Volg ons op:

U bevindt zich hier : Landendesk Belastingverdragen Belastingverdragen India


Twitter Updates

Belastingverdrag India

Nieuws belastingverdrag

In 2014 / 2015 zullen met India (ontwikkelingsland) besprekingen worden gevoerd over een herziening van het belastingverdrag (onderdeel anti-misbruikbepalingen). Bij verouderde verdragen is het mogelijk dat er een geheel nieuw belastingverdrag wordt voorgesteld. Zie voor een toelichting deze mededeling van het Ministerie van Financiën.

(Tekst geldend op: 30-12-2008)

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek India tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen

(authentiek: nl)

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek India tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van de Republiek India,

De wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen,

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK I.  REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST

Artikel 1.  Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is

Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten.

Artikel 2.  Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is

1.   Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een van de Staten of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan.

2.   Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totaalbedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering.

3.   De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name:

a)   in Nederland:

-    de inkomstenbelasting,

-    de loonbelasting,

-    de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de regering in de netto winsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet 1810 met betrekking tot concessies uitgegeven vanaf 1967, of geheven krachtens de Nederlandse Mijnwet continentaal plat 1965,

-    de dividendbelasting,

-    de vermogensbelasting,
(hierna te noemen: „Nederlandse belasting”);

b)   in India:

-    de income tax including any surcharge thereon (de inkomstenbelasting daaronder begrepen alle opcenten daarop),

-    de surtax (aanvullende inkomstenbelasting),

-    de wealth tax (de vermogensbelasting), (hierna te noemen: „Indiase belasting”).

4.   De Overeenkomst is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van de Overeenkomst naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de Staten doen elkaar mededeling van alle wezenlijke wijzigingen die in hun onderscheiden belastingwetgevingen zijn aangebracht.

HOOFDSTUK II.  BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 3.  Algemene begripsbepalingen

1.   Voor de toepassing van deze Overeenkomst, tenzij de context anders vereist:

a)   betekent de uitdrukking „Staat” Nederland of India, al naar het context vereist; betekent de uitdrukking „Staten” Nederland en India;

b)   betekent de uitdrukking „Nederland” het deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat in Europa is gelegen, en het onder de Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan, voor zover dat gebied in overeenstemming met het internationale recht krachtens de Nederlandse wetgeving is of zal worden aangewezen als een gebied waarbinnen Nederland bepaalde rechten kan uitoefenen met betrekking tot de exploratie en exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van de zeebodem of de ondergrond daarvan;

c)   betekent de uitdrukking „India” het grondgebied van India en omvat mede de territoriale wateren en het luchtruim er boven en ieder ander zeegebied waarin India volgens de Indiase wetgeving en in overeenstemming met het internationale recht soevereine rechten, andere rechten en rechtsbevoegdheden heeft.

d)   betekent de uitdrukking „belasting” Indiase belasting of Nederlandse belasting al naar de context vereist, maar omvat niet bedragen die verschuldigd zijn wegens een verzuim of nalatigheid met betrekking tot de belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is of die zijn opgelegd als boete met betrekking tot die belastingen;

e)   omvat de uitdrukking „persoon” een natuurlijk persoon, een lichaam, elke andere vereniging van personen en elke andere eenheid die ingevolge de belastingwetgeving, die in de onderscheiden Staten van kracht is, als zodanig aan de belastingheffing is onderworpen;

f)   betekent de uitdrukking „lichaam” elke rechtspersoon of elke eenheid die ingevolge de belastingwetgeving, die in de onderscheiden Staten van kracht is, als een lichaam of een rechtspersoon wordt behandeld;

g)   betekenen de uitdrukkingen „onderneming van een van de Staten” en „onderneming van de andere Staat” onderscheidenlijk een onderneming gedreven door een inwoner van een van de Staten en een onderneming gedreven door een inwoner van de andere Staat;

h)   betekent de uitdrukking „internationaal verkeer” alle vervoer met een schip of een luchtvaartuig, geëxploiteerd door een onderneming waarvan de plaats van de werkelijke leiding in een van de Staten is gelegen, behalve wanneer het schip of luchtvaartuig uitsluitend wordt geëxploiteerd tussen plaatsen die in de andere Staat zijn gelegen;

i)    betekent de uitdrukking „onderdanen”:

1.   alle natuurlijke personen die de nationaliteit van een van de Staten bezitten;

2.   alle rechtspersonen, vennootschappen en verenigingen die hun rechtspositie als zodanig ontlenen aan de wetgeving die in een van de Staten van kracht is;

j)    betekent de uitdrukking „bevoegde autoriteit”:

1.   in Nederland de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger;

2.   in India de Centrale Regering in het Ministerie van Financiën (Department of Revenue) of haar bevoegde vertegenwoordiger.

2.   Voor de toepassing van de Overeenkomst door een van de Staten heeft, tenzij de context anders vereist, elke daarin niet omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van die Staat met betrekking tot de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is.

Artikel 4.  Inwoner

1.   Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „inwoner van een van de Staten” iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die Staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid.

2.   Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, wordt zijn positie als volgt bepaald:

a)   hij wordt geacht inwoner te zijn van de Staat waarin hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in beide Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbepalingen);

b)   indien niet kan worden bepaald in welke Staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarin hij gewoonlijk verblijft;

c)   indien hij in beide Staten of in geen van beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarvan hij onderdaan is;

d)   indien hij onderdaan is van beide Staten of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.

3.   Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarin de plaats van zijn werkelijke leiding is gelegen.

Artikel 5.  Vaste inrichting

1.   Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.

2.   De uitdrukking „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:

a)   een plaats waar leiding wordt gegeven;

b)   een filiaal;

c)   een kantoor;

d)   een fabriek;

e)   een werkplaats;

f)   een mijn, een olie- of gasbron, een steengroeve of een andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen;

g)   een pakhuis voor zover het gebruikt wordt door een persoon om opslagfaciliteiten ter beschikking te stellen aan derden;

h)   een lokaliteit gebruikt als verkoopgelegenheid;

i)    een installatie of bouwsel gebruikt voor de exploratie van natuurlijke rijkdommen mits de werkzaamheden meer dan 183 dagen voortduren.

3.   De plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie-, installatie- of montagewerkzaamheden vormt alleen een vaste inrichting indien de duur van dat bouwwerk of die werkzaamheden een periode van zes maanden overschrijdt.

4.   Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel, wordt de uitdrukking „vaste inrichting" niet geacht te omvatten:

a)   het gebruik maken van inrichtingen, uitsluitend voor opslag of uitstalling van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar;

b)   het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor opslag of uitstalling;

c)   het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor bewerking of verwerking door een andere onderneming;

d)   het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of inlichtingen in te winnen;

e)   het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend voor reclamedoeleinden, voor het geven van inlichtingen, voor wetenschappelijk onderzoek of voor andere werkzaamheden voor de onderneming die van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben,

f)   het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend voor een combinatie van de in de letters a) tot en met e) genoemde werkzaamheden, mits het totaal van de werkzaamheden van de vaste bedrijfsinrichting dat uit deze combinatie voortvloeit van voorbereidend aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft.

5.   Indien een persoon - niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger waarop het zesde lid van toepassing is - in een van de Staten namens een onderneming van de andere Staat werkzaam is, wordt die onderneming, niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid, geacht in de eerstgenoemde Staat een vaste inrichting te hebben, indien:

a)   hij een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht in die Staat gewoonlijk uitoefent, tenzij zijn werkzaamheden beperkt blijven tot de aankoop van goederen of koopwaar voor de onderneming; of

b)   hij zulk een machtiging niet bezit, maar gewoonlijk in de eerstgenoemde Staat een voorraad goederen of koopwaar aanhoudt waaruit hij namens de onderneming regelmatig goederen of koopwaar aflevert.

6.   Een onderneming van een van de Staten wordt niet geacht een vaste inrichting in de andere Staat te bezitten alleen op grond van de omstandigheid dat zij in die andere Staat zaken doet door bemiddeling van een makelaar, commissionair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, mits deze personen in de normale uitoefening van hun bedrijf handelen. Indien evenwel de werkzaamheden van zulk een vertegenwoordiger uitsluitend of nagenoeg uitsluitend worden verricht voor die onderneming, wordt hij niet geacht een onafhankelijke vertegenwoordiger te zijn in de zin van dit lid indien wordt aangetoond dat de handelingen tussen de vertegenwoordiger en de onderneming hebben plaatsgevonden, onder voorwaarden die afwijken van die welke tussen onafhankelijke partijen zouden gelden.

