Aansprakelijk gesteld als inlener door de Belastingdienst?
De inlenersaansprakelijkheid van artikel 34 Invorderingswet 1990 (IW) voelt voor veel ondernemers als een onrechtvaardige, dubbele heffing. U betaalt eerst de facturen van het uitzendbureau — inclusief de daarin verwerkte loon- en omzetbelasting — en vervolgens klopt de Belastingdienst nog een keer bij u aan omdat de uitlener diezelfde belasting niet heeft afgedragen. Dat de wet die tweede gang toestaat, betekent echter niet dat de ontvanger daarbij vrij spel heeft. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch d.d. 22 april 2026 (ECLI:NL:GHSHE:2026:1076) haalt in een recente uitspraak een streep door de aansprakelijkstelling van een belastingplichtige, omdat de ontvanger zijn eigen zorgplicht heeft veronachtzaamd.
Al met al is fiscale advisering bij een inlenersaansprakelijkheid essentieel! Zorg er ook voor dat u het volledige dossier van de belastingdienst ter inzage verkrijgt (tijdens de bezwaarfase) en maak optimaal gebruik van uw rechten om te worden gehoord. Tijdens deze gesprekken met de belastingdienst kunt u "uw ei" kwijt en kijken wat de belastingdienst tijdens het onderzoek heeft gedaan (en wat niet).
Wat is inleneraansprakelijkheid?
De inlenersaansprakelijkheid kan spelen in alle situaties waarin sprake is van een zogenaamde driehoeksrelatie, derhalve de inlener (degene die de mens nodig heeft), de werknemer (degene die werkt) en de uitlener (meestal een uitzendbureau). Hierbij zal de werknemer - onder leiding en toezicht van de inlener werk verrichten. De inlener kan aansprakelijk worden gesteld voor de loonheffingen en omzetbelasting die het uitzendbureau (de uitlener) nite of nite volledig heeft betaald.
Inlenersaansprakelijkheid door de belastingdienst
Een internationaal transportbedrijf zonder eigen personeel — leende in 2018 arbeidskrachten in van een uitzendbureau. Dat uitzendbureau kampte al sinds zijn oprichting in 2015 met betalingsproblemen. De laatste negen maanden vóór het faillissement ging het snel bergafwaarts.
De ontvanger was daarbij geen buitenstaander. De Belastingdienst was al in een vroeg stadium op de hoogte van en betrokken bij de problemen: er liep een invorderingsonderzoek, er waren betaalafspraken gemaakt en er lag beslag op de (nagenoeg waardeloze) inventaris. Het uitzendbureau probeerde een externe financiering rond te krijgen, maar dat lukte uiteindelijk niet. In de tussentijd kreeg de ontvanger een pandrecht op de debiteurenportefeuille — op papier ruim € 4,5 miljoen, meer dan voldoende dekking voor de openstaande schuld. Andere zekerheden zijn niet gevraagd en niet verstrekt.
Na het faillissement bleek de bodem onder dat pandrecht weg te vallen: een aanzienlijk deel van de vorderingen was al in 2017 gecedeerd aan een buitenlandse (Luxemburgse) factoringmaatschappij. Voor dat deel stond de ontvanger met lege handen — en verhaalde hij het tekort via artikel 34 IW bij het transportbedrijf, voor ruim € 100.000 aan loon- en omzetbelasting.
De bijzondere zorgplicht van de ontvanger bij inlenersaansprakelijkheid
De inlenersaansprakelijkheid is een risicoaansprakelijkheid: de inlener is op grond van artikel 34, lid 1, IW hoofdelijk aansprakelijk voor de loon- en omzetbelasting die de uitlener verschuldigd is, óók zonder eigen verwijt. Maar tegenover die vergaande aansprakelijkheid staat een even wezenlijke verplichting van de ontvanger. Het simpelweg achteruit leunen met oogkleppen op en daarna de inlener aansprakelijk stellen is niet de juiste route.
De Hoge Raad d.d. 19 december 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2496) heeft die verplichting scherp geformuleerd.
- Een zorgvuldig gebruik van de beleidsvrijheid om de belastingschuldige uitstel van betaling te verlenen en daarbij zekerheid te verlangen, brengt mee dat de ontvanger rekening houdt met de belangen van derden die de wet aansprakelijk stelt.
