Landinformatie Nederland
Stille maatschap met ‘eigen’ bv
Fiscale aandachtspunten bij een stille maatschap
Met enige regelmaat krijgen wij vragen binnen die gaan over de situatie dat een directeur-grootaandeelhouder (hierna: DGA) een stille maatschap wil aangaan met zijn eigen werkmaatschappij (besloten vennootschap). De gedreven onderneming wordt veelal alleen bestuurt door de DGA. In dit artikel gaan wij nader in op de fiscale aandachtspunten die hierbij aan de orde kunnen komen.
Kern van de vraag omtrent een stille maatschap met ‘eigen’ BV
De kern van deze structuur is dat de DGA een stille maatschap aangaat met zijn eigen werkmaatschappij, terwijl de B.V. naar buiten toe als contractpartij optreedt waarbij de DGA alle feitelijke werkzaamheden verricht. De DGA zou zijn aandeel in de maatschapswinst dan willen kwalificeren als winst uit onderneming waarbij aanspraak zou kunnen worden gemaakt op ondernemersfaciliteiten zoals de MKB-winstvrijstelling (box 1, maar zonder loonheffing), in plaats van als loon waarop de gebruikelijk-loonregeling van toepassing is.
Constructie stille maatschap met eigen BV
Dit type constructie is door het Ministerie van Financiën expliciet gesignaleerd als een ongewenste belastingontwijkingsstructuur. In de Voorjaarsnota 2026 beschrijft het ministerie precies dit patroon: een DGA gaat een samenwerkingsverband aan met de eigen B.V., brengt arbeid in, en claimt vervolgens dat het winstaandeel als winst uit onderneming wordt belast waarbij ondernemersfaciliteiten worden toegepast die "eigenlijk niet voor hen zijn bedoeld." Het ministerie onderzoekt actief een wettelijke aanpak van deze constructie (Ministerie van Financiën 27 maart 2026, 2026-0000105124 (Voorjaarsnota 2026 (Eerste Kamer)). Dit gegeven alleen al illustreert dat de constructie zich in het brandpunt van fiscale handhaving bevindt.
Reële maatschap of een constructie
Voor een reële maatschap is vereist dat iedere maat daadwerkelijk iets inbrengt — arbeid, geld, goederen of vlijt — en dat de winstverdeling zakelijk is. De vraag is wat de werkmaatschappij inbrengt in de maatschap.
Veelal zien wij dat men een cliëntenbestand wil inbrengen echter is dit veelal in hoge mate persoonsgebonden. Dit betekent niet dat dit altijd kan worden gezien als een economische inbreng. Cliënten kiezen namelijk veelal specifiek op basis van vertrouwen, expertise en persoonlijke relatie. Het feit dat het cliëntenbestand dan formeel op naam van de B.V. staat of in haar administratie is opgenomen, doet niets af aan de economische realiteit dat de waarde van dat bestand volledig afhankelijk is van de voortdurende persoonlijke arbeid van de DGA. De B.V. kan dit bestand niet zelfstandig bedienen zonder de DGA; de cliënten zijn niet de cliënten van de rechtspersoon, maar van de DGA. Dit is vaak een structureel kenmerk waardoor de inbreng van het cliëntenbestand door de B.V. in de maatschap geen zelfstandige economische waarde geeft die losstaat van de persoonlijke arbeid van de DGA.
Daarnaast — en dit is het meest wezenlijke punt — is het cliëntenbestand veelal opgebouwd dankzij de persoonlijke arbeid van de DGA, die hij verrichtte ten behoeve van de B.V. De B.V. heeft dit bestand niet zelfstandig gegenereerd; zij heeft het slechts gefaciliteerd als juridische entiteit. De economische bron van het cliëntenbestand is en blijft de persoonlijke arbeid van de DGA. Als de DGA stopt met werken voor de B.V., verdwijnt de waarde van het cliëntenbestand. Dit maakt de inbreng van het cliëntenbestand door de B.V. in de maatschap niet wezenlijk anders dan de inbreng van een persoonsgebonden goodwill: de waarde is niet zelfstandig exploiteerbaar door de B.V.
