print sitemap zoeken disclaimer contact

U bevindt zich hier :Jongbloed Fiscaal Juristen Banners Fiscale vraag
7174 Fiscale vraag https://www.jongbloed-fiscaaljuristen.nl/contact/e-mail_ons/

Vrijblijvende fiscale vraag?

Belastingtips 2022 voor de DGA en de bv

In 2022 zullen diverse wijzigingen worden doorgevoerd voor de directeur-grootaandeelhouder (DGA) en zijn bv('s). In dit artikel een overzicht. Tevens nemen wij diverse tips voor de DGA op.

Wij controleren uw accountant

Heeft u vragen of wilt u belasting besparen? Neem eens contact met ons op of laat een fiscale scan van uw bedrijf en privé situatie maken. In deze fiscale scan controleren wij uw bedrijf (en privé situatie) op ruim 100 onderdelen. We gaan dus een wedstrijdje aan met uw accountant, wie is er slimmer en weet de fiscale mogelijkheden het beste !

Tarief vennootschapsbelasting 2022

Het tarief voor de Vennootschapsbelasting bedraagt 25%. Dit zal de komende jaren zo blijven. Echter voor winsten tot € 245.000 is het tarief in 2021 lager, namelijk 15%. In 2021 wordt dit nog gunstiger, tot een bedrag van € 395.000 bedraagt het tarief 15%. Heeft u een fiscale eenheid voor de Vennootschapsbelasting en winsten boven de € 395.000? Neem dan eens contact met ons op, via een eenvoudige route kunnen wij voor u tienduizende euro's besparen.

Verliesverrekening in de bv in 2022

Verliezen in de bv zijn verrekenbaar met winsten van het vorige jaar en de winsten over de komende 6 jaren. De termijn van 6 jaren komt te vervallen, verliezen zijn dus onbeperkt in de toekomst verrekenbaar. Tevens komt er een minder gunstige regeling. Verliezen tot € 1.000.000 zijn altijd te verrekenen, maar hierboven is nog maar 50% verrekenbaar.

Rekening-courant van de DGA in 2023

Er is een wetsvoorstel (excessief lenen) in de maak. De kern van dit voorstel is dat de DGA vanaf 2023 nog maximaal € 500.000 van zijn bv mag lenen. Lees voor meer informatie onderstaande artikelen. Er is veel kritiek op dit voorstel en de invoering is nog niet zeker.

Verrekening dividendbelasting met vennootschapsbelasting beperkt

Verrekening van dividendbelasting (en kansspelbelasting) met de vennootschapsbelasting wordt beperkt (oorzaak Sofia arrest). Op dit moment kunnen bv's (rechtspersonen) de betaalde dividendbelasting verrekenen met de te betalen vennootschapsbelasting. Wordt er verlies gemaakt in de bv, dan wordt de betaalde dividendbelasting aan de bv terugbetaald. Buitenlandse VPB-plichtigen krijgen de betaalde dividendbelasting niet terug. Dit kan volgens de EU niet door de spreekwoordelijke EU-beugel. Waarschijnlijk wordt de verliessituatie dus anders in de wet opgenomen. Bij verlies krijgt een Nederlandse bv de betaalde dividendbelasting niet meer terug van de Belastingdienst.

Diverse belastingtips 2022 voor de DGA

Als DGA zijn er vele mogelijkheden om belasting te besparen, denk eens aan:

  1. Belastingvrije bedrijfsopvolging
  2. Beperken bijtelling auto van de zaak bij meerdere auto's
  3. Belonen van kinderen en uw partner
  4. Voorkomen verliesverdamping
  5. Terugkeer uit de bv of eenmanszaak naast uw bv
  6. Fiscaal voordelig lenen van uw bv
  7. Eigen woning hypotheek of familiebank via uw bv
  8. Voorzieningen in uw bv voor uw bedrijfspand
  9. Sneller afschrijven van huurdersinvesteringen of materiële vaste activa
  10. Fiscale voordelen door innovatie

Fiscale vragen of fiscale scan

Heeft u vragen of wilt u een keer een fiscale APK van uw bedrijf? Neem dan gerust contact met ons op.

Belastingtips 2022 voor DGA en bv [news] 7213

Excessief lenen: emigratie en immigratie

In dit artikel, behorend bij onze reeks over het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap, gaan wij nader in op de gevolgen van dit wetsvoorstel voor aanmerkelijkbelanghouders (AB-houders) die emigreren of immigreren. Onderaan dit artikel, maar ook links in het menu, treft u snelkoppelingen naar de andere artikelen in deze reeks.

Excessief lenen bij de eigen vennootschap op hoofdlijnen

Wij brengen hier eerst het doel en de strekking van het wetsvoorstel in herinnering. Als gevolg van het wetsvoorstel bestaat er straks een fictief voordeel voor de situatie waarin een AB-houder, zijn partner of een met hem verbonden persoon een te grote schuld heeft uitstaan bij de vennootschap waarin het aanmerkelijk belang wordt gehouden. Indien de totale schuldsom meer bedraagt dan – als startdrempelbedrag - € 500.000, dan wordt het meerdere geacht inkomen uit aanmerkelijk belang te vormen. Dat leidt tot belastingheffing in box 2. Het box 2 tarief in 2021 bedraagt 26,9%.

Fiscale problematiek bij emigratie / immigratie AB-houders

Aanmerkelijkbelanghouders dienen bij emigratie of immigratie altijd rekening te houden met de fiscale aspecten. Bij emigratie is het zo dat sprake is van een fictieve vervreemding. Dat betekent dat over de vervreemdingswinst, die niet ‘echt’ wordt genoten, afgerekend moet worden met de Belastingdienst. Voor dit inkomen wordt een conserverende aanslag opgelegd. In tegenstelling tot wat vroeger het geval was, wordt deze conserverende aanslag niet na 10 jaar kwijtgescholden. Voor een conserverende aanslag kan uitstel van betaling worden verleend, afhankelijk van de omstandigheden kan dit zelfs renteloos zijn.

Bij immigratie geldt dat de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang moet worden vastgesteld. Indien sprake is van een vennootschap die naar Nederlands recht is opgericht of indien de immigrant eerder in Nederland heeft gewoond, zal de verkrijgingsprijs worden gesteld op de historische verkrijgingsprijs.

Excessief lenen en emigratie AB-houder

Ook bij excessief lenen heeft emigratie gevolgen voor de AB-houder. Wij beschreven hiervoor dat een fictief vervreemdingsvoordeel in aanmerking wordt genomen. Anders gezegd: er wordt gedaan alsof u de aandelen verkoopt. Indien u in het verleden geconfronteerd bent met een fictief regulier voordeel als gevolg van een te grote schuldsom, dan mag u een negatief fictief regulier voordeel in aanmerking nemen. Zoals uitgebreider uitgelegd in het artikel over het wetsvoorstel, is het negatief fictief regulier voordeel de tegenhanger van de box 2 heffing die u voldoet omdat u een te groot schuldbedrag heeft. Door deze systematiek wordt dubbele belastingheffing voorkomen. Hierna volgt een voorbeeld ter verduidelijking.

Een AB-houder heeft een schuld van € 750.000 aan zijn bv. Het bedrag dat de drempel van € 500.000 te boven gaat, wordt als regulier voordeel in aanmerking genomen. Dat bedrag bedraagt € 250.000. Het maximumbedrag (de drempel) bedraagt na deze gebeurtenissen € 750.000.

De AB-houder gaat later emigreren. De waarde van zijn aandelen in de bv bedraagt op dat moment € 1.100.000. De verkrijgingsprijs van de aandelen wordt gesteld op € 200.000. Het vervreemdingsvoordeel (fictief) wordt altijd gesteld op de waarde in het economisch verkeer – de verkrijgingsprijs. Het vervreemdingsvoordeel bedraagt derhalve € 900.000.

Op grond van dit wetsvoorstel wordt het vervreemdingsvoordeel vervolgens nog verminderd. Deze vermindering bedraagt het eerder in aanmerking genomen regulier voordeel (fictief) als gevolg van het excessief lenen. Dit voordeel bedroeg € 250.000. Deze € 250.000 komt dus in mindering op het vervreemdingsvoordeel van € 900.000.

Er volgt in dit voorbeeld dan een conserverende aanslag voor een vervreemdingsvoordeel van (per saldo) € 650.000, hetgeen resulteert in een aanslag van (naar huidig tarief van 26,9%) € 174.850.

Waardemutaties op de schuld in het jaar van de emigratie hebben geen effect op de uitkomst indien die voor de emigratie plaatsvinden.

Bij een conserverende aanslag horen altijd spelregels. Standaard is de regel dat de conserverende aanslag wordt beëindigd (en dus belasting wordt geheven), zodra u over het inkomen in Nederland belasting bent verschuldigd. Met de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel komt er een spelregel bij. Het uitstel van betaling wordt eveneens beëindigd voor zover bovenmatige schulden ontstaan of toenemen na de emigratie van de AB-houder. Net als wanneer u in Nederland was blijven wonen, bent u dan belasting verschuldigd over een fictief regulier voordeel. Hierna volgt een voorbeeld.

Een AB-houder heeft een schuld van € 750.000 bij zijn bv. Hij heeft hierover al eens een regulier fictief voordeel van € 250.000 voldaan, dus zijn maximumbedrag is ook € 750.000. Later emigreert de AB-houder. Ervan uitgaande dat het fictieve vervreemdingsvoordeel € 800.000 bedraagt, wordt de conserverende aanslag vastgesteld met een box 2 inkomen van € 550.000 (€ 800.000 - € 250.000). De belastingheffing hierover bedraagt, uitgaande van het huidige percentage van 26,9%, € 147.950.

In het jaar na de emigratie besluit de AB-houder nog eens € 50.000 te lenen van zijn vennootschap. Zijn totale lening bedraagt dan € 800.000. Het uitstel van betaling wordt nu ingetrokken voor een bedrag van € 50.000 * het AB-tarief (26,9%), hetgeen betekent dat een bedrag van € 13.450 moet worden voldaan. Wij merken volledigheidshalve op dat dit voorbeeld is geschreven zonder aandacht voor verdragstoepassing.

Uitzondering excessief lenen en emigratie AB-houder

Het kan voorkomen dat u na emigratie dividend uitkeert, juist bedoeld om die excessieve schuld af te lossen. Zonder nadere regels wordt echter bij het uitkeren van dividend, voor een deel van de conserverende aanslag het uitstel van betaling ingetrokken. Indien u als AB-houder aannemelijk kunt maken dat het totaal aan schulden is afgenomen ten opzichte van het vorige jaar, dan kan beëindiging van het uitstel achterwege blijven. Deze uitzondering geldt slechts voor zover in een nationale situatie een negatief fictief regulier voordeel in aanmerking genomen zou kunnen worden.

Excessief lenen en immigratie AB-houder

Ook bij excessief lenen heeft immigratie voor een AB-houder fiscale gevolgen. Vanaf het moment dat de persoon in Nederland gaat wonen, valt hij immers onder de Nederlandse fiscale verplichtingen en daar hoort het box 2 regime bij. Nederland wenst zich daarnaast in te spannen om immigratie zo min mogelijk te laten belemmeren door fiscaliteit. Het maximumbedrag van de schuldsom (de drempel) wordt daarom gesteld op het op dat moment aanwezige schuldbedrag van de AB-houder (en de aan hem toegerekende schulden van bijvoorbeeld een partner). De ondergrens daarbij bedraagt de bekende € 500.000. Hiermee wordt dubbele belastingheffing vermeden.

Zetelverplaatsing vennootschap en excessief lenen

Wat zich ook voor kan doen, is dat de vennootschap de werkelijke leiding verplaatst. Ook dit wordt aangemerkt als een fictieve vervreemding waarvoor een conserverende aanslag wordt opgelegd. De grondslag voor deze conserverende aanslag kan echter worden verlaagd met het bedrag dat als negatief fictief regulier voordeel in aanmerking genomen zou zijn genomen, indien de AB-houder de leiding niet had verplaatst en de schulden had afgelost. Hiermee wordt dubbele belastingheffing voorkomen. Indien een buitenlands belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft in meerdere vennootschappen, vindt deze regel pas toepassing zodra de laatste van de vennootschappen Nederland verlaat. Dit is anders ingeval van fictieve vestiging, waarop wij in dit artikel niet nader ingaan. Een voorbeeld ter verduidelijking.

De AB-houder is buitenlands belastingplichtig. De vennootschap is in Nederland gevestigd. De AB-houder leent € 700.000, hetgeen meer is dan de startdrempel van € 500.000. Een bedrag van € 200.000 wordt als fictief regulier voordeel in aanmerking genomen en het maximumbedrag wordt verhoogd naar € 700.000.

De vennootschap verplaatst later de werkelijke leiding naar het buitenland. Dat is een fictieve vervreemding en dus volgt een conserverende aanslag. Stel dat de waarde van de aandelen € 1.000.000 bedraagt en de verkrijgingsprijs € 100.000, dan bedraagt het vervreemdingsvoordeel € 900.000.

Dit bedrag wordt nog verminderd met het bedrag met € 200.000, waardoor de conserverende aanslag wordt berekend over een box 2 inkomen van € 700.000.

Fiscaal jurist over excessief lenen en emigratie / immigratie

Emigratie en immigratie zijn fiscaal altijd ingewikkelde onderwerpen. Met name als er sprake is van bijvoorbeeld diverse pensioenpotjes, aandelen in vennootschappen en / of een eigen onderneming, kan er veel geregeld moeten worden. De invoering van het wetsvoorstel excessief lenen maakt dat er weer een onderwerp bijkomt waar bij emigratie – in dit geval van een aanmerkelijkbelanghouder – rekening mee moet worden gehouden. Dat geldt overigens ook bij immigratie of remigratie. Het geheel aan regels bij het verlaten en / of terugkeren naar Nederland wordt er daarmee niet eenvoudiger op.

Het verplaatsen van de zetel van een vennootschap kan eveneens gevolgen hebben. Accountants en adviseurs zullen daarom scherp moeten zijn op het beoordelen van schuldverhoudingen in grensoverschrijdende situaties, indien deze schulden zijn aangegaan ten behoeve van de DGA, zijn partner of een verbonden persoon. Aangezien deze personen niet altijd dezelfde achternaam hebben, is het van belang om steeds en tijdig de juiste vragen te stellen. Vragen hierover? Neem dan gerust eens contact op met één van de auteurs van dit artikel.

Excessief lenen bij emigratie en immigratie [news] 2021-07-23 0000-00-00 0000-00-00 7096

Beantwoording vragen wet excessief lenen bij de eigen vennootschap (1)

In dit artikel, behorend bij onze reeks over het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap, gaan wij nader in op de uitgebreide beantwoording van vragen die zijn opgekomen naar aanleiding van het wetsvoorstel. Onderaan dit artikel, maar ook links in het menu, treft u snelkoppelingen naar de andere artikelen in deze reeks. 

Op 18 december 2020 is deze beantwoording gepubliceerd. Het complete document telt bijna 60 pagina’s. Wij volstaan in dit artikel met het beschrijven van verduidelijkingen en / of opmerkelijkheden.

U leest hier meer over de werking van dit wetsvoorstel in het algemeen.

Excessief lenen bij de eigen vennootschap op hoofdlijnen 

Wij brengen op deze plaats eerst het doel en de strekking van het wetsvoorstel in herinnering. Als gevolg van het wetsvoorstel bestaat er straks een fictief voordeel voor de situatie waarin een aanmerkelijkbelanghouder, zijn partner of een met hem verbonden persoon een te grote schuld heeft uitstaan bij de vennootschap waarin het aanmerkelijk belang wordt gehouden. Indien de totale schuldsom meer bedraagt dan – als startdrempelbedrag - € 500.000, dan wordt het meerdere geacht inkomen uit aanmerkelijk belang te vormen. Dat leidt tot belastingheffing in box 2. Het box 2 tarief in 2021 bedraagt 26,9%. Met deze wet probeert de wetgever een fiscaalrechtelijke oplossing te creëren voor het tegengaan van belastinguitstel en -afstel dat zich voordoet bij excessief lenen van de eigen vennootschap. Ter illustratie het volgende voorbeeld. Belastingafstel doet zich voor indien een aanmerkelijkbelanghouder niet in staat is de belasting te betalen over de vordering die de vennootschap op hem heeft. Dit doet zich vaak voor als de onderneming failliet gaat. Er zijn dan eenvoudigweg geen middelen meer om de belastingschuld af te lossen. Met dit voorstel wordt de heffing van naar voren gehaald in de tijd, zodat uitstel en afstel zich niet (of in mindere mate) voordoen.

Wij gaan hierna in op de beantwoording van vragen uit de Tweede Kamer. Daarbij komen achtereenvolgens de volgende onderwerpen aan bod:

  • Anticipatiegedrag;
  • Tegenbewijsregeling;
  • De uitgezonderde eigenwoningschuld;
  • Reikwijdte van de maatregel / anti-ontgaan;
  • Bestaande afspraken met de Belastingdienst;
  • Herkwalificatie van leningen;
  • Schulden van de partner en verbonden personen;
  • Dubbele heffing voorkomen;
  • Emigratie;
  • Overgangsrecht.

Anticipatiegedrag en excessief lenen

De wet excessief lenen is jaren geleden al aangekondigd. Dat maakt dat het voor belastingplichtigen mogelijk is om te anticiperen op de inwerkingtreding. Dat is volgens de wetgever ook gebeurd. Uit de aangiften inkomstenbelasting over het jaar 2019 blijkt dat er meer dividend is uitgekeerd. Dat zal enerzijds komen door de aankondiging van deze maatregel en anderzijds door de tariefverhoging voor box 2 per 2020 en 2021. In 2019 bedroeg het tarief voor de laatste keer 25%. In 2020 was het tarief 26,25% en per 2021 gaat het over 26,9%. De wetgever heeft niet in beeld hoeveel van de extra dividenduitkeringen zijn benut om schulden aan de eigen vennootschap af te lossen.

Tegenbewijsregeling en excessief lenen

Al vanaf het moment dat deze wetgeving werd aangekondigd, is gesproken over mogelijke alternatieven. Een veelgehoord argument is dat deze wetgeving kan leiden tot overkill. Immers, ook leningen die volledig zakelijk en goed aflosbaar zijn, worden in deze heffing betrokken. Een oplossing die regelmatig is voorgesteld, is het opnemen van een zogenaamde tegenbewijsregeling. Het is dan mogelijk om onderscheid te maken naar soorten leningen. De wetgever wil hier echter niet aan beginnen. Gelet op het doel van de wetgeving. is het verantwoord - in de ogen van de wetgever – om in principe alle schuldverhoudingen in de heffing te betrekken. Daarnaast leidt zo'n tegenbewijsregeling tot uitvoeringscomplexiteit voor de Belastingdienst. Een argument dat de afgelopen jaren overigens vaker uit de kast wordt gehaald om maatwerk tegen te gaan, zo valt ons op. Een tegenbewijsregeling of verzachting van de mogelijk harde uitwerking van deze wetgeving lijkt vooralsnog echter niet tot de mogelijkheden te behoren.

De eigenwoningschuld en excessief lenen

Zoals bekend is de eigenwoningschuld uitgezonderd van het wetsvoorstel excessief lenen. Nu kan zich echter een bijzonderheid voordoen. In Nederland zijn er veel mensen bij wie niet de gehele geldlening voor de eigen woning als eigenwoningschuld kwalificeert. Dat kan bijvoorbeeld komen doordat er een eigenwoningreserve is. Het gevolg is dan dat een deel van de geldlening in box 1 zit als eigenwoningschuld en de rest van de geldlening in box 3. Het deel dat in box 3 valt kwalificeert niet als eigenwoningschuld in de zin van de eigenwoningregeling.

Uitsluitend een eigenwoningschuld in de zin van box 1 kan voor de nieuwe wetgeving kwalificeren als een eigenwoningschuld die is uitgezonderd van de wetgeving inzake excessief lenen. Daarnaast dient een hypothecair zekerheidsrecht te zijn gevestigd. Het is dus belangrijk hier goed naar te kijken voordat een omvangrijke geldlening wordt aangegaan bij de eigen vennootschap.

Reikwijdte wet excessief lenen

Nieuwe maatregelen leiden vaak tot creatief gedrag waarmee de beoogde gevolgen door belastingplichtigen worden ontweken. Het is daarom niet vreemd dat in de Kamer direct wordt gevraagd of de wetgever hiermee rekening heeft gehouden. Dat is volgens de wetgever het geval. Zo is opgenomen dat leningen die rechtens dan wel in feite direct of indirect of via een verbonden persoon zijn verstrekt, ook onder deze wetgeving zullen vallen. Gezien de vorige zinsnede zullen ook zogenaamde back-to-back situaties onder de maatregel vallen. Dat zijn situaties waarin schuldverhoudingen zo worden gestructureerd, dat niet van een letterlijke maar wel van een feitelijke samenhang kan worden gesproken. De wetgever haalt het volgende voorbeeld aan. Een belastingplichtige die geld leent bij een bank, waarbij de eigen vennootschap zich op alle punten garant stelt. Een ander voorbeeld is het aangaan van een deposito bij de bank door de eigen vennootschap, waarna het geld wordt geleend – onder nagenoeg dezelfde voorwaarden – aan de belastingplichtige.

Een andere situatie die is geschetst, is de zogenaamde kruislening. Aanmerkelijkbelanghouders die niet kwalificeren als partners of verbonden personen van elkaar, gaan elkaar dan grote sommen geld lenen. Dat valt echter niet direct binnen de kaders van deze wetgeving, omdat geen sprake is van een lening aan de aanmerkelijkbelanghouder, de partner daarvan of een verbonden persoon. De aanmerkelijkbelanghouders zijn immers niet met elkaar verbonden. De wetgever meent dit op te kunnen vangen door een beroep te doen op het feit dat rechtens dan wel in feite direct of indirect geld wordt geleend. Wij voorzien op dit onderdeel voor de periode na inwerkingtreding veel discussies met de Belastingdienst.

Bestaande afspraken over lening bij eigen vennootschap

Veel belastingplichtigen hebben de afgelopen jaren afspraken gemaakt met de Belastingdienst over de schuld aan de eigen vennootschap. Over het algemeen betreft het afspraken over de hoogte van de rente en de omvang van de aflossingen. In vrijwel alle overeenkomsten met de Belastingdienst is opgenomen dat de afspraak kan vervallen bij een relevante wetswijziging. Daarvan is hoogstwaarschijnlijk sprake. De kans bestaat – en is volgens ons zelfs aanzienlijk – dat dan alsnog belastingheffing plaats zal vinden. Reken u dus niet rijk indien u nu een passende afspraak heeft liggen.

Herkwalificatie en excessief lenen bij eigen vennootschap

De Belastingdienst neemt regelmatig het standpunt in dat een geldlening eigenlijk een verkapte winstuitdeling is. Daarover kan vervolgens een discussie worden gevoerd. Indien de Belastingdienst in het gelijk wordt gesteld, zal zich iets bijzonders voordoen. Er is dan namelijk een geldlening die onder dit wetsvoorstel valt, maar aan de andere kant ook een winstuitdeling die eveneens in box 2 valt. Dat leidt zonder nadere maatregelen tot dubbele belastingheffing. Voor deze situatie is in de wet een uitzondering opgenomen die deze dubbele belastingheffing voorkomt.

Schulden van de partner en verbonden personen bij de eigen vennootschap

Niet alleen de schulden van de belastingplichtige die het aanmerkelijk belang houdt, maar ook de schulden van de partner en verbonden personen tellen mee. De belastingplichtige en zijn partner worden voor één gezamenlijk plafond van € 500.000 met rust gelaten. De reden dat er niet sprake is van een persoonsgebonden niveau, is het voorkoming van de uitholling van de grondslag door eenvoudigweg geld aan de partner uit te gaan lenen.

Indien sprake is van een fiscaal partner, kan gebruik worden gemaakt van het schuiven met gemeenschappelijke inkomensbestanddelen. Het fictief regulier voordeel behoort hier namelijk toe. De belastingplichtige en zijn partner kunnen dus samen kiezen aan wie het voordeel wordt toegerekend. Voor de hoogte van de heffing kan dit forse gevolgen hebben, dus denk hier goed over na of laat u goed adviseren. Indien geen keuze wordt gemaakt, wordt het inkomensbestanddeel aan ieder voor de helft toegerekend.

Ook de regels over verbonden personen roepen veel vragen op. Daarbij geldt als hoofdlijn het volgende. Tot de groep van verbonden personen behoren bloed- en aanverwanten in de rechte lijn van de belastingplichtige of zijn partner. Voor schulden die een verbonden persoon rechtens dan wel in feite direct of indirect heeft aan de vennootschap van de aanmerkelijkbelanghouder, geldt dat deze worden toegerekend aan de aanmerkelijkbelanghouder indien het bedrag hoger is dan het maximum. Een lening via de verbonden persoon, voor de aanmerkelijkbelanghouder, wordt aan de aanmerkelijkbelanghouder toegerekend. Dit geldt indien de verbonden persoon zelf geen aanmerkelijk belang in die vennootschap heeft. Heeft de verbonden persoon echter zelf een aanmerkelijk belang, dan is de regeling van toepassing op de verbonden persoon zelf en wordt gekeken naar de eigen schuld aan de vennootschap en het maximum bedrag.

Stel dat er sprake is van drie verbonden personen. Uit de toelichting van de wetgever komt naar voren dat het mogelijk is om aan alle drie een lening te verstrekken van € 499.000, zonder dat belastingheffing op grond van deze wetgeving plaatsvindt. Het is dan niet mogelijk om het geld weer door te lenen aan de aanmerkelijkbelanghouder zelf; dat wordt opgevangen door de back-to-back bestrijding. Uiteraard staan de Belastingdienst nog wel de gebruikelijke middelen zoals herkwalificatie en de onzakelijkheid van de lening ter beschikking om dergelijke transacties te bestrijden.

Voorkomen dubbele heffing bij excessief lenen

Zoals in ons uitgebreide artikel toegelicht, wordt dubbele heffing voorkoming door toekenning van een negatief fictief regulier voordeel bij een afnemende schuldpositie. Het benutten van dit negatieve voordeel verloopt echter volgens de reguliere regels voor verliezen in box 2 (aanmerkelijk belang). Naar huidig recht kan dan worden verrekend met inkomen uit aanmerkelijk belang uit het vorige jaar of in de komende zes jaar. Bij afwezigheid van het aanmerkelijk belang kan het verlies worden omgezet in een belastingkorting die in box 1 kan worden benut. Voorgaande maakt echter ook duidelijk dat de mogelijkheid bestaat dat verliezen niet benut kunnen worden, als gevolg waarvan dubbele heffing toch plaatsvindt. De wetgever lijkt hier geen oplossing voor te gaan bieden.

Emigratie en excessief lenen

Wij schreven eerder een artikel over emigratie en het wetsvoorstel excessief lenen. Voor een uitgebreide toelichting op de praktijk daaromtrent verwijzen wij daarnaar. Uit de beantwoording volgt met name dat internationale situaties voor de praktijk nog een uitdaging zullen worden, waarbij nuances en de uitleg van belastingverdragen van cruciaal belang zijn. De wetgever heeft toegelicht hoe deze wetgeving in het algemeen zal uitwerken. Bij verdragstoepassing zal eerst de vraag zijn of de excessieve lening als verkapt dividend wordt aangemerkt. Indien dat niet het geval is, heeft Nederland onder de meeste belastingverdragen geen heffingsrecht. In het buitenland wonende aanmerkelijkbelanghouders die geëmigreerd zijn hebben veelal een conserverende aanslag verkregen. Deze ziet op de waardeaangroei van het aanmerkelijk belang in de Nederlandse periode. Het verleende uitstel op de conserverende aanslag wordt voor hen ingetrokken voor een excessieve lening die na emigratie wordt verstrekt of toeneemt. Vooralsnog zal de wetgever niet gaan heronderhandelen over belastingverdragen op dit gebied. Het volgende voorbeeld is afgeleid van de toelichting:

Voorbeeld emigratie en excessief lenen

Een inwoner van Nederland heeft een aanmerkelijk belang in een in Duitsland gevestigd vennootschap. Hij leent meer dan € 500.000 en dus ontstaat een regulier fictief voordeel. In het jaar daarna wordt dividend uitgekeerd waarmee de lening wordt afgelost. Naar Nederlands recht zal dat leiden tot een negatief fictief regulier voordeel. Op die manier wordt dubbele heffing voorkomen. Dit kan echter complex worden indien Duitsland bronbelasting op de dividenduitkering inhoudt. Deze kan in Nederland voor verrekening in aanmerking komen, maar mogelijk is de belastingheffing in box 2 dan onvoldoende om de Duitse bronbelasting volledig te kunnen verrekenen. Deze bronbelasting kan overigens worden voortgewenteld.

Overgangsrecht wet excessief lenen bij de eigen vennootschap

Deze wetgeving gaat in per 1 januari 2023. Diverse partijen vragen zich af of het niet netter is om bestaande schuldverhoudingen bij wijze van overgangsrecht te respecteren, in plaats van via deze wetgeving in de belastingheffing te betrekken. Hier wil de wetgever echter vooralsnog niets van weten. Als gevolg van de coronacrisis is de datum van inwerkingtreding nu gesteld op 1 januari 2023 en belastingplichtigen hebben daardoor – volgens de wetgever – voldoende tijd om zich voor te bereiden op deze nieuwe wetgeving.

Een bekend voorbeeld is dat van ondernemers die op zakelijke gronden geld lenen van de eigen vennootschap, om daarmee beleggingsvastgoed aan te schaffen. Indien deze leningen boven het maximumbedrag uitkomen, is straks belastingheffing over het meerdere verschuldigd, terwijl het geld in stenen zit. Uit de beantwoording van de gestelde vragen komt naar voren dat voor deze groep geen tegemoetkoming wordt gezocht. In de ogen van de wetgever is onder andere het te gelde maken van het vastgoed (verkoop) een manier om de belastingheffing te kunnen voldoen. Deze groep hoeft dus niet uit te zien naar extra overgangsrecht of tegemoetkomingen. Illustratief is het verzoek van een aantal politieke partijen om een tijdelijke vrijstelling voor de overdrachtsbelasting te creëren, zodat het vervreemden van met geleend geld aangekocht beleggingsvastgoed aan bijvoorbeeld de eigen vennootschap vergemakkelijkt wordt. Hier wil de wetgever niet aan.

Advisering wet excessief lenen bij de eigen vennootschap

1 Januari 2023 is ver weg en de eerste peildatum van 31 december 2023 nog verder. Echter, de praktijk leert dat veel leningen bij de eigen vennootschap redelijk vast zitten en dat zonder meer aflossen vaak niet tot de mogelijkheden behoort. In deze fase lukt het ons in veel gevallen om samen met de belastingplichtige toch een oplossing te vinden, bijvoorbeeld door middel van kleine herstructureringen of het overdragen van vermogensbestanddelen. Het is echter van belang om hier tijdig mee te beginnen en een fiscaal jurist bij het dossier te betrekken. Deze kan, indien nodig, ook schakelen met uw accountant of andere financieel dienstverlener. Zo bent u tijdig en optimaal voorbereid op deze – harde – wetgeving.

Vragen excessief lenen [news] 7200

Excessief lenen bij de eigen vennootschap

Reeds in 2018 is het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap aangekondigd. Het wetsvoorstel leidt er kortgezegd toe dat de aanmerkelijkbelanghouder geconfronteerd wordt met een fictief voordeel, indien de totale schuldpositie te hoog is. Daarbij tellen ook schulden van de partner en verbonden personen mee. Het komt er dan op neer dat belasting wordt geheven over een voordeel dat niet daadwerkelijk is genoten. Dit kan leiden tot financiële problematiek. Dit wetsvoorstel leidt mede als gevolg hiervan tot veel discussie.

Inwerkingtreding wetsvoorstel excessief lenen bij eigen vennootschap

Als gevolg van de coronacrisis is de inwerkingtreding van deze wetgeving een jaar uitgesteld. De wet gaat in op 1 januari 2023. Dat betekent dat de eerste peildatum voor de schulden aan de eigen vennootschap, 31 december 2023 is. Tot deze datum hebt u nog de tijd om te anticiperen op deze nieuwe wetgeving.

Artikelenserie en updates wetsvoorstel excessief lenen

In deze rubriek treft u al onze artikelen over het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap. Sommige artikelen zijn algemeen van aard en andere gaan in op speciale problematiek of toelichtingen door de wetgever. Wij hopen u daarmee een volledig beeld van deze wetgeving te kunnen bieden.

Advies bij excessief lenen van de eigen vennootschap

Wij helpen u graag om de belastingdruk te beperken. Dit wetsvoorstel leidt tot belastingheffing over inkomen dat niet daadwerkelijk is genoten. Hoe eerder u uw schuldposities beoordeelt en hierop actie onderneemt, hoe meer er mogelijk is om deze heffing te voorkomen. Neem daarom gerust contact op met een van de specialisten onderaan dit artikel.

Excessief lenen bij de eigen vennootschap [news] 2021-07-01 0000-00-00 0000-00-00 7094

Oplossingen voor wetsvoorstel excessief lenen DGA

Excessief lenen directeur-grootaandeelhouder

DGA's zien de B.V. nog te vaak als hun eigen portemonnee. De bankrekening van de B.V. wordt als pinautomaat gebruikt voor de bestedingen van de DGA. Er ontstaat dan een lening en er wordt dus geen belastingheffing voldaan. Dit wil het kabinet beperken. De nieuwe wetgeving is aangekondigd per 2023.  

Of deze wetgeving het gaat halen is nog maar de vraag, er is vanuit de Raad van State, de Nederlandse Orde voor Belastingadviseurs en de Tweede Kamer veel kritiek op dit wetsvoorstel. Het is onnodig, complex en op onderdelen onjuist, is de veel gehoorde kritiek.

DGA-tax 2023

De DGA-tax is een strafheffing die vermoedelijk in 2023 wordt ingevoerd, dit was 2022 maar is uitgesteld. Over deze wetgeving is nog veel onduidelijk, maar de gevolgen lijken vrij stevig. In dit artikel monitoren wij de stand van de wetgeving en de mogelijkheden en onmogelijkheden. Een tijdige voorbereiding is wenselijk.

DGA strafheffing bij excessief of bovenmatig lenen

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) die veel van zijn B.V. heeft geleend wordt in 2023 stevig aangepakt. De nieuwe wetgeving zal vermoedelijk gevolgen hebben voor ruim 10.000 DGA's. De wetgever wil de opnamen van de DGA uit zijn eigen holding / B.V. aan banden gaan leggen. De Belastingdienst ziet het excessief lenen van de eigen B.V. als belastingontduiking en krijgt hier nu ook een wettelijke regeling voor.

Als u meer dan € 500.000 van uw B.V. heeft geleend, moet u opletten !

Excessief lenen van de B.V. door de DGA

Als er meer dan € 500.000 is geleend van de B.V. door de DGA, is sprake van een excessieve lening, aldus het nieuwe voorstel. In het kort de voorwaarden en regels:

  • Het moet gaan om een lening aan de DGA.
  • De lening moet hoger zijn dan € 500.000.
  • De DGA moet direct of indirect een aanmerkelijk belang in de B.V. bezitten.
  • De leningen van de verschillende rechtspersonen worden bij elkaar geteld.
  • Waar de lening voor is gebruikt is grotendeels niet relevant (box 3 / consumptief).
  • Leningen voor de eigen woning worden buiten beschouwing gelaten.
  • Voor leningen voor de eigen woning die na 1 januari 2022 worden verstrekt moet een hypothecaire zekerheid worden gesloten.
  • Leningen aan kinderen en (schoon-)ouders tellen mee indien deze hoger zijn dan € 500.000, het meerdere wordt dan bij de € 500.000 van de DGA opgeteld.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt vermoedelijk niet geïndexeerd.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt niet verdubbeld als de DGA een fiscale partner heeft.

Oplossingen voor geen excessieve lening

De Belastingdienst zal vanaf 2019 strenger optreden tegen DGA's met een rekening-courantschuld. Vanaf 2022 moet de DGA leningen gaan aflossen of dividend gaan uitkeren. Doet de DGA niets, dan geldt vanaf 2023 een fictie (en dus heffing van dividendbelasting). Het betreft thans nog een wetsvoorstel, maar er komt zeker een regeling aan. Oplossingen voor de nieuwe regeling zijn:

  1. Dividend uitkeren zodat schuld niet bovenmatig is.
  2. Overdragen activa waar de bovenmatige schulden mee samenhangen aan de B.V. (bij voorkeur op hoogtepunt van de markt, met waardering deskundige).
  3. Vermijden fiscaal partnerschap zodat de drempel 2x € 500.000 gaat bedragen.
  4. Aangaan van een personenvennootschap, waarbij de DGA de schuld inbrengt en tevens de activa welke hiermee direct samenhangen (bijvoorbeeld pand en lening). Hierbij moet de B.V. dan ook activiteiten inbrengen, het geheel moet een onderneming vormen. Vervolgens kan het aandeel van de DGA geruisloos worden ingebracht in de B.V. (geen overdrachtsbelasting etc.).
  5. Overdragen bezittingen, beleggingen of spaargeld aan de B.V. (ter aflossing van de schuld).
  6. Oversluiten van leningen bij externe partijen (vrienden of bancaire instellingen).
  7. Overdragen van bezittingen (met de bijbehorende schuld) door de DGA aan zijn kind(eren), mits de kinderen geen aandelen in de B.V. hebben. Bijvoorbeeld een beleggingspand van de DGA wordt (met schuld aan de B.V.) overgedragen aan de zoon of dochter, eventueel via een stichting die de activa gaat certificeren. Hiermee kan de DGA het stemrecht behouden (waardeontwikkeling bij de kinderen).
  8. Op dit moment wordt ook nagedacht over structuren waarbij een C.V. wordt gevormd in combinatie met overdracht van een beleggingspand. Of dit werkt wordt in 2020 bezien.

Oplossingen excessief lenen [news] 2021-02-22 0000-00-00 0000-00-00

Wellicht komt er voor de DGA een nieuwe wet in 2023 die het lenen van de B.V. moet beperken. De invoering is uiterst onzeker, maar je weet nooit! Wat zijn mogelijke oplossingen voor de nieuwe wet?

6891

Excessief lenen directeur-grootaandeelhouder

We zien in de praktijk dat DGA's massaal van hun B.V. lenen. Er zal dan geen belastingheffing over de lening plaatsvinden. De Belastingdienst trekt ten strijde tegen deze leningen. Nu nog via brieven en procedures en vanaf 2023 ook met nieuwe wetgeving in de hand.  Of deze wetgeving het gaat halen is nog maar de vraag, er is vanuit de Raad van State, de Nederlandse Orde voor Belastingadviseurs en de tweede kamer veel kritiek op dit wetsvoorstel. Het is onnodig, complex en op onderdelen onjuist, is de veel gehoorde kritiek.

DGA Tax 2023

De DGA-tax is een strafheffing die vermoedelijk in 2023 wordt ingevoerd, dit was 2022 maar is uitgesteld. Over deze wetgeving is nog veel onduidelijk, maar de gevolgen lijken vrij stevig. In dit artikel monitoren wij de stand van de wetgeving en de mogelijkheden en onmogelijkheden. Een tijdige voorbereiding is wenselijk.

Update 17 juni 2020

Het wetsvoorstel ligt sinds 17 juni 2020 bij de tweede kamer (dit voorstel kunt u hier raadplegen). Vanaf 2023 worden DGA's (AB houders) beperkt in het geld lenen van hun BV (tot maximaal € 500.000), met uitzondering van bestaande eigenwoning schulden. Het gaat om 11.000 DGA's die iets moeten veranderen in de afspraken met hun BV.

Update 24 april 2020

Het wetsvoorstel excessief lenen door de DGA van zijn eigen BV wordt uitgesteld tot eind 2023. Schulden van de DGA aan zijn eigen BV die hoger zijn dan € 500.000 kunnen hiermee later worden afgelost (is exclusief eigen woning schulden).

DGA strafheffing bij excessief of bovenmatig lenen

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) die veel van zijn B.V. heeft geleend wordt in 2022 stevig aangepakt. De nieuwe wetgeving zal vermoedelijk gevolgen hebben voor ruim 10.000 DGA's. De wetgever wil de opnamen van de DGA uit zijn eigen holding / B.V. aan banden gaan leggen. De Belastingdienst ziet het excessief lenen van de eigen B.V. als belastingontduiking en krijgt hier nu ook een wettelijke regeling voor.

Als u meer dan € 500.000 van uw B.V. heeft geleend moet u opletten !

Dividenduitkering DGA en belastingheffing

Als een DGA dividend ontvangt van zijn B.V., moet hij hierover 26,25% Box 2 heffing betalen (wordt in 2021  26,9%). Een dividenduitkering zal het eigen vermogen (winstreserve) in de B.V. verlagen. Bij een dividenduitkering moet de B.V. 15% dividend belasting inhouden, de overige 11,25% wordt in privé (inkomstenbelasting) opgelegd.

  • Bij een dividenduitkering van € 300.000 moet in totaal ruim € 78.000 aan dividendbelasting worden betaald. Bij de uitkering moet de B.V. € 45.000 betalen, in privé moet de DGA dan nog € 33.000 betalen.

Excessief lenen van de B.V. door de DGA

Als er meer dan € 500.000 is geleend van de B.V. door de DGA, is sprake van een excessieve lening, aldus het nieuwe voorstel. In het kort de voorwaarden en regels:

  • Het moet gaan om een lening aan de DGA.
  • De lening moet hoger zijn dan € 500.000.
  • De DGA moet direct of indirect een aanmerkelijk belang in de B.V. bezitten.
  • De leningen van de verschillende rechtspersonen worden bij elkaar geteld.
  • Waar de lening voor is gebruikt is grotendeels niet relevant (box 3 / consumptief).
  • Leningen voor de eigen woning worden buiten beschouwing gelaten.
  • Voor leningen voor de eigen woning die na 1 januari 2022 worden verstrekt moet een hypothecaire zekerheid worden gesloten.
  • Leningen aan kinderen en (schoon) ouders tellen mee indien deze hoger zijn dan € 500.000, het meerdere wordt dan bij de € 500.000 van de DGA opgeteld.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt vermoedelijk niet geïndexeeerd.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt niet verdubbeld als de DGA een fiscale partner heeft.

Conclusie fiscaal jurist over rekening-courant DGA

De Belastingdienst zal vanaf 2019 strenger optreden tegen DGA's met een rekening-courantschuld. Vanaf 2022 moet de DGA leningen gaan aflossen of dividend gaan uitkeren. Doet de DGA niets, dan geldt vanaf 2023 een fictie (en dus heffing van dividendbelasting). Het betreft thans nog een wetsvoorstel, maar er komt zeker een regeling aan. Oplossingen voor de nieuwe regeling zijn:

  1. Dividend uitkeren zodat schuld niet bovenmatig is.
  2. Overdragen activa waar de bovenmatige schulden mee samenhangen aan de BV (bij voorkeur op hoogtepunt van de markt, met waardering deskundige)
  3. Vermijden fiscaal partnerschap zodat de drempel 2x € 500.000 gaat bedragen.
  4. Aangaan van een personenvennootschap waarbij de DGA de schuld inbrengt en tevens de activa welke hiermee direct samenhangen (bijvoorbeeld pand en lening), hierbij moet de BV dan ook activiteiten inbrengen, het geheel moet een onderneming vormen. Vervolgens kan het aandeel van de DGA geruisloos worden ingebracht in de BV (geen overdrachtsbelasting etc.)
  5. Overdragen bezittingen, beleggingen of spaargeld aan de B.V. (ter aflossing van de schuld).
  6. Oversluiten van leningen bij externe partijen (vrienden of bancaire instellingen).
  7. Overdragen van bezittingen (met de bijbehorende schuld) door de DGA aan zijn kind(eren), mits de kinderen geen aandelen in de BV hebben. Bijvoorbeeld een beleggingspand van de DGA wordt (met schuld aan de B.V.) overgedragen aan de zoon of dochter. Eventueel via een stichting die de activa gaat certificeren, hiermee kan de DGA het stemrecht behouden (waardeontwikkeling bij de kinderen).
  8. Op dit moment wordt ook nagedacht over structuren waarbij een C.V. wordt gevormd in combinatie met overdracht van een beleggingspand. Of dit werkt wordt in 2020 bezien.

Excessief lenen DGA [news] 2020-02-27 0000-00-00 0000-00-00 6370
6807 Fiscale scan

Fiscale scan van uw onderneming

We betalen allemaal belasting in Nederland. Veel ondernemers en directeuren-grootaandeelhouders (DGA's) vinden of hebben het gevoel dat ze teveel belasting betalen. Ook bestaat er vaak onzekerheid over de vraag of de fiscale mogelijkheden wel optimaal benut worden. Of dat met het verstrijken van de tijd alles nog wel optimaal georganiseerd is.

Met enige regelmaat voeren wij fiscale scans uit voor ondernemers om te beoordelen of zij belasting kunnen besparen. De fiscale scan geeft u een simpel, snel en efficiënt overzicht van de mogelijkheden binnen uw bedrijf. De scan heeft meestal betrekking op het midden- en kleinbedrijf, zelfstandige beroepen (zoals advocaten, chirurgen, huisartsen, etc.).

Wij maken een beoordeling van het bedrijf en van de positie van de ondernemer en daarbij wordt er op diverse fiscale mogelijkheden getoetst. Op basis hiervan maken wij een risico-inventarisatie en een opstelling van de mogelijkheden. Of wij geven een bevestiging dat alles prima op orde is. 

Enkele veel voorkomende aandachtspunten zijn:

  • Bedrijfsstructuur op orde (aansprakelijkheid, toekomstige bedrijfsopvolging, flexibiliteit)?
  • Rechtsvorm goed?
  • Arbeidsrelaties en arbeidsbeloning DGA.
  • BTW-situatie beoordelen.
  • Diverse overeenkomsten op orde?
  • Vastgoed, positie binnen het bedrijf.
  • Voorzieningen mogelijk?
  • Oudedagsvoorzieningen goed geregeld?
  • Testament - huwelijkse voorwaarden.
  • Positie kinderen?

Kosten

De kosten van een eenvoudige scan bedragen circa € 1.500 en van een uitgebreide scan € 3.000 (alles exclusief omzetbelasting). Wij bespreken dit graag met u en geven u een offerte. Vaak is van kosten overigens geen sprake. Veelal vinden wij verbeterpunten die leiden tot een belastingbesparing, zodat onze inspanningen per saldo geld opleveren.

Second opinion

Uw huidige accountant, administrateur of adviseur is vaak waardevol voor uw bedrijf. Hij loopt vaak al lang mee en kent u en uw bedrijf door en door. Na een paar jaar zou u een fiscaal jurist of Register Belastingadviseur moeten vragen of u fiscaal en juridisch nog wel "bij de tijd" bent. Accountancy en belastingadvies zijn twee volledig andere werelden. Ons kantoor heeft diverse accountantskantoren als cliënt en wij verwijzen ook regelmatig cliënten door naar accountantskantoren. Ieder z'n vak. Omdat wij geen jaarrekeningen opstellen, zijn wij geen concurrent voor accountants, wij kunnen volledig onafhankelijk ons werk doen. We zitten elkaar niet in het vaarwater, maar vullen elkaar prima aan. En u heeft daarna altijd het geruststellende gevoel niet teveel belasting te betalen.

Neemt u eens vrijblijvend contact met ons op. Aan een oriënterend gesprek zijn geen kosten verbonden.

BTW scan

Sinds 2021 maken wij bij bedrijven ook een BTW scan, lees hier over de mogelijkheden en kosten.

WKR Scan

Via onze WKR tool kunnen wij u ook een scan van loonheffingen aanbieden, inclusief een WKR tool.

]]>

Fiscale BTW-scan

Op ons kantoor werken twee BTW-specialisten die u graag adviseren over mogelijke BTW-vraagstukken of risico's binnen uw bedrijf. De heer Arjan Hof is al lang bij ons kantoor werkzaam en de heer Henk Davina heeft zijn sporen verdiend bij de Belastingdienst. Regelmatig adviseren zij zorginstellingen, ziekenhuizen, verzekeringadviseurs, scholen, gemeenten en projectontwikkelaar of woningbouwbedrijven.

De BTW-quickscan

De BTW-wetgeving kent vele regels en uitzonderingen waarbij de gevolgen groot kunnen zijn als de regels niet worden opgevolgd. Het belang van bijvoorbeeld een correcte BTW-factuur wordt daarom ook vaak onderschat. Kennis van BTW-wetgeving is een must, het is een ‘zakelijke’ belasting. Moedwillig of onbewust, de vergissingen leiden vaak tot forse boetes!

Een quickscan dient om op een eenvoudige en efficiënte manier erachter te komen of u risico's loopt bij het uitvoeren van uw fiscale verplichtingen. Maar ook de kansen om belasting te besparen worden tijdens de quickscan in beeld gebracht.

Hoe werkt de BTW-scan?

Met een BTW-quickscan wordt aan de hand van een vragenlijst eerst een inventarisatie gemaakt van de huidige activiteiten van uw onderneming en de BTW-gevolgen daarvan. Met andere woorden, zitten we op de goede weg of constateren wij aanzienlijke omissies? Een dergelijke BTW-quickscan bestaat uit de volgende werkzaamheden:

Fase 1 BTW-scan

Een interview met een medewerker die inhoudelijk goed op de hoogte is van de activiteiten en van de geld- en factuurstromen binnen de onderneming (fase 1); hierbij kunnen bijvoorbeeld de volgende BTW-aspecten aan de orde komen.

  • tarief, algemeen (21%), verlaagd  (9%) of 0% (export)
  • administratieve verplichtingen  (juiste in- en verkoopfactuur)
  • onroerend goed en BTW (huur / verhuur)
  • vrijgestelde prestaties
  • gemengde prestaties
  • uit- en inlening van personeel en werken met zelfstandigen
  • pro rata en BUA (verstrekkingen aan personeel en zakelijke relaties)
  • intracommunautaire leveringen en diensten (aangifte ICP)
  • verleggingsregeling (b.v. in de bouw)
  • fiscale eenheid
  • privégebruik van zaken door werknemers (zoals eigen producten en de auto van de zaak)

Dit is slechts een korte opsomming. De BTW-wetgeving bestaat uit zeer veel verschillende aspecten.

Fase 2 en 3 BTW-scan

  • Beoordeling opgevraagde documenten / steekproef facturen / correspondentie Belastingdienst (fase 2);
  • Bevindingen worden gerapporteerd in een puntsgewijze schriftelijke uitwerking met aanbevelingen voor de toekomstige handelwijze (fase 3);
  • Ervaring leert dat inhoudelijk feitenonderzoek (fase 2) in combinatie met expertise uit de organisatie, een effectieve methode is de feitelijke fiscale (BTW-)werkelijkheid in kaart te brengen. Niet zelden blijkt dat de administratieve werkelijkheid anders is dan de door de organisatie waargenomen werkelijkheid. Daarnaast wordt een goed beeld gekregen van het fiscale bewustzijn van uw organisatie.

De quickscan is maatwerk. De reikwijdte van een quickscan wordt daarom in overleg met u bepaald. Hiervoor zijn reeds een aantal voorbeelden van onderwerpen genoemd waarop de quickscan betrekking kan hebben. De voorbeelden zijn uiteraard indicatief.

Kennismakingsgesprek inzake BTW-scan

De ervaring leert ons dat het een grote toegevoegde waarde oplevert als een dergelijke quickscan wordt uitgevoerd door een volledig onafhankelijk belastingadvieskantoor zoals Jongbloed Fiscaal Juristen. Op deze wijze verkrijgt de quickscan voor de cliënt direct het karakter van een second opinion.

De kosten en omvang van een dergelijke scan bespreken we vooraf met u. De kosten zijn uiteraard afhankelijk van de aard en omvang van de werkzaamheden. Bij het vrijblijvende orienterende gesprek zullen wij reeds een inschatting van de kosten geven.

BTW scan [news] 2020-05-18 0000-00-00 0000-00-00 6577

Fiscale loonheffing en WKR-scan

Personeelskosten beslaan een groot deel van uw kosten. Hier is ook veel fiscaal voordeel te behalen, dit kan via een zogenaamde WKR / loonbelastingscan al vanaf € 1.750 (exclusief omzetbelasting, bij minder dan 10 werknemers). Wij toetsen uw loonadministratie, belastingvrije vergoedingen, beloningsvormen, etc. op ruim 100 onderdelen. Naast het fiscale voordeel (dat veelal hoger is) bent u ook weer fiscusproof (bij een boekenonderzoek).

Heeft u meer werknemers, vraag dan een vrijblijvende offerte aan.

De loonheffing en WKR-scan

Ik wens u veel personeel”, een oude uitspraak, waarbij men u veel ellende en zorgen toewenst. In zekere zin is deze uitspraak nog steeds van toepassing. Immers, werknemers in dienst hebben of nemen brengt heel veel verplichtingen met zich mee. Daarnaast is de wet- en regelgeving rond personeel bijna voortdurend aan verandering onderhevig.

Bij controle van de loonheffingen maakt de Belastingdienst bij grotere ondernemingen in toenemende mate gebruik van de zogeheten geldeenheid- of Eurosteekproef. Deze methode, die door de Hoge Raad is goedgekeurd, is voor de Belastingdienst zeer efficiënt.

De gevolgen van de uitkomsten van deze steeproef kunnen voor werkgevers ook bij één enkele geconstateerde fout al flink in de papieren lopen (extrapolatie): een onjuist geboekte post van enkele honderden euro’s kan leiden tot naheffingen van tienduizenden euro’s.

Ook als u zelf weinig of geen personeel hebt, maar werkt met externen of werk uitbesteedt, krijgt u met diverse wetten te maken. Controle van de fiscale kwalificatie van arbeidsrelaties is een speerpunt bij de Belastingdienst.

Fiscale scan loonheffing

Speciaal voor de inzet van externen en de werkkostenregeling heeft Jongbloed Fiscaal Juristen een tweetal scans ontwikkeld.

  1. Loonheffingenscan / WKR, risico-inventarisatie tegen vaste prijs
  2. Scan inhuur externen / inhoudingsplicht

Voor de beoordeling van de fiscale risico’s met betrekking tot de inzet van externen hebben wij een scan ontwikkeld. De werkwijze hierbij is dat we documentatie opvragen. Aan de hand van de aangereikte documentatie vindt een interview plaats van 2 - 3 uur met één van uw medewerkers (afdeling administratie), waarna een verslag van bevindingen en beknopte aanbevelingen wordt opgeleverd.

Vaste prijs van de scan: € 1.750 excl. BTW.

Scan werkkostenregeling

Ook de toepassing van de werkkostenregeling leidt in de praktijk tot veel vragen en onjuiste toepassingen. Kunnen advocaatkosten van de werknemer bij einde dienstverband onbelast worden vergoed? Hoe zit het met het verstrekken van vaste onkostenvergoedingen?

Bij deze scan wordt het gebruik van gerichte vrijstellingen, nihilwaarderingen en kosten in de zogenoemde vrije ruimte beoordeeld. Ook hier vindt aan de hand van opgevraagde documentatie een interview plaats met één van uw medewerkers van de afdeling administratie, waarna de uitkomsten van de scan wordt uitgewerkt in een verslag van bevindingen en beknopte aanbevelingen.

Vaste prijs van de scan: € 1.750 excl. BTW.

Inhouse workshop loonheffingen  

Bij de inhouse workshops is ruimte voor 4 - 6 deelnemers. In verband met de coronamaatregelen behoort het geven van een online workshop (via teams) tot de mogelijkheden.

Kosten: € 850 excl. BTW (4 - 6 deelnemers)

Uiteraard ontvangen deelnemers een map met achtergronddocumentatie en de hand-out van de presentatie.

Inhouse workshop werkkostenregeling

Bij de inhouse workshops is ruimte voor 4 - 6 deelnemers.

In verband met de coronamaatregelen behoort het geven van een online workshop (via teams) tot de mogelijkheden.

Kosten: € 850 excl. BTW (4 - 6 deelnemers)

Uiteraard ontvangen deelnemers een map met achtergronddocumentatie en de hand-out van de presentatie.

Meer weten?

Interesse?  Stuur dan een e-mail naar m.bik@jongbloed.tv of bel 06- 36531263 voor een afspraak over de scans of workshops. 

Fiscale scan WKR [news] 2020-10-15 0000-00-00 0000-00-00 6759
DGA [news] 342

Onderneming aan kinderen

Bedrijf gratis aan kinderen

Nederland wordt steeds leuker. Sinds 2010 kan een directeur-grootaandeelhouder (DGA) zonder belastingen de aandelen van zijn actieve B.V. aan zijn kinderen schenken.

Toelichting

Tot 2010 moest de DGA 25% inkomstenbelasting (box 2) betalen bij een schenking. Daarnaast moest dan nog schenkingsrecht (5% - 27%) worden betaald. Sinds 2010 is de waarde van de aandelen voor 90% vrijgesteld op grond van de BOF-regeling (bedrijfsopvolgingsfaciliteit).

Aandachtspunt

De regeling is eenvoudig en hierdoor goed te gebruiken. U moet er wel op letten dat uw B.V. (dus ook de Holding) een actieve onderneming is. Tevens is het verstandig om een afspraak met de belastingdienst te maken omtrent de waarde van de aandelen. Het is verstandig om goed op te letten dat zowel een vrijstelling voor de AB heffing en de schenkbelasting wordt verkregen, uw zoon of dochter moet hiervoor minimaal 3 jaar bij uw bedrijf werkzaam zijn.

Overlijden

Als u komt te overlijden en de aandelen moeten dan nog over, is het fiscaal eigenlijk te laat. U had al lang moeten stoppen en uw kinderen hadden al eigenaar moeten zijn. De BOF-vrijstelling bedraagt sinds 2010 90%

Estate planning

Het is verstandig eens met uw partner en kinderen over 'de dood' te praten. Niet omdat het leuk is, maar omdat het moet en u er geld mee kunt besparen. Het is leuker om geld aan de kinderen te geven dan aan de fiscus, toch? Estate planning is relatief simpel, aandachtpunten zijn:

  1. huwelijkse voorwaarden;
  2. testament;
  3. overdracht vermogen bij leven;
  4. gevolgen bij overlijden;
  5. tenaamstellingen van polissen.

Pas op

Als de onderneming geen actieve B.V. meer is, is de vrijstelling niet van toepassing. Draag dus over voordat u stopt, verkoopt of emigreert !!

Onderneming aan kinderen [news] 2012-12-24 0000-00-00 0000-00-00

Partner in dienst nemen.

U  heeft een salaris van uw B.V. Het kan voordeliger zijn om ook uw partner in dienst te nemen van uw B.V. 

De voordelen

  1. Het belastingtarief voor uw partner is waarschijnlijk lager dan uw belastingtarief.
  2. Uw partner heeft bij een salaris recht op arbeidskorting.
  3. U kunt een pensioen voor uw partner regelen, in sommige gevallen kunt u het pensioen ook in eigen beheer opbouwen, maar daarvoor moet uw partner 10% van de aandelen bezitten.
  4. Alle zakelijke kosten voor uw partner (salaris, pensioen, etc.) zijn aftrekbaar van uw winst.
  5. U kunt uw partner een auto van de zaak geven, ook kunt u overwegen om de bijtelling voor uw auto te verdelen over u en uw partner. Voordeel hiervan is dat het belastingtarief van uw partner waarschijnlijk lager is.
  6. U bent meestal geen werknemerspremies over het salaris van uw partner verschuldigd. Dit komt doordat de gezagsverhouding ontbreekt.
  7. U kunt uw partner allerlei fiscaal gunstige regelingen toezeggen (vaste onkostenvergoeding, mobiele telefoon van de zaak, fiets van de zaak, fitness via de zaak, etc.).

Aandachtspunten

Regel het wel zakelijk, stel dus een arbeidsovereenkomst op en laat het salaris via uw loonadministratie maandelijks uitbetalen.

Echtscheiding

Als u gaat scheiden, wilt u waarschijnlijk uw partner ook ontslaan. Aan dit ontslag zijn extra kosten verbonden.

Gebruikelijk loon

Sinds vele jaren valt uw partner ook onder de gebruikelijkloonregeling. Lees meer elders op site. Bel hierover even met uw adviseur of stuur ons (kostenloos) een mail.

[news] 2010-01-15 2010-01-15 0000-00-00 2719

Bancaire lijfrente en DGA

Sinds 2008 is het voor de directeur-grootaandeelhouder (de DGA) mogelijk om een bancaire lijfrente af te sluiten. Dit is een spaar- of beleggingsrekening bij een bank waarop de DGA een lijfrente stort. De premie is aftrekbaar. Omdat er veel onduidelijkheden zijn over het pensioen in eigen beheer, zien wij in onze praktijk dat er steeds meer DGA's kiezen voor deze optie.

Voordelen bancaire lijfrente DGA

De bancaire lijfrente is er nog niet zo lang. Voorheen moest de DGA een lijfrente afsluiten bij een verzekeraar, de traditionele lijfrente. Voordeel van de bancaire lijfrente is dat de kosten lager zijn dan bij een reguliere lijfrente bij een verzekeraar. Een ander voordeel is dat bij een bancaire lijfrente het geld aan uw nabestaanden toekomt als u vroegtijdig komt te overlijden.

Een bancaire lijfrente kent andere voorwaarden dan een normale lijfrente bij een verzekeraar. Tijdens de opbouw van uw lijfrente is het weduwerisico niet verzekerd. Tevens stopt de uitkering als het geld op is, u krijgt wat u heeft gespaard (inclusief rendement). Als u voor de ingangsdatum komt te overlijden krijgen uw nabestaanden het banksaldo en als u lang zou leven stopt op enig moment de uitkering (lang leven risico). De normale uitkeringsperiode bij een bancaire lijfrente bedraagt 20 jaar.

Een belangrijk voordeel van een bancaire lijfrente is dat u voor de uiteindelijke uitkering niet afhankelijk bent van het succes van uw B.V. / onderneming. Er wordt dus echt geld buiten uw bedrijf gereserveerd voor uw pensioen, een goede risicospreiding. Nadeel is natuurlijk dat u geld aan uw bedrijf moet onttrekken.

Pensioen in eigen beheer en bancaire lijfrente

Als u gebruik maakt van de zogenaamde bancaire lijfrente, dan mag u geen gebruik maken van een pensioenopbouw in eigen beheer. U mag namelijk alleen via een bancaire lijfrente een pensioen opbouwen als u een pensioentekort heeft.

Voorbeeld bancaire lijfrente voor de DGA

Een DGA heeft een salaris van € 70.000. De maximale storting in een bancaire lijfrente bedraagt in dit geval ongeveer € 10.000 (€ 70.000 -/- € 11.829 x 17%). Stel dat u gedurende 25 jaar een maximaal bedrag heeft ingelegd, dan krijgt u na 25 jaar ongeveer € 430.000 (rente 4%). Als u dan op uw 67ste verjaardag met pensioen gaat, krijgt u gedurende 20 jaar een uitkering van ruim € 31.000, deze wordt nog vermeerderd met ongeveer € 10.000 aan AOW-uitkering, de genoemde bedragen zijn bruto. Al met al heeft u dan dus een pensioen van € 41.000 dat gegarandeerd wordt uitgekeerd.

Belastingtip

U kunt er na de opbouwfase voor kiezen om het banksaldo te gebruiken voor de aankoop van een traditionele lijfrente bij een verzekeraar, hierdoor heeft u recht op het zogenaamde lang leven risico.

Bancaire lijfrente voor de DGA [news] 2013-01-22 0000-00-00 0000-00-00 3626

Terugkeer uit de B.V.

Veel ondernemingen worden in een B.V.-structuur gevoerd. Door de crisis, het faillissement van klanten, lagere omzetten, etc. dalen de winsten. De huidige structuur is dan vaak niet meer het juiste "jasje" om de onderneming uit te oefenen. Bij een B.V. moet u salaris uitkeren en soms is dit voor de DGA niet mogelijk. Bij een eenmanszaak hoeft u over de eerste € 15.000 winst helemaal geen belasting te betalen. Wellicht is het eens tijd om te kijken naar een andere structuur.

Wanneer is dit voor u interessant?

Bij een winst tot € 75.000 is dit artikel voor u interessant. Bij hogere winsten kan dit ook zo zijn, edoch dan wel een rekensom maken.

De terugkeer uit de B.V. voor een DGA

Een regeling die weinig wordt gebruikt, maar in sommige gevallen veel voordelen kan opleveren. De reden dat de regeling weinig wordt gebruikt is de complexiteit. In de basis zijn er 2 mogelijkheden om uit de B.V. terug te keren, dit zijn:

  1. De geruisloze terugkeer uit de B.V.
  2. De ruisende terugkeer uit de B.V.

U zou een terugkeer kunnen overwegen indien:

  1. Er veel compensabele verliezen in de B.V. zitten welke u niet kunt compenseren.
  2. Er grote investeringen moeten worden gedaan in bijvoorbeeld een bedrijfspand of in uw productie.

Waarom terugkeer uit een B.V.?

De B.V.-structuur wordt vaak geadviseerd door de accountant of fiscaal jurist. De belangrijkste redenen hiervoor zijn:

  1. Fiscaal voordelig.
  2. Voorbereiden op verkoop.
  3. Voorkomen erfbelasting.
  4. Beperken aansprakelijkheid.
  5. Commerciële uitstraling.

Als de winst binnen de B.V. achter blijft en / of als u verlies maakt, kan het verstandig zijn om de B.V. op te heffen of in een andere vorm te gebruiken. De onderneming kan relatief eenvoudig in een eenmanszaak worden omgezet. De geruisloze omzetting is complex, maar een ruisende omzetting is relatief eenvoudig. De belangrijkste redenen om dit te doen zijn:

  1. Belasting besparen (ondernemersaftrek).
  2. Geen fictief / DGA-loon meer.
  3. Willekeurig afschrijven op bestaande of nieuwe investeringen.
  4. Optimale fiscale heffing creëren.

Bij een winst van € 0 - € 75.000 is het te overwegen om een B.V. om te zetten in een eenmanszaak, maatschap of vennootschap onder firma. Het voordeel kan zomaar oplopen tot € 1.000 netto per maand. Het grootste nadeel van een omzetting is dat u hoofdelijk aansprakelijk bent jegens schuldeisers (voor schulden van de onderneming). Als u richting uw bank een borgstelling hebt afgegeven, bent u ook met een B.V.-structuur in privé aansprakelijk, in dat geval maakt de rechtsvorm soms niet uit.

De geruisloze terugkeer uit de B.V.

De geruisloze terugkeer uit de B.V. is een complexe en omslachtige regeling met vele voorwaarden. Redenen om geruisloos uit een B.V. terug te keren naar bijvoorbeeld een eenmanszaak zijn:

  • Meenemen verrekenbare verliezen uit de B.V.
  • Voorkomen overdrachtsbelasting op bedrijfspand in de B.V.
  • Niet afrekenen op aanmerkelijk belang winsten.
  • Voorkomen afrekenen op een TBS-pand.

De ruisende terugkeer uit de B.V.

Bij een ruisende terugkeer uit de B.V. is er eigenlijk geen fiscale faciliteit. Er moet een voorovereenkomst worden gesloten (bij voorkeur vóór 1 januari van een kalenderjaar), van terugwerkende kracht kan eigenlijk geen sprake zijn. De B.V. wordt vanaf die datum voor rekening en risico van de directeur-grootaandeelhouder (DGA) gedreven. Voordelen van een ruisende terugkeer zijn:

  • Recht op zelfstandigenaftrek en startersaftrek.
  • Mogelijkheid willekeurige afschrijving voor startende ondernemers.

Het kan zijn dat er winsten worden gemaakt bij de overgang van de B.V. naar de eenmanszaak, deze winsten kunnen worden gemaakt doordat er meerwaarde wordt gerealiseerd over activa en / of goodwill. Deze winsten kunnen wellicht worden verrekend met de compensabele verliezen in een B.V. Desinvesteringsbijtellingen zijn een aandachtspunt, maar kunnen wellicht ook worden verrekend met de compensabele verliezen.

Als er een bedrijfspand in uw B.V. is, loopt u wellicht aan tegen afrekening over stille reserves en / of overdrachtsbelasting. U kunt in dit geval overwegen om het bedrijfspand vanuit de B.V. te verhuren aan uw eenmanszaak.

Als er over goodwill of stille reserves moet worden afgerekend, is het te overwegen om de overdracht tegen een winstrecht te laten plaatsvinden, hiermee hoeft u niet direct af te rekenen. Alternatief kan ook zijn de verhuur van de onderneming / B.V. aan de eenmanszaak.

Vaak zien wij dat pensioenen en stamrechtverplichtingen in de B.V. achterblijven, dit om grote problemen en complexe berekeningen of liquiditeitsperikelen te voorkomen.

Belastingtip ruisende terugkeer uit de B.V. bij substantiële investeringen

De ruisende terugkeer uit de B.V. zou kunnen spelen als een B.V. substantiële investeringen moet doen (inventaris, bedrijfsgebouw, etc.). De B.V. zou dan ruisend kunnen overgaan in een eenmanszaak waarna de investeringen worden gedaan. Vervolgens worden de investeringen willekeurig afgeschreven en wordt de eenmanszaak weer geruisloos ingebracht in een B.V.

Belastingtip VOF tussen B.V. en de DGA

Een praktisch alternatief is het oprichten van een vennootschap onder firma (een VOF). De B.V. brengt vermogen in en de DGA arbeid en vlijt. Dit moet zorgvuldig en op zakelijke gronden worden vormgegeven omdat de Belastingdienst anders kan stellen dat de aandelen die de DGA heeft in zijn B.V. tot het verplichte ondernemingsvermogen van de DGA / eigenaar behoren. Vooroverleg met de Belastingdienst is daarom zinvol. Eventueel kunt u ook overwegen om de aandelen in de B.V. over te dragen aan uw partner (mits gehuwd op huwelijkse voorwaarden). Via deze route kunt u ook met terugwerkende kracht een VOF tot stand brengen (maximaal 9 maanden terug, dus vóór 1 oktober regelen). De winst van de B.V. kan dus via deze route aan de DGA in privé worden toegerekend. Hiertoe moet u het volgende doen:

  • Beroep op MvF 6 februari 2010, nr. DGB2010/671M.
  • Overeenkomst opstellen en tekenen vóór 1 oktober van het kalenderjaar, in de overeenkomst de terugwerkende kracht tot 1 januari opnemen.
  • De terugwerkende kracht mag (niet alleen) gericht zijn op het behalen van fiscaal voordeel.
  • VOF-overeenkomst opstellen.

Belastingtip AB-verlies

Bij een ruisende terugkeer uit de B.V. kan eventueel een voordeel worden behaald doordat er een AB-verlies van 25% ontstaat. Een verliesneming mag slechts plaatsvinden als u geen belang meer heeft in de B.V. (artikel 4.24 IB), echter in casu mag dit wel omdat de onderneming in privé wordt voortgezet (4.53 IB).

Conclusies terugkeer uit een B.V.

Als u uw onderneming in een B.V.-vorm drijft en uw winstgevendheid blijft achter, dan kunt u overwegen om de onderneming in de vorm van een eenmanszaak of vennootschap onder firma te gaan uitoefenen. Het voordeel bedraagt zomaar € 500 - € 1.000 netto per maand.

Wilt u een afspraak maken voor een oriënterend gesprek? Bel gerust.

Terugkeer uit de BV, slimme fiscale truc [news] 2013-02-01 0000-00-00 0000-00-00 3636
Onzakelijke lening door BV aan dochter DGA [news] 2013-02-04

Lening B.V. aan kind DGA niet aftrekbaar

Als een B.V. een lening verstrekt, moet dit op zakelijke gronden plaatsvinden. Bij een lening aan de DGA of diens familie is dit zeker van belang omdat anders het risico bestaat dat de lening (bij niet terugbetaling) niet aftrekbaar is.

Nieuws lening

U moet sinds 2013 de informatie van een lening aan uw kind doorgeven aan de Belastingdienst. Dit speelt indien:

  • u een lening afsluit bij een familielid, B.V. of buitenlandse bank;
  • u op de lening moet aflossen (nieuwe hypotheekregels).

Het formulier kunt u hier downloaden.

Procedure inzake lening aan dochter van DGA

De heer Jansen is enig eigenaar en directeur van Jansen B.V. (fictieve namen). De dochter van de heer Jansen begint in Griekenland een kroeg aan het strand. De bank wil hiervoor geen geld lenen. Jansen B.V. verstrekt een lening aan de dochter. De leningen worden niet goed en ook niet op zakelijke gronden vastgelegd en nagekomen. Het volgende gaat mis:

  • geen afspraken over aflossingen;
  • er worden 4 leningen verstrekt, 2 leningen zonder rente;
  • 1 van de 4 geldleningen wordt niet schriftelijk vastgelegd.

De onderneming van de dochter in Griekenland wordt in 2009 beëindigd. Reden: de huur wordt niet betaald en de huurovereenkomst aldaar wordt ontbonden. Jansen B.V. boekt ruim € 100.000 ten laste van de winst omdat de vordering op de dochter van de heer Jansen niet wordt terugbetaald. De Belastingdienst accepteert de afboeking niet. De inspecteur stelt tevens dat er sprake is van een (verkapte) dividenduitkering en legt hiervoor een navorderingsaanslag inkomstenbelasting op van ruim € 100.000 (box 2). De heer Jansen gaat naar de rechter.

De rechter is van mening dat alle 4 leningen als onzakelijk moeten worden gezien. De Belastingdienst (inspecteur) heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat van een feitelijke kwijtschelding sprake is (hoewel dit civielrechtelijk niet zo is). De Rechtbank stelt dat er sprake is van een bewuste bevoordeling bij de B.V. en de heer Jansen.

Hoge Raad inzake onzakelijke lening

In een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 1 maart 2013 komt een belastingplichtige netjes weg. Mevrouw X (directeur van X B.V.) heeft een lening verstrekt aan de X B.V. De aandelen in X B.V. worden gehouden door haar man. De lening is onzakelijk. Het is onduidelijk of de lening bij het verstrekken hiervan al onzakelijk zou zijn. De vordering vanuit privé (ruim € 400.000) wordt afgewaardeerd. Volgens het Gerechtshof ging het om een onzakelijke lening (belangrijkste reden: mevrouw X heeft geen actie ondernomen om de vordering te innen). Volgens de Hoge Raad heeft het Gerechtshof haar uitspraak onvoldoende gemotiveerd. Het is onduidelijk of de onzakelijke lening in de loop van de tijd is ontstaan en / of een derde er wel in zou zijn geslaagd om bepaalde rechten veilig te stellen. Daarnaast is dan onduidelijk of de gehele lening niet aftrekbaar zou zijn. De Hoge Raad verwijst de zaak naar een nieuwe rechter, dit voor nader onderzoek.

Noot fiscaal jurist

Laat u bij leningen vanuit de B.V. aan de DGA of diens familie adviseren door een deskundige fiscaal jurist. De belangrijkste uitgangspunten zijn:

  • Het moet gaan om een lening onder zakelijke voorwaarden (zelfde als bij een derde).
  • Leg de lening schriftelijk vast.
  • Maak afspraken omtrent de aflossing.
  • Zorg ervoor dat er zekerheden worden gesteld.
  • Let erop dat er een zakelijke rente wordt gerekend.
  • Zorg ervoor dat de voorwaarden (rente / aflossing betalen) ook worden nagekomen.
  • Laat de lening registreren bij de Belastingdienst.

Bron

Rechtbank Haarlem d.d. 30 januari 2013.

Hoge Raad d.d. 1 maart 2013.

0000-00-00 0000-00-00 3647
Lening aan dochter BV niet aftrekbaar [news] 2013-02-28

Risicovolle lening aan dochter B.V. niet aftrekbaar

Een holding B.V. verstrekt een lening aan een dochter B.V. Op de lening wordt een zeer groot risico gelopen, de lening mag in de moeder niet worden afgewaardeerd ten laste van de winst als het risico te groot is en de lening onzakelijk.

Procedure risicovolle lening aan dochter B.V.

De Rechtbank Arnhem - Leeuwarden (de Rechtbank Oost Nederland) is van mening dat de holding B.V. een onzakelijke lening heeft verstrekt aan een dochter B.V. Het debiteurenrisico is zo groot, dat een onafhankelijke derde dit risico niet zou lopen. De leningen zijn in 2004, 2005 en 2006 afgewaardeerd. Tijdens een boekenonderzoek ziet de inspecteur de afboeking en hij corrigeert de aangiften vennootschapsbelasting op dit onderdeel. Er worden navorderingsaanslagen opgelegd. De belastingplichtige is het hier niet mee eens en stapt naar de rechter.

De Rechtbank is het met de inspecteur eens. De redenen zijn:

  • De leningen zijn onder zodanige voorwaarden verstrekt, dat het risico wel erg groot is.
  • Het risico is groter dan tussen onafhankelijke derden zou worden gelopen.
  • Er zijn geen zekerheden gesteld en de leningen die worden verstrekt worden afgewaardeerd. 
  • Tegelijk worden er weer nieuwe leningen verstrekt. Het vermogen in de dochter is zeer slecht.

Toelichting onzakelijke lening door fiscaal jurist

In mei 2008 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarin voor het eerst de onzakelijke lening aan de orde is gesteld. Tot dat moment was een lening een lening of verkapt kapitaal. Bij verkapt kapitaal is de rente niet aftrekbaar (onbelast), een afboeking is niet aftrekbaar. De Hoge Raad stelt het volgende:

  • Indien en voor zover een geldverstrekking door een vennootschap aan haar aandeelhouder plaatsvindt onder zodanige voorwaarden en omstandigheden dat daarbij door die vennootschap een debiteurenrisico wordt gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, moet - behoudens bijzondere omstandigheden - ervan worden uitgegaan dat die vennootschap dat debiteurenrisico in zoverre heeft aanvaard met de bedoeling het belang van haar aandeelhouder in die hoedanigheid te dienen. Dit brengt mee dat een eventueel verlies op de geldlening in zoverre niet in mindering op de winst van die vennootschap kan worden gebracht.

Bij een onzakelijke lening is de rente wel belast bij de ontvanger en aftrekbaar bij de betaler. De afboeking van de lening wordt echter niet geaccepteerd. De Belastingdienst zit er sinds 2011 fors op, onder meer bij:

  • Leningen vanuit de DGA in privé aan zijn B.V.
  • Leningen tussen B.V.'s onderling.

Als een lening vanuit privé (de DGA) aan een B.V. wordt verstrekt en als onzakelijk wordt gezien, dan ga ik er vanuit dat de lening bij de verkrijgingsprijs van de aandelen kan worden gevoegd (in de toekomst minder box 2 heffing).

Als een lening vanuit de ene B.V. aan de andere B.V. wordt verstrekt, dan ga ik er vanuit dat de lening bij de kostprijs deelneming mag worden gevoegd.

Belastingtip fiscaal jurist

Leg leningen goed schriftelijk vast en beding als geldverstrekker ook zekerheden. Doe afboekingen op de lening niet te snel en neem wel allerlei maatregelen om het geld binnen te krijgen (zakelijk handelen). Overleg vervolgens met een fiscaal jurist om te bekijken hoe en wanneer er op de lening wordt afgeboekt. Heeft u vragen? Stuur mij gerust een e-mail, beantwoording zal zonder verdere kosten plaatsvinden.

Bron

Rechtbank Arnhem d.d. 31 januari 2013 (publicatie 19 februari 2013).

0000-00-00 0000-00-00 3660

DGA en eigen woning

De directeur-grootaandeelhouder (DGA) van een B.V. kan eens met zijn fiscaal jurist nadenken over zijn eigen woning. Wat is er mogelijk?

  1. Grond onder de eigen woning verkopen aan de B.V. en in erfpacht uitgeven.
  2. De woning aan de B.V. verkopen.
  3. Hypotheek via de B.V. afsluiten (bijvoorbeeld tegen een rente van 0%).
  4. Bijgebouw of garage via de B.V.

In 2016 hebben wij diverse DGA's geadviseerd bij nieuwe structuren en overdrachten van woningen. Soms om een lagere hypotheekrente te krijgen, een rekening-courantschuld af te lossen en / of om goedkoper te wonen / werken.

Grond in erfpacht (ad 1)

De grond wordt verkocht aan de B.V. tegen de waarde in het economische verkeer. De opbrengst is voor de DGA belastingvrij. De DGA zal vervolgens (eeuwigdurend en niet voor 30 jaar) een erfpachtcanon kunnen aftrekken van zijn inkomen. De erfpacht is dan aftrekbaar tegen 52% en in de B.V. (direct) belast tegen 20% of 25% vennootschapsbelasting. Aandachtspunten zijn:

  1. afschrijving grond in de B.V. mogelijk;
  2. is de structuur zakelijk;
  3. prijs voor de grond;
  4. dividenduitkering in de toekomst (of direct);
  5. toekomstige verkoop van de grond (en de woning) aan een derde.

Een zorgvuldig opgezette structuur is van belang. De rechter heeft al eens een structuur afgekeurd (fraus legis) en sinds de uitspraak van de Hoge Raad van 8 juli 2016, nr 15/04315, is de constructie voor bestaande situaties bijna onhaalbaar geworden. De Hoge Raad heeft hier geoordeeld dat bij vervreemding van de grond in ruil voor het verkrijgen van erfpacht de te betalen erfpachtcanon niet aftrekbaar is als aftrekbare kosten van de eigen woning. Volgende de Hoge Raad moet er een direct verband zijn tussen de erfpacht en de verwerving, aankoop c.q. verbouwing of onderhoud van de eigen woning. In bestaande situaties is dit verband er niet, omdat de woning al een eigen woning is volgens de Wet IB 2001 voordat het recht van erfpacht wordt gevestigd.

De woning aan de B.V. verkopen (ad 2)

De woning kan ook worden verkocht aan de B.V. of wellicht in de B.V. worden ingebracht (mits privé-onderneming in de eigen woning). Een dergelijke transactie kent een aantal voordelen en nadelen. De belangrijkste voordelen zijn:

  1. Kosten eigen woning zijn aftrekbaar (onderhoud, gemeentelijke kosten, etc.).
  2. De B.V. kan de woning afschrijven ten laste van de winst, de woning is immers een bedrijfsmiddel. Afschrijving op vastgoed is echter beperkt (afschrijving tot maximaal de bodemwaarde). Omdat het een beleggingspand is, bedraagt de bodemwaarde de WOZ-waarde. Afschrijving is derhalve beperkt.
  3. Afwaardering woning tot lagere bedrijfswaarde, dit lijkt mogelijk, temeer omdat woningen en beleggingspanden substantieel in waarde dalen. Dit kan een substantieel voordeel opleveren. In privé is een verlies niet aftrekbaar, in een B.V. wel. Een afwaardering tot een lagere bedrijfswaarde moet plaatsvinden in het jaar waarin de substantiële waardedaling zich heeft voorgedaan, u mag dus niet zomaar willekeurig kiezen. U mag niet afwaarderen als sprake is van incidentele prijsschommelingen.
  4. De B.V. kan de hypotheekrente in lengte der jaren aftrekken, derhalve geen hypotheekrenteaftrekbeperkingen na 30 jaar en / of een bijleenregeling.

Belangrijkste nadeel is wel dat de DGA (niet aftrekbare) huur aan zijn eigen B.V. moet gaan betalen. Daar staat tegenover dat de B.V. over de ontvangen huur wel gewoon 20% of 25% vennootschapsbelasting moet betalen. Bovendien komt op de huur nog eens een aanmerkelijkbelangclaim (box 2)  te rusten van 25%. De huurgelden kunnen door de DGA - nadat de kosten in de B.V. zijn betaald - wel weer als dividend uitgekeerd worden, zodat de nettolast in privé beperkt is. Als u deze structuur zou doorrekenen, komt u tot de conclusie dat dit niet snel financieel aantrekkelijk is. Door de bijleenregeling (zie hierna) kan de structuur - in z'n geheel gezien - wel weer aantrekkelijk zijn. Daarnaast is de waardedaling van de woning voor de B.V. aftrekbaar.

Hypotheek via de B.V. (ad 3)

De hypotheekrenteaftrek is een veelbesproken onderwerp. Vroeg of laat zal de hele regeling op de schop gaan, echter het is nog (lang) niet zover. Derhalve dient het te behalen voordeel te worden geoptimaliseerd zolang het nog kan.

Een DGA (directeur-grootaandeelhouder) kan de hypotheek via zijn B.V. opzetten. Indien dit op de juiste wijze wordt vormgegeven, levert dit direct geld op. Hieronder een uiteenzetting van deze optimalisatie.

De rente op een schuld die is aangegaan ten behoeve van de aankoop, onderhoud of verbetering van een eigen woning is aftrekbaar in box 1. Bij wie de schuld is aangegaan, doet niet ter zake. Dit betekent dat ook uw eigen B.V. als leningverstrekker kan optreden. Ook de overname van een bancaire schuld door uw B.V. (schuldovername) staat de renteaftrek niet in de weg. De hypotheek bij de eigen B.V. is een aansprekende en flexibele manier van eigenwoningfinanciering. De rente die u aan de B.V. betaalt, blijft voor u aftrekbaar in box 1. Bij de B.V. zal het rendement op de overtollige liquiditeiten (bijv. depositorente) worden ingewisseld voor het rendement op de eigenwoninglening. Afhankelijk van uw situatie kan de hypotheek tegen een hoge rente (zeg 6%) of tegen een lage rente (0%) kunnen worden verstrekt. Een uitgebreid artikel over dit onderwerp treft u hier aan.

Bijgebouw of garage in de B.V. (ad 4)

Steeds vaker zien wij dat een bijgebouw (echt kantoor, dus met toilet en separaat te verhuren) of garage door de B.V. wordt gebouwd. De belangrijkste voordelen zijn:

  • Financieringslasten aftrekbaar (en niet beperkt tot 30 jaar);
  • BTW op de nieuwbouw verrekenbaar;
  • Kosten aftrekbaar;
  • Deel algemene kosten eigen woning (tuinman, schilder, etc.) aftrekbaar;
  • Lagere WOZ-waarde eigen woning.

Noot fiscaal jurist over woning en DGA

Het verkopen van de grond en weer uitgeven tegen erfpacht komt in de praktijk (nog) weinig voor, dit is een aantrekkelijke optie. Het verkopen van de eigen woning aan de B.V. is een stuk complexer, maar kan wel voordelig zijn, veelal bent u bij de verkoop overdrachtsbelasting verschuldigd. De hypotheek via uw B.V. laten lopen komt in onze praktijk steeds vaker voor.

Een reden om de woning (tijdelijk) aan de B.V. te verkopen kan de bijleenregeling zijn. U kunt gewoon in uw woning blijven wonen en na 3 jaar is de bijleenregeling niet meer van toepassing (uitgewerkt). U kunt de woning weer terugkopen en weer volledig financieren tegen een aftrekbare rente. Een opzet (vooraf geheel duidelijk) kan een probleem veroorzaken (fraus legis). De nieuwe schuld moet dan wel annuïtair worden afgelost (nieuwe hypotheekrecht).

DGA en zijn eigen woning [news] 2013-03-24 0000-00-00 0000-00-00 3677
Hypotheek aan DGA of werknemer [news] 2013-03-27

Hypotheekrente DGA of werknemer

Fiscale truc met voordelen

Een DGA (directeur-grootaandeelhouder) kan de hypotheek via zijn B.V. opzetten. Indien dit op de juiste wijze wordt vormgegeven, levert dit direct geld op. Hieronder een uiteenzetting van deze optimalisatie. De B.V. hoeft geen rente in rekening te brengen aan de DGA en mag er ook voor kiezen een hogere rente te rekenen. De Staatssecretaris heeft in maart 2013 aangegeven dat ook onder de werkkostenregeling dit voordeel blijft.

Nieuws 2015

In de fiscale verzamelwet 2015 staat dat de nihilwaardering voor hypotheken via de werkgever niet meer tegen 0% kan worden verstrekt. De nihilwaardering binnen de werkkostenregeling komt te vervallen. Het rentevoordeel mag ook niet in de vrije ruimte worden ondergebracht (dus niet aanwijzen als eindheffingsbestanddeel). Het voordeel (verschil betaalde rente werknemer en marktrente) moet (wellicht al vanaf 2016) als loon worden gezien. De nihilwaardering blijft wel bestaan voor de (elektrische) fiets of scooter.

Neem een hypotheek bij uw eigen B.V.

De rente op een schuld die is aangegaan ten behoeve van de aankoop, onderhoud of verbetering van een eigen woning is aftrekbaar in box 1. Bij wie de schuld is aangegaan, doet niet ter zake. Dit betekent dat ook uw eigen B.V. als leningverstrekker kan optreden. Ook de overname van een bancaire schuld door uw B.V. (schuldovername) staat de renteaftrek niet in de weg.

De hypotheek bij de eigen B.V. is een aansprekende en flexibele manier van eigenwoningfinanciering. De rente die u aan de B.V. betaalt, blijft voor u aftrekbaar in box 1. Bij de B.V. zal het rendement op de overtollige liquiditeiten (bijv. depositorente) worden ingewisseld voor het rendement op de eigenwoninglening. Indien het rendement op de eigenwoninglening hoger is dan het rendement op de overtollige liquiditeiten, zal een voordeel worden behaald. Een B.V. die momenteel een rendement maakt van ongeveer 6% op haar uitgezette geld doet het best aardig! Het vorenstaande is tevens mogelijk als er geen overtollige liquiditeiten aanwezig zijn, indien de B.V. geld leent van de bank en dit vervolgens doorleent aan privé ten behoeve van de eigen woning.

Zoals hierboven reeds weergegeven, is de hoogte van het rentepercentage belangrijk (hoe hoger, hoe beter). Een hoger rentepercentage kan verdedigbaar zijn door in de leningsovereenkomst een langere rentevastperiode te kiezen, tussentijds boetevrij te kunnen aflossen, een tophypotheek te verstrekken en te werken met een wat zachtere zekerheid in de vorm van een positieve / negatieve hypotheekverklaring (in plaats van een hypothecaire inschrijving).

Verder kan worden gedacht aan het overeenkomen van een afsluitprovisie bij het aangaan van de lening. Deze afsluitprovisie is onder de eigenwoninglening aftrekbaar. Het maximale bedrag dat ineens in aftrek mag worden genomen, bedraagt 1,5% van de eigenwoningschuld met een maximum van € 3.630 (per belastingplichtige). Het meerdere is naar evenredigheid aftrekbaar over de looptijd van de lening.

Bijkomstig voordeel bij de hypotheek bij uw eigen B.V. is, dat u deze zo lang mogelijk volledig (geen aflossing) in stand kunt laten. Bij een eventuele verhuizing in de toekomst vermindert u de negatieve gevolgen van de zogeheten bijleenregeling.

0000-00-00 0000-00-00 3680
Wijziging DGA pensioen in 2014 [news] 2013-03-30

Wijziging DGA-pensioen in 2014

Update

Directeuren-grootaandeelhouders (DGA's) krijgen in 2017 (en 2018 en 2019) de mogelijkheid om hun pensioen in eigen beheer van de balans te halen (af te kopen). Dit kan met een korting van 34,5% in 2017 (en in de jaren daarna tegen lagere percentages, namelijk 2018: 25% en 2019: 19,5%). Heeft u geen geld, dan resteren er twee opties:

  1. Premievrij maken;
  2. Spaarvariant kiezen.

Pensioen in eigen beheer opbouwen is dus vanaf 2017 feitelijk voorbij.

De invoering is uitgesteld tot 1 april 2017, lees hiertoe deze brief van de Staatssecretaris van Financiën.

Inleiding

De DGA moet zijn pensioen per 1 januari 2014 aanpassen. De belangrijkste reden is dat de pensioenleeftijd in 2014 naar 67 jaar wordt verhoogd. De DGA die is geboren na 1950 moet dus aan de slag met zijn pensioen. De wijziging moet in 2013 worden doorgevoerd. Het eenvoudig opstellen van een nieuwe pensioenbrief is niet verstandig, laat u goed adviseren en neem er de tijd voor.

Een korte terugblik op het DGA-pensioen

We hebben al vele stelsels gehad, de belangrijkste waren:

  • Pre-Witteveen (tot uiterlijk 01-06-2004): opbouwpercentage 2,33%, lage AOW-franchise (8/7 zelfstandig, geschoond), opbouw over auto van de zaak, pensioenleeftijd 60 jaar, met een overbruggingspensioen voor de periode 60-65.
  • Witteveen (tot 01-01-2006): 2% opbouw, hoge(re) bruto ongehuwden, AOW-franchise op basis van 10/7 bruto ongehuwde AOW-uitkering, pensioenleeftijd 60 jaar. 
  • VPL: 2% opbouw en pensioenleeftijd 65 jaar.
  • Vanaf 2014 wordt het 1,9% en 67 jaar als pensioendatum. En alvast voor de periode daarna (2015) zelfs 1,5% met ook nog eens een maximaal pensioengevend salaris tot € 100.000. 

Commerciële en fiscale waarde DGA-pensioen

Door de wetswijziging in de B.V. (flex B.V. in oktober 2012) is de commerciële en fiscale waardering ook van belang geworden. Er is een beperking op het uitkeren van dividenden als dit eigenlijk niet zou kunnen, hiertoe is de commerciële waarde van het pensioen van belang. Betrek hierbij ook het nabestaandenpensioen. Meestal is dit extern ondergebracht, maar als dit niet zo is, moet dit bij de waardering worden betrokken.

Overwegingen bij de DGA

  1. Commercieel en fiscaal: laat uw pensioenvoorziening berekenen en kijk of de commerciële waarde wel binnen de B.V. aanwezig is.
  2. Nabestaandenpensioen: bekijk of het zinvol is om dit extern te verzekeren, regel dit voor uw partner / kinderen!
  3. Vermogen: bekijk of het vermogen voor uw pensioen wel aanwezig is. Veelal zien wij dat de B.V. een onderneming heeft waar de waarde in is opgeslagen en / of een rekening-courantvordering op de DGA. Dit is niet verstandig, probeer om  - bijvoorbeeld - 70% van de benodigde middelen opzij te leggen in beleggingen of een aparte spaarrekening.
  4. Echtscheiding: bereken wat de gevolgen voor het pensioen in eigen beheer zijn als u zou gaan scheiden, sommige bedrijven komen bij een echtscheiding van de DGA in substantiële problemen.
  5. Overlijden: laat uw pensioenadviseur berekenen wat de gevolgen zijn als u komt te overlijden.

Vragen over DGA-pensioen

Neem gerust contact op en laat u geheel vrijblijvend adviseren. Voor zeer complexe vraagstukken werken wij samen met pensioenspecialisten.

0000-00-00 0000-00-00 3686

DGA en auto

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) kan een auto in privé of in zijn B.V. kopen. Als er een nieuwe auto wordt gekocht, is het meestal voordeliger om een auto door de B.V. te laten kopen en de bijtelling voor lief te nemen. De laatste jaren is de elektrische auto in opkomst. Deze is minder praktisch, maar fiscaal erg aantrekkelijk (extra aftrekposten en lagere bijtelling). Als de DGA een auto in privé koopt, mag hij € 0,19 per zakelijk gereden kilometer aan vergoeding ontvangen, via de werkkostenregeling kan deze vergoeding wellicht hoger worden vastgesteld. Meer adviezen over de auto van de zaak? Lees hier

Vrijblijvend advies over auto van de zaak en DGA

Regelmatig adviseren wij DGA's over nieuwe mogelijkheden en structuren, bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen. Er zijn leuke structuren te bedenken als u energiezuinige en / of meerdere auto's zou rijden. Wij leggen dit voor aan de Belastingdienst zodat u vooraf zekerheid heeft.

Beperken bijtelling en fiscale APK

Overweeg eens een fiscale scan van uw bedrijf. Wij toetsen uw bedrijf op meer dan 100 adviesonderdelen en bekijken ook of u uw bijtelling kunt optimaliseren.  Kort en goed bekijken wij het volgende;

  • Maakt u optimaal gebruik van de fiscale wetgeving ?
  • Is uw structuur en rechtsvorm op orde?
  • Uw positie als ondernemer/DGA t.o.v. van uw prive situatie.
  • Continuiteit, verkoop, bedrijfsopvolging op orde.
  • Optimalisatie van uw fiscale positie.
  • Check inzake mogelijk boekenonderzoek, wat zijn de risico's?
  • Loonheffingen en onkostenvergoedingen optimaal via WKR tool?

Stuur een e-mail voor een vrijblijvende offerte.

Pensioen, DGA en auto van de zaak

Het is voordelig om het salaris met de bijtelling te verhogen en dan een eigen bijdrage te betalen, de grondslag voor het DGA-pensioen is dan hoger, dit kan een fiscaal voordeel opleveren. Eventueel kunt u ook kijken of het mogelijk is om door inkoop oudere dienstjaren het pensioen nog verder te optimaliseren.

Auto van de zaak en DGA

Als de DGA een auto van de zaak zou rijden, mag de B.V. alle kosten met betrekking tot de auto betalen. Eventueel in privé betaalde kosten voor parkeren, ANWB, tolgelden, etc. mag de B.V. belastingvrij vergoeden. Soms is het voordelig om de auto na 2 jaar over te hevelen naar privé. De verkoop moet dan in principe met BTW plaatsvinden. Met enige regelmaat adviseren wij DGA's over het voorkomen van deze BTW bij de verkoop van de auto naar privé.

Voor de DGA gelden soms bijzondere regels, hierbij kunt u denken aan de situatie waarbij aan de DGA meerdere auto's ter beschikking worden gesteld en / of als de DGA een auto ter beschikking stelt aan zijn zoon of dochter (in plaats van een beloning in geld).

Auto in privé en de DGA

De B.V. mag € 0,19 per kilometer belastingvrij vergoeden aan de DGA, overige kosten mogen niet worden vergoed. Binnen de werkkostenregeling is soms een hogere vergoeding mogelijk. Soms is het verstandig om het salaris van de DGA te verhogen zodat de kosten kunnen worden verhoogd. De pensioengrondslag gaat hiermee ook omhoog, dit kan een voordeel opleveren. In sommige gevallen is het verstandig om niet het salaris te verhogen, maar dividend uit te keren, dit is een kwestie van rekenen. Als de DGA tijdens een zakelijke rit schade aan zijn privé-auto zou rijden, dan mag de B.V. deze schade belastingvrij vergoeden. Om de kilometers te mogen vergoeden, moet de DGA wel een eenvoudige rittenregistratie bijhouden waaruit de zakelijke en woon-werkkilometers volgen.

Vragen DGA en auto

In de praktijk adviseren wij vele DGA's over de auto, meest voorkomende adviezen zijn:

  1. Auto in B.V. of privé (eenvoudige berekening maken).
  2. Advisering omtrent auto op buitenlands kenteken.
  3. Auto samen met partner rijden.
  4. Advisering bij meerdere auto's op de zaak
  5. Hoe voordelig een kostbare en / of exclusieve auto rijden.
  6. Auto naar privé overhevelen zonder BTW.

Heeft u vragen of opmerkingen, stuur gerust een e-mail of maak een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor.

[news] 2015-03-31 0000-00-00 0000-00-00 3691

DGA en rekening-courantschuld

Bijna iedere directeur-grootaandeelhouder (DGA) heeft wel een rekening-courant bij zijn vennootschap(pen). Sinds enkele jaren  heeft de Belastingdienst veel belangstelling voor dergelijke schulden. Er wordt ook steeds vaker over rekening-courantschulden geprocedeerd en dit zal de komende jaren alleen maar toenemen. In 2023 komt er nieuwe wetgeving waardoor de DGA maximaal € 500.000 mag lenen van zijn BV (m.u.v. leningen voor zijn eigen woning).

Wij adviseren regelmatig DGA's met forse rekening-courantschulden. Hierbij wordt ook gekeken naar:

  • verrekening rekening-courant met afkoop pensioen;
  • kwijtschelden vordering DGA i.v.m. oninbaarheid;
  • laten vervallen DGA-schuld i.v.m. 5-jaarstermijn;
  • aflossing rekening-courant via overdracht activa vanuit privé.

Update 17 juni 2020

Het wetsvoorstel inzake excessief lenen ligt sinds 17 juni 2020 bij de tweede kamer (dit voorstel kunt u hier raadplegen). Vanaf 2023 worden DGA's (AB houders) beperkt in het geld lenen van hun BV (tot maximaal € 500.000), met uitzondering van bestaande eigenwoning schulden. Het gaat om 11.000 DGA's die iets moeten veranderen in de afspraken met hun BV.

Zijn er mogelijkheden om uw rekening courant schuld terug te brengen?

Rekening courant terugbrengen door fiscale APK 

Overweeg eens een fiscale scan van uw bedrijf. Wij toetsen uw bedrijf op meer dan 100 adviesonderdelen en bekijken hierbij ook of uw rekening courant schuld kan worden teruggebracht. Kort en goed bekijken wij het volgende;

  • Maakt u optimaal gebruik van de fiscale wetgeving ?
  • Is uw structuur en rechtsvorm op orde?
  • Uw positie als ondernemer/DGA t.o.v. van uw prive situatie.
  • Continuiteit, verkoop, bedrijfsopvolging op orde.
  • Optimalisatie van uw fiscale positie.
  • Check inzake mogelijk boekenonderzoek, wat zijn de risico's?
  • Loonheffingen en onkostenvergoedingen optimaal?

Stuur een e-mail voor een vrijblijvende offerte.

Zakelijk handelen met de B.V.

Iedere aandeelhouder dient zakelijk te handelen met zijn vennootschap(pen). Dit betekent dat de verstrekking, als de voorwaarden waaronder dit geschiedt, moet geschieden zoals dat ook tussen derden het geval zou zijn geweest. Om fiscaal niet tegen ongewenste gevolgen aan te lopen, dient u rekening te houden met het volgende:

  • Kijk goed naar de vermogenspositie van de schuldenaar (zou deze ook een lening van een derde kunnen ontvangen?).
  • Stel een zakelijke rente vast.
  • Kom een aflossingsschema overeen.
  • Leg de lening en de bijbehorende voorwaarden vast in een overeenkomst.
  • Indien het bovenstaande niet juist is vormgegeven, kan de Belastingdienst de rente gaan corrigeren en mogelijk de lening aanmerken als onzakelijk met alle gevolgen van dien.

Rente rekening-courantschuld tot € 17.500

Bij een schuld van de aandeelhouder tot € 17.500 hoeft geen rente in rekening te worden gebracht. Hier tegenover staat dat de schuld niet in box 3 mag worden opgenomen.

Belastingdienst en rekening-courant

De Belastingdienst heeft een speciale site over de rekening-courant van de aandeelhouder (kijk hier). U kunt erop wachten dat de Belastingdienst in 2016 / 2017  strikter gaat kijken naar DGA's met een schuld aan hun B.V. Essentie volgens de Belastingdienst is het volgende:

  • Lening tegen zakelijke voorwaarden (voorwaarden die een bank ook zou stellen).
  • De lening moet schriftelijk worden vastgelegd.
  • Er moeten afspraken worden gemaakt over terugbetaling van de lening.
  • De B.V. heeft voldoende zekerheden.
  • De B.V. moet aan haar verplichtingen kunnen blijven voldoen als u de lening opneemt.
  • Als er onzakelijk wordt gehandeld, voldoet de lening niet aan de voorwaarden, de lening wordt dan gezien als inkomen.

Rekening-courant en de DGA

Een hoge rekening-courantschuld is niet wenselijk, zowel fiscaal als naar uw bank. Ook bij een faillissement kan een rekening-courantschuld ervoor zorgen dat uw privévermogen wordt aangesproken bij een faillissement van uw B.V. Door een rekening-courantschuld kan ook het vormen van een normale pensioenvoorziening in gevaar komen. Als de B.V. haar verplichtingen niet kan nakomen door rekening-courantopnamen door de DGA, dan kan dit een onrechtmatige daad tot gevolg hebben. Hierdoor is de bestuurder aansprakelijk voor schulden bij een faillissement van de B.V. (Rechtbank Den Haag 5 april 2012).

Als een DGA geld uit zijn B.V. heeft geleend voor consumptieve zaken, dan kan dit voor de Belastingdienst een reden zijn om te veronderstellen dat sprake is van een uitdeling of genoten salaris. Dit komt sneller in beeld als er geen zekerheid wordt geboden en / of de schuld onvoldoende is vastgelegd, resp. als hetgeen is vastgelegd niet wordt nagekomen. In mijn praktijk wordt dit meestal wel opgelost, bijvoorbeeld door met de Belastingdienst af te spreken dat de schuld in 3 tot 5 jaar wordt afgebouwd via bijvoorbeeld een dividenduitkering.

Dividend uitkeren en rekening-courant

De eenvoudigste manier om een rekening-courantschuld weg te werken is de dividenduitkering. Er moet wel brutering plaatsvinden, voor een schuld van € 100.000 moet een dividend van ruim € 133.000 worden uitgekeerd. De B.V. heeft hiervoor in contanten dus € 33.000 nodig. Een deel wordt bij de dividenduitkering door de B.V. voldaan en een deel door de DGA, in totaal moet 25% worden betaald. Als u te maken krijgt met de stelling dat er sprake is van een uitdeling, kunt u een aantal stellingen betrekken:

  1. Ik regel het alsnog goed en zal privé zekerheden verstrekken en tot aflossing overgaan.
  2. Maak een plan om binnen 3 jaar de schuld in z'n geheel af te lossen.
  3. Probeer een deel van de schuld wel als zakelijk te laten staan (voorbeeld Rechtbank Den Haag 2 maart 2010). Een DGA had een schuld van € 450.000, deze was opgelopen tot € 660.000. Er was geen schriftelijke overeenkomst. Inspecteur stelt: "uitdeling." Rechtbank stelt: "uitdeling voor de opname ad € 210.000 en niet voor geheel," voor restant niet omdat voor dit deel artikel 4.43 IB niet aannemelijk is gemaakt.

Let op ... een dividenduitkering is alleen mogelijk als de B.V. over positief vermogen beschikt. Om dit vermogen te bepalen, moet u de pensioenverplichting om commerciële waarde waarderen, deze is meestal hoger dan de (fiscale) waarde die op de balans staat. U moet ook rekening houden met de uitkeringstoets (kan de B.V. geld als dividend uitkeren zonder de B.V. in gevaar te brengen, deze eis moet u sinds 2012 toepassen).

Terugbetaling van kapitaal

De meest eenvoudige manier om een rekening-courantschuld te verlagen is het verminderen van kapitaal. Dit kan alleen als er voldoende kapitaal is gestort dat fiscaal ook is erkend.

Rekening-courant en rentevoordeel

Op 25 februari 2011 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan inzake een DGA die geld had geleend van zijn vennootschap tegen een rente van 2,5% en dit geld vervolgens op privérekeningen zette tegen een hogere rente percentage. Hierdoor maakte de DGA een onbelaste winst in privé. De inspecteur was het niet eens met de DGA. De Rechtbank stelde de DGA in het gelijk, het Hof echter niet. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad zich over deze zaak gebogen en kwam met de volgende uitspraak. De kennis van tarieven op spaarrekeningen is niet als bijzondere vorm van kennis aan te merken, aangezien deze gewoon op het internet staan. Het standpunt van het Hof dat de winst in box 1 belast moest worden wegens activiteiten die normaal vermogensbeheer te boven gaan, gaat derhalve niet op. De activiteiten zijn volgens de Hoge Raad niet substantieel genoeg, waardoor sprake is van normaal vermogensbeheer en derhalve is het rentevoordeel onbelast.

Conclusie rekening-courant

Neem altijd tijdig contact op met uw belastingadviseur om te beoordelen of u aan alle voorwaarden en formaliteiten voldoet. Dit kan ongewenste gevolgen voorkomen.

Bron DGA en rekening-courant

Hoge Raad 25 februari 2011.

Rechtbank Den Haag 5 april 2012.

Rechtbank Den Haag 2 maart 2010.

[news] 2013-03-31 0000-00-00 0000-00-00 3692
Periodiek verrekenbeding DGA [news] 2013-03-31

Periodiek verrekenbeding DGA

Veel ondernemers zijn op huwelijkse voorwaarden getrouwd. In de traditionele advisering behoort de onderneming toe aan de man en de woning aan de vrouw (of gemeenschappelijk). In de meeste huwelijkse voorwaarden staat een verrekenbeding welke ervoor moet zorgen dat extra inkomen gelijk over de man en de vrouw wordt verdeeld.

Het belang van een jaarlijkse verrekening is groot en toch wordt dit meestal vergeten. Het niet verrekenen kan ervoor zorgen dat bij een echtscheiding het ondernemingsvermogen of de B.V. (deels) moet worden gedeeld resp. bij een faillissement wordt ook het andere vermogen meegetrokken.

Niet verrekenen, wat zegt de rechter?

Uitspraak over echtscheiding DGA

Op 26 oktober 2001 deed de Hoge Raad (ons hoogste rechtscollege) een bijzondere uitspraak. In essentie stelde de Hoge Raad het volgende:

  • Partijen hebben huwelijkse voorwaarden opgesteld.
  • Partijen hebben aan de tussen hen overeengekomen huwelijkse voorwaarden nimmer uitvoering gegeven.
  • Partijen hebben tijdens het huwelijk niet jaarlijks de overgespaarde inkomsten verdeeld. 
  • Partijen hebben geen administratie bijgehouden waaruit een verdeling zou kunnen worden opgemaakt.
  • Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van het verrekenbeding, heeft dit tot gevolg dat partijen gehouden zijn de vermogensbestanddelen die zij tijdens hun huwelijk hebben verworven en waarvan niet kan worden vastgesteld dat zij naar de bedoeling van partijen of van een derde zonder enig recht op verrekening behoren tot het vermogen van één van de partijen, alsnog te verdelen alsof deze vermogensbestanddelen aan hen gemeenschappelijk toebehoren.
  • In beginsel en behoudens bewijs van het tegendeel moet in een dergelijk geval immers ervan worden uitgegaan dat partijen deze vermogensbestanddelen hebben verkregen uit of door belegging van overgespaarde inkomsten.

Conclusie: huwelijkse voorwaarden niet bijgehouden, derhalve is alles gekocht uit het overbespaarde inkomen en is dit gemeenschappelijk.

