vertaal/translate print sitemap zoeken disclaimer contact

Echtscheiding en fiscus

De gezamenlijke eigen woning na scheiding: alimentatieroute of gebruiksvergoedingsroute?

De gezamenlijke eigen woning zorgt bij echtscheiding fiscaal vaak voor gedoe. Civielrechtelijk kunnen partijen relatief eenvoudig afspreken dat één van beiden voorlopig in de woning blijft wonen en ‘de woonlasten’ betaalt. Fiscaal ligt dat toch wat genuanceerder. Voor de inkomstenbelasting moet worden vastgesteld wie eigenaar is, wie schuldenaar is, bij wie de woning nog als eigen woning kwalificeert, op wie de rente drukt en of een eventuele betaling tussen ex-partners moet worden aangemerkt als partneralimentatie, gebruiksvergoeding of vermogensrechtelijke verrekening.

Eigen woning en echtscheiding

De gezamenlijke eigen woning zorgt bij echtscheiding fiscaal vaak voor gedoe. Civielrechtelijk kunnen partijen relatief eenvoudig afspreken dat één van beiden voorlopig in de woning blijft wonen en ‘de woonlasten’ betaalt. Fiscaal ligt dat toch wat genuanceerder. Voor de inkomstenbelasting moet worden vastgesteld wie eigenaar is, wie schuldenaar is, bij wie de woning nog als eigen woning kwalificeert, op wie de rente drukt en of een eventuele betaling tussen ex-partners moet worden aangemerkt als partneralimentatie, gebruiksvergoeding of vermogensrechtelijke verrekening.

In dit artikel worden de alimentatieroute en gebruiksvergoedingsroute bij scheiding besproken. De praktische afspraak dat de achterblijvende partner “alles betaalt” sluit niet altijd aan bij de fiscale werkelijkheid. De analyse moet echter breder worden getrokken. De kern ligt niet in de keuze voor een fiscale route als zodanig, maar in de civielrechtelijke kwalificatie van het gebruik van de woning en de fiscale toerekening van rente, eigenwoningforfait en onderhoudsverplichtingen.

De Belastingdienst wijst er in zijn brochure over het echtscheidingsconvenant en de eigen woning op dat in het convenant aandacht moet worden besteed aan de eigenwoningrente, het al dan niet samen aangifte doen en de vraag of verstrekt of ontvangen woongenot als partneralimentatie kan worden opgevat.

De eigenwoningregeling tijdens de scheidingsfase

Voor de toepassing van de eigenwoningregeling is het uitgangspunt dat een woning slechts als eigen woning kwalificeert indien deze de belastingplichtige als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van eigendom, economische eigendom of een beperkt recht dat in de wet wordt erkend. Bij de kwalificatie eigen woning geldt het eigenwoningforfait en kunnen kosten van de eigenwoningschuld onder voorwaarden in box 1 worden afgetrokken.

Bij scheiding wordt deze hoofdregel tijdelijk verruimd. Art. 3.111 lid 4 Wet IB 2001 bepaalt, kort gezegd, dat de woning voor de vertrekkende partner nog gedurende maximaal twee jaar na het verlaten van de woning als eigen woning kan blijven kwalificeren, mits de gewezen partner de woning als hoofdverblijf gebruikt. De regeling beoogt te voorkomen dat de vertrekkende partner onmiddellijk zijn aandeel in de woning en schuld naar box 3 moet overhevelen. Zij is echter tijdelijk en lost slechts de kwalificatie van de woning op, zij zegt niet automatisch wie de hypotheekrente mag aftrekken.

De renteaftrek volgt uit art. 3.120 Wet IB 2001 en veronderstelt dat sprake is van aftrekbare kosten met betrekking tot een eigenwoningschuld van de belastingplichtige. Daarbij geldt dat de rente slechts in aanmerking kan worden genomen voor zover zij daadwerkelijk op de belastingplichtige drukt. De enkele omstandigheid dat iemand civielrechtelijk medeschuldenaar is, is dus onvoldoende als een ander de rente definitief voor zijn rekening neemt. Omgekeerd maakt betaling aan de bank door de achterblijvende partner hem niet zonder meer gerechtigd tot aftrek van het rentedeel dat ziet op het aandeel van de vertrekkende partner.

