Volg ons op:

U bevindt zich hier : Actueel Besluiten Besluit rijksmonumenten


Twitter Updates

Overdrachtsbelasting. Vrijstelling; diverse onderwerpen

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, Sector brieven & beleidsbesluiten

Besluit van 10 juni 2009, nr. CPP2009/1076M, Stcrt. nr. 106

De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit bevat het beleid over diverse vrijstellingen van overdrachtsbelasting. Het beleid betreffende de

toepassing van de monumentenvrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel p, van de Wet op

belastingen van rechtsverkeer is in dit besluit aangepast. Voor het overige wordt met dit besluit geen

beleidswijziging beoogd. Het besluit van 11 september 2008, nr. CPP2008/355M wordt ingetrokken.

1. Inleiding

Artikel 15, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer bevat de vrijstellingen van

overdrachtsbelasting. In dit besluit is het beleid opgenomen over diverse onderwerpen die in het

genoemde artikel zijn geregeld. Daarbij behoren enkele goedkeuringen op grond van artikel 63 van de

Algemene wet inzake rijksbelastingen. De inspecteur van de Belastingdienst kan de goedkeuringen

toepassen.

Onderdeel 4 van het besluit behandelt het beleid betreffende de toepassing van de

monumentenvrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel

rechtsverkeer. Dit beleid is aangepast naar aanleiding van de uitspraak van het Gerechtshof ’s-

Gravenhage van 1 mei 2009 (Bk-07/00421). Het betreft een voorlopige uitbreiding van de toepassing van

de vrijstelling. In verband met deze aanpassing is een goedkeuring in dit besluit opgenomen.

p, van de Wet op belastingen van

1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen

AWR Algemene wet inzake rijksbelastingen

Monument Onroerende zaak ingeschreven in een van de

ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde

registers van beschermde monumenten

Monumentenrechtspersoon

Rechtspersoon die naar het oordeel van de Minister

van Financiën hoofdzakelijk de instandhouding van

monumenten ten doel heeft

Registers De ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde

registers van beschermde monumenten

Samenwoners Personen die een duurzame samenwoning beogen

en een gemeenschappelijke huishouding voeren

WBR Wet op belastingen van rechtsverkeer

UBBR Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer

2. Verdeling gemeenschap tussen samenwoners

De verkrijging bij een verdeling van een gemeenschap tussen samenwoners is onder voorwaarden

vrijgesteld van overdrachtsbelasting (artikel 15, eerste lid, onderdeel

geldt onder meer dat de gerechtigdheid tot de gemeenschap moet zijn ontstaan door een gezamenlijke

verkrijging, waarbij de ene samenwoner is gerechtigd tot ten minste 40% en de andere tot ten hoogste

60%. Aan deze bandbreedte-eis moet direct bij de eerste gezamenlijke verkrijging zijn voldaan.

De vrijstelling geldt niet alleen voor de verkrijging bij een verdeling van het gezamenlijk verkregen

woonhuis, maar ook voor andere gezamenlijk verkregen onroerende zaken of beperkte rechten daarop.

Het feit dat meer dan twee samenwoners in de onroerende zaak zijn gerechtigd, is geen belemmering

voor de toepassing van de vrijstelling.

g, van de WBR). Als voorwaarde

Voorbeeld

A, B en C zijn vanaf de aanvang samenwoners. A en B zijn elk voor 40% gerechtigd tot de woning en C

voor 20%. Bij het verbreken van de samenwoning delen B en C hun aandeel toe aan A. De verkrijging

door A van het aandeel van B valt onder de vrijstelling. Immers zowel A als B voldeed bij aanvang van

de samenwoning aan de bandbreedte-eis van 40%-60%. Over het aandeel dat A van C verkrijgt is wel

overdrachtsbelasting verschuldigd.

2.1. Tijdstip van gezamenlijke verkrijging

De vrijstelling geldt uitsluitend voor de verkrijging bij verdeling van onroerende zaken die tijdens de

samenwoning gezamenlijk zijn verkregen. Het is mogelijk dat een onroerende zaak of beperkt recht

daarop wordt verkregen in het zicht van de samenwoning. Ik acht het niet altijd gewenst dat in die

situatie overdrachtsbelasting wordt geheven. Daarom keur ik het volgende goed.

