Belastingverdragen
terugBelastingverdrag Nederland en Colombia
Status april 2026: wachten is op goedkeuring in Colombia !
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Colombia tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting
Het Koninkrijk der Nederlanden
en
de Republiek Colombia,
Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op het gebied van belastingzaken te verbeteren,
Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontduiken of ontwijken van belasting (daaronder begrepen het gebruikmaken van treaty-shopping-structuren die als doel hebben in dit Verdrag voorziene tegemoetkomingen te verkrijgen in het indirecte voordeel van inwoners van derde rechtsgebieden),
Zijn het volgende overeengekomen:
HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG
Artikel 1. Personen op wie het Verdrag van toepassing is
1. Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten.
2. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt inkomen dat is verkregen door of door tussenkomst van een entiteit of een constructie die op grond van de belastingwetgeving van een van de verdragsluitende staten als geheel of gedeeltelijk fiscaal transparant behandeld wordt, geacht inkomen te zijn van een inwoner van een verdragsluitende staat, maar uitsluitend voor zover dat inkomen door die staat voor belastingdoeleinden behandeld wordt als inkomen van een inwoner van die staat. In geen geval mogen de bepalingen van dit lid aldus worden uitgelegd dat ze afbreuk doen aan het recht van een verdragsluitende staat om de inwoners van die verdragsluitende staat te belasten.
Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is
1. Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staat, ongeacht de wijze van heffing.
2. Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar inkomensbestanddelen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering.
3. De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn
met name:
a. in Nederland:
– de inkomstenbelasting;
– de loonbelasting;
– de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de regering
in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen
geheven krachtens de Mijnbouwwet;
– de dividendbelasting;
(hierna te noemen: „Nederlandse belasting”);
b. in Colombia:
– de impuesto sobre la renta y complementarios (inkomstenbelasting en
de aanvullende belastingen daarbij);
(hierna te noemen: „Colombiaanse belasting”).
4. Het Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van het Verdrag naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten stellen elkaar in kennis van alle wezenlijke wijzigingen die in hun onderscheiden belastingwetgeving zijn aangebracht.
HOOFDSTUK II. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
Artikel 3. Algemene begripsbepalingen
1. Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist:
a. betekent de uitdrukking „Nederland” het Europese deel van Nederland,
met inbegrip van zijn territoriale zee en elk gebied buiten en grenzend
aan zijn territoriale zee waarbinnen het Koninkrijk der Nederlanden rechtsmacht
heeft of soevereine rechten uitoefent;
b. betekent de uitdrukking „Colombia” enkel voor de toepassing van dit
verdrag de Republiek Colombia en, gebezigd in aardrijkskundige zin, omvat
dit haar grondgebied, zowel continentaal als insulair, haar luchtruim,
zee en onderzeese gebieden, en andere gebieden die onderdeel zijn van grondgebied
waarover zij soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht uitoefent;
c. betekenen de uitdrukkingen „een verdragsluitende staat” en „de andere
verdragsluitende staat” het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van
Nederland, of Colombia, al naargelang de context vereist;
d. omvat de uitdrukking „persoon” een natuurlijke persoon, een lichaam
en elke andere vereniging van personen;
e. betekent de uitdrukking „lichaam” elke rechtspersoon of elke entiteit
die voor de belastingheffing als een rechtspersoon wordt behandeld;
f. heeft de uitdrukking „onderneming” betrekking op elke uitoefening van
een bedrijf;
g. betekenen de uitdrukkingen „onderneming van een verdragsluitende staat”
en “onderneming van de andere verdragsluitende staat“ onderscheidenlijk
een onderneming gedreven door een inwoner van een verdragsluitende staat
en een onderneming gedreven door een inwoner van de andere verdragsluitende
staat;
h. betekent de uitdrukking „internationaal verkeer” alle vervoer met een
schip of luchtvaartuig, behalve wanneer het schip of luchtvaartuig uitsluitend
wordt geëxploiteerd tussen plaatsen die in een verdragsluitende staat zijn
gelegen en de onderneming die het schip of luchtvaartuig exploiteert geen
onderneming van die staat is;
i. betekent de uitdrukking „bevoegde autoriteit”:
i. in Nederland de minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger;
ii. in Colombia het ministerie van Financiën en Overheidskrediet, de
Directeur van de Dirección de Impuestos y Aduanas Nacionales (DIAN) of
hun bevoegde vertegenwoordigers;
j. betekent de uitdrukking „onderdaan”:
i. elke natuurlijke persoon die de nationaliteit van een verdragsluitende
staat bezit; of
ii. elke rechtspersoon die, elk samenwerkingsverband dat of elke vereniging
die zijn of haar rechtspositie als zodanig ontleent aan de wetgeving die
in een verdragsluitende staat van kracht is;
k. omvat de uitdrukking „uitoefenen van een bedrijf” mede het uitoefenen
van een vrij beroep en het verrichten van andere werkzaamheden van zelfstandige
aard;
l. betekent de uitdrukking „erkend pensioenfonds” van een staat elke in
een verdragsluitende staat gevestigde entiteit die in het algemeen is vrijgesteld
van belastingen naar het inkomen in die staat; en die
i. uitsluitend of nagenoeg uitsluitend werkzaam is voor het voorzien
in pensioenen of oudedagsvoorzieningen en ondergeschikte of bijkomstige
uitkeringen of ontslagvergoedingen aan natuurlijke personen en als zodanig
gereguleerd wordt door die staat; of
ii. uitsluitend of nagenoeg uitsluitend opgericht en werkzaam is om gelden
te beleggen ten voordele van entiteiten of constructies zoals bedoeld in
onderdeel I,i.;
m. betekent de uitdrukking „erkende effectenbeurs”:
i. elke effectenbeurs die gevestigd is in en als zodanig gereguleerd
wordt door de wetgeving van een verdragsluitende staat; en
ii. elke effectenbeurs in de lidstaten van de Europese Unie, het NASDAQ-systeem
en elke effectenbeurs in de Verenigde Staten van Amerika die voor de toepassing
van de U.S. Securities Exchange Act van 1934 als nationale effectenbeurs
geregistreerd is bij de U.S. Securities and Exchange Commission, de Peruaanse
effectenbeurs (Bolsa de Valores de Lima), de Mexicaanse effectenbeurs (Bolsa
Mexicana de Valores), de Chileense effectenbeurs (Bolsa de Comercio de
Santiago) en MILA (Mercado Integrado Latino Americano); en
iii. elke andere effectenbeurs die de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende
staten overeenkomen.
2. Voor de toepassing van het Verdrag op enig moment door een verdragsluitende staat heeft elke daarin niet omschreven uitdrukking, tenzij de context anders vereist of de bevoegde autoriteiten een andere betekenis overeenkomen ingevolge de bepalingen van artikel 23, de betekenis welke deze op dat moment heeft volgens de wetgeving van die staat met betrekking tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, waarbij elke betekenis volgens de toepasselijke belastingwetgeving van die staat prevaleert boven een betekenis die volgens andere wetgeving van die staat aan die uitdrukking wordt gegeven.
Artikel 4. Inwoner
1. Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking „inwoner van een verdragsluitende staat” iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding, oprichting, organisatie of enige andere soortgelijke omstandigheid en omvat tevens de staat zelf en elk staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan. Deze uitdrukking omvat echter niet een persoon die in die staat slechts aan belasting is onderworpen ter zake van inkomen uit bronnen in die staat of van vermogen dat in die staat is gelegen.
2. Een persoon, niet zijnde een natuurlijke persoon, wordt geacht aan
belasting onderworpen te zijn:
a. in Nederland, indien de persoon voor de toepassing van de vennootschapsbelasting
inwoner is van Nederland;
b. in Colombia, indien de persoon voor de toepassing van de Colombiaanse
belasting inwoner is van Colombia;
mits het door die persoon verworven inkomen krachtens de belastingwetgeving van die staat wordt behandeld als inkomen van die persoon en niet als het inkomen van de rechthebbenden, leden of deelnemers van die persoon.
3. Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste
lid inwoner van beide verdragsluitende staten is, wordt zijn positie als
volgt bepaald:
a. hij wordt geacht slechts inwoner te zijn van de staat waarin hij een
duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in beide staten
een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht slechts
inwoner te zijn van de staat waarmee zijn persoonlijke en economische betrekkingen
het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen);
b. indien niet kan worden bepaald in welke staat hij het middelpunt van
zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de staten een duurzaam
tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht slechts inwoner te
zijn van de staat waarin hij gewoonlijk verblijft;
c. indien hij in beide staten of in geen van beide gewoonlijk verblijft,
wordt hij geacht slechts inwoner te zijn van de staat waarvan hij onderdaan
is;
d. Indien hij onderdaan is van beide staten of van geen van beide, regelen
de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten de aangelegenheid
in onderling overleg.
4. Indien een persoon, niet zijnde een natuurlijke persoon, ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide verdragsluitende staten is, trachten de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten in onderlinge overeenstemming te bepalen van welke verdragsluitende staat de persoon voor de toepassing van het Verdrag geacht wordt inwoner te zijn, daarbij rekening houdend met zijn plaats van werkelijke leiding, de plaats waar hij is opgericht of anderszins tot stand is gekomen en alle andere relevante factoren. Wanneer dergelijke overeenstemming ontbreekt, is die persoon niet gerechtigd tot enige belastingvermindering- of vrijstelling waarin dit Verdrag voorziet, behalve in de mate waarin en de wijze waarop dat wordt overeengekomen door de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten.
Artikel 5. Vaste inrichting
1. Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking „vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden verricht.
2. De uitdrukking „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:
a. een plaats waar leiding wordt gegeven;
b. een filiaal;
c. een kantoor;
d. een fabriek;
e. een werkplaats; en
f. een mijn, een olie- of gasbron, een (steen)groeve of een andere plaats
die betrekking heeft op de exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdommen.
3. De uitdrukking „vaste inrichting” omvat voorts:
a. een plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie-, montage-
of installatiewerkzaamheden of toezichthoudende activiteiten die daarmee
verband houden, maar alleen indien een dergelijke plaats van uitvoering
of dergelijke werkzaamheden of activiteiten blijft voortbestaan respectievelijk
blijven voortduren gedurende meer dan 183 dagen;
b. het verlenen van diensten, daaronder begrepen diensten van adviserende
aard, door een onderneming door middel van werknemers of andere personeelsleden
die door de onderneming daartoe zijn aangesteld, maar alleen indien dergelijke
werkzaamheden (voor hetzelfde of een daarmee samenhangend project) in een
verdragsluitende staat voor een tijdvak dat of tijdvakken die in een tijdvak
van twaalf maanden beginnend of eindigend in het desbetreffende belastingjaar
in totaal meer dan 183 dagen voortduurt of voortduren.
4. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste, tweede en derde lid wordt een onderneming van een verdragsluitende staat die werkzaamheden verricht in de territoriale zee van de andere verdragsluitende staat of in elk gebied buiten en grenzend aan zijn territoriale zee, waarbinnen de andere verdragsluitende staat in overeenstemming met het internationaal recht rechtsmacht heeft of soevereine rechten uitoefent (werkzaamheden buitengaats), geacht ter zake van die werkzaamheden een bedrijf uit te oefenen door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting, tenzij de werkzaamheden in kwestie in de andere staat worden verricht gedurende een tijdvak dat of tijdvakken die in een tijdvak van twaalf maanden in totaal minder dan 30 dagen voortduurt of voortduren.
