vertaal/translate print sitemap zoeken disclaimer contact

Duitsland

Wonen in Duitsland en bedrijf in Nederland, wat zijn de fiscale gevolgen?

In dit artikelen behandelen wij een casus die voorlag bij het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 25 maart 2026 ECLI:NL:GHSHE:2026:806. Een belastingadviseur woonde in Nederland en drijft een onderneming in Nederland. Het Hof is van mening dat de belastingadviseur geen recht heeft op zelfstandigenaftrek.

Belastingadviseur in Duitsland verliest zelfstandigenaftrek

Een voormalig advocaat — we noemen hem X — nu werkzaam als belastingadviseur vanuit Nederland terwijl hij in Duitsland woont, vecht bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch onder andere voor zijn zelfstandigenaftrek over 2013 en 2014. De uitspraak is met name om één reden principieel interessant: het Hof laat de inspecteur een nabestaandenpensioen dat onder artikel 17 lid 1 van het verdrag Nederland-Duitsland exclusief aan Duitsland is toegewezen — en daarmee verdragrechtelijk niet eens in de Nederlandse grondslag thuishoort — gebruiken als interne-compensatiemunt om een fout van de inspecteur in het voordeel van X niet volledig te hoeven terugdraaien. Daarnaast: X verliest zijn zelfstandigenaftrek en zijn premieplichtstrijd door eigen slordigheid — hij slaagt er niet in iets aannemelijk te maken. En een flink pak stukken dat hij ter zitting op tafel legt, belandt als tardief (te laat) in de prullenbak.

Belastingadvies kantoor in Nederland en wonen in Duitsland

De zaak heeft veel aanloop. X was tot augustus 2006 werkzaam als advocaat. Hij hield sinds 1994 de aandelen in een door hem opgerichte B.V. waarin taxibedrijven werden geëxploiteerd. Die B.V. ging in 2003 failliet wegens gebrek aan baten. In 2004 volgde het faillissement van X zelf, in 2007 dat van de Stichting Derdengelden die hij in 1996 ten behoeve van zijn advocatenpraktijk had opgericht.
De curator stelde vervolgens vast dat in de periode 2001-2004 ruim €1 miljoen vanaf de derdengeldrekening was overgeboekt naar privérekeningen en aan X gelieerde vennootschappen — betalingen die niets met het doel van een derdengeldrekening te maken hadden. In 2007 sloot de curator namens X met de inspecteur een vaststellingsovereenkomst over zijn belastingschuld 1993-2005. Later werd zijn medebestuurder van de Stichting aansprakelijk gesteld en verhaalde die zich vervolgens op X voor €121.154. X betaalt daarop jaarlijks €3.813 af via loonbeslag. Die betalingen wilde hij ook nog zonder succes aftrekbaar maken.

Anders dan in Duitsland, waar Steuerberater een wettelijk beschermde en streng gereguleerde titel is, is ‘belastingadviseur’ in Nederland geen beschermde titel. Wie hier een eenmanszaak opent en zich ‘fiscaal adviseur’ noemt, mag dat. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de rechters redelijk kritisch op X waren, mogelijk gezien zijn optreden in het maatschappelijk verkeer.

Wonen in Duitsland, kantoor in Nederland, aangifte als binnenlands belastingplichtige

X woont sinds enige jaren in Duitsland en drijft vanuit Nederland een eenmanszaak in fiscaal advieswerk. Opvallend: zijn aangiften IB/PVV dient hij in als binnenlands belastingplichtige, mét zelfstandigenaftrek. Waarom X een aangiftebiljet voor binnenlandse belastingplichtigen gebruikte is niet helemaal duidelijk. Het Hof stelt wel feitelijk vast dat X in Duitsland woonde (r.o. 2.1 en 4.10). Die vaststelling is niet zonder belang. Pas toen partijen het eens waren dat Duitsland zijn woonstaat was, werd duidelijk dat het nabestaandenpensioen (€7.517 per jaar, dus ruim onder de €15.000-grens) onder artikel 17 lid 1 van het verdrag exclusief aan Duitsland toekwam en geheel uit de Nederlandse aanslag moest verdwijnen.

