Volg ons op:

U bevindt zich hier : Fiscale tips Eigen woning Rijksmonument Kosten tuin en hekwerk monument Uitspraak Gerechtshof Rijksmonument 20 juni 2013 11/00285


Twitter Updates

Gerechtshof Amsterdam 

Kenmerk 11/00285

20 juni 2013

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], wonende te [Y], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 10/4025van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst /Utrecht Gooi, kantoor Utrecht,

de inspecteur.

Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 19 februari 2010 aan belanghebbende voor het jaar 2006 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 28 juni 2010, de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 1 maart 2011 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 11 april 2011 en aangevuld bij brief van 8 mei 2011. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift van 20 juni 2011 gereageerd waarbij hij (onder meer) heeft verwezen naar zijn bij de rechtbank ingediende verweerschrift .

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2013. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.1.

De rechtbank heeft in zijn uitspraak (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’) de volgende feiten vastgesteld (waarin tussen [ ] aanvullingen en wijzingen van het Hof zijn verwerkt):

“2.1. Eiser en zijn echtgenote zijn eigenaar van de onroerende zaak [...weg 56] (…)[ Hof: de opstal op deze onroerende zaak, voor zover als woning in gebruik, wordt hierna ook als het pand aangeduid ] te [Y].

2.2.

Het pand is ingeschreven in het rijksregister voor cultureel erfgoed [ Hof: de rechtbank bedoelt kennelijk: het door de Rijksdienst voor het cultureel erfgoed beheerde monumentenregister ] en kwalificeert derhalve als een monumentenpand als bedoeld in het tweede lid van artikel 6.31 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2006, hierna: Wet IB 2001).

2.3.

In het [monumentenregister] staat de volgende omschrijving van het monument:

“Vrijstaand woonhuis gelegen aan de [...]. In oorsprong XVIII, gewijzigd in XIX en XX. Gepleisterd bakstenen gebouw onder zadeldak met zijtopgevels; fraaie toegangsdeur. Inwendig oude indeling voor een belangrijk deel bewaard.”

2.4.

Eiser heeft een inventarisatieformulier van het bureau monumentenzorg p.p.d. Utrecht (hierna: het inventarisatieformulier), gedateerd 16 augustus 1984, overgelegd. In dit stuk wordt – voor zover van belang – de woning als volgt omschreven:

“26. Beschrijving

Pand, teruggelegen van de straat en daarvan gescheiden door hekwerk en siertuin. Voor het pand is een lage muur waarop siervazen staan. Het pand heeft een vierkante plattegrond, twee bouwlagen en een zadeldak van blauwe en rode pannen. Er is ’n geprofileerde kroonlijst. Links in de voorgevel bevindt zich op de begane grond een empire-deur met bovenlicht gevat in een classicistische pilasterstelling met hoofdgestel. Rechts hiervan zijn 2 schuifvensters. Op de verdieping zijn 3 T-vensters. De gehele gevel is gepleisterd en er zijn horizontale en verticale voegen ingekerfd. Boven de vensters is een decoratief patroon ingekerfd. Aan de zijgevel is het driehoekige boven-gedeelte van de puntgevel met hout beschoten. Hierin is een venster. Daaronder is de wand gladgepleisterd.

27. Motivering:

18e eeuws buitenhuis aan de [...] met 19de eeuwse gevel en hoog zadeldak uit 1931, voornamelijk vanwege de oude indeling van het interieur van belang.”

2.5.

In 2005 en 2006 heeft een omvangrijke restauratie van het [pand] plaatsgevonden.

2.6.

Eiser heeft in de aangifte IB/PVV 2006 op grond van artikel 6.31 van de Wet IB 2001 een bedrag van € 143.361 aan persoonsgebonden aftrek in verband met uitgaven voor monumentenpanden in aftrek gebracht. Verweerder heeft een bedrag van € 71.695 in aftrek toegestaan.

2.7.

Verweerder heeft de niet voor aftrek in aanmerking komende uitgaven als volgt gespecificeerd:

  • -

    Aannemer, meer en minder nota € 7.339

  • -

    Tuinkosten € 12.000

  • -

    Kosten garage € 34.030

  • -

    Kosten hekwerk € 13.685

  • -

    Meerwerk architect € 4.612

Totaal € 71.666

2.8.

In de bezwaarfase heeft eiser gesteld dat de uitgaven voor de restauratie van zijn pand niet € 143.361 hebben bedragen, maar € 152.297.

2.9.

Eiser heeft de bijkomende kosten als volgt gespecificeerd:

  • -

    Minderkosten aannemer - € 1.475

  • -

    Meerkosten tuin + € 10.529

  • -

    Minderkosten architect - € 118

Totaal € 8.936

Ook deze kosten zijn door verweerder niet in aftrek toegestaan.”

