vertaal/translate print sitemap zoeken disclaimer contact

location_on Vestigingen in Almelo, Amsterdam, Den Haag en Enschede
saved_search Specialisaties
4,5 van 5 Google reviews
groups 25 fiscaal juristen / belastingadviseurs

Loonbelasting

mr. D.J.B. Jongbloed

Kom met Dennis in contact

Wilt u meer weten over Lucratief belang is risico bij werknemersparticipatie of heeft u hulp nodig?

call 088 027 00 00

mail d.jongbloed@jongbloed.tv

Lucratief belang is risico bij werknemersparticipatie

Groot risico voor MKB bedrijven en familiebedrijven bij werknemersparticipatie

De lucratiefbelangregeling (artikel 3.92b Wet Inkomstenbelasting 2001, voor de liefhebber) is per 1 januari 2009 ingevoerd . De regeling is bedacht om te voorkomen dat excessieve, disproportionele beloningen van private-equity- en hedgefondsmanagers als vermogenswinst worden gepresenteerd in plaats van als arbeidsbeloning. Een logische denkwijze.

Ruim vijftien jaar later blijkt de regeling in de uitvoeringspraktijk een aanzienlijk breder bereik te hebben dan de wetgever destijds voor ogen had. In onze praktijk levert dit gezeur en discussie op en soms zelf forse naheffingen met belastingrente. De reden is dat de belastingdienst - soms na jaren aandeelhouderschap - van mening is dat sprake is van een lucratief belang (box 1), vaak komt dit in beeld bij een herstructurering, participatie of verkoop.  

Oneerlijke behandeling lucratief belang

De spraakmakende uitspraak van Rechtbank Den Haag van juli 2026 in de zaak van de oprichters van een Rotterdams softwarebedrijf (ECLI:NL:RBDHA:2026:19383) illustreert dat (artikel op onze site). Ook recente kennisgroepstandpunten van de Belastingdienst (2024-2026) laten zien dat niet alleen fondsbeheerders en managers van private-equityportfoliobedrijven, maar ook oprichters van scale-ups, directeuren en familiebedrijven die personeel of de volgende generatie laten meedelen in het aandelenkapitaal, in het vizier van de inspecteur (lees belastingdienst) kunnen komen.

Uit vele publicaties op het internet (zoals in het FD) komt naar voren dat er vaak geschillen ontstaan met de belastingdienst over het lucratieve belang, veelal begint die discussie direct na de verkoop van een bedrijf. Jaren dachten de aandeelhouders""komt goed en verkoop is belastingvrij op grond van de deelnemingsvrijstelling" en direct na verkoop volgt het bonnetje van 50% inkomstenbelasting.

Dit maakt de lucratief belang regeling tot een van de minst transparante maar tegelijk meest risicovolle thema's in de advisering van DGA's, familiebedrijven en MKB-ondernemers.

Wat is een lucratief belang?

Zonder specifieke regeling zou een vermogenswinst op aandelen of vorderingen in beginsel onbelast zijn (box 3) of tegen het aanmerkelijkbelangtarief worden belast (box 2), ook als die winst feitelijk een beloning voor verrichte arbeid vormt. De wetgever heeft met art. 3.92b Wet IB 2001 een specifieke bron van inkomen — resultaat uit overige werkzaamheden — gecreëerd voor dit soort 'verkapt loon', met het toptarief van box 1 (2026: maximaal 49,5%) tot gevolg en zonder de gebruikelijke faciliteiten die bij regulier loon of aanmerkelijk belang wel gelden.

