Kennisgroepstandpunt belastingdienst is geen wetgeving
Het kennisgroepstandpunt als onbedoelde wet
Steeds vaker merken wij in de praktijk dat de belastingdienst bij vooroverleg of bij een boekenonderzoek verwijst naar hun eigen bibliotheek, de standpunten van een kennisgroep (op dit moment meer dan 1.000). Deze standpunten lijken steeds meer een verlengde te worden van wetgeving. Dit maakt het voor de inspecteur en ook de belastingadviseur en belastingplichtige soms nodeloos ingewikkeld. Gelukkig is er nu een motie aangenomen die vraagt om meer ruimte bij de inspecteur.
Rechters doen formeel niks met kennisgroep standpunten
De rechtbank Zeeland West Brabant oordeelde in 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:4081) al dat er niet wordt geoordeeld op grond van kennisgroepstandpunten maar op grond van de wet. Nadeel is dat de inspecteur wel intern is gebonden aan dergelijke standpunten (vaste gedragslijn). Dit is in de praktijk het grootste probleem. Hierdoor ontstaat de merkwaardige situatie dat een mening van een groep deskundigen bij de belastingdienst geen formele wetgeving (en zelf geen beleidsregel) is maar voor de individuele inspecteur in de praktijk toch vrijwel dezelfde bindende werking heeft. De Belastingdienst erkent deze spagaat ook zelf.
Inspecteurs van de belastingdienst moeten - binnen de kaders van de wet en jurisprudentie - de ruimte houden om rekening te houden met de omstandigheden van een individueel geval, dit om altijd tot een redelijke oplossing te komen.
Inleiding: 'sorry, dat staat in een kennisgroepstandpunt'
Kennisgroepen spelen binnen de Belastingdienst een steeds belangrijker rol bij de toepassing en uitleg van belastingwetgeving en jurisprudentie. In deze kennisgroepen wordt kennis over specifieke fiscale onderwerpen gebundeld en besproken en worden standpunten ingenomen over de wijze waarop wetgeving, besluiten of jurisprudentie in een bepaalde situatie moet worden uitgelegd.
In een motie die is aangenomen (motie-Van Eijk/Inge van Dijk (Kamerstukken II 31066, nr. 1568) wordt erop gewezen dat deze kennisgroepen geen wet of formeel beleid zijn (dat weet elke fiscaal jurist al lang). De kamer vraagt de regering daarom om te waarborgen dat kennisgroep standpunten niet onnodig beperkend werken op de beoordelingsruimte van inspecteurs.
Kennisgroepen werken soms tegenstrijdig en geven geen duidelijkheid
De mening bij ons op kantoor is belangrijk maar het is geen wet. De mening van inspecteurs bij de belastingdienst zijn ook geen wetgeving, ook niet als deze worden vastgelegd in een kennisgroepstandpunt en/of op een internetsite worden geplaatst.
Wie regelmatig met de inspecteur aan tafel zit, kent het gesprek. De feiten zijn helder, de uitkomst van het standpunt is in dit geval onredelijk, de inspecteur ziet dat ook. En dan komt het: 'Ik snap uw punt, maar sorry, dat staat in een kennisgroepstandpunt.' Einde gesprek.
Roma locuta, causa finita – Rome heeft gesproken, de zaak is gesloten. Alleen zit Rome in dit geval ergens in Utrecht of Apeldoorn, heeft het de belastingplichtige nooit gehoord en staat zijn woord nergens in het Staatsblad. Een oudere fiscaal jurist, zoals ik zelf, kan hier niet mee leven, we hebben de trias politica (scheiding der machten) niet voor niks in ons DNA opgenomen. Wetgeving loopt langs de tweede kamer, de eerste kamer en komt dan in de staatscourant. Dat is een wet, de rest (zoals besluiten of kennisgroepstandpunten) zijn meningen.
In Twente zeggen we dan: 't is nig anders (het is niet anders). Die berusting is in het dagelijks leven een deugd, maar in de fiscale verhouding tussen burger en overheid is ze een probleem. Dit artikel onderzoekt waarom, wat de motie wel en niet verandert, en hoe u als adviseur met kennisgroepstandpunten omgaat.
