Volg ons op:

U bevindt zich hier : Tips & Tricks Studenten Recht en student Besluit 2002 Staatssecretaris


Twitter Updates

Besluit Staatssecretaris studenten en zieken

Inleiding:
Vragen en antwoorden uitgaven voor kinderopvang, uitgaven voor levensonderhoud van kinderen, buitengewone uitgaven, weekenduitgaven voor gehandicapte kinderen en scholingsuitgaven.

Bron:
Belastingdienst / Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein belastingen op arbeid en vermogen. Besluit van 1 maart 2002, nr. CPP2002/419M. De directeur–generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten. Dit besluit is opnieuw uitgebracht voor de toepassing van de Wet IB 2001 en vormt daarmee een actualisering van de regeling die gold voor de toepassing van de Wet IB 1964, besluit van 7 juli 2000, nr. CPP2000/967M. Voorts is in dit besluit beleid inzake een aantal andere kwesties uiteengezet. Dit besluit treedt in werking met ingang van het belastingjaar 2001.

1. Uitgaven voor kinderopvang (Afdeling 3.10 Wet IB 2001)

1.1.  Inkomsten uit tegenwoordige arbeid
Is aftrek van uitgaven voor kinderopvang mogelijk als de partner van belastingplichtige weliswaar geen inkomsten heeft genoten maar om medische redenen niet beschikbaar is geweest voor de opvang van de kinderen? 

Aftrek van uitgaven is in dit geval niet mogelijk omdat ten aanzien van de partner niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat met tegenwoordige arbeid een bedrag van meer dan € 3.937 (f 8.676) aan winst uit één of meer ondernemingen, loon of resultaat uit één of meer werkzaamheden is genoten of in aanmerking komt voor zelfstandigenaftrek. Aan die voorwaarde wordt overigens nog wel voldaan gedurende de eerste twaalf maanden nadat de partner in verband met arbeidsongeschiktheid of werkloosheid is gestopt met werken (artikel 3.142 Wet IB 2001). Ingevolge artikel 1.7a Wet IB 2001 zijn voorts bepaalde inkomsten gelijkgesteld met inkomsten uit tegenwoordige arbeid.

1.2.  Partner heeft uitsluitend internationaal vrijgesteld inkomen
Is aftrek van uitgaven voor kinderopvang mogelijk als één van de partners uitsluitend inkomsten heeft genoten van een internationale organisatie en uit een van toepassing zijnde internationale regeling voorvloeit dat het vrijgestelde inkomen niet in de Nederlandse belastingheffing mag worden betrokken?

Het gaat om vrijgesteld inkomen waarmee eventueel – afhankelijk van hetgeen daaromtrent is bepaald in de van toepassing zijnde internationale regeling – alleen rekening kan worden gehouden bij de berekening van de belasting over ander inkomen. Dit inkomen behoort niet tot het “loon” in de zin van de Wet IB 2001.

Aftrek van uitgaven voor kinderopvang is daarom niet mogelijk. Zie ook de uitspraak van Hof ’s-Gravenhage van 7 april 2000, nr. 97/0180, V-N 2000/37.12.

1.3.  Kinderopvang bij belastingplichtige thuis
Kunnen de uitgaven voor kinderopvang thuis in aanmerking worden genomen?

Ja, mits voldaan wordt aan de voorwaarden voor aftrek. Daarbij is het vooral van belang dat de opvang plaatsvindt via een bemiddelende instantie (bijvoorbeeld een officiële gastoudercentrale) die aan de wettelijke omschrijving voldoet. Als de kinderopvanger ook andere werkzaamheden verricht zal een splitsing moeten plaatsvinden in de kosten van kinderopvang en de kosten van overige werkzaamheden.

1.4.  Berekening drempel bij kinderopvang voor twee kinderen
Moet de drempel voor aftrek van uitgaven voor kinderopvang worden bepaald voor ieder kind afzonderlijk of is sprake van een totale drempel voor aftrek?

Bij de berekening van de drempel voor uitgaven voor kinderopvang wordt uitgegaan van de totale uitgaven - met inachtneming van de totale maximumaftrek - en de totale drempel voor beide kinderen (Hoge Raad, 14 juli 2000, nr. 34 672, V-N 2000/33.18).

1.5.  Berekening drempel bij kinderopvang in wisselende vorm
Hoe wordt de drempel voor aftrek berekend als de opvang in enig kalenderjaar plaatsvond gedurende 2 maanden voor 2 hele dagen, gedurende 8 maanden voor 4 halve dagen en vervolgens gedurende 2 maanden voor 3 halve dagen?

De berekening van de drempel vindt plaats naar tijdsevenredigheid. Er zijn in dit geval drie verschillende tijdvakken, waarbij voor twee tijdvakken (8 maanden 4 halve dagen en 2 maanden 3 halve dagen) het onderdeel van de tabel “opvang gedurende vijf uur per dag of minder” van toepassing is en voor het tijdvak van 2 maanden het onderdeel van de tabel “opvang gedurende meer dan vijf uur per dag”. Zie art. 21 URIB 2001.

1.6.  Kinderopvang en echtscheiding / kind behoort niet tot het huishouden
Een belastingplichtige doet uitgaven voor kinderopvang. De kinderen behoren tot het huishouden van zijn ex-echtgenote die inkomsten uit tegenwoordige arbeid geniet. Belastingplichtige voldoet aan alle voorwaarden voor aftrek van uitgaven voor kinderopvang. Is aftrek in dit geval mogelijk?