7.   De omstandigheid dat een lichaam dat inwoner is van een van de Staten, een lichaam beheerst of door een lichaam wordt beheerst dat inwoner is van de andere Staat of dat in die andere Staat zaken doet (hetzij door middel van een vaste inrichting, hetzij op andere wijze), stempelt een van beide lichamen niet tot een vaste inrichting van het andere.

HOOFDSTUK III .  BELASTINGHEFFING NAAR HET INKOMEN

Artikel 6.  Inkomsten uit onroerende goederen 1.

1.   Inkomsten verkregen door een inwoner van een van de Staten uit onroerende goederen (waaronder begrepen voordelen uit landbouw of bosbedrijven) die in de andere Staat zijn gelegen mogen in die andere Staat worden belast.

2.   De uitdrukking „onroerende goederen” heeft de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van de Staat waarin de desbetreffende goederen zijn gelegen. De uitdrukking omvat in ieder geval de goederen die bij de onroerende goederen behoren, levende en dode have van landbouw en bosbedrijven, rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende goederen en rechten op veranderlijke of vaste vergoedingen ter zake van de exploitatie, of concessie tot exploitatie, van minerale aardlagen, bronnen en andere natuurlijke rijkdommen; schepen en luchtvaartuigen worden niet als onroerende goederen beschouwd.

3.   De bepalingen van het eerste lid zijn van toepassing op de inkomsten verkregen uit de rechtstreekse exploitatie, uit het verhuren of verpachten, of uit elke andere vorm van exploitatie van onroerende goederen.

4.   De bepalingen van het eerste en derde lid zijn ook van toepassing op inkomsten uit onroerende goederen van een onderneming en op inkomsten uit onroerende goederen die worden gebruikt voor het verrichten van zelfstandige arbeid.

Artikel 7.  Winst uit onderneming

1.   De voordelen van een onderneming van een van de Staten zijn slechts in die Staat belastbaar, tenzij de onderneming in de andere Staat haar bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting. Indien de onderneming aldus haar bedrijf uitoefent, mogen de voordelen van de onderneming in de andere Staat worden belast, maar slechts in zoverre als zij aan die vaste inrichting kunnen worden toegerekend.

2.   Onder voorbehoud van de bepalingen van het derde lid worden, indien een onderneming van een van de Staten in de andere Staat haar bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, in elk van de Staten aan die vaste inrichting de voordelen toegerekend die zij geacht zou kunnen worden te behalen, indien zij een zelfstandige onderneming zou zijn die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden en die geheel onafhankelijk transacties zou aangaan met de onderneming waarvan zij een vaste inrichting is. In gevallen waarin het juiste bedrag van de aan een vaste inrichting toe te rekenen voordelen niet kan worden vastgesteld of de vaststelling daarvan uitzonderlijke moeilijkheden oplevert, mogen de aan de vaste inrichting toe te rekenen voordelen worden geschat op basis van een verdeling van de totale winst van de onderneming over haar verschillende delen, mits evenwel, het resultaat in overeenstemming is met de in dit artikel neergelegde beginselen.

3.

a)   Bij het bepalen van de voordelen van een vaste inrichting worden in aftrek toegelaten kosten - waaronder begrepen kosten van de leiding en algemene beheerskosten - die ten behoeve van de vaste inrichting zijn gemaakt, hetzij in de Staat waarin de vaste inrichting zijn gemaakt, hetzij in de Staat waarin de vaste inrichting is gevestigd, hetzij elders, zulks in overeenstemming met de bepalingen en onder voorbehoud van de beperkingen van de belastingwetgeving van die Staat. In het geval, dat de wetgeving van de Staat waarin de vaste inrichting is gevestigd het in aftrek toe te laten bedrag aan kosten van de leiding en algemene beheerskosten aan een beperking onderwerpt, en in een Overeenkomst tussen die Staat en een derde Staat die in werking treedt na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst, die beperking wordt versoepeld of te niet gedaan, zal de bevoegde autoriteit van die Staat de bevoegde autoriteit van de andere Staat de bewoordingen van de desbetreffende bepaling in de Overeenkomst met die derde Staat mededelen, zulks onmiddellijk na de inwerkingtreding van die Overeenkomst en zullen, indien de bevoegde autoriteit van de andere Staat daarom verzoekt, de bepalingen van dit onderdeel door middel van een protocolbepaling worden gewijzigd teneinde het in overeenstemming te brengen met die bewoordingen.

b)   Een dergelijke aftrek wordt evenwel niet toegestaan ter zake van bedragen (met uitzondering van die wegens vergoeding van werkelijke kosten) welke eventueel door de vaste inrichting aan het hoofdkantoor van de onderneming of een van haar andere kantoren worden betaald als royalty's, vergoedingen of andere soortgelijke betalingen voor het gebruik van octrooien of andere rechten, of als commissieloon voor bepaalde diensten of voor het geven van leiding, dan wel, behalve in het geval van een onderneming die het bankbedrijf uitoefent, als interest op gelden die aan de vaste inrichting zijn geleend. Evenmin wordt bij het bepalen van de voordelen van een vaste inrichting rekening gehouden met bedragen (met uitzondering van die wegens vergoeding van werkelijke kosten) welke door de vaste inrichting aan het hoofdkantoor van de ondernemingen of een van haar andere kantoren in rekening worden gebracht als royalty's, vergoedingen of andere soortgelijke betalingen voor het gebruik van octrooien of andere rechten, of als commissieloon voor bepaalde diensten of voor het geven van leiding, dan wel, behalve in het geval van een onderneming die het bankbedrijf uitoefent, als interest op gelden die aan het hoofdkantoor van de ondernemingen of een van haar andere kantoren zijn geleend.

4.   Er worden geen voordelen aan een vaste inrichting toegerekend enkel op grond van aankoop door die vaste inrichting van goederen of koopwaar voor de onderneming.

5.   Voor de toepassing van de voorgaande leden worden de aan de vaste inrichting toe te rekenen voordelen van jaar tot jaar volgens dezelfde methode bepaald, tenzij er een goede en genoegzame reden bestaat om hiervan af te wijken.

6.   Indien in de voordelen bestanddelen zijn begrepen die afzonderlijk in andere artikelen van deze Overeenkomst worden behandeld, worden de bepalingen van die artikelen niet aangetast door de bepalingen van dit artikel.

Artikel 8.  Luchtvaart

1.   Voordelen uit de exploitatie van luchtvaartuigen in internationaal verkeer zijn slechts belastbaar in de Staat waar de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen.

2.   Voor de toepassing van dit artikel:

a)   omvatten voordelen uit de exploitatie van luchtvaartuigen in internationaal verkeer mede voordelen behaald met de verhuur van luchtvaartuigen op basis van verhuur zonder bemanning, indien deze in het internationale verkeer worden geëxploiteerd en indien deze voordelen uit verhuur voortvloeien uit de voordelen omschreven in het eerste lid;

b)   wordt interest op kapitaal, dat wordt aangewend voor de exploitatie van luchtvaartuigen in internationaal verkeer aangemerkt als voordelen verkregen uit de exploitatie van die luchtvaartuigen en zijn de bepalingen van artikel 11 met betrekking tot die interest niet van toepassing.

3.   De bepalingen van het eerste lid zijn ook van toepassing op voordelen uit de deelneming in een „pool”, een gemeenschappelijke onderneming of een internationaal opererend agentschap.

Artikel 8A.   Zeevaart

1.   Voordelen uit de exploitatie van schepen in internationaal verkeer zijn slechts belastbaar in de Staat waar de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen.

2.   Indien echter de exploitatie van een schip in de andere Staat anders dan van voorbijgaande aard is, mogen deze voordelen overeenkomstig de wetgeving van die Staat ook in die andere Staat worden belast, maar slechts in zoverre die voordelen uit die andere Staat worden verkregen en mits die voordelen betrekking hebben op een of meer van de eerste tien kalenderjaren waarvoor de Overeenkomst van kracht is.

     Voor de toepassing van dit lid:

a)   worden onder „voordelen die uit de andere Staat worden verkregen” verstaan voordelen behaald met het vervoer van passagiers die in de andere Staat aan boord zijn gegaan of vracht die in de andere Staat is ingeladen;

b)   overschrijdt het bedrag van deze voordelen niet 5 percent van de ontvangsten ter zake van zodanig vervoer;

c)   bedraagt het belastingtarief op deze voordelen 50 percent van het belastingtarief dat op die voordelen van toepassing zou zijn zonder deze Overeenkomst.

