vertaal/translate print sitemap zoeken disclaimer contact

Schenken en erven

Optimaal verdelen gemeenschap bij overlijden

Per 1 januari 2026 is art. 11 lid 4 Successiewet 1956 ingrijpend gewijzigd. De bepaling richt zich op situaties waarin echtgenoten, geregistreerde partners of, via een aanvullende regeling, bepaalde samenwoners met een verrekenbeding vermogen laten overgaan via het huwelijksvermogensrecht in plaats van via schenking of erfrecht.

De kern lijkt eenvoudig, maar de uitwerking kan behoorlijk wat haken en ogen hebben. Komt aan een echtgenoot bij ontbinding van een huwelijksgoederengemeenschap meer toe dan de helft van die gemeenschap, dan wordt het meerdere fiscaal genegeerd als huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging en behandeld als een verkrijging krachtens erfrecht of schenking. Bij overlijden is het meerdere een fictieve erfrechtelijke verkrijging, bij ontbinding of verrekening tijdens leven is het een fictieve schenking. De nieuwe tekst van art. 11 lid 4 SW bepaalt dit voor de ontbinding van de gemeenschap en voor verrekenbedingen. Art. 11 lid 5 SW breidt dit uit naar verrekenbedingen tussen personen die partner in de zin van art. 1a SW zijn of zijn geweest.

De gelijke breukdelenfictie van art. 11 lid 4 Successiewet

Per 1 januari 2026 is art. 11 lid 4 Successiewet 1956 ingrijpend gewijzigd. De bepaling richt zich op situaties waarin echtgenoten, geregistreerde partners of, via een aanvullende regeling, bepaalde samenwoners met een verrekenbeding vermogen laten overgaan via het huwelijksvermogensrecht in plaats van via schenking of erfrecht.

De kern lijkt eenvoudig, maar de uitwerking kan behoorlijk wat haken en ogen hebben. Komt aan een echtgenoot bij ontbinding van een huwelijksgoederengemeenschap meer toe dan de helft van die gemeenschap, dan wordt het meerdere fiscaal genegeerd als huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging en behandeld als een verkrijging krachtens erfrecht of schenking. Bij overlijden is het meerdere een fictieve erfrechtelijke verkrijging, bij ontbinding of verrekening tijdens leven is het een fictieve schenking. De nieuwe tekst van art. 11 lid 4 SW bepaalt dit voor de ontbinding van de gemeenschap en voor verrekenbedingen. Art. 11 lid 5 SW breidt dit uit naar verrekenbedingen tussen personen die partner in de zin van art. 1a SW zijn of zijn geweest.

De wetswijziging is de reactie op het zogenoemde Breukdelenarrest van de Hoge Raad van 16 februari 2024. De Hoge Raad oordeelde daarin dat het overeenkomen van ongelijke breukdelen in een huwelijksgemeenschap geen schenking opleverde en dat het destijds geldende art. 11 lid 4 SW niet kon worden toegepast op het meerdere boven 50%. De wetgever vond dat resultaat niet gewenst, omdat daarmee via het huwelijksvermogensrecht aanzienlijke vermogensverschuivingen tussen partners buiten de schenk- en erfbelasting konden blijven. De memorie van toelichting is daar vrij duidelijk over, sinds het arrest is duidelijk dat het relatief eenvoudig mogelijk is erf- of schenkbelasting te ontwijken en dat bestrijding via fraus legis in de praktijk nagenoeg onmogelijk zal zijn.

De regeling is dus niet zomaar een technische reparatie. Zij verschuift het fiscale uitgangspunt. Civielrechtelijk blijft een ongelijke breukdelengemeenschap mogelijk, maar voor de schenk- en erfbelasting wordt de 50/50-verdeling de fiscale norm.

Wat werd vóór 2026 ondervangen — en wat juist niet?

De achtergrond ligt in een spanningsveld tussen civiel recht en de Successiewet. De Successiewet belast in beginsel hetgeen krachtens erfrecht of schenking wordt verkregen. Huwelijksvermogensrechtelijke boedelmenging is civielrechtelijk iets anders. In de lijn van HR 28 januari 1959, HR 17 maart 1971, HR 7 mei 2021 en HR 16 februari 2024 geldt dat het aangaan of wijzigen van een huwelijksgemeenschap niet zonder meer een schenking is, omdat tijdens het bestaan van de gemeenschap geen voltooide eenzijdige vermogensverschuiving plaatsvindt. In de literatuur wordt terecht gewezen op de gedachte dat de gemeenschap een gebonden rechtsverhouding is waarin het uiteindelijke voordeel pas bij ontbinding blijkt, en dat het ogenschijnlijke voordeel door latere risico’s en vermogensmutaties nog kan omslaan.