Indien belastingplichtige uitgaven voor kinderopvang in de zin van Afdeling 3.10 Wet IB 2001 doet dan zijn de uitgaven voor hem aftrekbaar. Hij is dan zelf de verplichtingen voor de kinderopvang aangegaan en betaalt de kosten zelf. In de wettekst is geen eis opgenomen dat kinderen tot het huishouden van de betalende ouder moeten horen. Indien belastingplichtige de kosten voor kinderopvang aan de ex-echtgenote betaalt, terwijl deze ex-echtgenote de verplichtingen voor de kinderopvang is aangegaan en de kosten betaalt, is er sprake van alimentatie die voor belastingplichtige aftrekbaar is. De betaling is bij de ex-echtgenote belast als alimentatie, terwijl zij recht heeft (indien aan de voorwaarden is voldaan) op aftrek van uitgaven voor kinderopvang.

2.  Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen tot 30 jaar (Afdeling 6.4 Wet IB 2001)

2.1.  Kinderen
Een belastingplichtige doet uitgaven voor levensonderhoud van een kind van degene met wie hij samenwoont. Komt hij voor aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van kinderen in aanmerking? 

De vraag of een belastingplichtige voor aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van kinderen in aanmerking kan komen voor kinderen van zijn ongehuwde partner kan in principe met “ja” worden beantwoord. Belastingplichtige kan dus wel recht op aftrek hebben (als aan alle voorwaarden is voldaan). Indien echter de ouder met wie belastingplichtige samenwoont voor het kind recht op kinderbijslag heeft is op grond van art. 6.14 Wet IB 2001 een aftrek van uitgaven voor levensonderhoud voor belastingplichtige niet mogelijk.

2.2.  Drukkende uitgaven
Twee gezinnen, bestaande uit vader, moeder en twee kinderen wisselen van vader. Beide vaders claimen voor hun kinderen die bij de ex-echtgenote verblijven uitgaven voor levensonderhoud. Er vinden geen betalingen over en weer plaats omdat, bij wijze van praktische oplossing, de vaders elkaars kinderen onderhouden. De vraag is of de aftrek van uitgaven voor levensonderhoud kan worden verleend.

De kinderen zijn na de scheiding blijven behoren tot de huishouding van de moeder die ook kinderbijslag kan claimen. Als de natuurlijke vader aannemelijk maakt dat hij voor zijn eigen kinderen meer dan € 359 (f 791) per kwartaal uitgeeft dan heeft hij recht op aftrek van uitgaven voor levensonderhoud. In het voorgelegde geval worden echter geen kosten voor de eigen kinderen gemaakt; er bestaat dus geen recht op aftrek.

Indien wel over en weer betalingen plaatsvinden drukt alleen het saldo van de betalingen. Vervolgens moet dan worden bekeken of de norm (van € 359 / f 791 per kwartaal) wordt gehaald (Zie Hof Amsterdam, 30 juni 1994, V-N 1994, blz. 3779).

2.3.  Extra woonlasten
Een belastingplichtige bewoont een kleine flat. Hij heeft in verband met een bezoekregeling regelmatig zijn kinderen te logeren en verhuist hiervoor naar een grotere woning. Belastingplichtige wil het verschil tussen de huur van zijn voormalige flat en de grotere woning rekenen tot de uitgaven voor levensonderhoud van zijn kinderen om te komen tot de onderhoudseis van € 359 (f 791) per kwartaal. Is dit juist?

Huisvestingskosten kunnen in het algemeen niet worden beschouwd als uitgaven voor levensonderhoud van een kind. In veel gevallen zullen ook andere omstandigheden dan de aanwezigheid van kinderen aanleiding geven tot verhuizing. Vergelijk de benadering in de arresten van de Hoge Raad, 30 mei 1962 (BNB1962/192) en Hoge Raad, 25 februari 1976 (BNB1976/214).

Als een belastingplichtige aannemelijk maakt dat de hogere woonlasten alleen in verband met zijn kinderen worden gemaakt kan echter in bepaalde omstandigheden sprake zijn van uitgaven voor levensonderhoud. (Zie Hof Amsterdam 20 juni 1996, BNB1997/229 en V-N 1996, blz. 4046.)

2.4.  Stiefkind en kinderbijslag?
Het gezin van belastingplichtige bestaat, naast hemzelf, uit zijn echtgenote en vier kinderen waarvan twee kinderen uit een eerder huwelijk van de echtgenote. Alle kinderen zijn jonger dan 16 jaar en behoren tot het huishouden. Belastingplichtige claimt voor zijn twee stiefkinderen aftrek uitgaven voor levensonderhoud. Is dat juist?

In art. 6.13 Wet IB 2001 staat kinderen. In art. 2, derde lid, AWR wordt onder kind verstaan een 1e graads bloed- of aanverwant in de neergaande lijn. Een stiefkind is een 1e graads aanverwant in de neergaande lijn. Art. 7, eerste lid, AKW spreekt echter over eigen-, aangehuwde- en pleegkinderen. Omdat onder aangehuwde kinderen ook stiefkinderen worden verstaan is er in de praktijk geen onderscheid. Belastingplichtige heeft dus recht op kinderbijslag zodat geen aftrek uitgaven voor levensonderhoud mogelijk is.

2.5.  AFS-student pleegkind?
Belastingplichtige heeft een (Columbiaans) student van 20 jaar in huis dat in het kader van AFS interculturele programma's (een studentenuitwisselingsprogramma) in Nederland studeert. Hij wil de student aanmerken als pleegkind en claimt uitgaven voor levensonderhoud. Is dit mogelijk?