Kennisgroepen: van vraagbaak naar gezaghebbende stem
Kennisgroepen zijn interne expertteams van de Belastingdienst, per wet
of onderwerp georganiseerd. Een inspecteur die met een lastige uitlegvraag
zit, legt die aan de kennisgroep voor; het antwoord is een standpunt dat
voor alle vergelijkbare gevallen geldt. Het doel is legitiem: eenheid van
uitvoering, zodat de ene DGA in Enschede niet anders wordt behandeld dan
de andere in Maastricht.
Sinds 2023 worden vastgestelde standpunten gepubliceerd op kennisgroepen.belastingdienst.nl. Dat is winst voor de transparantie, maar het heeft ook het gewicht van de standpunten vergroot. De Belastingdienst schrijft er zelf over, met verwijzing naar de staatssecretaris, dat kennisgroepstandpunten 'dezelfde betekenis hebben als formeel vastgesteld beleid' en dat 'de inspecteur is gehouden dit kennisgroepstandpunt toe te passen' (KG:206:2024:2), tja gekker moet het niet worden!
Een intern advies is een interne instructie geworden, en een interne instructie laat de inspecteur geen ruimte meer. De inspecteur die het standpunt onredelijk vindt, heeft formeel één route: terug naar de kennisgroep. De belastingplichtige heeft er geen: hij is geen partij bij die procedure, wordt niet gehoord en ziet de motivering vaak pas achteraf. Audi alteram partem (hoor ook de andere partij) is hier geen onderdeel van het proces.
Juridische status kennisgroep standpunten : geen wet, wel een vaste gedragslijn
Een kennisgroepstandpunt is geen wet, geen beleidsbesluit en geen beleidsregel in de zin van artikel 1:3 lid 4 Awb. Het is een interne uitleg die, zodra hij consequent wordt toegepast, feitelijk werkt als een vaste gedragslijn. Dat onderscheid klinkt academisch, maar het bepaalt wie zich erop kan beroepen en wie eraan gebonden is.
- De wet gaat voor. Belastingen worden geheven uit kracht van een wet (art. 104 Gw). Een kennisgroepstandpunt kan de wet niet aanvullen of beperken. De rechter toetst aan de wet en geeft het standpunt geen bijzonder gewicht: het is één gezaghebbende uitleg naast literatuur en lagere jurisprudentie. Lex dura, sed lex (de wet is hard, maar het is de wet)? Nee: hier geldt eerder lex, non opinio – de wet, niet een mening. Feitelijk zou een kennisgroepstandpunt dezelfde waarde moeten hebben als een boek of notitie van een gezaghebbende hoogleraar of erg slimme fiscaal jurist.
- Een gunstig standpunt bindt de Belastingdienst. Rechtbank Rotterdam oordeelde dat kennisgroepstandpunten 'materieel dezelfde waarde hebben als formeel vastgesteld beleid': een in beginsel vaste gedragslijn (ECLI:NL:RBROT:2022:6695). De belastingplichtige kan zich dus via het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel op een voor hem gunstig standpunt beroepen, ook als de rechter de wet strenger zou uitleggen.
- Een ongunstig standpunt bindt de belastingplichtige niet. Hij kan het bij de rechter gewoon bestrijden. De rechter is er niet aan gebonden.
- De inspecteur zit er klem tussen. Intern moet hij het standpunt toepassen; extern mag hij de wet niet ongunstiger toepassen dan die luidt. Als het standpunt materieel beleid is, dan hoort daar logischerwijs ook de gedachte van artikel 4:84 Awb bij: een bestuursorgaan handelt volgens zijn beleid, tenzij dat voor een belanghebbende wegens bijzondere omstandigheden onevenredige gevolgen heeft. Wie de lusten van beleid claimt, moet ook de lasten dragen. Of 4:84 Awb op een kennisgroepstandpunt rechtstreeks van toepassing is, is niet uitgekristalliseerd; het principe is in ieder geval sterk.
Kritiek: uniformiteit als eenrichtingsverkeer dat niet verder helpt
Het probleem is niet dát er kennisgroepen zijn, maar hóe hun standpunten in de praktijk doorwerken. Vier punten springen eruit.