2.1.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan en voegt daaraan ter verduidelijking toe dat hetgeen is overwogen in 2.6 van de rechtbankuitspraak “op grond van artikel 6.31 van de Wet IB 2001” onderdeel is van het geschil en niet als feit kan worden aangemerkt. Voorts voegt het Hof aan de feitenvaststelling nog het volgende toe.

2.2.1.

De onroerende zaak als bedoeld in 2.1 van de rechtbankuitspraak is een ‘eigen woning’ als bedoeld in 3.111 Wet IB 2001. Tot die onroerende zaak behoren het pand, alsmede een schuur (in de stukken ook de garage genoemd) en een tuin die deels aan de [...] grenst en aan de buitenzijde van een hekwerk is voorzien.

2.2.2.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende aan de inspecteur en het Hof foto’s getoond. Het betreft negen foto’s: zeven foto’s van voor de restauratie en twee foto’s welke zijn gemaakt tijdens de restauratie. Vijf foto’s van voor de restauratie zijn gemaakt van de tuin van belanghebbende aan de [...zijde]. Twee foto’s van voor de restauratie zijn gemaakt van de buitenzijde van de schuur in de toenmalige staat. Twee foto’s welke zijn gemaakt tijdens de restauratiewerkzaamheden in 2006 tonen een ponton in de [...] grenzend aan de beschoeiing van belanghebbendes tuin. Het op de foto’s zichtbare gedeelte van de tuin is overhoop gehaald.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil in hoeverre door belanghebbende gedane uitgaven als persoonsgebonden aftrek (uitgaven voor monumentenpand) in mindering op belanghebbendes inkomen uit werk en woning komen.

Daarbij gaat het om de onder 2.7. en 2.9 van de rechtbankuitspraak genoemde uitgaven.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

Beoordeling van het geschil

4.1.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak (onder meer) als volgt overwogen:

“4.1. Op grond van artikel 6.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 wordt onder persoonsgebonden aftrek verstaan het gezamenlijke bedrag van de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten. Tot de zogenaamde persoonsgebonden aftrekposten behoren op grond van het tweede lid, onderdeel g, van voormeld artikel onder meer uitgaven voor monumentenpanden.

4.2.

Op grond van artikel 6.31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 worden - voor zover thans van belang - als uitgaven met betrekking tot een monumentenpand dat tevens een eigen woning is, in aanmerking genomen het bedrag van de onderhoudskosten, lasten en afschrijvingen, verminderd met 0,80% van de eigenwoningwaarde. Blijkens het derde lid van voornoemd artikel moet onder onderhoudskosten voor monumentenpanden worden verstaan de kosten van werkzaamheden daaraan voor zover die ertoe hebben gestrekt het pand, zoals dat bij de aanvang van de werkzaamheden bestond, in bruikbare staat te herstellen of te houden en in redelijkheid zijn gemaakt.

4.3.

In artikel 6.31, tweede lid, van de Wet IB 2001 is geregeld dat onder monumentenpand wordt verstaan een pand dat is ingeschreven in een van de registers, bedoeld in artikel 6 of 7 van de Monumentenwet 1988. Vaststaat dat het pand van eiser een monumentenpand is als bedoeld in het tweede lid van artikel 6.31 van de Wet IB 2001. Bovendien is niet in geschil dat een bedrag van € 71.695, zijnde de kosten van de restauratie van het pand, plaatsing van beschoeiing langs de waterkant en 25% van de tuinkosten, omdat de tuin als gevolg van de bouwwerkzaamheden deels beschadigd was geraakt, voor aftrek in aanmerking komt. Partijen houdt verdeeld of de overige kosten van de herinrichting van de tuin, de reparatiekosten van het hek en de restauratiekosten van de garage voor aftrek in aanmerking komen.

4.4.

Vaststaat dat de garage, de tuin en het hekwerk (hierna ook: de afzonderlijke delen) niet afzonderlijk als monument staan ingeschreven in het register van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (hierna: het register). Nu de afzonderlijke delen ten tijde van de renovatie niet afzonderlijk in het register zijn ingeschreven en ook niet gesteld of gebleken is dat registratie van deze delen op een later tijdstip heeft plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat de tuin, de garage en het hekwerk niet afzonderlijk kwalificeren als rijksmonument. Eiser heeft zich in dat verband echter op het standpunt gesteld dat het gehele kadastrale object in onderlinge samenhang bezien, dus inclusief tuin, garage en hekwerk als monumentenpand dient te worden aangemerkt. Daartoe heeft eiser het inventarisatieformulier overgelegd. Uit de omschrijving van het pand op dit formulier blijkt volgens eiser dat de garage, de tuin en het hekwerk onderdeel uitmaken van het [pand] en derhalve als monument zijn aan te merken. De rechtbank volgt eiser niet en overweegt hiertoe het volgende. Het een inventarisatieformulier betreft een stuk van bureau monumentenzorg p.p.d. Utrecht en is niet afkomstig van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Uit dit formulier vloeit geen aanwijzing als rijksmonument voort. Los van de status van dit formulier blijkt daaruit ook niet dat de afzonderlijke delen als monument zijn aan te merken. Weliswaar worden het hekwerk en de siertuin in de beschrijving onder 26. vermeld, maar kennelijk slechts om het pand in zijn omgeving te plaatsen. Enkel op basis van de tekst op het inventarisatieformulier kan niet de conclusie worden getrokken dat het hekwerk en de siertuin tezamen met het pand één monument vormen. Eisers stelling dat noch in de tekst op het inventarisatieformulier noch in de kadastrale omschrijving delen van de onroerende zaak zijn uitgesloten van de aanwijzing tot rijksmonument maakt dit niet anders.