Toetsen lucratief belang regeling, de hefboom en het beloningsoogmerk

Van een lucratief belang is sprake als aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan:

  • Hefboomtoets (art. 3.92b lid 2-4 Wet IB 2001): het vermogensrecht moet een disproportioneel rendement mogelijk maken ten opzichte van het geïnvesteerde kapitaal en het gelopen risico. Voor achtergestelde aandelen en vorderingen geldt de 10%-grens: het gestorte kapitaal (nominaal, agio én — sinds de reparatiewetgeving in het Belastingplan 2024 — bepaalde leningen) van de betreffende soort moet minder bedragen dan 10% van het totale geplaatste aandelenkapitaal. In de wetsgeschiedenis wordt als indicatie voor een disproportioneel rendement veelal een percentage van 15% of meer genoemd.
  • Beloningsoogmerk (art. 3.92b lid 1 onderdeel a Wet IB 2001): het voordeel moet (mede) zijn bedoeld als beloning voor werkzaamheden van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon. Ontbreekt dit oogmerk — bijvoorbeeld omdat sprake is van een gewone, proportionele investering zonder prestatie- of exitgebonden voorwaarden — dan is er geen lucratief belang, ook niet wanneer toevallig aan de hefboomtoets wordt voldaan. Dit uitgangspunt is explicietbevestigd in kennisgroepstandpunt KG:059:2026:1

Voor de restcategorie van 'vermogensrechten economisch vergelijkbaar met achtergestelde aandelen' (art. 3.92b lid 4 Wet IB 2001) — te denken valt aan opties, vorderingen en hybride instrumenten — heeft de Hoge Raad in zijn arrestvan 19 april 2023 (ECLI:NL:HR:2023:557) beslist dat ook daarvoor een hefboomeffect van ten minste 1:10 vereist is. De enkele mogelijkheid om met een beperkte investering een rendement te behalen dat niet in verhouding staat tot het kapitaal en het risico, is op zichzelf onvoldoende.

Tarief en de aanmerkelijkbelang-route (doorstootverplichting)

Een lucratief belang wordt in beginsel belast in box 1 tegen het progressieve tarief (2026: tot 49,5%), zonder de reguliere aftrekmogelijkheden en zonder verliesverrekening met ander inkomen (Hoge Raad 22 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1228, over een indirect gehouden lucratief belang).

Bij een middellijk gehouden lucratief belang — via een persoonlijke houdstervennootschap — kan op grond van art. 3.95b Wet IB 2001 worden gekozen voor heffing in box 2, mits ten minste 95% van het voordeel binnen een beperkte termijn wordt doorgestotennaar de natuurlijke persoon (de doorstootverplichting). Het box 2-tarief bedraagt in 2026 24,5% over de eerste € 68.843 (fiscale partners: € 137.686 gezamenlijk) en 31% daarboven; in combinatie met de vennootschapsbelasting op het niveau van de houdstervennootschap loopt de effectieve druk op tot circa 48,8%. Deze route is doorgaans aanzienlijk gunstiger dan directe belastingheffing in box 1, maar vergt wel dat daadwerkelijk en tijdig wordt uitgekeerd.

Wetswijzigingen lucratief belang regeling, de reparatie in 2024 en de multiplier vanaf 2028

  • Belastingplan 2024: naar aanleiding van HR 19 april 2023 (ECLI:NL:HR:2023:557) is gerepareerd dat voor de 10%-hefboomtoets ook leningen meetellen die niet als informeel kapitaal kwalificeren. Deze reparatie werkt terug tot 26 juni 2023 (het moment van aankondiging).
  • Belastingplan 2026: voor middellijk gehouden lucratieve belangen wordt per 1 januari 2028 (uitgesteld van de aanvankelijk voorgestelde datum van 1 januari 2026) een multiplier van 36/31 op de box 2-grondslag geïntroduceerd. Effectief loopt het tarief daarmee op naar circa 28,45% in de eerste schijf en 36% in de tweede schijf — zonder overgangsrecht, dus ook voor reeds bestaande belangen.
  • KG:059:2026:3 (3 augustus 2026): bijgeschreven (herbelegde) vergoeding op cumulatief preferente aandelen telt mee als gestort kapitaal voor de 10%-toets; alleen nominaal kapitaal, agio en informeel kapitaal zijn relevant voor de verhoudingsbepaling, niet de waardeontwikkeling van de gewone aandelen (zie hoofdstuk 4).