Dat civielrechtelijke uitgangspunt maakte estate planning mogelijk. Denk aan de echtgenoot met groot vermogen die kort voor overlijden huwelijkse voorwaarden maakt waarbij de langstlevende voor 90% en de vermoedelijke erflater voor 10% gerechtigd wordt tot de gemeenschap. Bij overlijden valt dan civielrechtelijk slechts 10% in de nalatenschap. De langstlevende krijgt 90% krachtens huwelijksvermogensrecht, niet krachtens erfrecht. Onder het oude recht kon dat, behoudens uitzonderlijke fraus-legisgevallen, buiten de erfbelasting blijven.

De literatuur was verdeeld over de vraag of de Hoge Raad in 2024 het oude art. 11 lid 4 SW juist heeft uitgelegd. Enerzijds wijzen Blokland en Heijligers erop dat uit de parlementaire geschiedenis van die bepaling niet duidelijk blijkt dat de wetgever destijds de breukdelengemeenschap voor ogen heeft gehad. Dat maakt de door de Hoge Raad gekozen beperkte uitleg begrijpelijk. Anderzijds bood de wettekst — met name de formulering “meer toekomt dan de helft der gemeenschap” — op zichzelf wel ruimte voor een ruimere benadering, waarbij niet uitsluitend wordt gekeken naar wat de langstlevende krachtens de huwelijkse voorwaarden al toekwam, maar naar de economische verschuiving die bij overlijden daadwerkelijk optreedt.

In andere literatuur wordt de discussie breder geplaatst, namelijk binnen de systematiek van de fictiebepalingen in de Successiewet. Die wet sluit weliswaar aan bij civielrechtelijke verkrijgingen, maar corrigeert via ficties situaties waarin een civielrechtelijke route economisch bezien dicht tegen een erfrechtelijke verkrijging of schenking aanligt. Juist vanuit dat perspectief is de nieuwe regeling goed te verklaren. Civielrechtelijk blijft de breukdelengemeenschap mogelijk, maar fiscaal wordt het beoogde voordeel geneutraliseerd. De regeling past daarmee in de bredere lijn van de Successiewet, niet de civielrechtelijke kwalificatie wordt bestreden, maar het fiscale effect van een constructie die economisch hetzelfde resultaat benadert.

De nieuwe hoofdregel – alles boven 50% valt in beginsel onder de fictie

De regeling werkt volgens een vaste, wettelijke systematiek en laat in beginsel geen ruimte voor maatwerk. Er wordt niet gekeken naar de motieven. Het maakt dus niet uit of de ongelijke breukdelen zijn gekozen uit fiscale overwegingen, uit verzorgingsmotieven, ter compensatie van een uitsluitingsclausule, ter beperking van de legitieme portie of vanwege een ongelijke aanbreng bij huwelijk. De memorie van toelichting geeft aan dat het kabinet het ongewenst acht dat het bijkomende effect van ongelijke breukdelen is dat echtgenoten erf- of schenkbelasting besparen, ongeacht de beweegredenen.

De heffing sluit aan bij het moment waarop de gemeenschap wordt ontbonden of het verrekenbeding wordt uitgevoerd. Dat is een verschil met het niet-doorgegane voorstel uit 2018, waarin al bij het aangaan of wijzigen van huwelijkse voorwaarden schenkbelasting zou kunnen worden geheven. Het huidige art. 11 lid 4 SW raakt niet het aangaan van de gemeenschap als zodanig, maar de daadwerkelijke ontbinding of verrekening. De privévermogens van de echtgenoten blijven buiten de regeling, alleen de huwelijksgoederengemeenschap en het te verrekenen vermogen vallen erin.

Een belangrijk punt is dat de fictie niet aanknoopt bij de vraag wie het vermogen oorspronkelijk heeft ingebracht. Dat kan tot een bijzondere uitkomst leiden. Ook wanneer de ongelijke breukdelen aansluiten bij een ongelijke aanbreng, bijvoorbeeld omdat de ene echtgenoot 90 heeft ingebracht en de andere echtgenoot 10, blijft de wettelijke toets of bij ontbinding meer dan de helft van de gemeenschap aan één echtgenoot toekomt. Degene die bij ontbinding meer dan 50% ontvangt, kan daardoor fiscaal worden geconfronteerd met een fictieve verkrijging, ook voor zover dat meerdere economisch bezien geheel of gedeeltelijk correspondeert met vermogen dat hij of zij zelf in de gemeenschap heeft ingebracht. De fictie laat de herkomst van het gemeenschapsvermogen dus buiten beschouwing. Dat maakt de regeling effectief tegen fiscaal gedreven breukdelengemeenschappen, maar verklaart ook waarom zij in reële meerinbrengsituaties ongelukkig kan uitwerken.