5. Uitsluitend teneinde de duur vast te stellen van:
a. een plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden
uit hoofde van het derde lid, onderdeel a, wanneer een onderneming van
een verdragsluitende staat in de andere verdragsluitende staat werkzaamheden
uitoefent op een plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie-
of installatiewerkzaamheden en op diezelfde plaats van uitvoering van een
bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden gedurende verschillende
tijdvakken daarmee verband houdende werkzaamheden worden uitgeoefend door
een of meer ondernemingen die nauw verbonden zijn met eerstgenoemde onderneming,
worden die verschillende tijdvakken bij het totale tijdvak gevoegd gedurende
welke de eerstgenoemde onderneming werkzaamheden heeft uitgeoefend op die
plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden;
b. het verlenen van diensten uit hoofde van het derde lid, onderdeel b,
wanneer een onderneming van een verdragsluitende staat in de andere verdragsluitende
staat diensten verleent en daarmee verband houdende diensten worden verleend
in die andere staat gedurende verschillende tijdvakken door een of meer
ondernemingen die nauw verbonden zijn met de eerstgenoemde onderneming,
worden die verschillende tijdvakken bij het totale tijdvak gevoegd gedurende
welke de eerstgenoemde onderneming diensten heeft verleend in die andere
verdragsluitende staat; en
c. werkzaamheden buitengaats uit hoofde van het vierde lid wanneer een
onderneming van een verdragsluitende staat in de andere verdragsluitende
staat werkzaamheden buitengaats uitoefent en daarmee verband houdende werkzaamheden
in die andere staat gedurende verschillende tijdvakken worden uitgeoefend
door een of meer ondernemingen die nauw verbonden zijn met de eerstgenoemde
onderneming, worden die verschillende tijdvakken gedurende welke die verband
houdende werkzaamheden worden uitgeoefend door die ondernemingen bij het
totale tijdvak gevoegd gedurende welke de eerstgenoemde onderneming werkzaamheden
buitengaats heeft uitgeoefend in die andere verdragsluitende staat.
6. Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel wordt de
uitdrukking „vaste inrichting” geacht niet te omvatten:
a. het gebruikmaken van inrichtingen, uitsluitend voor opslag of uitstalling
van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar;
b. het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende
goederen of koopwaar, uitsluitend voor opslag of uitstalling;
c. het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende
goederen of koopwaar, uitsluitend voor de bewerking of verwerking door
een andere onderneming;
d. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend om voor
de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of informatie in te winnen;
e. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend om voor
de onderneming enige andere werkzaamheid te verrichten;
f. het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting met als enig doel een
combinatie van de in de onderdelen a tot en met e genoemde werkzaamheden
te verrichten,
op voorwaarde dat die werkzaamheid, of, in het geval van onderdeel f, het geheel van de werkzaamheden van de vaste bedrijfsinrichting, van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft.
7. Het zesde lid is niet van toepassing op een vaste bedrijfsinrichting
die door een onderneming gebruikt of aangehouden wordt indien dezelfde
onderneming of een nauw daarmee verbonden onderneming op dezelfde plaats
of op een andere plaats in dezelfde verdragsluitende staat werkzaamheden
verricht, en
a. die plaats of die andere plaats voor de onderneming of voor de nauw
daarmee verbonden onderneming een vaste inrichting vormt op grond van de
bepalingen van dit artikel; of
b. het geheel van de werkzaamheden dat resulteert uit de combinatie van
de werkzaamheden die door de twee ondernemingen op dezelfde plaats, of
door dezelfde onderneming of nauw daarmee verbonden ondernemingen op de
twee plaatsen worden uitgeoefend, niet van voorbereidende aard is of het
karakter van hulpwerkzaamheid heeft,
op voorwaarde dat de werkzaamheden die door de twee ondernemingen op dezelfde plaats, of door dezelfde onderneming of nauw daarmee verbonden ondernemingen op de twee plaatsen, worden uitgeoefend aanvullende taken zijn die deel uitmaken van een samenhangende bedrijfsvoering.
8. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste, tweede lid en derde
lid, maar onder voorbehoud van de bepalingen van het negende lid, indien
een persoon namens een onderneming optreedt in een verdragsluitende staat
en daarbij gewoonlijk overeenkomsten sluit, of gewoonlijk de voornaamste
rol speelt die leidt tot het sluiten van overeenkomsten die stelselmatig
zonder materiële wijziging door de onderneming gesloten worden, en die
overeenkomsten gesloten zijn:
a. in naam van de onderneming; of
b. voor de eigendomsoverdracht of voor het verlenen van het gebruiksrecht
van goederen die aan die onderneming toebehoren of ter zake waarvan de
onderneming het gebruiksrecht heeft; of
c. voor het verlenen van diensten door die onderneming;
wordt die onderneming geacht in die verdragsluitende staat een vaste inrichting te hebben met betrekking tot alle werkzaamheden die die persoon voor de onderneming verricht, tenzij de werkzaamheden van een dergelijke persoon beperkt blijven tot die werkzaamheden genoemd in het zesde lid, die, indien zij worden verricht door middel van een vaste bedrijfsinrichting, deze vaste bedrijfsinrichting op grond van de bepalingen van dat lid niet tot een vaste inrichting zouden maken.
9. Het achtste lid is niet van toepassing indien de persoon die in een verdragsluitende staat optreedt voor een onderneming van de andere verdragsluitende staat, in de eerstgenoemde staat een bedrijf uitoefent als een onafhankelijke vertegenwoordiger en voor de onderneming handelt in de normale uitoefening van dat bedrijf. Wanneer een persoon evenwel uitsluitend of nagenoeg uitsluitend optreedt voor een of meer ondernemingen waarmee hij nauw verbonden is, wordt die persoon ten opzichte van elke dergelijke onderneming niet geacht een onafhankelijk vertegenwoordiger te zijn in de zin van dit lid.
10. De omstandigheid dat een lichaam dat inwoner is van een verdragsluitende staat een lichaam beheerst of door een lichaam wordt beheerst dat inwoner is van de andere verdragsluitende staat of dat in die andere staat zijn bedrijf uitoefent (hetzij door middel van een vaste inrichting, hetzij op andere wijze), bestempelt een van beide lichamen niet tot een vaste inrichting van het andere.
11. Ten behoeve van de toepassing van dit artikel, wordt een persoon of onderneming geacht nauw te zijn verbonden met een onderneming indien uit alle relevante feiten en omstandigheden blijkt dat de ene zeggenschap heeft over de andere of dat beide onder zeggenschap staan van dezelfde personen of ondernemingen. In elk geval wordt een persoon of onderneming geacht nauw verbonden te zijn met een onderneming indien de ene direct of indirect meer dan 50 percent bezit van het uiteindelijke belang in de ander (of, in het geval van een lichaam, meer dan 50 percent bezit van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen van het lichaam of van het uiteindelijke belang in het vermogen van het lichaam) of indien een andere persoon of onderneming direct of indirect meer dan 50 percent bezit van het uiteindelijke belang (of, in het geval van een lichaam, meer dan 50 percent bezit van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen van het lichaam of van het uiteindelijke belang in het vermogen van het lichaam) in de persoon en de onderneming of in de twee ondernemingen.
HOOFDSTUK III. BELASTINGHEFFING NAAR HET INKOMEN
Artikel 6. Inkomen uit onroerende zaken
1. Inkomen verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat uit onroerende zaken (daaronder begrepen inkomen uit landbouw- of bosbedrijven) gelegen in de andere verdragsluitende staat, mag in die andere staat worden belast.
2. De uitdrukking „onroerende zaken” heeft de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van de verdragsluitende staat waarin de desbetreffende zaken zijn gelegen. De uitdrukking omvat in ieder geval de zaken die bij de onroerende zaken behoren, levende en dode have van landbouw- en bosbedrijven, rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende zaken en rechten op variabele of vaste vergoedingen ter zake van de exploitatie, of concessie tot exploitatie, van minerale aardlagen, bronnen en andere natuurlijke rijkdommen; schepen en luchtvaartuigen worden niet als onroerende zaken beschouwd.
3. De bepalingen van het eerste lid zijn van toepassing op inkomen verkregen uit de rechtstreekse exploitatie, uit de verhuur of deelpacht, of uit elke andere vorm van exploitatie van onroerende zaken.
4. De bepalingen van het eerste en derde lid zijn eveneens van toepassing op inkomen uit onroerende zaken van een onderneming.
Artikel 7. Winst uit onderneming
1. De winst van een onderneming van een verdragsluitende staat is slechts in die staat belastbaar, tenzij de onderneming in de andere verdragsluitende staat haar bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting. Indien de onderneming aldus haar bedrijf uitoefent, mag de winst die in overeenstemming met de bepalingen van het tweede lid aan de vaste inrichting kan worden toegerekend in die andere staat worden belast.
2. Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 21 is de winst die in elk van de verdragsluitende staten kan worden toegerekend aan de vaste inrichting bedoeld in het eerste lid, de winst die zij naar verwachting zou behalen, in het bijzonder via haar handelen met andere onderdelen van de onderneming, indien zij een afzonderlijke en onafhankelijke onderneming zou zijn die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden, rekening houdend met de door de onderneming via de vaste inrichting en andere onderdelen van de onderneming uitgeoefende functies, gebruikte vermogensbestanddelen en genomen risico's.
3. Indien een verdragsluitende staat in overeenstemming met het tweede lid de winst aanpast die kan worden toegerekend aan een vaste inrichting van een onderneming van een van de verdragsluitende staten en de winst van de onderneming die in de andere staat aan belastingheffing is onderworpen dienovereenkomstig belast, voert de andere verdragsluitende staat voor zover nodig om dubbele belasting te voorkomen een dienovereenkomstige aanpassing door indien die andere staat instemt met de door de eerstbedoelde staat uitgevoerde aanpassing, mits de bevoegde autoriteit van die andere staat een kennisgeving heeft ontvangen van de aanpassing in de eerstbedoelde staat binnen zeven jaar na het einde van het belastingjaar waarop de aanpassing betrekking heeft; indien de andere verdragsluitende staat niet instemt met de aanpassing, sluiten de verdragsluitende staten in onderling overleg elke daaruit voortvloeiende dubbele belasting uit.
4. Indien de winst inkomensbestanddelen bevat die afzonderlijk in andere artikelen van dit Verdrag worden behandeld, worden de bepalingen van die artikelen niet aangetast door de bepalingen van dit artikel.
5. De bepalingen van dit artikel worden niet zodanig uitgelegd dat Colombia erdoor belet wordt bronbelasting te heffen op toegewezen herverzekeringspremies.
Artikel 8. Scheep- en luchtvaart
1. Winst van een onderneming van een verdragsluitende staat uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer is slechts in die staat belastbaar.
2. Voor de toepassing van dit artikel:
a. omvat de uitdrukking „winst” winst die direct wordt verkregen uit de
exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer, en
b. omvat de uitdrukking „exploitatie van schepen of luchtvaartuigen” door
een onderneming mede:
i. het charteren of de verhuur van schepen of luchtvaartuigen zonder
bemanning, en
ii. de verhuur van containers en daarmee verband houdende uitrusting
mits dit charteren of deze verhuur ondergeschikt is aan de exploitatie door die onderneming van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer.
3. De bepalingen van het eerste lid zijn ook van toepassing op winst uit de deelneming in een „pool”, een gemeenschappelijke onderneming of een internationaal opererend agentschap.
Artikel 9. Gelieerde ondernemingen
1. Indien
a. een onderneming van een verdragsluitende staat direct of indirect deelneemt
aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van een
onderneming van de andere verdragsluitende staat, of
b. dezelfde personen direct of indirect deelnemen aan de leiding van,
aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van een onderneming van een
verdragsluitende staat en een onderneming van de andere verdragsluitende
staat,
en in het ene of in het andere geval tussen de beide ondernemingen in hun handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd, die afwijken van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, mag alle winst die een van de ondernemingen zonder deze voorwaarden zou hebben behaald, maar ten gevolge van die voorwaarden niet heeft behaald, worden begrepen in de winst van die onderneming en dienovereenkomstig worden belast.