Premieplicht volksverzekeringen bij wonen in Duitsland en bedrijf in Nederland

Voor de premieplicht volksverzekeringen werkt het net anders. Die hangt onder Verordening (EG) 883/2004 niet af van het woonland, maar van het land waar de werkzaamheden worden verricht. Uitzondering: degene die in meerdere lidstaten werkt, is premieplichtig in de woonstaat als hij daar een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht — blijkens artikel 14, lid 8, Vo 987/2009 indicatief ten minste 25%. Die 25%-route probeerde X (r.o. 4.12), maar het aannemelijk-maken strandde op dezelfde klip als bij de zelfstandigenaftrek: hij onderbouwde de gestelde Duitse werkzaamheden onvoldoende. Resultaat: premieplicht in Nederland. De inspecteur volgt aanvankelijk de aangifte. Pas later ontdekt hij dat een aantal posten niet klopt, waaronder het nabestaandenpensioen van €7.517 (2012 en 2013) en €7.625 (2014). Bij uitspraak op bezwaar corrigeert hij dat — maar niet voor het volledige bedrag. Bij het Hof botst dat.

Zelfstandigenaftrek bij wonen in Duitsland en werken in Nederland

Ook de zelfstandigenaftrek kwam onder vuur. De bewijslast dat aan het urencriterium (1.225 uur) is voldaan, rust op belanghebbende. Een sluitende urenregistratie is behulpzaam maar niet strikt noodzakelijk; aannemelijk maken mag ook op andere wijze. X kiest voor de cijfermatige route. Zijn omzet zou €59.837 in 2013 zijn en €78.948 in 2014; met een uurtarief van €30 leidt dat volgens hem tot 1.995 respectievelijk 2.631 uren — dus ruim boven de norm. Hier snijdt X zichzelf herhaaldelijk in de vingers. In zijn beroepschrift noemt hij een uurtarief van €32,50. In hoger beroep wordt dat €30. Ter zitting verklaart hij dat hij helemaal geen uurtarief hanteerde, maar werkte met vaste tariefafspraken per cliënt. Zijn omzetcijfers schuiven ook: eerst €91.797 in 2013 en €80.888 in 2014, later andere bedragen. De rittenstaten die hij overlegt ter onderbouwing van zijn reistijd, starten pas op 30 augustus 2014 en bevatten telkens afgeronde, gelijke afstanden.

Het Hof oordeelt droog: de omzet is geen betrouwbare maatstaf omdat de bedragen die X noemt steeds verschillen, een vast uurtarief blijkt er niet te zijn geweest, en de rittenstaten zijn niet sluitend en dekken slechts een deel van de relevante periode. Geen aannemelijkheid, geen zelfstandigenaftrek over 2013 en 2014.

Interne compensatie bij wonen in Duitsland en werken in Nederland

De inspecteur gaat ook niet helemaal vrijuit. Hij had immers de aangiften van X grotendeels gevolgd: binnenlandse belastingplicht, zelfstandigenaftrek geaccepteerd, een dotatie van €27.500 aan een voorziening ‘Beroepsaansprakelijk’ gehonoreerd, én het nabestaandenpensioen van €7.517 (2012 en 2013) respectievelijk €7.625 (2014) in de Nederlandse grondslag betrokken. Dat waren, zo bleek achteraf, twee fouten die de aanslag te laag maakten (aftrek en voorziening) en één fout die de aanslag te hoog maakte (pensioen).
In de bezwaarfase doet de inspecteur vervolgens iets opmerkelijks.

Hij herstelt zijn pensioenfout — terecht —, maar niet volledig: tegelijkertijd trekt hij de zelfstandigenaftrek- en voorziening-fout alsnog recht in zijn eigen voordeel. Netto blijft de aanslag hoger dan zou volgen uit louter de pensioencorrectie. X verzet zich.

  • Ten eerste: interne compensatie mag niet over inkomsten die verdragrechtelijk volledig aan Duitsland zijn toegewezen — die vallen buiten de rechtsmacht van de inspecteur en zouden eigenlijk niet eens in de aangifte zijn opgenomen.
  • Ten tweede: als interne compensatie al is toegestaan, dan hooguit tot het bedrag dat in Duitsland daadwerkelijk is belast (€2.604).