3.   Indien de plaats van de werkelijke leiding van een zeevaartonderneming zich aan boord van een schip bevindt, wordt deze plaats geacht te zijn gelegen in de Staat waar de thuishaven van het schip is gelegen, of, indien er geen thuishaven is, in de Staat waarvan de exploitant van het schip inwoner is.

4.   Voor de toepassing van dit artikel:

a)   wordt interest op kapitaal, dat wordt aangewend voor de exploitatie van schepen in internationaal verkeer aangemerkt als voordelen uit de exploitatie van die schepen en zijn de bepalingen van artikel 11 met betrekking tot die interest niet van toepassing; en

b)   omvatten voordelen uit de exploitatie van schepen mede;

(i)   voordelen verkregen uit het gebruik, het onderhoud of de verhuur van containers (waaronder begrepen opleggers of aanhangwagens en daarmee verband houdende uitrusting voor het vervoer van containers) in verband met het vervoer van goederen of koopwaar in internationaal verkeer;

(ii)  voordelen uit de verhuur van schepen op basis van verhuur met of zonder bemanning indien deze in internationaal verkeer worden geëxploiteerd.

     Mits deze voordelen voortvloeien uit de voordelen omschreven in het eerste lid.

5.   De bepalingen van dit artikel zijn ook van toepassing op voordelen uit de deelneming in een „pool”, een gemeenschappelijke onderneming of een internationaal opererend agentschap.

Artikel 9.  Gelieerde ondernemingen

1.   Indien

a)   een onderneming van een van de Staten onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van een onderneming van de andere Staat, of

b)   dezelfde personen onmiddellijk of middellijk deelnemen aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van een onderneming van een van de Staten en een onderneming van de andere Staat,

     en in het ene of in het andere geval tussen de beide ondernemingen in hun handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd, die afwijken van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, mogen alle voordelen die een van de ondernemingen zonder deze voorwaarden zou hebben behaald, maar ten gevolge van die voorwaarden niet heeft behaald, worden begrepen in de voordelen van die onderneming en dienovereenkomstig worden belast.

2.   Indien een van de Staten in de voordelen van een onderneming van die Staat voordelen begrijpt - en dienovereenkomstig belast - ter zake waarvan een onderneming van de andere Staat in die andere Staat in de belastingheffing is betrokken en deze voordelen bestaan uit voordelen welke de onderneming van de eerstbedoelde Staat zou hebben behaald indien tussen de beide ondernemingen zodanige voorwaarden zouden zijn overeengekomen als die welke tussen onafhankelijke ondernemingen zouden zijn overeengekomen, zal die andere Staat het bedrag aan belasting dat in die Staat over die voordelen is geheven, dienovereenkomstig aanpassen. Bij de vaststelling van deze aanpassing wordt rekening gehouden met de overige bepalingen van deze Overeenkomst en plegen de bevoegde autoriteiten van de Staten zo nodig met elkaar overleg.

Artikel 10.  Dividenden

1.   Dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van een van de Staten aan een inwoner van de andere Staat, mogen in die andere Staat worden belast.

2.   Deze dividenden mogen echter ook in de Staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar indien de genieter de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden is, mag de aldus geheven belasting 15 percent van het brutobedrag van de dividenden niet overschrijden.

3.   De bevoegde autoriteiten van de Staten regelen in onderlinge overeenstemming de wijze van toepassing van het tweede lid.

4.   De bepalingen van het tweede lid laten onverlet de belastingheffing van het lichaam ter zake van de winst waaruit de dividenden worden betaald.

5.   De uitdrukking „dividenden”, zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomsten uit aandelen, winstaandelen of winstbewijzen, mijnaandelen, oprichtersaandelen of andere rechten, die aanspraak geven op een aandeel in de winst, alsmede inkomsten uit schuldvorderingen die aanspraak geven op een aandeel in de winst en inkomsten uit andere vennootschappelijke rechten die door de wetgeving van de Staat waarvan het lichaam dat de uitdeling doet inwoner is, op dezelfde wijze aan de belastingheffing worden onderworpen als inkomsten uit aandelen.

6.   De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden, die inwoner is van een van de Staten, in de andere Staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, of in die andere Staat zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gevestigd vast middelpunt, en het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van dat vaste middelpunt behoort. In dat geval zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 of artikel 14 van toepassing.

7.   Indien een lichaam dat inwoner is van een van de Staten, voordelen of inkomsten verkrijgt uit de andere Staat, mag die andere Staat geen belasting heffen op de dividenden die door het lichaam worden betaald, behalve voor zover deze dividenden worden betaald aan een inwoner van die andere Staat of voor zover het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van een in die andere Staat gevestigde vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van een aldaar gevestigd vast middelpunt behoort, noch de niet-uitgedeelde winst van het lichaam onderwerpen aan een belasting op niet-uitgedeelde winst van het lichaam, zelfs indien de betaalde dividenden of de niet-uitgedeelde winst geheel of gedeeltelijk bestaan uit voordelen of inkomsten die uit die andere Staat afkomstig zijn.

Artikel 11.  Interest

1.   Interest afkomstig uit een van de Staten en betaald aan een inwoner van de andere Staat, mag in die andere Staat worden belast.

2.   Deze interest mag echter ook in de Staat waaruit hij afkomstig is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar indien de genieter de uiteindelijk gerechtigde tot de interest is, mag de aldus geheven belasting niet overschrijden:

a)   10 percent van het brutobedrag van de interest op leningen verstrekt of gegarandeerd door een bank of een andere financiële instelling die daadwerkelijk het bankbedrijf uitoefent of een fïnancieringsonderneming drijft of door een onderneming die onmiddellijk of middellijk tenminste 10% van het kapitaal bezit van het lichaam dat de interest betaalt;

b)   15 percent van het brutobedrag van de interest in alle andere gevallen.

3.   Niettegenstaande de bepalingen van het tweede lid:

a)   is de Regering van een van de Staten vrijgesteld van belasting in de andere Staat ter zake van interest die door die Regering onmiddellijk of middellijk uit die andere Staat wordt verkregen;

b)   is interest afkomstig uit een van de Staten en betaald ter zake van een lening die gegarandeerd of verzekerd is door de Regering van de andere Staat vrijgesteld van belasting in de eerstgenoemde Staat.

4.   Voor de toepassing van het derde lid betekent de uitdrukking „Regering”:

a)   indien het Nederland betreft, de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en omvat zij mede:

-    de plaatselijke publiekrechtelijke lichamen;

-    de Nederlandsche Bank;

-    die instellingen, waarvan het kapitaal geheel in eigendom is van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen.

-    de Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden N.V. en de Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden N.V.;

-    alle andere instellingen die te eniger tijd tussen de bevoegde autoriteiten van de Staten worden overeengekomen.

b)   indien het India betreft, de Regering van India en omvat zij mede:

-    een staatkundig onderdeel;

-    een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam;

-    de Reserve Bank of India;

-    de Export-Import Bank of India;

-    die instellingen, waarvan het kapitaal geheel in eigendom is van de Regering van India of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam;

-    alle andere instellingen die te eniger tijd tussen de bevoegde autoriteiten van de Staten worden overeengekomen.

5.   De bevoegde autoriteiten van de Staten regelen in onderlinge overeenstemming de wijze van toepassing van het tweede lid.

6.   De uitdrukking „interest”, zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomsten uit schuldvorderingen van welke aard ook, al dan niet verzekerd door hypotheek, doch niet aanspraak gevend op een aandeel in de winst van de schuldenaar, en in het bijzonder inkomsten uit overheidsleningen en inkomsten uit obligaties of schuldbewijzen, waaronder begrepen de aan zodanige leningen, obligaties of schuldbewijzen verbonden premies en prijzen. In rekening gebrachte boete voor te late betaling wordt voor de toepassing van dit artikel niet als interest aangemerkt.

7.   De bepalingen van het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de uiteindelijk gerechtigde tot de interest, die inwoner is van een van de Staten, in de andere Staat waaruit de interest afkomstig is een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, of in die andere Staat zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gevestigd vast middelpunt, en de vordering uit hoofde waarvan de interest wordt betaald, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van dat vaste middelpunt behoort. In dat geval zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 of artikel 14 van toepassing.