2. Indien een verdragsluitende staat in de winst van een onderneming van die staat winst begrijpt – en dienovereenkomstig belast – ter zake waarvan een onderneming van de andere verdragsluitende staat in die andere staat in de belastingheffing is betrokken en deze winst bestaat uit winst welke de onderneming van de eerstgenoemde staat zou hebben behaald indien tussen de beide ondernemingen zodanige voorwaarden zouden zijn overeengekomen als die welke tussen onafhankelijke ondernemingen zouden zijn overeengekomen, past die andere staat, indien hij ermee instemt dat de aanpassing gedaan door de eerstbedoelde staat gerechtvaardigd is, zowel in principe als met betrekking tot het bedrag, het bedrag aan belasting dat in die staat over die winst is geheven dienovereenkomstig aan, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteit van de andere staat kennisgeving van de aanpassing in de eerstbedoelde staat heeft ontvangen binnen zeven jaar na het einde van het belastingjaar waarop de aanpassing betrekking heeft. Bij de vaststelling van een dergelijke aanpassing worden de overige bepalingen van dit Verdrag naar behoren in acht genomen en plegen de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten zo nodig met elkaar overleg.
3. De bepalingen van het tweede lid zijn niet van toepassing indien een gerechtelijke, bestuursrechtelijke of andere juridische procedure heeft geleid tot een definitieve uitspraak dat een van de betrokken ondernemingen door een maatregel die leidt tot een aanpassing van de winst uit hoofde van het eerste lid, een boete verschuldigd is wegens fraude, grove nalatigheid of opzettelijk verzuim.
Artikel 10. Dividenden
1. Dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van een verdragsluitende staat aan een inwoner van de andere verdragsluitende staat, mogen in die andere staat worden belast.
2. Deze dividenden mogen echter ook in de verdragsluitende staat waarvan
het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, overeenkomstig de wetgeving
van die staat worden belast, maar indien de uiteindelijk gerechtigde tot
de dividenden inwoner van de andere verdragsluitende staat is, mag de aldus
geheven belasting niet overschrijden:
a. 0 percent van het brutobedrag van de dividenden indien de uiteindelijk
gerechtigde een erkend pensioenfonds is dat gevestigd is in de andere verdragsluitende
staat;
b. 5 percent van het brutobedrag van de dividenden indien de uiteindelijk
gerechtigde een lichaam is (niet zijnde een samenwerkingsverband) dat direct
ten minste 20 percent bezit van het kapitaal van het lichaam dat de dividenden
betaalt gedurende een periode van 365 dagen waarin de dag valt waarop de
dividenden betaald worden (voor het berekenen van die periode wordt geen
rekening gehouden met veranderingen van eigenaar die rechtstreeks voortvloeien
uit een bedrijfsreorganisatie zoals een fusie of een splitsing van het
lichaam dat de aandelen bezit of de dividenden betaalt); en
c. 15 percent van het brutobedrag van de dividenden in alle overige gevallen.
De bepalingen van dit lid laten de belastingheffing van het lichaam ter zake van de winst waaruit de dividenden worden betaald onverlet.
3. De uitdrukking „dividenden” zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomen uit aandelen, winstaandelen of winstbewijzen, mijnaandelen, oprichtersaandelen of andere rechten, niet zijnde schuldvorderingen, die aanspraak geven op een aandeel in de winst alsmede elk ander bestanddeel dat door de belastingwetgeving van de staat waarvan het lichaam dat de uitdeling doet inwoner is, behandeld wordt als inkomen uit aandelen. De uitdrukking dividenden omvat tevens winst van een vaste inrichting van een onderneming van Nederland die in Colombia gelegen is bij de overdracht ervan uit Colombia naar andere onderdelen van de onderneming wanneer de aldus overgedragen winst door de Colombiaanse belastingwetgeving wordt behandeld als inkomen uit aandelen.
4. De bepalingen van het eerste en tweede lid worden niet zodanig uitgelegd dat Colombia erdoor belet wordt belasting te heffen over dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van Colombia, of een vaste inrichting die in Colombia gelegen is, uit winst waarover geen belasting naar het inkomen is geheven op het niveau van het lichaam of de vaste inrichting overeenkomstig de wetgeving van Colombia. Indien de belasting bedoeld in dit lid wordt toegepast, zijn de bepalingen in het tweede lid van toepassing op de dividenden nadat deze zijn verminderd met deze belasting.
5. De bepalingen van het eerste, tweede en zevende lid zijn niet van toepassing indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden, die inwoner is van een verdragsluitende staat, in de andere verdragsluitende staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting en het bezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het vermogen van die vaste inrichting behoort. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 7 van toepassing.
6. Indien een lichaam dat inwoner is van een verdragsluitende staat winst of inkomen verkrijgt uit de andere verdragsluitende staat, mag die andere staat geen belasting heffen over de dividenden die door het lichaam worden betaald, behalve voor zover dergelijke dividenden worden betaald aan een inwoner van die andere staat of voor zover het bezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het vermogen van een in die andere staat gelegen vaste inrichting behoort, noch de niet-uitgedeelde winst van het lichaam onderwerpen aan een belasting op niet-uitgedeelde winst van het lichaam, zelfs indien de betaalde dividenden of de niet-uitgedeelde winst geheel of gedeeltelijk bestaan uit winst of inkomen die of dat uit die andere staat afkomstig is.
7. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste, tweede en zesde lid mogen dividenden betaald door een lichaam dat krachtens de wetgeving van een verdragsluitende staat inwoner van die staat is, aan een natuurlijke persoon die een inwoner van de andere verdragsluitende staat is en die, ter zake van het niet langer inwoner zijn van de eerstgenoemde staat, wordt belast over de waardevermeerdering van vermogen als bedoeld in artikel 13, zevende lid, in overeenstemming met de wetgeving van die staat ook in die staat worden belast, maar uitsluitend voor zover er van de aanslag ter zake van de waardevermeerdering van vermogen nog een bedrag openstaat.
Artikel 11. Interest
1. Interest afkomstig uit een verdragsluitende staat en betaald aan een inwoner van de andere verdragsluitende staat, mag in die andere staat worden belast.
2. Deze interest mag echter ook in de verdragsluitende staat waaruit
hij afkomstig is overeenkomstig de wetgeving van die staat worden belast,
maar indien de uiteindelijk gerechtigde tot de interest een inwoner van
de andere verdragsluitende staat is, mag de aldus geheven belasting niet
overschrijden:
a. 5 percent van het brutobedrag van de interest betaald ter zake van
een lening verstrekt door een financiële instelling voor infrastructuurprojecten
met een looptijd van ten minste 3 jaar;
b. 10 percent van het brutobedrag van de interest in alle overige gevallen.
3. Niettegenstaande de bepalingen van het tweede lid, is interest afkomstig
uit een verdragsluitende staat en verkregen door een inwoner van de andere
verdragsluitende staat die de uiteindelijk gerechtigde is, slechts belastbaar
in de verdragsluitende staat waarvan de uiteindelijk gerechtigde inwoner
is, indien aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. de schuldenaar of de genieter van de interest is de regering van een
verdragsluitende staat zelf, een staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk
lichaam daarvan of de centrale bank van een verdragsluitende staat;
b. de interest wordt betaald ter zake van een lening verstrekt, goedgekeurd,
gegarandeerd of (her)verzekerd door de regering van een verdragsluitende
staat, de centrale bank van een verdragsluitende staat of een staatkundig
onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan;
c. de interest wordt betaald ter zake van een lening verstrekt door een
financiële instelling aan een financiële instelling;
d. de interest wordt betaald ter zake van een lening voor de financiering
of voorfinanciering van exporten;
e. de interest wordt betaald ter zake van de verkoop op afbetaling van
koopwaar door een onderneming aan een andere onderneming, met inbegrip
van industriële, commerciële of wetenschappelijke uitrusting, mits het
krediet niet langer uitstaat dan 183 dagen;
f. de interest wordt betaald aan een erkend pensioenfonds.
4. De uitdrukking „interest”, zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomen uit schuldvorderingen van welke aard ook, al dan niet verzekerd door hypotheek, en al dan niet aanspraak gevend op een aandeel in de winst van de schuldenaar, en in het bijzonder inkomen uit overheidsleningen en inkomen uit obligaties of schuldbewijzen, waaronder begrepen de aan dergelijke leningen, obligaties of schuldbewijzen verbonden premies en prijzen en elk ander bestanddeel dat door de belastingwetgeving van de staat waarvan het lichaam dat de uitbetaling doet inwoner is, behandeld wordt als inkomen uit schuldvorderingen. Opgelegde boetes voor te late betaling worden voor de toepassing van dit artikel niet als interest aangemerkt.
5. De bepalingen van het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de uiteindelijk gerechtigde tot de interest, die inwoner is van een verdragsluitende staat, in de andere verdragsluitende staat waaruit de interest afkomstig is, een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting en de schuldvordering uit hoofde waarvan de interest wordt betaald, tot het vermogen van die vaste inrichting behoort. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 7 van toepassing.
6. Interest wordt geacht uit een verdragsluitende staat afkomstig te zijn indien deze wordt betaald door een inwoner van die staat. Indien evenwel de persoon die de interest betaalt, of hij inwoner van een verdragsluitende staat is of niet, in een andere staat dan de staat waarvan hij inwoner is een vaste inrichting heeft waarvoor de schuld ter zake waarvan de interest wordt betaald was aangegaan en deze interest ten laste komt van die vaste inrichting, wordt deze interest geacht afkomstig te zijn uit de staat waar de vaste inrichting is gelegen.
7. Indien, wegens een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de interest, gelet op de schuldvordering ter zake waarvan deze wordt betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder een dergelijke verhouding door de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde zou zijn overeengekomen, zijn de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag van toepassing. In dat geval blijft het daarboven uitgaande deel van het betaalde bedrag belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de verdragsluitende staten, waarbij zorgvuldig rekening wordt gehouden met de overige bepalingen van dit Verdrag.
Artikel 12. Royalty’s
1. Royalty’s afkomstig uit een verdragsluitende staat en betaald aan een inwoner van de andere verdragsluitende staat mogen in die andere staat worden belast.
2. Royalty’s afkomstig uit een verdragsluitende staat mogen echter ook
in die verdragsluitende staat overeenkomstig de wetgeving van die verdragsluitende
staat worden belast, maar indien de uiteindelijk gerechtigde tot de royalty’s
een inwoner van de andere verdragsluitende staat is, mag de aldus geheven
belasting niet overschrijden:
a. 5 percent van het brutobedrag van de royalty's voor het gebruik van
of het recht van gebruik van industriële of wetenschappelijke uitrusting;
b. 10 percent van het brutobedrag van de royalty's in alle overige gevallen.
3. De uitdrukking „royalty’s”, zoals gebezigd in dit artikel, betekent vergoedingen van welke aard ook voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst of wetenschap, waaronder begrepen bioscoopfilms, een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk, een tekening of model, een plan of geheim recept, of industriële, commerciële of wetenschappelijke uitrusting, of voor informatie omtrent ervaringen op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap.
4. De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de uiteindelijk gerechtigde tot de royalty's, die inwoner is van een verdragsluitende staat, in de andere verdragsluitende staat waaruit de royalty's afkomstig zijn, een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting en het recht of de zaak uit hoofde waarvan de royalty's worden betaald, tot het vermogen van die vaste inrichting behoort. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 7 van toepassing.
