print sitemap zoeken disclaimer contact

Hoge Raad kraakt box 3 per 2017

De Hoge Raad heeft in december 2021 geoordeeld dat het box 3-systeem zoals dat geldt per 2017, niet door de beugel kan. Het gebruikmaken van forfaits en ficties leidt er in de huidige vorm toe, dat ongelijke belastingplichtigen in te hoge mate gelijk worden behandeld. Belastingplichtigen die worden geconfronteerd met een belastingdruk die hoger is dan het rendement dat zij hebben behaald, hebben daarom recht op compensatie. De Hoge Raad heeft in deze compensatie zelf voorzien door de belastingheffing om te buigen naar het werkelijk rendement. In dit artikel een uitgebreide toelichting op deze zaak; van A-tot-Z.

Stand van zaken per 21 oktober 2022

Het Gerechtshof Den Haag heeft op 28 september 2021 geoordeeld dat geen sprake is van een buitensporige last als er voldoende financiele middelen zijn (inkomen en vermogen) en de belastingplichtige niet inteert op zijn eigen vermogen. In dit geval was er voldoende inkomen (€ 56.000) en was de box 3 heffing niet hoger dan het werkelijke rendement over het vermogen. Deze casus zag op de situatie in 2016 maar ook in 2017. De Hoge Raad heeft de zaak (via artikel 81 lid 1 RO) ongegrond verklaard (voor belastingplichtige). Dit is een opmerkelijke uitspraak !

Stand van zaken per 10 juli 2022

In een brief van de staatssecretaris van Financien wordt ingegaan op de mogelijke vormgeving en overwegingen bij de volgende scenario’s:

  1. Geen rechtsherstel voor niet-bezwaarmakers;
  2. Volledig rechtsherstel voor niet-bezwaarmakers; of
  3. Gedeeltelijk rechtsherstel voor niet-bezwaarmakers, waarbij verschillende mogelijkheden zijn uitgewerkt.

Als iedereen tegemoet wordt gekomen zou dit 7 miljard euro kosten. Omdat het juridisch niet verplicht is om niet bezwaarmakers te compenseren (aldus de Hoge Raad, zie hieronder) lijkt dit een illusie. Het kabinet zal kiezen tussen optie 1 en 3, aldus de doctrine (er is simpelweg door de hoge inflatie, koopkracht herstel maatregelen, corona compensatie, etc. geen geld). Ook zal er worden gekeken naar de uitvoerbaarheid van een maatregel binnen de belastingdienst. Tijdens prinsjesdag zal er meer bekend worden en wellicht al iets eerder. Dien in ieder geval tijdens een verzoek ambtshalve vermindering in.

Status box 3 per 30 juni 2022

Op 30 juni heeft de staatssecretaris van financien het besluit rechtsherstel box 3 bekend gemaakt. In dit besluit worden de gevolgen van het kerstarrest berekend volgens de forfaitaire spaarvariant. Dit besluit geldt voor alle mensen die tijdig bezwaar hebben gemaakt of waarvan op 24 december 2021 de aanslag nog niet onherroepelijk vaststond. De nieuwe berekening voor box 3 zal in 4 stappen plaatsvinden:

  1. Verdelen bezittingen en schulden in 3 categorien (a) bank (b) overige zoals beleggingen (c) schulden
  2. Berekenen van het rendement per categorie (onderstaande tabel). Nadat dit is berekend wordt het gezamenlijke rendement vastgesteld (dus per categorie x percentage). Categorie 1 en 2 dan verminderen met 3.
  3. Berekenen rendementspercentage
  4. Berekenen nieuwe box 3 inkomen
  categorie 1    categorie 2   categorie 3 
2017   0,25%  5,39%  3,43%
2018  0,12%  5,38%  3,2%
2019  0,08%  5,59%  3,0%
2020  0,04%  5,28%  2,74%
2021  0,01%  5,69%  2,46%
2022  onbekend onbekend  onbekend
       