- De ontvanger mag bij het verlenen van uitstel niet met minder zekerheid genoegen nemen dan hij bij een behoorlijke taakuitoefening zou hebben verlangd als de wet hem géén verhaal op derden had geboden
- Op de ontvanger rust, kort gezegd, een bijzondere zorgplicht jegens de potentieel aansprakelijke inlener.
Neemt de ontvanger toch genoegen met te weinig zekerheid, dan verliest hij zijn bevoegdheid de derde (in dit geval de transportondernemer) aan te spreken — voor zover de belastingschuldige ten tijde van het uitstel wél zekerheid had kunnen verschaffen.
- Wat is van belang? De bewijslastverdeling: het is aan de ontvanger om aannemelijk te maken dat, en in hoeverre, de belastingschuldige géén (verdere) zekerheid kon bieden (Hoge Raad 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5398). Slaagt de Belastingdienst daar niet in, dan valt de aansprakelijkstelling.
Fouten belastingdienst bij inlenersaansprakelijkheid
In deze uitspraak worden er door het Gerechtshof 3 fouten in beeld gebracht:
- Onvoldoende onderzoek naar de verpande portefeuille. De ontvanger wist al in september 2018 dat het uitzendbureau (een deel van) zijn vorderingen had gecedeerd. Van een zorgvuldig handelend ontvanger mag dan worden verwacht dat hij nagaat óf het uitzendbureau nog wel bevoegd was die vorderingen te verpanden. Enkel afgaan op de verklaring van de uitlener dat de vorderingen "vrij" waren, is onvoldoende — temeer omdat de ontvanger zelf had afgesproken de factoringovereenkomst op te vragen, maar die nooit heeft ontvangen én niet heeft opgeëist.
- Feitelijk uitstel zonder de rechten veilig te stellen. Het hof kwalificeert de periode tussen 13 september en 1 november 2018 als feitelijk (materieel) verleend uitstel van betaling. In die weken had de ontvanger onverwijld zijn rechten moeten veiligstellen en opnieuw om de relevante boeken en bescheiden — waaronder de factoringovereenkomst — moeten vragen. Had hij dat gedaan, dan was meteen duidelijk geweest dat het pandrecht volstrekt onvoldoende dekking bood, en had hij andere zekerheden kunnen verlangen of tot invordering kunnen overgaan.
- Geen antwoord op de kernvraag. De ontvanger heeft niet gesteld — laat staan aannemelijk gemaakt — dat er géén andere zekerheden te bedingen waren. Daarmee faalt hij in de op hém rustende bewijslast uit HR 11 mei 2012.
De slotsom: de ontvanger heeft onzorgvuldig gehandeld en daarmee zijn bevoegdheid verloren om de transport ondernemer als inlener aansprakelijk te stellen. De beschikking wordt vernietigd. Omdat de aansprakelijkstelling al op dit punt sneuvelt, komt het hof aan de overige verweren (disculpatie, EVRM, hoogte van de aanslagen) niet meer toe.
Noot fiscaal jurist inzake inlenersaansprakelijkheid
De uitspraak past in een vaste, maar in de praktijk vaak onderbelichte lijn. De ontvanger presenteert de inlenersaansprakelijkheid graag als een min of meer automatisch verhaalsrecht, maar dat is het niet. Toetsing van zijn eigen handelen loont — zeker in dossiers waarin:
- de ontvanger al vroeg bij de problemen van de uitlener betrokken was;
- (te) lang is gewacht met invorderingsmaatregelen of feitelijk uitstel is verleend;
- genoegen is genomen met zekerheid waarvan de waarde niet of nauwelijks is onderzocht (denk aan een debiteurenportefeuille die al is verpand, gecedeerd of gefactored);
- de ontvanger derden aanspreekt terwijl hij zijn verhaalspositie jegens de uitlener zélf heeft laten verwateren.
Vergelijkbaar oordeelde eerder rechtspraak in het verlengde de hierboven genoemde arresten van de Hoge Raad uit 2008 en 2012.