Daar zit de moeilijkheid. In de praktijk betaalt de achterblijvende partner geregeld de volledige hypotheekrente, terwijl de vertrekkende partner nog voor de helft eigenaar en schuldenaar blijft. Zonder nadere afspraken kan dan het rentedeel van de vertrekkende partner zijn aftrekbaarheid verliezen. De vertrekkende partner draagt de rente immers niet, terwijl de achterblijvende partner niet zonder meer aftrek kan claimen voor rente die civielrechtelijk en economisch ziet op de schuld van de ander.

Alimentatieroute bij verdelen woonlasten

De alimentatieroute probeert dit probleem op te lossen door de betaling van de woonlasten geheel of gedeeltelijk te plaatsen binnen de onderhoudsverhouding tussen ex-partners. De achterblijvende partner betaalt dan bijvoorbeeld ook het aandeel van de vertrekkende partner in de hypotheekrente, maar die betaling wordt civielrechtelijk en fiscaal geduid als partneralimentatie of als betaling ter voldoening aan een onderhoudsverplichting.

De fiscale basis daarvoor ligt in art. 6.3 Wet IB 2001. De Belastingdienst omschrijft partneralimentatie als een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de ex-partner. Periodieke betalingen van partneralimentatie zijn bij de betalende partner aftrekbaar, terwijl de ontvangen alimentatie bij de ontvangende partner belast is. De Belastingdienst merkt bovendien op dat partneralimentatie ook kan spelen wanneer partijen nog op hetzelfde adres staan ingeschreven, mits geen gezamenlijke huishouding meer wordt gevoerd en de betaling voortkomt uit de behoefte van de ex-partner. Schriftelijke vastlegging wordt daarbij aanbevolen.

De alimentatieroute kan met name uitkomst bieden wanneer de vertrekkende partner onvoldoende draagkracht heeft om zijn of haar aandeel in de hypotheekrente te voldoen. Betaalt de achterblijvende partner dat aandeel, dan kan de betaling onder omstandigheden kwalificeren als aftrekbare partneralimentatie. De Belastingdienst vermeldt dat wanneer een ex-partner woont in de koopwoning waarvan de ander nog eigenaar is, het aandeel in het eigenwoningforfait onder omstandigheden als partneralimentatie kan worden afgetrokken en dat rente die voor het deel van de woning van de ex-partner wordt betaald eveneens als partneralimentatie aftrekbaar kan zijn.

Daarmee is de route nog niet veiliggesteld. De kwalificatie als alimentatie volgt niet uit het enkele gebruik van dat ‘etiket’, maar uit de juridische en feitelijke inhoud van de verplichting. Er moet een onderhoudsverplichting zijn, gedragen door behoefte en draagkracht. Dat volgt civielrechtelijk uit de aard van partneralimentatie en fiscaal uit de koppeling met uitgaven voor onderhoudsverplichtingen. Een kwalificatie als alimentatie is niet houdbaar wanneer zij uitsluitend wordt gekozen om renteaftrek te creëren, terwijl de betaling materieel niet voorziet in levensonderhoud maar in werkelijkheid een gebruiksvergoeding of vermogensrechtelijke verrekening vormt.

Daarbij verdient opmerking dat de alimentatieroute fiscaal niet neutraal uitwerkt. Zij veronderstelt aftrekbaarheid bij de betalende partij, maar daar staat in beginsel belastbaarheid bij de ontvangende partij tegenover. De betaling is aftrekbaar bij de betaler, maar belast bij de ontvanger. Bovendien is het aftrektarief voor bepaalde persoonsgebonden aftrekposten, waaronder partneralimentatie, in de afgelopen jaren beperkt. In situaties waarin de ontvanger progressief wordt belast en de betaler slechts tegen een beperkt tarief aftrek krijgt, kan het per saldo nadeliger zijn dan op het eerste gezicht lijkt.