Goedkeuring

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR goed dat de vrijstelling ook geldt voor de verkrijging

bij verdeling van onroerende zaken of beperkte rechten daarop, die verkregen zijn in het zicht van de

samenwoning.

Voorwaarden

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

- De onroerende zaak of het beperkte recht daarop is door de latere samenwoners uiterlijk één jaar voor

aanvang van de samenwoning gezamenlijk verkregen.

- De samenwoning is daadwerkelijk tot stand gekomen.

- Aan de overige vereisten van de vrijstelling is voldaan.

Aan het bovenstaande voeg ik het volgende toe. Als een woning in aanbouw wordt verkregen geldt de in

de eerste voorwaarde genoemde termijn van uiterlijk één jaar niet, mits de woning na oplevering

hoofdverblijf van de samenwoners is geworden.

2.2. Verdeling tussen niet-samenwoners

Het is mogelijk dat een relatie tussen twee personen wordt verbroken en een verdeling plaatsvindt. Dit

terwijl de betrokken personen door omstandigheden niet daadwerkelijk tot een samenwoning zijn

gekomen. Hiervan kan sprake zijn bij de aankoop van een woning in aanbouw of van een woning die

eerst ingrijpend moet worden verbouwd. Ik acht het niet altijd gewenst dat in die situaties

overdrachtsbelasting wordt geheven. Daarom keur ik het volgende goed.

Goedkeuring

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR goed dat de vrijstelling ook geldt voor de verkrijging

bij verdeling van onroerende zaken of beperkte rechten daarop, zonder dat de deelgerechtigden hebben

samengewoond.

Voorwaarden

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

- Bewoning en samenwoning waren redelijkerwijs niet mogelijk. In geval van een verbouwing moet

aannemelijk worden gemaakt dat deze dusdanig ingrijpend was, dat bewoning redelijkerwijs gesproken

niet mogelijk was.

- De relatie wordt verbroken voordat de woning wordt opgeleverd of de verbouwing gereed is.

- De woning wordt aan één van de betrokken personen toegedeeld.

- Er wordt aannemelijk gemaakt dat men de intentie had te gaan samenwonen. In geval van een

verbouwing moet aannemelijk worden gemaakt dat men de intentie had binnen een jaar na aankoop van

de woning te gaan samenwonen.

- Aan de overige vereisten van de vrijstelling is voldaan.

Over de eerstgenoemde voorwaarde merk ik nog het volgende op. In geval van een minder ingrijpende

verbouwing heeft men het zelf in de hand om te gaan samenwonen. Als men in dat geval ervoor kiest om

niet te gaan samenwonen, is er geen sprake van een onbillijkheid van overwegende aard.

2.3. Tijdstip van verdeling

De vrijstelling geldt voor de verkrijging bij verdeling tijdens de samenwoning. Veelal echter zal de

verdeling plaatsvinden nadat de samenwoning is beëindigd. Ik acht het niet altijd gewenst dat in die

situatie overdrachtsbelasting wordt geheven. Daarom keur ik het volgende goed

Goedkeuring

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR goed dat de vrijstelling ook geldt voor de verkrijging

bij verdeling van onroerende zaken of beperkte rechten daarop, nadat de samenwoning is beëindigd.

Voorwaarden

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

- De verkrijging vloeit voort uit de verdeling bij de financiële afwikkeling van de samenwoning of

echtscheiding. Dit overeenkomstig de gemaakte afspraken over de verdeling van de gemeenschappelijke

goederen.

- Aan de overige vereisten van de vrijstelling is voldaan.

3. Aanbrengen van zaken

De verkrijging van een zaak die is aangebracht door of in opdracht en voor rekening van de verkrijger of

zijn rechtsopvolger onder algemene titel is vrijgesteld van overdrachtsbelasting (artikel 15, eerste lid,

onderdeel

Bij de toepassing van deze vrijstelling wordt het begrip "aanbrengen" ruim opgevat. Het begrip omvat

naast bouw ook verbouwing, verbetering, beplanting, het bouwrijp maken van grond en ander uitgevoerd

werk.

i, van de WBR).