- Asymmetrie. Een gunstig standpunt kan de burger inroepen, een ongunstig standpunt moet hij bestrijden tot aan de rechter. Voor een mkb'er of DGA met een belang van enkele duizenden euro's is procederen economisch onhaalbaar. Het standpunt wordt dan feitelijk de eindbeslissing, zonder dat een onafhankelijke rechter er ooit naar heeft gekeken en het standpunt is gebaseerd op de mening van een ambtenaar (en niet van de wetgever).
- Geen hoor en wederhoor. De kennisgroep beslist op basis van de casus zoals de inspecteur die voorlegt. De belastingplichtige kan zijn feiten en argumenten niet zelf inbrengen. Wat binnenkomt als een genuanceerde zaak, komt terug als een algemene regel.
- Verlies van maatwerk. Een standpunt is per definitie abstract. Juist bij DGA's, familiebedrijven en internationale structuren zijn de feiten zelden standaard. Summum ius, summa iniuria: het strengste recht is het grootste onrecht. Een regel die in 95% van de gevallen redelijk uitpakt, kan in de overige 5% onevenredig hard zijn, en daar moet de inspecteur kunnen bijsturen.
- Professionele verschraling. Een inspecteur die geleerd heeft dat zijn oordeel er niet toe doet, stopt met oordelen. Dat is slecht voor de kwaliteit van de uitvoering en voor het vertrouwen van burgers. Het is ook precies het beeld dat na de toeslagenaffaire niet meer zou terugkeren: een systeem dat de regel boven de mens stelt.
In Twente kennen we het begrip noaberschap: burenplicht, naar elkaar
omkijken en samen tot een redelijke oplossing komen. Tussen inspecteur
en belastingplichtige is dat geen romantiek maar een rechtsstatelijke opdracht.
De algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheids-
en evenredigheidsbeginsel (art. 3:2 en 3:4 Awb), vragen om een beoordeling
van het concrete geval.
De tweede motie: eerder schikken, minder doorprocederen
In dezelfde stemmingen is de motie-Oosterhuis/Inge van Dijk aangenomen
(Kamerstukken II 31066, nr. 1572). Die vraagt het kabinet de laagdrempelige
fiscale rechtsbescherming te verbeteren: geschillen vroegtijdig oplossen,
bijvoorbeeld via mediation, en terughoudend zijn met hoger beroep (Taxence).
Motie om eerder te schikken, minder te procederen en via mediaton fiscale conflicten op te lossen
De andere motie gaat nog een stapje verder (motie 29 september 2026). Mediation en een informeel overleg na bezwaar werken alleen als de inspecteur aan tafel iets te bieden heeft. Een inspecteur die gebonden is aan een standpunt, kan niet schikken over precies het punt waar het geschil om draait. Dan is mediation een lege handeling. Wie echt wil dat geschillen niet uitgroeien tot jarenlange procedures, moet de inspecteur dus ook de bevoegdheid en de menselijke ruimte geven om een compromis te sluiten.
De oproep tot terughoudendheid met hoger beroep raakt aan hetzelfde punt. Een Belastingdienst die elke verloren zaak doorprocedeert om een standpunt overeind te houden, maakt van de individuele belastingplichtige een proefkonijn voor rechtsvorming. Voor principiële vragen bestaat inmiddels de prejudiciële procedure (art. 27ga AWR) en het procederen op kosten van de Staat; die instrumenten verdienen de voorkeur boven het uitputten van een individuele burger.
Tegenargumenten: de verdediging van de kennisgroep
Eerlijk is eerlijk: er zijn goede redenen om kennisgroepen niet af te schaffen. De belangrijkste argumenten die wij in ons mooie Enschede kunnen bedenken zijn de volgende:
- Rechtsgelijkheid. Zonder centrale sturing hangt de uitkomst af van de inspecteur die je treft. Dat is willekeur, en willekeur is erger dan een strenge regel.
- Kwaliteit. Een inspecteur heeft niet op elk terrein diepgaande kennis. De kennisgroep bundelt die expertise en voorkomt fouten, ook in het voordeel van belastingplichtigen.