Daarbij moet wel precies worden onderscheiden tussen het ontstaan van de gemeenschap en het fiscale heffingsmoment. Art. 11 lid 4 SW wordt niet reeds geactiveerd doordat een goed in een huwelijksgoederengemeenschap wordt ingebracht of doordat echtgenoten ongelijke breukdelen overeenkomen. De heffing sluit pas aan bij de ontbinding van de gemeenschap, dan wel bij de uitvoering van een verrekenbeding. De inbreng zelf blijft daarmee in lijn met de klassieke rechtspraak over boedelmenging in beginsel buiten de schenkbelasting, omdat op dat moment nog geen voltooide eenzijdige vermogensverschuiving plaatsvindt. De nieuwe fictie corrigeert niet dat civielrechtelijke uitgangspunt, maar verbindt bij ontbinding of verrekening alsnog fiscale gevolgen aan de uitkomst voor zover die boven de helft uitstijgt.

Praktisch betekent dit:
  1. Bij ontbinding door overlijden wordt het meerdere boven 50% geacht krachtens erfrecht te zijn verkregen van de overleden echtgenoot.
  2. Bij ontbinding tijdens leven, bijvoorbeeld bij echtscheiding of wijziging/opheffing van de gemeenschap bij latere huwelijkse voorwaarden, wordt het meerdere boven 50% geacht krachtens schenking te zijn verkregen.
  3. Bij verrekening geldt hetzelfde voor het meerdere boven de helft van de te verrekenen som.

Bij samenwoners geldt de regeling niet voor een goederenrechtelijke huwelijksgemeenschap, immers, die hebben zij niet, maar wel voor vergelijkbare verrekenbedingen, mits sprake is of is geweest van partnerschap in de zin van art. 1a SW. De memorie van toelichting merkt daarbij op dat ook voormalige partners zijn meegenomen om eenvoudige ontwijking door uitschrijving op een ander BRP-adres te voorkomen.

Voorbeeld 1: 90/10-gemeenschap bij overlijden

Stel, M en V zijn gehuwd in een algehele gemeenschap met een waarde van € 4.000.000. Zij wijzigen hun huwelijkse voorwaarden en bepalen dat V bij ontbinding gerechtigd is tot 90% en M tot 10%. M overlijdt. V is enig erfgenaam.

Civielrechtelijk komt aan V uit hoofde van het huwelijksvermogensrecht € 3.600.000 toe. De nalatenschap van M bedraagt nog slechts € 400.000. Onder het oude recht kon de discussie zich toespitsen op de vraag of die € 1.600.000 boven de helft fiscaal buiten beeld bleef. Onder het nieuwe recht is die discussie voorbij. V komt 40 procentpunt meer toe dan de helft van de gemeenschap. Het meerdere bedraagt € 1.600.000. Dat bedrag wordt geacht krachtens erfrecht door het overlijden van M te zijn verkregen. Daarnaast verkrijgt V als erfgenaam de nalatenschap van € 400.000. De totale fiscale verkrijging kan dus € 2.000.000 bedragen, behoudens toepassing van vrijstellingen en eventuele andere bepalingen.

De memorie van toelichting werkt een vergelijkbaar voorbeeld uit met een gemeenschap van € 10 miljoen en een 95/5-verhouding. Daarin wordt 45% van de gemeenschap, dus € 4,5 miljoen, als fictieve erfrechtelijke verkrijging aangemerkt.

De praktische conclusie is daarmee vrij duidelijk. De breukdelengemeenschap werkt civielrechtelijk nog steeds, maar fiscaal wordt gedaan alsof de langstlevende slechts 50% vrij via het huwelijksvermogensrecht kan krijgen. Alles daarboven wordt fiscaal aangemerkt als erfrechtelijke verkrijging.

Voorbeeld 2: ongelijke aanbreng

Stel, A en B trouwen. A brengt € 900.000 in, B € 100.000. Zij spreken af dat A bij ontbinding voor 90% en B voor 10% gerechtigd blijft. Dat is civielrechtelijk goed te volgen, men beoogt slechts recht te doen aan de economische inbrengverhouding. B overlijdt als eerste. A krijgt 90% van de gemeenschap.

Economisch bezien ligt misbruik niet voor de hand. A krijgt in wezen terug wat hij zelf heeft ingebracht. Toch valt A onder de tekst van art. 11 lid 4 SW. A krijgt meer dan de helft van de gemeenschap. Het meerdere boven 50%, dus 40% van de gemeenschap, wordt in beginsel als fictieve erfrechtelijke verkrijging belast.