4.6.

Eisers stelling dat voor de monumentenaftrek aansluiting moet worden gezocht bij de bepalingen van de Wet WOZ vindt geen steun in het recht. Artikel 6.31 van de Wet IB 2001 ziet op de aftrek van onderhoudskosten betreffende monumentenpanden die als zodanig in het register zijn geregistreerd. De Wet WOZ daarentegen ziet op de waardebepaling van gehele kadastrale objecten. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt of het geheel of delen van het kadastrale object als monument zijn aan te merken. De bepalingen van de Wet WOZ staan dan ook los van het bepaalde in artikel 6.31 van de Wet IB 2001 en moeten ook los van elkaar worden bezien.”

4.1.2.

De door de rechtbank in de hiervoor geciteerde rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.6. gegeven oordelen (hiervoor – onder 4.1.1. – weergegeven) zijn, naar het oordeel van het Hof terecht en op goede gronden gegeven. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen nieuw of ander licht geworpen op hetgeen in die rechtsoverwegingen aan de orde is gesteld. Voorop stellende dat op belanghebbende de last rust aannemelijk te maken dat de onder 2.7. en 2.9. van de rechtbankuitspraak genoemde kosten werkzaamheden betroffen die ertoe hebben gestrekt het pand, zoals dat bij de aanvang van de werkzaamheden bestond, in bruikbare staat te herstellen of te houden, maakt het Hof deze overwegingen dan ook tot de zijne.

4.2.1.

Nu de garage, de tuin en het hekwerk niet als (een deel van een) monumentenpand kunnen worden aangemerkt, resteert de vraag in hoeverre de onder 2.7. en 2.9. van de rechtbankuitspraak genoemde uitgaven als onderhoudskosten aan het pand kunnen worden toegerekend (en alsdan - indirect - onder artikel 6.31 Wet IB 2001 vallen). Daaromtrent heeft de rechtbank overwogen:

“4.7. Verweerder heeft 25% van de kosten van de herinrichting van de tuin in aftrek toegestaan wegens herstel van schade die als gevolg van de restauratie van het pand aan de tuin was ontstaan. Eiser heeft gesteld dat de herstelkosten veel hoger waren. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat een aftrek van 25% redelijk is omdat de schade aan de tuin beperkt was. Zo stond er ten tijde van de restauratie weinig beplanting in de directe nabijheid van de woning en waren er ter voorkoming van schade rijplaten rondom de woning gelegd. Tegenover het gemotiveerde standpunt van verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de aftrek van 25% wegens herstel van de tuin te laag is geweest. “

4.2.2.

Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat de beoordeling (naar het Hof begrijpt doelt belanghebbende op rechtsoverweging 4.7 van de rechtbankuitspraak) van het tuinonderhoud onbegrijpelijk is. Hij stelt “Door de vernieuwing van de beschoeiing de schuur en het hekwerk, de plaatsing van een materiaal-container en directiekeet is de gehele tuin “op de schop” gegaan. Van rijplaten rond de woning was geen sprake zoals met foto’s kon worden aangetoond.”, waarmee belanghebbende kennelijk betoogt dat meer dan 25 % van de kosten van de tuin aan het onderhoud van het pand toerekenbaar was.

4.2.3.

Met hetgeen door belanghebbende naar voren is gebracht (zoals met name vermeld in 4.2.2.) - waartoe het Hof ook rekent de tot de gedingstukken behorende facturen betreffende de tuin - en de ter zitting getoonde foto’s, heeft belanghebbende, op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat meer dan 25 % van de herinrichtingskosten van de tuin (dan wel van de overige door de inspecteur niet in aftrek toegelaten uitgaven) aan het onderhoud van het pand toerekenbaar was. Ook indien aangenomen wordt dat geen rijplaten rondom de woning waren aangelegd zijn hogere (aan het pand toerekenbare) onderhoudskosten dan de door de inspecteur geaccepteerde kosten niet aannemelijk gemaakt. Het Hof ziet zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, niet in dat het ontbreken van rijplaten meebrengt dat er meer dan de door de inspecteur in aanmerking genomen schade aan het onderhoud van het pand toerekenbaar is.