Een kind wordt als pleegkind beschouwd indien het als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed. In art. 1.4 Wet IB 2001 is bepaald dat onder een kind ook een pleegkind, ook wat betreft bloed- en aanverwantschap, wordt verstaan. Gezien de leeftijd en het tijdelijke karakter van het verblijf wordt in ieder geval niet voldaan aan de opvoedingseis. De band met de ouders blijft in stand. De student is dus geen pleegkind en dus geen kind zoals bedoeld in Afdeling 6.4 Wet IB 2001. Er is daarom geen recht op aftrek van uitgaven voor levensonderhoud. Zie ook Hoge Raad, 18 maart 1998, BNB 1998/138.

2.6.  Levensonderhoud of lening?
Een ouder claimt uitgaven voor levensonderhoud van een kind jonger dan 30 jaar dat door het verstrijken van zowel de prestatiebeurs (in het algemeen 4 jaar) als van de leningsmogelijkheid (3 jaar) in het laatste studiejaar geen recht heeft op studiefinanciering ingevolge de WSF 2000. Kan aftrek van uitgaven voor levensonderhoud worden verleend?

Of aftrek mogelijk is hangt geheel af van de feitelijke situatie (is er feitelijk een lening verstrekt, inkomen en vermogen van kind, welke studierichting, arbeidsmarktomstandigheden en dergelijke). Indien op korte termijn een verbe­tering van de situatie van de ondersteunde optreedt kan het standpunt worden ingenomen dat de ondersteuning in de vorm van een lening kan worden verstrekt (Hof Arnhem, 1 juni 1993, V-N 1993, blz. 2784). De Hoge Raad heeft in het arrest van 6 december 1995 (BNB1996/160) aangegeven dat uitsluitend een toekomstverwachting gebaseerd op het volgen van een studie onvoldoende is om op grond van de mogelijkheid van een lening geen aftrek te verlenen voor uitgaven voor levensonderhoud.

2.7.  Eigen inkomen en vermogen kinderen tot 21 jaar
Op basis van het Burgerlijk Wetboek is een ouder verplicht zijn (stief)kinderen tot 21 jaar te onderhouden. Zijn de uitgaven voor levensonderhoud van kinderen van 18-21 jaar daardoor altijd aftrekbaar (ongeacht inkomen en vermogen van dat kind)?

Het is juist dat op grond van art. 392/397, Boek I van het Burgerlijk Wetboek ouders de verplichting hebben hun kinderen tot de leeftijd van 21 jaar te ondersteunen. De hoogte van de ondersteuning die de ouder op grond van deze bepalingen aan zijn kind moet geven is afhankelijk van de mate van de behoeftigheid van het kind en de draagkracht van de ouder (art. 397, I, BW). Als het kind voldoende middelen heeft om zelf in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien vloeit de eventuele ondersteuning niet voort uit de bepalingen van het BW. In dat geval bestaat er dus geen juridische of morele verplichting tot ondersteuning. De bijdragen in het levensonderhoud van dat kind zijn dan niet aftrekbaar als uitgaven voor levensonderhoud (Hoge Raad 12 maart 1997, V-N 1997, blz. 1388).

2.8.  Ondanks lage bijdrage toch forfaitaire aftrek?
Belastingplichtige ondersteunt een eigen kind (van 18 jaar of ouder, maar jonger dan 30) dat in het buitenland woont met (omgerekend) € 10 (f 22) per week. Voor het kind bestaat geen recht op kinderbijslag en het kind heeft evenmin recht op studiefinanciering of een daarmee vergelijkbare (buitenlandse) regeling. Uit beschikbare gegevens blijkt dat in dat land met het betaalde bedrag geheel in het levensonderhoud kan worden voorzien. De ondersteunde heeft geen andere middelen van bestaan. De per kwartaal betaalde bedragen blijven echter ruim onder het bedrag van € 359 (f 791) van art. 2 URIB 2001. Heeft belastingplichtige dan toch recht op de forfaitaire aftrek?

Omdat in dit geval de bijdrage in het levensonderhoud lager is dan € 359 (f 791) per kwartaal bestaat geen recht op aftrek van uitgaven voor levensonderhoud. Daaraan doet niet af dat belastingplichtige in dit geval het kind geheel onderhoudt. Zie de toelichting op art. 2 URIB 2001, V-N 2001/5.7.

2.9.  Met terugwerkende kracht betaalde alimentatie
Een belastingplichtige voldoet met terugwerkende kracht aan zijn alimentatieverplichtingen jegens zijn kinderen over eerdere jaren. Komt hij voor die jaren alsnog in aanmerking voor uitgaven voor levensonderhoud?

Nee, als in de betreffende jaren niet daadwerkelijk is betaald dan moeten (per definitie) de uitgaven voor het levensonderhoud immers voor rekening van anderen zijn gekomen. In die situatie heeft belastingplichtige “de ondersteunde” niet feitelijk onderhouden en is derhalve geen aftrek mogelijk. De uitgaven kunnen wel in het jaar van betaling worden betrokken in de beoordeling of in dat jaar aan de gestelde onderhoudsvereisten werd voldaan. Uit het verslag van 21 maart 1996 van de Commissie voor de Verzoekschriften uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal blijkt dat ook de Commissie zich daarin kan vinden (Tweede Kamer, vergaderjaar 95-96, 24425, nr. 75, V-N 1996, blz. 1632).

2.10.  Eerste dag kalenderkwartaal
In art. 36, derde lid, URIB 2001 is bepaald dat voor de toepassing van het levensonderhoud van kinderen tot 30 jaar de toestand op de eerste dag van het kalenderkwartaal beslissend is. Moet op die dag aan alle in art. 36 URIB 2001 opgenomen voorwaarden worden voldaan?