Uitspraak over faillissement DGA

In een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam op 19 augustus 2009 komt een andere situatie aan bod. Een curator in een faillissement claimt de eigen woning van de niet failliet. Reden: de failliet heeft bijgedragen aan de hypotheekrente. De faillissementswet (artikel 61 voor de liefhebber) stelt dan dat, als verrekening niet heeft plaatsgevonden, het vermogen dat hierdoor is gevormd geacht wordt gemeenschappelijk te zijn. Gevolg: vermogen (de woning) valt in de failliete boedel.

Uitspraak wijziging huwelijkse voorwaarden en DGA

Truus heeft een onderneming in de vorm van een B.V., Henk is huisman. Ze trouwen in 1985 op huwelijkse voorwaarden. De huwelijkse voorwaarden worden in 2007 aangepast (inkomensbegrip wordt beperkt en winsten in de B.V. vallen buiten verrekenbeding). In 2009 gaan Truus en Henk scheiden. De notaris had Henk niet verteld dat hij door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zijn recht op waardestijging van de aandelen in de B.V. (en de opgepotte winsten) had prijsgegeven. Dit was een benadeling voor meer dan 25% waardoor er een wettelijk vermoeden is van dwaling (artikel 3:196 BW). De Rechtbank in Breda was dit op 9 februari 2011 met Henk eens, de overeenkomst is vernietigd en er moest alsnog worden verrekend.

Verrekening bij DGA vergeten

Wij maken regelmatig voor onze cliënten een vermogensoverzicht. De cliënt weet dan waar hij aan toe is als hij zou gaan scheiden. De opstelling wordt meestal bij de aangifte gevoegd.

Als in het verleden een dergelijke opstelling niet is gemaakt, dan moet er alsnog over het verleden worden verrekend. Er moet dan een zogenaamde vaststellingsovereenkomst worden gesloten (artikel 7:900 BW). Als adviseur moeten hierbij de belangen van beide echtelieden zorgvuldig worden meegewogen en het is ook verstandig om de overeenkomst uiteindelijk via een notaris te laten bekrachtigen. Als blijkt dat een dergelijke overeenkomst niet juist is opgesteld, dan kan deze eventueel in de toekomst worden vernietigd.

Doel verrekenbeding bij de DGA

Een periodiek verrekenbeding komt bij veel ondernemers voor. De reden is dat via een verrekenbeding een deel van het vermogen uit de B.V. / onderneming kan worden overgeheveld naar de partner, dit deel van het vermogen is dan veilig gesteld (van de ondernemingsrisico's). Een betaling op grond van een verrekenbeding kan niet door een curator worden aangepakt. De verrekening wordt fiscaal ook niet gezien als schenking. Het is wel vereist dat er ook daadwerkelijk geld wordt overgeboekt. Het overbespaarde inkomen is het inkomen te verminderen met de kosten van de huishouding. Sommige huwelijkse voorwaarden zeggen specifiek wat inkomen is en wat uitgaven zijn. De hypotheekrente of huur behoort tot de kosten van de huishouding (Hoge Raad 27 januari 2006).

Aandachtspunt is dat de notariële bepaling in de huwelijkse voorwaarden meestal ruimte laat voor verschillende interpretaties. De reden is simpel, veel bepalingen zijn lastig te lezen en / of slecht geredigeerd in een andere tijdsgeest. Als iets niet helemaal duidelijk is, dan moet de uitleg in de geest van de bepaling (de letterlijke tekst) en de bedoeling van partijen plaatsvinden. Binnen de juridische wereld staat dit bekend onder de zogenaamde Haviltex formule of Haviltex arrest (uitspraak uit 1981).

Vaststellingsovereenkomst voor oudere jaren

De oudere jaren kunnen alsnog worden verrekend en - zoals hiervoor is genoemd - in een overeenkomst worden vastgelegd. Dit is vaak veel rekenwerk waarbij de archieven hopelijk nog voldoende aanwezig zijn. Als dit niet zorgvuldig zou gebeuren, dan kan de advocaat van de meest gerede partij alsnog gaan "piepen" over de totstandkoming of inhoud van de overeenkomst. De advocaat kan deze overeenkomst dan eventueel laten vernietigen, dit met alle gevolgen van dien. Als er niet is verrekend, dan wordt veelal al snel gesteld dat het op dat moment aanwezig vermogen is ontstaan uit het vermogen dat niet is verrekend. Als er voor het huwelijk al vermogen was en / of als vermogen op een andere wijze (loterij, schenking, etc.) is verkregen, is er wellicht nog een uitweg.

Advisering verrekenbeding en DGA

Een DGA zou erop moeten letten dat hij jaarlijks het verrekenbeding toepast. Het meest eenvoudig kan dit worden toegepast bij het opstellen van de aangifte inkomstenbelasting. Als bijlage wordt er dan een verrekening bij de aangifte gevoegd welke jaarlijks door beide echtelieden wordt ondertekend.

Een ander aandachtspunt is de DGA met een minderheidsbelang, hij heeft geen invloed op de dividendstroom, zijn management fee, etc. De huwelijkse voorwaarden moeten hier wel bij aansluiten, anders zouden eventueel niet uitgekeerde dividenden wel tot de grondslag van de verrekening behoren.

Heeft u vragen? Bel of mail gerust voor een vrijblijvend gesprek.



0000-00-00 0000-00-00 3694

DGA soms recht op WW-uitkering

Werknemers zijn verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen (WW, ZW en WIA). Volgens de WW is er sprake van een werknemer als er een privaatrechtelijke dienstbetrekking is. Bij een DGA of een andere bestuurder is er twijfel of er sprake is van een dienstbetrekking omdat de gezagsverhouding ontbreekt. Hierdoor is het ook twijfelachtig of er recht bestaat op op een WW-uitkering resp. of er de plicht zou bestaan om premies te betalen.

Als een directeur-grootaandeelhouder (DGA) wordt ontslagen, heeft hij meestal geen recht op een WW-uitkering. In sommige gevallen heeft de DGA echter wel recht op een WW-uitkering. Dit is enkel mogelijk als er meerdere aandeelhouders zijn.

Inleiding WW-uitkering voor de DGA

Een DGA betaalt meestal geen premies werknemersverzekeringen, de belangrijkste zijn:

  • de Ziektewet (ZW);
  • de Werkeloosheidswet (WW); en
  • de Wet op Arbeidsongeschiktheidsverzekering; en
  • Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WAO / WIA).

Deze premies moeten pas worden betaald als er sprake is van een dienstbetrekking (en dus een gezagsverhouding tussen de werkgever en de werknemer). Een DGA is vaak zijn eigen werkgever, feitelijk werkgever en werknemer in 1 persoon. Als een DGA meer dan 50% van de aandelen in een B.V. bezit, dan kan hij zelf zijn ontslag bepalen. Hiermee is hij / zij niet verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Als er meerdere aandeelhouders zijn, dan kan dit anders liggen.

Procedure Centrale Raad van Beroep 2011

In een procedure bij de Centrale Raad van Beroep (uitspraak 10 augustus 2011) is bepaald dat een meerderheid van aandelen niet altijd automatisch wil zeggen dat de DGA niet in een gezagsverhouding zou staan. Een DGA was sinds 2002 in dienstbetrekking als algemeen directeur, hij had 64% van de aandelen in de B.V. in zijn bezit. Dit belang is nadien gewijzigd tot 51%. In 2006 wordt de DGA geschorst, in 2008 ging de B.V. failliet en wordt de DGA ontslagen. Vanaf de schorsing is de DGA verplicht verzekerd voor de werknemersuitkeringen (moment schorsing). De DGA kon echter aantonen dat hij al langer in een gezagsverhouding tot de B.V. stond, derhalve voor de schorsing. Volgens de Centrale Raad van Beroep had de DGA recht op (20 maanden) WW-uitkering.

Procedure Hoge Raad 2013

In een procedure bij de Hoge Raad op 22 maart 2013 kwam ook een DGA aan bod. Een DGA was niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen omdat hij samen met zijn bloed- en aanverwanten minstens 66% van de aandelen in een B.V. in bezit had. De eigen aandelen van de DGA tellen hierbij niet mee.

Het UWV kijkt voor de regels in de regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder. De feiten waren eenvoudig: een DGA vroeg een WW-uitkering aan toen de activiteiten van zijn B.V. werden gestaakt en hij werd ontslagen (DGA had 48% van de aandelen). Het UWV weigerde de uitkering te betalen en wees de aanvraag dus af. De DGA stapte naar de rechter. Volgens het hiervoor genoemde besluit moeten de aandelen van bijvoorbeeld een dochter of zoon worden meegeteld. In casu had de dochter 26% van de aandelen. Volgens de Rechtbank, het Gerechtshof en de de Hoge Raad mogen echter de aandelen van de DGA zelf niet worden meegeteld bij het bepalen van de 66% (2/3 van de aandelen). De DGA had recht op een WW-uitkering. In casu had de DGA ook WW-premies afgedragen.

Conclusie fiscaal jurist

Als een DGA binnen familieverband werkzaamheden verricht en hij zelf minder dan 50% van de aandelen in zijn bezit heeft, is er sprake van een bijzondere situatie. De genoemde uitspraak van de Hoge Raad haalt een forse streep door het beleid van de Belastingdienst. Vorenstaande kan betekenen dat er een aantal DGA's rondloopt die feitelijk wel verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. De actie die de Belastingdienst gaat ondernemem is nog niet helemaal duidelijk. Ik verwacht dat een aantal DGA's eerdaags gewoon premies voor werknemersverzekeringen moet gaan betalen en dat zich meer DGA's zullen melden met het verzoek om een WW-uitkering.

WW uitkering voor DGA [news] 2013-04-16 0000-00-00 0000-00-00 3727
Problemen pensioen DGA [news] 2013-05-03

Problemen pensioen eigen beheer van de DGA

Update

Directeuren-grootaandeelhouders (DGA's) krijgen in 2017 (en 2018 en 2019) de mogelijkheid om hun pensioen in eigen beheer van de balans te halen (af te kopen). Dit kan met een korting van 34,5% in 2017 (en in de jaren daarna tegen lagere percentage, namelijk 2018: 25% en 2019: 19,5%). Heeft u geen geld, dan resteren er twee opties:

  1. Premievrij maken;
  2. Spaarvariant kiezen.

Pensioen in eigen beheer opbouwen is dus vanaf 2017 feitelijk voorbij.

De invoering is uitgesteld tot 1 april 2017, lees hiertoe deze brief van de Staatssecretaris van Financiën.

Inleiding

Door de nieuwe wetgeving voor de B.V. sinds 2012 zijn er onverwacht problemen ontstaan bij de pensioen B.V. van de DGA. Pensioen in eigen beheer opbouwen is hierdoor gevaarlijk en een stuk minder aantrekkelijk geworden. Dit komt doordat de fiscale waardering van uw pensioen meestal een stuk lager is dan de commerciële waardering. Gevolg hiervan kan zijn dat u over uw pensioen 72% heffing moet betalen.

Pensioen DGA in eigen beheer

In het verleden werden eenmanszaken ingebracht in een B.V. of werd er een B.V. opgericht en gelijktijdig maar direct een pensioenbrief opgesteld. Elk jaar bouwt de DGA (directeur-grootaandeelhouder) een pensioenaanspraak op, waardoor de B.V. een aftrekpost krijgt. De voorziening wordt gevormd voor een toekomstige pensioenuitkering. De opbouw is aftrekbaar van de winst (minder vennootschapsbelasting betalen) en is in de toekomst belast met inkomstenbelasting. Dotaties aan de voorziening leverden elk jaar een aantrekkelijke aftrekpost op en dus een lagere winst en minder vennootschapsbelasting. In mijn beginjaren was het tarief voor de vennootschapsbelasting nog 34,5%, de laatste jaren is dit tarief verlaagd tot 20% (25% bij hogere winsten).

Belastingdienst gaat controleren

In 2013 en 2014 zal de Belastingdienst scherp gaan controleren op stamrecht B.V.'s, pensioen B.V.'s en rekening-courantschulden van de DGA aan de B.V. Het is dus verstandig om met uw fiscaal jurist te overleggen wat verstandig is. Oplossingen kunnen zijn:

  • overeenkomsten opnieuw opstellen;
  • geen pensioen meer opbouwen;
  • langzamer pensioen opbouwen;
  • pensioen extern verzekeren of banksparen;
  • afsluiten dalende risicoverzekering bij vooroverlijden.

Voorbeeld pensioen in eigen beheer

Henk heeft zijn bedrijf verkocht en is 64 jaar. In zijn holding zit nog een pensioen en een zak met geld. De getallen:

  • Rabobank spaarrekening € 500.000;
  • fiscale pensioenreserve € 300.000 (commercieel € 550.000);
  • eigen vermogen € 20.000;
  • winstreserve € 180.000.

De commerciële waardering van het pensioen is veel hoger, deze bedraagt ongeveer € 550.000. Dit komt door het volgende:

  1. fiscale levensverwachting is 17 jaar, een verzekeraar rekent met ongeveer 20 jaar;
  2. fiscaal blijft de uitkering gelijk, commercieel zal de uitkering jaarlijks met een index stijgen;
  3. fiscaal is de rekenrente 4%, commercieel ongeveer 1,5%;
  4. verzekeringsmaatschappij zal kosten en winst in rekening brengen, hierdoor moet de koopsom hoger zijn, ongeveer 5%.

Gevolgen waardering pensioen van de DGA

Normaal mag Henk de winstreserve ad € 180.000 als dividend uitkeren, hierover is 25% box 2 heffing verschuldigd. De balanstest en de liquiditeitstest leveren geen problemen op, ook wordt er voldaan aan 2:216 BW, dus geen vuiltje aan de lucht. Henk kan prima beslissen om een dividend aan hem uit te keren, tenminste civielrechtelijk. Fiscaalrechtelijk is er wel een probleem. Als de pensioenreserve voor de commerciële waarde wordt opgenomen, dan is de winstreserve weg en is er zelfs een negatief eigen vermogen. De B.V. is niet in staat om ruim 20 jaar een geïndexeerd pensioen van € 25.000 uit te keren.

De Belastingdienst is dan van mening dat er sprake is van een fictieve afkoop van het pensioen van de DGA, dit is zelfs nu al het geval. De gevolgen hiervan zijn dat het pensioen ineens progressief wordt belast (artikel 19B wet Loonheffing) en tevens is er soort boete (revisierente) van 20% verschuldigd (Artikel 30i Algemene Wet inzake Rijksbelastingen). Als Henk een partner zou hebben, dan is het probleem nog groter, met name in de opbouwfase.

Conclusie pensioen DGA

Of u nu pensioen aan het opbouwen bent of reeds van uw pensioen geniet, het is verstandig om eens met een fiscaal jurist te gaan praten om te kijken of er sprake is van een probleem. De Belastingdienst zal stevig in de wedstrijd staan en het is dan verstandig om voordien al stappen te ondernemen. De Belastingdienst kan ook nog terugkijken en dividenduitkeringen van enkele jaren geleden nog terugdraaien. Geen bangmakerij, maar simpelweg een feit.

Ik ga mijn eigen pensioen in eigen beheer stopzetten en kijken naar mogelijkheden om pensioen extern te verzekeren.

0000-00-00 0000-00-00 3750

Tijdsbesteding en gebruikelijk loon DGA

Het gebruikelijk loon van een directeur-grootaandeelhouder (DGA) bedraagt € 45.000 per jaar (cijfers 2018). Mag dit salaris lager worden vastgesteld als de DGA minder voor zijn bedrijf werkt? Volgens fiscalisten is dit wel zo, volgens de rechter niet.

Procedure gebruikelijk loon DGA

Het Gerechtshof in Den Haag deed op 1 februari 2013 (publicatie 31 mei 2013) een bijzondere uitspraak. Een DGA werkte niet fulltime voor zijn B.V. en er werd dan ook gerekend met een lager gebruikelijk loon. Als een DGA een lager loon dan dit salaris wil rekenen, moet hij aannemelijk maken dat dit gebruikelijk is. Dit kan bijvoorbeeld door:

  • in de markt wordt er niet meer betaald voor een dergelijke baan (soortelijke baan zonder aandelen);
  • er wordt meer verdiend dan de meest verdienende werknemer;
  • de B.V. kan het niet betalen.

In deze situatie werkte de DGA gedurende 2 uur per week voor zijn B.V. De Belastingdienst was van mening dat een salaris van € 20.000 gebruikelijk zou zijn. De B.V. was het hier niet mee eens en stapte naar de rechter. Volgens het Gerechtshof speelde het aantal gewerkte uren geen rol. Ook na diverse verwijzingen bleef deze uitspraak in stand (zie onder).

Noot fiscaal jurist gebruikelijk loon

Deze procedure is niet het uitgangspunt. De DGA had moeten stellen en bewijzen dat voor een soortelijk dienstverband (zonder aanmerkelijkbelangaandelen) een lager loon als gebruikelijk zou kunnen gelden. Dit is niet aannemelijk gemaakt.

Voor wie geldt het gebruikelijk loon?

Het gebruikelijk loon geldt niet alleen voor de DGA, maar ook voor andere aandeelhouders met een aanmerkelijk belang. Dit geldt indien een persoon - al dan niet samen met zijn partner - aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • bezit minstens 5% van het in totaal geplaatste aandelenkapitaal in de vennootschap of 5% van het geplaatste kapitaal van een bepaalde soort aandelen;
  • heeft rechten om 5% of meer van het in totaal geplaatste kapitaal of van het kapitaal in een bepaalde soort aandelen van de vennootschap te verwerven;
  • heeft winstbewijzen om 5% of meer van de jaarwinst (of liquidatie-uitkering) van de vennootschap te krijgen;
  • heeft minstens 5% stemrechten in een coöperatie. 

Gebruikelijk loon € 5.000 of lager

Als een DGA geen loon voor zijn werkzaamheden krijgt en zijn gebruikelijk loon niet hoger is dan € 5.000, dan hoeft hij / zij geen loonheffingen over dat gebruikelijke loon te betalen. Betaalt u wel loon - ook al is dat lager dan € 5.000 - dan moet u wel loonheffingen betalen. De grens van € 5.000 wordt niet per B.V. getoetst, maar geldt voor alle werkzaamheden van de aanmerkelijkbelanghouder.

Bron

Gerechtshof Den Haag d.d. 1 februari 2013.

Gebruikelijk loon DGA bij deeltijd [news] 2013-06-11 0000-00-00 0000-00-00 3773
Voorwaarden afzien van pensioen [news] 2013-04-15



Afzien van ingegaan pensioen wegens onderdekking

Vanaf 2013 is het mogelijk om gedeeltelijk van uw reeds ingegane pensioen in eigen beheer af te zien. Dat kan wenselijk zijn als uw B.V. op termijn de verplichtingen niet kan nakomen. Iets dat met enige regelmaat zal voorkomen in deze tijden. Op 18 maart heeft de Staatssecretaris van Financiën een en ander in een besluit toegelicht. Hieruit blijkt aan welke voorwaarden allemaal zal moeten worden voldaan.

Let wel: gesproken wordt over de fiscale waardering van de voorziening. Realiseert u zich dat de werkelijke verplichting veel hoger zal zijn. Laat in elk geval jaarlijks ook deze werkelijke verplichting actuarieel vaststellen, of vraag een offerte bij een professionele verzekeraar. Ook al is deze waarde voor het onderstaande wat minder van belang, het is goed te weten waar u aan toe bent.

De belangrijkste voorwaarden in het kort

  • Dekkingsgraad 75% of lager.
  • Onderdekking is veroorzaakt door reële ondernemings- of beleggingsverliezen.
  • Dekkingsgraad is waarde economisch verkeer van de activa afgezet tegen de pensioenverplichting en schulden.
  • Uitgangspunt is (lage!) fiscale waardering van de voorziening.
  • Vennootschappelijke balans geldt als uitgangspunt.
  • Waarde pand is WOZ voorgaand jaar of lagere WEV.
  • Eventueel correcties bij onzakelijke premies.
  • Correcties bij dividenduitkering of terugbetaling kapitaal in afgelopen 7 jaar.
  • Vrijval winst is winst voor Vpb.

Winst en Vpb-heffing

Het bedrag van de vrijval valt in de winst van de vennootschap en kan leiden tot heffing van vennootschapsbelasting. Veelal zal in een geval van onderdekking van pensioen echter wel sprake zijn van fiscaal compensabele verliezen. Afzien kan dus worden gebruikt om verdamping van verliezen te voorkomen. Om hiervan gebruik te maken, moet eerst een verzoek bij de inspecteur worden ingediend.

Voorbeeld (uit het besluit)

Een directeur-grootaandeelhouder heeft een toegezegd pensioen van € 60.000 per jaar. De activa van de B.V. bedragen € 500.000 (geen stille reserves). De passiva bestaan uit de pensioenverplichting met een fiscale waarde van € 750.000 en overige crediteuren van € 50.000. De dekkingsgraad is hier 62,5% (500.000 / 800.000 * 100%). Als aan alle voorwaarden is voldaan, kan een eenmalige vermindering van de pensioenaanspraken plaatsvinden met 37,5%, (€ 22.500), zodat het aangepaste pensioen € 37.500 bedraagt.

Als de schuld van € 50.000 een hogere rangorde heeft dan de pensioenverplichting (het gaat bijvoorbeeld om een hypothecaire schuld), dan kan de dekkingsgraad worden berekend op 60% (((500.000 -/- 50.000)/ 750.000) * 100%).

(Bron: Staatscourant)

Klik hier voor het gehele besluit.

0000-00-00 0000-00-00 3716

Certificeren van aandelen

Een aandeelhouder heeft feitelijk 2 soorten rechten, zeggenschap (1) en winst (2). Het hoogste orgaan binnen een B.V. is de aandeelhoudersvergadering. De aandeelhouder benoemt / ontslaat de bestuurder en de bestuurder runt de "tent" binnen de contouren welke de aandeelhouder heeft uitgezet. Zolang de aandeelhouder direct betrokken is bij de onderneming, kunnen aandeelhouder / bestuurder prima samengaan. Als de aandeelhouder minder bij de onderneming betrokken is of bij familiebedrijven, zie je dat langzaam een scheiding ontstaat tussen aandeelhouder en bestuurder.

Regelmatig adviseren wij DGA's over nieuwe mogelijkheden en structuren, bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

Certificering, en toen?

Onder omstandigheden kan het verstandig zijn om de stemrechten en vermogensrechten van elkaar te scheiden. Bij certificering dragen de aandeelhouders hun aandelen over aan een nieuwe rechtspersoon (meestal een stichting administratiekantoor of STAK). In ruil voor deze aandelen krijgt de aandeelhouder certificaten. De aandelen in de B.V. worden gehouden door de STAK en de STAK krijgt hiermee alle (aandeelhouders)rechten in de B.V.

De voormalige aandeelhouder heeft na de overdracht geen stemrecht meer in de B.V., tenzij hij (ook) bestuurder binnen de STAK is. De dividenduitkeringen gaan nog wel gewoon naar de oorspronkelijke aandeelhouder. Of er dividend wordt uitgekeerd kan de aandeelhouder niet meer bepalen, deze beslissing moet het bestuur van de STAK nemen (of niet).

Waarom certificeren?

Er kunnen meerdere redenen zijn om tot certificering van aandelen over te gaan. In de praktijk zien wij advisering over dit onderwerp voorbijkomen in de volgende situaties:

  1. Familiebedrijf waarbij sommige leden van de familie wel binnen het bedrijf werkzaam zijn en andere niet.
  2. De DGA (eigenaar-aandeelhouder) wil zich langzaam uit het bedrijf terugtrekken, maar nog wel enige overzicht houden.
  3. Er is sprake van een voorgenomen bedrijfsopvolging waarbij de kinderen langzaam stemrecht en vermogensrecht binnen de onderneming krijgen.
  4. Er zijn erg veel aandeelhouders waardoor de onderneming moeilijker te besturen is, een alternatief is dan een coöperatie of STAK.
  5. Estate planning, de kinderen krijgen via de STAK en het testament wel de vermogensrechten binnen de onderneming, maar geen stemrecht.
  6. De belangen en toekomstige visie van de onderneming lopen niet parallel met de belangen van de aandeelhouder (voorbeeld: bedrijf wil groeien en heeft hiervoor geld nodig en de aandeelhouder wil dividend).
  7. Veilig stellen continuïteit van de onderneming na overlijden van de DGA / aandeelhouder.

Wie is de baas binnen de onderneming?

In de oorspronkelijke vorm was de aandeelhouder de feitelijke baas binnen de onderneming. Na de certificering is het bestuur van de STAK de baas. Het bestuur wordt benoemd door de oorspronkelijke aandeelhouder / DGA. Meestal wordt het bestuur gevormd door de DGA en twee vertrouwelingen (bijvoorbeeld de opvolger, de accountant, fiscalist, advocaat, etc.). Via de hiervoor genoemde route behoudt de DGA nog stemrecht binnen de onderneming. Bij het overlijden van de DGA kan het bestuur gewoon blijven zitten en hierdoor de onderneming aansturen.

Sinds de invoering van de Flex B.V. (in 2012) is het ook mogelijk aandelen in alle soorten en maten uit te geven, hierbij kunt u denken aan aandelen zonder stemrecht, zonder winstrecht, etc. Het belang van certificering is hiermee iets minder geworden. Het is echter wel zo dat houders van stemrechtloze aandelen bij de aandeelhoudersvergadering aanwezig zijn en hier iets mogen zeggen. Bij een STAK is dit niet zo.

Certificering en fiscus

Certificering is in principe een vervreemding en bovendien kan dit tot gevolg hebben dat de fiscale eenheid (omzetbelasting / vennootschapsbelasting) eindigt.

Aandeelhouder natuurlijk persoon (box 2) en certificering

Als een DGA zijn aandelen onderbrengt in een STAK, is feitelijk sprake van een vervreemding / verkoop. Door een besluit van de Staatssecretaris (4 september 2012, nr. BLKB2012/101M ) zal er echter geen belastingheffing in box 2 plaatsvinden. Er zijn echter wel voorwaarden, de belangrijkste zijn:

  • De STAK mag de overgenomen aandelen niet verpanden.
  • Voor elk aandeel krijgt de DGA een certificaat (nominale waarde moet gelijk blijven).
  • STAK moet de dividenden en liquidatie-uitkeringen direct doorbetalen aan de certificaathouder.
  • Ook voor bonusaandelen moet een certificaat worden uitgegeven.
  • Heldere rechten ten aanzien van uitgifte nieuwe aandelen.

Aandeelhouder rechtspersoon en certificering

Als een B.V. / N.V. aandeelhouder is, dan valt de certificering onder de deelnemingsvrijstelling (mits 5% > belang). Door de certificering komt de fiscale eenheid voor de Vennootschapsbelasting te vervallen. Wellicht kan ook de fiscale eenheid voor de Omzetbelasting komen te vervallen.

Certificering van aandelen [news] 2013-09-24 0000-00-00 0000-00-00 4083

Salary split bij bestuurder of directeur

Indien een werknemer in dienstbetrekking is van een werkgever in meerdere landen, dan kan zijn salaris over 2 of meer landen worden verdeeld. Door deze splitsing van het salaris (of salary split) kan een tariefsvoordeel worden behaald, of populair gesteld, met hetzelfde bruto loon heeft de werknemer een hoger netto loon.

Fiscaliteit bij salary split bestuurder

Een werknemer woont in Nederland en geniet salaris vanuit zijn Nederlandse werkgever en zijn buitenlandse werkgever. In beide landen wordt er loonheffing voldaan. Omdat de werknemer in Nederland woont, moet hij in Nederland zijn wereldinkomen opgeven. Het buitenlandse salaris wordt in Nederland vrijgesteld (volgens een formule buitenland / wereldinkomen). De belastingvermindering is gelijk aan de inkomstenbelasting over het wereldinkomen, te verminderen met het aandeel van het buitenlands inkomen t.o.v. het wereldinkomen (de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting). Door de belastingvrije som in het buitenland en het feit dat de tarieven daar oplopen (naar mate omvang salaris), zal er in het buitenland vaak minder belasting verschuldigd zijn dan de voorkoming welke in Nederland wordt gegeven.

Het moet wel zo zijn dat er daadwerkelijk in het buitenland wordt gewerkt. Papier is prima maar als de praktijk anders is, dan werkt de structuur niet. De werkzaamheden moeten ook daadwerkelijk in het buitenland worden uitgevoerd. Het salaris moet ook door de buitenlandse werkgever worden betaald en op zakelijke basis worden vastgesteld (dus redelijk salaris voor het werk dat u verricht). Het salaris mag niet worden doorbelast aan de Nederlandse vestiging. Het is verstandig om in de agenda (en op basis van facturen, tankbonnen, etc.) duidelijk te kunnen maken dat u in het buitenland bent geweest. De Hoge Raad heeft in 2006 al eens geroepen over de voorwaarden voor een salary split:

  1. De werkgever in het buitenland moet de baas zijn over de werknemer.
  2. De resultaten welke de werknemer moeten toekomen aan de buitenlandse vestiging.
  3. De loonkosten van de werkgever moeten aan de buitenlandse vestiging worden doorbelast (individueel).

Salary split bij bestuurder of directeur

Bovenstaande gaat uit van een salary split bij een werknemer. Voor bestuurders / directeuren / commissarissen werkt een salary split meestal minder gunstig uit. Dit komt doordat de vermindering in Nederland anders wordt ingevuld. De vrijstelling wordt niet berekend op grond van de genoemde formule, maar er wordt meestal een vermindering verleend van de daadwerkelijk in het buitenland betaalde belastingen. Hiermee is het voordeel meestal weg (tax credit i.p.v. evenredigheidsmethode). Vorenstaande komt onder meer voor bij situaties met de Verenigde Staten, Denemarken, Frankrijk, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. Als de desbetreffende beloning in het buitenland normaal wordt belast, dan is er nog een mogelijheid. Er mag dan - op grond van een besluit d.d. 19 juli 2008 nummer CPP 2007/664M, lees onderdeel 3.4 - worden gekozen voor de evenredigheidsmethode. Bij vorenstaande moet er wel belasting worden betaald in het andere land. Als dit niet is gebeurd, dan geldt deze regeling niet (Hoge Raad 27 september 2013), het beroepschrift kunt u hier raadplegen.

Voorbeeld salary split

Henk werkt bij B.V. X in Enschede. Hij werkt ook voor A GmbH in Duitsland. Zijn wereldinkomen bedraagt € 100.000, hiervan geniet hij € 40.000 in Duitsland. In Nederland zou Henk € 42.000 over zijn salaris moeten betalen. De aftrek ter voorkoming van dubbele belasting bedraagt € 40.000 / € 100.000 x € 42.000 = € 16.800. In Duitsland is Henk over zijn salaris ongeveer € 10.000 verschuldigd. Het voordeel bedraagt ruim € 6.000.

Auto van de zaak en salary split

Als er een auto ter beschikking wordt gesteld, dan geldt veelal dat deze auto aan beide werkgevers wordt toegerekend en naar rato van de salarisverdeling wordt toegerekend (Rechtbank Breda d.d. 8 mei 2008). Het kan ook zijn dat de auto door 1 werkgever ter beschikking wordt gesteld, alsdan is advisering wenselijk.

Buitenlandse werknemer en salary split

Voor een werknemer welke in het buitenland woont werkt de salary split helemaal goed uit; hij / zij hoeft in Nederland geen premies volksverzekeringen te betalen. De tarieven in de 1e en 2e schijf bedragen hiermee rond de 10%.

Salary split bij bestuurders [news] 2013-10-03 0000-00-00 0000-00-00 4107

Lager fictief loon DGA bij verliessituatie

Als een B.V. structureel verlies maakt, dan mag het fictief loon (of gebruikelijk loon) van de DGA lager worden vastgesteld, aldus de rechter. Bij het vaststellen van het fictieve loon moet het eigen vermogen binnen de B.V. worden meegewogen. Het fictieve loon bedraagt € 47.000 (cijfers 2021).

Fictief loon lager en uitspraak Gerechtshof

Als er sprake is van een structureel verliesgevende situatie, kan dit een lager loon rechtvaardigen, hierover wordt vaak een discussie met de Belastingdienst gevoerd. In een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam d.d. 22 oktober 2013 ging het om een DGA met een holding en 2 werkmaatschappijen. De Belastingdienst was van mening dat de DGA drie keer het DGA-loon moest genieten, dit mede omdat hij de enige werknemer van de B.V.'s was. Gezien de financieel slechte situatie bij de B.V.'s was de DGA van mening dat een dergelijk salaris veel te hoog was. Beide partijen stappen naar de rechter. Het Gerechtshof stelt dat een DGA per dienstbetrekking een (fictief) loon moet ontvangen. De rechter stelde echter ook dat bij de beoordeling van het loon het eigen vermogen van de B.V. van belang is. Een slecht draaiende B.V. kan immers niet onbeperkt loon betalen omdat hiermee het voortbestaan in gevaar kan komen. Daarnaast kon de DGA onmogelijk 3 voltijdsdienstbetrekkingen uitvoeren, dit kost hem immers 120 uur per week. De rechter stelt vast dat de DGA bij één B.V. geen loon hoeft te genieten, bij de andere B.V. een loon van € 15.000 en bij de derde B.V. een loon van € 38.000 (cijfers 2006). Artikel 12a van de Wet Loonbelasting blijft dus voor veel discussie zorgen.

Bron

Gerechtshof Amsterdam d.d. 22 oktober 2013.

Handleiding gebruikelijk loon 2019

[news] 2013-11-06 0000-00-00 0000-00-00 4139

Onzakelijke lening directeur-grootaandeelhouder

De onzakelijke lening is op dit moment binnen de fiscale wereld een veelbesproken onderwerp. In de praktijk komt het vaak voor dat een directeur-grootaandeelhouder (DGA) vanuit zijn B.V. een lening verstrekt aan de DGA in privé of vanuit privé aan de B.V. Deze lening is (in eerste instantie) gewoon een lening. De voorwaarden van de lening kunnen ervoor zorgen dat de Belastingdienst (en later ook de rechter) van mening is dat er sprake is van een zogenaamde onzakelijke lening.

Lening vanuit B.V. aan privé

Een B.V. verstrekt aan de DGA in privé een lening voor de verbouwing van zijn woning. Op de woning is een hypotheek gevestigd en de lening van de B.V. is opgelopen tot € 300.000. Op de lening wordt normaal rente voldaan. In de leningsovereenkomst worden geen zekerheden voor de B.V. opgenomen. De DGA heeft een stuk grond gekocht voor € 350.000 en vervolgens de opstallen gesloopt en op het kavel een woning gebouwd van ruim € 1.500.000. De woning staat op het moment van de procedure te koop voor ruim € 1.000.000. Er rust een lening bij een bank op de woning van ongeveer € 900.000. De B.V. wil de lening (deels) afboeken. De rechter in hoger beroep (zie onder) is het met de Rechtbank en de inspecteur eens, er is sprake van een onzakelijke lening (er is namelijk geen zekerheid verstrekt) en de vordering kan door de B.V. niet worden afgeboekt. De overwegingen van de rechter zijn de volgende:

  • Indien en voor zover een geldverstrekking door een vennootschap aan haar aandeelhouder plaatsvindt onder zodanige voorwaarden en omstandigheden dat daarbij door die vennootschap een debiteurenrisico wordt gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, moet – behoudens bijzondere omstandigheden – ervan worden uitgegaan dat die vennootschap dat debiteurenrisico in zoverre heeft aanvaard met de bedoeling het belang van haar aandeelhouder in die hoedanigheid te dienen. Dit brengt mee dat een eventueel verlies op de geldlening in zoverre niet in mindering op de winst van die vennootschap kan worden gebracht (HR 9 mei 2008, nr. 43849, LJN BD1108, BNB 2008/191).

  • Ingeval bij een geldlening tussen een vennootschap en haar aandeelhouder de rente niet in overeenstemming met het ‘at arm's length’ beginsel is vastgesteld, zal voor de fiscale winstberekening moeten worden uitgegaan van een rente die wel aan dit criterium voldoet. Daarbij zal – behoudens het rentepercentage – uitgegaan moeten worden van hetgeen partijen zijn overeengekomen (zoals met betrekking tot zekerheden en de looptijd van de lening). Met dat uitgangspunt strookt niet dat de rente zodanig wordt aangepast dat de geldlening in wezen winstdelend zou worden. Dan zou het karakter van hetgeen partijen zijn overeengekomen worden aangetast. Indien met inachtneming van het hiervoor overwogene geen rente kan worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken aan de met de vennootschap gelieerde partij, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden, moet worden verondersteld dat bij die verstrekking door de vennootschap een debiteurenrisico wordt gelopen dat deze derde niet zou hebben genomen. Alsdan moet – behoudens bijzondere omstandigheden – ervan worden uitgegaan dat de betrokken vennootschap dit risico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van haar aandeelhouder te dienen. Dit brengt mee dat een eventueel verlies op de geldlening niet op de winst van de vennootschap in mindering kan worden gebracht (vgl. HR 25 november 2011, nr. 08/05323, LJN: BN3442, BNB 2012/37).

Zakelijkheid rekening-courant

Iedere aandeelhouder dient zakelijk te handelen met zijn vennootschap(pen). Dit betekent dat de verstrekking, als de voorwaarden waaronder dit geschiedt, moet geschieden zoals dat ook tussen derden het geval zou zijn geweest. Om fiscaal niet tegen ongewenste gevolgen aan te lopen, dient u rekening te houden met het volgende:

  • Kijk goed naar de vermogenspositie van de schuldenaar (zou deze ook een lening van een derde kunnen ontvangen?).
  • Stel een zakelijke rente vast.
  • Kom een aflossingsschema overeen.
  • Leg de lening en de bijbehorende voorwaarden vast in een overeenkomst.
  • Indien het bovenstaande niet juist is vormgegeven, kan de Belastingdienst de rente gaan corrigeren en mogelijk de lening aanmerken als onzakelijk met alle gevolgen van dien.

Rente rekening-courantschuld tot € 17.500

Bij een schuld van de aandeelhouder tot € 17.500 hoeft geen rente in rekening te worden gebracht. Hier tegenover staat dat de schuld niet in box 3 mag worden opgenomen.

Belastingdienst en rekening-courant

De Belastingdienst heeft een speciale site over de rekening-courant van de aandeelhouder (kijk hier). U kunt erop wachten dat de Belastingdienst in 2012 en 2013 strikter gaat kijken naar DGA's met een schuld aan hun B.V. Essentie volgens de Belastingdienst is het volgende:

  • Lening tegen zakelijke voorwaarden (voorwaarden die een bank ook zou stellen).
  • De lening moet schriftelijk worden vastgelegd.
  • Er moeten afspraken worden gemaakt over terugbetaling van de lening.
  • De B.V. heeft voldoende zekerheden.
  • De B.V. moet aan haar verplichtingen kunnen blijven voldoen als u de lening opneemt.
  • Als er onzakelijk wordt gehandeld, voldoet de lening niet aan de voorwaarden, de lening wordt dan gezien als inkomen.

Rekening-courant en rentevoordeel

Op 25 februari 2011 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan inzake een DGA die geld had geleend van zijn vennootschap tegen een rente van 2,5% en dit geld vervolgens op privérekeningen zette tegen een hogere rente. Hierdoor maakte de DGA een onbelaste winst in privé. De inspecteur was het niet eens met de DGA.

De Rechtbank stelde de DGA in het gelijk, het Hof echter niet. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad zich over deze zaak gebogen en kwam met de volgende uitspraak. De kennis van tarieven op spaarrekeningen is niet als bijzondere vorm van kennis aan te merken, aangezien deze gewoon op het internet staan. Het standpunt van het Hof dat de winst in box 1 belast moest worden wegens activiteiten die normaal vermogensbeheer te boven gaan, gaat derhalve niet op. De activiteiten zijn volgens de Hoge Raad niet substantieel genoeg, waardoor sprake is van normaal vermogensbeheer en derhalve is het rentevoordeel onbelast.

De onzakelijke lening, een toelichting van de fiscaal jurist

Voor het eerst is op 9 mei 2008 door de Hoge Raad een arrest gewezen waarbij afwaardering van een lening (die fiscaal ook wordt aangemerkt als lening) niet aftrekbaar is op grond van onzakelijkheid. Voor dit arrest volgde de fiscale kwalificatie van een lening de civielrechtelijke kwalificatie, tenzij sprake was van een deelnemerschapslening, een schijnlening of een bodemlozeputlening (deze laatste drie vormen werden geherkwalificeerd naar eigen vermogen). Het vorenstaande zal zich alleen voordoen indien geld wordt verstrekt door gelieerde partijen.

Op basis van het bovenstaande arrest en de arresten die hierop volgden [1] is kort gezegd de afwaardering van een onzakelijke lening niet mogelijk, ondanks dat deze toch fiscaal wordt gezien als lening zijnde. De arresten maken het mogelijk om de rechtsverhouding als lening te duiden voor zover de debiteur aan zijn rente- en aflossingsverplichtingen voldoet. Pas op het moment dat afwaardering aan de orde komt, zal de Belastingdienst stellen dat sprake is van een onzakelijke lening en dat derhalve de afwaardering niet ten laste van de winst mag worden gebracht.

Het toetsmoment voor de beoordeling van de lening is in beginsel het moment van de verstrekking. Ook kan de lening op een later moment worden geherkwalificeerd naar een onzakelijke lening indien de crediteur uit onzakelijke motieven nalaat aanvullende maatregelen te treffen in het kader van zijn belangen als crediteur.

De vraag of sprake is van een onzakelijke lening wordt als volgt beoordeeld. Indien een geldverstrekking heeft plaatsgevonden onder zodanige voorwaarden en omstandigheden, dat daarbij door de geldverstrekker een debiteurenrisico wordt gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, dan is sprake van een onzakelijke lening.

Allereerst dient derhalve te worden gekeken of het rentepercentage zakelijk is vastgesteld op basis van de elementen uit de geldleningsovereenkomst. Staat vast dat de rente onzakelijk is, dan wordt deze gecorrigeerd naar zakelijke verhoudingen. Indien het niet mogelijk is de rente te corrigeren naar een zakelijke verhouding, waarbij een onafhankelijke derde nog bereid zou zijn geweest om de lening onder dezelfde voorwaarden te verstrekken, dan wordt de lening fiscaal wel aangemerkt als lening (rente is wel aftrekbaar / belast), maar kan het afwaarderingsverlies niet ten laste van de winst worden gebracht [2]. Gunstig is dat de bewijslast voor een onzakelijk debiteurenrisico rust op de inspecteur.

Indicatoren voor een onzakelijke lening zijn:

  • financiering aantrekken bij een bank is onmogelijk;
  • er is geen geldleningsovereenkomst aanwezig;
  • er zijn geen zekerheden gesteld;
  • er is geen aflossingsschema overeengekomen.

De onzakelijke lening wordt zowel geconstateerd bij leningen tussen B.V.’s (die gelieerd zijn) als bij een lening tussen de DGA en de B.V.

Onlangs sprak de Hoge Raad zich uit [3] over een rechtszaak waarin de inspecteur van mening was dat er sprake was van een onzakelijke lening. De DGA had namelijk zeer soepele voorwaarden gesteld. Zo was de afgesproken rente erg laag en was geen sprake van formele zekerheden of een aflossingsschema. De Hoge Raad gaf aan dat een lening zonder formele zekerheden niet automatisch onzakelijk is. Hierbij moet wel kunnen worden aangetoond dat geen sprake is van een schijnlening, deelnemerschapslening dan wel een bodemlozeputlening. In deze specifieke kwestie was de lening, zonder formele zekerheden, wel zakelijk. De Hoge Raad benadrukte wel dat als de overeengekomen rente niet zakelijk is, er voor de fiscale winstberekening wel van een zakelijk percentage moet worden uitgegaan.  

Zoals hierboven weergegeven, kunnen bij de betreffende leningen veel discussies ontstaan. Zorg derhalve voor een tijdige en inhoudelijke beoordeling van een lening, zodat de negatieve fiscale consequenties voor zover mogelijk kunnen worden voorkomen.

Bron

Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 3 december 2013.

De onzakelijke lening tussen BV en DGA [news] 2014-01-02 0000-00-00 0000-00-00 4178

Pas op met de gebruikelijkloonregeling !

In de praktijk lijkt het nogal mee te vallen met de toepassing van de gebruikelijkloonregeling. Het kabinet is echter van plan om in het kader van de begrotingsafspraken de regeling aan te scherpen. Wij zien in de praktijk steeds vaker een discussie over het salaris van de DGA. Er is een belastingopbrengst begroot van maar liefst € 150 miljoen, dus dit zal niet zonder slag of stoot aan de deur van de gemiddelde DGA voorbij gaan. Dat gaat dus geld kosten!

Regelmatig adviseren wij DGA's over nieuwe mogelijkheden en structuren, bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

De huidige regeling

De gebruikelijkloonregeling van artikel 12a in de Wet loonbelasting heeft betrekking op de situatie dat een aanmerkelijkbelanghouder arbeid verricht voor een B.V. of N.V. waarin hij een aanmerkelijk belang houdt, dus de directeur-grootaandeelhouder. Deze werknemer kan in feite zijn eigen arbeidsvoorwaarden, waaronder de hoogte van zijn salaris, vaststellen. Artikel 12a regelt dat deze aanmerkelijkbelanghouder wordt geacht ten minste een gebruikelijk loon te genieten.

Hieronder enkele belangrijke kenmerken van de gebruikelijkloonregeling:

  • Norm inkomen minimaal € 45.000 (kolom 14). Cijfers 2018.
  • Loon is loon in geld en loon in natura.
  • Loon is inclusief auto van de zaak.
  • Toepassen werkkostenregeling niet van invloed.
  • Inkomen lager dan € 5.000, dan geen gebruikelijk loon (bewijslast DGA).
  • Lager inkomen in verband met gevaar voor continuïteit bedrijf (bewijslast DGA).
  • Deeltijd (bewijslast DGA). 
  • Ten minste salaris best verdienende andere medewerker.

Voor de bepaling van het gebruikelijk loon geldt de doelmatigheidsmarge van 30%, dus het salaris mag maximaal 30% afwijken van hetgeen gebruikelijk is. De vraag blijft natuurlijk wat nou eigenlijk gebruikelijk is.

 Afroommethode is enkel van toepassing als:

  • de opbrengsten van de B.V. (nagenoeg) geheel voortvloeien uit de door de AB-houder (in zijn hoedanigheid van werknemer) verrichte arbeid. 

Afroommethode is niet van toepassing als:

  • de onderneming in opbouw is;
  • de opbrengsten van de vennootschap bestaan uit een percentage van het resultaat van het samenwerkingsverband;
  • de vennootschap overig personeel in dienst heeft.

De afroommethode lijkt nog alleen van toepassing voor éénpitters.

Wat te doen?

Hieronder een paar tips om alvast rekening te houden met de wijzigingen.

Optimaal salaris

Bereken de juiste en tevens fiscaal optimale hoogte van uw salaris. Houd daarbij rekening met uw privé fiscale positie, zoals uw aftrekposten en optimaliseer dit, zodat u bij voorkeur maximaal 42% belasting betaalt. Eventueel kunt u dit moment gebruiken om eens goed naar uw oudedagsvoorziening te kijken. Door bijvoorbeeld een pensioen in eigen beheer in uw B.V. toe te zeggen, maakt u het gebruikelijk loon (dat is inclusief pensioenpremies) hoger en daarmee kan het probleem al deels zijn opgelost. Ook zou u ervoor kunnen kiezen om in privé te gaan banksparen en zo een aftrekpost te creëren. Met banksparen spaart u fiscaal gefaciliteerd en heel transparant zonder bijkomende kosten voor uw oudedag.

Rechtsvorm wel juist?

Een hoger gebruikelijk loon leidt veelal tot een hogere belastingdruk en dit kan dus een aanleiding zijn om nog eens goed naar uw rechtsvorm te kijken. Is de B.V.-structuur nog wel wenselijk, of moet u terug naar de eenmanszaak? Wij rekenen dit graag even samen met u uit.

Gebruikelijk loon, pas op! [news] 2014-02-03 0000-00-00 0000-00-00 4204

DGA-salaris of dividend

Dividend DGA gunstiger dan salaris

Een directeur moet zich een bepaald salaris (gebruikelijk loon) uitkeren. Stel, u geniet een salaris van € 80.000 en uw B.V. maakt nog een winst van € 80.000. Wanneer u behoefte heeft aan aanvullend inkomen, dan is het aantrekkelijker om dit als dividend uit te keren in plaats van als salaris. In vrijwel alle gevallen is dividend veel voordeliger dan salaris.

Het maximale tarief bij dividend bedraagt 38%. Het maximale tarief (DGA niet verzekerd) voor de inkomstenbelasting (en premie Zvw) bedraagt 55,5%. Vanaf een inkomen van € 25.000 is dividend feitelijk al voordeliger dan salaris. Hierbij is rekening gehouden met:

  • Salaris is aftrekbaar van de winst;
  • Geen heffingskortingen bij dividenduitkering;
  • Bij lager salaris een hogere AB-claim in de toekomst.

Toelichting

  • De top van het salaris van de DGA wordt soms belast tegen 52% (belastbaar inkomen hoger dan € 68.500, cijfers 2020).
  • Stel, de heer X overweegt om € 20.000 extra salaris uit te keren. Dit is voor de B.V. aftrekbaar (en dus niet belast met vennootschapsbelasting) en in privé belast tegen 52%. Daarnaast is over salaris ook premie Zvw verschuldigd.
  • De heer X ontvangt bij een bruto salaris van € 20.000 ongeveer € 10.000 netto. Kiest de heer X voor een dividenduitkering van € 20.000, dan blijft er netto € 12.000 over.

Voorbeeld berekening

Stel dat u € 50.000 kunt uitkeren als salaris of als dividend, wat is dan voordeliger?

   Salaris  Dividend 
      
Uitkering  

 € 50.000

 

 € 50.000

Vennootschapsbelasting 16%  

€ 0

 

  € 8.000 

Inkomstenbelasting box 1/ Zvw  

 € 27.000

 

€ 0 

Inkomstenbelasting box 2 26,25%    

€  11.025

     
Netto ontvangst   

€ 23.000 

  

€ 30.975 

     

Conclusie

Het tarief (inkomstenbelasting en premies Zvw) over een salaris is maximaal 55% en over een dividenduitkering per saldo ruim 38%. Bij hogere salarissen en een belastbaar inkomen van meer dan € 25.000 is een dividenduitkering vaak voordeliger dan een salarisverhoging. Aantekening hierbij is wel dat dit maatwerk is, immers een salarisverhoging kan ook een hogere pensioenlast opleveren, dit kan voordelig zijn. En er moet natuurlijk altijd voldaan worden aan het gebruikelijk loon.

Fiscale aandachtspunten en mogelijkheden

Eventueel kunt u de dividenduitkering combineren met een eigen bijdrage voor de auto van de zaak en / of de dividenduitkering gebruiken om uw rekening-courantschuld (indien aanwezig) af te lossen. Tenslotte is het van belang dat er soms een verhouding moet zijn (afroommethode / gebruikelijk loon) tussen uw salaris en de omzet / management fee in uw B.V. Laat u hierover goed adviseren. Vragen? Bel of mail gerust.

[news] 2020-09-10 0000-00-00 0000-00-00 4205
Terugkeer uit BV via VOF of verhuur [news] 2014-02-10

Terugkeer uit de B.V. via VOF

Steeds meer DGA's kunnen belasting besparen door over te gaan vanuit een B.V. naar een eenmanszaak of Vennootschap onder Firma (VOF). Via een eenvoudig rekenmodel berekenen wij maandelijks voor klanten of een terugkeer uit de B.V. financieel voordeel kan opleveren. U kunt via diverse opties terug vanuit de B.V.

Wanneer is een terugkeer uit de B.V. voordelig?

Bij een brutowinst (salaris en nettowinst voor belastingen) in een B.V. van € 60.000 levert een eenmanszaak een voordeel op van ongeveer € 5.000. U zou een fiscaal jurist kunnen bezoeken indien:

  1. uw B.V. meer dan 1 jaar verlies maakt; en
  2. de vooruitzichten niet substantieel beter zijn;
  3. het salaris ad € 43.000 lastig (of niet) kan worden betaald.

Het omslagpunt is lastig te bepalen en sterk afhankelijk van feiten, edoch vanaf een brutowinst (salaris en winst voor belastingen) tot ongeveer € 90.000 is het verstandig om u door een fiscaal jurist te laten adviseren. Het voordeel is nog groter als de B.V. (jaarlijks) verlies maakt, de verliezen binnen een B.V. kunnen vaak niet worden gecompenseerd met winsten en daarnaast speelt de fictiefloonregeling een nadere rol (artikel 12a Wet Loonbelasting). Binnen de eenmanszaak en de VOF zijn de verrekeningsopties van verliezen ruimer.

Belangrijkste voordelen terugkeer uit de B.V.

De belangrijkste voordelen van een terugkeer uit de B.V. zijn:

  1. Compensabele verliezen verrekenen met inkomen (bij geruisloze terugkeer met terugkeerreserve).
  2. Geen discussie meer over DGA-loon / fictief loon.
  3. Recht op zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling (financieel voordeel).
  4. Lagere administratieve lasten (geen aangifte VPB / LH meer).

Hoe terugkeren uit de B.V.?

Er zijn meer wegen naar Rome en ook meerdere manieren om terug te keren uit de B.V. De meest voorkomende opties zijn:

  1. Geruisloze terugkeer en liquideren van de B.V.
  2. VOF met uw B.V. opzetten.
  3. Verhuur van uw B.V. aan een VOF of eenmanszaak.

Ad 1 De geruisloze terugkeer uit de B.V.

Er is een ingewikkelde regeling waarmee u kunt terugkeren uit een B.V. Dit kan zonder belastingheffing, echter veelal is dit erg complex en hiervoor is ook liquiditeit nodig. Deze terugkeer zal via een verzoek aan de Belastingdienst in werking worden gezet. Voor een verdere toelichting zie onderstaand artikel (of lees dit artikel hier).

Ad 2 VOF met uw B.V. opzetten

Een steeds vaker gekozen route voor de terugkeer uit de B.V. is de vorming van een VOF met de B.V. Deze structuur is niet zonder risico's en vooroverleg met de Belastingdienst is wenselijk. U als DGA brengt arbeid (en vlijt) in de VOF in en uw B.V. het (bedrijfs)vermogen en de activiteiten. Pensioenen en vorderingen op de DGA blijven achter in de B.V. Het is verstandig om met de Belastingdienst te overleggen omtrent de zelfstandigheid van de DGA (ondernemersaftrek). De verdeling van de winst is een kwestie van rekenen onder economisch rechtvaardige omstandigheden. Mits de structuur juist is opgezet, dan komt de investeringsaftrek voor toekomstige investeringen toe aan de DGA (natuurlijk persoon).

Aandachtspunt is of de DGA (natuurlijk persoon) kan worden gezien als startende ondernemer. Als dit zo zou zijn, dan is er wellicht recht op extra ondernemersaftrek (de startersaftrek) en kan er ook recht bestaan op de regeling voor willlekeurige afschrijving (buitenvennootschappelijk vermogen).

Ad 3 Verhuur van uw B.V. aan een VOF of eenmanszaak

Een eenvoudige optie is het oprichten van een eenmanszaak waarbij de eenmanszaak de onderneming (activa etc.) huurt van de B.V. De huur is aftrekbaar in de eenmanszaak (maximaal 43%) en belast in de B.V. (maximaal 25%, directe heffing). De huur moet op zakelijke gronden worden vastgesteld. Voordeel van deze structuur is dat mogelijke compensabele verliezen kunnen worden verrekend met toekomstige winsten. Aandachtspunt is een mogelijke desinvesteringsbijtelling (door verhuur activa).

0000-00-00 0000-00-00 4218

De risico's van dividend uitkeren in 2016 en 2017

Update

Directeuren-grootaandeelhouders (DGA's) krijgen in 2017 (en 2018 en 2019) de mogelijkheid om hun pensioen in eigen beheer van de balans te halen (af te kopen). Dit kan met een korting van 34,5% in 2017 (en in de jaren daarna tegen lagere percentages, namelijk 2018: 25% en 2019: 19,5%). Heeft u geen geld, dan resteren er twee opties:

  1. Premievrij maken;
  2. Spaarvariant kiezen.

Pensioen in eigen beheer opbouwen is dus vanaf 2017 feitelijk voorbij.

De invoering is uitgesteld tot 1 april 2017, lees hiertoe deze brief van de Staatssecretaris van Financiën.

Inleiding

Wij krijgen veel vragen van cliënten en hun adviseurs over de mogelijkheid om dividend uit te keren. Voor de invoering van het nieuwe B.V.-recht (flex B.V.) op 1 oktober 2012 was het veelal geen probleem om dividend uit te keren, als het vermogen maar positief was en er notulen van de AVA waren opgesteld. Na 1 oktober 2012 moet u vooraf wel drie keer nadenken, of  het uitkeren van vermogen wel kan en wat de mogelijke consequenties hiervan kunnen zijn. Een consequentie is de hoofdelijke aansprakelijkheid voor bestuurders. Dit geldt voor de volgende handelingen, inhoudende vormen van uitkeren van vermogen:

  • Uitkering van de winst of reserves (dividend);
  • Terugbetaling op aandelen in het kader van kapitaalvermindering;
  • Inkoop van eigen aandelen, anders dan om niet.

Balanstest en uitkeringstoets

Het bestuur van een vennootschap is onder het huidige B.V.-recht (let wel: iedere B.V. is tegenwoordig een zogenaamde flex B.V.) verplicht om bij elke hierboven genoemde vorm van uitkering van vermogen aan aandeelhouders na te gaan of dit verantwoord is. De wet zegt vrij vertaald het volgende:

  1. De AVA is bevoegd tot het nemen van een besluit tot vaststellen van een (dividend-)uitkering voor zover het vermogen groter is dan de wettelijke en statutaire reserves. Dat wordt balanstest genoemd.   
  2. Het besluit heeft geen gevolg totdat het bestuur goedkeuring verleent.
  3. Het bestuur weigert slechts goedkeuring als zij weet of redelijkerwijs behoort in te zien dat de vennootschap na uitkering niet zal kunnen doorgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. Dat is de uitkeringstoets of uitkeringstest.

     

Aan bovenstaande verplichtingen zijn aansprakelijkheidssancties gekoppeld voor bestuurders en aandeelhouders. Men is persoonlijk aansprakelijk voor tekorten bij de B.V. welke zijn ontstaan door de uitkering, vermeerderd met de wettelijke rente. Let bij de balanstest op negatief vermogen en op de wettelijke en / of statutaire reserves, bijvoorbeeld bij de aanwezigheid van deelnemingen. Ter zake van de niet uitgekeerde dividenden van deelnemingen (welke zijn gewaardeerd tegen de intrinsieke waarde) moet een wettelijke reserve op de balans worden opgenomen. Dit is beklemd vermogen en dit beperkt de mogelijkheid tot het doen van dividenduitkeringen. Let op dat dit niet altijd op juiste wijze in de commerciële jaarrekening staat vermeld.

Het gaat bij de balanstest om een belangenafweging tussen de aandeelhouders en de schuldeisers, de continuïteit op langere termijn van de vennootschap staat voorop! Volgens de parlementaire behandeling is de beoordelingsperiode een jaar vanaf de uitkering, maar voorzienbare zaken daarna moeten ook worden meegenomen. Het is niet helder waar de grens ligt.

Het vastleggen van de balanstest en uitkeringstest is niet expliciet voorgeschreven, maar verdient wel degelijk aanbeveling en versterkt de positie bij een eventuele aansprakelijkheidsstelling.

Fiscaal risico bij pensioen- en stamrechtverplichtingen

Wellicht in de praktijk veel gevaarlijker dan het terugbetalingsrisico is het fiscale risico indien de vennootschap een pensioen- of soortgelijke verplichting op de balans heeft staan. Het uitkeren van dividend kan naast bovengenoemde aansprakelijkheid ook leiden tot de stelling van de fiscus dat er sprake is van afkoop van pensioen, met alle desastreuze financiële gevolgen van dien.

De Belastingdienst (bij monde van het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen CAP) is van mening dat er na uitkering van dividend op korte en lange termijn voldoende vermogen moet overblijven om het pensioen te kunnen uitkeren. En daarbij worden de regels wel erg ver opgerekt. Regels die thans (eind 2016) nog niet door de rechter zijn getoetst!

In tegenstelling tot de lage fiscale waardering van pensioen op de fiscale balans, moet voor de dividendtoets volgens het CAP rekening worden gehouden met een waarde die "minimaal gelijk is aan de koopsom die aan een professionele verzekeraar zou moeten worden betaald voor het onderbrengen van de betreffende verplichting”. Als de B.V. het risico van vooroverlijden (nabestaandenpensioen) niet extern verzekert, moet ook dat aspect worden meegenomen. Dit zou een enorm risico betekenen. Het is duidelijk dat dividend uitkeren dan vrijwel nooit mogelijk is. Het verdient in zo'n geval (dat zou u overigens altijd moeten doen!) de aanbeveling een risicoverzekering af te sluiten of om het nabestaandenpensioen uit te ruilen tegen een ouderdomspensioen. Meer over de stelling van het CAP kunt u lezen in het vraag en antwoord besluit 12-008 van 21 september 2012.

Wat te doen?

Doe niet zomaar wat, het kan u duur komen te staan. Leg bovenstaande uitkomsten schriftelijk vast. Vraag uw accountant of neem even vrijblijvend contact met ons op voor overleg. Houd ook onze site in de gaten voor actuele ontwikkelingen en toekomstige jurisprudentie. Of ... bel voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor.

Dividend, uitkeringstoets en pensioen [news] 2015-04-16 0000-00-00 0000-00-00 4501

Vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI)

Heeft u uw onderneming verkocht, overtollige liquiditeiten in uw onderneming of box 3 vermogen in de vorm van spaartegoeden met een laag rendement? Een VBI kan zowel fiscaal als op andere gebieden voordeel opleveren. Regelmatig adviseren wij DGA's over nieuwe mogelijkheden en structuren, bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

Wijziging VBI 2017

De VBI wordt door steeds meer DGA's gebruikt en wij hebben er diverse opgericht. Vanaf 20 september 2016 (Prinsjesdag) is de VBI een stuk minder aantrekkelijk geworden. De belangrijkste wijzigingen zijn:

  1. Direct afrekenen: de VBI kon zonder belasting te betalen tot stand worden gebracht. De AB-claim werd namelijk doorgeschoven naar de toekomst. Vanaf 20 september 2016 moet er direct 25% worden afgerekend over de AB-winst (het vermogen in de VBI). Er blijft dus geen 100% vermogen in de VBI over, maar slechts 75%.
  2. Flits VBI: een gebruikte optie is om box 3 vermogen onder te brengen in een B.V. (hierdoor geen box 3 heffing meer). Als het vermogen kort in box 3 blijft (18 maanden), is er sprake van een zogenaamde flits VBI, dit is niet toegestaan.
  3. Box 3 rendement: er komt een koppeling tussen de box 3 heffing en het rendement waarmee binnen de VBI moet worden gerekend.

Aandachtspunt: er wordt terugwerkende kracht voorgesteld (dus invoering per direct en niet per 1 janauri 2017). Gezien het rechtszekerheidsbeginsel is het nog maar de vraag of dit ook doorgaat. De Raad van State heeft al voorgesteld om de terugwerkende kracht te laten vervallen, tenzij er een beter gefundeerde motivering wordt gegeven voor speculatief gedrag.

Het is niet gezegd dat de VBI-maatregel ingaat per 20 september 2016, het is dus zaak dit te volgen en wellicht in december 2016 nog een VBI op te richten. De VBI is een stuk minder aantrekkelijk geworden door deze maatregel, maar hoeft nog niet in de prullenbak. Voor box 3 vermogen dat duurzaam wordt ondergebracht in een VBI zal er niet veel veranderen. Conclusie: rekenen en goed laten adviseren, de berekening is vrij simpel.

Wat is een VBI?

Een VBI is een N.V. of een open fonds voor gemene rekening die liquiditeiten en / of beleggingen bezit. Het voordeel van een VBI ten opzichte van een reguliere B.V. die liquiditeiten en beleggingen bezit is dat er geen vennootschapsbelasting wordt berekend over de voordelen die worden behaald. Wel zal er jaarlijks een fictief rendement van 4% over de werkelijke waarde van de VBI in box 2 aangegeven moeten worden waarover 25% inkomstenbelasting verschuldigd is. Per saldo komt dit uit op een belastingdruk van 1% per jaar. Ter vergelijking, over box 3 vermogen wordt 1,2% belasting geheven. Enkele voorbeelden waarin een VBI te overwegen is.

Privéstructuur

Wanneer een DGA de onderneming heeft verkocht en de opbrengst in de holding laat, is voor derden inzichtelijk hoeveel de onderneming heeft opgeleverd door de publicatiestukken van de holding op te vragen. Door gedurende het boekjaar (een deel van) het vermogen af te splitsen en onder te brengen in een open fonds voor gemene rekening, zal het voor derden niet te achterhalen zijn hoeveel de verkoop van de werkmaatschappij heeft opgebracht.

Overtollige liquiditeiten

Indien u in uw onderneming beschikt over overtollige liquiditeiten, dan kan het voor u fiscaal aantrekkelijk zijn de overtollige liquiditeiten af te splitsen en onder te brengen in een VBI, uw vermogen is dan buiten de risicosfeer. Eventueel zou er dan ook voor gekozen kunnen worden het beheer van de gelden bij de DGA te houden en de aandelen of participaties stapgewijs over te dragen aan de kinderen. Daarbij kan tevens het beheer over het vemogen na overlijden van de DGA en zijn / haar partner overgedragen worden.

Laag rendement op spaartegoeden in box 3

Indien u beschikt over spaartegoeden in box 3 waarop u een laag rendement maakt, kan een VBI uitkomst voor u bieden. Door de spaartegoeden in te brengen in een VBI en de resultaten blijven tegenvallen, dan kan er na verloop van tijd voor gekozen worden om de VBI te liquideren. Indien het rendement lager is geweest dan 4% per jaar, dan levert dit een verlies op in box 2. Indien er door de liquidatie geen box 2 vermogen meer is, kan het verlies omgezet worden in een belastingkorting in box 1.

Bij een vermogen van € 5.000.000 zal een VBI jaarlijks € 10.000 voordeliger zijn ten opzichte van het aanhouden van het vermogen in box 3.

Wanneer aantrekkelijk?

Een VBI kan vanaf een vermogen van circa € 1.000.000 fiscaal voordelig zijn, er zijn namelijk kosten gemoeid bij het tot stand brengen van een VBI. Een VBI is aantrekkelijk voor:

- vermogende DGA's; 

- beleggingen met weinig risico (obligaties, deposito's, spaartegoeden);

- vermogende particulieren die inkomen genieten in de vorm van dividenduitkeringen uit hun B.V. (voordeel van 20% tot 25%!).

Daarnaast leent een VBI zich ook om vermogen bij elkaar te houden en het beheer van het vermogen centraal te regelen. Zo kan ervoor gekozen worden om opgebouwd vermogen bij elkaar te houden en dat de kinderen / toekomstige erfgenamen niet de mogelijkheid hebben om het vermogen aan te wenden voor consumptieve doeleinden.

Meer weten of advies?

Wij kunnen u adviseren en begeleiden in het tot stand brengen van een VBI. We nodigen u dan ook graag uit voor een vrijblijvend gesprek waarin wordt bekeken of de VBI in uw situatie voordelig is.

Vrijgestelde beleggingsinstelling de VBI [news] 2015-06-25 0000-00-00 0000-00-00 4531

Gebruikelijk loon bij parttime DGA

Het gebruikelijk loon van een DGA mag ook lager zijn dan het wettelijk vastgestelde minimumloon (ad € 47.000, cijfers 2021). Dit kan spelen als er sprake is van een (langdurige) verliessituatie. De vuistregel voor het loon van de DGA is het genoemde minimumloon en/of het loon dat een werknemer in een vergelijkbare situatie zou verdienen. Er moeten zakelijke gronden zijn om een lager DGA loon te hanteren.

Zekerheid over DGA loon

U kunt via vooroverleg met de Belastingdienst zekerheid krijgen over het DGA loon dat moet worden gehanteerd. Wij kunnen die tegen beperkte kosten voor u verzorgen, stuur ons hiertoe een e-mail. Het formulier inzake vooroverleg kunt u hier downloaden. De volgende informatie moet worden verstrekt:

  1. omschrijving van de aaard en omvang van uw werkzaamheden
  2. naam en nummer van de rechtspersoon en BSN nummer van de DGA
  3. lonen van werknemers met vergelijkbare dienstbetrekking / werkzaamheden
  4. hoogste loon van de werknemer die bij de BV werkzaam is
  5. argumenten waarom de DGA (tijdelijk) een lager loon redelijk vindt

Partime DGA en fictief loon

Een DGA die 5 uur per week voor zijn bedrijf werkt en ook nog arbeidsongeschikt is, moet volgens de rechter het gebruikelijk loon als salaris uit zijn onderneming halen. Reden: de DGA is er bijzonder en heeft talent. Een bijzondere uitspraak!

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) kan feitelijk zijn eigen salaris bepalen. Door een optimale planning kan de DGA zijn salaris in Box 1 optimaliseren. Om dit te voorkomen, is in de wet de gebruikelijkloonregeling opgenomen. Een DGA moet een minimaal salaris van ruim € 47.000 (cijfers 2021) genieten. Als de DGA te weinig salaris opneemt, dan kan de Belastingdienst alsnog een naheffingsaanslag loonheffingen opleggen. Een parttime DGA zou in principe genoegen kunnen nemen met een lager salaris. In onderstaande procedure ging dit fout.

Procedure Gerechtshof inzake fictief loon parttime DGA

Een DGA werkte parttime voor zijn uitzendbureau en ontving naast zijn bescheiden salaris een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De inspecteur was van mening dat de DGA - ondanks dat hij maar een paar uur in de week werkte - tot het gebruikelijk loon moest verdienen (in die periode zo'n € 33.000). De werkzaamheden van de DGA waren namelijk erg belangrijk voor het uitzendbureau.

De DGA werkte 5 uur per week voor zijn uitzendbureau. Zijn vrouw werkte ook binnen het bedrijf. De centrale vraag is of de Belastingdienst in dergelijke situaties mag uitgaan van 100% van het wettelijk voorgeschreven fictief / gebruikelijk loon. De procedure heeft erg lang geduurd, maar uiteindelijk was de rechter het met de Belastingdienst eens. Het Gerechtshof was van mening dat de DGA - ondanks zijn gezondheidsproblemen, het feit dat hij 5 uur per week werkte en de arbeidsongeschiktheidsverzekering - gewoon een salaris van ruim € 30.000 moest genieten.

De werkzaamheden van de DGA waren namelijk van dusdanig groot belang voor zijn uitzendbureau, dat dit gebruikelijk zou zijn. De DGA was erg goed in het koppelen van uitzendkrachten aan opdrachtgevers, dit kon zijn echtgenote niet zo goed. Daarnaast bleef de DGA binnen het bedrijf de feitelijk leidinggevende.

Noot fiscaal jurist gebruikelijk loon

Deze procedure is niet het uitgangspunt. De DGA had moeten stellen en bewijzen dat voor een soortelijk dienstverband (zonder aanmerkelijkbelangaandelen) een lager loon als gebruikelijk zou kunnen gelden. Dit is niet aannemelijk gemaakt.

Bron gebruikelijk loon parttime DGA

Rechtbank Den Haag d.d. 23 december 2011 ECLI NL RBSGR 2011 BV2925.

Gerechtshof Den Haag d.d. 1 mei 2013 ECLI NL GHDHA 2013 CA 3998.

Hoge Raad d.d. 18 april 2014 ECLI NL HR 2014 934.

Gerechtshof Amsterdam d.d. 9 juli 2015 (ECLI NL GHAMS 2015 3692).

[news] 2015-09-17 0000-00-00 0000-00-00 4862

Geruisloze terugkeer uit de B.V., voorsorteren gewenst

Met ingang van 2016 wordt het tarief in de tweede en derde tariefschijf verlaagd naar 40,15% en wordt de derde tariefschijf verlengd tot € 66.421. Het wordt hierdoor aantrekkelijker om een onderneming te drijven in de vorm van een eenmanszaak, vennootschap onder firma (VOF) of maatschap. Indien de onderneming wordt gedreven in de vorm van een holdingstructuur waarbij de onderneming in een werkmaatschappij is ondergebracht, zijn de mogelijkheden om fiscaal geruisloos terug te keren echter beperkt. Om toch met ingang van 1 januari 2016 geruisloos terug te keren uit de B.V., zal er voorgesorteerd moeten worden, met andere woorden, de holdingstructuur zal ontmanteld moeten worden.


Overdracht werkmaatschappij aan privé

Door ervoor te zorgen dat de aandelen in de werkmaatschappij op 1 januari 2016 in bezit zijn van de DGA, kan een geruisloze terugkeer worden bewerkstelligd. De holding blijft hierdoor bestaan (met daarin bijvoorbeeld de pensioen- of stamrechtverplichting) en beperkt de uitvoeringsproblemen. De werkmaatschappij met daarin de onderneming kan vervolgens met terugwerkende kracht tot het begin van het kalenderjaar als eenmanszaak (of VOF) worden gedreven.


Overdracht onderneming werkmaatschappij aan holding

Het is mogelijk om de onderneming voor rekening en risico door de werkmaatschappij (binnen de fiscale eenheid Vpb) over te dragen aan de holding. Vervolgens dient de werkmaatschappij ontbonden en geliquideerd te worden. Hier is ook van belang dat de overdracht en de ontbinding vóór 1 januari 2016 plaatsvindt. De holding zal vervolgens voldoen aan de voorwaarden waardoor de geruisloze terugkeer zonder problemen plaats kan vinden.


Juridische fusie

Indien het boekjaar reeds onderweg is en er nog steeds sprake is van een holdingstructuur, dan biedt de juridische fusie nog een uitkomst. De dochtermaatschappij zal hierdoor opgaan in de holding. Nadat de juridische fusie heeft plaatsgevonden, voldoet de holdingvennootschap aan de voorwaarden en kan de geruisloze terugkeer alsnog (met terugwerkende kracht tot het begin van het kalenderjaar) plaatsvinden.


Indien het voorsorteren tijdig heeft plaatsgevonden, kan in de loop van 2016 het formele verzoek worden ingediend bij de Belastingdienst en zullen de uitvoeringsproblemen beperkt zijn. Met ingang van 1 januari 2016 zal het resultaat als winst uit onderneming worden belast en zal het voordeel tot uiting komen.


Hulp nodig?

De geruisloze terugkeer komt geregeld voor in onze dagelijkse praktijk. Doordat het inkomstenbelastingtarief met ingang van 2016 wijzigt, is het voor meer ondernemers aantrekkelijker om de holdingstructuur op te heffen en de onderneming voort te zetten in de vorm van een eenmanszaak, VOF of maatschap. Benieuwd of een geruisloze terugkeer ook een jaarlijks voordeel voor u oplevert? Maak vrijblijvend een afspraak met de auteur van dit artikel.
Geruisloze terugkeer uit de BV, voorsorteren gewenst. [news] 2015-10-14 0000-00-00 0000-00-00 4864

Pensioen in eigen beheer, een update

De invoering is uitgesteld tot 1 april 2017, lees hiertoe deze brief van de Staatssecretaris van Financiën.

Op 24 september 2016 heeft er een algemeen overleg plaatsgevonden inzake de toekomst van het pensioen in eigen beheer. Opvallend was het gegeven dat bij ruim 60% (!!!) van de pensioen-B.V.'s sprake is van een onderdekking. Dit betekent dat in 60% van de gevallen het geld eerder op is dan dat de pensioengerechtigde komt te overlijden. Dit heeft ertoe geleid dat er - zoals het er nu naar uitziet - met ingang van 1 januari 2017 een tweetal oplossingen zijn geboden.

Op 17 december 2015 heeft de Staatssecretaris een brief met een aantal oplossingsrichtingen uitgebracht (Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 108). Hierin maakt Staatssecretaris Wiebes kenbaar dat vanuit het vereenvoudigingsoogpunt, uitfasering van het pensioen in eigen beheer met een fiscaal gefaciliteerde afkoopmogelijkheid, zonder dat er iets ander voor in de plaats komt, de voorkeur heeft. Het oudedagssparen in eigen beheer wordt in die brief echter als minder wenselijk neergezet.

Op 16 februari 2016 heeft Staatssecretaris Wiebes een brief gestuurd aan de Tweede Kamer waarin hij aankondigt dat hij de vragen die de Tweede Kamer aan hem heeft gesteld zal beantwoorden in de week van 7 maart 2016, we wachten het af.

De wijzigingen ten aanzien van het pensioen in eigen beheer zullen op 1 januari 2017 wetgeving moeten zijn. Gezien de vele voor- en tegenstanders van het pensioen in eigen beheer lijkt deze termijn haalbaar, maar zal de voortgang er wel ingehouden moeten worden.

En wat nu?

De voorgestelde maatregelen zullen - zoals hierboven weergegeven - op zijn vroegst met ingang van 1 januari 2017 geldend recht worden. In situaties waarbij de pensioenrechten niet meer voor verwezenlijking vatbaar zijn, bestaat er wellicht nog een mogelijkheid om tot afstempeling over te gaan zonder heffing van loonheffing en revisierente. Laat u hierin echter goed adviseren.
Pensioen in eigen beheer, een update [news] 2015-10-14 0000-00-00 0000-00-00 4865
Vermogensstructuur ter verkrijging van anonimiteit [news] 2015-11-23

Vermogensstructuur ter verkrijging van anonimiteit

Het is tegenwoordig zeer eenvoudig om publicatiestukken bij de Kamer van Koophandel op te vragen om hiermee inzicht te krijgen in het vermogen. Dit is ook de manier voor de Quote 500 om inzicht te krijgen in het vermogen van de 500 rijkste inwoners van ons land. Wilt u niet dat buitenstaanders inzicht krijgen in uw vermogen, dan zijn er verschillende mogelijkheden om dit inzicht te beperken.

Open fonds voor gemene rekening

Een minder bekend fiscaal vehikel is het open fonds voor gemene rekening (OFGR). Een OFGR is in het leven geroepen om te fungeren als beleggingsfonds. Echter, een OFGR blijkt ook voor andere doeleinden zeer geschikt.

Een OFGR is net als een B.V. of N.V. een vennootschapsbelastingplichtig lichaam. Echter, een OFGR wordt niet ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en een OFGR heeft logischerwijs ook geen verplichting tot het publiceren van jaarstukken.

Voorwaarde bij een open fonds voor gemene rekening is dat er minimaal twee participanten zijn.

Open commanditaire vennootschap

Een wellicht wat bekender vehikel is de open commanditaire vennootschap (OCV). Een dergelijke rechtsvorm wordt ook vaak gebruikt voor beleggingsdoeleinden. Voordeel van een OCV is echter dat de commanditaire vennoot slechts tot de inleg aansprakelijk is (dus geen hoofdelijke aansprakelijkheid). Heeft u een holding waarin overtollige liquiditeiten zitten, dan is het wellicht een optie om de holding om te zetten in een open commanditaire vennootschap.

Bij het oprichten van een OCV zal ook een beherend vennoot nodig zijn. Deze beherend vennoot wordt in dergelijke structuren gevonden door de oprichting van een stichting. Het bestuur van deze stichting zal vervolgens gevormd (kunnen) worden door de commanditaire vennoot.

Mijn vermogen zit in een B.V. / N.V., moet ik dan niet afrekenen?

Doordat een open fonds voor gemene rekening en een open C.V. net als de B.V. en de N.V. vennootschapsbelastingplichtige lichamen zijn, kan gebruik worden gemaakt van verschillende fiscale (fusie / splitsing-)faciliteiten. Dit betekent dat het creëren van een vermogensstructuur - waarbij het voor een derde nagenoeg niet te achterhalen is hoeveel vermogen u bezit – zonder heffing van inkomsten- of vennootschapsbelasting plaats kan vinden.

Uiteraard zal wel alle openheid van zaken gegeven moeten worden richting de Belastingdienst.

Vrijgestelde beleggingsinstelling

Afhankelijk van uw privésituatie en het soort bezittingen die in uw vennootschap zitten is het mogelijk om de status van vrijgestelde beleggingsinstelling aan te vragen. Zie hiervoor dit artikel.

Wilt u meer weten over het creëren van een vermogensstructuur teneinde meer anonimiteit te krijgen, neem vrijblijvend contact op met onderstaande auteur.

0000-00-00 0000-00-00 4872
Afroommethode DGA als laatste redmiddel [news] 2016-02-29

Afroommethode DGA als laatste redmiddel

Volgens de conclusie van de Advocaat Generaal van 19 januari 2016 is de door de Belastingdienst veelvuldig toegepaste afroommethode slechts toegestaan indien er op geen enkele andere wijze een gebruikelijk loon is vast te stellen.

In het verleden is het toepassen van de afroommethode al veelvuldig afgeschoten. De wetgever heeft daar onder andere op geanticipeerd door vanaf 2015 het gebruikelijkloonartikel van 12a LB aan te passen.

Met ingang van 1 januari 2015 is de doelmatigheidsmarge verlaagd van 30% naar 25% en is het begrip 'soortgelijke dienstbetrekking' vervangen door het begrip 'meest vergelijkbare dienstbetrekking'. Deze 30% / 25% dient u niet te verwarren met de 30% die tevens gebruikt werd bij de afroommethode.

Doel van de gebruikelijkloonregeling is – om met een zekere marge – het fiscale loon vast te stellen op het niveau ‘van een zakelijk te achten salaris’. Volgens het Hof en de A-G is het dus de vraag of ‘in het economisch verkeer een hoger loon gebruikelijk is’. Dit betekent dat moet worden onderzocht of in de markt hogere lonen worden toegekend aan personen die vergelijkbare werkzaamheden anders dan als DGA in dienstbetrekking verrichten (vergelijkingsmethode). De toepassing van de afroommethode leidt volgens de A-G niet tot de vaststelling van een ‘vergelijkbaar loon’, maar eerder tot ‘de voor loonbetaling beschikbare winst’. In wezen benadert het aldus becijferde bedrag ‘wat het loon zou kunnen zijn’.

Slechts in zeer specifieke gevallen zal er wellicht geen in de markt vergelijkbaar loon te vinden zijn in een vergelijkbare dienstbetrekking waardoor de Belastingdienst wellicht toch de afroommethode met succes zou kunnen toepassen.  

Of het oordeel van het Hof en de conclusie van de A-G wordt bevestigd door de Hoge Raad zal op korte termijn duidelijk worden.

Tip

In de praktijk komen wij vaak tegen dat accountants en administratiekantoren zelf nog veelvuldig de afroommethode toepassen. In heel veel situaties zou dat kunnen betekenen dat de DGA al jaren mogelijk een veel hoger salaris heeft genoten dan nodig zou zijn geweest. Kijk als DGA een kritisch naar uw salaris en naar vergelijkbare functies. Mogelijk kunt u de nodige belastingen besparen!

0000-00-00 0000-00-00 4907

Verlies uit aanmerkelijk belang? Benut de belastingkorting!

Een steeds actueler wordend onderwerp is het omzetten van het verlies uit aanmerkelijk belang (box 2) in een belastingkorting die verrekend kan worden met verschuldigde belasting over het inkomen uit werk en woning (box 1). Hoewel de crisis al weer achter ons ligt en de vooruitzichten stukken beter, hebben sommige directeur-grootaandeelhouders (DGA's) nog te maken met de nasleep van een faillissement of opheffing van de B.V. waarin een aanmerkelijk belang werd gehouden.

Verliezen uit aanmerkelijk belang

Een verlies uit aanmerkelijk belang ontstaat doorgaans als gevolg van een faillissement, liquidatie of een verkoop van het aanmerkelijk belang, de aandelen die worden gehouden in een B.V. Indien de verkrijgingsprijs van de aandelen hoger is dan de vervreemdingsprijs is sprake van een verlies.

Verkrijgingsprijs

Onder verkrijgingsprijs wordt verstaan de prijs waarvoor de aandelen zijn verkregen. In de meeste situaties is deze gelijk aan het geplaatst en volgestorte aandelenkapitaal, maar kan als gevolg van bijvoorbeeld een geruisloze inbreng van een onderneming ook hoger of lager zijn. In dit laatste geval is hiervoor bij de geruisloze inbreng een verkrijgingsprijs vastgesteld.

De verkrijgingsprijs wordt verhoogd met vorderingen die de DGA had op zijn B.V. en die vervolgens zijn kwijtgescholden of wegens failissement niet meer invorderbaar zijn. Deze bedragen worden aangemerkt als een kapitaalstorting en verhogen de verkrijgingsprijs.

Vervreemdingsprijs

Onder de vervreemdingsprijs wordt de tegenprestatie in geld verstaan waartegen de aandelen worden verkocht. Indien de B.V. waarin het belang wordt gehouden failliet gaat of wordt geliquideerde en ontbonden, dan is de vervreemdingsprijs gelijk aan de liquidatie-uitkering (veelal nihil).

Indien de vervreemdingsprijs verminderd met de verkrijgingsprijs leidt tot een negatieve uitkomst, dan is er sprake van een verlies uit aanmerkelijk belang. Dit verlies kan een jaar terug worden gewenteld en negen jaar vooruit. Het verlies is echter alleen met inkomen uit aanmerkelijk belang te verrekenen (en niet met box 1 of box 3 inkomen).

Verlies uit aanmerkelijk belang omzetten in belastingkorting

Indien er nog een verlies uit aanmerkelijk belang resteert en de DGA - tezamen met zijn / haar partner - geen aanmerkelijk belang meer houdt in een B.V., dan heeft de DGA de mogelijkheid om het verlies om te zetten in een belastingkorting. Deze belastingkorting leidt ertoe dat het verlies afgezet kan worden tegen de verschuldigde belasting uit werk en inkomen (box 1).

Indien de DGA aanspraak wenst te maken op de belastingkorting, mag hij - al dan niet tezamen met zijn / haar partner - in het kalenderjaar en het daaraan voorafgaande kalenderjaar geen aanmerkelijk belang houden in een B.V. of daarmee vergelijkbare rechtspersoon. Nadat het verlies is omgezet in een belastingkorting kan de korting gedurende zeven jaren verrekend worden met de belasting die is verschuldigd over bijvoorbeeld looninkomsten, of een (pensioen-)uitkering. De belastingkorting dient uiterlijk in het negende jaar na het jaar waarin het verlies uit aanmerkelijk belang is ontstaan te zijn verrekend. De belastingkorting die na dit jaar nog resteert zal 'verdampen'.

De belastingkorting is voor DGA's die wegens verkoop, faillissement of liquidatie en ontbinding van de B.V. een verlies hebben geleden op hun aandelen een pleister op de wonden. De praktijk leert echter dat de belastingkorting niet altijd optimaal benut wordt. Zit u wellicht in een situatie waarin u overweegt uw aandelen te verkopen of uw B.V. te liquideren en ontbinden, neem dan voor die tijd contact op met een fiscaal jurist om uw situatie te beoordelen. Zowel de timing als het vormgeven van bijvoorbeeld een aandelenverkoop kan het verschil maken in wel of geen verlies uit aanmerkelijk belang en het kunnen omzetten van dit verlies in een belastingkorting.

In het het arrest van de Rechtbank Gelderland van 31 maart 2016, nummer: AWB15/3919, ECLI:NL:RBGEL:2016:1772 is een eventuele verlenging van de verrekeningstermijn aan de orde gekomen. De DGA in die situatie heeft betoogd dat als gevolg van een verliesverrekening de belastingkorting weer zou moeten herleven en de verrekeningstermijn daarmee verlengd zou moeten worden. Inspecteur is het daar echter niet mee eens, de Rechtbank bevestigt het standpunt van de inspecteur. Verliesverrekening leidt niet tot een verjonging van de belastingkorting. Deze uitspraak bevestigt hetgeen uit de voorgaande alinea, timing en een juiste vormgeving is vereist om het optimale resultaat te bereiken.

Wilt u meer weten? Neem contact op met de auteur van dit artikel.

Verlies uit aanmerkelijk belang? Benut de belastingkorting! [news] 2016-04-12 0000-00-00 0000-00-00 4924
Van uw oude stakingslijfrente af zonder fiscale pijn? [news] 2016-04-20

Van uw oude stakingslijfrente af zonder fiscale pijn? Leest u dan verder!

Heeft u in het verleden uw onderneming omgezet in een besloten vennootschap en heeft u hiervoor een stakingslijfrente bedongen, dan zijn de (toekomstige) uitkeringen belast met inkomstenbelasting. Maar wat als de vennootschap geen liquiditeit heeft om de uitkeringen te voldoen? Kunt u zonder fiscale gevolgen afzien van uw lijfrente-uitkeringen? In beginsel is het antwoord: nee. Onder de Wet op de inkomstenbelasting 2001 wordt het afzien van uitkeringen gesanctioneerd met een heffing van 52% inkomstenbelasting en daarnaast beboet met nog eens 20% revisierente. Heeft u nog een oude stakingslijfrente (vóór 1992)? Dan is er mogelijk nog een uitweg.

Het fiscale lijfrenteregime is in de loop der jaren steeds weer gewijzigd. Voor op het tijdstip van wijziging bestaande lijfrenten is vaak een overgangsrecht gecreëerd. Zo ook voor lijfrenten die vóór 1 januari 1992 zijn bedongen. Voor deze lijfrenten geldt het verbod op afzien niet waardoor een sanctie in de inkomstenbelasting achterwege blijft.

Voor de vennootschapsbelasting is nog wel sprake van een fiscaal belaste winst. Heeft u echter nog fiscale verliezen, dan kunnen deze met de winst verrekend worden. Daardoor hoeft het afzien van uitkeringen u ook in de vennootschapsbelasting fiscaal geen pijn te doen.

Wilt u meer weten? Neem dan contact op met ons kantoor, wij helpen u graag verder.

0000-00-00 0000-00-00 4928
Overdracht belastingschuld aan BV [news] 2016-09-05

Overdracht belastingschuld aan B.V.

Omzetten niet aftrekbare belastingschuld in box 3 schuld

Een belastingschuld in privé is niet aftrekbaar voor de inkomstenbelasting (in box 3). Als je deze schuld aan de B.V. verkoopt, ontstaat er voor de DGA een schuld aan zijn eigen B.V. Deze schuld kan wel in box 3 worden opgenomen. In deze casus ging het om een lange procedure waarbij de Hoge Raad de Randstad-oprichter Frits Goldschmeding in het gelijk heeft gesteld.

Belastingschuld aan B.V. verkopen

De DGA verkocht in 2008 een pakket aandelen aan zijn dochters voor ruim € 100 miljoen. De dochters konden dit niet betalen en kregen dus een schuld aan hun vader (resp. de vader heeft een vordering op zijn dochters). Daarnaast moest er belasting worden betaald over de verkoop (ook ruim € 100 miljoen), deze belasting moest in 10 jaar tijd worden betaald. De vordering op de dochters is belast in box 3 en de schuld aan de Belastingdienst is in box 3 niet aftrekbaar.

Eind 2010 verkoopt de DGA de vorderingen op zijn dochters en ook de schuld aan de Belastingdienst aan zijn eigen B.V. De Belastingdienst vindt dit flauwekul en ziet de economische logica niet. Daarnaast heeft de Belastingdienst geen toestemming gegeven voor de overdracht van de schuld. De DGA heeft na de overdracht geen economisch belang meer bij de schuld; mocht de belastingschuld worden kwijtgescholden, dan is dit voordeel ook voor de B.V. De overdracht kan volgens de Hoge Raad ook zonder toestemming van de Belastingdienst (tenminste fiscaal).

De Rechtbank was het met de Belastingdienst eens. Het Gerechtshof en de Hoge Raad niet, zij geven de DGA gelijk. De overdracht kan en leidde niet tot een TBS-vordering op de B.V. De Advocaat-Generaal heeft de Hoge Raad anders geadviseeerd (Belastingdienst gelijk), maar de Hoge Raad trekt zijn eigen lijn.

Fiscale noot

DGA's zouden nu op grote schaal niet aftrekbare belastingschulden aan hun B.V. kunnen verkopen. Meestal moet het dan wel gaan om forse belastingschulden, anders is het voordeel te beperkt. In bovenstaande casus is het voordeel ongeveer € 3-4 miljoen per jaar (in een dalende lijn omdat er elk jaar wordt afgelost). De Belastingdienst zal wel proberen om deze structuur te voorkomen of te beperken, dit kan via:

  1. beroep op Fraus Legis (belastingbesparing is enige motief voor de transactie);
  2. wetswijziging.

Als de B.V. de schuld niet zou betalen en / of failliet gaat, dan zal de DGA in privé moeten betalen en zal de structuur waarschijnlijk onderuit gaan.

Bron belastingschuld verkopen

Hoge Raad d.d. 12 augustus 2016 (ECLI NL HR 2016 1900).

Conclusie Advocaat-Generaal d.d. 15 maart 2016 (ECLI NL PHR 2016 120).

Gerechtshof Amsterdam d.d. 23 april 2015 (ECLI NL GHAMS 2015 2191).

0000-00-00 0000-00-00 4974

Pensioen in eigen beheer afkopen

Directeuren-grootaandeelhouders (DGA's) krijgen in 2017 (en 2018 en 2019) de mogelijkheid om hun pensioen in eigen beheer van de balans te halen (af te kopen). Dit kan met een korting van 34,5% in 2017 (en in de jaren daarna tegen lagere percentages, namelijk 2018: 25% en 2019: 19,5%). Heeft u geen geld, dan resteren er twee opties:

  1. Premievrij maken;
  2. Spaarvariant kiezen.

De invoering is uitgesteld tot 1 april 2017. De novelle van de wet Uitfasering pensioen in eigen beheer is inmiddels door de Eerste en Tweede kamer aangenomen. Zoals het er nu uitziet is het vanaf 1 juli 2017 niet meer mogelijk om fiscaal gefacilieerd pensioen in eigen beheer op te bouwen. Het afkopen of omzetten van het pensioen in een oudedagsvoorziening kan vanaf 1 april 2017, de beoogde datum van inwerkingtreding van de wet.

Als DGA uw pensioen in eigen beheer afkopen of niet?

Als uw pensioenreserve € 100.000 bedraagt, dan krijgt u hierop een korting van 34,5%. Over € 65.500 moet u dan dus 52% afrekenen. Dit kost netto zo'n € 34.000 (effectief tarief is derhalve 34%). Wellicht is het verstandig om in 2016 dit geld vast vrij te maken (of vanuit privé in de B.V. te storten), maar dat is afhankelijk van de feiten. Conclusie:

  1. 2017: korting 34,5%, deel afkoop 65,5% en effectief tarief 34,06%;
  2. 2018: korting 25%, deel afkoop 75% en effectief tarief 39%;
  3. 2019: korting 19,5%, deel afkoop 80,5% en effectief tarief 41,86%.

Overige opmerkingen over afkoopsom DGA-pensioen

De regeling is vrij uitgebreid en kent enkele voorwaarden en aandachtspunten:

  • Er wordt voor de regeling gekeken naar de fiscale verplichting per eind 2015.
  • Een creatieve verhoging of verlaging in 2016 heeft dus geen zin.
  • De revisierente (extra boete) van 20% geldt voor deze regeling niet.
  • De loonheffing moet ineens door de B.V. worden betaald, dit kan een flinke klap voor bestaande liquiditeit betekenen.

Spaarvariant DGA en eigen beheer pensioen

De spaarvariant is eigenlijk heel eenvoudig. De pensioenrechten worden gewaardeerd op de fiscale waarde (afgestempeld). De fiscale waarde van uw pensioen in eigen beheer wordt zonder loonheffing en vennootschapsbelasting omgezet in een oudedagsspaarverplichting. Daarna zal er geen verdere opbouw meer plaatsvinden. Het verschil tussen de fiscale en commerciële waarde verdwijnt derhalve, dit is een voordeel. Hierdoor kunt u ook weer eerder dividend laten uitkeren door uw B.V. Ook ziet uw balans er weer iets rooskleuriger uit. Let erop dat uw partner met de omzetting akkoord moet gaan, leg het dus schriftelijk vast in een overeenkomst (en notulen van de AvA).

Echtscheiding DGA en afkoop

Als u gescheiden bent en de verevende pensioenrechten van uw ex-partner zitten (bevroren) in de B.V., dan moet u met uw ex in overleg over een mogelijke afkoop (artikel 3a lid 6 Wet Verevening pensioenrechten bij scheiding). Uw ex moet voor de afkoop  namelijk toestemming verlenen. Een aantal opmerkingen:

  • Voor het ouderdomspensioen geldt formeel nog geen wettelijke regeling om toestemming te vragen.
  • Doordat er geen pensioen meer wordt opgebouwd, neemt de winst van uw B.V. toe, hierdoor hogere draagkracht.
  • U kunt ook het deel van uw partner onderbrengen bij een externe verzekeraar.
  • U kunt uw partner een compensatie aanbieden voor het gemis van pensioen, als uw pensioen nu "onder water staat", moet u hiermee rekening houden (lagere compensatie, kijk ook naar deze uitspraak van het Gerechtshof Den Haag d.d. 18 juni 2014).  
  • Let op dat er geen sprake is van een schenking. Als uw partner zomaar afziet, dan kan dit een schenking zijn. Let hierbij ook op artikel 19b lid 3 Wet Loonbelasting. 

Partner en pensioen

Het is van essentieel belang dat de (gewezen) partner / vrouw / echtgenoot van de DGA medewerking gaat verlenen aan de uiteindelijke overeenkomst. Zonder een krabbel van de (gewezen) partner kunnen er vele problemen ontstaan. Zekerheidshalve is het verstandig dat de (gewezen) partner reeds op de notulen (voor de beslissing) haar handtekening zet.

Tenslotte

Wij adviseren diverse DGA's over deze materie en maken hiervoor een kort advies met een berekening. Vragen? Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak.

Bron pensioen in eigen beheer

Wetswijziging in staatscourant

Wijziging novelle (uitvoeringsbesluit)

Afkoop pensioen eigen beheer [news] 2017-02-14 0000-00-00 0000-00-00 4975

Belastingvrij afboeken rekening-courantschuld DGA aan B.V.

Bijna iedere directeur-grootaandeelhouder (DGA) heeft wel een rekening-courant bij zijn vennootschap(pen). Sinds enkele jaren heeft de Belastingdienst veel belangstelling voor dergelijke schulden. Er wordt ook steeds vaker over rekening-courantschulden geprocedeerd en dit zal de komende jaren alleen maar toenemen. In 2019 aflossen is fiscaal voordeliger omdat in 2020 het tarief voor box 2 zal stijgen. Daarnaast komt er in 2022 een wetswijziging (lees meer)

Advies inzake schuld aan BV

Wij adviseren regelmatig DGA's met forse rekening-courantschulden. Hierbij wordt ook gekeken naar:

  • verrekening rekening-courant met afkoop pensioen;
  • kwijtschelden vordering DGA i.v.m. oninbaarheid;
  • laten vervallen DGA-schuld i.v.m. 5-jaarstermijn;
  • aflossing rekening-courant via overdracht activa vanuit privé.

De laatste maanden wordt veel gesproken over het belastingvrij kwijtschelden van rekening-courantschulden. Dit op grond van diverse publicaties en een TV-uitzending (die ik via 'Uitzending gemist' heb bekeken). In dit artikel wordt duidelijk dat u met vuur speelt als u hieraan zou beginnen en dat sprookjes niet bestaan. Heeft u vragen kom gerust langs voor een vrijblijvende afspraak.

Belastingvrij afboeken schuld DGA

Steeds vaker krijgen wij vragen over het belastingvrij afboeken van een schuld van de DGA aan zijn B.V. Wat te mooi is om waar te zijn, is dat vaak ook. Is het dan flauwekul wat er in het nieuws voorbijkomt en door enkele adviseurs wordt geroepen? Ja, in veel gevallen wel. De optie wordt geroepen in een TV uitzending, ik heb dit via 'Uitzending gemist' bekeken, een bijzonder advies. De stelling is als volgt:  er is een definitieve aanslag, de stijging van de rekening-courantlening is onzakelijk en feitelijk een schijnlening en hiermee kun je deze zomaar wegstrepen (geen nieuw feit). Dit sprookje is flauwekul, hierbij de realiteit.

Wat kunt u met een rekening-courant?

  1. Simpelweg aflossen.
  2. Dividend uitkeren (aflossing € 75.000 rekening-courant kost € 25.000 aan liquiditeit).

Een rekening-courantschuld van de DGA aan zijn B.V. geeft de Belastingdienst een aantal opties:

  1. De opname is loon geweest.
  2. De opname is een dividenduitkering geweest.
  3. De opname is een echte lening.

Overige gevolgen van een rekening-courantschuld kunnen zijn:

  1. Pensioenprobleem: grote opnamen kunnen ervoor zorgen dat het pensioen in eigen beheer wordt gedekt door een (waardeloze) vordering op de DGA. Dit kan afkoop van pensioen tot gevolg hebben (gevolg: 52% belasting en 20% revisierente).
  2. Rente: de rente op de rekening-courant is vaak in privé niet aftrekbaar en in de B.V. wel belast.
  3. Faillissement: bij een faillissement van uw B.V. komt de curator het geld bij de DGA in privé ophalen.

Als een directeur-grootaandeelhouder (de DGA) een schuld aan zijn B.V. heeft opgebouwd, dan wil hij hier graag af. In een TV programma wordt deze structuur (belastingvrij afboeken) gepresenteerd. De insteek is de volgende:

  • Een DGA heeft sinds vele jaren een schuld aan zijn B.V.
  • De schuld is in rekening-courant opgebouwd.
  • De DGA kan de schuld niet (meer) aflossen.
  • De DGA heeft de schuld niet afgelost en kon dit ook niet (schijnlening).
  • De lening is feitelijk in het verleden omgezet in een (vermomde) uitdeling.
  • De opnamen hebben in het verleden het karakter gekregen van een dividenduitkering.
  • De inspecteur had dan in het verleden zich moeten melden bij de DGA en de opnamen als dividenduitkeringen moeten aanmerken.
  • De inspecteur heeft dat niet gedaan en is hiermee te laat, navorderen is dan nu niet meer mogelijk (geen nieuw feit).

De gedachte hierachter is wel te volgen en niet geheel onjuist. Echter de vraag is of de inspecteur te laat en / of de inspecteur een nieuw feit nodig heeft.

  1. Uit diverse uitspraken van rechters (jurisprudentie) blijkt dat de Belastingdienst (inspecteur) niet snel zijn rechten op navordering (door een nieuw feit) verspeelt.
  2. Als de aangifte is gemaakt door een deskundige (accountantskantoor, belastingadviseur), dan kan de Belastingdienst eenvoudig stellen dat de aangifte juist moet zijn. Navordering blijft dan gewoon mogelijk.
  3. Daarnaast is navordering altijd mogelijk als de DGA te kwader trouw is geweest, een nieuw feit is dan niet nodig.
  4. De Hoge Raad heeft in enkele arresten al aangegeven dat een onzakelijke lening nog steeds een lening is en geen kapitaal. De B.V. kan geen verlies nemen op de afboeking van de vordering op de DGA en dit heeft ook niet tot gevolg dat de lening als dividenduitkering moet worden gezien. De stap "partijen wilden geen lening maar bedoelden een dividenduitkering" is een dunne lijn, de bewijslast bij de B.V. en DGA is lastig (immers in de aangiften IB / VPB en de jaarrekeningen staat een lening en er is geen dividendbelasting voldaan (moet binnen 1 maand)).

Beleid Belastingdienst over afboeken schuld DGA

Er is de laatste maanden veel geschreven over het belastingvrij wegstrepen van rekening-courantschulden van de DGA aan zijn B.V. De Belastingdienst neemt hier maatregelen tegen en heeft een intern memo hierover opgesteld. Via een WOB verzoek is dit memo openbaar geworden, het memo kunt u hier lezen. De brief van de Staatssecretaris bij dit memo is ook gepubliceerd (lees hier). Het memo geeft een leuke doorkijk in de keuken van de Belastingdienst. In het memo worden aan de medewerker van de Belastingdienst handvatten gegeven hoe met advisering over dit onderwerp moet worden omgegaan. Aantal conclusies uit dit memo:

  1. Belastingdienst zal belastingvrij wegstrepen van rekening-courantschulden bestrijden.
  2. De Belastingdienst zal bij belastingvrij wegstrepen van schulden boetes opleggen en eventueel de DGA strafrechtelijk vervolgen (opzettelijk onjuist aangifte doen).
  3. Als een afboeking wordt geconstateerd (meestal via VPB-aangifte van de B.V.) wordt eerst informatie bij de adviseur en / of de DGA opgevraagd. Bij problemen wordt vanuit de Belastingdienst een oplossingsgerichte aanpak "geadviseerd".
  4. In vooroverleg omtrent het belastingvrij afboeken wordt geen standpunt ingenomen.

Het memo stelt wel een aantal zaken iets te zwart/wit. Zo is een nieuw standpunt van een adviseur (of belastingplichtige) zeker niet altijd een nieuw feit dat navordering kan rechtvaardigen. Iets nieuws vinden kan ook gewoon een ander standpunt zijn op een bestaande situatie (nieuw inzicht of een nieuwe of herziene visie). Daarnaast wordt er scherp gesteld dat het strafrechtelijk vervolgen tot de mogelijkheden behoort, deze bevoegdheid ligt echter niet primair bij de inspecteur, wel de signalering. Ook is niet duidelijk wanneer voor deze route wordt gekozen.

Zakelijk handelen met de B.V.

Iedere aandeelhouder dient zakelijk te handelen met zijn vennootschap(pen). Dit betekent dat de verstrekking, als de voorwaarden waaronder dit geschiedt, moet geschieden zoals dat ook tussen derden het geval zou zijn geweest. Om fiscaal niet tegen ongewenste gevolgen aan te lopen, dient u rekening te houden met het volgende:

  • Kijk goed naar de vermogenspositie van de schuldenaar (zou deze ook een lening van een derde kunnen ontvangen?).
  • Stel een zakelijke rente vast.
  • Kom een aflossingsschema overeen.
  • Leg de lening en de bijbehorende voorwaarden vast in een overeenkomst.
  • Indien het bovenstaande niet juist is vormgegeven, kan de Belastingdienst de rente gaan corrigeren en mogelijk de lening aanmerken als onzakelijk met alle gevolgen van dien.

Rente rekening-courantschuld tot € 17.500

Bij een schuld van de aandeelhouder tot € 17.500 hoeft geen rente in rekening te worden gebracht. Hier tegenover staat dat de schuld niet in box 3 mag worden opgenomen.

Belastingdienst en rekening-courant

De Belastingdienst heeft een speciale site over de rekening-courant van de aandeelhouder (kijk hier). U kunt erop wachten dat de Belastingdienst in 2016 / 2017  strikter gaat kijken naar DGA's met een schuld aan hun B.V. Essentie volgens de Belastingdienst is het volgende:

  • Lening tegen zakelijke voorwaarden (voorwaarden die een bank ook zou stellen).
  • De lening moet schriftelijk worden vastgelegd.
  • Er moeten afspraken worden gemaakt over terugbetaling van de lening.
  • De B.V. heeft voldoende zekerheden.
  • De B.V. moet aan haar verplichtingen kunnen blijven voldoen als u de lening opneemt.
  • Als er onzakelijk wordt gehandeld, voldoet de lening niet aan de voorwaarden, de lening wordt dan gezien als inkomen.

Rekening-courant en de DGA

Een hoge rekening-courantschuld is niet wenselijk, zowel fiscaal als naar uw bank. Ook bij een faillissement kan een rekening-courantschuld ervoor zorgen dat uw privévermogen wordt aangesproken bij een faillissement van uw B.V. Door een rekening-courantschuld kan ook het vormen van een normale pensioenvoorziening in gevaar komen. Als de B.V. haar verplichtingen niet kan nakomen door rekening-courantopnamen door de DGA, dan kan dit een onrechtmatige daad tot gevolg hebben. Hierdoor is de bestuurder aansprakelijk voor schulden bij een faillissement van de B.V. (Rechtbank Den Haag 5 april 2012).

Als een DGA geld uit zijn B.V. heeft geleend voor consumptieve zaken, dan kan dit voor de Belastingdienst een reden zijn om te veronderstellen dat sprake is van een uitdeling of genoten salaris. Dit komt sneller in beeld als er geen zekerheid wordt geboden en / of de schuld onvoldoende is vastgelegd, resp. als hetgeen is vastgelegd niet wordt nagekomen. In mijn praktijk wordt dit meestal wel opgelost, bijvoorbeeld door met de Belastingdienst af te spreken dat de schuld in 3 tot 5 jaar wordt afgebouwd via bijvoorbeeld een dividenduitkering.

Dividend uitkeren en rekening-courant

De eenvoudigste manier om een rekening-courantschuld weg te werken is de dividenduitkering. Er moet wel brutering plaatsvinden, voor een schuld van € 100.000 moet een dividend van ruim € 133.000 worden uitgekeerd. De B.V. heeft hiervoor in contanten dus € 33.000 nodig. Een deel wordt bij de dividenduitkering door de B.V. voldaan en een deel door de DGA, in totaal moet 25% worden betaald. Als u te maken krijgt met de stelling dat er sprake is van een uitdeling, kunt u een aantal stellingen betrekken:

  1. Ik regel het alsnog goed en zal privé zekerheden verstrekken en tot aflossing overgaan.
  2. Maak een plan om binnen 3 jaar de schuld in z'n geheel af te lossen.
  3. Probeer een deel van de schuld wel als zakelijk te laten staan (voorbeeld Rechtbank Den Haag 2 maart 2010). Een DGA had een schuld van € 450.000, deze was opgelopen tot € 660.000. Er was geen schriftelijke overeenkomst. Inspecteur stelt: "uitdeling." Rechtbank stelt: "uitdeling voor de opname ad € 210.000 en niet voor geheel," voor restant niet omdat voor dit deel artikel 4.43 IB niet aannemelijk is gemaakt.

Let op ... een dividenduitkering is alleen mogelijk als de B.V. over positief vermogen beschikt. Om dit vermogen te bepalen, moet u de pensioenverplichting om commerciële waarde waarderen, deze is meestal hoger dan de (fiscale) waarde die op de balans staat. U moet ook rekening houden met de uitkeringstoets (kan de B.V. geld als dividend uitkeren zonder de B.V. in gevaar te brengen, deze eis moet u sinds 2012 toepassen).