Het Hof veegt beide argumenten in één beweging weg. Interne compensatie wordt niet per post beoordeeld, maar op het niveau van de gehele aanslag. Zolang de aanslag per saldo niet te hoog is, mag de inspecteur binnen diezelfde aanslag posten tegen elkaar wegstrepen.

  • Het Hof in r.o. 4.8: “De omstandigheid dat het inkomensbestanddeel dat gecompenseerd wordt niet in de heffing had mogen worden betrokken, maakt dat niet anders.” Dit is best scherp. Normaal zitten er plus- en minposten in een aangiften en mag de inspecteur deze met elkaar verrekenen. Het Hof staat de inspecteur hier toe ook te compenseren met een post die eigenlijk ten onrechte in de aangifte staat. Of er cassatie volgt, is op het moment van schrijven nog niet bekend.

Digitale inspecteur en tardieve stukken: de 10-dagentermijn blijft de 10-dagentermijn

Het proces was niet alleen complex en chaotisch qua jaren en onderwerpen. Ook de zitting op 15 januari 2026 was bijzonder: X was fysiek aanwezig in ’s-Hertogenbosch, beide inspecteurs deden mee via een beeld- en geluidverbinding. In die setting legt X ter zitting een pleitnota met een stapel bijlagen op tafel: Duitse bankafschriften met betalingen van Einkommensteuer 2013 en 2014, én afschriften van de Duitse Berechnungen Einkommensteuer over diezelfde jaren.

Het Hof splitst de stapel. De bankafschriften worden nog toegelaten — de inspecteur krijgt twee weken om er schriftelijk op te reageren. De Duitse aanslagbescheiden (Berechnungen) worden als tardief (te laat) geweigerd op grond van artikel 8:58 Awb en het leerstuk van de goede procesorde. De redenering is scherp: X had onderdelen van deze stukken al integraal in zijn hoger beroepschrift gekopieerd. Hij had ze dus al tijdens het opstellen van dat beroepschrift in huis. Daarmee had hij ze uiterlijk tien dagen vóór de zitting moeten overleggen, en gaf ter zitting geen verklaring waarom hij dat niet had gedaan.

Hetzelfde lot treft de nieuwe standpunten die X ter zitting opwerpt — een beroep op het vertrouwensbeginsel en het recht op een eerlijk proces. Ook die worden als tardief afgewezen: ze breiden de rechtsstrijd uit, vergen feitelijk onderzoek, en de inspecteur kan er niet zonder voorbereiding op reageren.

Kanttekening: op welke grondslag zit de inspecteur hier digitaal?

De formele regels voor de belastingrechtspraak gaan nog steeds uit van fysieke verschijning. Paragraaf 2.1 van het Besluit Beroep in Belastingzaken (BBIB) instrueert de Belastingdienst helder:

  • “De inspecteur verschijnt altijd ter zitting wanneer hij een oproep voor de mondelinge behandeling van het beroepschrift heeft ontvangen.” De Procesregeling belastingkamers gerechtshoven 2022 (Stcrt. 2022, 3694) spreekt in artikel 18 van een oproeping ‘om in persoon dan wel bij gemachtigde ter zitting te verschijnen’ — zonder enige verwijzing naar beeld- en geluidverbinding of videozittingen. De wettelijke grondslag die videodeelname tijdens corona wél expliciet toeliet — artikel 2 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid en de daarop gebaseerde Tijdelijke algemene regeling zaaksbehandeling Rechtspraak — is inmiddels vervallen.

Het Hof gaat in r.o. 1.6 niet in op de grondslag waarop de twee inspecteurs in deze zaak digitaal konden deelnemen; het vermeldt slechts feitelijk dat zij dat deden. De enige algemene escape in de Procesregeling is artikel 21: het gerechtshof kan op grond van bijzondere omstandigheden van de regeling afwijken. Wat die bijzondere omstandigheden hier waren, blijkt niet uit de uitspraak.
Dat wringt, zeker omdat de tardief-weigering niet het hele pak bijlagen trof. Een deel werd toegelaten — maar daarvoor schorste het Hof de behandeling zodat de inspecteur er na de zitting nog naar kon kijken. Ik vraag mij af of hij dat niet meteen ter zitting had kunnen doen als hij fysiek aanwezig was geweest. Een ander deel werd geweigerd als tardief.