Waarom lucratief belang regeling ook familiebedrijven, scale-ups en MKB raakt

Lucratief belang wordt in de meeste literatuur nog steeds gepresenteerd als een typisch private-equitythema. Onze dagelijkse adviespraktijk laat een ander beeld zien. Vier situaties komen in de MKB- en familiebedrijfspraktijk regelmatig terug:

  1. Oprichters van een scale-up die na jaren doorgroeien — vaak met de hulp van durfinvesteerders — en bij verkoop van de onderneming worden geconfronteerd met de vraag of hun oorspronkelijke, evenredig verkregen aandelen een lucratief belang vormen. De wetgever heeft bij de introductie van de regeling uitdrukkelijk overwogen dat wie zijn eigen bedrijf heeft opgebouwd niet snel als lucratief belanghouder wordt aangemerkt, maar de inspecteur legt dit uitgangspunt in de praktijk niet altijd zo uit. De Haagse uitspraak van juli 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:19383) bevestigt weliswaar dat gewone aandelen van 'initial investors' die evenredig met de overige aandeelhouders hebben geïnvesteerd en waarvan de waardestijging voortvloeit uit organische ondernemingsgroei, geen lucratief belang vormen — maar die duidelijkheid kwam pas na een jarenlange procedure en een aanslag van ruim € 35 miljoen.
  2. Directeuren van (deels) met durfkapitaal gefinancierde bedrijven die naast hun arbeidscontract een aandelenparticipatie houden, vaak via een eigen management-bv. Ook wanneer over de gerealiseerde winst reeds keurig vennootschapsbelasting is afgedragen, kan de inspecteur bij daadwerkelijke uitkering alsnog een lucratief belang constateren, met een aanzienlijk hogere heffing (het box 1-tarief) tot gevolg dan reeds is afgedragen — plus belastingrente over de tussenliggende jaren. Dit type dossier speelt zich vaker af dan de schaarse gepubliceerde jurisprudentie doet vermoeden.
  3. Familiebedrijven die in het kader van bedrijfsopvolging werknemers of de volgende generatie laten meedelen in het aandelenkapitaal — bijvoorbeeld via preferente aandelen voor de overdragende generatie en gewone aandelen voor de opvolger(s) soms in combinatie met werknemers/management, gefinancierd met een lening van de vennootschap of de familie zelf. Wanneer die lening onzakelijke voorwaarden kent, kan deze (deels) als informeel kapitaal gelden en de 10%-hefboomtoets doen kantelen (zie KG:059:2026:1 en KG:059:2026:3) — vaak zonder dat de familie zich daarvan bewust is.
  4. Start-ups en scale-ups waarbij investeerders bedingen dat zij bij verkoop een preferente uitkering vóór de overige aandeelhouders ontvangen (liquidatiepreferentie). Die voorkeurspositie wordt door de Belastingdienst gezien als een aanwijzing dat mogelijk sprake is van lucratief belang bij de aandelen van de overige (werkende) aandeelhouders — ook wanneer die zelf geen preferentie genieten.
    Na de Mendix-zaak heeft de Belastingdienst bovendien een gespecialiseerde kennisgroep voor werknemers- en managementparticipaties ingericht, wat enerzijds kan bijdragen aan een consistentere lijn, maar anderzijds ook laat zien dat dit onderwerp een controle-speerpunt is geworden.

Kennisgroepstandpunten van de Belastingdienst

Onderstaande kennisgroepstandpunten zijn in 2024-2026 gepubliceerd en geven het meest actuele beeld van de standpunten die de Belastingdienst intern hanteert bij de beoordeling van lucratief belang.

