Landinformatie Nederland
De ambtshalve vermindering van belastingaanslagen
Aanslag onherroepelijk? De ambtshalve vermindering als tweede kans
U ontvangt een aanslag, de zes weken voor bezwaar is verlopen en pas daarna blijkt dat de aanslag te hoog is. Shit, te laat met reageren, maar zijn er nog mogelijkheden? In dit artikel een uiteenzetting van de mogelijkheden om alsnog met de belastingdienst in overleg te komen.
Het kan een vergeten aftrekpost zijn, een fout in de aangifte of een arrest van de Hoge Raad dat later uitkomt. De aanslag staat dan onherroepelijk vast, maar daarmee is niet alles verloren. Via een verzoek om ambtshalve verminderingkan de inspecteur de aanslag alsnog verlagen. De mogelijkheden zijn wel begrensd. De box 3-procedureshebben laten zien hoe hard die grenzen kunnen zijn: na het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 2026 krijgen belastingplichtigen die geen bezwaar hebben gemaakt geen rechtsherstel.
In dit artikel leest u wanneer ambtshalve vermindering mogelijk is, waar de inspecteur het verzoek mag afwijzen, wat de rechtspraak en de kennisgroepen van de Belastingdienst daarover zeggen en wat u in de praktijk kunt doen.
Het wettelijk kader bij een ambtshalve vermindering
Optie 1 bij de ambtshalve vermindering
Voor de meeste belastingen ligt de grondslag in art. 65 AWR.
- Het eerste lid bepaalt: "Een onjuiste belastingaanslag of beschikking kan door de inspecteur ambtshalve worden verminderd.
- Volgens het tweede lid geldt hetzelfde voor wie een onjuist bedrag op aangifte heeft voldaan of afgedragen, of van wie te veel is ingehouden. Denk aan de btw, de loonheffingen en de dividendbelasting.
- Het woord kan is belangrijk: art. 65 AWR geeft een bevoegdheid, geen recht. Hoe de inspecteur die bevoegdheid gebruikt, staat in paragraaf 23 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB).
- Volgens de Belastingdienst regelt het BFB uitputtend in welke gevallen de inspecteur zijn bevoegdheid gebruikt, zie kennisgroep KG:206:2024:2. Het BFB bevat een uitputtende regeling van de gevallen, waarin de inspecteur gebruik maakt van zijn bevoegdheid ex artikel 65 AWR om ambtshalve te verminderen.
Optie 2 bij de ambtshalve vermindering
Voor de inkomstenbelasting geldt een eigen regime in art. 9.6 Wet IB 2001, uitgewerkt in art. 45aa Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Dat regime is voor de belastingplichtige op drie punten gunstiger:
- De inspecteur is verplicht, niet alleen bevoegd. In de aangewezen gevallen wordt een onjuiste aanslag ambtshalve verminderd (art. 9.6 lid 2 Wet IB 2001).
- Een verzoek binnen zes weken leidt tot vermindering. Volgens art. 9.6 lid 3 Wet IB 2001 wordt een te hoge aanslag verminderd als het verzoek is ingediend binnen de termijn van art. 6:7 Awb. Een herziene aangifte die tot vermindering strekt, geldt als verzoek om ambtshalve vermindering (lid 4).
De termijn: vijf jaar, met weinig ruimte voor uitzonderingen
Een verzoek om ambtshalve vermindering moet binnen vijf jaar worden ingediend. Bij aanslagbelastingen begint die termijn na het einde van het kalenderjaar waarop de aanslag betrekking heeft. Voor de inkomstenbelasting heeft de Hoge Raad dit op 2 december 2022 bevestigd (ECLI:NL:HR:2022:1795). een verzoek voor de Vennootschapsbelasting over 2021 moet dus uiterlijk op 31 december 2026 worden ingediend.
Een valkuil bij navorderingsaanslagen.
De termijn loopt vanaf het einde van het belastingjaar en niet vanaf de dagtekening van de aanslag. Wordt een navorderingsaanslag pas na die vijf jaar opgelegd, dan is een verzoek om ambtshalve vermindering dus al te laat. De Hoge Raad vindt dat niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel Voor de praktijk betekent dit: maak bij een late navorderingsaanslag altijd tijdig bezwaar, want er is geen tweede kans.
Termijnoverschrijding bij ambtshalve aanslagen
Een verzoek dat op tijd is verstuurd maar buiten de termijn binnenkomt, kan verschoonbaar zijn (Hoge Raad 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1871) In 2024 heeft de Hoge Raad de maatstaf voor verschoonbaarheid versoepeld. Bij persoonlijke omstandigheden komt het erop aan (ECLI:NL:HR:2024:515). Echter... wie jarenlang de tijd had voor een verzoek, zal alleen niet snel verschoonbaar te laat zijn.
Wanneer mag de inspecteur een verzoek om amtshalve vermindering weigeren?