Status box 3 per 20 mei 2022

Te laat is te laat. Als er een verzoek wordt gedaan om een ambtshalve vermindering (dus bezwaar buiten de wettelijke termijn van 6 weken) van het box 3 vermogen zal dit worden afgewezen. De Hoge Raad heeft op 20 mei 2022 in een arrest aangegeven dat dit rechtsgeldig is omdat de onjuistheid van de aanslagen volgt uit nieuwe jurisprudentie. Hierbij is van belang dat de minister na het bekende "kerst arrest box 3" niet bekend heeft gemaakt dat mag worden afgeweken van artikel 45aaa uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. In dit wetsartikel staat als voorwaarde voor een ambtshalve vermindering dat deze niet mag berusten op nieuwe jurisprudentie.

Status box 3 per 1 mei 2022

Uit de kamerbrief van 28 april 2022 valt het volgende op te maken:

  • De 60.000 spaarders die bezwaar hebben gemaakt tegen de te hoge belastingheffing over hun vermogen (sinds 2017) krijgen voor 4 augustus 2022 automatisch uitbetaald.
  • De mensen die te laat of geen bezwaar hebben gemaakt moeten wachten op een arrest van de Hoge Raad, dit wordt in de tweede helft van 2022 verwacht.
  • Aanslagen over 2017 tot en met 2021 (en 2022) die nog niet zijn opgelegd of wel zijn opgelegd maar nog niet onherroepelijk vaststonden worden afgewikkeld volgens de forfaitaire spaarvariant.

Adviezen aan kabinet over box 3

Uit diverse stukken - welke zijn opgevraagd door Pieter Omtzigt over de heffing in box 3 - volgt dat er nimmer is gekeken naar een strijdigheid van Box 3 met het EVRM. Dit is bijzonder !

Nieuws box 3 heffing voor 2017

De uitspraak van de Hoge Raad ziet op de box 3 heffing vanaf 2017. In een rechtbank in april 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:3300) blijft de aanslag over box 3 in 2016 gewoon in stand.

Nieuws april 2022 beleggen in box 3

In een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden in april 2022 ging het over beleggingen in box 3. Wat is dan het werkelijke rendement? Volgens het Gerechtshof is nog niet gerealiseerde koerswinst geen rendement. Dit geldt dus voor winsten en verliezen. Het gaat dus om het nominaal gerealiseerde rendement.

De bestreden box 3-aanslagen over 2017 en 2018

Het betreft een zaak over de belastingjaren 2017 en 2018. Over deze jaren is het zo dat de belastingheffing in box 3 gebaseerd is op een groot aantal ficties en forfaits. De box 3-belasting van deze belastingplichtige is berekend over een grondslag van € 977.077 (2017) en € 998.081 (2018). Wij laten de verdeling van het box 3-vermogen onder partners verder buiten behandeling in dit artikel.

De totale belastingheffing in box 3 bedroeg in 2017 € 12.705 en in 2018 € 11.969. Het werkelijke rendement bedroeg echter slechts € 6.612 (2017) en € 3.528 (2018). Oftewel: er is meer belasting betaald dan er rendement is gemaakt. De belastingplichtige gaat tegen deze aanslagen in bezwaar en vervolgens in beroep. Hierna bespreken wij eerst de box 3-systematiek per 2017 en daarna het standpunt van de belastingplichtige. Daarna gaan wij in op de uitspraak van de rechtbank, de conclusie van de advocaat-generaal en de uitspraak van de Hoge Raad.

Het box 3-systeem per 2017

Sinds 2017 is de box 3-systematiek ingrijpend gewijzigd. Het vermogen van belastingplichtigen wordt verdeeld over schijven. Per schijf geldt vervolgens een gemiddelde vermogensmix. Deze vermogensmix geeft de verdeling tussen het deel van het vermogen dat wordt aangehouden als spaarmiddel en het deel dat wordt aangehouden om mee te beleggen. Dit is voor iedere belastingplichtige gelijk, ongeacht de werkelijke situatie. De vermogensmix is steeds gebaseerd op informatie uit eerdere aangiftejaren.