Daarnaast moet rekening worden gehouden met de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. Ontvangen partneralimentatie en, afhankelijk van de kwalificatie, ontvangen woongenot kunnen tot het bijdrage-inkomen behoren. Dit aspect ontbreekt bij een zuivere gebruiksvergoeding, omdat die vergoeding niet als periodieke uitkering of verstrekking in de alimentatiesfeer wordt behandeld.

Woongenot als alimentatie

Een bijzonder aandachtspunt is het woongenot. Wanneer de vertrekkende mede-eigenaar toestaat dat de achterblijvende partner de gehele woning gebruikt, kan dat gebruik civielrechtelijk worden gezien als het gebruik van mede-eigendom. Fiscaal kan het verstrekken van woongenot onder omstandigheden echter ook onderdeel vormen van een onderhoudsverplichting.

De Belastingdienst benoemt deze vraag in de brochure over het echtscheidingsconvenant en de eigen woning: één van de aandachtspunten is of verstrekt en ontvangen woongenot als partneralimentatie kan worden opgevat. Dat is terecht. Als het woongenot wordt beschouwd als alimentatie in natura, kan dat gevolgen hebben voor zowel de aftrekpositie van de verstrekker als de belastbaarheid bij de ontvanger. Wordt het woongenot daarentegen behandeld als gebruik van mede-eigendom waarvoor een zakelijke gebruiksvergoeding verschuldigd is, dan blijft men buiten de alimentatiesfeer.

De alimentatieroute ziet in deze context dus niet uitsluitend op het rentedeel van de vertrekkende partner. Als het exclusieve gebruik van het aandeel van de vertrekkende partner zelf als alimentatie in natura wordt geduid, moet ook het verstrekte en ontvangen woongenot fiscaal worden verwerkt. Dat kan ertoe leiden dat de vertrekkende partner ter zake van het verstrekte woongenot een persoonsgebonden aftrekpost heeft, terwijl de achterblijvende partner het ontvangen woongenot als periodieke verstrekking in aanmerking moet nemen. Juist dit maakt de alimentatieroute administratief en fiscaal bewerkelijker dan de gebruiksvergoedingsroute.

Juist daarom moet in het convenant niet slechts worden opgenomen wie in de woning blijft wonen, maar ook op welke rechtsgrond dat gebruik berust. Is het gebruik onderdeel van de alimentatieafspraken, dan moet dat worden doorgerekend in behoefte en draagkracht. Is het gebruik een vermogensrechtelijke regeling tussen mede-eigenaren, dan ligt een gebruiksvergoeding meer voor de hand.

De gebruiksvergoeding bij echtscheidingen

Wordt de betaling als gebruiksvergoeding geduid, dan berust zij op een andere rechtsgrond dan alimentatie. De achterblijvende partner gebruikt de volledige woning, terwijl hij of zij slechts voor een gedeelte eigenaar is. Voor het gebruik van het aandeel van de vertrekkende partner kan een vergoeding worden overeengekomen. Die vergoeding is dan geen alimentatie, maar een zakelijke vergoeding voor het gebruik van mede-eigendom.

Alleen indien de vergoeding reëel, bepaalbaar en civielrechtelijk als gebruiksvergoeding is vormgegeven, blijft zij overtuigend buiten de alimentatiesfeer. Een symbolische of niet-onderbouwde vergoeding biedt minder bescherming tegen herkwalificatie. In dat geval kan discussie ontstaan of het gebruik niet toch onderdeel vormt van een onderhoudsverhouding, een interne verrekening of de bredere vermogensrechtelijke afwikkeling.

