was hierover veel discussie en in 2021 is dit opgenomen in de regelgeving. In een uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven is er nu eindelijk gehoor gegeven aan de oproep van de ondernemers. RVO moet ook voor 2020 rekening houden met de feitelijke activiteiten van het bedrijf.
Eindelijk een rechter die via de route van algemene beginselen en de redelijkheid het lef heeft om een rechtens juiste uitspraak te doen. Algemeen verbindende voorschriften die geen wet in formele zin zijn kunnen door de rechter worden getoetst op rechtmatigheid. De rechter kan ook kijken naar de (deugdelijke) grondslag van de regelgeving.
Iedereen begrijpt dat, als een regeling in 2021 wordt aangepast omdat deze onredelijk is, in dergelijke situaties ook gekeken moet worden naar de regeling in 2020, deze was dan immers onredelijk.
TVL 2020 en SBI-code
Een onderneming heeft subsidie aangevraagd in Q4 van 2020. De aanvraag wordt (zoals velen) afgewezen, omdat de SBI-code waarmee de onderneming stond ingeschreven (per maart 2020) niet is opgenomen in de bijlage bij de TVL-regeling. In bezwaar wordt verzocht om aan te sluiten bij de feitelijke werkzaamheden van de onderneming. Het bezwaar wordt afgewezen. De ondernemer stapt naar de rechter die hem wel gelijk geeft.
Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven is van mening dat geen sprake is van een snelle noodmaatregel waarbij er problemen kunnen ontstaan in de toelichting of formaliteiten. In het begin van de coronamaatregelen was de uitvoerbaarheid en het vlot kunnen uitbetalen van de subsidie van essentieel belang. Dat hierbij ruwe regelgeving en geen maatwerk is geleverd was in het begin te begrijpen, maar na verloop van tijd niet meer. Ondernemers konden niet voorzien dat een simpele fout in de SBI-code grote gevolgen zou kunnen hebben. Het gevolg van het niet ontvangen van de subsidie kan grote gevolgen hebben voor de ondernemer. Dit staat in geen verhouding tot het uitvoeringsbelang bij de wetgever (of RVO).
Voor de TVL vanaf 2021 is dit probleem opgelost (hardheidsclausule), maar voor aanvragen over 2020 is het probleem blijven bestaan. De rechter is van mening om de bepaling (artikel 2.1.1 tweede lid onderdeel d TVL Q4 2020) inzake de SBI-code buiten toepassing te laten. De regeling wordt dus niet onverbindend verklaard, maar de bepaling wordt wel buitenspel gezet.
Bron TVL 2020 en SBI-code
College van Beroep voor het Bedrijfsleven ECLI:NL:CBB:2022:116
Geen NOW-steun familie directeur
Geen NOW voor familieleden
In het kader van de COVID-19-pandemie zijn een aantal financiële tegemoetkomingen geïntroduceerd voor getroffen ondernemingen. De regelingen zijn snel gemaakt en laten in feite geen echte afwijkingen toe op de tekst van de regeling, ook al leidt dat af en toe tot vreemde situaties. De NOW is een tegemoetkoming in de loonkosten van het personeel. De omvang van de tegemoetkoming is onder meer afhankelijk van de mate van omzetverlies en het loon voor de sociale verzekeringen.
Er komen steeds meer procedures over de NOW- en TVL-regeling. Wij zijn bij diverse procedures betrokken, dus bij vragen of opmerkingen kunt u gerust contact opnemen met één van onze specialisten.
Procedure NOW-subsidie werknemer zonder sociale verzekering
In een procedure bij de centrale Raad van Beroep werd de NOW-subsidie onthouden aan een werknemer die wel salaris ontving, maar niet sociaal verzekerd was. Wat was er aan de hand? De directeur van een advocatenkantoor vraag NOW aan als tegemoetkoming in de loonkosten van zijn dochter die al ruim 10 jaar voor hem werkzaam is. Tot tweemaal toe wordt het verzoek op de NOW door de rechter in deze zaak afgewezen. De dochter van de directeur kwalificeert niet als werknemer voor de sociale verzekeringen: over haar salaris wordt door het advocatenkantoor weliswaar loonbelasting afgedragen, maar geen sociale verzekeringspremies. Omdat de toekenning van de NOW niet is gekoppeld aan het werknemersbegrip voor de loonbelasting maar voor de sociale verzekeringen, kan het advocatenkantoor dus geen tegemoetkoming krijgen in de loonkosten op basis van de NOW.
