print sitemap zoeken disclaimer contact

U bevindt zich hier :Jongbloed Fiscaal Juristen Banners Fiscale Scan
7176 Fiscale Scan https://www.jongbloed-fiscaaljuristen.nl/contact/e-mail_ons/

Fiscale scan van bedrijf?

Vraag hier uw offerte aan

Belastingtips 2022 voor de DGA en de bv

In 2022 zullen diverse wijzigingen worden doorgevoerd voor de directeur-grootaandeelhouder (DGA) en zijn bv('s). In dit artikel een overzicht. Tevens nemen wij diverse tips voor de DGA op.

Wij controleren uw accountant

Heeft u vragen of wilt u belasting besparen? Neem eens contact met ons op of laat een fiscale scan van uw bedrijf en privé situatie maken. In deze fiscale scan controleren wij uw bedrijf (en privé situatie) op ruim 100 onderdelen. We gaan dus een wedstrijdje aan met uw accountant, wie is er slimmer en weet de fiscale mogelijkheden het beste !

Tarief vennootschapsbelasting 2022

Het tarief voor de Vennootschapsbelasting bedraagt 25%. Dit zal de komende jaren zo blijven. Echter voor winsten tot € 245.000 is het tarief in 2021 lager, namelijk 15%. In 2021 wordt dit nog gunstiger, tot een bedrag van € 395.000 bedraagt het tarief 15%. Heeft u een fiscale eenheid voor de Vennootschapsbelasting en winsten boven de € 395.000? Neem dan eens contact met ons op, via een eenvoudige route kunnen wij voor u tienduizende euro's besparen.

Verliesverrekening in de bv in 2022

Verliezen in de bv zijn verrekenbaar met winsten van het vorige jaar en de winsten over de komende 6 jaren. De termijn van 6 jaren komt te vervallen, verliezen zijn dus onbeperkt in de toekomst verrekenbaar. Tevens komt er een minder gunstige regeling. Verliezen tot € 1.000.000 zijn altijd te verrekenen, maar hierboven is nog maar 50% verrekenbaar.

Rekening-courant van de DGA in 2023

Er is een wetsvoorstel (excessief lenen) in de maak. De kern van dit voorstel is dat de DGA vanaf 2023 nog maximaal € 500.000 van zijn bv mag lenen. Lees voor meer informatie onderstaande artikelen. Er is veel kritiek op dit voorstel en de invoering is nog niet zeker.

Verrekening dividendbelasting met vennootschapsbelasting beperkt

Verrekening van dividendbelasting (en kansspelbelasting) met de vennootschapsbelasting wordt beperkt (oorzaak Sofia arrest). Op dit moment kunnen bv's (rechtspersonen) de betaalde dividendbelasting verrekenen met de te betalen vennootschapsbelasting. Wordt er verlies gemaakt in de bv, dan wordt de betaalde dividendbelasting aan de bv terugbetaald. Buitenlandse VPB-plichtigen krijgen de betaalde dividendbelasting niet terug. Dit kan volgens de EU niet door de spreekwoordelijke EU-beugel. Waarschijnlijk wordt de verliessituatie dus anders in de wet opgenomen. Bij verlies krijgt een Nederlandse bv de betaalde dividendbelasting niet meer terug van de Belastingdienst.

Diverse belastingtips 2022 voor de DGA

Als DGA zijn er vele mogelijkheden om belasting te besparen, denk eens aan:

  1. Belastingvrije bedrijfsopvolging
  2. Beperken bijtelling auto van de zaak bij meerdere auto's
  3. Belonen van kinderen en uw partner
  4. Voorkomen verliesverdamping
  5. Terugkeer uit de bv of eenmanszaak naast uw bv
  6. Fiscaal voordelig lenen van uw bv
  7. Eigen woning hypotheek of familiebank via uw bv
  8. Voorzieningen in uw bv voor uw bedrijfspand
  9. Sneller afschrijven van huurdersinvesteringen of materiële vaste activa
  10. Fiscale voordelen door innovatie

Fiscale vragen of fiscale scan

Heeft u vragen of wilt u een keer een fiscale APK van uw bedrijf? Neem dan gerust contact met ons op.

Belastingtips 2022 voor DGA en bv [news] 7213

Excessief lenen: emigratie en immigratie

In dit artikel, behorend bij onze reeks over het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap, gaan wij nader in op de gevolgen van dit wetsvoorstel voor aanmerkelijkbelanghouders (AB-houders) die emigreren of immigreren. Onderaan dit artikel, maar ook links in het menu, treft u snelkoppelingen naar de andere artikelen in deze reeks.

Excessief lenen bij de eigen vennootschap op hoofdlijnen

Wij brengen hier eerst het doel en de strekking van het wetsvoorstel in herinnering. Als gevolg van het wetsvoorstel bestaat er straks een fictief voordeel voor de situatie waarin een AB-houder, zijn partner of een met hem verbonden persoon een te grote schuld heeft uitstaan bij de vennootschap waarin het aanmerkelijk belang wordt gehouden. Indien de totale schuldsom meer bedraagt dan – als startdrempelbedrag - € 500.000, dan wordt het meerdere geacht inkomen uit aanmerkelijk belang te vormen. Dat leidt tot belastingheffing in box 2. Het box 2 tarief in 2021 bedraagt 26,9%.

Fiscale problematiek bij emigratie / immigratie AB-houders

Aanmerkelijkbelanghouders dienen bij emigratie of immigratie altijd rekening te houden met de fiscale aspecten. Bij emigratie is het zo dat sprake is van een fictieve vervreemding. Dat betekent dat over de vervreemdingswinst, die niet ‘echt’ wordt genoten, afgerekend moet worden met de Belastingdienst. Voor dit inkomen wordt een conserverende aanslag opgelegd. In tegenstelling tot wat vroeger het geval was, wordt deze conserverende aanslag niet na 10 jaar kwijtgescholden. Voor een conserverende aanslag kan uitstel van betaling worden verleend, afhankelijk van de omstandigheden kan dit zelfs renteloos zijn.

Bij immigratie geldt dat de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang moet worden vastgesteld. Indien sprake is van een vennootschap die naar Nederlands recht is opgericht of indien de immigrant eerder in Nederland heeft gewoond, zal de verkrijgingsprijs worden gesteld op de historische verkrijgingsprijs.

Excessief lenen en emigratie AB-houder

Ook bij excessief lenen heeft emigratie gevolgen voor de AB-houder. Wij beschreven hiervoor dat een fictief vervreemdingsvoordeel in aanmerking wordt genomen. Anders gezegd: er wordt gedaan alsof u de aandelen verkoopt. Indien u in het verleden geconfronteerd bent met een fictief regulier voordeel als gevolg van een te grote schuldsom, dan mag u een negatief fictief regulier voordeel in aanmerking nemen. Zoals uitgebreider uitgelegd in het artikel over het wetsvoorstel, is het negatief fictief regulier voordeel de tegenhanger van de box 2 heffing die u voldoet omdat u een te groot schuldbedrag heeft. Door deze systematiek wordt dubbele belastingheffing voorkomen. Hierna volgt een voorbeeld ter verduidelijking.

Een AB-houder heeft een schuld van € 750.000 aan zijn bv. Het bedrag dat de drempel van € 500.000 te boven gaat, wordt als regulier voordeel in aanmerking genomen. Dat bedrag bedraagt € 250.000. Het maximumbedrag (de drempel) bedraagt na deze gebeurtenissen € 750.000.

De AB-houder gaat later emigreren. De waarde van zijn aandelen in de bv bedraagt op dat moment € 1.100.000. De verkrijgingsprijs van de aandelen wordt gesteld op € 200.000. Het vervreemdingsvoordeel (fictief) wordt altijd gesteld op de waarde in het economisch verkeer – de verkrijgingsprijs. Het vervreemdingsvoordeel bedraagt derhalve € 900.000.

Op grond van dit wetsvoorstel wordt het vervreemdingsvoordeel vervolgens nog verminderd. Deze vermindering bedraagt het eerder in aanmerking genomen regulier voordeel (fictief) als gevolg van het excessief lenen. Dit voordeel bedroeg € 250.000. Deze € 250.000 komt dus in mindering op het vervreemdingsvoordeel van € 900.000.

Er volgt in dit voorbeeld dan een conserverende aanslag voor een vervreemdingsvoordeel van (per saldo) € 650.000, hetgeen resulteert in een aanslag van (naar huidig tarief van 26,9%) € 174.850.

Waardemutaties op de schuld in het jaar van de emigratie hebben geen effect op de uitkomst indien die voor de emigratie plaatsvinden.

Bij een conserverende aanslag horen altijd spelregels. Standaard is de regel dat de conserverende aanslag wordt beëindigd (en dus belasting wordt geheven), zodra u over het inkomen in Nederland belasting bent verschuldigd. Met de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel komt er een spelregel bij. Het uitstel van betaling wordt eveneens beëindigd voor zover bovenmatige schulden ontstaan of toenemen na de emigratie van de AB-houder. Net als wanneer u in Nederland was blijven wonen, bent u dan belasting verschuldigd over een fictief regulier voordeel. Hierna volgt een voorbeeld.

Een AB-houder heeft een schuld van € 750.000 bij zijn bv. Hij heeft hierover al eens een regulier fictief voordeel van € 250.000 voldaan, dus zijn maximumbedrag is ook € 750.000. Later emigreert de AB-houder. Ervan uitgaande dat het fictieve vervreemdingsvoordeel € 800.000 bedraagt, wordt de conserverende aanslag vastgesteld met een box 2 inkomen van € 550.000 (€ 800.000 - € 250.000). De belastingheffing hierover bedraagt, uitgaande van het huidige percentage van 26,9%, € 147.950.

In het jaar na de emigratie besluit de AB-houder nog eens € 50.000 te lenen van zijn vennootschap. Zijn totale lening bedraagt dan € 800.000. Het uitstel van betaling wordt nu ingetrokken voor een bedrag van € 50.000 * het AB-tarief (26,9%), hetgeen betekent dat een bedrag van € 13.450 moet worden voldaan. Wij merken volledigheidshalve op dat dit voorbeeld is geschreven zonder aandacht voor verdragstoepassing.

Uitzondering excessief lenen en emigratie AB-houder

Het kan voorkomen dat u na emigratie dividend uitkeert, juist bedoeld om die excessieve schuld af te lossen. Zonder nadere regels wordt echter bij het uitkeren van dividend, voor een deel van de conserverende aanslag het uitstel van betaling ingetrokken. Indien u als AB-houder aannemelijk kunt maken dat het totaal aan schulden is afgenomen ten opzichte van het vorige jaar, dan kan beëindiging van het uitstel achterwege blijven. Deze uitzondering geldt slechts voor zover in een nationale situatie een negatief fictief regulier voordeel in aanmerking genomen zou kunnen worden.

Excessief lenen en immigratie AB-houder

Ook bij excessief lenen heeft immigratie voor een AB-houder fiscale gevolgen. Vanaf het moment dat de persoon in Nederland gaat wonen, valt hij immers onder de Nederlandse fiscale verplichtingen en daar hoort het box 2 regime bij. Nederland wenst zich daarnaast in te spannen om immigratie zo min mogelijk te laten belemmeren door fiscaliteit. Het maximumbedrag van de schuldsom (de drempel) wordt daarom gesteld op het op dat moment aanwezige schuldbedrag van de AB-houder (en de aan hem toegerekende schulden van bijvoorbeeld een partner). De ondergrens daarbij bedraagt de bekende € 500.000. Hiermee wordt dubbele belastingheffing vermeden.

Zetelverplaatsing vennootschap en excessief lenen

Wat zich ook voor kan doen, is dat de vennootschap de werkelijke leiding verplaatst. Ook dit wordt aangemerkt als een fictieve vervreemding waarvoor een conserverende aanslag wordt opgelegd. De grondslag voor deze conserverende aanslag kan echter worden verlaagd met het bedrag dat als negatief fictief regulier voordeel in aanmerking genomen zou zijn genomen, indien de AB-houder de leiding niet had verplaatst en de schulden had afgelost. Hiermee wordt dubbele belastingheffing voorkomen. Indien een buitenlands belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft in meerdere vennootschappen, vindt deze regel pas toepassing zodra de laatste van de vennootschappen Nederland verlaat. Dit is anders ingeval van fictieve vestiging, waarop wij in dit artikel niet nader ingaan. Een voorbeeld ter verduidelijking.

De AB-houder is buitenlands belastingplichtig. De vennootschap is in Nederland gevestigd. De AB-houder leent € 700.000, hetgeen meer is dan de startdrempel van € 500.000. Een bedrag van € 200.000 wordt als fictief regulier voordeel in aanmerking genomen en het maximumbedrag wordt verhoogd naar € 700.000.

De vennootschap verplaatst later de werkelijke leiding naar het buitenland. Dat is een fictieve vervreemding en dus volgt een conserverende aanslag. Stel dat de waarde van de aandelen € 1.000.000 bedraagt en de verkrijgingsprijs € 100.000, dan bedraagt het vervreemdingsvoordeel € 900.000.

Dit bedrag wordt nog verminderd met het bedrag met € 200.000, waardoor de conserverende aanslag wordt berekend over een box 2 inkomen van € 700.000.

Fiscaal jurist over excessief lenen en emigratie / immigratie

Emigratie en immigratie zijn fiscaal altijd ingewikkelde onderwerpen. Met name als er sprake is van bijvoorbeeld diverse pensioenpotjes, aandelen in vennootschappen en / of een eigen onderneming, kan er veel geregeld moeten worden. De invoering van het wetsvoorstel excessief lenen maakt dat er weer een onderwerp bijkomt waar bij emigratie – in dit geval van een aanmerkelijkbelanghouder – rekening mee moet worden gehouden. Dat geldt overigens ook bij immigratie of remigratie. Het geheel aan regels bij het verlaten en / of terugkeren naar Nederland wordt er daarmee niet eenvoudiger op.

Het verplaatsen van de zetel van een vennootschap kan eveneens gevolgen hebben. Accountants en adviseurs zullen daarom scherp moeten zijn op het beoordelen van schuldverhoudingen in grensoverschrijdende situaties, indien deze schulden zijn aangegaan ten behoeve van de DGA, zijn partner of een verbonden persoon. Aangezien deze personen niet altijd dezelfde achternaam hebben, is het van belang om steeds en tijdig de juiste vragen te stellen. Vragen hierover? Neem dan gerust eens contact op met één van de auteurs van dit artikel.

Excessief lenen bij emigratie en immigratie [news] 2021-07-23 0000-00-00 0000-00-00 7096

Beantwoording vragen wet excessief lenen bij de eigen vennootschap (1)

In dit artikel, behorend bij onze reeks over het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap, gaan wij nader in op de uitgebreide beantwoording van vragen die zijn opgekomen naar aanleiding van het wetsvoorstel. Onderaan dit artikel, maar ook links in het menu, treft u snelkoppelingen naar de andere artikelen in deze reeks. 

Op 18 december 2020 is deze beantwoording gepubliceerd. Het complete document telt bijna 60 pagina’s. Wij volstaan in dit artikel met het beschrijven van verduidelijkingen en / of opmerkelijkheden.

U leest hier meer over de werking van dit wetsvoorstel in het algemeen.

Excessief lenen bij de eigen vennootschap op hoofdlijnen 

Wij brengen op deze plaats eerst het doel en de strekking van het wetsvoorstel in herinnering. Als gevolg van het wetsvoorstel bestaat er straks een fictief voordeel voor de situatie waarin een aanmerkelijkbelanghouder, zijn partner of een met hem verbonden persoon een te grote schuld heeft uitstaan bij de vennootschap waarin het aanmerkelijk belang wordt gehouden. Indien de totale schuldsom meer bedraagt dan – als startdrempelbedrag - € 500.000, dan wordt het meerdere geacht inkomen uit aanmerkelijk belang te vormen. Dat leidt tot belastingheffing in box 2. Het box 2 tarief in 2021 bedraagt 26,9%. Met deze wet probeert de wetgever een fiscaalrechtelijke oplossing te creëren voor het tegengaan van belastinguitstel en -afstel dat zich voordoet bij excessief lenen van de eigen vennootschap. Ter illustratie het volgende voorbeeld. Belastingafstel doet zich voor indien een aanmerkelijkbelanghouder niet in staat is de belasting te betalen over de vordering die de vennootschap op hem heeft. Dit doet zich vaak voor als de onderneming failliet gaat. Er zijn dan eenvoudigweg geen middelen meer om de belastingschuld af te lossen. Met dit voorstel wordt de heffing van naar voren gehaald in de tijd, zodat uitstel en afstel zich niet (of in mindere mate) voordoen.

Wij gaan hierna in op de beantwoording van vragen uit de Tweede Kamer. Daarbij komen achtereenvolgens de volgende onderwerpen aan bod:

  • Anticipatiegedrag;
  • Tegenbewijsregeling;
  • De uitgezonderde eigenwoningschuld;
  • Reikwijdte van de maatregel / anti-ontgaan;
  • Bestaande afspraken met de Belastingdienst;
  • Herkwalificatie van leningen;
  • Schulden van de partner en verbonden personen;
  • Dubbele heffing voorkomen;
  • Emigratie;
  • Overgangsrecht.

Anticipatiegedrag en excessief lenen

De wet excessief lenen is jaren geleden al aangekondigd. Dat maakt dat het voor belastingplichtigen mogelijk is om te anticiperen op de inwerkingtreding. Dat is volgens de wetgever ook gebeurd. Uit de aangiften inkomstenbelasting over het jaar 2019 blijkt dat er meer dividend is uitgekeerd. Dat zal enerzijds komen door de aankondiging van deze maatregel en anderzijds door de tariefverhoging voor box 2 per 2020 en 2021. In 2019 bedroeg het tarief voor de laatste keer 25%. In 2020 was het tarief 26,25% en per 2021 gaat het over 26,9%. De wetgever heeft niet in beeld hoeveel van de extra dividenduitkeringen zijn benut om schulden aan de eigen vennootschap af te lossen.

Tegenbewijsregeling en excessief lenen

Al vanaf het moment dat deze wetgeving werd aangekondigd, is gesproken over mogelijke alternatieven. Een veelgehoord argument is dat deze wetgeving kan leiden tot overkill. Immers, ook leningen die volledig zakelijk en goed aflosbaar zijn, worden in deze heffing betrokken. Een oplossing die regelmatig is voorgesteld, is het opnemen van een zogenaamde tegenbewijsregeling. Het is dan mogelijk om onderscheid te maken naar soorten leningen. De wetgever wil hier echter niet aan beginnen. Gelet op het doel van de wetgeving. is het verantwoord - in de ogen van de wetgever – om in principe alle schuldverhoudingen in de heffing te betrekken. Daarnaast leidt zo'n tegenbewijsregeling tot uitvoeringscomplexiteit voor de Belastingdienst. Een argument dat de afgelopen jaren overigens vaker uit de kast wordt gehaald om maatwerk tegen te gaan, zo valt ons op. Een tegenbewijsregeling of verzachting van de mogelijk harde uitwerking van deze wetgeving lijkt vooralsnog echter niet tot de mogelijkheden te behoren.

De eigenwoningschuld en excessief lenen

Zoals bekend is de eigenwoningschuld uitgezonderd van het wetsvoorstel excessief lenen. Nu kan zich echter een bijzonderheid voordoen. In Nederland zijn er veel mensen bij wie niet de gehele geldlening voor de eigen woning als eigenwoningschuld kwalificeert. Dat kan bijvoorbeeld komen doordat er een eigenwoningreserve is. Het gevolg is dan dat een deel van de geldlening in box 1 zit als eigenwoningschuld en de rest van de geldlening in box 3. Het deel dat in box 3 valt kwalificeert niet als eigenwoningschuld in de zin van de eigenwoningregeling.

Uitsluitend een eigenwoningschuld in de zin van box 1 kan voor de nieuwe wetgeving kwalificeren als een eigenwoningschuld die is uitgezonderd van de wetgeving inzake excessief lenen. Daarnaast dient een hypothecair zekerheidsrecht te zijn gevestigd. Het is dus belangrijk hier goed naar te kijken voordat een omvangrijke geldlening wordt aangegaan bij de eigen vennootschap.

Reikwijdte wet excessief lenen

Nieuwe maatregelen leiden vaak tot creatief gedrag waarmee de beoogde gevolgen door belastingplichtigen worden ontweken. Het is daarom niet vreemd dat in de Kamer direct wordt gevraagd of de wetgever hiermee rekening heeft gehouden. Dat is volgens de wetgever het geval. Zo is opgenomen dat leningen die rechtens dan wel in feite direct of indirect of via een verbonden persoon zijn verstrekt, ook onder deze wetgeving zullen vallen. Gezien de vorige zinsnede zullen ook zogenaamde back-to-back situaties onder de maatregel vallen. Dat zijn situaties waarin schuldverhoudingen zo worden gestructureerd, dat niet van een letterlijke maar wel van een feitelijke samenhang kan worden gesproken. De wetgever haalt het volgende voorbeeld aan. Een belastingplichtige die geld leent bij een bank, waarbij de eigen vennootschap zich op alle punten garant stelt. Een ander voorbeeld is het aangaan van een deposito bij de bank door de eigen vennootschap, waarna het geld wordt geleend – onder nagenoeg dezelfde voorwaarden – aan de belastingplichtige.

Een andere situatie die is geschetst, is de zogenaamde kruislening. Aanmerkelijkbelanghouders die niet kwalificeren als partners of verbonden personen van elkaar, gaan elkaar dan grote sommen geld lenen. Dat valt echter niet direct binnen de kaders van deze wetgeving, omdat geen sprake is van een lening aan de aanmerkelijkbelanghouder, de partner daarvan of een verbonden persoon. De aanmerkelijkbelanghouders zijn immers niet met elkaar verbonden. De wetgever meent dit op te kunnen vangen door een beroep te doen op het feit dat rechtens dan wel in feite direct of indirect geld wordt geleend. Wij voorzien op dit onderdeel voor de periode na inwerkingtreding veel discussies met de Belastingdienst.

Bestaande afspraken over lening bij eigen vennootschap

Veel belastingplichtigen hebben de afgelopen jaren afspraken gemaakt met de Belastingdienst over de schuld aan de eigen vennootschap. Over het algemeen betreft het afspraken over de hoogte van de rente en de omvang van de aflossingen. In vrijwel alle overeenkomsten met de Belastingdienst is opgenomen dat de afspraak kan vervallen bij een relevante wetswijziging. Daarvan is hoogstwaarschijnlijk sprake. De kans bestaat – en is volgens ons zelfs aanzienlijk – dat dan alsnog belastingheffing plaats zal vinden. Reken u dus niet rijk indien u nu een passende afspraak heeft liggen.

Herkwalificatie en excessief lenen bij eigen vennootschap

De Belastingdienst neemt regelmatig het standpunt in dat een geldlening eigenlijk een verkapte winstuitdeling is. Daarover kan vervolgens een discussie worden gevoerd. Indien de Belastingdienst in het gelijk wordt gesteld, zal zich iets bijzonders voordoen. Er is dan namelijk een geldlening die onder dit wetsvoorstel valt, maar aan de andere kant ook een winstuitdeling die eveneens in box 2 valt. Dat leidt zonder nadere maatregelen tot dubbele belastingheffing. Voor deze situatie is in de wet een uitzondering opgenomen die deze dubbele belastingheffing voorkomt.

Schulden van de partner en verbonden personen bij de eigen vennootschap

Niet alleen de schulden van de belastingplichtige die het aanmerkelijk belang houdt, maar ook de schulden van de partner en verbonden personen tellen mee. De belastingplichtige en zijn partner worden voor één gezamenlijk plafond van € 500.000 met rust gelaten. De reden dat er niet sprake is van een persoonsgebonden niveau, is het voorkoming van de uitholling van de grondslag door eenvoudigweg geld aan de partner uit te gaan lenen.

Indien sprake is van een fiscaal partner, kan gebruik worden gemaakt van het schuiven met gemeenschappelijke inkomensbestanddelen. Het fictief regulier voordeel behoort hier namelijk toe. De belastingplichtige en zijn partner kunnen dus samen kiezen aan wie het voordeel wordt toegerekend. Voor de hoogte van de heffing kan dit forse gevolgen hebben, dus denk hier goed over na of laat u goed adviseren. Indien geen keuze wordt gemaakt, wordt het inkomensbestanddeel aan ieder voor de helft toegerekend.

Ook de regels over verbonden personen roepen veel vragen op. Daarbij geldt als hoofdlijn het volgende. Tot de groep van verbonden personen behoren bloed- en aanverwanten in de rechte lijn van de belastingplichtige of zijn partner. Voor schulden die een verbonden persoon rechtens dan wel in feite direct of indirect heeft aan de vennootschap van de aanmerkelijkbelanghouder, geldt dat deze worden toegerekend aan de aanmerkelijkbelanghouder indien het bedrag hoger is dan het maximum. Een lening via de verbonden persoon, voor de aanmerkelijkbelanghouder, wordt aan de aanmerkelijkbelanghouder toegerekend. Dit geldt indien de verbonden persoon zelf geen aanmerkelijk belang in die vennootschap heeft. Heeft de verbonden persoon echter zelf een aanmerkelijk belang, dan is de regeling van toepassing op de verbonden persoon zelf en wordt gekeken naar de eigen schuld aan de vennootschap en het maximum bedrag.

Stel dat er sprake is van drie verbonden personen. Uit de toelichting van de wetgever komt naar voren dat het mogelijk is om aan alle drie een lening te verstrekken van € 499.000, zonder dat belastingheffing op grond van deze wetgeving plaatsvindt. Het is dan niet mogelijk om het geld weer door te lenen aan de aanmerkelijkbelanghouder zelf; dat wordt opgevangen door de back-to-back bestrijding. Uiteraard staan de Belastingdienst nog wel de gebruikelijke middelen zoals herkwalificatie en de onzakelijkheid van de lening ter beschikking om dergelijke transacties te bestrijden.

Voorkomen dubbele heffing bij excessief lenen

Zoals in ons uitgebreide artikel toegelicht, wordt dubbele heffing voorkoming door toekenning van een negatief fictief regulier voordeel bij een afnemende schuldpositie. Het benutten van dit negatieve voordeel verloopt echter volgens de reguliere regels voor verliezen in box 2 (aanmerkelijk belang). Naar huidig recht kan dan worden verrekend met inkomen uit aanmerkelijk belang uit het vorige jaar of in de komende zes jaar. Bij afwezigheid van het aanmerkelijk belang kan het verlies worden omgezet in een belastingkorting die in box 1 kan worden benut. Voorgaande maakt echter ook duidelijk dat de mogelijkheid bestaat dat verliezen niet benut kunnen worden, als gevolg waarvan dubbele heffing toch plaatsvindt. De wetgever lijkt hier geen oplossing voor te gaan bieden.

Emigratie en excessief lenen

Wij schreven eerder een artikel over emigratie en het wetsvoorstel excessief lenen. Voor een uitgebreide toelichting op de praktijk daaromtrent verwijzen wij daarnaar. Uit de beantwoording volgt met name dat internationale situaties voor de praktijk nog een uitdaging zullen worden, waarbij nuances en de uitleg van belastingverdragen van cruciaal belang zijn. De wetgever heeft toegelicht hoe deze wetgeving in het algemeen zal uitwerken. Bij verdragstoepassing zal eerst de vraag zijn of de excessieve lening als verkapt dividend wordt aangemerkt. Indien dat niet het geval is, heeft Nederland onder de meeste belastingverdragen geen heffingsrecht. In het buitenland wonende aanmerkelijkbelanghouders die geëmigreerd zijn hebben veelal een conserverende aanslag verkregen. Deze ziet op de waardeaangroei van het aanmerkelijk belang in de Nederlandse periode. Het verleende uitstel op de conserverende aanslag wordt voor hen ingetrokken voor een excessieve lening die na emigratie wordt verstrekt of toeneemt. Vooralsnog zal de wetgever niet gaan heronderhandelen over belastingverdragen op dit gebied. Het volgende voorbeeld is afgeleid van de toelichting:

Voorbeeld emigratie en excessief lenen

Een inwoner van Nederland heeft een aanmerkelijk belang in een in Duitsland gevestigd vennootschap. Hij leent meer dan € 500.000 en dus ontstaat een regulier fictief voordeel. In het jaar daarna wordt dividend uitgekeerd waarmee de lening wordt afgelost. Naar Nederlands recht zal dat leiden tot een negatief fictief regulier voordeel. Op die manier wordt dubbele heffing voorkomen. Dit kan echter complex worden indien Duitsland bronbelasting op de dividenduitkering inhoudt. Deze kan in Nederland voor verrekening in aanmerking komen, maar mogelijk is de belastingheffing in box 2 dan onvoldoende om de Duitse bronbelasting volledig te kunnen verrekenen. Deze bronbelasting kan overigens worden voortgewenteld.

Overgangsrecht wet excessief lenen bij de eigen vennootschap

Deze wetgeving gaat in per 1 januari 2023. Diverse partijen vragen zich af of het niet netter is om bestaande schuldverhoudingen bij wijze van overgangsrecht te respecteren, in plaats van via deze wetgeving in de belastingheffing te betrekken. Hier wil de wetgever echter vooralsnog niets van weten. Als gevolg van de coronacrisis is de datum van inwerkingtreding nu gesteld op 1 januari 2023 en belastingplichtigen hebben daardoor – volgens de wetgever – voldoende tijd om zich voor te bereiden op deze nieuwe wetgeving.

Een bekend voorbeeld is dat van ondernemers die op zakelijke gronden geld lenen van de eigen vennootschap, om daarmee beleggingsvastgoed aan te schaffen. Indien deze leningen boven het maximumbedrag uitkomen, is straks belastingheffing over het meerdere verschuldigd, terwijl het geld in stenen zit. Uit de beantwoording van de gestelde vragen komt naar voren dat voor deze groep geen tegemoetkoming wordt gezocht. In de ogen van de wetgever is onder andere het te gelde maken van het vastgoed (verkoop) een manier om de belastingheffing te kunnen voldoen. Deze groep hoeft dus niet uit te zien naar extra overgangsrecht of tegemoetkomingen. Illustratief is het verzoek van een aantal politieke partijen om een tijdelijke vrijstelling voor de overdrachtsbelasting te creëren, zodat het vervreemden van met geleend geld aangekocht beleggingsvastgoed aan bijvoorbeeld de eigen vennootschap vergemakkelijkt wordt. Hier wil de wetgever niet aan.

Advisering wet excessief lenen bij de eigen vennootschap

1 Januari 2023 is ver weg en de eerste peildatum van 31 december 2023 nog verder. Echter, de praktijk leert dat veel leningen bij de eigen vennootschap redelijk vast zitten en dat zonder meer aflossen vaak niet tot de mogelijkheden behoort. In deze fase lukt het ons in veel gevallen om samen met de belastingplichtige toch een oplossing te vinden, bijvoorbeeld door middel van kleine herstructureringen of het overdragen van vermogensbestanddelen. Het is echter van belang om hier tijdig mee te beginnen en een fiscaal jurist bij het dossier te betrekken. Deze kan, indien nodig, ook schakelen met uw accountant of andere financieel dienstverlener. Zo bent u tijdig en optimaal voorbereid op deze – harde – wetgeving.

Vragen excessief lenen [news] 7200

Excessief lenen bij de eigen vennootschap

Reeds in 2018 is het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap aangekondigd. Het wetsvoorstel leidt er kortgezegd toe dat de aanmerkelijkbelanghouder geconfronteerd wordt met een fictief voordeel, indien de totale schuldpositie te hoog is. Daarbij tellen ook schulden van de partner en verbonden personen mee. Het komt er dan op neer dat belasting wordt geheven over een voordeel dat niet daadwerkelijk is genoten. Dit kan leiden tot financiële problematiek. Dit wetsvoorstel leidt mede als gevolg hiervan tot veel discussie.

Inwerkingtreding wetsvoorstel excessief lenen bij eigen vennootschap

Als gevolg van de coronacrisis is de inwerkingtreding van deze wetgeving een jaar uitgesteld. De wet gaat in op 1 januari 2023. Dat betekent dat de eerste peildatum voor de schulden aan de eigen vennootschap, 31 december 2023 is. Tot deze datum hebt u nog de tijd om te anticiperen op deze nieuwe wetgeving.

Artikelenserie en updates wetsvoorstel excessief lenen

In deze rubriek treft u al onze artikelen over het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap. Sommige artikelen zijn algemeen van aard en andere gaan in op speciale problematiek of toelichtingen door de wetgever. Wij hopen u daarmee een volledig beeld van deze wetgeving te kunnen bieden.

Advies bij excessief lenen van de eigen vennootschap

Wij helpen u graag om de belastingdruk te beperken. Dit wetsvoorstel leidt tot belastingheffing over inkomen dat niet daadwerkelijk is genoten. Hoe eerder u uw schuldposities beoordeelt en hierop actie onderneemt, hoe meer er mogelijk is om deze heffing te voorkomen. Neem daarom gerust contact op met een van de specialisten onderaan dit artikel.

Excessief lenen bij de eigen vennootschap [news] 2021-07-01 0000-00-00 0000-00-00 7094

Oplossingen voor wetsvoorstel excessief lenen DGA

Excessief lenen directeur-grootaandeelhouder

DGA's zien de B.V. nog te vaak als hun eigen portemonnee. De bankrekening van de B.V. wordt als pinautomaat gebruikt voor de bestedingen van de DGA. Er ontstaat dan een lening en er wordt dus geen belastingheffing voldaan. Dit wil het kabinet beperken. De nieuwe wetgeving is aangekondigd per 2023.  

Of deze wetgeving het gaat halen is nog maar de vraag, er is vanuit de Raad van State, de Nederlandse Orde voor Belastingadviseurs en de Tweede Kamer veel kritiek op dit wetsvoorstel. Het is onnodig, complex en op onderdelen onjuist, is de veel gehoorde kritiek.

DGA-tax 2023

De DGA-tax is een strafheffing die vermoedelijk in 2023 wordt ingevoerd, dit was 2022 maar is uitgesteld. Over deze wetgeving is nog veel onduidelijk, maar de gevolgen lijken vrij stevig. In dit artikel monitoren wij de stand van de wetgeving en de mogelijkheden en onmogelijkheden. Een tijdige voorbereiding is wenselijk.

DGA strafheffing bij excessief of bovenmatig lenen

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) die veel van zijn B.V. heeft geleend wordt in 2023 stevig aangepakt. De nieuwe wetgeving zal vermoedelijk gevolgen hebben voor ruim 10.000 DGA's. De wetgever wil de opnamen van de DGA uit zijn eigen holding / B.V. aan banden gaan leggen. De Belastingdienst ziet het excessief lenen van de eigen B.V. als belastingontduiking en krijgt hier nu ook een wettelijke regeling voor.

Als u meer dan € 500.000 van uw B.V. heeft geleend, moet u opletten !

Excessief lenen van de B.V. door de DGA

Als er meer dan € 500.000 is geleend van de B.V. door de DGA, is sprake van een excessieve lening, aldus het nieuwe voorstel. In het kort de voorwaarden en regels:

  • Het moet gaan om een lening aan de DGA.
  • De lening moet hoger zijn dan € 500.000.
  • De DGA moet direct of indirect een aanmerkelijk belang in de B.V. bezitten.
  • De leningen van de verschillende rechtspersonen worden bij elkaar geteld.
  • Waar de lening voor is gebruikt is grotendeels niet relevant (box 3 / consumptief).
  • Leningen voor de eigen woning worden buiten beschouwing gelaten.
  • Voor leningen voor de eigen woning die na 1 januari 2022 worden verstrekt moet een hypothecaire zekerheid worden gesloten.
  • Leningen aan kinderen en (schoon-)ouders tellen mee indien deze hoger zijn dan € 500.000, het meerdere wordt dan bij de € 500.000 van de DGA opgeteld.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt vermoedelijk niet geïndexeerd.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt niet verdubbeld als de DGA een fiscale partner heeft.

Oplossingen voor geen excessieve lening

De Belastingdienst zal vanaf 2019 strenger optreden tegen DGA's met een rekening-courantschuld. Vanaf 2022 moet de DGA leningen gaan aflossen of dividend gaan uitkeren. Doet de DGA niets, dan geldt vanaf 2023 een fictie (en dus heffing van dividendbelasting). Het betreft thans nog een wetsvoorstel, maar er komt zeker een regeling aan. Oplossingen voor de nieuwe regeling zijn:

  1. Dividend uitkeren zodat schuld niet bovenmatig is.
  2. Overdragen activa waar de bovenmatige schulden mee samenhangen aan de B.V. (bij voorkeur op hoogtepunt van de markt, met waardering deskundige).
  3. Vermijden fiscaal partnerschap zodat de drempel 2x € 500.000 gaat bedragen.
  4. Aangaan van een personenvennootschap, waarbij de DGA de schuld inbrengt en tevens de activa welke hiermee direct samenhangen (bijvoorbeeld pand en lening). Hierbij moet de B.V. dan ook activiteiten inbrengen, het geheel moet een onderneming vormen. Vervolgens kan het aandeel van de DGA geruisloos worden ingebracht in de B.V. (geen overdrachtsbelasting etc.).
  5. Overdragen bezittingen, beleggingen of spaargeld aan de B.V. (ter aflossing van de schuld).
  6. Oversluiten van leningen bij externe partijen (vrienden of bancaire instellingen).
  7. Overdragen van bezittingen (met de bijbehorende schuld) door de DGA aan zijn kind(eren), mits de kinderen geen aandelen in de B.V. hebben. Bijvoorbeeld een beleggingspand van de DGA wordt (met schuld aan de B.V.) overgedragen aan de zoon of dochter, eventueel via een stichting die de activa gaat certificeren. Hiermee kan de DGA het stemrecht behouden (waardeontwikkeling bij de kinderen).
  8. Op dit moment wordt ook nagedacht over structuren waarbij een C.V. wordt gevormd in combinatie met overdracht van een beleggingspand. Of dit werkt wordt in 2020 bezien.

Oplossingen excessief lenen [news] 2021-02-22 0000-00-00 0000-00-00

Wellicht komt er voor de DGA een nieuwe wet in 2023 die het lenen van de B.V. moet beperken. De invoering is uiterst onzeker, maar je weet nooit! Wat zijn mogelijke oplossingen voor de nieuwe wet?

6891

Excessief lenen directeur-grootaandeelhouder

We zien in de praktijk dat DGA's massaal van hun B.V. lenen. Er zal dan geen belastingheffing over de lening plaatsvinden. De Belastingdienst trekt ten strijde tegen deze leningen. Nu nog via brieven en procedures en vanaf 2023 ook met nieuwe wetgeving in de hand.  Of deze wetgeving het gaat halen is nog maar de vraag, er is vanuit de Raad van State, de Nederlandse Orde voor Belastingadviseurs en de tweede kamer veel kritiek op dit wetsvoorstel. Het is onnodig, complex en op onderdelen onjuist, is de veel gehoorde kritiek.

DGA Tax 2023

De DGA-tax is een strafheffing die vermoedelijk in 2023 wordt ingevoerd, dit was 2022 maar is uitgesteld. Over deze wetgeving is nog veel onduidelijk, maar de gevolgen lijken vrij stevig. In dit artikel monitoren wij de stand van de wetgeving en de mogelijkheden en onmogelijkheden. Een tijdige voorbereiding is wenselijk.

Update 17 juni 2020

Het wetsvoorstel ligt sinds 17 juni 2020 bij de tweede kamer (dit voorstel kunt u hier raadplegen). Vanaf 2023 worden DGA's (AB houders) beperkt in het geld lenen van hun BV (tot maximaal € 500.000), met uitzondering van bestaande eigenwoning schulden. Het gaat om 11.000 DGA's die iets moeten veranderen in de afspraken met hun BV.

Update 24 april 2020

Het wetsvoorstel excessief lenen door de DGA van zijn eigen BV wordt uitgesteld tot eind 2023. Schulden van de DGA aan zijn eigen BV die hoger zijn dan € 500.000 kunnen hiermee later worden afgelost (is exclusief eigen woning schulden).

DGA strafheffing bij excessief of bovenmatig lenen

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) die veel van zijn B.V. heeft geleend wordt in 2022 stevig aangepakt. De nieuwe wetgeving zal vermoedelijk gevolgen hebben voor ruim 10.000 DGA's. De wetgever wil de opnamen van de DGA uit zijn eigen holding / B.V. aan banden gaan leggen. De Belastingdienst ziet het excessief lenen van de eigen B.V. als belastingontduiking en krijgt hier nu ook een wettelijke regeling voor.

Als u meer dan € 500.000 van uw B.V. heeft geleend moet u opletten !

Dividenduitkering DGA en belastingheffing

Als een DGA dividend ontvangt van zijn B.V., moet hij hierover 26,25% Box 2 heffing betalen (wordt in 2021  26,9%). Een dividenduitkering zal het eigen vermogen (winstreserve) in de B.V. verlagen. Bij een dividenduitkering moet de B.V. 15% dividend belasting inhouden, de overige 11,25% wordt in privé (inkomstenbelasting) opgelegd.

  • Bij een dividenduitkering van € 300.000 moet in totaal ruim € 78.000 aan dividendbelasting worden betaald. Bij de uitkering moet de B.V. € 45.000 betalen, in privé moet de DGA dan nog € 33.000 betalen.

Excessief lenen van de B.V. door de DGA

Als er meer dan € 500.000 is geleend van de B.V. door de DGA, is sprake van een excessieve lening, aldus het nieuwe voorstel. In het kort de voorwaarden en regels:

  • Het moet gaan om een lening aan de DGA.
  • De lening moet hoger zijn dan € 500.000.
  • De DGA moet direct of indirect een aanmerkelijk belang in de B.V. bezitten.
  • De leningen van de verschillende rechtspersonen worden bij elkaar geteld.
  • Waar de lening voor is gebruikt is grotendeels niet relevant (box 3 / consumptief).
  • Leningen voor de eigen woning worden buiten beschouwing gelaten.
  • Voor leningen voor de eigen woning die na 1 januari 2022 worden verstrekt moet een hypothecaire zekerheid worden gesloten.
  • Leningen aan kinderen en (schoon) ouders tellen mee indien deze hoger zijn dan € 500.000, het meerdere wordt dan bij de € 500.000 van de DGA opgeteld.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt vermoedelijk niet geïndexeeerd.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt niet verdubbeld als de DGA een fiscale partner heeft.