De volgende stap is dat aan het verdeelde vermogen een fictief rendement wordt toegekend. Dit fictieve rendement is gebaseerd op in het verleden gerealiseerde rendementen. Of deze rendementen ook echt zijn behaald door een belastingplichtige, doet voor de heffing dus niet ter zake. De rechtbank geeft het volgende driestappenplan voor het berekenen van de box 3-belasting:

  1. De gemiddelde verdeling van het vermogen per schijf over de categorieën spaargeld en beleggingen;
  2. Een voortschrijdend, langetermijnrendement voor spaargeld en beleggingen;
  3. Het toepassen van een vlak tarief van 30%.

Ten opzichte van het box 3 systeem van voor 2017, waarin gerekend werd met één vast rendement, wordt per 2017 gewerkt met drie pijlers:

  1. Niet alle vermogensvormen leidden tot eenzelfde niveau van rendement. Vandaar dat nu wordt gewerkt met spaargeld en beleggingen;
  2. Forfaitaire rendementen worden jaarlijks aangepast naar gegevens uit voorgaande jaren;
  3. Belastingplichtigen verdelen hun vermogen (dus niet alles wordt gespaard of belegd). De verdeling is afhankelijk van de omvang van het vermogen (de vermogensmix).

Bij het vormgeven van deze drie uitgangspunten is bewust gekozen om af te zien van een tegenbewijsregeling. Dat betekent dat belastingplichtigen die met een in hun ogen onredelijke heffing worden geconfronteerd, niet de mogelijkheid hebben om zelf te bewijzen dat zij minder rendement hebben gehad.

Standpunt belastingplichtige over box 3

De belastingplichtige is van mening dat de vermogensrendementsheffing (box 3) in 2017 en 2018 in strijd is met artikel 14 EVRM en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Het geheel aan forfaitaire elementen, heffingsvrij vermogen en het belastingtarief (30%), maakt dat box 3 op regelniveau in strijd is met genoemde artikelen. Hierna volgt een toelichting op deze artikelen en een verdere uitwerking van het standpunt van belastingplichtige.

Artikel 14 EVRM (discriminatieverbod)

Artikel 14 EVRM bevat het discriminatieverbod. Het discriminatieverbod behelst dat gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden. Voor een ongelijke behandeling is alleen ruimte indien dit objectief gerechtvaardigd is. Het is daarom van belang om bij een toets aan het gelijkheidsbeginsel eerst te beoordelen of er sprake is van vergelijkbare gevallen en daarna te beoordelen of de ongelijke behandeling gerechtvaardigd is. Met betrekking tot box 3 oordeelde de advocaat-generaal reeds dat de systematiek per 2017 discriminerend van aard is. Niet gelijke gevallen worden, zonder dat hiervoor een voldoende rechtvaardiging bestaat, als gelijke gevallen behandeld. Over deze conclusie schreven wij reeds een artikel (hier).

Artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (eigendom)

Dit artikel behelst het waarborgen van een ongestoord genot van eigendom. Belastingheffing is een vorm van regulering van eigendom. Inbreuk op het ongestoord genot van eigendom is slechts toegestaan, indien er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat wordt nagestreefd. Er moet daarom een fair balance (redelijke verhouding) zijn tussen het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Van een redelijke verhouding is bij belastingheffing in box 3 geen sprake indien een belastingplichtige wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. In hoeverre een last nog in het algemeen belang is, is in ruime mate aan de wetgever. Dit is de afgelopen jaren veelvuldig onderwerp van rechtspraak geweest.