8.   Interest wordt geacht uit een van de Staten afkomstig te zijn, indien deze wordt betaald door die Staat zelf, door een staatkundig onderdeel, door een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam of door een inwoner van die Staat. Indien evenwel de persoon die de interest betaalt, of hij inwoner van een van de Staten is of niet, in een van de Staten een vaste inrichting of een vast middelpunt heeft, waarvoor de schuld ter zake waarvan de interest wordt betaald, was aangegaan, en deze interest ten laste komt van die vaste inrichting of van dat vaste middelpunt, wordt deze interest geacht afkomstig te zijn uit de Staat waarin de vaste inrichting of het vaste middelpunt is gevestigd.

9.   Indien, wegens een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de betaalde interest, gelet op de schuldvordering ter zake waarvan deze wordt betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder zulk een verhouding door de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde zou zijn overeengekomen, zijn de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag van toepassing. In dat geval blijft het daarboven uitgaande deel van het betaalde bedrag belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de Staten, zulks met inachtneming van de overige bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel 12.  Royalty's, vergoedingen voor technische diensten en vergoedingen voor het gebruik van uitrusting

1.   Royalty's, vergoedingen voor technische diensten en vergoedingen voor het gebruik van uitrusting afkomstig uit een van de Staten en betaald aan een inwoner van de andere Staat mogen in die andere Staat worden belast.

2.   Deze royalty's of vergoedingen mogen echter ook in de Staat waaruit zij afkomstig zijn, overeenkomstig de wetgeving van die Staat, worden belast, maar indien de genieter de uiteindelijk gerechtigde tot deze soorten inkomsten is, mag de aldus geheven belasting 20 percent van het brutobedrag van de royalty's of vergoedingen niet overschrijden:

3.   De bevoegde autoriteiten van de Staten regelen in onderlinge overeenstemming de wijze van toepassing van het tweede lid.

4.   De uitdrukking „royalty's”, zoals gebezigd in dit artikel, betekent vergoedingen van welke aard ook voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst of wetenschap - waaronder begrepen bioscoopfilms en werken op film of beeldband voor televisieuitzendingen, van een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk, een tekening of model, een plan, een geheim recept of een geheime werkwijze, of voor inlichtingen omtrent ervaringen op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap.

5.   De uitdrukking „vergoedingen voor technische diensten”, zoals gebezigd in dit artikel, betekent betalingen van welke aard ook aan een persoon voor diensten van bestuurlijke, technische of raadgevende aard, zulks met uitzondering van betalingen aan een werknemer van de persoon die de betalingen doet en betalingen aan een natuurlijke persoon voor zelfstandige arbeid als bedoeld in artikel 14.

6.   De uitdrukking „vergoedingen voor het gebruik van uitrusting”, zoals gebezigd in dit artikel, betekent betalingen van welke aard ook die worden ontvangen voor het gebruik, of het recht van gebruik, van uitrusting op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap.

7.   De bepalingen van het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing, indien de uiteindelijk gerechtigde tot de royalty's, vergoedingen voor technische diensten of vergoedingen voor het gebruik van uitrusting, die inwoner is van een van de Staten, in de andere Staat waaruit de royalty's, vergoedingen voor technische diensten of vergoedingen voor het gebruik van uitrusting afkomstig zijn een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, of in die andere Staat zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gevestigd vast middelpunt, en de royalty's, vergoedingen voor technische diensten of vergoedingen voor het gebruik van uitrusting, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van dat vaste middelpunt behoren. In dat geval zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 of artikel 14 van toepassing.

8.   Royalty's, vergoedingen voor technische diensten of vergoedingen voor het gebruik van uitrusting worden geacht uit een van de Staten afkomstig te zijn, indien zij worden betaald door die Staat zelf, door een staatkundig onderdeel, door een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam of door een inwoner van die Staat. Indien evenwel de persoon die de royalty's, vergoedingen voor technische diensten of vergoedingen voor het gebruik van uitrusting betaalt, ongeacht of hij inwoner van een van de Staten is of niet, in een van de Staten een vaste inrichting of een vast middelpunt heeft waarvoor de verplichting op grond waarvan de royalty's, vergoedingen voor technische diensten of vergoedingen voor het gebruik van uitrusting worden betaald, was aangegaan, en deze royalty's, vergoedingen voor technische diensten of vergoedingen voor het gebruik van uitrusting ten laste komen van die vaste inrichting of van dat vaste middelpunt, worden deze royalty's, vergoedingen voor technische diensten of vergoedingen voor het gebruik van uitrusting geacht afkomstig te zijn uit de Staat waar de vaste inrichting of het vaste middelpunt is gevestigd.

9.   Indien, wegens van een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de royalty's, vergoedingen voor technische diensten of vergoedingen voor het gebruik van uitrusting, gelet op de royalty's, technische diensten of het gebruik van uitrusting waarvoor zij worden betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder zulk een verhouding door de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde zou zijn overeengekomen, zijn de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag van toepassing. In dat geval blijft het daarboven uitgaande deel van het betaalde bedrag belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de Staten, zulks met inachtneming van de overige bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel 13.  Vermogenswinsten

1.   Voordelen verkregen door een inwoner van een van de Staten uit de vervreemding van onroerende goederen, zoals bedoeld in artikel 6 en die zijn gelegen in de andere Staat mogen in die andere Staat worden belast.

2.   Voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende zaken die deel uitmaken van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting die een onderneming van een van de Staten in de andere Staat heeft, of van roerende zaken die behoren tot een vast middelpunt dat een inwoner van een van de Staten in de andere Staat tot zijn beschikking heeft voor het verrichten van zelfstandige arbeid, waaronder begrepen voordelen verkregen uit de vervreemding van de vaste inrichting (alleen of met de gehele onderneming) of van het vaste middelpunt, mogen in die andere Staat worden belast.

3.   Voordelen verkregen uit de vervreemding van schepen of luchtvaartuigen die in internationaal verkeer worden geëxploiteerd, of van roerende zaken die worden gebruikt bij de exploitatie van deze schepen of luchtvaartuigen, zijn slechts belastbaar in de Staat waar de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen. De bepalingen van artikel 8A, derde lid, vinden hierbij toepassing.

4.   Voordelen verkregen door een inwoner van een van de Staten uit de vervreemding van aandelen (andere dan aandelen genoteerd op een erkende effectenbeurs) die deel uitmaken van een wezenlijk belang in het aandelenkapitaal van een lichaam, dat inwoner is van de andere Staat, van welke aandelen de waarde hoofdzakelijk berust op onroerende goederen die in die andere Staat zijn gelegen, andere dan onroerende goederen waarin de werkzaamheden van het lichaam worden uitgeoefend, mogen in die andere Staat worden belast. Een wezenlijk belang bestaat wanneer de inwoner 25 percent of meer van de aandelen van het aandelenkapitaal van een lichaam bezit.

5.   Voordelen verkregen uit de vervreemding van alle andere zaken dan die bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid zijn slechts belastbaar in de Staat waarvan de vervreemder inwoner is. Voordelen verkregen uit de vervreemding van aandelen uitgegeven door een lichaam dat inwoner is van de andere Staat, welke aandelen deel uitmaken van een belang van tenminste 10 percent in het aandelenkapitaal van dat lichaam, mogen echter in die andere Staat worden belast indien de vervreemding plaatsvindt aan een inwoner van die andere Staat. Zulke voordelen zijn echter slechts belastbaar in de Staat waarvan de vervreemder inwoner is indien die voordelen worden behaald in het kader van de oprichting van een lichaam, in het kader van een reorganisatie, fusie, splitsing of van een soortgelijke transactie, en indien de koper of verkoper tenminste 10 percent van het aandelenkapitaal van de ander bezit.

6.   De bepalingen van het vijfde lid tasten niet aan het recht van elk van de Staten overeenkomstig zijn eigen wetgeving belasting te heffen op voordelen die voortvloeien uit de vervreemding van aandelen of winstbewijzen in een lichaam waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld en dat, volgens de wetgeving van die Staat inwoner is van die Staat, worden verkregen door een natuurlijke persoon die inwoner is van de andere Staat en die in de loop van de laatste vijf jaren voorafgaande aan de vervreemding van de aandelen of winstbewijzen inwoner van de eerstbedoelde Staat is geweest.