Voorts brengt de omstandigheid dat “door de vernieuwing van de beschoeiing, de schuur en het hekwerk, de plaatsing van een materiaal-container en directiekeet is de gehele tuin “op de schop”[is] gegaan”, niet op voorhand mee dat een hoger percentage in aanmerking dient te worden genomen. Van de door belanghebbende geschetste kosten (van het op de schop gaan van de hele tuin) staat niet vast en is ook niet aannemelijk geworden dat ze (meer dan het in aanmerking genomen percentage) verband houden met het onderhoud van het pand en met de schade die als gevolg van het onderhoud van het pand aan de tuin was ontstaan.

4.3.1.

De rechtbank heeft verder overwogen:

“4.8. Eiser doet een beroep op het vertrouwensbeginsel, aangezien uit het handelen van de gemeentelijke monumentencommissie kan worden afgeleid dat het gehele kadastrale object als een monument moet worden beschouwd. Dit beroep slaagt niet nu er van de zijde van verweerder geen sprake is geweest van een standpuntbepaling waaraan gerechtvaardigd vertrouwen kon worden verleend. Dat de gemeentelijke monumentencommissie de tuinplannen heeft opgevraagd en heeft beoordeeld maakt dit niet anders, nu de handelingen van de monumentencommissie van de gemeente de inspecteur niet kunnen binden.”

4.9.

Tot slot doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Eiser heeft aangevoerd dat de beschoeiing, net als de garage, de tuin en het hekwerk, niet als afzonderlijk rijksmonument is aan te merken, maar dat de kosten voor het plaatsen van de beschoeiing wel, en de restauratiekosten van de garage en het hekwerk en 75% van de (herinrichtings)kosten van de tuin niet in aftrek zijn toegestaan. Ook deze grief van eiser slaagt niet. In de uitspraak op bezwaar en ook ter zitting heeft verweerder verklaard dat de kosten van de beschoeiing in aftrek zijn toegestaan omdat deze kosten zijn gemaakt ter behoud van de woning en dat indien de woning verder van de waterkant had afgestaan deze kosten niet voor aftrek in aanmerking zouden zijn gekomen. Nu de kosten voor beschoeiing zijn gemaakt ter voorkoming van toekomstige schade aan het monumentenpand en de restauratiekosten van de garage en het hekwerk en de herinrichtingskosten van de tuin niet zien op behoud van de woning is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van gelijke gevallen. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt ”

4.3.2.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende verklaard dat hetgeen hij in de procedure tot aan het Hof heeft aangevoerd als een beroep op het gelijkheidsbeginsel moet worden verstaan als een beroep op het vertrouwensbeginsel.

4.3.3.

Het door de rechtbank in de hiervoor geciteerde rechtsoverweging 4.8. gegeven (hiervoor onder 4.3.1. weergegeven) oordeel is naar het oordeel van het Hof terecht en op goede gronden gegeven. Belanghebbende heeft in hoger beroep (verder) geen nieuw of ander licht geworpen op hetgeen in die rechtsoverweging aan de orde is gesteld. Het Hof maakt die overweging dan ook tot de zijne.

4.3.4.

Uit de gedingstukken en uit rechtsoverweging 4.9 van de rechtbank (zie hierboven onder 4.3.1) leidt het Hof af dat de inspecteur zich op het standpunt stelt dat de kosten van de beschoeiing aan het onderhoud van het pand toerekenbaar waren en dat die uitgaven derhalve op basis van artikel 6.31 Wet IB 2001 aftrekbaar waren. Reeds omdat niet aannemelijk is geworden dat dit een onjuist standpunt is en belanghebbende overigens geen omstandigheden heeft aangevoerd die bij hem de indruk hebben kunnen wekken dat meer uitgaven aftrekbaar waren dan die welke de inspecteur reeds aan het onderhoud van het pand heeft toegerekend, slaagt belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel niet.

4.4.

Gelet op het vorenoverwogene is niet aannemelijk geworden dat de onder 2.7. en 2.9 van de rechtbankuitspraak genoemde uitgaven voor aftrek in aanmerking komen en is derhalve het gelijk aan de inspecteur.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

Kosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het Hof geen termen aanwezig.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, F.J.P.M. Haas en P.F. Goes, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 20 juni 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

  1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  3. a. de naam en het adres van de indiener;

  4. b. een dagtekening;

  5. c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  6. d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Meer weten van uitspraak gerechtshof rijksmonument 20 juni 2013 11/00285


Artikel datum : 09-07-2013 | Artikel laatst gewijzigd : 24-07-2013

© 2018 Jongbloed Fiscaal Juristen