Dit is het grootste bezwaar tegen de regeling. Zij is niet beperkt tot misbruiksituaties. De wetgever heeft bewust gekozen voor een objectieve 50%-norm zonder tegenbewijsregeling. In de literatuur over de gelijke breukdelenfictie wordt dit terecht als knelpunt benoemd. De regeling kan ook gevallen raken waarin de ongelijke breukdelen juist corresponderen met de ongelijke aanbreng en dus niet leiden tot een werkelijke bevoordeling.

De knellende werking wordt het duidelijkst zichtbaar bij de echtgenoot die juist de meerinbrenger is. Stel dat echtgenoten een gemeenschap creëren waarin de ene echtgenoot substantieel meer vermogen inbrengt en de breukdelen daarop aansluiten. Civielrechtelijk kan dat goed verklaarbaar zijn, men wil voorkomen dat de minderinbrenger bij ontbinding een economisch voordeel geniet dat niet is beoogd. Fiscaal is dat onder de nieuwe regeling niet beslissend. Komt aan de meerinbrenger bij ontbinding meer dan de helft van de gemeenschap toe, dan valt het meerdere in beginsel onder de fictie. In zo’n geval wordt dus niet zozeer een bevoordeling van de meerinbrenger belast, maar een uitkomst die mede kan bestaan uit behoud of terugkeer van eigen inbreng. Juist daarom is het ontbreken van een tegenbewijsregeling problematisch.

Bij overlijden kan art. 7 lid 1 SW tekstueel ruimte bieden om een eerdere opoffering in mindering te brengen op de fictieve erfrechtelijke verkrijging. Zeker is dat echter niet. De parlementaire behandeling heeft deze samenloop niet uitgewerkt. Bij ontbinding tijdens leven ligt toepassing nog moeilijker, omdat art. 7 SW geen duidelijke aftrekmethode biedt voor de fictieve schenking van art. 11 lid 4 onderdeel b SW. Juist daar knelt de regeling het meest, de meerinbrenger kan fiscaal worden behandeld als verkrijger, terwijl economisch slechts sprake is van behoud of terugkeer van eigen vermogen.

Voor de praktijk betekent dit dat bij ongelijke aanbreng de dossiervorming duidelijk moet zijn. Leg vast waarom ongelijke breukdelen worden gekozen, welke vermogens zijn ingebracht, welke waarderingen zijn gehanteerd en of sprake is van een opoffering die later onder art. 7 SW kan worden verdedigd.

Voorbeeld 3: ongelijke verdeling bij echtscheiding

Stel, echtgenoten hebben een beperkte gemeenschap van een woning. De woning is € 1.000.000 waard. In de huwelijkse voorwaarden is bepaald dat A voor 70% en B voor 30% gerechtigd is. Bij echtscheiding wordt de gemeenschap ontbonden en krijgt A overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden 70%.

A krijgt 20 procentpunt meer dan de helft. Onder art. 11 lid 4 onderdeel b SW wordt dit meerdere bij ontbinding tijdens leven geacht krachtens schenking te zijn verkregen. De fictieve schenking bedraagt dan € 200.000.

Dat kan onredelijk uitpakken als A oorspronkelijk ook 70% van de woning heeft gefinancierd. De literatuur benoemt precies dit soort situaties, partners die een woning aanvankelijk in een 70/30-verhouding houden en bij huwelijk een ongelijke beperkte gemeenschap willen aangaan om civielrechtelijke flexibiliteit en overdrachtsbelasting-technische redenen te behouden, kunnen door de nieuwe fictie worden geraakt zonder dat een materiële vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden.

Juist in dit soort gevallen wringt de regeling met de economische werkelijkheid. Waar het huwelijksvermogensrecht maatwerk mogelijk maakt, maakt de Successiewet van 50/50 de fiscale norm. Wie daarvan afwijkt, moet belastingheffing incalculeren of de structuur anders vormgeven.

Een voor de hand liggende consequentie is dat men bij een reeds bestaande ongelijke gerechtigdheid tot één specifiek vermogensbestanddeel terughoudend moet zijn met het opnemen daarvan in een beperkte gemeenschap met ongelijke breukdelen. Als partijen voor het huwelijk een woning in de verhouding 70/30 houden, hoeft die verhouding niet via een ongelijke huwelijksgemeenschap te worden behouden. Integendeel, juist het onderbrengen van die woning in een beperkte gemeenschap met een 70/30-breukdeel roept onder het nieuwe art. 11 lid 4 SW het probleem op dat bij ontbinding wordt vergeleken met de fictieve 50/50-norm. Civielrechtelijk wordt dan slechts de bestaande eigendomsverhouding voortgezet, maar fiscaal wordt gedaan alsof de meestgerechtigde voor het meerdere boven de helft een verkrijging krachtens schenking of erfrecht geniet.