Conclusie fiscaal jurist over rekening-courant DGA

De Belastingdienst zal vanaf 2019 strenger optreden tegen DGA's met een rekening-courantschuld. Vanaf 2022 moet de DGA leningen gaan aflossen of dividend gaan uitkeren. Doet de DGA niets, dan geldt vanaf 2023 een fictie (en dus heffing van dividendbelasting). Het betreft thans nog een wetsvoorstel, maar er komt zeker een regeling aan. Oplossingen voor de nieuwe regeling zijn:

  1. Dividend uitkeren zodat schuld niet bovenmatig is.
  2. Overdragen activa waar de bovenmatige schulden mee samenhangen aan de BV (bij voorkeur op hoogtepunt van de markt, met waardering deskundige)
  3. Vermijden fiscaal partnerschap zodat de drempel 2x € 500.000 gaat bedragen.
  4. Aangaan van een personenvennootschap waarbij de DGA de schuld inbrengt en tevens de activa welke hiermee direct samenhangen (bijvoorbeeld pand en lening), hierbij moet de BV dan ook activiteiten inbrengen, het geheel moet een onderneming vormen. Vervolgens kan het aandeel van de DGA geruisloos worden ingebracht in de BV (geen overdrachtsbelasting etc.)
  5. Overdragen bezittingen, beleggingen of spaargeld aan de B.V. (ter aflossing van de schuld).
  6. Oversluiten van leningen bij externe partijen (vrienden of bancaire instellingen).
  7. Overdragen van bezittingen (met de bijbehorende schuld) door de DGA aan zijn kind(eren), mits de kinderen geen aandelen in de BV hebben. Bijvoorbeeld een beleggingspand van de DGA wordt (met schuld aan de B.V.) overgedragen aan de zoon of dochter. Eventueel via een stichting die de activa gaat certificeren, hiermee kan de DGA het stemrecht behouden (waardeontwikkeling bij de kinderen).
  8. Op dit moment wordt ook nagedacht over structuren waarbij een C.V. wordt gevormd in combinatie met overdracht van een beleggingspand. Of dit werkt wordt in 2020 bezien.

Excessief lenen DGA [news] 2020-02-27 0000-00-00 0000-00-00 6370
6807 Fiscale scan

Fiscale scan van uw onderneming

We betalen allemaal belasting in Nederland. Veel ondernemers en directeuren-grootaandeelhouders (DGA's) vinden of hebben het gevoel dat ze teveel belasting betalen. Ook bestaat er vaak onzekerheid over de vraag of de fiscale mogelijkheden wel optimaal benut worden. Of dat met het verstrijken van de tijd alles nog wel optimaal georganiseerd is.

Met enige regelmaat voeren wij fiscale scans uit voor ondernemers om te beoordelen of zij belasting kunnen besparen. De fiscale scan geeft u een simpel, snel en efficiënt overzicht van de mogelijkheden binnen uw bedrijf. De scan heeft meestal betrekking op het midden- en kleinbedrijf, zelfstandige beroepen (zoals advocaten, chirurgen, huisartsen, etc.).

Wij maken een beoordeling van het bedrijf en van de positie van de ondernemer en daarbij wordt er op diverse fiscale mogelijkheden getoetst. Op basis hiervan maken wij een risico-inventarisatie en een opstelling van de mogelijkheden. Of wij geven een bevestiging dat alles prima op orde is. 

Enkele veel voorkomende aandachtspunten zijn:

  • Bedrijfsstructuur op orde (aansprakelijkheid, toekomstige bedrijfsopvolging, flexibiliteit)?
  • Rechtsvorm goed?
  • Arbeidsrelaties en arbeidsbeloning DGA.
  • BTW-situatie beoordelen.
  • Diverse overeenkomsten op orde?
  • Vastgoed, positie binnen het bedrijf.
  • Voorzieningen mogelijk?
  • Oudedagsvoorzieningen goed geregeld?
  • Testament - huwelijkse voorwaarden.
  • Positie kinderen?

Kosten

De kosten van een eenvoudige scan bedragen circa € 1.500 en van een uitgebreide scan € 3.000 (alles exclusief omzetbelasting). Wij bespreken dit graag met u en geven u een offerte. Vaak is van kosten overigens geen sprake. Veelal vinden wij verbeterpunten die leiden tot een belastingbesparing, zodat onze inspanningen per saldo geld opleveren.

Second opinion

Uw huidige accountant, administrateur of adviseur is vaak waardevol voor uw bedrijf. Hij loopt vaak al lang mee en kent u en uw bedrijf door en door. Na een paar jaar zou u een fiscaal jurist of Register Belastingadviseur moeten vragen of u fiscaal en juridisch nog wel "bij de tijd" bent. Accountancy en belastingadvies zijn twee volledig andere werelden. Ons kantoor heeft diverse accountantskantoren als cliënt en wij verwijzen ook regelmatig cliënten door naar accountantskantoren. Ieder z'n vak. Omdat wij geen jaarrekeningen opstellen, zijn wij geen concurrent voor accountants, wij kunnen volledig onafhankelijk ons werk doen. We zitten elkaar niet in het vaarwater, maar vullen elkaar prima aan. En u heeft daarna altijd het geruststellende gevoel niet teveel belasting te betalen.

Neemt u eens vrijblijvend contact met ons op. Aan een oriënterend gesprek zijn geen kosten verbonden.

BTW scan

Sinds 2021 maken wij bij bedrijven ook een BTW scan, lees hier over de mogelijkheden en kosten.

WKR Scan

Via onze WKR tool kunnen wij u ook een scan van loonheffingen aanbieden, inclusief een WKR tool.

]]>

Fiscale BTW-scan

Op ons kantoor werken twee BTW-specialisten die u graag adviseren over mogelijke BTW-vraagstukken of risico's binnen uw bedrijf. De heer Arjan Hof is al lang bij ons kantoor werkzaam en de heer Henk Davina heeft zijn sporen verdiend bij de Belastingdienst. Regelmatig adviseren zij zorginstellingen, ziekenhuizen, verzekeringadviseurs, scholen, gemeenten en projectontwikkelaar of woningbouwbedrijven.

De BTW-quickscan

De BTW-wetgeving kent vele regels en uitzonderingen waarbij de gevolgen groot kunnen zijn als de regels niet worden opgevolgd. Het belang van bijvoorbeeld een correcte BTW-factuur wordt daarom ook vaak onderschat. Kennis van BTW-wetgeving is een must, het is een ‘zakelijke’ belasting. Moedwillig of onbewust, de vergissingen leiden vaak tot forse boetes!

Een quickscan dient om op een eenvoudige en efficiënte manier erachter te komen of u risico's loopt bij het uitvoeren van uw fiscale verplichtingen. Maar ook de kansen om belasting te besparen worden tijdens de quickscan in beeld gebracht.

Hoe werkt de BTW-scan?

Met een BTW-quickscan wordt aan de hand van een vragenlijst eerst een inventarisatie gemaakt van de huidige activiteiten van uw onderneming en de BTW-gevolgen daarvan. Met andere woorden, zitten we op de goede weg of constateren wij aanzienlijke omissies? Een dergelijke BTW-quickscan bestaat uit de volgende werkzaamheden:

Fase 1 BTW-scan

Een interview met een medewerker die inhoudelijk goed op de hoogte is van de activiteiten en van de geld- en factuurstromen binnen de onderneming (fase 1); hierbij kunnen bijvoorbeeld de volgende BTW-aspecten aan de orde komen.

  • tarief, algemeen (21%), verlaagd  (9%) of 0% (export)
  • administratieve verplichtingen  (juiste in- en verkoopfactuur)
  • onroerend goed en BTW (huur / verhuur)
  • vrijgestelde prestaties
  • gemengde prestaties
  • uit- en inlening van personeel en werken met zelfstandigen
  • pro rata en BUA (verstrekkingen aan personeel en zakelijke relaties)
  • intracommunautaire leveringen en diensten (aangifte ICP)
  • verleggingsregeling (b.v. in de bouw)
  • fiscale eenheid
  • privégebruik van zaken door werknemers (zoals eigen producten en de auto van de zaak)

Dit is slechts een korte opsomming. De BTW-wetgeving bestaat uit zeer veel verschillende aspecten.

Fase 2 en 3 BTW-scan

  • Beoordeling opgevraagde documenten / steekproef facturen / correspondentie Belastingdienst (fase 2);
  • Bevindingen worden gerapporteerd in een puntsgewijze schriftelijke uitwerking met aanbevelingen voor de toekomstige handelwijze (fase 3);
  • Ervaring leert dat inhoudelijk feitenonderzoek (fase 2) in combinatie met expertise uit de organisatie, een effectieve methode is de feitelijke fiscale (BTW-)werkelijkheid in kaart te brengen. Niet zelden blijkt dat de administratieve werkelijkheid anders is dan de door de organisatie waargenomen werkelijkheid. Daarnaast wordt een goed beeld gekregen van het fiscale bewustzijn van uw organisatie.

De quickscan is maatwerk. De reikwijdte van een quickscan wordt daarom in overleg met u bepaald. Hiervoor zijn reeds een aantal voorbeelden van onderwerpen genoemd waarop de quickscan betrekking kan hebben. De voorbeelden zijn uiteraard indicatief.

Kennismakingsgesprek inzake BTW-scan

De ervaring leert ons dat het een grote toegevoegde waarde oplevert als een dergelijke quickscan wordt uitgevoerd door een volledig onafhankelijk belastingadvieskantoor zoals Jongbloed Fiscaal Juristen. Op deze wijze verkrijgt de quickscan voor de cliënt direct het karakter van een second opinion.

De kosten en omvang van een dergelijke scan bespreken we vooraf met u. De kosten zijn uiteraard afhankelijk van de aard en omvang van de werkzaamheden. Bij het vrijblijvende orienterende gesprek zullen wij reeds een inschatting van de kosten geven.

BTW scan [news] 2020-05-18 0000-00-00 0000-00-00 6577

Fiscale loonheffing en WKR-scan

Personeelskosten beslaan een groot deel van uw kosten. Hier is ook veel fiscaal voordeel te behalen, dit kan via een zogenaamde WKR / loonbelastingscan al vanaf € 1.750 (exclusief omzetbelasting, bij minder dan 10 werknemers). Wij toetsen uw loonadministratie, belastingvrije vergoedingen, beloningsvormen, etc. op ruim 100 onderdelen. Naast het fiscale voordeel (dat veelal hoger is) bent u ook weer fiscusproof (bij een boekenonderzoek).

Heeft u meer werknemers, vraag dan een vrijblijvende offerte aan.

De loonheffing en WKR-scan

Ik wens u veel personeel”, een oude uitspraak, waarbij men u veel ellende en zorgen toewenst. In zekere zin is deze uitspraak nog steeds van toepassing. Immers, werknemers in dienst hebben of nemen brengt heel veel verplichtingen met zich mee. Daarnaast is de wet- en regelgeving rond personeel bijna voortdurend aan verandering onderhevig.

Bij controle van de loonheffingen maakt de Belastingdienst bij grotere ondernemingen in toenemende mate gebruik van de zogeheten geldeenheid- of Eurosteekproef. Deze methode, die door de Hoge Raad is goedgekeurd, is voor de Belastingdienst zeer efficiënt.

De gevolgen van de uitkomsten van deze steeproef kunnen voor werkgevers ook bij één enkele geconstateerde fout al flink in de papieren lopen (extrapolatie): een onjuist geboekte post van enkele honderden euro’s kan leiden tot naheffingen van tienduizenden euro’s.

Ook als u zelf weinig of geen personeel hebt, maar werkt met externen of werk uitbesteedt, krijgt u met diverse wetten te maken. Controle van de fiscale kwalificatie van arbeidsrelaties is een speerpunt bij de Belastingdienst.

Fiscale scan loonheffing

Speciaal voor de inzet van externen en de werkkostenregeling heeft Jongbloed Fiscaal Juristen een tweetal scans ontwikkeld.

  1. Loonheffingenscan / WKR, risico-inventarisatie tegen vaste prijs
  2. Scan inhuur externen / inhoudingsplicht

Voor de beoordeling van de fiscale risico’s met betrekking tot de inzet van externen hebben wij een scan ontwikkeld. De werkwijze hierbij is dat we documentatie opvragen. Aan de hand van de aangereikte documentatie vindt een interview plaats van 2 - 3 uur met één van uw medewerkers (afdeling administratie), waarna een verslag van bevindingen en beknopte aanbevelingen wordt opgeleverd.

Vaste prijs van de scan: € 1.750 excl. BTW.

Scan werkkostenregeling

Ook de toepassing van de werkkostenregeling leidt in de praktijk tot veel vragen en onjuiste toepassingen. Kunnen advocaatkosten van de werknemer bij einde dienstverband onbelast worden vergoed? Hoe zit het met het verstrekken van vaste onkostenvergoedingen?

Bij deze scan wordt het gebruik van gerichte vrijstellingen, nihilwaarderingen en kosten in de zogenoemde vrije ruimte beoordeeld. Ook hier vindt aan de hand van opgevraagde documentatie een interview plaats met één van uw medewerkers van de afdeling administratie, waarna de uitkomsten van de scan wordt uitgewerkt in een verslag van bevindingen en beknopte aanbevelingen.

Vaste prijs van de scan: € 1.750 excl. BTW.

Inhouse workshop loonheffingen  

Bij de inhouse workshops is ruimte voor 4 - 6 deelnemers. In verband met de coronamaatregelen behoort het geven van een online workshop (via teams) tot de mogelijkheden.

Kosten: € 850 excl. BTW (4 - 6 deelnemers)

Uiteraard ontvangen deelnemers een map met achtergronddocumentatie en de hand-out van de presentatie.

Inhouse workshop werkkostenregeling

Bij de inhouse workshops is ruimte voor 4 - 6 deelnemers.

In verband met de coronamaatregelen behoort het geven van een online workshop (via teams) tot de mogelijkheden.

Kosten: € 850 excl. BTW (4 - 6 deelnemers)

Uiteraard ontvangen deelnemers een map met achtergronddocumentatie en de hand-out van de presentatie.

Meer weten?

Interesse?  Stuur dan een e-mail naar m.bik@jongbloed.tv of bel 06- 36531263 voor een afspraak over de scans of workshops. 

Fiscale scan WKR [news] 2020-10-15 0000-00-00 0000-00-00 6759

Bitcoin en BTW

Moet u BTW betalen over de inkoop / verkoop van bitcoins (en / of andere crypto valuta)?

Omzetbelasting en bitcoin

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bepaald dat over de verkoop van bitcoins geen BTW is verschuldigd. De bitcoin wordt niet gezien als geld, maar heeft wel eenzelfde functie, een bijzondere status voor de BTW derhalve.

Vragen over bitcoin en belastingen

Heeft u vragen over de fiscale behandeling van bitcoins? Bel gerust vrijblijvend met één van onze adviseurs.

Bron Bitcoin en BTW

Hof van Justitie d.d. 22 oktober 2015.

Bitcoin en BTW [news] 5243

Bitcoin in box 1

Er zijn verschillende soorten inkomsten, bij bitcoins kan sprake zijn van box 1 (arbeid / winst) of box 3 (vermogen) inkomsten. Deze discussie speelt veelal bij de verhuur van panden en minder vaak bij beleggen in aandelen en / of bitcoins. Bitcoins worden meestal belast in box 3, maar bij hoge winsten zal de Belastingdienst proberen te stellen dat sprake is van box 1 inkomsten.

Nieuws : gegevensuitwisseling Bitcoin in EU 

Binnenkort vallen crypto valuta onder de Europese uitwisseling van fiscale gegevens. Onder de zogenaamde DAC wetgeving (we zijn al bij DAC 7) worden binnen de EU gegevens tussen landen uitgewisseld. Zo wordt er al informatie uitgewisseld over bankrekeningen, inkomen, pensioenen, onroerende zaken, anti witwas info, advisering bij constructies, etc. Recent is DAC 7 ingevoerd, onder deze wetgeving wordt geregeld dat digitale platformen verplicht worden fiscale informatie over hun gebruikers te verstrekken aan de Belastingdienst (en dat deze informatie wordt uitgewisseld met andere EU lidstaten). Crypoto valuta vallen nog niet onder de gegevensuitwisseling, dit zal gebeuren in DAC 8. Vorenstaande staat in een kamerbrief d.d. 18 februari 2021.

Bitcoin belast als inkomen

Als een natuurlijk persoon zich bezig gaat houden met het beleggen in bitcoins kan sprake zijn van winst uit onderneming (of resultaat uit overige werkzaamheden). Een harde lijn is er niet en het blijft een grijs gebied waarbij de feiten de doorslag moeten geven. De kern van de discussie is: "wat doet u zelf ?" Bij een box 1 belegging is de winst belast en zijn het verlies en de kosten aftrekbaar. De signalen voor een box 1 belegging in bitcoins zijn:

  • veel eigen werk, onderzoek, etc.;
  • snelle winst;
  • voorkennis;
  • veel mutaties / arbeidsinzet door uzelf;
  • is er een organisatie / bedrijf / internetsite.

Als er sprake is van daytrading of het structureel handelen in bitcoins, kan er sprake zijn van box 1 inkomen. Maar ook daytrading kan gezien worden als normaal vermogensbeheer. Een rechter overweegt hierbij als volgt:

  • Het handelen in opties moet een meer dan speculatief karakter hebben met als doel het behalen van voordeel. Hierbij moet de de bitcoinhandelaar deskundigheid, ervaring en relaties hebben binnen deze wereld. Tevens moet hij het koersverloop via de deskundigheid en ervaringen kunnen beïnvloeden.

Bitcoin niet in aangifte opgenomen

Als u de bitcoin niet in uw aangifte hebt opgenomen, dan heeft u onjuist aangifte gedaan. Het vermogen of inkomen wordt dan als zwart inkomen / vermogen gezien. Dit kan een misdrijf opleveren. U kunt het vermogen alsnog opgeven door dit in uw aangifte te vermelden en voor oudere jaren alsnog met de Belastingdienst in overleg te treden (inkeren). Sinds 1 januari 2018 is de formele route om in te keren afgeschaft, deskundige begeleiding is verstandig.

Vragen over bitcoins

Heeft u vragen of opmerkingen over bitcoins, dan kunt u hierover één van onze deskundige fiscaal juristen vragen. Maak gerust een vrijblijvende afspraak.

Bitcoin in box 1 [news] 5244

Gecombineerde diensten en BTW

Als u meerdere diensten heeft aangeboden die onder verschillende tarieven vallen, is het altijd de vraag of u één of twee BTW-tarieven in rekening moet brengen. In deze column een procedure van een vakantiepark dat ook apart wifi-verbindingen verkoopt.

Vakantiepark en omzetbelasting

Henk heeft vakantie en gaat met zijn gezin naar een vakantiepark. Ze zijn het park nog niet binnen of de kinderen schreeuwen al: “papa, is er ook wifi?” Henk krijgt de sleutel en de code voor de wifi en hij wandelt met zijn gezin naar de vakantiewoning.

BTW op aparte dienst vakantiepark

Als hij moet afrekenen blijkt er 21% BTW te worden gerekend over de wifi en 6% over de huur van de vakantiewoning. Da’s gek, Henk huurt toch gewoon een vakantiewoning waarbij altijd wifi moet worden verstrekt, anders gaan de kinderen niet eens mee. De Belastingdienst denkt hier anders over. De rechter is het met Henk eens. Uit onderzoek van de ANWB volgt dat 99% van de vakantiegangers online is en 75% vindt wifi even zo belangrijk als elektriciteit. Daarnaast klagen klanten eerder over een slechte wifi-ontvangst dan over een vies huisje of gebreken met de verwarming.

Vragen over BTW en diensten

Wifi is dus onderdeel van de huur van de vakantiewoning en kan niet worden gezien als aparte dienst, al met al dus 6% BTW over alles. Dit is voor het vakantiepark voordelig omdat de netto prijs voor de wifi-verbinding hoger is. Heeft u vragen over BTW en verschillende diensten, bel dan met één van onze adviseurs .

Bron BTW en diensten

Uitspraak Rechtbank Gelderland d.d. 22 februari 2018.

BTW bij vakantiepark [news] 2018-03-06 0000-00-00 0000-00-00 5277

Fiscale aspecten cryptovaluta

Er wordt veel geschreven over de fiscale aspecten van bitcoins, of beter: cryptovaluta. Op de internetsite van de Belastingdienst staat dat deze worden belast in box 3. Recentelijk heeft de Staatssecretaris van Financiën vragen uit de Eerste Kamer beantwoord. Ook hij (de heer Snel) concludeert dat er normaliter sprake is van box 3 vermogen.

Belastingen en cryptocurrency box 3

Als u in Nederland woont of in Nederland vermogen heeft, moet u uw vermogen opgeven aan de Belastingdienst. Het gaat hierbij om het vermogen per begin van het jaar (1 januari). De Belastingdienst ziet bitcoins, cryptovaluta, ethers en andere digitale geldmiddelen als "overige bezittingen in box 3". Als dit vermogen meer is dan € 25.000, dan moet u hierover vermogensbelasting / box 3 belastingen betalen.

  • Tot € 75.000: 0,86%;
  • Van € 75.001 - € 975.000: 1,38%;
  • Vanaf € 975.001: 1,61%.

Voor de waarde van de cryptomunt moet volgens de Staatssecretaris worden aangesloten bij de waarde (geldende koers) op peildatum (1 januari van het belastingjaar, dus 1 januari 2017 voor de aangifte over 2017). U moet hiertoe kijken op het door u gebriukte omwisselplatform.

Belastingen en cryptocurrency box 1

Bij het handelen in cryptovaluta of het minen door een natuurlijke persoon is er volgens de Staatssecretaris van Financiën niet snel sprake van een bron van inkomen (box 1). Aan de hand van feiten en omstandigheden kan de Belastingdienst echter anders oordelen. De overwegingen hierbij zijn:

  1. Er moet arbeid worden verricht;
  2. Het voordeel moet worden beoogd (subjectief element);
  3. Het voordeel moet redelijkerwijs te verwachten zijn (objectief element);
  4. De omvang van de investeringen (computers etc.).

Er zijn op dit moment veel mensen bezig met het voordeel proberen te behalen met de handel in cryptovaluta. Mede doordat er een beperkt aantal cryptomunten per dag kunnen worden gemined / verhandeld, is het al snel de vraag of er een voordeel kan worden verwacht.

Wat zeggen fiscale rechters over bitcoins

Er zijn nog geen procedures bekend over bitcoins en belastingen. Echter wel over speculatieve transacties en het inkomen dat hiermee wordt verdiend. In jurisprudentie is al uitgemaakt dat geen sprake is van box 1 inkomen als het een speculatieve transactie betreft en het eindresultaat niet te beïnvloeden is door arbeid. Als er echter structureel positieve resultaten worden behaald die kunnen worden verklaard door arbeid van de persoon, is wellicht wel sprake van een bron van inkomen.

Loon via cryptovaluta

Loon dat door een werkgever wordt uitbetaald via cryptovaluta wordt gezien als loon in natura. Dit soort salaris / loon moet worden omgerekend in euro's op het moment dat het loon / de cryptomunt wordt genoten.

Bron fiscale aspecten crypto valuta

Beantwoording vragen fiscale aspecten cryptovaluta.

Fiscale aspecten crypto valuta [news] 5362

Bitcoins in de eenmanszaak

Fiscale aspecten cryptovaluta in een eenmanszaak of VOF

Er wordt veel geschreven over de fiscale aspecten van bitcoins, of beter: cryptovaluta. Op de internetsite van de Belastingdienst staat dat deze worden belast in box 3. Recentelijk heeft de Staatssecretaris van Financiën vragen uit de Eerste Kamer beantwoord. Ook hij (de heer Snel) concludeert dat er normaliter sprake is van box 3 vermogen. Wat nu als u binnen uw eenmanszaak of VOF bitcoins of crypto muntenkoopt?

Cryptocurrency in eenmanszaak of VOF

Bij de aankoop van cryptovaluta door een natuurlijk persoon die kwalificeert als IB-ondernemer speelt het leerstuk van de vermogensetikettering. Als sprake is van duurzaam overtollige liquide middelen waarmee de cryptovaluta worden aangeschaft, worden zij tot de rendementsgrondslag van box 3 gerekend.

Als de aankoop van de cryptovaluta met ondernemingsvermogen niet plaatsvindt binnen de normale ondernemingsuitoefening en er geen sprake is van het beleggen van tijdelijke overtollige middelen op een zodanige wijze dat zij weer tijdig binnen de onderneming beschikbaar kunnen zijn, is sprake van verplicht privévermogen (box 3).

Heffing in box 3 over cryptocurrency

Als u in Nederland woont of in Nederland vermogen heeft, moet u uw vermogen opgeven aan de Belastingdienst. Het gaat hierbij om het vermogen per begin van het jaar (1 januari). De Belastingdienst ziet bitcoins, cryptovaluta, ethers en andere digitale geldmiddelen als "overige bezittingen in box 3". Als dit vermogen meer is dan € 30.846 (2020), dan moet u hierover in box 3 belasting betalen.

  • Van € 30.846 - € 103.643: 0,59%;
  • Van € 103.643 - € 1.036.418: 1,26%;
  • Vanaf € 1.036.418: 1,58%.

Voor de waarde van de cryptomunt moet volgens de Staatssecretaris worden aangesloten bij de waarde (geldende koers) op peildatum (1 januari van het belastingjaar, dus 1 januari 2020 voor de aangifte over 2020 moet hiertoe kijken op het door u gebruikte omwisselplatform.

Wat zeggen fiscale rechters over bitcoins

Er zijn nog geen procedures bekend over bitcoins en belastingen. Echter wel over speculatieve transacties en het inkomen dat hiermee wordt verdiend. In jurisprudentie is al uitgemaakt dat geen sprake is van box 1 inkomen als het een speculatieve transactie betreft en het eindresultaat niet te beïnvloeden is door arbeid. Als er echter structureel positieve resultaten worden behaald die kunnen worden verklaard door arbeid van de persoon, is wellicht wel sprake van een bron van inkomen.

Bron fiscale aspecten crypto valuta

Beantwoording vragen fiscale aspecten cryptovaluta.

Bitcoins in de eenmanszaak [news] 5363

Bitcoins in de B.V.

Fiscale aspecten cryptovaluta in een B.V.

Er wordt veel geschreven over de fiscale aspecten van bitcoins, of beter: cryptovaluta. Op de internetsite van de Belastingdienst staat dat deze worden belast in box 3. Eind 2018 heeft de Staatssecretaris van Financiën vragen uit de Eerste Kamer beantwoord. Hij concludeert dat er normaliter sprake is van box 3 vermogen. Wat nu als u binnen uw B.V. cryptovaluta koopt?

Nieuws : gegevensuitwisseling Bitcoin in EU 

Binnenkort vallen crypto valuta onder de Europese uitwisseling van fiscale gegevens. Onder de zogenaamde DAC wetgeving worden binnen de EU gegevens tussen landen uitgewisseld. Zo wordt er al informatie uitgewisseld over bankrekeningen, inkomen, pensioenen, onroerende zaken, anti witwas info, advisering bij constructies, etc. Recent is DAC 7 ingevoerd, onder deze wetgeving wordt geregeld dat digitale platformen verplicht worden fiscale informatie over hun gebruikers te verstrekken aan de Belastingdienst (en dat deze informatie wordt uitgewisseld met andere EU lidstaten). Crypto valuta vallen nog niet onder de gegevensuitwisseling, dit zal gebeuren in de reeds aangekondigde DAC 8. Vorenstaande staat in een kamerbrief d.d. 18 februari 2021.

Cryptocurrency in uw B.V.

Op grond van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 drijft een rechtspersoon (B.V. / N.V.) een onderneming met zijn gehele vermogen. Anders dan bij een IB-ondernemer speelt bij een B.V. / N.V. het leerstuk van de vermogensetikettering geen rol. Dit betekent dat het minen en de aankoop (al dan niet gevolgd door verkoop) van cryptovaluta zich in de winstsfeer afspelen. De resultaten daarvan moeten volgens goed koopmansgebruik in aanmerking worden genomen. Het kan wel weer zo zijn dat de Belastingdienst gaat stellen dat verliezen niet aftrekbaar zijn omdat een weldenkende ondernemer niet zou beslissen om dergelijke valuta te kopen.

Wat zeggen fiscale rechters over bitcoins

Er zijn nog geen procedures bekend over bitcoins en belastingen, echter wel over speculatieve transacties en het inkomen dat hiermee wordt verdiend. In jurisprudentie is al uitgemaakt dat geen sprake is van box 1 inkomen als het een speculatieve transactie betreft en het eindresultaat niet te beïnvloeden is door arbeid. Als er echter structureel positieve resultaten worden behaald die kunnen worden verklaard door arbeid van de persoon, is wellicht wel sprake van een bron van inkomen.

Er komt binnenkort een nadere toelichting over de fiscale aspecten rondom de cryptocurrency.

Bron fiscale aspecten crypto valuta

Beantwoording vragen fiscale aspecten cryptovaluta.

Bitcoins en BV [news] 5364

Cryptovaluta in de jaarrekening

Bitcoin en accountant

De opkomst van cryptovaluta en bitcoins biedt ook volop kansen voor accountants. Na het papieren-geld-tijdperk kwamen de pinpas en de digitale financiële wereld. Dit is in een stroomversnelling gekomen door ondermeer Apple Pay en cryptovaluta. Het beheer en de vastlegging hiervan kunnen veel ruimte bieden voor accountants.

Bitcoin en de rol van de accountant

Naast de stijging van de block chain technologie zien wij als Jongbloed Accountants ook steeds meer betalingsverkeer via bitcoins en andere crypto's. Het vertrouwen in deze valuta is wisselend en is hiermee volop in beweging. De cryptovaluta gaan een grote rol spelen in de ontwikkeling van onze economie en de financiële wereld. Het procesmatig bijhouden van de cryptotransacties wordt alleen maar groter en complexer. De vraag naar nieuwe innovaties in accountancy-land zal moeten volgen, de reguliere boekhouding en de cryptoboekhouding moeten naast elkaar (en eigenlijk gezamenlijk) worden opgezet.

Accountancyregels aangaande crypto's

In Europa wil men eenduidige accountancyregels aangaande cryptovaluta. De Europese banken willen dat er onderlinge afspraken worden gemaakt over de regulering van de cryptohandel, lees hiertoe deze notitie. De AFM heeft in 2018 reeds een adviesrapport geschreven over het vergunningenstelsel bij crypto's. Ook omtrent de belastingheffing over crypto's is er veel beweging te zien.

Crypto in een bv

Als cryptovaluta worden ondergebracht in een bv of andere rechtspersoon, is de belastingheffing redelijk eenvoudig. Er moet vennootschapsbelasting worden betaald als de winst is behaald, dus bij een daadwerkelijke verkoop. Verlies mag worden genomen als de cryptovaluta in waarde zouden dalen (onder de kostprijs). Dit is feitelijk gelijk aan de behandeling van normale effecten, waardering per balansdatum op kostprijs of lagere marktwaarde.

Crypto in de jaarrekening

De Raad voor de jaarverslaggeving heeft in 2018 over dit onderwerp een rapport geschreven (hier te raadplegen). Het betreft nog een "soort van advies", maar geeft in ieder geval enige richting binnen accountancy-land. De algemene gedachtenlijn op dit moment is dat crypto's geen liquide middelen of financiële instrumenten zijn, maar moeten worden gezien als immateriële vaste activa / andere beleggingen. Dergelijke activa moeten worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs en onder voorwaarden tegen lagere of hogere actuele waarde. De waardeveranderingen komen dan ten bate of laste van de winsten / verliezen (en dus het eigen vermogen) van de vennootschap. Dat het niet eenvoudig is volgt uit een artikel in het FD. Het zal nog wel even duren voordat er volledige duidelijkheid komt omtrent het opnemen van crypto's in de jaarrekening.

Bitcoin in jaarrekening [news] 7030

Crypto inkeren of melden bij de Belastingdienst

Boete crypto kan oplopen tot 300%

Steeds meer Nederlanders bezitten cryptovaluta, zoals de Bitcoin. Wij staan in de praktijk vaak belastingplichtigen bij die de belastingheffing bij deze cryptovaluta over het hoofd hebben gezien. In de loop van 2021 komt er nieuwe wetgeving binnen de Europese Unie, waardoor de bezitter van bitcoins of andere cryptomunten bekend worden bij de Belastingdienst. Crypto moet in de meeste gevallen in box 3 (waarde per 1 januari) worden aangegeven, soms zelfs in box 1.

Hebt u crypto's? Wij zien dat veel mensen deze (nog) niet melden bij de Belastingdienst, soms bewust, soms onbewust. Er is op dit moment Europese regelgeving op komst die het verbergen van cryptomunten voor de Belastingdienst complexer maakt.

Nieuwe Europese wetgeving inzake crypto en melding Belastingdienst

De Europese Unie is met een richtlijn bezig  waardoor lidstaten van de EU eenvoudiger spontaan informatie kunnen en moeten uitwisselen over de bezitter / eigenaar van cryptomunten. Het voorstel staat voor 2021 op de agenda. Nadat de wetgeving binnen de EU is aangenomen, moet deze worden opgenomen in de Nederlandse wetgeving, dit zal nog wel even duren. Binnen de nieuwe wetgeving worden cryptobedrijven gedwongen om persoonlijke gegevens van zenders en ontvangers op te slaan en uiteindelijk aan de EU of het woonland te verstrekken. Het is zelfs denkbaar dat anonieme cryptowallets worden verboden.

In dit artikel leggen wij de gevolgen uit als u crypto niet in uw aangifte hebt aangegeven en bijvoorbeeld wordt betrapt. 

Cryptovaluta en Belastingdienst

Cryptovaluta vertegenwoordigen een waarde. Deze waarde varieert sterk. De waarde die voor uw heffing relevant is, is afhankelijk van de wijze waarop u de cryptovaluta aanhoudt. Bezit van crypto hoort in de basis thuis in box 3. Bent u een actieve particulier (bijvoorbeeld door minen of veel handel), dan kan sprake zijn van heffing in box 1. De kosten zijn dan ook aftrekbaar.

Het kopen van crypto is zelden zichtbaar voor de Belastingdienst. Als de crypto (met forse winst) wordt verkocht, is er echter wel een vermogensstijging zichtbaar, deze kan de Belastingdienst via een vermogensvergelijking wel zien. De Belastingdienst zal dan vragen stellen over de door u ingediende aangifte Inkomstenbelasting.

De Belastingdienst kan dan tot 5 jaar terug een navorderingsaanslag opleggen, als de crypto via het buitenland is aangehouden, kan dit ook 12 jaar zijn. Wij denken dat de Belastingdienst gaat stellen dat crypto kwalificeert als buitenlands vermogen (dus 12 jaar navorderingstermijn).

Tevens zal de Belastingdienst een boete opleggen. Omdat de crypto veelal bewust niet is opgenomen, zal de basisstelling zijn dat sprake is van opzettelijk niet aangeven van vermogen. De boete bedraagt dan tenminste 100% van de opgelegde aanslag. Er kan ook een verhoogde boete van 300% worden opgelegd, deze wordt meestal verminderd tot 150%.

Advies inzake crypto bij onderzoek Belastingdienst

De Belastingdienst zal u een vragenformulier sturen. U bent verplicht de fiscaal relevante vragen te beantwoorden, andere vragen dus niet. Als u niet zou antwoorden of dit weigert, zal de Belastingdienst een zogenaamde informatiebeschikking afgeven. Gevolg hiervan is dat u aanloopt tegen een omkering en verzwaring van de bewijslast. Al uw stellingen moet u in dit traject overtuigend aantonen, dit gaat verder dan de normale toets (aannemelijk maken).

Het is verstandig om een specialist in te schakelen als de Belastingdienst u op het spoor komt. Wij hebben ruime ervaring met dit soort trajecten en adviseerden ook honderden cliënten bij het vooraf melden van nog onbekend vermogen (inkeerregeling).

"Ik heb crypto niet in mijn aangifte staan, wat nu?"

Mede door de aangekondigde EU-wetgeving zal de Belastingdienst binnen enkele jaren veel informatie ontvangen over cryptobeleggingen. Als dit nog niet bekend is in uw aangifte, dan loopt u een fors financieel risico (boetes kunnen oplopen tot 300%). U kunt vrijwillig een opgave doen aan de Belastingdienst inzake de verzwegen cryptobeleggingen. Als u dit binnen 2 jaar doet, dan wordt er veelal geen vergrijpboete opgelegd. Voor cryptobeleggingen gelden er echter wel uitzonderingen, in voorkomende gevallen wordt er wel een vergrijpboete opgelegd, maar deze is dan lager dan de genoemde 150%.

Als de Belastingdienst u al op het spoor is, dan is vrijwillige verbetering niet meer mogelijk. Inkeren is dan immers niet meer vrijwillig.

Op korte termijn is het voor de Belastingdienst een stuk eenvoudiger om cryptomunten in het vizier te krijgen.

Advies inzake inkeren bij cryptobeleggingen

Wij hebben in de loop der jaren veel inkeertrajecten begeleid. Dat waren eerst vooral zaken met betrekking tot buitenlandse bankrekeningen, maar steeds vaker gaat het om (aanzienlijke) cryptoportefeuilles. De belastingplichtige die vrijwillig wil verbeteren en alsnog juiste aangiften uit zichzelf doet, kan er vaak met een goede deal vanaf komen. Wij helpen u graag om die deal te bereiken. Neem gerust eens contact op met één van de auteurs van dit artikel. Een eerste gesprek is altijd vrijblijvend.

Bron crypto en inkeerregeling

Vragen en antwoorden EU inzake crypto

Richtlijn EU inzake crypto 20 juli 2021

Voorgestelde EU wetgeving inzake crypto



EU wetgeving voor crypto [news] 7208
DGA [news] 342

Onderneming aan kinderen

Bedrijf gratis aan kinderen

Nederland wordt steeds leuker. Sinds 2010 kan een directeur-grootaandeelhouder (DGA) zonder belastingen de aandelen van zijn actieve B.V. aan zijn kinderen schenken.

Toelichting

Tot 2010 moest de DGA 25% inkomstenbelasting (box 2) betalen bij een schenking. Daarnaast moest dan nog schenkingsrecht (5% - 27%) worden betaald. Sinds 2010 is de waarde van de aandelen voor 90% vrijgesteld op grond van de BOF-regeling (bedrijfsopvolgingsfaciliteit).

Aandachtspunt

De regeling is eenvoudig en hierdoor goed te gebruiken. U moet er wel op letten dat uw B.V. (dus ook de Holding) een actieve onderneming is. Tevens is het verstandig om een afspraak met de belastingdienst te maken omtrent de waarde van de aandelen. Het is verstandig om goed op te letten dat zowel een vrijstelling voor de AB heffing en de schenkbelasting wordt verkregen, uw zoon of dochter moet hiervoor minimaal 3 jaar bij uw bedrijf werkzaam zijn.

Overlijden

Als u komt te overlijden en de aandelen moeten dan nog over, is het fiscaal eigenlijk te laat. U had al lang moeten stoppen en uw kinderen hadden al eigenaar moeten zijn. De BOF-vrijstelling bedraagt sinds 2010 90%

Estate planning

Het is verstandig eens met uw partner en kinderen over 'de dood' te praten. Niet omdat het leuk is, maar omdat het moet en u er geld mee kunt besparen. Het is leuker om geld aan de kinderen te geven dan aan de fiscus, toch? Estate planning is relatief simpel, aandachtpunten zijn:

  1. huwelijkse voorwaarden;
  2. testament;
  3. overdracht vermogen bij leven;
  4. gevolgen bij overlijden;
  5. tenaamstellingen van polissen.

Pas op

Als de onderneming geen actieve B.V. meer is, is de vrijstelling niet van toepassing. Draag dus over voordat u stopt, verkoopt of emigreert !!

Onderneming aan kinderen [news] 2012-12-24 0000-00-00 0000-00-00

Partner in dienst nemen.

U  heeft een salaris van uw B.V. Het kan voordeliger zijn om ook uw partner in dienst te nemen van uw B.V. 

De voordelen

  1. Het belastingtarief voor uw partner is waarschijnlijk lager dan uw belastingtarief.
  2. Uw partner heeft bij een salaris recht op arbeidskorting.
  3. U kunt een pensioen voor uw partner regelen, in sommige gevallen kunt u het pensioen ook in eigen beheer opbouwen, maar daarvoor moet uw partner 10% van de aandelen bezitten.
  4. Alle zakelijke kosten voor uw partner (salaris, pensioen, etc.) zijn aftrekbaar van uw winst.
  5. U kunt uw partner een auto van de zaak geven, ook kunt u overwegen om de bijtelling voor uw auto te verdelen over u en uw partner. Voordeel hiervan is dat het belastingtarief van uw partner waarschijnlijk lager is.
  6. U bent meestal geen werknemerspremies over het salaris van uw partner verschuldigd. Dit komt doordat de gezagsverhouding ontbreekt.
  7. U kunt uw partner allerlei fiscaal gunstige regelingen toezeggen (vaste onkostenvergoeding, mobiele telefoon van de zaak, fiets van de zaak, fitness via de zaak, etc.).

Aandachtspunten

Regel het wel zakelijk, stel dus een arbeidsovereenkomst op en laat het salaris via uw loonadministratie maandelijks uitbetalen.

Echtscheiding

Als u gaat scheiden, wilt u waarschijnlijk uw partner ook ontslaan. Aan dit ontslag zijn extra kosten verbonden.

Gebruikelijk loon

Sinds vele jaren valt uw partner ook onder de gebruikelijkloonregeling. Lees meer elders op site. Bel hierover even met uw adviseur of stuur ons (kostenloos) een mail.