Het kennisgroepstandpunt Belastingdienst 28 maart 2023, KG:213:2022:4 (Standpunt; Etiketteren aandelen bij participatie BV in een maatschap) maakt duidelijk dat een maatschapsparticipatie van een B.V. economische realiteit vereist: de B.V. moet daadwerkelijk iets inbrengen dat zij zelfstandig kan exploiteren en dat een zakelijke winstverdeling rechtvaardigt. Een computer, een bureau en een persoonsgebonden cliëntenbestand dat uitsluitend door de DGA kan worden bediend, voldoen niet aan die eis. De enige partij die in de maatschap daadwerkelijk waarde genereert, is de DGA door zijn persoonlijke arbeid. De B.V. is niet meer dan een juridische schil.
Gebruikelijk loon bij stille maatschap met de BV
Artikel 12a Wet LB bepaalt dat de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, het loon ten minste wordt gesteld op het hoogste van: het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, het hoogste loon van de overige werknemers, of het wettelijke normbedrag (€ 58.000 voor 2026). Het artikel vereist geen formele arbeidsovereenkomst; beslissend is dat arbeid wordt verricht en dat sprake is van een aanmerkelijk belang.
Aan beide voorwaarden wordt veelal voldaan wanneer een DGA een stille maatschap met zijn ‘eigen’ BV aangaat, ongeacht de maatschapsvorm. De DGA verricht onmiskenbaar arbeid ten behoeve van de werkmaatschappij — de B.V. treedt als contractpartij op en genereert omzet uitsluitend dankzij de arbeid van de DGA — en de DGA heeft een aanmerkelijk belang in de B.V. De arbeid die de DGA verricht om dat bestand te bedienen en uit te breiden, is en blijft arbeid ten behoeve van de B.V. in de zin van artikel 12a Wet LB.
Het kennisgroepstandpunt Belastingdienst 15 juli 2026, KG:204:2026:12 (Standpunt; Doorbetaaldloonregeling bij reële overeenkomst van opdracht) bevestigt dat de gebruikelijkloonregeling geldt op het niveau van de holding/werkmaatschappij zodra de DGA arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang heeft.
De constructie via een maatschap verandert daar niets aan. Het kennisgroepstandpunt
Belastingdienst 20 juli 2026, KG:204:2026:13 (Standpunt; Gebruikelijk loon
niet reële overeenkomst van opdracht bij toepassing doorbetaaldloonregeling)
bevestigt bovendien dat wanneer een overeenkomst geen reële betekenis heeft,
de gebruikelijkloonregeling van artikel 12a Wet LB onverkort van toepassing
is.
Voor een actief praktiserende DGA geldt dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking doorgaans aanzienlijk hoger ligt dan het normbedrag van € 58.000. De uitspraak van de Hoge Raad in 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1269) heeft bevestigd dat de gebruikelijk-loonregeling is gebaseerd op een vergelijkingssystematiek: het loon wordt gesteld op een bedrag dat niet in belangrijke mate afwijkt van hetgeen gebruikelijk is voor soortgelijke werkzaamheden waarbij aandeelhouderschap geen rol speelt.
Fraus legis en maatschap met de BV
Het leerstuk van fraus legis vereist dat
- de belastingbesparing het doorslaggevende motief is voor de gekozen structuur en
- de constructie in strijd is met doel en strekking van de wet.
Aan het motiefvereiste is evident voldaan. Er is geen zakelijke reden voor het aangaan van een stille maatschap met de eigen B.V. De B.V. brengt niets in dat zij zelfstandig kan exploiteren, de DGA verricht alle arbeid, en de B.V. treedt slechts formeel als contractpartij op. De omstandigheid dat het cliëntenbestand tijdens de duur van de vennootschap is opgebouwd, levert geen zakelijke reden op voor de maatschapsconstructie: de B.V. functioneerde immers al als contractpartij vóór het aangaan van de maatschap, en de maatschap voegt daar geen economische realiteit aan toe.