Terugbetaling van kapitaal

De meest eenvoudige manier om een rekening-courantschuld te verlagen is het verminderen van kapitaal. Dit kan alleen als er voldoende kapitaal is gestort dat fiscaal ook is erkend.

Rekening-courant en rentevoordeel

Op 25 februari 2011 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan inzake een DGA die geld had geleend van zijn vennootschap tegen een rente van 2,5% en dit geld vervolgens op privérekeningen zette tegen een hogere rente. Hierdoor maakte de DGA een onbelaste winst in privé. De inspecteur was het niet eens met de DGA. De Rechtbank stelde de DGA in het gelijk, het Hof echter niet. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad zich over deze zaak gebogen en kwam met de volgende uitspraak. De kennis van tarieven op spaarrekeningen is niet als bijzondere vorm van kennis aan te merken, aangezien deze gewoon op het internet staan. Het standpunt van het Hof dat de winst in box 1 belast moest worden wegens activiteiten die normaal vermogensbeheer te boven gaan, gaat derhalve niet op. De activiteiten zijn volgens de Hoge Raad niet substantieel genoeg, waardoor sprake is van normaal vermogensbeheer en derhalve is het rentevoordeel onbelast.

Conclusie rekening-courant

Neem altijd tijdig contact op met uw belastingadviseur om te beoordelen of u aan alle voorwaarden en formaliteiten voldoet. Dit kan ongewenste gevolgen voorkomen. Aflossen van een rekening-courantschuld kan het eenvoudigst door als DGA te betalen en anders door (in de loop van enkele jaren) dividend uit te keren. Overleg altijd met uw fiscaal jurist zodat u geen fouten maakt. Van belang is wel om de rekening-courant schriftelijk vast te leggen en de rente laag te houden.

Er zijn best situaties denkbaar dat het belastingvrij wegstrepen van de rekening courant denkbaar is, dit volgt ook wel (een beetje) uit het memo van de Belastingdienst. De houding van de Belastingdienst hiertegen is gezond kritisch en u moet zich wel realiseren dat er een redelijk schriftelijk gevecht gaat plaatsvinden als u hiertoe besluit. In sommige gevallen kan dit noodzakelijk zijn maar dan moet wel vooraf een gezonde afweging plaatsvinden.

Vrijblijvende offerte voor de DGA

Veel ondernemers worstelen met een rekening courant schuld. Maar ook is vaak de vraag "betaal ik niet teveel belasting?" of "weet mijn boekhouder wel alle fiscale mogelijkheden?". Vrijwel wekelijks helpen wij ondernemers en/of DGA’s met fiscale adviezen. Het meest gekozen advies is de ondernemersscan (fiscale adviezen op meer dan 100 onderdelen binnen uw bedrijf) of een toetsing van de werkkostenregeling (de WKR scan).  Ook adviseren wij vele ondernemers bij boekenonderzoeken, bezwaar- beroepsprocedures, emigraties en het verkopen van hun onderneming. Interesse? Neem contact op of stuur een email, wij nemen dan binnen 48 uur contact met u op.

Vrijblijvende afspraak

Komt gerust langs voor een vrijblijvende afspraak. U kunt via email een afspraak inplannen

Bron DGA en rekening-courant

Hoge Raad 25 februari 2011.

Rechtbank Den Haag 5 april 2012.

Rechtbank Den Haag 2 maart 2010.

Intern memo Belastingdienst over kwijtschelden schulden.

Brief Staatssecretaris inzake kwijtschelden schulden (februari 2017).

[news] 2017-02-27 0000-00-00 0000-00-00 5063

Wet uitfasering pensioen in eigen beheer definitief

Nadat de Tweede Kamer al eerder akkoord was, heeft op 7 maart jl. ook de Eerste Kamer ingestemd met de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen, inclusief de later ingediende novelle. De wet is op op 1 april 2017 in werking getreden.

Keuzemogelijkheden DGA

DGA's kunnen vanaf 1 juli 2017 geen pensioen in eigen beheer (PEB) meer opbouwen. Met de in eigen beheer opgebouwde pensioenaanspraken hebben DGA's drie keuzes:

1. Afkopen PEB;

2. Omzetten PEB in een oudedagsverplichting (ODV);

3. Niets doen, oftewel een premievrij PEB behouden.

Afkopen

Bij afkoop keert de vennootschap waar het pensioen op de balans staat, de fiscale verplichting in één keer uit aan de DGA. Bij de DGA is deze regulier belast in box 1, waarbij er wel een korting geldt op de fiscale waarde. Bij afkoop in 2017 is de korting 34,5%, in 2018 25% en in 2019 19,5%. Na 2019 is afkoop niet meer mogelijk.

Omzetten in ODV

DGA's die niet in één keer een groot bedrag aan belasting willen of kunnen betalen, hebben de mogelijkheid hun fiscale pensioenverplichting om te zetten in een oudedagsverplichting. Omzetting is mogelijk tot 2020.

Vanaf AOW-leeftijd heeft de DGA vervolgens recht op uitkeringen gedurende 20 jaren.

De DGA kan er ook voor kiezen de verplichting af te storten naar een bank of verzekeraar om daar een lijfrente te bedingen.

Premievrij PEB

Maakt de DGA geen keuze, danwel wil hij niet afkopen of omzetten, dan blijven zijn opgebouwde pensioenaanspraken gehandhaafd. Er verandert niets aan de huidige situatie. Wel is het natuurlijk zo dat nieuwe pensioenopbouw in eigen beheer vanaf uiterlijk 1 juli 2017 niet meer mogelijk is.

Te ondernemen acties

DGA's met PEB moeten nadenken wat ze willen met hun opgebouwde pensioenaanspraken. Acties die zoal vereist zijn:

1. Indien DGA nog actief PEB opbouwt, dit vóór 1 juli 2017 beëindigen;

2. DGA's met een externe pensioenverzekering kunnen nog tot 1 juli 2017 het kapitaal terughalen naar de eigen venootschap;

3. (Ex-)partner van de DGA moet instemmen met afkopen en omzetten in ODV. Welicht is compensatie van de (ex-)partner voor afzien van rechten benodigd.



Wet uitfasering pensioen in eigen beheer definitief [news] 2017-05-01 0000-00-00 0000-00-00 5134

Stichting Administratiekantoor en gebruikelijk loon

Een Stichting Administratiekantoor heeft veel voordelen. De belangrijkste zijn:

  1. Beperken aansprakelijkheid;
  2. Geen gebruikelijk loon (wat DGA wel heeft);
  3. Flexibiliteit.

U moet een Stichting Administratiekantoor (hierna: STAK) niet verwarren met goede doelen.

Geen gebruikelijk loon bij Stichting Administratiekantoor

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) van een B.V. of N.V. moet zichzelf - op grond van fiscale wetgeving - verplicht een salaris toekennen van ruim € 47.000 (cijfers 2021). Dit is een anti-misbruikbepaling die vaak ongunstig kan uitwerken. Voor een DGA is het namelijk goedkoper om dividend uit te keren dan salaris te genieten, dit scheelt ongeveer 10% heffing. Bij een stichting bent u niet verplicht om als bestuurder een DGA-salaris aan uzelf te betalen. Dit is ook logisch omdat u geen aandelen van de stichting heeft.

In een procedure bij de Rechtbank in april 2018 kwam het gebruikelijk loon voor een stichtingbestuur aan de orde. De rechter was er vlot klaar mee, geen fictief loon voor de bestuursleden. Een bestuurder van een stichting heeft namelijk geen aanmerkelijk belang in een B.V., ook niet als de aandelen van de B.V. worden gehouden door een stichting. Dit kan wel anders zijn als de STAK de aandelen in de werk-B.V. heeft gecertificeerd en de STAK derhalve enkel juridisch eigenaar van de aandelen in de B.V. is. In deze casus kwam het dividend van de B.V. ook toe aan de STAK.

STAK voorkomt persoonlijke aansprakelijkheid

Als u een onderneming start, kan dit als eenmanszaak of VOF (geen rechtspersoonlijkheid) of als B.V. (wel rechtspersoonlijkheid). Daarnaast zijn er nog vele mengvormen en zij sporen qua soort onderneming. Als u voor een bedrijf met rechtspersoonlijkheid kiest, wordt veelal gekozen voor de B.V. of N.V. Deze B.V. is dan zelf degene die verplichtingen en contracten aangaat. Omdat een mens een handtekening moet zetten, is er ook een bestuur of directeur. Bij een aansprakelijkheid wordt een stichting aansprakelijk gesteld en niet het bestuur. Dit is anders als het bestuur niet netjes (onbehoorlijk) heeft gehandeld.

STAK brengt flexibilteit

Een STAK kan ook prima worden gebruikt voor een bedrijfsopvolging of als spaarpot voor het familievermogen. Dit is echter wel maatwerk en hierbij moet de STAK zorgvuldig en correct worden ingericht. De winst in een stichting laten terechtkomen is niet altijd verstandig. Een stichting heeft veelal een winstuitkeringsverbod.

Vragen over STAK

Het kan zijn dat u een optimale structuur voor uw bedrijf zoekt of uw bedrijfsopvolging tijdig wilt regelen. Kom gerust eens langs voor een geheel vrijblijvend gesprek bij ons op kantoor.

[news] 2018-04-12 0000-00-00 0000-00-00 5316

DGA-salaris berekenen

Het DGA-salaris voor 2018 bedraagt € 45.000. Er zijn veel procedures over het gebruikelijke loon voor een DGA. Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) zal altijd bezig zijn met een optimale hoogte van het gebruikelijke DGA-salaris. Maximaal 42% inkomstenbelasting betalen is optimaal. Dividend kan immers voordeliger zijn, opnamen in rekening-courant vullen de tekorten ook wel even op, of men wil het geld liever in de B.V. houden om te gebruiken voor het bedrijf. De vraag is en blijft: wat heeft men nodig en wat moet men van de fiscus uitkeren? Het blijft een kat en muis spelletje. Wij adviseren dagelijks DGA's over hun salaris en de (on-)mogelijkheden hierbij.

Belastingdienst vindt salaris DGA te laag

In een procedure voor de Rechtbank Den Haag d.d. 9 januari 2014 kwam een situatie aan de orde waarbij een communicatieadviseur via zijn eigen B.V. werkzaamheden verricht voor derden. De verhoudingen waren als volgt (genoemde bedragen in euro's):

  • 2006: omzet € 59.000 en salaris € 46.000 (Belastingdienst akkoord);
  • 2007: omzet € 137.000 en salaris € 55.000 (Belastingdienst € 85.000);
  • 2008: omzet € 67.000 en salaris € 62.000 (Belastingdienst akkoord);
  • 2009: omzet € 154.000 en salaris € 62.000 (Belastingdienst € 95.000); 
  • 2010: omzet € 166.000 en salaris € 58.000 (Belastingdienst € 95.000).

Voor de berekening van de salarissen wordt door belastingplichtige de afroommethode gebruikt. De salarissen worden door de Inspecteur gecorrigeerd op grond van artikel 12a van de Wet op de Loonbelasting 1964 (wet LH). Centrale vraag is of het loon in belangrijke mate afwijkt van het gebruikelijke loon en of de afroommethode mag worden toegepast.

Volgens de Rechtbank maakt de Inspecteur niet aannemelijk dat het salaris op grond van artikel 12a LH in belangrijke mate afwijkt van hetgeen in het economische verkeer gebruikelijk is. Uit het enkele feit dat het door de Inspecteur met toepassing van de afroommethode berekende loon hoger ligt dan het aan belanghebbende (de DGA) toegekende en uitbetaalde loon volgt, zonder nadere motivering, niet dat het toegekende loon lager is dan hetgeen voor een soortgelijke dienstbetrekking in het economische verkeer gebruikelijk is. De naheffingsaanslagen worden vernietigd, het gelijk is aan de DGA.

Parttime werken en DGA-salaris

Een DGA verricht zeer beperkt werkzaamheden voor zijn B.V. Het gebruikelijk loon moet dan volgens de rechter € 10.000 zijn. De B.V. verricht beperkt activiteiten, namelijk het verhuren en verkopen van onroerende zaken. De Belastingdienst stelt dat het salaris ruim € 40.000 moet bedragen, de rechter is het hier niet mee eens. De rechter begrijpt de belastingplichtige (de DGA) en stelt het salaris veel lager vast, namelijk op € 10.000 per jaar. De rechter stelt dat er altijd iemand iets voor een B.V. moet doen, zoals de financiële administratie, overleg accountant, publiceren jaarrekeningen en het nemen van beslissingen. Gezien de mogelijke aansprakelijkheid van de bestuurder zal een derde hiervoor altijd een vergoeding willen hebben. De Rechtbank Noord Nederland beslist hiertoe op 15 maart 2018 (ECLI:NL:RBNNE:2018:889). Een derde zou dit nooit voor minder dan € 5.000 doen, aldus de rechter.

Vragen over DGA-salaris

Heeft u vragen over het gebruikelijke loon van een DGA, dan kunt u altijd eens langskomen voor een vrijblijvend gesprek.

[news] 2018-04-26 0000-00-00 0000-00-00 5321

Dividenduitkering in 2021

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) maakt winst in zijn B.V. en wil dit geld privé in bezit krijgen. Dit kan via salaris, maar meestal is een dvidenduitkering voordeliger. Over de winst in de B.V. moet 20% - 25% vennootschapsbelasting worden betaald en over wat dan overblijft draagt de DGA bij een dividenduitkering aanmerkelijkbelangheffing af (Box 2). Het AB-tarief is in 2020 verhoogd van 25% tot 26,25% (en in 2021 tot 26,9%). Het tarief in de vennootschapsbelasting is gelukkig gedaald tot 15% (eerste € 200.000)

Vrijblijvende afspraak

De belastingdienst stuurt sinds 2020 aan vele DGA's brieven over de rekening courant schuld. Wees dit moment voor en leg uw situatie vast en/of laat u adviseren over een plan om de schuld te verminderen. Vragen? Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak.

Dividenduitkering DGA (tarieven)

De tarieven worden de komende jaren aangepast:

  • 2017: 20% VPB (tot € 200.000 winst) en 25% AB-heffing.
  • 2018: 20% VPB (tot € 200.000 winst) en 25% AB-heffing.
  • 2019: 19% VPB (tot € 200.000 winst) en 25% AB-heffing. 
  • 2020: 16,5% VPB (tot € 200.000 winst) en 26,25% AB-heffing.
  • 2021: 15% VPB (tot € 200.000 winst) en 26,9% AB-heffing.

Fiscale scan voor DGA

Veel DGA's vragen ons om eens mee te denken over fiscale mogelijkheden binnen de onderneming en de privé situatie. Wij hebben hiervoor een fiscale scan ontwikkeld. Wij toetsen uw bedrijf en uw prive situatie hierbij op meer dan 100 adviesonderdelen.  Hierbij bekijken wij of u gebruik maakt van alle fiscale regels en uw bedrijf klaar is voor een mogelijke bedrijfsopvolging. Ook kijken wij naar:

  • Structuur optimaal
  • Bijtelling auto's op orde
  • Hoe minder belasting betalen (nu en in de toekomst)
  • Continuïteit, verkoop, bedrijfsopvolging op orde.
  • Check inzake mogelijk boekenonderzoek, wat zijn de risico's?
  • Loonheffingen en onkostenvergoedingen optimaal?

Stuur een e-mail voor een vrijblijvende offerte.

Nadeel tariefsverhoging

Over de huidige winstreserve in de B.V. van een DGA moet nog 25% box 2 heffing worden betaald (bij uitkeren). Dit tarief wordt verhoogd. Er komt waarschijnlijk geen eerbiedigende werking voor de bestaande reserves per 1 januari 2020. Uitkeren in 2019 (na 1 januari, ter voorkoming van box 3 heffing in 2019) is dan ook verstandig.

Advies over dividend uitkeren of niet

Via een relatief eenvoudige berekening (welke wij voor u kunnen maken) kunt u berekenen of het zinvol is om dividend uit te keren of het geld in de B.V. te houden. Bij een verwacht rendement van hoger dan 4% (in de B.V.) is het meestal verstandig om geen dividend uit te keren (geen dividendbelasting). Het kan soms ook mogelijk zijn om dividend uit te keren en dit als vermogen of agio weer in de B.V. te storten. Dit is maatwerk en kan best een voordeel opleveren.

DGA met rekening-courantschuld

Als de DGA een schuld aan zijn B.V. heeft en een negatief box 3 vermogen, dan is het veelal verstandig om wel dividend in 2019 uit te keren. Bij een negatief box 3 vermogen is er geen besparing in privé en moet de B.V. wel vennootschapsbelasting betalen over de rente op de vordering. De rente is in privé niet aftrekbaar.

Vragen over DGA en dividenduitkering

Bel of mail gerust met één van onze fiscaal juristen.

Optimaliseren positie DGA

Overweeg eens een fiscale scan van uw bedrijf. Wij toetsen uw bedrijf op meer dan 100 adviesonderdelen en bekijken ook of uw positie als DGA kan worden geoptimaliseerd.  Kort en goed bekijken wij het volgende;

  • Maakt u optimaal gebruik van de fiscale wetgeving ?
  • Is uw structuur en rechtsvorm op orde?
  • Uw positie als ondernemer/DGA t.o.v. van uw prive situatie.
  • Continuiteit, verkoop, bedrijfsopvolging op orde.
  • Optimalisatie van uw fiscale positie.
  • Check inzake mogelijk boekenonderzoek, wat zijn de risico's?
  • Loonheffingen en onkostenvergoedingen optimaal via WKR tool?

Stuur een e-mail voor een vrijblijvende offerte.

[news] 2018-05-09 0000-00-00 0000-00-00 5348

Rekening-courantschuld DGA in 2019

In de nieuwe belastingplannen voor 2019 en daarna staat een opmerkelijke regeling voor DGA's met een rekening-courantschuld. De maatregel maakt formeel geen deel uit van het belastingplan 2019. In Nederland hebben DGA's ongeveer € 50 miljard uit hun B.V. geleend. Ongeveer 10% van de DGA's heeft een rekening-courantschuld welke hoger is dan € 500.000. Voor deze groep komt een speciale regeling.

Update 17 juni 2020

Het wetsvoorstel inzake excessief lenen ligt sinds 17 juni 2020 bij de tweede kamer (dit voorstel kunt u hier raadplegen). Vanaf 2023 worden DGA's (AB houders) beperkt in het geld lenen van hun BV (tot maximaal € 500.000), met uitzondering van bestaande eigenwoning schulden. Het gaat om 11.000 DGA's die iets moeten veranderen in de afspraken met hun BV.

Onderzoek Belastingdienst bij rekening-courant DGA

Bij een dividenduitkering moet de DGA ongeveer 25% box 2 heffing betalen. Deze heffing wordt de komende jaren hoger. Via een lening hoeft de DGA nog niet direct met zijn B.V. af te rekenen. De komende periode zullen er meer onderzoeken komen naar B.V.'s met rekening-courantvorderingen op de DGA. Er komt in 2023 (door corona crisis in 2020) een maatregel waarbij er een soort van strafheffing komt voor DGA's met een rekening-courantschuld welke hoger is dan € 500.000. Voor leningen (bijvoorbeeld voor de eigen woning) komt een overgangsregeling.

Dividenduitkering DGA in 2019

Een dividenduitkering hoeft nog niet in 2018 plaats te vinden. In 2019 blijft het box 2 tarief nog 25%.

[news] 2018-09-19 0000-00-00 0000-00-00 5682

Rekening-courant DGA

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) heeft een rekening-courantschuld aan zijn B.V. van ruim € 800.000. Voor de schuld zijn onvoldoende zekerheden verstrekt. De rechter is van mening dat sprake is van een uitdeling. De medisch specialist krijgt ook nog een boete van € 95.000. De Belastingdienst is op dit moment veel actiever bij het "opsporen" van DGA's met rekening-courantschulden. Laat u tijdig adviseren en onderneem actie.

Update 17 juni 2020

Het wetsvoorstel inzake excessief lenen ligt sinds 17 juni 2020 bij de tweede kamer (dit voorstel kunt u hier raadplegen). Vanaf 2023 worden DGA's (AB houders) beperkt in het geld lenen van hun BV (tot maximaal € 500.000), met uitzondering van bestaande eigenwoning schulden. Het gaat om 11.000 DGA's die iets moeten veranderen in de afspraken met hun BV.

Uitdeling bij hoge rekening-courant DGA

Een medisch specialist heeft via een STAK aandelen in zijn B.V. De DGA had voor zijn huis € 225.000 geleend van de B.V. en ook nog een rekening-courantschuld van ruim € 550.000. De accountant heeft een convenant met de Belastingdienst gesloten, de DGA viel hiermee sinds 2011 ook onder dit convenant. In 2010 stond de schuld bij de B.V. niet in de aangifte inkomstenbelasting van de DGA. Sinds 2011 wordt de medisch specialist als "convenant klant" behandeld door de Belastingdienst. De accountant vraagt de Belastingdienst om een standpunt over enkele posten in de aangifte. In 2017 legt de inspecteur een navorderingsaanslag op en stelt dat er sprake is van een uitdeling van ruim € 800.000. De adviseur stelt dat enkel de aangroei in 2010 mag worden belast, de rest niet (geen nieuw feit). Een kansloze route die ook vlot van tafel wordt geveegd.

De lening voldoet niet aan de voorwaarden:

  • onduidelijkheid over rente;
  • onduidelijkheid over zekerheden;
  • geen schriftelijke overeenkomst;
  • geen kredietplafond;
  • geen aflossingsschema;
  • zekerheden woning waren niet van reële betekenis;
  • specialist kon gezien salaris geen rente of aflossing betalen (rente wordt bijgeboekt).

Nieuwe wetgeving rekening-courantschuld DGA

Het kabinet wil het lenen door de DGA bij zijn B.V. een halt toeroepen. DGA's die meer dan € 500.000 bij hun B.V. hebben geleend worden "aangepakt". De lening boven € 500.000 wordt automatisch gezien als fictief voordeel uit aanmerkelijk belang. Dit geldt niet voor leningen i.v.m. de eigen woning van de DGA, hiervoor komt een overgangsregeling. Leningen van de DGA, zijn partner, zijn kinderen, ouders en kleinkinderen worden bij elkaar geteld. Deze nieuwe wetgeving zal vermoedelijk ingaan per 1 januari 2023. Omdat het aanmerkelijkbelangtarief in 2020 zal stijgen, is het verstandig om in 2019 of 2020 al actie te ondernemen.  

Noot fiscaal jurist inzake rekening-courant DGA

Als u een rekening-courantschuld aan uw B.V. heeft, moet u deze schriftelijk vastleggen met een reële rente en (eventueel) aflossingschema. De rente moet eigenlijk ook gewoon worden betaald. Voorkom problemen met de Belastingdienst en overleg met uw accountant of met ons over de mogelijkheden en / of onmogelijkheden. In dit geval kreeg de medisch specialist ook nog een vergrijpboete van € 100.000 (50%), deze is iets verminderd (tot € 95.000) i.v.m. overschrijding van de redelijke termijn. De reden hiervoor is dat de specialist opzettelijk de aanslag tot een te laag bedrag heeft vastgesteld. Bij het doen van de aangifte had de specialist de wetenschap dat er een aanmerkelijke kans was dat er te weinig belasting zou worden geheven en heeft hij dit risico bewust gelopen, aldus de rechter.

Een slecht gevoerde procedure met te weinig gebruikmaking van bewijsaanbod en te weinig juridische stellingen tegen de boete. Het bewijs had in de procedure moeten worden geleverd en niet bij de zitting.

Bron rekening-courantschuld DGA

Rechtbank Gelderland d.d. 31 januari 2019 (ECLI:NL:RBGEL:2019:361)

DGA met schuld aan BV [news] 2019-02-07 0000-00-00 0000-00-00 5812

Verlies hoofdelijke aansprakelijkheid

Henk is DGA van Holding X B.V. De dochteronderneming van Holding X B.V. is Werkmij. B.V. Holding B.V is sinds 2003 hoofdelijk aansprakelijk voor een krediet dat door Werkmij. B.V. is afgesloten. In 2013 leent Holding B.V. ook nog € 65.000 aan Werkmij. B.V. Werkmij. B.V. gaat in 2013 failliet. In 2012 vormt Holding B.V. een voorziening voor de hoofdelijke aansprakelijkheid en de vordering, in totaal € 220.000. De Belastingdienst is het niet eens met de voorziening. De Hoge Raad is het met belastingplichtige eens, de voorziening mag ten laste van de winst worden gevormd. Waarom? Omdat een onafhankelijke derde zich ook hoofdelijk aansprakelijk had gesteld.

De Staatssecretaris probeerde nog via het Paraplukrediet-arrest de rechter tot andere gedachten te brengen, dit is niet gelukt. Volgens de Hoge Raad blijkt uit het Paraplukrediet-arrest duidelijk wanneer een hoofdelijke aansprakelijkheid niet aftrekbaar is bij schulden van gelieerde vennootschappen. Voor een ruimere toepassing en / of meer voorwaarden is geen plek.

Borgstelling fiscaal aftrekbaar voor DGA

Veelal zien we in de praktijk dat een directeur-grootaandeelhouder (hierna: DGA) borg staat voor schulden die zijn vennootschap(pen) aangaan, dit via een borgstellingsovereenkomst. In deze casus ging het om een B.V. welke binnen het concern zich had borg gesteld voor een gelieerde B.V. Wat fiscaal de consequenties zijn van een borgstelling wordt hieronder nader uiteengezet. Zoals reeds weergegeven komt een borgstelling in de praktijk vaak voor. Aangezien een DGA en zijn vennootschap(pen) zakelijk met elkaar dienen te handelen, zal een borgstellingsvergoeding aan de DGA (moeten) worden betaald. Dit zou een derde namelijk ook willen ontvangen indien een borgstelling afgegeven wordt.

Wat is van belang bij een borgstelling?

  1. Zorg voor een zakelijk verhaal.
  2. Maak een borgstellingsovereenkomst op tussen de DGA en zijn B.V.
  3. Laat de B.V. aan de DGA een borgstellingsvergoeding betalen.
  4. Stel notulen en een directiebesluit op, hierin omschrijft u de overwegingen en uitgangspunten.
  5. Laat u adviseren door een fiscaal jurist / deskundige belastingadviseur.

Uitspraken van rechters over hoofdelijke aansprakelijkheden en borgstellingen

In de uitspraak van 17 oktober 2014, nr. 14/00955 (BNB 2015/13) is door de Hoge Raad geoordeeld dat de jurisprudentie over onzakelijke geldleningen tevens van toepassing is op het als borg handelen van een aanmerkelijkbelanghouder. Daarbij dient de vraag gesteld te worden of de aanvaarding van de hoofdelijke aansprakelijkheid moet worden aangemerkt als een handelen van een aandeelhouder als zodanig, waarbij het beslissend is of een (niet van de winst van de vennootschap afhankelijke) vergoeding kan worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde aansprakelijkheid te aanvaarden, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden.

  • HR 14 september 2012, nr. 11/02105 (BNB 2013/12): voorziening vormen toegestaan door belanghebbende  mag op het moment dat de borgstelling is aangegaan (verlies mag toegerekend worden aan het onderhavige jaar).
  • HR 9 maart 2012, nr. 10/03641 (BNB 2012/188): voorziening vormen toegestaan door belanghebbende mag al op het moment dat de borgstelling is aangegaan (dat kan eerder liggen dan feitelijke betaaldatum).
  • HR 8 juli 2011, nr. 09/03341 (BNB 2011/284): als een hoofdelijk medeschuldenaar een schuld voldoet, hangt het van de onderlinge bijdrageplicht af welke regresvordering op de overige medeschuldenaren ontstaat.
  • HR 22 januari 2016, nr. 15/02128: belanghebbende is niet aangesproken door de bank uit hoofde van de borgstelling of als hoofdelijke schuldenaar. Derhalve kan  belanghebbende geen voorziening vormen.
  • HR 9 maart 2012, nr. 11/01714 (BNB 2012/189): voorziening vormen toegestaan door belanghebbende mag al op het moment dat de borgstelling is aangegaan.
  • Hof Den Haag 22 maart 2016, nr. 15/00292: in 2005 en in 2008 worden financieringen door de bank aan een concern verstrekt. Voor beide leningen heeft de aandeelhouder zich als borg gebonden. Gezien de resultaten in de jaren voorafgaande aan 2005 en de destijds verstrekte zekerheden, kan de borgstelling als zakelijk worden beschouwd. De tweede financiering is verstrekt onder andere omstandigheden. Het vermogen van het concern was negatief én de bank keek naar de (financiële) privéruimte van de aandeelhouder. Deze omstandigheden leiden ertoe dat sprake is van een onzakelijke borgstelling.
  • Hof Arnhem - Leeuwarden 22 maart 2016, nr. 15/00365: belanghebbende stelt zich borg voor € 150.000 voor de B.V. waarin hij een aanmerkelijk belang heeft. In 2010 vormt belanghebbende een voorziening van € 150.000 en in datzelfde jaar gaat de B.V. failliet. Belanghebbende wordt vervolgens in 2011 door de bank aangesproken. Met de bank is afgesproken dat belanghebbende € 30.000 betaalt tegen finale kwijting. De Inspecteur wilde een positief TBS-resultaat in aanmerking van € 120.000, waarop de kwijtscheldingswinstvrijstelling niet van toepassing zou zijn. Het Hof is van oordeel dat de kwijtscheldingswinstvrijstelling van toepassing is. (LET OP: cassatie ingesteld!)
  • Hof Den Bosch 25 september 2015, nr. 14/00994: aan de B.V. van belanghebbende wordt een lening verstrekt door de bank. Belanghebbende stelt zich hiervoor hoofdelijk aansprakelijk en verleent een tweede zekerheidsrecht op zijn woning. Doordat de B.V. haar verplichtingen niet kan nakomen, wordt belanghebbende aangesproken. Doordat een onafhankelijke derde onder dezelfde omstandigheden en voorwaarden niet bereid zou zijn het debiteurenrisico te nemen, is de borgstelling onzakelijk.
  • Hof Arnhem - Leeuwarden 8 januari 2014, nr. 13/00331: aan de B.V. van belanghebbende is een lening verstrekt van € 200.000 door de bank. Belanghebbende stelt zich hiervoor hoofdelijk aansprakelijk en verleent een tweede zekerheidsrecht op zijn woning. Er is geen borgtochtovereenkomst opgesteld en er is geen borgtochtvergoeding bedongen. Tussen partijen staat vast dat de lening niet onzakelijk was. Doordat de B.V. haar verplichtingen niet na kan komen, wordt belanghebbende aangesproken. Met de bank wordt afgesproken dat belanghebbende € 160.000 voldoet tegen finale kwijting. Belanghebbende mag € 160.000 ten laste brengen van de aangifte, doordat ten tijde van het aangaan van het krediet geen sprake was van een uitzichtloze situatie. Dat een borgtochtovereenkomst en -vergoeding ontbrak deed niets af aan het zakelijke karakter van de borgstelling.
  • Rechtbank Noord Nederland, 4 mei 2017: borgstelling niet aftrekbaar. De borgstelling is niet vastgelegd, de borgstellingsvergoeding wordt niet betaald en de borg is op onzakelijke gronden verstrekt.  

Advies bij hoofdelijke aansprakelijkheid

Heeft u vragen of opmerkingen over dit artikel, neem dan gerust contact met ons op.

Bron hoofdelijke aansprakelijkheid en aftrek

Hoge Raad 10 mei 2019 ECLI: NL:HR:2019:681

Hoge Raad 1 mei 2013 (Paraplukrediet arrest) ECLI:NL:HR:2013:BW6520

Verlies hoofdelijke aansprakelijkheid [news] 2019-05-13 0000-00-00 0000-00-00 6166

DGA-salaris berekenen

Een DGA moet zijn salaris anders vaststellen dan een normale werknemer. Regelmatig krijgen wij vragen over hoe je het salaris van een DGA nu eigenlijk moet bepalen. In dit artikel een toelichting (zeg stappenplan) op het bepalen van het fiscaal juiste DGA-salaris.

Belastingdienst en DGA-salaris

De Wet op de Loonbelasting beschrijft in artikel 12a nauwkeurig hoe je het salaris moet bepalen:

  1. 75% Van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking (lid 1 letter a). Het gaat hierbij om omvang (aantal uren) en de aard van de werkzaamheden van de DGA. De bestuurderswerkzaamheden zijn hierbij minder van belang, het gaat om de primaire werkzaamheden. Informatie over de normale beloning kun je eenvoudig via google vinden.
  2. Het hoogste loon van de werknemers die in dienst zijn van het lichaam (of verbonden lichaam) (lid 1 letter b). Een verbonden lichaam is bijvoorbeeld een B.V. waarin 1/3 of meer van de aandelen wordt gehouden.
  3. Een bedrag van € 45.000 per jaar (lid 1 letter c). Als dit lager is dan ad 1 of 2 hiervoor, dan moet een hoger salaris worden gehanteerd.

Het salaris zal veelal € 45.000 zijn, maar dit kan ook lager zijn als dit salaris behoort bij de werkzaamheden van een vergelijkbare dienstbetrekking en binnen het concern werknemers niet meer betaald krijgen (artikel 12a lid 2).

Speciale regelingen bij DGA-salaris

Een aantal zaken zijn van belang voor het bepalen van het DGA-salaris, de belangrijkste zijn:

  1. Maak notulen waarin het salaris wordt vastgesteld en neem hierin op hoe u het salaris heeft vastgesteld (met onderliggende bescheiden). Leg hierin ook vast hoeveel uren u werkt voor uw bedrijf.
  2. Als u een lager salaris heeft gehanteerd, bijvoorbeeld door minder werkbare uren of arbeidsongeschiktheid, zorg dan voor voldoende onderbouwingen (zoals urenregistratie en / of gezondheidsverklaringen).
  3. Wilt u rekenen met een salaris dat lager is gelegen dan de genoemde € 45.000, dan is het verstandig dit te overleggen met de Belastingdienst. Dit is relatief eenvoudig en de kans van slagen is - bij een goede onderbouwing - redelijk groot. Dit voorkomt ook gezeur en boetes achteraf.
  4. Als u nauwelijk actief bent in uw bedrijf, dan is het aannemelijk dat het salaris zeer laag is of dat er geen salaris wordt betaald. In een uitspraak van de Rechtbank in 2018 is goedgekeurd (bij een B.V. welke belegde in panden) dat het salaris bij beperkte werkzaamheden laag kan zijn. In dit geval verrichtte de DGA wel de basiswerkzaamheden van de B.V. (publicatie, administratie, VPB- en BTW-aangiften, etc.). Hiervoor moest een salaris worden gerekend.
  5. Voor een start up geldt een soepele regeling voor het gebruikelijke DGA-loon. U mag het wettelijk minimumloon hanteren als DGA-salaris (en zelfs een lager loon als dit vergelijkbaar is met andere dienstbetrekkingen binnen het concern). U moet wel een S&O Verklaring hebben en een starter zijn. De regeling geldt maximaal 3 jaar.
  6. Een lager salaris kan bij verliessituaties soms worden toegepast, lees hiertoe dit artikel.

Vragen over gebruikelijk loon DGA

Bel gerust eens met één van onze adviseurs. Soms is er meer mogelijk dan u denkt.

DGA salaris berekenen [news] 2019-10-14 0000-00-00 0000-00-00 6301

De fiscale glijclausule

Voorkom ‘uitglijder’ door opnemen glijclausule

Bent u als DGA dit jaar met uw B.V. een overeenkomst aangegaan waarbij u niet 100% zeker bent dat de fiscus de condities van die transactie zal accepteren? Zorg er dan voor dat u een glijclausule opneemt in de schriftelijke vastlegging van die transactie en zo een ‘uitglijder’ voorkomt!

Toelichting fiscale glijclausule

Iedereen kan zich vergissen of een foutje maken. De Belastingdienst kan achteraf stellen dat een waardering of rentepercentage niet juist is. Denk hierbij aan:

  • een verhoging van uw vaste kostenvergoeding;
  • het rentepercentage dat u de B.V. op uw debetstand moet vergoeden, enz.

Met zo’n contractueel beding (de fiscale glijclausule) voorkomt u fiscale schade als de Inspecteur de gehanteerde condities (terecht) niet aanvaardt. U kunt het bovenmatige gedeelte dan zonder problemen alsnog met de B.V. verrekenen. Voorwaarde is wel dat de oorspronkelijk overeengekomen condities gebaseerd zijn op een ‘pleitbaar standpunt’.

Rechtspraak over fiscale glijclausule

In een arrest van de Hoge Raad uit 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD8503) komt naar voren dat de glijclausule geen loterij zonder nieten mag zijn en tevens zorgvuldig moet worden opgesteld.

Fiscale glijclausule ... let op !

Let op: een glijclausule werkt niet bij toekenning van pensioenrechten. Als u daarover zekerheid wilt hebben, is het verstandig om het een en ander vóór toekenning aan de Inspecteur voor te leggen.

Een fiscale glijclausule werkt ook niet als de belastingplichtige redelijkerwijs moest begrijpen dat de overeengekomen tegenprestatie niet zakelijk zou zijn.

Voorbeeld fiscale glijclausule

  • Als na de oprichting van een B.V. onherroepelijk komt vast te staan dat de belastingplichtige (of de oprichter) fiscaal gezien een te lage waarde heeft toegekend aan de onderneming, dan zal ter beoordeling van de belastingplichtige (de oprichter) de creditering of het agio worden vermeerderd of verminderd. De B.V. is dan verplicht de aandelen / agio of de creditering te aanvaarden mits het minimum kapitaal gehandhaafd blijft. Het eventuele verschil zal de oprichter direct in geld ter beschikking stellen van de B.V., waarbij er ook een zakelijke rente wordt vergoed.
  • Partijen beogen een overeenkomst te sluiten die voldoet aan de criteria voor een fiscaal acceptabele overeenkomst van geldlening. Indien de Belastingdienst en / of belastingrechter in hoogste resort van mening is dat deze overeenkomst geheel of ten dele niet voldoet aan de daaraan te stellen fiscale eisen, wordt deze overeenkomst geacht van de aanvang af gewijzigde bepalingen te bevatten die wel overeenstemmen met de fiscale eisen. Over het verschil wordt een zakelijke rente vergoed of berekend.

Fiscale glijclausule [news] 2019-12-11 0000-00-00 0000-00-00 6335

Excessief lenen directeur-grootaandeelhouder

We zien in de praktijk dat DGA's massaal van hun B.V. lenen. Er zal dan geen belastingheffing over de lening plaatsvinden. De Belastingdienst trekt ten strijde tegen deze leningen. Nu nog via brieven en procedures en vanaf 2023 ook met nieuwe wetgeving in de hand.  Of deze wetgeving het gaat halen is nog maar de vraag, er is vanuit de Raad van State, de Nederlandse Orde voor Belastingadviseurs en de tweede kamer veel kritiek op dit wetsvoorstel. Het is onnodig, complex en op onderdelen onjuist, is de veel gehoorde kritiek.

DGA Tax 2023

De DGA-tax is een strafheffing die vermoedelijk in 2023 wordt ingevoerd, dit was 2022 maar is uitgesteld. Over deze wetgeving is nog veel onduidelijk, maar de gevolgen lijken vrij stevig. In dit artikel monitoren wij de stand van de wetgeving en de mogelijkheden en onmogelijkheden. Een tijdige voorbereiding is wenselijk.

Update 17 juni 2020

Het wetsvoorstel ligt sinds 17 juni 2020 bij de tweede kamer (dit voorstel kunt u hier raadplegen). Vanaf 2023 worden DGA's (AB houders) beperkt in het geld lenen van hun BV (tot maximaal € 500.000), met uitzondering van bestaande eigenwoning schulden. Het gaat om 11.000 DGA's die iets moeten veranderen in de afspraken met hun BV.

Update 24 april 2020

Het wetsvoorstel excessief lenen door de DGA van zijn eigen BV wordt uitgesteld tot eind 2023. Schulden van de DGA aan zijn eigen BV die hoger zijn dan € 500.000 kunnen hiermee later worden afgelost (is exclusief eigen woning schulden).

DGA strafheffing bij excessief of bovenmatig lenen

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) die veel van zijn B.V. heeft geleend wordt in 2022 stevig aangepakt. De nieuwe wetgeving zal vermoedelijk gevolgen hebben voor ruim 10.000 DGA's. De wetgever wil de opnamen van de DGA uit zijn eigen holding / B.V. aan banden gaan leggen. De Belastingdienst ziet het excessief lenen van de eigen B.V. als belastingontduiking en krijgt hier nu ook een wettelijke regeling voor.

Als u meer dan € 500.000 van uw B.V. heeft geleend moet u opletten !

Dividenduitkering DGA en belastingheffing

Als een DGA dividend ontvangt van zijn B.V., moet hij hierover 26,25% Box 2 heffing betalen (wordt in 2021  26,9%). Een dividenduitkering zal het eigen vermogen (winstreserve) in de B.V. verlagen. Bij een dividenduitkering moet de B.V. 15% dividend belasting inhouden, de overige 11,25% wordt in privé (inkomstenbelasting) opgelegd.

  • Bij een dividenduitkering van € 300.000 moet in totaal ruim € 78.000 aan dividendbelasting worden betaald. Bij de uitkering moet de B.V. € 45.000 betalen, in privé moet de DGA dan nog € 33.000 betalen.

Excessief lenen van de B.V. door de DGA

Als er meer dan € 500.000 is geleend van de B.V. door de DGA, is sprake van een excessieve lening, aldus het nieuwe voorstel. In het kort de voorwaarden en regels:

  • Het moet gaan om een lening aan de DGA.
  • De lening moet hoger zijn dan € 500.000.
  • De DGA moet direct of indirect een aanmerkelijk belang in de B.V. bezitten.
  • De leningen van de verschillende rechtspersonen worden bij elkaar geteld.
  • Waar de lening voor is gebruikt is grotendeels niet relevant (box 3 / consumptief).
  • Leningen voor de eigen woning worden buiten beschouwing gelaten.
  • Voor leningen voor de eigen woning die na 1 januari 2022 worden verstrekt moet een hypothecaire zekerheid worden gesloten.
  • Leningen aan kinderen en (schoon) ouders tellen mee indien deze hoger zijn dan € 500.000, het meerdere wordt dan bij de € 500.000 van de DGA opgeteld.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt vermoedelijk niet geïndexeeerd.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt niet verdubbeld als de DGA een fiscale partner heeft.

Conclusie fiscaal jurist over rekening-courant DGA

De Belastingdienst zal vanaf 2019 strenger optreden tegen DGA's met een rekening-courantschuld. Vanaf 2022 moet de DGA leningen gaan aflossen of dividend gaan uitkeren. Doet de DGA niets, dan geldt vanaf 2023 een fictie (en dus heffing van dividendbelasting). Het betreft thans nog een wetsvoorstel, maar er komt zeker een regeling aan. Oplossingen voor de nieuwe regeling zijn:

  1. Dividend uitkeren zodat schuld niet bovenmatig is.
  2. Overdragen activa waar de bovenmatige schulden mee samenhangen aan de BV (bij voorkeur op hoogtepunt van de markt, met waardering deskundige)
  3. Vermijden fiscaal partnerschap zodat de drempel 2x € 500.000 gaat bedragen.
  4. Aangaan van een personenvennootschap waarbij de DGA de schuld inbrengt en tevens de activa welke hiermee direct samenhangen (bijvoorbeeld pand en lening), hierbij moet de BV dan ook activiteiten inbrengen, het geheel moet een onderneming vormen. Vervolgens kan het aandeel van de DGA geruisloos worden ingebracht in de BV (geen overdrachtsbelasting etc.)
  5. Overdragen bezittingen, beleggingen of spaargeld aan de B.V. (ter aflossing van de schuld).
  6. Oversluiten van leningen bij externe partijen (vrienden of bancaire instellingen).
  7. Overdragen van bezittingen (met de bijbehorende schuld) door de DGA aan zijn kind(eren), mits de kinderen geen aandelen in de BV hebben. Bijvoorbeeld een beleggingspand van de DGA wordt (met schuld aan de B.V.) overgedragen aan de zoon of dochter. Eventueel via een stichting die de activa gaat certificeren, hiermee kan de DGA het stemrecht behouden (waardeontwikkeling bij de kinderen).
  8. Op dit moment wordt ook nagedacht over structuren waarbij een C.V. wordt gevormd in combinatie met overdracht van een beleggingspand. Of dit werkt wordt in 2020 bezien.

Excessief lenen DGA [news] 2020-02-27 0000-00-00 0000-00-00 6370

Ruisende inbreng in B.V.

Er zijn twee mogelijkheden om een eenmanszaak, VOF of maatschap om te zetten naar een B.V. (of N.V.). De eerste mogelijkheid is het geruisloos inbrengen, de tweede mogelijkheid is het ruisend inbrengen van de onderneming in de B.V. Elders op de website vindt u een artikel over de geruisloze inbreng in de B.V., hierna zal ik nader ingaan op de ruisende inbreng.

Let op! Van belang bij een ruisende inbreng met terugwerkende kracht tot 1 januari, registratie van de intentieovereenkomst vóór 1 april!

Wanneer is een ruisende inbreng interessant?

De inbreng van de onderneming in een B.V. kan vanuit fiscaal perspectief interessant zijn indien:

  • De winsten meer bedragen dan € 150.000 per jaar;
  • Er zich in uw onderneming stille reserves bevinden en u uw onderneming op termijn wenst te beëindigen;
  • U extern kapitaal wenst aan te trekken;
  • Uw werkzaamheden ten behoeve van de onderneming beperkt zijn;
  • Uw onderneming zeer innovatief is.
  •  Bovenstaande opsomming is niet limitatief, daarnaast zijn er ook nog legio andere (niet fiscale) overwegingen om uw onderneming in te brengen in een B.V.

De ruisende inbreng betekent dat de onderneming tegen de waarde in het economische verkeer, ook wel de werkelijke waarde genoemd, wordt ingebracht in de B.V. De waarde in het economische verkeer c.q. werkelijke waarde is doorgaans hoger dan de boekwaarde. Over het verschil tussen de boekwaarde en de veelal hogere waarde in het economische verkeer – ook wel de stakingswinst genoemd – dient de ondernemer af te rekenen. De afrekening over de stakingswinst leidt doorgaans tot een substantieel bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting. Toch kan een ruisende inbreng interessanter zijn dan een geruisloze inbreng (waarbij een afrekening over de stakingswinst achterwege kan blijven).

Een ruisende of geruisloze inbreng?

Om een goede keuze te maken over het ruisend of geruisloos inbrengen van een onderneming in een B.V. worden hierna een aantal voor- en nadelen weergegeven:

Voordelen van een ruisende inbreng kunnen zijn:

  • Bij de B.V. wordt een hoger afschrijvingspotentieel gecreëerd;
  • Er hoeft formeel geen verzoek bij de Belastingdienst te worden ingediend (doch dit kan wel raadzaam zijn);
  • Er is geen vervreemdingsverbod van de aandelen van drie jaar van toepassing;
  • Er zijn geen voorwaarden ten aanzien van creditering.

Nadelen van een ruisende inbreng kunnen zijn:

  • Afrekenen vindt plaats over een hogere stakingswinst dan bij de geruisloze inbreng, hetgeen leidt tot een hogere eenmalige aanslag inkomstenbelasting;
  • Er vindt een desinvesteringsbijtelling plaats ten aanzien van goederen waarvoor kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), milieu-investeringsaftrek (MIA) of energie-investeringsaftrek (EIA) is geclaimd.

Het nadeel zoals hiervoor beschreven kan echter (gedeeltelijk) worden ondervangen door het bedingen van een (stakings-)lijfrente bij de B.V. waar de onderneming wordt ingebracht. Deze mogelijkheid zorgt voor een oudedagsvoorziening voor de ondernemer en leidt tot uitstel van belastingheffing tot het moment dat de ondernemer met pensioen gaat.

Intentieovereenkomst bij ruisende inbreng

Indien u met terugwerkende kracht tot 1 januari van een jaar ruisend de B.V. in wilt, dan dient er een intentieverklaring ondertekend en geregistreerd te worden bij de Belastingdienst. Daarbij is het ook mogelijk om later in een jaar ruisend de B.V. in te gaan en een beroep te doen op een terugwerkende kracht van drie maanden.

Voorbeeld  

Indien een ondernemer vóór 1 juli een intentieovereenkomst opstelt, ondertekent en registreert bij de Belastingdienst, dan kan de inbreng in de B.V. met terugwerkende kracht tot 1 april van dat jaar plaatsvinden.

Overgangstijdstip bij het oprichten van de B.V.

Het oprichten van een B.V. dient binnen negen maanden na het overgangstijdstip plaats te vinden. Het overgangstijdstip is het moment waarop de resultaten (met terugwerkende kracht) voor rekening en risico van de B.V. komen. Deze termijn is korter dan de termijn die daarvoor geldt bij een geruisloze inbreng (15 maanden).

Tot slot

Indien een ondernemer overweegt om zijn onderneming in te brengen in een B.V., dan is het van belang dat er tijdig een intentieovereenkomst wordt opgesteld, getekend en geregistreerd. Vervolgens dienen de voor- en nadelen tegen elkaar afgewogen te worden en zal er een keuze worden gemaakt. Het is daarbij niet onverstandig hierover een gesprek aan te gaan met een fiscaal jurist, teneinde van A tot Z inzicht te krijgen in de fiscale en juridische gevolgen van de inbreng in de B.V.

Wilt u meer weten over de inbreng in de B.V. of wilt u een afspraak inplannen met een fiscaal jurist, neem dan contact op met de auteur van dit artikel.

Ruisende inbreng in B.V. [news] 2020-03-09 0000-00-00 0000-00-00 6375

Eenmanszaak en B.V. naast elkaar fiscaal voordelig

Als u optimaal gebruik wilt maken van de tarieven voor 2021, is een combinatie tussen een eenmanszaak en een B.V. wellicht een optie voor u. De DGA / ondernemer kan dan namelijk profiteren van de fiscale voordelen voor ondernemers (inkomstenbelasting) en het lage tarief in de B.V. (vennootschapsbelasting).

Voordeel eenmanszaak

Het belangrijkste voordeel van de eenmanszaak zijn de ondernemersfaciliteiteiten (zelfstandigenaftrek, MKB-winstvrijstelling, FOR, etc.). Door deze fiscale tegemoetkomingen / aftrekposten voldoet u tot een inkomen van € 20.000 vrijwel geen belastingen. Tot een winst van ongeveer € 80.000 is een eenmanszaak voordelig, daarna begint de B.V. aantrekkelijk te worden.

  • Aandachtspunt: om optimaal gebruik te maken van de ondernemersfaciliteiten, moet u per jaar 1.225 uur (25 uur per week) aan de activiteiten besteden, deze uren moet u ook (ruwweg) bijhouden in uw agenda.
  • Aandachtspunt: tenminste 50% van uw tijd voor uw bedrijf moet via de eenmanszaak worden uitgeoefend.
  • Tip: als starter kunt u over vele activa willekeurig afschrijven (max. € 320.000).  

Voordeel B.V.

De tarieven voor in de B.V. zijn stukken lager dan voor een eenmanszaak. Het tarief over de winst (vennootschapsbelasting) bedraagt in 2021 15% (tot een winst van € 245.000). Daarnaast is het mogelijk om in de B.V. vrijwel belastingvrij te sparen. De DGA (directeur van de B.V.) hoeft namelijk niet alle winsten uit te keren, hierdoor kan een groot deel van de winst belastingvrij worden opgepot.

Een ander voordeel is dat de DGA (normaal gesproken) niet privé aansprakelijk is voor de ondernemersactiviteiten.

Investeren in bedrijfsgebouwen

Als u als ondernemer in een bedrijfsgebouw gaat investeren, kunt u dit fiscaal soms beter doen in de eenmanszaak. U kunt dan wellicht willekeurig afschrijven en daarnaast mag tot maximaal 50% van de WOZ-waarde worden afgeschreven. In de B.V. is er geen willekeurige afschrijving en kan tot maximaal 100% van de WOZ-waarde worden afgeschreven. Feitelijk is dus afschrijving in de B.V. beperkt (of nihil). Eventueel kan de eenmanszaak het bedrijfspand verhuren aan de B.V., dit is maatwerk.

Investeringsaftrek bij eenmanszaak naast B.V.

De investeringaftrek (formeel kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA)) geldt tot een maximum van ruim € 320.000. Dit maximum geldt voor de eenmanszaak en ook voor de B.V., u kunt dus uw investeringen optimaliseren. Daarnaast neemt de KIA af zodra de omvang van de investeringen stijgt, het voordeel is dus bij lagere investeringen groter. Doordat u deze kunt verdelen tussen de B.V. en de eenmanszaak, zit hier een tweede voordeel.

Salaris DGA / het gebruikelijke loon

Een DGA moet wel rekening houden met het gebruikelijke loon, dit is een wettelijk vastgesteld minimum salaris (in 2020 € 46.000). De Belastingdienst kijkt hier kritisch naar, het vooraf maken van afspraken met de Belastingdienst is daarom verstandig. Als de DGA zijn werkzaamheden enkel in de eenmanszaak verricht en de rest van de ondernemersactiviteiten in de B.V., is geen gebruikelijk loon van toepassing.

Fiscaal advies eenmanszaak en de B.V.

Wij adviseren regelmatig ondernemers bij een combinatie tussen een eenmanszaak en een B.V. De transacties en werkzaamheden moeten zorgvuldig van elkaar worden gescheiden. Ook moeten afspraken schriftelijk worden vastgelegd. Wilt u meer informatie ontvangen? Stuur gerust een e-mail of bel ons eens voor een orienterend gesprek.

Eenmanszaak naast BV [news] 2020-09-16 0000-00-00 0000-00-00 6679

Gebruikelijk loon DGA in 2021

Het gebruikelijk loon voor de DGA stijgt in 2021 tot € 47.000. Dit was in 2019 en 2020 nog € 46.000.

Hoe DGA-loon berekenen?

Wij adviseren wekelijks DGA's over de hoogte van hun gebruikelijk loon. De meest voorkomende vragen zijn

  1. Hoe fiscaal loon optimaliseren?
  2. Is dividend voordeliger dan salaris? Lees meer ...
  3. Wat te doen met DGA-salaris in verliessituaties?
  4. Hoe kan ik het DGA-salaris beperken?
  5. Wat is salaris van DGA die niet fulltime werkt? Lees meer... 

In dit artikel een overzicht van de regelingen voor een DGA en zijn salaris. Vaak ontstaan er achteraf veel problemen en zijn deze vooraf eenvoudig te voorkomen. Voorkom problemen en zorg voor een optimale situatie! Wilt u een breder advies, laat dan een fiscale scan van uw onderneming maken, of stuur ons een e-mail voor een vrijblijvende offerte.

Fiscale advisering DGA en salaris

Regelmatig adviseren wij DGA's over nieuwe mogelijkheden en structuren, bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

Vragen over DGA-loon?

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) zal altijd bezig zijn met een optimale hoogte van het ondernemersloon. Maximaal 42% inkomstenbelasting betalen is optimaal. Dividend kan immers voordeliger zijn, opnamen in rekening-courant vullen de tekorten ook wel even op, of men wil het geld liever in de B.V. houden om te gebruiken voor het bedrijf. De vraag is en blijft: wat heeft men nodig en wat moet men van de fiscus uitkeren? Het blijft een kat en muisspelletje. Hieronder een uitleg en tips. Ook de handleiding van de Belastingdienst inzake gebruikelijk loon kan u verder helpen, deze kunt u hier raadplegen.

De wet over gebruikelijk loon van een DGA

Als eerste kijken we wat de wet (artikel 12a Wet loonbelasting) erover zegt, dat is immers de basis:

Iemand die werkzaamheden verricht voor een vennootschap waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft (dus meer dan 5% van de aandelen houdt), wordt geacht in 2021 tenminste € 47.000 salaris te verdienen (2011 / 2010: € 41.000 en 2012 € 42.000 en 2013 € 43.000). Het loon mag niet minder zijn dan dat van de best betaalde werknemer in de B.V. of daarmee verbonden lichamen.

Tevens mag het loon niet meer dan in belangrijke mate (30%) naar beneden afwijken van hetgeen gebruikelijk is in niet DGA-verhoudingen. Dat betekent dus dat het loon vaak (veel) hoger zal zijn dan de genoemde € 47.000. Anders gezegd: de DGA moet 70% verdienen van hetgeen gebruikelijk is.

Mocht het aannemelijk zijn dat het gebruikelijk loon in niet DGA-verhoudingen lager is dan dat van de best verdienende medewerker, dan mag het DGA-loon ook lager zijn. Maar niet minder dan 70% van het salaris dat gebruikelijk is of € 47.000!

Als er sprake is van werkzaamheden voor meerdere B.V.'s behorend tot een concern, mag de doorbetaaldloonregeling worden toegepast. Het loon is dan gebaseerd op alle werkzaamheden, maar wordt verloond bij de B.V. waar de dienstbetrekking plaatsvindt.

De gebruikelijkloonregeling geldt vanaf 2010 niet als het loon van de vennootschap en de vennootschappen die tot het concern behoren minder dan € 5.000 bedraagt. Als iemand dus weinig werkzaamheden verricht, hoeft er ook geen loonadministratie gevoerd te worden.

De praktijk over het gebruikelijke loon van de DGA

De theorie lijkt helder, in de praktijk zijn er diverse procedures gevoerd die hebben geleid tot vaste jurisprudentie. Er zijn eigenlijk twee methoden voor het vaststellen van een DGA-salaris:

  1. Het beoordelen van het salaris aan de hand van de hierboven genoemde wettelijke regeling, waarbij met name wordt gekeken naar de salarissen in vergelijkbare situaties, die niet aanmerkelijkbelang-gerelateerd zijn. Bij meerdere dienstbetrekkingen wordt dat per dienstbetrekking bekeken, bijvoorbeeld de bestuurswerkzaamheden bij de holding en de gewone werkzaamheden bij de dochtermaatschappij.
  2. De zogenaamde afroommethode. Hierbij is het DGA-salaris direct afgeleid van de door de werkzaamheden van de DGA persoonlijk gerealiseerde omzet. Deze methode wordt vaak toegepast bij vrije beroepsbeoefenaren als artsen, advocaten en notarissen. Dit zal veelal leiden tot een relatief hoog DGA-salaris. Na aftrek van kosten zal dit veelal 70% van de winst of de management fee bedragen. Uit de uitspraak van Hof Leeuwarden van 28 juni 2011 (nr. 10/10061) blijkt dat het gebruikelijk loon van een advocaat / DGA moet worden gesteld op 70% van het winstaandeel (minus de pensioenpremie en minus de goodwillafschrijving) van de maatschap waarin hij werkt. Met kosten en lasten van de B.V. wordt geen rekening gehouden. 

Inspecteur moet hoger loon aannemelijk maken

In een procedure voor de Rechtbank Den Haag d.d. 9 januari 2014 kwam een situatie aan de orde waarbij een communicatieadviseur via zijn eigen B.V. werkzaamheden verricht voor derden. De verhoudingen waren als volgt (genoemde bedragen in euro's):

  • 2006: omzet € 59.000 en salaris € 46.000 (Belastingdienst akkoord);
  • 2007: omzet € 137.000 en salaris € 55.000 (Belastingdienst € 85.000);
  • 2008: omzet € 67.000 en salaris € 62.000 (Belastingdienst akkoord);
  • 2009: omzet € 154.000 en salaris € 62.000 (Belastingdienst € 95.000); 
  • 2010: omzet € 166.000 en salaris € 58.000 (Belastingdienst € 95.000).

Voor de berekening van de salarissen wordt door belastingplichtige de afroommethode gebruikt. De salarissen worden door de inspecteur gecorrigeerd op grond van artikel 12a van de Wet op de Loonbelasting 1964 (wet LH). Centrale vraag is of het loon in belangrijke mate afwijkt van het gebruikelijke loon en of de afroommethode mag worden toegepast.

Volgens de Rechtbank maakt de inspecteur niet aannemelijk dat het salaris op grond van artikel 12a LH in belangrijke mate afwijkt van hetgeen in het economische verkeer gebruikelijk is. Uit het enkele feit dat het door de inspecteur met toepassing van de afroommethode berekende loon hoger ligt dan het aan belanghebbende (de DGA) toegekende en uitbetaalde loon volgt, zonder nadere motivering, niet dat het toegekende loon lager is dan hetgeen voor een soortgelijke dienstbetrekking in het economische verkeer gebruikelijk is. De naheffingsaanslagen worden vernietigd, het gelijk is aan de DGA.

Verlies in B.V. en DGA-salaris

De crisismaatregel uit 2009 en 2010, dat men zonder voorafgaande toestemming van de inspecteur een salaris verlagen kon, is helaas niet meer aan de orde. U moet nu in overleg om zekerheid te krijgen. De inspecteur zal u daar binnen 8 weken een beschikking voor afgeven. Wij gaan graag met u en de fiscus in overleg om een fiscaal optimale situatie voor u te regelen. Als u een en ander niet wenst af te stemmen, zorg dan voor een goede onderbouwing van de hoogte van het salaris en leg dit vast in de administratie. Een pleitbaar standpunt leidt immers niet tot een boete, hooguit tot een correctie (in de toekomst).

Meer algemeen zou de vraag aan de orde kunnen komen of de B.V. nog wel de juiste rechtsvorm voor u is. Wij bespreken gaarne de mogelijkheden om terug te keren naar de eenmanszaak, of een samenwerkingsverband als de VOF, maatschap of de LLP. Lees ook dit artikel over dit onderwerp.

Lager gebruikelijk loon als B.V. verlies maakt

Als er sprake is van een structureel verliesgevende situatie, kan dit een lager loon rechtvaardigen. Hierover wordt vaak een discussie met de Belastingdienst gevoerd. In een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam d.d. 22 oktober 2013 ging het om een DGA met een holding en 2 werkmaatschappijen. De Belastingdienst was van mening dat de DGA drie keer het DGA-loon moest genieten, dit mede omdat hij de enige werknemer van de B.V.'s was. Gezien de financieel slechte situatie bij de B.V.'s was de DGA van mening dat een dergelijk salaris veel te hoog was. Beide partijen stappen naar de rechter. Het Gerechtshof stelt dat een DGA per dienstbetrekking een (fictief) loon moet ontvangen. De rechter stelde echter ook dat bij de beoordeling van het loon het eigen vermogen van de B.V. van belang is. Een slecht draaiende B.V. kan immers niet onbeperkt loon betalen omdat hiermee het voortbestaan in gevaar kan komen. Daarnaast kon de DGA onmogelijk 3 voltijdsdienstbetrekkingen uitvoeren, dit kost hem immers 120 uur per week. De rechter stelt vast dat de DGA bij één B.V. geen loon hoeft te genieten, bij de andere B.V. een loon van € 15.000 en bij de derde B.V. een loon van € 38.000 (cijfers 2006). Artikel 12a van de Wet Loonbelasting blijft dus voor veel discussie zorgen.

Tips en aandachtspunten

  • Wellicht is het tijd om de B.V. te verlaten, bespreek dit eens met een fiscalist.
  • Laat uw rekening-courantschuld niet te ver oplopen.
  • Onderbouw de hoogte van uw salaris schriftelijk.
  • Vraag een beschikking van de inspecteur om onzekerheid te voorkomen.
  • Het gebruikelijk loon kunt u jaarlijks (mits gemotiveerd) aanpassen.
  • Pensioenpremie telt mee voor het gebruikelijk loon.
  • De bijtelling voor de auto van de zaak telt mee voor het gebruikelijk loon.
  • Deeltijd verlaagt niet automatisch het gebruikelijk loon naar rato.
  • Beoordeel of er al dan niet sprake is van het afroomcriterium (zie hieronder).

Actuele rechtspraak Hoge Raad 2012 over afroommethode

Op 9 november 2012 (11/03555, LJN BW 4167) heeft de Hoge Raad een interessant arrest gewezen inzake de gebruikelijkloonregeling en de afroommethode.

De afroommethode houdt in dat het gebruikelijk loon van (veelal) een vrije beroepsbeoefenaar wordt berekend door de winst van zijn persoonlijke B.V. aan te houden, zijnde het aandeel in een maatschap of ander samenwerkingsverband, verminderd met de kosten en lasten die aan die opbrengst zijn toe te rekenen. Dat levert veelal een hoog salaris op, met daarnaast een B.V. die nagenoeg geen winst maakt. Fiscaal volstrekt niet optimaal dus. Deze regeling kon rekenen op veel kritiek.

De Hoge Raad heeft nu beslist dat de afroommethode niet werkt in de onderstaande situatie. Een advocaat is via zijn persoonlijke B.V. maat in een maatschap van advocaten. De inspecteur heeft de hoogte van het salaris aangepast (lees: verhoogd) op basis van de gebruikelijkloonregeling. Hof Leeuwarden oordeelde destijds dat de opbrengst van de B.V. nagenoeg geheel voortvloeit uit de arbeid die door belanghebbende is verricht. Daarom moest het gebruikelijk loon worden berekend op basis van de afroommethode. De Hoge Raad denkt daar anders over en casseert deze uitspraak.

Als de werkzaamheden van deze advocaat worden verricht in een maatschap en de opbrengst van de persoonlijke B.V. bestaat uit een aandeel in de winst van een maatschap, dan is van een (nagenoeg) geheel voortvloeien uit de door de directeur verrichte arbeid geen sprake. Dat is slechts het geval indien de omvang van het aandeel van de B.V. in het resultaat van dat samenwerkingsverband (nagenoeg) uitsluitend wordt bepaald door de arbeid die de betreffende advocaat zelf in de maatschap verricht. Bestaat echter zoals in casu het aandeel van de B.V. in het resultaat van het samenwerkingsverband uit een percentage van het totale resultaat van dat samenwerkingsverband, dan ontbreekt die relatie. Dan kan de afroommethode niet dus worden toegepast.

Meer weten?

Maak gerust een afspraak voor een vrijblijvende afspraak, wij adviseren u graag en vlot.

Gebruikelijk loon DGA 2021 [news] 2020-12-22 0000-00-00 0000-00-00 6828

Oplossingen voor wetsvoorstel excessief lenen DGA

Excessief lenen directeur-grootaandeelhouder

DGA's zien de B.V. nog te vaak als hun eigen portemonnee. De bankrekening van de B.V. wordt als pinautomaat gebruikt voor de bestedingen van de DGA. Er ontstaat dan een lening en er wordt dus geen belastingheffing voldaan. Dit wil het kabinet beperken. De nieuwe wetgeving is aangekondigd per 2023.  

Of deze wetgeving het gaat halen is nog maar de vraag, er is vanuit de Raad van State, de Nederlandse Orde voor Belastingadviseurs en de Tweede Kamer veel kritiek op dit wetsvoorstel. Het is onnodig, complex en op onderdelen onjuist, is de veel gehoorde kritiek.

DGA-tax 2023

De DGA-tax is een strafheffing die vermoedelijk in 2023 wordt ingevoerd, dit was 2022 maar is uitgesteld. Over deze wetgeving is nog veel onduidelijk, maar de gevolgen lijken vrij stevig. In dit artikel monitoren wij de stand van de wetgeving en de mogelijkheden en onmogelijkheden. Een tijdige voorbereiding is wenselijk.

DGA strafheffing bij excessief of bovenmatig lenen

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) die veel van zijn B.V. heeft geleend wordt in 2023 stevig aangepakt. De nieuwe wetgeving zal vermoedelijk gevolgen hebben voor ruim 10.000 DGA's. De wetgever wil de opnamen van de DGA uit zijn eigen holding / B.V. aan banden gaan leggen. De Belastingdienst ziet het excessief lenen van de eigen B.V. als belastingontduiking en krijgt hier nu ook een wettelijke regeling voor.

Als u meer dan € 500.000 van uw B.V. heeft geleend, moet u opletten !

Excessief lenen van de B.V. door de DGA

Als er meer dan € 500.000 is geleend van de B.V. door de DGA, is sprake van een excessieve lening, aldus het nieuwe voorstel. In het kort de voorwaarden en regels:

  • Het moet gaan om een lening aan de DGA.
  • De lening moet hoger zijn dan € 500.000.
  • De DGA moet direct of indirect een aanmerkelijk belang in de B.V. bezitten.
  • De leningen van de verschillende rechtspersonen worden bij elkaar geteld.
  • Waar de lening voor is gebruikt is grotendeels niet relevant (box 3 / consumptief).
  • Leningen voor de eigen woning worden buiten beschouwing gelaten.
  • Voor leningen voor de eigen woning die na 1 januari 2022 worden verstrekt moet een hypothecaire zekerheid worden gesloten.
  • Leningen aan kinderen en (schoon-)ouders tellen mee indien deze hoger zijn dan € 500.000, het meerdere wordt dan bij de € 500.000 van de DGA opgeteld.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt vermoedelijk niet geïndexeerd.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt niet verdubbeld als de DGA een fiscale partner heeft.

Oplossingen voor geen excessieve lening

De Belastingdienst zal vanaf 2019 strenger optreden tegen DGA's met een rekening-courantschuld. Vanaf 2022 moet de DGA leningen gaan aflossen of dividend gaan uitkeren. Doet de DGA niets, dan geldt vanaf 2023 een fictie (en dus heffing van dividendbelasting). Het betreft thans nog een wetsvoorstel, maar er komt zeker een regeling aan. Oplossingen voor de nieuwe regeling zijn:

  1. Dividend uitkeren zodat schuld niet bovenmatig is.
  2. Overdragen activa waar de bovenmatige schulden mee samenhangen aan de B.V. (bij voorkeur op hoogtepunt van de markt, met waardering deskundige).
  3. Vermijden fiscaal partnerschap zodat de drempel 2x € 500.000 gaat bedragen.
  4. Aangaan van een personenvennootschap, waarbij de DGA de schuld inbrengt en tevens de activa welke hiermee direct samenhangen (bijvoorbeeld pand en lening). Hierbij moet de B.V. dan ook activiteiten inbrengen, het geheel moet een onderneming vormen. Vervolgens kan het aandeel van de DGA geruisloos worden ingebracht in de B.V. (geen overdrachtsbelasting etc.).
  5. Overdragen bezittingen, beleggingen of spaargeld aan de B.V. (ter aflossing van de schuld).
  6. Oversluiten van leningen bij externe partijen (vrienden of bancaire instellingen).
  7. Overdragen van bezittingen (met de bijbehorende schuld) door de DGA aan zijn kind(eren), mits de kinderen geen aandelen in de B.V. hebben. Bijvoorbeeld een beleggingspand van de DGA wordt (met schuld aan de B.V.) overgedragen aan de zoon of dochter, eventueel via een stichting die de activa gaat certificeren. Hiermee kan de DGA het stemrecht behouden (waardeontwikkeling bij de kinderen).
  8. Op dit moment wordt ook nagedacht over structuren waarbij een C.V. wordt gevormd in combinatie met overdracht van een beleggingspand. Of dit werkt wordt in 2020 bezien.

Oplossingen excessief lenen [news] 2021-02-22 0000-00-00 0000-00-00

Wellicht komt er voor de DGA een nieuwe wet in 2023 die het lenen van de B.V. moet beperken. De invoering is uiterst onzeker, maar je weet nooit! Wat zijn mogelijke oplossingen voor de nieuwe wet?

6891

Inactiviteit bv geen reden voor lager loon DGA

Het gebruikelijk loon houdt de gemoederen altijd bezig. De regeling is ooit ingevoerd als maatregel tegen het betalen van een zo laag mogelijk loon aan de directeur-grootaandeelhouder. Het uitkeren van dividend was toentertijd aanzienlijk voordeliger dan het uitbetalen van loon. De strekking van de regeling – aldus de staatssecretaris – is het voorkomen van het afzien van een gebruikelijk loon en daarmee het behalen van belastingvoordelen en voordelen in de sfeer van de sociale zekerheid.

De gebruikelijkloonregeling is niet in beton gegoten. Afwijken is mogelijk, mits juridisch aanvaardbaar. Veel DGA’s verlagen het gebruikelijk loon zonder vooroverleg met de Belastingdienst. Indien u zeker bent van uw standpunt, hoeft dat geen probleem te zijn. Echter, in de praktijk zien wij dat de Belastingdienst vaak een ander oordeel is toegedaan. Dat leidt tot veel rechtspraak, zoals recent over een DGA die wegens inactiviteit in de bv het gebruikelijk loon op een lager bedrag heeft vastgesteld dan het normbedrag. Voor de DGA liep het in deze kwestie niet goed af. Wij gaan hierna kort in op de gebruikelijkloonregeling en deze uitspraak van de rechtbank.

De gebruikelijkloonregeling

De gebruikelijkloonregeling is opgenomen in de Wet op de Loonbelasting 1964. De bepaling ziet op het loon van een werknemer die arbeid verricht in een vennootschap en tevens een aanmerkelijk belang heeft in die vennootschap. Deze werknemer wordt in de praktijk meestal de DGA genoemd. Wij merken daarbij op dat DGA staat voor directeur-grootaandeelhouder. Niet iedere AB-houder is echter een grootaandeelhouder. Dit kan voor de praktijk – bijvoorbeeld binnen de sociale zekerheid – een belangrijk onderscheid zijn.

Als uitgangspunt geldt dat het gebruikelijk loon minimaal gelijk is aan het hoogste van de volgende bedragen:

  • 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;
  • het loon van de meestverdienende werknemer bij die bv of bij een lichaam dat verbonden is met de bv;
  • ten minste € 47.000 (2021).

Indien u zich aan bovenstaande norm houdt en de inspecteur meent dat het gebruikelijk loon hoger moet zijn, dan rust de bewijslast op de inspecteur. Meent u dat het gebruikelijk loon in uw situatie lager mag zijn, dan draagt u de bewijslast.

Een nadere definitie van het begrip verbonden lichaam is opgenomen in de wet, doch voor deze bijdrage niet van nader belang.

Feiten en omstandigheden in de rechtbankzaak

Een DGA is in beroep gegaan tegen het loon dat de inspecteur voor hem had aangemerkt als gebruikelijk loon. Het door de inspecteur vastgestelde gebruikelijk loon bedroeg € 30.000. Dat is lager dan het normbedrag. Volgens belanghebbende is dit bedrag ten onrechte in aanmerking genomen en zijn de aanslagen naar te hoge bedragen opgelegd. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aanslagen terecht zijn opgelegd en naar de juiste bedragen. In geschil is of het gebruikelijk loon van € 30.000 terecht in aanmerking is genomen.

Standpunten belanghebbende en inspecteur

De DGA meent dat € 30.000 loon niet gebruikelijk is, het is te hoog gezien de feiten en omstandigheden. De vennootschap die het betreft zou inactief zijn geweest, structureel verlies lijden en werknemers in dezelfde positie minder loon betalen.

De inspecteur is het met bovenstaande oneens en acht € 30.000 gebruikelijk.

Het betreft de discussie over het op een lager bedrag vaststellen van het gebruikelijk loon dan het normbedrag. Dat betekent dat de DGA de bewijslast draagt om aannemelijk te maken dat € 30.000 te hoog is.

Het oordeel van de rechtbank

De DGA hield het hele jaar een aanmerkelijk belang in de vennootschap. De naam en activiteiten zijn gedurende het jaar gewijzigd, maar dat acht de rechtbank bij de beoordeling direct van belang bij het bepalen of sprake is van een aanmerkelijk belang waarop de gebruikelijkloonregeling van toepassing is. De rechtbank oordeelt kort en helder: de DGA hield een aanmerkelijk belang in de vennootschap en heeft arbeid verricht. Dan is de gebruikelijkloonregeling van toepassing.

De rechtbank stelt daarna vast dat het loon waar het om gaat lager ligt dan het normbedrag. Dat is mogelijk. Indien de omstandigheden van de situatie van de DGA het rechtvaardigen, kan het gebruikelijk loon lager worden vastgesteld. De vraag is dus of dergelijke omstandigheden hier aanwezig zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de DGA onvoldoende feiten en omstandigheden stelt en aannemelijk maakt om een lager gebruikelijk loon te rechtvaardigen. Een periode van inactiviteit van de vennootschap is daartoe onvoldoende. Daarnaast is niet gesteld en al helemaal niet gebleken dat de vennootschap structureel verlies lijdt of werknemers met gelijke werkzaamheden minder loon toekent.

Advisering en gebruikelijk loon

Uit bovenstaande blijkt weer dat alle feiten en omstandigheden van belang zijn. Daarbij kunt u niet volstaan met het enkel stellen dat u vindt dat het gebruikelijk loon lager vastgesteld dient te worden. U moet dit aannemelijk maken tegenover de inspecteur. Doet u dat niet, dan kunt u worden geconfronteerd met naheffingsaanslagen en boeten. De DGA uit bovenstaande casus werd bijvoorbeeld ook geconfronteerd met een verzuimboete (67a-boete). De boete bedroeg voor deze DGA € 369, maar kende een wettelijk maximum van € 5.278.

Bent u van mening dat uw gebruikelijk loon op een lager bedrag vastgesteld dient te worden? Dan is het verstandig een ervaren adviseur in de arm te nemen. Neem gerust eens contact op met één van onze specialisten. Wij beoordelen graag uw situatie en bij twijfel voeren wij overleg met de Belastingdienst om rechtszekerheid te krijgen.

Geen lager DGA-loon bij inactieve bv [news] 2021-05-03 0000-00-00 0000-00-00 6982

Formeel belastingrecht

Wat is formeel belastingrecht en wat is fiscaal procesrecht?

Het formele belastingrecht en het fiscale procesrecht zijn grote en tamelijk abstracte begrippen. Ze laten zich het best omschrijven door wat ze niet zijn. Het formele belastingrecht en het fiscale procesrecht gaan niet over de belasting zelf. Het gaat om de (algemene) regels eromheen. Deze kunnen substantiële voordelen opleveren.

Aan de ene kant gaan vragen zoals: zijn bepaalde kosten aftrekbaar van de (inkomsten)belasting, zijn bepaalde diensten vrijgesteld van (omzet)belasting en is op een dividenduitkering de deelnemingsvrijstelling van de vennootschapsbelasting van toepassing, over de belasting zelf.

Anderzijds zijn vragen zoals: is de aanslag in de (inkomsten)belasting tijdig opgelegd, is de boete terecht, vraagt de Belastingdienst terecht bepaalde informatie op, hoe ga ik in beroep en kan ik vertrouwen ontlenen aan de handelwijze van de Belastingdienst in andere jaren, vragen van formeel belastingrecht en fiscaal procesrecht.

Formeel belastingrecht

Formeel belastingrecht is kort gezegd alle regelgeving waaraan de Belastingdienst en de belastingplichtige zich moeten houden bij het heffen van belasting. De belangrijkste regels van het formele belastingrecht zijn vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Algemene Wet inzake rijksbelastingen (AWR). Dus in de kern: hoe wordt belasting geheven.

Steeds vaker krijgen wij op kantoor te maken met formeel belastingrecht, mediation, bezwaar- en beroepsprocedures, etc. Specialisten bij ons op kantoor zijn:

mr. Dennis Jongbloed

mr. Rob Antonis

Formeel belastingrecht [news] 3538

Fiscale procedure

Vrijwel wekelijks voeren wij voor clienten fiscale procedures tegen de Belastingdienst. In dit onderdeel treft u enkele artikelen aan over het voeren van een dergelijke procedure en de hieraan verbonden formele eisen. Ook geven wij u tips over het voeren van een procedure in de fiscale wereld.

2018-10-10 0000-00-00 0000-00-00 5695

Beslag Belastingdienst

De Belastingdienst kan vrij eenvoudig beslag leggen op uw bankrekeningen, salaris bij uw werkgever of uw uitkering bij een uitkeringsinstantie of verzekeraar. Er kan ook beslag worden gelegd op partneralimentatie. Het beslag wordt gelegd om uw belastingaanslag / schuld, kosten en rente af te lossen. Een deel van uw salaris, alimentatie, pensioen of uitkering wordt hiervoor dan gebruikt. De Belastingdienst heeft voor de beslaglegging geen vonnis van de rechter nodig, ze mogen dit dus zelf beslissen.

Beslagvrije voet bij beslag Belastingdienst

De Belastingdienst mag niet op het gehele salaris of de uitkering beslag leggen. Het deel waarop geen beslag mag worden gelegd noemt men de beslagvrije voet. De hoogte van de beslagvrije voet moet per persoon worden berekend en dit is afhankelijk van:

  • uw salaris / uitkering / alimentatie / lijfrente / pensioen;
  • uw woonkosten / woonlasten;
  • de premie voor uw zorgverzekering;
  • het inkomen van uw partner of echtgenoot;
  • de bijstandsnorm op dat moment.

Voorbeelden beslagvrije voet

De exacte bedragen verschillen per jaar, in het kort komt het ongeveer hierop neer:

  • u heeft een partner en bent beide ouder dan 21 jaar: € 1.200;
  • u heeft een partner en bent beide ouder dan 65 jaar: € 1.270;
  • u heeft een partner en bent beide jonger dan 21 jaar: € 660;
  • u bent een alleenstaande ouder, dan geldt er een minimum van € 840 en een maximum van € 1.080.

Wat kunt u doen om een beslaglegging te voorkomen?

De beslaglegging kan de Belastingdienst snel en eenvoudig regelen. U kunt een aantal dingen doen om een beslaglegging te voorkomen. De belangrijkste zijn:

  • Blijf communiceren met de Belastingdienst.
  • Maak bezwaar tegen de aanslag en vraag uitstel van betaling.
  • Doe een beroep op een speciale crisismaatregel met het verzoek om een redelijke betalingsregeling gedurende een periode van 12 maanden.
  • Bekijk of u nog tegoeden heeft bij de Belastingdienst, bijvoorbeeld een teruggave inkomstenbelasting of een teruggave van toeslagen.
  • Verzoek de Belastingdienst om een mediationtraject om uw problemen op te lossen, u moet dan wel een complexer probleem hebben waarbij verschillende inzichten spelen en daarnaast ook fouten door de Belastingdienst zijn gemaakt.
  • U krijgt eerst een aanslag (of naheffingsaanslag), een herinnering en daarna aanmaning. Vervolgens volgt er een dwangbevel. Na het dwangbevel komt de belastingdeurwaarder bij u langs met een hernieuwd bevel tot betaling. Dit moet hij aan iemand afgeven en als er niemand thuis is, mag hij het ook in de brievenbus gooien. U heeft dan nog 2 dagen om te betalen. Als er dan nog niet wordt betaald, mag de Belastingdienst beslag leggen op uw salaris, uitkering of uw bezittingen (verkoop veelal binnen 4 weken). Kijk goed of de Belastingdienst zich aan deze spelregels heeft gehouden, zo niet, maak dan direct bezwaar, ga in beroep of neem contact op met de Belastingdienst. U kunt op dit moment soms nog een betalingsregeling afspreken.
  • In sommige gevallen heeft u recht op kwijtschelding van belastingen, dit is een speciale regeling.

   

Beslag op loon belastingdienst Iedereen [news] 2012-12-01 2012-12-01 0000-00-00 3579

Boetes Belastingdienst  

Er is forse kritiek op de torenhoge boetes die Nederlanders krijgen als ze te laat hun belastingaangifte indienen. De maximale boete die de fiscus mag opleggen is in 2011 gestegen tot € 4.920. De heer mr. drs. Sanne van den Elst heeft een bijdrage geleverd aan dit artikel. Lees hier het gehele artikel op de site van de Financiële Telegraaf.

Regelmatig adviseren wij bedrijven en particulieren over boetes van de Belastingdienst. Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

Wanneer worden er boetes opgelegd?

In de volgende situaties kan de Belastingdienst u een boete opleggen:   

  1. U vraagt niet (of niet op tijd) om toezending van een aangifte.
  2. U stuurt uw aangifte niet (of niet op tijd) in.
  3. U vult uw aangifte onjuist of onvolledig in.

Vereisten belastingdienst bij opleggen boete

Als de inspecteur een belastingplichtige een boete oplegt moet de inspecteur uiterlijk op het moment van bekendmaken van de de boete de reden noemen. Bij onduidelijkheid komt alleen betekenis toe aan wat er op het aangiftebiljet is vermeld. In een procedure bij het Gerechtshof Den Bosch komt een boete aan de orde i.v.m. het niet tijdig betalen van aangiftebelasting, in deze de BTW (artikel 67f AWR). Er wordt niet aan de vereisten van artikel 67f AWR voldaan, de boete wordt vernietigd. De Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:704) heeft in 2021 het oordeel van het Gerechtshof (ECLI:NL:GHSHE:2019:2155) bevestigd.

Verzuimboete

Een verzuimboete wordt opgelegd als u niet of niet op tijd uw aangifte heeft ingediend. Ook als u niet of niet op tijd om een aangiftebiljet verzoekt, kan een dergelijke boete worden opgelegd. Niet op tijd wil zeggen: na de aanmaning uw aangifte indienen.

Als het niet de schuld van de belastingplichtige is dat de aangifte niet of niet juist wordt gedaan, dan wordt er geen boete opgelegd, in de praktijk is hier zelden sprake van.

Vergrijpboete

Doet u opzettelijk geen, een onjuiste of onvolledige aangifte, dan kan de Belastingdienst ook een vergrijpboete opleggen.

Hoe hoog is een verzuimboete?

De hoogte van de verzuimboete is € 2.460 als u niet (op tijd) verzoekt om toezending van een aangifte en € 226 als u de aangifte niet (of niet op tijd) instuurt. De boete kan oplopen tot € 984 als u tweemaal achter elkaar verzuimt en tot € 4.920 als u nog vaker verzuimt.

Hoe hoog is een vergrijpboete ?

Als er sprake is van opzet, dan bedraagt de boete 50% van de belasting die opzettelijk is verzwegen. Bij grove schuld is dit 25%. Als dit betrekking heeft op box 3 vermogen, dan kan dit oplopen tot een boete van 150%, bij grove schuld 75%. Er wordt dan ook nog gekeken of er een reden is om de boete te verlagen of te verhogen.

Boete, en toen?

De Belastingdienst moet u apart informeren over het feit of een boete wordt opgelegd en waarom. U mag alle gegevens inzien op grond waarvan een boete is opgelegd (dossierinzage), doe dit omdat dit soms niet geheel helder wordt vastgelegd. U hoeft geen antwoord te geven op vragen over de boete en de mate waarin u opzet of grove schuld kan worden verweten. U kunt apart bezwaar maken tegen de opgelegde boete.

Lagere boete door rechter

Het Gerechtshof in 's Hertogenbosch deed op 21 februari 2013 een bijzondere uitspraak. Een boete is fors verminderd. Een B.V. deed haar aangifte niet op tijd en kreeg een verzuimboete van € 2.460. Op zowel de herinnering als de aanmaning werd niet tijdig gereageerd. De B.V. stelt dat zij na ontvangst van de brieven van de Belastingdienst steeds haar belastingadviseur heeft gebeld en dat het belastingadvieskantoor heeft bevestigd dat de aangifte was ingediend. De Rechtbank oordeelt dat de boete niet proportioneel is, aangezien aan een natuurlijk persoon in de IB-sfeer voor hetzelfde feit een boete wordt opgelegd van € 226. De boete wordt daarom gematigd tot € 452. De B.V. gaat in Hoger Beroep en de boete wordt nu door het Gerechtshof aangepast tot € 50.

Bij een procedure voor de Rechtbank Breda op 21 december 2012 is een boete verminderd omdat volgens de rechter het verschil tussen een boete voor een te late aangifte vennootschapsbelasting en een aangifte inkomstenbelasting te groot is. Het is volgens de rechter niet objectief te rechtvaardigen dat een boete voor de vennnootschapsbelasting ruim € 2.000 hoger is. Deze uitspraak kent mogelijkheden, edoch op 10 mei 2012 deed het Gerechtshof in Den Bosch een andere uitspraak. Hierin wordt gesteld dat een dergelijk verschil wel is toegestaan, in deze zaak was echter sprake van recidive.

Het besluit bestuurlijke boeten is derhalve geen wet maar een besluit. Laat uw fiscaal jurist altijd met u meekijken bij het opleggen van een boete.

Vragen

Heeft u vragen of opmerkingen over een boete, neem gerust contact op.

[news] 2013-04-02 0000-00-00 0000-00-00 3695

Wat staat er in een bezwaarschrift?

U kunt tegen een aanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking bezwaar aantekenen binnen 6 weken. In dit bezwaarschrift moet u de volgende zaken opnemen:

  • Naam, adres, woonplaats.
  • Dagtekening bezwaarschrift.
  • Nummer van de aanslag waartegen u bezwaar maakt.
  • Omschrijving van de beslissing waartegen u bezwaar maakt.
  • Motivering van uw bezwaar.

In het bezwaarschrift kunt u ook de volgende zaken opnemen:

  • Uitstel van betaling (moet bij de invorderaar).
  • Verzoek om dossierinzage (uw dossier bij de Belastingdienst).
  • Verzoek om mediation.
  • Verzoek om vergoeding van kosten (als u een deskundige zou inschakelen).
  • Verzoek om rechtstreeks in beroep te gaan.
  • Verzoek om gehoord te worden om uw bezwaren toe te lichten.

Een voorbeeld bezwaarschrift uit mijn fiscale praktijk kunt u hier raadplegen.

Wat staat er in een bezwaarschrift Iedereen [news] 2012-10-10 0000-00-00 0000-00-00 3539

Mediation en Belastingdienst

Mediation komt voor in de bezwaarfase maar soms ook in de beroepsfase. In dit artikel een overzicht.

Mediation en bezwaar

U kunt mediation onder andere toepassen:

  • bij een geschil dat is ontstaan tijdens een controle;
  • bij een geschil over een beroepschrift;
  • in de bezwaarfase;
  • bij klachten over de Belastingdienst;
  • in situaties waarbij een geschil escaleert.

Checklist mediation met de Belastingdienst

Mediation is zinvol als de volgende vragen aan de orde zijn:

  1. Het geschil duurt al lang.
  2. Het geschil escaleert en overleg is niet meer mogelijk, de partijen zitten met de hakken in het zand.
  3. Ik heb geen behoefte aan een principiële uitspraak van de rechter.
  4. Ik wil een snelle oplossing voor het geschil.
  5. Ik zie best wel redelijke oplossingen die binnen de wet- en regelgeving passen.
  6. Ik heb het gevoel dat ik niet wordt begrepen.
  7. Mediation bespaart kosten en de kosten van een procedure wegen niet op tegen het belang.
  8. Ik kan niet meer praten met de inspecteur of medewerker van de Belastingdienst.
  9. Ik denk door de mediation ook andere geschillen te kunnen oplossen.
  10. Een goede relatie is van belang en via mediation kan ik hiervoor een basis leggen.
  11. Een bemiddelingspoging is nog niet ondernomen.

Mediation en beroep

De rechter kan ook besluiten om mediation toe te passen. De rechter komt er dan niet aan te pas, hij zal een bemiddelaar (mediator) aanwijzen. De uitkomst zal worden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Mediation gaat meestal sneller en soms krijgt u een beetje gelijk, dit kan ook voldoende zijn.

Mediation en belastingdienst Iedereen [news] 2012-10-10 2012-10-10 0000-00-00 3540

Dwangsom Belastingdienst

Als de Belastingdienst niet binnen de wettelijke termijn een beslissing neemt, kunt u schadevergoeding (via de rechter) claimen of aan de Belastingdienst een dwangsom opleggen. U moet hiertoe de Belastingdienst in gebreke stellen en nog eenmaal een termijn van 14 dagen geven om te reageren. Als u verder niks hoort, heeft u recht op een dwangsom, deze kan oplopen tot ruim € 1.200.

Dwangsom

De dwangsom bedraagt € 20 per dag voor de eerste 14 dagen, € 30 per dag voor de volgende 2 weken en € 40 per dag voor de daaropvolgende 2 weken. De maximale dwangsom bedraagt € 1.260.

Wanneer recht op dwangsom?

De Belastingdienst moet binnen 6 weken beslissen op een bezwaarschrift (tenzij tijdige mededeling dat sprake is van uitstel). Bij aanvraag van een beschikking (bijvoorbeeld voor een fusie of geruisloze inbreng) is de termijn 8 weken. De termijn gaat lopen zodra de Belastingdienst uw brief heeft ontvangen. De beslistermijn kan door de Belastingdienst worden uitgesteld of verlengd.

Hoe werkt het?

U heeft een bezwaar- of verzoekschrift verstuurd en u hoort - na 6 of 8 weken - niets.

  1. Download onderstaand formulier als de termijn zonder mededeling is verstreken.
  2. Vul het formulier in.
  3. Stuur het formulier op (per fax en post).

Het effect

De Belastingdienst is een professionele organisatie. Het kan en mag dus niet zo zijn dat het aanvragen van een dwangsom invloed heeft op de inhoudelijke kwestie. Door het indienen van de dwangsom wilt u de afhandeling bespoedigen. Daarnaast krijgt u wellicht een extra bedrag als er geen reactie volgt.

Formulieren en downloads dwangsom

Voordat u de dwangsom kunt vragen, moet u eerst een formulier invullen waarin u de Belastingdienst in gebreke stelt. Dit formulier kunt u hier downloaden.  Het formulier om een dwangsom aan te vragen, kunt u hier downloaden.

Dwangsom en belastingdienst [news] 2012-10-10 2012-10-10 0000-00-00 3541

Bodembeslag en Belastingdienst

Bodemrecht Belastingdienst is enkele jaren geleden aangepast. Bodemverhuurconstructies zijn hierdoor lastiger geworden. Regelmatig adviseren wij DGA's en bedrijven over nieuwe mogelijkheden en structuren. Regelmatig wordt er hierbij geadviseerd over bodemverhuurstructuren en de rechten van de Belastingdienst om beslag te kunnen leggen en / of het voorkomen van beslagleggingen. Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

Rechten van de Belastingdienst

De Belastingdienst int belastingen, zo eenvoudig is de wereld. Om belastingen te kunnen innen, heeft de Belastingdienst bevoegdheden die verder gaan dan een normale schuldeiser, de belangrijkste zijn:

  1. Dwangbevel: hierdoor kan de Belastingdienst executoriale maatregelen nemen om een belastingbedrag te incasseren zonder dat ze langs de rechter moeten. Ze kunnen hierdoor uw roerende zaken verkopen of beslag leggen op uw bankrekening.
  2. Loonbeslag: door een dwangbevel kan de Belastingdienst (zonder tussenkomst van de rechter) loonbeslag leggen bij uw werkgever of uitkeringsinstantie.
  3. Bodemrecht: de Belastingdienst heeft het recht om beslag te leggen op zaken die in eigendom toebehoren aan X, terwijl het belastingschulden betreffen van Y, mits deze zaken zich op de bodem van Y bevinden (in bedrijf of woning).
  4. Voorrecht: de Belastingdienst hoeft eigenlijk enkel de hypotheekhouder en de pandhouder voor te laten gaan bij bijvoorbeeld een executieverkoop. Bij bodembeslag gaat de Belastingdienst soms zelfs voor de pandhouder.

Het bodemrecht of bodembeslag in de volksmond geeft de Belastingdienst het recht om beslag te leggen op alle goederen die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden. Het is hierbij niet van belang van wie deze goederen zijn. De ontvanger mag dus beslag legggen op inventaris, auto's, etc. als de belastingschuldige zijn BTW of loonheffing niet heeft betaald.

Veel juristen hebben zich gebogen over dit bodemrecht en diverse structuren bedacht om dit recht van de Belastingdienst te ontgaan. Het gevecht gaat meestal tussen de Belastingdienst, de bank en de leasemaatschappij. In de praktijk kozen dergelijke partijen ervoor om het bedrijfspand van de ondernemer aan de huisbank te verhuren. Hierdoor staat de inventaris in het bedrijfspand niet meer op de grond van de belastingschuldige, maar op de grond van de bank. Gevolg: inventaris is geen bodemzaak van de ondernemer / belastingschuldige. Deze bodemverhuurconstructie wordt vaak toegepast, de Belastingdienst baalt hier al lang van. Dus ... kwam er nieuwe wetgeving.

Hoe werkt het bodemrecht?

Het bodemrecht geeft de Belastingdienst het recht om zakelijke belastingen te verhalen op roerende zaken van een derde. Zakelijke belastingen zijn BTW, loonheffing, accijns, etc. Het gaat hierbij om zaken die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden, maar niet van hem of haar zijn. Als de belastingschuldige een auto niet op tijd heeft betaald, dan kan de leverancier de auto ophalen, de Belastingdienst kan echter ook bodembeslag leggen. Als de Belastingdienst sneller is, dan heeft de leverancier meestal het nakijken. In de praktijk wordt de bodem verhuurd aan de kredietverlener en is hiermee bodembeslag niet meer mogelijk (bodemverhuurconstructie). Voordeel van deze constructie is dat de onderneming na een faillissement of executie kan worden voortgezet omdat de machines en inventaris blijven staan. De bodemverhuurconstructie wordt - mits juist uitgevoerd - door de rechter (Hoge Raad) en de Belastingdienst goedgekeurd resp. gedoogd. Vanaf 2013 wordt dit anders, de Staatssecretaris is van mening dat de bodemverhuurconstructie moet worden bestreden. De kredietverlener wordt verplicht om bij de Belastingdienst te melden dat hij van zijn rechten gebruik gaat maken. De Belastingdienst heeft vervolgens 4 weken de tijd om te beslissen of ze gebruik maken van het bodemrecht. De kredietverlener kan zich dan dus op veel minder roerende zaken verhalen. Gevolg zal zijn dat minder bedrijven kunnen worden doorverkocht bij een faillissement en dat kredietverleners (banken / investeerders, etc.) minder snel bereid zijn om financieringen te verstrekken.

Bodemrecht, en toen?

Wat van jou is, is van jou en wat van mij is, is van mij. Dit geldt voor iedereen behalve voor de Belastingdienst. Een schuldeiser van A kan zich niet verhalen op bezittingen van B. Voor zakelijke schulden mag de Belastingdienst bodembeslag leggen (artikel 22 invorderingswet). Dit bodembeslag of bodemrecht heeft verstrekkende gevolgen. Voor de Belastingdienst is dit vooral interessant bij een executieverkoop of een faillissement. Onder bodembeslag vallen roerende zaken die zich op de bodem van de belastingschuldige / belastingplichtige bevinden. Hierbij kunt u denken aan:

  • inventaris;
  • auto's;
  • computers;
  • voorraden, etc.

Bodembeslag kan zowel voor als na faillissement worden gelegd. Bodembeslag kan ook komen te rusten op roerende zaken die van iemand anders (een derde) zijn als deze zaken zich duurzaam op de bodem van de failliet (belastingschuldige) bevinden. Het bodembeslag gaat bij een faillissement op in het faillissementsbeslag, de Belastingdienst kan zich op deze goederen niet meer verhalen. Bodembeslag op goederen van een derde wordt niet getroffen door het faillissementsbeslag, de derde is immers niet failliet. De Belastingdienst kan dus de goederen / roerende zaken van derden gewoon uitwinnen en verkopen.

Reële eigendom

De Belastingdienst hanteert (gelukkig) wel een beleid dat reële eigendom van een derde wordt ontzien, dit staat in de Leidraad invordering. Als de derde kan aantonen dat de bodemzaak zijn eigendom is, zal de Belastingdienst dit meestal respecteren. U moet hiervoor wel moeite doen en er vlot bij zijn. De Belastingdienst zal uw recht niet erkennen als de roerende zaken zich op de bodem van de failliet / belastingschuldige bevinden waarbij de belastingschuldige een zogenaamde afnameverplichting had. Ook bij zogenaamde bedrijfsinmenging wordt de eigendom van derde niet gerespecteerd.

Nieuws over bodembeslag sinds 2013

Sinds 2013 is er een nieuw fiscaal bodemrecht. De positie van de Belastingdienst / de ontvanger is een stuk beter geworden. En als het voor de Belastingdienst beter wordt, dan wordt het voor anderen slechter. De huidige / nieuwe regeling gaat veel te ver en is mede daarom omstreden. De gevolgen voor financieringen van bedrijven kunnen erg groot zijn. Zodra banken de gevolgen van deze regeling overzien, zal dit ook zijn weerslag kennen binnen MKB financieringen.

Als een pandhouder (of andere gerechtigde) voornemens is om zijn rechten uit te oefenen dan wel iets te doen waardoor de zaak geen bodemzaak meer is, dan moet hij dit melden aan de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft dan 4 weken de tijd om actie te ondernemen, de pandhouder mag dan dus niets doen. Als de pandhouder zich niet aan deze regel zou houden, dan moet de pandhouder op verzoek van de Belastingdienst een verklaring verstrekken omtrent de (executie)waarde van de betreffende bodemzaak. Dit bedrag moet dan door de pandhouder worden overgemaakt aan de Belastingdienst. De pandhouder krijgt voor dit bedrag een (vaak waardeloze) vordering op de belastingschuldige.

Voorbeeld bodemrecht in 2013

Machinefabriek X B.V. levert in 2013 een machine aan Jansen B.V. De machine wordt onder eigendomsvoorbehoud geleverd. De factuur wordt niet betaald. U wilt als eigenaar de machine ophalen. Sinds 2013 moet u dit eerst melden aan de Belastingdienst, waarschijnlijk bent u de machine kwijt. De Belastingdienst zal namelijk na uw melding bodembeslag leggen.

Tenslotte

De nieuwe regeling geldt sinds 2013 en derhalve voor aanslagen welke zijn opgekomen na 1 januari 2013.

Bodembeslag en problemen in 2013 [news] 2012-10-10 2013-02-03 0000-00-00 3542

Betalingsregeling Belastingdienst

Mede door de economische omstandigheden in Nederland zitten veel bedrijven in de problemen. Vrijwel wekelijks zijn wij betrokken bij het treffen van een betalingsregeling met de Belastingdienst. Het verzoeken om uitstel van betaling of een betalingsregeling is de meest gekozen route. Regelmatig adviseren wij bedrijven en DGA's over dit onderwerp, bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

Uitstel van betaling voor ondernemers bij de Belastingdienst

Meestal wordt bezwaar gemaakt tegen een aanslag, eventueel dan weer gevolgd door beroep bij de rechter. Bij een bezwaar of beroep wordt tevens om uitstel van betaling verzocht. De Belastingdienst / de ontvanger kan voorwaarden verbinden aan het geven van uitstel van betaling, soms wordt er om zekerheid gevraagd. In de praktijk wordt deze route niet vaak overwogen en wordt het vragen om uitstel van betaling of mediation vergeten. Tijdens een bezwaarfase met uitstel van betaling moet de ontvanger al handelen alsof er uitstel van betaling is verleend, rust in het bedrijf derhalve. De ontvanger moet de ingezette invorderingsmaatregelen staken en eerst inhoudelijk reageren. Ook dit traject kan enkele maanden - binnen de wettelijke termijnen - worden opgerekt, als hieraan behoefte bestaat tenminste. Een eenvoudig briefje kan dus al direct uitstel opleveren, hierdoor is er ook ruimte om met de Belastingdienst / invorderaar in gesprek te komen.

Als u een teruggave verwacht (verliesverrekening, omzetbelasting, etc.), kan uitstel van betaling er ook voor zorgen dat u enige ruimte krijgt om de teruggave te regelen (bijvoorbeeld indienen aangifte inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting of omzetbelasting). De beschikbare liquiditeit binnen het bedrijf kan dan voor andere dingen worden gebruikt en de toekomstige teruggave kan worden gebruikt voor de aflossing van de schuld aan de Belastingdienst.

Betalingsregeling voor ondernemers bij de Belastingdienst

De Belastingdienst vraagt veel informatie voordat er een betalingsregeling wordt verstrekt. Een betalingsregeling wordt zeker niet altijd zomaar verstrekt. U moet een goed verhaal hebben en de betalingsproblemen moeten niet het gevolg zijn van een slecht bedrijf, structurele problemen of een bedrijf zonder perspectief. De betalingsproblemen moeten het gevolg zijn van een incident of de crisis, waarbij een oplossing in de nabije toekomst te verwachten is. Maak dit de Belastingdienst duidelijk en wij kiezen er dan ook vrijwel altijd voor om met de Belastingdienst in gesprek te komen. Daarnaast is het verstandig om deze gesprekken te combineren met bezwaarschriften, verzoeken om mediation, etc.

Als men nalatig is geweest bij het doen van aangifte of bewust fout aangifte heeft gedaan, ontbreekt het vertrouwen bij de Belastingdienst en de invorderaar. Dit vertrouwen kunt u soms herstellen, maar u staat wel 1-0 achter.

Een betalingsregeling moet dus worden voorzien van:

  • waar nodig bezwaarschriften;
  • actuele administratie;
  • toelichting over ontstaan belastingschulden;
  • weergave van de toekomst van uw bedrijf;
  • verzoek om uitstel van betaling;
  • verzoek om mediation.

De gemiddelde betalingsregeling moet binnen 12 maanden worden terugbetaald, soms is een langere periode mogelijk, maar dit zijn incidenten. De toekomstige betalingsverplichtingen moeten tijdig worden nagekomen, de schuld mag derhalve niet oplopen. Tussentijdse teruggaven zullen worden verrekend met de openstaande belastingschuld.

De Belastingdienst / invorderaar of ontvanger zal bij een betalingsregeling zekerheid vragen, dit is meestal een probleem of simpelweg niet mogelijk. Banken hebben vaak alles al in zekerheid en voor de Belastingdienst blijft er dan weinig over. Gezamenlijk met uw bank en de Belastingdienst praten kan dan ook verstandig zijn.

Crisismaatregel bij betalingsregeling

Doe bij uw verzoek om een betalingsregeling uitdrukkelijk een verzoek om de tijdelijke crisismaatregel. Deze maatregel is op u van toepassing als u kunt aantonen dat de betalingsproblemen direct samenhangen met de huidige crisis. De betalingsregeling wordt veelal eenvoudiger verstrekt. Het is wel van belang dat u hiervoor een deskundige heeft ingeschakeld, deze moet namelijk bepalen dat er een samenhang is tussen de belastingschuld en de crisis. Ook deze regeling moet binnen 12 maanden aflopen, maar veelal hoeft er geen zekerheid te worden verstrekt. U moet de Belastingdienst uitdrukkelijk wijzen op de crisismaatregel.

Beroep tegen afwijzen betalingsregeling

Als de Belastingdienst / ontvanger het verzoek om uitstel van betaling of een betalingsregeling afwijst of weigert, kunt u via mediation proberen om alsnog tot elkaar te komen. Dit is een lastige route die de Belastingdienst niet altijd voorstaat. Als de mediation niet doorgaat, kunt u nog in beroep komen tegen het weigeren of afwijzen van de betalingsregeling. Het beroep wordt ingesteld bij de directeur invordering. Er zal een zorgvuldige toetsing plaatsvinden.

Vragen over betalingsregeling Belastingdienst

U kunt voor vragen of opmerkingen contact met mij opnemen, bel of mail gerust.

Betalingsregeling belastingdienst Ondernemers [news] 2012-11-24 0000-00-00 0000-00-00 3572

Bewijslast verdeling Belastingdienst

Wie stelt bewijs en niet meer dan dat. Omkering van de bewijslast kan echter voor problemen zorgen.

De basis van de bewijslastverdeling

U dient uw aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting in en de Belastingdienst twijfelt op basis van haar eigen argumenten aan de juistheid van de ingediende aangifte. Ook in fiscale zaken geldt de regel dat degene die stelt moet bewijzen of iets wel of niet klopt. Dat betekent in een discussie met de Belastingdienst dat de Belastingdienst moet bewijzen dat u meer inkomen zou hebben genoten en dat u moet bewijzen dat een aftrekpost van toepassing is. De Belastingdienst zal zorgvuldig naar uw dossier moeten kijken en moet grondig en juist motiveren als ze besluiten dat uw omzet of inkomen hoger is.

In de meeste gevallen kunt u volstaan met een lichte vorm van bewijs, het aannemelijk maken dat een aftrekpost is gemaakt. Soms komt een zwaardere vorm van bewijs aan de orde, hierbij kunt u denken aan een kilometeradministratie bij een auto van de zaak.

Omkering bewijslast

Als u geen aangifte heeft gedaan en / of als uw administratie niet deugdelijk is, dan kan de Belastingdienst de bewijslast omkeren. Dit is een zware maatregel welke niet zomaar mag worden toegepast. De rechter zal ook kritisch kijken of de Belastingdienst zorgvuldig met deze zware maatregel is omgegaan. U zult overtuigend moeten kunnen aantonen dat uw inkomen lager is dan hetgeen de Belastingdienst stelt. Als u geen of onvoldoende bewijs verstrekt, dan kan de Belastingdienst de aanslag in stand laten. U kunt tegen een dergelijke aanslag in bezwaar bij de Belastingdienst en uiteindelijk in beroep bij de rechter.

Bedrijf onder de loep

Recentelijk is aangekondigd dat autorijscholen onder de loep worden genomen. Op grond van examenaanvragen wordt gekeken of de omzetten wel kloppen. De Belastingdienst wil op basis hiervan de omzet corrigeren. De Belastingdienst moet bewijzen dat er sprake is van meer omzet en waarom ze dit vinden. Op basis van de verhouding rijlessen en omzet zou een vermoeden kunnen ontstaan dat er te weining omzet is aangegeven. Dit vermoeden moet duidelijk en gemotiveerd vanuit de Belastingdienst worden aangegeven richting de rijschoolhouder. Een simpel briefje met "zoveel lessen is zoveel omzet" is dus niet voldoende.

De rijschoolhouder moet dan een verklaring geven waarom deze verhouding niet klopt of zou kunnen kloppen. De rijschoolhouder hoeft hiervoor geen uitgebreide brief te sturen of een processtuk, een eenvoudige verklaring is voldoende. De Belastingdienst moet dan het standpunt van de rijschoolhouder weerleggen. Zo gaat de bal dus heen en weer.

Procedure bewijslast Belastingdienst

In de bezwaarfase kunt u vragen om te worden gehoord en daarnaast kunt u verzoeken om informatie uit uw dossier, dit is een formeel proces dat u het beste door een fiscaal jurist kunt laten verzorgen. Vergeet ook niet om om een proceskostenvergoeding te vragen.

In de procedure bij de rechter zal de rechter bepalen wie wat moet bewijzen. De rechter is vrij om de bewijslast te verdelen. De Belastingdienst moet dan dus een goed dossier hebben (en u ook).

Vragen over bewijslast

Als u vragen of opmerkingen heeft over dit onderwerp, kunt u contact opnemen met de auteur van dit artikel.