[news] 2010-01-15 2010-01-15 0000-00-00 2719

Bancaire lijfrente en DGA

Sinds 2008 is het voor de directeur-grootaandeelhouder (de DGA) mogelijk om een bancaire lijfrente af te sluiten. Dit is een spaar- of beleggingsrekening bij een bank waarop de DGA een lijfrente stort. De premie is aftrekbaar. Omdat er veel onduidelijkheden zijn over het pensioen in eigen beheer, zien wij in onze praktijk dat er steeds meer DGA's kiezen voor deze optie.

Voordelen bancaire lijfrente DGA

De bancaire lijfrente is er nog niet zo lang. Voorheen moest de DGA een lijfrente afsluiten bij een verzekeraar, de traditionele lijfrente. Voordeel van de bancaire lijfrente is dat de kosten lager zijn dan bij een reguliere lijfrente bij een verzekeraar. Een ander voordeel is dat bij een bancaire lijfrente het geld aan uw nabestaanden toekomt als u vroegtijdig komt te overlijden.

Een bancaire lijfrente kent andere voorwaarden dan een normale lijfrente bij een verzekeraar. Tijdens de opbouw van uw lijfrente is het weduwerisico niet verzekerd. Tevens stopt de uitkering als het geld op is, u krijgt wat u heeft gespaard (inclusief rendement). Als u voor de ingangsdatum komt te overlijden krijgen uw nabestaanden het banksaldo en als u lang zou leven stopt op enig moment de uitkering (lang leven risico). De normale uitkeringsperiode bij een bancaire lijfrente bedraagt 20 jaar.

Een belangrijk voordeel van een bancaire lijfrente is dat u voor de uiteindelijke uitkering niet afhankelijk bent van het succes van uw B.V. / onderneming. Er wordt dus echt geld buiten uw bedrijf gereserveerd voor uw pensioen, een goede risicospreiding. Nadeel is natuurlijk dat u geld aan uw bedrijf moet onttrekken.

Pensioen in eigen beheer en bancaire lijfrente

Als u gebruik maakt van de zogenaamde bancaire lijfrente, dan mag u geen gebruik maken van een pensioenopbouw in eigen beheer. U mag namelijk alleen via een bancaire lijfrente een pensioen opbouwen als u een pensioentekort heeft.

Voorbeeld bancaire lijfrente voor de DGA

Een DGA heeft een salaris van € 70.000. De maximale storting in een bancaire lijfrente bedraagt in dit geval ongeveer € 10.000 (€ 70.000 -/- € 11.829 x 17%). Stel dat u gedurende 25 jaar een maximaal bedrag heeft ingelegd, dan krijgt u na 25 jaar ongeveer € 430.000 (rente 4%). Als u dan op uw 67ste verjaardag met pensioen gaat, krijgt u gedurende 20 jaar een uitkering van ruim € 31.000, deze wordt nog vermeerderd met ongeveer € 10.000 aan AOW-uitkering, de genoemde bedragen zijn bruto. Al met al heeft u dan dus een pensioen van € 41.000 dat gegarandeerd wordt uitgekeerd.

Belastingtip

U kunt er na de opbouwfase voor kiezen om het banksaldo te gebruiken voor de aankoop van een traditionele lijfrente bij een verzekeraar, hierdoor heeft u recht op het zogenaamde lang leven risico.

Bancaire lijfrente voor de DGA [news] 2013-01-22 0000-00-00 0000-00-00 3626

Terugkeer uit de B.V.

Veel ondernemingen worden in een B.V.-structuur gevoerd. Door de crisis, het faillissement van klanten, lagere omzetten, etc. dalen de winsten. De huidige structuur is dan vaak niet meer het juiste "jasje" om de onderneming uit te oefenen. Bij een B.V. moet u salaris uitkeren en soms is dit voor de DGA niet mogelijk. Bij een eenmanszaak hoeft u over de eerste € 15.000 winst helemaal geen belasting te betalen. Wellicht is het eens tijd om te kijken naar een andere structuur.

Wanneer is dit voor u interessant?

Bij een winst tot € 75.000 is dit artikel voor u interessant. Bij hogere winsten kan dit ook zo zijn, edoch dan wel een rekensom maken.

De terugkeer uit de B.V. voor een DGA

Een regeling die weinig wordt gebruikt, maar in sommige gevallen veel voordelen kan opleveren. De reden dat de regeling weinig wordt gebruikt is de complexiteit. In de basis zijn er 2 mogelijkheden om uit de B.V. terug te keren, dit zijn:

  1. De geruisloze terugkeer uit de B.V.
  2. De ruisende terugkeer uit de B.V.

U zou een terugkeer kunnen overwegen indien:

  1. Er veel compensabele verliezen in de B.V. zitten welke u niet kunt compenseren.
  2. Er grote investeringen moeten worden gedaan in bijvoorbeeld een bedrijfspand of in uw productie.

Waarom terugkeer uit een B.V.?

De B.V.-structuur wordt vaak geadviseerd door de accountant of fiscaal jurist. De belangrijkste redenen hiervoor zijn:

  1. Fiscaal voordelig.
  2. Voorbereiden op verkoop.
  3. Voorkomen erfbelasting.
  4. Beperken aansprakelijkheid.
  5. Commerciële uitstraling.

Als de winst binnen de B.V. achter blijft en / of als u verlies maakt, kan het verstandig zijn om de B.V. op te heffen of in een andere vorm te gebruiken. De onderneming kan relatief eenvoudig in een eenmanszaak worden omgezet. De geruisloze omzetting is complex, maar een ruisende omzetting is relatief eenvoudig. De belangrijkste redenen om dit te doen zijn:

  1. Belasting besparen (ondernemersaftrek).
  2. Geen fictief / DGA-loon meer.
  3. Willekeurig afschrijven op bestaande of nieuwe investeringen.
  4. Optimale fiscale heffing creëren.

Bij een winst van € 0 - € 75.000 is het te overwegen om een B.V. om te zetten in een eenmanszaak, maatschap of vennootschap onder firma. Het voordeel kan zomaar oplopen tot € 1.000 netto per maand. Het grootste nadeel van een omzetting is dat u hoofdelijk aansprakelijk bent jegens schuldeisers (voor schulden van de onderneming). Als u richting uw bank een borgstelling hebt afgegeven, bent u ook met een B.V.-structuur in privé aansprakelijk, in dat geval maakt de rechtsvorm soms niet uit.

De geruisloze terugkeer uit de B.V.

De geruisloze terugkeer uit de B.V. is een complexe en omslachtige regeling met vele voorwaarden. Redenen om geruisloos uit een B.V. terug te keren naar bijvoorbeeld een eenmanszaak zijn:

  • Meenemen verrekenbare verliezen uit de B.V.
  • Voorkomen overdrachtsbelasting op bedrijfspand in de B.V.
  • Niet afrekenen op aanmerkelijk belang winsten.
  • Voorkomen afrekenen op een TBS-pand.

De ruisende terugkeer uit de B.V.

Bij een ruisende terugkeer uit de B.V. is er eigenlijk geen fiscale faciliteit. Er moet een voorovereenkomst worden gesloten (bij voorkeur vóór 1 januari van een kalenderjaar), van terugwerkende kracht kan eigenlijk geen sprake zijn. De B.V. wordt vanaf die datum voor rekening en risico van de directeur-grootaandeelhouder (DGA) gedreven. Voordelen van een ruisende terugkeer zijn:

  • Recht op zelfstandigenaftrek en startersaftrek.
  • Mogelijkheid willekeurige afschrijving voor startende ondernemers.

Het kan zijn dat er winsten worden gemaakt bij de overgang van de B.V. naar de eenmanszaak, deze winsten kunnen worden gemaakt doordat er meerwaarde wordt gerealiseerd over activa en / of goodwill. Deze winsten kunnen wellicht worden verrekend met de compensabele verliezen in een B.V. Desinvesteringsbijtellingen zijn een aandachtspunt, maar kunnen wellicht ook worden verrekend met de compensabele verliezen.

Als er een bedrijfspand in uw B.V. is, loopt u wellicht aan tegen afrekening over stille reserves en / of overdrachtsbelasting. U kunt in dit geval overwegen om het bedrijfspand vanuit de B.V. te verhuren aan uw eenmanszaak.

Als er over goodwill of stille reserves moet worden afgerekend, is het te overwegen om de overdracht tegen een winstrecht te laten plaatsvinden, hiermee hoeft u niet direct af te rekenen. Alternatief kan ook zijn de verhuur van de onderneming / B.V. aan de eenmanszaak.

Vaak zien wij dat pensioenen en stamrechtverplichtingen in de B.V. achterblijven, dit om grote problemen en complexe berekeningen of liquiditeitsperikelen te voorkomen.

Belastingtip ruisende terugkeer uit de B.V. bij substantiële investeringen

De ruisende terugkeer uit de B.V. zou kunnen spelen als een B.V. substantiële investeringen moet doen (inventaris, bedrijfsgebouw, etc.). De B.V. zou dan ruisend kunnen overgaan in een eenmanszaak waarna de investeringen worden gedaan. Vervolgens worden de investeringen willekeurig afgeschreven en wordt de eenmanszaak weer geruisloos ingebracht in een B.V.

Belastingtip VOF tussen B.V. en de DGA

Een praktisch alternatief is het oprichten van een vennootschap onder firma (een VOF). De B.V. brengt vermogen in en de DGA arbeid en vlijt. Dit moet zorgvuldig en op zakelijke gronden worden vormgegeven omdat de Belastingdienst anders kan stellen dat de aandelen die de DGA heeft in zijn B.V. tot het verplichte ondernemingsvermogen van de DGA / eigenaar behoren. Vooroverleg met de Belastingdienst is daarom zinvol. Eventueel kunt u ook overwegen om de aandelen in de B.V. over te dragen aan uw partner (mits gehuwd op huwelijkse voorwaarden). Via deze route kunt u ook met terugwerkende kracht een VOF tot stand brengen (maximaal 9 maanden terug, dus vóór 1 oktober regelen). De winst van de B.V. kan dus via deze route aan de DGA in privé worden toegerekend. Hiertoe moet u het volgende doen:

  • Beroep op MvF 6 februari 2010, nr. DGB2010/671M.
  • Overeenkomst opstellen en tekenen vóór 1 oktober van het kalenderjaar, in de overeenkomst de terugwerkende kracht tot 1 januari opnemen.
  • De terugwerkende kracht mag (niet alleen) gericht zijn op het behalen van fiscaal voordeel.
  • VOF-overeenkomst opstellen.

Belastingtip AB-verlies

Bij een ruisende terugkeer uit de B.V. kan eventueel een voordeel worden behaald doordat er een AB-verlies van 25% ontstaat. Een verliesneming mag slechts plaatsvinden als u geen belang meer heeft in de B.V. (artikel 4.24 IB), echter in casu mag dit wel omdat de onderneming in privé wordt voortgezet (4.53 IB).

Conclusies terugkeer uit een B.V.

Als u uw onderneming in een B.V.-vorm drijft en uw winstgevendheid blijft achter, dan kunt u overwegen om de onderneming in de vorm van een eenmanszaak of vennootschap onder firma te gaan uitoefenen. Het voordeel bedraagt zomaar € 500 - € 1.000 netto per maand.

Wilt u een afspraak maken voor een oriënterend gesprek? Bel gerust.

Terugkeer uit de BV, slimme fiscale truc [news] 2013-02-01 0000-00-00 0000-00-00 3636
Onzakelijke lening door BV aan dochter DGA [news] 2013-02-04

Lening B.V. aan kind DGA niet aftrekbaar

Als een B.V. een lening verstrekt, moet dit op zakelijke gronden plaatsvinden. Bij een lening aan de DGA of diens familie is dit zeker van belang omdat anders het risico bestaat dat de lening (bij niet terugbetaling) niet aftrekbaar is.

Nieuws lening

U moet sinds 2013 de informatie van een lening aan uw kind doorgeven aan de Belastingdienst. Dit speelt indien:

  • u een lening afsluit bij een familielid, B.V. of buitenlandse bank;
  • u op de lening moet aflossen (nieuwe hypotheekregels).

Het formulier kunt u hier downloaden.

Procedure inzake lening aan dochter van DGA

De heer Jansen is enig eigenaar en directeur van Jansen B.V. (fictieve namen). De dochter van de heer Jansen begint in Griekenland een kroeg aan het strand. De bank wil hiervoor geen geld lenen. Jansen B.V. verstrekt een lening aan de dochter. De leningen worden niet goed en ook niet op zakelijke gronden vastgelegd en nagekomen. Het volgende gaat mis:

  • geen afspraken over aflossingen;
  • er worden 4 leningen verstrekt, 2 leningen zonder rente;
  • 1 van de 4 geldleningen wordt niet schriftelijk vastgelegd.

De onderneming van de dochter in Griekenland wordt in 2009 beëindigd. Reden: de huur wordt niet betaald en de huurovereenkomst aldaar wordt ontbonden. Jansen B.V. boekt ruim € 100.000 ten laste van de winst omdat de vordering op de dochter van de heer Jansen niet wordt terugbetaald. De Belastingdienst accepteert de afboeking niet. De inspecteur stelt tevens dat er sprake is van een (verkapte) dividenduitkering en legt hiervoor een navorderingsaanslag inkomstenbelasting op van ruim € 100.000 (box 2). De heer Jansen gaat naar de rechter.

De rechter is van mening dat alle 4 leningen als onzakelijk moeten worden gezien. De Belastingdienst (inspecteur) heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat van een feitelijke kwijtschelding sprake is (hoewel dit civielrechtelijk niet zo is). De Rechtbank stelt dat er sprake is van een bewuste bevoordeling bij de B.V. en de heer Jansen.

Hoge Raad inzake onzakelijke lening

In een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 1 maart 2013 komt een belastingplichtige netjes weg. Mevrouw X (directeur van X B.V.) heeft een lening verstrekt aan de X B.V. De aandelen in X B.V. worden gehouden door haar man. De lening is onzakelijk. Het is onduidelijk of de lening bij het verstrekken hiervan al onzakelijk zou zijn. De vordering vanuit privé (ruim € 400.000) wordt afgewaardeerd. Volgens het Gerechtshof ging het om een onzakelijke lening (belangrijkste reden: mevrouw X heeft geen actie ondernomen om de vordering te innen). Volgens de Hoge Raad heeft het Gerechtshof haar uitspraak onvoldoende gemotiveerd. Het is onduidelijk of de onzakelijke lening in de loop van de tijd is ontstaan en / of een derde er wel in zou zijn geslaagd om bepaalde rechten veilig te stellen. Daarnaast is dan onduidelijk of de gehele lening niet aftrekbaar zou zijn. De Hoge Raad verwijst de zaak naar een nieuwe rechter, dit voor nader onderzoek.

Noot fiscaal jurist

Laat u bij leningen vanuit de B.V. aan de DGA of diens familie adviseren door een deskundige fiscaal jurist. De belangrijkste uitgangspunten zijn:

  • Het moet gaan om een lening onder zakelijke voorwaarden (zelfde als bij een derde).
  • Leg de lening schriftelijk vast.
  • Maak afspraken omtrent de aflossing.
  • Zorg ervoor dat er zekerheden worden gesteld.
  • Let erop dat er een zakelijke rente wordt gerekend.
  • Zorg ervoor dat de voorwaarden (rente / aflossing betalen) ook worden nagekomen.
  • Laat de lening registreren bij de Belastingdienst.

Bron

Rechtbank Haarlem d.d. 30 januari 2013.

Hoge Raad d.d. 1 maart 2013.

0000-00-00 0000-00-00 3647
Lening aan dochter BV niet aftrekbaar [news] 2013-02-28

Risicovolle lening aan dochter B.V. niet aftrekbaar

Een holding B.V. verstrekt een lening aan een dochter B.V. Op de lening wordt een zeer groot risico gelopen, de lening mag in de moeder niet worden afgewaardeerd ten laste van de winst als het risico te groot is en de lening onzakelijk.

Procedure risicovolle lening aan dochter B.V.

De Rechtbank Arnhem - Leeuwarden (de Rechtbank Oost Nederland) is van mening dat de holding B.V. een onzakelijke lening heeft verstrekt aan een dochter B.V. Het debiteurenrisico is zo groot, dat een onafhankelijke derde dit risico niet zou lopen. De leningen zijn in 2004, 2005 en 2006 afgewaardeerd. Tijdens een boekenonderzoek ziet de inspecteur de afboeking en hij corrigeert de aangiften vennootschapsbelasting op dit onderdeel. Er worden navorderingsaanslagen opgelegd. De belastingplichtige is het hier niet mee eens en stapt naar de rechter.

De Rechtbank is het met de inspecteur eens. De redenen zijn:

  • De leningen zijn onder zodanige voorwaarden verstrekt, dat het risico wel erg groot is.
  • Het risico is groter dan tussen onafhankelijke derden zou worden gelopen.
  • Er zijn geen zekerheden gesteld en de leningen die worden verstrekt worden afgewaardeerd. 
  • Tegelijk worden er weer nieuwe leningen verstrekt. Het vermogen in de dochter is zeer slecht.

Toelichting onzakelijke lening door fiscaal jurist

In mei 2008 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarin voor het eerst de onzakelijke lening aan de orde is gesteld. Tot dat moment was een lening een lening of verkapt kapitaal. Bij verkapt kapitaal is de rente niet aftrekbaar (onbelast), een afboeking is niet aftrekbaar. De Hoge Raad stelt het volgende:

  • Indien en voor zover een geldverstrekking door een vennootschap aan haar aandeelhouder plaatsvindt onder zodanige voorwaarden en omstandigheden dat daarbij door die vennootschap een debiteurenrisico wordt gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, moet - behoudens bijzondere omstandigheden - ervan worden uitgegaan dat die vennootschap dat debiteurenrisico in zoverre heeft aanvaard met de bedoeling het belang van haar aandeelhouder in die hoedanigheid te dienen. Dit brengt mee dat een eventueel verlies op de geldlening in zoverre niet in mindering op de winst van die vennootschap kan worden gebracht.

Bij een onzakelijke lening is de rente wel belast bij de ontvanger en aftrekbaar bij de betaler. De afboeking van de lening wordt echter niet geaccepteerd. De Belastingdienst zit er sinds 2011 fors op, onder meer bij:

  • Leningen vanuit de DGA in privé aan zijn B.V.
  • Leningen tussen B.V.'s onderling.

Als een lening vanuit privé (de DGA) aan een B.V. wordt verstrekt en als onzakelijk wordt gezien, dan ga ik er vanuit dat de lening bij de verkrijgingsprijs van de aandelen kan worden gevoegd (in de toekomst minder box 2 heffing).

Als een lening vanuit de ene B.V. aan de andere B.V. wordt verstrekt, dan ga ik er vanuit dat de lening bij de kostprijs deelneming mag worden gevoegd.

Belastingtip fiscaal jurist

Leg leningen goed schriftelijk vast en beding als geldverstrekker ook zekerheden. Doe afboekingen op de lening niet te snel en neem wel allerlei maatregelen om het geld binnen te krijgen (zakelijk handelen). Overleg vervolgens met een fiscaal jurist om te bekijken hoe en wanneer er op de lening wordt afgeboekt. Heeft u vragen? Stuur mij gerust een e-mail, beantwoording zal zonder verdere kosten plaatsvinden.

Bron

Rechtbank Arnhem d.d. 31 januari 2013 (publicatie 19 februari 2013).

0000-00-00 0000-00-00 3660

DGA en eigen woning

De directeur-grootaandeelhouder (DGA) van een B.V. kan eens met zijn fiscaal jurist nadenken over zijn eigen woning. Wat is er mogelijk?

  1. Grond onder de eigen woning verkopen aan de B.V. en in erfpacht uitgeven.
  2. De woning aan de B.V. verkopen.
  3. Hypotheek via de B.V. afsluiten (bijvoorbeeld tegen een rente van 0%).
  4. Bijgebouw of garage via de B.V.

In 2016 hebben wij diverse DGA's geadviseerd bij nieuwe structuren en overdrachten van woningen. Soms om een lagere hypotheekrente te krijgen, een rekening-courantschuld af te lossen en / of om goedkoper te wonen / werken.

Grond in erfpacht (ad 1)

De grond wordt verkocht aan de B.V. tegen de waarde in het economische verkeer. De opbrengst is voor de DGA belastingvrij. De DGA zal vervolgens (eeuwigdurend en niet voor 30 jaar) een erfpachtcanon kunnen aftrekken van zijn inkomen. De erfpacht is dan aftrekbaar tegen 52% en in de B.V. (direct) belast tegen 20% of 25% vennootschapsbelasting. Aandachtspunten zijn:

  1. afschrijving grond in de B.V. mogelijk;
  2. is de structuur zakelijk;
  3. prijs voor de grond;
  4. dividenduitkering in de toekomst (of direct);
  5. toekomstige verkoop van de grond (en de woning) aan een derde.

Een zorgvuldig opgezette structuur is van belang. De rechter heeft al eens een structuur afgekeurd (fraus legis) en sinds de uitspraak van de Hoge Raad van 8 juli 2016, nr 15/04315, is de constructie voor bestaande situaties bijna onhaalbaar geworden. De Hoge Raad heeft hier geoordeeld dat bij vervreemding van de grond in ruil voor het verkrijgen van erfpacht de te betalen erfpachtcanon niet aftrekbaar is als aftrekbare kosten van de eigen woning. Volgende de Hoge Raad moet er een direct verband zijn tussen de erfpacht en de verwerving, aankoop c.q. verbouwing of onderhoud van de eigen woning. In bestaande situaties is dit verband er niet, omdat de woning al een eigen woning is volgens de Wet IB 2001 voordat het recht van erfpacht wordt gevestigd.

De woning aan de B.V. verkopen (ad 2)

De woning kan ook worden verkocht aan de B.V. of wellicht in de B.V. worden ingebracht (mits privé-onderneming in de eigen woning). Een dergelijke transactie kent een aantal voordelen en nadelen. De belangrijkste voordelen zijn:

  1. Kosten eigen woning zijn aftrekbaar (onderhoud, gemeentelijke kosten, etc.).
  2. De B.V. kan de woning afschrijven ten laste van de winst, de woning is immers een bedrijfsmiddel. Afschrijving op vastgoed is echter beperkt (afschrijving tot maximaal de bodemwaarde). Omdat het een beleggingspand is, bedraagt de bodemwaarde de WOZ-waarde. Afschrijving is derhalve beperkt.
  3. Afwaardering woning tot lagere bedrijfswaarde, dit lijkt mogelijk, temeer omdat woningen en beleggingspanden substantieel in waarde dalen. Dit kan een substantieel voordeel opleveren. In privé is een verlies niet aftrekbaar, in een B.V. wel. Een afwaardering tot een lagere bedrijfswaarde moet plaatsvinden in het jaar waarin de substantiële waardedaling zich heeft voorgedaan, u mag dus niet zomaar willekeurig kiezen. U mag niet afwaarderen als sprake is van incidentele prijsschommelingen.
  4. De B.V. kan de hypotheekrente in lengte der jaren aftrekken, derhalve geen hypotheekrenteaftrekbeperkingen na 30 jaar en / of een bijleenregeling.

Belangrijkste nadeel is wel dat de DGA (niet aftrekbare) huur aan zijn eigen B.V. moet gaan betalen. Daar staat tegenover dat de B.V. over de ontvangen huur wel gewoon 20% of 25% vennootschapsbelasting moet betalen. Bovendien komt op de huur nog eens een aanmerkelijkbelangclaim (box 2)  te rusten van 25%. De huurgelden kunnen door de DGA - nadat de kosten in de B.V. zijn betaald - wel weer als dividend uitgekeerd worden, zodat de nettolast in privé beperkt is. Als u deze structuur zou doorrekenen, komt u tot de conclusie dat dit niet snel financieel aantrekkelijk is. Door de bijleenregeling (zie hierna) kan de structuur - in z'n geheel gezien - wel weer aantrekkelijk zijn. Daarnaast is de waardedaling van de woning voor de B.V. aftrekbaar.

Hypotheek via de B.V. (ad 3)

De hypotheekrenteaftrek is een veelbesproken onderwerp. Vroeg of laat zal de hele regeling op de schop gaan, echter het is nog (lang) niet zover. Derhalve dient het te behalen voordeel te worden geoptimaliseerd zolang het nog kan.

Een DGA (directeur-grootaandeelhouder) kan de hypotheek via zijn B.V. opzetten. Indien dit op de juiste wijze wordt vormgegeven, levert dit direct geld op. Hieronder een uiteenzetting van deze optimalisatie.

De rente op een schuld die is aangegaan ten behoeve van de aankoop, onderhoud of verbetering van een eigen woning is aftrekbaar in box 1. Bij wie de schuld is aangegaan, doet niet ter zake. Dit betekent dat ook uw eigen B.V. als leningverstrekker kan optreden. Ook de overname van een bancaire schuld door uw B.V. (schuldovername) staat de renteaftrek niet in de weg. De hypotheek bij de eigen B.V. is een aansprekende en flexibele manier van eigenwoningfinanciering. De rente die u aan de B.V. betaalt, blijft voor u aftrekbaar in box 1. Bij de B.V. zal het rendement op de overtollige liquiditeiten (bijv. depositorente) worden ingewisseld voor het rendement op de eigenwoninglening. Afhankelijk van uw situatie kan de hypotheek tegen een hoge rente (zeg 6%) of tegen een lage rente (0%) kunnen worden verstrekt. Een uitgebreid artikel over dit onderwerp treft u hier aan.

Bijgebouw of garage in de B.V. (ad 4)

Steeds vaker zien wij dat een bijgebouw (echt kantoor, dus met toilet en separaat te verhuren) of garage door de B.V. wordt gebouwd. De belangrijkste voordelen zijn:

  • Financieringslasten aftrekbaar (en niet beperkt tot 30 jaar);
  • BTW op de nieuwbouw verrekenbaar;
  • Kosten aftrekbaar;
  • Deel algemene kosten eigen woning (tuinman, schilder, etc.) aftrekbaar;
  • Lagere WOZ-waarde eigen woning.

Noot fiscaal jurist over woning en DGA

Het verkopen van de grond en weer uitgeven tegen erfpacht komt in de praktijk (nog) weinig voor, dit is een aantrekkelijke optie. Het verkopen van de eigen woning aan de B.V. is een stuk complexer, maar kan wel voordelig zijn, veelal bent u bij de verkoop overdrachtsbelasting verschuldigd. De hypotheek via uw B.V. laten lopen komt in onze praktijk steeds vaker voor.

Een reden om de woning (tijdelijk) aan de B.V. te verkopen kan de bijleenregeling zijn. U kunt gewoon in uw woning blijven wonen en na 3 jaar is de bijleenregeling niet meer van toepassing (uitgewerkt). U kunt de woning weer terugkopen en weer volledig financieren tegen een aftrekbare rente. Een opzet (vooraf geheel duidelijk) kan een probleem veroorzaken (fraus legis). De nieuwe schuld moet dan wel annuïtair worden afgelost (nieuwe hypotheekrecht).

DGA en zijn eigen woning [news] 2013-03-24 0000-00-00 0000-00-00 3677
Hypotheek aan DGA of werknemer [news] 2013-03-27

Hypotheekrente DGA of werknemer

Fiscale truc met voordelen

Een DGA (directeur-grootaandeelhouder) kan de hypotheek via zijn B.V. opzetten. Indien dit op de juiste wijze wordt vormgegeven, levert dit direct geld op. Hieronder een uiteenzetting van deze optimalisatie. De B.V. hoeft geen rente in rekening te brengen aan de DGA en mag er ook voor kiezen een hogere rente te rekenen. De Staatssecretaris heeft in maart 2013 aangegeven dat ook onder de werkkostenregeling dit voordeel blijft.

Nieuws 2015

In de fiscale verzamelwet 2015 staat dat de nihilwaardering voor hypotheken via de werkgever niet meer tegen 0% kan worden verstrekt. De nihilwaardering binnen de werkkostenregeling komt te vervallen. Het rentevoordeel mag ook niet in de vrije ruimte worden ondergebracht (dus niet aanwijzen als eindheffingsbestanddeel). Het voordeel (verschil betaalde rente werknemer en marktrente) moet (wellicht al vanaf 2016) als loon worden gezien. De nihilwaardering blijft wel bestaan voor de (elektrische) fiets of scooter.

Neem een hypotheek bij uw eigen B.V.

De rente op een schuld die is aangegaan ten behoeve van de aankoop, onderhoud of verbetering van een eigen woning is aftrekbaar in box 1. Bij wie de schuld is aangegaan, doet niet ter zake. Dit betekent dat ook uw eigen B.V. als leningverstrekker kan optreden. Ook de overname van een bancaire schuld door uw B.V. (schuldovername) staat de renteaftrek niet in de weg.

De hypotheek bij de eigen B.V. is een aansprekende en flexibele manier van eigenwoningfinanciering. De rente die u aan de B.V. betaalt, blijft voor u aftrekbaar in box 1. Bij de B.V. zal het rendement op de overtollige liquiditeiten (bijv. depositorente) worden ingewisseld voor het rendement op de eigenwoninglening. Indien het rendement op de eigenwoninglening hoger is dan het rendement op de overtollige liquiditeiten, zal een voordeel worden behaald. Een B.V. die momenteel een rendement maakt van ongeveer 6% op haar uitgezette geld doet het best aardig! Het vorenstaande is tevens mogelijk als er geen overtollige liquiditeiten aanwezig zijn, indien de B.V. geld leent van de bank en dit vervolgens doorleent aan privé ten behoeve van de eigen woning.

Zoals hierboven reeds weergegeven, is de hoogte van het rentepercentage belangrijk (hoe hoger, hoe beter). Een hoger rentepercentage kan verdedigbaar zijn door in de leningsovereenkomst een langere rentevastperiode te kiezen, tussentijds boetevrij te kunnen aflossen, een tophypotheek te verstrekken en te werken met een wat zachtere zekerheid in de vorm van een positieve / negatieve hypotheekverklaring (in plaats van een hypothecaire inschrijving).

Verder kan worden gedacht aan het overeenkomen van een afsluitprovisie bij het aangaan van de lening. Deze afsluitprovisie is onder de eigenwoninglening aftrekbaar. Het maximale bedrag dat ineens in aftrek mag worden genomen, bedraagt 1,5% van de eigenwoningschuld met een maximum van € 3.630 (per belastingplichtige). Het meerdere is naar evenredigheid aftrekbaar over de looptijd van de lening.

Bijkomstig voordeel bij de hypotheek bij uw eigen B.V. is, dat u deze zo lang mogelijk volledig (geen aflossing) in stand kunt laten. Bij een eventuele verhuizing in de toekomst vermindert u de negatieve gevolgen van de zogeheten bijleenregeling.

0000-00-00 0000-00-00 3680
Wijziging DGA pensioen in 2014 [news] 2013-03-30

Wijziging DGA-pensioen in 2014

Update

Directeuren-grootaandeelhouders (DGA's) krijgen in 2017 (en 2018 en 2019) de mogelijkheid om hun pensioen in eigen beheer van de balans te halen (af te kopen). Dit kan met een korting van 34,5% in 2017 (en in de jaren daarna tegen lagere percentages, namelijk 2018: 25% en 2019: 19,5%). Heeft u geen geld, dan resteren er twee opties:

  1. Premievrij maken;
  2. Spaarvariant kiezen.

Pensioen in eigen beheer opbouwen is dus vanaf 2017 feitelijk voorbij.

De invoering is uitgesteld tot 1 april 2017, lees hiertoe deze brief van de Staatssecretaris van Financiën.

Inleiding

De DGA moet zijn pensioen per 1 januari 2014 aanpassen. De belangrijkste reden is dat de pensioenleeftijd in 2014 naar 67 jaar wordt verhoogd. De DGA die is geboren na 1950 moet dus aan de slag met zijn pensioen. De wijziging moet in 2013 worden doorgevoerd. Het eenvoudig opstellen van een nieuwe pensioenbrief is niet verstandig, laat u goed adviseren en neem er de tijd voor.

Een korte terugblik op het DGA-pensioen

We hebben al vele stelsels gehad, de belangrijkste waren:

  • Pre-Witteveen (tot uiterlijk 01-06-2004): opbouwpercentage 2,33%, lage AOW-franchise (8/7 zelfstandig, geschoond), opbouw over auto van de zaak, pensioenleeftijd 60 jaar, met een overbruggingspensioen voor de periode 60-65.
  • Witteveen (tot 01-01-2006): 2% opbouw, hoge(re) bruto ongehuwden, AOW-franchise op basis van 10/7 bruto ongehuwde AOW-uitkering, pensioenleeftijd 60 jaar. 
  • VPL: 2% opbouw en pensioenleeftijd 65 jaar.
  • Vanaf 2014 wordt het 1,9% en 67 jaar als pensioendatum. En alvast voor de periode daarna (2015) zelfs 1,5% met ook nog eens een maximaal pensioengevend salaris tot € 100.000. 

Commerciële en fiscale waarde DGA-pensioen

Door de wetswijziging in de B.V. (flex B.V. in oktober 2012) is de commerciële en fiscale waardering ook van belang geworden. Er is een beperking op het uitkeren van dividenden als dit eigenlijk niet zou kunnen, hiertoe is de commerciële waarde van het pensioen van belang. Betrek hierbij ook het nabestaandenpensioen. Meestal is dit extern ondergebracht, maar als dit niet zo is, moet dit bij de waardering worden betrokken.

Overwegingen bij de DGA

  1. Commercieel en fiscaal: laat uw pensioenvoorziening berekenen en kijk of de commerciële waarde wel binnen de B.V. aanwezig is.
  2. Nabestaandenpensioen: bekijk of het zinvol is om dit extern te verzekeren, regel dit voor uw partner / kinderen!
  3. Vermogen: bekijk of het vermogen voor uw pensioen wel aanwezig is. Veelal zien wij dat de B.V. een onderneming heeft waar de waarde in is opgeslagen en / of een rekening-courantvordering op de DGA. Dit is niet verstandig, probeer om  - bijvoorbeeld - 70% van de benodigde middelen opzij te leggen in beleggingen of een aparte spaarrekening.
  4. Echtscheiding: bereken wat de gevolgen voor het pensioen in eigen beheer zijn als u zou gaan scheiden, sommige bedrijven komen bij een echtscheiding van de DGA in substantiële problemen.
  5. Overlijden: laat uw pensioenadviseur berekenen wat de gevolgen zijn als u komt te overlijden.

Vragen over DGA-pensioen

Neem gerust contact op en laat u geheel vrijblijvend adviseren. Voor zeer complexe vraagstukken werken wij samen met pensioenspecialisten.

0000-00-00 0000-00-00 3686

DGA en auto

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) kan een auto in privé of in zijn B.V. kopen. Als er een nieuwe auto wordt gekocht, is het meestal voordeliger om een auto door de B.V. te laten kopen en de bijtelling voor lief te nemen. De laatste jaren is de elektrische auto in opkomst. Deze is minder praktisch, maar fiscaal erg aantrekkelijk (extra aftrekposten en lagere bijtelling). Als de DGA een auto in privé koopt, mag hij € 0,19 per zakelijk gereden kilometer aan vergoeding ontvangen, via de werkkostenregeling kan deze vergoeding wellicht hoger worden vastgesteld. Meer adviezen over de auto van de zaak? Lees hier

Vrijblijvend advies over auto van de zaak en DGA

Regelmatig adviseren wij DGA's over nieuwe mogelijkheden en structuren, bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen. Er zijn leuke structuren te bedenken als u energiezuinige en / of meerdere auto's zou rijden. Wij leggen dit voor aan de Belastingdienst zodat u vooraf zekerheid heeft.

Beperken bijtelling en fiscale APK

Overweeg eens een fiscale scan van uw bedrijf. Wij toetsen uw bedrijf op meer dan 100 adviesonderdelen en bekijken ook of u uw bijtelling kunt optimaliseren.  Kort en goed bekijken wij het volgende;

  • Maakt u optimaal gebruik van de fiscale wetgeving ?
  • Is uw structuur en rechtsvorm op orde?
  • Uw positie als ondernemer/DGA t.o.v. van uw prive situatie.
  • Continuiteit, verkoop, bedrijfsopvolging op orde.
  • Optimalisatie van uw fiscale positie.
  • Check inzake mogelijk boekenonderzoek, wat zijn de risico's?
  • Loonheffingen en onkostenvergoedingen optimaal via WKR tool?

Stuur een e-mail voor een vrijblijvende offerte.

Pensioen, DGA en auto van de zaak

Het is voordelig om het salaris met de bijtelling te verhogen en dan een eigen bijdrage te betalen, de grondslag voor het DGA-pensioen is dan hoger, dit kan een fiscaal voordeel opleveren. Eventueel kunt u ook kijken of het mogelijk is om door inkoop oudere dienstjaren het pensioen nog verder te optimaliseren.

Auto van de zaak en DGA

Als de DGA een auto van de zaak zou rijden, mag de B.V. alle kosten met betrekking tot de auto betalen. Eventueel in privé betaalde kosten voor parkeren, ANWB, tolgelden, etc. mag de B.V. belastingvrij vergoeden. Soms is het voordelig om de auto na 2 jaar over te hevelen naar privé. De verkoop moet dan in principe met BTW plaatsvinden. Met enige regelmaat adviseren wij DGA's over het voorkomen van deze BTW bij de verkoop van de auto naar privé.

Voor de DGA gelden soms bijzondere regels, hierbij kunt u denken aan de situatie waarbij aan de DGA meerdere auto's ter beschikking worden gesteld en / of als de DGA een auto ter beschikking stelt aan zijn zoon of dochter (in plaats van een beloning in geld).

Auto in privé en de DGA

De B.V. mag € 0,19 per kilometer belastingvrij vergoeden aan de DGA, overige kosten mogen niet worden vergoed. Binnen de werkkostenregeling is soms een hogere vergoeding mogelijk. Soms is het verstandig om het salaris van de DGA te verhogen zodat de kosten kunnen worden verhoogd. De pensioengrondslag gaat hiermee ook omhoog, dit kan een voordeel opleveren. In sommige gevallen is het verstandig om niet het salaris te verhogen, maar dividend uit te keren, dit is een kwestie van rekenen. Als de DGA tijdens een zakelijke rit schade aan zijn privé-auto zou rijden, dan mag de B.V. deze schade belastingvrij vergoeden. Om de kilometers te mogen vergoeden, moet de DGA wel een eenvoudige rittenregistratie bijhouden waaruit de zakelijke en woon-werkkilometers volgen.

Vragen DGA en auto

In de praktijk adviseren wij vele DGA's over de auto, meest voorkomende adviezen zijn:

  1. Auto in B.V. of privé (eenvoudige berekening maken).
  2. Advisering omtrent auto op buitenlands kenteken.
  3. Auto samen met partner rijden.
  4. Advisering bij meerdere auto's op de zaak
  5. Hoe voordelig een kostbare en / of exclusieve auto rijden.
  6. Auto naar privé overhevelen zonder BTW.

Heeft u vragen of opmerkingen, stuur gerust een e-mail of maak een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor.

[news] 2015-03-31 0000-00-00 0000-00-00 3691

DGA en rekening-courantschuld

Bijna iedere directeur-grootaandeelhouder (DGA) heeft wel een rekening-courant bij zijn vennootschap(pen). Sinds enkele jaren  heeft de Belastingdienst veel belangstelling voor dergelijke schulden. Er wordt ook steeds vaker over rekening-courantschulden geprocedeerd en dit zal de komende jaren alleen maar toenemen. In 2023 komt er nieuwe wetgeving waardoor de DGA maximaal € 500.000 mag lenen van zijn BV (m.u.v. leningen voor zijn eigen woning).

Wij adviseren regelmatig DGA's met forse rekening-courantschulden. Hierbij wordt ook gekeken naar:

  • verrekening rekening-courant met afkoop pensioen;
  • kwijtschelden vordering DGA i.v.m. oninbaarheid;
  • laten vervallen DGA-schuld i.v.m. 5-jaarstermijn;
  • aflossing rekening-courant via overdracht activa vanuit privé.

Update 17 juni 2020

Het wetsvoorstel inzake excessief lenen ligt sinds 17 juni 2020 bij de tweede kamer (dit voorstel kunt u hier raadplegen). Vanaf 2023 worden DGA's (AB houders) beperkt in het geld lenen van hun BV (tot maximaal € 500.000), met uitzondering van bestaande eigenwoning schulden. Het gaat om 11.000 DGA's die iets moeten veranderen in de afspraken met hun BV.

Zijn er mogelijkheden om uw rekening courant schuld terug te brengen?

Rekening courant terugbrengen door fiscale APK 

Overweeg eens een fiscale scan van uw bedrijf. Wij toetsen uw bedrijf op meer dan 100 adviesonderdelen en bekijken hierbij ook of uw rekening courant schuld kan worden teruggebracht. Kort en goed bekijken wij het volgende;

  • Maakt u optimaal gebruik van de fiscale wetgeving ?
  • Is uw structuur en rechtsvorm op orde?
  • Uw positie als ondernemer/DGA t.o.v. van uw prive situatie.
  • Continuiteit, verkoop, bedrijfsopvolging op orde.
  • Optimalisatie van uw fiscale positie.
  • Check inzake mogelijk boekenonderzoek, wat zijn de risico's?
  • Loonheffingen en onkostenvergoedingen optimaal?

Stuur een e-mail voor een vrijblijvende offerte.

Zakelijk handelen met de B.V.

Iedere aandeelhouder dient zakelijk te handelen met zijn vennootschap(pen). Dit betekent dat de verstrekking, als de voorwaarden waaronder dit geschiedt, moet geschieden zoals dat ook tussen derden het geval zou zijn geweest. Om fiscaal niet tegen ongewenste gevolgen aan te lopen, dient u rekening te houden met het volgende:

  • Kijk goed naar de vermogenspositie van de schuldenaar (zou deze ook een lening van een derde kunnen ontvangen?).
  • Stel een zakelijke rente vast.
  • Kom een aflossingsschema overeen.
  • Leg de lening en de bijbehorende voorwaarden vast in een overeenkomst.
  • Indien het bovenstaande niet juist is vormgegeven, kan de Belastingdienst de rente gaan corrigeren en mogelijk de lening aanmerken als onzakelijk met alle gevolgen van dien.

Rente rekening-courantschuld tot € 17.500

Bij een schuld van de aandeelhouder tot € 17.500 hoeft geen rente in rekening te worden gebracht. Hier tegenover staat dat de schuld niet in box 3 mag worden opgenomen.