De rechter kan beoordelen of sprake is van een individuele en buitensporige last. Gekeken moet dan worden of - bezien over de gehele financiële situatie van de belastingplichtige - de heffing als individueel en buitensporig kwalificeert. Daarbij telt ook mee of de belastingplichtige een zodanig inkomen heeft, dat hij wel (of juist niet) inteert op zijn vermogen. Interen op het vermogen om belasting te kunnen betalen kan niet de bedoeling zijn van enig stelsel en staat in de weg aan de vereiste, redelijke verhouding tussen het algemeen belang en het belang van belastingplichtigen.

Nadere toelichting standpunt belastingplichtige

De belastingplichtige meent dat de vermogensrendementheffing (box 3) onvoldoende verband houdt met de werkelijkheid. Dat is het gevolg van de vele ficties en forfaits waarop het systeem is gebouwd. Als gevolg van dit ver verwijderde verband met de werkelijkheid vindt een belastingheffing plaats, die in zijn situatie het werkelijke inkomen uit vermogen ruimschoots overschrijdt. Dat moet volgens de belastingplichtige tot de conclusie leiden dat op regelniveau sprake is van een een schending van het recht op ongestoord genot van eigendom.

Verder meent de belastingplichtige - zoals aangegeven - dat box 3 in zijn huidige vorm het discriminatieverbod schendt. Dat komt omdat de wetgever geen onderscheid maakt tussen verschillende soorten belastingplichtigen. Het gevolg is dat een risicomijdende spaarder en een zeer offensieve belegger op dezelfde wijze in de belastingheffing getrokken worden. Dit leidt tot een vermogensrendementheffing die op geen enkele wijze rekening houdt met de ongelijkheid tussen belastingplichtigen. Een objectieve rechtvaardiging voor deze gelijke behandeling van ongelijke gevallen is volgens de belastingplichtige niet aanwezig.

De staatssecretaris van Financiën verdedigt box 3. Hij voert aan dat sinds 2017 de vermogensmix is ingevoerd. Hierdoor wordt gekeken naar de omvang van het vermogen en worden, via de vermogensmix, forfaitaire rendementen berekend, die ook nog eens jaarlijks worden geactualiseerd. Verder meent de staatssecretaris dat het inherent is aan een stelsel van forfaitaire belastingheffing, dat ongelijke gevallen toch gelijk worden behandeld. De vermogensmix als zodanig is een gerechtvaardigde wijze van forfaitaire belastingheffing en kan overeind blijven.

Oordeel rechtbank over box 3 per 2017

De rechtbank Gelderland heeft zich over deze kwestie gebogen. Zij geeft eerst aan wat precies getoetst moet worden met betrekking tot het ongestoord genot van eigendom. Dan is de vraag of er een redelijke, proportionele verhouding is tussen het gehanteerde middel en het (met belastingheffing) beoogde doel. De wetgever heeft daarbij een ruime beoordelingsvrijheid, dus rechterlijk ingrijpen is slechts mogelijk als de keuzes van de wetgever iedere redelijke grond ontberen.

De keuze voor een forfaitair stelsel is op zichzelf niet onredelijk. Het is wel zo dat van de wetgever verwacht mag worden dat, als hij een forfaitair stelsel opzet, het stelsel de werkelijkheid benadert. De Hoge Raad oordeelde eerder voor het box 3-systeem zoals dat voor 2017 gold, dat dit onvoldoende het geval was voor belastingplichtigen die werden geconfronteerd met een buitensporige last.

De rechtbank geeft aan dat de vermogensmix is gebaseerd op de werkelijkheid, hetzij een verouderde werkelijkheid. Echter, omdat recentere gegevens onvoldoende voorhanden zijn, is het niet onredelijk om van deze oudere gegevens gebruik te maken. Ook de keuze om gebruik te maken van meerdere ficties en forfaits is niet ongebruikelijk of onredelijk. Dat al die ficties ertoe leiden dat rendementen in aanmerking worden genomen die sommigen belastingplichtigen niet behalen, is eveneens niet onredelijk. Sterker nog: de rechtbank oordeelt dat dit inherent is aan een stelsel dat op forfaits en ficties is gebouwd.