Bewijslast en de belastingdienst Iedereen [news] 2012-11-28 0000-00-00 0000-00-00 3574

Belastingrenteregeling

Sinds 2013 geldt de belastingrenteregeling. Deze nieuwe regeling vervangt de normale heffingsrente die tot dat moment van toepassing is geweest. Sparen bij de Belastingdienst is sinds 2013 niet meer aantrekkelijk en daarnaast moet u ervoor zorgen dat u niet te weinig via een voorlopige aanslag gaat betalen.

Belastingrente 2014

Vanaf 2014 wordt de belastingrente voor bedrijven (vennootschapsbelasting) 8%, het is dus van belang om de hoogte van de voorlopige aanslag nog juister in te schatten. Voor andere belastingen is de rente vastgesteld op 4%. De rente wordt berekend vanaf 1 juli en niet meer vanaf 1 januari.

Heffingsrenteregeling tot en met 2012

"Vroeger" kon u nog geld sparen bij de Belastingdienst, dit tegen een redelijke rente. De Belastingdienst berekende de (enkelvoudige) rente vanaf de eerste dag na het aangiftejaar. Dus over het aangiftejaar 2011 kreeg u rente vergoed vanaf 1 januari 2012. Ook belasting betalen ging pas in vanaf 1 januari 2012.

Belastingrenteregeling vanaf 2013

Sinds 2013 gaat het anders. De belastingrente wordt pas gerekend als de aanslag wordt vastgesteld na 1 juli volgende op het belastingjaar, derhalve wordt bij de aangifte inkomstenbelasting pas rente vergoed vanaf 1 juli 2012 (en niet meer vanaf 1 januari 2012). De Belastingdienst hoeft dus over 6 maanden geen rente te vergoeden. Als u vóór 1 april 2013 uw aangifte over 2012 zou indienen, krijgt u meestal vóór 1 juli 2013 uw geld terug, dit nu dus zonder enige rentevergoeding.

Als u belasting moet betalen en de Belastingdienst legt u een aanslag op na 1 juli 2013, dan rekent de Belastingdienst de belastingrente tot het moment van de uiterste betaaldatum (en niet meer de dagtekening van de aanslag). Sneller de aanslag betalen heeft dus geen zin, u krijgt dan geen rentekorting.

Voorlopige aanslag te hoog

Als de voorlopige aanslag te hoog is vastgesteld, dan krijgt u nog zelden rente vergoed. Als de Belastingdienst te traag heeft gereageerd op een verzoek om aanpassing van de voorlopige aanslag (bezwaar / verzoek ambtshalve vermindering), dan wordt er rente vergoed, anders niet. De rentevergoeding gaat pas in op 1 juli van het jaar na het belastingjaar. De Belastingdienst is traag als een verzoek niet binnen 8 weken is afgerond (of als de aangifte niet binnen 13 weken is afgerond resp. er een voorlopige aanslag is opgelegd). De rente wordt dan vergoed over een beperkte periode, namelijk vanaf het moment dat u heeft verzocht om de voorlopige aanslag te verminderen (via verzoek of indienen aangifte) en zes weken na de dagtekening van de uiteindelijke vermindering, dit wordt dan weer verminderd met de genoemde 6 of 13 weken.

Hoogte belastingrente

De hoogte van de belastingrente is gelijk aan de wettelijke rente (voor niet-handelstransacties), deze rente is relatief laag, op dit moment 3%. Vanaf 2014 wordt de rente waarschijnlijk verhoogd tot 8% (wettelijke rente handelstransacties), dit zal dan gaan gelden voor zakelijke belastingen (zoals de vennootschapsbelasting).

Vanaf wanneer gaat belastingrente gelden?

De belastingaanslagen die betrekking hebben op de periode vanaf 1 januari 2012 vallen onder deze nieuwe regeling.

Invorderingsrente blijft.

De heffingsrente wordt dus belastingrente en de invorderingsrente blijft gewoon bestaan. De invorderingsrente komt naar voren als:

  • de Belastingdienst te laat heeft betaald; 
  • een teruggave wordt uitbetaald;
  • een aanslag te laat wordt betaald.

Er wordt geen invorderingsrente meer vergoed die het gevolg is van een terugbetaling welke haar oorzaak vindt in een vermindering van een reeds betaalde aanslag of een herziening hiervan. Ook in dit geval wordt het dus minder gunstig voor de belastingplichtige.

Belastingtip invorderingsrente

Stel dat u een aanslag voldoet gedurende een bezwaar- of beroepsprocedure en uiteindelijk krijgt u dit bedrag terug, dan krijgt u geen rente vergoed. Verzoek dus altijd om uitstel van betaling.

Conclusie belastingrente

Als u belasting moet betalen, is het verstandig om de voorlopige aanslagen op een redelijk niveau in te schatten of de aangifte vóór 1 juli (na het belastingjaar) in te dienen.

Als u meer belasting moet betalen dan er op een voorlopige aanslag is aangegeven, dan is het verstandig om de wijziging vóór 1 mei (na het belastingjaar) aan de Belastingdienst door te geven.

Als u belasting terugkrijgt (of dit verwacht), dan is het verstandig om de aangifte vóór 1 april (na het belastingjaar) in te dienen of een wijzigingsverzoek vóór 1 mei (na het belastingjaar) te versturen.

Belastingrente 2013, hoe werkt dit? [news] 2013-01-22 0000-00-00 0000-00-00 3627

Betalingsonmacht schriftelijk melden

U moet bij de Belastingdienst schriftelijk melden dat u een aanslag niet kunt betalen. Doet u dit niet, dan loopt u een groot risico dat u privé wordt aangesproken voor de belastingschulden van een rechtspersoon (zoals een B.V. / N.V., stichting, vereniging, etc).

Regelmatig adviseren wij bedrijven, ondernemers en DGA's over een betalingsregeling, het niet verstrekken van zekerheden en / of het melden van betalingsonmacht. Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen.

Betalingsonmachtig melden, wat zegt de rechter?

Als u omzetbelasting, loonbelasting, vennootschapsbelasting of een andere belasting niet kunt betalen, moet u dit per direct melden aan de Belastingdienst, pensioenverzekeraar of het UWV. In een procedure voor het Gerechtshof (8 januari 2013) kwam dit nog eens duidelijk aan de orde. Het ging in deze casus om een B.V. die de loonheffing niet tijdig kon betalen. De bestuurder van de B.V. maakte geen melding voor een betalingsonmacht. De inspecteur legde een naheffingsaanslag loonheffing op, deze aanslag wordt ook niet betaald. De bestuurder wordt in privé aansprakelijk gesteld voor deze aanslag.

Het Gerechtshof in Arnhem was helder, in de wet is opgenomen dat een bestuurder schriftelijk melding moet maken van een eventuele betalingsonmacht. Doet de bestuurder dit niet, dan kan de Belastingdienst ervan uitgaan dat het niet betalen van de belasting(en) te wijten is aan de bestuurder (zogenaamde bewijsvermoeden). De Belastingdienst hoeft uit het niet betalen van de belastingen niet automatisch op te maken dat er niet kan worden betaald. Volgens de rechter is het bewijsvermoeden niet in strijd met het Europese recht. Gerechtshof Arnhem, 8 januari 2013.

Inleiding betalingsonmacht

Meld betalingsonmacht zo snel mogelijk bij Belastingdienst, UWV of pensioenfonds. Wacht niet te lang omdat u dan als bestuurder van een B.V., N.V., stichting, etc. in privé aansprakelijk wordt gesteld voor de belastingschulden van de rechtspersoon. U moet de betalingsonmacht melden via een formulier dat de Belastingdienst hiervoor heeft bedacht.

Bij een betalingsonmacht krijgt u per direct te maken met de invorderingswet, dit is een strenge wet welke bestuurders vrij snel in privé (hoofdelijk) aansprakelijk gaat houden als de betaling uiteindelijk niet door de rechtspersoon heeft plaatsgevonden. In dergelijke situaties loopt het privévermogen van de bestuurder gevaar.

De Belastingdienst, het UWV en het pensioenfonds hebben een bijzondere positie in dit proces. Het enkel niet melden doet een bewijsvermoeden ontstaan dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur van de bestuurder. Tevens wordt verondersteld dat dit onbehoorlijke bestuur verwijtbaar is.

Binnen welke termijn betalingsonmacht melden ?

Een bestuurder moet binnen 14 dagen nadat u de belastingen of premies had moeten betalen een schriftelijke melding indienen. Bij de melding moet u veel informatie verstrekken, onder meer:

  • welke belastingsoort / premiesoort;
  • welk tijdvak;
  • welke aanslag;
  • hoe ziet het vermogen van de rechtspersoon eruit;
  • welke problemen zijn er binnen de rechtspersoon;
  • hoe zijn de problemen ontstaan.

U mag de melding niet telefonisch doorgeven. U moet een brief sturen (aangetekend of afgeven) en / of het formulier "Mededeling inzake betalingsonmacht" invullen en indienen (verkrijgbaar bij Belastingdienst, UWV of pensioenfonds).

Melding te laat, en dan?

Schakel een fiscaal jurist is, u wordt er nu druk mee. De Belastingdienst gaat er vanuit dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur en tevens zal de Belastingdienst u - binnen enkele maanden - in privé aansprakelijk stellen. U moet aannemelijk maken dat u er niets aan kon doen dat de betalingsonmacht niet of niet rechtsgeldig is gemeld. Dit is in de praktijk vrijwel onmogelijk. Mogelijke opties zijn:

  1. bekijken of de aanslag kan worden verminderd;
  2. bekijken of de aanslag kan worden verrekend met andere belastingen;
  3. opties voor verliesverrekening nazien;
  4. disculperen van de bestuurder (ziekte, etc.);
  5. oude schulden betalen en voor nieuwe schulden onmacht melden.

Wie is bestuurder ?

Iedereen die formeel (volgens statuten / KvK inschrijving) als bestuurder is ingeschreven is bestuurder, of u deze taak ook feitelijk uitvoert is niet van belang. Alternatief is de feitelijk bestuurder, dit is degene die niet officieel als bestuurder is ingeschreven maar zich wel zo gedraagt. U kunt aansprakelijk worden gesteld als de schulden zijn ontstaan in de periode dat u bestuurder was.

Opzet en betalingsonmacht

Het melden van betalingsonmacht voorkomt dat u als (formeel of feitelijk) bestuurder hoofdelijk in privé aansprakelijk wordt gesteld voor schulden van de rechtspersoon. Als u wel een melding maakt, bent u in sommige gevallen toch in privé aansprakelijk. Hiervan is sprake als u opzettelijk te weinig belasting zou aangeven en de Belastingdienst hier achter komt.

In 2011 kwam een zaak voor de Hoge Raad: een B.V. had over de periode 2002 - 2004 te weinig omzetbelasting aangegeven. Er komt een boekenonderzoek en de Belastingdienst legt een naheffingsaanslag BTW op, dit met een forse boete. De B.V. kan de aanslag niet betalen en geeft dit via een aangetekende brief aan richting de Belastingdienst. De B.V. gaat uiteindelijk in 2007 failliet. De bestuurder wordt in privé aansprakelijk gesteld. Volgens de Hoge Raad is er tijdig gemeld, hiermee is de bestuurder in principe niet aansprakelijk. Deze regel is echter niet van toepassing als sprake is van opzet en / of grove schuld van de B.V. De bestuurder van de B.V. heeft dit niet bestreden. Conclusie: ook al is de melding tijdig, toch aansprakelijkheid van de bestuurder. Hoge Raad d.d. 23 december 2011.

Neem gerust contact met ons op voor een vrijblijvend gesprek.

Betalingsonmacht schriftelijk melden [news] 2013-02-02 2013-02-02 0000-00-00 3645
Welke akten registreren? [news] 2013-02-12

Registratie akten Belastingdienst

Sommige onderhandse akten kunt u gratis laten registreren bij de Belastingdienst. Als u een akte laat registreren, kunt u aantonen dat de akte op de dag van registratie bestond. Voor leningsovereenkomsten tussen de B.V. en de DGA of andere overeenkomsten is dit wenselijk. Sinds enkele jaren is de regelgeving aangepast.

Registratie van onderhandse akten, welke akten?

De registratie zal plaatsvinden bij de Belastingdienst. De volgende akten moeten verplicht geregistreerd worden:

  • akten waarbij u een pandrecht vestigt op een roerende zaak of op de opbrengsten daarvan;
  • akten waarbij u een pandrecht vestigt op een recht aan toonder, bijvoorbeeld op een aandelenportefeuille, of op de opbrengsten daarvan;
  • akten waarbij u een pandrecht vestigt op een recht dat niet aan toonder of order luidt, bijvoorbeeld op een productierecht zoals een melkquotum, of op de opbrengsten daarvan;
  • akte voor een stille cessie van vorderingen;
  • akten waarbij u aandelen op naam levert in een beursgenoteerde vennootschap;
  • een voorovereenkomst of intentieverklaring.

Andere akten worden sinds 2013 niet geregistreerd.

Wat te doen om akten te registeren?

Stuur de akte of de overeenkomst aan uw notaris, accountant of fiscaal jurist. Dit kan per e-mail of per telefax. Verzoek uw adviseur om deze akte op te slaan op zijn "harde schijf".

Welke gegevens registreert de Belastingdienst?

De Belastingdienst registreert de volgende gegevens:

  • soort akte;
  • naam en adresgegevens van ten minste één van de partijen die in de akte voorkomen;
  • aantal bladen;
  • aantal exemplaren, als u meer exemplaren van 1 akte aanbiedt;
  • aantal renvooien. Een renvooi is een bijvoeging, verandering of doorhaling van de tekst, waarnaar in de kantlijn of aan het eind van de tekst wordt verwezen.

Wat gebeurt er nadat u de akte ter registratie heeft aangeboden?

De Belastingdienst plakt een sticker op de akte en deze ontvangt u dan terug. Op de sticker staat:

  • plaats en datum van registratie;
  • registratie en nummer;
  • handtekening van de inspecteur.

De registratie duurt meestal 2 weken.

Wie mogen de geregistreerde akten inzien?

Een beperkte groep mensen mag de akten inzien:

  • personen die in de akte staan;
  • erfgenamen van de personen die in de akte staan;
  • verkrijgers van rechten.

Hoe registeren van akten bij de Belastingdienst?

U kunt de akte opsturen naar de Belastingdienst of de akte persoonlijk afgeven (tussen 09:00 - 17:00 uur).

Bij welke Belastingdienst een akte registeren?

Belastingdienst / kantoor Amsterdam

Postbus 57295

1040 BD  Amsterdam

Bezoekadres: Kingsfordweg 1

Belastingdienst / kantoor Arnhem

Postbus 9005

6800 DG  Arnhem

Bezoekadres: Groningensingel 21

Belastingdienst / kantoor Breda

Postbus 3215

4800 DE  Breda

Bezoekadres: Gasthuisvelden 11

Belastingdienst / kantoor ’s-Hertogenbosch

Postbus 90116

5200 MA  ’s-Hertogenbosch

Bezoekadres: Kooikersweg 1C

Belastingdienst / kantoor Leeuwarden

Postbus 2108

8901 JC  Leeuwarden

Bezoekadres: Tesselschadestraat 4

Belastingdienst / kantoor Roermond

Postbus 925

6040 AX  Roermond

Bezoekadres: Kapellerpoort 1

Belastingdienst / kantoor Rotterdam

Postbus 50961

3007 BC  Rotterdam

Bezoekadres: Laan op Zuid 45

Belastingdienst / kantoor Den Haag

Postbus 30206

2500 GE  Den Haag

Bezoekadres: Prinses Beatrixlaan 512

Belastingdienst / kantoor Utrecht

Postbus 18500

3501 CM  Utrecht

Bezoekadres: Orteliuslaan 1000

0000-00-00 0000-00-00 3652
Inspecteur belastingdienst is geen belastingadviseur [news] 2013-03-14

Belastingdienst geen belastingadviseur

Inspecteur Belastingdienst is geen fiscaal jurist

Een belastinginspecteur verstrekt een juist maar niet fiscaal voordelig advies. De belastingplichtige stapt naar de rechter omdat ze teveel belasting heeft betaald. De rechter geeft de inspecteur gelijk, een belastinginspecteur is immers geen belastingadviseur.

De rol van de Belastingdienst, verwacht geen adviezen

Mevrouw Jansen (fictieve naam) woont in Nederland. De man van mevrouw Jansen komt onverwacht te overlijden. Mevrouw Jansen krijgt een substantiële kapitaaluitkering uit België. Dit bedrag kan ze het beste belastingvrij onderbrengen in een stamrecht B.V. Mevrouw Jansen belt de Belastingdienst. De inspecteur stelt dat mevrouw over de uitkering direct belasting moet betalen tegen het progressieve tarief dat kan oplopen tot 52%. De uitkering wordt overgemaakt en mevrouw Jansen voldoet haar belastingen direct. Achteraf komt ze erachter dat er fiscaal een veel voordeliger optie zou zijn geweest, het geld onderbrengen in een zogenaamde stamrecht B.V. Mevrouw Jansen stapt naar de rechter.

De rechter komt tot het volgende:

  • de Belastingdienst informeerde mevrouw Jansen juist;
  • het geven van belastingadviezen behoort niet tot de taak van de Belastingdienst en / of de inspecteur.

Bron adviseren taak Belastingdienst

Rechtbank Breda d.d. 18 december 2012 procedurenummer AWB 12/2222 (gepubliceerd 12 maart 2013)

0000-00-00 0000-00-00 3671

Bestuurder aansprakelijk door niet betalen fiscus

Als een B.V. niet meer goed draait (of failliet gaat), is het van cruciaal belang dat er zorgvuldig wordt gekeken naar mogelijke belastingschulden die niet worden betaald. In het meest vervelende geval is de bestuurder / DGA in privé aansprakelijk voor de belastingschulden van de B.V. In dit artikel een uiteenzetting van een tweetal langlopende procedures.

Kennelijk onbehoorlijk bestuur bij niet betalen Belastingdienst (procedure 1)

Een slepende procedure bij het Gerechtshof in Leeuwarden. Deze procedure liep via:

  • Rechtbank Breda (uitspraak nummer AWB 08/5433) d.d. 19 oktober 2009 gelijk Belastingdienst);
  • Gerechtshof in 's Hertogenbosch (uitspraak nummer 09/00687) d.d. 15 oktober 2010, gelijk Belastingdienst);
  • Hoge Raad (arrest nummer 10/05089) d.d. 24 februari 2012) vernietigt uitspraak Gerechtshof 's Hertogenbosch met verwijzing naar Gerechtshof Leeuwarden.

De essentie is dat een bestuurder in privé aansprakelijk is als blijkt dat hij wel de crediteuren van de B.V. heeft betaald maar de Belastingdienst niet. De bestuurder is aansprakelijk gesteld voor ruim € 100.000.

B.V. X kiest ervoor om belastingschulden niet te betalen, maar de overige schuldeisers wel. De Belastingdienst is van mening dat hierdoor de bestuurder van B.V. X in privé aansprakelijk is voor de niet betaalde belastingschulden. Over dit probleem wordt door partijen geprocedeerd. Volgens het Gerechtshof is de bestuurder van B.V. X aansprakelijk. In deze procedure ging het niet om de formele bestuurder, maar de feitelijk / indirecte bestuurder van B.V. X. 

De B.V. ging in 2007 in gesprek met de Belastingdienst en in september 2007 wordt er ook betalingsonmacht gemeld (moet nu schriftelijk, destijds niet). De betalingsonmacht was op tijd en dus rechtsgeldig. De Inspecteur was echter van mening dat de betalingsonmacht is te wijten aan het onbehoorlijke bestuur van de bestuurder (artikel 36 invorderingswet). De bestuurder was het hier niet mee eens. De rechter is van mening dat de bestuurder - blijkbaar bewust - de Belastingdienst niet betaalde en de crediteuren wel. De bestuurder had moeten begrijpen dat hij hiermee bewust de Belastingdienst benadeelde.

Bank betalen en Belastingdienst niet, onbehoorlijk bestuur (procedure 2)

Dezelfde lange route kwam aan de orde bij het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden (in 2018). Deze procedure liep via:

In de verwijzingsprocedure bij het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden (2018) kwam de volgende casus aan de orde. Een B.V. gaat failliet omdat een belangrijk vervoerscontract niet wordt verlengd. De B.V. is hiermee niet meer levensvatbaar en gaat failliet. De Rabobank zet druk op de ondernemer en uiteindelijk worden de schulden aan de Rabobank afgelost. De Belastingdienst krijgt haar vorderingen niet betaald (totaal ruim € 300.000). De B.V. gaat uiteindelijk failliet en de DGA / bestuurder wordt door de Belastingdienst aansprakelijk gesteld. De centrale vraag is: "heeft de bestuurder de Belastingdienst bewust benadeeld?" De bestuurder stelt dat hij de opbrengsten uit onder meer activa wel moest gebruiken om de Rabobank af te lossen, hij had geen keuze. De ontvangsten kwamen namelijk op de bankrekening van de Rabobank binnen en de bank beroept zich dan op verrekening. De bestuurder heeft hierover de Belastingdienst niet geïnformeerd, maar dit was volgens de Hoge Raad ook niet nodig. Het Gerechtshof in Arnhem is vervolgens van mening dat de bestuurder een ernstig en persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. De reden hiervoor is dat de bedrijfsvoering tijdelijk is voortgezet en dat daarbij voorrang is gegeven aan de Rabobank en crediteuren, en niet aan de Belastingdienst. De bestuurder wist of behoorde te weten dat de belastingschulden hierdoor niet (volledig) zouden worden betaald.

Onbehoorlijk bestuur moet goed worden onderzocht (procedure 3)

Henk is feitelijk bestuurder van een BV. Belastingen worden niet betaald en Henk wordt in prive aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven belastingschulden. De Rechtbank en het Gerechtshof 's Hertogenbosch beslissen dat de ontvanger aannemelijk heeft gemaakt dat Henk feitelijk bestuurder is geweest. De niet betaling van de verschuldigde belastingen is het gevolg van aan Henk te verwijten onbehoorlijk bestuur. Henk stapt - met succes - naar de Hoge Raad. Het Gerechtshof heeft zijn stelling gebaseerd op een rapport dat is opgemaakt voor de omzetbelasting. Uit dit rapport (en de daarom gebaseerde overwegingen) blijkt niet dat Henk door zijn onbehoorlijke bestuur bewerkstelligd heeft dat verschuldigde belastingen niet volledig zijn betaald. Het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden moet dit nu alsnog uitzoeken. Hoge Raad 8 juni 2018 ECLI:NL:HR:2018:853

Beoordeling fiscaal jurist

Een B.V. is aansprakelijk voor haar eigen belastingschulden. Bij onbehoorlijk bestuur kan een bestuurder ook in privé worden aangesproken door de curator of de Belastingdienst. Als u in zwaar weer zit, moet u tijdig schriftelijk richting de Belastingdienst, het pensioenfonds en de uitkeringsinstanties melden dat u belastingen of premies niet kunt betalen. Normaal gesproken is dit voldoende om privé aansprakelijkheid van de bestuurder te voorkomen of te beperken. Het kan echter zijn dat de bestuurder wel de betalingsonmacht heeft gemeld, maar wel onbehoorlijk heeft gehandeld. In deze procedures is dit zo. Let erop dat u bij financieel zwaar weer een goede fiscaal jurist en advocaat in de hand neemt.

Bron kennelijk onbehoorlijk bestuur

Gerechtshof Leeuwarden d.d. 26 februari 2013 (gepubliceerd 8 maart 2013).

Gerechtshof Arnhem d.d. 13 februari 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:1462).

Bestuurder BV aansprakelijk door bewust niet betalen [news] 2018-03-28 0000-00-00 0000-00-00 3674
Bevoegdheden inspecteur [news] 2013-03-25

Bevoegdheden inspecteur Belastingdienst

De bevoegdheden van de inspecteur zijn neergelegd in artikel 6 tot en met 20 van de AWR. De bevoegdheden gaan ver, dus als er een onderzoek wordt ingesteld, is het goed om te weten wat wel en niet is toegestaan. De Belastingdienst mag bij het uitvoeren van haar taken de bevoegdheden niet misbruiken.

Belastingdienst eist computerbestanden

Er wordt een boekenonderzoek door de Belastingdienst ingesteld en de Belastingdienst vraagt om een kopie van al uw computerbestanden resp. een backup van uw server, en nu? De Belastingdienst mag volgens de (Europese) rechter alle bestanden opvragen, ook als hierop persoonlijke e-mails van uw collega's staan en / of administraties van bedrijven waar geen controle is ingesteld.

De verregaande bevoegdheden van Belastingdienst

Deze procedure speelde in Noorwegen. Het Noorse bedrijf stapte naar de Europese rechter om te laten beoordelen of de Belastingdienst zomaar vertrouwelijke data van andere bedrijven en persoonlijke e-mails mag inzien / opvragen. De Europese rechter ging vrij ver in haar uitspraak.

Het Europese Hof vindt de verzoeken om toegang tot de complete server (kopie backup) redelijk, dit omdat de administraties niet gescheiden werden. De procedure moet dan wel met voldoende waarborgen worden verricht.

Advies fiscaal jurist

Zorg ervoor dat u administraties, adviezen, e-mails etc. apart hebt opgeslagen, de Belastingdienst kan anders teveel informatie inzien en opvragen.

0000-00-00 0000-00-00 3678
Onrechtmatig verkregen bewijs belastingdienst [news] 2013-03-27

Belastingdienst en onrechtmatig verkregen bewijs

Soms verkrijgt de Belastingdienst onrechtmatig informatie welke vervolgens wordt gebruikt bij het opleggen van aanslagen inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting of andere aanslagen. De rechter is hier vlot klaar mee: "Dit is niet toegestaan." De vraag is wel hoe u erachter komt hoe de Belastingdienst informatie heeft verkregen. In een bezwaarfase is het daarom altijd verstandig om dossierinzage te vragen.

Onrechtmatig bewijs in fiscale zaken

Feitelijk moet er een scheiding worden gemaakt tussen het gebruik van onrechtmatig verkregen informatie voor de belastingheffing en een mogelijke boete. De centrale vraag is of informatie door de Belastingdienst op een rechtmatige wijze van een derde is verkregen en / of deze mag worden gebruikt bij het opleggen van een aanslag. Het arrest chambaz van het Europese Hof van de Rechten van de Mensen is een mooi voorbeeld. In dit arrest van de Europese rechter is bepaald dat informatie welke onder dwang wordt verstrekt (artikel 47 AWR) niet mag worden gebruikt bij het opleggen van een boete omdat dit bij het verkrijgen van de informatie niet duidelijk was.

Onrechtmatig verkregen bewijs speelt met name in strafzaken. De Hoge Raad heeft echter in fiscale zaken ook al eens gekeken naar deze materie. De Hoge Raad stelt als vertrekpunt dat binnen het strafrecht onrechtmatig verkregen bewijs niet automatisch zal leiden tot de conclusie dat dit bewijs ook in fiscale zaken in de prullenbak moet worden gegooid.

Het fiscale recht / bestuursrecht heeft haar eigen wetsartikelen waaraan getoetst moet worden. De Hoge Raad neemt als uitgangspunt dat het bewijsmiddel is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit bewijs niet mag worden gebruikt.

Rechtmatig verkrijgen van fiscaal bewijs en beperkingen

De Belastingdienst (lees: de inspecteur) heeft op grond van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (de AWR) een zeer ruime bevoegdheid om informatie van een derde (of belastingplichtige zelf) op te vragen of te vorderen (artikel 47 AWR). De inspecteur gaat er echter te vaak vanuit dat deze bevoegdheden onbeperkt zijn, dat is zeker niet zo. De bevoegdheden van de inspecteur worden beperkt door:

  1. Geen informatie vorderen van advocaten en notarissen (verschoningsgerechtigden).
  2. Informatie moet van belang kunnen zijn voor de belastingheffing.
  3. Beginsel van fair play moet in acht worden genomen.
  4. De Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur moeten in acht worden genomen (met name proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel).



De belangrijkste vraag welke een inspecteur zich moet stellen is of hij de informatie wel mag opvragen. Hiertoe zou hij artikel 52a AWR als eerste stap moeten raadplegen. In een zaak bij de rechter (voor de liefhebber: Gerechtshof Leeuwarden) had een inspecteur het bewijs voor een aanslag niet rond. De inspecteur vroeg informatie op bij een particulier (niet-ondernemer), de informatie wordt ook verstrekt. Een particulier / niet-ondernemer is echter niet verplicht om informatie te bewaren resp. te verstrekken aan de inspecteur, de inspecteur had de particulier / niet-ondernemer hier niet op gewezen. De inspecteur gaat in deze zaak te ver en de informatie is onrechtmatig verkregen.

In een andere zaak verloor een Officier van Justitie een procedure. Hij belde vervolgens met de Belastingdienst om hen te vragen of ze de beste man fiscaal konden aanpakken. De inspecteur vroeg vervolgens de informatie op en kwam tot de conclusie dat er aanslagen konden worden opgelegd. De rechter was er vlot klaar mee:

  • De Officier van Justitie is op een onjuiste wijze op de hoogte gebracht.
  • De inspecteur wist dat er sprake was van onrechtmatig verkregen bewijs.
  • Conclusie: informatie mag niet worden gebruikt in fiscale zaken.

Procedure inzake onrechtmatig verkregen bewijs Belastingdienst

De Belastingdienst is een overheidsorgaan. Op beslissingen van de Belastingdienst ziet de Algemene wet Bestuursrecht en de Algemene wet inzake Rijksbelastingen. Van de Belastingdienst mag u verwachten dat ze behoorlijk handelen en onrechtmatig verkregen bewijs niet tegen u gebruiken. De Rechtbank (in Haarlem) was dit met een belastingplichtige eens, de opgelegde navorderingsaanslagen werden vernietigd.

In casu ging het om een doorzoeking in de woning door de politie, dit onderzoek heeft in 2010 plaatsgevonden. Het onderzoek is gestart via de kliklijn of een tip over een hennepplantage. In 2011 doet de Rechtbank in Amsterdam een uitspraak over de hennepplantage en het witwassen. De verdachte wordt vrijgesproken. De Belastingdienst vordert op grond van artikel 55 AWR het proces-verbaal. De huiszoeking was echter onrechtmatig en hiermee was het bewijs onrechtmatig verkregen en moesten de aanslagen worden verminderd.

Conclusie fiscaal bewijs

Bovenstaande maakt duidelijk dat de Belastingdienst (de inspecteur) vrij ruime bevoegheden heeft om informatie op te vragen. Het is echter wel van belang dat hierbij de regels welke gelden voor een betrouwbaar handelende overheid in acht worden genomen.

Bron onrechtmatig verkregen bewijs Belastingdienst

Rechtbank Haarlem d.d. 11 februari 2013 (publicatie 5 maart 2013).

0000-00-00 0000-00-00 3679

Waarneming ter plaatse

Als de Belastingdienst inzicht wil krijgen in de dagelijkse gang van zaken binnen uw onderneming, dan komen ze langs. Veelal zal dit via een vooraf aangekondigd boekenonderzoek gebeuren. Het kan echter ook zijn dat de Belastingdienst een ander zicht wil op uw organisatie, dit zou een waarneming ter plaatse kunnen zijn. Meestal wordt een waarneming ter plaatse (WTP) niet schriftelijk aangekondigd. Een WTP is voor de Belastingdienst een controlemiddel om daarna uw aangiften te kunnen controleren.

Als een WTP wel schriftelijk wordt aangekondigd, dan staat in de brief niet wanneer de waarneming ter plaatse zal plaatsvinden en ook niet hoe vaak de Belastingdienst komt kijken. In de brief staat wel - in algemene woorden - waarop wordt gelet en wat er wordt onderzocht.

De Belastingdienst is niet verplicht om een waarneming ter plaatse aan te kondigen. Veelal gaat het om:

  • Hoe wordt er gewerkt?
  • Hoeveel mensen werken er bij u?
  • Hoeveel tafels staan er?
  • Hoe druk is het op bepaalde momenten?
  • Voorraden vaststellen.
  • Kasadministratie beoordelen.
  • Aantal auto's op de parkeerplaats.
  • Aantal mensen op een terras.
  • Aantal werknemers op het bedrijf of op de markt.
  • Hoe wordt de administratie bijgehouden?

Van de waarneming ter plaatse wordt een verslag gemaakt, dit verslag krijgt u toegestuurd of wordt u aangeboden. Let erop dat de feiten en inhoud van het rapport juist en volledig zijn!

Toelichting waarneming ter plaatse

De Belastingdienst zal meestal een boekenonderzoek instellen, dit wordt dan schriftelijk aangekondigd. Soms vindt de Belastingdienst het nodig om een waarneming ter plaatse in te stellen, dit kan worden aangekondigd maar dat hoeft niet. Er kunnen diverse zaken worden gecontroleerd en deze informatie kan dan tijdens een later ingesteld boekenonderzoek worden gebruikt. Een waarneming ter plaatse wordt meestal verricht binnen een bepaalde branche (meestal met contant geldverkeer). Via een waarneming wordt een bedrijfstak op onderdelen in beeld gebracht. Binnen de Belastingdienst zijn er regels en instructies om een waarneming ter plaatse in goede banen te leiden.

Meestal zullen de belastingambtenaren een waarneming ter plaatse aankondigen en zich op dat moment legitimeren via een pasje van de Belastingdienst of een paspoort. De betrokken ondernemer krijgt na het onderzoek een (kort) verslag en daarna een uitgebreid verslag per post. Er komen echter steeds meer waarnemingen ter plaatse voor waarbij de ondernemer niet voordien op de hoogte wordt gebracht. De belangrijkste vragen binnen onze praktijk zijn:

  • Welke bewijskracht of bewijswaarde heeft een waarneming ter plaatse?
  • Wat mag de Belastingdienst wel en niet tijdens een waarneming ter plaatse?
  • Hoe kan ik mezelf voorbereiden op een waarneming ter plaatse?

Regels voor de Belastingdienst bij een waarneming ter plaatse

De Belastingdienst heeft een aantal regels voor een waarneming ter plaatse:

  1. Schriftelijke aankondiging: het is gebruikelijk dat de ondernemer voor een WTP voordien een schriftelijke aankondiging krijgt. Meestal niet met een exacte datum / tijdstip.
  2. Legitimatie: een werknemer van de Belastingdienst moet zich legitimeren, dit moet zo discreet mogelijk.
  3. Zo min mogelijk overlast: de waarneming ter plaatse zal vaak tijdens reguliere werktijden plaatsvinden. De werknemers van de Belastingdienst mogen hierbij zo min mogelijk de reguliere werkzaamheden verstoren. Werknemers worden in principe niet aangesproken, tenzij dit echt nodig is.
  4. Vastlegging: elke waarneming ter plaatse wordt (uiteindelijk) vastgelegd in een rapport.

Bevoegdheden Belastingdienst bij waarneming ter plaatse

De Belastingdienst zal binnen haar bevoegdheden een waarneming ter plaatse uitvoeren, deze regels zijn vastgelegd in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, de AWR. Artikel 47 AWR (en verder) gaat over deze bevoegdheden. Een aantal bevoegheden zijn:

  • Toegang verlenen tot een gebouw.
  • Inlichtingen verstrekken op verzoek van een inspecteur.

Soms staat in een specifieke wet nog een extra regel opgenomen, voorbeeld hiervan is de Wet op de Loonbelasting (artikel 30: indentiteit vaststellen van een werknemer, paspoort tonen aan belastingambtenaar).

Als een ondernemer zelf niet aanwezig is, hoeft de werknemer een belastingambtenaar of inspecteur geen toegang te verlenen. Als een werknemer een belastingambtenaar vrijwillig toegang zou verlenen of de ambtenaar binnen laat, dan is de ambtenaar wel binnen en kan hij of zij aan het werk. De belastingambtenaar heeft dan namelijk toegang gekregen en hiervoor niet zijn bevoegdheden gebruikt.

Stel dat u op bezoek bent in een coffeeshop of een restaurant, dan mag een inspecteur u om een paspoort of indentificatie vragen. U kunt dit eenvoudig weigeren en doorlopen. Als u meewerkt, is dit aan u. Deze informatie mag dan wel worden gebruikt in een onderzoek.

Beginsel van behoorlijk bestuur bij WTP

Een belastingambtenaar moet zich wel netjes gedragen, behoorlijk bestuur noemen we dit. Een ondernemer die aan het werk is, moet gewoon aan het werk kunnen blijven en mag geen last hebben van een belastingambtenaar. Een ambtenaar moet dus geen overlast veroorzaken en de ondernemer onnodig lastigvallen. Dit is wel een spanningsveld omdat elk onderzoek als hinderlijk zal worden ervaren. Als een ambtenaar zich niet netjes zou gedragen, dan mag hij de informatie wel gebruiken. Het is dus van belang dat u de ambtenaar wijst op de regels van behoorlijk bestuur en hem of haar desnoods wegstuurt. Als er sprake is van een zeer onbehoorlijk handelende ambtenaar, dan kunt u klachten indienen bij de Belastingdienst of de Nationale Ombudsman, zelden wordt bewijs ter zijde gelegd.

Rechtskracht van een WTP

Bewijs dat via een waarneming ter plaatse is verkregen wordt gezien als een goed bewijsmiddel. Als een onderzoek dus niet netjes verloopt, is het belangrijk dat u de ambtenaar wegstuurt of hem hierop wijst. Laat u niet overvallen door een aantal ambtenaren en schakel eventueel een fiscaal jurist in tijdens de WTP. Als u een rapport ontvangt, is het belangrijk dat u deze controleert op juistheid en volledigheid. Als er in het rapport opmerkingen staan over ontbrekende bescheiden, waarschuwingen worden afgegeven, etc., dan moet u hierop reageren. In de praktijk zien wij vaak dat een WTP een opstapje is naar omkering van de bewijslast of een uitgebreid derdenonderzoek of boekenonderzoek.

Wat is belangrijk bij een waarneming ter plaatse?

Als u wordt geconfronteerd met een waarneming ter plaatse is het volgende van belang:

  • Sluit de WTP aan met uw eigen administratie?
  • Heeft u getuigen welke verklaringen over die dag kunnen afleggen?
  • Heeft de Belastingdienst alle WTP's gebruikt of enkel de WTP welke haar goed uitkomt?
  • Reageer op rapporten welke u van de waarneming zou ontvangen en laat dit door een deskundige fiscaal jurist beoordelen.
  • Controleer het dossier van de Belastingdienst op andere zaken (inzage in uw dossier).
  • Controleer of het verslag volledig is in haar bevinden en niet selectief zaken heeft waargenomen of heeft opgeschreven.
  • Wie heeft de waarneming verricht en hoeveel personen (en wie) waren er ter plaatse? Waren deze mensen ook betrokken bij een later onderzoek en zijn deze personen directe collega's van elkaar?

Een rechter is geheel vrij in het soort bewijs dat wordt toegelaten en de waardering welke aan het bewijs wordt toegekend. Als een belastingambtenaar niet netjes, zorgvuldig of nauwkeurig heeft gehandeld, dan moet u een rechter hierop wijzen.

Alternatieven voor waarneming ter plaatse

De Belastingdienst kan via een bedrijfsbezoek, een boekenonderzoek, een informatieverzoek of via een waarneming ter plaatse informatie over uw onderneming verkrijgen. U moet de werknemer van de Beastingdienst toegang geven tot uw gebouw, uw administratie en de opzet hiervan. Dit geldt ook als het gaat om een onderzoek voor de belastingheffing bij een ander / derde.

Bron waarneming ter plaatse

Onrechtmatige WTP aldus ombudsman (2013).

Rechtbank Den Haag 18 februari 2010, WTP is basis voor schatting omzet.

Rechtbank Breda 6 september 2012, WTP niet volledig, belanghebbende deels gelijk.

Waarneming ter plaatse [news] 2013-04-06 0000-00-00 0000-00-00 3702
2013-04-22

Rechtspraak formeel belastingrecht

In dit onderdeel worden diverse uitspraken van de Rechtbank, het Gerechtshof of de Hoge Raad behandeld en voorzien van adviezen door fiscaal juristen of belastingadviseurs.

0000-00-00 0000-00-00 3740

Boete Belastingdienst en strafrechter

Una Via zeker niet altijd

Fiscale fraude is een hot item. Dit komt met name doordat fraude steeds meer de aandacht van de overheid krijgt en hiervoor meer mensen worden ingezet. Naast de frauderende belastingplichtige krijgt ook de frauderende belastingadviseur steeds meer de aandacht. Belastingadviseurs en accountants zijn nette mensen en als deze mensen fraude plegen, moeten ze stevig worden aangepakt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de belastingadviseur van de heer Guus Hiddink. Door de vierde tranche van de Algemene Wet Bestuursrecht kunnen adviseurs ook aansprakelijk worden gesteld voor boetes van de belastingplichtige. In de praktijk gebeurt dit nog zelden. Er mag echter niet met hagel worden geschoten en zomaar voor hetzelfde feit / gedraging twee keer een boete worden opgelegd. Hoe zit dit eigenlijk?

Twee keer een boete

Het bij aanslag opleggen van een boete sluit strafrechtelijke vervolging uit en vice versa. De Belastingdienst en Justitie moeten dus een keuze maken. Deze keuzes zijn vastgelegd in de ATV Richtlijn. Vanaf zo'n € 25.000 zal het strafrecht in beeld komen, aldus de genoemde richtlijn. Vaak besluiten rechters echter om naast de strafrechtelijke boetes ook nog een fiscale boete goed te keuren.

U krijgt geen boete van de Belastingdienst (een zogenaamde bestuurlijke boete) als voor dezelfde gedraging reeds een strafrechtelijke vervolging heeft plaatsgevonden. De discussie die dan meestal gaat plaatsvinden is, of beide boetes / straffen voor hetzelfde vergrijp / gedraging zijn opgelegd. Meestal kiezen de overheidsorganen ervoor om dit net iets anders te verwoorden. Op 4 december 2012 deed het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden een uitspraak waarbij de bestuurlijke boete gewoon in stand bleef. In deze casus kreeg de DGA een strafrechtelijke geldboete van € 50.000 i.v.m. zwartgeld / onjuist doen van aangifte. Vervolgens kwamen er ook nog naheffingsaanslagen met 50% boete.

Ne bis in Idem of Una Via

De Latijnse term voor "niet twee keer voor hetzelfde"; dit is ook redelijk, zal iedereen zeggen. Dit uitgangspunt is ook neergelegd in het Europese recht (artikel 14 lid 7 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten) en ook in het Europees verdrag voor de rechten van de mens. De problemen ontstaan echter bij het begrip "hetzelfde".

Una Via beginsel in belastingrecht

De Belastingdienst legt geen boete op de belastingplichtige die voor dezelfde gedragen strafrechtelijk is vervolgd en hiervoor een geldboete heeft gekregen. Dit geldt enkel indien op het moment van de procedure de strafrechtelijke procedure is gestart en / of de boete (strafbeschikking) vaststaat (is uitgevaardigd).

De essentie is dan dus "dezelfde gedraging". Iemand die een onjuiste aangifte heeft ingediend zal dit meestal doen om minder belasting te hoeven betalen. Voor het niet tijdig of juist aangifte doen resp. belasting betalen kan door de Belastingdienst een boete worden opgelegd. Het niet tijdig betalen is echter geen strafbaar feit, dit zou ook te gek zijn.

Wil men de route van het strafrecht inslaan, dan moet er sprake zijn van het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte. Dat er alsdan ook te weinig wordt betaald is helder, dit is dan immers het gevolg. Het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte is hierbij dezelfde gedraging als het opzettelijk te weinig belasting betalen op deze aangifte.

Rechters denken hier meestal anders over, zie hiertoe ook de uitspraak welke hiervoor wordt genoemd. Rechters zien wel een samenhang tussen de aangifte en de betaling van de belasting, maar dat neemt niet weg dat dit afzonderlijke verplichtingen zijn. Als er dus niet juist aan de verplichtingen wordt voldaan, zijn dit volgens de rechters in Nederland verschillende gedragingen. Daar komt nog bij dat volgens de rechter de gedragingen moeten zien op dezelfde aangiftetijdvakken. Derhalve kan strafvervolging plaatsvinden over 2012 en een boete worden opgelegd over 2013.

Notitie fiscaal jurist

In casu lopen verschillende begrippen door elkaar. Artikel 5:44 van de Algemene Wet Bestuursrecht is helder, er komt geen bestuurlijke boete indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld. De lex speciales van de Algemene Wet Bestuursrecht, de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, gaat hierop door. Artikel 69 lid 4 van de AWR stelt feitelijk hetzelfde met verwijzing naar het Wetboek van Strafrecht. Ook in het besluit bestuurlijke boeten wordt in paragraaf 20 uitgebreid ingegaan op het Una Via beginsel. Hierin wordt ook nog gesteld dat de samenloop kan gelden voor verzuimboetes en vergrijpboetes, dit is dan weer geregeld in paragraaf 5. Onder een zelfde feit wordt het feit in materiële zin verstaan, het niet doen of opzettelijk niet doen van aangifte is materieel hetzelfde. Het niet tijdig doen en het onjuist doen van aangifte is materieel iets anders. Klinkt ingewikkeld maar het is zo.

De rechtspraak op dit gebied is niet geheel helder en het zomaar accepteren van fiscale boetes na strafvervolging moet aan de kaak worden gesteld. Dit kan ook spelen als er door de Belastingdienst een verzuimboete en een vergrijpboete worden opgelegd. Dit onderdeel wordt thans nog te weinig door belastingadviseurs gezien.

Bron

Gerechtshof Arnhem d.d. 4 december 2012

Gerechtshof Amsterdam d.d. 17 februari 2011

Kort Geding Rechtbank 's Gravenhage d.d. 15 september 2004 

Rechtbank 's Gravenhage 22 mei 2012

Gerechtshof 's Gravenhage

Fiscale en strafrechtelijke boete [news] 2013-04-23 0000-00-00 0000-00-00 3742

Inspecteur moet voortvarend zijn

Regelmatig buigen rechters zich over de vraag of een inspecteur voldoende vlot (voortvarend) is geweest bij het opleggen van een zogenaamde navorderingsaanslag bij verzwegen vermogen of zwart geld. Ruwweg kan worden gesteld dat, als een inspecteur 8 maanden niks doet, hij te laat is met het opleggen van een aanslag.

Nieuw feit nodig voor navordering

De Belastingdienst / inspecteur kan een navorderingsaanslag opleggen als hij op een nieuw feit stuit. Dit feit had hem niet bekend hoeven te zijn toen hij de oorspronkelijke aanslag had opgelegd. Dit moet in eerste instantie worden beoordeeld.

Soms heeft een inspecteur geen nieuw feit nodig om een aanslag op te leggen. Dit geldt onder meer als de belastingplichtige te kwader trouw is geweest en bewust inkomsten of vermogen niet heeft gemeld.

Termijn voor opleggen aanslagen

Er gelden gelukkig wel termijnen waarbinnen aanslagen moeten worden opgelegd. De normale termijn is 5 jaar (wordt 12 jaar), dit te rekenen vanaf het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. De periode van mogelijk uitstel wordt hierbij opgeteld.

Bij buitenlands vermogen of geld dat aldaar wordt gehouden of voordelen die in het buitenland zijn behaald heeft de inspecteur meer tijd, namelijk 12 jaar.

Op het moment dat de inspecteur de informatie in zijn bezit heeft, moet hij wel tempo maken. Als hij te lang wacht met het opleggen van een aanslag, dan is hij niet voortvarend geweest, dit heeft de Hoge Raad bepaald. Welke termijn uiteindelijk redelijk is, wordt nu door diverse rechters uitgemaakt.

Procedures voortvarendheid

  1. Rechtbank Leeuwarden d.d. 28 april 2011: Een belastingplichtige was betrokken bij iets bijzonders in Duitsland. De informatie wordt in 2002 door de Duitse Justitie ontvangen en in 2004 aan de Nederlandse autoriteiten verstrekt. De Belastingdienst legt vervolgens eind 2005 een aanslag op, dit na ruim 14 maanden. De inspecteur kon geen verklaring geven voor dit lange tijdsverloop. Ook het onderzoek van de FIOD was geen reden voor de lange termijn, aldus de rechter. De aanslagen worden vernietigd.
  2. Rechtbank Den Haag d.d. 13 juli 2011: In deze procedure was een termijn van 8 maanden aan de orde. De aanslag wordt vernietigd.
  3. Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden 4 juni 2013: In deze procedure begint een strafrechtelijk onderzoek in juli 2006 en dit onderzoek wordt een jaar later in juli 2007 afgesloten. In april 2008 worden de navorderingsaanslagen opgelegd (met toepassing van de verlengde navorderingstermijn). De inspecteur was voor juni 2007 op de hoogte van de feiten. Vanaf dat moment is geen sprake meer van tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting. De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen niet met voldoende voortvarendheid vastgesteld. Het incidentele hoger beroep van de inspecteur is ongegrond. Het Gerechtshof volgt hierbij de uitspraak van de Rechtbank.
  4. Rechtbank Zeeland - West Brabant (juni 2013): Vijf maanden stilzitten door de inspecteur (zonder reden) zorgt ervoor dat aanslagen worden vernietigd. Daarnaast krijgt belastingplichtige een immateriële schadevergoeding van ruim € 9.000 doordat de redelijke termijn is overschreden.

Noot belastingadviseur

Wij voeren regelmatig procedures over dit onderwerp, de termijn waarbinnen een aanslag moet worden opgelegd is hierbij vaak onderwerp van discussie. Wilt u een oriënterend gesprek, bel of mail ons gerust.

Voortvarendheid bij opleggen aanslagen [news] 2013-06-19 0000-00-00 0000-00-00 3780

Geen vergrijpboete door fout adviseur

Een fout in een aangifte wil nog niet automatisch zeggen dat een inspecteur zonder enige aarzeling een vergrijpboete mag of kan opleggen. Als een fout is ontstaan door een fout van uw adviseur respectievelijk door een pleitbaar standpunt, dan bestaat er geen reden om een boete aan de belastingplichtige op te leggen.

Geen vergrijpboete door fout accountant of belastingadviseur

In een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (27 oktober 2011) had een belastinginspecteur een vergrijpboete (meestal 25% of 50%) opgelegd. De inspecteur moet dan bewijzen dat er sprake is van grove schuld (dan wel opzet) van de belastingplichtige / ondernemer of aan hem te wijten. De rechter was er vlot klaar mee; als een ondernemer een deskundige heeft ingeschakeld om zijn fiscale zaken te regelen (bijvoorbeeld een BTW-aangifte), dan kan een fout van deze deskundige niet automatisch op het bordje van de belastingplichtige / ondernemer worden geschoven (worden toegerekend aan de ondernemer). De inspecteur moet dan bewijzen dat de ondernemer had moeten twijfelen aan de deskundigheid (of manier van werken) van de deskundige.

De Hoge Raad (23 september 2011) denkt hier net zo over. In een cassatieprocedure boog de Hoge Raad zich spreekwoordelijk over een ondernemer (DGA) waar een boekenonderzoek was verricht. In de loonadministratie ontbrak een aantal paspoorten (identiteitsbewijzen). De inspecteur legde een naheffingsaanslag loonheffing met vergrijpboete op. De Hoge Raad oordeelde echter dat dit niet terecht is. De DGA mocht vertrouwen op de deskundigheid van zijn adviseur. De adviseur had in het verleden nooit dergelijke fouten gemaakt dus .... hij is blijkbaar deskundig. Gevolg: boete van tafel. Artikel 67f van de AWR is duidelijk, zowel voor de DGA als voor de inspecteur, aldus de Hoge Raad

Het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden (uitspraak 25 juni 2013, publicatie 10 juli 2013) kreeg een vergelijkbare zaak voor ogen, ook hierin wordt de vergrijpboete vernietigd wegens het ontbreken van opzet of grove schuld bij het niet tijdig betalen van een BTW-aanslag. Een projectontwikkelaar verkoopt 2 kavels in 2007, de verschuldigde BTW wordt niet betaald. Bij een boekenonderzoek wordt dit ontdekt. De inspecteur legt een aanslag met boete op (uiteindelijk 50%). Tegenover de verklaring van de projectontwikkelaar heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat X zelf de aangifte heeft ingediend, zodat het Gerechtshof er vanuit gaat dat de adviseur de aangifte heeft ingediend. X wist wel dat er omzetbelasting moest worden betaald, maar ging ervan uit dat zijn adviseur dit zou regelen (een regeling om de BTW later te betalen). De projectontwikkelaar is niet echt actief geweest bij de controle van zijn adviseur, maar dit wil nog niet zeggen dat sprake is van grove schuld of (voorwaardelijke) opzet. De vergrijpboete komt te vervallen.

Geen vergrijpboete en pleitbaar standpunt

De Hoge Raad (6 maart 2012 / strafkamer) heeft een behoorlijk belangrijk arrest gewezen. Het gebruik van een pleitbaar standpunt wordt voor strafzaken ingeperkt, dit is niet zo mooi. Maar wat is een pleitbaar standpunt? Volgens de staatssecretaris van Financiën is dit ‘een opvatting over de kwalificatie van de feiten of de toepassing van het recht op de feiten die in redelijkheid verdedigbaar is.’ Als een standpunt (objectief gezien resp. na objectieve maatstaven) pleitbaar is, dan kan er geen sprake zijn van opzet of grove schuld, de centrale vraag blijft dan wel: Is uw standpunt pleitbaar?

Geen vergrijpboete door fout adviseur [news] 2013-07-18 0000-00-00 0000-00-00 3807

Belastingdienst krijgt informatie onder dwang

De Belastingdienst vraagt u om informatie (artikel 47 AWR) en u weigert elke medewerking. Er komen diverse procedures en er wordt gedreigd met een dwangsom. Wat zijn uw rechten?

Procedure Hoge Raad

Op 12 juli 2013 heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen. Het betrof een civiele zaak inzake informatieverstrekking van een belastingplichtige aan de Belastingdienst. De Hoge Raad is van mening dat de Belastingdienst een belastingplichtige mag dwingen om informatie te verstrekken over buitenlandse bankrekeningen. De informatie moet dan wel van belang zijn voor de belastingheffing. De informatie mag niet worden gebruikt voor het opleggen van een boete of een straf resp. strafvervolging.

De procedure inzake buitenlands vermogen 

De heer Jansen (fictieve naam) krijgt een vragenbrief van de Belastingdienst. In de vragenbrief wordt verzocht om informatie betreffende een stichting in Liechtenstein. De heer Jansen geeft aan dat hij zich hier weinig over kan herinneren en dat hij hierover geen informatie heeft. De inspecteur legt - ter behoud van rechten - een aanslag met 100% boete op. De heer Jansen leunt achterover en werkt niet mee. De staat der Nederlanden start een kort geding tegen de heer Jansen en eist afgifte van de informatie onder toekenning van een dwangsom. De Rechtbank en het Gerechtshof stellen de staat in het gelijk. In cassatie komt de belastingplichtige op de "proppen" met het arrest Chambaz (EHRM d.d. 5 april 2012). De Hoge Raad is van mening dat de belastingplichtige wilsafhankelijke informatie moet verstrekken. Doet hij dit niet, dan moet hij een dwangsom betalen. Bij een meningsverschil is het aan de Belastingdienst (de staat) om aannemelijk te maken dat de belastingplichtige daadwerkelijk over de informatie beschikt of kan beschikken.

Toelichting fiscaal jurist

Binnen onze wereld is er uitgekeken naar deze uitspraak. Moet een belastingplichtige onder druk van een dwangsom informatie verstrekken? De Hoge Raad stelt: Ja, mits ... Er wordt wel een voorwaarde aan gekoppeld. Het materiaal dat afhankelijk van de wil zou bestaan mag niet worden gebruikt voor een boete of strafvervolging. De Hoge Raad gaat wel eenvoudig voorbij aan het Chambaz arrest (Nemo Tentur beginsel).

Bron

Dwangsom bij niet verstrekken info [news] 2013-08-12 0000-00-00 0000-00-00 3873

Wetswijziging formeel belastingrecht

In september 2013 is een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd. De wet wordt binnenkort behandeld. De wet is met name voordelig voor de Belastingdienst, niet voor de belastingplichtige.

Wetswijzigingen op korte termijn

Navordering is het rechtsmiddel waarmee de overheid (Belastingdienst) fouten uit het verleden kan corrigeren. Navordering is aan regels gebonden en deze zijn de laatste jaren steeds meer in het voordeel van de Belastingdienst komen te liggen. Als de Belastingdienst of de belastingplichtige een fout heeft gemaakt, dan mag de Belastingdienst altijd de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting navorderen. Dit is in 2011 aangepast.

De Belastingdienst kan binnen 5 jaar (binnenlandse situaties) nog navorderen als er sprake is van een nieuw feit. De termijn voor navordering wordt beperkt tot 3 jaar na ontvangst van de aangifte (dit was 5 jaar na afloop van het belastingtijdvak). Als de belastingplichtige niet te goeder trouw is, dan wordt de termijn verlengd tot 12 jaar na ontvangst van de aangifte (dit was 5 jaar na het belastingtijdvak). Deze wetswijziging zal in 2014 ingaan (tenminste dat is de verwachting).

Tevens wordt de inkeerregeling versoepeld, dit tot en met 1 juli 2014. Voor een nadere toelichting, lees dit artikel.

Wetswijzigingen in 2016

Er komen nog een paar wetswijzigingen aan, deze zullen waarschijnlijk per 1 januari 2016 worden ingevoerd. De belangrijkste wijzigingen zijn:

  1. De Belastingdienst moet een definitieve aanslag binnen 3 maanden (en maximaal 15 maanden) opleggen. In bepaalde gevallen wordt een termijnverlenging van 6 maanden mogelijk.
  2. Zonder bezwaar te maken zal de Belastingdienst aanvullingen op de aangifte accepteren, dit kan tot 18 maanden na het doen van de aangifte.
  3. Bij computerstoringen of fouten in het systeem van de Belastingdienst kan de Belastingdienst navorderen gedurende een periode van 6 maanden.
  4. De mogelijkheid om ambtshalve verminderingen aan te vragen wordt beperkt. Dit geldt alleen nog als informatie (die een lagere belastingschuld tot gevolg heeft) niet eerst beschikbaar was of verstrekt kon worden.
  5. Er komt een regeling voor elektronische berichten vanuit de Belastingdienst.

Bron

Tweede Kamer d.d. 2 september 2013, nummer 33.714.



 

Wetswijziging formeel belastingrecht [news] 2013-09-09 0000-00-00 0000-00-00 4031

Aangifte te laat en boete

U moet uw aangifte tijdig indienen. Lukt dit niet, dan kunt u uitstel vragen. Als de aangifte te laat is ingediend, dan krijgt u eerst een herinnering en als u daar niet op zou reageren, dan krijgt u een aanmaning. In de aanmaning staat de nieuwe termijn waarbinnen u de aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting moet indienen. Als u de aangifte na die termijn zou indienen, dan krijgt u een verzuimboete, deze is fors. Doet u opzettelijk geen aangifte, dan kunt u ook nog een vergrijpboete krijgen. Dit kan ook gebeuren bij het opzettelijk onjuist of niet volledig doen van aangifte.

Regelmatig adviseren wij bedrijven, particulieren en DGA's over dit onderwerp, bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

Hoogte van de boete

De verzuimboete is voor de aangifte inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting niet gelijk.

  • Inkomstenbelasting: € 226 (tweemaal te laat € 984 en dit kan oplopen tot € 4.920).
  • Vennootschapsbelasting: € 2.460 (kan oplopen tot € 4.920).

Vereisten belastingdienst bij opleggen boete

Als de inspecteur een belastingplichtige een boete oplegt moet de inspecteur uiterlijk op het moment van bekendmaken van de de boete de reden noemen. Bij onduidelijkheid komt alleen betekenis toe aan wat er op het aangiftebiljet is vermeld. In een procedure bij het Gerechtshof Den Bosch komt een boete aan de orde i.v.m. het niet tijdig betalen van aangiftebelasting, in deze de BTW (artikel 67f AWR). Er wordt niet aan de vereisten van artikel 67f AWR voldaan, de boete wordt vernietigd. De Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:704) heeft in 2021 het oordeel van het Gerechtshof (ECLI:NL:GHSHE:2019:2155) bevestigd.

Verschil boete inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting rechtvaardig?

Volgens de rechtbank Breda (d.d. 21 december 2012) is het verschil tussen de boete voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting disproportioneel. In deze uitspraak is de boete verlaagd van € 2.460 tot € 452. In een eerdere uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch d.d. 10 mei 2012 wordt gesteld dat het verschil tussen de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting wel is toegestaan.

Lagere boete als aangifte paar dagen te laat is

De rechtbank Zeeland - West Brabant was coulant voor een belastingplichtige die iets te laat was met het indienen van de aangifte. Een B.V. moest voor 16 januari 2012 aangifte doen, de aangifte kwam uiteindelijk binnen op 31 januari 2012. De verzuimboete die is opgelegd bedroeg € 2.460 (belastingaanslag nihil). De boete wordt verminderd tot € 1.000. Bij deze procedure speelde wel mee dat de B.V. sinds jaren een nihilaangifte indiende.

Bezwaarschrift tegen boete te late aangifte

Een bezwaarschrift tegen een boete bij te late aangifte heeft vaak zin. Wij kunnen dit prima met u beoordelen en u kunt dit ook zelf voorbereiden, hierdoor zijn de kosten wellicht iets lager. Verzachten omstandigheden voor het later doen van aangifte zijn:"

  • Scheve verhouding tussen boete en feit (evenredigheidsbeginsel)
  • Staking van de onderneming / BV
  • Boete is niet vooraf aangekondigd (verdedigingsbeginsel)
  • U maakt dezelfde fout in verschillende jaren en krijgt boete voor elk jaar
  • Financiele situatie (schulden)
  • Overschrijding redelijke termijn door de Belastingdienst/ rechter
  • Geen schuld bij u
[news] 2013-09-13 0000-00-00 0000-00-00 4059

Bezwaarschrift niet ontvankelijk

Wij zijn als kantoor regelmatig betrokken bij bezwaar- en beroepsprocedures. Een succesvolle procedure tegen de Belastingdienst begint bij voldoende kennis van de materie en een bezwaarschrift dat tijdig en overeenkomstig de voorwaarden wordt ingediend, het bezwaarschrift moet derhalve ontvankelijk zijn.

De bezwaarfase

U krijgt een aanslag en u bent het hier niet mee eens. U dient een bezwaarschrift in tegen het standpunt van de belastinginspecteur. De inspecteur moet vervolgens een uitspraak doen op uw bezwaarschrift. De inspecteur heeft dan drie opties:

  1. De inspecteur komt aan uw bezwaren (geheel of gedeeltelijk) tegemoet.
  2. Uw bezwaarschrift is niet ontvankelijk.
  3. De inspecteur wijst het bezwaarschrift af.

Wat staat er in een bezwaarschrift?

In uw schriftelijke bezwaarschrift moet u tenminste de volgende onderdelen opnemen:

  1. Uw naam, adres en woonplaats.
  2. Dagtekening.
  3. Omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar zich richt (meestal nummer aanslag).
  4. Gronden van het bezwaar.
  5. Ondertekening.

Tevens kunt u verzoeken om het volgende:

  1. Dossierinzage.
  2. Kostenvergoeding.
  3. Mediation.
  4. Schriftelijke bevestiging ontvangst bezwaarschrift.

Voor een voorbeeld bezwaarschrift kunt u dit model gebruiken.

Afwijzing of niet ontvankelijk

Als de inspecteur het bezwaarschrift afwijst, heeft hij / zij het wel inhoudelijk beoordeeld, maar is van mening dat uw bezwaren (deels) geen hout snijden. De motivering is onvoldoende om de aanslag te verminderen. Na een dergelijke afwijzing kunt u in beroep.

Als een bezwaarschrift niet ontvankelijk wordt verklaard, dan is de inspecteur niet inhoudelijk op uw bezwaarschrift ingegaan. Meestal zal dit zo zijn als uw bezwaarschrift te laat is of niet aan de genoemde vormvereisten voldoet. De inspecteur kan dan soms wel besluiten om ambtshalve aan uw bezwaren tegemoet te komen. Tegen een ambtshalve beslissing kunt u niet in beroep, tegen een niet ontvankelijkheid wel. U komt dan niet in beroep tegen de beschikking, maar tegen de niet ontvankelijkheidsverklaring. Als de rechter het met u eens is, krijgt u meestal ook een beperkte onkostenvergoeding (ongeveer € 200 en restitutie van griffierechten).

Bezwaarschrift niet ontvankelijk [news] 2013-10-29 0000-00-00 0000-00-00 4134

Boekenonderzoek en artikel 47 AWR

Als de Belastingdienst een (boeken)onderzoek zou aankondigen, dan vragen ze meestal om veel informatie. Bij een belastingplichtige is meestal niet geheel duidelijk welke informatie hij nu wel en niet moet verstrekken. De vraag is ook of hij / zij alle informatie waarom wordt gevraagd ook moet geven. Centraal hierbij staan een aantal zaken:

  1. Gegevens worden door de belastingplichtige verstrekt via de door hem ingediende aangifte.
  2. Als de Belastingdienst twijfelt aan de juistheid van de verstrekte informatie, dan kan de Belastingdienst nadere informatie opvragen.
  3. De informatie welke moet worden verstrekt moet zien op het juist vaststellen van de belastingplicht, de informatie moet voor de belastingheffing van belang zijn.  
  4. Bij het opvragen van informatie is de Belastingdienst gehouden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de overheid mag haar bevoegdheden enkel gebruiken voor het doel waarvoor deze is toegekend (belastingheffing). Anders zou sprake kunnen zijn van  détournement de pouvoir (art. 3:3 Awb).

Welke informatie moet u verstrekken bij een boekenonderzoek?

Bij een boekenonderzoek vraagt de Belastingdienst erg veel informatie op. Als u het met de opgevraagde informatie niet eens bent, dan kunt u de inspecteur vragen waarom hij de informatie wil ontvangen en waarom deze informatie van belang voor uw belastingheffing, hierbij kunt u denken aan:

  • kijken of u de juiste aangifte heeft gedaan; 
  • voldoende belasting is betaald; 
  • een aftrekpost juist is opgevoerd;
  • teveel afdrachtverminderingen zijn geclaimd, etc. 

De inspecteur moet motiveren waarom hij de gevraagde informatie wil inzien of ontvangen. Er moet dan dus een directe samenhang zijn tussen de verzochte informatie en de hiermee samenhangende belastingheffing. Deze informatieverstrekking gaat in de praktijk wel ver, echter niet onbeperkt en wel met als grens "beginselen behoorlijk bestuur", "fair play" en "redelijkheid en billijkheid". Tenslotte moet er niet zoveel informatie worden opgevraagd waardoor het gaat lijken op een fishing expedition.

De informatie moet duidelijk, helder en zonder enig voorbehoud worden verstrekt, aldus artikel 49 AWR.

Wat kan de belastingplichtige ondernemen tegen artikel 47 AWR?

De inspecteur moet bewijzen dat de door hem / haar opgevraagde informatie (of raadpleging) van belang kan zijn voor de belastingheffing bij de belastingplichtige (algemene beginselen van behoorlijk bestuur). Dit zal de inspecteur niet prettig vinden.

Risico belastingplichtige bij niet voldoen aan artikel 47 AWR

Als een belastingplichtige niet voldoet aan een informatieverzoek van de Belastingdienst (de inspecteur), dan zijn er een drietal belangrijke risico's (of sancties) waarmee de belastingplichtige rekening moet houden:

  1. Opleggen verzwaarde bewijslast (na onherroepelijke informatiebeschikking) of een boete (omkering bewijslast artikel 25 e.v. AWR).
  2. Strafrechtelijke route.
  3. Privaatrechtelijke route (civiele procedure, meestal in kort geding met oplegging dwangsom), dit kan ook zonder artikel 52a route.

Als een inspecteur simpel zou stellen dat de bewijslast wordt omgekeerd omdat informatie niet is verstrekt, dan moet hij zich hiervan wel in alle redelijkheid overtuigen. Zijn beslissing moet aan een aantal voorwaarden voldoen:

  1. niet in strijd met de wet;
  2. niet in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur;
  3. geen verwijt bij de belastingplichtige waardoor informatie niet wordt verstrekt.

Informatiebeschikking brengt belastingplichtige zekerheid

Sinds 2011 kan de inspecteur een informatiebeschikking afgeven (artikel 52a AWR), een dergelijke beschikking wordt afgegeven als een belastingplichtige zou weigeren om informatie af te geven. Tegen een dergelijke beschikking kan de belastingplichtige in beroep, dit voorkomt dat er zware sancties (zie hiervoor onder ad 1-3) worden opgelegd. De omkering van de bewijslast is enkel mogelijk als de informatiebeschikking onherroepelijk is geworden.

Voordeel van deze route is ook dat de belastingplichtige gedurende de bezwaarfase in het dossier van de Belastingdienst kan kijken (artikel 7:4 AWB), dit op grond van het inzagerecht. Of alle informatie in het dossier aanwezig is, zal moeten blijken.

Bijzonder is wel dat de Belastingdienst ook een andere civiele route kan bewandelen. De Belastingdienst kan ook in kort geding naar de civiele rechter stappen en onder dwangsom de informatie opeisen (artikel 52a lid 4 AWR). Of deze route in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal van de feiten afhangen.

Tips bij boekenonderzoek

Een aantal zaken zijn bij of ter voorbereiding op een boekenonderzoek relevant. De belangrijkste aandachtspunten zijn:

  1. Bespreek met uw accountant welke informatie u moet vastleggen binnen uw organisatie. Als iets namelijk is vastgelegd mag het in beginsel niet worden verwijderd of vernietigd (voorbeeld kladbriefjes in een horeca gelegenheid, de dubbelrol in de kassa van de kapper, bestellingen op kladbriefjes, deze zaken behoren tot de administratie als ze zijn vastgelegd, anders niet)
  2. Maak een scheiding in uw dossier tussen adviezen, accountantszaken en aangifte zaken. De adviezen hoeft u niet ter inzage te verstrekken
  3. U ontvangt meestal een vragenbrief, betrek uw accountant vroegtijdig bij een boekenonderzoek
  4. Schakel voor het boekenonderzoek een specialist in (bijvoorbeeld een fiscaal jurist). Bespreek met hem de risico's etc.
  5. Ga niet alleen in gesprek met de belastingdienst en laat een specialist ook aan tafel plaatsnemen
  6. Laat u niet in de spreekwoordelijke "hoek" drukken door de controleur, vaak wordt er naar correcties gezocht die niet kunnen worden bewezen (u gaat dan zonder enige argwaan het bewijs leveren als u de kern van een vraag niet begrijpt)
  7. Bespreek met uw specialist welke informatie u wel en niet moet verstrekken
  8. Ga niet in op voorstellen om bijvoorbeeld 40% te betalen, tenzij u na overleg met een specialist tot een dergelijk besluit komt.


Zelf informatie verstrekken

Sinds 2012 is er ook nog een extra regeling in de AWR opgenomen (artikel 10a AWR). In dit artikel is een actieve informatieverplichting opgenomen voor belastingplichtigen (meestal werkgevers) als onjuistheden of onvolledigheden bij hem / haar zijn gebleken. Deze informatie moet dan direct aan de Belastingdienst worden gemeld. Vorenstaande kan voorkomen bij:

  1. gebleken zakelijk gebruik bestelauto;
  2. onjuiste aangifte erfbelasting bij buitenlandse situaties;
  3. suppletie omzetbelasting.

Informatie aan belastingdienst geven [news] 2013-11-11 0000-00-00 0000-00-00 4147

Belastingdienst en boekenonderzoek

Het boekenonderzoek is een controle van uw aangiften en administratie. Het kan gaan om een onderzoek over een periode of om controle van bepaalde onderdelen van uw aangiften en administratie. Een boekenonderzoek wordt altijd van tevoren aangekondigd, aldus de internetsite van de Belastingdienst.

Omdat wij de komende jaren meer boekenonderzoeken verwachten (waaronder deelonderzoeken over de werkkostenregeling, subsidies, afdrachtverminderingen (zoals WVA) en loonheffingen), maken wij hier inzichtelijk wat u mogelijk staat te wachten.

Regelmatig adviseren wij bedrijven, ondernemers en DGA's over dit onderwerp, bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

Administratieplicht

Het begint bij de administratieplicht. Zonder administratie valt er immers weinig te controleren. De wet is duidelijk en simpel: elke ondernemer is administratieplichtig.

Wat er dan in de administratie moet zitten en hoe die eruit ziet is veel minder duidelijk. De wet is weinig concreet:

“Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf (…)naar de eisen van dat bedrijf(…) op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen(…) hieruit duidelijk blijken.”

Een onmogelijke opdracht dus. Kern is dat er een deugdelijke en betrouwbare administratie is waaruit de (fiscale) rechten en verplichtingen eenvoudig zijn te destilleren. Hoe dat er precies uitziet is in hoge mate afhankelijk van de aard en omvang van uw onderneming.

Verplichtingen t.b.v. controle / boekenonderzoek

Ten behoeve van de controle gelden bij de administratie onder meer de volgende verplichtingen:

  • Bewaarplicht administratie (7 jaar, statuten etc. onbeperkt). Ook de onderliggende stukken dienen te worden bewaard, zelfs nadat de gegevens zijn verwerkt. Het is eventueel wel toegestaan die stukken te vervangen door een toegestane vastlegging. Bijvoorbeeld het in (beveiligd) pdf scannen van kladbriefjes.
  • Meewerkplicht. De administratie moet voor de Belastingdienst worden ontsloten en inzichtelijk gemaakt. Daaronder valt, binnen redelijke grenzen, het leesbaar maken van data voor de geautomatiseerde systemen van de Belastingdienst en het inzichtelijk maken van het systeem zelf.
  • Bij overgang op een nieuw (automatiserings)systeem moet worden geregeld dat oude gegevens beschikbaar blijven c.q. makkelijk beschikbaar kunnen worden gemaakt.
  • Ook de onderliggende stukken moeten worden verstrekt.

De administratie moet zodanig zijn ingericht, dat controle binnen redelijke termijn mogelijk is. Wat een redelijke termijn is, verschilt per onderneming en hangt onder meer af van de aard en omvang van die onderneming. Het is niet de Belastingdienst die uitmaakt wat een redelijke termijn is. Het is ook haar beleid met de redelijke belangen van de onderneming rekening te houden.

Als de zaak onder de rechter is, mag geen boekenonderzoek in die zaak meer worden verricht. De rechter kan echter wel vragen stellen of onderzoek laten verrichten. Het is dus belangrijk nauwkeurig vast te stellen waartoe het onderzoek dient. Verleen nooit medewerking of toestemming zonder eerst uw adviseur te raadplegen.

Als de controleur tijdens een boekenonderzoek bepaalde gegevens opvraagt (op grond van artikel 47 AWR) waarvan u vindt dat deze niet relevant zijn voor het lopende boekenonderzoek, kan de Belastingdienst twee dingen doen. Accepteren dat de betreffende gegevens niet relevant zijn ofwel het afgeven van een informatiebeschikking.

Informatiebeschikking

Sinds juli 2011 kan de inspecteur een informatiebeschikking afgeven (artikel 52a AWR), een dergelijke beschikking wordt afgegeven als een belastingplichtige zou weigeren om informatie af te geven. Tegen een dergelijke beschikking kan de belastingplichtige (uiteindelijk) in beroep bij de rechter.

Komt de rechter tot het oordeel dat het verzoek van de Belastingdienst rechtmatig is, dan krijgt u alsnog een bepaalde periode de mogelijkheid om de desbetreffende informatie te verstrekken. Als u dan nog niet over de brug komt met de gevraagde gegevens, kan de bewijslast worden omgekeerd. Dat is alleen mogelijk als de informatiebeschikking onherroepelijk is geworden.

Geeft de Belastingdienst, na een weigering gegevens te verstrekken, geen informatiebeschikking af, dan heeft de fiscus niet meer de mogelijkheid om de bewijslast om te keren wegens het niet verstrekken van informatie.

Sancties

Het niet of onvoldoende meewerken aan een boekenonderzoek kan dus leiden tot de zogenoemde omkering van de bewijslast door de Belastingdienst. In gevallen van omkering van de bewijslast kan de Belastingdienst bij het opleggen van de aanslag uitgaan van schattingen en aannames. Doorgaans zijn de inkomsten daarbij ruim geschat en de kosten mager gewaardeerd. Het is in de praktijk zeer lastig dergelijke aanslagen te weerleggen. Aantonen dat de aanslag te hoog is (geschat), is vrijwel ondoenlijk. Een reden temeer uw administratie door een deskundige te laten beoordelen.

Het niet voldoende meewerken kan ook strafrechtelijk worden vervolgd. De maximumstraf (2014) is 6 maanden zitten of een geldboete. Bij opzet (dan is sprake van een misdrijf!) wordt het maximaal 4 jaar zitten of een hogere geldboete dan wel – als dat meer is - eenmaal de daardoor te weinig geheven belasting (box 3: driemaal). Strafvervolging is de uitzondering. Voor dergelijke gevallen werken wij samen met een fiscaal advocaat.

Als de fiscale weg niet afdoende werkt voor de Belastingdienst, kan zij ook de gegevens vorderen via de burgerlijke rechter. Dat kan in kort geding, waarbij tevens een dwangsom kan worden opgelegd. Deze weg wordt meer en meer bewandeld door de Belastingdienst en zeker niet alleen in aansprekende fraudezaken. Ook hier kunnen wij u bijstaan.

Personeel

Niet is verboden dat de Belastingdienst vragen stelt aan personeelsleden. Met die mogelijkheid dient wel behoedzaam te worden omgegaan. In een (uitzonderlijk) geval waarin de controleurs tijdens een onaangekondigde waarneming ter plaatse vragen stelden over de omzet zonder dat er gelegenheid was de eigenaar te spreken, mocht die informatie van de Hoge Raad niet worden gebruikt. In minder extreme situaties zal dat anders zijn. Zorg dus voor duidelijke instructies.

Digitale administratie

De eis dat een administratie binnen redelijke termijn moet kunnen worden gecontroleerd kan betekenen dat die administratie digitaal dient te worden gevoerd. Dat is naar onze mening een te vergaande eis die de Belastingdienst alleen in bijzondere gevallen kan stellen. De Belastingdienst is gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dient daarbij uitdrukkelijk rekening te houden met de belangen van de onderneming. Het gemak en de tijdwinst voor de Belastingdienst dienen te worden afgezet tegen de kosten en moeite die daar tegenover staan bij de onderneming. Ook in deze tijd zijn er tal van ondernemingen die zich niet lenen voor (volledige) digitalisering.

Met betrekking tot het verstrekken van digitale bestanden zijn wij van mening dat de Belastingdienst niet zomaar ‘alles’ mag opvragen. Naar onze mening dient de Belastingdienst aan te geven welke bestanden zij met welk doel wenst te ontvangen. In niet-fiscale (toezichts)jurisprudentie is wel toegestaan dat een integrale kopie (forensic image) wordt gemaakt. Die kopie kan ook vernietigde bestanden bevatten die kunnen worden ‘teruggehaald’ en bestanden die onder het verschoningsrecht vallen (vb. adviezen). In die uitzonderingssituatie wordt wel toegestaan dat een adviseur van de onderneming bij het onderzoek aanwezig is en dat wordt aangegeven welke software en zoektermen worden gebruikt. Een dergelijke aanpak voert in fiscale zaken naar onze mening veel te ver. Maak dus duidelijke afspraken welke gegevens met welk doel worden verstrekt. Biedt desnoods ter plekke de gelegenheid het onderzoek uit te voeren, onder toeziend oog van de adviseur.

Deelonderzoeken

In toenemende mate legt de Belastingdienst zich toe op zogenoemde deelonderzoeken. Slechts een bepaald aspect van de belastingheffing wordt dan (grondig) onderzocht.

Nog meer dan bij algemene boekenonderzoeken is van belang dat vastgesteld wordt wat het doel van het onderzoek is en welke gegevens met welk doel worden verstrekt.

Vanwege het bijzondere karakter van veel regelingen (vb. de milieu-investeringsaftrek, de afdrachtvermindering en allerlei subsidies) kennen we speciale aanvullende eisen voor een fiscale tegemoetkoming. Daarbij dient u ervoor zorg te dragen dat u aan alle gestelde eisen voldoet en dat dit gedocumenteerd vastligt. Controleer dit! Beloftes en toezeggingen zijn mooi; bewijs op papier beter.

Zorg dus dat de boel op orde is. Het is niet voor het laatst dat na een deelonderzoek besloten wordt ‘door te pakken’ naar een meeromvattend boekenonderzoek. Wees dus voorbereid en schakel een adviseur in.

Na het boekenonderzoek

Als het boekenonderzoek onverhoopt al heeft plaatsgevonden, krijgt u een controlerapport. Als u het er niet mee eens bent, helpen wij u graag de schade te beperken. Beter nog kunt u ons inschakelen voor of tijdens het boekenonderzoek.

Vragen over boekenonderzoek Belastingdienst

Neemt u gerust contact op met onderstaande adviseurs voor een vrijblijvend oriënterend gesprek.

Boekenonderzoek belastingdienst [news] 2013-11-14 0000-00-00 0000-00-00 4150

Waarneming ter plaatse

Waarnemingen ter plaatse (artikel 50 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen) zijn er in soorten en maten. Individueel, collectief, spontaan en de zichtwaarneming. Daarbij combineert de Belastingdienst doorgaans diverse haar toekomende bevoegdheden (vb. verlenen toegang tot onderneming, inzage en inzicht in de boeken, identificatieplicht).

Het verrassingseffect van de waarneming ter plaatse is belangrijk voor de Belastingdienst. De ondernemer hoeft niet over de precieze datum en tijd te worden geïnformeerd van de waarneming. Doorgaans zullen datum en tijd wel concreet worden doorgegeven (aan de adviseur). Voor het geval dat niet gebeurt, heeft de ondernemer het recht zich te laten bijstaan door een adviseur. Hij moet dat wel kenbaar maken aan de Belastingdienst. Zonder die bijstand mag het onderzoek niet doorgaan.

De wet geeft geen definitie van de waarneming ter plaatse. In de praktijk komt het erop neer dat de Belastingdienst zelf ter plekke de bedrijfshandelingen van de onderneming waarneemt. Het doel is het op gestructureerde wijze vastleggen van die activiteiten. De aldus gevonden gegevens worden (als norm) gebruikt bij lopende of toekomstige (boeken)onderzoeken.

Toelaten verplicht

U bent verplicht de Belastingdienst tot het pand en het terrein van de onderneming toe te laten. Dat betekent overigens niet dat de Belastingdienst zich zelfstandig toegang mag verschaffen. Mogelijk kan de Belastingdienst zich via een civiele procedure (bij de burgerlijke rechter) wel toegang verschaffen, maar dan is het verrassingseffect weg.

Het niet toelaten kan leiden tot een boete van maximaal € 4.920. Het kan echter niet leiden tot de zogenoemde omkering van de bewijslast. Doorgaans is echter sprake van een combinatie met een (schriftelijk) inlichtingenverzoek (47 AWR). Het daaraan geen gevolg geven kan wel leiden tot omkering van de bewijslast (en gevangenisstraf / boete).

Het is beleid dat de waarneming wordt aangekondigd, hoewel er dan nog geruime tijd overheen kan gaan voordat de Belastingdienst echt op de stoep staat. Overigens zijn wij van mening dat toelaten van de inspecteur tot het gebouw, na legitimatie, alleen kan geschieden door de ondernemer c.q. eigenaar / gebruiker van het pand en niet door een (willekeurig) personeelslid of toevallig aanwezige derde (vb. boekouder of adviseur).

Behoorlijkheid

De Belastingdienst dient zich steeds aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te houden.

Als de zaak onder de rechter is, brengt de goede procesorde mee dat geen waarneming ter zake wordt verricht (in die zaak). Als u echter toch vrijwillig meewerkt, zijn de bevindingen van die waarneming toch te gebruiken in de lopende zaak. Het is dus belangrijk nauwkeurig vast te stellen waartoe de (aangekondigde) waarneming dient. Verleen nooit medewerking of toestemming zonder eerst uw adviseur te raadplegen.

De controleurs mogen zich niet ongevraagd wenden tot de personeelsleden (anders dan ter identificatie). Maak binnen de onderneming duidelijk wie de controleurs te woord staat en beperk het ook tot die persoon en communiceer dat ook duidelijk naar de Belastingdienst.

Bij de waarneming mogen de controleurs de personeelsleden tellen en identificeren, de voorraad vaststellen, de kas tellen en controleren met de administratie en de aanwezigheid van andere activa vaststellen. Ze mogen niet (archief)kasten openen en onderzoeken.

Naar onze mening is het niet toegestaan dat een waarneming ter plaatse ontaardt in een niet aangekondigd boekenonderzoek, zonder de nodige voorbereiding en zonder bijstand van de adviseur. Dat is in strijd met de aard van de waarneming ter plaatse.

Zichtwaarneming

De zogenoemde zichtwaarneming is een bijzondere variant. Daarbij wordt doorgaans van buiten de onderneming vastgesteld wat er gebeurt (bijvoorbeeld klantenbewegingen, goederenbewegingen, reclame etc.). Deze methode van onderzoek is niet in de wet geregeld. Dat neemt niet weg dat de methode per definitie niet is toegestaan. De Belastingdienst mag zich wat dit betreft gedragen als een ‘normale burger’ die in het dagelijks verkeer bepaalde zaken waarneemt. Het mag echter niet ontaarden in een stelselmatige observatie van de onderneming. Ook mag er geen bewijs worden gecreëerd. Naar onze mening mag een inspecteur bijvoorbeeld niet anoniem in een winkel een incourant artikel kopen om vervolgens enige tijd later te controleren of die verkoop in de boeken is verwerkt.

Wat te doen bij een waarneming ter plaatse

  • Zorg dat de zaken op orde zijn. Zoals kas(boek), kopie identiteitsbewijzen.
  • Wees voorbereid: zorg dat iedereen weet wat te doen: vooral zwijgen.
  • Stel vast wie de controleurs zijn en wat ze komen doen. Wijs de controleurs de deur als de bedrijfsvoering op dat moment bezoek niet toestaat.
  • Maak duidelijk wie de controleurs te woord staat en leg geen verklaringen af. Neem direct contact met uw adviseur of bel ons.
  • Verleen geen toegang tot archiefkasten.
  • Laat de controleur zelf geen kopieën maken, maar verleen hem die service. Dan kunt u meteen controleren of hij die gegevens mag hebben.

Vragen over waarneming ter plaatse

Als u vragen of opmerkingen heeft, kunt u contact opnemen met onderstaande specialisten, zij helpen u graag verder.



 
Waarneming ter plaatse [news] 2013-11-14 0000-00-00 0000-00-00 4151

Procederen tegen de Belastingdienst

Het innemen en intrekken van standpunten

Regelmatig worden wij ingeschakeld voor de begeleiding van een fiscale procedure. Dat kan al voordat er sprake is van een procedure, maar ook als de procedure al loopt en (nog) niet het gewenst resultaat oplevert.

Fiscaal procederen is vakwerk en maatwerk. Een belangrijk onderdeel is het innemen van de juiste standpunten. Dit artikel ziet daarop.

Het innemen van stellingen

Het fiscale procesrecht is redelijk informeel in vergelijking tot het overige bestuursrecht.

In elk stadium van de procedure kunnen nieuwe standpunten worden ingenomen, of dat nu in bezwaar, beroep of hoger beroep is. Pas in cassatie is die mogelijkheid beperkter.

In het fiscale procesrecht is het dus uitdrukkelijk niet zo dat alle standpunten in één keer en reeds vanaf de eerste fase (bezwaar) moeten worden ingenomen. Ook is het mogelijk dat een standpunt dat in bezwaar is afgewezen en in beroep niet aan de orde is gesteld, in hoger beroep weer aan de orde wordt gesteld.

Het intrekken van standpunten

In de praktijk komt het regelmatig voor dat in een procedure een groot aantal standpunten wordt ingenomen. Dan kan er aan de zijde van de Belastingdienst, maar ook aan de zijde van de rechter, de volgende gedachte ontstaan: Veel van die standpunten leiden tot niets, het zou efficiënt zijn en kosten besparen als die worden ingetrokken. Soms wordt daartoe ook nog de nodige druk uitgeoefend. Vaak worden dan (een aantal) standpunten ingetrokken.

Wat zijn de gevolgen van het intrekken van standpunten?

Over de gevolgen van het intrekken van een standpunt (grief) is de Hoge Raad duidelijk. Als hoofdregel heeft te gelden dat een ingetrokken grief niet wederom in dezelfde instantie of in hogere instantie als nieuw geschilpunt in de rechtsstrijd kan worden toegelaten.

Einde oefening zou je dus denken. Recent heeft de Hoge Raad dit enigszins genuanceerd. Wanneer de wederpartij (Belastingdienst) de rechter uitdrukkelijk en ondubbelzinnig te kennen geeft ermee in te stemmen dat de grief wordt toegelaten, kan de rechter die grief alsnog behandelen. Het (opnieuw ingenomen) standpunt mag dan niet zodanig zijn dat daarmee de goede procesorde geschaad wordt. Dus standpunten die een (zeer) omvangrijk onderzoek vragen worden sowieso niet toegestaan.

Een eenmaal ingetrokken standpunt kan dus alleen opnieuw aan de orde komen als de Belastingdienst daarmee instemt. Bijna onnodig op te merken dat het niet verstandig is afhankelijk te zijn van de Belastingdienst.

De geclaimde efficiency is een non-argument. De Belastingdienst en de rechter zijn zeer bekwaam in het afserveren (‘wegschrijven’) van onzin-standpunten. Het overtuigen tot intrekken kost doorgaans meer tijd.

Conclusie fiscaal jurist bij second opinion

Ondanks dat het fiscale procesrecht tamelijk informeel is, zijn er toch de nodige haken en ogen. Laat u dus altijd bijstaan door een specialist.

En voor het intrekken van eenmaal ingenomen standpunten: niet doen ...... nooit!

Bron

Hoge Raad 4 oktober 2013.

Procederen tegen de belastingdienst [news] 2013-11-14 0000-00-00 0000-00-00 4152

Rechten Belastingdienst boekenonderzoek

Door een uitspraak van de rechter worden de rechten van de Belastingdienst bij een boekenonderzoek wellicht beperkt. In dit artikel een nadere toelichting. In dit artikel behandelen wij de procedure bij de Rechtbank (gunstig voor belastingplichtige) en het Gerechtshof (gunstig voor de Belastingdienst) inzake informatie van een parkeer-app. Zoals uit onderstaande uitspraak volgt, heeft de Belastingdienst verregaande bevoegdheden om informatie op te vragen.

Rechten belastingdienst bij boekenonderzoek

Het boekenonderzoek is een controle van uw aangiften en administratie. Het kan gaan om een onderzoek over een periode of om controle van bepaalde onderdelen van uw aangiften en administratie. Een boekenonderzoek wordt altijd van tevoren aangekondigd, aldus de internetsite van de Belastingdienst. Omdat wij de komende jaren meer boekenonderzoeken verwachten (waaronder deelonderzoeken over de werkkostenregeling, subsidies, afdrachtverminderingen (zoals WVA) en loonheffingen), maken wij hier inzichtelijk wat u mogelijk staat te wachten.

De bevoegheden van de Belastingdienst bij een onderzoek gaan redelijk ver. Het is echter wel van belang dat de Belastingdienst zich aan spelregels heeft gehouden.

Rechtbank uitspraak omtrent verstrekken informatie aan Belastingdienst

De Rechtbank Oost-Brabant in Den Bosch heeft een redelijk opmerkelijke uitspraak gedaan. Het bedrijf SMS Parking hoeft geen parkeergegevens van klanten aan de Belastingdienst te verstrekken. De Belastingdienst wilde deze informatie ontvangen om te kunnen kijken waar een automobilist zijn auto heeft geparkeerd (reden waarschijnlijk: controleren kilometeradministratie). Volgens de rechter vormt dit een te grote inbreuk op de privacy van de burger.

De rechter is vlot en helder. De Belastingdienst schendt de privacy van burgers door klakkeloos extreem grote hoeveelheden op te eisen om te kijken of er toevallig ook bruikbare informatie tussen zou kunnen zitten. In dit kader ging het om ruim 2 miljoen parkeertransacties welke in 2012 zijn verwerkt. De Belastingdienst wilde op basis van deze kentekengegevens kijken of belastingplichtigen wellicht het privégebruik met de auto van de zaak hebben verzwegen. De informatie van SMS Parking wordt dan dus vergeleken met de kilometeradministratie van de belastingplichtige.

Deze uitspraak is volgens ons de eerste heldere uitspraak over een zogenaamde phishing expedition. Het verzoek van de Belastingdienst is zo omvangrijk, dat dit niet valt te combineren met een regulier boekenonderzoek en / of verzoek bij derden om informatie te verstrekken. In 1974 deed de Hoge Raad een uitspraak in cassatie waarbij is aangegeven dat de Belastingdienst vrijwel alles mag vragen, deze tijd is echter anders dan de situatie in 2013. We hebben nu privacywetgeving en Europees recht.

De Belastingdienst moet bij het opvragen van informatie rekening houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een onderdeel hiervan is het beginsel van proportionaliteit. De grens welke hierbij kan gelden heeft de rechter nog niet strak omschreven, maar dit zal de Hoge Raad waarschijnlijk wel gaan doen in 2014. De Belastingdienst heeft al aangekondigd om in hoger beroep te gaan, gezien het belang is dit logisch.

Gerechtshof inzake rechten belastingplichtige

De Belastingdienst is in hoger beroep gegaan inzake hiervoor genoemde uitspraak. Het bedrijf SMS Parking wordt door het Gerechtshof in het ongelijk gesteld en moet de informatie aan de Belastingdienst verstrekken. De belangrijkste reden is dat de kentekeninformatie niet direct naar een persoon herleidt.

Rechten Belastingdienst bij informatieverzoek

De rechten van de Belastingdienst op grond van de wet (met name artikel 47 en 53 AWR) zijn ruim geformuleerd. Meestal zal een informatieverzoek ook onder een dergelijke bepaling ressorteren. Vaak zal de informatie ook voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. Als u veel informatie heeft verzameld, zit er altijd wel iets bij waar u iets mee kunt, is dan de stelling. Het kan echter wel zo zijn dat de Belastingdienst door het verzoek het subsidiariteitsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel schendt. In dit kader kan worden verwezen naar artikel 8 EVRM (recht op bescherming voor zijn privéleven) en de relevante privacywetgeving.

Bij het opvragen van informatie behoeft het niet vooraf vast te staan dat deze informatie relevant is (Hoge Raad, 22 september 2006). Het gaat immers om inlichtingen, boeken en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing ten aanzien van een belastingplichtige / derde.

Het kan echter wel zijn dat sprake is van zekere mate van overkill (proportioneel) of dat sprake is van een strijdigheid met een ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur of Europese Wetgeving. Dit komt thans eindelijk eens aan de orde. Iedereen moet gewoon zijn of haar auto kunnen parkeren zonder dat de overheid deze informatie zomaar krijgt.

De Belastingdienst vraagt een grote bak informatie op en kijkt vervolgens of er nog "hits" zijn. Als dit zonder beperking ongeclausuleerd mogelijk zou zijn, worden de rechten van de Belastingdienst wel erg ver opgerekt. De Belastingdienst kan dit redelijk eenvoudig oplossen door informatie gericht op te vragen met een bepaald doel (Rechtbank Amsterdam d.d. 8 november 2011), dus niet vissen in open zee maar op een gerichte en goede visplek !

In de onderhavige casus mocht de Belastingdienst ook nog ruim € 1.300 aan kosten voor de parkeerorganisatie vergoeden. We wachten het Hoge Beroep maar eens af !

Gevolgen voor de parkeerpraktijk

Een aantal organisaties heeft hun informatie al aan de Belastingdienst verstrekt, door de uitspraak in Hoger Beroep zal de Belastingdienst bij alle organisaties die informatie van auto's vastleggen informatie gaan opvragen. Dergelijke organisaties zullen de informatie korter gaan bewaren, dit om toekomstige problemen te voorkomen.

Update 29 april 2015: parkeergegevens blijven voortaan geheim

De algemeen directeur van de Belastingdienst, de heer Blokpoel, is tot het inzicht gekomen dat het gebruik van parkeergegevens te ver gaat wat betreft de privacy van belastingplichtigen. Ook al mag het volgens de rechter dus wel, de Belastingdienst zal parkeergegevens niet langer opvragen voor het controleren van rittenadministraties. Reeds verzamelde informatie is intussen door de Belastingdienst vernietigd.

Bron informatie boekenonderzoek

Toelichting Rechtbank Oost-Brabant (Den Bosch) d.d. 26 november 2013.

Uitspraak Rechtbank Oost-Brabant d.d. 26 november 2013.

Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 19 augustus 2014.

[news] 2013-11-27 0000-00-00 0000-00-00 4155

Meer boekenonderzoeken fiscus

De Belastingdienst zal in 2021 en daarna meer boekenonderzoeken uitvoeren. De corona maatregelen worden minder en vanaf juni 2021 worden de onderzoeken weer actief opgestart. De meeste boekenonderzoeken hebben betrekking op:

  • loonbelasting / werkkostenregeling;
  • privé opnamen eigenaar;
  • rekening-courant aandeelhouder met B.V.;
  • auto van de zaak (bijtelling);
  • buitenlandse bankrekeningen.

Belangrijkste advies "laat u tijdig adviseren door een deskundige".

Boekenonderzoeken Belastingdienst

Het aantal boekenonderzoeken van de Belastingdienst is in 2019 met ongeveer 20% toegenomen, dit blijkt uit de rapportage van de Belastingdienst. In 2020 waren de onderzoeken beperkt, door coronaperikelen. Ook in onze praktijk zien we een substantiële stijging van het aantal onderzoeken. Er is structureel ruim € 150 miljoen vrijgemaakt en in 2021 worden er ruim 1.000 mensen vrijgemaakt om dit verder te intensiveren.

Verplichtingen t.b.v. controle / boekenonderzoek

Ten behoeve van de controle gelden bij de administratie onder meer de volgende verplichtingen:

  • Bewaarplicht administratie (7 jaar, statuten etc. onbeperkt). Ook de onderliggende stukken dienen te worden bewaard, zelfs nadat de gegevens zijn verwerkt. Het is eventueel wel toegestaan die stukken te vervangen door een toegestane vastlegging. Bijvoorbeeld het in (beveiligd) pdf scannen van kladbriefjes.
  • Meewerkplicht. De administratie moet voor de Belastingdienst worden ontsloten en inzichtelijk gemaakt. Daaronder valt, binnen redelijke grenzen, het leesbaar maken van data voor de geautomatiseerde systemen van de Belastingdienst en het inzichtelijk maken van het systeem zelf.
  • Bij overgang op een nieuw (automatiserings)systeem moet worden geregeld dat oude gegevens beschikbaar blijven c.q. makkelijk beschikbaar kunnen worden gemaakt.
  • Ook de onderliggende stukken moeten worden verstrekt.

De administratie moet zodanig zijn ingericht, dat controle binnen redelijke termijn mogelijk is. Wat een redelijke termijn is, verschilt per onderneming en hangt onder meer af van de aard en omvang van die onderneming. Het is niet de Belastingdienst die uitmaakt wat een redelijke termijn is. Het is ook haar beleid met de redelijke belangen van de onderneming rekening te houden.

Als de zaak onder de rechter is, mag geen boekenonderzoek in die zaak meer worden verricht. De rechter kan echter wel vragen stellen of onderzoek laten verrichten. Het is dus belangrijk nauwkeurig vast te stellen waartoe het onderzoek dient. Verleen nooit medewerking of toestemming zonder eerst uw adviseur te raadplegen.

Als de controleur tijdens een boekenonderzoek bepaalde gegevens opvraagt (op grond van artikel 47 AWR) waarvan u vindt dat deze niet relevant zijn voor het lopende boekenonderzoek, kan de Belastingdienst twee dingen doen. Accepteren dat de betreffende gegevens niet relevant zijn ofwel het afgeven van een informatiebeschikking.

Begeleiding boekenonderzoek

Als u wordt lastig gevallen met een boekenonderzoek, is het verstandig om u in een vroegtijdig stadium (dus voor het eerste gesprek) te laten adviseren door een fiscaal jurist, hij kan u helpen bij de voorbereiding en tevens mogelijke "fouten" herstellen. Tevens kan hij u aangeven wat u wel en vooral niet moet doen. Bel of mail gerust met één van onze collega's.

[news] 2013-12-17 0000-00-00 0000-00-00 4171

Gevangenisstraf bij niet of te laat belasting betalen

Een ondernemer die opzettelijk niet tijdig de BTW zou betalen is strafbaar, sinds 2014 is dit nieuwe wetgeving.  Dit wil zeggen dat, als u tijdig uw aangifte omzetbelasting of loonheffing indient en het verschuldigde bedrag opzettelijk niet (of gedeeltelijk niet) betaalt (of te laat betaalt), u een geldboete, taakstraf kunt krijgen en ook een gevangenisstraf. De eerste procedures hierover zien wij sinds 2016.

Regelmatig adviseren wij bedrijven, ondernemers en DGA's over dit onderwerp, soms in samenspraak met een advocaat. Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen.

Oude wetgeving (tot 2014)

Het opzettelijk niet, onjuist of onvolledig doen van aangifte (of niet op tijd doen van aangifte) was een strafbaar feit. De straf voor het niet doen van aangifte was maximaal 4 jaar gevangenisstraf en / of een forse geldboete (maximaal belastingbedrag). Het onjuist of onvolledig indienen van een aangifte wordt de ondernemer (of particulieren) zwaarder aangerekend, gevangenisstraf maximaal 6 jaar (en / of geldboete vijfde categorie met maximum van het belastingbedrag). Er stond geen gevangenisstraf op latere betalingen.

De nieuwe wetgeving (sinds 2014)

Het kabinet vindt fraude ontoelaatbaar. Fraude vindt plaats door bijvoorbeeld belastingen te ontduiken, denk hierbij aan een BTW-carrousel of het frauderen met toeslagen. Sinds 2014 zijn er nieuwe maatregelen en wetten om de fraude in Nederland beter aan te pakken. Deze nieuwe wetgeving slaat volledig door en kan voor u verregaande gevolgen hebben.

Opmerkelijk is dat er sinds 2014 een gevangenisstraf staat op het opzettelijk te laat betalen van aangiftebelastingen. De gevangenisstraf is maximaal 4 jaar. Daarnaast kan het ook nog zo zijn dat de rechter u enkele jaren uit uw beroep zet.

Nihil-aangifte gevaarlijk

Als een nihil-aangifte wordt ingediend en deze later alsnog wordt gecorrigeerd, dan is er sprake van een (alsnog) juist ingediende aangifte, edoch wel van een te late betaling. Hiermee is sprake van een strafbaar feit of misdrijf.

BTW te laat betalen (bewust of onbewust?)

Elke ondernemer moet op tijd aangifte doen en tevens tijdig het aangegeven bedrag betalen. Sinds 2014 is dit nog meer van belang. Het bewust niet of deels te laat betalen is sinds 2014 strafbaar en kan ervoor zorgen dat de ondernemer in de gevangenis terechtkomt. Tot 2013 was dit ook al zo, echter dit was enkel strafbaar bij het niet, onjuist of onvolledig doen van aangifte. Deed u daarna alsnog juist aangifte, dan was er niks aan de hand. Het niet of te laat betalen van de BTW was niet strafbaar. Sinds 2014 is de wetgeving dus uitgebreider en strakker. Het simpelweg niet tijdig betalen van de BTW-aangifte is strafbaar. Gevolg: een gevangenisstraf of geldboete.

Gevolgen nieuwe wetgeving (gevangenisstraf of geldboete)

Het indienen van een nihil-aangifte en deze nadien corrigeren kan dus grote gevolgen hebben. Ook het te laat betalen van de ingediende BTW-aangifte kan tot gevolg hebben dat de ondernemer wordt opgesloten.

Betalingsproblemen

Als een ondernemer om uitstel van betaling vraagt, is er geen sprake van een strafbaar feit.

Gevangenisstraf bij niet betalen BTW [news] 2014-01-28 0000-00-00 0000-00-00 4199

Meer boekenonderzoeken Belastingdienst

Meer boekenonderzoeken vanaf 2021

De Belastingdienst zal in de komende jaren (2021 en daarna) meer boekenonderzoeken uitvoeren. De Belastingdienst heeft hiervoor nieuwe werknemers in dienstbetrekking genomen. De belangrijkste onderzoeken hebben betrekking op:

  • loonbelasting;
  • werkkostenregeling;
  • suppletie omzetbelasting;
  • rekening-courant DGA;
  • privé-opnamen en privé- / zakelijke kosten;
  • bijtelling auto van de zaak;
  • buitenlandse bankrekeningen;
  • BTW-perikelen (vrijstelling of niet).

Waarom boekenonderzoek Belastingdienst?

Vroeger was de stelregel dat u eens per 5 jaar een boekenonderzoek zou krijgen. Veel ondernemers weten dat dit niet is gelukt, het overgrote deel van ons klantenbestand heeft de laatste 10 jaar geen bezoek van de Belastingdienst gehad. Vroeger werden bedrijven willekeurig uitgekozen. Tegenwoordig is dit niet (meer) zo, de Belastingdienst stelt een onderzoek om de volgende redenen:

  • een tip of melding via de kliklijn (van derde, werknemer, bank, etc.);
  • een artikel in de krant
  • een branche (gerichte onderzoeken binnen een sector / branche);
  • een speciaal onderwerp (zoals de WVA, auto van de zaak, buitenlandse bankrekening, etc.);
  • digitale (aangifte-)informatie (zoals de rekening-courantschuld van de DGA, sterk wisselende winsten, etc.).

Rechten en plichten bij een boekenonderzoek van de Belastingdienst

Veel ondernemers zijn niet op de hoogte van hun rechten en plichten tijdens een boekenonderzoek. Simpelweg komt het erop neer dat de Belastingdienst vrij veel rechten heeft. Dit moet ook, maar niet onbeperkt. Voor een controle gelden een paar beperkingen:

  • informatie waarom wordt gevraagd moet fiscaal relevant zijn;
  • de controleur moet zich netjes gedragen;
  • de controleur moet de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen;
  • fiscale adviezen, medische informatie en privézaken hoeft u niet te verstrekken.

Aandachtspunten voor een boekenonderzoek

Het belangrijkste bij een (aankondiging tot) boekenonderzoek is dat u dit onderzoek serieus neemt. Laat u voor en tijdens het boekenonderzoek adviseren en bijstaan door een specialist. Ik adviseer maandelijks ondernemers bij een boekenonderzoek en ik merk dat het verstandig is dat de ondernemer zelf de regie neemt en met zijn fiscaal jurist zorgt voor een redelijk kader voor een boekenonderzoek.

[news] 2014-02-24 0000-00-00 0000-00-00 4224

Faillissement B.V. en belastingen

De laatste tijd adviseren wij regelmatig DGA's waarvan een B.V. of de gehele structuur dreigt "om te vallen". Een faillissement van een B.V. vraagt aandacht, tijdig voorsorteren en deskundige begeleiding. De fiscale gevolgen worden vaak niet voldoende in de gaten gehouden. 

Regelmatig adviseren wij DGA's en bedrijven  over nieuwe mogelijkheden en structuren en bij mogelijkheden om een faillissement te voorkomen en / of de schade voor de bestuurder en / of het bedrijf te beperken. Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

Een faillissement van de B.V.

Een DGA heeft een holdingstructuur en de werkmaatschappij gaat failliet. De schulden kunnen niet meer worden betaald en een schuldeiser vraag het faillissement van de werkmaatschappij aan bij de Rechtbank. Soms vraagt de DGA zelf het faillissement aan, voor de gevolgen maakt dit niet uit. Eventueel kan de DGA een doorstart overwegen, edoch dit is altijd onzeker (curator en rechter-commissaris moeten hier immers mee instemmen).

Bij een faillissement van een B.V. gaat de DGA (in privé) niet failliet. In een aantal situaties loopt de DGA echter wel een risico. De belangrijkste risico's zijn:

  1. Aansprakelijkheidsstelling door de curator (of schuldeisers) (bijvoorbeeld door niet voldaan aan stortingsplicht of onbehoorlijk bestuur).
  2. Aansprakelijkheid voor belastingschulden.
  3. Rekening-courantvorderingen van de werkmaatschappij / holding op de DGA.
  4. Borgstelling bij de bancaire instelling.

Als de werkmaatschappij failliet gaat, zal de Rechtbank een curator in de buurt aanwijzen. Deze curator zal zich meestal nog dezelfde dag melden bij de DGA. De DGA krijgt een lijst met vragen en moet deze binnen een paar dagen beantwoorden. De curator zit er primair voor de schuldeisers. Zorg ervoor dat u de administratie (voor het faillissement) op orde heeft.

Aansprakelijkheid DGA bij faillissement

Een DGA / bestuurder kan aansprakelijk worden gesteld door de curator. Er moet dan sprake zijn van een (kennelijk) gebrekkige of onbehoorlijke taakvervulling. Voorbeelden hiervan zijn:

  1. Administratie is niet op orde.
  2. Verwijtbaar gedrag bij de bestuurder (slecht ondernemen / beslissingen nemen).
  3. Betalingsonmacht is niet tijdig gemeld bij de Belastingdienst.
  4. Er zijn - in het zicht van het faillissement - transacties verricht die schuldeisers hebben benadeeld (pauliana).
  5. De publicatiestukken zijn te laat ingediend bij het handelsregister.