Een zuiverder route is dan om de woning buiten de huwelijksgoederengemeenschap te houden en in de huwelijkse voorwaarden vast te leggen dat de bestaande eenvoudige gemeenschap tussen partijen wordt gerespecteerd. De eigendom blijft dan 70/30 en de woning behoort niet tot de huwelijksgoederengemeenschap waarop art. 11 lid 4 SW ziet. Willen partijen daarnaast bereiken dat de andere partner economisch meedeelt in toekomstige waardestijgingen, dan kan dat gerichter worden vormgegeven, bijvoorbeeld door een afzonderlijk verrekenbeding dat beperkt blijft tot een deel van de toekomstige waardemutatie, of door een andere compensatieregeling buiten de eigendomsverhouding zelf. Daarmee wordt beter aangesloten bij wat partijen economisch willen bereiken, behoud van de bestaande eigendomsverhouding, zonder dat de enkele keuze voor een ongelijke beperkte gemeenschap onnodig de gelijke breukdelenfictie activeert.

Een voorbeeld maakt dit duidelijk. A en B hebben voor hun huwelijk samen een woning gekocht voor € 1.000.000. A heeft 70% gefinancierd en B 30%, zodat zij ook civielrechtelijk in die verhouding eigenaar zijn. Als zij bij huwelijkse voorwaarden bepalen dat de woning buiten iedere huwelijksgemeenschap blijft, verandert er door het huwelijk niets aan die eigendomsverhouding. A blijft voor 70% eigenaar en B voor 30%. Wordt de woning later verkocht of verdeeld, dan vindt de afwikkeling plaats vanuit die eenvoudige gemeenschap. Wordt dezelfde woning daarentegen ingebracht in een beperkte huwelijksgemeenschap waarin A voor 70% en B voor 30% gerechtigd is, dan ontstaat bij ontbinding het risico dat A voor het meerdere boven 50% — dus voor 20% van de waarde van de woning — onder art. 11 lid 4 SW wordt geacht een fictieve verkrijging te hebben genoten. Economisch is A dan niet rijker geworden dan hij al was, maar fiscaal wordt de vormgeving via de huwelijksgemeenschap beslissend.

Voorbeeld 4: finaal verrekenbeding met ongelijke breukdelen

Stel, A en B zijn buiten gemeenschap gehuwd. A heeft € 4.000.000, B heeft € 1.000.000. In de huwelijkse voorwaarden staat een finaal verrekenbeding bij overlijden, alsof A voor 10% en B voor 90% gerechtigd is tot het totale vermogen. A overlijdt.

De te verrekenen som bedraagt € 5.000.000. B is op grond van het beding gerechtigd tot 90%, dus € 4.500.000. Omdat B zelf al € 1.000.000 heeft, krijgt B een verrekenvordering van € 3.500.000 op de nalatenschap van A. Het meerdere boven 50% van de te verrekenen som bedraagt 40% van € 5.000.000, dus € 2.000.000. Dat bedrag wordt als fictieve erfrechtelijke verkrijging belast. De memorie van toelichting bevat vrijwel ditzelfde voorbeeld.

Belangrijk is dat het civiele verrekenbeding niet ongeldig wordt. De Successiewet zegt alleen: voor zover het beding leidt tot een aanspraak boven 50%, behandelen wij dat meerdere fiscaal als erfrechtelijke verkrijging of schenking.

Wat als je juist wilt dat de partner ‘meedeelt’?

De nieuwe regeling betekent niet dat partners niet meer kunnen delen. Integendeel, delen tot 50/50 blijft binnen deze fictiebepaling fiscaal houdbaar. Wie wil dat de partner meedeelt in vermogen, moet dus in beginsel sturen op gelijke breukdelen of op een regulier finaal verrekenbeding bij helfte. Gaat het daarentegen niet om het laten meedelen in bestaand privévermogen, maar om het behouden van een reeds bestaande ongelijke eigendomsverhouding, bijvoorbeeld een woning die voor het huwelijk al 70/30 wordt gehouden, dan ligt het meer voor de hand het vermogensbestanddeel buiten de gemeenschap te laten en de bestaande eenvoudige gemeenschap contractueel te respecteren.