5. Royalty's worden geacht uit een verdragsluitende staat afkomstig te zijn indien zij worden betaald door een inwoner van die staat. Indien evenwel de persoon die de royalty's betaalt, of hij inwoner van een verdragsluitende staat is of niet, in een staat anders dan de staat waarvan hij inwoner is, een vaste inrichting heeft, waarvoor de verplichting tot het betalen van de royalty's was aangegaan, en deze royalty's ten laste komen van die vaste inrichting, worden deze royalty's geacht afkomstig te zijn uit de staat waar de vaste inrichting is gelegen.
6. Indien, wegens een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de royalty’s, gelet op het gebruik, het recht of de informatie waarvoor zij worden betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder een dergelijke verhouding door de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde zou zijn overeengekomen, zijn de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag van toepassing. In dat geval blijft het daarboven uitgaande deel van het betaalde bedrag belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de verdragsluitende staten, waarbij zorgvuldig rekening wordt gehouden met de overige bepalingen van dit Verdrag.
Artikel 13. Vermogenswinsten
1. Voordelen verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat uit de vervreemding van onroerende zaken als bedoeld in artikel 6 en die zijn gelegen in de andere verdragsluitende staat, mogen in die andere staat worden belast.
2. Voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende zaken die deel uitmaken van het vermogen van een vaste inrichting die een onderneming van een verdragsluitende staat in de andere verdragsluitende staat heeft, waaronder begrepen voordelen verkregen uit de vervreemding van de vaste inrichting (afzonderlijk of met de gehele onderneming), mogen in die andere staat worden belast.
3. Voordelen verkregen uit de vervreemding van schepen of luchtvaartuigen die in internationaal verkeer worden geëxploiteerd of roerende zaken die worden gebruikt bij de exploitatie van deze schepen of luchtvaartuigen zijn slechts belastbaar in de verdragsluitende staat waarvan de vervreemder inwoner is.
4. Voordelen die een inwoner van een verdragsluitende staat verkrijgt uit de vervreemding van aandelen, anders dan aandelen die in een substantieel volume regelmatig verhandeld worden op een erkende effectenbeurs, of van vergelijkbare belangen, zoals belangen in een samenwerkingsverband of trust, mogen in de andere verdragsluitende staat worden belast indien, op enig tijdstip gedurende de periode van 365 dagen voorafgaand aan de vervreemding, meer dan 50 percent van de waarde van die aandelen of vergelijkbare belangen direct of indirect bepaald wordt door de commerciële waarde van onroerende zaken zoals omschreven in artikel 6, die in die andere staat zijn gelegen.
5. Onder voorbehoud van het vierde lid, mogen voordelen die een inwoner verkrijgt uit de vervreemding van aandelen of andere rechten die het kapitaal vertegenwoordigen van een lichaam dat inwoner is van de andere verdragsluitende staat, in die andere verdragsluitende staat worden belast wanneer de inwoner van de eerstgenoemde verdragsluitende staat, op enig moment binnen de 365 dagen voorafgaand aan de vervreemding, 20 percent of meer van het kapitaal van het lichaam in bezit had, maar de aldus geheven belasting mag niet hoger zijn dan 10 percent van het nettobedrag van dergelijke voordelen. Dit lid is evenwel niet van toepassing op voordelen verkregen uit de vervreemding of ruil van aandelen in het kader van een belastingvrije reorganisatie van een lichaam, een fusie, splitsing of soortgelijke operatie.
6. Voordelen verkregen uit de vervreemding van alle andere goederen dan die bedoeld in het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde lid, zijn slechts belastbaar in de verdragsluitende staat waarvan de vervreemder inwoner is.
7. Indien een natuurlijke persoon inwoner was van een verdragsluitende staat en inwoner is geworden van de andere verdragsluitende staat, beletten het vierde, vijfde en zesde lid de eerstgenoemde staat niet uit hoofde van zijn nationale wetgeving de waardevermeerdering van aandelen, winstbewijzen, koopopties en het vruchtgebruik op aandelen en winstbewijzen van en schuldvorderingen op een lichaam te belasten ter zake van de periode waarin die natuurlijke persoon inwoner van de eerstgenoemde staat was. In dat geval wordt de waardevermeerdering van vermogen, belast in de eerstgenoemde staat, begrepen in de fiscale kostprijs van het vermogensbestanddeel vanaf het moment waarop deze natuurlijke persoon inwoner wordt van de andere verdragsluitende staat.
Artikel 14. Inkomen uit dienstbetrekking
1. Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 15, 17 en 18 zijn salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat ter zake van een dienstbetrekking slechts in die staat belastbaar, tenzij de dienstbetrekking in de andere verdragsluitende staat wordt uitgeoefend. Indien de dienstbetrekking aldaar wordt uitgeoefend, mag de ter zake daarvan verkregen beloning in die andere staat worden belast.
2. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid is de beloning
verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat ter zake van
een in de andere verdragsluitende staat uitgeoefende dienstbetrekking slechts
in de eerstbedoelde staat belastbaar, indien:
a. de genieter in de andere staat verblijft gedurende een tijdvak dat
of tijdvakken die in een tijdvak van twaalf maanden beginnend of eindigend
in het desbetreffende belastingjaar een totaal van 183 dagen niet te boven
gaat of gaan; en
b. de beloning wordt betaald door of namens een werkgever die geen inwoner
van de andere staat is, en
c. de beloning niet ten laste komt van een vaste inrichting die de werkgever
in de andere staat heeft.
3. Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel is de beloning verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat ter zake van een dienstbetrekking, als lid van de reguliere bemanning van een schip of luchtvaartuig, die wordt uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd, anders dan aan boord van een schip of luchtvaartuig dat uitsluitend wordt geëxploiteerd in de andere verdragsluitende staat, slechts in de eerstbedoelde staat belastbaar.
Artikel 15. Directeursbeloningen
Directeursbeloningen en andere beloningen verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat in zijn hoedanigheid van lid van de raad van beheer of soortgelijk orgaan van een lichaam dat inwoner is van de andere verdragsluitende staat, mogen in die andere staat worden belast.
Artikel 16. Artiesten en sportbeoefenaars
1. Niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 7 en 14, mag inkomen verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat als artiest, zoals een toneelspeler, een film-, radio- of televisie-artiest of een musicus, of als sportbeoefenaar, uit zijn persoonlijke werkzaamheden als zodanig die worden verricht in de andere verdragsluitende staat, worden belast in die andere staat. In dit lid bedoeld inkomen omvat mede inkomen dat door een dergelijke inwoner wordt verkregen uit persoonlijke werkzaamheden die in de andere verdragsluitende staat worden verricht in samenhang met zijn reputatie als artiest of sportbeoefenaar.
2. Indien inkomen ter zake van persoonlijke werkzaamheden die door een artiest of een sportbeoefenaar in die hoedanigheid worden verricht, niet aan de artiest of sportbeoefenaar zelf toekomt, maar aan een andere persoon, mag dat inkomen, niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 7 en 14, worden belast in de verdragsluitende staat waarin de werkzaamheden van de artiest of sportbeoefenaar worden verricht.
Artikel 17. Pensioenen, lijfrenten en socialezekerheidsuitkeringen
1. Pensioenen en andere soortgelijke beloningen alsmede lijfrenten afkomstig uit een verdragsluitende staat en betaald aan een inwoner van de andere verdragsluitende staat mogen in de eerstbedoelde staat worden belast.
2. Pensioenen en andere uitkeringen betaald krachtens de bepalingen van de socialezekerheidswetgeving van een verdragsluitende staat aan een inwoner van de andere verdragsluitende staat mogen in de eerstbedoelde staat worden belast.
3. Een pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente wordt geacht afkomstig te zijn uit een verdragsluitende staat voor zover de met dat pensioen of die andere soortgelijke beloning of lijfrente samenhangende bijdragen of betalingen door de werkgever, werknemer of zelfstandige, dan wel de aanspraken op dit pensioen of deze andere soortgelijke beloning of lijfrente in die staat in aanmerking zijn gekomen voor een fiscale tegemoetkoming.
4. De overdracht van een pensioen of andere soortgelijke beloning of lijfrente van een in een verdragsluitende staat gevestigd pensioenfonds of aldaar gevestigde verzekeringsmaatschappij aan een in een andere staat gevestigd pensioenfonds of aldaar gevestigde verzekeringsmaatschappij beperkt op geen enkele wijze de ingevolge dit artikel aan de eerstgenoemde staat toegekende heffingsrechten.
5. De uitdrukking „lijfrente” betekent:
a. wat betreft lijfrenten afkomstig uit Nederland: een lijfrente zoals
genoemd in de Nederlandse wetgeving, waarvan de uitkeringen deel uitmaken
van het belastbaar inkomen uit werk en woning;
b. wat betreft lijfrenten afkomstig uit Colombia: een vaste som, periodiek
betaalbaar op vaste tijdstippen, hetzij gedurende het leven, hetzij gedurende
een vastgesteld of voor vaststelling vatbaar tijdvak, ingevolge een verbintenis
tot het doen van betalingen, welke tegenover een voldoende en volledige
tegenprestatie in geld of geldswaarde (anders dan verleende diensten),
op voorwaarde dat de voordelen worden gekwalificeerd als belastbaar inkomen
of dat de bijdragen in Colombia gekwalificeerd worden als aftrekposten.
6. De bepalingen van dit artikel zijn eveneens van toepassing indien in plaats van een pensioen, andere soortgelijke beloning of lijfrente een afkoopsom wordt betaald vóór de datum waarop het pensioen, de andere soortgelijke beloning of lijfrente ingaat.
Artikel 18. Overheidsfuncties
1. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 17:
a. worden salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen betaald
door een verdragsluitende staat of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk
publiekrechtelijk lichaam daarvan aan een natuurlijke persoon ter zake
van het verlenen van diensten aan die staat of dat onderdeel of dat publiekrechtelijke
lichaam, slechts in die staat belast.
b. zijn deze salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen echter
slechts in de andere verdragsluitende staat belastbaar, indien de diensten
in die staat worden verleend en de natuurlijke persoon een inwoner is van
die staat die:
i. onderdaan is van die staat; of
ii. niet uitsluitend voor het verlenen van de diensten inwoner van die
staat werd.
2. De bepalingen van de artikelen 14, 15, 16 en 17 zijn van toepassing op salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen ter zake van diensten verleend in het kader van een bedrijf, uitgeoefend door een verdragsluitende staat of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan.
Artikel 19. Studenten
Betalingen die een student of een stagiair die inwoner is, of onmiddellijk voorafgaand aan zijn bezoek aan een verdragsluitende staat was, van de andere verdragsluitende staat en die uitsluitend voor zijn studie of opleiding in de eerstbedoelde staat verblijft, ontvangt ten behoeve van zijn onderhoud, studie of opleiding, zijn in die staat niet belastbaar, mits dergelijke betalingen afkomstig zijn uit bronnen buiten die staat.
Artikel 20. Overig inkomen
1. Inkomensbestanddelen van een inwoner van een verdragsluitende staat, van waaruit ook afkomstig, die niet in de voorgaande artikelen van dit Verdrag zijn behandeld, zijn slechts in die staat belastbaar.
2. De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing op inkomen, niet zijnde inkomen uit onroerende zaken zoals omschreven in artikel 6, tweede lid, indien de genieter van dat inkomen, die inwoner is van een verdragsluitende staat, in de andere verdragsluitende staat een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gelegen vaste inrichting, en het recht of de zaak ter zake waarvan het inkomen wordt betaald tot het vermogen van een dergelijke vaste inrichting behoort. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 7 van toepassing.