Deze wijze sluit civielrechtelijk vaak beter aan bij de feitelijke situatie. Partijen blijven mede-eigenaar, maar één van hen wordt tijdelijk uitgesloten van feitelijk gebruik. Een vergoeding daarvoor ligt voor de hand, zeker wanneer de woning nog niet is verkocht of toegedeeld en de vertrekkende partner wel vermogensrechtelijk aan de woning verbonden blijft.

Fiscaal is het belangrijkste voordeel dat een zuivere gebruiksvergoeding in beginsel buiten de alimentatiesfeer blijft. Zij is bij de betaler niet aftrekbaar als partneralimentatie en bij de ontvanger niet belast als periodieke uitkering. De vergoeding is in beginsel een vermogensrechtelijke vergoeding voor gebruik van een goed. Daardoor wordt vermeden dat het woongenot kunstmatig in de onderhoudssfeer wordt getrokken.

Deze benadering vindt steun in onderdeel 4.1 van het besluit van 24 november 2009. Daarin is bevestigd dat de echtscheidingsregeling van art. 3.111 lid 4 Wet IB 2001 ook toepassing kan vinden indien de vertrekkende partner-eigenaar de voormalige eigen woning verhuurt aan de ex-partner. Beslissend is dat de woning de gewezen partner anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. De tijdelijke verhuurregeling van art. 3.111 lid 7 en art. 3.113 Wet IB 2001 is dan niet aan de orde. Voor de renteaftrek geldt bovendien dat de betaalde hypotheekrente niet hoeft te worden gesaldeerd met de huur- of gebruiksvergoeding, omdat die vergoeding niet een directe vergoeding voor rente vormt, maar een vergoeding voor het gebruik van de woning.

De gebruiksvergoeding lost het renteprobleem echter niet vanzelf op. De hypotheekrente moet afzonderlijk worden toegerekend. Ieder behoudt in beginsel zijn eigen aandeel in de eigenwoningschuld en de daarop betrekking hebbende renteaftrek, zolang de woning voor die persoon nog onder de eigenwoningregeling valt en de rente op hem of haar drukt. Betaalt de achterblijvende partner feitelijk de volledige rente aan de bank, dan moet worden vastgelegd of hij dat doet namens beide partijen, of dat hij het aandeel van de ander definitief voor eigen rekening neemt. Alleen in het eerste geval kan worden betoogd dat de rente uiteindelijk bij de vertrekkende partner blijft drukken, bijvoorbeeld via verrekening met de gebruiksvergoeding of via een onderlinge draagplicht.

De kern is dus dat de gebruiksvergoeding administratief en juridisch gescheiden blijft van de hypotheekrente. Een globale afspraak dat de achterblijvende partner ‘alle lasten betaalt’ is onvoldoende. Die afspraak kan fiscaal juist averechts werken, omdat zij suggereert dat de vertrekkende partner zijn aandeel in de rente niet meer draagt.

De hoogte van de gebruiksvergoeding

Een gebruiksvergoeding moet zakelijk te onderbouwen zijn. De meest voor de hand liggende benadering is aansluiting bij de economische huurwaarde van de woning, vermenigvuldigd met het aandeel van de vertrekkende partner. Is de woning bijvoorbeeld gezamenlijk eigendom bij helfte, dan kan een vergoeding worden bepaald op 50% van een zakelijke huurwaarde, eventueel gecorrigeerd voor eigenaarslasten, onderhoud, financieringslasten en afspraken over verkoop of toedeling.

Die zakelijkheid is niet alleen praktisch, maar ook fiscaal relevant. Is de vergoeding te laag of ontbreekt zij geheel terwijl partijen over en weer vermogensrechtelijke aanspraken prijsgeven, dan kan de vraag opkomen of sprake is van bevoordeling. Voor de schenkbelasting is daarvoor vereist dat sprake is van een schenking of gift. Verrijking van de één, verarming van de ander en vrijgevigheid.