De rechtbank zet vervolgens de deur op een kier voor wat betreft het beroep op het discriminatieverbod. Indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat hij onderdeel is van een bepaalde groep die op basis van objectieve kenmerken de vermogensmix niet kan kiezen, dan kan het zijn dat ten aanzien van die groep geen sprake is van een redelijke verhouding. In dat geval heeft de wetgever verzuimd een te onderscheiden groep niet als zodanig te behandelen.

De belastingplichtige meent dat dit het geval is, maar de rechtbank acht onvoldoende bewezen dat het veronderstelde rendement niet haalbaar is als gevolg van objectieve kenmerken. De mogelijkheid bestaat ook, zo oordeelt de rechtbank, dat het veronderstelde rendement niet wordt gehaald als gevolg van individuele keuzes van deze belastingplichtigen. In dat geval zou de vermogensmix wel haalbaar / uitvoerbaar zijn voor de belastingplichtige, maar is daarvoor eenvoudigweg niet gekozen.

De rechtbank komt tot het oordeel dat voor de tijdvakken 2017 en 2018 de box 3-heffing niet in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM en / of artikel 14 EVRM. De belastingplichtige laat het er niet bij zitten en besluit in sprongcassatie te gaan. Dat betekent dat de fase van hoger beroep bij het gerechtshof wordt overgeslagen. Op 1 november 2021 neemt de Advocaat-Generaal vervolgens zijn conclusie in deze zaak.

Conclusie A-G over box 3-systeem per 2017

In cassatie gaat het om het volgende. De belastingplichtige voert nogmaals aan dat artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM en artikel 14 EVRM is geschonden. Hij voert aan dat per 2017 de minder vermogenden meer belasting zijn verschuldigd dan het voor hen haalbare rendement. Dit is een direct gevolg van de veronderstelde vermogensmix. Het stelselmatig aantasten van het vermogen van belastingplichtigen staat in geen redelijke verhouding tot het beoogde doel van eenvoud en schendt het recht op ongestoord genot van eigendom. Artikel 13 EVRM maakt vervolgens dat de rechter hier herstel voor moet bieden, omdat dit mogelijk is zonder zich als rechter te veel met de politiek te bemoeien. De rechter kan dit, volgens belastingplichtige, vrij eenvoudig doen door de heffing te beperken tot het werkelijke rendement. Tot slot voert belastingplichtige wederom schending van het discriminatieverbod aan.

De A-G verwijst eerst naar een uitspraak van de Hoge Raad uit 2016 over box 3. Het betreft in die uitspraak dus het systeem van vóór 2017. Hier oordeelde de Hoge Raad, dat van de wetgever mag worden verwacht dat hij, bij een forfaitair stelsel, ernaar streeft dit zo op te zetten, dat de werkelijkheid wordt benaderd. Een dergelijk stelsel komt in strijd met het Eerste Protocol EVRM indien het door de wetgever veronderstelde rendement voor particuliere beleggers niet haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het gehanteerde tarief, met een buitensporig zware last worden geconfronteerd. Wil de wetgever dan toch gebruik blijven maken van een forfaitair stelsel, dan dient hij het stelsel aan te passen en de werkelijkheid weer (meer) te benaderen. De wetgever heeft dit met het systeem zoals dat geldt per 2017, beoogd.