Noot fiscaal jurist inzake sociale verzekering en NOW
De rafeltjes in de regelgeving van de diverse financiële tegemoetkomingen zien wij regelmatig. De regelgever heeft er bewust voor gekozen geen hardheidsclausulebeleid toe te passen. De afwezigheid van dit hardheidsclausulebeleid leidt soms tot bijzondere uitkomsten, zoals ook hier. De dochter van de advocaat is niet aan te merken als (echte) werknemer. Over haar loon wordt wel loonbelasting voldaan, maar geen premies werknemersverzekeringen (fictieve dienstbetrekking). De NOW heeft nimmer een bepaalde groep werknemers willen uitsluiten, maar omdat er voor de NOW wordt aangesloten bij het loonbegrip (werknemerbegrip) van artikel 1, onderdeel o en p, van de Wet financiering sociale verzekeringen, gaat het hier mis. Het gaat dus enkel om werknemers in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Tja, en daar valt de dochter van de advocaat dus niet onder.
Wij procederen momenteel frequent over de afwijzingen die ondernemers ontvangen op de financiële steunmaatregelen samenhangend met de COVID-19-pandemie. Vooral in beroep wordt de handelwijze van de diverse uitvoeringsinstanties nogal eens gecorrigeerd, zowel voor de NOW als de TVL. Dat is ook maar goed; soms is het beter om wat meer naar de bedoeling van de financiële maatregelen te kijken (ondersteuning ondernemers die onevenredig geraakt zijn als gevolg van de COVID-19-maatregelen) dan strikt de letter van de regeling toe te passen.
Bronnen sociale verzekeringen en NOW
Centrale Raad van Beroep d.d. 13 januari 2022 ECLI:NL:CRVB:2022:131
Omzetverlies TVL op basis van aangifte omzetbelasting
Het omzetverlies voor de TVL wordt door RVO berekend. Het uitgangspunt hierbij is in principe de door de ondernemer of bv ingediende aangiften omzetbelasting bij de Belastingdienst.
Afwijzing TVL door minder omzetverlies
De TVL-aanvraag van een bv wordt afgewezen omdat er niet is voldaan aan een omzetverlies van 30% tijdens de subsidieperiode. De bv stapt met zijn advies naar de rechter. Door een doorbelasting van een gelieerde (zuster-)bv is de omzet in het 3e kwartaal van 2020 hoger. Dit resultaat komt niet in winst tot uitdrukking. De kosten zijn verwerkt in een vordering op de gelieerde bv. Er is geen sprake van een prestatie richting de zuster-bv en er wordt geen rekening gehouden met een winstopslag (noot: dit moet fiscaal wel). De vraag is nu: moet deze omzet worden meegenomen? Volgens de TVL-regeling moet worden gekeken naar de netto omzet (2:377 lid 6 BW). De TVL gaat in principe uit van de ingediende aangifte omzetbelasting en kent wel enkele uitzonderingen. In dergelijke gevallen moet de bv deze correctie aantonen. Wat zegt de rechter?
- De wetgever heeft er voor de bepaling van het omzetverlies bewust voor gekozen om uit te gaan van de berekeningswijze zoals neergelegd in artikel 3, tweede lid, van de TVL.
- Zowel vanuit het oogpunt van uitvoerbaarheid als voor beperking van de administratieve lasten is het wenselijk dat de groep ondernemingen die per kalenderkwartaal aangifte doet voor de omzetbelasting, zijn omzet aantoont met zijn aangiften.
- Het College acht dit uitgangspunt niet onredelijk.
- Zoals het College eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 8 juni 2021, ECLI:NL:CBB:2021:962), biedt de TVL geen grondslag om af te wijken van deze berekeningswijze.
- De uitzonderingsmogelijkheid in artikel 3, negende lid, van de TVL, geldt zoals blijkt uit artikel 3, achtste lid, van de TVL en anders dan appellante meent, voor ondernemingen die geen aangiften omzetbelasting doen.