Noot fiscaal jurist, wat leren we van deze uitspraak?

  1. Interne compensatie gaat over de hele aanslag — zelfs exclusieve toewijzing biedt geen bescherming. Dit is de kern van deze uitspraak. Zelfs een inkomenspost die onder artikel 17 lid 1 van het verdrag NL-DE exclusief aan Duitsland is toegewezen — waar de bronstaatuitzondering van lid 2 niet aan de orde komt omdat het totaalbedrag onder €15.000 per jaar blijft, en die Nederland verdragrechtelijk niet eens in de grondslag had mogen opnemen — kan binnen de Nederlandse aanslag als compensatiemunt dienen voor een aftrek die de inspecteur ten onrechte heeft verleend. Het Hof kijkt niet per post, maar naar de aanslag als geheel. Wijst u de inspecteur op een fout in uw voordeel? Tel dán eerst hoeveel ‘uw-fouten’ er in diezelfde aanslag verscholen zitten.
  2. De 10-dagentermijn is hard — ook, en misschien juist, bij digitale zittingen. Stukken die u uit strategie of traagheid bewaart voor de zittingstafel, belanden vaker dan ooit in de prullenbak. Hetzelfde geldt voor nieuwe standpunten die u dáár voor het eerst opwerpt. Een inspecteur die via een scherm meedoet, kan ter zitting niets doorbladeren — en dat maakt de rechter voor mijn gevoel strenger, niet soepeler.
  3. De rode draad — X verliest driemaal op dezelfde klip: aannemelijk maken. Zijn uren voor de zelfstandigenaftrek: niet aannemelijk (wisselende tarieven, wisselende omzetten, rittenstaten pas vanaf augustus 2014 met steeds afgeronde afstanden). Zijn substantiële werkzaamheden in Duitsland voor de premieplichtroute van artikel 13 Verordening 883/2004: niet aannemelijk (alleen gedeelten van een Duits boekenonderzoek en kopieën uit Duitse Berechnungen, zonder onderbouwing waar de omzetbedragen op zien). Zijn ter zitting opgeworpen beroep op het vertrouwensbeginsel: niet aannemelijk (geen onderbouwing dat de inspecteur in strijd met enig beginsel handelde, én tardief). Dezelfde klip, drie keer.

Meer informatie of een second opinion?

Voor vragen over grensoverschrijdende ondernemerschap: mr. E.D.H. (Eric) van Nugteren, fiscaal jurist verbonden aan Jongbloed Fiscaal Juristen N.V. (Duitsland-desk). E-mail: e.vannugteren@jongbloed.tv.

Vragen over grensoverschrijdende fiscale vraagstukken Nederland - Duitsland? Vraag gerust een offerte !

Bedrijfsnaam

*

Naam

*

Aantal medewerkers

Bent u tevreden over uw belastingadviseur :

Wilt u een vrijblijvende offerte / advies ontvangen?

Opmerkingen/vragen

Ja, ik ga akkoord met de verwerking van mijn gegevens. Jongbloed Fiscaal Juristen NV mag mij per e-mail info sturen en mijn persoonlijke gegevens gebruiken om mijn interessegebieden vast te stellen zoals hier beschreven, en ik ben me ervan bewust dat ik op elk moment mijn toestemming kan intrekken.

Deel deze pagina

Laatste update op 28-04-2026
Artikel gemaakt op 28-04-2026
Dit artikel (of blog of voorbeeldovereenkomst) is met aandacht en zorgvuldigheid geschreven, maar bevat informatie van algemene en informatieve aard. De informatie in dit artikel kan, afhankelijk van de omstandigheden van uw specifieke geval, niet of verminderd van toepassing zijn. De informatie in dit artikel dient derhalve niet als fiscaal/juridisch advies te worden beschouwd. Jongbloed Fiscaal Juristen N.V., haar medewerkers en of haar vestigingen/deelnemingen aanvaarden dan ook geen enkele aansprakelijkheid voor de gevolgen van het gebruik van de informatie uit het artikel.
U bevindt zich hier : Jongbloed Fiscaal Juristen Landendesk Landeninformatie Duitsland Wonen in Duitsland met bedrijf in Nederland

Jongbloed Fiscaal Juristen - Disclaimer - Zoeken - Sitemap