  1. KG:059:2024:1 11 juli 2024 Middellijk lucratief belang bij herstructurering Een aandelenruil of wijziging van tussenschakels in een internationale structuur, zonder wijziging van de economische verhoudingen, leidt niet tot gedwongen winstneming over het lucratief belang; ruilarresten kunnen toepassing vinden (art. 3.95b lid 2 en 3 Wet IB 2001).
  2. KG:059:2025:3 12 augustus 2025 Negatief loon, bad leaver en lucratief belang Bij een bad leaver-korting op de uittreedprijs bepaalt het moment waarop met die korting rekening is gehouden (bij verkrijging, of pas bij uittreden) of het verlies in de loonsfeer (art. 3.81 Wet IB 2001; vgl. Hoge Raad 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:635) dan wel in de winstsfeer valt.
  3. KG:059:2026:1 05 februari 2026 Reguliere werknemersparticipatie en beloningsoogmerk Geeft toetsingscriteria voor de aan- of afwezigheid van het beloningsoogmerk: afwezigheid van (bad/good) leaver-bedingen, geen tag-/drag-alongverplichtingen, rendement niet afhankelijk van managementdoelstellingen, een reëel langetermijnbelang zonder beoogde exit, en het ontbreken van familieband-gerelateerde bevoordeling. Ook bij een niet-zakelijke lening kan het beloningsoogmerk ontbreken als de overige omstandigheden op regulier aandeelhouderschap wijzen.
  4. KG:059:2026:3 03 augustus 2026 Financieringstoets en cumulatief preferente aandelen Bijgeschreven (herbelegde) vergoeding op cumprefs telt mee als gestort kapitaal voor de 10%-toets van art. 3.92b lid 4 Wet IB 2001. Voor de verhoudingsbepaling tellen alleen nominaal kapitaal, agio en informeel kapitaal mee — niet de waardeontwikkeling van de gewone aandelen.

Overzicht jurisprudentie inzake lucratief belang en risico's

  1. Het basis leerstuk inzake lucratief belang. Hoge Raad 15 april 2016 ECLI:NL:HR:2016:635 Basisleerstuk inzake negatief loon; het beoordelingskader hiervan werkt door in de fiscale kwalificatie van bad leaver-kortingen bij lucratief belang.
  2. Verlies op direct gehouden lucratief belang. Hoge Raad 22 juli 2019 ECLI:NL:HR:2019:1228 Een verlies op een indirect gehouden lucratief belang is niet verrekenbaar met ander (bron)inkomen; dit voorkomt een dubbele bevoordeling tussen de vennootschapsbelasting- en inkomstenbelastingsfeer.
  3. Het 10% criterium. Hoge Raad 19 april 2023 ECLI:NL:HR:2023:557 Het 10%-criterium (hefboomeffect van meer dan 1:10) geldt ook voor vermogensrechten uit de restcategorie van art. 3.92b lid 4 Wet IB 2001; de enkele mogelijkheid van een bovenmatig rendement met beperkte investering is onvoldoende. Verwijzing naar de feitenrechter voor nader onderzoek naar het hefboomeffect.
    2023 / 2024 Belastingplan 2024 (reparatiewetgeving) Naar aanleiding van deze uitspraak; ook leningen die niet als informeel kapitaal kwalificeren, tellen mee voor de 10%-toets. Terugwerkende kracht tot 26 juni 2023.
  4. Geen lucratief belang. Rechtbank Den Haag d.d. 9 juli 2026 ECLI:NL:RBDHA:2026:19383 De Mendix-zaak: gewone aandelen van 'initial investors'/oprichters die evenredig met de overige aandeelhouders hebben geïnvesteerd en waarvan de waardestijging voortvloeit uit organische ondernemingsgroei, vormen geen lucratief belang. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur dit al veel eerder had kunnen en moeten onderkennen en handelde 'tegen beter weten in'; zij kende een integrale proceskostenvergoeding toe van € 50.000 voor de bezwaarfase, in plaats van het forfaitaire bedrag van € 3.235.