Niet iedere vorm van gratis gebruik leidt echter tot een schenking. Niet iedere vorm van gratis gebruik leidt overigens zonder meer tot een schenking. Uit rechtspraak over het gedogen van gratis woninggebruik volgt dat daarvoor in ieder geval verrijking, verarming en vrijgevigheid vereist zijn. Die lijn mag bij echtscheiding echter niet te ruim worden gelezen. Een vrijblijvende gedoogsituatie is iets anders dan een in een convenant vastgelegde afspraak waarbij één partner voor langere tijd exclusief gebruik krijgt van een gemeenschappelijk vermogensbestanddeel en de ander feitelijk van gebruik wordt uitgesloten. Juist daarom verdient het aanbeveling om de keuze duidelijk te maken. Of een zakelijke gebruiksvergoeding, of een duidelijke verwerking in alimentatie, draagplicht, overbedeling of de algehele vermogensrechtelijke afwikkeling.

Samenloop met draagplicht en interne verrekening

Bij mede-eigendom en gezamenlijke financiering moeten drie zaken worden onderscheiden:

  1. de externe verhouding tot de bank, wie is schuldenaar en wie betaalt feitelijk?
  2. de interne draagplicht tussen partijen, voor wiens rekening komt welk deel van de rente en aflossing?
  3. de fiscale verwerking: wie heeft recht op renteaftrek, wie geeft eigenwoningforfait aan en is sprake van alimentatie of gebruiksvergoeding?

In echtscheidingsconvenanten worden die zaken vaak vermengd. Een betaling aan de bank zegt niets definitiefs over de interne draagplicht. Een betaling van de achterblijvende partner kan bijvoorbeeld een betaling namens beide partijen zijn, waarna de vertrekkende partner zijn aandeel via verrekening draagt. Maar dezelfde betaling kan ook betekenen dat de achterblijvende partner het aandeel van de vertrekkende partner definitief overneemt. In dat laatste geval drukt de rente niet langer op de vertrekkende partner.

Hier ligt ook het belang van de civielrechtelijke context die in de literatuur telkens terugkomt. Fiscale gevolgen kunnen niet los worden gezien van het onderliggende vermogensregime. Bij huwelijksgemeenschap, huwelijkse voorwaarden, mede-eigendom en verrekenbedingen moet steeds worden vastgesteld welk vermogen tot wie behoort en welke vorderingen of schulden tussen partijen ontstaan. Daarbij wordt benadrukt bij boedelafwikkeling dat zowel omvang als samenstelling van het vermogen afhankelijk zijn van het huwelijksvermogensregime en dat bij huwelijkse voorwaarden of ongehuwd samenwonen het duiden van privé- en gemeenschappelijk vermogen bijzonder lastig kan zijn. Vorenstaande geldt ook tijdens leven bij echtscheiding.

De tweejaarstermijn is geen planningstermijn

De tweejaarstermijn van art. 3.111 lid 4 Wet IB 2001 wordt in de praktijk soms behandeld alsof partijen twee jaar de tijd hebben om ‘later wel te zien’ wat er met de woning gebeurt. De regeling is een tijdelijke tegemoetkoming. Na afloop van de termijn verliest het aandeel van de vertrekkende partner in beginsel de kwalificatie eigen woning. Dat aandeel verschuift dan naar box 3, evenals de daarmee samenhangende schuld. De rente is voor dat aandeel niet langer aftrekbaar als eigenwoningrente.

De Belastingdienst bevestigt dit in praktische zin, woont de ex-partner in de koopwoning waarvan men nog eigenaar is, dan valt de woning nog twee jaar onder de eigenwoningregeling. Na die periode valt het aandeel in de woning en de daarmee samenhangende schuld in box 3.

Daarom moet het convenant niet alleen de tijdelijke bewoning regelen, maar ook het eindscenario. Wordt de woning verkocht? Wordt zij toegedeeld aan de achterblijvende partner? Wordt de financiering herzien? Wat gebeurt er als de bank ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid weigert? En hoe worden rente, aflossing, eigenaarslasten en gebruiksvergoeding verwerkt zolang dat eindscenario nog niet is gerealiseerd?

