Parkeerterrein met klinkerbestrating is een bouwterrein.
Kwalificeren zes kavels met o.a. klinkerbestrating, ontstaan uit de splitsing van een perceel met een parkeerterrein, als ‘onbebouwde grond’ voor de omzetbelasting? De Advocaat-Generaal adviseert de Hoge Raad in onderstaande casus om het beroep in cassatie ongegrond te verklaren. De zaak die we hier behandelen gaat over diverse kavels die voor een buitenstaander worden gezien als parkeerplaats. Is dit onbebouwde grond (bouwterrein) of is sprake van een "gebouw".
Is een parkeerterrein een bouwterrein of niet
- X BV kocht in 2018 een perceel met onder meer een parkeerterrein, voorzien van klinkerbestrating, een lantaarnpaal, stoepranden en afwateringsputten.
- De opstallen waren langer dan twee jaar in gebruik genomen.
- Het perceel werd kadastraal gesplitst in kavels 6 tot en met 11. Deze kavels werden in april 2020 in ongewijzigde staat geleverd aan particulieren. Op alle kavels lag een klinkerbestrating.
- Kavel 8 had daarnaast één afwateringsput en één lantaarnpaal.
- De kavels 9 en 11 hadden afwateringsputten.
- De kavels 6, 7 en 10 hadden geen van deze voorzieningen.
De Belastinginspecteur merkte alle kavels aan als ‘onbebouwde grond’, dus bouwterreinen waarvan de levering belast is met btw.
Wettelijke basis bouwterrein in kader BTW levering
Op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel a Wet OB is de levering van een bouwterrein belast met btw. De definitie van een bouwterrein is volgens artikel 11, lid 4 Wet OB ‘onbebouwde grond die kennelijk bestemd is om te worden bebouwd met één of meer gebouwen’.
Grond wordt als bouwterrein aangemerkt als:
- die is bewerkt of bewerkt wordt ten behoeve van bebouwing,
- voorzieningen zijn of worden getroffen die uitsluitend dienstbaar zijn aan de grond,
- in het bestemmingsplan een bouwbestemming is opgenomen,
- omgevingsvergunning voor bebouwing is verleend.
Rechtbank Gelderland inzake begrip gebouw en parkeerterrein
Rechtbank Gelderland oordeelde in 2023 dat de kavels wél bebouwde grond waren, omdat de klinkerbestrating, mede door de bewerkte ondergrond en opsluitbanden, niet zonder inspanningen en aanzienlijke kosten te verwijderen was.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake begrip gebouw en parkeerterrein
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden deelt de mening van de rechtbank niet en oordeelde dat de kavels afzonderlijk moesten worden beoordeeld. Het Hof stelde dat de klinkerbestrating op zichzelf niet vast met de grond was verbonden, aangezien de klinkers los op een zandbed lagen. Om die reden werden kavels 6, 7, 9, 10 en 11 als onbebouwde grond aangemerkt, waarbij de afwateringsputten op kavels 9 en 11 als verwaarloosbaar werden beschouwd. Voor kavel 8 honoreerde het Hof echter het beroep op het vertrouwensbeginsel en merkte het, op basis van paragraaf 3.2.1 van het Vastgoedbesluit 2023, de klinkerbestrating als gebouw aan vanwege de aanwezige lantaarnpaal en afvoerput, in combinatie met een afgegraven toplaag en drainage. De levering van kavel 8 werd zodoende vrijgesteld van omzetbelasting en belast met overdrachtsbelasting.
Hoge Raad en AG inzake bouwterrein
X BV was het hier niet mee eens en ging naar de Hoge Raad. X BV diende de volgende klachten in.
In klacht 1 stelde X BV dat het Hof de Maierhofer-maatstaf (constructie is ‘niet gemakkelijk te demonteren of te verplaatsen’) had miskend bij de beoordeling van de verbondenheid van de klinkerbestrating. De A-G concludeert dat het Hof weliswaar de Maierhofer-maatstaf niet expliciet toepaste, maar dat in het oordeel dat de klinkers in het geheel niet verbonden waren met de grond, besloten ligt dat deze gemakkelijk te demonteren of te verplaatsen zijn. Dit oordeel van het Hof doet volgens de A-G recht aan de strekking van de Maierhofer-maatstaf. Hierop is ook aansluiting gezocht met de criteria uit het arrest Leichenich, ‘zonder inspanningen en zonder aanzienlijke kosten’. De klacht dat het Hof ten onrechte voorbijging aan de wetsgeschiedenis, waaruit zou blijken dat vergelijkbare constructies (straten, wegen, pleinen) als gebouwen worden aangemerkt, faalt eveneens. De A-G licht toe dat de voorbeelden in de wetsgeschiedenis enkel dienen ter verduidelijking van het begrip ‘bouwwerk’, niet van het begrip ‘vast met de grond verbonden gebouw’. Voor een gebouw is immers een vaste verbinding met de grond vereist, conform artikel 12(2) Btw-richtlijn en artikel 13ter Btw-uitvoeringsverordening.
De tweede klacht betrof het ten onrechte niet toepassen van het Vastgoedbesluit 2013 in plaats van het Vastgoedbesluit 2023. De A-G oordeelt dat het Vastgoedbesluit 2013 wets-interpreterend beleid is, dat conform de wet en de Btw-richtlijn dient te worden uitgelegd. Dit betekent dat de daarin genoemde voorbeelden (zoals atletiekbanen en kunstgrasvelden) alleen als gebouw kwalificeren voor zover zij vast met de grond zijn verbonden. Voor klinkerbestrating is dit niet het geval. X BV kon hieraan dus geen vertrouwen ontlenen. De A-G wijst tevens naar ongepubliceerd beleid en standpunten van de Kennisgroep Omzetbelasting. Het uitgangspunt hierin is dat klinkerbestrating niet als gebouw kwalificeert, tenzij specifieke voorzieningen moeilijk te verwijderen zijn.
In klacht drie betwist X BV de afzonderlijke beoordeling van de kavels in plaats van het gehele terrein. De A-G bevestigt de regel dat voor de omzetbelasting een afzonderlijke beoordeling per onroerende zaak geldt, met name wanneer onroerende zaken juridisch of fysiek te onderscheiden zijn en afzonderlijk kunnen worden gebruikt. De Hoge Raad heeft meermaals de ‘kavel’-benadering’ ondersteunt. Volgens de A-G zijn de criteria voor ‘vast met de grond verbonden’ per afzonderlijke kavel correct toegepast, ondanks het opmerkelijke feit dat Kavel 8, met drainage en lantaarnpaal, wel als bebouwd is aangemerkt.
De vierde klacht faalt ook, omdat het Hof, met het oordeel dat de klinkers los op een zandbed liggen, voldoende heeft gemotiveerd.
Advocaat-Generaal Ettema geeft de Hoge Raad in overweging om de klachten ongegrond te verklaren.
Bron parkeerterrein en bouwkavel
Rechtbank Gelderland d.d. 11 januari 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:66
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 2 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4430
Hoge Raad, ECLI:NL:PHR:2025:822
Maierhofer-arrest 16-01-2003,C-315/00, ECLI:EU:C:2003:23
Leichenich, 15-12-2012, C-532/11, ECLI:EU:C:2012:720