De Advocaat-Generaal acht het stelsel per 2017 niet in overeenstemming met de daaraan te stellen eisen. Hij benoemt drie aspecten die tot dat oordeel leiden:

  1. De werkelijk gerealiseerde rendementen door een belastingplichtige kunnen sterk verschillen van de rendementen die andere belastingplichtigen behalen. Daarover is meer geschreven in een conclusie van een andere Advocaat-Generaal, waarover ik eerder reeds schreef (hier). De slotsom aldaar is dat sterk uiteenlopende gevallen (ongelijke gevallen) ten onrechte als gelijk worden behandeld. Er is voor deze ongelijke behandeling, geen voldoende objectieve rechtvaardiging.
  2. De wet veronderstelt dat mensen met een bepaald vermogen een gemiddeld rendement behalen. De omvang van iemands vermogen houdt dan ook, volgens de wetgever, nauw verband met de verdeling in rendementsklassen. Deze stellingen zijn echter beide niet of nauwelijks bewezen door de wetgever. Dat maakt dat niet voldoende is gewaarborgd dat belastingaanslagen volgen die de werkelijkheid van het verkregen inkomen benaderen. De regeling voor box 3 per 2017 berust daarmee op onrealistische grondslagen en behandelt ongelijke gevallen ten onrechte als gelijk.
  3. Door te werken met de fictieve vermogensmix, lijkt het erop dat de wetgever de keuze van de belastingplichtige om te doen met zijn vermogen wat hij wil niet respecteert. Een belastingplichtige die meer spaart dan de vermogensmix van de wetgever veronderstelt, moet in de regel meer belasting betalen dan hij rendement geniet. De A-G ziet dit zelfs als een inbreuk op het ongestoord genot van eigendom, omdat belastingplichtigen bijna worden gedwongen hun vermogen op een bepaalde manier aan te wenden.

De wetgever voert steeds aan dat uitvoeringsproblemen een belangrijke reden zijn dat de werkelijkheid niet verder benaderd kan worden, zulks ten onrechte volgens de A-G. Er is geen redelijke verhouding tussen het algemeen belang (de heffing) en het individuele belang. Een systeem waarvan niet is aangetoond dat het de reële baten benadert, is niet de oplossing voor de veronderstelde problemen. Zowel uit de literatuur als uit andere landen kan voldoende inspiratie worden gehaald om tot verbetering te komen.

De A-G vat zijn oordeel als volgt samen. Hij meent dat geen rekening wordt gehouden met eigen keuzes van de belastingplichtige. De vaststelling van de grondslag waarover belasting wordt berekend, heeft daardoor geen verband met het inkomen van een individuele belastingplichtige. Dat maakt dat de regeling voorzienbaar en onvermijdelijk discriminerend van aard is. Hier is niet langer sprake van een redelijke verhouding tussen de belangen van de staat en die van de belastingplichtige. De voordelen van de overheid (doelmatigheid) wegen niet op tegen de nadelen voor de burger in de vorm van de schending van de rechten van belastingplichtigen.

Conclusie A-G over rechtsherstel door de Hoge Raad

De A-G gaat vervolgens een stap verder en buigt zich over de vraag hoe rechtsherstel kan worden geboden. Hij ziet in de maatschappelijke ontwikkelingen en de al jarenlang voortdurende discussie voldoende aanleiding om een rechterlijk ingrijpen te rechtvaardigen. Dat kan in de vorm van een opheffing of beperking van het rechtstekort.

De vermogensmix is het rechtstekort, want door de vermogensmix ontstaat de onrechtmatige heffing. Het rechtstekort doet zich voor, indien een hoger bedrag aan belasting wordt geheven dan zonder toepassing van de vermogensmix het geval zou zijn. Een passende oplossing is daarom dat de vermogensmix niet meer wordt toegepast, maar de rest van de box 3-regeling vooralsnog wel.

De Hoge Raad over het box 3-systeem per 2017

Op 24 december 2021 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in deze zaak. Hij geeft eerst aan dat de vraag over het box 3-systeem per 2017 erop neer komt of het stelsel sindsdien zodanig is vormgegeven, dat wordt getracht de werkelijkheid te benaderen en of er een redelijke verhouding is tussen het doel van de regeling en de ongelijkheid die een forfait / fictie met zich brengt.