Bepaalde regelingen blijven bruikbaar:

Een echtpaar kan kiezen voor een algehele of beperkte gemeenschap met gelijke delen. Daarmee kan vermogen dat anders privé zou blijven, bij ontbinding voor de helft aan de andere partner toekomen zonder toepassing van de nieuwe fictie. Dat is juist de grens die de wetgever accepteert.

Ook een finaal verrekenbeding bij helfte blijft mogelijk. Voor echtgenoten die buiten gemeenschap willen blijven, maar bij overlijden economisch willen afrekenen alsof sprake was van een gemeenschap, blijft dit een relevante mogelijkheid. De jurisprudentie behandelt een wederkerig verplicht finaal verrekenbeding fiscaal in belangrijke mate als vergelijkbaar met een gemeenschap, juist omdat tijdens het huwelijk niet vaststaat wie uiteindelijk iets te vorderen heeft.

Wil men meer dan 50% laten toekomen aan de partner, dan moet je je bedenken dat dit niet fiscaal nog geruisloos kan via het huwelijksvermogensrecht. Dan komt men in de sfeer van erfrechtelijke verzorgingsvoorzieningen, legaten, vruchtgebruik, quasi-wettelijke verdeling, afvullegaat of schenkingen. Dat is niet per definitie ongunstig, maar het moet worden doorgerekend.

Ondernemingsvermogen, aanmerkelijkbelangaandelen en BOR

Een afzonderlijk aandachtspunt geldt wanneer de huwelijksgoederengemeenschap of de verrekenmassa ondernemingsvermogen, aanmerkelijkbelangaandelen of terbeschikkingstellingsvermogen omvat. In dat geval kan de fictieve verkrijging boven 50% niet los worden gezien van de bedrijfsopvolgingsregeling, de doorschuiffaciliteiten en de waarderingsregels voor ondernemingsvermogen.

Als het meerdere boven de helft bij overlijden fictief krachtens erfrecht wordt verkregen, rijst de vraag of en in hoeverre voor dat fictieve deel een beroep op de BOR mogelijk is. Daarbij kunnen de bezitstermijn aan de zijde van de erflater, de voortzettingseis aan de zijde van de verkrijger en de kwalificatie van het vermogen tot discussie leiden. Dat geldt temeer omdat civielrechtelijk niet steeds sprake is van een gewone erfrechtelijke overgang van ondernemingsvermogen, de Successiewet construeert die overgang juist bij fictie.

Bij ontbinding tijdens leven kan hetzelfde probleem ontstaan in de sfeer van de fictieve schenking. Dan moet worden beoordeeld of de schenker voor het fictief overgedragen ondernemingsvermogen aan de bezitstermijn voldoet en of de verkrijger aan de voortzettingseis kan voldoen. De wet bevat voor deze samenloop geen afzonderlijke tegemoetkoming. Dat maakt ongelijke breukdelen bij ondernemingsvermogen risicovoller dan bij eenvoudig box 3-vermogen. In zulke gevallen moet de structuur vooraf worden doorgerekend op schenk- of erfbelasting, inkomstenbelasting en de beschikbaarheid van bedrijfsopvolgingsfaciliteiten.

Praktische vormgeving bij bestaande ongelijke eigendomsverhoudingen

Een praktische route is vaak: houd het huwelijksvermogensrecht fiscaal binnen 50/50 en regel aanvullende verzorging via testament. Denk aan een langstlevende-regeling, vruchtgebruik, keuzelegaat tegen inbreng, afvullegaat of tweetrapsmaking. In de literatuur wordt bij boedelafwikkeling benadrukt dat de verdeling van de huwelijksgemeenschap in beginsel geen invloed heeft op de omvang van de erfrechtelijke verkrijging voor de Successiewet, maar wel grote gevolgen kan hebben voor de samenstelling van de nalatenschap en voor de belastingdruk bij het tweede overlijden.

Voor cliënten met kinderen uit eerdere relaties is dit extra relevant. Een breukdelengemeenschap werd mede gebruikt om de legitimaire massa te verkleinen. Civielrechtelijk kan die discussie nog steeds spelen, maar fiscaal is het voordeel bij meer dan 50% grotendeels geneutraliseerd.