Deze uitkomst was ondenkbaar geweest zonder inzage in het dossier van de uitlener. Het onzorgvuldig handelen zit immers verstopt in de invorderingscorrespondentie, de gespreksverslagen en de gemaakte betaalafspraken tussen ontvanger en uitzendbureau — stukken die de inlener niet uit eigen wetenschap kent. De sleutel is die stukken tijdig aan het eigen dossier te laten toevoegen. Daar bestaat een stevige juridische basis voor:
- Artikel 49, lid 6, IW verplicht de ontvanger de aansprakelijkgestelde desgevraagd te informeren over de gegevens met betrekking tot de belasting waarvoor hij aansprakelijk wordt gesteld.
- Artikel 7:4 Awb geeft in de bezwaarfase recht op inzage in alle op de zaak betrekking hebbende stukken.
- Artikel 8:42 Awb verplicht de ontvanger in (hoger) beroep álle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen; doet hij dat niet, dan kan de rechter daaraan op grond van artikel 8:31 Awb de gevolgen verbinden die hem geraden voorkomen — tot vernietiging aan toe.
De Hoge Raad rekent stukken over de hoogte van de aanslag én het invorderingsdossier tot deze categorie wanneer de aansprakelijkgestelde ook de omvang van de schuld of het handelen van de ontvanger betwist (Hoge Raad 26 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1107). Dat het invorderingsdossier van de uitlener bij een betwisting van de zorgplicht "op de zaak betrekking heeft", staat daarmee buiten kijf.
Stappenplan bij een (dreigende) inlenersaansprakelijkheid
- Controleer de formele geldigheid van de beschikking. Is de aansprakelijkgestelde de juiste (inlener/doorlener)? Ziet de aansprakelijkheid alleen op loon- en omzetbelasting (niet op boeten, rente en kosten voor zover niet aan de inlener te wijten, art. 34, lid 1, IW)? Is de beschikking gemotiveerd en tijdig?
- Vraag onmiddellijk het volledige dossier op — zowel de gegevens over de aanslagen (art. 49, lid 6, IW) als het invorderingsdossier van de uitlener (art. 7:4 / 8:42 Awb). Vraag expliciet om de correspondentie, gespreksverslagen, uitstel- en zekerheidsbeschikkingen en beslag-/pandstukken.
- Reconstrueer de tijdlijn van de ontvanger. Wanneer wist de ontvanger van de betalingsproblemen? Welke zekerheden zijn wanneer bedongen? Is er (formeel of feitelijk) uitstel verleend? Zijn invorderingsmaatregelen achterwege gebleven? Het volledige dossier kan hiertoe in ons AI programma worden opgenomen waardoor automatisch een keurige opstelling en analyse wordt gemaakt.
- Toets de zorgplicht. Heeft de ontvanger genoegen genomen met te weinig zekerheid? Is de waarde van de zekerheid (bijv. debiteuren) daadwerkelijk onderzocht? Leg de bewijslast expliciet bij de ontvanger: hij moet aantonen dat méér zekerheid niet te krijgen was.
- Beoordeel de disculpatiemogelijkheden: wettelijke vrijwaring via G-rekening/SNA, disculpatie op grond van art. 34, lid 5, IW ("schone keten"), en vermindering met reeds gestorte of betaalde bedragen (art. 34, lid 3, IW).
- Controleer de hoogte. Klopt de toerekening aan de inleenperiode? Zijn nagekomen baten uit het faillissement in mindering gebracht? Is de aansprakelijkheid beperkt tot de daadwerkelijk door úw personeel gegenereerde schuld?
- Overweeg de formele verweren. Verdedigingsbeginsel, evenredigheidsbeginsel, artikel 1 EP EVRM, en — bij ernstig onzorgvuldig handelen — een verzoek om vergoeding van de werkelijke proceskosten (art. 2, lid 3, Bpb). Let op: de lat voor een integrale kostenvergoeding ligt hoog.
- Maak bezwaar en zeker het inzagerecht. Dien tijdig een gemotiveerd bezwaarschrift in en maak in de bezwaarfase gebruik van het inzagerecht van art. 7:4 Awb — die mogelijkheid heeft u in de beroepsfase niet meer op dezelfde wijze.