Risico's, tegenargumenten en alternatieve routes voor de lucratief belang regeling

  1. De wettekst is doelbewust ruim en vaag geformuleerd (een feiten-en-omstandighedentoets), waardoor de inspecteur al snel het standpunt inneemt dat sprake is van een disproportioneel rendement — regelmatig zonder grondig vooronderzoek — terwijl de bewijslast om het tegendeel aan te tonen feitelijk bij de belastingplichtige komt te liggen.
  2. De financiële belangen zijn doorgaans groot en procedures duren jaren; hierdoor eindigt naar schatting rond 90% van de geschillen in een schikking, met als gevolg weinig gepubliceerde jurisprudentie en een trage rechtsontwikkeling.
  3. Advieskantoren zonder specifieke, aantoonbare ervaring met lucratief belang onderschatten het risico regelmatig, ook bij gerenommeerde kantoren. Dat kan leiden tot aansprakelijkheidsdiscussies wanneer een cliënt zich achteraf onvoldoende gewaarschuwd voelt — reden temeer om het risico expliciet in het adviesdossier te benoemen en te onderbouwen.
  4. Vooroverleg met de Belastingdienst biedt houvast, maar geen absolute zekerheid: de kwalificatie blijft feitelijk van aard en een eerder ingenomen standpunt kan bij gewijzigde feiten — een herstructurering, een naderende exit, een bijschrijving op cumprefs — opnieuw ter discussie komen te staan (vergelijk KG:059:2024:1 en KG:059:2026:3).
  5. De politieke belangstelling voor de regeling neemt toe: Kamervragen (2025) en het ministeriële onderzoek naar de lucratiefbelangregeling laten zien dat verdere aanscherping — naast de reeds aangekondigde multiplier per 2028 — niet is uitgesloten.

Tegenargumenten en nuancering bij de lucratief belang regeling

De wetgever heeft destijds bewust gekozen voor een open norm om structurering en omzeiling te voorkomen; een dichtgetimmerde definitie zou naar verwachting evenzeer nieuwe ontwijkingsroutes in het leven roepen. Niet elke discussie met de Belastingdienst valt negatief uit voor de belastingplichtige: zowel de Mendix-uitspraak als kennisgroepstandpunt KG:059:2026:1 laten zien dat reguliere participaties zonder hefboom- of exitkenmerken buiten het bereik van de regeling blijven.

Alternatieve routes ter mitigatie van het risico van het lucratieve belang

  1. Werknemersoptieregeling met uitgestelde heffing (Wet aanpassing fiscale behandeling aandelenoptierechten, in werking sinds 2023): heffing wordt uitgesteld tot het moment van verhandelbaarheid, wat beter aansluit bij de liquiditeitspositie van de werknemer en buiten de lucratiefbelangsystematiek blijft zolang geen hefboom- of beloningskenmerken aanwezig zijn.
  2. Certificering via een STAK met gewone, proportionele certificaten zonder preferentie of hefboom, zodat de 10%-toets bij voorbaat niet aan de orde is.
  3. Het aangekondigde — nog niet definitieve — regime voor start-ups en scale-ups per 2027, waarbij heffing wordt verschoven naar het verkoopmoment en circa 65% van het voordeel in de heffing wordt betrokken. Dit is nog wetsvoorstel en dus geen zekerheid, maar wel relevant om nu al in de structurering te anticiperen.
  4. Winstdelingsregelingen (bonus- of phantom stock-achtige constructies) buiten het aandelenkapitaal om, wanneer een daadwerkelijke kapitaaldeelname niet noodzakelijk is voor het gewenste retentie-effect.

Checklist: werknemersparticipatie vormgeven met minimaal lucratief-belangrisico

Onderstaand stappenplan kan worden gebruikt als praktische leidraad bij het opzetten (of beoordelen) van een werknemers- of familieparticipatie.