Belastingdienst en rekening-courant

De Belastingdienst heeft een speciale site over de rekening-courant van de aandeelhouder (kijk hier). U kunt erop wachten dat de Belastingdienst in 2016 / 2017  strikter gaat kijken naar DGA's met een schuld aan hun B.V. Essentie volgens de Belastingdienst is het volgende:

  • Lening tegen zakelijke voorwaarden (voorwaarden die een bank ook zou stellen).
  • De lening moet schriftelijk worden vastgelegd.
  • Er moeten afspraken worden gemaakt over terugbetaling van de lening.
  • De B.V. heeft voldoende zekerheden.
  • De B.V. moet aan haar verplichtingen kunnen blijven voldoen als u de lening opneemt.
  • Als er onzakelijk wordt gehandeld, voldoet de lening niet aan de voorwaarden, de lening wordt dan gezien als inkomen.

Rekening-courant en de DGA

Een hoge rekening-courantschuld is niet wenselijk, zowel fiscaal als naar uw bank. Ook bij een faillissement kan een rekening-courantschuld ervoor zorgen dat uw privévermogen wordt aangesproken bij een faillissement van uw B.V. Door een rekening-courantschuld kan ook het vormen van een normale pensioenvoorziening in gevaar komen. Als de B.V. haar verplichtingen niet kan nakomen door rekening-courantopnamen door de DGA, dan kan dit een onrechtmatige daad tot gevolg hebben. Hierdoor is de bestuurder aansprakelijk voor schulden bij een faillissement van de B.V. (Rechtbank Den Haag 5 april 2012).

Als een DGA geld uit zijn B.V. heeft geleend voor consumptieve zaken, dan kan dit voor de Belastingdienst een reden zijn om te veronderstellen dat sprake is van een uitdeling of genoten salaris. Dit komt sneller in beeld als er geen zekerheid wordt geboden en / of de schuld onvoldoende is vastgelegd, resp. als hetgeen is vastgelegd niet wordt nagekomen. In mijn praktijk wordt dit meestal wel opgelost, bijvoorbeeld door met de Belastingdienst af te spreken dat de schuld in 3 tot 5 jaar wordt afgebouwd via bijvoorbeeld een dividenduitkering.

Dividend uitkeren en rekening-courant

De eenvoudigste manier om een rekening-courantschuld weg te werken is de dividenduitkering. Er moet wel brutering plaatsvinden, voor een schuld van € 100.000 moet een dividend van ruim € 133.000 worden uitgekeerd. De B.V. heeft hiervoor in contanten dus € 33.000 nodig. Een deel wordt bij de dividenduitkering door de B.V. voldaan en een deel door de DGA, in totaal moet 25% worden betaald. Als u te maken krijgt met de stelling dat er sprake is van een uitdeling, kunt u een aantal stellingen betrekken:

  1. Ik regel het alsnog goed en zal privé zekerheden verstrekken en tot aflossing overgaan.
  2. Maak een plan om binnen 3 jaar de schuld in z'n geheel af te lossen.
  3. Probeer een deel van de schuld wel als zakelijk te laten staan (voorbeeld Rechtbank Den Haag 2 maart 2010). Een DGA had een schuld van € 450.000, deze was opgelopen tot € 660.000. Er was geen schriftelijke overeenkomst. Inspecteur stelt: "uitdeling." Rechtbank stelt: "uitdeling voor de opname ad € 210.000 en niet voor geheel," voor restant niet omdat voor dit deel artikel 4.43 IB niet aannemelijk is gemaakt.

Let op ... een dividenduitkering is alleen mogelijk als de B.V. over positief vermogen beschikt. Om dit vermogen te bepalen, moet u de pensioenverplichting om commerciële waarde waarderen, deze is meestal hoger dan de (fiscale) waarde die op de balans staat. U moet ook rekening houden met de uitkeringstoets (kan de B.V. geld als dividend uitkeren zonder de B.V. in gevaar te brengen, deze eis moet u sinds 2012 toepassen).

Terugbetaling van kapitaal

De meest eenvoudige manier om een rekening-courantschuld te verlagen is het verminderen van kapitaal. Dit kan alleen als er voldoende kapitaal is gestort dat fiscaal ook is erkend.

Rekening-courant en rentevoordeel

Op 25 februari 2011 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan inzake een DGA die geld had geleend van zijn vennootschap tegen een rente van 2,5% en dit geld vervolgens op privérekeningen zette tegen een hogere rente percentage. Hierdoor maakte de DGA een onbelaste winst in privé. De inspecteur was het niet eens met de DGA. De Rechtbank stelde de DGA in het gelijk, het Hof echter niet. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad zich over deze zaak gebogen en kwam met de volgende uitspraak. De kennis van tarieven op spaarrekeningen is niet als bijzondere vorm van kennis aan te merken, aangezien deze gewoon op het internet staan. Het standpunt van het Hof dat de winst in box 1 belast moest worden wegens activiteiten die normaal vermogensbeheer te boven gaan, gaat derhalve niet op. De activiteiten zijn volgens de Hoge Raad niet substantieel genoeg, waardoor sprake is van normaal vermogensbeheer en derhalve is het rentevoordeel onbelast.

Conclusie rekening-courant

Neem altijd tijdig contact op met uw belastingadviseur om te beoordelen of u aan alle voorwaarden en formaliteiten voldoet. Dit kan ongewenste gevolgen voorkomen.

Bron DGA en rekening-courant

Hoge Raad 25 februari 2011.

Rechtbank Den Haag 5 april 2012.

Rechtbank Den Haag 2 maart 2010.

[news] 2013-03-31 0000-00-00 0000-00-00 3692
Periodiek verrekenbeding DGA [news] 2013-03-31

Periodiek verrekenbeding DGA

Veel ondernemers zijn op huwelijkse voorwaarden getrouwd. In de traditionele advisering behoort de onderneming toe aan de man en de woning aan de vrouw (of gemeenschappelijk). In de meeste huwelijkse voorwaarden staat een verrekenbeding welke ervoor moet zorgen dat extra inkomen gelijk over de man en de vrouw wordt verdeeld.

Het belang van een jaarlijkse verrekening is groot en toch wordt dit meestal vergeten. Het niet verrekenen kan ervoor zorgen dat bij een echtscheiding het ondernemingsvermogen of de B.V. (deels) moet worden gedeeld resp. bij een faillissement wordt ook het andere vermogen meegetrokken.

Niet verrekenen, wat zegt de rechter?

Uitspraak over echtscheiding DGA

Op 26 oktober 2001 deed de Hoge Raad (ons hoogste rechtscollege) een bijzondere uitspraak. In essentie stelde de Hoge Raad het volgende:

  • Partijen hebben huwelijkse voorwaarden opgesteld.
  • Partijen hebben aan de tussen hen overeengekomen huwelijkse voorwaarden nimmer uitvoering gegeven.
  • Partijen hebben tijdens het huwelijk niet jaarlijks de overgespaarde inkomsten verdeeld. 
  • Partijen hebben geen administratie bijgehouden waaruit een verdeling zou kunnen worden opgemaakt.
  • Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van het verrekenbeding, heeft dit tot gevolg dat partijen gehouden zijn de vermogensbestanddelen die zij tijdens hun huwelijk hebben verworven en waarvan niet kan worden vastgesteld dat zij naar de bedoeling van partijen of van een derde zonder enig recht op verrekening behoren tot het vermogen van één van de partijen, alsnog te verdelen alsof deze vermogensbestanddelen aan hen gemeenschappelijk toebehoren.
  • In beginsel en behoudens bewijs van het tegendeel moet in een dergelijk geval immers ervan worden uitgegaan dat partijen deze vermogensbestanddelen hebben verkregen uit of door belegging van overgespaarde inkomsten.

Conclusie: huwelijkse voorwaarden niet bijgehouden, derhalve is alles gekocht uit het overbespaarde inkomen en is dit gemeenschappelijk.

Uitspraak over faillissement DGA

In een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam op 19 augustus 2009 komt een andere situatie aan bod. Een curator in een faillissement claimt de eigen woning van de niet failliet. Reden: de failliet heeft bijgedragen aan de hypotheekrente. De faillissementswet (artikel 61 voor de liefhebber) stelt dan dat, als verrekening niet heeft plaatsgevonden, het vermogen dat hierdoor is gevormd geacht wordt gemeenschappelijk te zijn. Gevolg: vermogen (de woning) valt in de failliete boedel.

Uitspraak wijziging huwelijkse voorwaarden en DGA

Truus heeft een onderneming in de vorm van een B.V., Henk is huisman. Ze trouwen in 1985 op huwelijkse voorwaarden. De huwelijkse voorwaarden worden in 2007 aangepast (inkomensbegrip wordt beperkt en winsten in de B.V. vallen buiten verrekenbeding). In 2009 gaan Truus en Henk scheiden. De notaris had Henk niet verteld dat hij door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zijn recht op waardestijging van de aandelen in de B.V. (en de opgepotte winsten) had prijsgegeven. Dit was een benadeling voor meer dan 25% waardoor er een wettelijk vermoeden is van dwaling (artikel 3:196 BW). De Rechtbank in Breda was dit op 9 februari 2011 met Henk eens, de overeenkomst is vernietigd en er moest alsnog worden verrekend.

Verrekening bij DGA vergeten

Wij maken regelmatig voor onze cliënten een vermogensoverzicht. De cliënt weet dan waar hij aan toe is als hij zou gaan scheiden. De opstelling wordt meestal bij de aangifte gevoegd.

Als in het verleden een dergelijke opstelling niet is gemaakt, dan moet er alsnog over het verleden worden verrekend. Er moet dan een zogenaamde vaststellingsovereenkomst worden gesloten (artikel 7:900 BW). Als adviseur moeten hierbij de belangen van beide echtelieden zorgvuldig worden meegewogen en het is ook verstandig om de overeenkomst uiteindelijk via een notaris te laten bekrachtigen. Als blijkt dat een dergelijke overeenkomst niet juist is opgesteld, dan kan deze eventueel in de toekomst worden vernietigd.

Doel verrekenbeding bij de DGA

Een periodiek verrekenbeding komt bij veel ondernemers voor. De reden is dat via een verrekenbeding een deel van het vermogen uit de B.V. / onderneming kan worden overgeheveld naar de partner, dit deel van het vermogen is dan veilig gesteld (van de ondernemingsrisico's). Een betaling op grond van een verrekenbeding kan niet door een curator worden aangepakt. De verrekening wordt fiscaal ook niet gezien als schenking. Het is wel vereist dat er ook daadwerkelijk geld wordt overgeboekt. Het overbespaarde inkomen is het inkomen te verminderen met de kosten van de huishouding. Sommige huwelijkse voorwaarden zeggen specifiek wat inkomen is en wat uitgaven zijn. De hypotheekrente of huur behoort tot de kosten van de huishouding (Hoge Raad 27 januari 2006).

Aandachtspunt is dat de notariële bepaling in de huwelijkse voorwaarden meestal ruimte laat voor verschillende interpretaties. De reden is simpel, veel bepalingen zijn lastig te lezen en / of slecht geredigeerd in een andere tijdsgeest. Als iets niet helemaal duidelijk is, dan moet de uitleg in de geest van de bepaling (de letterlijke tekst) en de bedoeling van partijen plaatsvinden. Binnen de juridische wereld staat dit bekend onder de zogenaamde Haviltex formule of Haviltex arrest (uitspraak uit 1981).

Vaststellingsovereenkomst voor oudere jaren

De oudere jaren kunnen alsnog worden verrekend en - zoals hiervoor is genoemd - in een overeenkomst worden vastgelegd. Dit is vaak veel rekenwerk waarbij de archieven hopelijk nog voldoende aanwezig zijn. Als dit niet zorgvuldig zou gebeuren, dan kan de advocaat van de meest gerede partij alsnog gaan "piepen" over de totstandkoming of inhoud van de overeenkomst. De advocaat kan deze overeenkomst dan eventueel laten vernietigen, dit met alle gevolgen van dien. Als er niet is verrekend, dan wordt veelal al snel gesteld dat het op dat moment aanwezig vermogen is ontstaan uit het vermogen dat niet is verrekend. Als er voor het huwelijk al vermogen was en / of als vermogen op een andere wijze (loterij, schenking, etc.) is verkregen, is er wellicht nog een uitweg.

Advisering verrekenbeding en DGA

Een DGA zou erop moeten letten dat hij jaarlijks het verrekenbeding toepast. Het meest eenvoudig kan dit worden toegepast bij het opstellen van de aangifte inkomstenbelasting. Als bijlage wordt er dan een verrekening bij de aangifte gevoegd welke jaarlijks door beide echtelieden wordt ondertekend.

Een ander aandachtspunt is de DGA met een minderheidsbelang, hij heeft geen invloed op de dividendstroom, zijn management fee, etc. De huwelijkse voorwaarden moeten hier wel bij aansluiten, anders zouden eventueel niet uitgekeerde dividenden wel tot de grondslag van de verrekening behoren.

Heeft u vragen? Bel of mail gerust voor een vrijblijvend gesprek.



0000-00-00 0000-00-00 3694

DGA soms recht op WW-uitkering

Werknemers zijn verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen (WW, ZW en WIA). Volgens de WW is er sprake van een werknemer als er een privaatrechtelijke dienstbetrekking is. Bij een DGA of een andere bestuurder is er twijfel of er sprake is van een dienstbetrekking omdat de gezagsverhouding ontbreekt. Hierdoor is het ook twijfelachtig of er recht bestaat op op een WW-uitkering resp. of er de plicht zou bestaan om premies te betalen.

Als een directeur-grootaandeelhouder (DGA) wordt ontslagen, heeft hij meestal geen recht op een WW-uitkering. In sommige gevallen heeft de DGA echter wel recht op een WW-uitkering. Dit is enkel mogelijk als er meerdere aandeelhouders zijn.

Inleiding WW-uitkering voor de DGA

Een DGA betaalt meestal geen premies werknemersverzekeringen, de belangrijkste zijn:

  • de Ziektewet (ZW);
  • de Werkeloosheidswet (WW); en
  • de Wet op Arbeidsongeschiktheidsverzekering; en
  • Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WAO / WIA).

Deze premies moeten pas worden betaald als er sprake is van een dienstbetrekking (en dus een gezagsverhouding tussen de werkgever en de werknemer). Een DGA is vaak zijn eigen werkgever, feitelijk werkgever en werknemer in 1 persoon. Als een DGA meer dan 50% van de aandelen in een B.V. bezit, dan kan hij zelf zijn ontslag bepalen. Hiermee is hij / zij niet verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Als er meerdere aandeelhouders zijn, dan kan dit anders liggen.

Procedure Centrale Raad van Beroep 2011

In een procedure bij de Centrale Raad van Beroep (uitspraak 10 augustus 2011) is bepaald dat een meerderheid van aandelen niet altijd automatisch wil zeggen dat de DGA niet in een gezagsverhouding zou staan. Een DGA was sinds 2002 in dienstbetrekking als algemeen directeur, hij had 64% van de aandelen in de B.V. in zijn bezit. Dit belang is nadien gewijzigd tot 51%. In 2006 wordt de DGA geschorst, in 2008 ging de B.V. failliet en wordt de DGA ontslagen. Vanaf de schorsing is de DGA verplicht verzekerd voor de werknemersuitkeringen (moment schorsing). De DGA kon echter aantonen dat hij al langer in een gezagsverhouding tot de B.V. stond, derhalve voor de schorsing. Volgens de Centrale Raad van Beroep had de DGA recht op (20 maanden) WW-uitkering.

Procedure Hoge Raad 2013

In een procedure bij de Hoge Raad op 22 maart 2013 kwam ook een DGA aan bod. Een DGA was niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen omdat hij samen met zijn bloed- en aanverwanten minstens 66% van de aandelen in een B.V. in bezit had. De eigen aandelen van de DGA tellen hierbij niet mee.

Het UWV kijkt voor de regels in de regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder. De feiten waren eenvoudig: een DGA vroeg een WW-uitkering aan toen de activiteiten van zijn B.V. werden gestaakt en hij werd ontslagen (DGA had 48% van de aandelen). Het UWV weigerde de uitkering te betalen en wees de aanvraag dus af. De DGA stapte naar de rechter. Volgens het hiervoor genoemde besluit moeten de aandelen van bijvoorbeeld een dochter of zoon worden meegeteld. In casu had de dochter 26% van de aandelen. Volgens de Rechtbank, het Gerechtshof en de de Hoge Raad mogen echter de aandelen van de DGA zelf niet worden meegeteld bij het bepalen van de 66% (2/3 van de aandelen). De DGA had recht op een WW-uitkering. In casu had de DGA ook WW-premies afgedragen.

Conclusie fiscaal jurist

Als een DGA binnen familieverband werkzaamheden verricht en hij zelf minder dan 50% van de aandelen in zijn bezit heeft, is er sprake van een bijzondere situatie. De genoemde uitspraak van de Hoge Raad haalt een forse streep door het beleid van de Belastingdienst. Vorenstaande kan betekenen dat er een aantal DGA's rondloopt die feitelijk wel verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. De actie die de Belastingdienst gaat ondernemem is nog niet helemaal duidelijk. Ik verwacht dat een aantal DGA's eerdaags gewoon premies voor werknemersverzekeringen moet gaan betalen en dat zich meer DGA's zullen melden met het verzoek om een WW-uitkering.

WW uitkering voor DGA [news] 2013-04-16 0000-00-00 0000-00-00 3727
Problemen pensioen DGA [news] 2013-05-03

Problemen pensioen eigen beheer van de DGA

Update

Directeuren-grootaandeelhouders (DGA's) krijgen in 2017 (en 2018 en 2019) de mogelijkheid om hun pensioen in eigen beheer van de balans te halen (af te kopen). Dit kan met een korting van 34,5% in 2017 (en in de jaren daarna tegen lagere percentage, namelijk 2018: 25% en 2019: 19,5%). Heeft u geen geld, dan resteren er twee opties:

  1. Premievrij maken;
  2. Spaarvariant kiezen.

Pensioen in eigen beheer opbouwen is dus vanaf 2017 feitelijk voorbij.

De invoering is uitgesteld tot 1 april 2017, lees hiertoe deze brief van de Staatssecretaris van Financiën.

Inleiding

Door de nieuwe wetgeving voor de B.V. sinds 2012 zijn er onverwacht problemen ontstaan bij de pensioen B.V. van de DGA. Pensioen in eigen beheer opbouwen is hierdoor gevaarlijk en een stuk minder aantrekkelijk geworden. Dit komt doordat de fiscale waardering van uw pensioen meestal een stuk lager is dan de commerciële waardering. Gevolg hiervan kan zijn dat u over uw pensioen 72% heffing moet betalen.

Pensioen DGA in eigen beheer

In het verleden werden eenmanszaken ingebracht in een B.V. of werd er een B.V. opgericht en gelijktijdig maar direct een pensioenbrief opgesteld. Elk jaar bouwt de DGA (directeur-grootaandeelhouder) een pensioenaanspraak op, waardoor de B.V. een aftrekpost krijgt. De voorziening wordt gevormd voor een toekomstige pensioenuitkering. De opbouw is aftrekbaar van de winst (minder vennootschapsbelasting betalen) en is in de toekomst belast met inkomstenbelasting. Dotaties aan de voorziening leverden elk jaar een aantrekkelijke aftrekpost op en dus een lagere winst en minder vennootschapsbelasting. In mijn beginjaren was het tarief voor de vennootschapsbelasting nog 34,5%, de laatste jaren is dit tarief verlaagd tot 20% (25% bij hogere winsten).

Belastingdienst gaat controleren

In 2013 en 2014 zal de Belastingdienst scherp gaan controleren op stamrecht B.V.'s, pensioen B.V.'s en rekening-courantschulden van de DGA aan de B.V. Het is dus verstandig om met uw fiscaal jurist te overleggen wat verstandig is. Oplossingen kunnen zijn:

  • overeenkomsten opnieuw opstellen;
  • geen pensioen meer opbouwen;
  • langzamer pensioen opbouwen;
  • pensioen extern verzekeren of banksparen;
  • afsluiten dalende risicoverzekering bij vooroverlijden.

Voorbeeld pensioen in eigen beheer

Henk heeft zijn bedrijf verkocht en is 64 jaar. In zijn holding zit nog een pensioen en een zak met geld. De getallen:

  • Rabobank spaarrekening € 500.000;
  • fiscale pensioenreserve € 300.000 (commercieel € 550.000);
  • eigen vermogen € 20.000;
  • winstreserve € 180.000.

De commerciële waardering van het pensioen is veel hoger, deze bedraagt ongeveer € 550.000. Dit komt door het volgende:

  1. fiscale levensverwachting is 17 jaar, een verzekeraar rekent met ongeveer 20 jaar;
  2. fiscaal blijft de uitkering gelijk, commercieel zal de uitkering jaarlijks met een index stijgen;
  3. fiscaal is de rekenrente 4%, commercieel ongeveer 1,5%;
  4. verzekeringsmaatschappij zal kosten en winst in rekening brengen, hierdoor moet de koopsom hoger zijn, ongeveer 5%.

Gevolgen waardering pensioen van de DGA

Normaal mag Henk de winstreserve ad € 180.000 als dividend uitkeren, hierover is 25% box 2 heffing verschuldigd. De balanstest en de liquiditeitstest leveren geen problemen op, ook wordt er voldaan aan 2:216 BW, dus geen vuiltje aan de lucht. Henk kan prima beslissen om een dividend aan hem uit te keren, tenminste civielrechtelijk. Fiscaalrechtelijk is er wel een probleem. Als de pensioenreserve voor de commerciële waarde wordt opgenomen, dan is de winstreserve weg en is er zelfs een negatief eigen vermogen. De B.V. is niet in staat om ruim 20 jaar een geïndexeerd pensioen van € 25.000 uit te keren.

De Belastingdienst is dan van mening dat er sprake is van een fictieve afkoop van het pensioen van de DGA, dit is zelfs nu al het geval. De gevolgen hiervan zijn dat het pensioen ineens progressief wordt belast (artikel 19B wet Loonheffing) en tevens is er soort boete (revisierente) van 20% verschuldigd (Artikel 30i Algemene Wet inzake Rijksbelastingen). Als Henk een partner zou hebben, dan is het probleem nog groter, met name in de opbouwfase.

Conclusie pensioen DGA

Of u nu pensioen aan het opbouwen bent of reeds van uw pensioen geniet, het is verstandig om eens met een fiscaal jurist te gaan praten om te kijken of er sprake is van een probleem. De Belastingdienst zal stevig in de wedstrijd staan en het is dan verstandig om voordien al stappen te ondernemen. De Belastingdienst kan ook nog terugkijken en dividenduitkeringen van enkele jaren geleden nog terugdraaien. Geen bangmakerij, maar simpelweg een feit.

Ik ga mijn eigen pensioen in eigen beheer stopzetten en kijken naar mogelijkheden om pensioen extern te verzekeren.

0000-00-00 0000-00-00 3750

Tijdsbesteding en gebruikelijk loon DGA

Het gebruikelijk loon van een directeur-grootaandeelhouder (DGA) bedraagt € 45.000 per jaar (cijfers 2018). Mag dit salaris lager worden vastgesteld als de DGA minder voor zijn bedrijf werkt? Volgens fiscalisten is dit wel zo, volgens de rechter niet.

Procedure gebruikelijk loon DGA

Het Gerechtshof in Den Haag deed op 1 februari 2013 (publicatie 31 mei 2013) een bijzondere uitspraak. Een DGA werkte niet fulltime voor zijn B.V. en er werd dan ook gerekend met een lager gebruikelijk loon. Als een DGA een lager loon dan dit salaris wil rekenen, moet hij aannemelijk maken dat dit gebruikelijk is. Dit kan bijvoorbeeld door:

  • in de markt wordt er niet meer betaald voor een dergelijke baan (soortelijke baan zonder aandelen);
  • er wordt meer verdiend dan de meest verdienende werknemer;
  • de B.V. kan het niet betalen.

In deze situatie werkte de DGA gedurende 2 uur per week voor zijn B.V. De Belastingdienst was van mening dat een salaris van € 20.000 gebruikelijk zou zijn. De B.V. was het hier niet mee eens en stapte naar de rechter. Volgens het Gerechtshof speelde het aantal gewerkte uren geen rol. Ook na diverse verwijzingen bleef deze uitspraak in stand (zie onder).

Noot fiscaal jurist gebruikelijk loon

Deze procedure is niet het uitgangspunt. De DGA had moeten stellen en bewijzen dat voor een soortelijk dienstverband (zonder aanmerkelijkbelangaandelen) een lager loon als gebruikelijk zou kunnen gelden. Dit is niet aannemelijk gemaakt.

Voor wie geldt het gebruikelijk loon?

Het gebruikelijk loon geldt niet alleen voor de DGA, maar ook voor andere aandeelhouders met een aanmerkelijk belang. Dit geldt indien een persoon - al dan niet samen met zijn partner - aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • bezit minstens 5% van het in totaal geplaatste aandelenkapitaal in de vennootschap of 5% van het geplaatste kapitaal van een bepaalde soort aandelen;
  • heeft rechten om 5% of meer van het in totaal geplaatste kapitaal of van het kapitaal in een bepaalde soort aandelen van de vennootschap te verwerven;
  • heeft winstbewijzen om 5% of meer van de jaarwinst (of liquidatie-uitkering) van de vennootschap te krijgen;
  • heeft minstens 5% stemrechten in een coöperatie. 

Gebruikelijk loon € 5.000 of lager

Als een DGA geen loon voor zijn werkzaamheden krijgt en zijn gebruikelijk loon niet hoger is dan € 5.000, dan hoeft hij / zij geen loonheffingen over dat gebruikelijke loon te betalen. Betaalt u wel loon - ook al is dat lager dan € 5.000 - dan moet u wel loonheffingen betalen. De grens van € 5.000 wordt niet per B.V. getoetst, maar geldt voor alle werkzaamheden van de aanmerkelijkbelanghouder.

Bron

Gerechtshof Den Haag d.d. 1 februari 2013.

Gebruikelijk loon DGA bij deeltijd [news] 2013-06-11 0000-00-00 0000-00-00 3773
Voorwaarden afzien van pensioen [news] 2013-04-15



Afzien van ingegaan pensioen wegens onderdekking

Vanaf 2013 is het mogelijk om gedeeltelijk van uw reeds ingegane pensioen in eigen beheer af te zien. Dat kan wenselijk zijn als uw B.V. op termijn de verplichtingen niet kan nakomen. Iets dat met enige regelmaat zal voorkomen in deze tijden. Op 18 maart heeft de Staatssecretaris van Financiën een en ander in een besluit toegelicht. Hieruit blijkt aan welke voorwaarden allemaal zal moeten worden voldaan.

Let wel: gesproken wordt over de fiscale waardering van de voorziening. Realiseert u zich dat de werkelijke verplichting veel hoger zal zijn. Laat in elk geval jaarlijks ook deze werkelijke verplichting actuarieel vaststellen, of vraag een offerte bij een professionele verzekeraar. Ook al is deze waarde voor het onderstaande wat minder van belang, het is goed te weten waar u aan toe bent.

De belangrijkste voorwaarden in het kort

  • Dekkingsgraad 75% of lager.
  • Onderdekking is veroorzaakt door reële ondernemings- of beleggingsverliezen.
  • Dekkingsgraad is waarde economisch verkeer van de activa afgezet tegen de pensioenverplichting en schulden.
  • Uitgangspunt is (lage!) fiscale waardering van de voorziening.
  • Vennootschappelijke balans geldt als uitgangspunt.
  • Waarde pand is WOZ voorgaand jaar of lagere WEV.
  • Eventueel correcties bij onzakelijke premies.
  • Correcties bij dividenduitkering of terugbetaling kapitaal in afgelopen 7 jaar.
  • Vrijval winst is winst voor Vpb.

Winst en Vpb-heffing

Het bedrag van de vrijval valt in de winst van de vennootschap en kan leiden tot heffing van vennootschapsbelasting. Veelal zal in een geval van onderdekking van pensioen echter wel sprake zijn van fiscaal compensabele verliezen. Afzien kan dus worden gebruikt om verdamping van verliezen te voorkomen. Om hiervan gebruik te maken, moet eerst een verzoek bij de inspecteur worden ingediend.

Voorbeeld (uit het besluit)

Een directeur-grootaandeelhouder heeft een toegezegd pensioen van € 60.000 per jaar. De activa van de B.V. bedragen € 500.000 (geen stille reserves). De passiva bestaan uit de pensioenverplichting met een fiscale waarde van € 750.000 en overige crediteuren van € 50.000. De dekkingsgraad is hier 62,5% (500.000 / 800.000 * 100%). Als aan alle voorwaarden is voldaan, kan een eenmalige vermindering van de pensioenaanspraken plaatsvinden met 37,5%, (€ 22.500), zodat het aangepaste pensioen € 37.500 bedraagt.

Als de schuld van € 50.000 een hogere rangorde heeft dan de pensioenverplichting (het gaat bijvoorbeeld om een hypothecaire schuld), dan kan de dekkingsgraad worden berekend op 60% (((500.000 -/- 50.000)/ 750.000) * 100%).

(Bron: Staatscourant)

Klik hier voor het gehele besluit.

0000-00-00 0000-00-00 3716

Certificeren van aandelen

Een aandeelhouder heeft feitelijk 2 soorten rechten, zeggenschap (1) en winst (2). Het hoogste orgaan binnen een B.V. is de aandeelhoudersvergadering. De aandeelhouder benoemt / ontslaat de bestuurder en de bestuurder runt de "tent" binnen de contouren welke de aandeelhouder heeft uitgezet. Zolang de aandeelhouder direct betrokken is bij de onderneming, kunnen aandeelhouder / bestuurder prima samengaan. Als de aandeelhouder minder bij de onderneming betrokken is of bij familiebedrijven, zie je dat langzaam een scheiding ontstaat tussen aandeelhouder en bestuurder.

Regelmatig adviseren wij DGA's over nieuwe mogelijkheden en structuren, bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

Certificering, en toen?

Onder omstandigheden kan het verstandig zijn om de stemrechten en vermogensrechten van elkaar te scheiden. Bij certificering dragen de aandeelhouders hun aandelen over aan een nieuwe rechtspersoon (meestal een stichting administratiekantoor of STAK). In ruil voor deze aandelen krijgt de aandeelhouder certificaten. De aandelen in de B.V. worden gehouden door de STAK en de STAK krijgt hiermee alle (aandeelhouders)rechten in de B.V.

De voormalige aandeelhouder heeft na de overdracht geen stemrecht meer in de B.V., tenzij hij (ook) bestuurder binnen de STAK is. De dividenduitkeringen gaan nog wel gewoon naar de oorspronkelijke aandeelhouder. Of er dividend wordt uitgekeerd kan de aandeelhouder niet meer bepalen, deze beslissing moet het bestuur van de STAK nemen (of niet).

Waarom certificeren?

Er kunnen meerdere redenen zijn om tot certificering van aandelen over te gaan. In de praktijk zien wij advisering over dit onderwerp voorbijkomen in de volgende situaties:

  1. Familiebedrijf waarbij sommige leden van de familie wel binnen het bedrijf werkzaam zijn en andere niet.
  2. De DGA (eigenaar-aandeelhouder) wil zich langzaam uit het bedrijf terugtrekken, maar nog wel enige overzicht houden.
  3. Er is sprake van een voorgenomen bedrijfsopvolging waarbij de kinderen langzaam stemrecht en vermogensrecht binnen de onderneming krijgen.
  4. Er zijn erg veel aandeelhouders waardoor de onderneming moeilijker te besturen is, een alternatief is dan een coöperatie of STAK.
  5. Estate planning, de kinderen krijgen via de STAK en het testament wel de vermogensrechten binnen de onderneming, maar geen stemrecht.
  6. De belangen en toekomstige visie van de onderneming lopen niet parallel met de belangen van de aandeelhouder (voorbeeld: bedrijf wil groeien en heeft hiervoor geld nodig en de aandeelhouder wil dividend).
  7. Veilig stellen continuïteit van de onderneming na overlijden van de DGA / aandeelhouder.

Wie is de baas binnen de onderneming?

In de oorspronkelijke vorm was de aandeelhouder de feitelijke baas binnen de onderneming. Na de certificering is het bestuur van de STAK de baas. Het bestuur wordt benoemd door de oorspronkelijke aandeelhouder / DGA. Meestal wordt het bestuur gevormd door de DGA en twee vertrouwelingen (bijvoorbeeld de opvolger, de accountant, fiscalist, advocaat, etc.). Via de hiervoor genoemde route behoudt de DGA nog stemrecht binnen de onderneming. Bij het overlijden van de DGA kan het bestuur gewoon blijven zitten en hierdoor de onderneming aansturen.

Sinds de invoering van de Flex B.V. (in 2012) is het ook mogelijk aandelen in alle soorten en maten uit te geven, hierbij kunt u denken aan aandelen zonder stemrecht, zonder winstrecht, etc. Het belang van certificering is hiermee iets minder geworden. Het is echter wel zo dat houders van stemrechtloze aandelen bij de aandeelhoudersvergadering aanwezig zijn en hier iets mogen zeggen. Bij een STAK is dit niet zo.

Certificering en fiscus

Certificering is in principe een vervreemding en bovendien kan dit tot gevolg hebben dat de fiscale eenheid (omzetbelasting / vennootschapsbelasting) eindigt.

Aandeelhouder natuurlijk persoon (box 2) en certificering

Als een DGA zijn aandelen onderbrengt in een STAK, is feitelijk sprake van een vervreemding / verkoop. Door een besluit van de Staatssecretaris (4 september 2012, nr. BLKB2012/101M ) zal er echter geen belastingheffing in box 2 plaatsvinden. Er zijn echter wel voorwaarden, de belangrijkste zijn:

  • De STAK mag de overgenomen aandelen niet verpanden.
  • Voor elk aandeel krijgt de DGA een certificaat (nominale waarde moet gelijk blijven).
  • STAK moet de dividenden en liquidatie-uitkeringen direct doorbetalen aan de certificaathouder.
  • Ook voor bonusaandelen moet een certificaat worden uitgegeven.
  • Heldere rechten ten aanzien van uitgifte nieuwe aandelen.

Aandeelhouder rechtspersoon en certificering

Als een B.V. / N.V. aandeelhouder is, dan valt de certificering onder de deelnemingsvrijstelling (mits 5% > belang). Door de certificering komt de fiscale eenheid voor de Vennootschapsbelasting te vervallen. Wellicht kan ook de fiscale eenheid voor de Omzetbelasting komen te vervallen.

Certificering van aandelen [news] 2013-09-24 0000-00-00 0000-00-00 4083

Salary split bij bestuurder of directeur

Indien een werknemer in dienstbetrekking is van een werkgever in meerdere landen, dan kan zijn salaris over 2 of meer landen worden verdeeld. Door deze splitsing van het salaris (of salary split) kan een tariefsvoordeel worden behaald, of populair gesteld, met hetzelfde bruto loon heeft de werknemer een hoger netto loon.

Fiscaliteit bij salary split bestuurder

Een werknemer woont in Nederland en geniet salaris vanuit zijn Nederlandse werkgever en zijn buitenlandse werkgever. In beide landen wordt er loonheffing voldaan. Omdat de werknemer in Nederland woont, moet hij in Nederland zijn wereldinkomen opgeven. Het buitenlandse salaris wordt in Nederland vrijgesteld (volgens een formule buitenland / wereldinkomen). De belastingvermindering is gelijk aan de inkomstenbelasting over het wereldinkomen, te verminderen met het aandeel van het buitenlands inkomen t.o.v. het wereldinkomen (de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting). Door de belastingvrije som in het buitenland en het feit dat de tarieven daar oplopen (naar mate omvang salaris), zal er in het buitenland vaak minder belasting verschuldigd zijn dan de voorkoming welke in Nederland wordt gegeven.

Het moet wel zo zijn dat er daadwerkelijk in het buitenland wordt gewerkt. Papier is prima maar als de praktijk anders is, dan werkt de structuur niet. De werkzaamheden moeten ook daadwerkelijk in het buitenland worden uitgevoerd. Het salaris moet ook door de buitenlandse werkgever worden betaald en op zakelijke basis worden vastgesteld (dus redelijk salaris voor het werk dat u verricht). Het salaris mag niet worden doorbelast aan de Nederlandse vestiging. Het is verstandig om in de agenda (en op basis van facturen, tankbonnen, etc.) duidelijk te kunnen maken dat u in het buitenland bent geweest. De Hoge Raad heeft in 2006 al eens geroepen over de voorwaarden voor een salary split:

  1. De werkgever in het buitenland moet de baas zijn over de werknemer.
  2. De resultaten welke de werknemer moeten toekomen aan de buitenlandse vestiging.
  3. De loonkosten van de werkgever moeten aan de buitenlandse vestiging worden doorbelast (individueel).

Salary split bij bestuurder of directeur

Bovenstaande gaat uit van een salary split bij een werknemer. Voor bestuurders / directeuren / commissarissen werkt een salary split meestal minder gunstig uit. Dit komt doordat de vermindering in Nederland anders wordt ingevuld. De vrijstelling wordt niet berekend op grond van de genoemde formule, maar er wordt meestal een vermindering verleend van de daadwerkelijk in het buitenland betaalde belastingen. Hiermee is het voordeel meestal weg (tax credit i.p.v. evenredigheidsmethode). Vorenstaande komt onder meer voor bij situaties met de Verenigde Staten, Denemarken, Frankrijk, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. Als de desbetreffende beloning in het buitenland normaal wordt belast, dan is er nog een mogelijheid. Er mag dan - op grond van een besluit d.d. 19 juli 2008 nummer CPP 2007/664M, lees onderdeel 3.4 - worden gekozen voor de evenredigheidsmethode. Bij vorenstaande moet er wel belasting worden betaald in het andere land. Als dit niet is gebeurd, dan geldt deze regeling niet (Hoge Raad 27 september 2013), het beroepschrift kunt u hier raadplegen.

Voorbeeld salary split

Henk werkt bij B.V. X in Enschede. Hij werkt ook voor A GmbH in Duitsland. Zijn wereldinkomen bedraagt € 100.000, hiervan geniet hij € 40.000 in Duitsland. In Nederland zou Henk € 42.000 over zijn salaris moeten betalen. De aftrek ter voorkoming van dubbele belasting bedraagt € 40.000 / € 100.000 x € 42.000 = € 16.800. In Duitsland is Henk over zijn salaris ongeveer € 10.000 verschuldigd. Het voordeel bedraagt ruim € 6.000.

Auto van de zaak en salary split

Als er een auto ter beschikking wordt gesteld, dan geldt veelal dat deze auto aan beide werkgevers wordt toegerekend en naar rato van de salarisverdeling wordt toegerekend (Rechtbank Breda d.d. 8 mei 2008). Het kan ook zijn dat de auto door 1 werkgever ter beschikking wordt gesteld, alsdan is advisering wenselijk.

Buitenlandse werknemer en salary split

Voor een werknemer welke in het buitenland woont werkt de salary split helemaal goed uit; hij / zij hoeft in Nederland geen premies volksverzekeringen te betalen. De tarieven in de 1e en 2e schijf bedragen hiermee rond de 10%.

Salary split bij bestuurders [news] 2013-10-03 0000-00-00 0000-00-00 4107

Lager fictief loon DGA bij verliessituatie

Als een B.V. structureel verlies maakt, dan mag het fictief loon (of gebruikelijk loon) van de DGA lager worden vastgesteld, aldus de rechter. Bij het vaststellen van het fictieve loon moet het eigen vermogen binnen de B.V. worden meegewogen. Het fictieve loon bedraagt € 47.000 (cijfers 2021).

Fictief loon lager en uitspraak Gerechtshof

Als er sprake is van een structureel verliesgevende situatie, kan dit een lager loon rechtvaardigen, hierover wordt vaak een discussie met de Belastingdienst gevoerd. In een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam d.d. 22 oktober 2013 ging het om een DGA met een holding en 2 werkmaatschappijen. De Belastingdienst was van mening dat de DGA drie keer het DGA-loon moest genieten, dit mede omdat hij de enige werknemer van de B.V.'s was. Gezien de financieel slechte situatie bij de B.V.'s was de DGA van mening dat een dergelijk salaris veel te hoog was. Beide partijen stappen naar de rechter. Het Gerechtshof stelt dat een DGA per dienstbetrekking een (fictief) loon moet ontvangen. De rechter stelde echter ook dat bij de beoordeling van het loon het eigen vermogen van de B.V. van belang is. Een slecht draaiende B.V. kan immers niet onbeperkt loon betalen omdat hiermee het voortbestaan in gevaar kan komen. Daarnaast kon de DGA onmogelijk 3 voltijdsdienstbetrekkingen uitvoeren, dit kost hem immers 120 uur per week. De rechter stelt vast dat de DGA bij één B.V. geen loon hoeft te genieten, bij de andere B.V. een loon van € 15.000 en bij de derde B.V. een loon van € 38.000 (cijfers 2006). Artikel 12a van de Wet Loonbelasting blijft dus voor veel discussie zorgen.

Bron

Gerechtshof Amsterdam d.d. 22 oktober 2013.

Handleiding gebruikelijk loon 2019

[news] 2013-11-06 0000-00-00 0000-00-00 4139

Onzakelijke lening directeur-grootaandeelhouder

De onzakelijke lening is op dit moment binnen de fiscale wereld een veelbesproken onderwerp. In de praktijk komt het vaak voor dat een directeur-grootaandeelhouder (DGA) vanuit zijn B.V. een lening verstrekt aan de DGA in privé of vanuit privé aan de B.V. Deze lening is (in eerste instantie) gewoon een lening. De voorwaarden van de lening kunnen ervoor zorgen dat de Belastingdienst (en later ook de rechter) van mening is dat er sprake is van een zogenaamde onzakelijke lening.