Ook binnen de termijn kan de inspecteur een verzoek afwijzen. De belangrijkste gronden zijn:
- Geen aangifte gedaan, of informatie- en administratieverplichtingen geschonden. In dat geval hoeft de inspecteur niet te verminderen, tenzij u overtuigend aantoont dat en in hoeverre de aanslag onjuist is (paragraaf 23 lid 6 BFB, zoals weergegeven door Van der Veen). Het bewijs dat u moet leveren is dan zwaar.
- U komt redelijkerwijs niet in aanmerking. De inspecteur mag bij het verzoek ook feiten meenemen die u zelf niet noemt. De Hoge Raad oordeelde al in 2006 dat er rekening moet worden gehouden met andere feiten die grond opleveren om de vermindering of teruggaaf te beperken, zodat per saldo (zoveel mogelijk) sprake is van een juiste belastingheffing, zie kennisgroep KG:206:2025:3. Een verzoek kan dus uitlopen op een lagere vermindering dan u vroeg. De kennisgroep trekt wel een grens bij de gecombineerde aanslag IB/PVV.
- Wie een keuze of een beroep op een faciliteit bij de aangifte had moeten doen, kan dat niet via ambtshalve vermindering herstellen. de Hoge Raad heeft op 19 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1719) laat zien hoe streng dat uitpakt. Een belastingplichtige had de lening van haar vader voor de eigen woning niet in de aangifte vermeld. Volgens de Hoge Raad is die vermelding een voorwaarde om de desbetreffende lening tot de eigenwoningschuld te rekenen. Een beroep op evenredigheid hielp niet. De renteaftrek was voor dat jaar definitief verloren. Soortgelijke risico's spelen bij doorschuifregelingen, keuzeregimes en andere voorwaarden die de wet aan de aangifte koppelt.
- Een vormvoorschrift niet gevolgd. Houdt u zich niet aan een voorgeschreven vorm voor het verzoek en herstelt u dat niet binnen de hersteltermijn, dan wordt het verzoek afgewezen (art. 4:5 Awb).
- Nieuwe jurisprudentie of nieuw beleid. Deze grond heeft de meeste gevolgen en wordt hierna apart besproken.
Nieuwe jurisprudentie en nieuw beleid: de kern van het box 3-dossier
Is een aanslag al onherroepelijk op het moment dat een gunstig arrest of gunstig beleid verschijnt, dan leidt dat niet tot ambtshalve vermindering. Volgens de Belastingdienst beoordeelt de inspecteur een verzoek aan de hand van wet, jurisprudentie en beleid zoals die golden op de dag voordat de aanslag onherroepelijk werd (paragraaf 23 lid 13 BFB, geciteerd in KG:206:2024:2).
Box 3: geen rechtsherstel voor wie geen bezwaar maakte
Na het Kerstarrest (Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963) oordeelde de Hoge Raad op 20 mei 2022 dat het arrest geen gevolgen heeft voor aanslagen die toen al vaststonden (zie Hoge Raad d.d. 20 mei 2022 ECLI:NL:HR:2022:720)
Daarna volgde de massaalbezwaarplusprocedure, met als uitkomst het arrest van 25 juni 2026. De Hoge Raad toetste de uitzondering voor nieuwe jurisprudentie aan het evenredigheidsbeginsel en hield haar in stand (zie Hoge Raad 25 juni 2026 ECLI:NL:HR:2026:907)
Dat de rechtspraak een schending van grondrechten uit het EVRM vaststelt, verandert daar niets aan (r.o. 4.4.7). Een opening voor het individuele geval blijft wel bestaan: bijzondere omstandigheden waardoor toepassing van de uitzondering onredelijk bezwarend zou zijn, of een buitensporige individuele last (r.o. 4.4.11–4.4.12 en 4.6). De Hoge Raad benadrukt daarbij dat de samenstelling en omvang van inkomen en vermogen buiten die bijzondere omstandigheden geen rol spelen. De lat ligt dus hoog en zelden kan bij nieuwe jurisprudentie nog een voordeel worden gehaald, het is niet anders! Maar er zijn soms mogelijkheden.
De uitzondering: de inspecteur mocht zijn standpunt redelijkerwijs niet juist vinden
Van belang voor de praktijk is Hoge Raad d.d. 26 april 2024 ECLI:NL:HR:2024:667 . De inspecteur kan zich niet op nieuwe jurisprudentie beroepen "indien hij bij het opleggen van die aanslag is uitgegaan van een rechtsopvatting waarvan hij redelijkerwijs niet mocht menen dat die juist was". De toets gebeurt naar de stand van het recht op het moment dat de aanslag onherroepelijk werd.