Bovendien wijst Vegter erop dat de breukdelengemeenschap in legitimaire situaties civielrechtelijk niet zonder risico is. Weliswaar heeft de Hoge Raad op 16 februari 2024 geoordeeld dat het aangaan van huwelijkse voorwaarden met ongelijke aandelen als zodanig geen gift oplevert, maar volgens Vegter volgt daaruit niet dat de legitimaris steeds met lege handen staat. In extreme gevallen, met name wanneer kort voor het overlijden van de meest vermogende echtgenoot een sterk ongelijke gemeenschap wordt gecreëerd met het doel de legitimaire aanspraak te minimaliseren, kan discussie ontstaan over de aantastbaarheid van de huwelijkse voorwaarden. Vegter noemt daarbij met name twee mogelijke civielrechtelijke routes: (i) strijd met de goede zeden of wetsontduiking in de zin van art. 3:40 BW, en (ii) vernietiging via de actio pauliana van art. 3:45 BW. Daarbij is relevant dat het volgens art. 3:45 BW niet beslissend is dat de legitimaris pas na overlijden schuldeiser wordt. Ook een later ontstane vordering kan onder omstandigheden bescherming genieten. Zijn punt is dus niet dat een breukdelengemeenschap per definitie ongeldig of paulianeus is, maar wel dat de constructie bij evidente benadeling van legitimarissen niet zonder meer als civielrechtelijk houdbaar kan worden gepresenteerd.

Overgangsrecht – bestaande gevallen zijn niet altijd veilig

De maatregel geldt per 1 januari 2026. Volgens de toelichting kan vanaf die datum erf- of schenkbelasting worden geheven als een huwelijksgoederengemeenschap met ongelijke breukdelen wordt ontbonden of wordt verrekend op grond van een beding met ongelijke breukdelen, tenzij het overgangsrecht van toepassing is.

De maatregel geldt niet voor huwelijkse voorwaarden of notariële samenlevingsovereenkomsten met ongelijke breuk- of verrekendelen die voor 16 september 2025, 16:00 uur zijn overeengekomen. Worden die overeenkomsten daarna gewijzigd op een manier die het aandeel in de gemeenschap of verrekenmassa raakt, dan vervalt de werking. Andere wijzigingen kunnen in beginsel zonder verlies van overgangsrecht, mits het breukdeel of de verrekenverhouding ongemoeid blijft.

Een kleine wijziging in huwelijkse voorwaarden kan onbedoeld het overgangsrecht kosten. Bij bestaande ongelijke breukdelen moet de notaris of fiscalist dus eerst vaststellen wanneer is het beding overeengekomen, wat is precies de tekst, is het een gemeenschap of verrekenbeding, is sprake van wijziging na 16 september 2025 om 16:00 uur, en raakt die wijziging het aandeel?

Praktische aandachtspunten voor advisering

De nieuwe regeling dwingt tot een andere adviesvolgorde. Niet langer is de eerste vraag: ‘Kunnen wij via ongelijke breukdelen vermogen buiten de nalatenschap houden?’ De eerste vraag is nu: ‘Waarom willen partijen afwijken van 50/50, en zijn zij bereid de fiscale fictie te dragen?’

Bij advisering zou ik het volgende toetsingskader hanteren.
  • Eerst moet worden vastgesteld of sprake is van een huwelijksgoederengemeenschap, een beperkte gemeenschap, een finaal of periodiek verrekenbeding, of een samenlevingscontractueel verrekenbeding. De regeling grijpt niet aan bij alle vermogensverschuivingen tussen partners, maar specifiek bij ontbinding van de gemeenschap of uitvoering van de verrekening.
  • Daarna moet de 50%-toets worden gemaakt. Komt een partner bij ontbinding of verrekening boven de helft uit, dan is het meerdere in beginsel belast. Het gaat dus niet om de vraag of de partner materieel is verrijkt ten opzichte van de oorspronkelijke inbreng, maar om de formele vergelijking met de helft van de gemeenschap of verrekenmassa.
  • Vervolgens moet worden beoordeeld of overgangsrecht bestaat. Is dat niet het geval, dan moet de fictieve verkrijging worden berekend en worden meegenomen in de aangifte erf- of schenkbelasting.
  • Daarna komt pas de vraag of er verzachtende bepalingen zijn. Art. 7 SW kan in overlijdenssituaties mogelijk relevant zijn bij ongelijke aanbreng, maar dit is nog niet zeker. Ook reguliere vrijstellingen, tariefstructuur, verrekening met andere verkrijgingen en samenloop met testamentaire verkrijgingen moeten worden meegenomen.

Tot slot moet de civielrechtelijke kant worden gecontroleerd. Zeker bij legitimarissen, samengestelde gezinnen, wilsonbekwaamheid, kort voor overlijden gewijzigde huwelijkse voorwaarden en afhankelijkheidsrelaties is de fiscale analyse niet genoeg. De civiele aspecten, wilsgebrek, misbruik van omstandigheden, pauliana, strijd met goede zeden, positie van de legitimaris, kunnen minstens zo belangrijk zijn.