Artikel 14.  Zelfstandige arbeid

1.   Voordelen verkregen door een inwoner van een van de Staten in de uitoefening van een vrij beroep of ter zake van andere werkzaamheden van zelfstandige aard zijn slechts in die Staat belastbaar behalve onder de volgende omstandigheden waarin zodanige voordelen ook in de andere Staat mogen worden belast:

a)   indien hij in de andere Staat voor het verrichten van zijn werkzaamheden geregeld over een vast middelpunt beschikt; in dat geval mogen de voordelen slechts in zoverre zij aan dat vaste middelpunt kunnen worden toegerekend, in die andere Staat worden belast; of

b)   indien hij in de andere Staat verblijft gedurende een tijdvak of tijdvakken die in het desbetreffende belastingjaar een totaal van 183 of meer dagen belopen; in dat geval mogen de voordelen slechts in zoverre zij worden verkregen uit zijn in die andere Staat verrichte werkzaamheden, in die andere Staat worden belast.

2.   De uitdrukking „vrij beroep” omvat in het bijzonder zelfstandige werkzaamheden op het gebied van wetenschap, letterkunde, kunst, opvoeding of onderwijs, alsmede de zelfstandige werkzaamheden van artsen, advocaten, technici, architecten, tandartsen en accountants.

Artikel 15.  Niet-zelfstandige arbeid

1.   Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 16, 18, 19, 20 en 21 zijn salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een dienstbetrekking slechts in die Staat belastbaar, tenzij de dienstbetrekking in de andere Staat wordt uitgeoefend. Indien de dienstbetrekking aldaar wordt uitgeoefend, mag de ter zake daarvan verkregen beloning in die andere Staat worden belast.

2.   Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid is de beloning verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een in de andere Staat uitgeoefende dienstbetrekking slechts in de eerstbedoelde Staat belastbaar, indien:

a)   de genieter in de andere Staat verblijft gedurende een tijdvak of tijdvakken, die in het betreffende belastingjaar een totaal van 183 dagen niet te boven gaan, en

b)   de beloning wordt betaald door of namens een werkgever die geen inwoner van de andere Staat is, en

c)   de beloning niet ten laste komt van een vaste inrichting die, of van een vast middelpunt dat de werkgever in de andere Staat heeft.

3.   Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel is de beloning verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd, slechts in die Staat belastbaar.

Artikel 16.  „Directeursbeloningen”

Directeursbeloningen (directors' fees) of andere beloningen verkregen door een inwoner van een van de Staten in zijn hoedanigheid van lid van de raad van beheer, van bestuurder of van commissaris van een lichaam dat inwoner is van de andere Staat, mogen in die andere Staat worden belast.

Artikel 17.  Artiesten en sportbeoefenaars

1.   Niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 14 en 15 mogen voordelen of inkomsten, verkregen door een inwoner van een van de Staten als artiest, zoals een toneelspeler, film-, radio-, of televisieartiest of een musicus, of als sportbeoefenaar, uit zijn persoonlijke werkzaamheden als zodanig die worden verricht in de andere Staat, worden belast in die andere Staat.

2.   Indien voordelen of inkomsten ter zake van persoonlijke werkzaamheden die door een artiest of een sportbeoefenaar in die hoedanigheid worden verricht, niet aan de artiest of sportbeoefenaar zelf toekomen, maar aan een andere persoon, mogen die voordelen of inkomsten, niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 7, 14 en 15, worden belast in de Staat waarin de werkzaamheden van de artiest of sportbeoefenaar worden verricht.

3.   Niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid, zijn voordelen of inkomsten verkregen door een artiest of een sportbeoefenaar, die inwoner is van een van de Staten, uit zijn persoonlijke werkzaamheden als zodanig die worden verricht in de andere Staat, slechts belastbaar in eerstbedoelde Staat, indien de werkzaamheden in de andere Staat geheel of in hoofdzaak worden bekostigd uit de openbare middelen van de eerstbedoelde Staat, waaronder begrepen de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, en indien die werkzaamheden worden verricht in het kader van een bilaterale culturele Overeenkomst tussen de twee Staten.

Artikel 18.  Pensioenen en lijfrenten

1.   Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 19, tweede lid, zijn pensioenen en andere soortgelijke beloningen betaald aan een inwoner van een van de Staten ter zake van een vroegere dienstbetrekking alsmede aan een zodanige inwoner betaalde lijfrenten, slechts in die Staat belastbaar.

2.   Indien deze beloningen echter geen periodiek karakter dragenen worden betaald ter zake van een vroegere dienstbetrekking in de andere Staat, mogen de beloningen in die andere Staat worden belast.

3.   Pensioenen uitbetaald krachtens de bepalingen van een sociaal zekerheidsstelsel van een van de Staten aan een inwoner van de andere Staat, mogen in de eerstbedoelde Staat worden belast.

4.   De uitdrukking „lijfrente” betekent een vaste som, periodiek betaalbaar op vaste tijdstippen gedurende het leven of gedurende een vastgesteld of voor vaststelling vatbaar tijdvak, ingevolge een verbintenis tot het doen van betalingen, welke tegenover een voldoende en volledige tegenprestatie in geld of geldswaarde staat.

Artikel 19.  Overheidsfuncties

1.

a)   Beloningen, niet zijnde pensioenen, betaald door een van de Staten of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan aan een natuurlijke persoon ter zake van diensten bewezen aan die Staat of dat onderdeel of dat publiekrechtelijk lichaam, mogen in die Staat worden belast.

b)   Deze beloningen zijn echter slechts in de andere Staat belastbaar, indien de diensten in die Staat worden bewezen en de natuurlijke persoon inwoner is van die Staat, die:

1.   onderdaan is van die Staat, of

2.   niet uitsluitend voor het verrichten van de diensten inwoner van die Staat werd.

2.

a)   Pensioenen, betaald door, of uit fondsen in het leven geroepen door, een van de Staten of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan aan een natuurlijke persoon ter zake van diensten bewezen aan die Staat of dat onderdeel of dat publiekrechtelijk lichaam, mogen in die Staat worden belast.

b)   Deze pensioenen zijn echter slechts in de andere Staat elastbaar, indien de natuurlijke persoon inwoner en onderdaan is van die Staat.

3.   De bepalingen van de artikelen 15,16 en 18 zijn van toepassing op beloningen en pensioenen ter zake van diensten, bewezen in het kader van een op winst gericht bedrijf, uitgeoefend door een van de Staten of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan.

Artikel 20.  Hoogleraren, docenten en wetenschappelijke onderzoekers

1.   Een hoogleraar of andere docent die inwoner van een van de Staten is of was onmiddellijk voorafgaande aan een bezoek aan de andere Staat dat tot doel heeft het geven van onderwijs of het zich bezig houden met wetenschappelijk onderzoek, of beide, aan een universiteit, hogeschool, school of andere goedgekeurde instelling in die andere Staat, is gedurende een tijdvak dat twee jaar te rekenen van de dag van zijn aankomst in die andere Staat niet te boven gaat slechts in de eerstbedoelde Staat belastbaar voor de beloningen voor dat onderwijs of onderzoek.

2.   Dit artikel is niet van toepassing op inkomsten uit het verrichten van onderzoek, indien dit onderzoek in de eerste plaats voor het persoonlijke nut van een bepaalde persoon of bepaalde personen wordt verricht.

3.   Voor de toepassing van het eerste lid betekent „goedgekeurde instelling” een instelling die in dit verband is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van de desbetreffende Staat.

Artikel 21.  Studenten en leerlingen

1.   Een student of een voor een beroep of bedrijf in opleiding zijnde persoon die inwoner van een van de Staten is of was onmiddellijk voorafgaande aan een bezoek aan de andere Staat en die uitsluitend in die andere Staat verblijft voor zijn studie of opleiding, is vrijgesteld van belasting in die andere Staat voor:

a)   betalingen aan hem verricht door personen woonachtig buiten die andere Staat ten behoeve van zijn onderhoud, studie of opleiding; en

b)   beloningen uit een dienstbetrekking in die andere Staat, tot een bedrag dat in enig belastingjaar 5000 gulden of de tegenwaarde daarvan in Indiase valuta niet te boven gaat, mits deze dienstbetrekking onmiddellijk verband houdt met zijn studie of wordt uitgeoefend ten behoeve van zijn onderhoud.