3. Niettegenstaande de voorgaande leden van dit artikel, mogen inkomensbestanddelen van een inwoner van een verdragsluitende staat die niet behandeld worden in de voorgaande artikelen van dit Verdrag en afkomstig zijn uit de andere verdragsluitende staat ook worden belast in die andere staat.
HOOFDSTUK IV. VERMIJDEN VAN DUBBELE BELASTING
Artikel 21. Vermijden van dubbele belasting
1. Een verdragsluitende staat is bevoegd bij het heffen van belasting van zijn inwoners in de grondslag waarnaar de belasting wordt geheven, de inkomensbestanddelen te begrijpen die overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag in de andere verdragsluitende staat mogen worden belast.
2. Indien echter een inwoner van Nederland inkomensbestanddelen verkrijgt die volgens artikel 6, eerste, derde en vierde lid, artikel 7, eerste lid, artikel 10, vijfde lid, artikel 11, vijfde lid, artikel 12, vierde lid, artikel 13, eerste, tweede en derde lid, artikel 14, eerste lid, artikel 17, eerste en tweede lid, artikel 18, eerste lid (onderdeel a), en artikel 20, tweede lid, van dit Verdrag in Colombia mogen worden belast en die in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen, stelt Nederland deze inkomensbestanddelen vrij door een vermindering van zijn belasting toe te staan. Deze vermindering wordt berekend overeenkomstig de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting. Daartoe worden de bedoelde inkomensbestanddelen geacht te zijn begrepen in het bedrag van de inkomensbestanddelen die ingevolge die bepalingen van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld.
3. Nederland verleent voorts een aftrek op de aldus berekende Nederlandse belasting voor de inkomensbestanddelen die volgens artikel 10, tweede en zevende lid, artikel 11, tweede lid, artikel 12, tweede lid, artikel 13, vijfde en zevende lid, artikel 15, artikel 16, eerste en tweede lid, artikel 17, zesde lid, en artikel 20, derde lid, van dit Verdrag in Colombia mogen worden belast, in zoverre deze bestanddelen in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen. Het bedrag van deze aftrek is gelijk aan de in Colombia over deze inkomensbestanddelen betaalde belasting, maar bedraagt, indien de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting daarin voorzien, niet meer dan het bedrag van de aftrek die zou zijn verleend indien de aldus in het inkomen begrepen inkomensbestanddelen de enige inkomensbestanddelen zouden zijn geweest waarvoor Nederland een aftrek verleent uit hoofde van de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting.
Dit lid beperkt een tegemoetkoming nu of in de toekomst verleend uit hoofde van de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting niet, echter uitsluitend voor zover het de berekening van het bedrag van de aftrek op de Nederlandse belasting betreft met betrekking tot de som van het inkomen afkomstig uit meer dan een land en de voortwenteling van de belasting betaald in Colombia op bedoelde inkomensbestanddelen naar de volgende jaren.
4. Niettegenstaande de bepalingen van het tweede lid verleent Nederland een aftrek op de Nederlandse belasting voor de in Colombia betaalde belasting op inkomensbestanddelen die volgens artikel 7, eerste lid, artikel 10, vijfde lid, artikel 11, vijfde lid, artikel 12, vierde lid, en artikel 20, tweede lid, van dit Verdrag in Colombia mogen worden belast, voor zover deze bestanddelen in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen, voor zover Nederland uit hoofde van de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting een aftrek verleent op de Nederlandse belasting voor de in een ander land over dergelijke inkomensbestanddelen geheven belasting. Voor de berekening van deze aftrek zijn de bepalingen van het derde lid van dit artikel van overeenkomstige toepassing.
5. Indien een inwoner van Colombia inkomen verwerft dat in overeenstemming
met de bepalingen van dit Verdrag in Nederland mag worden belast, verleent
Colombia als een aftrek (descuento) op de belasting naar het inkomen van
die inwoner:
a. het bedrag dat resulteert uit de vermenigvuldiging van het brutobedrag
van de dividenden met het belastingtarief dat van toepassing is op de winst
waaruit deze dividenden zijn betaald, in aanvulling op een bedrag gelijk
aan de Nederlandse belasting betaald ter zake van deze dividenden, in het
geval er in Nederland belasting wordt betaald ter zake van dividenden,
of
b. een bedrag gelijk aan de betaalde Nederlandse belasting, in alle overige
gevallen,
waarbij zorgvuldig rekening wordt gehouden met de beperkingen gesteld door en de vereisten vervat in de belastingwetgeving van Colombia die niet in strijd zijn met de onderliggende beginselen die in dit lid zijn vastgesteld.
Die aftrek overschrijdt echter in geen geval dat deel van de Colombiaanse belasting, zoals berekend vóór het verlenen van de aftrek (descuento), dat kan worden toegerekend aan het inkomen dat in Nederland mag worden belast.
HOOFDSTUK V. BIJZONDERE BEPALINGEN
Artikel 22. Non-discriminatie
1. Onderdanen van een verdragsluitende staat worden in de andere verdragsluitende staat niet aan enige belastingheffing of daarmee verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmee verband houdende verplichtingen waaraan onderdanen van die andere staat onder dezelfde omstandigheden, in het bijzonder met betrekking tot woonplaats, zijn of kunnen worden onderworpen. Deze bepaling is, niettegenstaande het bepaalde in artikel 1, ook van toepassing op personen die geen inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten.
2. Staatlozen die inwoner zijn van een verdragsluitende staat worden in geen van de verdragsluitende staten aan enige belastingheffing of daarmee verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmee verband houdende verplichtingen waaraan onderdanen van de desbetreffende staat onder dezelfde omstandigheden, in het bijzonder met betrekking tot de woonplaats, zijn of kunnen worden onderworpen.
3. De belastingheffing ter zake van een vaste inrichting die een onderneming van een verdragsluitende staat in de andere verdragsluitende staat heeft, is in die andere staat niet ongunstiger dan de belastingheffing over ondernemingen van die andere staat die dezelfde werkzaamheden verrichten. Deze bepaling mag niet aldus worden uitgelegd dat zij een verdragsluitende staat verplicht aan inwoners van de andere verdragsluitende staat bij de belastingheffing alle persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van de burgerlijke staat, de samenstelling van het gezin of gezinslasten te verlenen, die eerstbedoelde verdragsluitende staat aan zijn eigen inwoners verleent.
4. Behalve indien de bepalingen van artikel 9, eerste lid, artikel 11, zevende lid, of artikel 12, zesde lid, van toepassing zijn, zijn interest, royalty's en andere uitgaven betaald door een onderneming van een verdragsluitende staat aan een inwoner van de andere verdragsluitende staat, bij de vaststelling van de belastbare winst van die onderneming onder dezelfde voorwaarden aftrekbaar als wanneer zij betaald waren aan een inwoner van de eerstbedoelde staat. Zo ook zijn alle schulden van een onderneming van een verdragsluitende staat aan een inwoner van de andere verdragsluitende staat bij de vaststelling van het belastbare vermogen van die onderneming onder dezelfde voorwaarden aftrekbaar als wanneer zij waren aangegaan met een inwoner van de eerstbedoelde staat.
5. Ondernemingen van een verdragsluitende staat, waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk, direct of indirect, in het bezit is van of wordt beheerst door een of meer inwoners van de andere verdragsluitende staat, worden in de eerstbedoelde staat niet aan enige belastingheffing of daarmee verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmee verband houdende verplichtingen waaraan andere soortgelijke ondernemingen van de eerstbedoelde staat zijn of kunnen worden onderworpen.
6. Bijdragen die zijn betaald door of namens een natuurlijke persoon,
die inwoner is van een verdragsluitende staat, aan een voor de belastingheffing
in de andere verdragsluitende staat erkende pensioenregeling, worden voor
de belastingheffing in de eerstbedoelde staat op dezelfde wijze behandeld
als een bijdrage betaald aan een in die eerstbedoelde staat voor de belastingheffing
erkende pensioenregeling, mits:
a. die natuurlijke persoon reeds bijdroeg aan de pensioenregeling voordat
hij inwoner van de eerstbedoelde staat werd; en
b. de bevoegde autoriteit van de eerstbedoelde staat van oordeel is dat
de pensioenregeling in grote lijnen overeenkomt met een door die staat
voor de belastingheffing erkende pensioenregeling.
Voor de toepassing van dit lid omvat „pensioenregeling” mede een pensioenregeling die in het leven is geroepen uit hoofde van een publiek socialezekerheidsstelsel.
7. De bepalingen van dit artikel zijn, niettegenstaande de bepalingen van artikel 2, van toepassing op belastingen van elke soort en benaming.
Artikel 23. Procedure voor onderling overleg
1. Indien een persoon van oordeel is dat de maatregelen van een verdragsluitende staat of van beide verdragsluitende staten voor die persoon leiden of zullen leiden tot belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit Verdrag, kan die persoon, ongeacht de rechtsmiddelen waarin de nationale wetgeving van die staten voorziet, de zaak voorleggen aan de bevoegde autoriteit van een van beide verdragsluitende staten. De zaak dient te worden voorgelegd binnen drie jaar na de eerste kennisgeving omtrent de maatregel die leidt tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van het Verdrag.
2. De bevoegde autoriteit tracht, indien het bezwaar haar gegrond voorkomt en indien zij niet zelf in staat is tot een bevredigende oplossing te komen, de zaak in onderling overleg met de bevoegde autoriteit van de andere verdragsluitende staat op te lossen teneinde belastingheffing die niet in overeenstemming is met het Verdrag te vermijden. Elke bereikte overeenstemming wordt uitgevoerd niettegenstaande eventuele termijnen waarin de nationale wetgeving van de verdragsluitende staten voorziet.
3. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten trachten moeilijkheden of twijfelpunten die mochten rijzen met betrekking tot de interpretatie of de toepassing van het Verdrag in onderlinge overeenstemming op te lossen. Zij kunnen ook met elkaar overleg plegen teneinde dubbele belasting te vermijden in gevallen die niet in het Verdrag zijn geregeld, alsmede in zaken waarin sprake is van onbedoelde dubbele niet-belastingheffing niettegenstaande artikel 25 van dit Verdrag.
4. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten kunnen zich rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen teneinde overeenstemming als bedoeld in de voorgaande leden te bereiken.
5. Wanneer:
a. een persoon op grond van het eerste lid een zaak die betrekking heeft
op de toepassing of interpretatie van artikel 7 of van artikel 9 heeft
voorgelegd aan de bevoegde autoriteit van een verdragsluitende staat omdat
de maatregelen van een of van beide verdragsluitende staten ertoe hebben
geleid dat de belastingheffing voor die persoon niet in overeenstemming
is met de bepalingen van dit Verdrag; en
b. de bevoegde autoriteiten er binnen twee jaar nadat de zaak is voorgelegd
aan de bevoegde autoriteit van de andere verdragsluitende staat niet in
slagen overeenstemming te bereiken om deze zaak op te lossen overeenkomstig
het tweede lid,
wordt elke onopgeloste kwestie die voortvloeit uit de zaak op verzoek van de persoon aan arbitrage onderworpen. Tenzij een rechtstreeks bij de zaak betrokken persoon de gezamenlijke regeling voor de tenuitvoerlegging van de arbitrale uitspraak niet aanvaardt, is de arbitrale uitspraak bindend voor beide verdragsluitende staten en wordt deze ten uitvoer gelegd ongeacht eventuele termijnen in de nationale wetgeving van de staten. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten regelen in onderlinge overeenstemming de wijze van toepassing van dit lid.