Noot fiscaal jurist inzake optimale vermogensverdeling bij overlijden

Art. 11 lid 4 SW 2026 maakt een einde aan de fiscale aantrekkelijkheid van de ongelijke breukdelengemeenschap als route om vermogen boven 50% onbelast naar de partner te laten verschuiven. De civielrechtelijke figuur blijft als zodanig bestaan, maar wordt fiscaal genegeerd voor zover een partner bij ontbinding of verrekening meer verkrijgt dan de helft.

De regeling raakt niet alleen evidente sterfbedconstructies, maar ook reële civielrechtelijke situaties waarin ongelijke breukdelen aansluiten bij ongelijke aanbreng, verzorgingsmotieven of vermogensbescherming. De wetgever heeft bewust gekozen voor eenvoud en handhaafbaarheid boven maatwerk. Dat maakt de regeling praktisch duidelijk, maar niet altijd rechtvaardig.

Voor de estate-planningspraktijk laat dit weinig ruimte voor twijfel, een 50/50-verdeling is fiscaal houdbaar. Wie daarvan afwijkt, moet de fiscale fictie vooraf doorrekenen en het civiele dossier op orde hebben. Wil men de partner laten meedelen, dan kan dat nog steeds, maar bij voorkeur via gelijke gemeenschap, finaal verrekenbeding bij helfte of een testamentaire langstlevende-regeling. Wil men meer dan de helft naar de partner schuiven, dan moet dat niet worden verpakt als fiscaal geruisloos huwelijksvermogensrecht. Vanaf 2026 is een verkrijging boven 50% via huwelijksvermogensrecht of verrekening niet langer fiscaal geruisloos. Zij valt in beginsel onder een fictieve verkrijging voor de schenk- of erfbelasting, behoudens overgangsrecht en eventuele specifieke correcties of faciliteiten.

Bronnen

1.    Art. 1a, 7 en 11 lid 4 en 5 Successiewet 1956.

2.    Art. 1:94, 1:100 en 1:141-143 BW.

3.    Art. 3:40 en 3:45 BW.

4.    Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 3, p. 55-60.

5.    Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 16, p. 69 en 85.

6.    HR 28 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:AY1786, BNB 1959/122.

7.    HR 17 maart 1971, ECLI:NL:HR:1971:AX5018, BNB 1971/95.

8.    HR 27 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4328, BNB 1990/255.

9.    HR 7 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:708, BNB 2021/112, NTFR 2021/1544.

10.  HR 16 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:239, BNB 2024/41, NTFR 2024/359.

11.  A.R. Autar e.a. (red.), Compendium Estate Planning, 12e druk, Den Haag: Sdu 2025.

12.  J.B. Vegter, ‘Iets over de breukdelengemeenschap en de positie van de legitimaris’, WPNR 2025/7526.

13.  P. Blokland, ‘Een civielrechtelijke kanttekening bij het HR-arrest over de breukdelengemeenschap: de legitimaris heeft het nakijken!’, JBN 2024/21.

14.  L.H.M. Heijligers en B.C.E. Heijligers, ‘De breukdelengemeenschap uitgekristalliseerd’, WPNR 2024/7466.

Vragen over fiscaal optimaal verdelen vermogen bij overlijden?

Bedrijfsnaam

*

Naam

*

Aantal medewerkers

Bent u tevreden over uw belastingadviseur :

Wilt u een vrijblijvende offerte / advies ontvangen?

Opmerkingen/vragen

Ja, ik ga akkoord met de verwerking van mijn gegevens. Jongbloed Fiscaal Juristen NV mag mij per e-mail info sturen en mijn persoonlijke gegevens gebruiken om mijn interessegebieden vast te stellen zoals hier beschreven, en ik ben me ervan bewust dat ik op elk moment mijn toestemming kan intrekken.

Deel deze pagina

Laatste update op 27-05-2026
Artikel gemaakt op 27-05-2026
Dit artikel (of blog of voorbeeldovereenkomst) is met aandacht en zorgvuldigheid geschreven, maar bevat informatie van algemene en informatieve aard. De informatie in dit artikel kan, afhankelijk van de omstandigheden van uw specifieke geval, niet of verminderd van toepassing zijn. De informatie in dit artikel dient derhalve niet als fiscaal/juridisch advies te worden beschouwd. Jongbloed Fiscaal Juristen N.V., haar medewerkers en of haar vestigingen/deelnemingen aanvaarden dan ook geen enkele aansprakelijkheid voor de gevolgen van het gebruik van de informatie uit het artikel.
U bevindt zich hier : Jongbloed Fiscaal Juristen Kennisbank Schenken en erven Optimaal verdelen gemeenschap bij overlijden

Jongbloed Fiscaal Juristen - Disclaimer - Zoeken - Sitemap