  1. Stap 1 — Bepaal doel en doelgroep. Leg vast of de participatie is bedoeld voor een bestaande aandeelhouder/oprichter dan wel voor een werknemer of manager, en of het doel retentie, beloning of bedrijfsopvolging is. Dit bepaalt mede welke instrumenten passend zijn.
  2. Stap 2 — Kies gewone, proportionele aandelen. Geef bij voorkeur gewone aandelen uit tegen een zakelijke prijs, in plaats van achtergestelde 'sweet equity'-aandelen of gestapelde vermogensrechten die per definitie een hefboom creëren.
  3. Stap 3 — Toets vooraf de 10%-hefboomgrens. Bereken of het gestorte kapitaal (nominaal, agio én — sinds 2024 — kwalificerende leningen) van de betreffende soort onder de 10%-grens van het totale geplaatste kapitaal blijft, en houd rekening met toekomstige bijschrijvingen op eventuele cumprefs (KG:059:2026:3).
  4. Stap 4 — Vermijd exit-gerichte bedingen. Neem geen (of uitsluitend marktconforme) good/bad leaver-clausules op en geen tag-/drag-alongverplichtingen die afwijken van de reguliere aandeelhoudersrechten van overige aandeelhouders (zie KG:059:2026:1).
  5. Stap 5 — Zorg voor een reële investering en reëel risico. Laat de deelnemer meebetalen tegen fair market value, onderbouwd met een onafhankelijk waarderingsrapport, en vermijd renteloze of bovenmatig ruime leningen van de vennootschap of de familie zelf.
  6. Stap 6 — Documenteer de afwezigheid van een beloningsoogmerk. Leg vast waarom de deelname niet is bedoeld als (verkapte) beloning: de investeringshorizon, de gelijke behandeling ten opzichte van overige aandeelhouders, en het ontbreken van een koppeling aan individuele prestatie-KPI's.
  7. Stap 7 — Beoordeel iedere financiering expliciet. Leg per verstrekte lening vast of deze, gelet op de voorwaarden, (deels) als informeel kapitaal kwalificeert en dus meetelt in de 10%-toets.
  8. Stap 8 — Kies bewust tussen de box 1- en de AB-route. Is een lucratief belang niet te vermijden, overweeg dan gebruik te maken van de doorstootverplichting (ten minste 95% uitkering, art. 3.95b Wet IB 2001) om het aanmerkelijkbelangtarief te realiseren in plaats van het box 1-tarief, met inachtneming van de multiplier die per 2028 gaat gelden voor middellijk gehouden belangen.
  9. Stap 9 — Overweeg alternatieve instrumenten. Weeg een werknemersoptieregeling met uitgestelde heffing, een STAK-structuur of een winstdelingsregeling buiten het aandelenkapitaal af tegen een directe aandelenparticipatie.
  10. Stap 10 — Overweeg vooroverleg met de Belastingdienst. Leg de voorgenomen structuur — goed gedocumenteerd — voor aan de inspecteur, maar besef dat dit geen absolute zekerheid biedt en dat een eerder standpunt bij gewijzigde feiten opnieuw ter discussie kan komen.
  11. Stap 11 — Herijk bij elk vervolgmoment. Beoordeel de kwalificatie opnieuw bij een follow-on investeringsronde, herstructurering of aandelenruil; een wijziging van tussenschakels zonder economische wijziging leidt weliswaar niet tot gedwongen winstneming (KG:059:2024:1), maar wél tot een nieuwe beoordeling van de feiten.
  12. Stap 12 — Schakel aantoonbare specialistische expertise in. Betrek een adviseur met concrete ervaring in lucratief-belangdossiers, niet enkel een generalistische partner — de gesignaleerde missers bij ook gerenommeerde kantoren onderstrepen dat dit rechtsgebied specialistische kennis van zowel het fiscale kader als de onderliggende financiële/bedrijfseconomische modellen vereist.