- Dat deze wijze van berekening van het omzetverlies in het geval van appellante tot gevolg heeft dat zij niet in aanmerking komt voor subsidie, maakt niet dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.
- Verweerder heeft zich naar het oordeel van het College terecht op het standpunt gesteld dat hier geen sprake is van een zeer uitzonderlijk geval waarin het besluit onevenredig nadelig uitpakt.
Noot omzetverlies TVL
Belanghebbende geeft aan dat de omzet door intercompany omzet in stand blijft, dit geeft echter niet het juiste beeld van de daadwerkelijke omzet. De omzet in het 3e kwartaal van 2020 is hoger door een factuur aan een zusteronderneming, dit in verband met doorbelasting van kosten uit 2019. De vraag is nu: wat is netto omzet? Het bijzondere is dat bij grote ondernemingen de intercompany omzet wordt geëlimineerd, dit op grond van de Europees rechtelijke groepsdefinitie. Waarom dan niet in onderhavige situatie? De TVL kent geen concernregeling (de NOW wel). Verkoop van activa hoeft voor de TVL niet te worden meegeteld (geen reguliere bedrijfsactiviteiten) (in 2020, in 2021 telt dit wel weer mee). Het is van essentieel belang om goed te kijken naar welke TVL-regeling speelt in een procedure. Een goede voorbereiding met beroep op allerlei algemene beginselen van behoorlijk bestuur is essentieel in TVL- en NOW-procedures. Neem gerust contact op met onze specialisten.
Bron TVL-procedure en omzetverlies
College van Beroep voor het Bedrijfsleven d.d. 11 januari 2022 ECLI:NL:CBB:2022:5
Bezwaarprocedures NOW-regeling
Wij adviseren op dit moment vele ondernemers bij bezwaar- en beroepsprocedures inzake de NOW-regeling. Gezien de totstandkoming van deze wetgeving en de robuustheid hiervan zullen er de komende jaren vele procedures worden gevoerd.
Bezwaar tegen vaststelling NOW
De NOW 1 is of wordt bij veel ondernemingen nu definitief vastgesteld. Om verschillende redenen kan die vaststelling aanleiding zijn voor het feit dat de NOW geheel of gedeeltelijk moet worden terugbetaald. Indien nodig kan met het UWV voor deze terugbetaling een betalingsregeling worden getroffen.
De vraag is echter of terugbetaling van het voorschot terecht is. De Rechtbank Limburg heeft onlangs uitspraak gedaan in een zaak waarin het loon in de referentiemaand (januari 2020) hoger was als gevolg van het uitbetalen van incidenteel loon (in de procedure vakantiegeld en overuren). Door dit hogere loon in de referentiemaand moest de NOW worden terugbetaald; het loon in de referentiemaand was namelijk veel hoger dan het loon in de subsidieperiode (een verlaging van het loon leidt tot een korting op de NOW).
Bezwaar tegen terugbetaling NOW
De minister heeft al eerder een toezegging gedaan aan de Tweede Kamer
met betrekking tot incidentele loonbetalingen in de referentiemaand. Hij
heeft namelijk toegezegd dat, als een werkgever kan aantonen door middel
van objectief verifieerbare
gegevens uit de loonadministratie dat de loonkosten in de referentiemaand
niet representatief waren (doordat er sprake was van het uitbetalen van
bonussen, overuren, etc.), het UWV deze gelden dan uit de loonsom kan filteren.
Deze looncomponenten moeten dan, aldus de minister, in bezwaar tegen de
vaststelling van de NOW zoveel mogelijk uit de loonsom worden gefilterd.
Daarmee wordt getracht onterechte vertekeningen in de loonsom van de werkgever
met gevolgen voor de hoogte van de NOW-subsidie zoveel mogelijk tegen te
gaan.
Ondanks het feit dat het loon in een niet-representatieve referentiemaand dus door het UWV in bezwaar kan worden aangepast, is dat hier (ten onrechte) niet gebeurd, zo concludeert Rechtbank Limburg. Het UWV had in de procedure zelfs gesteld dat zij geen ruimte had om af te wijken van de regels van de NOW-regeling. Kennelijk waren zij van de toezegging(en) van de minister dus niet op de hoogte of ze waren dit in de vaststelling van de NOW vergeten.