Artikel 24. Uitwisseling van informatie
1. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten wisselen de informatie uit die naar verwachting van belang is voor de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag of voor de toepassing of handhaving van de nationale wetgeving betreffende belastingen van elke soort en benaming die worden geheven ten behoeve van de verdragsluitende staten, of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, voor zover de heffing ingevolge die wetgeving niet in strijd is met het Verdrag. De uitwisseling van informatie wordt niet beperkt door de artikelen 1 en 2.
2. Alle uit hoofde van het eerste lid door een verdragsluitende staat ontvangen informatie wordt op dezelfde wijze geheim gehouden als informatie die volgens de nationale wetgeving van die staat is verkregen en wordt alleen ter kennis gebracht van personen of autoriteiten (daaronder begrepen rechterlijke en bestuursrechtelijke instanties) die betrokken zijn bij de vaststelling of invordering van, de handhaving of vervolging ter zake van, of de beslissing in beroepszaken met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde belastingen, of het toezicht daarop. Deze personen of autoriteiten mogen alleen voor deze doeleinden van de informatie gebruikmaken. Zij mogen de informatie bekendmaken in openbare rechtszittingen of in gerechtelijke beslissingen. Niettegenstaande het voorgaande mag de informatie ontvangen door een verdragsluitende staat voor andere doeleinden worden gebruikt, indien de informatie ingevolge de wetgeving van beide staten voor deze andere doeleinden mag worden gebruikt en de bevoegde autoriteit van de staat die haar heeft verstrekt met dergelijk gebruik instemt.
3. De verdragsluitende staten kunnen aan de arbitragecommissie, ingesteld volgens de bepalingen van artikel 23, vijfde lid, de informatie verstrekken die nodig is om de arbitrageprocedure uit te voeren. De leden van het panel van arbiters zijn met betrekking tot de aldus verstrekte informatie onderworpen aan de beperkingen van bekendmaking als omschreven in het tweede lid van dit artikel.
4. In geen geval worden de bepalingen van de voorgaande leden zo uitgelegd
dat zij een verdragsluitende staat de verplichting opleggen:
a. bestuurlijke maatregelen te nemen die in strijd zijn met de wetgeving
of bestuurlijke praktijk van die of van de andere verdragsluitende staat;
b. informatie te verstrekken die niet verkrijgbaar is volgens de wetgeving
of in de normale gang van zaken in het bestuur van die of van de andere
verdragsluitende staat;
c. informatie te verstrekken die een handelsgeheim, zakelijk geheim, industrieel
geheim, commercieel geheim of beroepsgeheim of een handelsproces openbaar
zou maken, dan wel informatie waarvan openbaarmaking in strijd zou zijn
met de openbare orde (ordre public).
5. Indien informatie wordt verzocht door een verdragsluitende staat in overeenstemming met dit artikel, wendt de andere verdragsluitende staat zijn maatregelen inzake het verzamelen van informatie aan om de verzochte informatie te verkrijgen, ongeacht het feit dat de andere staat ten behoeve van zijn eigen belastingheffing niet over dergelijke informatie behoeft te beschikken. Op de in de vorige zin vervatte verplichting zijn de beperkingen van het vierde lid van toepassing, maar deze beperkingen mogen in geen geval zodanig worden uitgelegd dat het een verdragsluitende staat toegestaan is uitsluitend op grond van het feit dat hij geen nationaal belang heeft bij dergelijke informatie te weigeren dergelijke informatie te verstrekken.
6. De bepalingen van het vierde lid mogen in geen geval zodanig worden uitgelegd dat het een verdragsluitende staat toegestaan is het verstrekken van informatie te weigeren uitsluitend op grond van het feit dat de informatie berust bij een bank, een andere financiële instelling, een gevolmachtigde, of een persoon die bij wijze van vertegenwoordiging of als vertrouwenspersoon optreedt, dan wel omdat deze betrekking heeft op eigendomsbelangen in een persoon.
Artikel 25. Recht op voordelen
1. Behoudens indien anders bepaald in dit artikel, heeft een inwoner van een verdragsluitende staat geen recht op een voordeel dat anders uit hoofde van dit Verdrag zou worden toegekend, tenzij die inwoner op het tijdstip dat het voordeel anders zou worden toegekend een gekwalificeerd persoon is zoals omschreven in het tweede lid.
2. Een inwoner van een verdragsluitende staat is een gekwalificeerd
persoon op een tijdstip waarop een voordeel anders zou worden toegekend
uit hoofde van dit Verdrag indien de inwoner op dat moment:
a. een natuurlijke persoon is;
b. die verdragsluitende staat is, een staatkundig onderdeel of plaatselijk
publiekrechtelijk lichaam daarvan, de centrale bank van die verdragsluitende
staat of een agentschap of instantie van die verdragsluitende staat of
staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam;
c. een lichaam of andere entiteit is indien de voornaamste soort van de
aandelen daarvan regelmatig verhandeld wordt op een of meer erkende effectenbeurzen;
d. een erkend pensioenfonds is, indien bij aanvang van het belastingjaar
waarvoor het voordeel wordt gevraagd ten minste 50 percent van de rechthebbenden,
leden of deelnemers van die persoon natuurlijke personen zijn die inwoner
zijn van een van de verdragsluitende staten; of
e. een persoon is, niet zijnde een natuurlijke persoon, indien op dat
tijdstip en op ten minste de helft van het aantal dagen van een periode
van twaalf maanden, waarbinnen dat tijdstip valt, personen die inwoner
zijn van die verdragsluitende staat en die gekwalificeerde personen zijn
op grond van de onderdelen a, b, c of d, direct of indirect ten minste
50 percent bezitten van de aandelen van die persoon.
3.
a. Een inwoner van een verdragsluitende staat is gerechtigd tot voordelen
van dit Verdrag ter zake van een inkomensbestanddeel dat hij uit de andere
verdragsluitende staat verkrijgt, ongeacht of de inwoner een gekwalificeerd
persoon is, indien die persoon zich in de eerstgenoemde verdragsluitende
staat actief bezighoudt met de uitoefening van een bedrijf en het uit het
andere verdragsluitende staat verkregen inkomen voortkomt uit, of bijkomstig
is aan, dat bedrijf. Voor de toepassing van dit artikel omvat de uitdrukking
„actieve uitoefening van een bedrijf“ niet de volgende activiteiten of
een combinatie daarvan:
i. het optreden als een houdstermaatschappij, als de relevante substance
ontbreekt, waaronder menselijke en materiële middelen, om op adequate wijze
te voorzien in actief algemeen toezicht op of het bestuur van een groep
van lichamen;
ii. het verzorgen van groepsfinanciering (daaronder begrepen passieve
cashpooling);
iii. het doen of beheren van beleggingen, tenzij die activiteiten uitgeoefend
worden door een bank, een verzekeringsmaatschappij of een geregistreerd
effectenbedrijf in de normale uitoefening van hun bedrijf als dusdanig;
of
iv. het houden of beheren van immaterieel eigendom als de relevante substance
ontbreekt om het immaterieel eigendom op adequate wijze te ontwikkelen
en te verbeteren.
b. Indien een inwoner van een verdragsluitende staat een inkomensbestanddeel
verkrijgt uit een bedrijfsactiviteit welke die inwoner uitoefent in de
andere verdragsluitende staat, of een uit de andere verdragsluitende staat
afkomstig inkomensbestanddeel verkrijgt van een verbonden persoon, wordt
alleen dan aangenomen dat de in onderdeel a genoemde voorwaarden vervuld
zijn met betrekking tot dat inkomensbestanddeel wanneer de door de inwoner
in de eerstgenoemde verdragsluitende staat uitgeoefende bedrijfsactiviteit
waarmee het inkomensbestanddeel verband houdt substantieel is ten opzichte
van dezelfde activiteit of van een aanvullende bedrijfsactiviteit die door
de inwoner of die verbonden persoon in de andere verdragsluitende staat
uitgeoefend wordt. Of een bedrijfsactiviteit voor de toepassing van dit
lid substantieel is, wordt bepaald op grond van alle feiten en omstandigheden.
4. Een inwoner van een verdragsluitende staat die geen gekwalificeerd persoon is, is evenwel gerechtigd tot een voordeel dat anders uit hoofde van dit Verdrag ter zake van een inkomensbestanddeel zoals omschreven in het respectieve lid of artikel zou worden toegekend indien in alle andere gevallen personen die gelijkwaardige gerechtigden (equivalent beneficiaries) zijn op ten minste de helft van het aantal dagen van een tijdvak van twaalf maanden, waarbinnen het tijdstip valt waarop het voordeel anders zou toegekend zijn, direct of indirect ten minste 85 percent bezitten van de aandelen van de inwoner.
5. Indien een inwoner van een verdragsluitende staat geen gekwalificeerd persoon is en ook niet gerechtigd is tot voordelen ingevolge het derde of vierde lid, mag de bevoegde autoriteit van de verdragsluitende staat waarin een voordeel is geweigerd onder de voorgaande leden van dit artikel niettemin de voordelen van dit Verdrag of voordelen ter zake van een inkomensbestanddeel omschreven in het respectieve lid of artikel toekennen, rekening houdend met het voorwerp en doel van het Verdrag, maar uitsluitend wanneer die inwoner tot tevredenheid van die bevoegde autoriteit kan aantonen dat het verkrijgen van deze voordelen niet een van de voornaamste doelen was, noch van zijn oprichting, verwerving of instandhouding, noch van het verrichten van zijn werkzaamheden. De bevoegde autoriteit van de verdragsluitende staat bij wie een verzoek werd ingediend op grond van dit lid door een inwoner van de andere verdragsluitende staat, raadpleegt, alvorens het verzoek in te willigen of af te wijzen, de bevoegde autoriteit van die andere verdragsluitende staat.
6. Voor de toepassing van dit artikel:
a. betekent de uitdrukking „voornaamste soort van aandelen” de soort of
soorten van aandelen van een lichaam of entiteit die de meerderheid van
het totale aantal stemmen en de waarde van het lichaam of de entiteit vertegenwoordigen;
b. betekent, met betrekking tot entiteiten die geen lichamen zijn, de
uitdrukking „aandelen” belangen die vergelijkbaar zijn met aandelen;
c. worden twee personen als „verbonden personen” beschouwd wanneer een
van hen direct of indirect ten minste 50 percent bezit van het uiteindelijke
belang in de andere persoon (of, in het geval van een lichaam, ten minste
50 percent van het totale aantal stemmen en van de waarde van aandelen
van het lichaam) of wanneer een andere persoon direct of indirect ten minste
50 percent bezit van het uiteindelijke belang in elke persoon (of, in het
geval van een lichaam, ten minste 50 percent van het totale aantal stemmen
en van de waarde van aandelen van het lichaam). In alle gevallen is een
persoon gerelateerd aan een andere persoon indien uit alle relevante feiten
en omstandigheden blijkt dat de ene zeggenschap heeft over de andere of
dat ze beiden onder zeggenschap staan van dezelfde persoon of personen,
en
d. betekent de uitdrukking „gelijkwaardige gerechtigde” (equivalent beneficiary)
elke persoon die ter zake van een inkomensbestanddeel gerechtigd zou zijn
tot voordelen die door een verdragsluitende staat, hetzij ingevolge de
nationale wetgeving van die verdragsluitende staat, hetzij ingevolge dit
Verdrag, hetzij ingevolge elke andere internationale overeenkomst worden
toegekend, en die gelijkwaardig zijn aan, of gunstiger zijn dan, de voordelen
die ingevolge het Verdrag ter zake van dat inkomensbestanddeel dienen te
worden toegekend. Om te bepalen of een persoon al dan niet een gelijkwaardige
gerechtigde is ter zake van dividenden die door een lichaam worden ontvangen,
wordt de persoon geacht een lichaam te zijn en hetzelfde aantal stemmen
te bezitten van het lichaam dat de dividenden betaalt als het aantal stemmen
van het lichaam dat het voordeel ter zake van de dividenden vraagt.