Voor wat betreft de leeftijd en de vraag of voor het kind kinderbijslag wordt ontvangen en / of recht bestaat op een vergoeding als bedoeld in art. 6.14, eerste lid, aanhef en onderdeel c, Wet IB 2001 is de eerste dag van het kwartaal beslissend. Ook de mate van onderhoud dient in beginsel per kwartaal te worden beoordeeld. Als de onderhoudsplicht feitelijk het gehele jaar heeft bestaan hoeft evenwel geen betekenis te worden toegekend aan de omstandigheid dat in het ene kwartaal minder en in het andere kwartaal meer is bijgedragen. De hogere kosten in een kalenderkwartaal moeten dan wel betrekking hebben op uitgaven die aan het hele jaar zijn toe te rekenen. Dit betekent dat als op jaarbasis ten minste € 1.436 (f 3.164), ofwel 4 x € 359 / f 791, is bijgedragen, de aftrek over het gehele jaar kan worden verleend.

2.11.  Vooraf betaalde bijdrage levensonderhoud
In het kader van een studentenuitwisselingsprogramma gaat belastingplichtiges zoon in de periode juli 2001 t/m juni 2002 in het buitenland studeren. Belastingplichtige dient vooraf een bijdrage te betalen die strekt tot voorziening in het levensonderhoud van de zoon gedurende de gehele periode. Belastingplichtige of een persoon die tot zijn huishouden behoort, heeft geen recht op kinderbijslag voor zijn zoon. De zoon heeft geen recht op een vergoeding als bedoeld in art. 6.14, eerste lid aanhef en onderdeel c Wet IB 2001. Voor welke kwartalen heeft belastingplichtige recht op aftrek van uitgaven voor levensonderhoud?

In tegenstelling tot de situatie waarin in enig jaar over voorafgaande jaren is betaald, wordt de vooruitbetaalde bijdrage daadwerkelijk gebruikt om te voorzien in het levensonderhoud gedurende de gehele periode. Redelijke wetstoepassing brengt met zich dat dan de bijdrage kan worden toegerekend aan meerdere kwartalen. Belastingplichtige kan daardoor in dat geval voor het 3e en 4e kwartaal 2001 alsmede voor het 1e en 2e kwartaal 2002 in aanmerking komen voor aftrek. Uiteraard moet worden voldaan aan de voorwaarden van Afdeling 6.4 Wet IB 2001. Zie Besluit van 19 december 2000, nr. CPP2000/3038M (Infobulletin 2001/320).

2.12.  Aanvraag studiefinanciering te laat
Een student vraagt na 1 oktober (te laat) studiefinanciering aan. Hij krijgt deze met terugwerkende kracht tot 1 oktober, echter niet de OV-jaarkaart. Zijn vader claimt aftrek van uitgaven voor levensonderhoud, omdat zijn zoon op 1 oktober (peildatum) nog geen studiefinanciering had.

Er bestond recht op studiefinanciering, deze is alleen te laat aangevraagd. Er is ook met terugwerkende kracht studiefinanciering ontvangen (m.u.v. de OV-jaarkaart). Het is niet de bedoeling van de wetgever alsnog aftrek van uitgaven voor levensonderhoud te verlenen als geen gebruik is gemaakt van de wettelijke mogelijkheden. Een uitzondering hierop is de goedkeuring in het Besluit van 11 december 2000, nr. CPP2000/2721M (Infobulletin 2001/132). Indien de ondersteunde geen beroep doet op de ABW is op grond van dit Besluit toch aftrek van uitgaven voor levensonderhoud mogelijk. Deze uitzondering doet zich hier echter niet voor.

2.13.  Prestatiebeurs niet omgezet in een gift. Ouders lossen schuld af
De in het kader van de WSF 2000 toegekende prestatiebeurs aan een student is niet omgezet in een gift en blijft dus een lening. Zijn ouders hebben voor hem in dat studiejaar verschillende kosten betaald en de studieschuld afgelost. Zij claimen aftrek van uitgaven voor levensonderhoud voor het hele kalenderjaar. Is dat juist?

Nee. De zoon heeft in dat studiejaar recht op een prestatiebeurs. Op grond van art. 6.14, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001 worden uitgaven voor levensonderhoud van een kind dan niet in aanmerking genomen.

2.14.  Kinderbijslag te laat aangevraagd
Belastingplichtige claimt aftrek van uitgaven voor levensonderhoud over het eerste kwartaal 2001 voor een werkloos kind van 17 jaar. Omdat de inschrijving bij de arbeidsvoorzieningsorganisatie te laat heeft plaatsgevonden bestaat er voor dit kwartaal geen recht op kinderbijslag. Kan de aftrek worden toegestaan?

Ingevolge de bepalingen van de AKW heeft een verzekerde onder voorwaarden recht op kinderbijslag voor een kind van 16 jaar of ouder maar jonger dan 18 jaar. Dat is onder andere het geval als het kind werkloos is en in belangrijke mate op de kosten van belastingplichtige wordt onderhouden. Van werkloos zijn is, volgens de AKW, pas sprake indien het kind bij de arbeidsvoorzieningsorganisatie als werkzoekende is ingeschreven.

Als het kind niet, of te laat, is ingeschreven bestaat derhalve geen recht op kinderbijslag en is aftrek van uitgaven voor levensonderhoud mogelijk.

2.15.  Co-ouderschap en aftrek uitgaven voor levensonderhoud
Is bij co-ouderschap aftrek van de bijdrage in het levensonderhoud van het kind mogelijk?