De belangen die de wetgever aandraagt zien op uitvoerbaarheid, realiteit en opbrengst. De uitvoerbaarheid door te werken met ficties en forfaits, de realiteit door periodiek de percentages te herzien en de opbrengst door af te zien van aansluiting bij een zonder veel risico haalbaar rendement. Dit systeem maakt volgens de Hoge Raad echter een onrechtmatige inbreuk op het recht op ongestoord genot van eigendom. Er is een te groot verschil in de behandeling van belastingplichtigen die een positief voordeel uit risicovolle beleggingen halen en zij die dat fortuin niet delen en die een relatief zware belastingschuld krijgen toebedeeld. Voor deze werkwijze is geen voldoende objectieve rechtvaardiging aanwezig. Van een daadwerkelijke schending is sprake indien de heffing in box 3 hoger is dan het werkelijk behaalde rendement.

Hoge Raad over rechtsherstel voor box 3

De Hoge Raad ziet zich genoodzaakt te voorzien in rechtsbescherming. Daarmee voorziet hij in het ontstane - en door de Advocaat-Generaal gesignaleerde - rechtstekort. De rechter kan deze compensatie slechts in redelijkheid vaststellen. In deze zaak gaat het om een belastingplichtige die een rendement behaalt van € 6.612 en € 3.528. De Hoge Raad voorziet in rechtsbescherming door de belastingheffing te beperken tot het werkelijke rendement.

Box 3 en de voorzienbare toekomst

Het volgende hoofdpijndossier voor de wetgever lijkt met deze uitspraak geboren. Meer belastingplichtigen zullen in bezwaar gaan tegen de box 3-heffing en het is nu duidelijk dat rechters niet langer terugdeinzen om belastingplichtigen te compenseren. De wetgever heeft reeds een aantal keren uitgesproken dat een nieuw systeem wordt ontworpen. Invoering voor 2025 ligt echter niet in de lijn der verwachtingen en de contouren zijn - meest optimistisch gesteld - wazig. Het kan bijna niet anders dan dat dit systeem, in ieder geval in hoge mate, zal aansluiten bij werkelijk genoten rendementen. Daarmee worden ongelijke gevallen, want iedere belastingplichtige is uniek, in ieder geval weer, en hopelijk op redelijke grondslagen, ongelijk behandeld.

Belastingplichtigen die vrijwel alleen spaargeld hebben en / of die vrijwel niet beleggen, worden in het huidige systeem bijzonder hard geraakt. Voor deze groep kan het interessant zijn om goed te (blijven) kijken of het werkelijk genoten rendement niet lager is dan de verschuldigde belasting in box 3. Die groep kan, met deze uitspraak in de hand, immers om compensatie gaan verzoeken. Het is te hopen dat de wetgever het niet steeds op rechtszaken aan laat komen, maar zelf en proactief hiervoor beleid uitvaardigt. Wij raden iedereen in ieder geval aan om documentatie omtrent het werkelijk genoten rendement goed te bewaren.

De Hoge Raad geeft aan dat het werkelijke rendement belast moet worden. Jammer genoeg licht hij niet toe hoe dit werkelijke rendement moet worden berekend. Mogen bijvoorbeeld vermogenswinsten meetellen bij het bepalen van het rendement? Is er ruimte om rekening te houden met kosten en wat als rendementen nog niet daadwerkelijk zijn gerealiseerd? De staatssecretaris zal naar verwachting met een toelichting op deze uitspraak (moeten) komen, want dit leidt ongetwijfeld tot Kamervragen. Hopelijk biedt dat meer duidelijkheid dan slechts nieuwe vergezichten naar 2025 (en verder).