- Voorspelbaarheid. Gepubliceerde standpunten geven adviseurs zekerheid vooraf. Ze zijn bruikbaar bij structurering en bij het onderbouwen van aangifteposities.
- Risico op ongelijke deals. Meer vrijheid voor de inspecteur kan leiden tot maatwerk voor wie de beste adviseur heeft. Dat is ook geen rechtvaardige uitkomst.
Deze argumenten zijn terecht, maar ze pleiten voor kennisgroepen als vraagbaak en richtsnoer, niet als eindstation. De motie vraagt ook niet om afschaffing. Ze vraagt dat standpunten niet onnodig beperkend werken. De oplossing ligt in een afwijkingsbevoegdheid met motivering en registratie, zodat uniformiteit het uitgangspunt blijft en maatwerk de uitzondering, maar wel een echte uitzondering.
Praktische handvatten voor de adviespraktijk en noot fiscaal jurist
Totdat het kabinet de motie uitwerkt, verandert er formeel niets. De inspecteur blijft intern gebonden. Wat kunt u als adviseur nu al doen?
- Onderscheid de feiten. Een standpunt geldt voor 'vergelijkbare gevallen'. Laat met concrete feiten zien waarom uw casus afwijkt. Dat is de snelste route, want dan hoeft de inspecteur niet van het standpunt af te wijken.
- Vraag om voorlegging. Verzoek de inspecteur uw casus met uw argumenten opnieuw aan de kennisgroep voor te leggen. Lever zelf een schriftelijke onderbouwing aan, zodat uw standpunt ongefilterd bij de kennisgroep terechtkomt.
- Beroep op evenredigheid. Stel expliciet dat toepassing in uw geval onevenredig uitpakt (art. 3:4 lid 2 Awb, en naar analogie art. 4:84 Awb). Verwijs naar de motie als uitdrukking van de wens van de Kamer dat maatwerk mogelijk blijft (een motie bindt de rechter niet, maar weegt in het gesprek met de inspecteur).
- Toets het standpunt aan de wet of (nieuwe) jurisprudentie. Een standpunt heeft voor de rechter geen bijzonder gezag. Analyseer of het de wet juist uitlegt. Zo niet, dan is bezwaar en beroep een reële optie.
- Gebruik gunstige standpunten actief. Andersom kunt u uw cliënt beroepen op een gunstig standpunt via het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel, ook als de wettekst minder ruim is.
- Zoek de weg van overleg. Vraag naar mediation of een informeel gesprek in de bezwaarfase. Na de tweede motie is weigeren daarvan lastiger uit te leggen.
- Denk aan proceskosten en prejudiciële vragen. Voor principiële kwesties kan procederen op kosten van de Staat of een prejudiciële vraag (art. 27ga AWR) de kosten voor uw cliënt beperken.
Doe maor gewoon, dan doej al gek genog, zeggen ze in Twente (doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg). Dat geldt ook hier: geen principiële strijd tegen de kennisgroep, wel een goed gedocumenteerd verhaal waarom uw cliënt een ander antwoord verdient.
Een kennisgroepstandpunt is geen wet, maar werkt in de praktijk als een interne wet voor de inspecteur, zonder de waarborgen die bij echte wetgeving horen. De Belastingdienst behandelt het als beleid als dat uitkomt, maar ontneemt de inspecteur de afwijkingsruimte die bij beleid hoort. De motie-Van Eijk/Inge van Dijk legt de vinger op die zere plek. De echte toets komt nu: hoe werkt het kabinet de motie uit? Een geloofwaardige uitwerking bevat ten minste:
- een expliciete afwijkingsbevoegdheid voor de inspecteur bij bijzondere omstandigheden, met motivering;
- de mogelijkheid voor belastingplichtigen om hun argumenten zelf in te brengen bij de kennisgroep;
- een koppeling met de tweede motie, zodat mediation en schikkingen ook
over standpunt-kwesties mogelijk zijn.
Tot die tijd geldt voor de adviseur: neem het standpunt serieus, maar niet heilig. Het laatste woord is aan de wet en de rechter en niet aan iemand die erg slim is en bij de kennisgroep werkt.