Faillissement en vennootschapsbelasting

  • Liquidatieverlies: Bij de liquidatie van een deelneming (minimaal 5% belang) kunt u een liquidatieverlies nemen in de holding. Als de liquidatie-uitkering lager is dan hetgeen u voor de deelneming heeft opgeofferd (betaald), dan is dit verlies aftrekbaar in de holding (als liquidatieverlies). Het verlies is aftrekbaar als de vereffening van de liquidatie is voltooid. Als een faillissementsafwikkeling lang duurt, dan kan ook pas later het liquidatieverlies worden genomen. Het feit dat de curator zou stellen dat alle betrokken schuldeisers niets zullen ontvangen bij liquidatie maakt dit niet anders, derhalve eerst vereffenen en dan liquidatieverlies nemen.
  • Fiscale eenheid vennootschapbelasting: Als de holding en de werkmaatschappij zijn ondergebracht in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (holding heeft minimaal 95% van de aandelen in de werkmaatschappij en er is een verzoek tot fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting ingediend bij de Belastingdienst, waarbij er een beschikking is afgegeven), kan er een probleem ontstaan. Voor de Belastingdienst is er sprake van één belastingplichtige. Voordeel van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting is dat er 1 aangifte vennootschapsbelasting wordt ingediend en dat onderlinge resultaten (holding en werkmaatschappij) met elkaar mogen worden verrekend. Als de werkmaatschappij failliet gaat (en uiteindelijk wordt ontbonden), kan er fiscale winst ontstaan omdat bepaalde schulden niet hoeven te worden betaald resp. kunnen worden betaald (of worden kwijtgescholden). De bate / winst wordt belast bij de holding. Een ontvoeging in het zicht van liquidatie of een faillissement zal in de praktijk zelden werken (anti-misbruikbepaling in de Wet op de Vennootschapsbelasting).

Faillissement en omzetbelasting

Veel structuren met een holding en werkmaatschappij vormen een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Hiervan is sprake als de holding en de werkmaatschappij een financiële, organisatorische en economische eenheid vormen. Voordeel is dat over onderlinge diensten (zoals management fee) geen omzetbelasting (hierna BTW) in rekening hoeft te worden gebracht. Tevens doen beide B.V.'s maar 1 keer aangifte voor de omzetbelasting. Eenvoud is derhalve het grootste voordeel.

Het belangrijkste nadeel is dat de B.V.'s die zijn opgenomen in de fiscale eenheid voor de omzetbelasting ook onderling aansprakelijk zijn voor BTW-schulden. Als een B.V. binnen de fiscale eenheid failliet gaat, ontstaat er vaak een BTW-claim. Bij een faillissement van de werkmaatschappij wordt de fiscale eenheid tussen de holding en de werkmaatschappij verbroken. De holding blijft echter wel aansprakelijk voor BTW schulden (naheffingen, rente en boetes) van de werkmaatschappij. Dit geldt enkel voor BTW-schulden die betrekking hebben op de periode voorafgaande aan het faillissement. De curator is na het faillissement verantwoordelijk voor het indienen van de aangiften (en het afdragen van de BTW).

Het grootste risico is dat u voorafgaande aan het faillissement BTW heeft teruggevraagd maar de facturen niet heeft betaald. De BTW is dan ten onrechte teruggevraagd. 

Werknemer en faillissement

Een werknemer leent geld aan zijn werkgever omdat de bank weigert geld aan de B.V. te lenen. De B.V. gaat vervolgens failliet en de werknemer is zijn geld kwijt. De werknemer wil de lening (niet ontvangen bedrag) in zijn aangifte Inkomstenbelasting aftrekken (als negatief loon). Volgens de Hoge Raad d.d. 10 januari 2014 is een dergelijk verlies voor de werknemer niet aftrekbaar. Voor de liefhebber, het Gerechtshof in Arnhem heeft op 28 augustus 2012 anders beslist, maar deze uitspraak is dus ingehaald door de genoemde uitspraak in cassatie van de Hoge Raad.

Bodembeslag / bodemvoorrecht Belastingdienst en faillissement

De Belastingdienst heeft een supervoorrecht bij faillissementen. Op grond van artikel 21 invorderingswet heeft de Belastingdienst een voorrecht op alle goederen van de belastingplichtige. De Belastingdienst zou zichzelf hiermee bij voorrang op het gehele vermogen van de belastingplichtige kunnen richten. In de praktijk gaan zekerheidsrechten (hypotheek en pandrecht) voor dergelijke rechten, maar artikel 21 (lid 2) invorderingswet maakt hierop een belangrijke uitzondering. Voor omzetbelasting en loonbelasting gaat het recht van de Belastingdienst boven het zogenaamde stil pandrecht (op roerende zaken die op de bodem van belastingplichtige staan). Op zaken die zich op de bodem van belastingplichtige bevinden heeft de Belastingdienst dus vaak een sterker / beter recht dan de bancaire instelling (met pandrecht) / schuldeisers. Ook schuldeisers die onder eigendomsvoorbehoud hebben geleverd staan door het recht van de Belastingdienst aan de zijlijn te kijken.

In een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 11 april 2014 ging het voor de schuldeiser de goede kant op. B.V. X is eigenaar van een bedrijfspand en de inventaris. B.V. Y huurt het bedrijfspand en de inventaris van B.V. X. B.V. Y gaat failliet. De curator heeft de onderneming van B.V. Y voortgezet en de Belastingdienst legt bodembeslag op onder meer de inventaris. Volgens B.V. X is er geen sprake van "bodemzaken" en moet het bodembeslag worden opgeheven. De Hoge Raad is het met B.V. X eens, de Belastingdienst had geen bodembeslag mogen leggen. Een belangrijke reden was dat B.V. Y haar administratie op het perceel (bij B.V. X) had liggen. Deze procedure is gevoerd onder oude wetgeving !

Faillissement belastingen en aansprakelijkheid [news] 2014-04-22 0000-00-00 0000-00-00 4279

Betalingsproblemen en belastingaanslagen

Een bedrijf zit in zwaar weer. Wie moet je als eerste betalen, de werknemers, de leveranciers, de verhuurder of de Belastingdienst? Als de winsten / resultaten binnen een onderneming onder druk staan, moet de directie / het bestuur lastige keuzes maken. Wie moet er als eerste en als laatste worden betaald?

Als de Belastingdienst niet tijdig wordt betaald, loopt de bestuurder het risico dat hij wordt aangesproken in privé (als bestuurder). De bestuurder kan dit voorkomen door betalingsonmacht (tijdig) te melden. Maar wat gebeurt er als er na melding van de betalingsonmacht eerst andere schuldeisers worden betaald?

Een heldere uitspraak over dit onderwerp leest u hieronder, conclusie: mits u maar tijdig melding maakt van uw betalingsproblemen heeft u niet direct een probleem als u daarna andere crediteuren zou betalen (dus niet direct bestuurdersaansprakelijkheid i.v.m. onbehoorlijk bestuur).

Hoofdelijke aansprakelijkheid bestuurder

Een bestuurder is op grond van artikel 36 van de Invorderingswet hoofdelijk aansprakelijk voor niet betaalde loonbelasting en omzetbelasting (en enkele overige belastingen). Als de B.V. / N.V. (het lichaam) de belastingen niet kan betalen, dan moet hiervan onverwijld nadat is gebleken dat niet kan worden betaald een mededeling worden gedaan aan de Belastingdienst. Hiermee is de bestuurdersaansprakelijkheid redelijk afgedekt, tenzij (lid 3) sprake is van onbehoorlijk bestuur tijdens de 3 laatste jaren.

Procedure over aansprakelijkheid en melding betalingsonmacht

In een hoger beroepsprocedure bij het Gerechtshof in Den Haag (d.d. 18 maart 2014, eerste aanleg Rechtbank Den Haag d.d. 12 maart 2013) kwam een bestuurdersaansprakelijkheid aan de orde. Wat is er aan de hand?

  • De heer X is sinds 2000 bestuurder van de B.V.
  • In 2010 en 2011 wordt ook de heer Y bestuurder van de B.V.
  • De B.V. kan in 2010 niet alle belastingen tijdig betalen.
  • In 2012 worden beide bestuurders privé aansprakelijk gesteld (op grond van artikel 36 Invorderingswet).
  • Een B.V. kan haar loonheffingen en omzetbelasting niet tijdig betalen.
  • De bestuurders melden tijdig betalingsonmacht bij de Belastingdienst.
  • De Belastingdienst stelt dat niet alle meldingen tijdig zijn ingediend.
  • De ontvanger van de Belastingdienst stelt een bestuurder en medebestuurder aansprakelijk voor niet betaalde loonheffingen en omzetbelasting (van de B.V.).
  • De ontvanger moet aannemelijk maken dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur.
  • Het Gerechtshof is van mening dat de ontvanger / Belastingdienst hierin niet is geslaagd.
  • De bestuurders zijn niet hoofdelijk aansprakelijk.

De overwegingen van het Gerechtshof zijn goed om te lezen

Er is geen sprake van onbehoorlijk bestuur omdat:

  1. De taakvervulling van de bestuurder moet echt slecht zijn (onverantwoord, roekeloos, onbezonnen, onnadenkend, etc.). Dit is niet bewezen resp. hiervan was geen sprake.
  2. De B.V. heeft nettolonen en enkele andere schuldeisers betaald, dit is niet onbehoorlijk.
  3. Een B.V. moet bij liquiditeitsproblemen rekening houden met de Belastingdienst, maar ook met werknemers en derden (die bij de onderneming betrokken zijn).
  4. Volgens het Hof zal een redelijk handelend bestuurder, zolang hij redelijkerwijs kan en mag menen dat de perspectieven voor de onderneming rooskleurig zijn, beslissingen nemen en maatregelen treffen die erop gericht zijn de continuïteit van de onderneming zolang mogelijk te waarborgen. Hierdoor kan een ondernemer ervoor kiezen om ook anderen dan de Belastingdienst te betalen (mits hij mag verwachten dat hij op termijn ook de Belastingdienst kan betalen).

Noot fiscaal jurist

Een heldere uitspraak van het Gerechtshof. De afwegingen worden volledig en zorgvuldig gemaakt. Het Gerechtshof heeft ook met een schuin oog gekeken naar een arrest van de Hoge Raad (8 december 2006 rolnummer C05/256HR en Hoge Raad 18 februari 2000 rolnummer C98/208). In dit geval hebben we te maken met redelijk denkende bestuurders die hun taken behoorlijk hebben vervuld. Er valt geen persoonlijk verwijt te maken. Het woordje "kennelijk" bij "kennelijk onbehoorlijk bestuur" wil zeggen dat er geen twijfel mag bestaan over het (doordachte) karakter van het bestuur. Er zijn immers gedragingen die als fouten, onjuiste beslissingen, weinig doordachte handelingen kunnen worden gekarakteriseerd, maar die niet als zodanig onbehoorlijk bestuur moeten worden aangemerkt, dat dit persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders met zich mee moet brengen. De rechter stelt hierover onder meer het volgende:

  • Bij de beantwoording van de vraag of de aan belanghebbende verweten handelingen als kennelijk onbehoorlijk bestuur kunnen worden aangemerkt, dienen alle ter zake dienende feiten en omstandigheden van de onderhavige zaak in totaliteit en in onderling verband en samenhang in de beoordeling te worden betrokken. Dat betekent ook dat bij de vaststelling van het vereiste causale verband tussen het gedrag van de bestuurder en het onbetaald blijven van belastingschulden onderzocht dient te worden of de belastingschulden waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld, onbetaald zijn gebleven als gevolg van het kennelijk onbehoorlijk bestuur, zoals dit op grond van het geheel van de, mede in onderling verband en samenhang te beschouwen, aan belanghebbende verweten gedragingen aannemelijk is te achten.
  • In een situatie van liquiditeitskrapte dient een redelijk handelend bestuurder rekening te houden met de belangen van alle bij de onderneming betrokken derden, zoals werknemers, schuldeisers - waaronder de ontvanger, clientèle en anderen. Een redelijk handelend bestuurder zal, zolang hij redelijkerwijs kan en mag menen dat de perspectieven voor de onderneming rooskleurig zijn, beslissingen nemen en maatregelen treffen die erop gericht zijn de continuïteit van de onderneming zolang mogelijk te waarborgen. In dat kader kan een redelijk handelend ondernemer ervoor kiezen schuldeisers later te betalen dan hem strikt genomen is toegestaan, mits hij de gerechtvaardigde verwachting koestert en mag koesteren dat in de nabije toekomst de ontstane betalingsachterstanden zullen worden ingelopen.

Bron betalingsproblemen en Belastingdienst

Gerechtshof Den Haag d.d. 18 maart 2014.

Rechtbank Den Haag (eerste aanleg) d.d. 12 maart 2014.

Hoge Raad d.d. 24 februari 2012.

Betalingsproblemen en belastingdienst [news] 2014-06-26 0000-00-00 0000-00-00 4329

De informatiebeschikking en de Belastingdienst

De informatiebeschikking is sinds juli 2011 in de wet opgenomen. Het middel houdt verband met een aantal van de verplichtingen die u als belastingplichtige of administratieplichtige op grond van de wet heeft, zoals de inlichtingenverplichting en de administratie- en bewaarverplichting. Wij gaan in dit uitgebreide artikel in op:

  • Het waarom van de informatiebeschikking;
  • De werking van de informatiebeschikking;
  • De gevolgen van de informatiebeschikking;
  • Aanvullende spelregels bij de informatiebeschikking;
  • De informatiebeschikking en behoorlijk bestuur;
  • De informatiebeschikking en onze advisering.

De informatiebeschikking: waarom?

Zonder juridisch en historisch alle details te beschrijven, is de informatiebeschikking om de volgende reden ingevoerd. Belastingplichtigen en administratieplichtigen hebben op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verplichtingen. Die verplichtingen dienen ertoe de Belastingdienst van al die informatie te voorzien die hij nodig heeft om een juiste belastingaanslag op te kunnen leggen. De Belastingdienst kan u bijvoorbeeld vragen stellen en verzoeken inzage te verlenen in de administratie. Dit kan voor belastingplichtigen uiteraard een ferme inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zijn. Daarom dient de Belastingdienst alleen die informatie op te vragen die voor de heffing van de belasting relevant kan zijn en is hij onder meer gebonden aan de regel dat een informatieverzoek proportioneel moet zijn.

Het komt voor dat de belastingplichtige het niet eens is met het verzoek van de Belastingdienst. Het komt regelmatig voor dat de Belastingdienst bijzonder veel informatie opvraagt en vaak kan betwist worden of die informatie nu echt relevant is en een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer rechtvaardigt. In de periode voordat de informatiebeschikking bestond gebeurde dan het volgende.

De Belastingdienst stelt enorm veel vragen en wil alles in bezit hebben. De belastingplichtige is het hiermee oneens. Hij kan ervoor kiezen niet mee te werken. De Belastingdienst zal dan een aanslag opleggen en (bijvoorbeeld) het inkomen schatten. De belastingplichtige zal dan in bezwaar en beroep gaan tegen die aanslag. En dan komt het probleem opzetten. De rechter zal eerst onderzoeken of het verzoek van de Belastingdienst rechtmatig was. Indien dat het geval is, dan is de belastingplichtige het bokje. Er vindt dan direct omkering en verzwaring van de bewijslast plaats. De belastingplichtige mag dan niet volstaan met het aannemelijk maken van zijn standpunten, maar moet deze overtuigend aantonen. In de literatuur is dit wel beschreven als een ondoenlijke bewijslast. Daar komt nog bij dat de constatering dat onvoldoende is meegewerkt kan leiden tot strafrechtelijke vervolging. Gezien de mogelijke vergaande gevolgen van niet-medewerking, kozen veel belastingplichtigen en administratieplichtigen voor de makkelijkste weg: toch maar gewoon meewerken, ondanks dat men de rechtmatigheid van de verzoeken van de Belastingdienst betwijfelt.

Bovenstaande is aanleiding geweest voor twee Kamerleden om een initiatiefwetsvoorstel in te dienen. Dat voorstel zou uiteindelijk leiden tot de informatiebeschikking. De informatiebeschikking is bedoeld om precies dat gebrek in de rechtsbescherming te herstellen, dat hiervoor werd weergegeven.

De informatiebeschikking: hoe werkt het en wat moet de Belastingdienst doen?

De informatiebeschikking laat zich het meest eenvoudig uitleggen als we het voorbeeld van de vorige paragraaf er weer bijnemen. Het gaat dan om de belastingplichtige of de administratieplichtige die verzoeken krijgt van de Belastingdienst waar hij het mee oneens is.

De Belastingdienst ziet zich dan wederom geconfronteerd met een belastingplichtige die niet wil meewerken. Het is nu echter niet meer zo dat de Belastingdienst een aanslag oplegt en zich dan kan beroepen op de omkering en verzwaring van de bewijslast. Indien de Belastingdienst dit wil bereiken en daarmee de belastingplichtige in een moeilijkere bewijspositie wil brengen, dan moet hij de onvoldoende medewerking vastleggen in een beschikking: de informatiebeschikking. Doet de Belastingdienst dat niet, dan zal in de procedure over de aanslag de belastingplichtige niet worden geconfronteerd met een verzwaarde bewijslast, tenzij sprake is van het niet hebben gedaan van de vereiste aangifte. Daarop gaan wij in een ander artikel nader in. Het gaat hier uitsluitend om de informatiebeschikking.

De Belastingdienst legt de onvoldoende medewerking vast in de informatiebeschikking. Hierbij gelden een aantal formele regels, die in de praktijk niet altijd volledig worden nageleefd. De belastingplichtige ontvangt deze informatiebeschikking. De informatiebeschikking is in feite een weergave van de verplichtingen waarvan de Belastingdienst meent dat de belastingplichtige ze onvoldoende is nagekomen. Tegen deze beschikking kan de belastingplichtige in bezwaar en beroep gaan. Hij kan de verzoeken van de Belastingdienst dan laten toetsen, voordat hij in de aanslagprocedure wordt geconfronteerd met een verzwaarde bewijspositie. Maar hoe leidt dit uiteindelijk nu tot werkelijke verbetering van de rechtsbescherming?

Dat komt door de zogenaamde hersteltermijn. Indien de rechter tot het oordeel komt dat het verzoek van de Belastingdienst rechtmatig was en de belastingplichtige dus ten onrechte niet heeft meegewerkt, dan vindt niet direct toepassing van de zwaardere bewijslast plaats. De rechter zal de belastingplichtige dan eerst een hersteltermijn bieden om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. Die hersteltermijn blijft alleen achterwege indien een hersteltermijn niet opportuun is of als de belastingplichtige kennelijk misbruik heeft gemaakt van zijn procesrecht. Dit laatste komt in de praktijk zelden voor. De hersteltermijn leidt er dus toe dat, in tegenstelling tot onder het oude systeem, de belastingplichtige verzoeken van de Belastingdienst kan laten toetsen, zonder direct al omkering en verzwaring van de bewijslast als een zwaard van Damocles boven zich te hebben hangen.

De informatiebeschikking: gevolgen in de praktijk

Op het moment dat de informatiebeschikking door de Belastingdienst wordt afgegeven, gebeuren er een aantal dingen. Het belangrijkste is dat de termijnen voor het opleggen van de aanslagen waar het om gaat worden opgeschort. Die opschorting is gelijk aan de duur van de informatiebeschikkingsprocedure. Indien het daadwerkelijk komt tot bezwaar, beroep, hoger beroep en cassatieberoep, kan dit vele jaren duren.

Tijdens de informatiebeschikkingsprocedure mag de Belastingdienst niet alsnog de aanslagen opleggen. Gebeurt dit wel, dan vervalt de informatiebeschikking. De Belastingdienst mag weer handelen zodra de informatiebeschikking onherroepelijk is geworden of is vernietigd. Een vernietiging spreekt voor zich. Het onherroepelijk worden van de informatiebeschikking doet zich voor indien de rechtsmiddelen zijn uitgeput en / of de belastingplichtige geen gebruik maakt van zijn rechtsmiddelen.

Een onherroepelijke informatiebeschikking leidt – bij afwezigheid van een hersteltermijn of het gebruik daarvan – tot de slotsom dat de belastingplichtige of de administratieplichtige niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Het gevolg komt terug bij de uitspraak op bezwaar, beroep en / of hoger beroep. Met een onherroepelijke informatiebeschikking is namelijk sprake van het toepassen van de omkering en verzwaring van de bewijslast. Hierop wordt een uitzondering gemaakt als het toepassen van deze sanctie disproportioneel is. Dit wordt in de praktijk niet snel aangenomen.

De informatiebeschikking: aanvullende spelregels voor u en de Belastingdienst

De informatiebeschikking is nog altijd aanleiding voor veel procedures. Het belang is uiteraard groot door de mogelijke omkering en verzwaring van de bewijslast. Echter, de regels met betrekking tot de informatiebeschikking kennen een aantal open normen en onduidelijkheden. De Hoge Raad heeft onder meer de volgende elementen verduidelijkt:

  • De wetgeving bij de informatiebeschikking kent geen overgangsrecht en dus zijn de bepalingen met onmiddellijke werking van toepassing op alle vanaf 1 juli 2011 gedane uitspraken op bezwaar;
  • Eén informatiebeschikking kan zien op meerdere belastingjaren en belastingmiddelen. Indien dan toch een aanslag te vroeg wordt opgelegd, dus voordat de informatiebeschikking onherroepelijk is, dan vervalt de informatiebeschikking voor zover die betrekking heeft op dat belastingjaar en dat belastingmiddel. Hieruit volgt dus ook dat een informatiebeschikking deels vernietigd kan worden;
  • De informatiebeschikking is geen schending van het recht op een eerlijk proces;
  • Het is de Belastingdienst toegestaan om pas in de bezwaarfase een informatiebeschikking af te geven. Dat doet zich voor indien eerst een belastingaanslag wordt opgelegd, de belastingplichtige daar iets van vindt en dan, alsnog, een informatiebeschikking volgt. Deze uitspraak is gedaan in het kader van een procedure over een vermeende schending van de inlichtingenverplichting. Bij schending van andere verplichtingen zou dit anders uit kunnen vallen.

Via een WOB-verzoek is de interne Handreiking Informatiebeschikking & Kostenvergoedingsbeschikking gepubliceerd. Dit zijn de regels die de Belastingdienst intern toepast bij het afgeven van een informatiebeschikking. Onze ervaring is dat deze regels niet altijd allemaal even goed worden nageleefd. In beginsel is de Belastingdienst aan deze regels echter wel gebonden.

De informatiebeschikking en behoorlijk bestuur door de Belastingdienst

Bij alle hiervoor beschreven handelingen geldt dat de Belastingdienst ook gebonden is aan het overige recht. Belangrijk daarbij zijn de zogenaamde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit houdt onder meer in dat de Belastingdienst u met een open vizier tegemoet moet treden, opgewekt vertrouwen moet rechtvaardigen en geen besluiten mag nemen die u onevenredig raken. Verder omvatten de algemene beginselen allerlei elementen die in de praktijk weleens over het hoofd worden gezien. Zo moeten besluiten ook afdoende gemotiveerd en onderbouwd worden.

De informatiebeschikking, boekenonderzoeken en onze advisering

De informatiebeschikking heeft voor een belastingplichtige potentieel verstrekkende gevolgen. Het middel is echter primair in het leven geroepen om u te helpen. Het dient om de rechtsbescherming van de belastingplichtige te verbeteren en voor een deel is dat ook zeker het geval. Een onherroepelijke informatiebeschikking brengt u echter vrijwel altijd in een nagenoeg ondoenbare bewijspositie. Het is daarom belangrijk om een informatiebeschikking scherp en goed onderbouwd aan te vliegen. Soms gebeurt dat door middel van bezwaar en beroep, maar in andere dossiers gebeurt het ook dat tijdens de informatiebeschikkingsprocedure alsnog overeenstemming wordt bereikt.

Hebt u een informatiebeschikking ontvangen of zit u in een boekenonderzoek? Twijfel dan niet en bel gerust eens met één van de auteurs. Een eerste kennismaking is vrijblijvend, kan op korte termijn en wij helpen graag.

De informatiebeschikking [news] 2021-03-15 0000-00-00 0000-00-00 6928

Herstel fouten door de Belastingdienst

Meer duidelijkheid over herstel van fouten door de belastingdienst.

Fouten maken is menselijk. Vanuit dat oogpunt is de Belastingdienst menselijk, soms té. Vooral bij massale processen (maar niet alleen daar!) laat de Belastingdienst nogal eens een steekje vallen. De lijst met schrijf- en tikfouten, overnamefouten, systeemfouten, instructiefouten, automatiseringsfouten, etc. is onuitputtelijk.

Duidelijke fouten moeten kunnen worden rechtgezet. Daar staat tegenover dat de belastingplichtige moet kunnen vertrouwen op de Belastingdienst. Als er een aanslag komt, moet er zekerheid zijn dat het daarmee klaar is (rechtszekerheid).

Herstel van fouten gaat door middel van navordering (of naheffing). Hoofdregel is en blijft dat voor navordering een nieuw feit vereist is. Dat is een omstandigheid die de inspecteur bij het opleggen van de aanslag nog niet kende (of behoefde te kennen).

Nieuwe wetgeving

Sinds 1 januari 2010 kan - ook zonder dat nieuwe feit - worden nagevorderd als een aanslag door een fout een te laag bedrag is. Het maakt niet uit wie de fout maakt. Vereist is wel dat het de belastingplichtige kenbaar is dat de aanslag te laag is. Een aanslag die 30% of meer te laag is, wordt geacht kenbaar te laag te zijn. Voorheen kon meestal niet worden nagevorderd als aanslagen te laag waren door een door de Belastingdienst gekozen werkwijze of fouten in de automatisering.

Wat is een fout volgens de rechter?

Recent heeft de Hoge Raad meer duidelijkheid gegeven wat nu een fout is. Zonder fout immers geen navordering.

Eerst wat geen fout is. Beoordelingsfouten van de inspecteur zijn geen fouten als hier bedoeld. Als de inspecteur dus op basis van de juiste feiten tot een onjuiste conclusie komt of de wet niet goed toepast, kan hij niet navorderen. Zelfs niet als die fout voor de belastingplichtige kenbaar is. Dat is alleen anders als de belastingplichtige te kwader trouw is (dus bijvoorbeeld moedwillig onjuiste aangifte doet of zaken verzwijgt / verstopt).

Wat is nu wel een fout?

Het begrip fout is bewust neutraal en ruim uitgelegd: “elke misslag die bij de Belastingdienst optreedt in verband met de aanslagregeling, zoals schrijf-, reken-, overname- en intoetsfouten, maar ook andere fouten zoals “fouten ten gevolge van de geautomatiseerde verwerking van aangiften”, indien het gevolg daarvan is dat de belastingschuld op een te laag bedrag is vastgesteld.” Dat is dus erg ruim. Een uitdaging om een misslag te bedenken die hier niet onder valt. De vraag komt op of de rechtszekerheid van de belastingplichtige niet teveel in het gedrang komt om de fouten bij de Belastingdienst te kunnen repareren … Het verschil tussen € 2.079 en € 2.970 is in elk geval voor de wetgever kenbaar.

In een zaak waarin gedurende een boekenonderzoek toch een te lage aanslag werd opgelegd over het onderzochte jaar ondanks een ambtelijke instructie dat niet te doen, terwijl aan de belastingplichtige al kenbaar was gemaakt dat van de aangifte zou worden afgeweken, werd navordering toegestaan.

Vanaf wanneer?

De nieuwe wet geldt met ingang van 1 januari 2010. Aanslagen die voor die datum te laag zijn van voor die datum kunnen niet op basis van de nieuwe wet worden nagevorderd. Dus een aanslag over 2008 die op 31 december 2009 is opgelegd kan niet worden nagevorderd, terwijl een aanslag over 2007 die op 1 januari 2010 is opgelegd wel kan worden nagevorderd.

Ontsnappen nog mogelijk?

De Hoge Raad heeft nog een (piep)klein ontsnappingsgaatje opengelaten. Als het de belastingplichtige, gelet op de gang van zaken voorafgaande aan het opleggen van de aanslag, niet kenbaar was dat die aanslag tot een te laag bedrag was vastgesteld, aangezien zij ervan mocht uitgaan dat die juist was, mag de te weinig geheven belasting ook niet worden nagevorderd met toepassing van de 30%-regel. Van kenbare onjuistheid is geen sprake in gevallen waarin de belastingplichtige in redelijkheid kon menen dat de aanslag, hoewel tot een te laag bedrag, niettemin op goede gronden is vastgesteld. Cryptisch!

Een voorbeeld ter verduidelijking:

In de zaak bij de Hoge Raad (nummer 1528, zie onder) heeft de belastingplichtige zich in correspondentie onder meer op het standpunt gesteld dat zij de aangiften heeft gedaan overeenkomstig aanwijzingen van de Inspecteur, gegeven bij de aanslagregeling voor een eerder jaar, en voorts voorgesteld eventuele wijzigingen van de wijze van verwerking in de aangiften aan te passen met ingang van de aangifte voor latere jaren. Dus het jaar van correctie zou verschoven worden. Het is nu aan het Hof te oordelen of dat voldoende is. Voor de goede orde: dit lijkt op het vertrouwensbeginsel, maar is het niet. Bij (gerechtvaardigd) vertrouwen is navordering überhaupt niet mogelijk.

Conclusie

De mogelijkheid voor de Belastingdienst om na te vorderen is uitgebreid ten koste van de rechtszekerheid. Niettemin blijft het specialistenwerk en afhankelijk van de feiten van uw zaak. Neem dus bij een navorderingsaanslag dus altijd contact op. Dat geldt zeker als daarbij ook een boete is opgelegd.

Bron fouten door de Belastingdienst

Hoge Raad d.d. 27 juni 2014, 13/02845, ECLI:NL:HR:2014:1527.

Hoge Raad d.d. 27 juni 2014, 14/00350, ECLI:NL:HR:2014:1528.

Hoge Raad d.d. 27 juni 2014, 13/02194, ECLI:NL:HR:2014:1529.

Herstel fouten door de Belastingdienst [news] 2014-07-14 0000-00-00 0000-00-00 4332

Getuigen bij de belastingrechter: overschat?

Het belastingrecht kent (in de meeste gevallen) de zogenoemde vrije bewijsleer. Dat betekent dat eenieder zijn stellingen en standpunten kan onderbouwen met de bewijsmiddelen die hij wenst. Doorgaans zullen dat schriftelijke stukken zijn. Doch de verklaring van een getuige is ook zo’n middel. Het is aan de rechter de waarde van een bewijsmiddel te wegen. In het overleg met de Belastingdienst en in de bezwaarprocedure kunnen getuigenverklaringen nuttig zijn om de inspecteur (alsnog) te overtuigen van uw standpunt.

Getuigen bij de rechter

In de beroepsprocedure bij de Rechtbank (en hoger beroep bij het Gerechtshof) kent de wet ook de mogelijkheid getuigen ter zitting te horen. Dat kan door getuigen zelf op te roepen of ter zitting mee te nemen (en dat vooraf aan de Rechtbank mede te delen). Ook kan aan de Rechtbank worden verzocht de getuige op te roepen.

Medewerking Rechtbank

Als u zelf getuigen meebrengt of oproept, zal de Rechtbank doorgaans meewerken aan het horen van de getuige, tenzij de rechter van mening is dat het te leveren getuigenbewijs niet relevant is voor de beslissing of dient ten bewijze van een feit dat door de Belastingdienst niet wordt bestreden. Dan is getuigenbewijs ook zinloos.

Bij die beoordeling mag de rechter echter niet vooruitlopen op de af te leggen getuigenverklaring ("wat hij ook zegt: ik geloof hem toch niet").

Van de mogelijkheid te verzoeken dat de Rechtbank een getuige oproept, komt in de praktijk weinig terecht. Dat komt omdat de rechter daartoe doorgaans niet verplicht is. Volgens de Hoge Raad staat het de rechter vrij alleen dan (zelf) een getuige op te roepen, indien hem dit in het kader van de op hem rustende taak zinvol voorkomt. Daarbij mag de rechter laten meewegen dat de desbetreffende partij zelf geen pogingen heeft ondernomen om ervoor te zorgen dat de getuige ter zitting aanwezig is. In het concrete geval viste de belastingplichtige achter het net omdat hij bij de Rechtbank wel de nodige (vruchteloze) pogingen had ondernomen een getuige op te roepen, maar dat in hoger beroep had nagelaten en het Gerechtshof (voorwaardelijk en ongemotiveerd) had verzocht de getuige op te roepen.

Het devies is dus: zelf getuigen oproepen / meenemen en, als dat niet lukt, gemotiveerd aangeven waarom het niet lukt, wat de getuige zou kunnen verklaren en wat de noodzaak voor de procedure is.

Overigens kan een partij zelf niet als getuige (onder ede) worden gehoord. De adviseur kan daarentegen wel worden gehoord!

Getuige gehoord, succes verzekerd?

Als het dan eenmaal is gelukt om de getuige te verhoren, is dat een grote kans op succes. Afgezien dat het, zoals hiervoor is opgemerkt, aan de rechter is het (getuigen-)bewijs te waarderen, is daarmee succes nog niet verzekerd. Een kort jurisprudentieonderzoek leert dat slechts in een klein aantal zaken de procedure wordt gewonnen op basis van getuigenverklaringen. Het komt vaker voor dat wordt gewonnen op basis van schriftelijke stukken aangevuld met getuigenbewijs.

Noot fiscaal jurist

Indien u in een conflict raakt of dreigt te raken met de Belastingdienst en u meent dat daarbij een belangrijke rol kan zijn weggelegd voor getuigen, zorg er dan voor dat diens verklaring zosnel mogelijk wordt vastgelegd. Enerzijds kan die verklaring dan al in de discussie met de inspecteur (of in bezwaar) worden ingebracht, waardoor het geschil snel kan worden opgelost. Anderzijds ligt dan de verklaring vast en wordt voorkomen dat herinneringen en geheugen vervagen. Het kan immers wel jaren duren voordat een getuige op zitting wordt gehoord.

Als u het in (hoger) beroep nog moet hebben van getuigenverklaringen, is de kans op succes gering en niet ondenkbeeldig dat in de voorfase zaken onderbelicht zijn gebleven.

Neem dus contact op met uw adviseur als u verwacht dat bepaalde feiten die (alleen) door getuigen kunnen worden bevestigd, van belang kunnen zijn bij een (toekomstig) geschil met de Belastingdienst. Beter vooraf begrepen dan achteraf vergeten.

Bron getuigen bij de belastingrechter



HR ECLI:NL:HR:2009:BH5559.  



HR ECLI:NL:HR:2014:1194.



HR ECLI:NL:HR:2013:196.



HR ECLI:NL:HR:2014:783.

Getuigen bij de belastingrechter [news] 2014-07-16 0000-00-00 0000-00-00 4335

Dossierinzage bij de Belastingdienst

Een belastingplichtige heef het recht om zijn eigen belastingdossier bij de Belastingdienst te bekijken. Als een inspecteur een naheffingsaanslag of navorderingsaanslag heeft opgelegd of als deze afwijkt van een door belastingplichtige (of diens accountant, of beter: diens fiscalist) ingediende aangifte, is het fijn om te weten waarom er wordt afgeweken.

Welke informatie heeft de inspecteur in zijn bezit? Is deze informatie voor mij van belang?

Op welk moment mag u uw belastingdossier inzien?

Het kan prettig zijn om uw fiscale dossier bij de Belastingdienst in te zien voordat u bezwaar gaat aantekenen. In de algemene wet bestuursrecht staat echter dat u recht heeft op dossierinzage tijdens de hoorfase / hoorzitting (artikel 7:4 Algemene Wet Bestuursrecht). In deze fase is uw bezwaarschrift al ingediend.

Voor en tijdens de bezwaarfase heeft u dus - op grond van de Nederlandse wetgeving - geen recht op inzage in uw belastingdossier.

Als er sprake is van een boete (of aankondiging boete) dan gelden er andere spelregels. Vanaf het moment dat een boete is aangekondigd moet de inspecteur een belastingplichtige / belanghebbende op diens eigen verzoek inzage verstrekken in zijn boetedossier (artikel 5:49 Algemene Wet Bestuursrecht).

Europees recht en inzage in belastingdossier

Volgens het Europese recht heeft u eerder recht op inzage in uw dossier. Volgens het Handvest (artikel 41) heeft een ieder het recht om toegang te krijgen tot het dossier hem betreffende (artikel 41 lid 2 ). Dit handvest geldt binnen de Europese Unie en volgens redelijk vaste jurisprudentie (Hof van Justitie) gelden deze regels vrijwel automatisch ook voor Nederland (zie ook de uitspraak van het Hof van Justitie d.d. 26 februari 2013, voor de liefhebber: Akerberg Fransson procedure). Deze lijn wordt door verschillende "geleerden" onderstreept en niet altijd door de Belastingdienst geaccepteerd.

Toch inzage in uw dossier

  1. Op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is het redelijk dat u weet waarom de Belastingdienst u een naheffingsaanslag of navorderingsaanslag heeft opgelegd. Ook is het prettig om te weten waarom van uw aangifte wordt afgeweken.
  2. Voorlopige voorziening: doordat u geen inzage krijgt in uw (proces-)dossier wordt u in uw belangen geschaad. Dit is een reden om via een voorlopige voorziening inzage in uw dossier aan te vragen.
  3. Vraag de Belastingdienst om inzage: meestal werkt de Belastingdienst wel mee aan een dossierinzage tijdens (of voor) uw bezwaarschrift.
Inzage belasting dossier [news] 2014-09-12 0000-00-00 0000-00-00 4430

Strafrechtelijk onderzoek is nieuw feit

Een belastingplichtige, in deze casus een advocaat, (we noemen hem "Henk") wordt veroordeeld wegens oplichting, verduistering, witwassen en valsheid in geschrift. Henk moet ook bedragen terugbetalen aan benadeelde partijen. Op grond van dit onderzoek en de veroordeling worden er aanslagen aan Henk opgelegd. Is er sprake van een nieuw feit?

Nieuw feit in de belastingwetgeving en navordering

Via een navordering kan de Belastingdienst fouten uit het verleden, gemaakt in het nadeel van de Belastingdienst, corrigeren. Dit is een inbreuk op de rechtszekerheid van de belastingbetaler / belastingplichtige (definitieve aanslag is immers opgelegd) en derhalve is navordering aan strikte regels gebonden. Voor de reguliere navordering is vereist dat er sprake is van een nieuw feit, dit wil zeggen een feit waarover de inspecteur bij het opleggen van de aanslag niet beschikte. Over de navorderingsaanslag wordt veel geprocedeerd, de uitslag is regelmatig in het voordeel van de belastingplichtige. Immers wat is een nieuw feit?
Sinds 2010 kan de Belastingdienst eenvoudiger en sneller een navorderingsaanslag opleggen. Dit kan op grond van de zogenaamde kenbaarheidstoets / kenbaarheidsvereiste. Deze regel is van toepassing indien de gemaakte fout redelijkerwijs kenbaar moet zijn geweest bij de belastingplichtige.

Strafrechtelijk onderzoek levert nieuw feit op

In een procedure bij de Rechtbank is Henk veroordeeld. De Belastingdienst krijgt de uitspraak van de rechter en het onderzoeksrapport onder ogen en legt voor enkele honderdduizenden euro's aan aanslagen op. Volgens de rechter levert het strafrechtelijk onderzoek een nieuw feit op dat navordering kan rechtvaardigen. De kosten die advocaat Henk heeft gemaakt kan hij niet aantonen (aannemelijk maken), deze zijn dan ook niet aftrekbaar.

Noot fiscaal jurist over nieuw feit

De boete wordt door de rechter verminderd, dit is opmerkelijk. De boetes worden verminderd vanwege de financiële omstandigheden bij de advocaat (en niet vanwege een pleitbaar standpunt of overschrijding van de redelijke termijn).

Bron strafbaar feit en navorderingsaanslag

Strafrechtelijk onderzoek en navorderingsaanslag [news] 2014-10-10 0000-00-00 0000-00-00 4448

Het Besluit Fiscaal Bestuursrecht

Hoe gaat u om met de Belastingdienst en de Belastingdienst met u? Het besluit fiscaal bestuursrecht is begin 2015 vernieuwd. De belangrijkste onderdelen zijn:

  1. De mogelijkheid tot vooroverleg is verduidelijkt.
  2. De mogelijkheid om via e-mail met de Belastingdienst te communiceren.
  3. Wanneer kan de Belastingdienst een beslissing op bezwaar uitstellen?
  4. Vaststellen zetel inspecteur in buitenlandsituaties.
  5. Fiscale grensverkenning en vooroverleg.
  6. Weigeren van een gemachtigde door de Belastingdienst.
  7. Horen in de bezwaarfase.
  8. Aangifte VPB voor curatoren.

Noot nieuw besluit fiscaal bestuursrecht

De Belastingdienst wordt weer ouderswets (communiceren via de fax) en modern (communiceren via de e-mail). De elektronische communicatie met de Belastingdienst is niet altijd toegestaan, echter wel bij:

  • aanvragen;
  • aangiften;
  • bezwaarschriften;
  • verzoeken; en
  • ingebrekestellingen.

Tevens wordt in het besluit opgenomen naar welke rechter een belastingplichtige moet stappen bij een fiscaal geschil.

  • Bij een binnenlands belastingplichtige is bevoegd de Rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft (art. 8:7, lid 2, eerste volzin, Awb).
  • Bij een buitenlands belastingplichtige is bevoegd de Rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft (art. 8:7, lid 2, tweede volzin, Awb), dit is de Rechtbank Zeeland - West Brabant (immers betreft de Belastingdienst Heerlen).

Voor in het buitenland wonende belastingplichtigen komt er meer duidelijkheid, u kunt altijd een verzoek tot een ambtshalve vermindering indienen, hierbij maakt het niet uit of u binnen of buiten de EU woont. Een verzoek kan enkel worden ingediend als sprake is van een echte fout. Een nieuwe uitspraak van de Hoge Raad of het HvJ kan u dus niet helpen.

Al met al een goed besluit dat ervoor kan zorgen dat er minder praktische problemen ontstaan.

Bron fiscaal bestuursrecht

Besluit fiscaal bestuursrecht 2015.

Nieuw besluit fiscaal bestuursrecht [news] 2015-01-27 0000-00-00 0000-00-00 4484

(On)partijdig: de oud-belastingambtenaar als rechter

Bij een procedure is het van belang dat een rechter onpartijdig is. Soms kan belastingplichtige hieraan terecht twijfelen. In dit artikel een beoordeling en enkele procedures, gaat u er eens rustig voor zitten.

Inleiding, is de rechter onpartijdig

Binnen de belastingrechtspraak bestaat er een lange traditie van rechters met een arbeidsverleden binnen de Belastingdienst of het Ministerie van Financiën. Op zich hoeft dat geen bezwaar te zijn en hun kennis en ervaring zal zeker nuttig zijn. De laatste jaren zien we (gelukkig) dat meer en meer mensen uit de wetenschap en de advieswereld instromen als belastingrechter. Ook uit andere afdelingen van de rechtbanken switchen rechters naar de belastingrechtspraak.

Onafhankelijkheid

So far, so good. De problemen beginnen als de belastingplichtige (of diens adviseur) wordt geconfronteerd met een rechter die zich in zijn vorige baan heeft beziggehouden met een zaak (of vergelijkbare zaak) waarover hij nu (als rechter) een oordeel moet geven. Op zich mogen we ervan uitgaan dat de rechter zijn werk onbevooroordeeld en onafhankelijk doet. Dat is ook het uitgangspunt van de wetgever. Dat wijzigt als het er alle schijn van heeft dat het toch niet helemaal lekker zit. De Hoge Raad schrijft het veel mooier op:

  • “Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de belanghebbende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de belanghebbende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is[1]

Het draait dus allemaal om zwaarwegende aanwijzingen. Die aanwijzingen hoeven niet bewezen te worden of feitelijk aanwezig te zijn. Voldoende is als de vrees van vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Toch nog een hele kluif om dat aannemelijk te maken.

Voorbeelden van (on)afhankelijkheid

De grens is soms erg dun. Laten we twee typische zaken bekijken. Allereerst de zaak van het hiervoor aangehaalde citaat. De Hoge Raad oordeelt:

  • “De omstandigheid dat een raadsheer in de Hoge Raad in een aan zijn raadsheerschap voorafgaande functie betrokken was bij het overbrengen van het standpunt van de Nederlandse Staat in procedures bij (thans) het Hof van Justitie van de Europese Unie, biedt geen grond voor gerechtvaardigde twijfel aan de niet-vooringenomenheid van de betrokken raadsheer, ook als wordt aangenomen dat het hier eenzelfde kwestie als in de onderhavige procedure bij de Hoge Raad zou betreffen. Die inbreng geschiedde immers in de hoedanigheid van de toenmalige functie van de betrokken raadsheer als gemachtigde van de Nederlandse Staat. Zij gaf niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de ambtenaar zelf weer. De functie waarin de betrokken ambtenaar thans te werk is gesteld, te weten die van raadsheer in de Hoge Raad, brengt mee dat hij is geroepen als rechter de toepasselijke regelingen uit te leggen en toe te passen. Daarbij is hij in geen enkel opzicht gebonden aan eerder ingenomen standpunten in zijn hoedanigheid van gemachtigde van de Nederlandse Staat.”

Dus een lid van de Hoge Raad heeft de schijn niet (of onvoldoende?) tegen als hij in een eerdere functie de Staat diende in zaken waarin dezelfde kwestie speelde als waarover hij als rechter moet oordelen.

Enige gelijkenis met de volgende zaak[2]valt niet te ontkennen. De volgende feiten waren aan de orde:

  • “i) voorafgaand aan zijn toetreding tot de rechterlijke macht was mr. X vanaf het jaar 2000 tot in elk geval 1 januari 2011 lid van de CCB (Coördinatieteam Constructiebestrijding);
  • ii) [B] was vanaf het jaar 2000 eveneens lid van de CCB. Hij heeft zich vanaf de zomer van 2004 beziggehouden met de bestrijding van oogst-op-stamconstructies en is als gemachtigde van de Inspecteur rechtstreeks betrokken geweest bij de onderhavige zaak, ook tijdens het hoger beroep;
  • iii) blijkens het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 25 mei 2000, nr. CPP 2000/584M, BNB 2000/233, bestond de CCB uit dertien leden;
  • iv) de bestrijding van (vermeende) oogst-op-stamconstructies, waarvan volgens de Inspecteur ook in de onderhavige zaak sprake is, vond gecoördineerd plaats;
  • vi) in de toespraak heeft de toenmalige staatssecretaris van Financiën het volgende opgemerkt:

    "En bij een viering horen de successen. Graag benoem ik er zes van de constructiebestrijding. Ziet u het als een Greatest Hits van de CCB en de CTC: (…) de bestrijding van "oogst-op-stamconstructies".

De Hoge Raad oordeelde:

  • “De hiervoor (…) genoemde omstandigheden, tezamen en in onderling verband bezien, leveren zwaarwegende aanwijzingen op die de objectief bezien gerechtvaardigde vrees konden doen ontstaan dat wat betreft mr. Gladpootjes geen sprake is geweest van rechterlijke onpartijdigheid. De in het verweerschrift in cassatie aangevoerde stelling, ook indien juist, dat de bestrijding van oogst-op-stamconstructies geen project was van de CCB zelf en de mededeling van mr. Gladpootjes ter zitting van het Hof, inhoudende "dat [hij] niet betrokken [is geweest] bij de onderhavige zaken" nemen de grond voor evenbedoelde vrees niet weg.”

Dus het feit dat de raadsheer lid was van een team dat constructies bestreed (maar niet vaststaat dat de raadsheer zich destijds ook met dat dossier bemoeide) waarover nu een oordeel als rechter wordt gevraagd, waarbij de Belastingdienst wordt vertegenwoordigd door een oud-collega van die raadsheer, heeft de schijn wel (voldoende) tegen.

Conclusie onafhankelijke fiscale rechter

Geïsoleerd bezien is het oordeel in beide zaken (wellicht) te billijken. Houden we de zaken dicht tegen elkaar, dan springen de overeenkomsten toch wel in het oog. Toch een andere uitkomst. Iemand die in een team zat dat eenzelfde aangelegenheid behandelde namens de Belastingdienst (Staat) is ‘verdacht’ en iemand die (in zijn functie) het standpunt van de Staat vertegenwoordigde in eenzelfde aangelegenheid is niet ‘verdacht’.

Het kenmerkende onderscheid tussen de zaken, dat een andere uitkomst rechtvaardigt, zie ik niet. Gooit de oud-collega roet in het eten? Of is het zo dat een raadsheer in de Hoge Raad nog iets onafhankelijker is (wordt geacht te zijn) dan een raadsheer in een gerechtshof?

Toetsing onafhankelijkheid

Als u zwaarwegende aanwijzingen heeft die de vrees van vooringenomenheid van de rechter objectief rechtvaardigen, heeft u de mogelijkheid tot wraking om een andere rechter op de zaak te krijgen. Dat wrakingsverzoek wordt behandeld door een wrakingskamer. Die kamer bestaat standaard uit drie rechters van dezelfde instantie (collega’s van de te wraken rechter dus). Tegen de uitspraak van de wrakingskamer is geen hoger beroep mogelijk. Wel kan dat oordeel (in hoger beroep) worden getoetst bij de beoordeling van het hoger beroep in de bodemzaak (waarin dus is beslist door een ‘niet gewenste’ rechter. Een dunne waarborg, maar toch.

Behandeling van wrakingsverzoeken bij de Hoge Raad

De Hoge Raad is, voor belastingzaken, de hoogste rechter. Over wrakingsverzoeken van de (leden van de) Hoge Raad oordeelt hij zelf. Zou het voor de onafhankelijkheid en de schijn daartegen, niet beter zijn die wrakingsverzoeken onder te brengen bij een andere rechter? Bijvoorbeeld de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste algemene bestuursrechter (vice versa)?

De onafhankelijkheid van de rechter is een groot goed. Controleer dat in uw zaak. In toenemende mate maakt de rechtbank de naam of namen van de rechter(s) in de uitnodiging voor de zitting bekend. Vraag daarom als dat niet het geval is. Steeds vaker stemmen de rechtbanken de zittingsdata vooraf af. Vraag op dat moment naar de naam van de rechter. Maak uw – objectief gerechtvaardigde – bezwaren kenbaar, dan kan de zaak intern nog aan een andere rechter worden gegeven.

Bij de toedeling van de zaken kan de rechter ook kort bezien of zich in die zaak een onafhankelijkheidsprobleem kan voordoen. Als dat het geval is, kan de zaak nog geruisloos naar een andere rechter.

Afsluiting

Vaak worden binnen een rechtbank zaken toebedeeld aan een bepaalde rechter, juist met het oog op diens kwaliteiten en expertise op een bepaald gebied. Op zich een goede zaak, maar de onafhankelijkheid gaat voor. Zelfs aan de schijn van onafhankelijkheid kan niet worden geknabbeld.

Bron onafhankelijke fiscale rechter

Is fiscale rechter onpartijdig [news] 2016-03-10 0000-00-00 0000-00-00 4909

Bestuurdersverbod door de Belastingdienst

De Belastingdienst kan de curator vragen om een (civielrechtelijk) bestuursverbod voor zogenaamde "boefjes" of malafide bestuurders. Deze optie staat (dadelijk) eigenlijk voor alle schuldeisers open. De bevoegdheid om een bestuurdersverbod op te leggen komt bij de curator te liggen, de toetsing zal door de rechter plaatsvinden. De Belastingdienst zal hiertoe besluiten als er bijvoorbeeld sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid. Er is veel kritiek op het verbod, dit met name vanuit MKB Nederland en VNO NCW.

Status bestuurdersverbod

Het wetsvoorstel ligt nu bij de Eerste Kamer. Er wordt al 2-3 jaar over gesproken. De verwachting is dat dit wetsvoorstel na de zomer wordt ingevoerd. De wijzigingen in het voorstel kunt u hier raadplegen. Het wetsvoorstel kunt u hier vinden.

Het bestuursverbod

Faillissementsfraude moet worden voorkomen, dit is duidelijk en een goed uitgangspunt. De ondernemer wordt aan de publieke "paal" gehangen gedurende een periode van 5 jaar. Er komt een openbaar register waar de bestuurders in worden genoemd en hierdoor werken notarissen en de KvK niet meer mee aan de oprichting van rechtspersonen / ondernemingen en / of het inschrijven van deze bestuurders.

In het wetsvoorstel staat ook een bepaling die moet voorkomen dat bestuurders via stromannen proberen invloed uit te oefen.

Een bestuurder van een rechtspersoon kan een bestuursverbod opgelegd krijgen bij een faillissement waarbij hij / zij ernstig tekort is geschoten. Hierbij wordt er gekeken naar de handelingen gedurende 3 jaren voorafgaande aan het faillissement. Voorbeeld zijn:

  • Wegsluizen vermogen van de rechtspersoon;
  • Boekhouding niet op orde;
  • Betrokkenheid bij eerdere faillissementen.

De bepaling is niet geheel nieuw, voor stichtingen kent de wet al een dergelijke bepaling (2:298 BW).

Advies inzake bestuursverbod

Als een rechtspersoon een vergrijpboete krijgt opgelegd, kan dit de opstap zijn naar een bestuurdersaansprakelijkheid en later een bestuursverbod. Krijgt u hiermee te maken, maak dan een vrijblijvende afspraak zodat wij met u kunnen meedenken.

Bestuursverbod door belastingdienst [news] 2016-03-29 0000-00-00 0000-00-00 4918

De macht van de Belastingdienst

De Belastingdienst heeft als taak om belastingen te innen en particulieren en ondernemers te controleren conform onze Nederlandse fiscale wetgeving. Om dit te kunnen doen hebben ze informatie nodig, erg veel informatie zoals vaak in de praktijk blijkt. Waar haalt de Belastingdienst deze informatie vandaan? Welke informatie moet u verstrekken?

De Belastingdienst wordt steeds machtiger

Uit de Panama Papers blijkt dat particulieren en bedrijven soms hun vermogen in het buitenland verstoppen. De internationale gegevensuitwisseling loopt gelukkig steeds beter en hiertoe zijn er ook veel nieuwe verdragen door Nederland afgesloten. Naast de Europese spaarrichtlijn (2005) is er ook nog de Europese Bijstandsrichtlijn. Beide richtlijnen moeten bijdragen aan een betere en vlottere informatie-uitwisseling. Tegenwoordig wordt naast rente ook informatie uitgewisseld over:

  • arbeidsinkomen;
  • pensioen;
  • eigendommen in het buitenland (zoals woningen);
  • buitenlandse bankrekeningen.

Ook in Nederland zijn er steeds meer instanties betrokken bij een (automatische) informatie-uitwisseling met de Belastingdienst, hierbij kunt u denken aan:

  • banken (bankrekeningen en effecten);
  • verzekeraars (polissen en premies);
  • gemeenten (adresinfo en WOZ-waarden van panden);
  • RDW (auto's etc.);
  • zorgkantoren;
  • leasebedrijven (info auto's);
  • Kamer van Koophandel;
  • Kadaster;
  • notarissen (akten);
  • Nederlandse Spoorwegen;
  • UWV (uitkeringen / inkomen).

Tevens kan de Belastingdienst informatie opvragen bij bedrijven en overige instanties, dit kan zelfs onder dwang. Hierbij kunt u denken aan bijvoorbeeld informatie over parkeerautomaten en informatie van de politie (omtrent snelheidsovertredingen en camera's boven de weg).

Sinds 2015 is er ook nog een extra afspraak (tussen ongeveer 100 landen), de zogenaamde Common Reporting Standard. Deze landen zullen vrijwel automatisch informatie aan elkaar gaan geven. Vanaf 2017 (of 2018) krijgt de Nederlandse Belastingdienst dus nog meer informatie over buitenlandse vermogens.

Machtsmisbruik door de Belastingdienst

Machtsmisbruik door de overheid is een oud verschijnsel. Overal waar technische (hulp-)middelen zijn, zullen deze worden gebruikt en ingezet. Iedereen weet dat informatie "macht" kan betekenen en steeds belangrijker gaat worden. De politiek zal hier toezicht op moeten houden, maar laat dit vaak lopen. Vorenstaande in combinatie met derdenonderzoeken (artikel 53 AWR) maakt de Belastingdienst tot een instantie die wel heel veel informatie verkrijgt of kan verkrijgen, zelfs met de sterke arm.

De Belastingdienst heeft veel informatie, krijgt veel informatie automatisch en kan veel informatie opvragen. Deze informatiestroom zal de komende jaren alleen nog maar toenemen. Dit brengt ook gevaren met zich mee, laten we zeggen risico's. De belangrijkste is de bescherming van privacy. Dit moet worden afgewogen tegen het risico van (fiscale) fraude en de informatiebehoefte van de Belastingdienst. Steeds vaker vinden rechters de privacy minder van belang, dit zal een zorg / probleem gaan worden. Logisch nadenken en een redelijke invulling zullen er bij de Belastingdienst (eigenlijk de wetgever) voor moeten zorgen dat de balans blijft.

Het college bescherming persoonsgegevens onderschrijft dat de Belastingdienst zich bescheiden / beperkt moet opstellen bij haar handelen. De grens tussen machtsmisbruik en gebruiken van controlemiddelen is een grijs gebied en de toekomst zal leren waar dit schip gaat stranden. 

Machtsmisbruik Belastingdienst [news] 2016-04-20 0000-00-00 0000-00-00 4927

Geen uitstel van betaling meer bij Belastingdienst, en dan?

De Belastingdienst legt een aanslag op en u bent het hier niet mee eens. Er wordt bezwaar aangetekend en wellicht gaat u nog in beroep tegen de aanslag. Het aantekenen van bezwaar of beroep wil nog niet zeggen dat u de aanslag niet hoeft te betalen, in ons jargon: "het schort de betalingsverplichting niet op."

Dit kan voor u als belastingplichtige verstrekkende gevolgen hebben. U bent het niet eens met de aanslag, maar u krijgt geen uitstel van betaling voor de aanslag of u moet zekerheid stellen voor de aanslag (wat dan weer uw vermogen zal beklemmen). Als de afdeling invordering haar werk opstart en bijvoorbeeld via (dwang) invordering het geld (van de aanslag) zou invorderen, kan dit onomkeerbare gevolgen hebben. Als u het hier niet mee eens bent, heeft u 2 opties:

  1. Civiele rechter: u stapt naar de (civiele) rechter om verzet aan te tekenen tegen de invordering (incassobevoegdheid) van de invorderaar / Belastingdienst. De rechter kan de invordering (tijdelijk) opschorten.
  2. Fiscale rechter: u  stapt naar de fiscale rechter voor een voorlopige voorziening om de invordering / aanslag te schorsen.

Verzet procedure bij belastingaanslagen

Een verzetprocedure is een procedure bij de civiele rechter. Deze procedure beschermt de belastingplichtige tegen de te ver gaande invorderingsmogelijkheden van de ontvanger. De Belastingdienst kan zich namelijk - anders dan normale schuldeisers - via een dwangbevel een bevoegdheid geven om beslag te leggen en vervolgens deze goederen te verkopen. Normale schuldeisers moeten hiervoor eerst langs de rechter (executoriale titel ophalen). De ontvanger doet dit zelf, derhalve geen toezicht van een onafhankelijke rechter (slager keurt zijn eigen vlees). Hoewel wij regelmatig dergelijke procedures voorbereiden, moet u hierbij met een advocaat samenwerken. Meestal wordt er aan de rechter het volgende gevraagd:

  • Terugbetaling van betaalde of verrekende bedragen;
  • Opheffing van de gelegde beslagen;
  • Verplichting voor de Belastingdienst om tijdens het bezwaar / beroep uitstel van betaling te verlenen (zonder zekerheid);
  • Schadevergoeding voor onrechtmatig handelen van de invorderaar.

De schorsende werking begint op het moment dat uw deurwaarder de dagvaarding aan de ontvanger van de Belastingdienst heeft uitgebracht. De zaak gaat dan tijdelijk op slot, dit tot het moment dat de Belastingdienst uitspraak heeft gedaan. In de procedure kunt u een aantal zaken aan de orde stellen:

  1. Aanslagen niet of niet tijdig ontvangen (vaak kleine kans).
  2. U bent het niet eens met de aanslagen (onterecht / te hoog / etc.) (vaak kleine kans, kan civiele rechter lastig beoordelen).
  3. Er is uitstel van betaling verleend.
  4. De aanslag is betaald of verrekend.
  5. De betalingsverplichting is verjaard.
  6. Geen reden voor versnelde invordering of executie.
  7. Besluit van de invorderaar is lichtvaardig of onrechtmatig genomen.
  8. Aanslag is nog niet onherroepelijk omdat er nog bezwaar / beroep loopt (dan om schorsing vragen).

Als u kansloos verzet zou aantekenen, dan nog moet de invorderaar hier naar luisteren en de beslissing van de rechter afwachten. De Belastingdienst was wel eens van mening dat verkoop van de goederen waar beslag op lag gewoon kon doorgaan als u alleen maar zeurde en de procedure van verzet misbruikte. De Hoge Raad  (d.d. 1 mei 2015 ECL NL HR 2015 1188) is het hier niet mee eens. Zou de Belastingdienst de invordering toch doorzetten, dan is zij aansprakelijk voor de schade.

Voorlopige voorziening bij belastingaanslagen

De fiscale voorziening moet u instellen bij de fiscale rechter. Dit kan alleen als er sprake is van onverwijlde spoed, dit zal bij een beslaglegging meestal wel het geval zijn. De rechter zal eerst beoordelen of uw verzoek ontvankelijk is (voldoende spoedeisend, bijvoorbeeld als door beslag / verkoop uw bedrijf failliet gaat of niet meer kan functioneren), daarna komt de rechter toe aan de inhoudelijke beoordeling. Voordeel van de fiscale route is, dat de belastingrechter wel iets kan vinden van de rechtmatigheid van de aanslagen. De fiscale rechter zal minder snel de invordering van de aanslag schorsen, tenzij sprake is van een lichtvaardig genomen besluit van de invorderaar en / of een onrechtmatig besluit.

U moet wel tijdig bezwaar / beroep hebben ingesteld tegen de aanslagen, anders is een voorlopige voorziening niet mogelijk. Voor de rechter moet duidelijk worden dat u als belastingplichtige de fiscale procedure gaat winnen ( de aanslag blijft niet in stand), hierdoor vervalt ook de betaling en rechtvaardiging voor de invorderingsmaatregelen.

De rechter doet soms (op uw verzoek of vanuit zichzelf) direct uitspraak. Tegen de uitspraak in een voorlopige voorziening staat geen (hoger) beroep of cassatie open.

Wat is in een procedure van belang?

  • Rechters hebben vaak weinig zin om inhoudelijk (helemaal) naar de zaak te kijken. Dwing ze hiertoe door uw standpunten uitgebreid en duidelijk te motiveren.
  • Neem jurisprudentie op waaruit in vergelijkbare gevallen de voorlopige voorziening is toegewezen.

Vragen

Bel gerust met onderstaande adviseur voor een vrijblijvende (telefonische) afspraak.

Geen uitstel van betaling [news] 2016-08-24 0000-00-00 0000-00-00 4966

Openbaar Ministerie vordert informatie

Er wordt steeds meer informatie digitaal opgeslagen, dit zowel bij accountants, belastingadviseurs en banken. Het Openbaar Ministerie (OM) kan eenvoudig deze informatie opvragen, ook al bent u geen verdachte. In dit artikel een overzicht van de mogelijkheden en onmogelijkheden.

Informatie vorderen door OM

De hoogste hoeder van de openbare orde is feitelijk het OM. Ze hebben (te) veel rechten om informatie bij derden op te vragen. Als de informatie / gegevens in redelijkheid van belang zijn voor een onderzoek, dan kan de informatie ook bij niet-verdachten worden opgevraagd. Hierbij moet u denken aan:

  • informatie bij accountants en belastingadviseurs over klanten;
  • bankgegevens bij banken;
  • reisinformatie bij reisbureau's;
  • telefoongesprekken bij telefoonmaatschappijen.

Het wettelijk kader is eenvoudig, het Wetboek van Strafvordering (Sv) kent de mogelijkheid om bij derden informatie te vorderen (o.a. art. 126nd Sv). Als het belastingadvieskantoor of de accountant de informatie verstrekt, kan er een aansprakelijkheidsstelling van de klant volgen (privacygevoelige data verstrekken). Het kantoor wordt dan spreekwoordelijk door de kat (OM) of de hond (de klant) gebeten. Daarnaast hebben deze beroepsgroepen een (soms wettelijk verankerde) geheimhoudingsplicht. Soms staat er informatie op buitenlandse servers, hoe zit het met deze informatie?

Wat moet de accountant / belastingadviseur wel en niet verstrekken?

Als de accountant of belastingadviseur wetenschap heeft van fraude, dan moet hij dit melden aan de Belastingdienst of het OM. Tevens moet er zelfstandig een nader onderzoek plaatsvinden. De accountant mag dan de geheimhoudingsplicht doorbreken, dit geldt niet altijd (afweging omvang en soort fraude). Als een accountant / belastingadviseur weigert informatie te verstrekken, dan zal het OM dwangmiddelen inzetten (doorzoeking, inbeslagneming, etc.). Als de accountant de klant informeert over het verzoek van het OM, dan is dit strafbaar. Er zijn wel oplossingen, welke?

  • Vroegtijdig een advocaat inschakelen zodat er een afgeleid verschoningsrecht kan gelden. Eventueel kan de accountant een advocaat inschakelen om "mee te denken", ook dan geldt dit verschoningsrecht. Soms gaat dit niet helemaal goed (artikel 126d SV). Dit zal hoogstwaarschijnlijk wel in strijd zijn met diverse bepalingen van het EVRM, dit is echter (nog) niet onder de hamer geweest. Een ander probleem is dat de accountant een geheimhouding heeft en niet zomaar een advocaat mag oplijnen in een dossier van de klant. Krijgt u een probleem, dan is de beste koers: geen informatie verstrekken en in kort geding proberen duidelijkheid te krijgen.
  • Server in het buitenland neerzetten: in de wetsgeschiedenis is onderkend dat de Nederlandse wet geen grondslag kan bieden voor een onderzoek in een server / computer welke in het buitenland staat. Het OM is echter van mening dat dit geen probleem is als de accountant / belastingadviseur (of andere derde) de gegevens zonder verdere problemen kan benaderen, zonder toestemming van een derde. Dit lijkt raar, immers "de landsgrenzen leveren meerdere jurisdicties op". Het OM heeft bevoegdheden binnen de Nederlandse landsgrenzen en niet daarbuiten. Soms wordt informatie in de cloud opgeslagen, op verschillende servers, waarvan we feitelijk niet direct weten waar deze servers precies staan. Het OM maakt het niets uit, edoch de wet is hierover niet duidelijk (of juist wel: "het mag niet"). In een casus bij Microsoft ging het om een e-mail account dat in het buitenland (Ierland) stond en door de autoriteiten in de VS wordt opgeëist. Microsoft wordt volledig in het gelijk gesteld door de rechter, informatie verstrekken uit Ierland is niet nodig. Je kunt de wetgeving in Ierland niet zomaar opzij zetten als de VS om informatie verzoekt, aldus de rechter.

Procedure softwareleverancier

In een procedure bij de Rechtbank Overijssel (1 februari 2017) klaagde een leverancier van aangifte- en adviessoftware (voor accountants) tegen het OM en de FIOD. De leverancier is benaderd door de FIOD om informatie van de software af te geven. Er lag een bevel dat door de rechter-commissaris aan de Officier van Justitie is afgegeven. De informatie is verstrekt en de klaagster wil via de procedure bereiken dat de informatie niet mag worden gebruikt. Redenen:

  • De leverancier is geen aanbieder van telecommunicatie diensten;
  • Niet proprotioneel;
  • Schending subsidiariteitbeginsel;
  • Ernstige schade commerciële belangen.

De rechter stelt het OM in het gelijk en overweegt het volgende:

  • Informatie staat op server in Ierland (dus telecommunicatiedienst);
  • Eisen proportionaliteit en subsidiariteit in acht genomen (immers RC is gevraagd).

Noot fiscaal jurist

Het inschakelen van een advocaat en het werken met een cloud-oplossing buiten Nederland lijkt voor Nederlandse banken, accountants en belastingadviseurs een prima oplossing. Het is nog niet helemaal duidelijk, maar het versterkt wel hun positie.

Bron

Rechtbank Overijssel d.d. 1 februari 2017 (ECLI NL RBOVE 2017 417).

OM vordert informatie [news] 2016-12-08 0000-00-00 0000-00-00 5015

Getuigenaanbod in belastingzaken

Het belastingrecht kent (in de meeste gevallen) de zogenoemde vrije bewijsleer. Dat betekent dat eenieder zijn stellingen en standpunten kan onderbouwen met de bewijsmiddelen die hij wenst. Doorgaans zullen dat schriftelijke stukken zijn. Doch de verklaring van een getuige is ook zo’n middel. Het is aan de rechter de waarde van een bewijsmiddel te wegen. In het overleg met de Belastingdienst en in de bezwaarprocedure kunnen getuigenverklaringen nuttig zijn om de inspecteur (alsnog) te overtuigen van uw standpunt. Volgens de Hoge Raad mag een rechter een aanbod om getuigen te horen niet zomaar in de prullenbak gooien.

Getuigen bij de rechter

In de beroepsprocedure bij de Rechtbank (en hoger beroep bij het Gerechtshof) kent de wet ook de mogelijkheid getuigen ter zitting te horen. Dat kan door getuigen zelf op te roepen of ter zitting mee te nemen (en dat vooraf aan de Rechtbank mede te delen). Ook kan aan de Rechtbank worden verzocht de getuige op te roepen. Meestal vindt de rechter het meer dan prima dat getuigen worden gehoord. Dit kan anders zijn als de rechter de verklaringen inschat als "niet relevant". Een verzoek aan de rechter om getuigen op te roepen verdwijnt wel steeds vaker in de prullenbak. Wilt u mensen horen tijdens een zitting, dan moet u deze dus zelf oproepen, dit voorkomt mogelijke risico's. Overschat een getuigenverklaring niet, veel rechters wegen deze beperkt mee. Het ondersteunen van een verklaring met schriftelijke bescheiden heeft dus altijd de voorkeur.

Getuigenbewijs wordt verworpen door rechter

De Hoge Raad was in 2016 van mening dat een rechter een aanbod om getuigen te horen niet zomaar van tafel mag schuiven. Volgens de Hoge Raad (hoogste rechtscollege) is het Gerechtshof Den Haag op ondeugdelijke gronden voorbij gegaan aan het aanbod van belastingplichtige om via getuigen bewijs te leveren voor zijn stelling. Het aanbod is door het Gerechtshof verworpen omdat het niet gespecificeerd zou zijn. Dit is niet juist, aldus de Hoge Raad. Daarnaast had het Gerechtshof ook simpelweg om een toelichting kunnen vragen. In 2018 schoof het Gerechtshof Amsterdam het getuigenaanbod opzij, dit echter op andere gronden (fiscaal beroep was niet mogelijk).

Noot fiscaal jurist

Indien u in een conflict raakt of dreigt te raken met de Belastingdienst en u meent dat daarbij een belangrijke rol kan zijn weggelegd voor getuigen, zorg er dan voor dat hun verklaring zo snel mogelijk wordt vastgelegd. Enerzijds kan die verklaring dan al in de discussie met de inspecteur (of in bezwaar) worden ingebracht, waardoor het geschil snel kan worden opgelost. Anderzijds ligt dan de verklaring vast en wordt voorkomen dat herinneringen en geheugen vervagen. Het kan immers wel jaren duren voordat een getuige op zitting wordt gehoord.

Als u het in (hoger) beroep nog moet hebben van getuigenverklaringen, is de kans op succes gering en niet ondenkbeeldig dat in de voorfase zaken onderbelicht zijn gebleven.

Neem dus contact op met uw adviseur als u verwacht dat bepaalde feiten die (alleen) door getuigen kunnen worden bevestigd, van belang kunnen zijn bij een (toekomstig) geschil met de Belastingdienst. Beter vooraf begrepen dan achteraf vergeten.

Bron getuigen bij de belastingrechter



HR ECLI:NL:HR:2009:BH5559.  



HR ECLI:NL:HR:2014:1194.



HR ECLI:NL:HR:2013:196.



HR ECLI:NL:HR:2014:783.

Hoge Raad 16 december 2016 ECLI NL HR 2016 2860.

Getuigenaanbod in belastingzaken [news] 2016-12-16 0000-00-00 0000-00-00 5016

Geen navordering ondanks foutieve aangifte Inkomstenbelasting

Hof Den Haag heeft op 21 december 2016 een interessante uitspraak gedaan, waaruit blijkt dat het opleggen van een navorderingsaanslag door de Belastingdienst niet zomaar kan, ook al is duidelijk dat er een foutieve aangifte is ingediend.

Casus

In deze zaak ging het om iemand die psychosociale zorg verleende aan houders van een PGB. Omdat hij daarnaast ook nog les gaf aan een VMBO, was er geen sprake van winst uit onderneming maar van resultaat uit overige werkzaamheden.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte de omzet opgevoerd verminderd met reiskosten en overige kosten. Deze kosten waren eveneens vermeld in de aangifte, het gaat om de jaren 2009 tot en met 2013. In eerste instantie zijn bij het opleggen van de aanslagen de ingediende aangiften zonder correctie gevolgd. Na ontvangst van een bericht van de werkgroep PGB waarin wordt aangegeven dat de kosten ongebruikelijk hoog zijn, legt de inspecteur de navorderingsaanslagen op.

Uitspraak Hof

Het Hof legt uit dat op grond van artikel 16 lid 1 AWR nagevorderd mag worden als er sprake is van een nieuw feit. Als er geen sprake is van een nieuw feit kan alsnog worden nagevorderd indien er sprake is van te kwader trouw van belastingplichtige.

De inspecteur en de Rechtbank waren van mening dat er sprake is van een nieuw feit. Omdat de aangifte een betrouwbare indruk maakte, hoefde de inspecteur deze niet nader te onderzoeken. Hier denkt het Hof anders over. Gelet op de omvang van de opgevoerde kosten en de aard en de hoogte van de inkomsten, had de inspecteur na zorgvuldige kennisname van de aangiften voor het opleggen van de primitieve aanslagen nader onderzoek moeten instellen. Door dit niet te doen heeft hij een ambtelijk verzuim begaan.

Van te kwader trouw is eveneens geen sprake omdat de aangifte is opgesteld door een financieel deskundige. Belastingplichtige hoefde niet te twijfelen aan de deskundigheid van deze deskundige. Hierdoor kan aan de belastingplichtige geen te kwader trouw worden verweten.

Conclusie van het Hof: de navorderingsaanslagen dienen te worden vernietigd.

Geen navordering ondanks foutieve aangifte Inkomstenbelasting [news] 2017-01-13 0000-00-00 0000-00-00 5024

Bestuurder KvK niet direct aansprakelijk

De Hoge Raad deed op 17 februari 2017 een opmerkelijke cassatie-uitspraak. De Hoge Raad is van mening dat de Belastingdienst (de ontvanger) moet bewijzen dat de bestuurder volgens de Kamer van Koophandel-inschrijving ook echt bestuurder is geweest.

Bestuurdersaansprakelijkheid Belastingdienst

Via de fiscale aansprakelijkheid van bestuurders kan de Belastingdienst het privé vermogen van de DGA / bestuurder aan de haak slaan en hem hiervoor aansprakelijk stellen voor niet betaalde belastingen en premies. Een paar zaken die van belang zijn:

  • Het moet gaan om rechtspersonen die in Nederland VPB betalen.
  • De aansprakelijkheid geldt voor de formele bestuurder, de gewezen bestuurder, de beleidsbepaler en de bestuurder van het lichaam dat bestuurder van de andere rechtspersoon is.
  • Bestuurder kan aansprakelijk worden gesteld voor loonheffingen, BTW, rente, kosten etc., maar ook op grond van de zogenaamde ketenaansprakelijkheid.
  • Er geldt eigenlijk geen aansprakelijkheid als de betalingsonmacht tijdig (binnen 2 weken na de dag dat belasting moest worden betaald) is gemeld. Dit kan anders zijn als het een boefje betreft en het niet betalen is te wijten aan kennelijk onbehoorlijk bestuur (dit is zo als er sprake is van onverantwoord, onbezonnen of roekeloos gedrag van de bestuurder). Normale ondernemersrisico's nemen mag dus wel.

Procedure aansprakelijkheid bestuurder

De Belastingdienst stelt een bestuurder aansprakelijk voor BTW-schulden. De bestuurder stond ingeschreven bij het handelsregister maar was feitelijk niet de bestuurder van de B.V. De heer X is bestuurder van een holding. De holding is bestuurder van een werkmaatschappij A B.V. De holding wordt aansprakelijk gesteld voor BTW-schulden van A B.V. De heer X wordt als bestuurder ook aansprakelijk gesteld. De Rechtbank en het Gerechtshof zijn het met de Belastingdienst eens, de heer X is aansprakelijk. De Hoge Raad denkt er anders over. De Belastingdienst / ontvanger moet bewijzen dat X bestuurder was en dat zijn inschrijving als bestuurder in het handelsregister hiervoor niet beslissend is. De beslissing van het Gerechtshof is niet juist en / of onvoldoende gemotiveerd op dit onderdeel. De zaak wordt verwezen naar een ander Gerechtshof. In deze procedure is het volgende van belang:

  1. Was X bestuurder?
  2. Wanneer is de betalingsonmacht gemeld?

Bron aansprakelijkheid bestuurder

Hoge Raad d.d. 27 juni 2008 ECLI NL HR 2008 BD5467.

Hoge Raad d.d. 17 februari 2017 ECLI NL HR 2017 248.

Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden d.d. 18 mei 2016 ECLI NL GHARL 2016 4086.

Rechtbank Gelderland d.d. 18 juni 2015 ECLI NL RBGEL 2015 3921.

Bestuurder KvK niet altijd aansprakelijk [news] 2017-02-20 0000-00-00 0000-00-00 5051

Griffierechten fiscale procedure

Griffierechten zijn een bijdrage in de kosten voor de rechtspraak. Beide partijen moeten griffierecht betalen. De griffierechten voor een fiscale procedure bedragen € 334 per procedure (particulieren € 168) (cijfers 2017). Voor beroepszaken bij het Gerechtshof bedraagt het griffierecht € 503 (particulieren € 124). De tarieven worden elk jaar hoger (index).

Splitsing griffierechten

Soms komt een belastingplichtige bedrogen uit en moeten er over meerdere jaren en / of over meerdere zaken griffierechten worden betaald. In een procedure bij de Rechtbank Noord Nederland in 2016 moest een belastingplichtige in eerste instantie 146 keer griffierechten betalen, uiteindelijk wordt dit door de Rechtbank teruggebracht tot 1x griffierecht. De heer X komt in beroep tegen drie (samenhangende) besluiten (namelijk een aanslag BPM, de boete en rente). X doet aangifte inzake 145 gebruikte en 1 nieuwe auto die worden ingevoerd. Na een boekenonderzoek zijn partijen het over de waarde van de auto's niet eens.

Noot fiscaal jurist

Als een beroepschrift wordt ingediend tegen twee of meer met elkaar samenhangende besluiten, dan is meestal slechts één keer griffierecht verschuldigd (artikel 8:41 lid 3 Algemene Wet Bestuursrecht). Van samenhangende besluiten is sprake als deze voortkomen uit één samenstel van feiten en omstandigheden, dit kan soms tot discussie leiden. Voorbeelden zijn:

  1. Aanslag Inkomstenbelasting, boete en rente (1 besluit);
  2. Aanslag BTW en VPB (voor bijvoorbeeld aftrekbare kosten of niet aangegeven omzet) (1 besluit).

Kwijtschelding griffierechten

Een BV (holding zonder activiteiten)  maakt al jaren verlies, heeft een negatief eigen vermogen en meer dan voldoende compensabele verliezen. Er wordt een ambtshalve aanslag vennootschapsbelasting opgelegd (met boete) en de BV maakt te laat bezwaar. Conclusie niet ontvankelijk. Tevens wordt er door de BV verzocht om kwijtschelding van griffierechten, reden "er is simpelweg geen geld". De aandeelhouder is volgens de rechtereen man van onweersproken gedrag en geloofwaardig. Van hem kan niet worden verwacht dat hij de griffierechten privé gaat betalen en/of aan de BV gaat lenen. Ook in cassatie bij de Hoge Raad wordt de uitspraak niet anders (81 RO).

Bron Griffierecht

Rechtbank Noord Nederland d.d. 6 december 2016 (ECLI:NL:RBNNE:2016:5333).

Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 26 februari 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:706)

Griffierecht in fiscale procedure [news] 2017-04-04 0000-00-00 0000-00-00 5114

Pleitbaar standpunt, boete en de Hoge Raad

Pleitbaar standpunt =geen boete

De Hoge Raad nuanceert zijn oordeel, maar regel blijft: bij een pleitbaar standpunt kan de Belastingdienst geen vergrijpboete opleggen.

Aangifte doen

Het doen van een belastingaangifte is lang niet altijd makkelijk. De wet eist echter wel dat gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden ingevuld[1]. Vaak is het voor ondernemers onduidelijk hoe de aangifte nu exact moet worden ingevuld en soms wordt bewust scherp aan de wind gezeild.

Het doen van aangifte is een verplichting en het doen van onjuiste aangifte kan leiden tot (forse) boetes. Bij onduidelijkheden wringt dat. Daarom hanteert de Hoge Raad sinds jaar en dag de leer van het pleitbare standpunt. In de kern komt dat erop neer dat, als je een pleitbaar standpunt hebt, je geen boete kunt krijgen.

Wat is nu een pleitbaar standpunt?

De Hoge Raad omschrijft dat als volgt:

“Van een pleitbaar standpunt is sprake indien aan de aangifte een standpunt ten grondslag ligt dat gebaseerd kan worden op een pleitbare uitleg van het (fiscale) recht, in die zin dat de belasting- of inhoudingsplichtige ten tijde van het doen van de aangifte – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht menen dat deze uitleg en daarmee de door hem gedane aangifte juist was (zie HR 21 april 2017, nr. 15/05278, ECLI:NL:HR:2017:638, NTFR 2017/1240).”

Duidelijk toch…?

Of niet helemaal.

Allereerst is er een verschil tussen een objectief pleitbaar standpunt en een subjectief pleitbaar standpunt. Objectief wil - kortweg - zeggen: los van de persoon die de aangifte doet. Het standpunt hoeft niet door degene die aangifte doet zelf te worden ingenomen of verwoord, het kan ook volgen uit andere rechterlijke uitspaken, literatuur of gewoonte. Bovendien kan het ook achteraf opkomen er alsnog ‘ondergeschoven’ worden. Daarentegen wil subjectief zeggen dat degene die aangifte doet, het pleitbare standpunt reeds bij de aangifte zelfstandig zo heeft ingenomen. De Hoge Raad kiest - gelukkig - voor de objectieve benadering (in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Raad van State)!

Waar zit de nuance nu in?

Recent heeft de Hoge Raad een arrest gewezen[2] (zo heet dat) waarin men oordeelt dat een bepaalde wet[3] betrekkelijk eenvoudige formele voorwaarden bevat om voor toepassing van de belastingvermindering in aanmerking te komen (het betrof bepaalde vereiste verklaringen).

Dat brengt naar het oordeel van de Hoe Raad mee dat het standpunt dat men wel recht heeft op de belastingvermindering omdat men wel voldoet aan de materiële (inhoudelijke) eisen, ondanks de afwezigheid van de vereiste verklaringen, niet naar objectieve maatstaven gemeten pleitbaar is.

Het standpunt is dus niet pleitbaar en een boete wel mogelijk.

Conclusie

Een pleitbaar standpunt sluit een vergrijpboete uit, ook als je de argumenten pas na de aangifte (of het opleggen van de aanslag) aanvoert. Die argumenten moeten wel (voldoende) steekhoudend zijn. Daarbij is wel vereist dat je de wet (en de bijkomende regelingen) leest en duidelijke regels niet negeert.

Je bent tenslotte Gekke Henkie niet. Dat moet dan ook weer worden geobjectiveerd, zodat de echt Gekke Henkies er ook niet mee wegkomen…

Dus: pleitbaar standpunt = geen boete

Heeft u ook een pleitbaar standpunt (nodig)? Bel ons gerust, wij zoeken graag mee!

Meer over pleitbaar standpunt

Fraus legis of pleitbaar standpunt

Pleitbaar standpunt of gevangenisstraf voor accountant

Geen vergrijpboete door fout adviseur




[1]Artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen

[3]Artikelen 14, leden 1 en 5, WVA en 12aa, lid 1 en lid 3 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering

Pleitbaar standpunt, boete en Hoge Raad [news] 2017-09-11 0000-00-00 0000-00-00 5193

Weigeren bewijsstukken onderbouwen

Het Gerechtshof mag niet zomaar nieuw bewijs weigeren en moet dit goed onderbouwen. De Hoge Raad eist van het Gerechtshof dat ze de procedure echt in al haar facetten opnieuw moet heroverwegen.

De procedure inzake bewijs

De Hoge Raad is van mening dat een bedrijf (in dit geval een GmbH) altijd bewijsstukken moet kunnen aanleveren als ze hierom vraagt. De GmbH heeft bij de rechtbankprocedure tijd en ruimte gekregen om bewijs aan te leveren en haar standpunt te onderbouwen. Tijdens de zitting stelt de GmbH dat ze bewijs wil leveren. Volgens het Hof is dit niet wenselijk omdat de waarde-ontwikkeling al eerder een discussiepunt in geweest (tijdens de zitting bij de Rechtbank). Volgens het Hof heeft de GmbH alle gelegenheid gehad haar standpunt te onderbouwen en moet ze tijdens de zitting niet meer zeuren. De Hoge Raad denkt hier anders over. Dat de GmbH in de gelegenheid is geweest om tijdens de rechtbankprocedure bewijsstukken te leveren wil nog niet zeggen dat een nieuwe gelegenheid om bewijs te leveren zomaar kan worden geweigerd. Er kan namelijk een reden zijn dat bepaald bewijs tijdens een eerdere zitting niet wordt verstrekt. Dit had het Hof moeten onderzoeken. De zaak wordt verwezen.

Noot fiscaal jurist over hoger beroep en bewijs

Als een belastingplichtige in een beroepsprocedure pas tijdens de zitting bewijsmateriaal verstrekt, is het vaak de vraag of een rechter dit nog wil of kan accepteren. Een goede procesorde zegt namelijk dat laat aangeleverd bewijs niet strookt met de gang van zaken tijdens een procedure. Een rechter moet in Hoger Beroep zelf onderzoek doen en moet deze procedure zien als een echte herkansing voor belastingplichtige. Het leveren van bewijs is geen spel of roulette.Tijdens een Hoger Beroep moet een belastingplichtige de kans krijgen om uit te leggen waarom bepaald bewijs nog niet eerder is verstrekt. Het kan namelijk zijn dat de Rechtbank heeft bepaald dat op onderdelen onvoldoende bewijs is geleverd, dit bewijs moet dan in Hoger Beroep aan de orde kunnen komen, ook al wordt dit pas tijdens de zitting naar voren gebracht.

Bron bewijsvoering in procedure

Hoge Raad d.d. 15 september 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2340).

Gerechtshof Den Haag d.d. 25 januari 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:103).

Rechtbank Den Haag d.d. 7 juli 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:8167).

Weigeren nieuw bewijs mag niet zomaar [news] 2017-09-21 0000-00-00 0000-00-00 5200

FIOD-onderzoek

Bij de opstart van ons kantoor was ik regelmatig betrokken bij de begeleiding van een FIOD-inval. Het komt in de praktijk zelden voor dat de FIOD een bezoek brengt aan uw bedrijf. Het is echter wel verstandig dat u weet hoe u moet handelen. De FIOD komt vaak zonder vooraankondiging.

Vooraf FIOD op Bezoek

De zwijger is sterker dan de spreker, dit is het uitgangspunt. De meeste mensen denken bij een FIOD-inval: “Ik heb niks fout gedaan.” Deze veronderstelling is prima, maar veelal is er meer aan de hand dan u overziet of kunt overzien. Zodra de FIOD bij u invalt, bel dan met uw accountant of nog beter, met uw fiscaal jurist. Zeg verder niks en geef aan dat de FIOD moet wachten op uw adviseur. Laat u geen woorden in de mond leggen en praat enkel over zaken die u uit eigen ervaring zeker weet.

Wanneer komt de FIOD?

Bij verdenking van een strafbaar feit of de medeplichtigheid hieraan komt de FIOD in beeld. Als u bezoek krijgt, dan bent u getuige of verdachte van een fiscaal delict / strafbaar feit. Het onderzoek start vaak vanuit een boekenonderzoek. Als de belastingambtenaar constateert dat u de schatkist heeft getild voor meer dan € 15.000, kan hij de FIOD informeren (particulieren € 10.000). Als u de drempel zou overschrijden, maar de schade van de schatkist is lager dan € 125.000, dan zal de FIOD meestal niet in beeld komen (tenzij bijzondere omstandigheden of onderdeel van een groter geheel, of als u een voorbeeldfunctie zou vervullen). De FIOD, Belastingdienst en officier van Justitie beslissen gezamenlijk of er een onderzoek wordt opgestart. De belangrijkste bevoegdheden van de FIOD zijn:

  1. betreden bedrijfspand;
  2. verhoren verdachte of getuige;
  3. administratie in beslag nemen.

Vragen over FIOD Onderzoek

Het begeleiden van een FIOD onderzoek is voor ons dagelijkse praktijk. Heeft u vragen of opmerkingen neem dan gerust contact op.

2017-11-16 0000-00-00 0000-00-00 5221

Geen onzakelijke lening bij verstrekte lening door minderheidsaandeelhouder

Gelukkig zijn er ook nog uitspraken waarbij geen onzakelijke lening wordt geconstateerd. In het onderstaande arrest is door de Hoge Raad geoordeeld dat de lening die belastingplichtige aan zijn werkgever heeft verstrekt niet is aan te merken als deelnemerschapslening en ook niet als onzakelijke lening.

Beschrijving feiten

Belastingplichtige was werkzaam (financieel directeur) bij zijn werkgever, X B.V. Deze B.V. was niet echt winstgevend  in de loop der jaren. In 2007 heeft X B.V. een grote opdracht verworven waardoor er extra geld benodigd was binnen X B.V. Belastingplichtige verwerft in 2008 een minderheidspakket aandelen in X B.V. voor een prijs van € 1 en verstrekt daarnaast een lening van € 300.000 aan X B.V. (als werkkapitaal zijnde). De andere 2 directieleden kopen ook een minderheidspakket aandelen en verstrekken tevens € 300.000 als lening zijnde. Verder heeft de grootaandeelhouder zijn lening van € 1,8 miljoen omgezet in een lening waarop dezelfde voorwaarden van toepassing zijn als op de lening van de directieleden.

Belastingplichtige zijn dienstbetrekking eindigt in 2011 waarbij hij zijn aandelen verkoopt voor €  1 en zijn lening verkoopt voor € 30.000. Als gevolg van de verkoop van de lening voor € 30.000 lijdt belastingplichtige een verlies van ruim €  330.000 (inclusief rente).

Uitspraak Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat de lening die X aan E B.V. heeft verstrekt, niet is aan te merken als een deelnemerschapslening. Ook is de lening volgens de Hoge Raad niet aan te merken als een onzakelijke lening. De Hoge Raad verwerpt hierbij de stelling van de Staatssecretaris dat de door de Hoge Raad ontwikkelde criteria ten aanzien van de deelnemerschapslening materieel moeten worden beoordeeld. Ten aanzien van de stelling van de Staatssecretaris dat er sprake is van een onzakelijke lening, wijst de Hoge Raad erop dat er geen sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in het arrest van 28 februari 2014. In casu hebben de toe te treden minderheidsaandeelhouders, onder wie de belastingplichtige, namelijk geld aan de debiteur verstrekt terwijl de meerderheidsaandeelhouder bij gelegenheid van die toetreding dat niet heeft gedaan. De Hoge Raad bevestigt de uitspraak van het Hof[1].

Zoals ook maar weer uit bovenstaand arrest blijkt zijn de exacte feiten en omstandigheden van wezenlijk belang voor de fiscale kwalificatie van een lening dan wel de afwaardering hiervan. Laat uw fiscaal jurist de kwalificatie beoordelen bij een eventuele discussie.




[1] Hof Arnhem - Leeuwarden oordeelt dat er geen sprake is van een bodemlozeputlening. Het Hof overweegt hierbij dat X ten tijde van het verstrekken van de geldlening nog niet eerder geld had geleend aan E B.V., en ook geen aandelen hield in E B.V. Volgens het Hof is het dan ook volstrekt onaannemelijk dat het op dat moment duidelijk was dat de hoofdsom nimmer zou worden terugbetaald. Ook is er geen sprake van een deelnemerschapslening of een onzakelijke lening.

Geen onzakelijke lening bij verstrekte lening door minderheidsaandeelhouder [news] 2018-01-11 0000-00-00 0000-00-00 5250

Bewijsuitsluiting Belastingdienst

Mag de Belastingdienst onrechtmatig verkregen bewijs in een procedure gebruiken? In de meeste gevallen is de rechter hier vlot klaar mee, dit mag niet. Vraag altijd dossierinzage, zodat u kunt zien hoe de Belastingdienst de informatie heeft verkregen en welke informatie de Belastingdienst in haar bezit heeft.

Als een Inspecteur via een U-bocht onrechtmatig informatie verkrijgt, zullen de hieruit voortvloeiende aanslagen veelal worden vernietigd.

Informatie via Officier van Justitie

Een Inspecteur wil informatie uit Hong Kong van een belastingplichtige ontvangen. De Inspecteur vraagt deze informatie (inzake een Ltd. in Hong Kong) op via artikel 25 van het belastingverdrag tussen Nederland en Hong Kong. De informatie wordt in 2011 opgevraagd en het verdrag is geldig vanaf 2012. Hong Kong stelt dat het verzoek te vroeg is ingediend en stelt dat zij de belanghebbende gaan informeren over het verzoek van de Inspecteur. De Inspecteur ziet verder af van het verzoek en schakelt de Officier van Justitie in. De Officier stuurt een briefje (rechtshulpverzoek) aan Hong Kong, hierin wordt om dezelfde informatie verzocht. De Officier doet dit in bedekte vorm en stelt in de brief: "het hoofddoel van mijn verzoek is niet gelegen in het feit dat belastingaanslagen worden opgelegd of belasting te innen." De Officier doet dus voorkomen dat er andere redenen zijn om het verzoek in te dienen. De informatie wordt door Hong Kong verstrekt en stelt: "u mag de informatie niet zonder goedkeuring voor andere doelen gebruiken dan in uw brief is opgenomen." De Inspecteur stuurt vervolgens een verzoekje aan de Officier en heeft op deze wijze zijn informatie alsnog "binnen".

Het Gerechtshof vraagt tijdens de zitting of er toestemming aan Hong Kong is gevraagd, hier komt geen duidelijk antwoord op. Vervolgens trekt de Inspecteur zijn bewijs in, dit in afwachting van goedkeuring door de autoriteiten in Hong Kong. Het Gerechtshof is er wel klaar mee, vorenstaande is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (fair play). Via een truc wordt het belastingverdrag ontweken en dit is onbehoorlijk en vals. Voor de liefhebber, lees een rechtsoverweging 4.23 - 4.25 in de uitspraak.

Informatie gekregen via tipgever

De Belastingdienst krijgt informatie via een tipgever. De tipgever heeft de informatie gestolen van zijn werkgever (verduisterd) en deze informatie tegen een redelijke vergoeding verkocht aan de Belastingdienst. De Belastingdienst is blij met de informatie en legt diverse aanslagen inkomstenbelasting op bij verschillende belastingplichtigen. De belastingplichtigen stappen naar de rechter omdat ze dit een slechte gang van zaken vinden. Informatie via heling verkregen mag niet tegen hen worden gebruikt, is hun mening. Het Gerechtshof 's Hertogenbosch (uitspraak februari 2018) is het met de belastingplichtigen eens. In de procedure beriep de Belastingdienst zich steeds op haar geheimhouding. De rechter accepteert deze stelling uiteindelijk, maar koppelt hieraan wel een belangrijk gevolg: "de informatie mag dan niet worden gebruikt." De Inspecteur heeft rechten, maar moet ook kritisch zijn op informatie welke aan haar wordt verstrekt. Tevens moet een belangenafweging worden gemaakt, elke belastingplichtige moet eerlijk aangifte doen, maar de Belastingdienst mag geen crimineel gedrag (gestolen informatie verkopen) belonen.

Als bonus krijgt de belastingplichtige ook nog € 50.000 aan proceskostenvergoeding.

Advies bij fiscale procedures

Het voeren van een fiscale procedure is steeds meer werk voor specialisten. Wij staan maandelijks in de rechtbank om de belangen van een belastingplichtige te vertegenwoordigen. Heeft u vragen of opmerkingen, bel of mail ons gerust.

Bron tipgever en verkregen bewijs

Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 20 februari 2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:515).

Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 23 juli 2020 (ECLI:NL:GHSHE:2020:2351)

Bewijs Belastingdienst [news] 2020-09-02 0000-00-00 0000-00-00 5270

Wanneer navorderingsaanslag

U krijgt een navorderingsaanslag als u volgens de Belastingdienst meer belasting zou moeten betalen dan eerder definitief is berekend (kan ook minder zijn, maar dit komt zelden voor). Navorderingsaanslagen worden meestal opgelegd in de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting (erfbelasting en schenkbelasting kan ook).

Wanneer mag de Belastingdienst een navorderingsaanslag opleggen?

De Belastingdienst beoordeelt uw aangifte, legt een definitieve aanslag op en het geld wordt uitbetaald. Normaal bent u dan klaar en is het jaar afgerond. In uitzonderingsgevallen mag de Belastingdienst terugkomen op haar standpunt. De belangrijkste gevallen zijn:

  1. Er is sprake van een nieuw feit (iets wat nog niet bekend was of bekend kon zijn);
  2. Schatting is onjuist;
  3. Kwade trouw bij belastingplichtige;
  4. U heeft geen aangifte gedaan;
  5. Er is sprake van een (duidelijke) type- of computerfout (en deze fout is voor u redelijkerwijs kenbaar).

Tot wanneer kan een navorderingsaanslag worden opgelegd?

Een navorderingsaanslag kan worden opgelegd binnen 5 jaar na het einde waarin uw belastingschuld is ontstaan. Betreft het inkomsten of vermogen uit het buitenland, dan bedraagt de termijn 12 jaar. Als u uitstel heeft gehad voor het indienen van de aangifte, dan moet u deze termijn bij de genoemde 5 of 12 jaar optellen.

Noot fiscaal jurist over navorderingsaanslagen

Vrijwel maandelijks behandelen wij in bezwaar of beroep situaties waarbij er een navorderingsaanslag is opgelegd. De kern van de vraag is dan: "mag het?" In dit onderdeel een aantal voorbeelden uit onze praktijk

  1. Kenbare fout of niet: in een mooie conclusie van de Advocaat-Generaal (20 februari 2018/ ECLI:NL:PHR:2018:180). De basis is dat de Belastingdienst slechts in uitzonderingsgevallen een navorderingsaanslag mag opleggen. Door de verregaande automatisering is de kans op fouten (bewust) groter geworden. De wet is hierop wel aangepast, bij computerfoutjes mag de Belastingdienst (meestal) ook navorderen. Een beoordelingsfout is echter geen kenbare fout (artikel 16 lid 2 letter c AWR), volgens de Hoge Raad op 27 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1528). Wat is een beoordelingsfout? Dit is een fout die wordt gemaakt door de Inspecteur omdat hij de wet of de feiten niet goed heeft toegepast. Meestal moet de aangifte dan wel door een mens worden beoordeeld. Als de Belastingdienst met ondeskundige of slordige mensen werkt, moet het niet zo kunnen zijn dat kan worden nagevorderd.
  2. In één oogopslag een fout zien: een fout moet redelijkerwijs kenbaar zijn. Kenbaar moet je volgens normaal spraakgebruik opvatten. De belastingplichtige moet het dus in één oogopslag kunnen zien. Zie voor een voorbeeld het arrest van de Hoge Raad op 10 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:8).
  3. Feit moet nieuw zijn: de Belastingdienst heft soms te weinig belasting omdat ze niet alles weten of kunnen weten. Het kan ook zijn dat belastingambtenaren of computers van de Belastingdienst langs elkaar heen werken. Als de Belastingdienst (lees: de Inspecteur) wil navorderen, dan moet er sprake zijn van een nieuw feit dat hij niet wist of niet kon weten. Daarnaast moet de belastingplichtige te kwader trouw zijn. In een aantal gevallen mag de Belastingdienst ook zonder nieuw feit of kwade trouw naheffen (bijvoorbeeld verkeerde verrekening voorlopige aanslag / verliesverrekening etc). Of een feit nieuw genoeg is, is vaak onduidelijk. De Inspecteur moet op de door u verstrekte informatie kunnen vertrouwen, maar moet ook zorgvuldig zijn en indien nodig nader onderzoek instellen. Hierbij moet hij ook gebruik maken van de informatie die binnen de Belastingdienst bekend is (of bekend had kunnen zijn). Als de ambtenaren niet goed samenwerken is veelal een navorderingsaanslag niet mogelijk.
  4. Deskundige adviseur helpt niet echt: In een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam d.d 14 augustus 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:3088) wordt door de inspecteur een veel te lage winstcorrectie opgelegd. De inspecteur komt hier na het opleggen van de definitieve aanslag (in bezwaar door belastingplichtige) achter. De inspecteur legt een navorderingsaanslag op. Kan dit zomaar? De fout is te wijten aan een onjuist inzicht van de inspecteur, dan kan de inspecteur navorderen. De fout moet bij de belastingplichtige wel kenbaar zijn. Via een fictie moet een fout kenbaar zijn als de verschuldigde belasting meer dan 30% afwijkt. Dat is hier het geval. De uitweg is dan nog dat de belastingplichtige mocht aannemen dat de aanslag juist was. Dat is volgens het hof  niet het geval. De correctie stond in brieven van de Belastingdienst en de belastingplichtige is bijgestaan door een adviseur. De vrouw had beter geen bezwaar kunnen maken, tenminste daar lijk het op.

Vragen over navorderingsaanslagen

Wij adviseren regelmatig ondernemers en particulieren bij navorderingsaanslagen. Zijn er vragen, stuur gerust een e-mail of bel ons.

Wanneer navorderingsaanslag [news] 2018-04-03 0000-00-00 0000-00-00 5312

Terugvordering van toeslagen

De automatische mangel van de fiscus

Net als iedereen hebben ook statushouders recht op tegemoetkomingen. Zo komen ze in aanmerking voor kinderbijslag. Daarnaast kunnen ze aanspraak maken op door de Belastingdienst / Toeslagen toegekende toelagen.

Zodra een huurtoeslag of kinderbijslag is aangevraagd beginnen ook de molens van de Belastingdienst / Toeslagen te malen en kunnen de statushouders – als ze aan de voorwaarden voldoen - aanspraak maken op het kindgebonden budget.

Als is vastgesteld dat aanspraak bestaat op het kindgebonden budget, wordt volledig automatisch de zogenoemde alleenstaande ouderkop toegekend aan alleenstaande ouders. Die beloopt ruim € 3.000 per jaar.

Wat is dan het probleem met het terugvorderen van deze toeslagen?

De kern van het probleem is dat, als in de systemen van de Belastingdienst / Toeslagen bij de statushouder geen partner is vermeld, er automatisch – en zonder controle – vanuit wordt gegaan dat er geen partner is. Ook wordt er geen kennisgeving vooraf gestuurd dat de toekenning gebeurt vanwege het feit dat de statushouder alleenstaand is.

In de praktijk komt het talloze malen voor dat de vluchteling / statushouder zich bij de gemeente / Belastingdienst / Sociale Verzekeringsbank meldt voor bijstand, huurtoeslag of kinderbijslag. Daarbij vaak geholpen door Vluchtelingenwerk, het COA of de gemeente. Bij die aanvraag wordt keurig opgegeven dat ze gehuwd zijn in het land van herkomst.

Voor het registeren van het huwelijk (en dus de echtgenoot) is een BSN-nummer nodig van de echtgenoot. Omdat de benodigde papieren ontbreken (huwelijksakte, bewijs van geboorte of inschrijving of bewijs van leven), is het toekennen van een BSN-nummer aan de partner niet mogelijk.

Bijgevolg is er geen BSN-nummer, kan het systeem een andere wijze van vermelding van een huwelijk niet aan en wordt er geen partner ingeschreven.

Daarop ‘denkt’ het systeem: ‘hé, geen partner, wel kindgebonden budget, dus alleenstaande ouderkop’. En pardoes wordt het geld overgemaakt.

Gezinshereniging

Vaak jaren later wordt een verzoek om gezinshereniging gedaan. Dan constateert de Belastingdienst / Toeslagen: hé, er is een huwelijk.

Terugvordering vindt plaats

Kan de Belastingdienst deze toeslagen zomaar terugvorderen?

Kijkt men naar de letter van de wet – daarin is de Belastingdienst / Toeslagen erg goed – dan is duidelijk dat de alleenstaande ouderkop onterecht was en dus terugbetaald moet worden.

Is dat dan ook in redelijkheid te verlangen van een statushouder?

Als we de feiten wat kleur geven, ontstaat het volgende beeld. Een statushouder verzoekt om kinderbijslag en krijgt die volkomen terecht toegekend. Daarbij geeft zij aan gehuwd te zijn, maar niet te weten of haar man überhaupt nog leeft en niet over papieren beschikt. De man draagt ook feitelijk niets bij. Bij de autoriteiten (gemeente, COA, Belastingdienst) is gemeld dat er een huwelijk is, maar het systeem kan dat niet verwerken. Vervolgens komt er een toeslag die ook feitelijk voor de kinderen wordt gebruikt. Nergens is vermeld dat de toeslag is gebaseerd op – door de Belastingdienst / Toeslagen zelf ingevulde aanname van – het alleenstaand zijn. De statushouder is volledig te goeder trouw.

Wat het nog schrijnender maakt, is het feit dat de problematiek al jaren bij de Belastingdienst / Toeslagen bekend is. Vluchtelingenwerk Nederland heeft het herhaaldelijk gemeld en de VNG heeft er aandacht voor gevraagd. Tot slot is het al in november 2016 in de Kamerstukken aan de orde gesteld.

In dat licht bezien is het in redelijkheid niet te verlangen dat de alleenstaande ouderkop wordt terugbetaald.

De formele benadering

De rechter kan echter weinig met een redelijkheidsoordeel. Hij kan echter wel ingrijpen als een zogenoemd nieuw feit ontbreekt, als een ambtelijk verzuim is begaan of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden.

Belastingdienst / Toeslagen zal zeggen dat er een nieuw feit is. Ze wisten eerder niet dat er een huwelijk was. De vraag is of dat argument opgaat. Op zich is hij niet verantwoordelijk voor de gegevens(-verwerking) van andere instanties, hoewel daarop nuances mogelijk zijn[1]. Aan de andere kant heeft hij wel een onderzoekplicht als zelfstandig gegevens worden ingevuld.

Dat brengt ons bij het ambtelijk verzuim. Als de Belastingdienst / Toeslagen bij het toekennen van de toeslag ‘heeft zitten slapen’, kan die ook niet worden teruggevorderd. Dat hangt ook weer samen met de onderzoeksplicht en de (veronderstelde) kennis van de samenhang tussen kindgebonden budget, huwelijk en alleenstaande ouderkop. In een recente zaak waarin de Belastingdienst een inkomensafhankelijke combinatiekorting ten onrechte niet corrigeerde (die gekoppeld is aan de wel gecorrigeerde zelfstandigenaftrek) was navordering volgens de Hoge Raad niet mogelijk.[2]

Een deugdelijke belangenafweging is vereist alvorens een terugvorderingsbesluit te nemen.[3]Ook als de Belastingdienst / Toeslagen een verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het oplopen of ontstaan van een schuld kan dat reden zijn het terugvorderen niet toe te staan.[4]Ook mag men erop vertrouwen dat de Belastingdienst / Toeslagen zich baseert op juiste feiten.

Conclusie

Als de Belastingdienst / Toeslagen niet ‘netjes binnen de lijntjes kleurt’, moet een op zich terechte terugvordering achterwege blijven.




[1]ABRvS 17 augustus 2005, nr. 200500823/1, LJN AU1094, AB 2006, 147.

[2]HR 15 juni 2018, nr. 17/01894, ECLI:NL:HR:2018:797.

[3]ABRvS 28 februari 2018, nr. 201703738/1/A2, ECLI:NL:RVS:2018:661.

[4]CRvB 16 oktober 2012, nr. 10-3715 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BY0598.

Terugvorderen van toeslagen bij vluchtelingen [news] 2018-06-25 0000-00-00 0000-00-00 5378

Fiscale procedure tegen Belastingdienst

Heeft u bezwaar gemaakt tegen uw belastingaanslag of een boete en is uw bezwaar afgewezen? In dat geval kunt u in beroep gaan bij de rechtbank. In uw bezwaarschrift kunt u de Belastingdienst ook verzoeken om in te stemmen met een direct of rechtstreeks beroep bij de rechter. U bent niet verplicht om een advocaat of fiscaal jurist mee te nemen, u kunt dus zelf procederen. Via onze site kunt u hierover veel informatie vinden. In dit onderdeel diverse onderdelen waar u op moet letten tijdens een procedure

Fiscaal jurist bij procedure

Procederen tegen de fiscus is duur, duurt lang en levert weinig op. Zomaar een paar vooroordelen. Wij draaien het graag om. Procederen is leuk, kan snelle resultaten leveren en er kan nog geld mee verdiend worden ook. Lees dit artikel voor een verdere beschouwing.

Procedure tegen belastingdienst [news] 2018-07-06 0000-00-00 0000-00-00 5398

Dossier compleet; eerlijk proces

Als u een geschil heeft met de Belastingdienst is het toch wel het minste dat u nodig heeft een compleet dossier. Immers, zonder volledig dossier geen eerlijke procedure.

In de praktijk blijkt dat lastiger dan op papier.

Wat hoort nu in het dossier?

Als u bezwaar heeft tegen de aan u opgelegde belastingaanslag kunt u in bezwaar gaan. Daarbij kunt u vragen om gehoord te worden en om dossierinzage vragen. De stukken moeten dan een week voor het horen ter inzage worden gelegd (art. 7:4 Algemene wet bestuursrecht, AWB).

De Belastingdienst moet zorgdragen voor een compleet dossier. Alles wat voor de belastingheffing van belang kan zijn moet er in zitten en zeker alles wat voor het opleggen van de aanslag is gebruikt.

Komt u er in bezwaar niet uit, dan kunt u naar de belastingrechter. Daarbij geldt dat de Belastingdienst verplicht is ‘de op de zaak betrekking hebbende stukken’ naar de rechter te sturen (art. 8:42 Awb). Daarvan krijgt u dan een kopie.

