Landinformatie Populair emigratie land
Inlichtingenverdrag versus informatieverzoek ex artikel 47 AWR
Een echtpaar emigreert naar Jersey en woont heerlijk op dit eiland voor de Franse kust. Met de dagelijkse zon en een inkomstenbelasting tarief van 20% is het hier fijn wonen. Winstbelasting kent dit eiland niet. De Nederlandse inspecteur wil weten of het echtpaar in Nederland belastingplichtig is en stelt vragen (artikel 47 AWR). Het echtpaar weigert de vragen te beantwoorden, de inspecteur mag hen niet rechtstreeks vragen en had eerst (en uitsluitend) de weg via het inlichtingenverdrag (Tax Information Exchange Agreement, TIEA) moeten bewandelen. De Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 18 december 2024 (ELI:NL:GHSHE:2024:4081), de adviseur van de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2025:1358) en de Hoge Raad op 10 juli 2026 (ECLI:NL:HR:2026:1016) denken hier anders over (Hoge Raad via 81 RO).
Inlichtingen verstrekken aan Nederlandse belastingdienst na emigratie
De conclusie van de AG is helder en strak. De inspecteur is vrij in zijn keuze tussen artikel 47 AWR en de verdragsroute. Er bestaat geen verplichte rangorde, mits de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden gerespecteerd. Waar ging het om:
- Belanghebbende (de vrouw) en haar fiscale partner (de man) woonden tot eind september 2013 in Nederland; vanaf 14 oktober 2013 staan zij met hun kinderen ingeschreven op Jersey.
- De man hield de Nederlandse woning in eigendom en verhuurde die tijdelijk (met diplomatenclausule) — een klassiek signaal dat de woonplaatsdiscussie nog niet beslecht is.
- Belanghebbende was ICT-consultant en werkte via een keten van Jersey-vennootschappen
- De inspecteur vraagt op grond van art. 47 AWR informatie over 2010 t/m 2014. Belanghebbende verstrekt alleen gegevens t/m 30 september 2013 en beroept zich op het einde van haar Nederlandse belastingplicht.
- Op 20 november 2016 volgen informatiebeschikkingen (art. 52a AWR) voor 2008 t/m 2014.
- Pas daarna — op 14 maart 2017 — doet de inspecteur een verzoek onder art. 4 TIEA aan de Jersey-autoriteiten; de informatie komt begin 2019 binnen, dus ná de informatiebeschikkingen.
- Voor 2008, 2009, 2011 en 2012 zijn inmiddels navorderingsaanslagen opgelegd, waardoor de informatiebeschikkingen voor die jaren van rechtswege zijn vervallen (art. 52a lid 3 AWR).
Art. 47 AWR is niet territoriaal begrensd
De informatieverplichting van art. 47 AWR rust op "iedereen" — ongeacht woonplaats. Voor het bestaan van de verplichting is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem bekende gegevens, in redelijkheid op het standpunt kán stellen dat de gevraagde informatie van belang kan zijn om opheldering te krijgen over de vraag óf iemand in Nederland belastingplichtig is (Hoge Raad 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603).
Een begin van bewijs voor het vermoeden van belastingplicht is niet vereist. In Hoge Raad 5 april 2024 (ECLI:NL:HR:2024:528) is bevestigd dat art. 47 AWR zich uitstrekt tot al degenen die de inspecteur redelijkerwijs als mogelijke belastingplichtige kan aanduiden — dus óók de niet in Nederland woonachtige, mogelijk buitenlands belastingplichtige.
De TIEA en het uitputtingsbeginsel
Art. 4 lid 1 TIEA bevat de slotzin dat de verzoekende autoriteit slechts een verzoek doet wanneer zij de informatie niet langs andere weg kan verkrijgen, behoudens onevenredige moeilijkheden (disproportionate difficulty). Dit is het uitputtings- of subsidiariteitsbeginsel (exhaustion principle). Dit beginsel wijst erop dat de nationale route als eerste stap moet worden gezet. De ratio, blijkens de Nederlandse toelichting (Kamerstukken II 2007/08, 31 276) en het OESO-commentaar, is niet het bieden van rechtsbescherming aan de belastingplichtige, maar het voorkomen dat de ene fiscus de andere onnodig belast (to avoid unnecessary burden).
Ook na emigratie kan de belastingdienst ingrijpen, hoe werkt dit?
Emigratie doet de belastingschuld over de periode vóór vertrek niet vervallen, en ook ná emigratie kan iemand buitenlands belastingplichtig blijven ter zake van Nederlandse bronnen (hier: de verhuurde woning; vgl. art. 7.7 Wet IB 2001). De inspecteur behoudt de bevoegdheid controlehandelingen te verrichten, vragenbrieven naar het buitenlandse adres te sturen en aanslagen op te leggen. Het Banković-verweer (EHRM 12 december 2001) faalt: belanghebbende is nooit buiten de Nederlandse jurisdictie geraakt, omdat zij hetzij inwoner is gebleven, hetzij buitenlands belastingplichtige is geworden (punt 6.7).
Voor 2008, 2009, 2011 en 2012 ontbreekt procesbelang: de informatiebeschikkingen zijn door de navorderingsaanslagen van rechtswege vervallen (art. 52a lid 3 AWR), waardoor de sanctie van omkering en verzwaring (art. 25 lid 3 AWR) van tafel is. Vernietiging zou belanghebbende niet in een betere positie brengen.
Risico's, kansen en tegenargumenten bij een informatieverzoek
Voor de belastingdienst wordt de keuzevrijheid bevestigd. In woonplaatsdiscussies is de rechtstreekse art. 47-route (met informatiebeschikking en dreiging van omkering/verzwaring) de krachtigste — en snelste — optie. Voor de belastingplichtige/adviseur: het pure territorialiteits- of uitputtingsverweer tegen een informatiebeschikking is vrijwel kansloos. De realistische verdedigingslijnen kunnen soms nog uitkomst bieden. Tevens kan de algemene beginselen route wellicht nog uitkomst bieden, hierbij moet worden gedacht aan:
- zorgvuldigheid,
- motivering,
- fair play,
- verbod van détournement de pouvoir;
- fishing expedition
- rechtmatigheid van de verkregen informatie (zozeer indruist-criterium).
De Hoge Raad bevestigt de kernlijn: art. 47 AWR is niet territoriaal
begrensd en de inspecteur mag rechtstreeks bij een (gesteld) geëmigreerde
belastingplichtige informatie opvragen, ook als een TIEA-route beschikbaar
is. Emigratie beëindigt de Nederlandse informatie- en controlebevoegdheid
niet, zolang er een voldoende band met Nederland bestaat (binnenlandse
bronnen of nagekomen inkomsten).
Bron en vindplaats informatieverzoek internationaal
Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 18 december 2024 (ELI:NL:GHSHE:2024:4081
Advocaat Generaal d.d. 12 december 2025 ECLI:NL:PHR:2025:1358
Hoge Raad op 10 juli 2026 (ECLI:NL:HR:2026:1016
Hoge Raad 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603