Bij fiscaal co-ouderschap wordt het kind op basis van een overeenkomst door beide ouders in gelijke mate verzorgd en onderhouden. Volgens art. 5a van het Samenloopbesluit kinderbijslag - zoals dat artikel sedert 5 oktober 1995 luidt - wordt de kinderbijslag in dat geval gelijk verdeeld over beide ouders, tenzij in de overeenkomst anders is overeengekomen.

Beide ouders hebben daardoor recht op kinderbijslag en beide ouders kunnen ook het recht geldend maken. Dat blijkt uit art 5a van het Samenloopbesluit:

“Indien twee personen op basis van een overeenkomst een kind overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden, zonder met elkaar een gemeenschappelijke huishouding te voeren, wordt, tenzij in de overeenkomst anders is overeengekomen, de kinderbijslag waarop één van deze personen voor dit kind recht heeft, gelijk verdeeld betaald aan deze personen terwijl de kinderbijslag waarop de andere persoon recht heeft, niet wordt uitbetaald.”

Het kan zijn dat de ouders hebben bepaald dat de kinderbijslag voor een bepaald kind slechts aan één van hen dient te worden uitbetaald en dat die afspraak ook is doorgegeven aan de Sociale Verzekeringsbank. In dat geval kan slechts die ouder het recht op kinderbijslag voor dat kind geldend maken. De andere ouder kan dan voor aftrek van uitgaven voor levensonderhoud in aanmerking komen. Zie ook Hoge Raad 1 april 1998, nr. 33.085, V-N 1998/18.7.

2.16.  Aftrek levensonderhoud (klein)kinderen?
Van een gezin met kinderen wordt de moeder voor langere tijd in een verpleeginrichting opgenomen. De grootouders zorgen vanaf juni 2001 voor de kinderen. Vader blijft in de echtelijke woning wonen. Hij heeft een inkomen van € 31.000 (f 68.315) per jaar. In 2001 maken de grootouders kosten voor het inrichten van slaapkamers voor de kinderen ad € 900 (f 1.983) en overige kosten. Voor de inrichting van de slaapkamers claimen zij een aftrek van € 900 (f 1.983). Voor de overige kosten claimen zij de forfaitaire bedragen. Bestaat er voor de grootouders recht op aftrek van uitgaven voor levensonderhoud?

De kleinkinderen zijn in beginsel geen kinderen als bedoeld in Afdeling 6.4 Wet IB 2001. De ondersteuning van de kleinkinderen komt hierdoor niet voor aftrek van uitgaven voor levensonderhoud in aanmerking. Indien er van wordt uitgegaan dat de ondersteuning aan de zoon ten goede komt kan mogelijk recht op aftrek voor de uitgaven voor levensonderhoud bestaan indien de zoon jonger dan 30 jaar is. De behoeftigheid van de zoon moet dan worden onderzocht. Gezien zijn inkomen ligt behoeftigheid niet voor de hand. Indien de zoon wel behoeftig is (bijvoorbeeld door zeer hoge verpleegkosten van zijn echtgenote die niet worden vergoed) dient de gedrongenheid van zijn ouders te worden beoordeeld. Van belang is dan of er andere potentiële ondersteuners zijn of dat het mogelijk is om een lening af te sluiten. Indien de behoeftigheid van de zoon en de gedrongenheid van zijn ouders komt vast te staan bestaat recht op aftrek voor uitgaven voor levensonderhoud tot de forfaitaire bedragen van artikel 36 URIB 2001.

Indien de vader feitelijk niet meer in staat is zijn kinderen op te voeden en te onderhouden kan er voor de grootouders sprake zijn van pleegkinderen. Dan zijn de kleinkinderen op grond van art. 1.4 Wet IB 2001 wel kinderen in de zin van Afdeling 6.4 Wet IB 2001. Ook in deze situatie zal er geen sprake zijn van aftrekbare uitgaven voor levensonderhoud omdat de grootouders dan recht hebben op kinderbijslag.

2.17.  Aftrek van uitgaven voor levensonderhoud en Belgisch Kindergeld
Op welke wijze moet een inwoner van België, die in Nederland werkt, zijn bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van zijn kind berekenen.

Een inwoner van België komt in principe niet voor aftrek van uitgaven voor levensonderhoud in aanmerking. Het ontvangen Belgisch Kindergeld is aan te merken als een naar aard en strekking met de AKW overeenkomende regeling. Op grond van art. 6.14, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 bestaat dan geen recht op aftrek. Het maakt hierbij niet uit of de inwoner van België kiest voor toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplicht (art. 2.5 Wet IB 2001) of hier niet voor kiest.

2.18.  Een kind in een verpleeginrichting
Een 26-jarige woont in een gezinsvervangend tehuis. Van zijn WAO-uitkering mag hij € 180 (f 397) (zak- en kleedgeld) zelf houden. Zijn ouders claimen € 1.080 (f 2.380) voor het halen en brengen en verblijf in het ouderlijk huis in de weekends. Zijn deze kosten aan te merken als uitgaven voor levensonderhoud?

De ouders doen uitgaven ten behoeve van hun zoon. Allereerst dient dan onderzocht te worden of de zoon behoeftig is. Gezien het zak- en kleedgeld is het de vraag of de zoon een deel van de kosten van de weekenden voor zijn rekening kan nemen. Een en ander is afhankelijk van de uitgaven van de zoon ten behoeve van zijn levensonderhoud. Is de zoon behoeftig dan komen de ouders niet voor aftrek van uitgaven voor levensonderhoud in aanmerking omdat hun uitgaven ad € 1.080 (f 2.380) minder dan 4 x € 359 (f 791) (art. 2 URIB 2001) bedragen. Zouden de uitgaven van de ouders € 1.800 (f 3.967) zijn, dan kan er sprake zijn van aftrek van uitgaven voor levensonderhoud indien dit bedrag, verminderd met de voor rekening van de zoon komende uitgaven, hoger is dan het “in belangrijke mate onderhouden” criterium.