De Belastingdienst is ‘zuinig’ op zijn informatie en blijkt vaak van mening dat een bepaald stuk niet in het dossier hoort. Dat levert vaak discussie op, als u al weet dat er een stuk is of zou moeten / kunnen zijn.

Wat doet de belastingrechter voor een compleet dossier?

De belastingrechter is niet verplicht te onderzoeken of het dossier dat hij krijgt compleet is. Vaak blijft de check beperkt tot de basistukken, zoals de aanslag, het bezwaarschrift, het beroepschrift en de reactie daarop van de Belastingdienst.

Als u meent dat het dossier niet compleet is omdat de Belastingdienst stukken achterhoudt, moet u voldoende duidelijk aangeven op welk stuk dat betrekking heeft en waarom het ontbrekende stuk van belang kan zijn. Het in algemene termen klagen dat het dossier niet compleet is, is onvoldoende.

Deskundige bijstand is daarbij noodzakelijk, omdat wij weten wat er in een dossier behoort te zitten en gemotiveerd kunnen aangeven welke stukken waarschijnlijk ontbreken of makkelijk door de Belastingdienst kunnen worden vergaard.

Conclusie

De Belastingdienst is terughoudend met het verstrekken van - voor hem nadelige - informatie aan u en aan de rechter. Schakel een deskundige in om in elk geval een volledig dossier te krijgen en ook overigens een eerlijke rechtsgang.

Jurisprudentie

Hoge Raad 6 juli 2018.

Zonder volledig dossier geen eerlijk proces [news] 2018-07-23 0000-00-00 0000-00-00 5631

Bewijslast na overlijden

Reeds jaar en dag is iedereen verplicht in zijn belastingaangifte de ‘gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen' (art. 8 Algemene wet inzake Rijksbelastingen, AWR). Bovendien moet iedereen de Belastingdienst de door hem gestelde vragen beantwoorden.

Als niet de vereiste aangifte is gedaan (art. 25 AWR) of niet voldoende inlichtingen zijn verstrekt (art. 52a AWR), volgt de zogenoemde ‘omkering van de bewijslast’. Dat betekent dat u moet bewijzen dat de opgelegde aanslag te hoog is, een schier onmogelijke opgave.

Onze hoogste rechter – de Hoge Raad – vindt dat geen straf maar een administratieve maatregel om ervoor te zorgen dat de Belastingdienst de benodigde gegevens krijgt om een juiste belastingaanslag op te leggen.

Toch voelt de ‘omkering’ als een straf.

Wat nu bij overlijden?

Bij het overlijden van de belastingplichtige ‘vererft’ de belastingaanslag gewoon mee. De vraag is nu of de ‘omkering van de bewijslast’ ook mee vererft. Dan moeten de erfgenamen bewijzen dat de belastingaanslag aan de erflater niet te hoog is. Een nog onmogelijker taak voor de erfgenamen, die vaak niet van de hoed en de rand weten.

Toch heeft de Hoge Raad recent beslist dat de ‘omkering van de bewijslast’ ook op de erfgenamen rust. Een zware dobber dus.

Schrale troost

Een troost mag zijn dat de aan de overledene opgelegde boete wel vervalt (art. 5:42 Awb).

Conclusie

De greep van de fiscus verslapt niet bij overlijden. Ook het doen van belastingaangifte namens de overledene vergt de nodige precisie.

Jurisprudentie

Hoge Raad 6 juli 2018.

Bewijslast na overlijden [news] 2018-07-23 0000-00-00 0000-00-00 5632

Procederen zonder machtiging

Een belastingplichtige kan zich in een procedure laten vertegenwoordigen. De rechter kan en zal een schriftelijke machtiging [1] vragen om te bewijzen dat degene die stukken indient daartoe ook bevoegd is (art. 8:24 Awb).

Wat nu als er geen machtiging is?

Zonder machtiging is er geen vertegenwoordigingsbevoegdheid. Een bezwaar- of beroepschrift zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. De weg naar de rechter is dan feitelijk afgesloten.

Zijn er dan geen uitzonderingen?

Soms bestaat het fiscale procesrecht bij de gratie van uitzonderingen. Ook hier is een uitzondering mogelijk. Het moet dan wel gaan om een uitzonderlijke situatie.

De Hoge Raad heeft recent beslist dat in de volgende casus geen machtiging nodig was.

Dennis [2] is de gemachtigde van de heer Jansen. De heer Jansen is het niet eens met een belastingaanslag en Dennis komt voor meneer Jansen in bezwaar en later in beroep bij de belastingrechter. De uitspraak van de rechter is ongunstig. Een week na de uitspraak overlijdt meneer Jansen. Daarmee eindigt ook de volmacht van Dennis.

Toch tekent Dennis tegen de uitspraak hoger beroep aan. Omdat de heer Jansen is overleden en diens rechten vererven, moet dat namens de erfgenamen. Van hen heeft Dennis echter geen machtiging. Onduidelijk is namelijk wie de erfgenamen zijn. De wel bekende erfgenamen hebben de erfenis verworpen en kunnen dus geen volmacht geven.

De Hoge Raad gaat te rade in het Burgerlijk Wetboek en past zaakwaarneming (art. 6:198 BW) toe.

“Het moet daarbij echter gaan om een uitzonderlijk geval. De zaakwaarnemer dient te stellen en aannemelijk te maken dat aan de eisen van artikel 6:198 BW is voldaan. Van die stelplicht is onderdeel dat de zaakwaarnemer stelt en aannemelijk maakt dat de belanghebbende (tijdelijk) niet zelf in rechte kan optreden en redelijkerwijs ook niet een vertegenwoordiger heeft kunnen aanwijzen.”

In dit geval is de Hoge Raad van oordeel dat het aannemelijk is dat Dennis zich in dit geding op redelijke grond inlaat met de behartiging van het belang van ondanks onderzoek onbekend gebleven erfgenamen.

Het beroep is ontvankelijk; de zaak kan beginnen!

Voor de volledigheid merkt de Hoge Raad nog wel op dat belanghebbende (als die alsnog opduikt) gebonden is aan de uitspraak die de rechter doet.

Conclusie

Regel een volmacht of bel 06 -389 28 100.

Jurisprudentie: Hoge Raad 15 juni 2018.




[1] Advocaten hebben geen machtiging nodig.

[2] De gekozen namen zijn volstrekt willekeurig.

Procederen zonder machtiging [news] 2018-07-23 0000-00-00 0000-00-00 5633

Hoe zit het eigenlijk met de verjaring van belastingschulden?

Evenals het civiele recht kent ook het fiscale recht verjaringstermijnen. Deze verjaringstermijnen zijn ervoor om de belastingplichtige rechtszekerheid te geven. Na een bepaalde periode is de termijn voor het opleggen van een navorderingsaanslag of naheffingsaanslag niet meer mogelijk. Daarnaast gelden er ook verjaringstermijnen voor reeds geformaliseerde belastingschulden.

Wat is de navorderingstermijn bij de aanslagbelasting?

De verjaring van aanslagbelastingen (inkomsten-, vennootschaps-, schenk-, erf- en overdrachtsbelasting) is geregeld in artikel 16 algemene wet inzake rijksbelasting (“AWR”). Hierin is opgenomen dat belastingaanslagen verjaren na verloop van een periode van 5 jaar. Is het inkomen of vermogen echter opgekomen in het buitenland, dan wordt de navorderingtermijn verlengd tot 12 jaar. Indien deze termijnen van 5, respectievelijk 12 jaar zijn verstreken, dan kan er geen navorderingsaanslag worden opgelegd. Wordt er een navorderingaanslag buiten de termijn opgelegd, dan zal een bezwaar- of beroepschrift volstaan met een beroep op verjaring.

Uitstel leidt tot verlening van de navorderingstermijn

Indien er uitstel is verleend voor het indienen van de aangifte, dan wordt de navorderingstermijn verlengd met het verleende uitstel. Voor het doen van aangifte inkomsten- en vennootschapsbelasting wordt er doorgaans 5, 11 of 12 maanden uitstel verleend voor het doen van de aangifte. Het verleende uitstel verlengt de navorderingstermijn.

De naheffingstermijn bij de aangiftebelasting

De verjaring van aangiftebelasting (loon-, omzet-, dividend-, kansspelbelasting, accijnzen, autobelastingen en milieuheffingen) is geregeld in artikel 20 AWR. Hierin is opgenomen dat de bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag verjaart na verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan dan wel de teruggaaf is verleend. Bij aangiftebelastingen wordt geen uitstel verleend voor het doen van aangifte, deze verjaringstermijn zal derhalve niet verlengd worden.

Informatiebeschikking en de verlening van de navorderings- en naheffingstermijn

De hiervoor benoemde termijnen kunnen worden verlengd indien er een informatiebeschikking is opgelegd. De navorderingstermijn wordt verlengd met de periode tussen de bekendmaking van de met betrekking tot die belastingaanslag of beschikking genomen informatiebeschikking en het moment waarop deze informatiebeschikking onherroepelijk komt vast te staan of wordt vernietigd. De verlenging geldt zowel voor de aanslag- als aangiftebelasting.

Voorbeeld

Over het jaar 2012 is er een boekenonderzoek ingesteld, waarna er op 3 maart 2018 een naheffingsaanslag omzetbelasting en een navorderingsaanslag inkomstenbelasting worden opgelegd. In beginsel lijken zowel de navorderingsaanslag inkomstenbelasting als de naheffingsaanslag omzetbelasting verjaard. Echter, indien er uitstel is verleend voor het doen van de aangifte inkomstenbelasting, is de navorderingstermijn nog niet verstreken. Voor de omzetbelasting wel.

Stel, er is medio 2017 een informatiebeschikking uitgereikt die na verloop van 6 maanden is vernietigd. In dat geval wordt de navorderingstermijn verlengd met 6 maanden en betekent dat ook de naheffingsaanslag omzetbelasting tijdig is opgelegd.

Wanneer verjaren reeds geformaliseerde belastingschulden?

Indien er een belastingaanslag is opgelegd, dan kan verjaring plaatsvinden op grond van de algemene wet bestuursrecht (“AWB”). Verjaring van een belastingaanslag vindt plaats 5 jaar nadat de betaaltermijn is verstreken. Dit geldt voor alle belastingen, dus zowel voor de aangifte als aanslagbelasting. De termijn van 5 jaar kan echter worden gestuit, dit door een aanmaning, beschikking tot verrekening of dwangbevel dan wel door een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel. In de praktijk is het dan ook zeer lastig te achterhalen of een openstaande belastingschuld nog invorderbaar is. Mocht in de afgelopen 5 jaar ergens een aanmaning of dwangbevel zijn ontvangen, dan herleeft namelijk de verjaringstermijn van 5 jaar weer.

Hoe zit het eigenlijk met de verjaring van belastingschulden? [news] 2018-08-07 0000-00-00 0000-00-00

Evenals het civiele recht kent ook het fiscale recht verjaringstermijnen. Deze verjaringstermijnen zijn ervoor om de belastingplichtige rechtszekerheid te geven.

5635

Welke stukken moet de Belastingdienst verstrekken?

De Inspecteur (lees Belastingdienst) vindt het vaak lastig om u alle informatie die ze in hun bezit hebben te verstrekken. Voor een procedure moeten echter alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan u worden verstrekt. Dit zijn ook stukken die niet bij de beoordeling zijn meegewogen. U heeft zowel voor een zitting (in de bezwaarfase) recht om deze in te zien (dossierinzage). Het blijft altijd wel de vraag of er stukken uit uw dossier zijn gehaald en/of de Belastingdienst bereid is om de stukken te verstrekken. Soms stelt een Inspecteur dat bepaalde stukken er niet in zitten i.v.m. privacy van een ander en/ of in verband met een geheimhouding. Normaliter krijgt u de stukken wel in een procedure omdat bij een procedure deze stukken moeten worden overlegd (artikel 8:42 AWB).

Wat zeggen rechters over "op de zaak betrekking hebbende stukken"?

Over dit onderwerp wordt veel geprocedeerd. Een paar belangrijke uitspraken/ arresten:

  1. De Hoge Raad (ons hoogste rechtscollege) stelt, dat de Inspecteur verplicht is dat alle stukken die een rol spelen bij de besluitvorming tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren. Het moet dus om een volledig en logisch dossier gaan. Soms is geheimhouding (wegens een gewichtige reden) noodzakelijk. De stukken hoeven dan niet te worden verstrekt (artikel 8:29 AWB). Soms mag de rechter deze stukken wel zien en de belastingplichtige niet. Dit is recentelijk nog verder uitgebreid door de Hoge Raad (zie onder).
  2. In een procedure bij het Gerechtshof (november 2017) kwam er een heldere opstelling en mening van de rechter. De Belastingdienst verstrekte in deze casus veel te weinig informatie omdat het naar haar mening “interne stukken waren”. In deze casus ging het over een document (het zogenaamde pr weegdocument) dat de FIOD verstrekt aan het Openbaar Ministerie. Hierbij moet het OM beoordelen of de door de Belastingdienst aangedragen informatie zich voldoende leent om tot een strafrechtelijk onderzoek over te gaan. In dit document staat vaak nuttige informatie voor een belastingplichtige en veelal ook een doorkijk naar hetgeen de Belastingdienst in haar bezit heeft en waarin de verdenkingen richting de belasting-plichtige worden verwoord.De verslagen die daarna worden geschreven (dus hoe het onderzoek verloopt) kunnen ook relevant zijn. Als een zaak niet door het OM wordt opgepakt, zal hierin staan waarom hiertoe is besloten. Dit zijn vaak de zwakkere plekken in het verhaal en/ of de stukken van de Belastingdienst.Volgens het Gerechtshof moeten dergelijke documenten gewoon door de Belastingdienst/ Inspecteur of ontvanger worden verstrekt. De belangen van de Belasting-dienst (geheimhouder) wegen hierbij minder zwaar dan de belangen van de belastingplichtige.
  3. In een arrest van de Hoge Raad (augustus 2018) wordt er nog breder gekeken naar "op de zaak betrekking hebbende stukken". Het hoeft niet te gaan om stukken die de Inspecteur heeft of had kunnen gebruiken voor zijn beslissing in de bezwaarfase of bij het opleggen van de aanslag. Ook stukken (mits relevant) die daarna boven tafel komen en van belang kunnen zijn moeten door de Inspecteur worden verstrekt. Dit zelfs als de Inspecteur stelt, dat hij de stukken niet heeft laten meewegen bij zijn beslissing. Dit arrest is anders dan de uitspraak van het Gerechtshof.

Noot fiscaal jurist over inzage stukken

Veel collega belastingadviseurs laten een dossierinzage voor wat het is. Het zou hun positie richting de Belastingdienst geen goed doen en/ of er zou wantrouwen uit spreken. Als u echter de stukken van de Belastingdienst heeft weet u precies hoe de Belasting-dienst tot een oordeel is gekomen. Hiermee kunt u ook eenvoudiger uw verdediging op papier zetten. Het maakt de Belastingdienst niet uit dat u van uw wettelijk recht gebruikmaakt.

Bron dossierinzage Belastingdienst

Gerechtshof 10 november 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:4838).

Hoge Raad 15 januari 2016 nr. 14/02925, ECLI:NL:HR:2016:39.

Hoge Raad 17 augustus 2018 ECLI:NL:HR:2018:1319

Hoge Raad 25 april 2008, nrs. 43448 en 43791, ECLI:NL:HR:2008:BA3823 en ECLI:NL:HR:2008:BB5868.

Hoge Raad 15 november 2013, nr. 12/0606, ECLI:NL:HR:2013:1129.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 oktober 2014, 13/00842-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2014:4205.

Stukken opvragen bij Belastingdienst [news] 2018-08-22 0000-00-00 0000-00-00 5654

Belastingdienst moet informatie verstrekken

Dat de Belastingdienst moeite heeft om tijdig en volledige stukken te verstrekken aan de belastingplichtige beschreven we al in Welke stukken moet Belastingdienst verstrekken. De verplichting van de Belastingdienst om stukken in het geding te brengen is nu door de Hoge Raad verder uitgewerkt. Het moet gaan om "op de zaak betrekking hebbende stukken (voor de liefhebber, artikel 8:42 lid 1 AWB). Dit hoeft niet als de inspecteur (oprecht en eerlijk) kan beroepen op zijn geheimhouding wegens gewichtige redenen (8:29 AWB).

De Belastingdienst moet uit eigen beweging en bij weigering op verzoek van de rechter vaak meer informatie verstrekken dan dat u spontaan krijgt. U moet er echter wel om vragen en dus scherp bekijken of uit de processtukken volgt, dat er nog informatie over uw dossier beschikbaar zou kunnen zijn.

Welke informatie moet de Belastingdienst in fiscale procedure verstrekken?

Gegevens uit een database moeten worden verstrekt als zij van belang zijn voor de aan de orde zijnde zaak en voor de Belasting-dienst daarvoor raadpleegbaar zijn of waren. Als een aanslag (of andere beschikking) is opgelegd met behulp van een geautomati-seerd proces moet de Belastingdienst desgevraagd dat proces zodanig inzichtelijk maken, dat de gemaakte keuzes en de daarbij gebruikte gegevens en aannames controleerbaar en betwistbaar zijn. In gewoon Nederlands; het mag geen zwarte doos zijn waarvan de uitkomst niet controleerbaar is[1][2][3].

Ook moet de Belastingdienst de stukken die op de zaak betrekking hebben uit eigen beweging verstrekken. Een belastingplichtige moet niet moeten hengelen naar informatie.

Het gaat dus om de volgende stukken:

  1. gegevens uit uw dossier welke bij de beoordeling van de aanslagen / aangiften is gebruikt;  
  2. interne stukken (zoals memo's, standpunten van de kennisgroep, etc.) (HR 29 juni 2012). De belastingdienst is vaak een andere mening toegedaan, deze is niet juist. Ik vind de uitleg van de Hoge Raad wel erg ruim
  3. informatie uit een database (waarin u bent opgenomen);
  4. electronisch bewaarde stukken (HR 20 december 2013)
  5. informatie welke in het dossier ligt, voor de aanslag zijn gebruikt en in de beroepsfase niet meer relevant zijn (HR 4 mei 2018)
  6. gegevens welke tijdens de bezwaar of beroepsfase bekend zijn geworden (HR 4 mei 2018)
  7. informatie waarbij het geautomatiseerde proces inzichtelijk wordt gemaakt (bijvoorbeeld bij verzenden brieven of beoordelen aangiften);
  8. informatie uit een strafdossier (mits van belang bij de besluitvorming) HR 5 oktober 2018;
  9. interne taxatierapporten of memo's.

Belastingdienst verstrekt informatie vaak niet spontaan

Beide elementen – het inzichtelijk maken van de processen en het pro-actief verstrekken van stukken – lijkt niet dominant aanwezig in het DNA van de Belastingdienst. Transparantie is een modewoord. Toch komt het te vaak voor, dat de Belastingdienst stukken achterhoudt of niet volledig is in de informatievoorziening.

Daar waar de belastingplichtige verplicht wordt volledig openheid van zaken te geven (duidelijk, stellig en zonder voorbehoud zoals de wetgever het noemt) mag van de Belastingdienst ten minste worden verwacht dat deze ook transparant is.

Proceduredruk in fiscale zaken

Transparantie is er niet slechts ter bevrediging van de nieuwsgierigheid. Het is niet voor niets dat de wetgever voor de bezwaarfase groot belang hecht aan het verstrekken van informatie, belastingplichtigen het recht hebben te worden gehoord en de belasting-rechter bij voorkeur de belastingplichtige zelf bevraagt. Alles is erop gericht de juiste feiten te verzamelen en inzicht te verschaffen in het geschil.

Als de Belastingdienst serieus werk maakt van transparantie en steeds snel en uit eigen beweging alle relevante informatie ver-schaft, zal het inzicht bij de belastingplichtigen toenemen waardoor het beginnen van een procedure vaak niet meer nodig blijkt. Voorzover een procedure wel aan de orde is kan deze sneller, effectiever en efficiënter worden gevoerd.

Stukken uit strafdossier FIOD bij belastingdienst

Als de Belastingdienst (op grond van artikel 55 AWR ev) informatie heeft ontvangen van de FIOD, politie of het Openbaar Ministerie dan zitten deze stukken in uw dossier bij de Belastingdienst. De daadwerkelijk verstrekte stukken behoren in principe tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. De belastingplichtige kan via deze route vaak eerder zicht krijgen op het strafdossier. Vraag ook het formulier waarbij de inspecteur de stukken heeft opgevraagd, zo is duidelijk wat er is opgevraagd.

Het kan ook zijn dat belastingdienst medewerkers hebben samengewerkt met de FIOD of het OM. In deze hoedanigheid hebben zij toegang gehad tot uw strafdossier. Op grond van een arrest van de Hoge Raad (5 oktober 2018) moeten ook deze stukken worden verstrekt.

Consequenties niet overleggen stukken

Als de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overlegt dan kan de rechter (artikel 8:31 AWB) dan kan de rechter alle kanten op (de route die de rechter geraden voorkomt). De meest verstrekkende gevolgtrekking is dat de belastingaanslagen worden vernietigd

Conclusie fiscaal jurist inzake fiscale procedures

De ‘Dikke Van Dale’ kent maar één definitie van doorluchtig (aanzienlijk, voornaam). Wikitionary heeft er een tweede bij: licht en lucht doorlatend. Oftewel: transparant. Hopelijk schuift de traditionele Belastingdienst snel een heel stuk op van de eerste naar de twee betekenis zodat nog lang sprake kan zijn van de Doorluchtige Belastingdienst.

Het verstrekken van informatie en verschaffen van inzicht door de Belastingdienst gaat lang niet altijd automatisch en dan ook nog met horten en stoten. Dat past niet meer in de huidige tijd en is bovendien niet meer vol te houden. Tijd voor een Doorluchtige Belastingdienst.

Als de inspecteur informatie niet verstrekt dan zitten hier eigenlijk geen consequenties aan, dat is jammer en staat een goede proc-esorde in de weg. Tja.. wie zou het goede voorbeeld moeten geven.. dit is voor ons nog altijd de overheid. Wij hopen dat deze arresten zorgen voor meer openheid. Als dat niet zo is, dan moet u er bij de rechter op aandringen en gericht om informatie vragen ! Procederen kunt u in fiscale zaken zelf maar als u de beste kansen wilt, moet u nog steeds bij specialisten zijn. Wij helpen u graag en tegen normale tarieven.

Bron Belastingdienst moet informatie verstrekken

[1]Hoge Raad 17 augustus 2018 I

[2]Hoge Raad 17 augustus 2018 II

[3]Hoge Raad 17 augustus 2018 III

Hoge Raad 14 mei 2018 ECLI:NL:HR:2018:676

Hoge Raad 20 december 2013 ECLI:NL:HR:2013:1776

Hoge Raad 5 oktober 2018 ECLI:NL:HR:2018:1863

Hoge Raad 29 juni 2012 ECLI:NL:HR:2012:BW9850

Belastingdienst moet informatie verstrekken [news] 2018-09-11 0000-00-00 0000-00-00 5674

Dossierinzage Belastingdienst voordelig

In een bezwaar- en beroepsprocedure heeft u recht om uw (volledige) dossier bij de Belastingdienst in te zien. U mag afschriften nemen van stukken uit het dossier (soms tegen een kostenvergoeding). Soms zitten niet alle stukken in het dossier. Het gaat om stukken welke de Belastingdienst ter beschikking heeft gehad en niet om informatie welke de Belastingdienst nog in haar bezit heeft. Daarnaast kan het zijn dat, als de Belastingdienst spullen niet verstrekt, ook de primaire aanslag van tafel gaat.

Neem bij dossierinzage deskundige mee

Bij een dossierinzage moet u op detailniveau door uw dossier, dit dossier kan zowel in papieren vorm en vaak ook in digitale vorm (intern noemt met dit bij de Belastingdienst het TOP dossier) aanwezig zijn. U moet allert zijn op stukken die aantoonbaar ontbreken, dit kan gaan om memo's, mails, telefoonnotities, etc. Het gaat erom dat op grond van uw dossier aanslagen konden worden opgelegd. Hierbij moet de inspecteur in het bezit zijn van voldoende stukken. Volgens de Hoge Raad gaat het hierbij ook om stukken die de Belastingdienst ter beschikking hebben gestaan.

Het moet dus gaan om stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het besluit. Dit kunnen voor u positieve en negatieve stukken zijn. De Hoge Raad heeft het begrip "op de zaak betrekking hebbende stukken" verder verruimd. Dit is prettig en komt u als belastingplichtige goed uit. Stukken welke in uw voordeel zijn moeten dus ook in het dossier zitten.

Welke stukken zijn aanwezig bij dossierinzage?

  • Wettelijk gaat het om de "op de zaak betrekking hebbende stukken".
  • Deze stukken heeft de inspecteur geraadpleegd om tot een juist besluit te komen.
  • Stukken die de Belastingdienst gedurende de procedure heeft ontvangen.
  • Ook stukken die niet voor het besluit zijn gebruikt moeten in uw dossier zitten.
  • Als in een document gedeeltelijk informatie staat welke op uw zaak betrekking heeft, dan moet het document in z'n geheel in uw dossier zitten. Hierbij kan het gaan om memo's, informatie uit databanken, etc.
  • Stukken van andere organisaties, zoals het Openbaar Ministerie, de FIOD of andere onderdelen van de Belastingdienst, moeten ook in uw dossier zitten.
  • Een strafdossier waaruit de inspecteur informatie heeft gehaald voor het opleggen van aanslagen moet in z'n geheel aan u worden verstrekt.

Er zijn stukken uit uw dossier, en dan?

Als de Belastingdienst stukken niet verstrekt of uit uw dossier heeft gehaald, dan kan er discussie ontstaan. Het is ook de vraag of u dit te weten komt of kunt zien. Een ervaren fiscaal jurist die zorgvuldig uw dossier gaat raadplegen is dan ook wenselijk. Op grond van de algemene wet bestuursrecht (artikel 8:31) moet de inspecteur de stukken aan de rechter verstrekken, als hierom wordt verzocht. Als dit niet is gebeurd (en er dus stukken ontbreken), dan kan een rechter de aanslagen welke zijn opgelegd hierom vernietigen.

Vragen over dossierinzage Belastingdienst

Als u vragen of opmerkingen heeft over een dossierinzage of beroepsprocedure, neem dan gerust contact met ons op.

Bron dossierinzage belastingdienst

Hoge Raad d.d. 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672.

Hoge Raad d.d.17 augustus 2018: ECLI:NL:HR:2018:1315.

Gerechtshof Amsterdam 31 juli 2018 ECLI:NL:GHAMS:2018:2591.

Dossierinzage voordelig [news] 2018-12-05 0000-00-00 0000-00-00 5784

Betalingsonmacht en aansprakelijkheid

Betalingsonwil is geen betalingsonmacht

Bestuurdersaansprakelijkheid bij betalingsonmacht

Als uw B.V. de belasting niet kan betalen, moet u dat als bestuurder tijdig bij de Belastingdienst melden. Als u niet tijdig meldt, bent u in beginsel aansprakelijk voor de niet betaalde belasting.

Betalingsproblemen of niet?

Een B.V. heeft grote schulden voor de omzetbelasting en de loonbelasting, in elk geval zo’n € 1,5 miljoen. De schulden hebben betrekking op recente tijdvakken, maar ook op naheffingen over oude jaren. Daarnaast heeft de B.V. nog een grote schuld in rekening-courant (€ 2 miljoen) aan de aandeelhouder. Ook is er nog een aparte lening van de aandeelhouder van € 750.000 en wat overige crediteuren (€ 160.000). Tegen het einde van 2007 en begin 2008 meldt de bestuurder aan de Belastingdienst dat de omzetbelasting en de loonbelasting over de laatste tijdvakken niet meer kunnen worden betaald (de zogenoemde melding betalingsonmacht).

In de loop van 2007 is echter wel de rekening-courant aan de aandeelhouder afgelost voor een bedrag van zo’n € 2 miljoen (waarvan zo’n € 425.000 na de eerste melding betalingsonmacht). In 2008 is de lening van € 750.000 van de aandeelhouder goeddeels afgelost. Ook zijn vanaf december 2007 overige crediteuren betaald.

De Belastingdienst stelt dat niet tijdig de melding betalingsonmacht is gedaan en stelt de bestuurder aansprakelijk voor zo’n € 1,5 miljoen. De bestuurder komt in bezwaar en beroep. Het Gerechtshof vermindert de aansprakelijkstelling tot op € 750.000.

Bij de Hoge Raad blijkt dat het Gerechtshof wat steken heeft laten vallen.

  • De bestuurder had namelijk gesteld dat er geen sprake was van betalingsonmacht, maar van betalingsonwil. Dus: de B.V. kon het wel betalen, maar wilde dat niet en gaf de voorkeur aan betaling van de aandeelhouder (tevens bestuurder) en wat andere crediteuren.
  • Het Gerechtshof verzuimt vast te stellen (vanaf) wanneer er sprake was van betalingsonmacht. Daarmee kan niet worden bepaald of inderdaad te laat gemeld is.

Nu mag een ander Gerechtshof uitzoeken wanneer er sprake was van betalingsonmacht (en of daarvan wel tijdig melding is gedaan).

Opmerking fiscaal jurist over betalingsonmacht

De melding betalingsonmacht is een voor de Belastingdienst makkelijke methode om op de hoogte te raken van betalingsproblemen én een eenvoudige manier om bestuurders aansprakelijk te stellen en daarbij de bewijslast op de bestuurder te leggen. De Belastingdienst moet dan wel ‘binnen de lijntjes kleuren’ en vaststellen dat sprake is van betalingsonmacht en vanaf wanneer.

In de bovenstaande casus lijkt de Hoge Raad (met het Gerechtshof) uit te gaan van betalingsonmacht, maar onduidelijk is (vanaf) wanneer. Een ander Gerechtshof mag dat nu uitzoeken.

Komt onze bestuurder nu goed weg?

Uit de uitspraken blijkt dat na de eerste melding in november 2007 nog aanzienlijke bedragen zijn betaald op de rekening-courant van de aandeelhouder, de lening van de aandeelhouder en crediteuren. Dat suggereert dat er voldoende middelen waren om (het gros van) de belastingaanslagen te betalen. Er lijkt daarmee (nog) geen betalingsonmacht eind 2007 / begin 2008.

Van de andere kant is het dan wel de vraag waarom er wel (een aantal malen) betalingsonmacht is gemeld. Dat doe je immers niet uit plezier en roept een vragenformulier van de Belastingdienst op.

Afwachten dus wat er in het verdere traject gebeurt …

Conclusie inzake betalingsonmacht of onwil

Meld tijdig uw betalingsproblemen bij de Belastingdienst. Bent u te laat en aansprakelijk gesteld wegens te laat melden, bel uw adviseur en kijk met hem / haar of er echt betalingsonmacht was.

Waarschuwing:

Dit is geen vrijbrief om er ‘een potje van te maken’. U bent namelijk ook aansprakelijk als aannemelijk is dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan u te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de drie voorafgaande jaren. Dat wanbestuur moet de Belastingdienst dan wel bewijzen.

Bent u ook aansprakelijk gesteld door de Belastingdienst?

Neem dan direct contact op met uw fiscaal jurist. Deze kan o.a. beoordelen of:

  • terecht en naar de wettelijke maatstaven aansprakelijk is gesteld;
  • voor het juiste bedrag aansprakelijk is gesteld;
  • er inderdaad een betalingsverzuim is;
  • er redenen zijn om de aansprakelijkstelling ‘af te schudden’.

De aansprakelijkstelling dient aan strikte voorwaarden te voldoen. De Belastingdienst veronachtzaamt die nogal eens. Dat kunnen wij voor u beoordelen.

Uitspraken inzake betalingsonmacht

Hoge Raad 14 december 2018.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13 juli 2017.

Voorbeeldformulier betalingsonmacht.

Betalingsonmacht en aansprakelijkheid [news] 2019-01-03 0000-00-00 0000-00-00 5792

Is dwangsom loon

Inleiding over dwangsom en belastingheffing

Ook ambtenaren hebben wel eens te maken met de overheid. Een verzoekje hier, een bezwaar daar. Soms is die overheid ook hun werkgever. Maar ook dan moet de overheid zich aan de formele regels houden. Als de overheid niet tijdig beslist, kan zij een dwangsom verschuldigd worden. Ook aan ambtenaren.

Is over de dwangsom belasting verschuldigd?

Nu was er een overijverige bestuurder die meende dat de ambtenaren over de hen toegekende dwangsom belast is met loonbelasting. Dit vanuit het ruime loonbegrip van de loonbelasting:

  • “Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.”
  • Of als vuistregel: alles wat van de werkgever komt is loon.

Een politieagent die verzocht om herwaardering van zijn functie, moest daarop te lang wachten en kreeg een dwangsom toegekend, die de werkgever vervolgens belastte. Hetzelfde voor een militair piloot die om meer vlieguren had verzocht en een andere militair vlieger over de tijd van zijn dienstverplichting.

Alle drie krijgen nu gelijk van de Hoge Raad. De dwangsom wordt het bestuursorgaan uitsluitend verschuldigd in zijn hoedanigheid van bestuursorgaan. Daarbij is niet van belang of de aanvrager van een beschikking in een dienstbetrekking staat tot dat bestuursorgaan. De vaststelling van de dwangsom vindt als zodanig geen grondslag in die dienstbetrekking en strekt niet tot nakoming van een uit die dienstbetrekking voortvloeiende verplichting.

Noot fiscaal jurist over dwangsom en belastinheffing

Eigenlijk is het te gek voor woorden dat voor zo’n zaak de Hoge Raad wordt belast. Dat de wetgever er zekerheidshalve voor kiest het loonbegrip ruim te formuleren mag niet leiden tot onnodig formalisme. Ergens wel zorgelijk dat tot op het niveau van de Staatssecretaris het gevoel ontbreekt dat het eenvoudigweg niet de bedoeling kan zijn dat dit niet in de belastingheffing thuishoort.

Bron dwangsom en loonbelasting

Arrest Hoge Raad dwangsom politie.

Arrest Hoge Raad dwangsom vlieger 1.

Arrest Hoge Raad dwangsom vlieger 2.

Is dwangsom loon? [news] 2019-02-15 0000-00-00 0000-00-00 5820

DGA aansprakelijk voor belastingschulden

Tijdig betalingsonmacht schriftelijk melden is van essentieel belang als uw B.V. belastingschulden niet kan betalen.

DGA niet zomaar aansprakelijk voor belastingschulden B.V.

Als uw B.V. belastingaanslagen niet kan betalen, moet dat tijdig gemeld worden bij de Belastingdienst. Doet u dat niet, dan bent u aansprakelijk voor die schulden. Als u wel tijdig meldt, bent u niet aansprakelijk tenzij de Belastingdienst bewijst dat sprake is van zogenoemd kennelijk onbehoorlijk bestuur. Maar als het aan de opzet of grove schuld van de B.V. te wijten is dat de belasting hoger is dan aangegeven en afgedragen, kunt u niet meer tijdig melden (en bent u aansprakelijk).

Nu heeft de Hoge Raad beslist dat – als wel tijdig de betalingsonmacht is gemeld – de Belastingdienst niet als reden van kennelijk onbehoorlijk bestuur kan stellen dat de belasting hoger is dan aangegeven en afgedragen.

Betalingsonmacht en aansprakelijkheid bestuurder

Een uitzendbureau had een aantal Polen in dienst. Uit een tip aan het UWV bleek dat reiskostenvergoedingen en lunchkostenvergoedingen zonder inhouding van loonheffingen werden vergoed, zonder dat (gecontroleerd werd of) deze kosten ook werkelijk zijn gemaakt door de werknemers. Naar aanleiding van onderzoek legt de Belastingdienst een naheffingsaanslag loonheffing op van ruim € 150.000. Het uitzendbureau betaalt niet, maar meldt dat wel op tijd.

Daarop wordt de DGA aansprakelijk gesteld voor de volle € 150.000. De Belastingdienst erkent daarbij dat tijdig de melding betalingsonmacht is gedaan. Zij meent echter dat de aansprakelijkstelling terecht is omdat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur (in de drie jaar voorafgaand aan de naheffingsaanslag). Dat kennelijk onbehoorlijk bestuur bestond volgens de Belastingdienst uit het niet aangeven en afdragen van de loonheffing.

Arrest Hoge Raad over aansprakelijkheid bestuurder

De Hoge Raad is er vlot klaar mee en roept de Belastingdienst tot de orde. De redeneerwijze van de Belastingdienst. Letterlijk:

  • “loonbelasting en premie volksverzekeringen [zijn] nageheven die meer beliepen dan (…) aangegeven. Op grond daarvan is bij uitsluiting de meldingsregeling van (…) toepassing. (…) Gelet op de (…) oordelen van het Hof, moet ervan worden uitgegaan dat (…) rechtsgeldige melding van betalingsonmacht is gedaan (…) Dit brengt mee dat (…) de Ontvanger aannemelijk diende te maken dat het niet betalen van de naheffingsaanslag is te wijten aan kennelijk onbehoorlijk bestuur
  • (…). Daarbij kan de omstandigheid dat de verschuldigde belasting en premie meer belopen dan die welke overeenkomstig de aangiften zijn afgedragen, niet als verwijt aan belanghebbende in aanmerking worden genomen."

Omdat er uit het dossier geen feiten blijken die wel leiden tot kennelijk onbehoorlijk bestuur, gaat de aansprakelijkstelling volledig van tafel.

Noot fiscaal jurist over bestuurdersaansprakelijkheid

Eens temeer blijkt hoe belangrijk het is tijdig de betalingsonmacht bij de Belastingdienst te melden als uw B.V. de belasting niet kan betalen. Doet u dat niet tijdig, dan bent u doorgaans ‘de Sjaak’. Dus als u de belasting niet kunt betalen of een naheffingsaanslag krijgt: neem contact op met uw adviseur en meld!

Als u toch aansprakelijk wordt gesteld, schakel dan direct een deskundige in. Aansprakelijkstellingen is een vak op zich en een goede adviseur kan de fouten eruit halen en beoordelen of de aansprakelijkstelling terecht is.

Jongbloed Fiscaal Juristen heeft ruime ervaring bij de bestrijding van aansprakelijkstellingen en aanslagen. Neem vrijblijvend contact op.

Bron aansprakelijkheid DGA voor belastingschulden

Arrest Hoge Raad geen aansprakelijkheid DGA.

Arrest Hoge Raad melding betalingsonmacht.

Aansprakelijkheid DGA voor belastingen [news] 2019-02-22 0000-00-00 0000-00-00 5825

Nieuw feit en navordering

In dit onderdeel diverse artikelen en rechtspraak over een nieuw feit binnen de belastingheffing. Er kan een navorderingsaanslag worden opgelegd als sprake is van een nieuw feit dat bij de Belastingdienst bij het vaststellen van de aanslag niet bekend was. Er zijn echter meer smaken, navordering is ook mogelijk indien:

  1. U geen aangifte heeft gedaan, terwij u dit wel moest doen;
  2. U bewust inkomsten of vermogen niet hebt opgegeven (nieuw feit is dan niet nodig);
  3. Er een fout is gemaakt door de Belastingdienst, welke voor u kenbaar was. Is de te weinig geheven belasting 30% of meer, dan kan altijd worden nagevorderd   

Nieuw feit en kwade trouw

Als de Inspecteur wil navorderen, moet er wel sprake zijn van een nieuw feit. Wist de Inspecteur al eerder van het feit dat er wellicht te weinig belasting wordt geheven (of kon hij dit weten), dan kan er niet worden nageheven, tenzij er sprake is van kwade trouw. Dit moet de Inspecteur dan wel aannemelijk maken.

Noot fiscaal jurist over nieuw feit

In de praktijk is er vaak discussie over "nieuw feit of niet". Dit is zeer afhankelijk van de feiten en omstandigheden, dus uw verhaal. De Inspecteur mag niet achterover leunen, maar hij mag er wel vanuit gaan dat u juist en volledig aangifte doet. Als u een boef bent, dan is navordering vaak wel mogelijk. Als u een eerlijke boef bent (u maakt wel melding van feiten over het belastbare feit), is navordering niet altijd mogelijk. De Inspecteur moet namelijk de aangifte zorgvuldig nalopen en verder onderzoek instellen als aan de juistheid van de aangifte kan worden getwijfeld. Hierbij moet hij gebruik maken van alle binnen de Belastingdienst (en soms daarbuiten) beschikbare informatie en kennis. Procederen over dit onderwerp is ons vak. Heeft u vragen, maak dan gerust een afspraak met één van onze specialisten.

Navordering en nieuw feit [news] 2019-07-31 0000-00-00 0000-00-00 6226

Vooroverleg Belastingdienst

Regelmatig overleggen wij met de Belastingdienst over internationale en nationale fiscale merites. Dit kan voor grotere bedrijven, maar zeker ook voor MKB bedrijven. Op grond van wetgeving, beleid en natuurlijk actuele jurisprudentie wordt - na overleg met de Belastingdienst - gekeken welke afspraak rechtens is. Zo weet de ondernemer vooraf waar hij / zij aan toe is.

Hoe werkt vooroverleg met de Belastingdienst?

In een advies of via een speciaal hiervoor gemaakt formulier zal er overleg plaatsvinden met de Inspecteur. In dit gesprek wordt een standpunt gevraagd van de Inspecteur in een specifieke fiscale situatie. Vooraf wordt er informatie aan de Belastingdienst verstrekt, de belangrijkste informatie is:

  • Namen van de betrokken (rechts)personen;
  • Gegevens gemachtigde (met volmacht);
  • Voor welke situatie vraagt u vooroverleg?;
  • Toelichting waarom u twijfelt en vooroverleg wenst;
  • Alle (fiscaal) relevante feiten en omstandigheden;
  • Beschrijving fiscale gevolgen van toekomstige handelingen;
  • Wat is uw standpunt?

Vooroverleg met de Belastingdienst eindigt vaak in een standpuntsbepaling en / of vaststellingsovereenkomst.

Noot fiscaal jurist over vooroverleg

Het is van belang dat u de feiten en omstandigheden klip en klaar op tafel legt. Een fiscaal expert kan vervolgens op grond van wetgeving, besluiten en jurisprudentie bepalen wat dan de consequenties zijn. Een zorgvuldige voorbereiding is van cruciaal belang. Een situatie die helder is opgenomen in wetgeving leent zich niet voor vooroverleg. Bij onzekerheid over de uitleg is vooroverleg soms wenselijk. De Belastingdienst zal niet ingaan op vooroverleg als bijvoorbeeld belastingbesparen de enige reden is om een structuur op te zetten. Waak dus voor gekunstelde constructies.

De Inspecteur moet op grond van artikel 4:13 AWB binnen 8 weken een standpunt innemen. Als een langere termijn nodig is, dan hoort u dit. Afdwingen van de termijn is lastig, een dwangsom (artikel 4:17 AWB) kan niet worden gevraagd. Meestal is uw klantcoördinator betrokken bij het verzoek. Soms zal uw verzoek worden voorgelegd binnen het vaktechnische overleg bij de Belastingdienst.

Bron informatie

Formulier vooroverleg Belastingdienst.

Handboek vooroverleg Belastingdienst.

WOB verzoek vaststellingsovereenkomst en voorbeelden

Vooroverleg Belastingdienst [news] 2019-08-28 0000-00-00 0000-00-00 6266

Dossierinzage en geheimhouding

U mag uw eigen belastingdossier dat de Belastingdienst heeft opgesteld inzien. Dit mag vlak voor de zogenaamde hoorfase, dus nadat u uw bezwaarschrift heeft ingediend. Als er een boete is opgelegd gelden andere spelregels, u mag dan uw dossier inzien vanaf het moment dat de boete is aangekondigd. .

Uw belastingdossier is niet volledig

De Belastingdienst (de Inspecteur) vindt het moeilijk om alle stukken aan u te laten zien, het zijn net mensen. Stel dat u leemten of open eindjes ontdekt in uw dossier, wat doet u dan? Zijn er stukken uit uw dossier gehaald? De wet is hierover helder (artikel 7:4 AWB), alle op de zaak betrekking hebbende stukken moeten ter inzage worden verstrekt. Soms stelt een Inspecteur dat bepaalde stukken er niet in zitten i.v.m. privacy van een ander en / of in verband met een geheimhouding.

De Hoge Raad (ons hoogste rechtscollege) stelt dat de Inspecteur verplicht is dat alle stukken die een rol spelen bij de besluitvorming tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren. Het moet dus om een volledig en logisch dossier gaan. Soms is geheimhouding (wegens een gewichtige reden) noodzakelijk, de stukken hoeven dan niet te worden verstrekt (artikel 8:29 AWB). Soms mag de rechter deze stukken wel zien en de belastingplichtige niet.

Interne correspondentie en dossierinzage

Gelukkig zijn rechters hier scherp op. Bij een dossierinzage (Artikel 7:4 Algemene Wet Bestuursrecht) of bij het overleggen van de op de zaak betrekking hebbende stukken (8:42 Awb) moeten spelregels worden betracht. De geheimhoudingskamer van het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden ging er recentelijk met gestrekt been in.

Het belang van vrijheid en vertrouwelijkheid van intern beraad is geen reden om deze stukken buiten het dossier van de belastingplichtige te houden, dit is derhalve geen rechtvaardigingsgrond voor een geheimhouding van op de zaak betrekking hebbende stukken (tijdens de zitting bleek het om 2.229 stukken te gaan). De Inspecteur had in deze zaak interne emails en correspondentie uit het dossier gehaald. Dit ging om ruim 1.500 berichten. Deze zijn eruit gehaald met een beroep op de geheimhouding. Uiteindelijk werden de mails wel verstrekt, maar is er veel zwart gemaakt (onleesbaar). Een rechter moet echter integraal kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Alleen een echt en gerechtvaardigd (en dus gemotiveerd) beroep op de geheimhouding (artikel 8:29 lid 1 Awb) moet worden gerespecteerd. Als de belangen van de Inspecteur zwaarder wegen dan de belangen van de belastingplichtige, mogen de stukken uit het dossier worden gehaald, anders niet. Dit is een verrekt zware bewijslast voor de Inspecteur.

Soms mogen stukken die betrekking hebben op intern overleg of intern beraad uit een dossier worden gehaald. Dit bijvoorbeeld in verband met persoonlijke standpuntsbepalingen, algemene beoordelingen of strategische overwegingen. Volgens de rechter moeten ook de stukken welke betrekking hebben op intern beraad in het dossier worden opgenomen.

Als de Inspecteur stukken uit een dossier wil halen, dan moet hij dit per stuk / mail / brief of passage afzonderlijk motiveren en aangeven welke belangenafweging is gemaakt. Daarnaast moeten de stukken overzichtelijk worden gerangschikt. Een extreme klus.

Vragen over dossierinzage

Een dossierinzage kan een belastingplichtige erg veel nuttige informatie geven. De geheimhouding of schoning van dit dossier heeft een warme belangstelling van de rechters. Inspecteurs zullen hieraan moeten wennen. Belastingplichtigen moeten hier scherp op zijn. Als u vragen heeft ... bel gerust voor een afspraak !

Bron geheimhouding en dossierinzage

Hoge Raad d.d. 4 mei 2018 (ECLI:NL:HR:2018:672)

Gerechtshof Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL: 2019: 7933)

Dossierinzage en geheimhouding [news] 2019-10-15 0000-00-00 0000-00-00 6302

Boete belastingadviseur & Wall of Shame

Hé, psst, belastingadviseur ... BOE !!

De boete van de belastingadviseurs

Inleiding boete voor belastingadviseurs en openbaarmaking naam

Belastingen zijn leuk, zo leuk dat we ons beroep ervan hebben gemaakt. Belasting betalen is minder, maar wel noodzakelijk. Wij staan u dan ook graag bij de staatsruif te vullen met uw bijdrage. Niet minder dan vereist, maar zeker niet meer dan nodig. Wij faciliteren u dus bij uw belastingverplichtingen, dit op deskundige wijze en met de wettekst en jurisprudentie als onze bijbel. Nu zijn er natuurlijk altijd mensen met een lagere belastingmoraal. Ook zij zoeken de fiscaal meest gunstige weg. En daar wringt nu de schoen. Binnen de grenzen van de wet is dat toegestaan. Sommigen noemen dat wel belastingontwijking, wat is toegestaan. Belastingontduiking echter niet.

Belastingontwijking versus belastingontduiking

De Belastingdienst ziet de belastingadviseur – terecht – als belangenbehartiger van de belastingplichtige. Er is echter een sterke tendens waarneembaar, waarin de Belastingdienst de adviseur meer ziet als partner-in-crime. Voeg daarbij de maatschappelijke trend waarin de ‘fair share’ gedachte (ieder zijn eerlijke deel, eventueel los van de - gebrekkige - wetgeving) doorgedrongen is en ook belastingontwijking als moreel niet meer aanvaardbaar is.

Openbaarmaking naam belastingadviseur op internet

De belastingadviseur wordt meer en meer de duimschroeven aangedraaid. We konden al bestuursrechtelijk geweigerd worden als vertegenwoordiger (artikel 2:2 Awb) en strafrechtelijk is ook het nodige mogelijk. Dat was beperkt tot excessen (de adviseur van de voetbaltrainer die wist dat hij onjuiste aangiften namens hem deed) maar meer strafrechtelijke vervolging ligt in het verschiet. Ook kan een adviseur bestuursrechtelijk worden beboet als hij (met de belastingplichtige) medepleger of medeplichtig is aan een fiscaal vergrijp.

Melden internationale structuren

Vanaf 1 juli 2020 zijn belastingadviseurs gehouden om – als onbezoldigd belastingambtenaar – internationale structuren te melden bij de belastingdienst (noot 1) . Die verplichting gaat erg ver. Hoe ver zal de toekomst uitwijzen. Duidelijk is wel dat er terugwerkende kracht is. Vanaf 1 juli moeten adviseurs binnen twee maanden alles melden voor (adviezen over) structuren vanaf 25 juni 2018. Meteen een zinvolle vakantiebesteding voor menig adviseur?? In sommige gevallen moet u zelf melden (geen adviseur, adviseur buiten de EU of adviseur met verschoningsrecht (advocaat).

Wwft en UBO en belastingadviseur

Naast het melden van structuren moeten we ook goed op de hoogte zijn van de achtergronden van onze klanten. In de strijd tegen witwassen en terrorisme moeten wij ook (onbetaald) ons steentje bijdragen. Er zijn velerlei verplichtingen voor klantonderzoek in de Wwft (Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme) en het vaststellen van de uiteindelijk gerechtigde bij ondernemingen (UBO, Ultimate Beneficial Owners).

Onjuist aangifte doen voor klant is niet fiscaal beboetbaar bij adviseur

Het is standaard praktijk dat de adviseur (via de geautomatiseerde systemen) aangifte doet voor de klant. Indien die aangifte onjuist blijkt te zijn, kan de adviseur geen fiscale boete krijgen. Recent oordeelde de Hoge Raad (noot 2) dat het een kwaliteitsdelict is, dat alleen gepleegd kan worden door degene die op basis van de wet aangifte moet doen (en dat is de klant zelf, c.q. de bestuurder van de B.V.). Strafrechtelijke vervolging is echter wel mogelijk (art. 225 Sr: ‘valsheid in geschrift’. De vraag komt op of de adviseur van de bekende voetbaltrainer wel op de juiste gronden is veroordeeld ... (noot 3).

De belastingadviseur als medepleger van een fiscale uitglijder

Niet alleen de belastingplichtige die een fiscale overtreding begaat, kan een fiscale boete aan de broek krijgen, maar ook diens adviseur. De wet (art. 5:1 Awb) voorziet namelijk in de beboeting van een medepleger. Medeplegen is zwaarder dan medeplichtig. Voor medeplichtigheid hoeft slechts het misdrijf te worden bevorderd of vergemakkelijkt. Voor medeplegen is een nauwe en bewuste samenwerking nodig. Bijvoorbeeld als de adviseur het initiatief heeft genomen tot een niet toegestane belastingbesparing kan deze medepleger zijn als de belastingplichtige daarvan op de hoogte is (en ook meewerkt). Een aardig voorbeeld is de notaris die rommelt met side-letters om zo overdrachtsbelasting (voor de klant) terug te krijgen (noot 4).

Dergelijke boetes worden niet vaak opgelegd. Bovendien is daarvoor toestemming van het Ministerie nodig, zodat alleen sprekende gevallen in aanmerking komen. Er is wel een toename zichtbaar, dus de adviseur is gewaarschuwd.

The Wall of Shame voor belastinadviseurs

Sinds 1 januari 2020 is er een nieuwe loot aan de stam om de adviseur in zijn hok te duwen. Als aan de adviseur een fiscale boete is opgelegd, kan diens naam worden gepubliceerd (noot 5), met naam en toenaam, de hoogte van de boete en de aard van de boete staan dan voor vijf jaar op de site van de Belastingdienst.

Let wel: voor een boete is niet vereist dat de adviseur er zelf beter van geworden is. Bovendien hangt hem een ‘beroepsverbod’ boven het hoofd. De schuldige van de benoemde strafbare feiten, in zijn beroepsuitoefening begaan, kan namelijk van de uitoefening van dat beroep worden ontzet (noot 6).

Vanuit de beroepsorganisaties is sterk tegen deze wet gereageerd (noot 7). Terecht. (Vrijwel) nergens in het strafrecht worden namen van overtreders gepubliceerd, terwijl dit niet een hard-core strafrecht is. De feiten zijn meestal vele jaren geleden gepleegd. Tijdelijke publicatie is een utopie (internet vergeet niets). Feitelijk is beroepsuitoefening niet meer mogelijk. Voor de echt slechte gevallen zijn daarvoor andere methoden. En dan zijn er nog de privacy-perikelen.

Hoe graag wij als fiscaal juristen ook verlost willen zijn van concurrerende ‘rotte appels’, is dit niet de methode. Er zijn al meer dan genoeg (illegale) zwarte lijsten binnen de Belastingdienst (noot 8). Daarbij, een bonafide klant kan met eenvoudig googelen meestal wel de kwaliteit van een adviseur inschatten om de malafide adviseurs te ontlopen.

Malafide klanten willen we niet en die vinden hun weg toch wel naar de malafide adviseur, met of zonder publicatie of beroepsverbod.

De rechter kan belastingadviseur nog helpen

Jawel, een beetje. De Staatssecretaris heeft geprobeerd de kosten van de belastingheffing op de adviseur te verhalen. Dat was een geval waarin een adviseur voor zo’n 4.000 klantjes de aangifte invulde met verzonnen zorgkosten, waardoor zij een teruggaaf kregen. De Belastingdienst wilde de kosten van het herzien van die teruggaven verhalen. De adviseur zou zo voor bijna 4 ton aan kosten moeten vergoeden. De adviseur van de Hoge Raad (A-G Wattel) wil daar niet aan (noot 9).

In een arrest van de Hoge Raad d.d. 15 september 2020 is gebleken dat een adviseur niet altijd als medepleger kan worden gezien als er opzettelijk onjuist of onvolledig aangifte is gedaan (artikel 69.2 AWR), dit in tegenstelling tot de uitspraak van het Gerechtshof. De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2020:121), inhoudende dat als aangifte ingediende gegevensdrager uitsluitend kan worden aangemerkt als ‘bij belastingwet voorziene aangifte’ indien die aangifte is gedaan door degene op wiens belasting- of betalingsplicht die aangifte betrekking heeft of door degene die uit hoofde van art. 42 tot en met 44 AWR als vertegenwoordiger van belasting- of betalingsplichtige kan optreden en dat art. 47 tot en met 51 Sr diverse mogelijkheden bieden om degene die anders dan als pleger betrokken is bij onjuist of onvolledig doen van bij belastingwet voorziene aangifte, onder specifieke voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor die betrokkenheid.

Noot fiscaal jurist of wall of shame

Belastingen zijn leuk. Daar begonnen we mee. Dat blijft het ook. De toenemende regelgeving, geboden en verboden, verplichtingen en risico’s, boetes en aansprakelijkheden, meldplichten en suppleties, nemen hand over hand toe. Daar tussendoor laveren en ook nog een goed advies geven; laat dat maar aan ons over. Hoe ruwer de zee, hoe meer wij in ons element zijn.

Wij doen niet mee aan de grote bangmaak-show en gaan vrolijk door met ons werk. Naar eer en geweten.

Wij kunnen ons voorstellen dat belastingplichtigen (zoals mensen met het toeslagen probleem) zelf een lijst willen maken van belastingambtenaren die op een openbare lijst moeten staan, via de wettelijke route is dit niet mogelijk maar op het internet is veel mogelijk. De Belastingdienst heeft vorig jaar al mensen ontslagen wegens fraude, wellicht dat de Belastingdienst zelf ook een voorzet kan geven voor een dergelijke lijst. De mensen die bij de Belastingdienst worden ontslagen solliciteren wellicht in de adviespraktijk, wij zouden graag voordien weten of de sollicitant wordt verdacht van fraude, dus zo gek is de lijst nog niet.  

Loopt u ook tegen bovenstaande problemen aan, of heeft u een - gewoon - fiscaal probleem, aarzel dan niet en neem contact met ons op.

Bron Wall of Shame belastingadviseur

Melding internationale structuren

Boete en wall of shame belastingadviseur [news] 2020-03-03 0000-00-00 0000-00-00 6372

Het coronavirus en belastingheffing

Het coronavirus speelt een belangrijke rol in de wereldeconomie. Zo ligt er in China reeds een groot aantal fabrieken stil en lijkt het een kwestie van tijd dat dergelijke maatregelen ook in Europa en Nederland worden getroffen. Het coronavirus kan tot de nodige financiële onzekerheid leiden voor een onderneming. Hierna een aantal aandachtspunten in geval uw onderneming (financiële) hinder ondervindt van het coronavirus.

Melding van betalingsonmacht door coronavirus

Indien uw onderneming de verschuldigde loonbelasting en omzetbelasting niet tijdig kan voldoen, dan is het raadzaam een melding van betalingsonmacht te doen bij de Belastingdienst. Wordt geen of niet tijdig de betalingsonmacht gemeld, dan is de bestuurder in beginsel hoofdelijk aansprakelijk voor de niet betaalde loonheffingen en omzetbelasting. Dit ongeacht of het niet kunnen betalen van de loonbelasting en omzetbelasting te wijten is aan de bestuurder.

Mocht u (als gevolg van het coronavirus) in financiële problemen zijn gekomen, dan is het raadzaam tijdig een melding van betalingsonmacht te doen. Een tijdige melding vindt plaats binnen 14 dagen nadat de loonbelasting of omzetbelasting verschuldigd is.

Uitstel van betaling aanvragen vanwege coronavirus

Heeft u als ondernemer een openstaande belastingschuld? Dan kunt u 4 maanden uitstel krijgen vanaf de uiterste betaaldatum van de aanslag indien het bedrag van de openstaande belastingschuld minder is dan € 20.000. Voorwaarde is wel dat u altijd op tijd aangifte heeft gedaan, er niet voor dezelfde aanslag uitstel van betaling is verleend en er geen dwangbevel ligt. Indien u aan bovenstaande voorwaarden voldoet, kunt u telefonisch om uitstel van betaling vragen via 0800 - 0543.

Voldoet u niet aan bovenstaande voorwaarden, dan dient u schriftelijk te verzoeken om uitstel van betaling. Daarbij dient u het ontstaan van het liquiditeitstekort te beschrijven en tevens aan te geven wanneer en hoe u verwacht uw openstaande belastingschuld alsnog te kunnen voldoen. Van belang is veelal dat de openstaande belastingschuld binnen een redelijke tijd wordt ingelopen en dat er gedurende de betalingsregeling zekerheid wordt afgegeven.

In deze trajecten doet u er verstandig aan u bij te laten staan door een fiscaal jurist.

Wijzigen voorlopige aanslag

Indien u een aantal goede jaren heeft gehad, zult u waarschijnlijk ook voor het jaar 2020 een voorlopige aanslag inkomsten- of vennootschapsbelasting opgelegd hebben gekregen. Mocht blijken dat de winstverwachting als gevolg van het coronavirus achterblijft, dan kunt u een verzoek bij de Belastingdienst indienen om de voorlopige aanslag te verminderen.

Uitstel voor het doen van aangifte

Indien de aangifte inkomsten- of vennootschapsbelasting leidt tot een te betalen bedrag, dan kan het raadzaam zijn om uitstel te verzoeken voor het indienen van de aangifte, of gebruik te maken van de uitsteltermijn die voor het doen van de aangifte geldt. Houdt er in dat geval wel rekening mee dat er met ingang van 1 juli een belastingrente van 4% berekend wordt over de verschuldigde inkomstenbelasting en een belastingrente van 8% over de verschuldigde vennootschapsbelasting.

Voelt uw onderneming de gevolgen van het coronavirus en wilt u meer weten over de fiscale gevolgen daarvan? Neem dan contact op met de auteur van dit artikel.

Contact met onze corona-specialisten

Het coronavirus en belastingheffing [news] 2020-03-09 0000-00-00 0000-00-00 6381

Uitstel van betaling coronavirus

Dit artikel is aangepast n.a.v. de op 12, 17 en 26 maart 2020 aangekondigde maatregelen. Voor de overzichtpagina inzake corona kunt u hier klikken

Fiscale maatregelen in verband met coronavirus

Als ondernemer zult u rekening moeten houden met mogelijke betalingsproblemen. De overheid heeft diverse maatregelen bekend gemaakt, de belangrijkste op dit moment zijn:

  1. Uitstel van betaling bij de Belastingdienst wordt eenvoudiger.
  2. De invordering wordt direct na uw verzoek stopgezet
  3. Geen verzuimboete bij niet tijdig betalen van uw belastingen.
  4. Een deskundigen verklaring voor uitstel blijft nodig.
  5. Vrijwel geen invorderingsrente of belastingrente.
  6. Verlagen voorlopige aanslagen inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting.
  7. Er komt een speciale MKB-lening met staatsgarantie.
  8. Werknemers kunnen gedeeltelijk in de WW.

Uitstel van belastingbetaling door het coronavirus

In de brief van 12 maart 2020 van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, kenmerk CE-AEP/20072624, en mede ondertekend door de Minister van Financiën, Wopke Hoekstra, wordt de mogelijkheid geboden om bijzonder uitstel van betaling aan te vragen aan ondernemers om hun liquiditeitsproblemen het hoofd te kunnen bieden.

Ondernemers die in financiële problemen komen vanwege het coronavirus kunnen uitstel van betaling aanvragen bij de Belastingdienst. Het gaat hierbij om:

  • inkomstenbelasting;
  • vennootschapsbelasting;
  • loonbelasting; en
  • omzetbelasting.

De fiscus zal dan de verzuimboete voor het niet op tijd betalen van de belasting schrappen of terugdraaien. Let op!  De verzuimboete voor het niet tijdig indienen van de aangifte blijft wel van kracht, dus u moet wel een juiste en tijdige aangifte indienen.

Vereisten verzoek uitstel van betaling

De Belastingdienst heeft op het forum voor fiscaal dienstverleners de regels omtrent uitstel van betaling opgenomen. Deze regels zijn afkomstig uit eerdere besluiten omtrent uitstel van betaling. De vereisten zijn eenvoudiger geworden:

  • als u door de uitbraak van corona in de betalingsproblemen bent gekomen krijgt u gedurende 3 maanden uitstel van betaling.

Mededeling Belastingdienst inzake uitstel van betaling i.v.m. coronavirus

Update 19 maart 2020

U kunt ons vragen om bijzonder uitstel van betaling. Dit kan voor alle aanslagen inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, omzetbelasting (btw) en loonheffingen.

Stuur daarvoor een brief aan ons. In de brief vraagt u om uitstel van betaling waarin u aangeeft dat u door de uitbraak van corona in betalingsproblemen bent gekomen. Nadat wij uw verzoek hebben ontvangen, stoppen wij met invorderingsmaatregelen. U krijgt automatisch 3 maanden uitstel van betaling. Een boete voor het niet op tijd betalen van btw of loonheffingen hoeft u niet te betalen. 

Mogelijk is een betalingsuitstel van 3 maanden voor u te kort. U kunt ook voor een langere periode uitstel aanvragen. Wij vragen u dan nogaanvullende informatie aan te leveren (eventueel verklaring van een derde deskundige). Hier zullen we u nog over inlichten via deze website. Het kabinet wil de administratieve lasten van het aanvragen van uitstel van betaling voor u zo beperkt mogelijk houden. Voor de eerste 3 maanden is dus geen verklaring van een derde deskundige (bijvoorbeeld accountant of brancheorganisatie) nodig.

Hieronder leest u waarmee u rekening moet houden wanneer u bijzonder uitstel van betaling wilt aanvragen.

Wanneer kunt u uitstel aanvragen?

U kunt voor alle aanslagen inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, omzetbelasting (btw) en loonheffingen uitstel aanvragen. Dit betekent dat u wanneer u aangifte hebt gedaan en een aanslag hebt ontvangen, u het uitstel kunt aanvragen.

Waar stuurt u uw verzoek om uitstel naar toe?

Stuur uw verzoek om uitstel met motivering naar:

Belastingdienst

Postbus 100

6400 AC Heerlen

Verzoek uitstel van betaling, hoe indienen?

Verstuur een eenvoudige brief aan de Belastingdienst. Wilt u een voorbeeld brief ontvangen stuur ons dan een e-mail, wij sturen u dan gratis een voorbeeldbrief.

Wat kunt u als ondernemer doen?

  • Verminder uw voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting, deze verzoeken i.v.m. het coronavirus worden door de Belastingdienst ingewilligd.  
  • Vraag uitstel van betaling aan voor nog verschuldigde omzetbelasting, vennootschapsbelasting, loonbelasting of inkomstenbelasting.
  • Is echt sprake van zwaar weer, dan kan het handig zijn om ook betalingsonmacht te melden bij de Belastingdienst. Hiermee voorkomt u dat u bij een faillissement van de onderneming aansprakelijk kunt worden gesteld voor de loon- en omzetbelastingschulden van de onderneming.
  • Vraag BTW terug als blijkt dat uw debiteuren u niet kunnen betalen.
  • Pas op met inlenen van personeel, als degene waar u personeel van heeft ingehuurd de loonheffing niet zou betalen, kunt u hiervoor aansprakelijk worden gesteld.
  • Verwacht u over 2020 verlies te maken door het coronavirus, dan kunt u direct na afloop van dit jaar een verzoek tot voorlopige verliesverrekening indienen. U kunt uw verlies over 2020 dan verrekenen met de winst over 2019. Dit kan via een voorlopige carry back, u kunt dan 80% van het verlies verrekenen.

Verminderen van uw voorlopige aanslag i.v.m. coronavirus

Hoe kunt u uw voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting verminderen?

U doet de aanvraag of wijziging met uw commerciële softwarepakket of laat dit door uw belastingconsulent doen.

Vragen over fiscale maatregelen coronavirus?

De behandeling bij de Belastingdienst zal handmatig plaatsvinden, de wachttermijnen zullen de komende weken dus oplopen. Als op de site van de Belastingdienst wordt gezocht op het woord "corona", dan is het enige zoekresultaat "wachttijden bij Belastingtelefoon door coronavirus".  

De adviseurs van Jongbloed Fiscaal Juristen staan u graag bij met hun expertise, zodat de financiële gevolgen van de coronacrisis voor u zo beperkt mogelijk blijven. Wilt u op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen, schrijf u dan in voor onze nieuwsbrief. Voor vragen of een vrijblijvende afspraak kunt u contact opnemen met één van onze specialisten.

Download uitstel van betaling

Formulier uitstel van betaling

Uitstel van betaling coronavirus [news] 2020-03-12 0000-00-00 0000-00-00 6384

Uitstel van betaling door crisis

Deze site is bijgewerkt n.a.v. de aankondigingen op 17 maart 2020 en 19 maart 2020

Uitstel van betaling coronavirus

In de brief van 12 maart 2020 van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, kenmerk CE-AEP/20072624, en mede ondertekend door de Minister van Financiën, Wopke Hoekstra, wordt de mogelijkheid geboden om bijzonder uitstel van betaling aan te vragen voor ondernemers om hun liquiditeitsproblemen het hoofd te kunnen bieden. De regeling is op 17 maart 2020 verder verruimd: Het gaat hierbij om uitstel van betaling voor:

  • inkomstenbelasting;
  • vennootschapsbelasting;
  • loonbelasting; en
  • omzetbelasting.

De regeling wordt soepel toegepast

  • De belastingdienst stopt de invordering direct na het verzoek
  • Er wordt vrijwel geen invorderings- of belastingrente in rekening gebracht
  • Er wordt geen boete opgelegd
  • U moet met een externe deskundigen verklaring kunnen aantonen dat u nu tijdelijke betalingsproblemen heeft en dat uw bedrijf levensvatbaar is, voor de eerste 3 maanden uitstel geldt deze verklaring nog niet. Dit is op 19 maart 2020 bekend gemaakt.

Hoe werkt de regeling voor uitstel van betaling?

Vereisten verzoek uitstel van betaling

De Belastingdienst heeft op het forum voor fiscaal dienstverleners de regels omtrent uitstel van betaling opgenomen. Deze regels zijn afkomstig uit eerdere besluiten omtrent uitstel van betaling. Belangrijkste aandachtspunt bij de regeling is dat uw via een zogenaamde deskundigenverklaring aannemelijk moet maken dat:

  • er sprake is van bestaande betalingsproblemen
  • uw betalingsproblemen van tijdelijke aard zijn als gevolg van het coronavirus
  • uw onderneming levensvatbaar is

Mededeling Belastingdienst inzake uitstel van betaling i.v.m. coronavirus

Heeft uw klant betalingsproblemen als gevolg van de coronacrisis? Dan kunt u bij de Belastingdienst een verzoek indienen voor bijzonder uitstel van betaling. Dit uitstel van betaling is mogelijk voor inkomstenbelasting, loonbelasting, omzetbelasting en vennootschapsbelasting.

De Belastingdienst verleent uitstel van betaling als u kunt motiveren dat uw klant door de coronacrisis in betalingsproblemen is gekomen. Voor de eerste 3 maanden uitstel hoeft u een deskundigenverklaring nog niet te verstrekken. Als u langer uitstel wenst dan 3 maanden dat moet u een een verklaring van een derde deskundige aan de Belastingdienst sturen. Uit deze verklaring moet blijken dat:

  • Sprake is van werkelijk bestaande, acute betalingsproblemen (en niet om bijvoorbeeld betalingsproblemen die in de toekomst zullen ontstaan).
  • Betalingsproblemen van tijdelijke aard zijn.
  • Uw klant de betalingsproblemen voor een bepaald tijdstip oplost.
  • De onderneming levensvatbaar is.
  • Waarom u na 3 maanden nog niet tot betaling van belasting kunt overgaan.

Een derde deskundige kan een externe consultant, een externe financier, een brancheorganisatie, een accountant of financieel adviseur zijn.

U stuurt het formulier inclusief de verklaring van derde en motivering naar:

Belastingdienst

Postbus 100

6400 AC  Heerlen

Wilt u een beoordeling ontvangen neem dan contact met ons op via email of telefoon (053 - 432 72 00)

Verzoek uitstel van betaling, hoe indienen?

Ons advies is dat u het standaard formulier van de Belastingdienst gebruikt. Dit kunt u hier downloaden. Het verzoek voor uitstel van betaling moet dus schriftelijk worden ingediend.  Zodra het verzoek bij de Belastingdienst binnen is, zet de Belastingdienst de invordering stop. Uitstel van betaling kan voor maximaal 3 maanden, er kunnen zekerheden worden gevraagd maar gedurende de eerste 3 maanden zal dit waarschinlijk niet gebeuren.

Verminderen van uw voorlopige aanslag i.v.m. coronavirus

Hoe kunt u uw voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting verminderen?

U doet de aanvraag of wijziging met uw commerciële softwarepakket of laat dit door uw belastingconsulent doen.

Vragen over fiscale maatregelen coronavirus?

De behandeling bij de Belastingdienst zal handmatig plaatsvinden, de wachttermijnen zullen de komende weken dus oplopen. Als op de site van de Belastingdienst wordt gezocht op het woord "corona", dan is het enige zoekresultaat "wachttijden bij Belastingtelefoon door coronavirus".  

De adviseurs van Jongbloed Fiscaal Juristen staan u graag bij met hun expertise zodat de financiële gevolgen van de coronacrisis voor u zo beperkt mogelijk blijven. Wilt u op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen, schrijf u dan in voor onze nieuwsbrief. Voor vragen of een vrijblijvende afspraak kunt u contact opnemen met één van onze specialisten.

Download uitstel van betaling

Formulier uitstel van betaling

Uitstel van betaling [news] 2020-03-16 0000-00-00 0000-00-00 6390

(Fiscaal) verschoningsrecht, wat is het en hoe werkt het?

Iedere belastingplichtige is gehouden om de Belastingdienst informatie te verstrekken die nodig is voor de heffing. Deze verplichting geldt ook voor derden (administratieplichtigen). Er zijn uitzonderingen gemaakt voor bepaalde derden, zoals advocaten en notarissen. Zij kunnen zich beroepen op een wettelijk verschoningsrecht om informatie van hun cliënten niet te hoeven delen. Dit verschoningsrecht is de afgelopen jaren weer (meer) in opspraak geraakt, onder meer als gevolg van de Panama Papers. Dit heeft geresulteerd in een wetsvoorstel dat wij aan het einde van dit artikel nader bespreken.  

Wat is een verschoningsrecht?

Het verschoningsrecht kan het eenvoudigst worden uitgelegd in samenhang met de vertrouwelijkheid die tussen een advocaat en een cliënt geldt. Het zou voor de rechtsbescherming ongunstig zijn indien rechtzoekenden hun advocaat niet met alle relevante zaken in vertrouwen durven te nemen. Het verschoningsrecht maakt dat de advocaat tegenover iedereen (dus ook een belastinginspecteur en een rechter) kan weigeren informatie te openbaren op grond van een geheimhoudingsplicht.

Het verschoningsrecht vindt, aldus de Hoge Raad, zijn grondslag in het algemene maatschappelijk belang dat eenieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde tot de dienstverlener kan wenden. Dit uitgangspunt zien we onder meer terug in Hoge Raad uitspraak van 27 april 2012.

De vraag is wie bepaalt of informatie wel of niet onder het verschoningsrecht valt. Die keuze is in beginsel voorbehouden aan de beroepsbeoefenaar (de derde). Dit is slechts anders indien redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de onjuistheid van het aanmerken van informatie als vallend onder het verschoningsrecht.

Het verschoningsrecht in het belastingrecht

In het belastingrecht kennen we een verschoningsrecht dat geldt voor: notarissen, advocaten, procureurs, apothekers, artsen en godsdienstbeoefenaars. Zij kunnen weigeren om informatie af te staan als het gaat om informatie die benodigd is voor de belastingheffing van derden (cliënten) en die zij uit hoofde van hun beroep hebben verkregen. Opvallende afwezige in deze lijst is de fiscaal jurist. Deze beschikt echter wel over een tweetal aanverwante, doch minder vergaande verschoningsrechten: het pseudo-verschoningsrecht en het afgeleid verschoningsrecht.

Het pseudo-verschoningsrecht ziet op informatie die de fiscaal jurist heeft opgesteld om de fiscale positie van de belastingplichtige te belichten dan wel hieromtrent te adviseren. Denk bijvoorbeeld aan een adviesrapport of een DDO-rapport. Dit heeft de Hoge Raad in 2005 beslist. Een belangrijke begrenzing ligt hierin dat dit soort rapporten niet volledig onder de werking van het pseudo-verschoningsrecht vallen. Indien en voor zover het rapport niet ziet op het belichten of adviseren van de belastingpositie van de belastingplichtige, moet de informatie worden verstrekt. In de praktijk betekent dit dat, naast de overheid, tegenwoordig ook de fiscaal jurist rapporten (deels) zwart lakt alvorens tot verstrekking aan de Belastingdienst over te gaan.

Het afgeleid verschoningsrecht speelt voornamelijk in samenwerkingssituaties. Het komt vaak voor dat een advocaat, bijvoorbeeld gespecialiseerd in strafrecht, optrekt met een fiscaal jurist in een fiscaal getint dossier. Het zou hoogst onwenselijk zijn indien de fiscaal jurist tot volledige informatieverstrekking inzake het dossier gehouden is en de advocaat niet. In dat soort situaties kan de fiscaal jurist zich beroepen op het afgeleid verschoningsrecht. Hij ‘leent’ dan als het ware het verschoningsrecht van de advocaat. Dit werkt in de praktijk op bijzondere wijze. Indien het OM zich zou wenden tot de ingeschakelde deskundige, is deze gehouden de informatie af te geven. Alvorens de informatie mag worden ingezien en gebruikt, moet de rechter-commissaris deze onder zich houden. De advocaat (verschoningsgerechtigde) dient zich vervolgens eerst uit te kunnen laten over het wel of niet onder zijn verschoningsrecht vallen van de informatie.

De omgekeerde situatie komen wij in de praktijk ook vaak tegen. De fiscaal jurist betrekt dan een gespecialiseerde advocaat bij het dossier en verstrekt informatie. Hoe hiermee om te gaan? Uitgangspunt is dat dan moet worden beoordeeld of de cliënten zich (rechtstreeks) tot de advocaat hebben gewend en aan de advocaat in die hoedanigheid informatie hebben verstrekt. Aangezien het primaire contact veelal via de fiscaal jurist verloopt, zal dat niet vaak het geval zijn. Getoetst moet dan worden aan het pseudo-verschoningsrecht van de fiscaal jurist op grond waarvan de advocaat eventueel een afgeleid verschoningsrecht kan hebben. Complexe materie.

Wetsvoorstel aanpassing verschoningsrecht

De wetgever lijkt opnieuw de belangenafweging tussen onbegrensde informatievergaring en onderlinge vertrouwelijkheid te willen maken. Daartoe is nu een wetsvoorstel in internetconsultatie gebracht. De belangenafweging lijkt echter anders uit te vallen. In het nu gedane voorstel wordt de regel dat het verschoningsrecht niet kan worden ingeroepen indien het informatie betreft die, indien de belastingplichtige geen verschoningsgerechtigde zou hebben ingeschakeld, ook zou moeten worden verstrekt. Tevens wordt in de wet verduidelijkt dat het verschoningsrecht alleen geldt voor informatie die verband houdt met de juridische dienstverlening. Dit laatste is slechts een vastlegging van wat in de rechtspraak al als regel wordt gehanteerd.

In het wetsvoorstel wordt opgemerkt dat de Inspecteur zich eerst moet wenden tot de belastingplichtige zelf. Slechts als laatste middel (een ‘ultimum remedium’) mag de Inspecteur zich richten tot een verschoningsgerechtigde. Voorafgaand aan een informatieverzoek van de Inspecteur zou deze zich moeten laten machtigen door de Minister.

Een belangrijke vraag is hoe zo'n verzoek van de Inspecteur uitpakt in het kader van het gesloten stelsel van rechtsbescherming dat wij kennen in het fiscaal recht. Immers, indien de belastingplichtige niet voldoet aan de informatieverplichtingen, kan hij worden geconfronteerd met een informatiebeschikking. Hiertegen staat vervolgens bezwaar en beroep open. Een relevante vraag bij dit voorstel is hoe de belastingplichtige en / of verschoningsgerechtigde kan opkomen tegen een gemachtigd verzoek om informatie aan een verschoningsgerechtigde. Immers, indien daartegen, behoudens een civiele kortgedingprocedure, geen bezwaar en beroep openstaat, kan sprake zijn van een situatie waarin de rechtsbescherming ernstig wordt beperkt.

Vanuit het oogpunt van de rechtsbescherming hebben wij bij dit wetsvoorstel dus nog een aantal relevante vragen. Wij houden u hiervan op de hoogte.

Noot

Zit u in een geschil met de Belastingdienst waar u niet uitkomt? Neem dan contact met onze specialisten op. Wij zetten ons volledig in voor uw belangen.

Nuttige links:

Hoge Raad 27 april 2012

Hoge Raad 2005

Internetconsultatie wetsvoorstel

(Fiscaal) Verschoningsrecht [news] 2020-09-11 0000-00-00 0000-00-00 6666

Vaststellingsovereenkomst Belastingdienst

Belastingwetgeving is niet altijd duidelijk, daarnaast zijn feiten soms niet helder en regels/ wetgeving, evenmin. Het is soms niet verstandig om geschillen aan de rechter voor te leggen, dit is kostbaar, duurt lang en de uitkomst is onzeker.  Soms is het maken van afspraken met de Belastingdienst dan een betere optie. De afspraken worden uiteindelijk vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst.

Wat is een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst?

In een vastellingsovereenkomst worden de volgende zaken vastgelegd

  • De feiten
  • De twistpunten
  • De standpunten
  • Tijdlijn
  • De fiscale gevolgen
  • De afspraak
  • Belastingrente, invorderingsrente en boete
  • De formele zaken (geldigheidsduur, afstand rechtsmiddelen, wilsgebreken, etc)

Waarover is vaak discussie bij een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst?

De Belastingdienst hanteert een model overeenkomst welke als uitgangspunt wordt genomen. Wij beoordelen regelmatig dergelijke overeenkomsten. In de praktijk is wle eens discussie over enkele onderwerpen aangaande de inhoud van de vaststellingsovereenkomst. Het is verstandig om de overeenkomst door een deskundige te laten beoordelen

Checklist Vaststellingsovereenkomst Belastingdienst

  1. Worden de feiten juist weergegeven
  2. Over welke periode gelden de afspraken
  3. Hoe omgaan met boetes, belastingrente en invorderingsrente
  4. Bepaling omtrent dwaling en de verstrekte informatie
  5. Vergoeding van griffierechten (bij intrekken beroepsprocedure)
  6. Vergoeding immateriele schade
  7. Vergoeding kosten (bijvoorbeeld van adviseurs)
  8. Vergoeding kosten bezwaarfase
  9. Mag het bedrag dat samenhangt met de VSO in het jaar waarom deze betrekking heeft als kosten/ verlies worden genomen.
  10. Welke afspraken worden er voor de toekomst gemaakt
  11. Is naast de VSO nog beroep mogelijk tegen bepaalde onderdelen
  12. Is een betalingsregeling voor het bedrag uit de VSO mogelijk

Advies inzake vaststellingsovereenkomst

Het is verstandig om een vaststellingsovereenkomst voor ondertekening nog door een deskundige te laten controleren. Maak gerust een afspraak of vraag een offerte.

WOB Verzoek vaststellingsovereenkomst

Vaststellingsovereenkomst 2020-09-22 0000-00-00 0000-00-00 6689

Navordering en kwade trouw

De Belastingdienst kan navorderen. Dat betekent dat hij achteraf te weinig betaalde belasting alsnog kan vorderen, ondanks dat al een definitieve aanslag is opgelegd. Dit kan echter niet ongelimiteerd. U moet als belastingplichtige namelijk kunnen vertrouwen op de aanslag die dezelfde Belastingdienst u eerder heeft opgelegd. Daarom is het navorderen van belasting alleen mogelijk indien voldaan is aan strikte voorwaarden, zoals kwade trouw bij de belastingplichtige. Aan de hand van een recent praktijkvoorbeeld gaan wij op de kwade trouw nader in. Eerst benoemen wij echter wat kwade trouw inhoudt en gaan wij in op het opzetvereiste.  

Kwade trouw bij navorderen

Kwade trouw wordt niet zomaar aangenomen door de rechter, ondanks dat de Belastingdienst dit standpunt redelijk snel inneemt. Van kwade trouw is alleen sprake als de belastingplichtige met opzet de Inspecteur niet voorziet van juiste inlichtingen. Het maakt daarbij niet uit of de belastingplichtige zwijgt of onjuiste inlichtingen geeft. Kwade trouw mag alleen tot navordering leiden als de kwade trouw de oorzaak is van de te weinig betaalde belasting op de aanslag. De beoordeling of kwade trouw aanwezig is vindt plaats naar de situatie op het moment van het indienen van de aangifte die tot de aanslag heeft geleid.

Kwade trouw en opzet

Vaak wordt over de zinsnede met opzet heen gelezen. Toch is dit een belangrijke aanvulling in de wettekst. Doordat de wet spreekt van opzet, is van kwade trouw geen sprake als de belastingplichtige zich niet bewust is geweest van de onjuistheid of onvolledigheid. Dit is door de Hoge Raad ook bevestigd (BNB 2011/59). In situaties waarin opzet ontbreekt, spreekt men vaak van onachtzaamheid of (grove) schuld. Van opzet is uiteraard wel sprake als de belastingplichtige willens en wetens onjuiste inlichtingen verstrekt. Dit kan discussies opleveren over de vraag waar de grens ligt tussen opzet en onachtzaamheid. Deze grens is niet in beton gegoten en is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden. De rechter kijkt vaak of de belastingplichtige zich bewust aan de aanmerkelijke kans heeft blootgesteld dat hij een onjuiste aangifte doet. Is dat het geval, dan is sprake van voorwaardelijke opzet, hetgeen voldoende is om opzet in de zin van kwade trouw aan te nemen.

Voorbeeld uit de praktijk

Een belastingplichtige maakt bij het doen van de aangiften inkomstenbelasting gebruik van de mogelijkheid om persoonsgebonden aftrek op te geven. Het betreft weekenduitgaven voor gehandicapten. Dit verlaagt hier het belastbare inkomen uit werk en woning behoorlijk. De Inspecteur volgt deze aangiften en legt aanslagen op. Enkele jaren later stelt de Inspecteur vragen over de persoonsgebonden aftrek. In 2013 stelt hij vragen over de periode 2008 – 2010. Over deze jaren legt de Inspecteur navorderingsaanslagen op. De belastingplichtige is het oneens met de navorderingsaanslag (2008 – 2010) en gaat in bezwaar. Het bezwaar is zonder resultaat en ook het beroep bij de Rechtbank leidt niet tot het gewenste resultaat.

Het Gerechtshof benadrukt eerst dat sprake moet zijn van opzet. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van het gedrag van de belanghebbende bij het doen van de aangifte. Van opzet is sprake indien, in de woorden van het Hof: de belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte wist dat, indien deze aangifte zou worden gevolgd, de aanslag tot een te laag bedrag zou worden opgelegd. In deze situatie is het zo dat belanghebbende € 26.100 in aftrek heeft gebracht. Tijdens de procedure neemt hij het standpunt in dat dit € 5.814 had moeten zijn. Dat zijn de getallen over 2008. Het verschil over 2009 is kleiner (€ 10.842 opgegeven en € 6.264 als later standpunt). Het Hof ziet hierin voldoende aanleiding om te oordelen dat de belastingplichtige ermee bekend was of in ieder geval had moeten zijn, dat dit onjuiste inlichtingen waren. Tevens meent het Hof dat dit opzettelijk is gebeurd en dat hierdoor te weinig belasting is geheven. Het Hof stelt dat van kwade trouw sprake is.

De belanghebbende laat het er echter nog niet bij zitten en legt de zaak voor aan de Hoge Raad. Hij oordeelt met betrekking tot de kwade trouw dat het Hof te snel heeft geoordeeld dat sprake is geweest van opzet. Het Hof heeft zich gebaseerd op het grote verschil tussen wat de belastingplichtige nu als uitgaven noemt en hetgeen hij in de aangifte heeft opgenomen. Dit verschil kan echter niet zonder meer het oordeel dragen dat in de aangifte opzettelijk onjuiste gegevens zijn opgenomen. Dat is te kort door de bocht geweest.

Uiteindelijk trekt de belastingplichtige in dit dossier toch nog aan het kortste eind. Er is namelijk sprake van een nieuw feit, hetgeen ook een grond is om tot navordering over te mogen gaan. Een soort pyrrusoverwinning in dit geval dus.

Belastingadviseur en kwade trouw

Indien u uw aangifte door een adviseur in laat dienen, valt niet direct de navorderingsmogelijkheid weg. U kunt niet zonder meer stellen dat bij u geen kwade trouw aanwezig kan zijn, omdat een adviseur voor u de aangifte heeft ingediend. In deze situatie wordt in beginsel de kwade trouw, via uw adviseur, aan u toegerekend. Hierop kunnen uitzonderingen bestaan.

Kwade trouw in de praktijk

Het Nederlandse belastingsysteem is complex en een foutje is in een aangifte snel gemaakt. Dat doet de belastingplichtige lang niet altijd met opzet en van kwade trouw is dan geen sprake. Het loont daarom om een navorderingsaanslag door een fiscaal specialist te laten bekijken en een degelijk advies te krijgen over hoe u hiermee om moet gaan. De Belastingdienst kan immers navorderen, maar heeft hiertoe rekening te houden met strikte, formele regels.

Uitspraak van Gerechtshof

Uitspraak van Hoge Raad

Navordering en kwade trouw [news] 2020-10-15 0000-00-00 0000-00-00 6758

Interne compensatie

Mag de Belastingdienst alsnog inkomsten belasten als ze een aftrekpost moet toestaan?

De gebruikelijke werkwijze omtrent inkomstenbelasting

Normaal gesproken houdt de werkgever (maandelijks) loonbelasting in op loonbetalingen aan het personeel. Na afloop van het jaar doen de werknemers aangifte voor de inkomstenbelasting. Daarin zitten alle loonbetalingen van het jaar (uit de jaaropgave). Daarop wordt uitgerekend wat de verschuldigde inkomstenbelasting is. Dat bedrag wordt verminderd met de maandelijkse inhoudingen. Idealiter loopt dat 'glad', waardoor er niet bijbetaald of terugbetaald moet worden.

Als de werkgever op een deel van het loon nu niets inhoudt en afdraagt aan de Belastingdienst, zal de Belastingdienst daarover kunnen naheffen. Doorgaans wordt dat gedaan bij de werkgever. Die zal de belasting verhalen op de werknemer. Kortweg: het maandloon wordt hoger, de belasting ook. Dat werkt door naar de inkomstenbelasting. Daar wordt het inkomen hoger en de belasting dus ook. Wat de werkgever verhaalt, kan de werknemer verrekenen.

In de onderstaande casus had de tijd de Belastingdienst echter ingehaald. Toen de loonbelasting werd nageheven, stond de aanslag inkomstenbelasting al vast. De werknemer claimde echter – terecht – dat hij de door de werkgever verhaalde loonbelasting alsnog mocht verrekenen met zijn inkomstenbelasting. De Belastingdienst had echter verzuimd de inkomsten waarop de naheffing zag in de aanslag inkomstenbelasting mee te nemen. De vraag is of dat alsnog kan.

Casus

Henk is als directeur in dienst van een Advies B.V. Op enig moment krijgt hij 5% van de aandelen. Enige tijd later wordt Henk min of meer gedwongen zijn aandelen Advies B.V. te verkopen c.q. ruilen tegen aandelen Het Beste Advies B.V.

Vervolgens komt de Belastingdienst in beeld. Die ziet in de aandelenverkoop / -ruil een beloningsvoordeel van ruim € 100.000. De Belastingdienst belast dit loon door naheffing van loonbelasting van Advies B.V.

Advies B.V. betaalt die belasting en verhaalt die op Henk. Ondertussen heeft Henk zijn definitieve aanslag IB al gehad. Die staat ook reeds vast. De wet voorziet in het alsnog verrekenen van de verhaalde loonbelasting met de aanslag inkomstenbelasting.

De fiscus wijst het verzoek echter af omdat het loon niet in de aanslag inkomstenbelasting is betrokken. Als het loon niet in de inkomstenbelasting is betrokken, kan de ingehouden / verhaalde loonbelasting ook niet worden verrekend, is de gedachte.

De Rechtbank en het Hof komen tot het oordeel dat wel verrekend mag worden. Voor verrekening is namelijk niet vereist dat het loon in de aanslag IB is betrokken. Daar komt Henk dus nog goed weg: geen inkomstenbelasting betalen, wel de loonbelasting terugkrijgen.

Interne compensatie

Interne compensatie houdt in dat de Belastingdienst – die een belastingvermindering toe moet staan – alsnog mag stellen dat er tegenover die aftrekpost een inkomen staat dat ten onrechte nog niet is belast.  Dat mag echter niet leiden tot meer te betalen belasting.

In deze zaak staat vast dat de door Advies B.V. verhaalde loonbelasting alsnog door Henk verrekend mag worden met de te betalen inkomstenbelasting. Daar stelde de Belastingdienst tegenover dat het voordeel uit de aandelenverkoop / -ruil alsnog belast moet worden in de inkomstenbelasting (zodat meer inkomstenbelasting verschuldigd is). De terug te geven loonbelasting wordt dan verrekend met de alsnog verschuldigde inkomstenbelasting (waardoor Henk er per saldo niets mee opschiet). Deze verrekening wordt door het Hof afgewezen omdat er door de Belastingdienst geen expliciet beroep zonder voorbehoud op is gedaan.

Hoge Raad

De Hoge Raad stelt voorop dat interne compensatie mogelijk is. Wel is vereist dat het standpunt in de procedure uitdrukkelijk en ondubbelzinnig moet blijken.

Voor dat blijken is niet vereist dat de woorden ‘beroep op interne compensatie’ worden gebruikt.

In dit geval heeft de fiscus wel expliciet gesteld dat bij verrekening ook het loon in de inkomstenbelasting moet worden betrokken. Tegen die stelling heeft Henk ook bezwaren geuit.

In die omstandigheden vindt de Hoge Raad dus dat een voldoende duidelijk beroep op interne compensatie is gedaan. De fiscus kon dus een beroep op interne compensatie doen.

Commentaar

Interne compensatie

Zolang een aanslag nog niet definitief vaststaat (of vermindering op grond van 9.6 IB nog mogelijk is), kan een belastingplichtige alles aanvoeren om de aanslag naar beneden te krijgen, zelfs als dat standpunt afwijkt van zijn aangifte. Dat kan ook bij navorderingen. Ook op punten waarop de navordering helemaal niet ziet.

De tegenhanger daarvan is de interne compensatie. In bezwaar, beroep en hoger beroep mag de fiscus stellen: u heeft gelijk dat de aanslag op die punten naar beneden moet, maar ik heb nog eens goed naar de aangifte en de aanslag gekeken en vind dat op die en die punten dat de aanslag te laag is. Daarvoor is dan ook geen nieuw feit nodig!

De grenzen voor de fiscus bij een beroep op interne compensatie zijn in wezen de rechtsbescherming van de belastingplichtige:

  • De aanslag kan nooit hoger worden;
  • Op punten die in bezwaar, beroep of hoger beroep expliciet en zonder voorbehoud worden prijsgegeven kan niet worden teruggekomen;
  • het beroep op interne compensatie moet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig blijken.

Op dat laatste punt kalft met het bovenstaande arrest wel wat van de rechtsbescherming af. Hier werd weliswaar geprocedeerd door een (top-)adviseur en de link tussen loon voor de loonheffing en loon in de inkomstenbelasting is wel makkelijk te leggen, maar toch wringt het. Nergens tref ik een opmerking of berekening aan waaruit blijkt dat het belastbare inkomen hoger moet zijn en wat dan de belastingheffing is. De naheffing loonbelasting is niet per definitie de extra inkomstenbelasting. Voor een normale belastingplichtige zal het niet allemaal direct even duidelijk zijn. De fiscus maakt er zich wel erg makkelijk af met de opmerking dat het ook in de inkomstenbelasting moet zitten.

Toch redt de Hoge Raad hier de Inspecteur. Dat is nadelig voor toekomstige belastingplichtigen die geen topadviseur hebben en waar het allemaal niet zo duidelijk is. Erg uitdrukkelijk en ondubbelzinnig is het allemaal niet.

Pyrrhusoverwinning

Qua rechtsbescherming voor de belastingplichtigen is dit arrest een stapje achteruit.

Voor Henk zal het allemaal wel loslopen. Dat komt hierdoor:

In de loonheffing heeft men het laten lopen. Advies B.V. vond het wel prima en kon het toch makkelijk verhalen door de verrekening met de ontslaguitkering. Henk heeft waarschijnlijk niet eens de naheffing gezien en was niet in de gelegenheid bezwaar te maken. Dus het moest wel via de 'achterdeur' van de IB.

Voor de Rechtbank en het Hof is ook aangevoerd dat er helemaal geen loonvoordeel is. In de eerste plaats is het geen loon en in de tweede plaats is er geen voordeel. Op dat laatste punt heeft de Rechtbank al beslist dat er helemaal geen meerwaarde in de aandelen zit. Dan valt er ook niets te belasten. Helaas heeft het Hof dit punt niet meer behandeld, zodat men nu noodgedwongen naar een ander Hof moet om dat te beoordelen.

Eindresultaat zal uiteindelijk waarschijnlijk zijn dat er geen te belasten loonvoordeel is en dat de loonheffing wel kan worden verrekend (ondanks dat er ook niets in de IB is betrokken, maar dat is geen voorwaarde, zoals de Rechtbank terecht al vaststelde).

De naheffing is van eind 2016 of januari 2017. Henk zit dus al vijf jaar op zijn geld te wachten. Bij bezwaar tegen de naheffing loonbelasting zou uitstel van betaling zijn verleend.

Ook daarom: schakel tijdig een specialist in.

Uitspraak Rechtbank

Uitspraak Hof

Arrest Hoge Raad

Interne compensatie [news] 2020-10-27 0000-00-00 0000-00-00 6767

Melden van internationale fiscale adviezen

De DAC 6 richtlijn is in werking gegaan

Europa trekt ten strijde tegen internationale structuren. In Nederland woonachtige of gevestigde belastingadviseurs, accountants, etc. (intermediairs) moeten adviezen met een grensoverschrijdend karakter om belasting te ontwijken melden bij de Belastingdienst.

Wie moet fiscale adviezen melden op grond van DAC 6? 

De meldingsplicht is vrij ruim van opzet en zal schuren met de wettelijke geheimhoudingsplicht. De meldingsplicht geldt voor:

  • Accountants
  • Belastingadviseurs
  • Advocaten
  • Notarissen
  • Banken en trustkantoren
  • Hulp intermediairs
  • Belastingplichtige zelf (soms als adviseur zich beroept op verschoningsrecht of als er geen intermediair is, bijvoorbeeld bij advisering door een bedrijfsfiscalist)

In sommige gevallen hoeft er niet te worden gemeld, dit bijvoorbeeld in situaties waarbij duidelijk is dat een andere intermediair al heeft gemeld. 

Vanaf welk moment adviezen melden o.g.v. DAV 6?

  • Adviezen vanaf 25 juni 2018 moeten worden gemeld vóór 1 maart 2021.
  • Adviezen na 1 juli 2020 moeten worden gemeld vóór 1 februari 2021.
  • Adviezen in 2021 moeten binnen 30 kalenderdagen worden gemeld.

Melding is ruim vormgegeven. Het kan gaan om een kant en klaar advies, maar ook om een advies dat in concept beschikbaar is gesteld, gereed is voor uitvoering of implementatie, of als de eerste stap inzake de advisering is gezet.

Doel van de wetgeving DAC 6

Bij potentieel agressieve grensoverschrijdende constructies moet een lampje gaan branden bij de adviseur. De informatie (het advies) moet tussen lidstaten worden uitgewisseld. De EU (en Nederland) wil hiermee de fiscale transparantie bevorderen en ongewenste agressieve advisering bij fiscale structuren tegengaan.

Welke straf kan de belastingadviseur of accountant krijgen?

De sancties zijn stevig. Een bestuurlijke boete kan oplopen tot € 870.000 en ook is een strafrechtelijk traject mogelijk. Als er sprake is van een "pleitbaar standpunt", dan kan boete-oplegging niet plaatsvinden. Er zal terughoudend worden omgegaan met boete-opleggingen, de praktijk zal leren hoe dit wordt uitgelegd.

Welke belastingen moeten worden gemeld o.g.v. DAC 6?

Er moet worden gemeld inzake adviezen aangaande:

  • Inkomstenbelasting
  • Vennootschapsbelasting
  • Loonbelasting
  • Dividendbelasting
  • Erf- en schenkbelasting

Er hoeft dus niet te worden gemeld bij adviezen inzake BTW, douanerechten, accijnzen, sociale zekerheid en leges.

Wat moet u melden o.g.v. DAC 6?

Via e-herkenning 3 moet u inloggen bij de Belastingdienst. In dit portaal moet de volgende informatie worden gemeld:

  • Gegevens van de adviseur (of belastingplichtige)
  • Gegevens over de belastingplichtige en verbonden personen of lichamen
  • Samenvatting van de inhoud van de belastingconstructie
  • Relevante wezenskenmerken
  • Relevante nationale bepalingen / wetgeving
  • De waarde van de belastingconstructie
  • De datum van implementatie
  • De relevante EU lidstaten

Nadere informatie treft u hier aan.

Noot fiscaal jurist inzake DAC 6 richtlijn

Moeten we nu een "cc" of "bcc" van onze e-mail aan de Belastingdienst sturen? De meldingsplicht is breed van opzet, wetgeving is nog niet geheel duidelijk en de straffen zijn stevig. De administratieve lasten bij fiscalisten en accountants, maar ook bij de Belastingdienst, zullen toenemen.

Bron melden internationale adviezen

Nederlandse DAC 6 wetgeving d.d. 18 december 2019

EU richtlijn inzake DAC 6 wetgeving  25 mei 2018

Leidraad DAC 6 van de Belastingdienst d.d. 24 juni 2020

Checklist DAC 6

Hier kunt u internationale adviezen melden in een gegevensportaal bij de Belastingdienst

Melden internationaal advies [news] 2020-12-29 0000-00-00 0000-00-00 6829

Onterechte navordering Belastingdienst wegens onzorgvuldigheid

De Belastingdienst heeft de mogelijkheid om na te vorderen. Dat gebeurt bijvoorbeeld in de sfeer van de inkomstenbelasting. Navorderen mag als er sprake is van een zogenaamd ‘nieuw feit’ of als de belastingplichtige ‘te kwader trouw’ is geweest bij het doen van de aangifte. Denk bijvoorbeeld aan het opzettelijk invullen van onjuiste gegevens. De kwalificatie van een feit als ‘nieuw’ feit is regelmatig voer voor discussie. Hoofdregel is dat een feit dat de Belastingdienst redelijkerwijs bekend kon zijn, geen grond mag opleveren voor navordering. Aangezien in de vorige zin het woord ‘redelijkerwijs’ is gebruikt, moge duidelijk zijn dat de Belastingdienst een bepaalde onderzoeksplicht heeft. De Belastingdienst moet zich dus inspannen om de juiste gegevens te verkrijgen. Doet hij dat niet, dan kan sprake zijn van een ambtelijk verzuim en mag niet worden nagevorderd. Recentelijk is een uitspraak gedaan door de Rechtbank Zeeland-West Brabant die over het nieuwe feit en de onderzoeksplicht gaat. Wij lichten deze uitspraak hierna toe.

Onterechte navordering door onzorgvuldigheid Belastingdienst: wat was er aan de hand?

Wij noemen de belastingplichtige in dit artikel Kees. Kees is werknemer van een bedrijf met een studieregeling. Deze regeling houdt in dat werknemers die een bepaalde opleiding volgen, worden gekort op hun brutoloon. Voor Kees gaat het in 2014 om een bedrag van € 3.908. Kees doet in 2015 netjes aangifte van zijn looninkomsten in de inkomstenbelasting. Hij besluit om met het bedrag van € 3.908 verder niets te doen. Eind goed, al goed, zou je denken en er volgt een definitieve aanslag.

In 2018 besluit Kees de aangifte over 2015 te herzien. Hij voert een bedrag van € 3.658 aan als scholingskosten waarvoor recht op aftrek zou bestaan. Dit bedrag is gelijk aan het ingehouden bedrag minus de drempel. Kees stuurt in het geheel geen stukken mee ter onderbouwing. De inspecteur merkt deze herziening aan als bezwaar. In de uitspraak op bezwaar geeft de inspecteur aan dat het bezwaar buiten de termijn is. De inspecteur heeft echter besloten aan het verzoek tegemoet te komen en de aanslag wordt verminderd. Kees krijgt als gevolg hiervan betaalde belasting terug.

Dit nieuws komt uit en binnen het bedrijf waar Kees werkt ontstaat een discussie. Eén van de andere werknemers benadert uiteindelijk de Belastingdienst en vraagt of dit nu klopt, of juist niet. De inspecteur komt al snel tot de conclusie dat Kees eigenlijk geen recht heeft op de aftrekpost en besluit over te gaan tot navordering van het bedrag dat Kees via de herziene aangifte heeft terugontvangen. De inspecteur wil het geld dat Kees heeft teruggekregen zelf weer terugontvangen.

Onterechte navordering door onzorgvuldigheid Belastingdienst: wat is het punt van geschil?

In geschil is of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. Daarvoor is immers een nieuw feit vereist. Het wel / geen recht hebben op de aftrekpost is geen punt van geschil in deze procedure.

Onterechte navordering door onzorgvuldigheid Belastingdienst: wat vindt de belastingplichtige?

Kees vindt dat er sprake is van een ambtelijk verzuim. Hij heeft immers een herziene aangifte gedaan en de inspecteur had die inhoudelijk moeten beoordelen en waar nodig de aftrekpost moeten onderzoeken. Had de inspecteur aan die onderzoeksplicht voldaan, dan had hij toen al geweten dat er geen recht op aftrek bestond. Als gevolg van het ambtelijk verzuim moet navordering achterwege blijven.

Onterechte navordering door onzorgvuldigheid Belastingdienst: het oordeel van de rechtbank

De rechtbank begint met vaststellen wat er nu eigenlijk is gebeurd bij de Belastingdienst. De inspecteur heeft twee beslissingen genomen nadat Kees de herziene aangifte heeft ingediend:

  1. De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar (de herziene aangifte); en
  2. Het toekennen van een ambtshalve vermindering.

Een ambtshalve vermindering is een beslissing die de inspecteur mag nemen. Hij geeft ter zitting nog aan dat deze vermindering is toegekend na een marginale beoordeling van de herziene aangifte. Er is dus naar de aangifte gekeken.

In de regelgeving is opgenomen dat de inspecteur een ambtshalve vermindering kan verlenen. De vermindering wordt verleend zodra de inspecteur is gebleken dat de aanslag die eerder is opgelegd te hoog is. Het is in die fase aan de belastingplichtige (Kees) om aannemelijk te maken dat de aanslag te hoog was.

De rechtbank leidt hieruit af dat de inspecteur een onderzoeksplicht heeft bij de ambtshalve vermindering. Hem moet immers gebleken zijn dat de aanslag onjuist was. Daarnaast gelden hier de algemene regels van het bestuursrecht en die brengen onder meer met zich dat de inspecteur tot zorgvuldig voorbereide besluiten moet komen. In de situatie van Kees heeft de inspecteur volstaan met de informatie die Kees heeft aangeleverd. Hij heeft verder geen vragen gesteld.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur het niet redt met de stelling dat sprake is van een feit dat hem niet bekend had kunnen zijn. Immers: de inspecteur heeft zelf de afweging gemaakt om geen verdere informatie te vragen bij de beoordeling van het verzoek. Kees heeft geen aanvullende informatie aangeleverd, maar de inspecteur had hierom moeten vragen. Dat is nu juist die onderzoeksplicht.  

Van de inspecteur mag zorgvuldigheid worden verwacht en er geldt dus een onderzoeksplicht. Deze inspecteur is echter onzorgvuldig geweest en heeft amper onderzoek gedaan. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een ambtelijk verzuim. Dit staat aan navordering in de weg. De conclusie is dat de navordering wordt vernietigd en Kees niet hoeft terug te betalen, ondanks dat hij eigenlijk geen recht had op de aftrekpost. De inspecteur heeft dus door onzorgvuldig te handelen zijn navorderingsrecht verspeeld. Kees moest hiervoor wel naar de rechtbank.

Navorderingsaanslag en fiscale advisering

Indien u een navorderingsaanslag ontvangt, gaat er direct al een belangrijke termijn lopen. U moet dan besluiten om wel / niet in bezwaar te gaan. Indien u deze termijn laat verlopen, doet dat uw rechtspositie geen goed. Hebt u het gevoel een aanslag te ontvangen die niet (helemaal) juist is of hebt u het gevoel dat onzorgvuldig wordt gehandeld? Neem dan contact op met één van de auteurs en wij bespreken graag vrijblijvend onze dienstverlening en uw situatie met u.

Uitspraak (bron)

Onterechte navordering Belastingdienst [news] 2021-03-01 0000-00-00 0000-00-00 6910

Vergrijpboete en margeregeling: uitleg over fiscale boetes

De Belastingdienst heeft de mogelijkheid om boeten op te leggen. Dat gebeurt bijvoorbeeld als bij een boekenonderzoek blijkt dat de belastingplichtige informatie niet correct verstrekt heeft, onjuiste aangifte(n) heeft gedaan of belasting niet tijdig betaalt. Veel voorkomende boeten zijn de verzuimboete en de vergrijpboete. Wij komen dit in de praktijk ook vaak tegen. Overigens geldt daarbij dat binnen de verzuim- en vergrijpboete ook weer verschillende onderverdelingen te maken zijn; ieder met eigen (rand)voorwaarden.

Over boeten worden veel discussies gevoerd met de Belastingdienst en regelmatig geprocedeerd. Bij boeteoplegging gelden een aantal formele voorschriften en de hoogte van een boete is niet in beton gegoten. Zo kent de regelgeving inzake de fiscale boeteoplegging diverse gronden die een boetematiging kunnen rechtvaardigen. Wij bespreken hierna een recent voorbeeld van een vergrijpboete. Deze uitspraak laat zien hoe belangrijk het is dat u als belastingplichtige energie steekt in het verkrijgen van juiste inlichtingen over de margeregeling.

Vergrijpboete en margeregeling: wat is er aan de hand?

De belastingplichtige in deze zaak heeft een bedrijf dat zich bezighoudt het met overnemen van voorraden en inventarissen van failliete ondernemingen. Deze zaken worden vervolgens weer (door)verkocht. De belastingplichtige past de margeregeling toe en draagt de BTW te laat af. Hij doet zelf de BTW-aangiften. In deze zaak draait het uiteindelijk om het toepassen van de margeregeling. De inspecteur laat het te laat afdragen voorbijgaan zonder boeteoplegging.