3.1. Aanbrengen door naamloze- of besloten vennootschap in oprichting

Het ontmoet bij mij geen bezwaar de vrijstelling toe te passen als een naamloze of besloten

vennootschap in oprichting de zaken heeft aangebracht en deze vervolgens verkrijgt. Als voorwaarde

geldt dat de hiermee verband houdende rechtshandelingen na de oprichting worden bekrachtigd

overeenkomstig artikel 2:93 of 2:203 van het Burgerlijk Wetboek.

4. Verkrijging van monumenten

De verkrijging van monumenten door monumentenrechtspersonen is onder voorwaarden vrijgesteld van

overdrachtsbelasting (artikel 15, eerste lid, onderdeel

als de onroerende zaak op het moment van de verkrijging is ingeschreven in één van de ingevolge de

Monumentenwet 1988 vastgestelde registers van beschermde monumenten. De vrijstelling geldt ook

voor de verkrijging van een onverdeeld aandeel of een appartementsrecht in een monument.

p, van de WBR). De monumentenvrijstelling geldt

4.1. Uitspraak Gerechtshof ’s-Gravenhage van 1 mei 2009 (Bk-07/00421)

Het Gerechtshof ‘s-Gravenhage heeft op 1 mei 2009 een uitspraak gedaan over de toepassing van de

genoemde vrijstelling. Het besliste geval betreft een verkrijging van een monument door een natuurlijk

persoon. Het Hof heeft beslist dat verkrijgingen door natuurlijke- en rechtspersonen gelet op de ratio van

de vrijstelling (bevordering van het behoud van monumenten), aangemerkt kunnen worden als gelijke

gevallen. Voor het in de wet gemaakte onderscheid bestaat volgens het Hof onvoldoende

rechtvaardiging. Vervolgens heeft het Hof in het geconstateerde rechtstekort voorzien door de vrijstelling

toe te kennen aan de natuurlijke persoon.

4.2. Uitbreiding monumentenvrijstelling

Ik berust in de genoemde uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage. Bij de toepassing van de

monumentenvrijstelling zal ik de uitspraak van het Gerechtshof in acht nemen. In verband hiermee wordt

het tot op heden gevoerde beleid aangepast. Een en ander wordt hierna nader uiteengezet.

De verruimde toepassing van de vrijstelling heeft een voorlopig karakter. Dit voorlopige karakter is

ingegeven door het feit dat momenteel een evaluatie plaatsvindt van de vrijstelling.

Zoals ik tijdens de behandeling van de Wet van 3 juli 2008 tot wijziging van een aantal belastingwetten

en andere wetten (

van de uitkomsten daarvan bepalen op welke wijze de vrijstelling van overdrachtsbelasting zal worden

vormgegeven.

Stb. 2008, 262) heb aangegeven, zal ik de evaluatie afwachten en mede aan de hand

4.3. Toepassing na uitspraak Gerechtshof ‘s-Gravenhage

De vrijstelling geldt thans uitsluitend voor de verkrijging door monumentenrechtspersonen. Dit vereiste

kan na de genoemde uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage buiten toepassing blijven. Voor de

toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel

voorlopig het volgende goed.

p, van de WBR keur ik daarom

Goedkeuring

Ik keur goed dat de verkrijging van monumenten in de zin van de Monumentenwet 1988 is vrijgesteld van

overdrachtsbelasting, ongeacht of een monument wordt verkregen door een natuurlijk of een

rechtspersoon. De voor een rechtspersoon geldende voorwaarde dat deze hoofdzakelijk de

instandhouding van monumenten ten doel heeft, komt te vervallen.

Het bepaalde in artikel 6, tweede lid, onderdeel

Ik benadruk hierbij dat het bepaalde in artikel 6, eerste lid en tweede lid, aanhef en onderdeel

UBBR onverkort van toepassing blijft.

Ook behoeft een rechtspersoon, voor de toepassing van de vrijstelling, niet meer door de Minister te

worden aangewezen als monumentenrechtspersoon. De mandatering op de voet van artikel 10:3, eerste

lid en artikel 10:5 van de Algemene wet bestuursrecht aan de voorzitter van het managementteam van

de Belastingdienst Oost-Brabant, wordt hierbij ingetrokken.