Referentiemaand NOW niet representatief
Wij juichen de uitspraak uiteraard zeer toe; de uitvoerende instellingen van de financiële coronamaatregelen lijken wel eens uit het oog te verliezen waartoe de regelingen zijn bedoeld. Voor de NOW heeft de minister wel aangegeven dat er geen hardheidsclausulebeleid zou komen, een opmaat naar een rigide toepassing van de regeling. De toezegging van de minister en de uitspraak van de Rechtbank bieden nu enige ruimte.
Bezwaar maken tegen NOW 1 of een beroepsprocedure?
De uitspraak biedt mogelijkheden om in bezwaar te gaan tegen de vaststelling van de NOW. Zowel toezegging als uitspraak zijn wel specifiek; het gaat om het filteren van loon in de referentiemaand als dit loon door incidentele betalingen niet representatief is. Als uw vaststelling lager uitvalt dan verwacht, is het goed te laten beoordelen of bezwaar of beroep succesvol zou kunnen zijn. Wilt u nadere informatie, bel ons dan gerust of stuur via onderstaande formulier een vrijblijvende vraag.
Bronnen NOW regeling en bezwaarprocedure
Rechtbank Limburg 15 november 20212, ECLI:NL:RBLIM:2021:8565
Jongbloed Fiscaal Juristen bij EenVandaag
Onze
collega (mr.) Marco Bik aan het woord bij EenVandaag inzake onredelijke
uitwerkingen voor starters bij financiële compensatie ondernemers tijdens
corona.
Onze
fiscalist mr. Marco Bik aan het woord.
Bijdrage BNR nieuwsradio
Ondernemers en de NOW-regeling
Op donderdag 16 april 2020 was onze collega (Dennis Jongbloed) op BNR om uitleg te geven over de omzetdefinitie in de NOW-regeling. U kunt zijn bijdrage hier beluisteren. Lees hieronder het artikel op de site van BNR.
Hoe moet je de omzet voor de NOW-regeling bepalen?
Een deel van de ondernemers die niet in aanmerking komen voor de coronasteun van het kabinet sjoemelt met de boekhouding. Ze hopen zo alsnog een financiële compensatie te krijgen. Dat blijkt uit navraag van BNR bij onder meer fiscalisten en boekhouders.
De NOW-regeling, hoe werkt deze?
Het gaat om de zogenoemde NOW-regeling waarbij ondernemers maximaal 90 procent van de loonkosten terugkrijgen. Om hiervoor in aanmerking te komen, moeten ze minimaal 20% omzetverlies hebben over een periode van drie maanden. 'En dat geeft ondernemers de mogelijkheid om te sjoemelen,' zegt Pim van Rijswijk, directeur van boekhoudkantoor VRB Adviesgroep. 'Ze sturen facturen later of zeggen tegen klanten dat ze later mogen betalen.' Op die manier hebben ze in die periode op papier minder omzet waardoor ze toch voor compensatie in aanmerking komen.
Frauderen en NOW-regeling
Van Rijswijk wordt dagelijks door meerdere ondernemers gebeld die vragen hoe ze de strikte regels rond de NOW-regeling kunnen omzeilen. 'Bedrijven proberen wanhopig bij ons af te tasten hoe ze toch voor de compensatie in aanmerking kunnen komen. Of ze vragen of het inderdaad zo simpel is om de omzet te sturen.' Volgens hem begeven deze ondernemers zich op glas ijs en maken ze misbruik van de situatie. 'Wij geven het dringende advies om absoluut niet met deze cijfers te frauderen.'
Onduidelijkheid in de NOW-regeling
Ook Dennis Jongbloed, directeur van Jongbloed Fiscaal Juristen, ziet dat ondernemers de randen van de wet opzoeken. Toch is het niet altijd duidelijk of iemand ten onrechte een financiële compensatie ontvangt. 'Een schoonmaakbedrijf zal nu geen facturen sturen omdat bij veel van zijn klanten het personeel thuis werkt. Wettelijk gezien mag zo'n ondernemer gewoon factureren, maar als hij daarvoor kiest, raakt hij waarschijnlijk zijn klant kwijt.'