- Bekijk of de uitvraag van de verklaring betalingsgedrag een ander licht op de zaak kan werpen
- Beoordeel altijd of sprake is van inlening waarbij leiding en toezicht bij u heeft gelegen (en dus niet bij het uitzendbureau). Hierbij kan wel de ketenaansprakelijkheid een rol spelen!
Hoe kun je inlenersaansprakelijkheid beperken of voorkomen ?
Dit kan het eenvoudigst door
- De uitlener periodiek vragen om recente en originele verklaringen betalingsgedrag van de belastingdienst (zie onderstaand kennisgroep standpunt)
- Een juiste en volledige administratie voeren > matiging aansprakelijkheid (niet voorkomen). Hiertoe indentificatie werknemers vaststellen, het indentiteitsbewijs controleren en persoonsgegevens werknemer vastleggen.
- Een deel van de factuur van de uitlener storten op een zogenaamde G rekening
Checklist vrijwaring en disculpatie inlenersaansprakelijkheid
A. Preventief — vóór en tijdens de inlening (volledige vrijwaring)
- Het uitzendbureau voldoet aan de NEN normen en is opgenomen in het register van de Stichting Normering Arbeid (SNA).
- U stort 25% van het factuurbedrag (inclusief btw) op de G-rekening van het uitzendbureau — of 20% indien de btw naar u is verlegd.
- De factuur voldoet aan de eisen van de Wet OB en vermeldt het nummer/kenmerk van de overeenkomst, het tijdvak en de manuren.
- U voert een sluitende manurenadministratie en kunt de identiteit (en zo nodig verblijfs-/tewerkstellingsvergunning) van elke ingeleende kracht aantonen.
B. Curatief — ná de aansprakelijkstelling (disculpatie / vermindering)
- Vermindering (art. 34, lid 3, IW): breng aan dat via de G-rekening gestorte of anderszins ten behoeve van de belasting betaalde bedragen in mindering zijn gebracht.
- Disculpatie (art. 34, lid 5, IW): onderbouw dat het niet-betalen niet aan u én niet aan (een) andere schakel(s) in de keten te wijten is — de keten moet "schoon" zijn.
- Zorgplicht ontvanger (HR 2008/2012/2015): toets of de ontvanger met te weinig zekerheid genoegen heeft genomen en leg de bewijslast bij hem.
- Op de zaak betrekking hebbende stukken: eis het invorderings- en zekerheidsdossier van de uitlener op (art. 49, lid 6, IW; art. 7:4 / 8:42 Awb).
- Hoogte en toerekening: controleer inleenperiode, nagekomen baten en de aan úw inlening toerekenbare schuld.
- Formele beginselen: verdedigingsbeginsel, evenredigheid, art. 1 EP EVRM, en zo nodig werkelijke proceskosten.
Slotconclusie inzake inlenersaansprakelijkheid door de belastingdienst
De boodschap van deze uitspraak is duidelijk: een inlenersaansprakelijkheid is geen voldongen feit. De ontvanger draagt een bijzondere zorgplicht en de bewijslast dat de uitlener geen (verdere) zekerheid kon bieden. Wie die zorgplicht kritisch toetst — en dáárvoor het dossier van de uitlener tijdig opeist — kan een aansprakelijkstelling van tafel krijgen, ook als de wettelijke vrijwaring of disculpatie op zichzelf niet volledig sluitend is.
Voor de praktijk geldt: handel snel en langs twee sporen tegelijk. Zeker preventief uw vrijwaringspositie (SNA + G-rekening) én toets, zodra een beschikking op de mat valt, onverwijld zowel de formele juistheid als het handelen van de ontvanger. De inzet — vaak tienduizenden tot honderdduizenden euro's — rechtvaardigt die dubbele controle vrijwel altijd.
Zoals uit een uitspraak van het Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 31 december 2020 ECLI:NL:GHSHE:2020:4126) volgt dat de belastingdienst een inlener niet aansprakelijk kan stellen voor de belastingschuld die na de datum van de verklaring betalingsgedrag is ontstaan. De kennisgroep van de belastingdienst heeft deze uitspraak nog eens onder de loep genomen (KG:207:2023:1)