De kennisgroep past deze lijn ook toe op nieuw beleid, dit is dus meer de route van een "pleitbaar standpunt". Wie aannemelijk kan maken dat het standpunt van de inspecteur al bij het opleggen van de aanslag niet houdbaar was, heeft hier dus een ingang. In box 3 lukte dat niet: de rechtbank oordeelde dat de inspecteur redelijkerwijs van de juistheid van zijn rechtsopvatting mocht uitgaan
Kennisgroepstandpunten tellen als nieuw beleid, in beide richtingen
De Belastingdienst merkt een kennisgroepstandpunt aan als nieuw beleid. Een gunstig standpunt dat pas verschijnt nadat uw aanslag vaststaat, helpt u daarom in beginsel niet. Er is een uitzondering: bestond er vóór het onherroepelijk worden al een vaste gedragslijn met dezelfde inhoud, dan kunt u zich daarop beroepen. Het loont dus om uit te zoeken of de 'nieuwe' lijn in werkelijkheid al eerder werd gevolgd, bijvoorbeeld via stukken die op grond van de Woo openbaar zijn gemaakt.
Rechtsbescherming: een verschil tussen de inkomstenbelasting en de andere belastingen
Tegen een belastingbesluit staat alleen beroep open als het gaat om een aanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking (art. 26 AWR). Voor de inkomstenbelasting heeft de wetgever de afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering uitdrukkelijk als bezwaarbare beschikking aangemerkt (art. 9.6 lid 5 Wet IB 2001). Voor de andere belastingen, zoals de vennootschapsbelasting, de btw, de loonheffingen en de erfbelasting, is dat niet gebeurd.
In die gevallen blijft alleen de burgerlijke rechter over, en daar is de kans op succes klein
Wat kunt u als belastingplichtige doen?
- Maak bezwaar als het nog kan. Ambtshalve vermindering is een vangnet en geen vervanging van bezwaar. Met bezwaar heeft u rechtsbescherming en profiteert u van latere rechtspraak. Bij twijfel kunt u pro forma bezwaar maken en de gronden later aanvullen. De box 3-zaken laten zien wat het kost om dat niet te doen.
- Controleer eerst de termijn. Gaat het om een aanslagbelasting, dan loopt de termijn tot vijf jaar na het einde van het belastingjaar. Bij een navorderingsaanslag die laat wordt opgelegd, is bezwaar de enige route.
- Kies het juiste regime. Bij de inkomstenbelasting krijgt u op een afwijzing een bezwaarbare beschikking en daarmee toegang tot de rechter. Bij de andere belastingen moet het verzoek meteen volledig en overtuigend zijn, omdat er meestal geen rechter naar kijkt.
- Onderbouw het verzoek zoals een bezwaarschrift. Geef de feiten, de berekening, de bewijsstukken en de juridische grondslag. Houd er rekening mee dat de inspecteur ook naar andere onderdelen van de aanslag kan kijken. Beoordeel daarom vooraf of het verzoek per saldo iets oplevert.
- Is de onjuistheid ontstaan door nieuwe rechtspraak of nieuw beleid? Onderzoek dan (a) of het standpunt van de inspecteur bij het opleggen van de aanslag redelijkerwijs houdbaar was (HR 26 april 2024), (b) of er al eerder een gelijkluidende vaste gedragslijn bestond (KG:206:2024:2), en (c) of de minister een afwijkende regeling heeft getroffen. Pas daarna is een beroep op bijzondere omstandigheden in de zin van HR 25 juni 2026 aan de orde. Dat laatste vraagt concrete, individuele feiten.
- Keuzes en voorwaarden goed in de aangifte. Wat de wet aan de aangifte koppelt, zoals gegevens over een lening van familie of een keuzeregime, is na het onherroepelijk worden van de aanslag niet meer te herstellen. Controleer dit vóór indiening.
- Bent u te laat? Leg de omstandigheden vast. Beroept u zich op verschoonbaarheid, zorg dan voor bewijs van de omstandigheid die u verhinderde en dien alsnog in binnen zes weken nadat die omstandigheid is weggevallen.
Noot fiscaal jurist inzake ambtshalve mogelijkheden
Ambtshalve vermindering is een bruikbaar middel om een onherroepelijke aanslag te laten corrigeren, vooral bij feitelijke fouten en bij de inkomstenbelasting. De grenzen zijn na 2026 duidelijk. De uitzondering voor nieuwe jurisprudentie staat vast (HR 25 juni 2026), kennisgroepstandpunten worden als nieuw beleid behandeld, en buiten de inkomstenbelasting is er geen fiscale rechtsgang tegen een afwijzing. De ruimte die overblijft zit in de details: een standpunt van de inspecteur dat redelijkerwijs niet houdbaar was, een eerdere vaste gedragslijn, verschoonbare termijnoverschrijding en uitzonderlijke individuele omstandigheden. De belangrijkste les blijft dat een tijdig bezwaarschrift meer bescherming biedt dan een verzoek achteraf.
Vragen? Neem gerust contact met ons op.
