Belastingdienst eist informatie via kort geding
In de praktijk zien we steeds vaker dat de Belastingdienst informatie van een belastingplichtige gaat afdwingen via een kort geding. Het begint meestal met een vragenbrief en soms een formeel informatieverzoek (of informatie beschikking). Wie structureel weigert informatie te verstrekken loopt niet alleen het risico op een informatiebeschikking en omkering bewijslast maar ook op een kort geding. De belastingdienst kan namelijk via de civiele rechter medewerking afdwingen (met forse dwangsommen). Dit bleek al bij de Oger zaak maar recent ook bij een procedure bij de Rechtbank Limburg.
De feiten bij het kort geding inzake boekenonderzoek belastingdienst
In december 2025 start de belastingdienst een boekenonderzoek bij een belastingadvieskantoor. Het onderzoek richt zich op de fiscale winst en inkomstenbelasting over 2020 en 2021. Ook wordt de omzetbelasting gecontroleerd. De bestuurder vraagt uit stel tot februari 2026. Vervolgens gebeurt er eigenlijk niks en zijn partijen alleen maar met elkaar aan het schrijven, zonder dat er informatie wordt verstrekt. Kort voor het kort geding wordt alsnog een deel van de informatie verstrekt. Volgens de belastingdienst ontbreekt echter nog een deel van de informatie. Het belastingadvieskantoor moet nog auditfiles, leasecontracten, stukken over voorzieningen etc verstrekken. In een kort geding wordt het belastingadvieskantoor (BV en maatschap) door de rechtbank gedwongen om de informatie alsnog te verstrekken (onder dwangsom van 5.000 per dag en 500.000 per persoon).
Het toetsingkader bij een kort geding tegen de belastingdienst
De voorzieningenrechter loopt een bepaalde marsroute
- Spoedeisend belang: wordt vrijwel altijd aangenomen, zeker als navordering of verjaring speelt
- Relevantie. De maatstaf is ruim: de informatie moet van belang kunnen zijn voor de heffing, en de vraag mag niet kennelijk irrelevant zijn.
- Bepaaldheid. Het verzoek moet concreet zijn en afgebakend naar periode, rekeningen en soort stukken. Open formuleringen en een fishing expedition worden geschrapt.
- Bestaan en beschikkingsmacht. De Staat moet dit aannemelijk maken, maar een verweer moet onderbouwd zijn (HR 2022).
- Nemo tenetur. Informatie die van de wil van de betrokkene afhangt: verstrekking kan worden bevolen, maar met een gebruiksbeperking (geen boete of strafvervolging). Informatie die daar niet van afhangt (zoals bankafschriften): geen beperking (De Legé).
- Bij derden: proportionaliteit en subsidiariteit (art. 8 EVRM en de AVG). Dit is het enige punt waar in 2026 nog onderdelen van de vordering zijn gesneuveld.
- Dwangsom. Termijn: veertien tot achtentwintig dagen. Bedragen: € 5.000 tot € 100.000 per dag. Maxima meestal rond € 350.000–500.000, maar een dwangsom zonder maximum is toegestaan.
- Daarnaast volgt een proceskostenveroordeling.
Bij een dergelijke procedure zijn er voor de belastingplichtige meerdere smaken
- Voor het kort geding onderhandelen over de reikwijdte van het verzoek
- Gericht verweer voeren in kort geding, per vraag of informatieverzoek reageren of aangeven dat de stukken niet bestaan of er niet zijn
- Aangeven dat informatie wordt gebruikt voor een boete of onder geheimhouding valt
- Vrijwillige verbetering indienen
Noot fiscaal jurist inzake kort geding bij boekenonderzoek
De belastingdienst stuurt normaal gesproken een vragenbrief waarin veel informatie wordt opgevraagd. Meestal is er dan nog wat discussie over de fiscaal relevante informatie. Komen partijen er niet uit dan volgt veelal een informatiebeschikking, maar tegenwoordig zien we vaker dat de belastingdienst niet via de fiscale route dit probleem aanvliegt maar via de civiele rechter.
Elke belastingplichtige of administratieplichtige moet op verzoek van de Belastingdienst informatie verstrekken. Deze informatie moet van belang zijn voor de belastingheffing van de persoon of onderneming of van een derde. Over de omvang van die verplichting ontstaat regelmatig een discussie. De belastingdienst vraagt soms zoveel informatie dat de belastingplichtige van mening is dat sprake is van "rupsje nooit genoeg". Daarom is artikel 52a AWR ingevoerd, de informatiebeschikking. Via een informatiebeschikking wordt dan de informatie opgevraagd en de belastingplichtige kan hiertegen in bezwaar en beroep. De fiscale rechter kan zo bepalen of alle gevraagde informatie ook moet worden verstrekt. Als de belastingplichtige hieraan niet voldoet kan dit tot gevolg hebben dat de bewijslast omkeert en/of de bewijslast bij belastingplichtige wordt verzwaard (artikel 25 lid 3 AWR).
De procedure via de informatiebeschikking kan zomaar 1 tot 2 jaar duren. De belastingdienst zoekt dus naar alternatieven, deze is gevonden in het kort geding via de civiele rechter. De basis is gelegd in een uitspraak van de Hoge Raad uit 2009. Voor een dergelijke procedure is een spoedeisend belang nodig en moet de informatie ook bestaan (zie Hoge Raad in 2013), als de informatie niet zou bestaan moet dit worden onderbouwd (Hoge Raad 2022). Tevens moet de informatie worden gebruikt voor de belastingheffing en niet voor een boete (Rechtbank 2025). In 2015 stelt de Hoge Raad wel paal en perk, de belastingdienst mag niet vissen in een grote informatie vijver en kijken wat er aan de haak komt.
Het botweg weigeren om informatie te verstrekken geeft vaak veel onnodige discussies. Via het kort geding staat de belastingplichtige al snel met 3-0 achter. De ervaring leert dat het beter is om met elkaar in gesprek te gaan en te blijven. Informatie die uberhaubt moet worden verstrekt moet ook gewoon worden verstrekt. Over extra informatie (zoals whats app berichten, mails, telefoongesprekken, adviezen, DD onderzoeken etc.) moeten werkbare afspraken worden gemaakt.
Bronnen en vindplaatsen kort geding belastingdienst
Hoge Raad d.d. 18 september 2009 ECLI:NL:HR:2009:BI5906 Basis arrest
Hoge Raad d.d. 12 juli 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ3640 Liechtensteinse stichting
Hoge Raad d.d. 24 april 2015 ECLI:NL:HR:2015:1137 fishing expedition mag niet
Hoge Raad d.d. 18 maart 2022 ECLI:NL:HR:2022:378
Rechtbank Midden Nederland d.d. 14 maart 2025 ECLI:NL:RBMNE:2025:966
Rechtbank Limburg d.d. 9 september 2026 ECLI:NL:RBLIM:2026:9514