2.   De voordelen van dit artikel worden slechts verleend voor zulk een tijdsduur als redelijkerwijs of gewoonlijk vereist is om de aangevangen studie of opleiding te voltooien, maar in geen geval zal een natuurlijke persoon de voordelen van dit artikel genieten gedurende meer dan vijf achtereenvolgende jaren vanaf de datum van eerste aankomst in die andere Staat.

HOOFDSTUK IV.  BELASTINGHEFFING NAAR HET VERMOGEN

Artikel 22.  Vermogen

1.   Vermogen bestaande uit onroerende goederen, zoals bedoeld in artikel 6, dat een inwoner van een van de Staten bezit en dat is gelegen in de andere Staat, mag in die andere Staat worden belast.

2.   Vermogen bestaande uit roerende zaken die deel uitmaken van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting die een onderneming van een van de Staten in de andere Staat heeft, of uit roerende zaken die behoren tot een vast middelpunt dat een inwoner van een van de Staten in de andere Staat tot zijn beschikking heeft voor het verrichten van zelfstandige arbeid, mag in die andere Staat worden belast.

3.   Vermogen bestaande uit schepen en luchtvaartuigen die in internationaal verkeer worden geëxploiteerd alsmede uit roerende zaken die worden gebruikt bij de exploitatie van deze schepen en luchtvaartuigen, is slechts belastbaar in de Staat waar de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen. De bepalingen van artikel 8A, derde lid, zijn hierbij van toepassing.

4.   Alle andere bestanddelen van het vermogen van een inwoner van een van de Staten zijn slechts in die Staat belastbaar.

HOOFDSTUK V.  VERMIJDING VAN DUBBELE BELASTING

Artikel 23.  Vermijding van dubbele belasting

1.   Nederland is bevoegd bij het heffen van belasting van zijn inwoners in de grondslag waarnaar de belasting wordt geheven, de bestanddelen van het inkomen of het vermogen te begrijpen die overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst in India mogen worden belast.

2.   Indien echter een inwoner van Nederland bestanddelen van het inkomen verkrijgt of vermogensbestanddelen bezit die volgens artikel 6, artikel 7, artikel 10, zesde lid, artikel 11, zevende lid, artikel 12, zevende lid, artikel 13, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, artikel 14, artikel 15, eerste lid, artikel 16, artikel 18, derde lid, artikel 19 en artikel 22, eerste en tweede lid, van deze Overeenkomst in India mogen worden belast en die in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen, stelt Nederland deze inkomens- en vermogensbestanddelen vrij door een vermindering van zijn belasting toe te staan. Deze vermindering wordt berekend overeenkomstig de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting. Te dien einde worden genoemde bestanddelen geacht te zijn begrepen in het totale bedrag van de bestanddelen van het inkomen of het vermogen die ingevolge die bepalingen van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld.

3.   Nederland verleent voorts een aftrek op de aldus berekende Nederlandse belasting voor die bestanddelen van het inkomen die volgens artikel 8A, tweede lid, artikel 10, tweede lid, artikel 11, tweede lid, artikel 12, tweede lid, artikel 17 en artikel 18, tweede lid van deze Overeenkomst in India mogen worden belast, in zoverre deze bestanddelen in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen. Het bedrag van deze aftrek is gelijk aan de in India over deze bestanddelen van het inkomen betaalde belasting, maar bedraagt niet meer dan het bedrag van de vermindering die zou zijn verleend indien de aldus in het inkomen begrepen bestanddelen van het inkomen de enige bestanddelen van het inkomen zouden zijn geweest die uit hoofde van de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld.

     Indien, wegens een bijzondere tegemoetkoming verleend op grond van de bepalingen van de Indiase wetgeving ter bevordering van investeringen in India, de in feite geheven Indiase belasting op uit India afkomstige interest minder bedraagt dan de belasting die India ingevolge artikel 11, tweede lid, onderdelen a en b, mag heffen, wordt het bedrag van de in India over die interest betaalde belasting geacht te zijn betaald naar de in voornoemde bepalingen vermelde tarieven. Indien evenwel de ingevolge de Indiase wetgeving op vorengenoemde interest van toepassing zijnde algemene belastingtarieven worden verlaagd beneden die welke in de vorige volzin zijn genoemd, gelden voor de toepassing van die volzin deze lagere tarieven. De bepalingen van de twee voorgaande volzinnen zijn slechts van toepassing gedurende een tijdvak van tien jaar na de datum waarop de Overeenkomst in werking is getreden. Dit tijdvak kan in onderlinge overeenstemming tussen de bevoegde autoriteiten worden verlengd.

4.   In India wordt dubbele belasting als volgt ongedaan gemaakt:

     Indien een inwoner van India voordelen en inkomsten verkrijgt of vermogensbestanddelen bezit die volgens de bepalingen van deze Overeenkomst in Nederland mogen worden belast, staat India een vermindering toe op de belasting naar het inkomen van die inwoner tot een bedrag dat gelijk is aan de in Nederland hetzij rechtstreeks hetzij door inhouding betaalde inkomstenbelasting; en een vermindering op de belasting naar het vermogen van die inwoner tot een bedrag dat gelijk is aan de in Nederland betaalde vermogensbelasting. Deze vermindering overschrijdt in beide gevallen echter niet dat deel van de inkomstenbelasting of vermogensbelasting (zoals deze is berekend vóór het verlenen van de vermindering), dat naar gelang van het geval kan worden toegerekend aan de voordelen en inkomsten of vermogensbestanddelen die in Nederland mogen worden belast. Indien een dergelijke inwoner een lichaam is dat surtax (aanvullende inkomstenbelasting) verschuldigd is, wordt deze vermindering met betrekking tot de in Nederland betaalde inkomstenbelasting voorts in de eerste plaats toegestaan op de door het lichaam in India verschuldigde inkomstenbelasting, en voor het restant, indien aanwezig, op de door het lichaam in India verschuldigde surtax (aanvullende inkomstenbelasting).

     Een en ander onder voorwaarde dat voordelen of inkomsten die ingevolge de bepalingen van deze Overeenkomst niet aan belasting mogen worden onderworpen, in aanmerking mogen worden genomen bij de berekening van het tarief van de verschuldigde belasting.

     Voor de toepassing van dit lid worden bij de vaststelling van de belastingen naar het inkomen betaald aan Nederland, de investeringsbijdragen en -toeslagen en de desinvesteringsbetalingen, als bedoeld in de Nederlandse Wet investeringsrekening, niet in aanmerking genomen. Voor de toepassing van dit lid worden de belasting als bedoeld in artikel 2, derde lid onderdeel a en vierde lid, niet zijnde de vermogensbelasting, beschouwd als belastingen naar het inkomen.

5.   Indien een inwoner van een van de Staten voordelen verkrijgt die ingevolge artikel 13, zesde lid, in de andere Staat mogen worden belast, verleent die andere Staat een vermindering op zijn belasting over deze voordelen tot een bedrag dat gelijk is aan de belasting die in de eerstbedoelde Staat over die voordelen is geheven.

HOOFDSTUK VI.  BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel 24.  Non-discriminatie

1.   Onderdanen van een van de Staten worden in de andere Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen, waaraan onderdanen van die andere Staat onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen. Deze bepaling is, niettegenstaande het bepaalde in artikel 1, ook van toepassing op personen die geen inwoners zijn van een van de Staten of van beide Staten.

2.   Behalve indien de bepalingen van artikel 7, derde lid van toepassing zijn, is de belastingheffing van een vaste inrichting die een onderneming van een van de Staten in de andere Staat heeft, in die andere Staat niet ongunstiger dan de belastingheffing van ondernemingen van die andere Staat die dezelfde werkzaamheden uitoefenen.

3.   De bepaling van het tweede lid mag niet zo worden uitgelegd, dat zij een van de Staten verplicht aan inwoners van de andere Staat bij de belastingheffing de persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van de samenstelling van het gezin of gezinslasten te verlenen, die eerstbedoelde Staat aan zijn eigen inwoners verleent.

4.   Behalve indien de bepalingen van artikel 9, eerste lid, artikel 11, negende lid, of artikel 12, negende lid, van toepassing zijn, zijn interest, royalty's en andere uitgaven, betaald door een onderneming van een van de Staten aan een inwoner van de andere Staat, bij de vaststelling van de belastbare winst van die onderneming onder voorwaarden aftrekbaar als wanneer zij betaald waren aan een inwoner van de eerstbedoelde Staat. Zo ook zijn alle schulden van een onderneming van een van de Staten aan een inwoner van de andere Staat bij de vaststelling van het belastbare vermogen van die onderneming onder dezelfde voorwaarden aftrekbaar als wanneer zij waren aangegaan met een inwoner van de eerstbedoelde Staat.