Tot slot is de vraag of iedereen van deze uitspraak zal profiteren. Formeel gezien heeft het er alle schijn van dat slechts de belastingplichtigen profiteren van wie de aanslag niet onherroepelijk vaststaat. Dat zijn voornamelijk belastingplichtigen die meelopen in de massaalbezwaarprocedure tegen de box 3-heffing over 2017 en 2018. De vraag is nu of de wetgever - hopelijk onder druk van de Tweede Kamer - de stap neemt om een breder compensatieprogramma op te zetten voor belastingplichtigen die met een buitensporige last zijn geconfronteerd. Het is daartoe wachten op de - onvermijdelijke - Kamervragen naar aanleiding van dit arrest van de Hoge Raad. Wordt vervolgd.

Alleen compensatie voor spaargeld box 3

Het arrest van de Hoge Raad gaat veel werk en onrust opleveren. In dit arrest heeft de Hoge Raad voor de jaren 2017 en 2018 een heldere visie, het forfairtaire rendement moet worden vervangen door het werkelijke rendement. Onduidelijk is hoe moet worden omgegaan met gemaakte en betaalde kosten. In deze casus bestond 80% van het vermogen van de Belastingplichtige uit spaargeld en vorderingen. Risicomijdende beleggers zouden nimmer het veronderstelde forfaitaire rendement kunnen behalen. Hieruit zou men kunnen concluderen dat bij beleggen in aandelen en vastgoed geen beroep op dit arrest kan worden gedaan. Bij dergelijke beleggingen is - zeker op langere termijn - het rendement wel te behalen. Omdat de informatie eenvoudig uit de vooraf ingevulde aangifte kan worden gehaald, is het schrijven van beleid en uitvoeren van de verminderingen eenvoudiger voor de Belastingdienst. De vermindering zou kunnen bestaan uit het verschil tussen de spaarrente en het forfaitaire rendement. 

Voorbeeld bezwaarschrift box 3-heffing

Op onze website kunt u een model bezwaarschrift downloaden met betrekking tot de box 3-heffing. U kunt dit format kosteloos hier downloaden. De onderbouwing dat de box 3-heffing voor u een buitensporige last is, moet nog wel worden onderbouwd. Daarbij zult u aannemelijk moeten maken dat uw gerealiseerde rendement lager is dan de belastingheffing waarmee u wordt geconfronteerd. Hebt u hulp nodig bij de bezwaarprocedure? Neem dan gerust contact met ons op.

Bronnen Hoge Raad kraakt box 3-heffing per 2017

Uitspraak rechtbank: ECLI:NL:RBGEL:2021:639
Conclusie A-G: ECLI:NL:PHR:2021:1019
Uitspraak Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1963
Gerechtshof Arnhem Leeuwarden ECLI:NLGHARL:2022:2509

Gerechtshof d.d. 28 september 2021 ECLI:NL:GHDHA:2021:1932

Hoge Raad d.d. 21 oktober 2022 ECLI:NL:HR:2022:1496

Bronnen overheidsinformatie na uitspraak Hoge Raad

Kamerbrief over contourennota box 3

Kamerbrief technische briefing box 3

Inforgraphic plan belastingen

Antwoorden kamervragen over compensatie box 3

Bijlage 1 budgettaire gevolgen

Deel deze pagina

Laatste update op 19-11-2022
Artikel gemaakt op 27-12-2021
Dit artikel (of blog of voorbeeldovereenkomst) is met aandacht en zorgvuldigheid geschreven, maar bevat informatie van algemene en informatieve aard. De informatie in dit artikel kan, afhankelijk van de omstandigheden van uw specifieke geval, niet of verminderd van toepassing zijn. De informatie in dit artikel dient derhalve niet als fiscaal/juridisch advies te worden beschouwd. Jongbloed Fiscaal Juristen N.V. en of haar vestingen/ deelnemingen aanvaarden dan ook geen enkele aansprakelijkheid voor de gevolgen van het gebruik van de informatie uit het artikel.
U bevindt zich hier : Jongbloed Fiscaal Juristen Kennisbank Inkomstenbelasting Box 3 Hoge Raad kraakt box 3

Jongbloed Fiscaal Juristen - Disclaimer - Zoeken - Sitemap