Verhuurdersheffing en servicekosten
De verhuurdersheffing is van toepassing op sociale huurwoningen. Als er ook servicekosten in rekening worden gebracht moet voor de grondslag (huurtoeslag) worden gekeken naar de huurprijs voor enkel het gebruik van de woonruimte, aldus de Hoge Raad.
Nieuws verhuurdersheffing 2022-2023
De verhuurdersheffing wordt volgens het regeerakkoord Rutte IV (bekend geworden in december 2021) afgeschaft. Wanneer de heffing wordt afgeschaft is nog niet bekend, wij verwachten dat de afschaffing in 2022 zal plaatsvinden.
Procedure inzake verhuurdersheffing en servicekosten
De verhuurdersheffing is van toepassing op sociale huurwoningen. De huur moet lager zijn dan de grens voor de huurtoeslag, in casu € 710,68 (2015-2018). In geschil is de gevolgen van servicekosten op de huurnorm. Als de servicekosten worden meegenomen dan zou de huurprijs te hoog zijn, derhalve geen verhuurdersheffing. De Hoge Raad kijkt er redelijk praktisch naar, je moet kijken naar de zuivere huurprijs voor de woonruimte.
Noot fiscaal jurist over verhuurdersheffing en service kosten
Het gaat - aldus ons hoogste rechtscollege - om de kale huur. Stel nu dat u de huur in een jaar hebt verhoogd en dat hiermee de huur boven de huurtoeslaggrens komt, moet u dan nog verhuurdersheffing betalen? De Belastingdienst is van mening ,dat dit wel moet. Dit omdat de WOZ-waarde per 1 januari wordt vastgesteld. Het jaar erop hoeft u dan geen verhuurdersheffing meer betalen.
Voor de verhuurdersheffing geldt het volgende:
- zelfstandige woning: dit is een woning met WOZ-gebruikscode 10 of 11. Dit kunt u opvragen bij de gemeente. Een zelf-standige woning of woonruimte moet u praktisch benaderen (eigen woon/ slaapkamer, eigen keuken, eigen toilet, etc). Kamerverhuur valt hier dus niet onder;
- woning moet bestemd zijn voor verhuur: als een woning niet bestemd is om te worden verhuurd (wordt gesloopt of verkocht) dan is de verhuurdersheffing niet van toepassing.
Hoge Raad over rechtvaardiging verhuurdersheffing
De achtergrond van deze uitspraak ligt in een arrest van de Hoge Raad uit 2018 (ECLI:NL:HR:2018:846). Destijds besliste de Hoge Raad dat de verhuurderheffing voor mede-eigenaren niet mocht worden geheven, omdat dit in strijd was met het discriminatieverbod en het eigendomsrecht. Daardoor hoefden mede-eigenaren in 2019 geen verhuurderheffing te betalen, terwijl volledige eigenaren deze belasting wel verschuldigd waren.
In de nieuwe procedure voerden volledige eigenaren aan dat dit juist leidde tot ongelijke behandeling. De Hoge Raad geeft hen gelijk: voor de verhuurderheffing zijn volledige eigenaren en mede-eigenaren in beginsel vergelijkbare gevallen. Het doel van de verhuurderheffing is immers om eigenaren van gereguleerde huurwoningen te belasten naar verhouding van de waarde van hun vastgoed.
Vervolgens beoordeelt de Hoge Raad of de tijdelijke ongelijke behandeling in 2019 gerechtvaardigd was. Volgens de Hoge Raad mag een tijdelijke ongelijkheid bestaan als de wetgever het probleem binnen een redelijke termijn herstelt. Dat is volgens de Hoge Raad gebeurd. Opvallend is echter dat de reparatiewet pas ongeveer anderhalf jaar na het arrest van 2018 concreet werd aangekondigd en vervolgens in maart 2020 bij de Tweede Kamer werd ingediend. De Hoge Raad vindt deze termijn nog steeds voldoende voortvarend. Daarmee lijkt de Hoge Raad de wetgever relatief veel ruimte te geven om onrechtmatige wetgeving te herstellen.
De Hoge Raad laat daarnaast de verhuurderheffing over de jaren 2020 en 2021 eveneens in stand, zie Hoge Raad d.d. 26 juni 2026 ECLI:NL:HR:2026:804. Daarmee zijn de belangrijkste juridische bezwaren tegen deze belasting definitief verworpen.
Bron verhuurdersheffing en servicekosten
Hoge Raad 2 maart 2018, nr. 17/00527.