2.19.  Eigen vermogen ondersteunde / mogelijkheid aanvraag bijstandsuitkering (leenbijstand)
Een belastingplichtige ondersteunt zijn dochter (jonger dan 30 jaar) met € 1.300 (f 2.865) per maand. De dochter heeft geen inkomen maar is in bezit van een eigen woning met een ruime overwaarde. Omdat zij haar eigen huis “niet wil opeten” kan zij geen bijstandsuitkering krijgen. Zijn de betalingen voor de vader aftrekbaar als uitgaven voor levensonderhoud?

In het algemeen staat eigen vermogen van een ondersteunde de aftrek van uitgaven voor levensonderhoud in de weg. Alleen als er bijzondere om­standigheden zijn die aantasting van het vermogen in de weg staan kan de verstrekker van de uitkering zich moreel verplicht voelen de uitkering te doen. Uit de jurisprudentie blijkt dat een bijzondere omstandigheid niet snel aanwezig wordt geacht. Zie o.a. Hof Den Haag, 27 november 1973 (BNB1974/276), Hof Den Haag, 12 maart 1981 (BNB1982/135) en Hoge Raad, 22 juli 1985 (BNB1985/254).

Een zeer klein vermogen (bijvoorbeeld het vermogen dat ingevolge de Algemene bijstandswet niet behoeft te worden aangesproken) kan buiten beschouwing blijven. Zie Hof Den Bosch 28 april 1997 (FED 1997/893).

2.20.  Levensonderhoud samenwonende dochter
Een vader claimt aftrek van uitgaven voor levensonderhoud omdat hij zijn dochter (jonger dan 30 jaar) ondersteunt. Deze dochter woont samen, haar partner heeft een inkomen van € 32.000 (f 70.519) per jaar. In het samenlevingscontract dat de partners hebben afgesloten is een ondersteuningsclausule opgenomen. Zijn de bijdragen van de vader aftrekbaar als uitgaven voor levensonderhoud?

Het is vaste jurisprudentie dat uitgaven slechts als aftrekbare uitgaven ter voorziening in het levensonderhoud zijn aan te merken als een belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen om zijn kind met een bedrag te ondersteunen. Er moet dus sprake zijn van een morele verplichting. Met name gelet op de hoogte van het inkomen van de partner en de uitdrukkelijk in het contract geregelde ondersteuning jegens elkaar, lijkt dat hier niet het geval te zijn. Dat is anders in de situatie dat de dochter en haar partner een laag gezamenlijk inkomen hebben of als de dochter geen aanspraak kan maken op voorzieningen in het levensonderhoud ten laste van haar partner. In dat geval is wel een morele verplichting bij de ouders aanwezig te achten. Zie ook Hof Amsterdam, 4 maart 1991, V-N 1991, blz. 2083 en Hoge Raad, 11 september 1991 (BNB1991/287).

3.  Buitengewone uitgaven (Afdeling 6.5 Wet IB 2001)

a. Uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling van de belastingplichtige, zijn partner en zijn jonger dan 27-jarige kinderen
3.a.1.  Drukkende kosten
3.a.1.1.  Te laat geclaimd bij ziektekostenverzekeraar
Een belastingplichtige claimt aftrek van buitengewone uitgaven wegens ziekte. Hij heeft de uitgaven niet vergoed gekregen van de ziektekostenverzekering omdat hij de aanvraag te laat heeft ingediend. Zijn de uitgaven aftrekbaar als buitengewone uitgaven?

Hoewel de belastingplichtige de uitgaven wel heeft gedaan is er geen sprake van drukkende uitgaven als bedoeld in art. 6.1, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 als hij (vrijwillig of te laat) afziet van verhaal op derden. De uitgaven zijn niet aftrekbaar. Zie ook Hoge Raad, 20 juni 1979 (BNB1979/252).

3.a.1.2.  Mogelijkheid verstrekking door een derde
Een invalide heeft een rolstoel nodig. De Gemeente kan het benodigde hulpmiddel op grond van de WVG (kosteloos) verstrekken, geheel afgestemd op de lichamelijke toestand van belastingplichtige. Desondanks kiest belastingplichtige ervoor zelf een andersoortige rolstoel aan te schaffen. Is er sprake van drukkende uitgaven?

Aftrek is in beginsel mogelijk, tenzij duidelijk is dat de belastingplichtige puur op grond van zijn persoonlijke voorkeur een eigen rolstoel heeft aangeschaft. Dan is geen sprake van drukkende uitgaven in de zin van art. 6.1, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001.

3.a.1.3.  Uitkering Zvr/ZVO en saldering met uitgaven wegens ziekte
Moet een uitkering ingevolge de Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel (Zvr; v/h ZVO) gesaldeerd worden met de uitgaven wegens ziekte van een bepaald jaar?

Buitengewone uitgaven moeten op de belastingplichtige ‘drukken’. Voor zover voor bepaalde uitgaven een belastingvrije tegemoetkoming wordt verkregen drukken de uitgaven niet. Omdat het tijdvak waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, niet altijd gelijk loopt met het kalenderjaar kan de Zvr-uitkering niet zonder meer aan een bepaald belastingjaar worden toegerekend.