De Belastingdienst doet bij deze onderneming een boekenonderzoek. Hieruit komt naar voren dat de margeregeling ten onrechte is toegepast. De belastingplichtige koopt de goederen namelijk niet van particulieren, vrijgestelde ondernemers of van handelaren die de goederen met toepassing van de margeregeling verkopen. Ook heeft de belastingplichtige niet aan de aanvullende administratieve voorwaarden van de margeregeling voldaan. De inspecteur van de Belastingdienst gaat over tot boeteoplegging wegens het ten onrechte toepassen van de margeregeling.

De inspecteur kondigt een vergrijpboete aan van 25%. In deze situatie leidt dat tot een boetebedrag van circa € 169.000 De boete wordt opgelegd, omdat – zoals wij al aangaven – de margeregeling ten onrechte is toegepast. Een vergrijpboete vereist opzet of grove schuld van de belastingplichtige. De inspecteur stelt zich in deze zaak op het standpunt dat sprake is van grove schuld. De belastingplichtige heeft in de ogen van de inspecteur zo onzorgvuldig gehandeld (of nagelaten te handelen), dat hij er schuld aan heeft dat de correcte belasting niet of niet tijdig is betaald.

Nog bij het afhandelen van het boekenonderzoek komt de inspecteur de belastingplichtige tegemoet. Het bedrag van € 169.000 is te veel van het goede. Gezien de wanhouding tussen de ernst van het feit en de op te leggen boete, kiest de inspecteur ervoor om de boete te matigen tot € 100.000. De belastingplichtige gaat in bezwaar en daarna in beroep.

Vergrijpboete en margeregeling: wat zijn de geschilpunten?

De belastingplichtige is het met de vergrijpboete oneens. Hij meent in de eerste plaats dat de boete niet opgelegd had mogen worden. Mocht de rechtbank vinden dat de boete wel opgelegd mag worden, dan is hij van mening dat verdere matiging plaats moet vinden. Deze stellingen behandelen wij hierna.

Vergrijpboete en margereling: is de boete terecht?

De rechtbank geeft eerst aan wat de regel is. De inspecteur wil een vergrijpboete opleggen, dus dan moet de inspecteur hiervoor het bewijs leveren. Duidelijk is dat de inspecteur meent dat door grove schuld te weinig belasting is geheven. Dit baseert de inspecteur op de omstandigheid dat de belastingplichtige de margeregeling onterecht heeft toegepast. Overigens is niet in geschil dat de belastingplichtige de margeregeling niet toe mocht passen. Dat betekent dat de rechtbank direct kan toetsen of de inspecteur de grove schuld bewezen heeft.

De inspecteur vindt dat sprake is van grove schuld, omdat de belastingplichtige niet voldoende heeft gedaan. De belastingplichtige heeft de margeregeling namelijk toegepast, zonder zich voldoende te verdiepen in de regels en voorwaarden van de margeregeling. Dit had de belastingplichtige, zeker gezien de omvang van de omzet die hij onder de margeregeling bracht, wel moeten doen. Althans, zo stelt de inspecteur.

De belastingplichtige ziet dit anders. Hij kocht zaken in en kreeg de mededeling dat het gebruikte goederen betrof. Volgens de mededeling van de curator waarvan hij de zaken kocht, moest hij daarmee rekening houden bij de BTW-aangifte. Hoe hij er rekening mee moest houden, was niet helemaal duidelijk. Vervolgens heeft hij op de website van de Belastingdienst gelezen dat gebruikte goederen die zonder BTW zijn ingekocht onder de margeregeling vallen. De belastingplichtige meende zonder BTW in te kopen. Deze verklaring van de belastingplichtige neemt de rechtbank aan als redelijk. De juistheid van het verhaal van de belastingplichtige is dus niet in geding.  

De rechtbank moet dan oordelen of de boete opgelegd kon worden. De eerste conclusie is dat de margeregeling ingewikkeld is. Het gaat echter om een groot bedrag en van de belastingplichtige mocht verwacht worden dat deze meer zorgvuldig onderzoek naar de toepassing van de margeregeling had gedaan. Dat kwalificeert in de ogen van de rechtbank als het in verregaande mate onzorgvuldig handelen. Daarbij telt ook mee dat de website van de Belastingdienst over de margeregeling veel meer informatie bevat dan de belastingplichtige aangeeft. De verregaande mate van onzorgvuldig handelen maakt dat de inspecteur grove schuld mocht stellen.

Het vereiste van grove schuld is volgens de rechtbank voldoende bewezen door de inspecteur en dus is de boete terecht opgelegd. Dan staat het verzoek om verdere matiging nog wel open. Dat behandelen wij hierna.

Vergrijpboete en margeregeling: wordt de boete gematigd?

De belastingplichtige heeft drie redenen om de boete verder te laten matigen: een wanverhouding tussen het feit en de hoogte van de boete, zijn financiële draagkracht en de duur van de procedure. Wij behandelen die redenen hierna afzonderlijk.

Wanverhouding tussen de ernst van het feit en de hoogte van de boete

De rechtbank gaat hier niet in mee. Hij acht het van groot belang dat fiscale verplichtingen juist en tijdig worden nagekomen. Als iedereen zo onzorgvuldig kan handelen, dan zou de maatschappelijke schade enorm zijn. Het is daarom niet redelijk om geen gevolgen aan de gedraging te verbinden. De boete van 25% staat in redelijke verhouding tot de ernst van het feit. Daar komt nog bij dat de boete al is gematigd tot 10% door de inspecteur. De rechtbank acht een matiging tot een boete minder dan 10% niet gepast. Deze reden leidt dus niet tot boetematiging.

De financiële draagkracht

De belastingplichtige geeft aan dat zijn financiële draagkracht beperkt is. Dat komt onder meer omdat er al geruime tijd geen activiteiten worden verricht door de onderneming. De rechtbank kijkt bij dit argument of de hoogte van de boete de bedrijfsvoering in gevaar brengt. Dat is volgens de rechtbank niet het geval. Boetematiging is daarom niet aan de orde op deze grond.

De duur van de procedure

De belastingplichtige meent tot slot dat de redelijke termijn is overschreden. Deze termijn houdt in dat binnen twee jaar nadat de belastingplichtige kenbaar is met de (mogelijke) boeteoplegging, een uitspraak van de rechtbank gegeven moet zijn. Deze termijn is inderdaad overschreden en daarom wordt de boete met 5% gematigd tot circa € 64.000.

Vergrijpboete en margeregeling: conclusies

De rechtbank oordeelt dus dat de inspecteur op alle gronden juist heeft gehandeld. Enkel vanwege de lange doorlooptijd wordt de boete met 5% gematigd. De belastingplichtige heeft zelf dus onvoldoende gedaan om bekend te zijn met geldende wet- en regelgeving. Het tijdig inwinnen van deskundig advies had hier de boete kunnen voorkomen.

Vergrijpboete en margeregeling: onze advisering

Vergrijpboeten komen in de praktijk vaak voor. Afhankelijk van de omstandigheden van uw situatie, kan boeteoplegging geheel onterecht zijn of is boetematiging gepast. Het is verstandig om, zodra u geconfronteerd wordt met een boekenonderzoek, een specialist in te schakelen. Dit kan uiteraard ook in een latere fase, bijvoorbeeld als u bekend bent met de boete die zal worden opgelegd. Vragen over vergrijpboeten? Neem dan gerust eens contact op met één van de auteurs. Het is uiteraard ook verstandig om u met betrekking tot ingewikkelde regelgeving door een specialist te laten adviseren. Een oriënterende kennismaking is bij ons altijd en vrijblijvend mogelijk, ook digitaal.

uitspraak van de rechtbank

Vergrijpboete en margeregeling [news] 2021-03-02 0000-00-00 0000-00-00 6913

Onterecht belastingrente wegens onevenredigheid

De belastingrenteregels zijn niet onomstreden. Het doel van de belastingrente, die per 2013 in de wet is opgenomen, is om het sparen bij de Belastingdienst te ontmoedigen. Dat gebeurde in het verleden vaak door het veel te laat te betalen, waardoor liquiditeits- en rentevoordelen werden genoten. In de sfeer van de inkomstenbelasting betaalt u onder meer belastingrente indien u de aangifte te laat doet of als de Belastingdienst afwijkt van uw aangifte. Veel belastingplichtigen ervaren de rentepercentages die worden gehanteerd bij belastingrente als excessief. Deze percentages zijn in verband met corona naar beneden bijgesteld. Dit zal na de huidige crisis vermoedelijk weer worden teruggedraaid. Kortgeleden heeft de rechtbank uitspraak gedaan in een interessante zaak over de belastingrente. Wij lichten die zaak hierna toe.

Onevenredige belastingrente: wat was er aan de hand?

In deze zaak zijn twee personen van belang. Het gaat om fiscale partners. Wij noemen ze voor het gemak Jan en Truus. Jan doet namens hun beiden zijn aangifte inkomstenbelasting 2017. Hij neemt in zijn aangifte Truus op als fiscaal partner. Deze aangifte doet Jan op tijd. In deze aangifte neemt hij het vermogen van hun allebei op. De te betalen belasting wordt eveneens op tijd voldaan. Truus doet geen eigen aangifte, want haar inkomen is al in de aangifte van Jan opgenomen.

Twee jaar later besluiten Jan en Truus de gedane aangifte te herzien. Zij gaan over tot het herverdelen van het gezamenlijk inkomen. Dat leidt ertoe dat Jan zijn aangifte aanpast en Truus alsnog een eigen aangifte indient. De Belastingdienst stelt de herziening niet ter discussie. Echter, de Belastingdienst legt aan Truus wel een beschikking belastingrente op. Hiermee is Truus het oneens.

Onevenredige belastingrente: waarom een beschikking belastingrente?

De Belastingdienst stelt zich strikt aan de wet te houden. Truus heeft zelf geen aangifte IB 2017 gedaan tot aan het moment van herziening. Dat betekent dat de eigen aangifte van Truus zeker twee jaar te laat is ingediend. Het verzuimen om tijdig aangifte te doen wordt bestraft met belastingrente, dat is nu eenmaal de wet. De Belastingdienst geeft toe dat het inkomen van Truus in de aangifte van haar fiscaal partner is opgenomen, maar dat is niet voldoende om aan de eigen aangifteplicht te hebben voldaan. Tot slot merkt de Belastingdienst op dat de regeling hier wat hard uitpakt, maar dat dat nu eenmaal de regeling is.

Onevenredige belastingrente: het argument van belastingplichtige

Truus is in de eerste plaats van mening dat zij gewoon aan haar verplichtingen heeft voldaan. Daarnaast benoemt zij het doel en de strekking van de belastingrente. De regels zijn bedoeld als vergoeding voor betalingsachterstanden en daarvan is in deze situatie nooit sprake geweest. De volledige belasting was immers al betaald door de partner en haar deel zal daar gewoon bij in. Sterker nog, de Belastingdienst heeft meer geld tot zijn beschikking gehad, omdat de herziening per saldo tot minder verschuldigde belasting heeft geleid.

Onevenredige belastingrente: het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt eerst vast dat de belastingrente juist is berekend. Daarna merkt hij op dat de gedachte achter belastingrente is, dat ongewenste rente-effecten kunnen worden voorkomen of beperkt. Geldend recht daarbij is dat belastingrente onder omstandigheden, bijvoorbeeld op grond van het evenredigheidsbeginsel, achterwege moet blijven. De vraag is dan of zo’n situatie zich hier voordoet.

De rechtbank zet uiteen wat er in dit geval precies gebeurt. Als hier de belastingrenteregels strikt worden toegepast, dan leidt dat tot een berekening alsof er verzuimd is. De vraag is dan eerst of Truus inderdaad verzuimd heeft. Zij heeft haar eigen aangifte inderdaad te laat gedaan, maar de eerdere gezamenlijke aangifte en de betaalde aanslag zijn wel betaald. De wijziging van de aangifte heeft per saldo geleid tot een teruggaaf. De Belastingdienst heeft dus al het geld tijdens het – vermeende – verzuim onder zich gehad. Zelfs de Staatssecretaris heeft naar aanleiding van recent onderzoek in zijn algemeenheid aangegeven dat dit onrechtvaardig kan zijn. Deze overwegingen zijn voor de rechtbank voldoende om tot een oordeel te kunnen komen.

Het oordeel van de rechtbank is in het voordeel van Truus. Het evenredigheidsbeginsel staat aan het in rekening brengen van belastingrente in deze situatie in de weg. Het strikt volgen van de wet zou leiden tot een uitkomst die zich niet verhoudt tot doel en de strekking van de belastingrenteregels. Deze onevenredigheid moet worden voorkomen en is reden om de beschikking belastingrente te vernietigen.

Onevenredige belastingrente: conclusies en advisering

De belastingrenteregeling kan hard uitpakken voor belastingplichtigen. Dat gebeurde in dit voorbeeld ook. De Belastingdienst verschuilt zich hier achter het wet-is-wet principe. Wat van dat principe ook moge zijn, de afgelopen periode is er gelukkig een discussie op gang gekomen over de, vaak harde, uitwerking van fiscale wetgeving. Over dit type praktijksituaties zal het laatste woord dan ook nog niet gesproken zijn.

Wordt u geconfronteerd met navorderingen, naheffingen, boeten en / of belastingrente? En bent u het hiermee oneens? Neem dan eens vrijblijvend contact op met één van de auteurs om te kijken of wij iets voor u kunnen betekenen.

Onterecht belastingrente [news] 2021-03-05 0000-00-00 0000-00-00 6916

Verzuimboete bij niet (tijdige) aangifte (67b AWR)

In dit artikel gaan wij in op het opleggen van een zogenaamde verzuimboete bij het niet of niet tijdig doen van een belastingaangifte. Dat kan zich voor twee soorten belastingen voordoen: aanslagbelastingen en aangiftebelastingen. Bij een aanslagbelasting dient de belastingplichtige zelf aangifte te doen, maar legt de inspecteur de aanslag op. Een aangiftebelasting vereist minder ingrijpen van de Belastingdienst. Bij dit type belastingen is het de belastingplichtige die zelf de belasting berekent en betaalt.

Voorbeelden van aanslagenbelastingen zijn de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting. Bekende aangiftebelastingen zijn de loonbelasting en omzetbelasting. Het onderscheid tussen deze belastingtypen is overigens niet alleen voor boeten van belang, maar ook bijvoorbeeld bij het bepalen of de Belastingdienst over mag gaan tot navordering of naheffing.

In dit artikel kijken wij naar de wet- en regelgeving met betrekking tot het opleggen van een boete bij het niet of niet tijdig doen van een aangifte voor een aangiftebelasting. Dit wordt ook wel de 67b AWR boete genoemd. Deze benaming zult u vaak op de boetebeschikking terugzien. Wij zullen in dit artikel het voorbeeld uitwerken aan de hand van de aangifte loonbelasting.

Wij zijn in een ander artikel ingegaan op de verzuimboete bij het niet of niet tijdig doen van een aangifte voor een aanslagbelasting. U leest dat artikel hier.

Verzuimboete bij niet of niet tijdige aangifte ingevolge 67b AWR

De wet bepaalt dat bij het niet of niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte voor een aangiftebelasting een verzuimboete opgelegd kan worden. De bevoegdheid om deze boete op te leggen is aan termijnen gekoppeld. In het kader van dit artikel is één termijn van belang. Dat is de termijn om een boete op te leggen wegens het niet of niet tijdig doen van de aangifte. De bevoegdheid tot boeteoplegging vervalt in die situatie één jaar na het einde van de termijn waarbinnen de aangifte gedaan moest worden.

De wet kent ook een tweede termijn. Die geldt als u in de situatie zit waarin u een onjuiste / onvolledige aangifte heeft gedaan. De bevoegdheid tot boeteoplegging vervalt dan vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. Een rechtvaardiging voor dit onderscheid wordt gevonden in de te verrichten inspanningen door de Belastingdienst. Constateren dat iets niet of te laat is gedaan, is eenvoudigweg minder werk dan inhoudelijke onjuistheden constateren.

Wij gaan hierna eerst in op het termijnbegrip en de hoogte van de boete.

Vereisten belastingdienst bij opleggen boete

Als de inspecteur een belastingplichtige een boete oplegt moet de inspecteur uiterlijk op het moment van bekendmaken van de de boete de reden noemen. Bij onduidelijkheid komt alleen betekenis toe aan wat er op het aangiftebiljet is vermeld. In een procedure bij het Gerechtshof Den Bosch komt een boete aan de orde i.v.m. het niet tijdig betalen van aangiftebelasting, in deze de BTW (artikel 67f AWR). Er wordt niet aan de vereisten van artikel 67f AWR voldaan, de boete wordt vernietigd. De Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:704) heeft in 2021 het oordeel van het Gerechtshof (ECLI:NL:GHSHE:2019:2155) bevestigd.

Het begrip ‘gestelde termijn’ bij de verzuimboete van 67b AWR

Het is aan de Belastingdienst om in de eerste plaats de termijnen te stellen voor het doen van de aangifte. Bij de loonbelasting ontvangt u bijvoorbeeld ieder jaar een brief met daarop de tijdvakken voor het komende jaar. De termijn dient ten minste een maand te bedragen na het einde van het tijdvak waarop de belasting ziet. Indien u uitstel verkrijgt, dient dit uiteraard gerespecteerd te worden.

De inspecteur hoeft met betrekking tot deze boeten u geen herinnering of aanmaning te sturen. Indien u niet tijdig de aangifte doet, dan is dat voldoende reden voor de boete.

De hoogte van de verzuimboete bij 67b AWR

Om de hoogte van de boete te bepalen, moet worden gekeken wat voor aangifte te laat is ingediend. Daarbij is het onderscheid tussen de aangifte loonbelasting enerzijds en alle andere aangiften anderzijds van belang.

Indien u te laat bent met de aangifte loonbelasting, dan bedraagt de boete maximaal € 1.377 (bedrag 2021). Bent u te laat met een andere aangifte, dan bedraagt de boete maximaal € 136. Dit zijn de maximumbedragen die de wet geeft. Bij beleid is het proces van boeteoplegging echter behoorlijk uitgebreid. Wij gaan hierna kort in op een aantal spelregels, maar kunnen door de complexiteit eenvoudigweg niet volledig zijn.

Indien u te laat bent met de aangifte loonbelasting, dan bent u in verzuim. Over het algemeen zal dan een boete van 5% worden opgelegd. Naar de bedragen van 2021 is dat € 68. Een boete blijft achterwege indien u de aangifte doet binnen zeven dagen na afloop van de wettelijke termijn. Zowel toepassing van de 5%-regel als het achterwege laten van de boete bij ‘snel’ herstel kunnen op grond van bijzondere omstandigheden achterwege blijven. Dit is bijvoorbeeld zo als u stelselmatig in verzuim bent. Over stelselmatigheid en de daaraan te koppelen gevolgen worden vaak discussies gevoerd. Tot slot schrijft het beleid voor dat de Belastingdienst terughoudend moet omgaan met het opleggen van boetes bij onjuiste / onvolledige aangiften.

Wij sluiten deze paragraaf af door te wijzen op enkele aanvullende regels. Zo blijft een boete afwezig indien u geen schuld heeft aan de termijnoverschrijding of als u een pleitbaar standpunt heeft. Ook kan er sprake zijn van strafverminderende omstandigheden, zoals verzachtende omstandigheden. Daarbij gaat het om gebeurtenissen die buiten uw invloed zijn gelegen. Ook financiële omstandigheden, zoals thans corona, kunnen aanleiding zijn om boetes te matigen. Wij merken dat dit in de praktijk al veel gebeurt.

Waarom een verzuimboete opleggen?

De 67b AWR boete is een zogenaamde verzuimboete. De Staatssecretaris van Financiën heeft in 2009 in herinnering gebracht wat het doel is van de verzuimboete. Het gaat niet, zoals belastingplichtigen het soms ervaren, om leedtoevoeging. Verzuimboeten hebben als primaire doel het onderhouden en versterken van de bereidheid om fiscale verplichtingen na te komen. Dit is anders dan bij de vergrijpboete. Daar is duidelijk sprake van een bestraffend karakter en het wegnemen van een onterecht voordeel.

Het voorbeeld bij de aangifte loonbelasting

Hierna werken wij uit hoe deze boeteoplegging zou kunnen verlopen bij de aangifte loonbelasting. De uitwerking is op hoofdlijnen hetzelfde als bij de andere aangiftebelastingen, zoals de omzetbelasting.

Henk is werkgever en inhoudingsplichtig voor de loonbelasting. Zijn tijdvak bedraagt een maand. Henk dient de aangifte over maart 2021 uiterlijk 30 april 2021 te doen. Stel dat Henk dat niet doet. Wij werken twee scenario’s uit.

Henk doet de aangifte uiteindelijk op 15 juni 2021. Daardoor is Henk ruim tweeënhalve maand te laat. Henk krijgt hiervoor waarschijnlijk een verzuimboete opgelegd. Als het de eerste keer is, dan zal deze boete € 68 bedragen. Dit kan anders zijn, indien Henk bijvoorbeeld stelselmatig verzuimt.

Het kan ook zijn dat Henk de boete op 3 mei 2021 doet. Dat is binnen zeven dagen na het aflopen van de termijn. Henk krijgt dan geen boete opgelegd, tenzij zich bijzondere omstandigheden, zoals stelselmatig verzuim, voordoen.

Wie kan de verzuimboete van 67b AWR opgelegd krijgen?

In de eerste plaats en het meest voorkomend is uiteraard de belastingplichtige zelf. De wet is echter regelmatig uitgebreid. Thans is het mogelijk de boete ook op te leggen aan een medepleger, opdrachtgeveren / of feitelijk leidinggever, de doen plegeren de uitlokker. Op deze mogelijkheden, die in de praktijk zeer weinig voorkomen, gaan wij in dit artikel niet nader in.

De verzuimboete van 67b AWR en onze deskundigheid

De verzuimboete wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte voor een aangiftebelasting, ook wel de 67b AWR boete genoemd, wordt automatisch opgelegd. Alle bezwaren die u tegen deze boete heeft komen vrijwel altijd pas in de bezwaarfase aan de orde. Wij voeren voor belastingplichtigen vaak procedures tegen de verzuimboete en – indien nodig – ook tegen de aanslag zelf. Een eerste gesprek is altijd vrijblijvend.

Verzuimboete niet (tijdige) aangifte [news] 2021-03-09 0000-00-00 0000-00-00 6919

Verzuimboete bij niet (tijdige) aangifte (67a AWR)

In dit artikel gaan wij in op het opleggen van een zogenaamde verzuimboete bij het niet of niet tijdig doen van belastingaangifte. Dat kan zich op hoofdlijnen voor twee soorten belastingen voordoen: aanslagbelastingen en aangiftebelastingen. Bij een aanslagbelasting dient de belastingplichtige aangifte te doen, maar legt de inspecteur de aanslag op. Een aangiftebelasting vereist minder ingrijpen van de Belastingdienst. Bij dit type belastingen is het de belastingplichtige die zelf de belasting berekent en betaalt.

Voorbeelden van aanslagenbelastingen zijn de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting. Bekende aangiftebelastingen zijn de loonheffingen en omzetbelasting. Het onderscheid tussen deze belastingtypen is overigens niet alleen voor boeten van belang, maar ook bijvoorbeeld bij het bepalen of de Belastingdienst over mag gaan tot navordering of naheffing.

In dit artikel kijken wij naar de wet- en regelgeving over het opleggen van een boete bij het niet of niet tijdig doen van een aangifte voor een aanslagbelasting. Dit wordt ook wel de 67a AWR boete genoemd. Deze benaming zult u vaak op de boetebeschikking terugzien. Wij zullen in dit artikel het voorbeeld uitwerken aan de hand van de aangifte inkomstenbelasting.

Wij zijn in een ander artikel ingegaan op de verzuimboete bij het niet of niet tijdig doen van een aangifte voor een aangiftebelasting. U leest dat artikel hier.

Verzuimboete bij niet of niet tijdige aangifte ingevolge 67a AWR

De wet bepaalt dat het niet doen van de aangifte binnen de gestelde termijn een verzuim vormt. Voor dit verzuim kan een boete worden opgelegd. Het gedrag van de belastingplichtige is aangemerkt als een overtreding. Dit roept uiteraard een aantal vragen op. Wat is nu precies die gestelde termijn en hoe hoog mag die boete zijn?

Het begrip ‘gestelde termijn’ bij de verzuimboete van 67a AWR

Iedereen die door de Belastingdienst wordt uitgenodigd is verplicht om aangifte te doen. Deze uitnodiging ontvangt u meestal in de vorm van een brief. In deze brief wordt ook aangegeven wat de termijn is voor het doen van de aangifte. De termijn dient ten minste één maand te bedragen. De termijn wordt berekend vanaf de datum van het uitnodigen. Uit de titel van dit artikel blijkt al dat twee situaties voorkomen: de aangifte is niet gedaan en de aangifte is niet op tijd gedaan. Het in het geheel niet hebben gedaan van de aangifte maakt boeteoplegging direct mogelijk. Het is echter ook mogelijk dat de aangifte wordt gedaan nadat de termijn is verlopen. In dat geval kan de boete alleen worden opgelegd indien de inspecteur u heeft aangemaand om binnen een redelijke termijn alsnog aangifte te doen. Wij zien dat dit in de praktijk niet altijd goed gaat.

De wet bevat ook regels voor belastingplichtigen die weten dat zij aan te geven inkomen hebben, maar die niet zijn uitgenodigd om aangifte te doen. Zij kunnen niet een zogenaamde 67a AWR boete opgelegd krijgen. Overigens kent het boetestelsel voor deze overtreding een andere boeteregel. Deze is opgenomen bij de 67ca AWR boete. Het komt in de praktijk nog steeds voor dat boetes op verkeerde gronden worden opgelegd.

De hoogte van de verzuimboete bij 67a AWR

De wet bepaalt dat de boete maximaal € 5.514 bedraagt (bedrag 2021). Het is geldend beleid dat bij het opleggen van de boete onderscheid wordt gemaakt naar belastingmiddel. Indien u de aangifte vennootschapsbelasting niet of niet-tijdig doet, kunt u een boete krijgen van maximaal 50% van het maximum. In de praktijk is dat nu dus € 2.757. Doet u de aangifte inkomstenbelasting niet of niet tijdig, dan bedraagt de boete maximaal 7%, zijnde € 385. In de praktijk komt het voor dat belastingplichtigen bijvoorbeeld twee jaar achter elkaar de aangifte niet tijdig doen. Het beleid maakt het mogelijk om een verzuimboete voor het volle bedrag van € 5.514 op te leggen indien sprake is van een uitzonderlijk geval. Als voorbeeld wordt daarbij genoemd het stelselmatig in verzuim zijn. In de praktijk wordt over deze bijzondere gevallen vaak gediscussieerd met de Belastingdienst.

De Belastingdienst dient bij het opleggen van een boete altijd rekening te houden met omstandigheden die aanleiding kunnen zijn om de boete te verhogen of te verlagen. Bij de 67a AWR boete is het zo dat het kijken naar individuele omstandigheden niet direct gebeurt. Het systeem werkt daarvoor té geautomatiseerd. Het rekening houden met individuele feiten en omstandigheden komt dan pas in de bezwaarfase voor het eerst aan de orde. U dient deze bezwaarprocedure echter zelf (of met hulp van een specialist) aanhangig te maken. Daarvoor gelden strikte termijnen. Handel daarom bij boeteoplegging snel.

Bij relevante aspecten in het kader van matiging van de boeteoplegging kunt u denken aan de verhouding tussen de boete en de overtreding, verzachtende omstandigheden en een pleitbaar standpunt.

Waarom een verzuimboete opleggen?

De 67a AWR boete is een zogenaamde verzuimboete. De Staatssecretaris van Financiën heeft in 2009 in herinnering gebracht wat het doel is van de verzuimboete. Het gaat niet, zoals belastingplichtigen het soms ervaren, om leedtoevoeging. Verzuimboeten hebben als primaire doel het onderhouden en versterken van de bereidheid om fiscale verplichtingen na te komen. Dit is anders dan bij de vergrijpboete. Daar is duidelijk sprake van een bestraffend karakter en het wegnemen van een onterecht voordeel.

Wat in de praktijk ook wel voorkomt, is dat de Belastingdienst de boete gebruikt als een instrument om u tot handelen aan te zetten. De inspecteur kan dan een boete opleggen voordat de aanslag wordt opgelegd. Dat doet hij dan onder de voorwaarde dat u alsnog binnen een gestelde termijn de aangifte doet. De matiging van de boete wordt daarmee een soort extra motiveringsmiddel. Deze mogelijkheid is sinds 2013 in de wet opgenomen.

Het voorbeeld bij de aangifte inkomstenbelasting

Hierna werken wij uit hoe deze boeteoplegging zou kunnen verlopen bij de aangifte inkomstenbelasting. De uitwerking is op hoofdlijnen hetzelfde bij de andere aanslagbelastingen, zoals de vennootschapsbelasting.

Henk wordt begin 2021 uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting 2020. Deze uitnodiging valt in de bekende blauwe envelop op zijn deurmat. Stel dat in de brief is opgenomen dat Henk vóór 1 mei 2021 aangifte moet doen (de termijn). Hoe moet Henk nu handelen?

Indien Henk vóór 1 mei 2021 zijn aangifte doet, is er niets aan de hand in het kader van dit artikel. Henk kan echter vergeten aangifte te doen. De gangbare praktijk is dat de Belastingdienst nu eerst een herinnering stuurt en als Henk dan nog niets doet, een aanmaning. Doet Henk de aangifte dan nog steeds niet of niet binnen de termijn genoemd bij de aanmaning, dan kan de Belastingdienst de verzuimboete opleggen bij de aanslag.

De Belastingdienst kan het ook anders doen. In plaats van de boete op te leggen bij de aanslag zoals in de vorige alinea beschreven, kan hij ook de boete opleggen voordat hijzelf de aanslag oplegt. De boete dient dan als stimulering om Henk alsnog de aangifte te laten doen. Dit kan bijvoorbeeld uitmonden in een toegezegde boetematiging bij het alsnog doen van de aangifte.

Wie kan de verzuimboete van 67a AWR opgelegd krijgen?

In de eerste plaats en het meest voorkomend is uiteraard de belastingplichtige zelf. De wet is echter regelmatig uitgebreid. Thans is het mogelijk de boete ook op te leggen aan een medepleger, opdrachtgeveren / of feitelijk leidinggever, de doen plegeren de uitlokker. Op deze mogelijkheden, die in de praktijk zeer weinig voorkomen, gaan wij in dit artikel niet nader in.

De verzuimboete van 67a AWR en onze deskundigheid

De verzuimboete wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte voor een aanslagbelasting, ook wel de 67a AWR boete genoemd, wordt automatisch opgelegd. Alle bezwaren die u tegen deze boete heeft komen vrijwel altijd pas in de bezwaarfase aan de orde. Wij voeren voor belastingplichtigen vaak procedures tegen de verzuimboete en – indien nodig – ook tegen de aanslag zelf. Een eerste gesprek is altijd vrijblijvend.

Verzuimboete aangifte (67a AWR) [news] 2021-03-09 0000-00-00 0000-00-00 6920

Terechte navordering hypotheekrente

Indien na het opleggen van een belastingaanslag bij de inspecteur het vermoeden rijst dat deze te laag is vastgesteld, dan kan dit uiteindelijk leiden tot navordering. De inspecteur kan overgaan tot navordering indien sprake is van een zogenaamd nieuw feit, tenzij sprake is van een situatie waarin de belastingplichtige te kwader trouw is geweest. Een nieuw feit is dan niet nodig. Voor de volledigheid merken wij op dat navordering onder voorwaarden ook mogelijk is indien sprake is van een duidelijke fout bij de aanslagoplegging. Wij gaan daar in het kader van dit artikel niet nader op in.

Dit artikel bevat een weergave van een recent vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. Aan de orde was het navorderen door de inspecteur wegens een onjuistheid in de hypotheekrenteaftrek. Wij bespreken in het vervolg van dit artikel het vonnis.

Terechte navordering hypotheekrente: wat was er aan de hand?

Het betreft een navorderingsaanslag in de sfeer van de inkomstenbelasting. De belastingplichtige en zijn partner hebben een eigen woning. Dat betekent dat voor leningen die als eigenwoningschuld kwalificeren hypotheekrenteaftrek mogelijk is. Daarnaast had de belastingplichtige een B.V. Deze B.V. is in 2001 failliet verklaard. Hierna beschrijven wij wat voor invloed dit feitencomplex op de aangifte en de aanslag heeft gehad.

De B.V. is in 2001 failliet verklaard. De belastingplichtige is als gevolg hiervan door de bank aangesproken voor een openstaande schuld. Deze schuld is vervolgens door hem afgelost. Daarvoor moest hij echter een lening afsluiten bij de bank. Bij de aangifte inkomstenbelasting 2013, maar ook in de jaren daarvoor, geeft de belastingplichtige die lening aan als eigenwoningschuld. Ook is door de belastingplichtige een zogenaamde BBZ-lening aangevoerd als eigenwoningschuld. Voor beide leningen claimt de belastingplichtige hypotheekrenteaftrek. De Belastingdienst stelt naar aanleiding van de aangifte inkomstenbelasting 2013 geen vragen. Hij gaat over tot het opleggen van de aanslag overeenkomstig de ingediende aangifte.

Vragen van de Belastingdienst over hypotheekrenteaftrek

In 2018 stelt de inspecteur vragen over de aangifte inkomstenbelasting 2013. Hij komt tot de conclusie dat ten onrechte hypotheekrenteaftrek is geclaimd, omdat geen sprake is van eigenwoningschulden. Duidelijk is immers dat de leningen niet zijn aangegaan ten behoeve van de eigen woning, maar om een borgstelling in te lossen. De lening die als BBZ-lening kwalificeert is eveneens niet bedoeld voor de eigen woning. Vervolgens ontstaat een discussie over het kwalificeren van deze lening(en) als box 1 of box 3 schuld, doch dat laten wij hier verder onbesproken. De inspecteur accepteert de beide leningen niet als eigenwoningschuld en corrigeert de hypotheekrenteaftrek.

Terechte navordering hypotheekrente: wat is het geschilpunt?

De belastingplichtige meent dat navordering niet mogelijk is wegens een ambtelijk verzuim van de inspecteur. Het had, zo stelt de belastingplichtige, op de weg van de inspecteur gelegen om nader onderzoek te doen naar de ingediende aangifte inkomstenbelasting 2013. Dit zou voor de hand liggen omdat de rentelasten en kosten sterk zijn gestegen tussen 2009 en 2014, de Belastingdienst bekend is met de rekeninggegevens en de BBZ-leningen, de eigenwoningschuld op een apart moment toenam en de ondernemingsbalans sterk is gewijzigd. De Belastingdienst is ook partij geweest bij de afwikkeling van de B.V. en was dus bekend met de slechte financiële positie van de belastingplichtige. De belastingplichtige meent daarom dat de inspecteur alle reden had om de gegevens in de aangifte te controleren voordat de aanslag werd opgelegd.

De inspecteur is het hiermee oneens. Hij vindt dat er sprake is van een nieuw feit. Bij het opleggen van de eerste aanslag mocht hij uitgaan van de juistheid van de gegevens in de aangifte. Van een ambtelijk verzuim is dus geen sprake. Zoals gebruikelijk in deze procedures, meent de inspecteur ook dat sprake is van kwade trouw.

Wat overweegt de rechtbank bij deze navordering?

De rechtbank merkt op dat er in deze situatie sprake moet zijn van een nieuw feit of kwade trouw. Is dat niet het geval, dan is navordering niet aan de orde. Daarbij is de bewijslast zo verdeeld, dat de inspecteur aannemelijk moet maken dat aan de vereisten voor navordering is voldaan. Dat er hier sprake is van een feit dat grond oplevert voor het vermoeden dat de aanslag te laag was, staat naar het oordeel van de rechtbank buiten kijf. De vraag is of het een nieuw feit is. De kernvraag daarbij is of de inspecteur met dit feit – bij het opleggen van de aanslag – reeds bekend was of redelijkerwijs had kunnen zijn.

Bij het beantwoorden van de kernvraag geldt als uitgangspunt dat een inspecteur kan uitgaan van de juistheid van de informatie die de belastingplichtige via de aangifte verstrekt. De inspecteur is tot nader onderzoek gehouden als hij, na met normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de aangifte, aan de juistheid ervan in redelijkheid behoort te twijfelen. De Hoge Raad oordeelde in het verleden al dat in ieder geval niet getwijfeld hoeft te worden aan de juistheid van de gegevens, als de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn. De rechtbank zal in deze zaak de vraag moeten beantwoorden of de niet onwaarschijnlijke kans bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.

Het oordeel van de rechtbank inzake de navordering van hypotheekrente:

De inspecteur is op basis van de huidige regels niet gehouden om de juistheid van de gegevens te toetsen door verbanden te leggen met voorgaande jaren en die aangiften. Het gaat dus om een zelfstandige toetsing van de aangifte die in geding is. Het standpunt van de belastingplichtige over de omliggende belastingjaren en de ontwikkeling daarin doen dus niet ter zake.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur aan de juistheid van de gegevens in de aangifte niet hoefde te twijfelen. Er is derhalve geen ambtelijk verzuim begaan. Dit oordeel motiveert de rechtbank als volgt.

De totale eigenwoningschuld die is aangegeven maakt dat het bedrag aan hypotheekrente niet onwaarschijnlijk is. Dat de belastingplichtige expliciet heeft vermeld dat sprake is van een BBZ-lening, doet daar niet aan af. Het begeleidende invulveld in de aangifte is namelijk – zo oordeelt de rechtbank – geen relevant gegeven om de hoogte van de aanslag te bepalen. Het zou te veel van de inspecteur vergen om deze invulvelden te interpreteren en er telkens kennis van te nemen. De navorderingsaanslag is terecht opgelegd.

Navordering door de Belastingdienst en onze advisering

Zoals uit bovenstaande naar voren komt, is het beoordelen of navordering door de Belastingdienst mogelijk is een nauwkeurige aangelegenheid. Dat komt onder meer door de complexe, open norm naar de waarschijnlijkheid van de juistheid van gegevens. Naar onze mening had bovenstaande zaak op basis van die norm ook anders uit kunnen vallen. Wij voeren regelmatig discussies met de Belastingdienst over de mogelijkheid om na te vorderen. Wordt u geconfronteerd met een navorderingsaanslag? Laat de termijnen dan niet verlopen en neem contact op met een specialist. De eerste kennismaking is altijd vrijblijvend.

Uitspraak Rechtbank

Terechte navordering hypotheekrente [news] 2021-03-11 0000-00-00 0000-00-00 6922

Informatiebeschikking

De informatiebeschikking van de Belastingdienst leidt tot omkering van de bewijslast bij het opleggen van belastingaanslagen. Hierdoor moet de belastingplichtige bewijzen dat de aanslag die de inspecteur heeft opgelegd niet juist is. Dit kan tot grote bewijstechnische problemen leiden. U kunt dit voorkomen door tijdig bezwaar/ beroep aan te tekenen tegen de informatiebeschikking.

De informatiebeschikking van de Belastingdienst

De belastinginspecteur kan veel informatie opvragen bij een belastingplichtige. Soms heeft de belastingplichtige niet alle informatie of wil hij simpelweg de informatie niet verstrekken. Een belastingplichtige moet echter meewerken aan een onderzoek en de informatie die tot zijn administratie behoort aan de Belastingdienst verstrekken (artikel 47 AWR). Er gelden hierbij dus 5 voorwaarden:

  1. De informatie moet tot de administratie behoren.
  2. De inspecteur moet redelijk zijn bij het opvragen van informatie en hierbij ook een redelijke termijn geven.
  3. De informatie moet relevant zijn voor de belastingheffing.
  4. De inspecteur mag geen informatie opvragen die kan bijdragen aan een strafrechtelijke vervolging.
  5. De inspecteur moet zich houden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zorgvuldigheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel, verbod detournement de pouvoir (bevoegdheden Belastingdienst enkel gebruiken waarvoor die bedoeld zijn)).

Wanneer informatiebeschikking

De Belastingdienst mag niet zomaar besluiten om een informatiebeschikking uit te reiken. Vereist is dat de belastingplichtige, ook nadat de inspecteur hier een aantal keren om heeft verzocht, niet voldaan heeft aan de (wettelijke) informatieverplichting. De inspecteur mag dan - als laatste middel - een informatiebeschikking uitreiken (artikel 52a AWR).

In de informatiebeschikking moet duidelijk staan waarom deze wordt verstuurd. Ook moet volledig worden omschreven welke informatie de inspecteur wenst te ontvangen. Ook moet de omkering van de bewijslast worden gemeld.

[news] 2015-03-15 0000-00-00 0000-00-00 6929

Nalaten doen vereiste aangifte

Praktijkvoorbeeld omkering bewijslast en redelijke schatting

Het is de verantwoordelijkheid van iedere belastingplichtige om de vereiste aangifte te doen. Het komt echter voor dat de inspecteur van de Belastingdienst er bij een controle achter komt, dat bepaalde inkomensbestanddelen ten onrechte niet zijn opgenomen in de ingediende aangifte. De inspecteur kan dan de stelling innemen dat de belastingplichtige de vereiste aangifte niet heeft gedaan. De voorwaarden die hieraan verbonden zijn bespreken wij in de volgende paragraaf. Het gevolg van het niet doen van de vereiste aangifte is dat de maatregel van omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is. Voor belastingplichtigen is dit een zeer belangrijk en groot verschil. Bij omkering en verzwaring van de bewijslast kan namelijk niet worden volstaan met het aannemelijk maken van stellingen. U moet deze dan doen blijken, dat wil zoveel zeggen als: overtuigend aantonen. Dit is in de praktijk nagenoeg onmogelijk. Er ligt dan veelal een aanslag die de inspecteur met behulp van schattingen heeft opgelegd. Deze schattingen dienen redelijk te zijn.

Wij gaan in dit artikel eerst in op de vereiste aangifte en daarna op een recente casus die voor de rechtbank is geweest.

De vereiste aangifte

De vereiste aangifte kan via twee routes niet zijn gedaan:

  1. Er is sprake van formele gebreken in de aangifte;
  2. Er is sprake van materiële gebreken in de aangifte.

Bij formele gebreken gaat het in de praktijk om twee dingen. In de eerste plaats gaat het om de belastingplichtige die niet reageert op een uitnodiging van de inspecteur om de aangifte te doen. Ten tweede komt het voor dat aangiftebiljetten weliswaar worden ingevuld, maar dat deze op onjuiste wijze worden ingevuld. In deze situatie wordt de belastingplichtige over het algemeen nog de gelegenheid geboden om de gebreken te herstellen.

Bij materiële gebreken ligt het ingewikkelder. De inspecteur moet dan drie dingen aannemelijk maken:

  • De volgens de aangifte verschuldigde belasting is aanzienlijk lager dan de werkelijk verschuldigde belasting; en
  • Het bedrag van de belasting die door de gebreken niet zou zijn geheven is op zichzelf beschouwd aanzienlijk; en
  • De belastingplichtige was zich bij het doen van de aangifte ervan bewust (of had zich dat moeten zijn) dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.

Slechts als aan alle voorwaarden is voldaan, kan worden geoordeeld dat de vereiste aangifte niet is gedaan. De inspecteur van de Belastingdienst moet dat aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk maken. Dat wil zeggen: de inspecteur moet aangeven wat de onjuistheden volgens hem zijn en indien de belastingplichtige dit betwist, moet de inspecteur zijn stellingen aannemelijk maken.

Gevolgen van het niet doen van de vereiste aangifte

Indien de inspecteur van de Belastingdienst terecht stelt dat de vereiste aangifte niet is gedaan, dan vindt in principe omkering en verzwaring van de bewijslast plaats. Dat betekent dat de belastingplichtige in een zwaardere bewijspositie terechtkomt. Het is dan aan de belastingplichtige om al wat hij stelt overtuigend aan te tonen. De inspecteur zal de in geschil zijnde aanslag hebben opgelegd met gebruikmaking van schattingen. Deze schattingen dienen redelijk te zijn. Juist dit redelijkheidsvereiste is in deze van groot belang. Immers: de belastingplichtige zit in een moeilijke bewijspositie, dus voorkomen moet worden dat niet alleen de bewijslast bijna ondoenlijk wordt, maar ook dat de aanslagen door de inspecteur van de Belastingdienst niet naar volstrekte willekeur worden opgelegd. De inspecteur zal de schattingen dus altijd moeten kunnen onderbouwen.

Praktijkvoorbeeld vereiste aangifte, omkering bewijslast en redelijke schatting

Er is recent een uitspraak van de rechtbank Den Haag gepubliceerd over een zaak waarin alle bovenstaande punten terugkwamen. Wij beschrijven hierna eerst wat er speelde en behandelen daarna de elementen die wij hiervoor opnoemden.

Feiten en omstandigheden die leiden tot het geschil met de Belastingdienst

Het gaat om een belastingplichtige. Deze is onderwerp van een strafrechtelijk onderzoek. Bij een woningdoorzoeking worden grote contante geldbedragen gevonden. Ook bevinden zich in de woning veel luxegoederen en materialen die duiden op een hennepkwekerij. Tijdens de verhoren door de politie geeft de belastingplichtige niet veel prijs, behalve dan dat deze spullen en gelden toebehoren aan een bekende van de belastingplichtige. De politie maakt uiteindelijk een zogenaamde kasopstelling. Daarmee brengt de politie in kaart wat ongeveer het voordeel is geweest dat deze belastingplichtige heeft genoten.

De belastingplichtige wordt uitgenodigd om een aangifte inkomstenbelasting alsnog te doen. Deze aangifte doet de belastingplichtige, maar die aangifte ligt niet in lijn met de kasopstelling. Er zit een behoorlijk verschil tussen de gehanteerde bedragen. De Belastingdienst besluit de aangifte niet te volgen en legt een fors hogere aanslag op. Ook neemt de inspecteur contact op met de Officier van Justitie om zo onderzoeksgegevens voor de belastingheffing te kunnen gebruiken. Deze toestemming wordt verleend.

De Belastingdienst legt de aanslag op en wijkt dus af van de aangifte. Gelijktijdig wordt een rentebeschikking opgelegd. De belastingplichtige gaat eerst in bezwaar en daarna in beroep. Het beroep diende bij de rechtbank.

Waarop ziet het geschil met de Belastingdienst?

De volgende zaken spelen hier:

  • De Belastingdienst heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vereiste aangifte niet is gedaan;
  • De omkering en verzwaring van de bewijslast is onterecht toegepast;
  • Er is sprake van onredelijke schattingen.

Wij behandelen deze punten hierna afzonderlijk.

De vereiste aangifte

De rechtbank begint bij de kasopstelling. Hieruit komt naar voren dat er meer contante uitgaven zijn gedaan dan met het opgegeven inkomen van de belastingplichtige mogelijk was. Het oordeel over de kasopstelling luidt dat dit een geschikt middel is om te kijken of sprake is van verzwegen inkomsten. Daarbij telt ook mee dat de belastingplichtige niet is overgegaan tot concrete betwisting. De rechtbank kent aan de kasopstelling daarom bewijskracht toe.

De volgende vraag is of dat voldoende is om te kunnen spreken van een situatie waarin de vereiste aangifte niet is gedaan. De vraag die dan voorligt is of het bedrag aan belasting dat niet is geheven door het verzwijgen van inkomen absoluut en relatief hoog is. Wij bespraken dat in het begin van dit artikel uitgebreider. Hier rust de bewijslast op de inspecteur van de Belastingdienst. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur dit voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Dat komt omdat de stellingen over het uitgavepatroon en de luxe bezittingen voldoende sterk zijn om het verzwegen inkomen te onderbouwen. Aangezien de verzwegen inkomsten het opgegeven inkomen sterk overstijgen, is aan de vereisten voldaan. De rechtbank gaat niet expliciet in op het bewustheidsvereiste.

Omkering en verzwaring van de bewijslast door de Belastingdienst

De hoofdregel is dat bij het niet doen van de vereiste aangifte, omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is. Het is dan aan de belastingplichtige om te doen blijken in hoeverre de stellingen van de inspecteur van de Belastingdienst onjuist zijn. Dat is hier door de belastingplichtige onvoldoende gedaan. De omkering en verzwaring van de bewijslast is daarmee niet alleen van toepassing, maar de gevolgen doen zich gelijk gelden. Het lukt de belastingplichtige niet om te doen blijkendat de Belastingdienst onjuistheden heeft opgenomen.

Onredelijke schattingen door de Belastingdienst

De slotvraag is of hier sprake is geweest van een redelijke schatting. Het oordeel valt hier min of meer in twee delen uiteen. Ten eerste is sprake van bedragen die in aanmerking worden genomen en die op kostenpost worden onderbouwd. Denk aan een auto en bepaalde luxegoederen. Ten tweede neemt de inspecteur nog een geschat bedrag aan extra uitgaven mee. Deze uitgaven onderbouwt de inspecteur door te wijzen op de levensstandaard die de belastingplichtige zich heeft aangemeten.

De rechtbank accepteert beide denkwijzen. Dat betekent dat niet alleen de direct onderbouwde kostenposten worden meegenomen, maar ook de meer algemene schatting wordt als redelijk bestempeld.

Conclusie

De aanslagen blijven intact. De belastingplichtige heeft de vereiste aangifte niet gedaan en kwam daardoor in een bijna ondoenbare bewijspositie terecht. De inspecteur van de Belastingdienst heeft de redelijkheid van de schattingen voldoende onderbouwd en als gevolg hiervan heeft de rechtbank de aanslagen in stand gehouden.

Onze advisering bij formeel belastingrecht

Bovenstaande zaak gaat bijna niet in op bijvoorbeeld de regels van de inkomstenbelasting of de loonheffingen. Het gaat om formele aspecten, zoals het doen van de vereiste aangifte en de redelijkheid van een omgekeerde bewijslast. Formeel belastingrecht is een belangrijk onderdeel van het belastingrecht. Dreigt u in geschil te komen met de Belastingdienst, of wordt u bijvoorbeeld geconfronteerd met stellingen over de vereiste aangifte, inlichtingenverplichtingen, informatiebeschikkingen etc.? Neem dan contact op met één van de auteurs van dit artikel. Wij helpen u snel en graag.

Nalaten doen vereiste aangifte [news] 2021-03-18 0000-00-00 0000-00-00 6934

Onterechte navordering Zwitsers vermogen door Belastingdienst

De afgelopen jaren is het veel in de media geweest: de jacht op buitenlands vermogen door de Belastingdienst. De Belastingdienst is actief bezig met het opsporen van buitenlands vermogen, zoals bankrekeningen in Zwitserland en schimmige vennootschapsstructuren in het buitenland. De bedragen die hiermee gepaard gaan zijn meestal groot. Niet gek is daarom dat belastingplichtigen recht hebben op bescherming tegen een al te snelle en agressieve handelswijze van de Belastingdienst. Recent deed het gerechtshof Den Haag uitspraak in zo’n zaak waar de Belastingdienst iets te voortvarend heeft gehandeld. Wij lichten deze specifieke zaak hierna nader toe.

Belastingdienst verzoekt Zwitserse belastingdienst om informatie

De belastingplichtige en zijn partner nemen tussen 2003 en 2014 geen vermogensbestanddelen op in de aangifte inkomstenbelasting die betrekking hebben op buitenlandse bankrekeningen. De Belastingdienst doet in 2015 een verzoek aan de Zwitserse belastingdienst om informatie over vermogen. Het gaat om informatie van Nederlanders met een bankrekening bij de UBS-bank in Zwitserland. De Belastingdienst wenst deze informatie te verkrijgen, omdat het vermoeden bestaat dat niet alle Nederlanders deze bankrekeningen op de juiste wijze in de aangifte inkomstenbelasting hebben opgenomen. De Zwitserse belastingdienst werkt aan dit verzoek mee.

Van de belastingplichtige in deze zaak zit zo’n rekening in de informatie die de Belastingdienst krijgt. Het gaat om een bankrekening met (in totaal) circa € 575.000. De Belastingdienst besluit uiteindelijk, na herhaalde verzoeken om inlichtingen aan de belastingplichtige, over te gaan tot het opleggen van een navorderingsaanslag voor 2003. Later komt daar ook 2004 bij. Echter, de informatie die de Belastingdienst heeft gekregen uit Zwitserland gaat niet over 2003 en 2004. Volgens de inspecteur hoeft dit geen probleem te zijn. Hij geeft aan dat de ervaring leert dat er in dit soort dossiers dan in 2003 vrijwel altijd ook zulk vermogen was. Daarnaast ‘ontstaat geld niet zomaar’. De belastingplichtige komt tegen de navorderingsaanslagen in bezwaar, beroep, en nu bij het gerechtshof in hoger beroep. In de voorfase voert hij nog het verweer dat er vermoedelijk wel geld is geweest, maar niet altijd op zijn bankrekeningen en, voor zover er geld was, betrof het vakantiegeld. Duidelijk is dat de inspecteur dit niet gelooft.

De rol van de inspecteur

Het gerechtshof geeft aan dat het de inspecteur is die in ieder geval aannemelijk moet maken dat er in 2003 en 2004 vermogen in het buitenland was. Daarbij hoeft hij niet de exacte getallen te kennen. In het kader van deze procedure brengt de belastingplichtige nog twee stukken in. Uit deze stukken komt naar voren dat er in 2010 een rekening is geopend met een storting van circa € 100.000 en dat deze rekening in 2014 is gesloten met een saldo van circa € 86.000. In 2010 heeft een behoorlijke (€ 375.000) contante storting plaatsgevonden. Dit zegt uiteraard niets over de jaren in geding: 2003 en 2004. Het geeft wel aan dat er sprake is geweest van verzwegen vermogen.

De inspecteur gaat dus uit van buitenlands vermogen in 2003 en 2004. Dat bestrijdt de belastingplichtige. Het is dan aan de inspecteur om de aanwezigheid van buitenlands vermogen aannemelijk te maken. Lukt het de inspecteur om deze horde te nemen, dan mag hij overgaan tot navordering. De inspecteur zal zich hier gesterkt hebben gevoeld door een verklaring van de belastingplichtige dat hij rondom kalenderjaar 2002 mogelijk een Zwitserse rekening had. De belastingplichtige bestrijdt de totstandkoming van deze verklaring echter.

De belastingplichtige heeft stukken laten zien waaruit volgt dat in 2010 een rekening is opgericht en in 2014 een rekening is opgeheven. De inspecteur heeft hiertegenover geen concrete feiten weten te benoemen waarmee aannemelijk wordt dat ook in 2003 en 2004 zulk vermogen aanwezig is geweest. De enkele stelling dat de ervaring leert dat dit bijna altijd het geval is, is daarvoor onvoldoende. Dat geldt ook voor het argument dat ‘geld niet zomaar ontstaat’.

Het gerechtshof is het met de inspecteur eens dat er een vermoeden kan zijn dat er voor 2010 al een aanzienlijk vermogen aanwezig was. Het hebben van vermoedens is ook geen verboden bezigheid. Echter, een vermoeden strekt niet zo ver dat je daarmee 6 tot 7 jaar terug in de tijd kunt (naar 2003 / 2004) navorderen zonder verdere onderbouwing. Er zijn geen feiten / omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de aanwezigheid van verzwegen vermogen zich in 2003 / 2004 heeft voorgedaan. Dat de belastingplichtige eerst anders heeft verklaard, leidt in dit geval niet tot een ander oordeel.

Zure bom voor de Belastingdienst

De navorderingsaanslagen en de boeten worden vernietigd. Dat is een zure uitkomst voor de Belastingdienst. De inspecteur voerde eerder nog aan dat op deze wijze de onwelwillende houding van de belastingplichtige wordt beloond. Dit argument kan, gelukkig, geen stand houden. Eenieder verdient immers dezelfde rechtsbescherming, ongeacht de situatie waar men zich in bevindt.

Verklaringen belastingplichtige

Wat in dit dossier ook bijzonder is, is de informatie die de belastingplichtige heeft verstrekt. Hij gaf in een eerder gesprek met de Belastingdienst namelijk aan, dat er rondom het jaar 2002 wel een bankrekening geweest was in Zwitserland. Later geeft de belastingplichtige aan tijdens dit gesprek te zijn overvallen / verrast. De vraag is echter hoe aannemelijk deze verklaring is, omdat het dossier op dat moment al geruime tijd liep. Ook de argumenten dat het vakantiegeld of een rekening van iemand anders betreft, zijn argumenten die even zo goed de andere kant op hadden kunnen vallen. Deze uitspraak is vanuit het oogpunt van de rechtsbescherming daarom prettig, maar duidelijk gekleurd door de zeer specifieke omstandigheden.

Buitenlands vermogen en Belastingdienst: wat te doen?

Indien u beschikt over buitenlandse bankrekeningen en u hoeft redelijkerwijs nog niet te vermoeden dat de Belastingdienst u op het spoor is, dan kunt u gebruik maken van de zogenaamde inkeerregeling. U kunt dan op basis van vrijwillige verbetering de Belastingdienst benaderen en gedane zaken corrigeren. Dit leidt meestal tot een forse boetematiging, of zelfs de afwezigheid van boeten. Wat zich in uw situatie voordoet is onder meer afhankelijk van het soort verzwegen vermogen. Hebt u hier vragen over of zit u in een onderzoek van de Belastingdienst naar buitenlands vermogen en wordt u geconfronteerd met moeilijke vragen en mogelijke navordering? Neem dan gerust eens contact op met één van de auteurs van dit artikel.

Onterechte navordering Zwitsers vermogen [news] 2021-03-22 0000-00-00 0000-00-00 6939

Boete fiscale eenheid btw

Boeteoplegging komt in de praktijk zeer veel voor en leidt tot veel geschillen met de Belastingdienst. Van deze meeste boetes is duidelijk dat de persoon aan wie ze opgelegd worden een mogelijke overtreder van de regels is. Of de boete inhoudelijk terecht is, is dan uiteraard nog een heel ander verhaal. Toch is het niet altijd duidelijk of de (vermeend) overtreder van de regels een persoon is aan wie een boete opgelegd kan worden. Over de fiscale eenheid btw is recent door de Hoge Raad geoordeeld dat zij een beboetbaar subject is.

Een boete voor de fiscale eenheid btw

Een fiscale eenheid voor de btw is een zelfstandig belastingplichtige en ontstaat als gevolg van het vormen van de fiscale eenheid. Bijvoorbeeld: stel dat A en B een fiscale eenheid voor de btw vormen, dan ontstaat ‘de fiscale eenheid’ als C. Dit is anders dan bij de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting. Daar vormen belastingplichtige A (moeder) en B (dochter) een fiscale eenheid, waarbij A vervolgens ‘de moedermaatschappij’ is. Dan ontstaat geen nieuwe belastingplichtige. In de sfeer van boeteoplegging heeft de fiscale eenheid btw de afgelopen jaren tot discussie en hoofdbrekens geleid, waaraan nu een einde (lijkt) te komen.

Problemen bij een boete voor de fiscale eenheid btw

Het gaat om een fiscale eenheid die een verzuimboete krijgt opgelegd wegens het niet tijdig betalen van de omzetbelasting. Het gaat in de procedure vervolgens niet om de vraag of de boete terecht is opgelegd, maar om de vraag of de boete wel aan de fiscale eenheid opgelegd kan worden. De kernvraag daarbij is of de fiscale eenheid als overtreder kan worden aangemerkt.

De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat de algemene regels voor het bestuursrecht. Deze regels zijn dus ook van belang voor het belastingrecht. In de Awb is sinds 2009 expliciet opgenomen wie een overtreding kunnen begaan. Dat zijn natuurlijke personen, rechtspersonen, maatschappen, rederijen en doelvermogens. Sommige van deze zijn direct in de Awb benoemd, andere via een schakelbepaling naar het strafrecht. De fiscale eenheid btw is niet één van de voornoemde personen. Dat staat in de procedure ook niet ter discussie.

De Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) gebruikt bij de boetebepalingen niet de term overtreder, maar de term belastingplichtige. De fiscale eenheid btw is wel een belastingplichtige. De vraag die dan opkomt is welke bepaling voorrang krijgt en of de AWR een toegestane afwijking van de Awb vormt.

Tot 2009 was hierover geen discussie. De fiscale eenheid btw kon als zodanig worden beboet. Echter, sinds 2009 bevat de Awb de eerdergenoemde regel waarin expliciet wordt benoemd wie overtreder kunnen zijn. Voor de uitkomst van deze zaak is het daarom van belang of de wetgever met de regeling in 2009 de bedoeling heeft gehad om het beboeten van de fiscale eenheid btw af te schaffen. In de wetsgeschiedenis treft men kleine tegenstrijdigheden aan. Zo wordt eerst opgemerkt dat de regeling van de Awb geldt, tenzij expliciet en in bepaalde bewoordingen van de regeling is afgeweken. Dat is in de AWR niet gebeurd. Echter, men treft in de wetsgeschiedenis ook een passage aan waaruit naar voren komt dat geen wijziging ten opzichte van de systematiek tot 2009 is beoogd. Sterker nog: de wetgever ziet geen noodzaak tot het wijzigen van de andere bepalingen. Bij fiscale boetebepalingen die na 2009 zijn ingevoerd, is overigens wel voorzien in de expliciete tekst bestemd voor afwijkingen van de Awb.

Kan een boete aan de fiscale eenheid btw worden opgelegd?

De AWR bepaalt dat de boete kan worden opgelegd aan de belastingplichtige. De fiscale eenheid btw is een belastingplichtige. Dat de Awb in 2009 is gewijzigd en een limitatieve opsomming van mogelijke overtreders bevat, doet hieraan volgens de Hoge Raad niet af. Uit de wetsgeschiedenis komt voldoende duidelijk naar voren dat niet bedoeld is om het systeem van voor 2009 in te perken. Dat de op dat moment bestaande bepalingen in de AWR niet zijn voorzien van de expliciete tekstvoorschriften die een afwijking van de Awb aanduiden, is daarbij niet onoverkomelijk. Het opleggen van de boete aan de fiscale eenheid btw is dus mogelijk.

Wie betaalt de boete bij de fiscale eenheid btw?

De fiscale eenheid is de zelfstandig belastingplichtige die wordt gevormd door de personen die de fiscale eenheid met elkaar vormen. Maar wie draagt dan de boete? Dat is in beginsel aan de leden van de fiscale eenheid zelf om uit te maken. Indien de boete niet wordt betaald, dan kan de ontvanger alleen onderdelen van de fiscale eenheid aansprakelijk stellen, die een verwijt kunnen worden gemaakt. Interessant, doch voor het belastingrecht niet direct relevant, is de afwijking hierin met het strafrecht. In het strafrecht is het niet de fiscale eenheid zelf die wordt aangepakt, maar zijn het de gezamenlijke onderdelen van de fiscale eenheid. Deze onderdelen worden dan gezien als medeplegers, indien zij bij de gedraging betrokken zijn geweest.

Boete en advisering

Bovenstaande uitspraak ziet op het opleggen van een verzuimboete op grond van art. 67c AWR. Wij zien geen reden om aan te nemen dat deze uitspraak beperkt is tot slechts art. 67c AWR.

Boeteoplegging komt zeer vaak voor. Niet zelden wordt door de Belastingdienst een (meer dan) uiterste positie ingenomen. Wij helpen u graag om te kijken of boetematiging (of vernietiging) mogelijk is. Neem daarvoor gerust contact met ons op.

Boete fiscale eenheid btw [news] 2021-04-12 0000-00-00 0000-00-00 6961

Dwangsom bij niet-tijdig besluit Belastingdienst

Binnen het bestuursrecht gelden een flink aantal termijnen. De belanghebbende die een termijn laat passeren, kan dit in de meeste gevallen niet (eenvoudig) herstellen. Ook voor het bestuursorgaan (zoals in deze tekst de Belastingdienst) gelden termijnen. Het is aan de Belastingdienst om binnen deze termijnen een besluit te nemen. Het doel van deze termijnen is het verschaffen van rechtszekerheid aan belanghebbenden. Zij verdienen het om te weten binnen welke termijn zij zekerheid / een reactie kunnen verwachten. Een bekende termijn is de termijn om te beslissen op een bezwaarschrift. Deze termijn bedraagt zes weken. De Belastingdienst heeft de mogelijkheid om eenmalig deze termijn te verdagen met nog eens zes weken. Deze eenzijdige termijnverlenging wordt in de praktijk overigens (te) veel gebruikt.

Worden besluiten keurig op tijd genomen door de Belastingdienst?

Uit veel publicaties van het begin van deze eeuw komt naar voren dat bestuursorganen in het algemeen de wettelijke termijnen veelvuldig overschrijden. De wetgever heeft ‘het bestuur’ lang de tijd gegeven om dit zelf op te lossen, maar dat is niet gelukt. Belanghebbenden zelf hadden echter weinig middelen in handen om de Belastingdienst tot handelen aan te zetten. Men kon weliswaar in bezwaar gaan tegen het niet nemen van een beslissing, maar een echte stok achter de deur was niet aanwezig. Daarom is onder meer de zogenaamde dwangsomregeling ingevoerd. Deze regeling houdt in dat, als aan de – hierna te bespreken – voorwaarden wordt voldaan, een termijnoverschrijding niet zonder gevolgen blijft. De belanghebbende kan een dwangsom aanvragen bij de Belastingdienst en de Belastingdienst stelt de verschuldigdheid en hoogte vast.

Wanneer recht op een dwangsom bij geen besluit Belastingdienst?

De dwangsomregeling is bedoeld als financiële prikkel. Het doel is de Belastingdienst besluiten te laten nemen binnen de daarvoor gestelde beslistermijnen. Indien u als belanghebbende geconfronteerd wordt met termijnoverschrijdingen, dan kunt u niet direct een dwangsom bij de Belastingdienst aanvragen. U dient eerst de inspecteur aan te sporen om binnen een periode van twee weken alsnog een besluit te nemen. Dit doet u door een schriftelijke ingebrekestelling aan de Belastingdienst te richten. Dit document is vormvrij, doch u doet er verstandig aan hier advies over in te winnen. Een belanghebbende die slechts een e-mailbericht stuurde dat algemeenheden bevatte, had geen recht op een dwangsom.

Pas als de Belastingdienst na uw aanmaning niet handelt, is een dwangsom verschuldigd. De ingebrekestelling kent werking vanaf de dag na die waarop het bestuursorgaan de ingebrekestelling ontvangt. Stel dat uw ingebrekestelling bij brief op 1 januari binnenkomt, dan loopt de termijn vanaf 2 januari. De laatste dag van de termijn is dan 15 januari. Vanaf 16 januari hebt u recht op een dwangsom. De dwangsom loopt door tot en met de dag waarop de Belastingdienst u de beschikking / reactie toezendt.

Een dwangsom is overigens niet altijd verschuldigd. U hebt bijvoorbeeld geen recht op een dwangsom indien u de ingebrekestelling onredelijk laat verstuurt of als de Belastingdienst er door uw handelen niet in slaagt tijdig een besluit te nemen. De wet kent nog een aantal andere situaties waarin u geen recht hebt op enige dwangsom. U moet bijvoorbeeld denken aan de situatie waarin een belanghebbende (of zijn gemachtigde) een ingepland hoorgesprek steeds verplaatst. Wat ook voorkomt is dat de belanghebbende een dag voor het aflopen van de termijn nog met enorme stapels extra informatie op de proppen komt. Onder deze omstandigheden is het opleggen van een dwangsom onredelijk. Uiteraard is een dwangsom ook niet verschuldigd als u zelf akkoord bent gegaan met het verlenen van uitstel aan de Belastingdienst.

Voorbeeld onredelijk late ingebrekestelling

Een belanghebbende heeft op 11 februari 2015 een hoorgesprek. Daarna blijft het over-en-weer stil. Op 2 januari 2017 verzendt de belanghebbende een ingebrekestelling. Deze termijn wordt door de rechter als onredelijk lang beschouwd. De belanghebbende had hier eerder moeten handelen.

Kan ik de Belastingdienst bij voorbaat in gebreke stellen?

Deze vraag wordt in de praktijk veel gesteld. Het antwoord is nee. U kunt pas een ingebrekestelling versturen, zodra u redelijkerwijs kan menen dat de Belastingdienst in gebreke is. Het is dus niet mogelijk om bij uw aanvraag al een ingebrekestelling bij voorbaat mee te sturen. U zou dan immers bijna speculatief ervan uitgaan dat niet tijdig zal worden beslist.

Kan de Belastingdienst zich beroepen op overmacht bij de dwangsomregeling?

Ja, dat kan. Het doel van de dwangsomregeling is om het bestuursorgaan dat nalaat tijdig te handelen, onder druk te zetten. Het is daarmee niet een geldsom die als soort genoegdoening voor de belanghebbende dient. Indien sprake is van overmacht, is het werken met een drukmiddel ongepast. Bij overmacht is geen sprake van voldoende invloed op het niet halen van de termijnen. Maar wanneer is sprake van overmacht? De wetgever heeft hierover geen uitsluitsel gegeven, maar merkt wel op dat overmacht niet te snel mag worden aangenomen. Overmacht vereist een onmogelijkheid om te beslissen door omstandigheden die buiten het toedoen van de Belastingdienst zelf en zijn risicosfeer liggen. Denk aan het afbranden van een belastingkantoor. Het hebben van onvoldoende personeel is bijvoorbeeld geen overmacht, ook niet als dit structureel is.

Wat als de dwangsom verkeerd wordt vastgesteld?

Zoals aangegeven, is het aan de Belastingdienst om de hoogte en de verschuldigdheid te beoordelen. Het kan zijn dat u het daarmee oneens bent. Het is aan de bestuursrechter om over geschillen inzake deze dwangsommen te oordelen. Mocht u gelijktijdig in bezwaar / beroep komen tegen de inhoudelijke beschikking, zoals de uitspraak op bezwaar, dan loopt het geschil over de dwangsom mee in deze procedure.

Hoe hoog is de dwangsom?

Er is gekozen om te werken met een zogenaamde glijdende schaal. Deze keuze is gemaakt om de Belastingdienst zoveel als mogelijk te prikkelen om snel na de termijnoverschrijding tot een besluit te komen. De dwangsom bedraagt € 23 per dag voor de eerste 14 dagen, € 35 per dag voor de 14 daaropvolgende dagen en daarna € 45 per dag. Het maximaal aantal dagen is vastgesteld op 42. De dwangsom kan dus niet hoger zijn dan € 1.260. De betalingstermijn loopt vanaf het moment dat de beschikking aan u bekend is gemaakt. Er is tijdig betaald indien het betaalde geld op uw rekening is bijgeschreven binnen de termijn.

Wat als de Belastingdienst na een dwangsom geen besluit neemt?

Door het opleggen van de dwangsom hebt u uw ‘sympathieke’ drukmiddel gebruikt. Indien de Belastingdienst alsnog geen besluit neemt, kunt u in beroep gaan tegen het niet tijdig beslissen. Deze stap kunt u ook al nemen indien u nog in het dwangsomtraject zit. Zeker in meer omvangrijke zaken is dit ook aan te raden. Uiteraard gelden ook hier de voorwaarden van onder andere de ingebrekestelling,

Advies bij het te laat nemen van besluiten door de Belastingdienst

U hebt als belastingplichtige recht om te weten waar u aan toe bent. Daarvoor bevat de wet termijnen waar u en de Belastingdienst zich aan moeten houden. Het komt in de praktijk nog (te) vaak voor dat deze termijnen door de Belastingdienst niet worden nageleefd. Het is dan raadzaam om door te pakken en te zorgen dat u de rechtszekerheid krijgt die u verdient. Neem bij vragen gerust eens contact op met één van de auteurs.

 

Dwangsom bij niet-tijdig besluit Belastingdienst [news] 2021-04-14 0000-00-00 0000-00-00 6963

Betaling crediteuren of Belastingdienst

Als een rechtspersoon in liquiditeitsproblemen verkeert, is het vaak de vraag of crediteuren nog mogen worden betaald. De Belastingdienst is (veelal) van mening dat bij het betalen van crediteuren (lagere preferentie) er vrijwel automatisch sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur en dus privé aansprakelijkheid van de bestuurder. Maar is dit zo? In dit artikel een overzicht van relevante jurisprudentie.

Bestuurdersaansprakelijkheid bij mogelijk faillissement

Als een bestuurder de belastingschulden van zijn bv niet kan betalen, is het van belang dat hij tijdig de betalingsonmacht gaat melden bij de Belastingdienst. Normaal gesproken is dit voldoende om privé aansprakelijkheid te voorkomen, tenzij sprake is van onbehoorlijk bestuur.

Een bestuurder is soms in privé toch aansprakelijk voor nog openstaande belastingschulden van zijn bv (rechtspersoon) als er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De bewijslast hiervoor ligt bij de Belastingdienst. Als er geen (tijdige) melding betalingsonmacht heeft plaatsgevonden, dan is er een wettelijk vermoeden dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur, de bewijslast van de Belastingdienst is dan dus beperkt (en eigenlijk nihil).

Kennelijk onbehoorlijk bestuur, wanneer is hiervan sprake?

Van kennelijk onbehoorlijk bestuur is sprake indien geen redelijk denkend bestuurder onder deze omstandigheden aldus zou hebben gehandeld. Stel dat de bestuurder anders heeft gehandeld, dan is de vraag in hoeverre dit onverantwoord of roekeloos zou zijn. Dit alles moet in redelijkheid (door de rechter) worden beoordeeld.

In een kwestie bij de Rechtbank Gelderland stonden de Belastingdienst en een DGA voor de rechter. De belangrijkste vraag die hierin voorlag was: "is er sprake van onbehoorlijk bestuur omdat crediteuren die lager in preferentie zijn zijn betaald?" De basis voor deze vaststelling vond de rechtbank in een recent arrest van de Hoge Raad (2019). Het is voor een bestuurder altijd lastig om onder druk een (achteraf) juiste beslissing te nemen, de beoordelingsvrijheid moet dus niet te beperkt zijn.

De rechter is van mening dat er geen sprake is van onbehoorlijk bestuur, dit in lijn met eerdere uitspraken van het Gerechtshof Arnhem (2006) en het Gerechtshof Den Haag (2010). Dat het altijd een feitelijke kwestie betreft en dus uitspraken ook anders kunnen zijn, volgt ondermeer uit een arrest van de Hoge Raad (2003). Een belangrijk onderdeel in de wisselende jurisprudentie is wel het arrest van de Hoge Raad (2010), hierin is bepaald dat het een bestuurder vrij staat te bepalen wie er wel of niet wordt betaald, zonder dat dit kennelijk onbehoorlijk bestuur tot gevolg heeft, zie rechtsoverweging 4.1.1.

Dit is anders als de bv heeft besloten haar activiteiten te stoppen of te staken, waarbij niet iedereen (alle schuldeisers) kan worden betaald. De ruimte voor de bestuurder wordt groter als zogenaamde dwangcrediteuren (crediteuren die nodig zijn om het bedrijf voort te kunnen zetten) worden betaald. Het is wel van belang dat gemaakte keuzes duidelijk (het liefst in notulen of bestuursbesluiten) worden vastgelegd. Men moet namelijk beslissingen en overwegingen goed kunnen beoordelen in de tand des tijds (het moment waarop deze worden genomen).

Noot fiscaal jurist inzake onbehoorlijk bestuur en betalen crediteuren

Een procedure over een privé aansprakelijkstelling van een DGA of bestuurder is bijna altijd een emotionele kwestie. Het bedrijf is failliet en als kers op de taart moet de DGA / bestuurder in privé de rekening betalen. Het zorgvuldig opbouwen van de feiten en juiste advisering tijdens het faillissement zijn van essentieel belang. Als een bedrijf belangrijke crediteuren (dwangcrediteuren) zou betalen om zo een faillissement te voorkomen, is niet snel sprake van onbehoorlijk bestuur. Als de keuze "we stoppen" is gemaakt, wordt een casus lastiger. Echter, ook in dergelijke situaties moeten alle bijzondere omstandigheden in redelijkheid worden gewogen. De Belastingdienst moet ook met voldoende bewijs komen, dit is veelal niet het geval.

Adviesgesprek gewenst? Bel of mail gerust met één van onze specialisten. Wij werken in dergelijke adviestrajecten vaak samen met een gespecialiseerde advocaat.

Bron onbehoorlijk bestuur en aansprakelijkheid

Rechtbank Gelderland d.d. 19 februari 2021 (ECLI:NL:RBGEL:2021:714)

Gerechtshof Arnhem d.d. 27 december 2006 ECLI:NL:GHARN:2006:AZ6620

Gerechtshof Den Haag d.d. 28 september 2010 (ECLI:NL:GHSGR:2010:BO0352)

Hoge Raad d.d. 18 april 2003 (ECLI:NL:HR:2004:AF3063)

Hoge Raad d.d. 26 maart 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK9654)

Hoge Raad d.d. 12 april 2019 ECLI:NL:HR:2019:576

Bestuurdersaansprakelijkheid [news] 2021-05-31 0000-00-00 0000-00-00 7008

Rechtbank ziet af van zitting

Op grond van Europees en Nederlands recht hebben belanghebbenden toegang tot onafhankelijke rechtspraak om besluiten aan te vechten. Binnen het belastingrecht gaat het dan met name om de voor bezwaar en beroep vatbare besluiten. De gebruikelijke gang van zaken is dat eerst in bezwaar wordt gegaan en daarna in beroep bij de aangewezen instantie (meestal de rechtbank). De rechtbank zal partijen uitnodigen voor een zitting en de partijen daar aanhoren / vragen stellen. Op die wijze kan de rechtbank op weloverwogen wijze tot een uitspraak komen. Dat gebeurt echter niet altijd. In het bestuursrecht, waar het belastingrecht een onderdeel van is, wordt de rechtsgang voorgeschreven in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze wet bevat bepalingen die de bestuursrechter de mogelijkheid bieden om af te zien van een behandeling van de zaak ter zitting. De bestuursrechter dient prudent om te gaan met deze bevoegdheid. Wij behandelen verderop in dit artikel de situaties waarin de bestuursrechter van deze bevoegdheid gebruik mag maken.

Kortgeleden kon een belanghebbende weinig begrip opbrengen voor het aanwenden van de mogelijkheid tot het afzien van een zitting door de bestuursrechter. Hij meent dat de rechter ten onrechte gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid. Het Europees recht zou dit niet toestaan, aldus belanghebbende. De Hoge Raad heeft hierover op 18 juni 2021 uitspraak gedaan. Op die uitspraak gaan wij hierna in. Onderaan dit artikel treft u de artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht waar deze bepalingen in zijn opgenomen alsmede een directe link naar de uitspraak van de Hoge Raad.

De mogelijkheid om af te zien van een zitting

De rechter kan besluiten af te zien van een mondelinge behandeling (zitting). Die bevoegdheid heeft hij in vier situaties:

  1. De bestuursrechter is kennelijk onbevoegd;
  2. Het beroep van belanghebbende is kennelijk niet-ontvankelijk;
  3. Het beroep van belanghebbende is kennelijk ongegrond;
  4. Het beroep van belanghebbende is kennelijk gegrond.

Het begrip kennelijk houdt in dat over de situatie waar de bestuursrechter de zaak onder schaart, redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is. De bestuursrechter dient van deze bevoegdheid uiteraard terughoudend gebruik te maken. In de zaak van deze belanghebbende ging het om een beroep op de kennelijke ongegrondheid van het beroep. In de uitspraak dient de bestuursrechter te wijzen op de mogelijkheid om in verzet te komen.

Verzet tegen het afzien van een zitting

De belanghebbende – maar ook het bestuursorgaan – kan tegen de uitspraak waarbij is afgezien van een zitting, in verzet gaan. Het verzet moet worden ingediend bij dezelfde rechtbank, doch wordt behandeld door andere rechters. De rechter dient bij het behandelen van het verzet altijd de indiener van het verzetschrift in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord op een zitting. Het horen mag alleen achterwege blijven indien de bestuursrechter meent dat het verzet gegrond is. Uiteraard kunnen ook de andere partijen gehoord worden op de zitting.

Een uitspraak op verzet kan drie vormen aannemen:

  1. Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard;
  2. Het verzet wordt ongegrond verklaard;
  3. Het verzet wordt gegrond verklaard.

Indien het verzet gegrond wordt verklaard, valt de eerdere uitspraak weg en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Dit betekent dat de bestuursrechter opnieuw uitspraak moet doen, met inachtneming van de uitspraak op verzet. Het komt zelfs voor dat de bestuursrechter die het verzet behandelt, zelf uitspraak doet over het geschil. Dat kan alleen indien:

  1. Nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak; en
  2. De partijen in de gelegenheid zijn gesteld om op de zitting te worden gehoord; en
  3. Partijen op de zitting zijn gewezen op de bevoegdheid van de bestuursrechter om tevens uitspraak te doen op beroep.

Tegen de uitspraak op verzet staat cassatie open bij de Hoge Raad.

Is het afzien van een zitting in strijd met Europees recht?

Op grond van Europees recht heeft iedereen wiens rechten / verplichtingen worden geschonden recht op een doeltreffende, gerechtelijke voorziening. Dit uitgangspunt geldt uiteraard alleen indien het rechten / verplichtingen betreft die het Unierecht waarborgt. Tot de rechten die door dit uitgangspunt worden beschermd, behoort ook het recht om in een gerechtelijke procedure te worden gehoord. Het gehoord worden in een gerechtelijke procedure is daarmee een grondrecht van de Unie. Deze unierechtelijke grondrechten moeten duidelijk worden onderscheiden van de grondrechten die volgen uit de grondwet.

De unierechtelijke grondrechten zijn niet absoluut, dat wil zeggen: inbreuk maken op deze grondrechten is mogelijk. Het inbreuk maken op een grondrecht wordt ook wel ‘beperken’ genoemd. Beperken is mogelijk indien de beperking beantwoordt aan een doelstelling van algemeen belang. Voorts mag de beperking niet onevenredig en / of onduldbaar zijn. Tot slot moet het gekozen middel geschikt zijn om de beoogde doelstelling te bereiken en mag er geen minder vergaand middel mogelijk zijn. Het Europees recht bevat echter geen exacte definitie van wat wel / niet mogelijk is. Die beoordeling is aan de lidstaten.

Lidstaten zijn echter niet volledig vrij in hun doen en laten op dit gebied. Procedureregels mogen namelijk niet ertoe leiden dat de Europese regels (het Unierecht) in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk uit te oefenen is. Dit wordt het doeltreffendheidsbeginsel genoemd. De Hoge Raad dient dus te beoordelen of het afzien van een zitting in strijd komt met het doeltreffendheidsbeginsel.

Afzien van zitting in strijd met doeltreffendheidsbeginsel?

De Hoge Raad stelt eerst vast dat het afzien van een zitting ertoe leidt dat de belanghebbende niet wordt gehoord. De rechten van de verdediging worden daarmee beperkt. Het Europees recht legt echter geen verplichting op om altijd een zitting te houden. Uit eerdere rechtspraak over dit onderwerp komt naar voren dat het Hof van Justitie van de Europese Unie kijkt naar alle feiten en omstandigheden. Een zitting hoeft volgens het Hof in ieder geval niet te worden gehouden wanneer de zaak geen feitelijke of juridische vraagstukken oproept, die niet naar behoren kunnen worden opgelost op basis van het dossier en de schriftelijke stukken. Oftewel: de bepaling zoals het Nederlandse bestuursrecht – en dus ook belastingrecht – deze kent, is niet ontoelaatbaar en niet in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel, aangezien het uitoefenen van rechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt. Voorts is de bepaling verklaarbaar vanuit het oogpunt van een efficiënte proceseconomie. De Hoge Raad ontleent dit oordeel met name aan de volgende elementen:

  • Tegen een uitspraak waarbij is afgezien van een zitting kan verzet worden aangetekend;
  • De indiener van een eventueel verzetschrift wordt op verzoek gehoord, tenzij het verzet gegrond is;
  • De indiener van een eventueel verzetschrift wordt tevens gehoord indien de bestuursrechter die mogelijkheid aanbiedt. De bestuursrechter moet van deze mogelijkheid gebruikmaken in alle gevallen waarin de vereisten van een behoorlijk proces daartoe aanleiding geven.

Hoge Raad over deze casus

De Hoge Raad oordeelt dus dat de regeling om af te zien van een zitting niet in strijd is met Europees recht (Unierecht). Het oordeel van de rechtbank over deze specifieke zaak is in de ogen van de Hoge Raad niet gebaseerd op onjuiste rechtsopvattingen. Voorts zijn de motiveringen van de rechtbank niet onvoldoende of onbegrijpelijk. De uitspraak blijft dus in stand. Oftewel: de rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat uit de feiten duidelijk volgt dat het beroep geen kans van slagen heeft.

Advies bij fiscale procedures

Fiscale procedures zijn een specialiteit op zichzelf. Een gevleugelde uitspraak is dat gelijk hebben niet hetzelfde is als gelijk krijgen. In de praktijk zien wij dit ook vaak terug. Een procedure vereist een andere mentaliteit en een andere aanvliegroute dan bijvoorbeeld een vooroverleg. Laat u daarom bij procedures bijstaan door een fiscaal jurist met kennis van het formele belastingrecht, zodat een optimaal resultaat kan worden bereikt. Neem voor vragen gerust contact op met één van onderstaande auteurs.

Link naar arrest:

ECLI:NL:HR:2021:966

Wets- en verdragsartikelen

Art. 8:54 Awb

Art. 8:55 Awb

Art. 6 EVRM

Art. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest)

Rechtbank ziet af van zitting [news] 2021-06-21 0000-00-00 0000-00-00 7026

Zwarte lijst Belastingdienst

De Belastingdienst werkt met een zogenaamde zwarte lijst waarop belastingplichtigen staan opgenomen. Op deze lijst staan 240.000 mensen die door de Belastingdienst worden gezien als mogelijke fraudeur. Dit kan op grond van vermoedens van fraude. Vorenstaande volgt uit informatie welke openbaar is gemaakt door een WOB-verzoek. Op dit moment hebben ruim 60.000 mensen een excuusbrief ontvangen van de Belastingdienst (bron NOS). De Belastingdienst kan door deze zwarte lijst burgers vaker dan nodig benaderen, maar het grootste probleem is dat deze informatie wordt gedeeld met andere overheidsinstanties, dit kan een olievlek tot gevolg hebben (gehad).

Registratie belastingplichtigen bij de Belastingdienst

De registratie op de lijst betreft het registreren van persoonsgegevens, hiermee is de AVG van toepassing. Alle vormen van verwerking van die gegevens zijn in beginsel in strijd met de privacy, tenzij er een uitzondering van toepassing is. De AWR (Algemene Wet inzake Rijksbelastingen) kent een dergelijke uitzondering niet, dit heeft de Hoge Raad in 2017 al eens bepaald (procedure inzake flitspalen).

Inzage in zwarte lijst

Het kan in procedures of bij veelvuldig bezoek van de Belastingdienst verstandig zijn om inzage te vragen in deze zwarte lijst. Tevens is het van belang dat u daarna van de zwarte lijst wordt gehaald. Wij adviseren regelmatig mensen inzake dergelijke procedures.

Er was blijkbaar een vinkje bij belastingplichtigen (project 1043) die kon worden aangetikt voor sommige belastingplichtigen. Deze belastingplichtigen werden dan 5 jaar lang intensief gevolgd en gecontroleerd. De reden voor het "vinkje" kon zelfs een dubbele nationaliteit zijn. De namen van deze personen werden opgenomen in de Fraude Signalering Voorziening (FSV).

Rechter of zwarte lijst

Het instellen van bezwaar en beroep moet volgens de Advocaat Generaal van de Hoge Raad (d.d. 17 juni 2021) ruimer worden toegestaan. Het kan namelijk zo zijn dat burgers (en hierdoor soms bedrijven) hogere aanslagen hebben ontvangen door plaatsing op deze lijst. De bezwaar- en beroepstermijnen van dergelijke aanslagen zijn op dit moment veelal verstreken. De AG is van mening dat deze mensen alsnog bezwaar en beroep moeten kunnen instellen, omdat informatie door de Belastingdienst is achtergehouden.

De Hoge Raad mag nu eens kritisch kijken naar de mening van haar eigen AG. De vraag is wat de Hoge Raad nu gaat beslissen.

Noot fiscaal jurist inzake zwarte lijst

Het "taggen" van klanten of documenten kan best handig zijn. Zo weet je beter waar je moet zoeken en / of een onderzoek moet instellen. Alleen zijn er wel spelregels, en deze spelregels staan dan weer in de wet (zoals de AVG, Wet bescherming persoonsgegevens, artikel 10 grondwet, etc.). Bij het "taggen" van belastingplichtigen kunnen er grote problemen ontstaan en veelal kan dit extreme financiële gevolgen hebben. De vraag is of via deze "tag" verkregen bewijs rechtmatig is verkregen en - zo ja of nee - welke gevolgen hieraan dan moeten worden verbonden.

Is een aanslag onrechtmatig als u opvalt door een "vinkje"? Er is sprake van een onrechtmatige selectie, maar brengt dit ook mee dat de belastingaanslag onrechtmatig is? Door het vinkje wordt er een onderzoek ingesteld en men komt dan tot de conclusie dat er een belastingaanslag moet worden opgelegd. Er is dus een causaal verband tussen het vinkje, het onderzoek en de belastingaanslag. Het bewijs voor de aanslag is het vinkje en dit is dan onrechtmatig verkregen, dat staat vast. Onbevoegd verkregen informatie mag niet een andere of verhoogde aanslag tot gevolg hebben. Dat er sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM staat ook wel vast, maar de nationale gevolgen welke hieraan worden verbonden legt men altijd op het bordje van de nationale rechter. Dat een belastingplichtige alsdan de wijze waarop bewijs is verkregen moet kunnen aanvechten lijkt logisch.

Vragen over zwarte lijst

Wij adviseren regelmatig mensen inzake procedures tegen de Belastingdienst, dit tijdens regulier overleg, bezwaar- en / of beroepsprocedures. Neemt u gerust contact met ons op via onderstaand formulier of bel met één van onze specialisten (zie onder).

Bron zwarte lijst

Conclusie Advocaat Generaal d.d. 17 juni 2021 ECLI:NL:PHR:2021:618

Zwarte lijst Belastingdienst [news] 2021-06-23 0000-00-00 0000-00-00 7031

Rechtsbescherming verder in de knel. Voorkom dat de FIOD stukken achterhoudt.

Als u verdacht wordt van een strafbaar feit, kan het zijn dat ook de Belastingdienst nog eens ‘op de koffie komt’. De wet geeft de belastinginspecteur de bevoegdheid tot het opvragen van stukken uit een strafdossier bij het OM[1]. Die gegevens kunnen dan gebruikt worden om de resultaten van de (vermeende) criminele activiteiten te belasten.

Waarom werden stukken achtergehouden door de FIOD?

De kinderopvangsector zit in de hoek waar tegenwoordig de klappen vallen. Zo ook in de volgende, recente casus. De Belastingdienst doet een onderzoek bij een gastouderbureau en het daarvan opgemaakte rapport leidt tot het inschakelen van de FIOD. Een en ander leidt tot vervolging en veroordeling (valsheid in geschrifte, witwassen, lid criminele organisatie) van de dochter op wiens naam het bureau stond.

De belastinginspecteur vraagt de stukken op bij het OM t.b.v. de belastingheffing. De OvJ stemt daarmee in, waarop de stukken worden verstrekt aan de FIOD. De FIOD selecteert vervolgens de stukken en stelt die ter beschikking aan de belastinginspecteur. Op basis van die stukken volgen navorderingsaanslagen.

De belastingplichtige komt tegen de aanslagen in beroep en belandt uiteindelijk bij de Hoge Raad.

In een (fiscale) procedure is van belang dat beide partijen over dezelfde ‘wapens’ beschikken. Eén van de vereisten daarvoor is dat de belastinginspecteur ‘alle op de zaak betrekking hebbende stukken’[2]aan de rechter stuurt (en dus ook aan de belastingplichtige).

De belastingplichtige stelt dat de belastinginspecteur niet alle stukken heeft verstrekt omdat deze niet het volledige strafdossier heeft ingediend, maar slechts een selectie. In wezen heeft hij dus geen eerlijk proces gehad.

De Hoge Raad over stukken achterhouden

De Hoge Raad pelt de zaak af en oordeelt in stappen als volgt.

1. De verplichting stukken in te brengen ziet op de belastinginspecteur zoals aangeduid in de wet en niet op de Belastingdienst als geheel. De FIOD is weliswaar onderdeel van de Belastingdienst, maar niet de belastinginspecteur. De stukken die onder de FIOD zijn hoeven dus in beginsel niet ingediend te worden.

2. De stukken die de FIOD, maar ook het OM of andere instanties, heeft moeten WEL worden ingediend als: - die stukken die de belastinginspecteur ter beschikking staan of hebben gestaan EN van belang kunnen zijn voor het (resterende) fiscale geschil. Dat moet per stuk afzonderlijk worden beoordeeld.

3. De belastinginspecteur is niet verplicht het OM te verzoeken het gehele dossier beschikbaar te stellen om daar zelf de stukken uit te selecteren.

4. De belastingplichtige heeft niet de stelling ingenomen dat de FIOD bij de selectie stukken heeft achtergehouden die wel voor de belastingheffing van belang kunnen zijn.

Eindconclusie is dan dat de belastinginspecteur de wet niet heeft geschonden en de navorderingen blijven in stand.

Opmerking fiscaal jurist over zaakstukken

De Belastingdienst zet de FIOD / het OM op het spoor en na de strafvervolging maakt de Belastingdienst gebruik van de aldaar verzamelde gegevens. Op zich is dat niet bezwaarlijk, iedereen moet zijn deel van de belasting betalen, al kan over de wijze waarop anders worden gedacht. Het knelpunt zit in de beoordeling van de gegevens, de strafrechtelijke bewijsstukken.

Laten we het voorzichtig als volgt stellen. Het is geen onomstreden gedachte dat het OM bij de jacht op en vervolging van strafbare feiten eerder op zoek gaat naar belastend materiaal als ontlastend materiaal en ook minder genegen kan zijn gevonden ontlastend materiaal in het dossier te voegen. Datzelfde geldt ook voor de FIOD en de belastinginspecteur. Die zijn geneigd om vooreerst op zoek te gaan naar materiaal dat de belastingheffing rechtvaardigt en hebben minder oog voor materiaal dat de andere kant op wijst. In het kader van het FIOD-onderzoek volgt uit het EVRM dat ook recht staat op kennisname van ontlastende stukken.[3]Dat zou ook kunnen gelden voor de selectie van materiaal uit een strafdossier.

Als een belastingplichtige niet weet wat er allemaal aan materiaal is, is het niet te controleren of er mogelijk materiaal ontbreekt. In de termen van de Awb: of alle van belang zijnde stukken zijn ingediend. In wezen is sprake van een niet objectief controleerbare zeeffunctie toegepast door de overheid. De rechter zelf is ook niet gehouden zelfstandig op zoek te gaan naar (ontlastend) bewijs. Het is dus aan de belastingplichtige om op het (mogelijke) bestaan daarvan te wijzen en om inbreng van dat bewijs te verzoeken.

Ook het feit dat de FIOD onderdeel is van de Belastingdienst baart zorgen, nu de Hoge Raad die (processueel) niet gelijkstelt aan de belastinginspecteur. Het is immers niet ondenkbaar dat de belastinginspecteur een kortere lijn heeft met de FIOD dan de belastingplichtige, in die zin dat de ‘collega’s’ gevraagd wordt nog eens het dossier in te duiken voor bewijsstukken. Dat geeft de belastinginspecteur in wezen toegang tot het gehele FIOD-dossier als hij dat wenst (dus ter beschikking staat en dus moet worden ingediend). Die optie ligt voor de belastingplichtige minder voor de hand. Er is al geen effectieve controle op (de volledigheid van) de stukken die het OM verstrekt. De tussenschakeling van de FIOD leidt dan mogelijk tot extra ruis. De rechtsbescherming van de belastingplichtige is er niet beter op geworden.

Of de belastingplichtige over een volledig dossier beschikt, blijft dus in nevelen gehuld. Wellicht dat er een oplossing zit in het hiervoor opgenomen punt 4. in de uitspraak van de Hoge Raad. De belastingplichtige kan het standpunt innemen dat de FIOD bij de selectie stukken achterhoudt. Die stelling moet wel worden onderbouwd. Aan de onderbouwing moeten dan niet al te hoge eisen worden gesteld. Ook kan worden gedacht aan de verplichting om van een strafdossier een volledige inhoudsopgave te verstrekken met vermelding van de aard van de inhoud van het stuk. In algemene zin moet zoveel mogelijk worden gewaarborgd dat de belastingplichtige over een volledig dossier beschikt. Voorts moet toetsbaar zijn dat dit werkelijk het geval is. Door het weglakken van delen van stukken kan de inspecteur inzichtelijk maken welke stukken er zijn. Desnoods past hij daarbij artikel 8:29 Awb toe (geheimhouding). Op die manier wordt de onafhankelijke rechter – al dan niet in de vorm van de geheimhoudingskamer – erbij betrokken.

Uitspraak Hoge Raad 25 juni 2021

Achterhouden FIOD-stukken [news] 2021-06-28 0000-00-00 0000-00-00 7036

De fiscale informatieplicht

Hoe ver mag de Belastingdienst gaan met het opvragen en meenemen van stukken?

Rechten Belastingdienst inzake opvragen informatie

De Belastingdienst heeft vergaande mogelijkheden om informatie op te vragen. Na het aangiftebiljet (dat u duidelijk, stellig en zonder voorbehoud (artikel 8 AWR) moet indienen) is de vragenbrief het meest gebruikte middel om die informatie te vergaren. Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn (artikel 47 AWR). Ook dat moet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud (artikel 49 AWR).

Het voorstaande geldt ook voor administratieplichtigen voor gegevens die betrekking hebben op derden (artikel 53 AWR). U kunt dus als ondernemer door de Belastingdienst gebruikt worden als informatiepunt voor de belastingheffing van anderen. Een (zakelijke) relatie met die derde is niet nodig. Het beschikken over de gegevens is voldoende. Naast de begrenzing dat het moet gaan om gegevens die fiscaal relevant kunnen zijn, is er nog een belangrijke beperking.

Die beperking zit in het verschoningsrecht. De verplichting tot gegevensverstrekking geldt niet (artikel 53a AWR) als u een zogenoemde verschoningsgerechtigde bent. Dat zijn bekleders van een geestelijk ambt, notarissen, advocaten, artsen en apothekers die zich beroepen op de omstandigheid, dat zij uit hoofde van hun stand, ambt of beroep tot geheimhouding verplicht zijn. Sommigen – zoals belastingadviseurs – kunnen zich beroepen op een (daarvan) afgeleid verschoningsrecht (Hoge Raad 12 maart 1997, rolnr. 30478).

Dat de Belastingdienst (en de FIOD) dit verschoningsrecht niet standaard respecteren, blijkt wel uit de volgende zaak.

Verschoningsrecht en informatieplicht Belastingdienst

De belastingplichtige is betrokken geweest bij een vliegtuigongeluk. Daarop heeft hij de vliegtuigmaatschappij en de -bouwer aansprakelijk gesteld. Van (het voorschot op) de schadevergoeding heeft hij een BMW gekocht. Omdat hij contant afrekende, is daarvan een MOT-melding gedaan (Melding Ongebruikelijke Transactie). Daarop is een onderzoek geweest en is de FIOD in het huis geweest van de belastingplichtige. Daarbij is een ordner met stukken meegenomen. Op die ordner stond “25 februari vliegtuigcrash en het ziekenhuis advocaat informatie”.

De daarna door de inspecteur gestelde vragen weigerde de belastingplichtige te beantwoorden. Hij meende dat de ordner onrechtmatig verkregen was, omdat deze onder het verschoningsrecht van zijn advocaat viel en hem bovendien niet was gewezen op zijn recht om te zwijgen (de zogenoemde cautie). De vraag is of terecht informatiebeschikkingen zijn genomen wegens het niet antwoorden.

De zaak gaat een beetje als een nachtkaars uit, omdat het hof heeft vastgesteld dat deze via een andere weg op de hoogte was van een belangrijke brief uit die ordner waaruit een bepaalde inkomens- en vermogenspositie van de belastingplichtige bleek (en de daarop gebaseerde vragenbrief dus voortkwam uit  de al dan niet onrechtmatig verkregen ordner). De cautieplicht is niet geschonden omdat (schriftelijk en mondeling) geen vragen zijn gesteld m.b.t. het opleggen van een boete.

T.a.v. het verschoningsrecht merkt de Hoge Raad wel op dat het aan de verschoningsgerechtigde (in dit geval de advocaat) is om te bepalen of stukken onder het verschoningrecht vallen. Dat is dus niet aan de inspecteur, maar ook niet aan de belastingplichtige. Het gaat dus om de visie van de advocaat, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.

De staatssecretaris had het nog gewaagd te stellen dat stukken uit de ordner waren verstrekt aan de tegenpartij in de civiele procedure (de vliegtuigbouwer) en dat daarmee de stukken bij een derde terecht waren gekomen zonder een beroep te doen op het verschoningsrecht, zodat tegen de Belastingdienst ook geen beroep op het verschoningsrecht kan worden gedaan. Met één pennenstreek veegt de Hoge Raad dat argument van tafel: “… brengt niet mee dat de advocaat ten aanzien van die stukken jegens anderen niet langer een beroep op zijn verschoningsrecht kan doen.”

Opmerking fiscaal jurist inzake fiscale informatieplicht

Een belastingplichtige dient altijd volledig vrij over zijn (fiscale) zaken te kunnen overleggen met zijn adviseur. Bij huis- of kantoorbezoek dient de inspecteur (en FIOD) de rechten van de belastingplichtige te respecteren en geen stukken in te zien of mee te nemen waarbij overduidelijke tekenen zijn dat die onder het (afgeleide) verschoningsrecht vallen. Zorg dat dergelijke (advies-)stukken deugdelijk zijn opgeborgen. Als het niet anders kan, geef ze slechts mee onder protest en in een verzegelde envelop en maak een notitie van hetgeen wordt meegenomen.

Overleg altijd met uw adviseur voordat u zelfstandig stukken verstrekt en laat u niet overrompelen. De tijd dat alleen de belastingplichtigen de grens opzoeken ligt ver achter ons.

Bron fiscale informatieplicht

Hoge Raad 21 mei 2021

HR 12 maart 1997, nr. 30.478, BNB 1997/146

Fiscale informatieplicht [news] 2021-06-28 0000-00-00 0000-00-00 7037

Betalingsregeling en kwijtschelding belastingdienst

Wij adviseren steeds vaker ondernemers over betalingsregelingen en kwijtschelding van belastingen. In dit onderdeel treft u hierover diverse artikelen aan.

Vragen over betalingsregeling of kwijtschelding?

Neem gerust contact op met onderstaande adviseurs.  

Betalingsregeling en kwijtschelding [news] 2021-02-25 0000-00-00 0000-00-00

Ondernemers vragen steeds vaker een betalingsregeling aan bij de Belastingdienst. In sommige gevallen is kwijtschelding van belastingschulden ook mogelijk. Hoe werkt dit?

6900

Fiscale vestigingsplaats vennootschap

Waar een vennootschap voor fiscale doeleinden gevestigd is, is van groot belang. Bij de toepassing van verdragsbepalingen wordt namelijk voor de toewijzing van het heffingsrecht vaak verwezen naar de ‘vestigingsplaats’ of de ‘woonplaats’. Het is belangrijk dat deze plaats dus zonder twijfel vaststaat. De vraag waar een bedrijf is gevestigd, lijkt op het eerste gezicht niet al te complex. Zo zal een besloten vennootschap naar Nederlands recht met een statutaire zetel te Enschede, toch in Nederland gevestigd zijn? Nee, dat hoeft helemaal niet zo te zijn. Onder de werking van belastingverdragen wordt vaak gekeken naar hele andere elementen, zoals de plaats waarvandaan de feitelijke leiding wordt uitgeoefend over de vennootschap. Dat kan een heel andere plaats zijn. De Hoge Raad heeft zich in het kader van het verdrag tussen Nederland en Singapore recent uitgelaten over deze materie. De uitkomsten van dit arrest zijn in het algemeen voor het internationaal belastingrecht relevant. Redenen genoeg om het arrest dus te bespreken in een artikel.

Discussie over de vestigingsplaats ontstaat na adreswijziging

Belanghebbende is een naar Nederlands recht opgerichte bv en tot 2006 doen zich geen vestigingsplaatsproblemen voor. Echter, eind 2006 wijzigt het adres van belanghebbende naar een adres te Singapore. Gelijktijdig wordt een natuurlijk persoon aangesteld als statutair bestuurder. Deze aanstelling vindt plaats namens een Singaporees trustkantoor. Het kantoor zelf wordt de managing director. Vanaf dat moment wordt de vennootschap als inwoner van Singapore in de belastingheffing betrokken.

De aandeelhouder van Belanghebbende, voor het gemak noemen we die Henk, is in 2006 ook vertrokken uit Nederland. Henk is naar Sint-Maarten geëmigreerd. Sindsdien meent hij in Nederland buitenlands belastingplichtig te zijn. Belanghebbende wordt in de periode 2006 – 2010 begeleid door twee belastingadvieskantoren (gevestigd te Nederland, met een vestiging op de Antillen). Dit kantoor adviseert Henk ook in privé. De belastingadvieskantoren leveren – zoals verderop ook blijkt – bovengemiddeld veel werkzaamheden en inspanningen. De zoon van Henk is vanuit Nederland ook betrokken bij Belanghebbende.

In 2010 wordt flink dividend uitgekeerd door Belanghebbende aan Henk. Steeds wordt aangifte dividendbelasting gedaan en aangegeven dat niets is verschuldigd. Het lijkt erop dat dat ook het doel is geweest van het ‘schuiven’ met de vestigingsplaats: het vermijden van belasting. De inspecteur is het met de ingediende aangiften oneens en heft dividendbelasting na. Over die aanslagen is het geschil ontstaan.

Er liggen een aantal geschilpunten voor. Wij richten ons in dit artikel op het geschil over de vestigingsplaats van de vennootschap. De rechtbank Den Haag gaf aan dat het erom gaat waar de vennootschap geleid en bestuurd wordt. Over de uitleg van dit begrip ontstaat een geschil.

Juridische kader vestigingsplaats vennootschap en leiding

In het nationale recht kennen we een bepaling die inhoudt dat een bv, opgericht naar Nederlands recht, steeds wordt geacht in Nederland gevestigd te zijn. Deze fictiebepaling kan internationaal uiteraard voor wrijving zorgen op het moment dat een andere staat – zoals Singapore – meent dat een vennootschap juist daar gevestigd is. Dat doet zich hier ook voor; Singapore ziet de vennootschap als inwoner en wil de vennootschap in de belastingheffing betrekken. Zo komt het dat twee landen van mening zijn dat de vennootschap daar is gevestigd.

Het belastingverdrag tussen Nederland en Singapore moet dan uitsluitsel bieden. In het verdrag is opgenomen dat voor de belastingheffing de vestigingsplaats dan wordt gesteld op de plaats waarin de vennootschap wordt geleid en bestuurd. De meeste belastingverdragen zijn gebaseerd op het modelverdrag van de OESO. In dat verdrag was, op het moment dat Nederland en Singapore afspraken maakten, opgenomen dat de vestigingsplaats wordt gesteld op de plaats van het effective management. Nederland en Singapore hebben deze bepaling als basis gebruikt, doch in de Engelse versie van het verdrag is opgenomen dat het gaat om: managed and controlled.

In 2018 sprak de Hoge Raad zich al eens uit over de term geleid en bestuurd. Ook toen in het kader van het verdrag tussen Nederland en Singapore. Hij gaf toen aan dat het bij deze term gaat om het bepalen van de plaats waar de kernbeslissingen met betrekking tot de activiteiten van de vennootschap worden genomen, waar de eindverantwoordelijkheid voor de beslissingen wordt gedragen en van waaruit in voorkomende gevallen instructie wordt gegeven aan werkzame personen. Wie de dagelijkse leiding bij de uitvoering heeft, is voor het bepalen van de plaats van de leiding van een lichaam niet relevant. Deze rechtspraak sluit aan bij eerdere rechtspraak. Feitelijk komt het erop neer dat het tussenplaatsen van een stroman geen gevolg heeft. Immers: die gaan niet over de kernbeslissingen en dragen veelal niet de eindverantwoordelijkheid.

Advocaat-Generaal over vestigingsplaats vennootschap

Op 1 december 2020 is de conclusie van de Advocaat-Generaal in deze zaak gepubliceerd. Hij gaat op een aantal elementen in. Over de bewijslastverdeling schrijft hij het volgende. De inspecteur diende te bewijzen dat de belanghebbende (vooral) vanuit Nederland werd bestuurd, althans dat dient hij aannemelijk te maken. Het hof kwam tot het oordeel dat de inspecteur daarin was geslaagd. Dat betekent dat stap 2 is het beoordelen van het tegenbewijs dat de Belanghebbende heeft geleverd. Daarbij weegt ook mee dat het de belanghebbende is die de ‘ingewikkelde’ situatie in het leven heeft geroepen. Dit heeft het hof eveneens gedaan, alvorens tot de conclusie te komen dat Belanghebbende er niet in geslaagd is om onaannemelijk te maken dat de leiding in Nederland lag.

De kernvraag waar het om steeds om gaat is, of een bepaalde beslissing is genomen als bestuurder, als aandeelhouder of als uitvoerder. Om te kunnen spreken van het geven van leiding / het managen van een vennootschap, dient sprake te zijn van een bestuurders- of uitvoerdersbeslissing. Dat is ook de reden dat het hof tot het oordeel is gekomen dat de vestigingsplaats Nederland is. Henk bevond zich weliswaar op Sint-Maarten, maar Henk heeft onvoldoende bewezen dat hij ook belangrijke beslissingen als bestuurder nam. Voor zover Henk beslissingen heeft aangedragen die ondubbelzinnig te kwalificeren zijn als bestuurdersbeslissingen, geldt dat Henk niet inzichtelijk heeft gemaakt vanaf welke locatie hij die beslissingen heeft genomen. De Advocaat-Generaal merkt op dat de juiste rechtsregels zijn toegepast en dat de toetsing op zichzelf bezien sterk feitelijk van aard is. De Hoge Raad past dan terughoudendheid en ingrijpen geschiedt slechts als een oordeel ongemotiveerd / onbegrijpelijk is. Dat doet zich volgens de Advocaat-Generaal hier niet voor.