Lening vanuit B.V. aan privé

Een B.V. verstrekt aan de DGA in privé een lening voor de verbouwing van zijn woning. Op de woning is een hypotheek gevestigd en de lening van de B.V. is opgelopen tot € 300.000. Op de lening wordt normaal rente voldaan. In de leningsovereenkomst worden geen zekerheden voor de B.V. opgenomen. De DGA heeft een stuk grond gekocht voor € 350.000 en vervolgens de opstallen gesloopt en op het kavel een woning gebouwd van ruim € 1.500.000. De woning staat op het moment van de procedure te koop voor ruim € 1.000.000. Er rust een lening bij een bank op de woning van ongeveer € 900.000. De B.V. wil de lening (deels) afboeken. De rechter in hoger beroep (zie onder) is het met de Rechtbank en de inspecteur eens, er is sprake van een onzakelijke lening (er is namelijk geen zekerheid verstrekt) en de vordering kan door de B.V. niet worden afgeboekt. De overwegingen van de rechter zijn de volgende:

  • Indien en voor zover een geldverstrekking door een vennootschap aan haar aandeelhouder plaatsvindt onder zodanige voorwaarden en omstandigheden dat daarbij door die vennootschap een debiteurenrisico wordt gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, moet – behoudens bijzondere omstandigheden – ervan worden uitgegaan dat die vennootschap dat debiteurenrisico in zoverre heeft aanvaard met de bedoeling het belang van haar aandeelhouder in die hoedanigheid te dienen. Dit brengt mee dat een eventueel verlies op de geldlening in zoverre niet in mindering op de winst van die vennootschap kan worden gebracht (HR 9 mei 2008, nr. 43849, LJN BD1108, BNB 2008/191).

  • Ingeval bij een geldlening tussen een vennootschap en haar aandeelhouder de rente niet in overeenstemming met het ‘at arm's length’ beginsel is vastgesteld, zal voor de fiscale winstberekening moeten worden uitgegaan van een rente die wel aan dit criterium voldoet. Daarbij zal – behoudens het rentepercentage – uitgegaan moeten worden van hetgeen partijen zijn overeengekomen (zoals met betrekking tot zekerheden en de looptijd van de lening). Met dat uitgangspunt strookt niet dat de rente zodanig wordt aangepast dat de geldlening in wezen winstdelend zou worden. Dan zou het karakter van hetgeen partijen zijn overeengekomen worden aangetast. Indien met inachtneming van het hiervoor overwogene geen rente kan worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken aan de met de vennootschap gelieerde partij, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden, moet worden verondersteld dat bij die verstrekking door de vennootschap een debiteurenrisico wordt gelopen dat deze derde niet zou hebben genomen. Alsdan moet – behoudens bijzondere omstandigheden – ervan worden uitgegaan dat de betrokken vennootschap dit risico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van haar aandeelhouder te dienen. Dit brengt mee dat een eventueel verlies op de geldlening niet op de winst van de vennootschap in mindering kan worden gebracht (vgl. HR 25 november 2011, nr. 08/05323, LJN: BN3442, BNB 2012/37).

Zakelijkheid rekening-courant

Iedere aandeelhouder dient zakelijk te handelen met zijn vennootschap(pen). Dit betekent dat de verstrekking, als de voorwaarden waaronder dit geschiedt, moet geschieden zoals dat ook tussen derden het geval zou zijn geweest. Om fiscaal niet tegen ongewenste gevolgen aan te lopen, dient u rekening te houden met het volgende:

  • Kijk goed naar de vermogenspositie van de schuldenaar (zou deze ook een lening van een derde kunnen ontvangen?).
  • Stel een zakelijke rente vast.
  • Kom een aflossingsschema overeen.
  • Leg de lening en de bijbehorende voorwaarden vast in een overeenkomst.
  • Indien het bovenstaande niet juist is vormgegeven, kan de Belastingdienst de rente gaan corrigeren en mogelijk de lening aanmerken als onzakelijk met alle gevolgen van dien.

Rente rekening-courantschuld tot € 17.500

Bij een schuld van de aandeelhouder tot € 17.500 hoeft geen rente in rekening te worden gebracht. Hier tegenover staat dat de schuld niet in box 3 mag worden opgenomen.

Belastingdienst en rekening-courant

De Belastingdienst heeft een speciale site over de rekening-courant van de aandeelhouder (kijk hier). U kunt erop wachten dat de Belastingdienst in 2012 en 2013 strikter gaat kijken naar DGA's met een schuld aan hun B.V. Essentie volgens de Belastingdienst is het volgende:

  • Lening tegen zakelijke voorwaarden (voorwaarden die een bank ook zou stellen).
  • De lening moet schriftelijk worden vastgelegd.
  • Er moeten afspraken worden gemaakt over terugbetaling van de lening.
  • De B.V. heeft voldoende zekerheden.
  • De B.V. moet aan haar verplichtingen kunnen blijven voldoen als u de lening opneemt.
  • Als er onzakelijk wordt gehandeld, voldoet de lening niet aan de voorwaarden, de lening wordt dan gezien als inkomen.

Rekening-courant en rentevoordeel

Op 25 februari 2011 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan inzake een DGA die geld had geleend van zijn vennootschap tegen een rente van 2,5% en dit geld vervolgens op privérekeningen zette tegen een hogere rente. Hierdoor maakte de DGA een onbelaste winst in privé. De inspecteur was het niet eens met de DGA.

De Rechtbank stelde de DGA in het gelijk, het Hof echter niet. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad zich over deze zaak gebogen en kwam met de volgende uitspraak. De kennis van tarieven op spaarrekeningen is niet als bijzondere vorm van kennis aan te merken, aangezien deze gewoon op het internet staan. Het standpunt van het Hof dat de winst in box 1 belast moest worden wegens activiteiten die normaal vermogensbeheer te boven gaan, gaat derhalve niet op. De activiteiten zijn volgens de Hoge Raad niet substantieel genoeg, waardoor sprake is van normaal vermogensbeheer en derhalve is het rentevoordeel onbelast.

De onzakelijke lening, een toelichting van de fiscaal jurist

Voor het eerst is op 9 mei 2008 door de Hoge Raad een arrest gewezen waarbij afwaardering van een lening (die fiscaal ook wordt aangemerkt als lening) niet aftrekbaar is op grond van onzakelijkheid. Voor dit arrest volgde de fiscale kwalificatie van een lening de civielrechtelijke kwalificatie, tenzij sprake was van een deelnemerschapslening, een schijnlening of een bodemlozeputlening (deze laatste drie vormen werden geherkwalificeerd naar eigen vermogen). Het vorenstaande zal zich alleen voordoen indien geld wordt verstrekt door gelieerde partijen.

Op basis van het bovenstaande arrest en de arresten die hierop volgden [1] is kort gezegd de afwaardering van een onzakelijke lening niet mogelijk, ondanks dat deze toch fiscaal wordt gezien als lening zijnde. De arresten maken het mogelijk om de rechtsverhouding als lening te duiden voor zover de debiteur aan zijn rente- en aflossingsverplichtingen voldoet. Pas op het moment dat afwaardering aan de orde komt, zal de Belastingdienst stellen dat sprake is van een onzakelijke lening en dat derhalve de afwaardering niet ten laste van de winst mag worden gebracht.

Het toetsmoment voor de beoordeling van de lening is in beginsel het moment van de verstrekking. Ook kan de lening op een later moment worden geherkwalificeerd naar een onzakelijke lening indien de crediteur uit onzakelijke motieven nalaat aanvullende maatregelen te treffen in het kader van zijn belangen als crediteur.

De vraag of sprake is van een onzakelijke lening wordt als volgt beoordeeld. Indien een geldverstrekking heeft plaatsgevonden onder zodanige voorwaarden en omstandigheden, dat daarbij door de geldverstrekker een debiteurenrisico wordt gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, dan is sprake van een onzakelijke lening.

Allereerst dient derhalve te worden gekeken of het rentepercentage zakelijk is vastgesteld op basis van de elementen uit de geldleningsovereenkomst. Staat vast dat de rente onzakelijk is, dan wordt deze gecorrigeerd naar zakelijke verhoudingen. Indien het niet mogelijk is de rente te corrigeren naar een zakelijke verhouding, waarbij een onafhankelijke derde nog bereid zou zijn geweest om de lening onder dezelfde voorwaarden te verstrekken, dan wordt de lening fiscaal wel aangemerkt als lening (rente is wel aftrekbaar / belast), maar kan het afwaarderingsverlies niet ten laste van de winst worden gebracht [2]. Gunstig is dat de bewijslast voor een onzakelijk debiteurenrisico rust op de inspecteur.

Indicatoren voor een onzakelijke lening zijn:

  • financiering aantrekken bij een bank is onmogelijk;
  • er is geen geldleningsovereenkomst aanwezig;
  • er zijn geen zekerheden gesteld;
  • er is geen aflossingsschema overeengekomen.

De onzakelijke lening wordt zowel geconstateerd bij leningen tussen B.V.’s (die gelieerd zijn) als bij een lening tussen de DGA en de B.V.

Onlangs sprak de Hoge Raad zich uit [3] over een rechtszaak waarin de inspecteur van mening was dat er sprake was van een onzakelijke lening. De DGA had namelijk zeer soepele voorwaarden gesteld. Zo was de afgesproken rente erg laag en was geen sprake van formele zekerheden of een aflossingsschema. De Hoge Raad gaf aan dat een lening zonder formele zekerheden niet automatisch onzakelijk is. Hierbij moet wel kunnen worden aangetoond dat geen sprake is van een schijnlening, deelnemerschapslening dan wel een bodemlozeputlening. In deze specifieke kwestie was de lening, zonder formele zekerheden, wel zakelijk. De Hoge Raad benadrukte wel dat als de overeengekomen rente niet zakelijk is, er voor de fiscale winstberekening wel van een zakelijk percentage moet worden uitgegaan.  

Zoals hierboven weergegeven, kunnen bij de betreffende leningen veel discussies ontstaan. Zorg derhalve voor een tijdige en inhoudelijke beoordeling van een lening, zodat de negatieve fiscale consequenties voor zover mogelijk kunnen worden voorkomen.

Bron

Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 3 december 2013.

De onzakelijke lening tussen BV en DGA [news] 2014-01-02 0000-00-00 0000-00-00 4178

Pas op met de gebruikelijkloonregeling !

In de praktijk lijkt het nogal mee te vallen met de toepassing van de gebruikelijkloonregeling. Het kabinet is echter van plan om in het kader van de begrotingsafspraken de regeling aan te scherpen. Wij zien in de praktijk steeds vaker een discussie over het salaris van de DGA. Er is een belastingopbrengst begroot van maar liefst € 150 miljoen, dus dit zal niet zonder slag of stoot aan de deur van de gemiddelde DGA voorbij gaan. Dat gaat dus geld kosten!

Regelmatig adviseren wij DGA's over nieuwe mogelijkheden en structuren, bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

De huidige regeling

De gebruikelijkloonregeling van artikel 12a in de Wet loonbelasting heeft betrekking op de situatie dat een aanmerkelijkbelanghouder arbeid verricht voor een B.V. of N.V. waarin hij een aanmerkelijk belang houdt, dus de directeur-grootaandeelhouder. Deze werknemer kan in feite zijn eigen arbeidsvoorwaarden, waaronder de hoogte van zijn salaris, vaststellen. Artikel 12a regelt dat deze aanmerkelijkbelanghouder wordt geacht ten minste een gebruikelijk loon te genieten.

Hieronder enkele belangrijke kenmerken van de gebruikelijkloonregeling:

  • Norm inkomen minimaal € 45.000 (kolom 14). Cijfers 2018.
  • Loon is loon in geld en loon in natura.
  • Loon is inclusief auto van de zaak.
  • Toepassen werkkostenregeling niet van invloed.
  • Inkomen lager dan € 5.000, dan geen gebruikelijk loon (bewijslast DGA).
  • Lager inkomen in verband met gevaar voor continuïteit bedrijf (bewijslast DGA).
  • Deeltijd (bewijslast DGA). 
  • Ten minste salaris best verdienende andere medewerker.

Voor de bepaling van het gebruikelijk loon geldt de doelmatigheidsmarge van 30%, dus het salaris mag maximaal 30% afwijken van hetgeen gebruikelijk is. De vraag blijft natuurlijk wat nou eigenlijk gebruikelijk is.

 Afroommethode is enkel van toepassing als:

  • de opbrengsten van de B.V. (nagenoeg) geheel voortvloeien uit de door de AB-houder (in zijn hoedanigheid van werknemer) verrichte arbeid. 

Afroommethode is niet van toepassing als:

  • de onderneming in opbouw is;
  • de opbrengsten van de vennootschap bestaan uit een percentage van het resultaat van het samenwerkingsverband;
  • de vennootschap overig personeel in dienst heeft.

De afroommethode lijkt nog alleen van toepassing voor éénpitters.

Wat te doen?

Hieronder een paar tips om alvast rekening te houden met de wijzigingen.

Optimaal salaris

Bereken de juiste en tevens fiscaal optimale hoogte van uw salaris. Houd daarbij rekening met uw privé fiscale positie, zoals uw aftrekposten en optimaliseer dit, zodat u bij voorkeur maximaal 42% belasting betaalt. Eventueel kunt u dit moment gebruiken om eens goed naar uw oudedagsvoorziening te kijken. Door bijvoorbeeld een pensioen in eigen beheer in uw B.V. toe te zeggen, maakt u het gebruikelijk loon (dat is inclusief pensioenpremies) hoger en daarmee kan het probleem al deels zijn opgelost. Ook zou u ervoor kunnen kiezen om in privé te gaan banksparen en zo een aftrekpost te creëren. Met banksparen spaart u fiscaal gefaciliteerd en heel transparant zonder bijkomende kosten voor uw oudedag.

Rechtsvorm wel juist?

Een hoger gebruikelijk loon leidt veelal tot een hogere belastingdruk en dit kan dus een aanleiding zijn om nog eens goed naar uw rechtsvorm te kijken. Is de B.V.-structuur nog wel wenselijk, of moet u terug naar de eenmanszaak? Wij rekenen dit graag even samen met u uit.

Gebruikelijk loon, pas op! [news] 2014-02-03 0000-00-00 0000-00-00 4204

DGA-salaris of dividend

Dividend DGA gunstiger dan salaris

Een directeur moet zich een bepaald salaris (gebruikelijk loon) uitkeren. Stel, u geniet een salaris van € 80.000 en uw B.V. maakt nog een winst van € 80.000. Wanneer u behoefte heeft aan aanvullend inkomen, dan is het aantrekkelijker om dit als dividend uit te keren in plaats van als salaris. In vrijwel alle gevallen is dividend veel voordeliger dan salaris.

Het maximale tarief bij dividend bedraagt 38%. Het maximale tarief (DGA niet verzekerd) voor de inkomstenbelasting (en premie Zvw) bedraagt 55,5%. Vanaf een inkomen van € 25.000 is dividend feitelijk al voordeliger dan salaris. Hierbij is rekening gehouden met:

  • Salaris is aftrekbaar van de winst;
  • Geen heffingskortingen bij dividenduitkering;
  • Bij lager salaris een hogere AB-claim in de toekomst.

Toelichting

  • De top van het salaris van de DGA wordt soms belast tegen 52% (belastbaar inkomen hoger dan € 68.500, cijfers 2020).
  • Stel, de heer X overweegt om € 20.000 extra salaris uit te keren. Dit is voor de B.V. aftrekbaar (en dus niet belast met vennootschapsbelasting) en in privé belast tegen 52%. Daarnaast is over salaris ook premie Zvw verschuldigd.
  • De heer X ontvangt bij een bruto salaris van € 20.000 ongeveer € 10.000 netto. Kiest de heer X voor een dividenduitkering van € 20.000, dan blijft er netto € 12.000 over.

Voorbeeld berekening

Stel dat u € 50.000 kunt uitkeren als salaris of als dividend, wat is dan voordeliger?

   Salaris  Dividend 
      
Uitkering  

 € 50.000

 

 € 50.000

Vennootschapsbelasting 16%  

€ 0

 

  € 8.000 

Inkomstenbelasting box 1/ Zvw  

 € 27.000

 

€ 0 

Inkomstenbelasting box 2 26,25%    

€  11.025

     
Netto ontvangst   

€ 23.000 

  

€ 30.975 

     

Conclusie

Het tarief (inkomstenbelasting en premies Zvw) over een salaris is maximaal 55% en over een dividenduitkering per saldo ruim 38%. Bij hogere salarissen en een belastbaar inkomen van meer dan € 25.000 is een dividenduitkering vaak voordeliger dan een salarisverhoging. Aantekening hierbij is wel dat dit maatwerk is, immers een salarisverhoging kan ook een hogere pensioenlast opleveren, dit kan voordelig zijn. En er moet natuurlijk altijd voldaan worden aan het gebruikelijk loon.

Fiscale aandachtspunten en mogelijkheden

Eventueel kunt u de dividenduitkering combineren met een eigen bijdrage voor de auto van de zaak en / of de dividenduitkering gebruiken om uw rekening-courantschuld (indien aanwezig) af te lossen. Tenslotte is het van belang dat er soms een verhouding moet zijn (afroommethode / gebruikelijk loon) tussen uw salaris en de omzet / management fee in uw B.V. Laat u hierover goed adviseren. Vragen? Bel of mail gerust.

[news] 2020-09-10 0000-00-00 0000-00-00 4205
Terugkeer uit BV via VOF of verhuur [news] 2014-02-10

Terugkeer uit de B.V. via VOF

Steeds meer DGA's kunnen belasting besparen door over te gaan vanuit een B.V. naar een eenmanszaak of Vennootschap onder Firma (VOF). Via een eenvoudig rekenmodel berekenen wij maandelijks voor klanten of een terugkeer uit de B.V. financieel voordeel kan opleveren. U kunt via diverse opties terug vanuit de B.V.

Wanneer is een terugkeer uit de B.V. voordelig?

Bij een brutowinst (salaris en nettowinst voor belastingen) in een B.V. van € 60.000 levert een eenmanszaak een voordeel op van ongeveer € 5.000. U zou een fiscaal jurist kunnen bezoeken indien:

  1. uw B.V. meer dan 1 jaar verlies maakt; en
  2. de vooruitzichten niet substantieel beter zijn;
  3. het salaris ad € 43.000 lastig (of niet) kan worden betaald.

Het omslagpunt is lastig te bepalen en sterk afhankelijk van feiten, edoch vanaf een brutowinst (salaris en winst voor belastingen) tot ongeveer € 90.000 is het verstandig om u door een fiscaal jurist te laten adviseren. Het voordeel is nog groter als de B.V. (jaarlijks) verlies maakt, de verliezen binnen een B.V. kunnen vaak niet worden gecompenseerd met winsten en daarnaast speelt de fictiefloonregeling een nadere rol (artikel 12a Wet Loonbelasting). Binnen de eenmanszaak en de VOF zijn de verrekeningsopties van verliezen ruimer.

Belangrijkste voordelen terugkeer uit de B.V.

De belangrijkste voordelen van een terugkeer uit de B.V. zijn:

  1. Compensabele verliezen verrekenen met inkomen (bij geruisloze terugkeer met terugkeerreserve).
  2. Geen discussie meer over DGA-loon / fictief loon.
  3. Recht op zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling (financieel voordeel).
  4. Lagere administratieve lasten (geen aangifte VPB / LH meer).

Hoe terugkeren uit de B.V.?

Er zijn meer wegen naar Rome en ook meerdere manieren om terug te keren uit de B.V. De meest voorkomende opties zijn:

  1. Geruisloze terugkeer en liquideren van de B.V.
  2. VOF met uw B.V. opzetten.
  3. Verhuur van uw B.V. aan een VOF of eenmanszaak.

Ad 1 De geruisloze terugkeer uit de B.V.

Er is een ingewikkelde regeling waarmee u kunt terugkeren uit een B.V. Dit kan zonder belastingheffing, echter veelal is dit erg complex en hiervoor is ook liquiditeit nodig. Deze terugkeer zal via een verzoek aan de Belastingdienst in werking worden gezet. Voor een verdere toelichting zie onderstaand artikel (of lees dit artikel hier).

Ad 2 VOF met uw B.V. opzetten

Een steeds vaker gekozen route voor de terugkeer uit de B.V. is de vorming van een VOF met de B.V. Deze structuur is niet zonder risico's en vooroverleg met de Belastingdienst is wenselijk. U als DGA brengt arbeid (en vlijt) in de VOF in en uw B.V. het (bedrijfs)vermogen en de activiteiten. Pensioenen en vorderingen op de DGA blijven achter in de B.V. Het is verstandig om met de Belastingdienst te overleggen omtrent de zelfstandigheid van de DGA (ondernemersaftrek). De verdeling van de winst is een kwestie van rekenen onder economisch rechtvaardige omstandigheden. Mits de structuur juist is opgezet, dan komt de investeringsaftrek voor toekomstige investeringen toe aan de DGA (natuurlijk persoon).

Aandachtspunt is of de DGA (natuurlijk persoon) kan worden gezien als startende ondernemer. Als dit zo zou zijn, dan is er wellicht recht op extra ondernemersaftrek (de startersaftrek) en kan er ook recht bestaan op de regeling voor willlekeurige afschrijving (buitenvennootschappelijk vermogen).

Ad 3 Verhuur van uw B.V. aan een VOF of eenmanszaak

Een eenvoudige optie is het oprichten van een eenmanszaak waarbij de eenmanszaak de onderneming (activa etc.) huurt van de B.V. De huur is aftrekbaar in de eenmanszaak (maximaal 43%) en belast in de B.V. (maximaal 25%, directe heffing). De huur moet op zakelijke gronden worden vastgesteld. Voordeel van deze structuur is dat mogelijke compensabele verliezen kunnen worden verrekend met toekomstige winsten. Aandachtspunt is een mogelijke desinvesteringsbijtelling (door verhuur activa).

0000-00-00 0000-00-00 4218

De risico's van dividend uitkeren in 2016 en 2017

Update

Directeuren-grootaandeelhouders (DGA's) krijgen in 2017 (en 2018 en 2019) de mogelijkheid om hun pensioen in eigen beheer van de balans te halen (af te kopen). Dit kan met een korting van 34,5% in 2017 (en in de jaren daarna tegen lagere percentages, namelijk 2018: 25% en 2019: 19,5%). Heeft u geen geld, dan resteren er twee opties:

  1. Premievrij maken;
  2. Spaarvariant kiezen.

Pensioen in eigen beheer opbouwen is dus vanaf 2017 feitelijk voorbij.

De invoering is uitgesteld tot 1 april 2017, lees hiertoe deze brief van de Staatssecretaris van Financiën.

Inleiding

Wij krijgen veel vragen van cliënten en hun adviseurs over de mogelijkheid om dividend uit te keren. Voor de invoering van het nieuwe B.V.-recht (flex B.V.) op 1 oktober 2012 was het veelal geen probleem om dividend uit te keren, als het vermogen maar positief was en er notulen van de AVA waren opgesteld. Na 1 oktober 2012 moet u vooraf wel drie keer nadenken, of  het uitkeren van vermogen wel kan en wat de mogelijke consequenties hiervan kunnen zijn. Een consequentie is de hoofdelijke aansprakelijkheid voor bestuurders. Dit geldt voor de volgende handelingen, inhoudende vormen van uitkeren van vermogen:

  • Uitkering van de winst of reserves (dividend);
  • Terugbetaling op aandelen in het kader van kapitaalvermindering;
  • Inkoop van eigen aandelen, anders dan om niet.

Balanstest en uitkeringstoets

Het bestuur van een vennootschap is onder het huidige B.V.-recht (let wel: iedere B.V. is tegenwoordig een zogenaamde flex B.V.) verplicht om bij elke hierboven genoemde vorm van uitkering van vermogen aan aandeelhouders na te gaan of dit verantwoord is. De wet zegt vrij vertaald het volgende:

  1. De AVA is bevoegd tot het nemen van een besluit tot vaststellen van een (dividend-)uitkering voor zover het vermogen groter is dan de wettelijke en statutaire reserves. Dat wordt balanstest genoemd.   
  2. Het besluit heeft geen gevolg totdat het bestuur goedkeuring verleent.
  3. Het bestuur weigert slechts goedkeuring als zij weet of redelijkerwijs behoort in te zien dat de vennootschap na uitkering niet zal kunnen doorgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. Dat is de uitkeringstoets of uitkeringstest.

     

Aan bovenstaande verplichtingen zijn aansprakelijkheidssancties gekoppeld voor bestuurders en aandeelhouders. Men is persoonlijk aansprakelijk voor tekorten bij de B.V. welke zijn ontstaan door de uitkering, vermeerderd met de wettelijke rente. Let bij de balanstest op negatief vermogen en op de wettelijke en / of statutaire reserves, bijvoorbeeld bij de aanwezigheid van deelnemingen. Ter zake van de niet uitgekeerde dividenden van deelnemingen (welke zijn gewaardeerd tegen de intrinsieke waarde) moet een wettelijke reserve op de balans worden opgenomen. Dit is beklemd vermogen en dit beperkt de mogelijkheid tot het doen van dividenduitkeringen. Let op dat dit niet altijd op juiste wijze in de commerciële jaarrekening staat vermeld.

Het gaat bij de balanstest om een belangenafweging tussen de aandeelhouders en de schuldeisers, de continuïteit op langere termijn van de vennootschap staat voorop! Volgens de parlementaire behandeling is de beoordelingsperiode een jaar vanaf de uitkering, maar voorzienbare zaken daarna moeten ook worden meegenomen. Het is niet helder waar de grens ligt.

Het vastleggen van de balanstest en uitkeringstest is niet expliciet voorgeschreven, maar verdient wel degelijk aanbeveling en versterkt de positie bij een eventuele aansprakelijkheidsstelling.

Fiscaal risico bij pensioen- en stamrechtverplichtingen

Wellicht in de praktijk veel gevaarlijker dan het terugbetalingsrisico is het fiscale risico indien de vennootschap een pensioen- of soortgelijke verplichting op de balans heeft staan. Het uitkeren van dividend kan naast bovengenoemde aansprakelijkheid ook leiden tot de stelling van de fiscus dat er sprake is van afkoop van pensioen, met alle desastreuze financiële gevolgen van dien.

De Belastingdienst (bij monde van het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen CAP) is van mening dat er na uitkering van dividend op korte en lange termijn voldoende vermogen moet overblijven om het pensioen te kunnen uitkeren. En daarbij worden de regels wel erg ver opgerekt. Regels die thans (eind 2016) nog niet door de rechter zijn getoetst!

In tegenstelling tot de lage fiscale waardering van pensioen op de fiscale balans, moet voor de dividendtoets volgens het CAP rekening worden gehouden met een waarde die "minimaal gelijk is aan de koopsom die aan een professionele verzekeraar zou moeten worden betaald voor het onderbrengen van de betreffende verplichting”. Als de B.V. het risico van vooroverlijden (nabestaandenpensioen) niet extern verzekert, moet ook dat aspect worden meegenomen. Dit zou een enorm risico betekenen. Het is duidelijk dat dividend uitkeren dan vrijwel nooit mogelijk is. Het verdient in zo'n geval (dat zou u overigens altijd moeten doen!) de aanbeveling een risicoverzekering af te sluiten of om het nabestaandenpensioen uit te ruilen tegen een ouderdomspensioen. Meer over de stelling van het CAP kunt u lezen in het vraag en antwoord besluit 12-008 van 21 september 2012.

Wat te doen?

Doe niet zomaar wat, het kan u duur komen te staan. Leg bovenstaande uitkomsten schriftelijk vast. Vraag uw accountant of neem even vrijblijvend contact met ons op voor overleg. Houd ook onze site in de gaten voor actuele ontwikkelingen en toekomstige jurisprudentie. Of ... bel voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor.

Dividend, uitkeringstoets en pensioen [news] 2015-04-16 0000-00-00 0000-00-00 4501

Vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI)

Heeft u uw onderneming verkocht, overtollige liquiditeiten in uw onderneming of box 3 vermogen in de vorm van spaartegoeden met een laag rendement? Een VBI kan zowel fiscaal als op andere gebieden voordeel opleveren. Regelmatig adviseren wij DGA's over nieuwe mogelijkheden en structuren, bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

Wijziging VBI 2017

De VBI wordt door steeds meer DGA's gebruikt en wij hebben er diverse opgericht. Vanaf 20 september 2016 (Prinsjesdag) is de VBI een stuk minder aantrekkelijk geworden. De belangrijkste wijzigingen zijn:

  1. Direct afrekenen: de VBI kon zonder belasting te betalen tot stand worden gebracht. De AB-claim werd namelijk doorgeschoven naar de toekomst. Vanaf 20 september 2016 moet er direct 25% worden afgerekend over de AB-winst (het vermogen in de VBI). Er blijft dus geen 100% vermogen in de VBI over, maar slechts 75%.
  2. Flits VBI: een gebruikte optie is om box 3 vermogen onder te brengen in een B.V. (hierdoor geen box 3 heffing meer). Als het vermogen kort in box 3 blijft (18 maanden), is er sprake van een zogenaamde flits VBI, dit is niet toegestaan.
  3. Box 3 rendement: er komt een koppeling tussen de box 3 heffing en het rendement waarmee binnen de VBI moet worden gerekend.

Aandachtspunt: er wordt terugwerkende kracht voorgesteld (dus invoering per direct en niet per 1 janauri 2017). Gezien het rechtszekerheidsbeginsel is het nog maar de vraag of dit ook doorgaat. De Raad van State heeft al voorgesteld om de terugwerkende kracht te laten vervallen, tenzij er een beter gefundeerde motivering wordt gegeven voor speculatief gedrag.

Het is niet gezegd dat de VBI-maatregel ingaat per 20 september 2016, het is dus zaak dit te volgen en wellicht in december 2016 nog een VBI op te richten. De VBI is een stuk minder aantrekkelijk geworden door deze maatregel, maar hoeft nog niet in de prullenbak. Voor box 3 vermogen dat duurzaam wordt ondergebracht in een VBI zal er niet veel veranderen. Conclusie: rekenen en goed laten adviseren, de berekening is vrij simpel.

Wat is een VBI?

Een VBI is een N.V. of een open fonds voor gemene rekening die liquiditeiten en / of beleggingen bezit. Het voordeel van een VBI ten opzichte van een reguliere B.V. die liquiditeiten en beleggingen bezit is dat er geen vennootschapsbelasting wordt berekend over de voordelen die worden behaald. Wel zal er jaarlijks een fictief rendement van 4% over de werkelijke waarde van de VBI in box 2 aangegeven moeten worden waarover 25% inkomstenbelasting verschuldigd is. Per saldo komt dit uit op een belastingdruk van 1% per jaar. Ter vergelijking, over box 3 vermogen wordt 1,2% belasting geheven. Enkele voorbeelden waarin een VBI te overwegen is.

Privéstructuur

Wanneer een DGA de onderneming heeft verkocht en de opbrengst in de holding laat, is voor derden inzichtelijk hoeveel de onderneming heeft opgeleverd door de publicatiestukken van de holding op te vragen. Door gedurende het boekjaar (een deel van) het vermogen af te splitsen en onder te brengen in een open fonds voor gemene rekening, zal het voor derden niet te achterhalen zijn hoeveel de verkoop van de werkmaatschappij heeft opgebracht.

Overtollige liquiditeiten

Indien u in uw onderneming beschikt over overtollige liquiditeiten, dan kan het voor u fiscaal aantrekkelijk zijn de overtollige liquiditeiten af te splitsen en onder te brengen in een VBI, uw vermogen is dan buiten de risicosfeer. Eventueel zou er dan ook voor gekozen kunnen worden het beheer van de gelden bij de DGA te houden en de aandelen of participaties stapgewijs over te dragen aan de kinderen. Daarbij kan tevens het beheer over het vemogen na overlijden van de DGA en zijn / haar partner overgedragen worden.

Laag rendement op spaartegoeden in box 3

Indien u beschikt over spaartegoeden in box 3 waarop u een laag rendement maakt, kan een VBI uitkomst voor u bieden. Door de spaartegoeden in te brengen in een VBI en de resultaten blijven tegenvallen, dan kan er na verloop van tijd voor gekozen worden om de VBI te liquideren. Indien het rendement lager is geweest dan 4% per jaar, dan levert dit een verlies op in box 2. Indien er door de liquidatie geen box 2 vermogen meer is, kan het verlies omgezet worden in een belastingkorting in box 1.

Bij een vermogen van € 5.000.000 zal een VBI jaarlijks € 10.000 voordeliger zijn ten opzichte van het aanhouden van het vermogen in box 3.

Wanneer aantrekkelijk?

Een VBI kan vanaf een vermogen van circa € 1.000.000 fiscaal voordelig zijn, er zijn namelijk kosten gemoeid bij het tot stand brengen van een VBI. Een VBI is aantrekkelijk voor:

- vermogende DGA's; 

- beleggingen met weinig risico (obligaties, deposito's, spaartegoeden);

- vermogende particulieren die inkomen genieten in de vorm van dividenduitkeringen uit hun B.V. (voordeel van 20% tot 25%!).

Daarnaast leent een VBI zich ook om vermogen bij elkaar te houden en het beheer van het vermogen centraal te regelen. Zo kan ervoor gekozen worden om opgebouwd vermogen bij elkaar te houden en dat de kinderen / toekomstige erfgenamen niet de mogelijkheid hebben om het vermogen aan te wenden voor consumptieve doeleinden.

Meer weten of advies?

Wij kunnen u adviseren en begeleiden in het tot stand brengen van een VBI. We nodigen u dan ook graag uit voor een vrijblijvend gesprek waarin wordt bekeken of de VBI in uw situatie voordelig is.

Vrijgestelde beleggingsinstelling de VBI [news] 2015-06-25 0000-00-00 0000-00-00 4531

Gebruikelijk loon bij parttime DGA

Het gebruikelijk loon van een DGA mag ook lager zijn dan het wettelijk vastgestelde minimumloon (ad € 47.000, cijfers 2021). Dit kan spelen als er sprake is van een (langdurige) verliessituatie. De vuistregel voor het loon van de DGA is het genoemde minimumloon en/of het loon dat een werknemer in een vergelijkbare situatie zou verdienen. Er moeten zakelijke gronden zijn om een lager DGA loon te hanteren.

Zekerheid over DGA loon

U kunt via vooroverleg met de Belastingdienst zekerheid krijgen over het DGA loon dat moet worden gehanteerd. Wij kunnen die tegen beperkte kosten voor u verzorgen, stuur ons hiertoe een e-mail. Het formulier inzake vooroverleg kunt u hier downloaden. De volgende informatie moet worden verstrekt:

  1. omschrijving van de aaard en omvang van uw werkzaamheden
  2. naam en nummer van de rechtspersoon en BSN nummer van de DGA
  3. lonen van werknemers met vergelijkbare dienstbetrekking / werkzaamheden
  4. hoogste loon van de werknemer die bij de BV werkzaam is
  5. argumenten waarom de DGA (tijdelijk) een lager loon redelijk vindt

Partime DGA en fictief loon

Een DGA die 5 uur per week voor zijn bedrijf werkt en ook nog arbeidsongeschikt is, moet volgens de rechter het gebruikelijk loon als salaris uit zijn onderneming halen. Reden: de DGA is er bijzonder en heeft talent. Een bijzondere uitspraak!

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) kan feitelijk zijn eigen salaris bepalen. Door een optimale planning kan de DGA zijn salaris in Box 1 optimaliseren. Om dit te voorkomen, is in de wet de gebruikelijkloonregeling opgenomen. Een DGA moet een minimaal salaris van ruim € 47.000 (cijfers 2021) genieten. Als de DGA te weinig salaris opneemt, dan kan de Belastingdienst alsnog een naheffingsaanslag loonheffingen opleggen. Een parttime DGA zou in principe genoegen kunnen nemen met een lager salaris. In onderstaande procedure ging dit fout.

Procedure Gerechtshof inzake fictief loon parttime DGA

Een DGA werkte parttime voor zijn uitzendbureau en ontving naast zijn bescheiden salaris een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De inspecteur was van mening dat de DGA - ondanks dat hij maar een paar uur in de week werkte - tot het gebruikelijk loon moest verdienen (in die periode zo'n € 33.000). De werkzaamheden van de DGA waren namelijk erg belangrijk voor het uitzendbureau.

De DGA werkte 5 uur per week voor zijn uitzendbureau. Zijn vrouw werkte ook binnen het bedrijf. De centrale vraag is of de Belastingdienst in dergelijke situaties mag uitgaan van 100% van het wettelijk voorgeschreven fictief / gebruikelijk loon. De procedure heeft erg lang geduurd, maar uiteindelijk was de rechter het met de Belastingdienst eens. Het Gerechtshof was van mening dat de DGA - ondanks zijn gezondheidsproblemen, het feit dat hij 5 uur per week werkte en de arbeidsongeschiktheidsverzekering - gewoon een salaris van ruim € 30.000 moest genieten.

De werkzaamheden van de DGA waren namelijk van dusdanig groot belang voor zijn uitzendbureau, dat dit gebruikelijk zou zijn. De DGA was erg goed in het koppelen van uitzendkrachten aan opdrachtgevers, dit kon zijn echtgenote niet zo goed. Daarnaast bleef de DGA binnen het bedrijf de feitelijk leidinggevende.

Noot fiscaal jurist gebruikelijk loon

Deze procedure is niet het uitgangspunt. De DGA had moeten stellen en bewijzen dat voor een soortelijk dienstverband (zonder aanmerkelijkbelangaandelen) een lager loon als gebruikelijk zou kunnen gelden. Dit is niet aannemelijk gemaakt.

Bron gebruikelijk loon parttime DGA

Rechtbank Den Haag d.d. 23 december 2011 ECLI NL RBSGR 2011 BV2925.

Gerechtshof Den Haag d.d. 1 mei 2013 ECLI NL GHDHA 2013 CA 3998.

Hoge Raad d.d. 18 april 2014 ECLI NL HR 2014 934.

Gerechtshof Amsterdam d.d. 9 juli 2015 (ECLI NL GHAMS 2015 3692).

[news] 2015-09-17 0000-00-00 0000-00-00 4862

Geruisloze terugkeer uit de B.V., voorsorteren gewenst

Met ingang van 2016 wordt het tarief in de tweede en derde tariefschijf verlaagd naar 40,15% en wordt de derde tariefschijf verlengd tot € 66.421. Het wordt hierdoor aantrekkelijker om een onderneming te drijven in de vorm van een eenmanszaak, vennootschap onder firma (VOF) of maatschap. Indien de onderneming wordt gedreven in de vorm van een holdingstructuur waarbij de onderneming in een werkmaatschappij is ondergebracht, zijn de mogelijkheden om fiscaal geruisloos terug te keren echter beperkt. Om toch met ingang van 1 januari 2016 geruisloos terug te keren uit de B.V., zal er voorgesorteerd moeten worden, met andere woorden, de holdingstructuur zal ontmanteld moeten worden.


Overdracht werkmaatschappij aan privé

Door ervoor te zorgen dat de aandelen in de werkmaatschappij op 1 januari 2016 in bezit zijn van de DGA, kan een geruisloze terugkeer worden bewerkstelligd. De holding blijft hierdoor bestaan (met daarin bijvoorbeeld de pensioen- of stamrechtverplichting) en beperkt de uitvoeringsproblemen. De werkmaatschappij met daarin de onderneming kan vervolgens met terugwerkende kracht tot het begin van het kalenderjaar als eenmanszaak (of VOF) worden gedreven.


Overdracht onderneming werkmaatschappij aan holding

Het is mogelijk om de onderneming voor rekening en risico door de werkmaatschappij (binnen de fiscale eenheid Vpb) over te dragen aan de holding. Vervolgens dient de werkmaatschappij ontbonden en geliquideerd te worden. Hier is ook van belang dat de overdracht en de ontbinding vóór 1 januari 2016 plaatsvindt. De holding zal vervolgens voldoen aan de voorwaarden waardoor de geruisloze terugkeer zonder problemen plaats kan vinden.


Juridische fusie

Indien het boekjaar reeds onderweg is en er nog steeds sprake is van een holdingstructuur, dan biedt de juridische fusie nog een uitkomst. De dochtermaatschappij zal hierdoor opgaan in de holding. Nadat de juridische fusie heeft plaatsgevonden, voldoet de holdingvennootschap aan de voorwaarden en kan de geruisloze terugkeer alsnog (met terugwerkende kracht tot het begin van het kalenderjaar) plaatsvinden.


Indien het voorsorteren tijdig heeft plaatsgevonden, kan in de loop van 2016 het formele verzoek worden ingediend bij de Belastingdienst en zullen de uitvoeringsproblemen beperkt zijn. Met ingang van 1 januari 2016 zal het resultaat als winst uit onderneming worden belast en zal het voordeel tot uiting komen.


Hulp nodig?

De geruisloze terugkeer komt geregeld voor in onze dagelijkse praktijk. Doordat het inkomstenbelastingtarief met ingang van 2016 wijzigt, is het voor meer ondernemers aantrekkelijker om de holdingstructuur op te heffen en de onderneming voort te zetten in de vorm van een eenmanszaak, VOF of maatschap. Benieuwd of een geruisloze terugkeer ook een jaarlijks voordeel voor u oplevert? Maak vrijblijvend een afspraak met de auteur van dit artikel.
Geruisloze terugkeer uit de BV, voorsorteren gewenst. [news] 2015-10-14 0000-00-00 0000-00-00 4864

Pensioen in eigen beheer, een update

De invoering is uitgesteld tot 1 april 2017, lees hiertoe deze brief van de Staatssecretaris van Financiën.

Op 24 september 2016 heeft er een algemeen overleg plaatsgevonden inzake de toekomst van het pensioen in eigen beheer. Opvallend was het gegeven dat bij ruim 60% (!!!) van de pensioen-B.V.'s sprake is van een onderdekking. Dit betekent dat in 60% van de gevallen het geld eerder op is dan dat de pensioengerechtigde komt te overlijden. Dit heeft ertoe geleid dat er - zoals het er nu naar uitziet - met ingang van 1 januari 2017 een tweetal oplossingen zijn geboden.

Op 17 december 2015 heeft de Staatssecretaris een brief met een aantal oplossingsrichtingen uitgebracht (Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 108). Hierin maakt Staatssecretaris Wiebes kenbaar dat vanuit het vereenvoudigingsoogpunt, uitfasering van het pensioen in eigen beheer met een fiscaal gefaciliteerde afkoopmogelijkheid, zonder dat er iets ander voor in de plaats komt, de voorkeur heeft. Het oudedagssparen in eigen beheer wordt in die brief echter als minder wenselijk neergezet.