Fiscaal partnerschap en aangiftekeuze

In het jaar van scheiding kunnen partijen onder voorwaarden kiezen om het gehele jaar als fiscale partners te worden behandeld. Die keuze kan nuttig zijn voor de verdeling van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen, waaronder het saldo van eigenwoningforfait en aftrekbare eigenwoningrente

Die aangiftekeuze kan niet worden ingezet om eerdere onjuiste of onvolledige afspraken te corrigeren. Zij kan niet bewerkstelligen dat rente die niet op een partner drukt, toch bij die partner aftrekbaar wordt. Evenmin kan zij van een gebruiksvergoeding alsnog alimentatie maken of omgekeerd. De aangifte volgt de civielrechtelijke en economische werkelijkheid, zij schept die werkelijkheid niet.

Praktische uitwerking in het convenant

Een fiscaal solide convenant maakt onderscheid tussen eigendom, schuld, rente, gebruik, alimentatie en verrekening. Daarbij moet in ieder geval worden vastgelegd:

  1. in welke verhouding partijen eigenaar zijn van de woning;
  2. in welke verhouding partijen intern draagplichtig zijn voor de eigenwoningschuld;
  3. wie de hypotheekrente feitelijk betaalt;
  4. op wie de rente uiteindelijk drukt;
  5. of de betaling van het aandeel van de ander kwalificeert als alimentatie, voorschot, verrekening of regrespost;
  6. of de achterblijvende partner een gebruiksvergoeding verschuldigd is;
  7. hoe de gebruiksvergoeding is berekend;
  8. of en hoe de gebruiksvergoeding wordt verrekend met rente, eigenaarslasten of alimentatie;
  9. hoe lang de tijdelijke regeling geldt;
  10. wat gebeurt na verkoop, toedeling, herfinanciering of afloop van de tweejaarstermijn.

Het verdient aanbeveling in het convenant niet te spreken over ‘woonlasten’ zonder nadere uitsplitsing. Onder woonlasten kunnen hypotheekrente, aflossing, premies, eigenaarslasten, gebruikerslasten, onderhoud, verzekeringen, belastingen en gebruiksvergoeding vallen. Elk van die posten kan fiscaal anders worden behandeld.

Beoordeling van de meest aangewezen benadering

De wijze van alimentatie is passend indien de betaling daadwerkelijk voortvloeit uit een onderhoudsverplichting. Dat vereist een onderbouwing van behoefte en draagkracht. Zij kan praktisch zijn wanneer de vertrekkende partner zijn of haar rentedeel niet kan dragen en de achterblijvende partner dat aandeel in het kader van alimentatie voldoet. Deze wijze heeft als nadeel dat de betaling belast is bij de ontvanger en slechts onder voorwaarden aftrekbaar is bij de betaler.

De wijze van de gebruiksvergoeding verdient in veel gevallen de voorkeur wanneer het zwaartepunt niet ligt bij onderhoud, maar bij het exclusieve gebruik van een gemeenschappelijk vermogensbestanddeel. Zij sluit civielrechtelijk beter aan bij de mede-eigendomsverhouding en voorkomt dat woongenot kunstmatig in de alimentatiesfeer wordt getrokken. Wel moet de renteaftrek afzonderlijk worden beoordeeld. Een gebruiksvergoeding neemt niet weg dat voor renteaftrek afzonderlijk moet zijn voldaan aan het drukkingsvereiste voor eigenwoningrente. Kort gezegd: de alimentatieroute ziet op levensonderhoud, de gebruiksvergoedingsroute ziet op gebruik van vermogen.