Aan belastingplichtige wordt een specificatie van de uitkering verstrekt, waaruit blijkt voor welke uitgaven en tot welk bedrag een tegemoetkoming is verleend.

3.a.1.4.  Toeslag ex art. 19 Wubo
Moet de toeslag ex art. 19 Wubo (Wet uitkering burgeroorlogsslachtoffers) gesaldeerd worden met de uitgaven wegens ziekte?

Nee. Over de Wubo-toeslag wordt door degene die de uitkering verstrekt op een bijzondere wijze belasting geheven (zogenaamde eindheffing). De toeslag wordt dan niet in het inkomen uit werk en woning begrepen. Niettemin kan de Wubo-gerechtigde de door hem gemaakte ziektekosten in volle omvang in aanmerking nemen bij het bepalen van de buitengewone uitgaven; zie V-N 1999/33.6.

3.a.1.5.  Medisch noodzakelijke behandeling zonder vergoeding
Een belastingplichtige moet een medisch noodzakelijke behandeling ondergaan. Zij staat op de wachtlijst in Nederland. De geschatte wachttijd bedraagt 6 maanden. Zij kiest ervoor de behandeling in Duitsland te ondergaan omdat daar geen wachttijd is. Belastingplichtige komt nu niet in aanmerking voor vergoeding van de kosten door de ziektekostenverzekeraar die zij wel zou hebben gekregen wanneer de behandeling in Nederland zou zijn ondergaan. Komen de niet vergoede kosten voor aftrek in aanmerking?

De behandeling is medisch noodzakelijk. Aangezien voor de behandeling in Duitsland geen recht bestaat op een vergoeding, is sprake van drukkende uitgaven. De niet vergoede kosten komen dus voor aftrek in aanmerking.

3.a.2.  Eigen bijdrage AWBZ: praktische berekening component uitgaven wegens ziekte of invaliditeit
Met ingang van 1997 vallen de meeste bejaardenoorden onder de AWBZ. De AWBZ kent een eigenbijdrageregeling. De eigen bijdrage is gerelateerd aan het inkomen van de verpleegde persoon. De eigen bijdrage kan een component uitgaven wegens ziekte of invaliditeit bevatten. Deze component moet subjectief worden bepaald. Daartoe wordt op de eigen bijdrage een bedrag in mindering gebracht dat overeenkomt met het bedrag dat de verpleegde zich bespaart aan huisvesting en voeding thuis. De belastingplichtigen zullen zelf aannemelijk moeten maken hoe groot het bedrag van de besparing (en dus de component uitgaven wegens ziekte of invaliditeit) in het individuele geval is.

Voor die gevallen waarin belastingplichtigen al langere tijd in een AWBZ-instelling verblijven zal het achterhalen van gegevens voor de berekening van het bedrag van de besparing problemen kunnen opleveren. In een besluit heeft de Staatssecretaris voor die gevallen een praktische regeling vastgesteld. Dit besluit (onder de Wet IB 1964 bekend als het Besluit van 20 maart 1998, nr. DB98/1066, V-N 1998/15.25, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 22 januari 2001, nr. CPP2001/226M, V-N 2001/11.17) gold in eerste instantie alleen voor bejaardenoorden en bevatte gegevens voor de berekening over het jaar 1997. Met ingang van 1998 geldt dit besluit ook voor “andere” AWBZ-instellingen (niet zijnde bejaardenoorden) en ongeacht of belastingplichtigen al langere tijd in die instellingen verblijven. De regeling is daarmee ook van toepassing voor onder andere gehandicapte kinderen en gepensioneerde kloosterlingen die in AWBZ-instellingen zijn opgenomen. In de (herziene) besluiten zijn de gegevens voor 1998, 1999 en 2000 verwerkt. De tabellen in het besluit zijn gebaseerd op Nibud-cijfers. De cijfers zijn gecorrigeerd met de premie ziekenfonds en de ziektekostenverzekering en worden jaarlijks aangepast.

Het besluit is voor de toepassing van de Wet IB 2001 opnieuw uitgebracht in het Besluit van 25 januari 2002, nr. CPP2002/148M (VN2002/8.14)). Daarbij zijn de tabelbedragen mede naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 9 november 2001, nr. 36 331 (V-N 2001/60.15), aangepast.

3.a.3.  Berekening component uitgaven wegens ziekte of invaliditeit in eigen bijdrage AWBZ bij kloosterlingen
Hoe bereken je in het kader van de toepassing van het AWBZ-besluit de besparing bij kloosterlingen?

Hier zijn 2 situaties te onderscheiden.

De eerste is de situatie dat de leden uit hoofde van hun lidmaatschap verplicht zijn hun inkomsten en vermogen aan de orde af te staan. Daartegenover verplicht de orde zich doorgaans om te voorzien in het levensonderhoud van de leden. Een berekening van de component ziektekosten komt dan, op grond van het Besluit van 21 februari 2001, nr. CPP2001/319M (BNB2001/226), alleen aan de orde indien de religieuze orde voor het desbetreffende lid ter zake van het verblijf in een verzorgingstehuis betalingen aan een derde heeft gedaan. Is dat het geval dan moet voor het berekenen van de individuele besparing niet alleen naar de sobere kamer of cel worden gekeken, maar naar het (aan de individuele bewoner toe te rekenen deel van het) geheel van voorzieningen op huisvestings- en voedingsgebied dat aan de voormalige bewoner van het klooster ter beschikking stond. Dit kan bijvoorbeeld door gebruik te maken van het exploitatie-overzicht van het klooster. Als geen individuele berekening kan worden gemaakt, kan uiteraard op de tabellen van het AWBZ-besluit van 25 januari 2002, nr. CPP2002/148M (V-N 2002/8.14), worden teruggevallen.