De goedkeuring geldt met terugwerkende kracht met ingang van 1 mei 2009 tot de datum waarop de

voorziene wijziging van de vrijstelling, opgenomen in artikel 15, eerste lid, onderdeel

werking treedt. Indien op of na 1 mei 2009 voldoening op aangifte heeft plaatsgevonden dan wel een

naheffingsaanslag onherroepelijk is komen vast te staan, zal de inspecteur van de Belastingdienst op

verzoek teruggaaf of vermindering van overdrachtsbelasting verlenen. Er wordt niet teruggekomen op

voldoeningen op aangifte dan wel naheffingsaanslagen die vóór 1 mei 2009 onherroepelijk zijn komen

vast te staan. Aan de vermindering of teruggaaf verbindt de inspecteur het voorbehoud als bedoeld in

onderdeel 5 van dit besluit.

b, van het UBBR kan buiten toepassing worden gelaten.

a, van hetp, van de WBR in

4.4. Verkrijging van een onroerende zaak voordat deze is aangewezen

De vrijstelling geldt uitsluitend voor de verkrijging van monumenten. De vrijstelling geldt derhalve niet als

een onroerende zaak wordt verkregen voordat deze als monument is ingeschreven in de registers

(artikel 6, eerste lid, van het UBBR). Met het oog op het behoud wordt soms al voor de bedoelde

inschrijving een onroerende zaak verkregen. Dit bijvoorbeeld als een dringende restauratie noodzakelijk

is. Ik acht het niet altijd gewenst dat in een dergelijk geval overdrachtsbelasting wordt geheven. Ik keur

daarom het volgende goed.

Goedkeuring

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR goed dat de vrijstelling ook geldt voor de verkrijging

van een onroerende zaak voordat deze als monument is ingeschreven in de registers.

Voorwaarden

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

- De aanvraag tot aanwijzing als monument is gedaan uiterlijk op het moment van de verkrijging.

- De onroerende zaak is binnen tien maanden na de verkrijging als monument ingeschreven in de

registers.

- Er wordt tijdig een aangifte ingediend met daarin een beroep op de vrijstelling. Bij deze aangifte wordt

gevoegd een afschrift van het verzoek tot aanwijzing als monument.

- Aan het vereiste van artikel 6, tweede lid, aanhef en onderdeel

Over de in de bovengenoemde tweede voorwaarde genoemde termijn van tien maanden, merk ik nog het

volgende op. De termijn sluit aan bij het bepaalde in artikel 3, zesde lid, van de Monumentenwet 1988.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beslist binnen tien maanden na ontvangst van een

verzoek om een onroerende zaak aan te wijzen als beschermd monument. Voor zover blijkt dat de in de

tweede voorwaarde genoemde termijn van tien maanden niet wordt gehaald, kan deze termijn op

verzoek worden opgeschort. Het verzoek kan worden gericht aan de inspecteur van de Belastingdienst,

onder opgaaf van de redenen van vertraging. De genoemde inspecteur zal het verzoek honoreren als

aan hem aannemelijk wordt gemaakt dat de bedoelde termijnoverschrijding niet aan de aanvrager kan

worden toegerekend.

a, van het UBBR zal worden voldaan.

5. Voorbehoud aan goedkeuringen

De in dit besluit opgenomen goedkeuringen worden verleend als volgens de wettelijke bepalingen

overdrachtsbelasting verschuldigd is. Door deze wettelijke verschuldigdheid kan de verkrijger bij een

volgende overdracht van de verkregen onroerende zaken, onder omstandigheden, formeel gezien

aanspraak maken op een vermindering van overdrachtsbelasting op grond van artikel 9, vierde lid, of

artikel 13 van de WBR. Voor zover een toekomstige verkrijger een beroep doet op één van de genoemde

bepalingen, vervalt de verleende goedkeuring.

6. Ingetrokken regelingen

Het volgende besluit is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:

- besluit van 11 september 2008, nr. CPP2008/355M.

7. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de

Staatscourant

waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met de dagtekening van het besluit.

In afwijking hiervan treedt onderdeel 4 in werking met terugwerkende kracht tot en met 1 mei 2009.

Dit besluit zal in de

Den Haag, 10 juni 2009.

De staatssecretaris van Financiën,

mr. drs. J.C. de Jager.

Staatscourant worden geplaatst.<]]>
Artikel datum : 18-06-2009 | Artikel laatst gewijzigd : 06-06-2018

© 2018 Jongbloed Fiscaal Juristen