Noot fiscaal jurist inzake echtscheiding en eigen woning

De fiscale behandeling van de gezamenlijke eigen woning na scheiding staat of valt met kwalificatie. Niet de praktische betaling aan de bank is beslissend, maar de onderliggende civielrechtelijke en economische verhouding. Wie is eigenaar? Wie is schuldenaar? Wie draagt de rente? Wie gebruikt het aandeel van de ander? En is een betaling bedoeld als alimentatie, gebruiksvergoeding of interne verrekening?

Partijen kunnen in de praktijk zowel werken met partneralimentatie als met een gebruiksvergoeding. Beslissend is echter niet welke benadering achteraf fiscaal het meest aantrekkelijk lijkt, maar welke kwalificatie voortvloeit uit de feiten en de gemaakte afspraken in het convenant. Gaat het materieel om onderhoud, dan kan partneralimentatie fiscaal effect hebben, mits behoefte en draagkracht reëel en onderbouwd zijn. Gaat het daarentegen om gebruik van een gemeenschappelijk vermogensbestanddeel, dan ligt een zakelijke gebruiksvergoeding meer voor de hand.

De zorgvuldige benadering is daarom niet ‘de achterblijvende partner betaalt de woonlasten.’ De juist benadering is specifiek bepalen welke betaling waarop ziet, wie economisch wordt belast en hoe dat fiscaal wordt verwerkt. Alleen dan blijft de eigenwoningrente aftrekbaar waar zij thuishoort en wordt voorkomen dat woongenot, rente en alimentatie door elkaar gaan lopen.

Bronnen

  1. Art. 3.111, 3.119a, 3.120, 3.112, 2.17 en 6.3 Wet IB 2001.
  2. Belastingdienst, Het echtscheidingsconvenant en de eigen woning – fiscale aandachtspunten.
  3. Belastingdienst, Aftrek betaalde partneralimentatie en andere onderhoudsverplichtingen, fiscale informatie 2024.
  4. Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 24 november 2009, nr. CPP2009/2342M, Stcrt. 2009, 18386, onderdeel 4.1.
  5. TaxLive, Fiscale aspecten alimentatieroute en gebruiksvergoedingsroute bij scheiding.
  6. A.R. Autar e.a. red., Compendium Estate Planning, 12e druk, Den Haag: Sdu 2025.
  7. B.B.A. de Kroon, “Gedogen gebruik woning is geen schenking”, NTFR 2014/976.

Vragen over fiscale gevolgen bij echtscheiding

Bedrijfsnaam

*

Naam

*

Aantal medewerkers

Bent u tevreden over uw belastingadviseur :

Wilt u een vrijblijvende offerte / advies ontvangen?

Opmerkingen/vragen

Ja, ik ga akkoord met de verwerking van mijn gegevens. Jongbloed Fiscaal Juristen NV mag mij per e-mail info sturen en mijn persoonlijke gegevens gebruiken om mijn interessegebieden vast te stellen zoals hier beschreven, en ik ben me ervan bewust dat ik op elk moment mijn toestemming kan intrekken.

Deel deze pagina

Laatste update op 27-05-2026
Artikel gemaakt op 27-05-2026
Dit artikel (of blog of voorbeeldovereenkomst) is met aandacht en zorgvuldigheid geschreven, maar bevat informatie van algemene en informatieve aard. De informatie in dit artikel kan, afhankelijk van de omstandigheden van uw specifieke geval, niet of verminderd van toepassing zijn. De informatie in dit artikel dient derhalve niet als fiscaal/juridisch advies te worden beschouwd. Jongbloed Fiscaal Juristen N.V., haar medewerkers en of haar vestigingen/deelnemingen aanvaarden dan ook geen enkele aansprakelijkheid voor de gevolgen van het gebruik van de informatie uit het artikel.
U bevindt zich hier : Jongbloed Fiscaal Juristen Kennisbank Echtscheiding en fiscus Gezamenlijke eigen woning na echtscheiding

Jongbloed Fiscaal Juristen - Disclaimer - Zoeken - Sitemap