De tweede is de situatie dat de leden hun inkomsten en vermogen niet afstaan aan de orde. De berekening van de component ziektekosten geschiedt dan volgens de normale regels (bij verblijf in AWBZ-instelling zie het Besluit van 25 januari 2002, nr. CPP2002/148M; bij verblijf in een niet-AWBZ-instelling zie het Besluit van 11 december 2000, nr. CPP2000/2714M (Infobulletin 2001/130). Ook in deze situatie moet voor het berekenen van de individuele besparing niet alleen naar de sobere kamer of cel worden gekeken, maar naar het (aan de individuele bewoner toe te rekenen deel van het) geheel van voorzieningen op huisvestings- en voedingsgebied dat aan de bewoner van het klooster ter beschikking stond. Dit kan bijvoorbeeld door gebruik te maken van het exploitatie-overzicht van het klooster. Als geen individuele berekening kan worden gemaakt, kan uiteraard op de tabellen van het AWBZ-besluit worden teruggevallen.

3.a.4.  Deel servicekosten aftrekbaar als uitgaven wegens ziekte of invaliditeit?
Een belastingplichtige wil een gedeelte van de kosten van verblijf in een serviceflat claimen als buitengewone uitgaven wegens ziekte of invaliditeit (o.a. kosten recreatieruimte, noodzakelijke voorzieningen, alarmering). De serviceflat is geen AWBZ-instelling.

Welke kosten komen dan in aanmerking voor aftrek?

In gevallen waarin belastingplichtigen in een serviceflat verblijven dient te worden bepaald welk gedeelte van de servicekosten als buitengewone uitgaven wegens ziekte of invaliditeit kan worden aangemerkt. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van een door de desbetreffende instelling te verstrekken berekening van die servicekosten, die zien op een aanspraak op verpleging bij ziekte en lichamelijke verzorging. Met name gaat het om de in de servicekosten begrepen salarissen van medisch personeel, het gedeelte van de huisvestingskosten (energie, huur, onderhoud) dat ziet op een zieken- of verpleegafdeling (dus niet de recreatieruimte) en de kosten van medische middelen. Zie het Besluit van 11 december 2000, nr. CPP2000/2714M (Infobulletin 2001/130).

3.a.5.  Eigen bijdrage AWBZ / uitgaven wegens ziekte of invaliditeit / duurzaam gescheiden leven
In het arrest van 27 januari 1993 (BNB1993/112) heeft de Hoge Raad bepaald dat een component uitgaven wegens ziekte of invaliditeit is begrepen in de eigen bijdrage ingevolge de AWBZ, die in AWBZ-instellingen verpleegde belastingplichtigen verschuldigd zijn. Deze component moet langs subjectieve weg worden bepaald door de eigen bijdrage te verminderen met de besparing op kosten van huisvesting en voeding van vóór de opname in de instelling.

Voor verpleegden die recent vanuit de eigen (huur)woning naar de instelling zijn gegaan zal de berekening van de besparing niet al te veel problemen opleveren. Vraag is echter hoe het bedrag van de besparing moet worden vastgesteld indien de verpleegden nooit buiten een instelling hebben gewoond of al langere tijd in een instelling wonen. Daarnaast is het de vraag hoe de besparing berekend wordt als de ene echtgenoot is opgenomen en de andere echtgenoot achterblijft in de woning.

Belastingplichtigen die niet in staat zijn om de besparing op subjectieve wijze aan te tonen, kunnen gebruik maken van de praktische berekening die is opgenomen in het Besluit van 25 januari 2002, nr. CPP2002/148M (V-N 2002/8.14). Voor wat betreft het al dan niet duurzaam gescheiden leven kan daarbij het volgende worden opgemerkt: van duurzaam gescheiden leven is sprake als de beide partners zelfstandig leven en niet meer de wil hebben om een gezamenlijke huishouding te voeren.

In het arrest van 10 februari 1960 heeft de Hoge Raad beslist dat ook sprake is van duurzaam gescheiden leven “als een door beide echtelieden niet gewilde toestand is ingetreden, die een beletsel vormt voor de voortzetting van de echtelijke samenleving” (BNB1960/77).

In de praktijk blijkt dat belastingplichtigen wier partner is opgenomen in een AWBZ-instelling problemen hebben met het standpunt dat zij beoordeeld naar dat criterium duurzaam gescheiden leven. In die gevallen is de ziekte de oorzaak van het feitelijk gescheiden leven. Het blijkt in de praktijk lastig om vast te stellen of beide partners niet toch (gedeeltelijk) een gezamenlijke huishouding voeren. In het Besluit van 20 december 2000, nr. CPP2000/3039M is goedgekeurd dat de Belastingdienst ook in die situatie aansluit bij de wil van de betrokkenen. Voor zover en zolang belastingplichtigen aangeven dat zij niet duurzaam gescheiden leven kan die gedragslijn worden gevolgd en is er daarmee geen sprake van een besparing op woonlasten. Voor de achtergebleven partner lopen de woonlasten immers door.

3.a.6.  Is gebruik tabellen AWBZ-besluit verplicht?
Mag worden afgeweken van de tabellen in het Besluit van 25 januari 2002, nr. CPP2002/148M (V-N 2002/8.14)?

Het gebruik van de tabellen in het besluit is niet verplicht. Het besluit is een praktische tegemoetkoming.

Artikel datum : 25-02-2005 | Artikel laatst gewijzigd : 06-06-2018

© 2018 Jongbloed Fiscaal Juristen