Landinformatie Nederland
Cashbonus gewoon aftrekbaar
Zowel de rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2021:785) als het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 22 februari 2023 (ECLI:NL:GHSHE:2023:685) als ook de Hoge Raad (3 jaar later) op 9 oktober 2026 (ECLI:NL:HR:2026:1631) zijn van mening dat een cashbonus - waarmee een voorwaardelijk aandelenrecht aan werknemers wordt afgekocht - gewoon aftrekbaar is voor de Vennootschapsbelasting.
De belastingdienst verloor hiermee een principiele procedure die als sinds 2021 bij de rechter liep, dit over een bedrag van ruim € 600.000
De werknemersparticipatie in een notendop
- Een Nederlandse B.V. maakte deel uit van een Franse groep. De Franse moeder (een SA) kende in 2013 en 2014 aan vijf werknemers van de B.V. voorwaardelijke rechten op aandelen toe, de werknemers waren erg belangrijk en moesten worden gebonden aan het bedrijf.
- De aandelen zouden pas worden geleverd na vier jaar dienstverband én het halen van prestatiedoelen, een logische en veel voorkomende eis. Tot die tijd waren de rechten niet overdraagbaar.
- In 2015 werd 66,7% van de aandelen in de Franse moeder verkocht aan een andere Franse vennootschap. De koper wilde de resterende aandelen van de markt halen. Daarom kregen de werknemers een aanbod: zie af van uw voorwaardelijke aandelenrechten en ontvang in ruil een cashbonus van € 217,50 per aandeel – gelijk aan de overnameprijs.
- De cashbonus kende geen voorwaarden meer: geen blijfvereiste, geen prestatiedoelen. De helft werd betaald in december 2016, de andere helft in juni 2018. Alle vijf werknemers gingen akkoord. Totaal: € 630.750, volledig ten laste van de Nederlandse B.V.
- Achteraf bleek dat geen van de werknemers de oorspronkelijke prestatiedoelen zou hebben gehaald.
- De B.V. vormde in haar aangifte vennootschapsbelasting 2015 een voorziening voor de te betalen bonus.
- De inspecteur weigerde dat met een beroep op het aftrekverbod van art. 10, lid 1, onderdeel j, Wet Vpb 1969: kosten van het toekennen van (rechten op) aandelen aan werknemers zijn niet aftrekbaar.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant gaf de B.V. gelijk. Dus ging de inspecteur in beroep. Het Hof 's-Hertogenbosch bevestigde op 22 februari 2023 het oordeel van de rechtbank, maar op een eigen, principiële grond, de kern van de uitspraak in Oeteldonk (carnavalsnaam voor Den Bosch) is de volgende:
- Artikel 10-1-j Wet Vpb grijpt aan op het moment waarop de werknemer pseudo-aandeelhouder wordt. Dat begrip komt uit de werknemersoptiearresten van 2001
- Een verbintenis onder opschortende voorwaarde werkt pas vanaf de vervulling van die voorwaarde (art. 6:22 BW). Bij een opschortende voorwaarde is er dus in beginsel nog geen toekenning. Bij een ontbindende voorwaarde wel.
- Het hof zag de cashbonus – anders dan de rechtbank – wél als afkoop van de optierechten. Maar omdat die afkoop plaatsvond vóórdat de voorwaarden waren vervuld, is er nooit een ‘toekenning’ geweest. De bonus valt daarom buiten het aftrekverbod
De Staatssecretaris van Financiën stelde beroep in cassatie in, dus kwam eerst de adviseur van de Hoge Raad in beeld. De conclusie van Wattel is - als bijna altijd - heerlijk om te lezen en geeft een goed en volledig overzicht.
- Er zijn geen aandelen of rechten op aandelen toegekend of uitgekeerd; de toekenning was immers opgeschort.
- Met art. 10-1-j wet VPB wilde de wetgever terug naar een oud arrest uit 1956, uitgifte van aandelen aan werknemers speelt zich af in de kapitaalsfeer en raakt de winst niet.
- Op het moment dat zij de cashbonus accepteerden, waren de werknemers geen pseudo-aandeelhouders. Er werd geen recht op aandelen afgekocht, maar een toekenning die nooit in werking was getreden.
Wil de Staatssecretaris het anders, dan moet hij een voorstel tot wijziging van art. 10(1)(j) Wet Vpb indienen.” Kortom: de wetgever is aan zet, niet de rechter, advies aan de Hoge Raad, kosten zijn gewoon aftrekbaar en voorziening is mogelijk. De Hoge Raad volgt de A-G en verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond
Noot fiscaal jurist inzake aftrekbaarheid van een cashbonus
Vóór 2007 was de waarde van aan werknemers toegekende aandelen en opties aftrekbaar. Bij een toekenning onder opschortende voorwaarden gebeurde dat pas bij vervulling van die voorwaarden. Pseudo-aandeelhouderschap ontstaat pas als de rechten niet meer afhangen van een opschortende voorwaarde en feitelijk en rechtens afdwingbaar zijn.
Pas op het moment van vervulling worden de (optie)rechten feitelijk en rechtens afdwingbaar en ontstaat pseudo-aandeelhouderschap. Het hof oordeelde terecht dat nooit sprake is geweest van een toekenning van (optierechten op) aandelen. De voorziening van € 630.750 in 2015 blijft dus in stand.
Wij puzzelen nog wel even over de voorziening in 2015, omdat salariskosten normaal gesproken drukken op het jaar van betaling. Edoch in deze situatie drukken de salariskosten eerder omdat wordt gekeken naar het schadeveroorzakende feit, dat heeft zich in 2015 voorgedaan (het moment van verkoop).
De conclusie van Wattel is tof om te lezen, allereerst stelt hij dat artikel 10 lid 1 (letter j) VPB naar de tekst niet van toepassing is. Er zijn immers geen aandelen, winstbewijzen, rechten op aandelen of winstbewijzen of daarmee gelijk te stellen rechten toegekend of uitgekeerd. Pas na de opschortende voorwaarde ( in dienst blijven en prestatie leveren) zou daadwerkelijk een recht zijn verkregen om de aandelen geleverd te krijgen. Hiermee is eigenlijk de spreekwoordelijke kous af.
Vragen over werknemersparticipatie?
Meer weten van cashbonus gewoon aftrekbaar
- Lucratief belang risico bij werknemersparticipatie
- Werknemersparticipatie wat is aftrekbaar en wat niet
- Financiering werknemersparticipaties
- Werknemersparticipatie bij familiebedrijven
- Werknemersparticipatie in box 2 of box 3
- Kosten werknemersparticipatie niet aftrekbaar
- Werknemersparticipatie en waardering