7. Niettegenstaande de overige bepalingen van dit Verdrag, wordt een voordeel uit hoofde van dit Verdrag niet toegekend met betrekking tot een inkomensbestanddeel indien, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs kan worden geconcludeerd dat het verkrijgen van dat voordeel een van de voornaamste doelen was van een constructie of transactie die direct of indirect tot dat voordeel heeft geleid, tenzij wordt vastgesteld dat toekenning van dat voordeel onder deze omstandigheden in overeenstemming zou zijn met het voorwerp en doel van de relevante bepalingen van dit Verdrag. De bevoegde autoriteit van een verdragsluitende staat raadpleegt de bevoegde autoriteit van de andere verdragsluitende staat alvorens een voordeel uit hoofde van dit lid te weigeren.
8. Indien een persoon een voordeel uit hoofde van dit Verdrag wordt geweigerd ingevolge het zevende lid, dient de bevoegde autoriteit van de verdragsluitende staat die het voordeel anderszins zou hebben toegekend deze persoon desalniettemin te behandelen alsof deze recht heeft op dit voordeel of op andere voordelen ter zake van een specifiek inkomensbestanddeel, indien deze bevoegde autoriteit, op verzoek van deze persoon en na bestudering van de relevante feiten en omstandigheden, vaststelt dat deze voordelen zouden zijn verleend bij het ontbreken van de transactie of de constructie bedoeld in het zevende lid. De bevoegde autoriteit van de verdragsluitende staat bij wie het verzoek is ingediend, raadpleegt de bevoegde autoriteit van de andere staat alvorens een verzoek dat door een inwoner van die andere staat overeenkomstig dit lid is ingediend af te wijzen.
9. Wanneer
a. een onderneming van een verdragsluitende staat een inkomensbestanddeel
verkrijgt uit de andere verdragsluitende staat en de eerstgenoemde verdragsluitende
staat dat inkomensbestanddeel behandelt als een inkomensbestanddeel dat
kan worden toegerekend aan een in een derde rechtsgebied gelegen vaste
inrichting van die onderneming; en
b. de winst die aan die vaste inrichting kan worden toegerekend vrijgesteld
is van belasting in het eerstgenoemde verdragsluitende rechtsgebied,
zijn de voordelen van dit Verdrag niet van toepassing op enig inkomensbestanddeel tenzij daarvoor de belasting in het derde rechtsgebied meer bedraagt dan 60 percent van de belasting die in de eerstgenoemde staat over dat inkomensbestanddeel geheven zou worden, indien die vaste inrichting in de eerstgenoemde staat gelegen zou zijn. In dat geval blijft elk inkomensbestanddeel waarop de bepalingen van dit lid van toepassing zijn, belastbaar overeenkomstig de nationale wetgeving van de andere staat, niettegenstaande de overige bepalingen van dit Verdrag.
10. De bepalingen van het negende lid zijn niet van toepassing indien het uit de andere staat verkregen inkomensbestanddeel voortkomt uit of bijkomstig is aan de actieve uitoefening van een bedrijf met behulp van de vaste inrichting.
11. Indien een voordeel waarin dit Verdrag voorziet op grond van de bepalingen van het negende lid geweigerd wordt ter zake van een inkomensbestanddeel dat werd verkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat, mag de bevoegde autoriteit van de andere verdragsluitende staat niettemin dit voordeel toekennen ter zake van dat inkomensbestanddeel indien die bevoegde autoriteit naar aanleiding van een door die inwoner ingediend verzoek oordeelt dat het toekennen van dit voordeel gerechtvaardigd is, gelet op de redenen waarom die inwoner niet aan de vereisten van dit lid voldeed (zoals het bestaan van verliezen). De bevoegde autoriteit van een verdragsluitende staat raadpleegt de bevoegde autoriteit van de andere verdragsluitende staat alvorens een voordeel uit hoofde van het negende lid af te wijzen of een verzoek uit hoofde van dit lid in te willigen of af te wijzen.
Artikel 26. Bijstand bij de invordering van belastingen
1. De verdragsluitende staten verlenen elkaar bijstand bij de invordering van belastingvorderingen. Deze bijstand wordt niet beperkt door de artikelen 1 en 2. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten kunnen in onderlinge overeenstemming de wijze van toepassing van dit artikel regelen.
2. Onder de uitdrukking „belastingvordering” als gebezigd in dit artikel wordt verstaan een bedrag verschuldigd in verband met belastingen van elke soort en benaming die worden geheven ten behoeve van de verdragsluitende staten of de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, voor zover de belastingheffing uit hoofde daarvan niet in strijd is met dit Verdrag of met een ander instrument waarbij de verdragsluitende staten partij zijn, alsmede interest, bestuurlijke boetes en de kosten van invordering of van conservatoire maatregelen die verband houden met een dergelijk bedrag.
3. De bepalingen van dit artikel zijn slechts van toepassing op een belastingvordering die onderwerp is van een executoriale titel in de verzoekende staat en die, tenzij anders overeengekomen tussen de bevoegde autoriteiten, niet wordt bestreden. Indien de vordering echter een belastingverplichting betreft van een persoon die geen inwoner van de verzoekende staat is, is dit artikel slechts van toepassing indien de vordering niet langer kan worden bestreden, tenzij anders overeengekomen tussen de bevoegde autoriteiten. De belastingvordering wordt door die andere staat ingevorderd in overeenstemming met de bepalingen van zijn wetgeving die van toepassing zijn op de tenuitvoerlegging en invordering van zijn eigen belastingen als ware de belastingvordering een belastingvordering van die andere staat.
4. Indien een belastingvordering van een verdragsluitende staat een vordering is ter zake waarvan die staat uit hoofde van zijn wetgeving conservatoire maatregelen kan nemen teneinde de invordering te waarborgen, kan die belastingvordering op verzoek van de bevoegde autoriteit van die staat worden aanvaard ten behoeve van het nemen van conservatoire maatregelen door de bevoegde autoriteit van die andere verdragsluitende staat. Die andere staat neemt ter zake van die belastingvordering conservatoire maatregelen in overeenstemming met de bepalingen van zijn wetgeving, als ware de belastingvordering een belastingvordering van die andere staat, ook wanneer de belastingvordering op het tijdstip waarop dergelijke maatregelen worden genomen niet invorderbaar is in de eerstbedoelde staat of is verschuldigd door een persoon die gerechtigd is de invordering ervan te beletten.
5. Niettegenstaande de bepalingen van het derde en vierde lid zijn op een door een verdragsluitende staat voor de toepassing van het derde of vierde lid aanvaarde belastingvordering in die staat niet de termijnen van toepassing noch wordt er uit hoofde van de wetgeving van die staat op grond van haar aard als zodanig voorrang aan verleend, en, tenzij anders overeengekomen tussen de bevoegde autoriteiten, kunnen belastingvorderingen niet worden ingevorderd door middel van het in hechtenis nemen wegens schuld van de schuldenaar. Voorts wordt aan een door een verdragsluitende staat voor de toepassing van het derde of vierde lid van dit artikel aanvaarde belastingvordering in die staat geen voorrang verleend die uit hoofde van de wetgeving van de andere verdragsluitende staat op die belastingvordering van toepassing is.
6. Procedures inzake het bestaan, de geldigheid of het bedrag van een belastingvordering van een verdragsluitende staat worden niet aanhangig gemaakt bij de rechterlijke of bestuursrechtelijke instanties van de andere verdragsluitende staat.
7. Indien te eniger tijd nadat uit hoofde van het derde of vierde lid
een verzoek is gedaan door een verdragsluitende staat en voordat de andere
verdragsluitende staat de desbetreffende belastingvordering heeft ingevorderd
en overgemaakt aan de eerstbedoelde staat, de desbetreffende belastingvordering:
a. in het geval van een verzoek ingevolge het derde lid, ophoudt een belastingvordering
van de eerstbedoelde staat te zijn die invorderbaar is uit hoofde van de
wetgeving van die staat en die verschuldigd is door een persoon die, op
dat tijdstip, uit hoofde van de wetgeving van die staat de invordering
ervan niet kan beletten; of
b. in het geval van een verzoek uit hoofde van het vierde lid, ophoudt
een belastingvordering van de eerstbedoelde staat te zijn ter zake waarvan
die staat uit hoofde van zijn wetgeving conservatoire maatregelen kan treffen
teneinde de invordering ervan te waarborgen,
stelt de bevoegde autoriteit van de eerstbedoelde staat de bevoegde autoriteit van de andere staat onverwijld daarvan in kennis en wordt, naar keuze van de andere staat, het verzoek door de eerstbedoelde staat uitgesteld of ingetrokken.
8. In geen geval worden de bepalingen van dit artikel zo uitgelegd dat
zij een verdragsluitende staat de verplichting opleggen:
a. bestuurlijke maatregelen te nemen die in strijd zijn met de wetgeving
of bestuurlijke praktijk van die of van de andere verdragsluitende staat;
b. maatregelen te nemen die in strijd zouden zijn met de openbare orde
(ordre public);
c. bijstand te verlenen indien de andere verdragsluitende staat niet alle
redelijke invorderings- of conservatoire maatregelen heeft aangewend die
hem naargelang van het geval uit hoofde van zijn wetgeving of bestuurlijke
praktijk, ter beschikking staan;
d. bijstand te verlenen in gevallen waarin de administratieve last voor
die staat duidelijk in verhouding onevenredig is met het voordeel te behalen
door de andere verdragsluitende staat.
Artikel 27. Leden van diplomatieke vertegenwoordigingen en consulaire posten
1. Niets in dit Verdrag tast de fiscale voorrechten aan die leden van diplomatieke vertegenwoordigingen of consulaire posten ontlenen aan de algemene regels van het volkenrecht of aan de bepalingen van bijzondere overeenkomsten.
2. Voor de toepassing van het Verdrag wordt een natuurlijke persoon die lid is van een diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire post van een verdragsluitende staat in de andere verdragsluitende staat of in een derde staat en die een onderdaan is van de zendstaat, geacht inwoner van de zendstaat te zijn, indien hij daarin aan dezelfde verplichtingen ter zake van belastingen naar het inkomen is onderworpen als inwoners van die staat.
3. Het Verdrag is niet van toepassing op internationale organisaties, op hun organen of functionarissen, noch op leden van een diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire post van een derde staat, die in een verdragsluitende staat verblijven, indien zij in die staat niet aan dezelfde verplichtingen ter zake van belastingen naar het inkomen zijn onderworpen als inwoners van die staat.
Artikel 28. Uitbreiding tot andere gebieden
1. Dit Verdrag kan, hetzij in zijn geheel, hetzij met de noodzakelijke wijzigingen, worden uitgebreid tot de delen of landen van het Koninkrijk der Nederlanden die niet in Europa zijn gelegen, indien het betrokken deel of land belastingen heft die in wezen en in tarieven gelijksoortig zijn aan de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is. Een dergelijke uitbreiding wordt van kracht met ingang van een datum en met inachtneming van wijzigingen en voorwaarden, daaronder begrepen voorwaarden ten aanzien van de beëindiging, nader vast te stellen en overeen te komen bij diplomatieke notawisseling.
2. De beëindiging van het Verdrag brengt niet met zich mee dat tevens de uitbreiding van het Verdrag tot enig deel of land waartoe het ingevolge dit artikel is uitgebreid, wordt beëindigd, noch brengt de beëindiging van een dergelijke uitbreiding de beëindiging van dit Verdrag met zich mee, tenzij anderszins bepaald in de kennisgeving van beëindiging.