Aan het normvereiste is eveneens voldaan. Wet op artikel 12a Wet LB strekt er uitdrukkelijk toe om ongewenste salarisconstructies tegen te gaan, zoals de ECLI:NL:HR:2016:1269 en het ECLI:NL:GHAMS:2021:1305 bevestigen. De Voorjaarsnota 2026 maakt duidelijk dat de overheid deze specifieke constructie als ongewenst beschouwt en actief onderzoekt hoe zij wettelijk kan worden aangepakt (Ministerie van Financiën 27 maart 2026, 2026-0000105124 (Voorjaarsnota 2026 (Eerste Kamer))
De positie van het cliëntenbestand in de maatschap
Doordat het cliëntenbestand tijdens de duur van de vennootschap is opgebouwd introduceert een zelfstandig fiscaal vraagstuk. Als de B.V. haar cliëntenbestand inbrengt in de maatschap, draagt zij een vermogensbestanddeel over aan een samenwerkingsverband waarvan ook de DGA persoonlijk deel uitmaakt. Dit kan leiden tot een belaste overdracht van stille reserves of goodwill op het niveau van de B.V., afhankelijk van de waardering van het cliëntenbestand op het moment van inbreng. Als de inbreng plaatsvindt tegen een te lage waarde, kan de inspecteur een uitdeling aan de DGA constateren.
Verplicht ondernemingsvermogen
Aandelen in een vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft, worden in beginsel belast in box 2. Op de hoofdregel bestaat een uitzondering: aandelen kunnen tot het verplichte ondernemingsvermogen van de IB-ondernemer behoren en daarmee in box 1 vallen. Dit is het geval wanneer de aandelen nagenoeg uitsluitend dienstbaar zijn aan de subjectieve onderneming van de belastingplichtige, of wanneer de met de aandelen te behalen voordelen in feite afhankelijk zijn van de bedrijfsuitoefening van de belastingplichtige.
Het kennisgroepstandpunt Belastingdienst 28 maart 2023, KG:213:2022:4 (Standpunt; Etiketteren aandelen bij participatie BV in een maatschap) werkt dit criterium uitvoerig uit. De Belastingdienst stelt daarin dat bij een samenwerkingsverband tussen een natuurlijk persoon en een B.V. de subjectieve onderneming van de natuurlijk persoon bestaat uit zijn aandeel in het samenwerkingsverband en eventueel buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen. De aandelen in de B.V. behoren tot het verplichte ondernemingsvermogen indien het bezit van de aandelen nagenoeg uitsluitend het belang van die subjectieve onderneming dient.
Ondanks dat wij van mening zijn dat het aangaan van een stille maatschap met de ‘eigen’ B.V. door een DGA veelal niet tot het ondernemingsvermogen gerekend zou moeten worden kan dit wel wederom een discussie met de Belastingdienst tot gevolg hebben.
Noot fiscaal jurist inzake stille maatschap met de BV
Alvorens men overgaat tot het aangaan van een stille maatschap met de ‘eigen’ B.V. dient men heel goed te onderzoeken waar de risico’s liggen zoals weergegeven in dit artikel. Aangezien er vele discussies met de Belastingdienst kunnen ontstaan adviseren wij veelal om deze structurering niet te implementeren gezien al hetgeen hierboven staat weergegeven. De constructie kan namelijk enorme discussies veroorzaken die vervolgens door de adviseurs moeten worden opgepakt (wellicht zelfs procederen) met alle kosten van dien. De uitkomst zal sterk afhankelijk zijn van de exacte feiten en omstandigheden, veelal is onze verwachting dat deze niet positief zal zijn. Mocht u voornemen zijn om een stille maatschap aan te gaan met de ‘eigen’ B.V. laat u dan goed voorlichten hierover. Indien u nader van gedachten wil wisselen hierover kunt u contact opnemen met één van onderstaande auteurs.