Noot fiscaal jurist inzake lucratief belangregeling en adviesrichting

Lucratief belang is niet langer een nichethema dat uitsluitend private equity raakt. DGA's, familiebedrijven en scale-ups die personeel of de volgende generatie laten meedelen in het aandelenkapitaal, doen er goed aan de structuur vooraf te toetsen aan zowel de hefboom- als de beloningsoogmerktoets, de financiering expliciet te documenteren, en — waar een lucratief belang niet is te vermijden — bewust te kiezen voor de aanmerkelijkbelang-route met doorstootverplichting.

Gelet op de hoge financiële inzet, de beperkte gepubliceerde jurisprudentie en de wisselende kwaliteit van advisering op dit vlak, loont het om dergelijke trajecten te laten begeleiden door een adviseur met aantoonbare, specifieke ervaring in lucratief belang, en om vooraf goed te documenteren waarom een participatie geen (verkapte) beloning beoogt. Wie deze stappen vooraf zet, voorkomt in veel gevallen een jarenlange en kostbare discussie achteraf.

Heeft u een werknemersparticipatie, managementparticipatie of familiale aandelenoverdracht in voorbereiding of ter discussie met de Belastingdienst? Laat de structuur — of de lopende discussie — vooraf toetsen aan de hier besproken criteria: de kosten van een preventieve toets wegen doorgaans niet op tegen de gevolgen van een langlopend geschil. Neem gerust via onderstaand formulier contact met ons op.

Vragen over lucratief belang regeling ?

Bedrijfsnaam

*

Naam

*

Aantal medewerkers

Bent u tevreden over uw belastingadviseur :

Wilt u een vrijblijvende offerte / advies ontvangen?

Opmerkingen/vragen

Ja, ik ga akkoord met de verwerking van mijn gegevens. Jongbloed Fiscaal Juristen NV mag mij per e-mail info sturen en mijn persoonlijke gegevens gebruiken om mijn interessegebieden vast te stellen zoals hier beschreven, en ik ben me ervan bewust dat ik op elk moment mijn toestemming kan intrekken.

Auteur(s) van lucratief belang risico bij werknemersparticipatie

mr. D.J.B. Jongbloed
mr. D.J.B. Jongbloed (Dennis)
Fiscaal Jurist

Jongbloed Fiscaal Juristen N.V.
Marthalaan 5
7511 AZ Enschede
, Overijssel


d.jongbloed@jongbloed.tv

mr. R.A.M. Damhuis
mr. R.A.M. Damhuis (Roy)
Fiscaal jurist

Jongbloed Fiscaal Juristen N.V.
Marthalaan 5
7511 AZ Enschede
, Overijssel


r.damhuis@jongbloed.tv

mr. M.J. Bik
mr. M.J. Bik (Marco)
Fiscaal jurist

Jongbloed Fiscaal Juristen N.V.
Marthalaan 5
7511 AZ Enschede
, Overijssel


m.bik@jongbloed.tv

Deel deze pagina

Laatste update op 26-08-2026
Artikel gemaakt op 25-08-2026
Dit artikel (of blog of voorbeeldovereenkomst) is met aandacht en zorgvuldigheid geschreven, maar bevat informatie van algemene en informatieve aard. De informatie in dit artikel kan, afhankelijk van de omstandigheden van uw specifieke geval, niet of verminderd van toepassing zijn. De informatie in dit artikel dient derhalve niet als fiscaal/juridisch advies te worden beschouwd. Jongbloed Fiscaal Juristen N.V., haar medewerkers en of haar vestigingen/deelnemingen aanvaarden dan ook geen enkele aansprakelijkheid voor de gevolgen van het gebruik van de informatie uit het artikel.
U bevindt zich hier : Jongbloed Fiscaal Juristen Kennisbank Loonbelasting Lucratief belang risico bij werknemersparticipatie

Jongbloed Fiscaal Juristen - Disclaimer - Zoeken - Sitemap