HOOFDSTUK VI. SLOTBEPALINGEN
Artikel 29. Inwerkingtreding
1. Dit Verdrag treedt in werking op de laatste dag van de maand volgend op de maand waarin de laatste kennisgeving is ontvangen waarin de onderscheiden regeringen elkaar schriftelijk ervan in kennis hebben gesteld, dat aan de in hun onderscheiden staten grondwettelijk vereiste formaliteiten is voldaan, en de bepalingen ervan vinden toepassing voor belastingjaren en -tijdvakken die aanvangen, en belastbare gebeurtenissen die zich voordoen, op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op dat waarin het Verdrag in werking is getreden.
2. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid wisselen de verdragsluitende staten, ingevolge het bepaalde in artikel 24, informatie uit met betrekking tot belastingjaren en -tijdvakken beginnend en belastbare gebeurtenissen die zich voordoen, voor de inwerkingtreding van dit Verdrag.
Artikel 30. Beëindiging
1. Dit Verdrag blijft van kracht totdat het door een verdragsluitende staat wordt beëindigd. Elk van de verdragsluitende staten kan het Verdrag langs diplomatieke weg beëindigen door ten minste zes maanden voor het einde van enig kalenderjaar na het jaar van inwerkingtreding van dit Verdrag schriftelijk kennis te geven van de beëindiging. Kennisgeving van beëindiging wordt geacht door een verdragsluitende staat te zijn gedaan op de datum van ontvangst van een dergelijke kennisgeving door de andere verdragsluitende staat.
2. In dat geval houdt het Verdrag op van toepassing te zijn:
i. met betrekking tot aan de bron geheven belastingen, voor bedragen die
betaald of toegerekend zijn aan niet-ingezetenen na afloop van het kalenderjaar
waarin de kennisgeving is gedaan, en
ii. met betrekking tot alle andere belastingen voor belastingjaren die
beginnen na afloop van dat jaar.
3. Bij beëindiging van dit Verdrag blijven de verdragsluitende partijen gebonden door de voorwaarden van artikel 24 ten aanzien van alle uit hoofde van dit Verdrag verkregen informatie.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.
GEDAAN in tweevoud te ’s-Gravenhage op 16 februari 2022, in de Nederlandse, de Spaanse en de Engelse taal, waarbij alle drie teksten gelijkelijk authentiek zijn. Ingeval de Nederlandse en de Spaanse tekst verschillend kunnen worden uitgelegd, is de Engelse tekst doorslaggevend.
Voor het Koninkrijk der Nederlanden,
MARK RUTTE
Voor de Republiek Colombia,
IVÁN DUQUE
Protocol
Bij de ondertekening van het Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belastingen, heden gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Colombia, zijn de ondergetekenden overeengekomen dat de volgende bepalingen een integrerend onderdeel van het Verdrag vormen.
I. Algemeen
Het is wel te verstaan dat beide verdragsluitende staten dit Verdrag interpreteren in het licht van de Commentaren bij het OESO-modelverdrag inzake inkomen en vermogen en het VN-modelverdrag inzake dubbele belasting tussen ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden, zoals die van tijd tot tijd luiden, met inachtneming van alle observaties of overige posities die zij daarover tot uitdrukking hebben gebracht.
II. Ad artikel 1
1. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 1 en artikel 22 zijn de
voordelen van de artikelen 10, 11, 12, 13, 20 en 21 en de bijbehorende
artikelen van dit Protocol niet van toepassing op een persoon die voor
de toepassing van de Nederlandse vennootschapsbelasting een vrijgestelde
beleggingsinstelling is.
2. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten beslissen in
onderlinge overeenstemming in hoeverre een inwoner van een verdragsluitende
staat die onder een bijzonder regime valt geen aanspraak kan maken op de
voordelen van dit Verdrag.
III. Ad artikel 3, tweede lid, en artikel 23
Het is wel te verstaan dat indien de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende
staten in onderlinge overeenstemming binnen de context van het Verdrag
een oplossing hebben bereikt voor gevallen waarin:
a. de toepassing van artikel 3, tweede lid, met betrekking tot de uitlegging
van een in het Verdrag niet omschreven uitdrukking; of
b. verschillen in kwalificatie (bijvoorbeeld van een inkomensbestanddeel
of van een persoon)
zou of zouden leiden tot dubbele belasting of dubbele vrijstelling, deze oplossing, na bekendmaking ervan door beide bevoegde autoriteiten, ook bindend is bij de toepassing van de bepalingen van het Verdrag in andere, gelijksoortige gevallen. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten kunnen deze oplossing herzien op basis van artikel 23, derde lid.
IV. Ad artikel 5
Onder verwijzing naar artikel 5, derde lid, onderdeel b, indien na het sluiten van dit Verdrag Nederland een verdrag sluit met een derde staat waarin het verlenen van diensten voor een tijdvak of tijdvakken van 183 dagen of minder (de drempel) geacht wordt een vaste inrichting te zijn, dan is dezelfde drempel ook ingevolge dit Verdrag van toepassing vanaf de datum waarop het desbetreffende verdrag tussen Nederland en de derde staat in werking treedt.
V. Ad artikelen 5, 6, 7 en 13
Het is wel te verstaan dat rechten tot de exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen worden beschouwd als onroerende zaken die zijn gelegen in de verdragsluitende staat (met inbegrip van de zeebodem en de ondergrond daarvan) waarop deze rechten van toepassing zijn en dat deze rechten geacht worden te behoren tot de activa van een vaste inrichting in die staat. Voorts is het wel te verstaan dat de hiervoor genoemde rechten ook omvatten rechten op belangen bij of voordelen uit vermogensbestanddelen die voortvloeien uit die exploratie of exploitatie.
VI. Ad artikel 7
Met betrekking tot artikel 7, vijfde lid, is het wel te verstaan dat de bronbelasting op herverzekeringspremies verwijst naar de bronbelasting van 1% op toegewezen herverzekeringspremies zoals bepaald in artikel 408 van het Colombiaanse Belastingwetboek of in enige regeling die dit wetboek vervangt.
VII. Ad artikel 8
Het is wel te verstaan dat de bepalingen van artikel 8 tevens van toepassing zijn op inkomstenbelasting geheven op basis van bruto-ontvangsten ter zake van vervoer van passagiers en vracht in internationaal verkeer.
VIII. Ad artikel 10
1. De bepaling van artikel 10, tweede lid, onderdeel b, is niet van toepassing
op dividenden betaald door of aan een persoon die voor de toepassing van
de Nederlandse vennootschapsbelasting een fiscale beleggingsinstelling
is.
2. De bepaling van artikel 10, tweede lid, onderdeel b, is tevens van
toepassing op dividenden die geacht worden te zijn uitgekeerd door een
vaste inrichting in Colombia.
IX. Ad artikelen 10, 11 en 12
1. Indien aan de bron belasting is geheven die het belastingbedrag dat
ingevolge de bepalingen van de artikelen 10, 11 of 12 mag worden geheven
te boven gaat, moeten verzoeken om teruggaaf van het daarboven uitgaande
belastingbedrag worden ingediend bij de bevoegde autoriteit van de staat
die de belasting heeft geheven, binnen een tijdvak van twee jaar na afloop
van het kalenderjaar waarin de belasting is geheven.
2. In het geval van Colombia, wanneer een inwoner van Nederland verplicht
is in Colombia een aangifte inkomstenbelasting in te dienen, wordt het
tijdvak bedoeld in het eerste lid van deze bepaling berekend vanaf het
moment waarop de belastingaangifte over het belastingjaar waarin de bronheffing
die tot de teruggave leidde plaatsvond, uiterlijk dient te worden ingediend.
X. Ad artikelen 10 en 13
Het is wel te verstaan dat inkomen dat wordt ontvangen in verband met de (gedeeltelijke) liquidatie van een lichaam dat inwoner is van Nederland, of een inkoop van eigen aandelen door een lichaam dat inwoner is van Nederland, ingevolge dit Verdrag, door Nederland wordt behandeld als inkomen uit aandelen en niet als vermogenswinsten.
XI. Ad artikel 11
Het is wel te verstaan dat de volgende entiteiten, of de opvolgers daarvan,
tevens worden begrepen in artikel 11, derde lid, onderdeel b:
i. Atradius Dutch State Business NV;
ii. de Nederlandse Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden
(FMO);
iii. BANCO AGRARIO DE COLOMBIA
iv. FINDETER
v. BANCOLDEX
vi. FINAGRO
vii. FIDUPREVISORA
viii. FINANCIERA DE DESARROLLO NACIONAL
ix. FONDO NACIONAL DEL CAFÉ
x. FONDO NACIONAL DEL DESARROLLO
xi. elke andere instelling zoals van tijd tot tijd door de bevoegde autoriteiten
van de verdragsluitende staten overeengekomen.
XII. Ad artikelen 18 en 21
Het is wel te verstaan dat de bepalingen van artikel 18, eerste lid, onderdeel a, de verdragsluitende staten niet beletten artikel 21, eerste lid, van dit Verdrag toe te passen.
XIII. Ad artikel 23
De bevoegde autoriteiten van de staten kunnen, zo nodig in strijd met hun onderscheiden nationale wetgeving, ter zake van een overeengekomen regeling in het kader van een procedure voor onderling overleg als bedoeld in artikel 23, tevens overeenkomen dat de staat, waarin ingevolge eerdergenoemde regeling sprake is van een additionele belastingheffing, met betrekking tot deze additionele belastingheffing geen verhogingen, toeslagen, interest en kosten zal opleggen, indien de andere staat, waarin ingevolge de regeling sprake is van een overeenkomstige vermindering van belasting, afziet van de betaling van interest verschuldigd met betrekking tot een dergelijke vermindering van belasting.
XIV. Ad artikel 24
1. De bepalingen van artikel 24 zijn dienovereenkomstig van toepassing
op informatie die relevant is voor de tenuitvoerlegging van inkomensgerelateerde
voorschriften krachtens de Nederlandse wetgeving door de Nederlandse belastingautoriteiten
die belast zijn met de implementatie, administratie of handhaving van deze
inkomensgerelateerde voorschriften.
2. Alle informatie die uit hoofde van het eerste lid van dit artikel juncto
artikel 24 van dit Verdrag wordt ontvangen, wordt uitsluitend gebruikt
ten behoeve van de vaststelling en heffing van de bijdragen en de vaststelling
en toekenning van de voordelen uit hoofde van de inkomensgerelateerde voorschriften
bedoeld in het eerste lid van dit artikel.
XV. Ad artikel 25
Het is wel te verstaan dat een aanvullend onderdeel c van het derde
lid van dit artikel, dat luidt:
„c. Zakelijke activiteiten die verbonden personen uitoefenen met betrekking
tot een inwoner van een verdragsluitende staat, worden voor de toepassing
van dit lid geacht door die inwoner te worden uitgeoefend.”
van toepassing is indien, na de ondertekening van dit Verdrag, Colombia met een derde staat een verdrag onderhandelt en sluit dat een soortgelijke bepaling bevat. Dat aanvullende onderdeel zal van toepassing zijn op dit Verdrag vanaf de datum dat het verdrag met de derde staat in werking is getreden.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.
GEDAAN in tweevoud te ’s-Gravenhage op 16 februari 2022, in de Nederlandse, de Spaanse en de Engelse taal, waarbij alle drie teksten gelijkelijk authentiek zijn. Ingeval de Nederlandse en de Spaanse tekst verschillend kunnen worden uitgelegd, is de Engelse tekst doorslaggevend.
Voor het Koninkrijk der Nederlanden,
MARK RUTTE
Voor de Republiek Colombia,
IVÁN DUQUE