Op 16 februari 2016 heeft Staatssecretaris Wiebes een brief gestuurd aan de Tweede Kamer waarin hij aankondigt dat hij de vragen die de Tweede Kamer aan hem heeft gesteld zal beantwoorden in de week van 7 maart 2016, we wachten het af.

De wijzigingen ten aanzien van het pensioen in eigen beheer zullen op 1 januari 2017 wetgeving moeten zijn. Gezien de vele voor- en tegenstanders van het pensioen in eigen beheer lijkt deze termijn haalbaar, maar zal de voortgang er wel ingehouden moeten worden.

En wat nu?

De voorgestelde maatregelen zullen - zoals hierboven weergegeven - op zijn vroegst met ingang van 1 januari 2017 geldend recht worden. In situaties waarbij de pensioenrechten niet meer voor verwezenlijking vatbaar zijn, bestaat er wellicht nog een mogelijkheid om tot afstempeling over te gaan zonder heffing van loonheffing en revisierente. Laat u hierin echter goed adviseren.
Pensioen in eigen beheer, een update [news] 2015-10-14 0000-00-00 0000-00-00 4865
Vermogensstructuur ter verkrijging van anonimiteit [news] 2015-11-23

Vermogensstructuur ter verkrijging van anonimiteit

Het is tegenwoordig zeer eenvoudig om publicatiestukken bij de Kamer van Koophandel op te vragen om hiermee inzicht te krijgen in het vermogen. Dit is ook de manier voor de Quote 500 om inzicht te krijgen in het vermogen van de 500 rijkste inwoners van ons land. Wilt u niet dat buitenstaanders inzicht krijgen in uw vermogen, dan zijn er verschillende mogelijkheden om dit inzicht te beperken.

Open fonds voor gemene rekening

Een minder bekend fiscaal vehikel is het open fonds voor gemene rekening (OFGR). Een OFGR is in het leven geroepen om te fungeren als beleggingsfonds. Echter, een OFGR blijkt ook voor andere doeleinden zeer geschikt.

Een OFGR is net als een B.V. of N.V. een vennootschapsbelastingplichtig lichaam. Echter, een OFGR wordt niet ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en een OFGR heeft logischerwijs ook geen verplichting tot het publiceren van jaarstukken.

Voorwaarde bij een open fonds voor gemene rekening is dat er minimaal twee participanten zijn.

Open commanditaire vennootschap

Een wellicht wat bekender vehikel is de open commanditaire vennootschap (OCV). Een dergelijke rechtsvorm wordt ook vaak gebruikt voor beleggingsdoeleinden. Voordeel van een OCV is echter dat de commanditaire vennoot slechts tot de inleg aansprakelijk is (dus geen hoofdelijke aansprakelijkheid). Heeft u een holding waarin overtollige liquiditeiten zitten, dan is het wellicht een optie om de holding om te zetten in een open commanditaire vennootschap.

Bij het oprichten van een OCV zal ook een beherend vennoot nodig zijn. Deze beherend vennoot wordt in dergelijke structuren gevonden door de oprichting van een stichting. Het bestuur van deze stichting zal vervolgens gevormd (kunnen) worden door de commanditaire vennoot.

Mijn vermogen zit in een B.V. / N.V., moet ik dan niet afrekenen?

Doordat een open fonds voor gemene rekening en een open C.V. net als de B.V. en de N.V. vennootschapsbelastingplichtige lichamen zijn, kan gebruik worden gemaakt van verschillende fiscale (fusie / splitsing-)faciliteiten. Dit betekent dat het creëren van een vermogensstructuur - waarbij het voor een derde nagenoeg niet te achterhalen is hoeveel vermogen u bezit – zonder heffing van inkomsten- of vennootschapsbelasting plaats kan vinden.

Uiteraard zal wel alle openheid van zaken gegeven moeten worden richting de Belastingdienst.

Vrijgestelde beleggingsinstelling

Afhankelijk van uw privésituatie en het soort bezittingen die in uw vennootschap zitten is het mogelijk om de status van vrijgestelde beleggingsinstelling aan te vragen. Zie hiervoor dit artikel.

Wilt u meer weten over het creëren van een vermogensstructuur teneinde meer anonimiteit te krijgen, neem vrijblijvend contact op met onderstaande auteur.

0000-00-00 0000-00-00 4872
Afroommethode DGA als laatste redmiddel [news] 2016-02-29

Afroommethode DGA als laatste redmiddel

Volgens de conclusie van de Advocaat Generaal van 19 januari 2016 is de door de Belastingdienst veelvuldig toegepaste afroommethode slechts toegestaan indien er op geen enkele andere wijze een gebruikelijk loon is vast te stellen.

In het verleden is het toepassen van de afroommethode al veelvuldig afgeschoten. De wetgever heeft daar onder andere op geanticipeerd door vanaf 2015 het gebruikelijkloonartikel van 12a LB aan te passen.

Met ingang van 1 januari 2015 is de doelmatigheidsmarge verlaagd van 30% naar 25% en is het begrip 'soortgelijke dienstbetrekking' vervangen door het begrip 'meest vergelijkbare dienstbetrekking'. Deze 30% / 25% dient u niet te verwarren met de 30% die tevens gebruikt werd bij de afroommethode.

Doel van de gebruikelijkloonregeling is – om met een zekere marge – het fiscale loon vast te stellen op het niveau ‘van een zakelijk te achten salaris’. Volgens het Hof en de A-G is het dus de vraag of ‘in het economisch verkeer een hoger loon gebruikelijk is’. Dit betekent dat moet worden onderzocht of in de markt hogere lonen worden toegekend aan personen die vergelijkbare werkzaamheden anders dan als DGA in dienstbetrekking verrichten (vergelijkingsmethode). De toepassing van de afroommethode leidt volgens de A-G niet tot de vaststelling van een ‘vergelijkbaar loon’, maar eerder tot ‘de voor loonbetaling beschikbare winst’. In wezen benadert het aldus becijferde bedrag ‘wat het loon zou kunnen zijn’.

Slechts in zeer specifieke gevallen zal er wellicht geen in de markt vergelijkbaar loon te vinden zijn in een vergelijkbare dienstbetrekking waardoor de Belastingdienst wellicht toch de afroommethode met succes zou kunnen toepassen.  

Of het oordeel van het Hof en de conclusie van de A-G wordt bevestigd door de Hoge Raad zal op korte termijn duidelijk worden.

Tip

In de praktijk komen wij vaak tegen dat accountants en administratiekantoren zelf nog veelvuldig de afroommethode toepassen. In heel veel situaties zou dat kunnen betekenen dat de DGA al jaren mogelijk een veel hoger salaris heeft genoten dan nodig zou zijn geweest. Kijk als DGA een kritisch naar uw salaris en naar vergelijkbare functies. Mogelijk kunt u de nodige belastingen besparen!

0000-00-00 0000-00-00 4907

Verlies uit aanmerkelijk belang? Benut de belastingkorting!

Een steeds actueler wordend onderwerp is het omzetten van het verlies uit aanmerkelijk belang (box 2) in een belastingkorting die verrekend kan worden met verschuldigde belasting over het inkomen uit werk en woning (box 1). Hoewel de crisis al weer achter ons ligt en de vooruitzichten stukken beter, hebben sommige directeur-grootaandeelhouders (DGA's) nog te maken met de nasleep van een faillissement of opheffing van de B.V. waarin een aanmerkelijk belang werd gehouden.

Verliezen uit aanmerkelijk belang

Een verlies uit aanmerkelijk belang ontstaat doorgaans als gevolg van een faillissement, liquidatie of een verkoop van het aanmerkelijk belang, de aandelen die worden gehouden in een B.V. Indien de verkrijgingsprijs van de aandelen hoger is dan de vervreemdingsprijs is sprake van een verlies.

Verkrijgingsprijs

Onder verkrijgingsprijs wordt verstaan de prijs waarvoor de aandelen zijn verkregen. In de meeste situaties is deze gelijk aan het geplaatst en volgestorte aandelenkapitaal, maar kan als gevolg van bijvoorbeeld een geruisloze inbreng van een onderneming ook hoger of lager zijn. In dit laatste geval is hiervoor bij de geruisloze inbreng een verkrijgingsprijs vastgesteld.

De verkrijgingsprijs wordt verhoogd met vorderingen die de DGA had op zijn B.V. en die vervolgens zijn kwijtgescholden of wegens failissement niet meer invorderbaar zijn. Deze bedragen worden aangemerkt als een kapitaalstorting en verhogen de verkrijgingsprijs.

Vervreemdingsprijs

Onder de vervreemdingsprijs wordt de tegenprestatie in geld verstaan waartegen de aandelen worden verkocht. Indien de B.V. waarin het belang wordt gehouden failliet gaat of wordt geliquideerde en ontbonden, dan is de vervreemdingsprijs gelijk aan de liquidatie-uitkering (veelal nihil).

Indien de vervreemdingsprijs verminderd met de verkrijgingsprijs leidt tot een negatieve uitkomst, dan is er sprake van een verlies uit aanmerkelijk belang. Dit verlies kan een jaar terug worden gewenteld en negen jaar vooruit. Het verlies is echter alleen met inkomen uit aanmerkelijk belang te verrekenen (en niet met box 1 of box 3 inkomen).

Verlies uit aanmerkelijk belang omzetten in belastingkorting

Indien er nog een verlies uit aanmerkelijk belang resteert en de DGA - tezamen met zijn / haar partner - geen aanmerkelijk belang meer houdt in een B.V., dan heeft de DGA de mogelijkheid om het verlies om te zetten in een belastingkorting. Deze belastingkorting leidt ertoe dat het verlies afgezet kan worden tegen de verschuldigde belasting uit werk en inkomen (box 1).

Indien de DGA aanspraak wenst te maken op de belastingkorting, mag hij - al dan niet tezamen met zijn / haar partner - in het kalenderjaar en het daaraan voorafgaande kalenderjaar geen aanmerkelijk belang houden in een B.V. of daarmee vergelijkbare rechtspersoon. Nadat het verlies is omgezet in een belastingkorting kan de korting gedurende zeven jaren verrekend worden met de belasting die is verschuldigd over bijvoorbeeld looninkomsten, of een (pensioen-)uitkering. De belastingkorting dient uiterlijk in het negende jaar na het jaar waarin het verlies uit aanmerkelijk belang is ontstaan te zijn verrekend. De belastingkorting die na dit jaar nog resteert zal 'verdampen'.

De belastingkorting is voor DGA's die wegens verkoop, faillissement of liquidatie en ontbinding van de B.V. een verlies hebben geleden op hun aandelen een pleister op de wonden. De praktijk leert echter dat de belastingkorting niet altijd optimaal benut wordt. Zit u wellicht in een situatie waarin u overweegt uw aandelen te verkopen of uw B.V. te liquideren en ontbinden, neem dan voor die tijd contact op met een fiscaal jurist om uw situatie te beoordelen. Zowel de timing als het vormgeven van bijvoorbeeld een aandelenverkoop kan het verschil maken in wel of geen verlies uit aanmerkelijk belang en het kunnen omzetten van dit verlies in een belastingkorting.

In het het arrest van de Rechtbank Gelderland van 31 maart 2016, nummer: AWB15/3919, ECLI:NL:RBGEL:2016:1772 is een eventuele verlenging van de verrekeningstermijn aan de orde gekomen. De DGA in die situatie heeft betoogd dat als gevolg van een verliesverrekening de belastingkorting weer zou moeten herleven en de verrekeningstermijn daarmee verlengd zou moeten worden. Inspecteur is het daar echter niet mee eens, de Rechtbank bevestigt het standpunt van de inspecteur. Verliesverrekening leidt niet tot een verjonging van de belastingkorting. Deze uitspraak bevestigt hetgeen uit de voorgaande alinea, timing en een juiste vormgeving is vereist om het optimale resultaat te bereiken.

Wilt u meer weten? Neem contact op met de auteur van dit artikel.

Verlies uit aanmerkelijk belang? Benut de belastingkorting! [news] 2016-04-12 0000-00-00 0000-00-00 4924
Van uw oude stakingslijfrente af zonder fiscale pijn? [news] 2016-04-20

Van uw oude stakingslijfrente af zonder fiscale pijn? Leest u dan verder!

Heeft u in het verleden uw onderneming omgezet in een besloten vennootschap en heeft u hiervoor een stakingslijfrente bedongen, dan zijn de (toekomstige) uitkeringen belast met inkomstenbelasting. Maar wat als de vennootschap geen liquiditeit heeft om de uitkeringen te voldoen? Kunt u zonder fiscale gevolgen afzien van uw lijfrente-uitkeringen? In beginsel is het antwoord: nee. Onder de Wet op de inkomstenbelasting 2001 wordt het afzien van uitkeringen gesanctioneerd met een heffing van 52% inkomstenbelasting en daarnaast beboet met nog eens 20% revisierente. Heeft u nog een oude stakingslijfrente (vóór 1992)? Dan is er mogelijk nog een uitweg.

Het fiscale lijfrenteregime is in de loop der jaren steeds weer gewijzigd. Voor op het tijdstip van wijziging bestaande lijfrenten is vaak een overgangsrecht gecreëerd. Zo ook voor lijfrenten die vóór 1 januari 1992 zijn bedongen. Voor deze lijfrenten geldt het verbod op afzien niet waardoor een sanctie in de inkomstenbelasting achterwege blijft.

Voor de vennootschapsbelasting is nog wel sprake van een fiscaal belaste winst. Heeft u echter nog fiscale verliezen, dan kunnen deze met de winst verrekend worden. Daardoor hoeft het afzien van uitkeringen u ook in de vennootschapsbelasting fiscaal geen pijn te doen.

Wilt u meer weten? Neem dan contact op met ons kantoor, wij helpen u graag verder.

0000-00-00 0000-00-00 4928
Overdracht belastingschuld aan BV [news] 2016-09-05

Overdracht belastingschuld aan B.V.

Omzetten niet aftrekbare belastingschuld in box 3 schuld

Een belastingschuld in privé is niet aftrekbaar voor de inkomstenbelasting (in box 3). Als je deze schuld aan de B.V. verkoopt, ontstaat er voor de DGA een schuld aan zijn eigen B.V. Deze schuld kan wel in box 3 worden opgenomen. In deze casus ging het om een lange procedure waarbij de Hoge Raad de Randstad-oprichter Frits Goldschmeding in het gelijk heeft gesteld.

Belastingschuld aan B.V. verkopen

De DGA verkocht in 2008 een pakket aandelen aan zijn dochters voor ruim € 100 miljoen. De dochters konden dit niet betalen en kregen dus een schuld aan hun vader (resp. de vader heeft een vordering op zijn dochters). Daarnaast moest er belasting worden betaald over de verkoop (ook ruim € 100 miljoen), deze belasting moest in 10 jaar tijd worden betaald. De vordering op de dochters is belast in box 3 en de schuld aan de Belastingdienst is in box 3 niet aftrekbaar.

Eind 2010 verkoopt de DGA de vorderingen op zijn dochters en ook de schuld aan de Belastingdienst aan zijn eigen B.V. De Belastingdienst vindt dit flauwekul en ziet de economische logica niet. Daarnaast heeft de Belastingdienst geen toestemming gegeven voor de overdracht van de schuld. De DGA heeft na de overdracht geen economisch belang meer bij de schuld; mocht de belastingschuld worden kwijtgescholden, dan is dit voordeel ook voor de B.V. De overdracht kan volgens de Hoge Raad ook zonder toestemming van de Belastingdienst (tenminste fiscaal).

De Rechtbank was het met de Belastingdienst eens. Het Gerechtshof en de Hoge Raad niet, zij geven de DGA gelijk. De overdracht kan en leidde niet tot een TBS-vordering op de B.V. De Advocaat-Generaal heeft de Hoge Raad anders geadviseeerd (Belastingdienst gelijk), maar de Hoge Raad trekt zijn eigen lijn.

Fiscale noot

DGA's zouden nu op grote schaal niet aftrekbare belastingschulden aan hun B.V. kunnen verkopen. Meestal moet het dan wel gaan om forse belastingschulden, anders is het voordeel te beperkt. In bovenstaande casus is het voordeel ongeveer € 3-4 miljoen per jaar (in een dalende lijn omdat er elk jaar wordt afgelost). De Belastingdienst zal wel proberen om deze structuur te voorkomen of te beperken, dit kan via:

  1. beroep op Fraus Legis (belastingbesparing is enige motief voor de transactie);
  2. wetswijziging.

Als de B.V. de schuld niet zou betalen en / of failliet gaat, dan zal de DGA in privé moeten betalen en zal de structuur waarschijnlijk onderuit gaan.

Bron belastingschuld verkopen

Hoge Raad d.d. 12 augustus 2016 (ECLI NL HR 2016 1900).

Conclusie Advocaat-Generaal d.d. 15 maart 2016 (ECLI NL PHR 2016 120).

Gerechtshof Amsterdam d.d. 23 april 2015 (ECLI NL GHAMS 2015 2191).

0000-00-00 0000-00-00 4974

Pensioen in eigen beheer afkopen

Directeuren-grootaandeelhouders (DGA's) krijgen in 2017 (en 2018 en 2019) de mogelijkheid om hun pensioen in eigen beheer van de balans te halen (af te kopen). Dit kan met een korting van 34,5% in 2017 (en in de jaren daarna tegen lagere percentages, namelijk 2018: 25% en 2019: 19,5%). Heeft u geen geld, dan resteren er twee opties:

  1. Premievrij maken;
  2. Spaarvariant kiezen.

De invoering is uitgesteld tot 1 april 2017. De novelle van de wet Uitfasering pensioen in eigen beheer is inmiddels door de Eerste en Tweede kamer aangenomen. Zoals het er nu uitziet is het vanaf 1 juli 2017 niet meer mogelijk om fiscaal gefacilieerd pensioen in eigen beheer op te bouwen. Het afkopen of omzetten van het pensioen in een oudedagsvoorziening kan vanaf 1 april 2017, de beoogde datum van inwerkingtreding van de wet.

Als DGA uw pensioen in eigen beheer afkopen of niet?

Als uw pensioenreserve € 100.000 bedraagt, dan krijgt u hierop een korting van 34,5%. Over € 65.500 moet u dan dus 52% afrekenen. Dit kost netto zo'n € 34.000 (effectief tarief is derhalve 34%). Wellicht is het verstandig om in 2016 dit geld vast vrij te maken (of vanuit privé in de B.V. te storten), maar dat is afhankelijk van de feiten. Conclusie:

  1. 2017: korting 34,5%, deel afkoop 65,5% en effectief tarief 34,06%;
  2. 2018: korting 25%, deel afkoop 75% en effectief tarief 39%;
  3. 2019: korting 19,5%, deel afkoop 80,5% en effectief tarief 41,86%.

Overige opmerkingen over afkoopsom DGA-pensioen

De regeling is vrij uitgebreid en kent enkele voorwaarden en aandachtspunten:

  • Er wordt voor de regeling gekeken naar de fiscale verplichting per eind 2015.
  • Een creatieve verhoging of verlaging in 2016 heeft dus geen zin.
  • De revisierente (extra boete) van 20% geldt voor deze regeling niet.
  • De loonheffing moet ineens door de B.V. worden betaald, dit kan een flinke klap voor bestaande liquiditeit betekenen.

Spaarvariant DGA en eigen beheer pensioen

De spaarvariant is eigenlijk heel eenvoudig. De pensioenrechten worden gewaardeerd op de fiscale waarde (afgestempeld). De fiscale waarde van uw pensioen in eigen beheer wordt zonder loonheffing en vennootschapsbelasting omgezet in een oudedagsspaarverplichting. Daarna zal er geen verdere opbouw meer plaatsvinden. Het verschil tussen de fiscale en commerciële waarde verdwijnt derhalve, dit is een voordeel. Hierdoor kunt u ook weer eerder dividend laten uitkeren door uw B.V. Ook ziet uw balans er weer iets rooskleuriger uit. Let erop dat uw partner met de omzetting akkoord moet gaan, leg het dus schriftelijk vast in een overeenkomst (en notulen van de AvA).

Echtscheiding DGA en afkoop

Als u gescheiden bent en de verevende pensioenrechten van uw ex-partner zitten (bevroren) in de B.V., dan moet u met uw ex in overleg over een mogelijke afkoop (artikel 3a lid 6 Wet Verevening pensioenrechten bij scheiding). Uw ex moet voor de afkoop  namelijk toestemming verlenen. Een aantal opmerkingen:

  • Voor het ouderdomspensioen geldt formeel nog geen wettelijke regeling om toestemming te vragen.
  • Doordat er geen pensioen meer wordt opgebouwd, neemt de winst van uw B.V. toe, hierdoor hogere draagkracht.
  • U kunt ook het deel van uw partner onderbrengen bij een externe verzekeraar.
  • U kunt uw partner een compensatie aanbieden voor het gemis van pensioen, als uw pensioen nu "onder water staat", moet u hiermee rekening houden (lagere compensatie, kijk ook naar deze uitspraak van het Gerechtshof Den Haag d.d. 18 juni 2014).  
  • Let op dat er geen sprake is van een schenking. Als uw partner zomaar afziet, dan kan dit een schenking zijn. Let hierbij ook op artikel 19b lid 3 Wet Loonbelasting. 

Partner en pensioen

Het is van essentieel belang dat de (gewezen) partner / vrouw / echtgenoot van de DGA medewerking gaat verlenen aan de uiteindelijke overeenkomst. Zonder een krabbel van de (gewezen) partner kunnen er vele problemen ontstaan. Zekerheidshalve is het verstandig dat de (gewezen) partner reeds op de notulen (voor de beslissing) haar handtekening zet.

Tenslotte

Wij adviseren diverse DGA's over deze materie en maken hiervoor een kort advies met een berekening. Vragen? Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak.

Bron pensioen in eigen beheer

Wetswijziging in staatscourant

Wijziging novelle (uitvoeringsbesluit)

Afkoop pensioen eigen beheer [news] 2017-02-14 0000-00-00 0000-00-00 4975

Belastingvrij afboeken rekening-courantschuld DGA aan B.V.

Bijna iedere directeur-grootaandeelhouder (DGA) heeft wel een rekening-courant bij zijn vennootschap(pen). Sinds enkele jaren heeft de Belastingdienst veel belangstelling voor dergelijke schulden. Er wordt ook steeds vaker over rekening-courantschulden geprocedeerd en dit zal de komende jaren alleen maar toenemen. In 2019 aflossen is fiscaal voordeliger omdat in 2020 het tarief voor box 2 zal stijgen. Daarnaast komt er in 2022 een wetswijziging (lees meer)

Advies inzake schuld aan BV

Wij adviseren regelmatig DGA's met forse rekening-courantschulden. Hierbij wordt ook gekeken naar:

  • verrekening rekening-courant met afkoop pensioen;
  • kwijtschelden vordering DGA i.v.m. oninbaarheid;
  • laten vervallen DGA-schuld i.v.m. 5-jaarstermijn;
  • aflossing rekening-courant via overdracht activa vanuit privé.

De laatste maanden wordt veel gesproken over het belastingvrij kwijtschelden van rekening-courantschulden. Dit op grond van diverse publicaties en een TV-uitzending (die ik via 'Uitzending gemist' heb bekeken). In dit artikel wordt duidelijk dat u met vuur speelt als u hieraan zou beginnen en dat sprookjes niet bestaan. Heeft u vragen kom gerust langs voor een vrijblijvende afspraak.

Belastingvrij afboeken schuld DGA

Steeds vaker krijgen wij vragen over het belastingvrij afboeken van een schuld van de DGA aan zijn B.V. Wat te mooi is om waar te zijn, is dat vaak ook. Is het dan flauwekul wat er in het nieuws voorbijkomt en door enkele adviseurs wordt geroepen? Ja, in veel gevallen wel. De optie wordt geroepen in een TV uitzending, ik heb dit via 'Uitzending gemist' bekeken, een bijzonder advies. De stelling is als volgt:  er is een definitieve aanslag, de stijging van de rekening-courantlening is onzakelijk en feitelijk een schijnlening en hiermee kun je deze zomaar wegstrepen (geen nieuw feit). Dit sprookje is flauwekul, hierbij de realiteit.

Wat kunt u met een rekening-courant?

  1. Simpelweg aflossen.
  2. Dividend uitkeren (aflossing € 75.000 rekening-courant kost € 25.000 aan liquiditeit).

Een rekening-courantschuld van de DGA aan zijn B.V. geeft de Belastingdienst een aantal opties:

  1. De opname is loon geweest.
  2. De opname is een dividenduitkering geweest.
  3. De opname is een echte lening.

Overige gevolgen van een rekening-courantschuld kunnen zijn:

  1. Pensioenprobleem: grote opnamen kunnen ervoor zorgen dat het pensioen in eigen beheer wordt gedekt door een (waardeloze) vordering op de DGA. Dit kan afkoop van pensioen tot gevolg hebben (gevolg: 52% belasting en 20% revisierente).
  2. Rente: de rente op de rekening-courant is vaak in privé niet aftrekbaar en in de B.V. wel belast.
  3. Faillissement: bij een faillissement van uw B.V. komt de curator het geld bij de DGA in privé ophalen.

Als een directeur-grootaandeelhouder (de DGA) een schuld aan zijn B.V. heeft opgebouwd, dan wil hij hier graag af. In een TV programma wordt deze structuur (belastingvrij afboeken) gepresenteerd. De insteek is de volgende:

  • Een DGA heeft sinds vele jaren een schuld aan zijn B.V.
  • De schuld is in rekening-courant opgebouwd.
  • De DGA kan de schuld niet (meer) aflossen.
  • De DGA heeft de schuld niet afgelost en kon dit ook niet (schijnlening).
  • De lening is feitelijk in het verleden omgezet in een (vermomde) uitdeling.
  • De opnamen hebben in het verleden het karakter gekregen van een dividenduitkering.
  • De inspecteur had dan in het verleden zich moeten melden bij de DGA en de opnamen als dividenduitkeringen moeten aanmerken.
  • De inspecteur heeft dat niet gedaan en is hiermee te laat, navorderen is dan nu niet meer mogelijk (geen nieuw feit).

De gedachte hierachter is wel te volgen en niet geheel onjuist. Echter de vraag is of de inspecteur te laat en / of de inspecteur een nieuw feit nodig heeft.

  1. Uit diverse uitspraken van rechters (jurisprudentie) blijkt dat de Belastingdienst (inspecteur) niet snel zijn rechten op navordering (door een nieuw feit) verspeelt.
  2. Als de aangifte is gemaakt door een deskundige (accountantskantoor, belastingadviseur), dan kan de Belastingdienst eenvoudig stellen dat de aangifte juist moet zijn. Navordering blijft dan gewoon mogelijk.
  3. Daarnaast is navordering altijd mogelijk als de DGA te kwader trouw is geweest, een nieuw feit is dan niet nodig.
  4. De Hoge Raad heeft in enkele arresten al aangegeven dat een onzakelijke lening nog steeds een lening is en geen kapitaal. De B.V. kan geen verlies nemen op de afboeking van de vordering op de DGA en dit heeft ook niet tot gevolg dat de lening als dividenduitkering moet worden gezien. De stap "partijen wilden geen lening maar bedoelden een dividenduitkering" is een dunne lijn, de bewijslast bij de B.V. en DGA is lastig (immers in de aangiften IB / VPB en de jaarrekeningen staat een lening en er is geen dividendbelasting voldaan (moet binnen 1 maand)).

Beleid Belastingdienst over afboeken schuld DGA

Er is de laatste maanden veel geschreven over het belastingvrij wegstrepen van rekening-courantschulden van de DGA aan zijn B.V. De Belastingdienst neemt hier maatregelen tegen en heeft een intern memo hierover opgesteld. Via een WOB verzoek is dit memo openbaar geworden, het memo kunt u hier lezen. De brief van de Staatssecretaris bij dit memo is ook gepubliceerd (lees hier). Het memo geeft een leuke doorkijk in de keuken van de Belastingdienst. In het memo worden aan de medewerker van de Belastingdienst handvatten gegeven hoe met advisering over dit onderwerp moet worden omgegaan. Aantal conclusies uit dit memo:

  1. Belastingdienst zal belastingvrij wegstrepen van rekening-courantschulden bestrijden.
  2. De Belastingdienst zal bij belastingvrij wegstrepen van schulden boetes opleggen en eventueel de DGA strafrechtelijk vervolgen (opzettelijk onjuist aangifte doen).
  3. Als een afboeking wordt geconstateerd (meestal via VPB-aangifte van de B.V.) wordt eerst informatie bij de adviseur en / of de DGA opgevraagd. Bij problemen wordt vanuit de Belastingdienst een oplossingsgerichte aanpak "geadviseerd".
  4. In vooroverleg omtrent het belastingvrij afboeken wordt geen standpunt ingenomen.

Het memo stelt wel een aantal zaken iets te zwart/wit. Zo is een nieuw standpunt van een adviseur (of belastingplichtige) zeker niet altijd een nieuw feit dat navordering kan rechtvaardigen. Iets nieuws vinden kan ook gewoon een ander standpunt zijn op een bestaande situatie (nieuw inzicht of een nieuwe of herziene visie). Daarnaast wordt er scherp gesteld dat het strafrechtelijk vervolgen tot de mogelijkheden behoort, deze bevoegdheid ligt echter niet primair bij de inspecteur, wel de signalering. Ook is niet duidelijk wanneer voor deze route wordt gekozen.

Zakelijk handelen met de B.V.

Iedere aandeelhouder dient zakelijk te handelen met zijn vennootschap(pen). Dit betekent dat de verstrekking, als de voorwaarden waaronder dit geschiedt, moet geschieden zoals dat ook tussen derden het geval zou zijn geweest. Om fiscaal niet tegen ongewenste gevolgen aan te lopen, dient u rekening te houden met het volgende:

  • Kijk goed naar de vermogenspositie van de schuldenaar (zou deze ook een lening van een derde kunnen ontvangen?).
  • Stel een zakelijke rente vast.
  • Kom een aflossingsschema overeen.
  • Leg de lening en de bijbehorende voorwaarden vast in een overeenkomst.
  • Indien het bovenstaande niet juist is vormgegeven, kan de Belastingdienst de rente gaan corrigeren en mogelijk de lening aanmerken als onzakelijk met alle gevolgen van dien.

Rente rekening-courantschuld tot € 17.500

Bij een schuld van de aandeelhouder tot € 17.500 hoeft geen rente in rekening te worden gebracht. Hier tegenover staat dat de schuld niet in box 3 mag worden opgenomen.

Belastingdienst en rekening-courant

De Belastingdienst heeft een speciale site over de rekening-courant van de aandeelhouder (kijk hier). U kunt erop wachten dat de Belastingdienst in 2016 / 2017  strikter gaat kijken naar DGA's met een schuld aan hun B.V. Essentie volgens de Belastingdienst is het volgende:

  • Lening tegen zakelijke voorwaarden (voorwaarden die een bank ook zou stellen).
  • De lening moet schriftelijk worden vastgelegd.
  • Er moeten afspraken worden gemaakt over terugbetaling van de lening.
  • De B.V. heeft voldoende zekerheden.
  • De B.V. moet aan haar verplichtingen kunnen blijven voldoen als u de lening opneemt.
  • Als er onzakelijk wordt gehandeld, voldoet de lening niet aan de voorwaarden, de lening wordt dan gezien als inkomen.

Rekening-courant en de DGA

Een hoge rekening-courantschuld is niet wenselijk, zowel fiscaal als naar uw bank. Ook bij een faillissement kan een rekening-courantschuld ervoor zorgen dat uw privévermogen wordt aangesproken bij een faillissement van uw B.V. Door een rekening-courantschuld kan ook het vormen van een normale pensioenvoorziening in gevaar komen. Als de B.V. haar verplichtingen niet kan nakomen door rekening-courantopnamen door de DGA, dan kan dit een onrechtmatige daad tot gevolg hebben. Hierdoor is de bestuurder aansprakelijk voor schulden bij een faillissement van de B.V. (Rechtbank Den Haag 5 april 2012).

Als een DGA geld uit zijn B.V. heeft geleend voor consumptieve zaken, dan kan dit voor de Belastingdienst een reden zijn om te veronderstellen dat sprake is van een uitdeling of genoten salaris. Dit komt sneller in beeld als er geen zekerheid wordt geboden en / of de schuld onvoldoende is vastgelegd, resp. als hetgeen is vastgelegd niet wordt nagekomen. In mijn praktijk wordt dit meestal wel opgelost, bijvoorbeeld door met de Belastingdienst af te spreken dat de schuld in 3 tot 5 jaar wordt afgebouwd via bijvoorbeeld een dividenduitkering.

Dividend uitkeren en rekening-courant

De eenvoudigste manier om een rekening-courantschuld weg te werken is de dividenduitkering. Er moet wel brutering plaatsvinden, voor een schuld van € 100.000 moet een dividend van ruim € 133.000 worden uitgekeerd. De B.V. heeft hiervoor in contanten dus € 33.000 nodig. Een deel wordt bij de dividenduitkering door de B.V. voldaan en een deel door de DGA, in totaal moet 25% worden betaald. Als u te maken krijgt met de stelling dat er sprake is van een uitdeling, kunt u een aantal stellingen betrekken:

  1. Ik regel het alsnog goed en zal privé zekerheden verstrekken en tot aflossing overgaan.
  2. Maak een plan om binnen 3 jaar de schuld in z'n geheel af te lossen.
  3. Probeer een deel van de schuld wel als zakelijk te laten staan (voorbeeld Rechtbank Den Haag 2 maart 2010). Een DGA had een schuld van € 450.000, deze was opgelopen tot € 660.000. Er was geen schriftelijke overeenkomst. Inspecteur stelt: "uitdeling." Rechtbank stelt: "uitdeling voor de opname ad € 210.000 en niet voor geheel," voor restant niet omdat voor dit deel artikel 4.43 IB niet aannemelijk is gemaakt.

Let op ... een dividenduitkering is alleen mogelijk als de B.V. over positief vermogen beschikt. Om dit vermogen te bepalen, moet u de pensioenverplichting om commerciële waarde waarderen, deze is meestal hoger dan de (fiscale) waarde die op de balans staat. U moet ook rekening houden met de uitkeringstoets (kan de B.V. geld als dividend uitkeren zonder de B.V. in gevaar te brengen, deze eis moet u sinds 2012 toepassen).

Terugbetaling van kapitaal

De meest eenvoudige manier om een rekening-courantschuld te verlagen is het verminderen van kapitaal. Dit kan alleen als er voldoende kapitaal is gestort dat fiscaal ook is erkend.

Rekening-courant en rentevoordeel

Op 25 februari 2011 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan inzake een DGA die geld had geleend van zijn vennootschap tegen een rente van 2,5% en dit geld vervolgens op privérekeningen zette tegen een hogere rente. Hierdoor maakte de DGA een onbelaste winst in privé. De inspecteur was het niet eens met de DGA. De Rechtbank stelde de DGA in het gelijk, het Hof echter niet. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad zich over deze zaak gebogen en kwam met de volgende uitspraak. De kennis van tarieven op spaarrekeningen is niet als bijzondere vorm van kennis aan te merken, aangezien deze gewoon op het internet staan. Het standpunt van het Hof dat de winst in box 1 belast moest worden wegens activiteiten die normaal vermogensbeheer te boven gaan, gaat derhalve niet op. De activiteiten zijn volgens de Hoge Raad niet substantieel genoeg, waardoor sprake is van normaal vermogensbeheer en derhalve is het rentevoordeel onbelast.

Conclusie rekening-courant

Neem altijd tijdig contact op met uw belastingadviseur om te beoordelen of u aan alle voorwaarden en formaliteiten voldoet. Dit kan ongewenste gevolgen voorkomen. Aflossen van een rekening-courantschuld kan het eenvoudigst door als DGA te betalen en anders door (in de loop van enkele jaren) dividend uit te keren. Overleg altijd met uw fiscaal jurist zodat u geen fouten maakt. Van belang is wel om de rekening-courant schriftelijk vast te leggen en de rente laag te houden.

Er zijn best situaties denkbaar dat het belastingvrij wegstrepen van de rekening courant denkbaar is, dit volgt ook wel (een beetje) uit het memo van de Belastingdienst. De houding van de Belastingdienst hiertegen is gezond kritisch en u moet zich wel realiseren dat er een redelijk schriftelijk gevecht gaat plaatsvinden als u hiertoe besluit. In sommige gevallen kan dit noodzakelijk zijn maar dan moet wel vooraf een gezonde afweging plaatsvinden.

Vrijblijvende offerte voor de DGA

Veel ondernemers worstelen met een rekening courant schuld. Maar ook is vaak de vraag "betaal ik niet teveel belasting?" of "weet mijn boekhouder wel alle fiscale mogelijkheden?". Vrijwel wekelijks helpen wij ondernemers en/of DGA’s met fiscale adviezen. Het meest gekozen advies is de ondernemersscan (fiscale adviezen op meer dan 100 onderdelen binnen uw bedrijf) of een toetsing van de werkkostenregeling (de WKR scan).  Ook adviseren wij vele ondernemers bij boekenonderzoeken, bezwaar- beroepsprocedures, emigraties en het verkopen van hun onderneming. Interesse? Neem contact op of stuur een email, wij nemen dan binnen 48 uur contact met u op.

Vrijblijvende afspraak

Komt gerust langs voor een vrijblijvende afspraak. U kunt via email een afspraak inplannen

Bron DGA en rekening-courant

Hoge Raad 25 februari 2011.

Rechtbank Den Haag 5 april 2012.

Rechtbank Den Haag 2 maart 2010.

Intern memo Belastingdienst over kwijtschelden schulden.

Brief Staatssecretaris inzake kwijtschelden schulden (februari 2017).

[news] 2017-02-27 0000-00-00 0000-00-00 5063

Wet uitfasering pensioen in eigen beheer definitief

Nadat de Tweede Kamer al eerder akkoord was, heeft op 7 maart jl. ook de Eerste Kamer ingestemd met de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen, inclusief de later ingediende novelle. De wet is op op 1 april 2017 in werking getreden.

Keuzemogelijkheden DGA

DGA's kunnen vanaf 1 juli 2017 geen pensioen in eigen beheer (PEB) meer opbouwen. Met de in eigen beheer opgebouwde pensioenaanspraken hebben DGA's drie keuzes:

1. Afkopen PEB;

2. Omzetten PEB in een oudedagsverplichting (ODV);

3. Niets doen, oftewel een premievrij PEB behouden.

Afkopen

Bij afkoop keert de vennootschap waar het pensioen op de balans staat, de fiscale verplichting in één keer uit aan de DGA. Bij de DGA is deze regulier belast in box 1, waarbij er wel een korting geldt op de fiscale waarde. Bij afkoop in 2017 is de korting 34,5%, in 2018 25% en in 2019 19,5%. Na 2019 is afkoop niet meer mogelijk.

Omzetten in ODV

DGA's die niet in één keer een groot bedrag aan belasting willen of kunnen betalen, hebben de mogelijkheid hun fiscale pensioenverplichting om te zetten in een oudedagsverplichting. Omzetting is mogelijk tot 2020.

Vanaf AOW-leeftijd heeft de DGA vervolgens recht op uitkeringen gedurende 20 jaren.

De DGA kan er ook voor kiezen de verplichting af te storten naar een bank of verzekeraar om daar een lijfrente te bedingen.

Premievrij PEB

Maakt de DGA geen keuze, danwel wil hij niet afkopen of omzetten, dan blijven zijn opgebouwde pensioenaanspraken gehandhaafd. Er verandert niets aan de huidige situatie. Wel is het natuurlijk zo dat nieuwe pensioenopbouw in eigen beheer vanaf uiterlijk 1 juli 2017 niet meer mogelijk is.

Te ondernemen acties

DGA's met PEB moeten nadenken wat ze willen met hun opgebouwde pensioenaanspraken. Acties die zoal vereist zijn:

1. Indien DGA nog actief PEB opbouwt, dit vóór 1 juli 2017 beëindigen;

2. DGA's met een externe pensioenverzekering kunnen nog tot 1 juli 2017 het kapitaal terughalen naar de eigen venootschap;

3. (Ex-)partner van de DGA moet instemmen met afkopen en omzetten in ODV. Welicht is compensatie van de (ex-)partner voor afzien van rechten benodigd.



Wet uitfasering pensioen in eigen beheer definitief [news] 2017-05-01 0000-00-00 0000-00-00 5134

Stichting Administratiekantoor en gebruikelijk loon

Een Stichting Administratiekantoor heeft veel voordelen. De belangrijkste zijn:

  1. Beperken aansprakelijkheid;
  2. Geen gebruikelijk loon (wat DGA wel heeft);
  3. Flexibiliteit.

U moet een Stichting Administratiekantoor (hierna: STAK) niet verwarren met goede doelen.

Geen gebruikelijk loon bij Stichting Administratiekantoor

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) van een B.V. of N.V. moet zichzelf - op grond van fiscale wetgeving - verplicht een salaris toekennen van ruim € 47.000 (cijfers 2021). Dit is een anti-misbruikbepaling die vaak ongunstig kan uitwerken. Voor een DGA is het namelijk goedkoper om dividend uit te keren dan salaris te genieten, dit scheelt ongeveer 10% heffing. Bij een stichting bent u niet verplicht om als bestuurder een DGA-salaris aan uzelf te betalen. Dit is ook logisch omdat u geen aandelen van de stichting heeft.

In een procedure bij de Rechtbank in april 2018 kwam het gebruikelijk loon voor een stichtingbestuur aan de orde. De rechter was er vlot klaar mee, geen fictief loon voor de bestuursleden. Een bestuurder van een stichting heeft namelijk geen aanmerkelijk belang in een B.V., ook niet als de aandelen van de B.V. worden gehouden door een stichting. Dit kan wel anders zijn als de STAK de aandelen in de werk-B.V. heeft gecertificeerd en de STAK derhalve enkel juridisch eigenaar van de aandelen in de B.V. is. In deze casus kwam het dividend van de B.V. ook toe aan de STAK.