Een andere bijzonderheid in deze zaak is gelegen in de rol van de belastingadviseur van Henk en Belanghebbende. Het gerechtshof oordeelde dat de leiding bij het belastingadvieskantoor te Nederland en de zoon van Henk liggen. Belanghebbende meent echter dat het belastingadvieskantoor geen ondernemingsbeslissingen neemt en daarom niet ‘meetelt’ bij het bepalen van de vestigingsplaats van de vennootschap. Het hof kwam onder meer tot haar oordeel door te wijzen op de betrokkenheid van het belastingadvieskantoor bij het overdragen van certificaten, aangaan van aandeelhoudersleningen en het instellen van vermogensbeheer. De Advocaat-Generaal kijkt kritisch naar het bewijs, maar acht deze uitkomst acceptabel. Dat een belastingadvieskantoor onderdeel uitmaakt van de leiding van de vennootschap is ongebruikelijk, maar niet minder ongebruikelijk dan dat een relatief goedkoop Singaporees kantoor de leiding uit zou oefenen.

De Hoge Raad heeft op 2 juli 2021 uitspraak gedaan in deze zaak.

De Hoge Raad over de vestigingsplaats van de vennootschap

De Hoge Raad herhaalt eerst wat de Belanghebbende aandraagt: het gerechtshof heeft de termen geleid en bestuurd verkeerd uitgelegd. Dit punt haalt de Hoge Raad echter onderuit. Met ‘geleid en bestuurd’ wordt hetzelfde bedoeld als met ‘feitelijke leiding’. Deze – op het oog kleine – uitspraak van de Hoge Raad schept voor de praktijk weer de nodige duidelijkheid.

De Hoge Raad gaat ook in op de rol van de belastingadviseur. Belanghebbende voert steeds aan dat een adviseur geen ondernemingsbeslissingen kan nemen voor zijn klanten. Dus kan de vestigingsplaats van de adviseur geen invloed hebben op de fiscale vestigingsplaats. Ook dit punt houdt geen stand. De Advocaat-Generaal verwoordde dit al pakkend door te stellen: dat iets onwaarschijnlijk is, wil niet zeggen dat het niet gebeurt.

Correct is dat het aan de inspecteur is om aannemelijk te maken dat Belanghebbende fiscaal gevestigd is te Nederland. Wat Belanghebbende in deze situatie vervolgens ook niet helpt, is dat Henk niet meewerkt aan het verlenen van voldoende inzicht in stukken die mogelijk tot een ander oordeel kunnen leiden.

Belanghebbende trekt dus aan het kortste eind.

Fiscaal jurist over woon- en vestigingsplaatsonderzoeken

Discussies over de woonplaats van individuen en / of de vestigingsplaats van vennootschappen zijn aan de orde van de dag. Het is van belang om daarbij steeds te kijken naar alle feiten en omstandigheden. Waar vroeger ‘eenvoudigerwijs’ kon worden gewezen naar de locatie waar de schoorstenen rookten, is dat tegenwoordig anders. Kapitaal is steeds mobieler geworden en ook fysieke aanwezigheid is in tijden van digitalisering geen doorslaggevende factor meer.

De overduidelijke opzet om de holding buiten Nederland te houden en zo dividendbelasting te voorkomen, mislukt onder andere door lacunes in de uitvoering. Dit is geen zeldzaamheid, maar komt regelmatig voor. Het is op papier eenvoudiger om een banksaldo te verplaatsen dan een rij schoorstenen, doch indien uw bedrijf Nederland binnenkomt of verlaat, is het toch verstandig een adviseur in de arm te nemen.

Niet zelden loopt zo’n discussie met de Belastingdienst over de woonplaats of de vestigingsplaats namelijk uit op een geschil. De uitkomst van dit geschil is voor de belastingheffing van zeer groot belang. Laat u daarom altijd bijstaan door een deskundige. Neem gerust eens contact op met één van onderstaande auteurs voor een vrijblijvende kennismaking.

Uitspraak en conclusie

Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1044

Advocaat-Generaal: ECLI:NL:PHR:2020:1150

Fiscale vestigingsplaats vennootschap [news] 2021-07-05 0000-00-00 0000-00-00 7085

Geen navordering bij beoordelingsfout Belastingdienst

Zodra u een definitieve aanslag krijgt opgelegd, moet u erop kunnen vertrouwen dat deze aanslag inderdaad definitief is. Het zou afdoen aan uw rechtszekerheid als te pas en te onpas nog bedragen konden worden nagevorderd. Toch is navordering onder voorwaarden mogelijk. De inspecteur kan navorderen indien sprake is van een nieuw feit of indien de belastingplichtige te kwader trouw is geweest. Wij zien in de praktijk dat de Belastingdienst relatief snel naar het middel van navordering grijpt. Soms terecht, maar soms ook niet. In een recente zaak bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch kwam de vraag aan de orde of de belastingplichtige te kwader trouw was geweest. In dit artikel gaan wij in op deze uitspraak.

Wat ging vooraf aan de navordering van de Belastingdienst?

Het betreft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 2012. De belastingplichtige is tegen de navordering in bezwaar gegaan, maar dat heeft niet tot een ander oordeel geleid. Succes heeft belastingplichtige wél bij de rechtbank. De rechtbank verklaart het beroep namelijk gegrond, hetgeen voor de inspecteur reden is om in hoger beroep te gaan. Het gerechtshof begint, zoals gebruikelijk, met het vaststellen van de feiten en omstandigheden.

De belastingplichtige is op 1 oktober 2012 in Nederland komen wonen. Hij houdt alle aandelen in een pensioen bv en deze bv houdt alle aandelen in een vastgoed bv. Deze bv’s zijn allemaal in Nederland gevestigd. De belastingplichtige is eigenaar van een aantal onroerende zaken en deze zijn in december 2012 aan de vastgoed bv geleverd. In 2014 heeft de inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd. De inspecteur is van mening dat sprake is van inkomen als gevolg van het ter beschikking stellen van vermogen en dat de waarde in het economisch verkeer sterk afwijkt van de waarde waarvoor de onroerende zaken zijn verkocht.

In privé vraag de belastingplichtige steeds om uitstel voor de aangifte 2012. Dit doet hij vanwege het lopende onderzoek en de impact daarvan op de uitkomst voor de aangifte 2012. Hij verwijst ook steeds naar de het lopende onderzoek. De inspecteur verleent het uitstel. Uiteindelijk doet de belastingplichtige aangifte en hij stuurt een afzonderlijke brief mee, waarin eveneens het lopende onderzoek wordt benoemd.

In december 2015 wordt de aanslag opgelegd, overeenkomstig de aangifte. De belastingplichtige laat deze aanslag aan de inspecteur zien. De inspecteur besluit echter in 2016 over te gaan tot navordering over 2012. Vast staat ook dat tussen de inspecteur die de controle verricht en degene die de aanslag heeft vastgesteld, overleg is gevoerd over deze kwestie. Uit dit contact komt ook naar voren dat de aangifte geblokkeerd had moeten zijn en de definitieve aanslag niet opgelegd had moeten worden. Er is voorts van alles gebeurd bij de Belastingdienst intern. Hierna een korte samenvatting.

De aangifte IB 2012 van belastingplichtige is geruime tijd geblokkeerd geweest wegens het lopende onderzoek. Toch heeft de aangifte vroegtijdig tot een aanslag geleid. De uitgeworpen aangifte is door een medewerker doorgezet naar het team buitenland. Deze heeft de aangifte versneld afgehandeld en niet inhoudelijk naar de posten gekeken. Dat komt volgens hem omdat dit type aangifte over het algemeen relatief gemakkelijk is en daarom ook zo wordt behandeld. Deze medewerker voelde zich niet geroepen om iedere post te controleren. Tot slot geeft hij aan dat het negeren van de blokkade niet aan hem verwijtbaar is. Uiteindelijk komt men tot de slotsom dat de aangifte handmatig is afgedaan, maar dat de uitworpreden inzichtelijk moet zijn geweest. Die is vervolgens niet gezien of bewust weggeklikt. Er is slechts sprake van uitvoering van beleid.

Geschil bij navordering door de Belastingdienst

Zoals aangegeven, is voor navordering een nieuw feit of kwade trouw vereist. Dat van een nieuw feit geen sprake is, daar zijn partijen het wel over eens. De inspecteur meent echter dat de belastingplichtige te kwader trouw is en dat sprake is van een fout. Daarmee bedoelt de inspecteur dat sprake is van een fout die de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is. Ook dan mag namelijk tot navordering worden overgegaan. De belastingplichtige is het hier (uiteraard) mee oneens.

Gerechtshof over de navordering door de Belastingdienst

De discussie richt zich dus op de vraag naar kwade trouw en de aanwezigheid van een kenbare fout. Het gerechtshof beschrijft eerst de regel met betrekking tot de kwade trouw. Indien de belastingplichtige ten aanzien van een feit aan de inspecteur opzettelijk onjuiste gegevens of inlichtingen verstrekt of deze juist onthoudt, dan is sprake van kwade trouw. Daarbij is wel vereist dat de belastingplichtige bij het doen van de aangifte weet dat zijn opgaaf van gegevens leidt tot een aanslag met een te laag bedrag. De inspecteur is degene die hierbij de bewijslast draagt. Hij meent aan deze bewijslast te voldoen, door op te merken dat de belastingplichtige uit een brief had moeten afleiden dat de waarde die bij de vastgoedtransactie werd gebruikt sowieso te hoog was. Dat ziet de inspecteur als voldoende reden voor de kwade trouw. Daarbij zou ook meetellen dat de aangifte die is ingediend, is ingediend met aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting wordt geheven.

Het gerechtshof is het hiermee oneens. De inspecteur heeft de kwade trouw niet voldoende aannemelijk gemaakt. De toetsing op kwade trouw moet plaatsvinden naar de gedragingen bij het indienen van de aangifte waarbij informatie is verstrekt. Bij het doen van de aangifte heeft deze belastingplichtige steeds uitstel aangevraagd wegens het lopende onderzoek en toen hij geen uitstel meer kreeg, heeft hij een begeleidende brief meegestuurd. Dat de belastingplichtige belastingheffing wil vermijden is een onjuiste conclusie van de inspecteur. Het tegenovergestelde is eerder waar. De inspecteur had met een extra handeling bekend kunnen zijn met de gehele inhoud van de begeleidende brief. Dit punt van de inspecteur wordt dus niet gevolgd en dat is onzes inziens niet meer dan terecht.

De vraag is dan hoe het gerechtshof aankijkt tegen het argument dat sprake is van een fout die de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is. Hierover oordeelde de Hoge Raad reeds dat het begrip ‘fout’ ruim bedoeld is. Het betreft iedere misslag die bij de Belastingdienst optreedt in de aanslagregeling, zoals schrijf-, reken-, overname- en intoetsfouten. Het kan echter ook fouten betreffen als gevolg van een geautomatiseerde verwerking van de aangifte. Aan het foutbegrip zit echter ook een grens. Het is niet de bedoeling dat beoordelingsfouten herstelbaar zijn. Beoordelingsfouten zijn fouten als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht bij de inspecteur. Navordering is dan niet mogelijk.

Het gerechtshof stelt vast dat de inspecteur veel informatie had. Vervolgens zijn intern een aantal meldingen verzonden / ontvangen. Deze meldingen zien er juist op dat aangiften door het geautomatiseerde systeem worden afgedaan. Nadat een medewerker de aangifte heeft geselecteerd, is gekozen voor een versnelde regeling. Nergens is actie ondernomen en de aangifte heeft geleid tot een aanslag. Er is sprake van een beoordelingsfout. De inspecteur die de uitgeworpen aangifte te zien kreeg, had moeten weten waarom de aangifte is uitgeworpen. De systemen waarin de informatie zich bevindt, zijn niet geraadpleegd. Raadpleging zou ertoe hebben geleid dat de inspecteur met alle informatie over het lopende onderzoek bekend was. Het niet raadplegen is aan te merken als een beoordelings- of inschattingsfout. Navordering is dan niet mogelijk. De navorderingsaanslag kan niet overeind blijven.

Fiscaal-jurist over beoordelingsfouten en navordering door Belastingdienst

Navordering is een middel dat in de praktijk veel wordt gebruikt. Soms terecht, maar soms ook onterecht. De inspecteur vindt over het algemeen al snel dat sprake is van een nieuw feit of kwade trouw, maar de rechtspraak is hier gelukkig terughoudender in. Dat geldt ook voor het argument dat sprake is geweest van een ‘kenbaar’ foutje. Indien u wordt geconfronteerd met een navorderingsaanslag, is het daarom raadzaam een specialist te raadplegen.

Wat deze zaak bijzonder maakt is dat er intern bij de Belastingdienst dingen niet goed zijn gegaan. Deze aangifte had eigenlijk niet afgedaan mogen worden zoals is geschied. Dit wordt echter niet toegegeven; de belastingplichtige moet immers tot aan het gerechtshof procederen om het gelijk te halen dat hij verdient. Het is nu te hopen dat geen cassatie wordt ingesteld tegen deze uitspraak van het hof, die onzes inziens terecht is. Waar gewerkt wordt, worden immers fouten gemaakt, ook beoordelingsfouten.

Neem gerust eens vrijblijvend contact op met één van onderstaande auteurs indien u met navordering wordt geconfronteerd.

Uitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2021:2006

Geen navordering bij beoordelingsfout Belastingdienst [news] 2021-07-15 0000-00-00 0000-00-00 7089

Geen schending gelijkheidsbeginsel artiest en actrice

Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 17 augustus 2021 in twee zaken uitspraak gedaan. In beide gevallen gaat het om de vraag of iemand wel of niet als ondernemer voor de inkomstenbelasting kwalificeert. Het betreft een artiest en een actrice. De argumenten zijn aan elkaar gelijk: het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden. Het gelijkheidsbeginsel vereist dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. In beide gevallen komt het gerechtshof tot het oordeel dat het gelijkheidsbeginsel niet geschonden is. In dit artikel een toelichting op de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak van het gerechtshof en een toelichting op het gelijkheidsbeginsel.

Rechtbank over ongelijke behandeling artiest en actrice

Het geschil ziet op de vraag of het gelijkheidsbeginsel is geschonden. In de rechtbankfase hebben de artiest en actrice zelfstandige procedures gevoerd, maar de overlap is qua inhoud zeer groot. Het komt in beide procedures neer op de vraag of bepaalde inkomsten wel of niet als winst uit onderneming kwalificeren. Het 'voordeel' aan winst uit onderneming is dat er ondernemersfaciliteiten van toepassing kunnen zijn en gemaakte kosten in aftrek kunnen worden gebracht. Het gevolg is vaak lagere belastingheffing.

Het argument is dat er sprake is van begunstigend beleid dat op de artiest en actrice niet is toegepast. Het beleid zou zijn, zo stellen zij, dat verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen worden toegekend zonder overeenkomsten in te willen zien. Dit beleid is niet gepubliceerd, maar zou blijken uit e-mails en 'ervaringen' uit eerdere jaren. Daarnaast zou in soortgelijke situaties wel zijn geaccepteerd dat de inkomsten als winst uit onderneming worden verantwoord. Dit is een beroep op de zogenaamde meerderheidsregel. Ter onderbouwing hiervan sturen de artiest en actrice 123 uitspraken op bezwaar in. Deze uitspraken zien op 58 andere belastingplichtigen en zij zijn tegemoetgekomen door de Belastingdienst. Volgens de artiest en actrice zijn zij met hen vergelijkbaar. De Belastingdienst is het hier (uiteraard) niet mee eens.

Toetsingskader bij schending gelijkheidsbeginsel

Het gebeurt regelmatig dat belastingplichtigen zich beroepen op schending van het gelijkheidsbeginsel. Deze vordering wordt echter niet vaak toegewezen. Een schending van het gelijkheidsbeginsel vereist dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Maar dat is op zichzelf nog niet voldoende. De ongelijke behandeling moet voortkomen uit begunstigend beleid of een oogmerk van begunstiging en er mag geen rechtvaardiging voor aanwezig zijn. Dat vraagt ook om nadere duiding van de termen 'begunstigend beleid' en 'oogmerk van begunstiging'. Van begunstigend beleid is sprake indien de Belastingdienst beleid zou hebben gevoerd dat bepaalde belastingplichtigen bevoordeelt en andere belastingplichtigen niet door de wet op onjuiste wijze toe te passen. Dit moet de bedoeling zijn geweest van de Belastingdienst. Van een oogmerk van begunstiging is sprake indien de Belastingdienst zich ervan bewust is – of zou moeten zijn – dat hij in andere gevallen wel begunstigend optreedt door de wet onjuist toe te passen. Tot slot de meerderheidsregel. Deze regel houdt in dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, indien gelijke gevallen deel uitmaken van een groep en de meerderheid van de groep begunstigend wordt behandeld.

Het is aan de belastingplichtige die zich op een schending van het gelijkheidsbeginsel beroept, om dit te bewijzen. Bewijzen betekent daarbij – in dit geval – niet dat iets buiten alle twijfel aangetoond moet worden. Het gaat er om dat de belastingplichtige de schending aannemelijk weet te maken. Vervolgens is het aan de Belastingdienst om dat gemotiveerd te betwisten. De belastingplichtige dient feiten en omstandigheden aan te dragen en aannemelijk te maken. Uit deze feiten en omstandigheden moet volgen dat in minstens twee gevallen die vergelijkbaar zijn, een juiste toepassing van de wet achterwege is gebleven. Daarna is het aan de Belastingdienst om aannemelijk te maken dat de relevante groep groter is en dat in de meerderheid van de gevallen de wet correct is toegepast. De discussie richt zich vaak op de vraag of überhaupt sprake is van gelijke gevallen.

Het bepalen of sprake is van gelijke gevallen is ingewikkelder dan op het eerste oog het geval lijkt te zijn. Situaties kunnen immers alleen vanuit een bepaald gezichtspunt gelijke situaties zijn. Een in de praktijk veelgemaakte 'fout' is, dat een compleet overzicht wordt opgesteld van alle mogelijke overeenkomsten en verschillen. Dat is onnodig en draagt niet bij aan de uitkomst van de procedure. Eerst moet duidelijk worden waar de gelijkheid in schuilt en daarna dienen de fiscaal-juridisch relevante verschillen te worden benoemd.

Gelijkheid doet zich voor indien situaties rechtens en feitelijk vergelijkbaar zijn. Rechtens vergelijkbaar is over het algemeen makkelijk vast te stellen. Daar doet zich namelijk de vraag voor of dezelfde wettelijke voorschriften op de belastingplichtigen van toepassing zijn. Uiteraard geldt ook hier: slechts de voorschriften toetsen die voor de specifieke situatie van belang zijn. Feitelijke vergelijkbaarheid is vaak iets complexer. Daar staat de vraag centraal of de belastingplichtigen in soortgelijke omstandigheden verkeren. Er moet dan worden gekeken naar de omstandigheden die voor de toepassing van het wettelijke voorschrift (of een beleidsregel) van belang zijn.

Oordeel rechtbank over schending gelijkheidsbeginsel

De rechtbank oordeelt dat de artiest en actrice niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. De e-mails van de Belastingdienst en de 'eerdere ervaringen' zijn daarvoor onvoldoende bewijs. Het is in het geheel onduidelijk of er sprake is geweest van bepaald beleid, laat staan begunstigend beleid. Ook het beroep op de meerderheidsregel slaagt niet. Hierover oordeelt de rechtbank als volgt. De ingediende stukken over de andere kunstenaars zijn te beperkt om de gelijkheid aan te nemen. Zo zijn geen contracten overlegd, zodat niet geoordeeld kan worden of de werkzaamheden onder dezelfde voorwaarden worden verricht. Dat de artiest en actrice vergelijkbaar zijn met andere kunstenaars, is als enkele stelling onvoldoende. Dat is te algemeen. De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden.

Oordeel gerechtshof over schending gelijkheidsbeginsel

Het Gerechtshof Amsterdam heeft de beide hogere beroepen op 17 augustus 2021 behandeld. Het hof merkt eerst op dat de rechtbank op de juiste wijze de stellingen van de belastingplichtigen heeft getoetst. Het hof gaat vervolgens zelf naar de zaak kijken. De eerste conclusie is dat het hof uit de stukken niet kan afleiden dat bij de andere kunstenaars de wet onjuist is toegepast op de wijze zoals de artiest en actrice menen dat het geval is. Aan de vraag of in de meerderheid van de gevallen de wet onjuist is toegepast, komt het hof dan niet eens toe.

Veronderstellenderwijs gaat het hof nog in op de situatie dat er wel sprake is van vergelijkbare gevallen. In dat geval volgt uit wat de artiest en actrice verder hebben aangeleverd, niet dat de Belastingdienst bewust van de wet is afgeweken of een oogmerk van begunstiging heeft gehad. Daarom kan het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel niet slagen. Het hof bevestigt daarom de uitspraken van de rechtbank.

Fiscaal procederen is maatwerk

Fiscaal procederen is een vak apart. Wij voeren bijna dagelijks fiscale procedures en merken dat het formele belastingrecht steeds belangrijker wordt. Formeel belastingrecht is het geheel aan regels dat ziet op het vaststellen en invorderen van belastingschulden. Denk bijvoorbeeld aan regels over het opleggen van een naheffingsaanslag, het opleggen van boeten en het gebruik van bevoegdheden door onder andere de Belastingdienst. Maar ook de verplichtingen die belastingplichtigen hebben tegenover de Belastingdienst zijn onderdeel van het formele belastingrecht. Zowel belastingplichtige als Belastingdienst lijken deze regels steeds verder te willen oprekken en daar ontstaat spanning.

De meeste fiscale procedures worden binnen ons kantoor door twee personen opgepakt. Eén die gespecialiseerd in 'de spelregels' (het formele belastingrecht) en één die gespecialiseerd is in de materiële kant van het geschil. Een voorbeeld ter verduidelijking. De Belastingdienst kan een navorderingsaanslag opleggen, omdat u ten onrechte een herinvesteringsreserve gevormd zou hebben. Ook wordt een boete opgelegd. Onze specialist formeel belastingrecht beoordeelt dan de rechtmatigheid van de navorderingsaanslag en de boete. Daarnaast is er een specialist van ons die zich bezighoudt met de vraag of u wel of niet een herinvesteringsreserve had mogen vormen. Dit maximaliseert uw proceskansen, zonder dat dit leidt tot extra kosten.

Uit voorgaande komt naar voren dat fiscaal procederen een vak apart is, net als winstbelasting en omzetbelasting. Win daarom bij een aanstaande procedure altijd advies in van een processpecialist. Wij ondersteunen particulieren, ondernemingen, maar ook accountantskantoren die zelf de procedures van hun klanten liever niet voeren. Op het gebied van de overdrachtsbelasting en btw adviseren wij regelmatig notariskantoren.

Vragen naar aanleiding van bovenstaande? Neem dan gerust rechtstreeks contact op met één van onderstaande auteurs.

Uitspraken:

Geen schending gelijkheidsbeginsel [news] 7207

Procederen tegen de Belastingdienst

Het innemen en intrekken van standpunten

Regelmatig worden wij ingeschakeld voor de begeleiding van een fiscale procedure. Dat kan al voordat er sprake is van een procedure, maar ook als de procedure al loopt en (nog) niet het gewenst resultaat oplevert.

Fiscaal procederen is vakwerk en maatwerk. Een belangrijk onderdeel is het innemen van de juiste standpunten. Dit artikel ziet daarop.

Het innemen van stellingen

Het fiscale procesrecht is redelijk informeel in vergelijking tot het overige bestuursrecht.

In elk stadium van de procedure kunnen nieuwe standpunten worden ingenomen, of dat nu in bezwaar, beroep of hoger beroep is. Pas in cassatie is die mogelijkheid beperkter.

In het fiscale procesrecht is het dus uitdrukkelijk niet zo dat alle standpunten in één keer en reeds vanaf de eerste fase (bezwaar) moeten worden ingenomen. Ook is het mogelijk dat een standpunt dat in bezwaar is afgewezen en in beroep niet aan de orde is gesteld, in hoger beroep weer aan de orde wordt gesteld.

Het intrekken van standpunten

In de praktijk komt het regelmatig voor dat in een procedure een groot aantal standpunten wordt ingenomen. Dan kan er aan de zijde van de Belastingdienst, maar ook aan de zijde van de rechter, de volgende gedachte ontstaan: Veel van die standpunten leiden tot niets, het zou efficiënt zijn en kosten besparen als die worden ingetrokken. Soms wordt daartoe ook nog de nodige druk uitgeoefend. Vaak worden dan (een aantal) standpunten ingetrokken.

Wat zijn de gevolgen van het intrekken van standpunten?

Over de gevolgen van het intrekken van een standpunt (grief) is de Hoge Raad duidelijk. Als hoofdregel heeft te gelden dat een ingetrokken grief niet wederom in dezelfde instantie of in hogere instantie als nieuw geschilpunt in de rechtsstrijd kan worden toegelaten.

Einde oefening zou je dus denken. Recent heeft de Hoge Raad dit enigszins genuanceerd. Wanneer de wederpartij (Belastingdienst) de rechter uitdrukkelijk en ondubbelzinnig te kennen geeft ermee in te stemmen dat de grief wordt toegelaten, kan de rechter die grief alsnog behandelen. Het (opnieuw ingenomen) standpunt mag dan niet zodanig zijn dat daarmee de goede procesorde geschaad wordt. Dus standpunten die een (zeer) omvangrijk onderzoek vragen worden sowieso niet toegestaan.

Een eenmaal ingetrokken standpunt kan dus alleen opnieuw aan de orde komen als de Belastingdienst daarmee instemt. Bijna onnodig op te merken dat het niet verstandig is afhankelijk te zijn van de Belastingdienst.

De geclaimde efficiency is een non-argument. De Belastingdienst en de rechter zijn zeer bekwaam in het afserveren (‘wegschrijven’) van onzin-standpunten. Het overtuigen tot intrekken kost doorgaans meer tijd.

Conclusie fiscaal jurist bij second opinion

Ondanks dat het fiscale procesrecht tamelijk informeel is, zijn er toch de nodige haken en ogen. Laat u dus altijd bijstaan door een specialist.

En voor het intrekken van eenmaal ingenomen standpunten: niet doen ...... nooit!

Bron

Hoge Raad 4 oktober 2013.

Procederen tegen de belastingdienst [news] 2013-11-14 0000-00-00 0000-00-00 4152

Waarom ondernemen in een bv?

Er kunnen vele redenen zijn om een bv op te richten. Een in de markt veelgehoorde reden is status: de dga kan zich directeur noemen en vanzelfsprekend is dit niet het argument dat het meeste hout snijdt. Hieronder gaan wij in op een aantal (doorgaans) belangrijkere redenen.

Aansprakelijkheid en risico

Door het drijven van een onderneming voor rekening en risico van een bv wordt de aansprakelijkheid in privé beperkt. De bv is namelijk zelf aansprakelijk voor haar schulden, niet de aandeelhouders of de directie. Een uitzondering hierop is bestuurdersaansprakelijkheid. Deze houdt in dat, naast de bv, in bepaalde gevallen ook de bestuurder aansprakelijk is. Criterium is dat de bestuurstaken onbehoorlijk zijn uitgevoerd.

Is dit alles niet aan de orde, dan loopt de aandeelhouder slechts financieel risico tot het bedrag van zijn investering in het aandelenkapitaal.

Dit moet overigens enigszins gerelativeerd worden. Indien een dga een onderneming start in de vorm van een bv, zullen financiers (zoals een bank) vaak extra zekerheid wensen van de dga in persoon, bijvoorbeeld door een borgstelling voor de schulden van de bv.

Fiscaal voordeel

De laatste jaren probeert de wetgever Nederland aantrekkelijker te maken voor ondernemingen in het MKB. Zo zijn de tarieven in de vennootschapsbelasting fors verlaagd ten opzichte van een aantal jaar geleden. Zo bedroeg het toptarief 15 jaar geleden bijvoorbeeld nog 34,5% en bedraagt het vennootschapsbelastingtarief voor 2021 15% tot een bedrag van € 245.000 en 25% voor alles daarboven. Daarentegen bedraagt het maximale tarief in de inkomstenbelasting nu 49,50%. Door de MKB-winstvrijstelling van 14% daalt het effectieve tarief nog wel. De gecombineerde heffing (vennootschapsbelasting en aanmerkelijkbelangheffing) op uitgekeerde winsten uit een bv in 2021 bedraagt tussen de 37,8% en 45%. Het voordeel wordt zelfs groter indien de behaalde winst niet wordt uitgekeerd. Bij de bv kan minimaal 75% en maximaal 85% van de winst worden geherinvesteerd in de onderneming; in een IB-onderneming is dit dus aanzienlijk lager, hetgeen een liquiditeitsvoordeel oplevert dat kan worden benut voor het doen van investeringen.

De uitkering van een gebruikelijk loon aan de dga kan het voordeel ten opzichte van de IB-onderneming beperken. Het salaris is voor de dga immers belast in de inkomstenbelasting tegen maximaal 49,50%. Bovendien zal vooral bij lagere winsten de IB-onderneming aantrekkelijker zijn door de MKB-winstvrijstelling en enkele aftrekposten (ondernemersfaciliteiten) die uitsluitend openstaan voor IB-ondernemers. Een vuistregel die wij in de praktijk hanteren is om vanuit fiscaal oogpunt ingegeven eens te gaan kijken naar de bv bij een winst van om en nabij de € 125.000 tot € 150.000.

Vergemakkelijken bedrijfsoverdracht

Wanneer een onderneming in de vorm van bijvoorbeeld een eenmanszaak wordt overgedragen, worden in feite alle activa en passiva overgedragen. Bij de overdracht van een onderneming in de vorm van een bv is dat anders. De aandeelhouders zijn namelijk geen eigenaar van de activa en passiva; de bv is eigenaar van de activa en passiva. Door de aandelen van de bv over te dragen, wordt op eenvoudige wijze een onderneming overgedragen. Bovendien voorziet de wetgeving in een aantal fiscaalvriendelijke mogelijkheden voor de overdracht van aandelen.

Continuïteit

Als de dga overlijdt, behoeven – in tegenstelling tot bijvoorbeeld bij de eenmanszaak – de activa en passiva niet onder de erfgenamen te worden verdeeld. De erfgenamen krijgen aandelen of certificaten van aandelen die ze eventueel kunnen verkopen. De bv en dus de onderneming blijft gewoon bestaan.

Overzicht

Bij een persoonlijke onderneming lopen zakelijke aangelegenheden en privéaangelegenheden vaak door elkaar, met name ook financieel. Bij een bv is dat meer gescheiden, omdat de bv een rechtspersoon is. Zakelijk (de rekening van de bv) en privé (de rekeningen van de dga) zijn daarmee gescheiden. Dat maakt het ondernemen met een bv overzichtelijker.

Tot besluit

Wenst u te gaan ondernemen in een bv of heeft u naar aanleiding van dit artikel nog andere vragen voor onze adviseurs? Aarzel dan niet om contact op te nemen via onderstaande contactgegevens. Wij helpen u graag verder!

Waarom ondernemen in een bv? [news] 7211

De bv wordt fiscaal steeds voordeliger

Waar het omslagpunt voor de fiscaal ingegeven keuze tussen ondernemen in een eenmanszaak of een bv voorheen rond de € 150.000 aan resultaat lag, ligt deze in 2021 al op € 105.000. De komende jaren zal dit omslagpunt zelfs nog lager komen te liggen. Reden genoeg om eens kritisch naar uw structuur te kijken en wellicht nog dit jaar in ieder geval de intentie tot omzetting kenbaar te maken bij de Belastingdienst.

Tariefsaanpassing box 1

Wat is nou de reden dat dit omslagpunt door de jaren heen steeds lager komt te liggen? Dat is gelegen in het feit dat:

  • Er een afbouw plaatsvindt van de zelfstandigenaftrek;
  • Er een afbouw plaatsvindt van het maximale tarief waartegen de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling in aftrek gebracht kan worden (2021: 43%, 2022: 40%, 2023: 37,05%).

Intentieverklaring

Door vóór 1 oktober 2021 in ieder geval de intentie tot mogelijk omzetten van de eenmanszaak naar de bv bij de Belastingdienst te registreren, behoudt u de mogelijkheid om uw onderneming tot en met 31 maart 2022 daadwerkelijk om te zetten naar een bv-structuur. Door een intentieverklaring te registreren wordt u niks verplicht, uw houdt echter wel de mogelijkheid open om met terugwerkende kracht tot 1 januari 2021 uw winst in de bv te laten belasten.

Tot besluit

Denkt u na over de omzetting van uw onderneming naar een bv-structuur, neem dan gerust eens vrijblijvend contact op met onderstaande adviseurs. Zij helpen u graag bij het maken van de juiste keuze.

De bv wordt steeds voordeliger [news] 7212

Terugwerkende kracht geruisloze inbreng

Ook in tijden van economische crisis zijn er ondernemers die goede bedrijfsresultaten weten te behalen. Of u ontdekt nu dat u vanwege de crisis juist risico's in privé loopt, die u liever wenst te beperken. U kunt er dan over nadenken om uw eenmanszaak, firma of maatschap in te brengen in de B.V. Dat kan met terugwerkende kracht naar 1 januari, onder gebruikmaking van de faciliteit van de geruisloze inbreng.

Wijziging 2014

Met ingang van 2014 moet u de voorovereenkomst aangetekend naar de Belastingdienst versturen. Registreren bij de Belastingdienst is niet meer mogelijk. Vorenstaande komt door de Wet Elektronische Registratie notariële akten. U moet de voorovereenkomst via een aangetekende brief versturen naar:

  • Belastingdienst Heerlen, Postbus 13, 6400 AA Heerlen

Twee methoden van inbreng

  1. De ruisende inbreng. U begint in de B.V. als het ware helemaal opnieuw. U staakt de onderneming en verkoopt deze aan de door u opgerichte B.V. De stakingswinst (goodwill, stille en fiscale reserves) is belast met inkomstenbelasting, maar deze kan eventueel worden uitgesteld door het bedingen van een stakingswinstlijfrente bij uw B.V. U moet dit regelen door vóór 1 april van enig jaar een intentieverklaring of voorovereenkomst te laten registreren. De eerste datum dat u dit weer kunt doen is, bij een boekjaar als kalenderjaar, per 1 januari 2013.
  2. Bij een geruisloze inbreng kunt u echter nog gebruikmaken van terugwerkende kracht naar 1 januari 2013. U moet dan uw intentieverklaring of voorovereenkomst uiterlijk binnen negen maanden na het overgangstijdstip hebben laten registreren. In dit geval gaat de B.V. met dezelfde balans (boekwaarden) verder als waarmee uw onderneming is gestaakt. Uw onderneming wordt bij fictie geacht niet te zijn gestaakt. Er wordt een aantal (standaard) voorwaarden gesteld.

Daarnaast kunt u op elk tussentijds gewenst moment de onderneming inbrengen, maar dan krijgt u te maken met een gebroken boekjaar en dat brengt extra kosten met zich mee. Het verdient de voorkeur om voor een overgangsmoment bij aanvang boekjaar te kiezen.

Wij zijn u graag behulpzaam met al deze afwegingen en bij het opstellen en registreren van de benodigde stukken.

Tip: laat een intentieverklaring registreren vóór 30 september als u de onderneming in een B.V. wilt inbrengen, of als u dat overweegt.

Terugwerkende kracht geruisloze inbreng in de BV: voor 1 oktober aktie ondernemen! [news] 2011-09-20 2011-09-20 2011-09-30 3363

Bitcoin in box 1

Er zijn verschillende soorten inkomsten, bij bitcoins kan sprake zijn van box 1 (arbeid / winst) of box 3 (vermogen) inkomsten. Deze discussie speelt veelal bij de verhuur van panden en minder vaak bij beleggen in aandelen en / of bitcoins. Bitcoins worden meestal belast in box 3, maar bij hoge winsten zal de Belastingdienst proberen te stellen dat sprake is van box 1 inkomsten.

Nieuws : gegevensuitwisseling Bitcoin in EU 

Binnenkort vallen crypto valuta onder de Europese uitwisseling van fiscale gegevens. Onder de zogenaamde DAC wetgeving (we zijn al bij DAC 7) worden binnen de EU gegevens tussen landen uitgewisseld. Zo wordt er al informatie uitgewisseld over bankrekeningen, inkomen, pensioenen, onroerende zaken, anti witwas info, advisering bij constructies, etc. Recent is DAC 7 ingevoerd, onder deze wetgeving wordt geregeld dat digitale platformen verplicht worden fiscale informatie over hun gebruikers te verstrekken aan de Belastingdienst (en dat deze informatie wordt uitgewisseld met andere EU lidstaten). Crypoto valuta vallen nog niet onder de gegevensuitwisseling, dit zal gebeuren in DAC 8. Vorenstaande staat in een kamerbrief d.d. 18 februari 2021.

Bitcoin belast als inkomen

Als een natuurlijk persoon zich bezig gaat houden met het beleggen in bitcoins kan sprake zijn van winst uit onderneming (of resultaat uit overige werkzaamheden). Een harde lijn is er niet en het blijft een grijs gebied waarbij de feiten de doorslag moeten geven. De kern van de discussie is: "wat doet u zelf ?" Bij een box 1 belegging is de winst belast en zijn het verlies en de kosten aftrekbaar. De signalen voor een box 1 belegging in bitcoins zijn:

  • veel eigen werk, onderzoek, etc.;
  • snelle winst;
  • voorkennis;
  • veel mutaties / arbeidsinzet door uzelf;
  • is er een organisatie / bedrijf / internetsite.

Als er sprake is van daytrading of het structureel handelen in bitcoins, kan er sprake zijn van box 1 inkomen. Maar ook daytrading kan gezien worden als normaal vermogensbeheer. Een rechter overweegt hierbij als volgt:

  • Het handelen in opties moet een meer dan speculatief karakter hebben met als doel het behalen van voordeel. Hierbij moet de de bitcoinhandelaar deskundigheid, ervaring en relaties hebben binnen deze wereld. Tevens moet hij het koersverloop via de deskundigheid en ervaringen kunnen beïnvloeden.

Bitcoin niet in aangifte opgenomen

Als u de bitcoin niet in uw aangifte hebt opgenomen, dan heeft u onjuist aangifte gedaan. Het vermogen of inkomen wordt dan als zwart inkomen / vermogen gezien. Dit kan een misdrijf opleveren. U kunt het vermogen alsnog opgeven door dit in uw aangifte te vermelden en voor oudere jaren alsnog met de Belastingdienst in overleg te treden (inkeren). Sinds 1 januari 2018 is de formele route om in te keren afgeschaft, deskundige begeleiding is verstandig.

Vragen over bitcoins

Heeft u vragen of opmerkingen over bitcoins, dan kunt u hierover één van onze deskundige fiscaal juristen vragen. Maak gerust een vrijblijvende afspraak.

Bitcoin in box 1 [news] 5244

Bitcoin en BTW

Moet u BTW betalen over de inkoop / verkoop van bitcoins (en / of andere crypto valuta)?

Omzetbelasting en bitcoin

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bepaald dat over de verkoop van bitcoins geen BTW is verschuldigd. De bitcoin wordt niet gezien als geld, maar heeft wel eenzelfde functie, een bijzondere status voor de BTW derhalve.

Vragen over bitcoin en belastingen

Heeft u vragen over de fiscale behandeling van bitcoins? Bel gerust vrijblijvend met één van onze adviseurs.

Bron Bitcoin en BTW

Hof van Justitie d.d. 22 oktober 2015.

Bitcoin en BTW [news] 5243

Bitcoin en belastingen

De Belastingdienst ziet bitcoins als "bezittingen". Een bitcoin moet u dan ook opgeven in box 3. Voor de aangifte inkomstenbelasting over 2020 geeft u dus de waarde op per 1 januari 2020. De vraag is wel hoe de Belastingdienst gaat beoordelen / zien of je ook bitcoins hebt en hoeveel.

De aangifte vraagt echter sinds kort om "virtuele betaalmiddelen". Als u hier niets zou invullen, is dit het opzettelijk onjuist doen van aangifte, dit met alle gevolgen van dien.

Bitcoin in box 3

Volgens de Belastingdienst moet u virtuele betaalmiddelen opnemen in box 3. Dit per de waarde aan het begin van het belastingjaar, derhalve op 1 januari.

Crypto munt en belastingen [news] 5242

Fiscale aspecten cryptovaluta

Er wordt veel geschreven over de fiscale aspecten van bitcoins, of beter: cryptovaluta. Op de internetsite van de Belastingdienst staat dat deze worden belast in box 3. Recentelijk heeft de Staatssecretaris van Financiën vragen uit de Eerste Kamer beantwoord. Ook hij (de heer Snel) concludeert dat er normaliter sprake is van box 3 vermogen.

Belastingen en cryptocurrency box 3

Als u in Nederland woont of in Nederland vermogen heeft, moet u uw vermogen opgeven aan de Belastingdienst. Het gaat hierbij om het vermogen per begin van het jaar (1 januari). De Belastingdienst ziet bitcoins, cryptovaluta, ethers en andere digitale geldmiddelen als "overige bezittingen in box 3". Als dit vermogen meer is dan € 25.000, dan moet u hierover vermogensbelasting / box 3 belastingen betalen.

  • Tot € 75.000: 0,86%;
  • Van € 75.001 - € 975.000: 1,38%;
  • Vanaf € 975.001: 1,61%.

Voor de waarde van de cryptomunt moet volgens de Staatssecretaris worden aangesloten bij de waarde (geldende koers) op peildatum (1 januari van het belastingjaar, dus 1 januari 2017 voor de aangifte over 2017). U moet hiertoe kijken op het door u gebriukte omwisselplatform.

Belastingen en cryptocurrency box 1

Bij het handelen in cryptovaluta of het minen door een natuurlijke persoon is er volgens de Staatssecretaris van Financiën niet snel sprake van een bron van inkomen (box 1). Aan de hand van feiten en omstandigheden kan de Belastingdienst echter anders oordelen. De overwegingen hierbij zijn:

  1. Er moet arbeid worden verricht;
  2. Het voordeel moet worden beoogd (subjectief element);
  3. Het voordeel moet redelijkerwijs te verwachten zijn (objectief element);
  4. De omvang van de investeringen (computers etc.).

Er zijn op dit moment veel mensen bezig met het voordeel proberen te behalen met de handel in cryptovaluta. Mede doordat er een beperkt aantal cryptomunten per dag kunnen worden gemined / verhandeld, is het al snel de vraag of er een voordeel kan worden verwacht.

Wat zeggen fiscale rechters over bitcoins

Er zijn nog geen procedures bekend over bitcoins en belastingen. Echter wel over speculatieve transacties en het inkomen dat hiermee wordt verdiend. In jurisprudentie is al uitgemaakt dat geen sprake is van box 1 inkomen als het een speculatieve transactie betreft en het eindresultaat niet te beïnvloeden is door arbeid. Als er echter structureel positieve resultaten worden behaald die kunnen worden verklaard door arbeid van de persoon, is wellicht wel sprake van een bron van inkomen.

Loon via cryptovaluta

Loon dat door een werkgever wordt uitbetaald via cryptovaluta wordt gezien als loon in natura. Dit soort salaris / loon moet worden omgerekend in euro's op het moment dat het loon / de cryptomunt wordt genoten.

Bron fiscale aspecten crypto valuta

Beantwoording vragen fiscale aspecten cryptovaluta.

Fiscale aspecten crypto valuta [news] 5362

Bitcoins in de eenmanszaak

Fiscale aspecten cryptovaluta in een eenmanszaak of VOF

Er wordt veel geschreven over de fiscale aspecten van bitcoins, of beter: cryptovaluta. Op de internetsite van de Belastingdienst staat dat deze worden belast in box 3. Recentelijk heeft de Staatssecretaris van Financiën vragen uit de Eerste Kamer beantwoord. Ook hij (de heer Snel) concludeert dat er normaliter sprake is van box 3 vermogen. Wat nu als u binnen uw eenmanszaak of VOF bitcoins of crypto muntenkoopt?

Cryptocurrency in eenmanszaak of VOF

Bij de aankoop van cryptovaluta door een natuurlijk persoon die kwalificeert als IB-ondernemer speelt het leerstuk van de vermogensetikettering. Als sprake is van duurzaam overtollige liquide middelen waarmee de cryptovaluta worden aangeschaft, worden zij tot de rendementsgrondslag van box 3 gerekend.

Als de aankoop van de cryptovaluta met ondernemingsvermogen niet plaatsvindt binnen de normale ondernemingsuitoefening en er geen sprake is van het beleggen van tijdelijke overtollige middelen op een zodanige wijze dat zij weer tijdig binnen de onderneming beschikbaar kunnen zijn, is sprake van verplicht privévermogen (box 3).

Heffing in box 3 over cryptocurrency

Als u in Nederland woont of in Nederland vermogen heeft, moet u uw vermogen opgeven aan de Belastingdienst. Het gaat hierbij om het vermogen per begin van het jaar (1 januari). De Belastingdienst ziet bitcoins, cryptovaluta, ethers en andere digitale geldmiddelen als "overige bezittingen in box 3". Als dit vermogen meer is dan € 30.846 (2020), dan moet u hierover in box 3 belasting betalen.

  • Van € 30.846 - € 103.643: 0,59%;
  • Van € 103.643 - € 1.036.418: 1,26%;
  • Vanaf € 1.036.418: 1,58%.

Voor de waarde van de cryptomunt moet volgens de Staatssecretaris worden aangesloten bij de waarde (geldende koers) op peildatum (1 januari van het belastingjaar, dus 1 januari 2020 voor de aangifte over 2020 moet hiertoe kijken op het door u gebruikte omwisselplatform.

Wat zeggen fiscale rechters over bitcoins

Er zijn nog geen procedures bekend over bitcoins en belastingen. Echter wel over speculatieve transacties en het inkomen dat hiermee wordt verdiend. In jurisprudentie is al uitgemaakt dat geen sprake is van box 1 inkomen als het een speculatieve transactie betreft en het eindresultaat niet te beïnvloeden is door arbeid. Als er echter structureel positieve resultaten worden behaald die kunnen worden verklaard door arbeid van de persoon, is wellicht wel sprake van een bron van inkomen.

Bron fiscale aspecten crypto valuta

Beantwoording vragen fiscale aspecten cryptovaluta.

Bitcoins in de eenmanszaak [news] 5363

Bitcoins in de B.V.

Fiscale aspecten cryptovaluta in een B.V.

Er wordt veel geschreven over de fiscale aspecten van bitcoins, of beter: cryptovaluta. Op de internetsite van de Belastingdienst staat dat deze worden belast in box 3. Eind 2018 heeft de Staatssecretaris van Financiën vragen uit de Eerste Kamer beantwoord. Hij concludeert dat er normaliter sprake is van box 3 vermogen. Wat nu als u binnen uw B.V. cryptovaluta koopt?

Nieuws : gegevensuitwisseling Bitcoin in EU 

Binnenkort vallen crypto valuta onder de Europese uitwisseling van fiscale gegevens. Onder de zogenaamde DAC wetgeving worden binnen de EU gegevens tussen landen uitgewisseld. Zo wordt er al informatie uitgewisseld over bankrekeningen, inkomen, pensioenen, onroerende zaken, anti witwas info, advisering bij constructies, etc. Recent is DAC 7 ingevoerd, onder deze wetgeving wordt geregeld dat digitale platformen verplicht worden fiscale informatie over hun gebruikers te verstrekken aan de Belastingdienst (en dat deze informatie wordt uitgewisseld met andere EU lidstaten). Crypto valuta vallen nog niet onder de gegevensuitwisseling, dit zal gebeuren in de reeds aangekondigde DAC 8. Vorenstaande staat in een kamerbrief d.d. 18 februari 2021.

Cryptocurrency in uw B.V.

Op grond van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 drijft een rechtspersoon (B.V. / N.V.) een onderneming met zijn gehele vermogen. Anders dan bij een IB-ondernemer speelt bij een B.V. / N.V. het leerstuk van de vermogensetikettering geen rol. Dit betekent dat het minen en de aankoop (al dan niet gevolgd door verkoop) van cryptovaluta zich in de winstsfeer afspelen. De resultaten daarvan moeten volgens goed koopmansgebruik in aanmerking worden genomen. Het kan wel weer zo zijn dat de Belastingdienst gaat stellen dat verliezen niet aftrekbaar zijn omdat een weldenkende ondernemer niet zou beslissen om dergelijke valuta te kopen.

Wat zeggen fiscale rechters over bitcoins

Er zijn nog geen procedures bekend over bitcoins en belastingen, echter wel over speculatieve transacties en het inkomen dat hiermee wordt verdiend. In jurisprudentie is al uitgemaakt dat geen sprake is van box 1 inkomen als het een speculatieve transactie betreft en het eindresultaat niet te beïnvloeden is door arbeid. Als er echter structureel positieve resultaten worden behaald die kunnen worden verklaard door arbeid van de persoon, is wellicht wel sprake van een bron van inkomen.

Er komt binnenkort een nadere toelichting over de fiscale aspecten rondom de cryptocurrency.

Bron fiscale aspecten crypto valuta

Beantwoording vragen fiscale aspecten cryptovaluta.

Bitcoins en BV [news] 5364

Vragenbrief cryptomunt of bitcoin

Wij adviseren sinds enkele jaren belastingplichtigen met zogenaamde cryptomunten. Zodra een cryptomunt in een aangifte inkomstenbelasting wordt gemeld, leert de praktijk dat de aangifte in een andere bak terecht komt en er vrijwel altijd vragen worden gesteld. Soms worden wij zelfs penvrienden van de Belastingdienst en volgen er diverse - soms onnodige - vragen en vele brieven. In dit artikel een weergave van uw rechten. Zonder voor eigen parochie te praten, schakel een deskundige in en laat de Inspecteur altijd vragen schriftelijk stellen, niet per telefoon!

Nieuws : gegevensuitwisseling Bitcoin in EU 

Binnenkort vallen crypto valuta onder de Europese uitwisseling van fiscale gegevens. Onder de zogenaamde DAC wetgeving worden binnen de EU gegevens tussen landen uitgewisseld. Zo wordt er al informatie uitgewisseld over bankrekeningen, inkomen, pensioenen, onroerende zaken, anti witwas info, advisering bij constructies, etc. Recent is DAC 7 ingevoerd, onder deze wetgeving wordt geregeld dat digitale platformen verplicht worden fiscale informatie over hun gebruikers te verstrekken aan de Belastingdienst (en dat deze informatie wordt uitgewisseld met andere EU lidstaten). Crypto valuta vallen nog niet onder de gegevensuitwisseling, dit zal gebeuren in de reeds aangekondigde DAC 8. Vorenstaande staat in een kamerbrief d.d. 18 februari 2021.

Vragenbrief over crypto's door de Belastingdienst

De Belastingdienst denkt nog te snel dat bij cryptomunten (of litecoin, etherium, etc.) er iets niet klopt. Dan gaan er blijkbaar computersystemen aan het werk binnen het systeem van de Belastingdienst. De belastingplichtige hoeft niet alle vragen te beantwoorden. De vragen moeten namelijk betrekking hebben op de belastingheffing en moeten feitelijk zijn. In de basis moet de belastingplichtige alle voor de belastingheffing relevante vragen beantwoorden. Dit moet netjes, stellig en zonder voorbehoud. De onderliggende informatie moet worden meegestuurd. Doet de Belastingplichtige hier niet aan mee, dan kan de bewijslast worden omgekeerd of kan een zogenaamde informatiebeschikking worden uitgereikt. Het kan zelfs strafbaar zijn om gevraagde informatie niet te verstrekken. Meestal wordt door de blauwe enveloppe of de dreiging met allerlei rechtsmaatregelen teveel informatie verstrekt door de belastingplichtige.

Welke informatie moet u over cryptomunten verstrekken

De Belastingdienst / Inspecteur mag alle vragen stellen die in hem opkomen. Intern liggen er ook een memo en voorbeeldbrieven welke vragen er worden gesteld. De Inspecteur moet zich echter wel beperken tot fiscaal relevante en feitelijke informatie. Of u bijvoorbeeld de cryptomunt ziet als box 1 of box 3 vermogen is niet relevant. Ook informatie van derden of betrokken personen mogen in principe niet bij u worden opgevraagd. Soms is het niet meer mogelijk om nog bij uw cryptomunt of domein te komen als u deze heeft verkocht. Transacties en mutaties zijn dan niet meer op te vragen. Als u niet meer over de informatie kunt beschikken, is dit - als uitgangspunt - niet direct uw probleem. Soms kan de Inspecteur deze informatie heel eenvoudig zelf opvragen. Tevens moet u dingen in de tand van de tijd plaatsen, in 2014 was er nog niet zoveel te doen over de cryptomunt en wist niemand dat hij of zij deze moest melden in een aangifte inkomstenbelasting. Als particulier bent u geen boekhouder of ondernemer en heeft u in principe ook geen administratieplicht. Een normale inspanning mag van een belastingplichtige worden verwacht, maar het moet niet te ver gaan, een onevenredige inspanning of een oneerlijke inspanning kan niet worden gevraagd.

Noot fiscaal jurist over cryptomunten

Vragen moet u beantwoorden en meestal loopt het met een sisser af. Het onmogelijke kan echter niet van u worden gevraagd en het moet wel binnen redelijke grenzen blijven. Meestal is er niet veel informatie meer beschikbaar als de cryptomunt is verkocht. Dit lijkt ook minder relevant omdat de meeste cryptomunten slecht belastbaar zijn in box 3.

Vragenbrief cryptomunt of bitcoin [news] 5639

Cryptovaluta in de jaarrekening

Bitcoin en accountant

De opkomst van cryptovaluta en bitcoins biedt ook volop kansen voor accountants. Na het papieren-geld-tijdperk kwamen de pinpas en de digitale financiële wereld. Dit is in een stroomversnelling gekomen door ondermeer Apple Pay en cryptovaluta. Het beheer en de vastlegging hiervan kunnen veel ruimte bieden voor accountants.

Bitcoin en de rol van de accountant

Naast de stijging van de block chain technologie zien wij als Jongbloed Accountants ook steeds meer betalingsverkeer via bitcoins en andere crypto's. Het vertrouwen in deze valuta is wisselend en is hiermee volop in beweging. De cryptovaluta gaan een grote rol spelen in de ontwikkeling van onze economie en de financiële wereld. Het procesmatig bijhouden van de cryptotransacties wordt alleen maar groter en complexer. De vraag naar nieuwe innovaties in accountancy-land zal moeten volgen, de reguliere boekhouding en de cryptoboekhouding moeten naast elkaar (en eigenlijk gezamenlijk) worden opgezet.

Accountancyregels aangaande crypto's

In Europa wil men eenduidige accountancyregels aangaande cryptovaluta. De Europese banken willen dat er onderlinge afspraken worden gemaakt over de regulering van de cryptohandel, lees hiertoe deze notitie. De AFM heeft in 2018 reeds een adviesrapport geschreven over het vergunningenstelsel bij crypto's. Ook omtrent de belastingheffing over crypto's is er veel beweging te zien.

Crypto in een bv

Als cryptovaluta worden ondergebracht in een bv of andere rechtspersoon, is de belastingheffing redelijk eenvoudig. Er moet vennootschapsbelasting worden betaald als de winst is behaald, dus bij een daadwerkelijke verkoop. Verlies mag worden genomen als de cryptovaluta in waarde zouden dalen (onder de kostprijs). Dit is feitelijk gelijk aan de behandeling van normale effecten, waardering per balansdatum op kostprijs of lagere marktwaarde.

Crypto in de jaarrekening

De Raad voor de jaarverslaggeving heeft in 2018 over dit onderwerp een rapport geschreven (hier te raadplegen). Het betreft nog een "soort van advies", maar geeft in ieder geval enige richting binnen accountancy-land. De algemene gedachtenlijn op dit moment is dat crypto's geen liquide middelen of financiële instrumenten zijn, maar moeten worden gezien als immateriële vaste activa / andere beleggingen. Dergelijke activa moeten worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs en onder voorwaarden tegen lagere of hogere actuele waarde. De waardeveranderingen komen dan ten bate of laste van de winsten / verliezen (en dus het eigen vermogen) van de vennootschap. Dat het niet eenvoudig is volgt uit een artikel in het FD. Het zal nog wel even duren voordat er volledige duidelijkheid komt omtrent het opnemen van crypto's in de jaarrekening.

Bitcoin in jaarrekening [news] 7030

Crypto inkeren of melden bij de Belastingdienst

Boete crypto kan oplopen tot 300%

Steeds meer Nederlanders bezitten cryptovaluta, zoals de Bitcoin. Wij staan in de praktijk vaak belastingplichtigen bij die de belastingheffing bij deze cryptovaluta over het hoofd hebben gezien. In de loop van 2021 komt er nieuwe wetgeving binnen de Europese Unie, waardoor de bezitter van bitcoins of andere cryptomunten bekend worden bij de Belastingdienst. Crypto moet in de meeste gevallen in box 3 (waarde per 1 januari) worden aangegeven, soms zelfs in box 1.

Hebt u crypto's? Wij zien dat veel mensen deze (nog) niet melden bij de Belastingdienst, soms bewust, soms onbewust. Er is op dit moment Europese regelgeving op komst die het verbergen van cryptomunten voor de Belastingdienst complexer maakt.

Nieuwe Europese wetgeving inzake crypto en melding Belastingdienst

De Europese Unie is met een richtlijn bezig  waardoor lidstaten van de EU eenvoudiger spontaan informatie kunnen en moeten uitwisselen over de bezitter / eigenaar van cryptomunten. Het voorstel staat voor 2021 op de agenda. Nadat de wetgeving binnen de EU is aangenomen, moet deze worden opgenomen in de Nederlandse wetgeving, dit zal nog wel even duren. Binnen de nieuwe wetgeving worden cryptobedrijven gedwongen om persoonlijke gegevens van zenders en ontvangers op te slaan en uiteindelijk aan de EU of het woonland te verstrekken. Het is zelfs denkbaar dat anonieme cryptowallets worden verboden.

In dit artikel leggen wij de gevolgen uit als u crypto niet in uw aangifte hebt aangegeven en bijvoorbeeld wordt betrapt. 

Cryptovaluta en Belastingdienst

Cryptovaluta vertegenwoordigen een waarde. Deze waarde varieert sterk. De waarde die voor uw heffing relevant is, is afhankelijk van de wijze waarop u de cryptovaluta aanhoudt. Bezit van crypto hoort in de basis thuis in box 3. Bent u een actieve particulier (bijvoorbeeld door minen of veel handel), dan kan sprake zijn van heffing in box 1. De kosten zijn dan ook aftrekbaar.

Het kopen van crypto is zelden zichtbaar voor de Belastingdienst. Als de crypto (met forse winst) wordt verkocht, is er echter wel een vermogensstijging zichtbaar, deze kan de Belastingdienst via een vermogensvergelijking wel zien. De Belastingdienst zal dan vragen stellen over de door u ingediende aangifte Inkomstenbelasting.

De Belastingdienst kan dan tot 5 jaar terug een navorderingsaanslag opleggen, als de crypto via het buitenland is aangehouden, kan dit ook 12 jaar zijn. Wij denken dat de Belastingdienst gaat stellen dat crypto kwalificeert als buitenlands vermogen (dus 12 jaar navorderingstermijn).

Tevens zal de Belastingdienst een boete opleggen. Omdat de crypto veelal bewust niet is opgenomen, zal de basisstelling zijn dat sprake is van opzettelijk niet aangeven van vermogen. De boete bedraagt dan tenminste 100% van de opgelegde aanslag. Er kan ook een verhoogde boete van 300% worden opgelegd, deze wordt meestal verminderd tot 150%.

Advies inzake crypto bij onderzoek Belastingdienst

De Belastingdienst zal u een vragenformulier sturen. U bent verplicht de fiscaal relevante vragen te beantwoorden, andere vragen dus niet. Als u niet zou antwoorden of dit weigert, zal de Belastingdienst een zogenaamde informatiebeschikking afgeven. Gevolg hiervan is dat u aanloopt tegen een omkering en verzwaring van de bewijslast. Al uw stellingen moet u in dit traject overtuigend aantonen, dit gaat verder dan de normale toets (aannemelijk maken).

Het is verstandig om een specialist in te schakelen als de Belastingdienst u op het spoor komt. Wij hebben ruime ervaring met dit soort trajecten en adviseerden ook honderden cliënten bij het vooraf melden van nog onbekend vermogen (inkeerregeling).

"Ik heb crypto niet in mijn aangifte staan, wat nu?"

Mede door de aangekondigde EU-wetgeving zal de Belastingdienst binnen enkele jaren veel informatie ontvangen over cryptobeleggingen. Als dit nog niet bekend is in uw aangifte, dan loopt u een fors financieel risico (boetes kunnen oplopen tot 300%). U kunt vrijwillig een opgave doen aan de Belastingdienst inzake de verzwegen cryptobeleggingen. Als u dit binnen 2 jaar doet, dan wordt er veelal geen vergrijpboete opgelegd. Voor cryptobeleggingen gelden er echter wel uitzonderingen, in voorkomende gevallen wordt er wel een vergrijpboete opgelegd, maar deze is dan lager dan de genoemde 150%.

Als de Belastingdienst u al op het spoor is, dan is vrijwillige verbetering niet meer mogelijk. Inkeren is dan immers niet meer vrijwillig.

Op korte termijn is het voor de Belastingdienst een stuk eenvoudiger om cryptomunten in het vizier te krijgen.

Advies inzake inkeren bij cryptobeleggingen

Wij hebben in de loop der jaren veel inkeertrajecten begeleid. Dat waren eerst vooral zaken met betrekking tot buitenlandse bankrekeningen, maar steeds vaker gaat het om (aanzienlijke) cryptoportefeuilles. De belastingplichtige die vrijwillig wil verbeteren en alsnog juiste aangiften uit zichzelf doet, kan er vaak met een goede deal vanaf komen. Wij helpen u graag om die deal te bereiken. Neem gerust eens contact op met één van de auteurs van dit artikel. Een eerste gesprek is altijd vrijblijvend.

Bron crypto en inkeerregeling

Vragen en antwoorden EU inzake crypto

Richtlijn EU inzake crypto 20 juli 2021

Voorgestelde EU wetgeving inzake crypto



EU wetgeving voor crypto [news] 7208

De bv in oprichting: de voorperiode

Bij de omzetting van een onderneming naar een bv kan het zijn dat er een bepaalde terugwerkende kracht van toepassing is. De periode tussen het overgangstijdstip voor fiscale begrippen en de feitelijke oprichting van de bv wordt voorperiode genoemd. Je komt dan eigenlijk tijdelijk in een fiscaal niemandsland terecht, maar hoe wordt dan omgegaan met verschillende facetten gedurende deze periode?

Beloning en voorperiode

De door de oprichter van de bv in de voorperiode verrichte onttrekkingen voor privébestedingen kunnen niet worden belast als winst uit onderneming. De onderneming wordt immers niet meer voor rekening van de natuurlijk persoon in kwestie gedreven. Evenmin kunnen deze bedragen worden belast als inkomen uit dienstbetrekking. Zolang de vennootschap nog niet bestaat, kan er immers nog geen sprake zijn van een dienstbetrekking met deze bv. Deze onttrekkingen plegen dan volgens onze staatssecretaris te worden behandeld als resultaat uit overige werkzaamheden. In de voorperiode dient een zakelijke beloning in acht te worden genomen. In de praktijk is het dan zaak om de beloning in de voorperiode aan te laten sluiten bij het daarna te genieten loon, op basis van de gebruikelijkloonregeling. Over het 'loon' in de voorperiode wordt in beginsel geen voorlopige aanslag opgelegd. Evenmin vindt inhouding van loonbelasting plaats, ons advies luidt dus doorgaans om wat middelen te reserveren voor de inkomstenbelasting.

Belastingplicht omzetbelasting

De Hoge Raad heeft in een uitspraak duidelijkheid gebracht omtrent de aanvang van de belastingplicht voor de omzetbelasting. De Hoge Raad besliste dat een lichaam voor het eerst vanaf de datum van oprichting als een ondernemer in de zin van de omzetbelasting kan worden aangemerkt. De hiervoor bedoelde uitspraak brengt dus met zich mee dat omzetbelasting in de voorperiode door de omgezette eenmanszaak moet worden voldaan.*

Onttrekkingen voorafgaande aan de omzetting

De vraag of de onttrekking van vermogensbestanddelen in het kader van een geruisloze omzetting naar het privévermogen van belastingplichtige mogelijk is, is een lange tijd voer voor discussie geweest.

De staatssecretaris heeft in dat kader goedgekeurd dat met betrekking tot de geruisloze omzetting vermogensbestanddelen mogen worden onttrokken; dit betreft zowel vermogensbestanddelen die tot het keuzevermogen behoren, als ook die vermogensbestanddelen die tot het verplicht ondernemingsvermogen behoren.

De staatssecretaris heeft in een besluit duidelijkheid geschetst over de vraag of in het kader van de geruisloze omzetting vermogensbestanddelen mogen worden onttrokken. De minister keurt goed dat zowel keuzevermogen als verplicht ondernemingsvermogen mag worden onttrokken. Voor onttrekkingen van verplicht ondernemingsvermogen is de goedkeuring een uitbreiding, want in het verleden was een onttrekking van verplicht ondernemingsvermogen op geen enkele wijze toegestaan.**

Naar onze mening is het echter voor belastingplichtigen (vanuit fiscaal oogpunt) onder andere verstandig om van deze goedkeuring gebruik te maken als de vermogensbestanddelen met een boekverlies kunnen worden onttrokken, zodat het verlies zo snel mogelijk tot uitdrukking komt. In gevallen waarin een boekwinst wordt gemaakt, is het verstandig de heffing zo lang mogelijk uit te stellen en geen gebruik te maken van de door de staatssecretaris verleende goedkeuring. Een optie zou nog kunnen zijn een vervreemding van vermogensbestanddelen na de oprichting van de bv, dit in verband met het tariefverschil tussen de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting.

Tot besluit

Heeft u naar aanleiding van dit artikel nog vragen of speelt er wellicht een ander fiscaal vraagstuk bij u? Neem dan gerust een vrijblijvend contact op met onze onderstaande adviseurs.

*   HR 22 september 2006, nr. 41.443.

** Besluit van 30 juni 2010, nr. DGB2010/3599M.

De bv in oprichting: de voorperiode [news] 7209

De bv wordt fiscaal steeds voordeliger

Waar het omslagpunt voor de fiscaal ingegeven keuze tussen ondernemen in een eenmanszaak of een bv voorheen rond de € 150.000 aan resultaat lag, ligt deze in 2021 al op € 105.000. De komende jaren zal dit omslagpunt zelfs nog lager komen te liggen. Reden genoeg om eens kritisch naar uw structuur te kijken en wellicht nog dit jaar in ieder geval de intentie tot omzetting kenbaar te maken bij de Belastingdienst.

Tariefsaanpassing box 1

Wat is nou de reden dat dit omslagpunt door de jaren heen steeds lager komt te liggen? Dat is gelegen in het feit dat:

  • Er een afbouw plaatsvindt van de zelfstandigenaftrek;
  • Er een afbouw plaatsvindt van het maximale tarief waartegen de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling in aftrek gebracht kan worden (2021: 43%, 2022: 40%, 2023: 37,05%).

Intentieverklaring

Door vóór 1 oktober 2021 in ieder geval de intentie tot mogelijk omzetten van de eenmanszaak naar de bv bij de Belastingdienst te registreren, behoudt u de mogelijkheid om uw onderneming tot en met 31 maart 2022 daadwerkelijk om te zetten naar een bv-structuur. Door een intentieverklaring te registreren wordt u niks verplicht, uw houdt echter wel de mogelijkheid open om met terugwerkende kracht tot 1 januari 2021 uw winst in de bv te laten belasten.

Tot besluit

Denkt u na over de omzetting van uw onderneming naar een bv-structuur, neem dan gerust eens vrijblijvend contact op met onderstaande adviseurs. Zij helpen u graag bij het maken van de juiste keuze.

De bv wordt steeds voordeliger [news] 7212
Verzoek geruisloze terugkeer uit een B.V.



Inleiding

Dit is een verzoek om een beschikking te krijgen voor de faciliteit van de geruisloze terugkeer. Het verdient aanbeveling om een terugkeer uit een B.V. in overleg te doen met uw belastingadviseur of accountant.

Belastingdienst ..............................
Postbus ......
..............................

Plaats .............................. datum ...............

Uw kenmerk: ..............................

Geachte heer / mevrouw,

Namens cliënt, .............................. en haar directeur / enig aandeelhouder, de heer / mevrouw .............................., wonende te .............................., sofinr. ..............., vragen wij // vraag ik uw aandacht voor het volgende. De heer .............................. en .............................. B.V. hebben bij overeenkomst van .............................. besloten om met toepassing van de faciliteit van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de artikelen 3.54a en 4.42a van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 de onderneming die wordt gedreven door .............................. B.V. per 1 januari ...... geruisloos door te schuiven naar de heer / mevrouw .............................. Ik verzoek // Wij verzoeken u een beschikking af te geven als is bedoeld in artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

De getekende en geregistreerde voorovereenkomst treft u in bijlage 1 aan. De voorwaarts te verrekenen verliezen bedragen op overgangstijdstip € ...............

Mocht u naar aanleiding van het bovenstaande nog vragen hebben, dan // verneem ik // vernemen wij // die graag.

Met vriendelijke groet,


..............................

]]>

Terugwerkende kracht geruisloze inbreng

Ook in tijden van economische crisis zijn er ondernemers die goede bedrijfsresultaten weten te behalen. Of u ontdekt nu dat u vanwege de crisis juist risico's in privé loopt, die u liever wenst te beperken. U kunt er dan over nadenken om uw eenmanszaak, firma of maatschap in te brengen in de B.V. Dat kan met terugwerkende kracht naar 1 januari, onder gebruikmaking van de faciliteit van de geruisloze inbreng.

Wijziging 2014

Met ingang van 2014 moet u de voorovereenkomst aangetekend naar de Belastingdienst versturen. Registreren bij de Belastingdienst is niet meer mogelijk. Vorenstaande komt door de Wet Elektronische Registratie notariële akten. U moet de voorovereenkomst via een aangetekende brief versturen naar:

  • Belastingdienst Heerlen, Postbus 13, 6400 AA Heerlen

Twee methoden van inbreng

  1. De ruisende inbreng. U begint in de B.V. als het ware helemaal opnieuw. U staakt de onderneming en verkoopt deze aan de door u opgerichte B.V. De stakingswinst (goodwill, stille en fiscale reserves) is belast met inkomstenbelasting, maar deze kan eventueel worden uitgesteld door het bedingen van een stakingswinstlijfrente bij uw B.V. U moet dit regelen door vóór 1 april van enig jaar een intentieverklaring of voorovereenkomst te laten registreren. De eerste datum dat u dit weer kunt doen is, bij een boekjaar als kalenderjaar, per 1 januari 2013.
  2. Bij een geruisloze inbreng kunt u echter nog gebruikmaken van terugwerkende kracht naar 1 januari 2013. U moet dan uw intentieverklaring of voorovereenkomst uiterlijk binnen negen maanden na het overgangstijdstip hebben laten registreren. In dit geval gaat de B.V. met dezelfde balans (boekwaarden) verder als waarmee uw onderneming is gestaakt. Uw onderneming wordt bij fictie geacht niet te zijn gestaakt. Er wordt een aantal (standaard) voorwaarden gesteld.

Daarnaast kunt u op elk tussentijds gewenst moment de onderneming inbrengen, maar dan krijgt u te maken met een gebroken boekjaar en dat brengt extra kosten met zich mee. Het verdient de voorkeur om voor een overgangsmoment bij aanvang boekjaar te kiezen.

Wij zijn u graag behulpzaam met al deze afwegingen en bij het opstellen en registreren van de benodigde stukken.

Tip: laat een intentieverklaring registreren vóór 30 september als u de onderneming in een B.V. wilt inbrengen, of als u dat overweegt.

Terugwerkende kracht geruisloze inbreng in de BV: voor 1 oktober aktie ondernemen! [news] 2011-09-20 2011-09-20 2011-09-30 3363

Inbreng optiekzaak in een B.V.

De optiek-onderneming inbrengen in een vennootschap?

U drijft uw optiek-onderneming in de vorm van een eenmanszaak of samenwerkingsverband. Dan kunnen er momenten zijn waarop het verstandig is te kiezen voor de omzetting van de optiekzaak in een besloten vennootschap. Dit kan bijvoorbeeld zijn in verband met een stijgende winst, de aansprakelijkheid als eigenaar, maar ook als voorbereidende stappen naar een bedrijfsopvolging of verkoop.

Versturen voorovereenkomst

U moet de voorovereenkomst aangetekend naar de Belastingdienst versturen. Registreren bij de Belastingdienst is niet meer mogelijk. Vorenstaande komt door de Wet Elektronische Registratie notariële akten. U moet de voorovereenkomst via een aangetekende brief versturen naar:

  • Belastingdienst Heerlen, Postbus 13, 6400 AA Heerlen

Geruisloos en ruisend optiekzaak in een B.V.

De omzetting van de optiekzaak naar een vennootschapsvorm kan dan geruisloos of “ruisend” geschieden.

Geruisloze inbreng in de vennootschap houdt in dat de belastingclaim over de goodwill en stille reserves in de onderneming worden doorgeschoven naar de besloten vennootschap, zodat niet direct behoeft te worden afgerekend over de “verkoop” van de optiek-onderneming. De belastingheffing over de overdrachtswinst wordt zo naar de toekomst geschoven.

“Ruisende” inbreng houdt in dat de optiek-onderneming wordt overgedragen aan de vennootschap met afrekening over de goodwill en fiscale en stille reserves. Vanwege gebruikmaking van (onder andere) stakingswinstlijfrente-aftrek kan deze mogelijkheid fiscaal voordelig zijn. Voor beide vormen kan een (overigens verschillende) termijn aan terugwerkende kracht worden gehanteerd.

Voordelen optiekzaak in een B.V.

Als voordelen voor het drijven van de optiek-onderneming in een (structuur van) besloten vennootschap(pen) zijn onder andere te noemen de beperking van de aansprakelijkheid van de optiek-ondernemer, de inkomensspreiding op maat voor de directeur-aandeelhouder(s), de mogelijkheid van opbouw van pensioen in eigen beheer (hetgeen grote fiscale voordelen oplevert, maar tevens de liquiditeiten binnen de onderneming houdt), het afschermen van winsten en pensioenaanspraken van de risicosfeer in de optiekvennootschap, groei van de optiek-onderneming naar andere vestigingen kunnen eenvoudigweg aan de structuur worden toegevoegd, de organisatie wordt door deze structuur flexibeler. Tevens wordt de overdraagbaarheid van de optiekzaak door de vennootschapsstructuur vergemakkelijkt. Immers, er kan simpelweg worden gekozen voor het verkopen van de aandelen van de vennootschap.

Nadelen optiekzaak in een B.V.

Uiteraard zijn ook nadelen te noemen, zoals de ondernemersfaciliteiten die vervallen, de directeur-aandeelhouder dient zijn salaris te conformeren aan de gebruikelijkloonregeling, de oprichtingskosten van de vennootschap(pen).

Fiscaal gezien is er het voordeel van het tariefsverschil: winsten worden eerst belast tegen het vennootschapsbelastingtarief, pas later eventueel tegen het progressieve inkomstenbelastingtarief. Bovendien is er de mogelijkheid middelen uit de vennootschap te halen door middel van dividenduitkeringen.

Met name bij een voorgenomen bedrijfsopvolging in of verkoop van de optiekzaak en de huidige belastingtarieven in aanmerking nemend, is het zeker de moeite waard een beoordeling te laten maken van de voordelen van een vennootschapsstructuur in uw specifieke situatie.

Optiek zaak inbrengen in BV Opticien [news] 2012-07-17 2012-07-17 0000-00-00 3491

Inbreng in de B.V. en de coronacrisis

We worden op dit moment door veel ondernemers gebeld over de mogelijkheden om aansprakelijkheden te beperken. De meest gekozen route is dan de inbreng van de eenmanszaak of vennootschap onder firma in een B.V. Als een onderneming in een B.V. is ondergebracht, is uw privé vermogen meestal veilig. Bij een eenmanszaak, VOF of maatschap bent u met uw volledige vermogen aansprakelijk, dus al uw vermogen (privé en zakelijk) is dan veelal weg. Dit kan wellicht nog worden beperkt door huwelijkse voorwaarden op te stellen.

Termijn geruisloze inbreng in de B.V. eenmalig verlengd door coronacrisis

Sinds april 2020 heeft u meer tijd. In verband met de coronacrisis heeft de Staatssecretaris van Financiën in een beleidsbesluit goedgekeurd dat de termijn die wordt gesteld bij gebruikmaking van terugwerkende kracht bij de geruisloze inbreng in de bv met drie maanden wordt verlengd. Dit is echter alleen van toepassing wanneer deze termijn verstrijkt in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020.

Heeft u dus vóór 1 oktober 2019 een intentieverklaring tot geruisloze omzetting bij de Belastingdienst geregistreerd, dan heeft u nog tot 1 juni 2020 de tijd om deze inbreng ook daadwerkelijk te formaliseren.

Voor de faciliteiten van de bedrijfsfusie, de juridsche fusie en de splitsing, waarbij gebruik wordt gemaakt van terugwerkende kracht geldt overigens dezelfde termijnverlenging.

Risico's beperken door inbreng in de B.V.

Sinds 2019 zijn de tarieven voor B.V.'s gedaald, een inbreng in de B.V. is hierdoor nog eerder aantrekkelijk. Tevens kunt u risico's beperken. De coronacrisis heeft laten zien dat er soms onverwacht risico's voorbij kunnen komen die ondernemers niet kunnen overzien.

Wanneer is inbreng in de B.V. interessant?

De inbreng van de onderneming in een B.V. kan interessant zijn indien:

  • U risico's wilt spreiden (privé en zakelijk);
  • De winsten meer bedragen dan € 125.000 per jaar;
  • Er zich in uw onderneming stille reserves bevinden en u uw onderneming op termijn wenst te beëindigen;
  • U extern kapitaal wenst aan te trekken;
  • Uw werkzaamheden ten behoeve van de onderneming beperkt zijn;
  • Uw onderneming zeer innovatief is.

Bovenstaande opsomming is niet limitatief, daarnaast zijn er ook nog legio andere (niet fiscale) overwegingen om uw onderneming in te brengen in een B.V.

Wat kost een inbreng in de B.V.?

De totale kosten (inclusief berekening, accountant, notaris, etc.) bedragen tussen de € 2.000 en € 4.500, dit afhankelijk van de complexiteit.

Inbrengen onderneming in een B.V., hoe werkt dit?

Als u op dit moment uw eenmanszaak, VOF of maatschapsaandeel inbrengt in een B.V., dan zal dit in de toekomst zeker tot een beperking van uw aansprakelijkheden leiden. Aandachtspunten zijn:

  • Maak een berekening van de fiscale voor- en nadelen, soms is een B.V. erg nadelig !
  • Hou termijnen in de gaten en laat een stappenplan maken (wat te doen en wanneer).
  • Voor de inbreng heeft u een fiscalist (of accountant) en een notaris nodig.
  • Bij de inbreng in de B.V. blijft u eerst privé aansprakelijk voor verplichtingen.
  • Overeenkomsten die u als ondernemer bent aangegaan staan op uw privénaam. Deze moeten worden overgezet naar de B.V., tot dat moment bent en blijft u privé aansprakelijk (denk bijvoorbeeld aan overeenkomsten met uw bank of verhuurder). De schuldeisers zullen eerst uw B.V. benaderen bij een faillissement, maar als dit vermogen onvoldoende is, grijpen ze terug op uw privé vermogen (tenzij de overeenkomsten zijn overgezet vanuit privé naar de B.V., dit met medewerking van de schuldeiser).  
  • Overweeg ook een inbreng in een N.V., dit kan u in de toekomst (bij dividenduitkeringen) een voordeel opleveren.
  • Toekomstige verplichtingen (na de inbreng) zijn voor rekening van de B.V., hiermee beperkt u voor een deel uw aansprakelijkheid.
  • Partijen zullen / kunnen een privé zekerheid of borgstelling eisen, denk hier goed over na.
  • U bent in privé wel aansprakelijk voor schulden in de B.V. als u als bestuurder wanbeleid zou plegen, de zogenaamde bestuurdersaansprakelijkheid.

Wat heeft de notaris nodig voor een geruisloze inbreng?

De notaris heeft een inbrengbalans en een inbrengbeschrijving nodig voor de geruisloze inbreng in de B.V. Bij een N.V. moet ook een accountantsverklaring worden verstrekt. Vervolgens moet je ook relaties gaan informeren, denk hierbij aan de verhuurder, klanten, bank, leveranciers, loonadministratie, omzetten arbeidsovereenkomsten, etc. Heeft u hierover vragen, e-mail ons gerust voor een stappenplan.

Een B.V. iets voor u?

Wilt u weten wat de fiscale voordelen zijn of overweegt u de onderneming voort te zetten in de vorm van een B.V., neem dan contact op met de auteur van dit artikel. Dit kan eenvoudig en snel via onderstaand formulier.

Inbreng in BV i.v.m. aansprakelijkheid [news] 2020-04-16 0000-00-00 0000-00-00 6513

Ruisende inbreng in B.V.

Er zijn twee mogelijkheden om een eenmanszaak, VOF of maatschap om te zetten naar een B.V. (of N.V.). De eerste mogelijkheid is het geruisloos inbrengen, de tweede mogelijkheid is het ruisend inbrengen van de onderneming in de B.V. Elders op de website vindt u een artikel over de geruisloze inbreng in de B.V., hierna zal ik nader ingaan op de ruisende inbreng.

Let op! Van belang bij een ruisende inbreng met terugwerkende kracht tot 1 januari, registratie van de intentieovereenkomst vóór 1 april!

Wanneer is een ruisende inbreng interessant?

De inbreng van de onderneming in een B.V. kan vanuit fiscaal perspectief interessant zijn indien:

  • De winsten meer bedragen dan € 150.000 per jaar;
  • Er zich in uw onderneming stille reserves bevinden en u uw onderneming op termijn wenst te beëindigen;
  • U extern kapitaal wenst aan te trekken;
  • Uw werkzaamheden ten behoeve van de onderneming beperkt zijn;
  • Uw onderneming zeer innovatief is.
  •  Bovenstaande opsomming is niet limitatief, daarnaast zijn er ook nog legio andere (niet fiscale) overwegingen om uw onderneming in te brengen in een B.V.

De ruisende inbreng betekent dat de onderneming tegen de waarde in het economische verkeer, ook wel de werkelijke waarde genoemd, wordt ingebracht in de B.V. De waarde in het economische verkeer c.q. werkelijke waarde is doorgaans hoger dan de boekwaarde. Over het verschil tussen de boekwaarde en de veelal hogere waarde in het economische verkeer – ook wel de stakingswinst genoemd – dient de ondernemer af te rekenen. De afrekening over de stakingswinst leidt doorgaans tot een substantieel bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting. Toch kan een ruisende inbreng interessanter zijn dan een geruisloze inbreng (waarbij een afrekening over de stakingswinst achterwege kan blijven).

Een ruisende of geruisloze inbreng?

Om een goede keuze te maken over het ruisend of geruisloos inbrengen van een onderneming in een B.V. worden hierna een aantal voor- en nadelen weergegeven:

Voordelen van een ruisende inbreng kunnen zijn:

  • Bij de B.V. wordt een hoger afschrijvingspotentieel gecreëerd;
  • Er hoeft formeel geen verzoek bij de Belastingdienst te worden ingediend (doch dit kan wel raadzaam zijn);
  • Er is geen vervreemdingsverbod van de aandelen van drie jaar van toepassing;
  • Er zijn geen voorwaarden ten aanzien van creditering.

Nadelen van een ruisende inbreng kunnen zijn:

  • Afrekenen vindt plaats over een hogere stakingswinst dan bij de geruisloze inbreng, hetgeen leidt tot een hogere eenmalige aanslag inkomstenbelasting;
  • Er vindt een desinvesteringsbijtelling plaats ten aanzien van goederen waarvoor kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), milieu-investeringsaftrek (MIA) of energie-investeringsaftrek (EIA) is geclaimd.

Het nadeel zoals hiervoor beschreven kan echter (gedeeltelijk) worden ondervangen door het bedingen van een (stakings-)lijfrente bij de B.V. waar de onderneming wordt ingebracht. Deze mogelijkheid zorgt voor een oudedagsvoorziening voor de ondernemer en leidt tot uitstel van belastingheffing tot het moment dat de ondernemer met pensioen gaat.

Intentieovereenkomst bij ruisende inbreng

Indien u met terugwerkende kracht tot 1 januari van een jaar ruisend de B.V. in wilt, dan dient er een intentieverklaring ondertekend en geregistreerd te worden bij de Belastingdienst. Daarbij is het ook mogelijk om later in een jaar ruisend de B.V. in te gaan en een beroep te doen op een terugwerkende kracht van drie maanden.

Voorbeeld  

Indien een ondernemer vóór 1 juli een intentieovereenkomst opstelt, ondertekent en registreert bij de Belastingdienst, dan kan de inbreng in de B.V. met terugwerkende kracht tot 1 april van dat jaar plaatsvinden.

Overgangstijdstip bij het oprichten van de B.V.

Het oprichten van een B.V. dient binnen negen maanden na het overgangstijdstip plaats te vinden. Het overgangstijdstip is het moment waarop de resultaten (met terugwerkende kracht) voor rekening en risico van de B.V. komen. Deze termijn is korter dan de termijn die daarvoor geldt bij een geruisloze inbreng (15 maanden).

Tot slot

Indien een ondernemer overweegt om zijn onderneming in te brengen in een B.V., dan is het van belang dat er tijdig een intentieovereenkomst wordt opgesteld, getekend en geregistreerd. Vervolgens dienen de voor- en nadelen tegen elkaar afgewogen te worden en zal er een keuze worden gemaakt. Het is daarbij niet onverstandig hierover een gesprek aan te gaan met een fiscaal jurist, teneinde van A tot Z inzicht te krijgen in de fiscale en juridische gevolgen van de inbreng in de B.V.

Wilt u meer weten over de inbreng in de B.V. of wilt u een afspraak inplannen met een fiscaal jurist, neem dan contact op met de auteur van dit artikel.

Ruisende inbreng in B.V. [news] 2020-03-09 0000-00-00 0000-00-00 6375

Fiscale aspecten cryptovaluta

Er wordt veel geschreven over de fiscale aspecten van bitcoins, of beter: cryptovaluta. Op de internetsite van de Belastingdienst staat dat deze worden belast in box 3. Recentelijk heeft de Staatssecretaris van Financiën vragen uit de Eerste Kamer beantwoord. Ook hij (de heer Snel) concludeert dat er normaliter sprake is van box 3 vermogen.

Belastingen en cryptocurrency box 3

Als u in Nederland woont of in Nederland vermogen heeft, moet u uw vermogen opgeven aan de Belastingdienst. Het gaat hierbij om het vermogen per begin van het jaar (1 januari). De Belastingdienst ziet bitcoins, cryptovaluta, ethers en andere digitale geldmiddelen als "overige bezittingen in box 3". Als dit vermogen meer is dan € 25.000, dan moet u hierover vermogensbelasting / box 3 belastingen betalen.

  • Tot € 75.000: 0,86%;
  • Van € 75.001 - € 975.000: 1,38%;
  • Vanaf € 975.001: 1,61%.

Voor de waarde van de cryptomunt moet volgens de Staatssecretaris worden aangesloten bij de waarde (geldende koers) op peildatum (1 januari van het belastingjaar, dus 1 januari 2017 voor de aangifte over 2017). U moet hiertoe kijken op het door u gebriukte omwisselplatform.

Belastingen en cryptocurrency box 1

Bij het handelen in cryptovaluta of het minen door een natuurlijke persoon is er volgens de Staatssecretaris van Financiën niet snel sprake van een bron van inkomen (box 1). Aan de hand van feiten en omstandigheden kan de Belastingdienst echter anders oordelen. De overwegingen hierbij zijn:

  1. Er moet arbeid worden verricht;
  2. Het voordeel moet worden beoogd (subjectief element);
  3. Het voordeel moet redelijkerwijs te verwachten zijn (objectief element);
  4. De omvang van de investeringen (computers etc.).

Er zijn op dit moment veel mensen bezig met het voordeel proberen te behalen met de handel in cryptovaluta. Mede doordat er een beperkt aantal cryptomunten per dag kunnen worden gemined / verhandeld, is het al snel de vraag of er een voordeel kan worden verwacht.

Wat zeggen fiscale rechters over bitcoins

Er zijn nog geen procedures bekend over bitcoins en belastingen. Echter wel over speculatieve transacties en het inkomen dat hiermee wordt verdiend. In jurisprudentie is al uitgemaakt dat geen sprake is van box 1 inkomen als het een speculatieve transactie betreft en het eindresultaat niet te beïnvloeden is door arbeid. Als er echter structureel positieve resultaten worden behaald die kunnen worden verklaard door arbeid van de persoon, is wellicht wel sprake van een bron van inkomen.

Loon via cryptovaluta

Loon dat door een werkgever wordt uitbetaald via cryptovaluta wordt gezien als loon in natura. Dit soort salaris / loon moet worden omgerekend in euro's op het moment dat het loon / de cryptomunt wordt genoten.

Bron fiscale aspecten crypto valuta

Beantwoording vragen fiscale aspecten cryptovaluta.

Fiscale aspecten crypto valuta [news] 5362

Bitcoin en BTW

Moet u BTW betalen over de inkoop / verkoop van bitcoins (en / of andere crypto valuta)?

Omzetbelasting en bitcoin

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bepaald dat over de verkoop van bitcoins geen BTW is verschuldigd. De bitcoin wordt niet gezien als geld, maar heeft wel eenzelfde functie, een bijzondere status voor de BTW derhalve.

Vragen over bitcoin en belastingen

Heeft u vragen over de fiscale behandeling van bitcoins? Bel gerust vrijblijvend met één van onze adviseurs.

Bron Bitcoin en BTW

Hof van Justitie d.d. 22 oktober 2015.

Bitcoin en BTW [news] 5243

Bitcoin in box 1

Er zijn verschillende soorten inkomsten, bij bitcoins kan sprake zijn van box 1 (arbeid / winst) of box 3 (vermogen) inkomsten. Deze discussie speelt veelal bij de verhuur van panden en minder vaak bij beleggen in aandelen en / of bitcoins. Bitcoins worden meestal belast in box 3, maar bij hoge winsten zal de Belastingdienst proberen te stellen dat sprake is van box 1 inkomsten.

Nieuws : gegevensuitwisseling Bitcoin in EU 

Binnenkort vallen crypto valuta onder de Europese uitwisseling van fiscale gegevens. Onder de zogenaamde DAC wetgeving (we zijn al bij DAC 7) worden binnen de EU gegevens tussen landen uitgewisseld. Zo wordt er al informatie uitgewisseld over bankrekeningen, inkomen, pensioenen, onroerende zaken, anti witwas info, advisering bij constructies, etc. Recent is DAC 7 ingevoerd, onder deze wetgeving wordt geregeld dat digitale platformen verplicht worden fiscale informatie over hun gebruikers te verstrekken aan de Belastingdienst (en dat deze informatie wordt uitgewisseld met andere EU lidstaten). Crypoto valuta vallen nog niet onder de gegevensuitwisseling, dit zal gebeuren in DAC 8. Vorenstaande staat in een kamerbrief d.d. 18 februari 2021.

Bitcoin belast als inkomen

Als een natuurlijk persoon zich bezig gaat houden met het beleggen in bitcoins kan sprake zijn van winst uit onderneming (of resultaat uit overige werkzaamheden). Een harde lijn is er niet en het blijft een grijs gebied waarbij de feiten de doorslag moeten geven. De kern van de discussie is: "wat doet u zelf ?" Bij een box 1 belegging is de winst belast en zijn het verlies en de kosten aftrekbaar. De signalen voor een box 1 belegging in bitcoins zijn:

  • veel eigen werk, onderzoek, etc.;
  • snelle winst;
  • voorkennis;
  • veel mutaties / arbeidsinzet door uzelf;
  • is er een organisatie / bedrijf / internetsite.

Als er sprake is van daytrading of het structureel handelen in bitcoins, kan er sprake zijn van box 1 inkomen. Maar ook daytrading kan gezien worden als normaal vermogensbeheer. Een rechter overweegt hierbij als volgt:

  • Het handelen in opties moet een meer dan speculatief karakter hebben met als doel het behalen van voordeel. Hierbij moet de de bitcoinhandelaar deskundigheid, ervaring en relaties hebben binnen deze wereld. Tevens moet hij het koersverloop via de deskundigheid en ervaringen kunnen beïnvloeden.

Bitcoin niet in aangifte opgenomen

Als u de bitcoin niet in uw aangifte hebt opgenomen, dan heeft u onjuist aangifte gedaan. Het vermogen of inkomen wordt dan als zwart inkomen / vermogen gezien. Dit kan een misdrijf opleveren. U kunt het vermogen alsnog opgeven door dit in uw aangifte te vermelden en voor oudere jaren alsnog met de Belastingdienst in overleg te treden (inkeren). Sinds 1 januari 2018 is de formele route om in te keren afgeschaft, deskundige begeleiding is verstandig.

Vragen over bitcoins

Heeft u vragen of opmerkingen over bitcoins, dan kunt u hierover één van onze deskundige fiscaal juristen vragen. Maak gerust een vrijblijvende afspraak.

Bitcoin in box 1 [news] 5244

Bitcoin en belastingen

De Belastingdienst ziet bitcoins als "bezittingen". Een bitcoin moet u dan ook opgeven in box 3. Voor de aangifte inkomstenbelasting over 2020 geeft u dus de waarde op per 1 januari 2020. De vraag is wel hoe de Belastingdienst gaat beoordelen / zien of je ook bitcoins hebt en hoeveel.

De aangifte vraagt echter sinds kort om "virtuele betaalmiddelen". Als u hier niets zou invullen, is dit het opzettelijk onjuist doen van aangifte, dit met alle gevolgen van dien.

Bitcoin in box 3

Volgens de Belastingdienst moet u virtuele betaalmiddelen opnemen in box 3. Dit per de waarde aan het begin van het belastingjaar, derhalve op 1 januari.

Crypto munt en belastingen [news] 5242

Bitcoins in de eenmanszaak

Fiscale aspecten cryptovaluta in een eenmanszaak of VOF

Er wordt veel geschreven over de fiscale aspecten van bitcoins, of beter: cryptovaluta. Op de internetsite van de Belastingdienst staat dat deze worden belast in box 3. Recentelijk heeft de Staatssecretaris van Financiën vragen uit de Eerste Kamer beantwoord. Ook hij (de heer Snel) concludeert dat er normaliter sprake is van box 3 vermogen. Wat nu als u binnen uw eenmanszaak of VOF bitcoins of crypto muntenkoopt?

Cryptocurrency in eenmanszaak of VOF

Bij de aankoop van cryptovaluta door een natuurlijk persoon die kwalificeert als IB-ondernemer speelt het leerstuk van de vermogensetikettering. Als sprake is van duurzaam overtollige liquide middelen waarmee de cryptovaluta worden aangeschaft, worden zij tot de rendementsgrondslag van box 3 gerekend.

Als de aankoop van de cryptovaluta met ondernemingsvermogen niet plaatsvindt binnen de normale ondernemingsuitoefening en er geen sprake is van het beleggen van tijdelijke overtollige middelen op een zodanige wijze dat zij weer tijdig binnen de onderneming beschikbaar kunnen zijn, is sprake van verplicht privévermogen (box 3).

Heffing in box 3 over cryptocurrency

Als u in Nederland woont of in Nederland vermogen heeft, moet u uw vermogen opgeven aan de Belastingdienst. Het gaat hierbij om het vermogen per begin van het jaar (1 januari). De Belastingdienst ziet bitcoins, cryptovaluta, ethers en andere digitale geldmiddelen als "overige bezittingen in box 3". Als dit vermogen meer is dan € 30.846 (2020), dan moet u hierover in box 3 belasting betalen.

  • Van € 30.846 - € 103.643: 0,59%;
  • Van € 103.643 - € 1.036.418: 1,26%;
  • Vanaf € 1.036.418: 1,58%.

Voor de waarde van de cryptomunt moet volgens de Staatssecretaris worden aangesloten bij de waarde (geldende koers) op peildatum (1 januari van het belastingjaar, dus 1 januari 2020 voor de aangifte over 2020 moet hiertoe kijken op het door u gebruikte omwisselplatform.

Wat zeggen fiscale rechters over bitcoins

Er zijn nog geen procedures bekend over bitcoins en belastingen. Echter wel over speculatieve transacties en het inkomen dat hiermee wordt verdiend. In jurisprudentie is al uitgemaakt dat geen sprake is van box 1 inkomen als het een speculatieve transactie betreft en het eindresultaat niet te beïnvloeden is door arbeid. Als er echter structureel positieve resultaten worden behaald die kunnen worden verklaard door arbeid van de persoon, is wellicht wel sprake van een bron van inkomen.

Bron fiscale aspecten crypto valuta

Beantwoording vragen fiscale aspecten cryptovaluta.

Bitcoins in de eenmanszaak [news] 5363

Bitcoins in de B.V.

Fiscale aspecten cryptovaluta in een B.V.

Er wordt veel geschreven over de fiscale aspecten van bitcoins, of beter: cryptovaluta. Op de internetsite van de Belastingdienst staat dat deze worden belast in box 3. Eind 2018 heeft de Staatssecretaris van Financiën vragen uit de Eerste Kamer beantwoord. Hij concludeert dat er normaliter sprake is van box 3 vermogen. Wat nu als u binnen uw B.V. cryptovaluta koopt?

Nieuws : gegevensuitwisseling Bitcoin in EU 

Binnenkort vallen crypto valuta onder de Europese uitwisseling van fiscale gegevens. Onder de zogenaamde DAC wetgeving worden binnen de EU gegevens tussen landen uitgewisseld. Zo wordt er al informatie uitgewisseld over bankrekeningen, inkomen, pensioenen, onroerende zaken, anti witwas info, advisering bij constructies, etc. Recent is DAC 7 ingevoerd, onder deze wetgeving wordt geregeld dat digitale platformen verplicht worden fiscale informatie over hun gebruikers te verstrekken aan de Belastingdienst (en dat deze informatie wordt uitgewisseld met andere EU lidstaten). Crypto valuta vallen nog niet onder de gegevensuitwisseling, dit zal gebeuren in de reeds aangekondigde DAC 8. Vorenstaande staat in een kamerbrief d.d. 18 februari 2021.

Cryptocurrency in uw B.V.

Op grond van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 drijft een rechtspersoon (B.V. / N.V.) een onderneming met zijn gehele vermogen. Anders dan bij een IB-ondernemer speelt bij een B.V. / N.V. het leerstuk van de vermogensetikettering geen rol. Dit betekent dat het minen en de aankoop (al dan niet gevolgd door verkoop) van cryptovaluta zich in de winstsfeer afspelen. De resultaten daarvan moeten volgens goed koopmansgebruik in aanmerking worden genomen. Het kan wel weer zo zijn dat de Belastingdienst gaat stellen dat verliezen niet aftrekbaar zijn omdat een weldenkende ondernemer niet zou beslissen om dergelijke valuta te kopen.

Wat zeggen fiscale rechters over bitcoins

Er zijn nog geen procedures bekend over bitcoins en belastingen, echter wel over speculatieve transacties en het inkomen dat hiermee wordt verdiend. In jurisprudentie is al uitgemaakt dat geen sprake is van box 1 inkomen als het een speculatieve transactie betreft en het eindresultaat niet te beïnvloeden is door arbeid. Als er echter structureel positieve resultaten worden behaald die kunnen worden verklaard door arbeid van de persoon, is wellicht wel sprake van een bron van inkomen.

Er komt binnenkort een nadere toelichting over de fiscale aspecten rondom de cryptocurrency.

Bron fiscale aspecten crypto valuta

Beantwoording vragen fiscale aspecten cryptovaluta.

Bitcoins en BV [news] 5364

Vragenbrief cryptomunt of bitcoin

Wij adviseren sinds enkele jaren belastingplichtigen met zogenaamde cryptomunten. Zodra een cryptomunt in een aangifte inkomstenbelasting wordt gemeld, leert de praktijk dat de aangifte in een andere bak terecht komt en er vrijwel altijd vragen worden gesteld. Soms worden wij zelfs penvrienden van de Belastingdienst en volgen er diverse - soms onnodige - vragen en vele brieven. In dit artikel een weergave van uw rechten. Zonder voor eigen parochie te praten, schakel een deskundige in en laat de Inspecteur altijd vragen schriftelijk stellen, niet per telefoon!

Nieuws : gegevensuitwisseling Bitcoin in EU 

Binnenkort vallen crypto valuta onder de Europese uitwisseling van fiscale gegevens. Onder de zogenaamde DAC wetgeving worden binnen de EU gegevens tussen landen uitgewisseld. Zo wordt er al informatie uitgewisseld over bankrekeningen, inkomen, pensioenen, onroerende zaken, anti witwas info, advisering bij constructies, etc. Recent is DAC 7 ingevoerd, onder deze wetgeving wordt geregeld dat digitale platformen verplicht worden fiscale informatie over hun gebruikers te verstrekken aan de Belastingdienst (en dat deze informatie wordt uitgewisseld met andere EU lidstaten). Crypto valuta vallen nog niet onder de gegevensuitwisseling, dit zal gebeuren in de reeds aangekondigde DAC 8. Vorenstaande staat in een kamerbrief d.d. 18 februari 2021.

Vragenbrief over crypto's door de Belastingdienst

De Belastingdienst denkt nog te snel dat bij cryptomunten (of litecoin, etherium, etc.) er iets niet klopt. Dan gaan er blijkbaar computersystemen aan het werk binnen het systeem van de Belastingdienst. De belastingplichtige hoeft niet alle vragen te beantwoorden. De vragen moeten namelijk betrekking hebben op de belastingheffing en moeten feitelijk zijn. In de basis moet de belastingplichtige alle voor de belastingheffing relevante vragen beantwoorden. Dit moet netjes, stellig en zonder voorbehoud. De onderliggende informatie moet worden meegestuurd. Doet de Belastingplichtige hier niet aan mee, dan kan de bewijslast worden omgekeerd of kan een zogenaamde informatiebeschikking worden uitgereikt. Het kan zelfs strafbaar zijn om gevraagde informatie niet te verstrekken. Meestal wordt door de blauwe enveloppe of de dreiging met allerlei rechtsmaatregelen teveel informatie verstrekt door de belastingplichtige.

Welke informatie moet u over cryptomunten verstrekken

De Belastingdienst / Inspecteur mag alle vragen stellen die in hem opkomen. Intern liggen er ook een memo en voorbeeldbrieven welke vragen er worden gesteld. De Inspecteur moet zich echter wel beperken tot fiscaal relevante en feitelijke informatie. Of u bijvoorbeeld de cryptomunt ziet als box 1 of box 3 vermogen is niet relevant. Ook informatie van derden of betrokken personen mogen in principe niet bij u worden opgevraagd. Soms is het niet meer mogelijk om nog bij uw cryptomunt of domein te komen als u deze heeft verkocht. Transacties en mutaties zijn dan niet meer op te vragen. Als u niet meer over de informatie kunt beschikken, is dit - als uitgangspunt - niet direct uw probleem. Soms kan de Inspecteur deze informatie heel eenvoudig zelf opvragen. Tevens moet u dingen in de tand van de tijd plaatsen, in 2014 was er nog niet zoveel te doen over de cryptomunt en wist niemand dat hij of zij deze moest melden in een aangifte inkomstenbelasting. Als particulier bent u geen boekhouder of ondernemer en heeft u in principe ook geen administratieplicht. Een normale inspanning mag van een belastingplichtige worden verwacht, maar het moet niet te ver gaan, een onevenredige inspanning of een oneerlijke inspanning kan niet worden gevraagd.

Noot fiscaal jurist over cryptomunten

Vragen moet u beantwoorden en meestal loopt het met een sisser af. Het onmogelijke kan echter niet van u worden gevraagd en het moet wel binnen redelijke grenzen blijven. Meestal is er niet veel informatie meer beschikbaar als de cryptomunt is verkocht. Dit lijkt ook minder relevant omdat de meeste cryptomunten slecht belastbaar zijn in box 3.

Vragenbrief cryptomunt of bitcoin [news] 5639

Cryptovaluta in de jaarrekening

Bitcoin en accountant

De opkomst van cryptovaluta en bitcoins biedt ook volop kansen voor accountants. Na het papieren-geld-tijdperk kwamen de pinpas en de digitale financiële wereld. Dit is in een stroomversnelling gekomen door ondermeer Apple Pay en cryptovaluta. Het beheer en de vastlegging hiervan kunnen veel ruimte bieden voor accountants.

Bitcoin en de rol van de accountant

Naast de stijging van de block chain technologie zien wij als Jongbloed Accountants ook steeds meer betalingsverkeer via bitcoins en andere crypto's. Het vertrouwen in deze valuta is wisselend en is hiermee volop in beweging. De cryptovaluta gaan een grote rol spelen in de ontwikkeling van onze economie en de financiële wereld. Het procesmatig bijhouden van de cryptotransacties wordt alleen maar groter en complexer. De vraag naar nieuwe innovaties in accountancy-land zal moeten volgen, de reguliere boekhouding en de cryptoboekhouding moeten naast elkaar (en eigenlijk gezamenlijk) worden opgezet.

Accountancyregels aangaande crypto's

In Europa wil men eenduidige accountancyregels aangaande cryptovaluta. De Europese banken willen dat er onderlinge afspraken worden gemaakt over de regulering van de cryptohandel, lees hiertoe deze notitie. De AFM heeft in 2018 reeds een adviesrapport geschreven over het vergunningenstelsel bij crypto's. Ook omtrent de belastingheffing over crypto's is er veel beweging te zien.

Crypto in een bv

Als cryptovaluta worden ondergebracht in een bv of andere rechtspersoon, is de belastingheffing redelijk eenvoudig. Er moet vennootschapsbelasting worden betaald als de winst is behaald, dus bij een daadwerkelijke verkoop. Verlies mag worden genomen als de cryptovaluta in waarde zouden dalen (onder de kostprijs). Dit is feitelijk gelijk aan de behandeling van normale effecten, waardering per balansdatum op kostprijs of lagere marktwaarde.

Crypto in de jaarrekening

De Raad voor de jaarverslaggeving heeft in 2018 over dit onderwerp een rapport geschreven (hier te raadplegen). Het betreft nog een "soort van advies", maar geeft in ieder geval enige richting binnen accountancy-land. De algemene gedachtenlijn op dit moment is dat crypto's geen liquide middelen of financiële instrumenten zijn, maar moeten worden gezien als immateriële vaste activa / andere beleggingen. Dergelijke activa moeten worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs en onder voorwaarden tegen lagere of hogere actuele waarde. De waardeveranderingen komen dan ten bate of laste van de winsten / verliezen (en dus het eigen vermogen) van de vennootschap. Dat het niet eenvoudig is volgt uit een artikel in het FD. Het zal nog wel even duren voordat er volledige duidelijkheid komt omtrent het opnemen van crypto's in de jaarrekening.

Bitcoin in jaarrekening [news] 7030

Crypto inkeren of melden bij de Belastingdienst

Boete crypto kan oplopen tot 300%

Steeds meer Nederlanders bezitten cryptovaluta, zoals de Bitcoin. Wij staan in de praktijk vaak belastingplichtigen bij die de belastingheffing bij deze cryptovaluta over het hoofd hebben gezien. In de loop van 2021 komt er nieuwe wetgeving binnen de Europese Unie, waardoor de bezitter van bitcoins of andere cryptomunten bekend worden bij de Belastingdienst. Crypto moet in de meeste gevallen in box 3 (waarde per 1 januari) worden aangegeven, soms zelfs in box 1.

Hebt u crypto's? Wij zien dat veel mensen deze (nog) niet melden bij de Belastingdienst, soms bewust, soms onbewust. Er is op dit moment Europese regelgeving op komst die het verbergen van cryptomunten voor de Belastingdienst complexer maakt.

Nieuwe Europese wetgeving inzake crypto en melding Belastingdienst

De Europese Unie is met een richtlijn bezig  waardoor lidstaten van de EU eenvoudiger spontaan informatie kunnen en moeten uitwisselen over de bezitter / eigenaar van cryptomunten. Het voorstel staat voor 2021 op de agenda. Nadat de wetgeving binnen de EU is aangenomen, moet deze worden opgenomen in de Nederlandse wetgeving, dit zal nog wel even duren. Binnen de nieuwe wetgeving worden cryptobedrijven gedwongen om persoonlijke gegevens van zenders en ontvangers op te slaan en uiteindelijk aan de EU of het woonland te verstrekken. Het is zelfs denkbaar dat anonieme cryptowallets worden verboden.

In dit artikel leggen wij de gevolgen uit als u crypto niet in uw aangifte hebt aangegeven en bijvoorbeeld wordt betrapt. 

Cryptovaluta en Belastingdienst

Cryptovaluta vertegenwoordigen een waarde. Deze waarde varieert sterk. De waarde die voor uw heffing relevant is, is afhankelijk van de wijze waarop u de cryptovaluta aanhoudt. Bezit van crypto hoort in de basis thuis in box 3. Bent u een actieve particulier (bijvoorbeeld door minen of veel handel), dan kan sprake zijn van heffing in box 1. De kosten zijn dan ook aftrekbaar.

Het kopen van crypto is zelden zichtbaar voor de Belastingdienst. Als de crypto (met forse winst) wordt verkocht, is er echter wel een vermogensstijging zichtbaar, deze kan de Belastingdienst via een vermogensvergelijking wel zien. De Belastingdienst zal dan vragen stellen over de door u ingediende aangifte Inkomstenbelasting.

De Belastingdienst kan dan tot 5 jaar terug een navorderingsaanslag opleggen, als de crypto via het buitenland is aangehouden, kan dit ook 12 jaar zijn. Wij denken dat de Belastingdienst gaat stellen dat crypto kwalificeert als buitenlands vermogen (dus 12 jaar navorderingstermijn).

Tevens zal de Belastingdienst een boete opleggen. Omdat de crypto veelal bewust niet is opgenomen, zal de basisstelling zijn dat sprake is van opzettelijk niet aangeven van vermogen. De boete bedraagt d