5.   Ondernemingen van een van de Staten, waarvan het kapitaal geheel of ten dele, onmiddellijk of middellijk, in het bezit is van of wordt beheerst door een of meer inwoners van de andere Staat, worden in de eerstbedoelde Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen, waaraan andere, soortgelijke ondernemingen van de eerstbedoelde Staat zijn of kunnen worden onderworpen.

Artikel 25.  Regeling voor onderling overleg

1.   Indien een persoon van oordeel is dat de maatregelen van een van de Staten of van beide Staten voor hem leiden of zullen leiden tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze Overeenkomst, kan hij, ongeacht de rechtsmiddelen waarin de nationale wetgeving van die Staten voorziet, zijn geval voorleggen aan de bevoegde autoriteit van de Staat waarvan hij inwoner is, of, indien zijn geval valt onder artikel 24, eerste lid, aan die van de Staat waarvan hij onderdaan is. Het geval moet worden voorgelegd binnen drie jaar nadat de maatregel die leidt tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van de Overeenkomst, voor het eerst te zijner kennis is gebracht.

2.   De bevoegde autoriteit tracht, indien het bezwaar haar gegrond voorkomt en indien zij niet zelf in staat is tot een bevredigende oplossing te komen, de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming met de bevoegde autoriteit van de andere Staat te regelen ten einde een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de Overeenkomst, te vermijden.

     De overeengekomen regeling wordt uitgevoerd niettegenstaande de verjaringstermijnen in de nationale wetgeving van de Staten.

3.   De bevoegde autoriteiten van de Staten trachten de moeilijkheden of twijfelpunten die mochten rijzen met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van de Overeenkomst in onderlinge overeenstemming op te lossen. Zij kunnen ook met elkaar overleg plegen ten einde dubbele belasting ongedaan te maken in gevallen waarin de Overeenkomst niet voorziet.

4.   De bevoegde autoriteiten van de Staten kunnen zich rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen ten einde een overeenstemming als bedoeld in de voorgaande leden te bereiken. Indien voor het bereiken van overeenstemming een mondelinge gedachtenwisseling raadzaam lijkt, kan zulk een gedachtenwisseling plaatsvinden in een commissie die bestaat uit vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de twee Staten.

Artikel 26.  Uitwisseling van inlichtingen

1.   De bevoegde autoriteiten van de Staten wisselen die inlichtingen uit die nodig zijn voor de uitvoering van de bepalingen van de Overeenkomst of van de nationale wetgeving van de Staten betreffende de belasting waarop de Overeenkomst van toepassing is, voor zover de heffing van die belastingen niet in strijd is met de Overeenkomst, in het bijzonder om fraude te voorkomen dan wel het ontgaan van dergelijke belastingen te voorkomen. Alle door een van de Staten ontvangen inlichtingen worden op dezelfde wijze geheim gehouden als inlichtingen die volgens de nationale wetgeving van die Staat zijn verkregen en worden alleen ter kennis gebracht van personen of autoriteiten (waaronder begrepen rechtelijke instanties en administratiefrechtelijke instanties of lichamen) die betrokken zijn bij de vaststelling of invordering van, de tenuitvoerlegging ter zake van, of de beslissing in beroepszaken betrekking hebbende op de belastingen die het onderwerp van de Overeenkomst uitmaken. Deze personen of autoriteiten mogen van de inlichtingen alleen voor deze doeleinden gebruik maken, zij het dat zij de inlichtingen wel bekend mogen maken in openbare rechtszittingen of in rechterlijke beslissingen.

2.   In geen geval worden de bepalingen van het eerste lid zo uitgelegd dat zij een van de Staten de verplichting opleggen:

a)   administratieve maatregelen te nemen die in strijd zijn met de wetgeving en de administratieve praktijk van die of van de andere Staat;

b)   inlichtingen te verstrekken die niet verkrijgbaar zijn krachtens de wetgeving of in de normale gang van zaken in de administratie van die of van de andere Staat;

c)   inlichtingen te verstrekken die een handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of een fabrieks- of handelswerkwijze zouden onthullen, of inlichtingen waarvan het verstrekken in strijd zou zijn met de openbare orde.

Artikel 27.  Diplomatieke en consulaire ambtenaren

1.   De bepalingen van deze Overeenkomst tasten in geen enkel opzicht de fiscale voorrechten aan die diplomatieke of consulaire ambtenaren ontlenen aan de algemene regels van het volkenrecht of aan de bepalingen van bijzondere overeenkomsten

2.   Voor de toepassing van de Overeenkomst wordt een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een van de Staten in de andere Staat of in een derde Staat en die onderdaan is van de zendstaat, geacht inwoner van de zendstaat te zijn, indien zij daarin aan dezelfde verplichtingen ter zake van belastingen naar het inkomen of het vermogen is onderworpen als inwoners van die Staat.

3.   Internationale organisaties, hun organen en functionarissen en leden van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een derde Staat, die in een van de Staten verblijven, zijn in de andere Staat niet gerechtigd tot de verminderingen of vrijstellingen van belasting waarin de artikelen 10, 11 en 12 met betrekking tot inkomensbestanddelen die in deze artikelen worden behandeld en die afkomstig zijn uit die andere Staat voorzien, indien die inkomensbestanddelen in de eerstbedoelde Staat niet aan een belasting naar het inkomen zijn onderworpen.

Artikel 28.  Uitbreiding tot andere gebieden

1.   Deze Overeenkomst kan, hetzij in haar geheel, hetzij met de noodzakelijke wijzigingen, worden uitgebreid tot Aruba en/of de Nederlandse Antillen, indien het betreffende land belastingen heft die in wezen gelijksoortig zijn aan de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is. Zulk een uitbreiding wordt van kracht met ingang van een datum en met inachtneming van wijzigingen en voorwaarden, waaronder begrepen voorwaarden ten aanzien van de beëindiging, nader vast te stellen en overeen te komen bij diplomatieke notawisseling.

2.   Tenzij anders is overeengekomen, brengt de beëindiging van de Overeenkomst niet met zich mede, dat tevens de uitbreiding van de Overeenkomst tot enig land waartoe zij ingevolge dit artikel is uitgebreid, wordt beëindigd.

HOOFDSTUK VII.  SLOTBEPALINGEN

Artikel 29.  Inwerkingtreding

.    Elk van de Staten stelt de andere in kennis van de voltooiing van de voor het van kracht worden van deze Overeenkomst wettelijk vereiste procedures. Deze Overeenkomst treedt in werking op de dertigste dag na de laatste der beide data waarop de onderscheiden Regeringen elkaar schriftelijk hebben medegedeeld, dat de in hun onderscheiden Staten grondwettelijk vereiste formaliteiten zijn vervuld, en de bepalingen ervan vinden toepassing:

a)   in Nederland voor belastingjaren en tijdvakken die aanvangen op of na de eerste januari volgend op het kalenderjaar waarin de laatste van de mededelingen is gedaan;

b)   in India met betrekking tot inkomsten opgekomen in enig belastingjaar dat aanvangt op of na de eerste april volgend op het kalenderjaar waarin de laatste van de mededelingen is gedaan.

2.   Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid, zijn de bepalingen van artikel 8 van toepassing:

a)   in Nederland voor belastingjaren en -tijdvakken die aanvangen op of na de eerste januari 1987;

b)   in India met betrekking tot inkomsten, opgekomen in enig belastingjaar dat aanvangt op of na de eerste april 1987.

Artikel 30.  Beëindiging

Deze Overeenkomst blijft van kracht totdat zij door een van de Overeenkomstsluitende Partijen wordt beëindigd. Elk van de Partijen kan de Overeenkomst langs diplomatieke weg beëindigen door ten minste zes maanden voor het einde van enig kalenderjaar na het verstrijken van een periode van vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst een kennisgeving van beëindiging te doen. In dat geval houdt de Overeenkomst op van toepassing te zijn:

a)   in Nederland voor belastingjaren en -tijdvakken die aanvangen op of na de eerste januari volgend op het kalenderjaar waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan;

b)   in India met betrekking tot inkomsten opgekomen in enig belastingjaar dat aanvangt op of na de eerste april volgend op het kalenderjaar waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan.

 TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN te New Delhi, de 30 juli 1988, in tweevoud in de Nederlandse, de Hindi en de Engelse taal, zijnde de drie teksten gelijkelijk authentiek. In geval de Nederlandse en de Hindi tekst verschillend kunnen worden uitgelegd, is de Engelse tekst beslissend.

 Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) H. E. KONING

H. E. Koning

 Staatssecretaris van Financiën

(w.g.) E. M. SCHOO

E. M. Schoo

Hr. Ms. Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur

 Voor de Regering van de Republiek India,

(w.g.) A. K. PANJA

Ajit Kumar Panja

Minister of State for Finance (Revenue)

(w.g.) P. K. APPACHOO

P. K. Appachoo

Joint Secretary

Foreign Tax Divison


Protocol

 Bij de ondertekening van de Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, heden tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek India gesloten, zijn de ondergetekenden overeengekomen dat de volgende bepalingen een integrerend deel van de Overeenkomst vormen.

I.  Ad artikel 7

1.   Met betrekking tot artikel 7, eerste en tweede lid geldt dat, indien een onderneming van een van de Staten in de andere Staat goederen of koopwaar verkoopt of een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, de voordelen van die vaste inrichting niet worden bepaald op basis van het totale door de onderneming ontvangen bedrag, doch slechts op basis van de vergoedingen die aan de werkelijke werkzaamheden van de vaste inrichting voor die verkopen of die bedrijfsuitoefening zijn toe te rekenen. Met name bij overeenkomsten betreffende het toezicht op, de levering, installatie of constructie van nijverheids- en handelsuitrusting of wetenschappelijke uitrusting of gebouwen alsmede bij openbare werken, worden, indien de onderneming een vaste inrichting heeft, de voordelen van die vaste inrichting niet bepaald op basis van het totale bedrag van de overeenkomst, maar slechts op basis van dat deel van de overeenkomst dat werkelijk wordt uitgevoerd door de vaste inrichting in de Staat waarin de vaste inrichting is gevestigd. De voordelen die betrekking hebben op dat deel van de overeenkomst, dat wordt uitgevoerd door het hoofdkantoor van de onderneming, zijn slechts belastbaar in de Staat waarvan de onderneming inwoner is.

2.   Het is wel verstaan dat met betrekking tot artikel 7, tweede lid, geen voordelen worden toegerekend aan een vaste inrichting wegens vergemakkelijken van het afsluiten of slechts de ondertekening van buitenlandse handelsovereenkomsten of buitenlandse overeenkomsten van geldleningen.

3.   Indien de wetgeving van de Staat waarin de vaste inrichting is gevestigd in overeenstemming met de bepalingen van artikel 7, derde lid, onderdeel a, het bedrag aan kosten van de leiding en algemene beheerskosten dat bij de vaststelling van de winst van die vaste inrichting in aftrek kan worden gebracht, aan een beperking onderwerpt, is het wel verstaan dat bij het bepalen van de voordelen van die vaste inrichting de aftrek met betrekking tot die kosten van de leiding en algemene beheerskosten in geen geval beperkter zal zijn dan hetgeen toegestaan is krachtens de Indiase Income-tax Act zoals deze luidt op de datum van ondertekening van deze Overeenkomst.

II.  Ad artikel 8A

Het is wel verstaan dat ingeval het percentage voor de vaststelling van het bedrag van de voordelen uit scheepvaart zoals opgenomen is in artikel 44B van de Indiase Income-tax Act, zoals deze luidt op de datum van ondertekening van deze Overeenkomst, door een wijziging van de Indiase wetgeving wordt verlaagd, het percentage genoemd in artikel 8A, tweede lid, onderdeel b, in dezelfde verhouding zal worden verlaagd.

III.  Ad artikel 9

Het is wel verstaan, dat de omstandigheid dat gelieerde ondernemingen overeenkomsten hebben gesloten, zoals „cost sharing” overeenkomsten of algemene dienstverleningsovereenkomsten, voor of gebaseerd op de toerekening van de kosten van de leiding, de algemene beheerskosten, de technische en zakelijke kosten, kosten voor onderzoek en ontwikkeling en andere soortgelijke kosten, op zichzelf geen voorwaarde is als bedoeld in artikel 9, eerste lid.

IV.  Ad artikelen 10, 11 en 12

1.   Indien aan de bron belasting is geheven die het belastingbedrag dat ingevolge de bepalingen van artikel 10, 11 of 12 mag worden geheven te boven gaat, moeten verzoeken om teruggaaf van het daarboven uitgaande belastingbedrag worden ingediend bij de bevoegde autoriteit van de Staat die de belasting heeft geheven, binnen een tijdvak van drie jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belasting is geheven.

2.   Indien India na de ondertekening van deze Overeenkomst in enige Overeenkomst of enige Verdrag tussen India en een derde Staat die lid is van de OESO met betrekking tot zijn belastingheffing aan de bron op dividenden, interest, royalty's, vergoedingen voor technische diensten of vergoedingen voor het gebruik van uitrusting, het tarief zou verlagen of het toepassingsgebied zou beperken tot een tarief dat lager is of een toepassingsgebied dat beperkter is dan het tarief of toepassingsgebied waarin deze Overeenkomst voorziet, zijn vanaf de datum waarop de betreffende Indiase Overeenkomst of het betreffende Indiase Verdrag in werking treedt hetzelfde tarief of hetzelfde toepassingsgebied, zoals opgenomen in die Overeenkomst of dat Verdrag, ook onder deze Overeenkomst van toepassing.

V.  Ad artikel 12

Het is wel verstaan dat ingeval India een heffing oplegt, niet zijnde een belasting vallend onder artikel 2, zoals de Research and Development Cess, op vergoedingen als bedoeld in artikel 12, en indien India na de ondertekening van deze Overeenkomst in enige Overeenkomst of enig Verdrag tussen India en een derde Staat die lid is van de OESO een tegemoetkoming of ontheffing met betrekking tot deze heffing zou toestaan hetzij direct door, volledig dan wel gedeeltelijk, het tarief van de heffing te verlagen of het toepassingsgebied ervan te beperken, hetzij indirect door, volledig dan wel gedeeltelijk, het tarief te verlagen of het toepassingsgebied te beperken van de Indiase belasting die krachtens de betreffende Overeenkomst of het betreffende Verdrag naast deze heffing mag worden geheven over vergoedingen als bedoeld in artikel 12 van deze Overeenkomst, is deze tegemoetkoming of ontheffing, zoals opgenomen in de betreffende de Indiase Overeenkomst of het betreffende Indiase Verdrag, vanaf de datum waarop deze Overeenkomst of dit Verdrag in werking treedt, ook krachtens deze Overeenkomst van toepassing.

VI.  Ad artikel 16

Het is wel verstaan dat met „bestuurder” of „commissaris” van een Nederlands lichaam worden bedoeld personen die als zodanig zijn benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders of door enig ander bevoegd orgaan van dat lichaam, en zijn belast met respectievelijk de algemene leiding van het lichaam, onderscheidenlijk met het toezicht daarop.

VII.  Ad artikel 23

Het is wel verstaan dat voor de berekening van de vermindering vermeld in het tweede lid van artikel 23 rekening wordt gehouden met de waarde van de in het eerste lid van artikel 22 bedoelde vermogensbestanddelen verminderd met de waarde van de schulden verzekerd door hypotheek op dat vermogen en met de waarde van de in het tweede lid van artikel 22 bedoelde vermogensbestanddelen verminderd met de waarde van de tot de vaste inrichting of het vaste middelpunt behorende schulden.

 TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

GEDAAN te New Delhi de 30 juli 1988, in tweevoud in de Nederlandse, de Hindi en de Engelse taal, zijnde de drie teksten gelijkelijk authentiek. Ingeval de Nederlandse en de Hindi tekst verschillend kunnen worden uitgelegd, is de Engelse tekst beslissend.

 Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) H. E. KONING

H. E. Koning

Staatssecretaris van Financiën

(w.g.) E. M. SCHOO

E. M. Schoo

Hr. Ms. Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur

 Voor de Regering van de Republiek India,

(w.g.) A. K. PANJA

Ajit Kumar Panja

Minister of State for Finance (Revenue)

(w.g.) P. K. APPACHOO

P. K. Appachoo

Joint Secretary

Foreign Tax Division

Artikel datum : 13-01-2009 | Artikel laatst gewijzigd : 06-06-2018

© 2018 Jongbloed Fiscaal Juristen