STAK voorkomt persoonlijke aansprakelijkheid

Als u een onderneming start, kan dit als eenmanszaak of VOF (geen rechtspersoonlijkheid) of als B.V. (wel rechtspersoonlijkheid). Daarnaast zijn er nog vele mengvormen en zij sporen qua soort onderneming. Als u voor een bedrijf met rechtspersoonlijkheid kiest, wordt veelal gekozen voor de B.V. of N.V. Deze B.V. is dan zelf degene die verplichtingen en contracten aangaat. Omdat een mens een handtekening moet zetten, is er ook een bestuur of directeur. Bij een aansprakelijkheid wordt een stichting aansprakelijk gesteld en niet het bestuur. Dit is anders als het bestuur niet netjes (onbehoorlijk) heeft gehandeld.

STAK brengt flexibilteit

Een STAK kan ook prima worden gebruikt voor een bedrijfsopvolging of als spaarpot voor het familievermogen. Dit is echter wel maatwerk en hierbij moet de STAK zorgvuldig en correct worden ingericht. De winst in een stichting laten terechtkomen is niet altijd verstandig. Een stichting heeft veelal een winstuitkeringsverbod.

Vragen over STAK

Het kan zijn dat u een optimale structuur voor uw bedrijf zoekt of uw bedrijfsopvolging tijdig wilt regelen. Kom gerust eens langs voor een geheel vrijblijvend gesprek bij ons op kantoor.

[news] 2018-04-12 0000-00-00 0000-00-00 5316

DGA-salaris berekenen

Het DGA-salaris voor 2018 bedraagt € 45.000. Er zijn veel procedures over het gebruikelijke loon voor een DGA. Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) zal altijd bezig zijn met een optimale hoogte van het gebruikelijke DGA-salaris. Maximaal 42% inkomstenbelasting betalen is optimaal. Dividend kan immers voordeliger zijn, opnamen in rekening-courant vullen de tekorten ook wel even op, of men wil het geld liever in de B.V. houden om te gebruiken voor het bedrijf. De vraag is en blijft: wat heeft men nodig en wat moet men van de fiscus uitkeren? Het blijft een kat en muis spelletje. Wij adviseren dagelijks DGA's over hun salaris en de (on-)mogelijkheden hierbij.

Belastingdienst vindt salaris DGA te laag

In een procedure voor de Rechtbank Den Haag d.d. 9 januari 2014 kwam een situatie aan de orde waarbij een communicatieadviseur via zijn eigen B.V. werkzaamheden verricht voor derden. De verhoudingen waren als volgt (genoemde bedragen in euro's):

  • 2006: omzet € 59.000 en salaris € 46.000 (Belastingdienst akkoord);
  • 2007: omzet € 137.000 en salaris € 55.000 (Belastingdienst € 85.000);
  • 2008: omzet € 67.000 en salaris € 62.000 (Belastingdienst akkoord);
  • 2009: omzet € 154.000 en salaris € 62.000 (Belastingdienst € 95.000); 
  • 2010: omzet € 166.000 en salaris € 58.000 (Belastingdienst € 95.000).

Voor de berekening van de salarissen wordt door belastingplichtige de afroommethode gebruikt. De salarissen worden door de Inspecteur gecorrigeerd op grond van artikel 12a van de Wet op de Loonbelasting 1964 (wet LH). Centrale vraag is of het loon in belangrijke mate afwijkt van het gebruikelijke loon en of de afroommethode mag worden toegepast.

Volgens de Rechtbank maakt de Inspecteur niet aannemelijk dat het salaris op grond van artikel 12a LH in belangrijke mate afwijkt van hetgeen in het economische verkeer gebruikelijk is. Uit het enkele feit dat het door de Inspecteur met toepassing van de afroommethode berekende loon hoger ligt dan het aan belanghebbende (de DGA) toegekende en uitbetaalde loon volgt, zonder nadere motivering, niet dat het toegekende loon lager is dan hetgeen voor een soortgelijke dienstbetrekking in het economische verkeer gebruikelijk is. De naheffingsaanslagen worden vernietigd, het gelijk is aan de DGA.

Parttime werken en DGA-salaris

Een DGA verricht zeer beperkt werkzaamheden voor zijn B.V. Het gebruikelijk loon moet dan volgens de rechter € 10.000 zijn. De B.V. verricht beperkt activiteiten, namelijk het verhuren en verkopen van onroerende zaken. De Belastingdienst stelt dat het salaris ruim € 40.000 moet bedragen, de rechter is het hier niet mee eens. De rechter begrijpt de belastingplichtige (de DGA) en stelt het salaris veel lager vast, namelijk op € 10.000 per jaar. De rechter stelt dat er altijd iemand iets voor een B.V. moet doen, zoals de financiële administratie, overleg accountant, publiceren jaarrekeningen en het nemen van beslissingen. Gezien de mogelijke aansprakelijkheid van de bestuurder zal een derde hiervoor altijd een vergoeding willen hebben. De Rechtbank Noord Nederland beslist hiertoe op 15 maart 2018 (ECLI:NL:RBNNE:2018:889). Een derde zou dit nooit voor minder dan € 5.000 doen, aldus de rechter.

Vragen over DGA-salaris

Heeft u vragen over het gebruikelijke loon van een DGA, dan kunt u altijd eens langskomen voor een vrijblijvend gesprek.

[news] 2018-04-26 0000-00-00 0000-00-00 5321

Dividenduitkering in 2021

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) maakt winst in zijn B.V. en wil dit geld privé in bezit krijgen. Dit kan via salaris, maar meestal is een dvidenduitkering voordeliger. Over de winst in de B.V. moet 20% - 25% vennootschapsbelasting worden betaald en over wat dan overblijft draagt de DGA bij een dividenduitkering aanmerkelijkbelangheffing af (Box 2). Het AB-tarief is in 2020 verhoogd van 25% tot 26,25% (en in 2021 tot 26,9%). Het tarief in de vennootschapsbelasting is gelukkig gedaald tot 15% (eerste € 200.000)

Vrijblijvende afspraak

De belastingdienst stuurt sinds 2020 aan vele DGA's brieven over de rekening courant schuld. Wees dit moment voor en leg uw situatie vast en/of laat u adviseren over een plan om de schuld te verminderen. Vragen? Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak.

Dividenduitkering DGA (tarieven)

De tarieven worden de komende jaren aangepast:

  • 2017: 20% VPB (tot € 200.000 winst) en 25% AB-heffing.
  • 2018: 20% VPB (tot € 200.000 winst) en 25% AB-heffing.
  • 2019: 19% VPB (tot € 200.000 winst) en 25% AB-heffing. 
  • 2020: 16,5% VPB (tot € 200.000 winst) en 26,25% AB-heffing.
  • 2021: 15% VPB (tot € 200.000 winst) en 26,9% AB-heffing.

Fiscale scan voor DGA

Veel DGA's vragen ons om eens mee te denken over fiscale mogelijkheden binnen de onderneming en de privé situatie. Wij hebben hiervoor een fiscale scan ontwikkeld. Wij toetsen uw bedrijf en uw prive situatie hierbij op meer dan 100 adviesonderdelen.  Hierbij bekijken wij of u gebruik maakt van alle fiscale regels en uw bedrijf klaar is voor een mogelijke bedrijfsopvolging. Ook kijken wij naar:

  • Structuur optimaal
  • Bijtelling auto's op orde
  • Hoe minder belasting betalen (nu en in de toekomst)
  • Continuïteit, verkoop, bedrijfsopvolging op orde.
  • Check inzake mogelijk boekenonderzoek, wat zijn de risico's?
  • Loonheffingen en onkostenvergoedingen optimaal?

Stuur een e-mail voor een vrijblijvende offerte.

Nadeel tariefsverhoging

Over de huidige winstreserve in de B.V. van een DGA moet nog 25% box 2 heffing worden betaald (bij uitkeren). Dit tarief wordt verhoogd. Er komt waarschijnlijk geen eerbiedigende werking voor de bestaande reserves per 1 januari 2020. Uitkeren in 2019 (na 1 januari, ter voorkoming van box 3 heffing in 2019) is dan ook verstandig.

Advies over dividend uitkeren of niet

Via een relatief eenvoudige berekening (welke wij voor u kunnen maken) kunt u berekenen of het zinvol is om dividend uit te keren of het geld in de B.V. te houden. Bij een verwacht rendement van hoger dan 4% (in de B.V.) is het meestal verstandig om geen dividend uit te keren (geen dividendbelasting). Het kan soms ook mogelijk zijn om dividend uit te keren en dit als vermogen of agio weer in de B.V. te storten. Dit is maatwerk en kan best een voordeel opleveren.

DGA met rekening-courantschuld

Als de DGA een schuld aan zijn B.V. heeft en een negatief box 3 vermogen, dan is het veelal verstandig om wel dividend in 2019 uit te keren. Bij een negatief box 3 vermogen is er geen besparing in privé en moet de B.V. wel vennootschapsbelasting betalen over de rente op de vordering. De rente is in privé niet aftrekbaar.

Vragen over DGA en dividenduitkering

Bel of mail gerust met één van onze fiscaal juristen.

Optimaliseren positie DGA

Overweeg eens een fiscale scan van uw bedrijf. Wij toetsen uw bedrijf op meer dan 100 adviesonderdelen en bekijken ook of uw positie als DGA kan worden geoptimaliseerd.  Kort en goed bekijken wij het volgende;

  • Maakt u optimaal gebruik van de fiscale wetgeving ?
  • Is uw structuur en rechtsvorm op orde?
  • Uw positie als ondernemer/DGA t.o.v. van uw prive situatie.
  • Continuiteit, verkoop, bedrijfsopvolging op orde.
  • Optimalisatie van uw fiscale positie.
  • Check inzake mogelijk boekenonderzoek, wat zijn de risico's?
  • Loonheffingen en onkostenvergoedingen optimaal via WKR tool?

Stuur een e-mail voor een vrijblijvende offerte.

[news] 2018-05-09 0000-00-00 0000-00-00 5348

Rekening-courantschuld DGA in 2019

In de nieuwe belastingplannen voor 2019 en daarna staat een opmerkelijke regeling voor DGA's met een rekening-courantschuld. De maatregel maakt formeel geen deel uit van het belastingplan 2019. In Nederland hebben DGA's ongeveer € 50 miljard uit hun B.V. geleend. Ongeveer 10% van de DGA's heeft een rekening-courantschuld welke hoger is dan € 500.000. Voor deze groep komt een speciale regeling.

Update 17 juni 2020

Het wetsvoorstel inzake excessief lenen ligt sinds 17 juni 2020 bij de tweede kamer (dit voorstel kunt u hier raadplegen). Vanaf 2023 worden DGA's (AB houders) beperkt in het geld lenen van hun BV (tot maximaal € 500.000), met uitzondering van bestaande eigenwoning schulden. Het gaat om 11.000 DGA's die iets moeten veranderen in de afspraken met hun BV.

Onderzoek Belastingdienst bij rekening-courant DGA

Bij een dividenduitkering moet de DGA ongeveer 25% box 2 heffing betalen. Deze heffing wordt de komende jaren hoger. Via een lening hoeft de DGA nog niet direct met zijn B.V. af te rekenen. De komende periode zullen er meer onderzoeken komen naar B.V.'s met rekening-courantvorderingen op de DGA. Er komt in 2023 (door corona crisis in 2020) een maatregel waarbij er een soort van strafheffing komt voor DGA's met een rekening-courantschuld welke hoger is dan € 500.000. Voor leningen (bijvoorbeeld voor de eigen woning) komt een overgangsregeling.

Dividenduitkering DGA in 2019

Een dividenduitkering hoeft nog niet in 2018 plaats te vinden. In 2019 blijft het box 2 tarief nog 25%.

[news] 2018-09-19 0000-00-00 0000-00-00 5682

Rekening-courant DGA

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) heeft een rekening-courantschuld aan zijn B.V. van ruim € 800.000. Voor de schuld zijn onvoldoende zekerheden verstrekt. De rechter is van mening dat sprake is van een uitdeling. De medisch specialist krijgt ook nog een boete van € 95.000. De Belastingdienst is op dit moment veel actiever bij het "opsporen" van DGA's met rekening-courantschulden. Laat u tijdig adviseren en onderneem actie.

Update 17 juni 2020

Het wetsvoorstel inzake excessief lenen ligt sinds 17 juni 2020 bij de tweede kamer (dit voorstel kunt u hier raadplegen). Vanaf 2023 worden DGA's (AB houders) beperkt in het geld lenen van hun BV (tot maximaal € 500.000), met uitzondering van bestaande eigenwoning schulden. Het gaat om 11.000 DGA's die iets moeten veranderen in de afspraken met hun BV.

Uitdeling bij hoge rekening-courant DGA

Een medisch specialist heeft via een STAK aandelen in zijn B.V. De DGA had voor zijn huis € 225.000 geleend van de B.V. en ook nog een rekening-courantschuld van ruim € 550.000. De accountant heeft een convenant met de Belastingdienst gesloten, de DGA viel hiermee sinds 2011 ook onder dit convenant. In 2010 stond de schuld bij de B.V. niet in de aangifte inkomstenbelasting van de DGA. Sinds 2011 wordt de medisch specialist als "convenant klant" behandeld door de Belastingdienst. De accountant vraagt de Belastingdienst om een standpunt over enkele posten in de aangifte. In 2017 legt de inspecteur een navorderingsaanslag op en stelt dat er sprake is van een uitdeling van ruim € 800.000. De adviseur stelt dat enkel de aangroei in 2010 mag worden belast, de rest niet (geen nieuw feit). Een kansloze route die ook vlot van tafel wordt geveegd.

De lening voldoet niet aan de voorwaarden:

  • onduidelijkheid over rente;
  • onduidelijkheid over zekerheden;
  • geen schriftelijke overeenkomst;
  • geen kredietplafond;
  • geen aflossingsschema;
  • zekerheden woning waren niet van reële betekenis;
  • specialist kon gezien salaris geen rente of aflossing betalen (rente wordt bijgeboekt).

Nieuwe wetgeving rekening-courantschuld DGA

Het kabinet wil het lenen door de DGA bij zijn B.V. een halt toeroepen. DGA's die meer dan € 500.000 bij hun B.V. hebben geleend worden "aangepakt". De lening boven € 500.000 wordt automatisch gezien als fictief voordeel uit aanmerkelijk belang. Dit geldt niet voor leningen i.v.m. de eigen woning van de DGA, hiervoor komt een overgangsregeling. Leningen van de DGA, zijn partner, zijn kinderen, ouders en kleinkinderen worden bij elkaar geteld. Deze nieuwe wetgeving zal vermoedelijk ingaan per 1 januari 2023. Omdat het aanmerkelijkbelangtarief in 2020 zal stijgen, is het verstandig om in 2019 of 2020 al actie te ondernemen.  

Noot fiscaal jurist inzake rekening-courant DGA

Als u een rekening-courantschuld aan uw B.V. heeft, moet u deze schriftelijk vastleggen met een reële rente en (eventueel) aflossingschema. De rente moet eigenlijk ook gewoon worden betaald. Voorkom problemen met de Belastingdienst en overleg met uw accountant of met ons over de mogelijkheden en / of onmogelijkheden. In dit geval kreeg de medisch specialist ook nog een vergrijpboete van € 100.000 (50%), deze is iets verminderd (tot € 95.000) i.v.m. overschrijding van de redelijke termijn. De reden hiervoor is dat de specialist opzettelijk de aanslag tot een te laag bedrag heeft vastgesteld. Bij het doen van de aangifte had de specialist de wetenschap dat er een aanmerkelijke kans was dat er te weinig belasting zou worden geheven en heeft hij dit risico bewust gelopen, aldus de rechter.

Een slecht gevoerde procedure met te weinig gebruikmaking van bewijsaanbod en te weinig juridische stellingen tegen de boete. Het bewijs had in de procedure moeten worden geleverd en niet bij de zitting.

Bron rekening-courantschuld DGA

Rechtbank Gelderland d.d. 31 januari 2019 (ECLI:NL:RBGEL:2019:361)

DGA met schuld aan BV [news] 2019-02-07 0000-00-00 0000-00-00 5812

Verlies hoofdelijke aansprakelijkheid

Henk is DGA van Holding X B.V. De dochteronderneming van Holding X B.V. is Werkmij. B.V. Holding B.V is sinds 2003 hoofdelijk aansprakelijk voor een krediet dat door Werkmij. B.V. is afgesloten. In 2013 leent Holding B.V. ook nog € 65.000 aan Werkmij. B.V. Werkmij. B.V. gaat in 2013 failliet. In 2012 vormt Holding B.V. een voorziening voor de hoofdelijke aansprakelijkheid en de vordering, in totaal € 220.000. De Belastingdienst is het niet eens met de voorziening. De Hoge Raad is het met belastingplichtige eens, de voorziening mag ten laste van de winst worden gevormd. Waarom? Omdat een onafhankelijke derde zich ook hoofdelijk aansprakelijk had gesteld.

De Staatssecretaris probeerde nog via het Paraplukrediet-arrest de rechter tot andere gedachten te brengen, dit is niet gelukt. Volgens de Hoge Raad blijkt uit het Paraplukrediet-arrest duidelijk wanneer een hoofdelijke aansprakelijkheid niet aftrekbaar is bij schulden van gelieerde vennootschappen. Voor een ruimere toepassing en / of meer voorwaarden is geen plek.

Borgstelling fiscaal aftrekbaar voor DGA

Veelal zien we in de praktijk dat een directeur-grootaandeelhouder (hierna: DGA) borg staat voor schulden die zijn vennootschap(pen) aangaan, dit via een borgstellingsovereenkomst. In deze casus ging het om een B.V. welke binnen het concern zich had borg gesteld voor een gelieerde B.V. Wat fiscaal de consequenties zijn van een borgstelling wordt hieronder nader uiteengezet. Zoals reeds weergegeven komt een borgstelling in de praktijk vaak voor. Aangezien een DGA en zijn vennootschap(pen) zakelijk met elkaar dienen te handelen, zal een borgstellingsvergoeding aan de DGA (moeten) worden betaald. Dit zou een derde namelijk ook willen ontvangen indien een borgstelling afgegeven wordt.

Wat is van belang bij een borgstelling?

  1. Zorg voor een zakelijk verhaal.
  2. Maak een borgstellingsovereenkomst op tussen de DGA en zijn B.V.
  3. Laat de B.V. aan de DGA een borgstellingsvergoeding betalen.
  4. Stel notulen en een directiebesluit op, hierin omschrijft u de overwegingen en uitgangspunten.
  5. Laat u adviseren door een fiscaal jurist / deskundige belastingadviseur.

Uitspraken van rechters over hoofdelijke aansprakelijkheden en borgstellingen

In de uitspraak van 17 oktober 2014, nr. 14/00955 (BNB 2015/13) is door de Hoge Raad geoordeeld dat de jurisprudentie over onzakelijke geldleningen tevens van toepassing is op het als borg handelen van een aanmerkelijkbelanghouder. Daarbij dient de vraag gesteld te worden of de aanvaarding van de hoofdelijke aansprakelijkheid moet worden aangemerkt als een handelen van een aandeelhouder als zodanig, waarbij het beslissend is of een (niet van de winst van de vennootschap afhankelijke) vergoeding kan worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde aansprakelijkheid te aanvaarden, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden.

  • HR 14 september 2012, nr. 11/02105 (BNB 2013/12): voorziening vormen toegestaan door belanghebbende  mag op het moment dat de borgstelling is aangegaan (verlies mag toegerekend worden aan het onderhavige jaar).
  • HR 9 maart 2012, nr. 10/03641 (BNB 2012/188): voorziening vormen toegestaan door belanghebbende mag al op het moment dat de borgstelling is aangegaan (dat kan eerder liggen dan feitelijke betaaldatum).
  • HR 8 juli 2011, nr. 09/03341 (BNB 2011/284): als een hoofdelijk medeschuldenaar een schuld voldoet, hangt het van de onderlinge bijdrageplicht af welke regresvordering op de overige medeschuldenaren ontstaat.
  • HR 22 januari 2016, nr. 15/02128: belanghebbende is niet aangesproken door de bank uit hoofde van de borgstelling of als hoofdelijke schuldenaar. Derhalve kan  belanghebbende geen voorziening vormen.
  • HR 9 maart 2012, nr. 11/01714 (BNB 2012/189): voorziening vormen toegestaan door belanghebbende mag al op het moment dat de borgstelling is aangegaan.
  • Hof Den Haag 22 maart 2016, nr. 15/00292: in 2005 en in 2008 worden financieringen door de bank aan een concern verstrekt. Voor beide leningen heeft de aandeelhouder zich als borg gebonden. Gezien de resultaten in de jaren voorafgaande aan 2005 en de destijds verstrekte zekerheden, kan de borgstelling als zakelijk worden beschouwd. De tweede financiering is verstrekt onder andere omstandigheden. Het vermogen van het concern was negatief én de bank keek naar de (financiële) privéruimte van de aandeelhouder. Deze omstandigheden leiden ertoe dat sprake is van een onzakelijke borgstelling.
  • Hof Arnhem - Leeuwarden 22 maart 2016, nr. 15/00365: belanghebbende stelt zich borg voor € 150.000 voor de B.V. waarin hij een aanmerkelijk belang heeft. In 2010 vormt belanghebbende een voorziening van € 150.000 en in datzelfde jaar gaat de B.V. failliet. Belanghebbende wordt vervolgens in 2011 door de bank aangesproken. Met de bank is afgesproken dat belanghebbende € 30.000 betaalt tegen finale kwijting. De Inspecteur wilde een positief TBS-resultaat in aanmerking van € 120.000, waarop de kwijtscheldingswinstvrijstelling niet van toepassing zou zijn. Het Hof is van oordeel dat de kwijtscheldingswinstvrijstelling van toepassing is. (LET OP: cassatie ingesteld!)
  • Hof Den Bosch 25 september 2015, nr. 14/00994: aan de B.V. van belanghebbende wordt een lening verstrekt door de bank. Belanghebbende stelt zich hiervoor hoofdelijk aansprakelijk en verleent een tweede zekerheidsrecht op zijn woning. Doordat de B.V. haar verplichtingen niet kan nakomen, wordt belanghebbende aangesproken. Doordat een onafhankelijke derde onder dezelfde omstandigheden en voorwaarden niet bereid zou zijn het debiteurenrisico te nemen, is de borgstelling onzakelijk.
  • Hof Arnhem - Leeuwarden 8 januari 2014, nr. 13/00331: aan de B.V. van belanghebbende is een lening verstrekt van € 200.000 door de bank. Belanghebbende stelt zich hiervoor hoofdelijk aansprakelijk en verleent een tweede zekerheidsrecht op zijn woning. Er is geen borgtochtovereenkomst opgesteld en er is geen borgtochtvergoeding bedongen. Tussen partijen staat vast dat de lening niet onzakelijk was. Doordat de B.V. haar verplichtingen niet na kan komen, wordt belanghebbende aangesproken. Met de bank wordt afgesproken dat belanghebbende € 160.000 voldoet tegen finale kwijting. Belanghebbende mag € 160.000 ten laste brengen van de aangifte, doordat ten tijde van het aangaan van het krediet geen sprake was van een uitzichtloze situatie. Dat een borgtochtovereenkomst en -vergoeding ontbrak deed niets af aan het zakelijke karakter van de borgstelling.
  • Rechtbank Noord Nederland, 4 mei 2017: borgstelling niet aftrekbaar. De borgstelling is niet vastgelegd, de borgstellingsvergoeding wordt niet betaald en de borg is op onzakelijke gronden verstrekt.  

Advies bij hoofdelijke aansprakelijkheid

Heeft u vragen of opmerkingen over dit artikel, neem dan gerust contact met ons op.

Bron hoofdelijke aansprakelijkheid en aftrek

Hoge Raad 10 mei 2019 ECLI: NL:HR:2019:681

Hoge Raad 1 mei 2013 (Paraplukrediet arrest) ECLI:NL:HR:2013:BW6520

Verlies hoofdelijke aansprakelijkheid [news] 2019-05-13 0000-00-00 0000-00-00 6166

DGA-salaris berekenen

Een DGA moet zijn salaris anders vaststellen dan een normale werknemer. Regelmatig krijgen wij vragen over hoe je het salaris van een DGA nu eigenlijk moet bepalen. In dit artikel een toelichting (zeg stappenplan) op het bepalen van het fiscaal juiste DGA-salaris.

Belastingdienst en DGA-salaris

De Wet op de Loonbelasting beschrijft in artikel 12a nauwkeurig hoe je het salaris moet bepalen:

  1. 75% Van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking (lid 1 letter a). Het gaat hierbij om omvang (aantal uren) en de aard van de werkzaamheden van de DGA. De bestuurderswerkzaamheden zijn hierbij minder van belang, het gaat om de primaire werkzaamheden. Informatie over de normale beloning kun je eenvoudig via google vinden.
  2. Het hoogste loon van de werknemers die in dienst zijn van het lichaam (of verbonden lichaam) (lid 1 letter b). Een verbonden lichaam is bijvoorbeeld een B.V. waarin 1/3 of meer van de aandelen wordt gehouden.
  3. Een bedrag van € 45.000 per jaar (lid 1 letter c). Als dit lager is dan ad 1 of 2 hiervoor, dan moet een hoger salaris worden gehanteerd.

Het salaris zal veelal € 45.000 zijn, maar dit kan ook lager zijn als dit salaris behoort bij de werkzaamheden van een vergelijkbare dienstbetrekking en binnen het concern werknemers niet meer betaald krijgen (artikel 12a lid 2).

Speciale regelingen bij DGA-salaris

Een aantal zaken zijn van belang voor het bepalen van het DGA-salaris, de belangrijkste zijn:

  1. Maak notulen waarin het salaris wordt vastgesteld en neem hierin op hoe u het salaris heeft vastgesteld (met onderliggende bescheiden). Leg hierin ook vast hoeveel uren u werkt voor uw bedrijf.
  2. Als u een lager salaris heeft gehanteerd, bijvoorbeeld door minder werkbare uren of arbeidsongeschiktheid, zorg dan voor voldoende onderbouwingen (zoals urenregistratie en / of gezondheidsverklaringen).
  3. Wilt u rekenen met een salaris dat lager is gelegen dan de genoemde € 45.000, dan is het verstandig dit te overleggen met de Belastingdienst. Dit is relatief eenvoudig en de kans van slagen is - bij een goede onderbouwing - redelijk groot. Dit voorkomt ook gezeur en boetes achteraf.
  4. Als u nauwelijk actief bent in uw bedrijf, dan is het aannemelijk dat het salaris zeer laag is of dat er geen salaris wordt betaald. In een uitspraak van de Rechtbank in 2018 is goedgekeurd (bij een B.V. welke belegde in panden) dat het salaris bij beperkte werkzaamheden laag kan zijn. In dit geval verrichtte de DGA wel de basiswerkzaamheden van de B.V. (publicatie, administratie, VPB- en BTW-aangiften, etc.). Hiervoor moest een salaris worden gerekend.
  5. Voor een start up geldt een soepele regeling voor het gebruikelijke DGA-loon. U mag het wettelijk minimumloon hanteren als DGA-salaris (en zelfs een lager loon als dit vergelijkbaar is met andere dienstbetrekkingen binnen het concern). U moet wel een S&O Verklaring hebben en een starter zijn. De regeling geldt maximaal 3 jaar.
  6. Een lager salaris kan bij verliessituaties soms worden toegepast, lees hiertoe dit artikel.

Vragen over gebruikelijk loon DGA

Bel gerust eens met één van onze adviseurs. Soms is er meer mogelijk dan u denkt.

DGA salaris berekenen [news] 2019-10-14 0000-00-00 0000-00-00 6301

De fiscale glijclausule

Voorkom ‘uitglijder’ door opnemen glijclausule

Bent u als DGA dit jaar met uw B.V. een overeenkomst aangegaan waarbij u niet 100% zeker bent dat de fiscus de condities van die transactie zal accepteren? Zorg er dan voor dat u een glijclausule opneemt in de schriftelijke vastlegging van die transactie en zo een ‘uitglijder’ voorkomt!

Toelichting fiscale glijclausule

Iedereen kan zich vergissen of een foutje maken. De Belastingdienst kan achteraf stellen dat een waardering of rentepercentage niet juist is. Denk hierbij aan:

  • een verhoging van uw vaste kostenvergoeding;
  • het rentepercentage dat u de B.V. op uw debetstand moet vergoeden, enz.

Met zo’n contractueel beding (de fiscale glijclausule) voorkomt u fiscale schade als de Inspecteur de gehanteerde condities (terecht) niet aanvaardt. U kunt het bovenmatige gedeelte dan zonder problemen alsnog met de B.V. verrekenen. Voorwaarde is wel dat de oorspronkelijk overeengekomen condities gebaseerd zijn op een ‘pleitbaar standpunt’.

Rechtspraak over fiscale glijclausule

In een arrest van de Hoge Raad uit 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD8503) komt naar voren dat de glijclausule geen loterij zonder nieten mag zijn en tevens zorgvuldig moet worden opgesteld.

Fiscale glijclausule ... let op !

Let op: een glijclausule werkt niet bij toekenning van pensioenrechten. Als u daarover zekerheid wilt hebben, is het verstandig om het een en ander vóór toekenning aan de Inspecteur voor te leggen.

Een fiscale glijclausule werkt ook niet als de belastingplichtige redelijkerwijs moest begrijpen dat de overeengekomen tegenprestatie niet zakelijk zou zijn.

Voorbeeld fiscale glijclausule

  • Als na de oprichting van een B.V. onherroepelijk komt vast te staan dat de belastingplichtige (of de oprichter) fiscaal gezien een te lage waarde heeft toegekend aan de onderneming, dan zal ter beoordeling van de belastingplichtige (de oprichter) de creditering of het agio worden vermeerderd of verminderd. De B.V. is dan verplicht de aandelen / agio of de creditering te aanvaarden mits het minimum kapitaal gehandhaafd blijft. Het eventuele verschil zal de oprichter direct in geld ter beschikking stellen van de B.V., waarbij er ook een zakelijke rente wordt vergoed.
  • Partijen beogen een overeenkomst te sluiten die voldoet aan de criteria voor een fiscaal acceptabele overeenkomst van geldlening. Indien de Belastingdienst en / of belastingrechter in hoogste resort van mening is dat deze overeenkomst geheel of ten dele niet voldoet aan de daaraan te stellen fiscale eisen, wordt deze overeenkomst geacht van de aanvang af gewijzigde bepalingen te bevatten die wel overeenstemmen met de fiscale eisen. Over het verschil wordt een zakelijke rente vergoed of berekend.

Fiscale glijclausule [news] 2019-12-11 0000-00-00 0000-00-00 6335

Excessief lenen directeur-grootaandeelhouder

We zien in de praktijk dat DGA's massaal van hun B.V. lenen. Er zal dan geen belastingheffing over de lening plaatsvinden. De Belastingdienst trekt ten strijde tegen deze leningen. Nu nog via brieven en procedures en vanaf 2023 ook met nieuwe wetgeving in de hand.  Of deze wetgeving het gaat halen is nog maar de vraag, er is vanuit de Raad van State, de Nederlandse Orde voor Belastingadviseurs en de tweede kamer veel kritiek op dit wetsvoorstel. Het is onnodig, complex en op onderdelen onjuist, is de veel gehoorde kritiek.

DGA Tax 2023

De DGA-tax is een strafheffing die vermoedelijk in 2023 wordt ingevoerd, dit was 2022 maar is uitgesteld. Over deze wetgeving is nog veel onduidelijk, maar de gevolgen lijken vrij stevig. In dit artikel monitoren wij de stand van de wetgeving en de mogelijkheden en onmogelijkheden. Een tijdige voorbereiding is wenselijk.

Update 17 juni 2020

Het wetsvoorstel ligt sinds 17 juni 2020 bij de tweede kamer (dit voorstel kunt u hier raadplegen). Vanaf 2023 worden DGA's (AB houders) beperkt in het geld lenen van hun BV (tot maximaal € 500.000), met uitzondering van bestaande eigenwoning schulden. Het gaat om 11.000 DGA's die iets moeten veranderen in de afspraken met hun BV.

Update 24 april 2020

Het wetsvoorstel excessief lenen door de DGA van zijn eigen BV wordt uitgesteld tot eind 2023. Schulden van de DGA aan zijn eigen BV die hoger zijn dan € 500.000 kunnen hiermee later worden afgelost (is exclusief eigen woning schulden).

DGA strafheffing bij excessief of bovenmatig lenen

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) die veel van zijn B.V. heeft geleend wordt in 2022 stevig aangepakt. De nieuwe wetgeving zal vermoedelijk gevolgen hebben voor ruim 10.000 DGA's. De wetgever wil de opnamen van de DGA uit zijn eigen holding / B.V. aan banden gaan leggen. De Belastingdienst ziet het excessief lenen van de eigen B.V. als belastingontduiking en krijgt hier nu ook een wettelijke regeling voor.

Als u meer dan € 500.000 van uw B.V. heeft geleend moet u opletten !

Dividenduitkering DGA en belastingheffing

Als een DGA dividend ontvangt van zijn B.V., moet hij hierover 26,25% Box 2 heffing betalen (wordt in 2021  26,9%). Een dividenduitkering zal het eigen vermogen (winstreserve) in de B.V. verlagen. Bij een dividenduitkering moet de B.V. 15% dividend belasting inhouden, de overige 11,25% wordt in privé (inkomstenbelasting) opgelegd.

  • Bij een dividenduitkering van € 300.000 moet in totaal ruim € 78.000 aan dividendbelasting worden betaald. Bij de uitkering moet de B.V. € 45.000 betalen, in privé moet de DGA dan nog € 33.000 betalen.

Excessief lenen van de B.V. door de DGA

Als er meer dan € 500.000 is geleend van de B.V. door de DGA, is sprake van een excessieve lening, aldus het nieuwe voorstel. In het kort de voorwaarden en regels:

  • Het moet gaan om een lening aan de DGA.
  • De lening moet hoger zijn dan € 500.000.
  • De DGA moet direct of indirect een aanmerkelijk belang in de B.V. bezitten.
  • De leningen van de verschillende rechtspersonen worden bij elkaar geteld.
  • Waar de lening voor is gebruikt is grotendeels niet relevant (box 3 / consumptief).
  • Leningen voor de eigen woning worden buiten beschouwing gelaten.
  • Voor leningen voor de eigen woning die na 1 januari 2022 worden verstrekt moet een hypothecaire zekerheid worden gesloten.
  • Leningen aan kinderen en (schoon) ouders tellen mee indien deze hoger zijn dan € 500.000, het meerdere wordt dan bij de € 500.000 van de DGA opgeteld.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt vermoedelijk niet geïndexeeerd.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt niet verdubbeld als de DGA een fiscale partner heeft.

Conclusie fiscaal jurist over rekening-courant DGA

De Belastingdienst zal vanaf 2019 strenger optreden tegen DGA's met een rekening-courantschuld. Vanaf 2022 moet de DGA leningen gaan aflossen of dividend gaan uitkeren. Doet de DGA niets, dan geldt vanaf 2023 een fictie (en dus heffing van dividendbelasting). Het betreft thans nog een wetsvoorstel, maar er komt zeker een regeling aan. Oplossingen voor de nieuwe regeling zijn:

  1. Dividend uitkeren zodat schuld niet bovenmatig is.
  2. Overdragen activa waar de bovenmatige schulden mee samenhangen aan de BV (bij voorkeur op hoogtepunt van de markt, met waardering deskundige)
  3. Vermijden fiscaal partnerschap zodat de drempel 2x € 500.000 gaat bedragen.
  4. Aangaan van een personenvennootschap waarbij de DGA de schuld inbrengt en tevens de activa welke hiermee direct samenhangen (bijvoorbeeld pand en lening), hierbij moet de BV dan ook activiteiten inbrengen, het geheel moet een onderneming vormen. Vervolgens kan het aandeel van de DGA geruisloos worden ingebracht in de BV (geen overdrachtsbelasting etc.)
  5. Overdragen bezittingen, beleggingen of spaargeld aan de B.V. (ter aflossing van de schuld).
  6. Oversluiten van leningen bij externe partijen (vrienden of bancaire instellingen).
  7. Overdragen van bezittingen (met de bijbehorende schuld) door de DGA aan zijn kind(eren), mits de kinderen geen aandelen in de BV hebben. Bijvoorbeeld een beleggingspand van de DGA wordt (met schuld aan de B.V.) overgedragen aan de zoon of dochter. Eventueel via een stichting die de activa gaat certificeren, hiermee kan de DGA het stemrecht behouden (waardeontwikkeling bij de kinderen).
  8. Op dit moment wordt ook nagedacht over structuren waarbij een C.V. wordt gevormd in combinatie met overdracht van een beleggingspand. Of dit werkt wordt in 2020 bezien.

Excessief lenen DGA [news] 2020-02-27 0000-00-00 0000-00-00 6370

Ruisende inbreng in B.V.

Er zijn twee mogelijkheden om een eenmanszaak, VOF of maatschap om te zetten naar een B.V. (of N.V.). De eerste mogelijkheid is het geruisloos inbrengen, de tweede mogelijkheid is het ruisend inbrengen van de onderneming in de B.V. Elders op de website vindt u een artikel over de geruisloze inbreng in de B.V., hierna zal ik nader ingaan op de ruisende inbreng.

Let op! Van belang bij een ruisende inbreng met terugwerkende kracht tot 1 januari, registratie van de intentieovereenkomst vóór 1 april!

Wanneer is een ruisende inbreng interessant?

De inbreng van de onderneming in een B.V. kan vanuit fiscaal perspectief interessant zijn indien:

  • De winsten meer bedragen dan € 150.000 per jaar;
  • Er zich in uw onderneming stille reserves bevinden en u uw onderneming op termijn wenst te beëindigen;
  • U extern kapitaal wenst aan te trekken;
  • Uw werkzaamheden ten behoeve van de onderneming beperkt zijn;
  • Uw onderneming zeer innovatief is.
  •  Bovenstaande opsomming is niet limitatief, daarnaast zijn er ook nog legio andere (niet fiscale) overwegingen om uw onderneming in te brengen in een B.V.

De ruisende inbreng betekent dat de onderneming tegen de waarde in het economische verkeer, ook wel de werkelijke waarde genoemd, wordt ingebracht in de B.V. De waarde in het economische verkeer c.q. werkelijke waarde is doorgaans hoger dan de boekwaarde. Over het verschil tussen de boekwaarde en de veelal hogere waarde in het economische verkeer – ook wel de stakingswinst genoemd – dient de ondernemer af te rekenen. De afrekening over de stakingswinst leidt doorgaans tot een substantieel bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting. Toch kan een ruisende inbreng interessanter zijn dan een geruisloze inbreng (waarbij een afrekening over de stakingswinst achterwege kan blijven).

Een ruisende of geruisloze inbreng?

Om een goede keuze te maken over het ruisend of geruisloos inbrengen van een onderneming in een B.V. worden hierna een aantal voor- en nadelen weergegeven:

Voordelen van een ruisende inbreng kunnen zijn:

  • Bij de B.V. wordt een hoger afschrijvingspotentieel gecreëerd;
  • Er hoeft formeel geen verzoek bij de Belastingdienst te worden ingediend (doch dit kan wel raadzaam zijn);
  • Er is geen vervreemdingsverbod van de aandelen van drie jaar van toepassing;
  • Er zijn geen voorwaarden ten aanzien van creditering.

Nadelen van een ruisende inbreng kunnen zijn:

  • Afrekenen vindt plaats over een hogere stakingswinst dan bij de geruisloze inbreng, hetgeen leidt tot een hogere eenmalige aanslag inkomstenbelasting;
  • Er vindt een desinvesteringsbijtelling plaats ten aanzien van goederen waarvoor kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), milieu-investeringsaftrek (MIA) of energie-investeringsaftrek (EIA) is geclaimd.

Het nadeel zoals hiervoor beschreven kan echter (gedeeltelijk) worden ondervangen door het bedingen van een (stakings-)lijfrente bij de B.V. waar de onderneming wordt ingebracht. Deze mogelijkheid zorgt voor een oudedagsvoorziening voor de ondernemer en leidt tot uitstel van belastingheffing tot het moment dat de ondernemer met pensioen gaat.

Intentieovereenkomst bij ruisende inbreng

Indien u met terugwerkende kracht tot 1 januari van een jaar ruisend de B.V. in wilt, dan dient er een intentieverklaring ondertekend en geregistreerd te worden bij de Belastingdienst. Daarbij is het ook mogelijk om later in een jaar ruisend de B.V. in te gaan en een beroep te doen op een terugwerkende kracht van drie maanden.

Voorbeeld  

Indien een ondernemer vóór 1 juli een intentieovereenkomst opstelt, ondertekent en registreert bij de Belastingdienst, dan kan de inbreng in de B.V. met terugwerkende kracht tot 1 april van dat jaar plaatsvinden.

Overgangstijdstip bij het oprichten van de B.V.

Het oprichten van een B.V. dient binnen negen maanden na het overgangstijdstip plaats te vinden. Het overgangstijdstip is het moment waarop de resultaten (met terugwerkende kracht) voor rekening en risico van de B.V. komen. Deze termijn is korter dan de termijn die daarvoor geldt bij een geruisloze inbreng (15 maanden).

Tot slot

Indien een ondernemer overweegt om zijn onderneming in te brengen in een B.V., dan is het van belang dat er tijdig een intentieovereenkomst wordt opgesteld, getekend en geregistreerd. Vervolgens dienen de voor- en nadelen tegen elkaar afgewogen te worden en zal er een keuze worden gemaakt. Het is daarbij niet onverstandig hierover een gesprek aan te gaan met een fiscaal jurist, teneinde van A tot Z inzicht te krijgen in de fiscale en juridische gevolgen van de inbreng in de B.V.

Wilt u meer weten over de inbreng in de B.V. of wilt u een afspraak inplannen met een fiscaal jurist, neem dan contact op met de auteur van dit artikel.

Ruisende inbreng in B.V. [news] 2020-03-09 0000-00-00 0000-00-00 6375

Eenmanszaak en B.V. naast elkaar fiscaal voordelig

Als u optimaal gebruik wilt maken van de tarieven voor 2021, is een combinatie tussen een eenmanszaak en een B.V. wellicht een optie voor u. De DGA / ondernemer kan dan namelijk profiteren van de fiscale voordelen voor ondernemers (inkomstenbelasting) en het lage tarief in de B.V. (vennootschapsbelasting).

Voordeel eenmanszaak

Het belangrijkste voordeel van de eenmanszaak zijn de ondernemersfaciliteiteiten (zelfstandigenaftrek, MKB-winstvrijstelling, FOR, etc.). Door deze fiscale tegemoetkomingen / aftrekposten voldoet u tot een inkomen van € 20.000 vrijwel geen belastingen. Tot een winst van ongeveer € 80.000 is een eenmanszaak voordelig, daarna begint de B.V. aantrekkelijk te worden.

  • Aandachtspunt: om optimaal gebruik te maken van de ondernemersfaciliteiten, moet u per jaar 1.225 uur (25 uur per week) aan de activiteiten besteden, deze uren moet u ook (ruwweg) bijhouden in uw agenda.
  • Aandachtspunt: tenminste 50% van uw tijd voor uw bedrijf moet via de eenmanszaak worden uitgeoefend.
  • Tip: als starter kunt u over vele activa willekeurig afschrijven (max. € 320.000).  

Voordeel B.V.

De tarieven voor in de B.V. zijn stukken lager dan voor een eenmanszaak. Het tarief over de winst (vennootschapsbelasting) bedraagt in 2021 15% (tot een winst van € 245.000). Daarnaast is het mogelijk om in de B.V. vrijwel belastingvrij te sparen. De DGA (directeur van de B.V.) hoeft namelijk niet alle winsten uit te keren, hierdoor kan een groot deel van de winst belastingvrij worden opgepot.

Een ander voordeel is dat de DGA (normaal gesproken) niet privé aansprakelijk is voor de ondernemersactiviteiten.

Investeren in bedrijfsgebouwen

Als u als ondernemer in een bedrijfsgebouw gaat investeren, kunt u dit fiscaal soms beter doen in de eenmanszaak. U kunt dan wellicht willekeurig afschrijven en daarnaast mag tot maximaal 50% van de WOZ-waarde worden afgeschreven. In de B.V. is er geen willekeurige afschrijving en kan tot maximaal 100% van de WOZ-waarde worden afgeschreven. Feitelijk is dus afschrijving in de B.V. beperkt (of nihil). Eventueel kan de eenmanszaak het bedrijfspand verhuren aan de B.V., dit is maatwerk.

Investeringsaftrek bij eenmanszaak naast B.V.

De investeringaftrek (formeel kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA)) geldt tot een maximum van ruim € 320.000. Dit maximum geldt voor de eenmanszaak en ook voor de B.V., u kunt dus uw investeringen optimaliseren. Daarnaast neemt de KIA af zodra de omvang van de investeringen stijgt, het voordeel is dus bij lagere investeringen groter. Doordat u deze kunt verdelen tussen de B.V. en de eenmanszaak, zit hier een tweede voordeel.

Salaris DGA / het gebruikelijke loon

Een DGA moet wel rekening houden met het gebruikelijke loon, dit is een wettelijk vastgesteld minimum salaris (in 2020 € 46.000). De Belastingdienst kijkt hier kritisch naar, het vooraf maken van afspraken met de Belastingdienst is daarom verstandig. Als de DGA zijn werkzaamheden enkel in de eenmanszaak verricht en de rest van de ondernemersactiviteiten in de B.V., is geen gebruikelijk loon van toepassing.

Fiscaal advies eenmanszaak en de B.V.

Wij adviseren regelmatig ondernemers bij een combinatie tussen een eenmanszaak en een B.V. De transacties en werkzaamheden moeten zorgvuldig van elkaar worden gescheiden. Ook moeten afspraken schriftelijk worden vastgelegd. Wilt u meer informatie ontvangen? Stuur gerust een e-mail of bel ons eens voor een orienterend gesprek.

Eenmanszaak naast BV [news] 2020-09-16 0000-00-00 0000-00-00 6679

Gebruikelijk loon DGA in 2021

Het gebruikelijk loon voor de DGA stijgt in 2021 tot € 47.000. Dit was in 2019 en 2020 nog € 46.000.

Hoe DGA-loon berekenen?

Wij adviseren wekelijks DGA's over de hoogte van hun gebruikelijk loon. De meest voorkomende vragen zijn

  1. Hoe fiscaal loon optimaliseren?
  2. Is dividend voordeliger dan salaris? Lees meer ...
  3. Wat te doen met DGA-salaris in verliessituaties?
  4. Hoe kan ik het DGA-salaris beperken?
  5. Wat is salaris van DGA die niet fulltime werkt? Lees meer... 

In dit artikel een overzicht van de regelingen voor een DGA en zijn salaris. Vaak ontstaan er achteraf veel problemen en zijn deze vooraf eenvoudig te voorkomen. Voorkom problemen en zorg voor een optimale situatie! Wilt u een breder advies, laat dan een fiscale scan van uw onderneming maken, of stuur ons een e-mail voor een vrijblijvende offerte.

Fiscale advisering DGA en salaris

Regelmatig adviseren wij DGA's over nieuwe mogelijkheden en structuren, bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

Vragen over DGA-loon?

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) zal altijd bezig zijn met een optimale hoogte van het ondernemersloon. Maximaal 42% inkomstenbelasting betalen is optimaal. Dividend kan immers voordeliger zijn, opnamen in rekening-courant vullen de tekorten ook wel even op, of men wil het geld liever in de B.V. houden om te gebruiken voor het bedrijf. De vraag is en blijft: wat heeft men nodig en wat moet men van de fiscus uitkeren? Het blijft een kat en muisspelletje. Hieronder een uitleg en tips. Ook de handleiding van de Belastingdienst inzake gebruikelijk loon kan u verder helpen, deze kunt u hier raadplegen.

De wet over gebruikelijk loon van een DGA

Als eerste kijken we wat de wet (artikel 12a Wet loonbelasting) erover zegt, dat is immers de basis:

Iemand die werkzaamheden verricht voor een vennootschap waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft (dus meer dan 5% van de aandelen houdt), wordt geacht in 2021 tenminste € 47.000 salaris te verdienen (2011 / 2010: € 41.000 en 2012 € 42.000 en 2013 € 43.000). Het loon mag niet minder zijn dan dat van de best betaalde werknemer in de B.V. of daarmee verbonden lichamen.

Tevens mag het loon niet meer dan in belangrijke mate (30%) naar beneden afwijken van hetgeen gebruikelijk is in niet DGA-verhoudingen. Dat betekent dus dat het loon vaak (veel) hoger zal zijn dan de genoemde € 47.000. Anders gezegd: de DGA moet 70% verdienen van hetgeen gebruikelijk is.

Mocht het aannemelijk zijn dat het gebruikelijk loon in niet DGA-verhoudingen lager is dan dat van de best verdienende medewerker, dan mag het DGA-loon ook lager zijn. Maar niet minder dan 70% van het salaris dat gebruikelijk is of € 47.000!

Als er sprake is van werkzaamheden voor meerdere B.V.'s behorend tot een concern, mag de doorbetaaldloonregeling worden toegepast. Het loon is dan gebaseerd op alle werkzaamheden, maar wordt verloond bij de B.V. waar de dienstbetrekking plaatsvindt.

De gebruikelijkloonregeling geldt vanaf 2010 niet als het loon van de vennootschap en de vennootschappen die tot het concern behoren minder dan € 5.000 bedraagt. Als iemand dus weinig werkzaamheden verricht, hoeft er ook geen loonadministratie gevoerd te worden.

De praktijk over het gebruikelijke loon van de DGA

De theorie lijkt helder, in de praktijk zijn er diverse procedures gevoerd die hebben geleid tot vaste jurisprudentie. Er zijn eigenlijk twee methoden voor het vaststellen van een DGA-salaris:

  1. Het beoordelen van het salaris aan de hand van de hierboven genoemde wettelijke regeling, waarbij met name wordt gekeken naar de salarissen in vergelijkbare situaties, die niet aanmerkelijkbelang-gerelateerd zijn. Bij meerdere dienstbetrekkingen wordt dat per dienstbetrekking bekeken, bijvoorbeeld de bestuurswerkzaamheden bij de holding en de gewone werkzaamheden bij de dochtermaatschappij.
  2. De zogenaamde afroommethode. Hierbij is het DGA-salaris direct afgeleid van de door de werkzaamheden van de DGA persoonlijk gerealiseerde omzet. Deze methode wordt vaak toegepast bij vrije beroepsbeoefenaren als artsen, advocaten en notarissen. Dit zal veelal leiden tot een relatief hoog DGA-salaris. Na aftrek van kosten zal dit veelal 70% van de winst of de management fee bedragen. Uit de uitspraak van Hof Leeuwarden van 28 juni 2011 (nr. 10/10061) blijkt dat het gebruikelijk loon van een advocaat / DGA moet worden gesteld op 70% van het winstaandeel (minus de pensioenpremie en minus de goodwillafschrijving) van de maatschap waarin hij werkt. Met kosten en lasten van de B.V. wordt geen rekening gehouden. 

Inspecteur moet hoger loon aannemelijk maken

In een procedure voor de Rechtbank Den Haag d.d. 9 januari 2014 kwam een situatie aan de orde waarbij een communicatieadviseur via zijn eigen B.V. werkzaamheden verricht voor derden. De verhoudingen waren als volgt (genoemde bedragen in euro's):

  • 2006: omzet € 59.000 en salaris € 46.000 (Belastingdienst akkoord);
  • 2007: omzet € 137.000 en salaris € 55.000 (Belastingdienst € 85.000);
  • 2008: omzet € 67.000 en salaris € 62.000 (Belastingdienst akkoord);
  • 2009: omzet € 154.000 en salaris € 62.000 (Belastingdienst € 95.000); 
  • 2010: omzet € 166.000 en salaris € 58.000 (Belastingdienst € 95.000).

Voor de berekening van de salarissen wordt door belastingplichtige de afroommethode gebruikt. De salarissen worden door de inspecteur gecorrigeerd op grond van artikel 12a van de Wet op de Loonbelasting 1964 (wet LH). Centrale vraag is of het loon in belangrijke mate afwijkt van het gebruikelijke loon en of de afroommethode mag worden toegepast.

Volgens de Rechtbank maakt de inspecteur niet aannemelijk dat het salaris op grond van artikel 12a LH in belangrijke mate afwijkt van hetgeen in het economische verkeer gebruikelijk is. Uit het enkele feit dat het door de inspecteur met toepassing van de afroommethode berekende loon hoger ligt dan het aan belanghebbende (de DGA) toegekende en uitbetaalde loon volgt, zonder nadere motivering, niet dat het toegekende loon lager is dan hetgeen voor een soortgelijke dienstbetrekking in het economische verkeer gebruikelijk is. De naheffingsaanslagen worden vernietigd, het gelijk is aan de DGA.

Verlies in B.V. en DGA-salaris

De crisismaatregel uit 2009 en 2010, dat men zonder voorafgaande toestemming van de inspecteur een salaris verlagen kon, is helaas niet meer aan de orde. U moet nu in overleg om zekerheid te krijgen. De inspecteur zal u daar binnen 8 weken een beschikking voor afgeven. Wij gaan graag met u en de fiscus in overleg om een fiscaal optimale situatie voor u te regelen. Als u een en ander niet wenst af te stemmen, zorg dan voor een goede onderbouwing van de hoogte van het salaris en leg dit vast in de administratie. Een pleitbaar standpunt leidt immers niet tot een boete, hooguit tot een correctie (in de toekomst).

Meer algemeen zou de vraag aan de orde kunnen komen of de B.V. nog wel de juiste rechtsvorm voor u is. Wij bespreken gaarne de mogelijkheden om terug te keren naar de eenmanszaak, of een samenwerkingsverband als de VOF, maatschap of de LLP. Lees ook dit artikel over dit onderwerp.

Lager gebruikelijk loon als B.V. verlies maakt

Als er sprake is van een structureel verliesgevende situatie, kan dit een lager loon rechtvaardigen. Hierover wordt vaak een discussie met de Belastingdienst gevoerd. In een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam d.d. 22 oktober 2013 ging het om een DGA met een holding en 2 werkmaatschappijen. De Belastingdienst was van mening dat de DGA drie keer het DGA-loon moest genieten, dit mede omdat hij de enige werknemer van de B.V.'s was. Gezien de financieel slechte situatie bij de B.V.'s was de DGA van mening dat een dergelijk salaris veel te hoog was. Beide partijen stappen naar de rechter. Het Gerechtshof stelt dat een DGA per dienstbetrekking een (fictief) loon moet ontvangen. De rechter stelde echter ook dat bij de beoordeling van het loon het eigen vermogen van de B.V. van belang is. Een slecht draaiende B.V. kan immers niet onbeperkt loon betalen omdat hiermee het voortbestaan in gevaar kan komen. Daarnaast kon de DGA onmogelijk 3 voltijdsdienstbetrekkingen uitvoeren, dit kost hem immers 120 uur per week. De rechter stelt vast dat de DGA bij één B.V. geen loon hoeft te genieten, bij de andere B.V. een loon van € 15.000 en bij de derde B.V. een loon van € 38.000 (cijfers 2006). Artikel 12a van de Wet Loonbelasting blijft dus voor veel discussie zorgen.

Tips en aandachtspunten

  • Wellicht is het tijd om de B.V. te verlaten, bespreek dit eens met een fiscalist.
  • Laat uw rekening-courantschuld niet te ver oplopen.
  • Onderbouw de hoogte van uw salaris schriftelijk.
  • Vraag een beschikking van de inspecteur om onzekerheid te voorkomen.
  • Het gebruikelijk loon kunt u jaarlijks (mits gemotiveerd) aanpassen.
  • Pensioenpremie telt mee voor het gebruikelijk loon.
  • De bijtelling voor de auto van de zaak telt mee voor het gebruikelijk loon.
  • Deeltijd verlaagt niet automatisch het gebruikelijk loon naar rato.
  • Beoordeel of er al dan niet sprake is van het afroomcriterium (zie hieronder).

Actuele rechtspraak Hoge Raad 2012 over afroommethode

Op 9 november 2012 (11/03555, LJN BW 4167) heeft de Hoge Raad een interessant arrest gewezen inzake de gebruikelijkloonregeling en de afroommethode.

De afroommethode houdt in dat het gebruikelijk loon van (veelal) een vrije beroepsbeoefenaar wordt berekend door de winst van zijn persoonlijke B.V. aan te houden, zijnde het aandeel in een maatschap of ander samenwerkingsverband, verminderd met de kosten en lasten die aan die opbrengst zijn toe te rekenen. Dat levert veelal een hoog salaris op, met daarnaast een B.V. die nagenoeg geen winst maakt. Fiscaal volstrekt niet optimaal dus. Deze regeling kon rekenen op veel kritiek.

De Hoge Raad heeft nu beslist dat de afroommethode niet werkt in de onderstaande situatie. Een advocaat is via zijn persoonlijke B.V. maat in een maatschap van advocaten. De inspecteur heeft de hoogte van het salaris aangepast (lees: verhoogd) op basis van de gebruikelijkloonregeling. Hof Leeuwarden oordeelde destijds dat de opbrengst van de B.V. nagenoeg geheel voortvloeit uit de arbeid die door belanghebbende is verricht. Daarom moest het gebruikelijk loon worden berekend op basis van de afroommethode. De Hoge Raad denkt daar anders over en casseert deze uitspraak.

Als de werkzaamheden van deze advocaat worden verricht in een maatschap en de opbrengst van de persoonlijke B.V. bestaat uit een aandeel in de winst van een maatschap, dan is van een (nagenoeg) geheel voortvloeien uit de door de directeur verrichte arbeid geen sprake. Dat is slechts het geval indien de omvang van het aandeel van de B.V. in het resultaat van dat samenwerkingsverband (nagenoeg) uitsluitend wordt bepaald door de arbeid die de betreffende advocaat zelf in de maatschap verricht. Bestaat echter zoals in casu het aandeel van de B.V. in het resultaat van het samenwerkingsverband uit een percentage van het totale resultaat van dat samenwerkingsverband, dan ontbreekt die relatie. Dan kan de afroommethode niet dus worden toegepast.

Meer weten?

Maak gerust een afspraak voor een vrijblijvende afspraak, wij adviseren u graag en vlot.

Gebruikelijk loon DGA 2021 [news] 2020-12-22 0000-00-00 0000-00-00 6828

Oplossingen voor wetsvoorstel excessief lenen DGA

Excessief lenen directeur-grootaandeelhouder

DGA's zien de B.V. nog te vaak als hun eigen portemonnee. De bankrekening van de B.V. wordt als pinautomaat gebruikt voor de bestedingen van de DGA. Er ontstaat dan een lening en er wordt dus geen belastingheffing voldaan. Dit wil het kabinet beperken. De nieuwe wetgeving is aangekondigd per 2023.  

Of deze wetgeving het gaat halen is nog maar de vraag, er is vanuit de Raad van State, de Nederlandse Orde voor Belastingadviseurs en de Tweede Kamer veel kritiek op dit wetsvoorstel. Het is onnodig, complex en op onderdelen onjuist, is de veel gehoorde kritiek.

DGA-tax 2023

De DGA-tax is een strafheffing die vermoedelijk in 2023 wordt ingevoerd, dit was 2022 maar is uitgesteld. Over deze wetgeving is nog veel onduidelijk, maar de gevolgen lijken vrij stevig. In dit artikel monitoren wij de stand van de wetgeving en de mogelijkheden en onmogelijkheden. Een tijdige voorbereiding is wenselijk.

DGA strafheffing bij excessief of bovenmatig lenen

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) die veel van zijn B.V. heeft geleend wordt in 2023 stevig aangepakt. De nieuwe wetgeving zal vermoedelijk gevolgen hebben voor ruim 10.000 DGA's. De wetgever wil de opnamen van de DGA uit zijn eigen holding / B.V. aan banden gaan leggen. De Belastingdienst ziet het excessief lenen van de eigen B.V. als belastingontduiking en krijgt hier nu ook een wettelijke regeling voor.

Als u meer dan € 500.000 van uw B.V. heeft geleend, moet u opletten !

Excessief lenen van de B.V. door de DGA

Als er meer dan € 500.000 is geleend van de B.V. door de DGA, is sprake van een excessieve lening, aldus het nieuwe voorstel. In het kort de voorwaarden en regels:

  • Het moet gaan om een lening aan de DGA.
  • De lening moet hoger zijn dan € 500.000.
  • De DGA moet direct of indirect een aanmerkelijk belang in de B.V. bezitten.
  • De leningen van de verschillende rechtspersonen worden bij elkaar geteld.
  • Waar de lening voor is gebruikt is grotendeels niet relevant (box 3 / consumptief).
  • Leningen voor de eigen woning worden buiten beschouwing gelaten.
  • Voor leningen voor de eigen woning die na 1 januari 2022 worden verstrekt moet een hypothecaire zekerheid worden gesloten.
  • Leningen aan kinderen en (schoon-)ouders tellen mee indien deze hoger zijn dan € 500.000, het meerdere wordt dan bij de € 500.000 van de DGA opgeteld.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt vermoedelijk niet geïndexeerd.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt niet verdubbeld als de DGA een fiscale partner heeft.

Oplossingen voor geen excessieve lening

De Belastingdienst zal vanaf 2019 strenger optreden tegen DGA's met een rekening-courantschuld. Vanaf 2022 moet de DGA leningen gaan aflossen of dividend gaan uitkeren. Doet de DGA niets, dan geldt vanaf 2023 een fictie (en dus heffing van dividendbelasting). Het betreft thans nog een wetsvoorstel, maar er komt zeker een regeling aan. Oplossingen voor de nieuwe regeling zijn:

  1. Dividend uitkeren zodat schuld niet bovenmatig is.
  2. Overdragen activa waar de bovenmatige schulden mee samenhangen aan de B.V. (bij voorkeur op hoogtepunt van de markt, met waardering deskundige).
  3. Vermijden fiscaal partnerschap zodat de drempel 2x € 500.000 gaat bedragen.
  4. Aangaan van een personenvennootschap, waarbij de DGA de schuld inbrengt en tevens de activa welke hiermee direct samenhangen (bijvoorbeeld pand en lening). Hierbij moet de B.V. dan ook activiteiten inbrengen, het geheel moet een onderneming vormen. Vervolgens kan het aandeel van de DGA geruisloos worden ingebracht in de B.V. (geen overdrachtsbelasting etc.).
  5. Overdragen bezittingen, beleggingen of spaargeld aan de B.V. (ter aflossing van de schuld).
  6. Oversluiten van leningen bij externe partijen (vrienden of bancaire instellingen).
  7. Overdragen van bezittingen (met de bijbehorende schuld) door de DGA aan zijn kind(eren), mits de kinderen geen aandelen in de B.V. hebben. Bijvoorbeeld een beleggingspand van de DGA wordt (met schuld aan de B.V.) overgedragen aan de zoon of dochter, eventueel via een stichting die de activa gaat certificeren. Hiermee kan de DGA het stemrecht behouden (waardeontwikkeling bij de kinderen).
  8. Op dit moment wordt ook nagedacht over structuren waarbij een C.V. wordt gevormd in combinatie met overdracht van een beleggingspand. Of dit werkt wordt in 2020 bezien.

Oplossingen excessief lenen [news] 2021-02-22 0000-00-00 0000-00-00

Wellicht komt er voor de DGA een nieuwe wet in 2023 die het lenen van de B.V. moet beperken. De invoering is uiterst onzeker, maar je weet nooit! Wat zijn mogelijke oplossingen voor de nieuwe wet?

6891

Inactiviteit bv geen reden voor lager loon DGA

Het gebruikelijk loon houdt de gemoederen altijd bezig. De regeling is ooit ingevoerd als maatregel tegen het betalen van een zo laag mogelijk loon aan de directeur-grootaandeelhouder. Het uitkeren van dividend was toentertijd aanzienlijk voordeliger dan het uitbetalen van loon. De strekking van de regeling – aldus de staatssecretaris – is het voorkomen van het afzien van een gebruikelijk loon en daarmee het behalen van belastingvoordelen en voordelen in de sfeer van de sociale zekerheid.

De gebruikelijkloonregeling is niet in beton gegoten. Afwijken is mogelijk, mits juridisch aanvaardbaar. Veel DGA’s verlagen het gebruikelijk loon zonder vooroverleg met de Belastingdienst. Indien u zeker bent van uw standpunt, hoeft dat geen probleem te zijn. Echter, in de praktijk zien wij dat de Belastingdienst vaak een ander oordeel is toegedaan. Dat leidt tot veel rechtspraak, zoals recent over een DGA die wegens inactiviteit in de bv het gebruikelijk loon op een lager bedrag heeft vastgesteld dan het normbedrag. Voor de DGA liep het in deze kwestie niet goed af. Wij gaan hierna kort in op de gebruikelijkloonregeling en deze uitspraak van de rechtbank.

De gebruikelijkloonregeling

De gebruikelijkloonregeling is opgenomen in de Wet op de Loonbelasting 1964. De bepaling ziet op het loon van een werknemer die arbeid verricht in een vennootschap en tevens een aanmerkelijk belang heeft in die vennootschap. Deze werknemer wordt in de praktijk meestal de DGA genoemd. Wij merken daarbij op dat DGA staat voor directeur-grootaandeelhouder. Niet iedere AB-houder is echter een grootaandeelhouder. Dit kan voor de praktijk – bijvoorbeeld binnen de sociale zekerheid – een belangrijk onderscheid zijn.

Als uitgangspunt geldt dat het gebruikelijk loon minimaal gelijk is aan het hoogste van de volgende bedragen:

  • 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;
  • het loon van de meestverdienende werknemer bij die bv of bij een lichaam dat verbonden is met de bv;
  • ten minste € 47.000 (2021).

Indien u zich aan bovenstaande norm houdt en de inspecteur meent dat het gebruikelijk loon hoger moet zijn, dan rust de bewijslast op de inspecteur. Meent u dat het gebruikelijk loon in uw situatie lager mag zijn, dan draagt u de bewijslast.

Een nadere definitie van het begrip verbonden lichaam is opgenomen in de wet, doch voor deze bijdrage niet van nader belang.

Feiten en omstandigheden in de rechtbankzaak

Een DGA is in beroep gegaan tegen het loon dat de inspecteur voor hem had aangemerkt als gebruikelijk loon. Het door de inspecteur vastgestelde gebruikelijk loon bedroeg € 30.000. Dat is lager dan het normbedrag. Volgens belanghebbende is dit bedrag ten onrechte in aanmerking genomen en zijn de aanslagen naar te hoge bedragen opgelegd. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aanslagen terecht zijn opgelegd en naar de juiste bedragen. In geschil is of het gebruikelijk loon van € 30.000 terecht in aanmerking is genomen.

Standpunten belanghebbende en inspecteur

De DGA meent dat € 30.000 loon niet gebruikelijk is, het is te hoog gezien de feiten en omstandigheden. De vennootschap die het betreft zou inactief zijn geweest, structureel verlies lijden en werknemers in dezelfde positie minder loon betalen.

De inspecteur is het met bovenstaande oneens en acht € 30.000 gebruikelijk.

Het betreft de discussie over het op een lager bedrag vaststellen van het gebruikelijk loon dan het normbedrag. Dat betekent dat de DGA de bewijslast draagt om aannemelijk te maken dat € 30.000 te hoog is.

Het oordeel van de rechtbank

De DGA hield het hele jaar een aanmerkelijk belang in de vennootschap. De naam en activiteiten zijn gedurende het jaar gewijzigd, maar dat acht de rechtbank bij de beoordeling direct van belang bij het bepalen of sprake is van een aanmerkelijk belang waarop de gebruikelijkloonregeling van toepassing is. De rechtbank oordeelt kort en helder: de DGA hield een aanmerkelijk belang in de vennootschap en heeft arbeid verricht. Dan is de gebruikelijkloonregeling van toepassing.

De rechtbank stelt daarna vast dat het loon waar het om gaat lager ligt dan het normbedrag. Dat is mogelijk. Indien de omstandigheden van de situatie van de DGA het rechtvaardigen, kan het gebruikelijk loon lager worden vastgesteld. De vraag is dus of dergelijke omstandigheden hier aanwezig zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de DGA onvoldoende feiten en omstandigheden stelt en aannemelijk maakt om een lager gebruikelijk loon te rechtvaardigen. Een periode van inactiviteit van de vennootschap is daartoe onvoldoende. Daarnaast is niet gesteld en al helemaal niet gebleken dat de vennootschap structureel verlies lijdt of werknemers met gelijke werkzaamheden minder loon toekent.

Advisering en gebruikelijk loon

Uit bovenstaande blijkt weer dat alle feiten en omstandigheden van belang zijn. Daarbij kunt u niet volstaan met het enkel stellen dat u vindt dat het gebruikelijk loon lager vastgesteld dient te worden. U moet dit aannemelijk maken tegenover de inspecteur. Doet u dat niet, dan kunt u worden geconfronteerd met naheffingsaanslagen en boeten. De DGA uit bovenstaande casus werd bijvoorbeeld ook geconfronteerd met een verzuimboete (67a-boete). De boete bedroeg voor deze DGA € 369, maar kende een wettelijk maximum van € 5.278.

Bent u van mening dat uw gebruikelijk loon op een lager bedrag vastgesteld dient te worden? Dan is het verstandig een ervaren adviseur in de arm te nemen. Neem gerust eens contact op met één van onze specialisten. Wij beoordelen graag uw situatie en bij twijfel voeren wij overleg met de Belastingdienst om rechtszekerheid te krijgen.

Geen lager DGA-loon bij inactieve bv [news] 2021-05-03 0000-00-00 0000-00-00 6982

Waarom ondernemen in een bv?

Er kunnen vele redenen zijn om een bv op te richten. Een in de markt veelgehoorde reden is status: de dga kan zich directeur noemen en vanzelfsprekend is dit niet het argument dat het meeste hout snijdt. Hieronder gaan wij in op een aantal (doorgaans) belangrijkere redenen.

Aansprakelijkheid en risico

Door het drijven van een onderneming voor rekening en risico van een bv wordt de aansprakelijkheid in privé beperkt. De bv is namelijk zelf aansprakelijk voor haar schulden, niet de aandeelhouders of de directie. Een uitzondering hierop is bestuurdersaansprakelijkheid. Deze houdt in dat, naast de bv, in bepaalde gevallen ook de bestuurder aansprakelijk is. Criterium is dat de bestuurstaken onbehoorlijk zijn uitgevoerd.

Is dit alles niet aan de orde, dan loopt de aandeelhouder slechts financieel risico tot het bedrag van zijn investering in het aandelenkapitaal.

Dit moet overigens enigszins gerelativeerd worden. Indien een dga een onderneming start in de vorm van een bv, zullen financiers (zoals een bank) vaak extra zekerheid wensen van de dga in persoon, bijvoorbeeld door een borgstelling voor de schulden van de bv.

Fiscaal voordeel

De laatste jaren probeert de wetgever Nederland aantrekkelijker te maken voor ondernemingen in het MKB. Zo zijn de tarieven in de vennootschapsbelasting fors verlaagd ten opzichte van een aantal jaar geleden. Zo bedroeg het toptarief 15 jaar geleden bijvoorbeeld nog 34,5% en bedraagt het vennootschapsbelastingtarief voor 2021 15% tot een bedrag van € 245.000 en 25% voor alles daarboven. Daarentegen bedraagt het maximale tarief in de inkomstenbelasting nu 49,50%. Door de MKB-winstvrijstelling van 14% daalt het effectieve tarief nog wel. De gecombineerde heffing (vennootschapsbelasting en aanmerkelijkbelangheffing) op uitgekeerde winsten uit een bv in 2021 bedraagt tussen de 37,8% en 45%. Het voordeel wordt zelfs groter indien de behaalde winst niet wordt uitgekeerd. Bij de bv kan minimaal 75% en maximaal 85% van de winst worden geherinvesteerd in de onderneming; in een IB-onderneming is dit dus aanzienlijk lager, hetgeen een liquiditeitsvoordeel oplevert dat kan worden benut voor het doen van investeringen.

De uitkering van een gebruikelijk loon aan de dga kan het voordeel ten opzichte van de IB-onderneming beperken. Het salaris is voor de dga immers belast in de inkomstenbelasting tegen maximaal 49,50%. Bovendien zal vooral bij lagere winsten de IB-onderneming aantrekkelijker zijn door de MKB-winstvrijstelling en enkele aftrekposten (ondernemersfaciliteiten) die uitsluitend openstaan voor IB-ondernemers. Een vuistregel die wij in de praktijk hanteren is om vanuit fiscaal oogpunt ingegeven eens te gaan kijken naar de bv bij een winst van om en nabij de € 125.000 tot € 150.000.

Vergemakkelijken bedrijfsoverdracht

Wanneer een onderneming in de vorm van bijvoorbeeld een eenmanszaak wordt overgedragen, worden in feite alle activa en passiva overgedragen. Bij de overdracht van een onderneming in de vorm van een bv is dat anders. De aandeelhouders zijn namelijk geen eigenaar van de activa en passiva; de bv is eigenaar van de activa en passiva. Door de aandelen van de bv over te dragen, wordt op eenvoudige wijze een onderneming overgedragen. Bovendien voorziet de wetgeving in een aantal fiscaalvriendelijke mogelijkheden voor de overdracht van aandelen.

Continuïteit

Als de dga overlijdt, behoeven – in tegenstelling tot bijvoorbeeld bij de eenmanszaak – de activa en passiva niet onder de erfgenamen te worden verdeeld. De erfgenamen krijgen aandelen of certificaten van aandelen die ze eventueel kunnen verkopen. De bv en dus de onderneming blijft gewoon bestaan.

Overzicht

Bij een persoonlijke onderneming lopen zakelijke aangelegenheden en privéaangelegenheden vaak door elkaar, met name ook financieel. Bij een bv is dat meer gescheiden, omdat de bv een rechtspersoon is. Zakelijk (de rekening van de bv) en privé (de rekeningen van de dga) zijn daarmee gescheiden. Dat maakt het ondernemen met een bv overzichtelijker.

Tot besluit

Wenst u te gaan ondernemen in een bv of heeft u naar aanleiding van dit artikel nog andere vragen voor onze adviseurs? Aarzel dan niet om contact op te nemen via onderstaande contactgegevens. Wij helpen u graag verder!

Waarom ondernemen in een bv? [news] 7211

De bv wordt fiscaal steeds voordeliger

Waar het omslagpunt voor de fiscaal ingegeven keuze tussen ondernemen in een eenmanszaak of een bv voorheen rond de € 150.000 aan resultaat lag, ligt deze in 2021 al op € 105.000. De komende jaren zal dit omslagpunt zelfs nog lager komen te liggen. Reden genoeg om eens kritisch naar uw structuur te kijken en wellicht nog dit jaar in ieder geval de intentie tot omzetting kenbaar te maken bij de Belastingdienst.

Tariefsaanpassing box 1

Wat is nou de reden dat dit omslagpunt door de jaren heen steeds lager komt te liggen? Dat is gelegen in het feit dat:

  • Er een afbouw plaatsvindt van de zelfstandigenaftrek;
  • Er een afbouw plaatsvindt van het maximale tarief waartegen de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling in aftrek gebracht kan worden (2021: 43%, 2022: 40%, 2023: 37,05%).

Intentieverklaring

Door vóór 1 oktober 2021 in ieder geval de intentie tot mogelijk omzetten van de eenmanszaak naar de bv bij de Belastingdienst te registreren, behoudt u de mogelijkheid om uw onderneming tot en met 31 maart 2022 daadwerkelijk om te zetten naar een bv-structuur. Door een intentieverklaring te registreren wordt u niks verplicht, uw houdt echter wel de mogelijkheid open om met terugwerkende kracht tot 1 januari 2021 uw winst in de bv te laten belasten.

Tot besluit

Denkt u na over de omzetting van uw onderneming naar een bv-structuur, neem dan gerust eens vrijblijvend contact op met onderstaande adviseurs. Zij helpen u graag bij het maken van de juiste keuze.

De bv wordt steeds voordeliger [news] 7212

Terugwerkende kracht geruisloze inbreng

Ook in tijden van economische crisis zijn er ondernemers die goede bedrijfsresultaten weten te behalen. Of u ontdekt nu dat u vanwege de crisis juist risico's in privé loopt, die u liever wenst te beperken. U kunt er dan over nadenken om uw eenmanszaak, firma of maatschap in te brengen in de B.V. Dat kan met terugwerkende kracht naar 1 januari, onder gebruikmaking van de faciliteit van de geruisloze inbreng.

Wijziging 2014

Met ingang van 2014 moet u de voorovereenkomst aangetekend naar de Belastingdienst versturen. Registreren bij de Belastingdienst is niet meer mogelijk. Vorenstaande komt door de Wet Elektronische Registratie notariële akten. U moet de voorovereenkomst via een aangetekende brief versturen naar:

  • Belastingdienst Heerlen, Postbus 13, 6400 AA Heerlen

Twee methoden van inbreng

  1. De ruisende inbreng. U begint in de B.V. als het ware helemaal opnieuw. U staakt de onderneming en verkoopt deze aan de door u opgerichte B.V. De stakingswinst (goodwill, stille en fiscale reserves) is belast met inkomstenbelasting, maar deze kan eventueel worden uitgesteld door het bedingen van een stakingswinstlijfrente bij uw B.V. U moet dit regelen door vóór 1 april van enig jaar een intentieverklaring of voorovereenkomst te laten registreren. De eerste datum dat u dit weer kunt doen is, bij een boekjaar als kalenderjaar, per 1 januari 2013.
  2. Bij een geruisloze inbreng kunt u echter nog gebruikmaken van terugwerkende kracht naar 1 januari 2013. U moet dan uw intentieverklaring of voorovereenkomst uiterlijk binnen negen maanden na het overgangstijdstip hebben laten registreren. In dit geval gaat de B.V. met dezelfde balans (boekwaarden) verder als waarmee uw onderneming is gestaakt. Uw onderneming wordt bij fictie geacht niet te zijn gestaakt. Er wordt een aantal (standaard) voorwaarden gesteld.

Daarnaast kunt u op elk tussentijds gewenst moment de onderneming inbrengen, maar dan krijgt u te maken met een gebroken boekjaar en dat brengt extra kosten met zich mee. Het verdient de voorkeur om voor een overgangsmoment bij aanvang boekjaar te kiezen.

Wij zijn u graag behulpzaam met al deze afwegingen en bij het opstellen en registreren van de benodigde stukken.

Tip: laat een intentieverklaring registreren vóór 30 september als u de onderneming in een B.V. wilt inbrengen, of als u dat overweegt.

Terugwerkende kracht geruisloze inbreng in de BV: voor 1 oktober aktie ondernemen! [news] 2011-09-20 2011-09-20 2011-09-30 3363

Bedrijfsopvolging

In Nederland zijn circa 260.000 familiebedrijven. Uit een recent onderzoek van de Universiteit Nijenrode en het Economisch Bureau van ING blijkt dat voor een derde van de ondernemers de crisis een goed moment is om de onderneming over te dragen. Na het bereiken van de pensioenleeftijd is dat de belangrijkste reden voor overdracht. Men heeft daarbij een grote voorkeur voor de overdracht van het bedrijf binnen de familiekring.

Nieuws bedrijfsopvolging 2021 of 2022

De Bedrijfsopvolgingsregeling staat al jaren onder druk. De regeling wordt vermoedelijk per 2022 (of wellicht eerder) versobert. De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021) en de erf of schenkbelasting 20% (over eerste € 100.000 slechts 10%). De totale belastingdruk is normaal dus ongeveer 40%.

Door de bedrijfsopvolgingsregeling is de effectieve druk slecht 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) vrijgesteld en over het meerder zelfs 83%. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de heffing van de genoemde 4% naar 25 - 30%.

Waarom bedrijfsopvolging?

Een goede en succesvolle overdracht van de onderneming is niet eenvoudig. Uit het genoemde onderzoek blijkt vooral dat de juridische en fiscale complexiteit van de overdracht van de onderneming het grootste knelpunt vormen. In ruim een kwart van de gevallen is men niet tevreden over de kwaliteit van de adviezen. Opvallend daarbij is dat in 91% van de gevallen de eigen accountant de adviseur is die het traject moet begeleiden en er slechts in 37% van de gevallen voor een fiscalist / belastingadviseur wordt gekozen. Dat is opvallend en jammer! Enkel een goede samenwerking tussen de verschillende diciplines kan leiden tot een goed advies. Een accountant vanuit de cijfermatige kant, zoals het opstellen van een waardering, de notaris vanwege de zekerheid van een juiste juridische vormgeving en de bank in verband met de financiering. De fiscalist zal echter een centrale rol moeten spelen, omdat vanuit onze kennis en ervaring de opvolging op een fiscaal optimale wijze kan worden uitgevoerd. Zowel voor de overdrager als de opvolger is het van belang dat zowel het moment van belastingbetaling als de omvang van de belastingdruk worden geoptimaliseerd. En dat is ons vak.

Op onze website leest u veel over onze advisering en hoe u die kunt toepassen. Wij leren u en uw familie graag kennen, zodat wij u een advies op maat kunnen geven.

Steeds meer (familie)bedrijven blijven binnen de familie. Wij begeleiden regelmatig ondernemers en hun accountant bij het opzetten van een bedrijfsopvolging. In dit onderdeel treft u diverse artikelen aan.

Bedrijfsopvolging [news] 4184

Bij verhuur van onderneming wordt nog steeds aan voortzettingseis BOR voldaan

De schenk- en erfbelasting kent een vrijstelling in de vorm van een bedrijfsopvolgingsregeling (hierna: 'BOR'). Wordt een onderneming geschonken of nagelaten, dan wordt een groot deel van de verschuldigde schenk- of erfbelasting voorwaardelijk vrijgesteld. Eén van de voorwaarden is dat de onderneming die krachtens schenking of erfrecht wordt verkregen gedurende een periode van vijf jaar wordt voortgezet.

Een discussie die je daarbij zou kunnen voeren is of er sprake is van het voortzetten van een onderneming indien je de onderneming verhuurt aan een derde.

Hof ’s-Hertogenbosch heeft geoordeeld dat bij de verhuur van de onderneming – binnen de vijfjaarstermijn – nog steeds aan de voortzettingseis met betrekking tot de BOR wordt voldaan. Daarbij wordt eveneens niet van belang geacht dat na afloop van de vijfjaarstermijn voor de BOR, de onderneming wordt overgedragen aan de huurder. In dit artikel gaan wij in op de voorwaarden en vereisten van de BOR en schetsen wij kort het belang voor de praktijk van deze uitspraak.

Successiewet

Over de verkrijging van ondernemingsvermogen krachtens schenking of erfrecht is de verkrijger schenk- en erfbelasting verschuldigd. Om te voorkomen dat de heffing van deze belasting het voortbestaan van een onderneming in gevaar brengt - doordat liquide middelen aan de onderneming onttrokken zouden moeten worden om de belasting te kunnen betalen – is in de Successiewet 1956 de BOR opgenomen. De kern van de BOR is dat de schenk- en erfbelasting vanwege het belang van de onbelemmerde voortzetting van economische bedrijvigheid, geen bedreiging mag vormen voor reële bedrijfsoverdrachten. Onder de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) is het verkregen ondernemingsvermogen tot € 1.119.845 (2021) voor 100% vrijgesteld. Het surplus is voor 83% voorwaardelijk vrijgesteld. De vrijstelling is van toepassing mits wordt voldaan aan de bezitseis en voortzettingseis.

Het bezitsvereiste

Op grond van het bezitsvereiste moet de schenker het kwalificerende vermogen gedurende minimaal vijf jaar voorafgaande aan de schenking bezitten. Ook voor de erflater geldt een bezitseis, deze is beduidend korter, namelijk één jaar.

Het voortzettingsvereiste

De BOR is bedoeld om reële bedrijfsopvolgingen te faciliteren. Daarvan is geen sprake indien de verkrijger van de onderneming de onderneming direct na de verkrijging staakt of verkoopt. Hiervoor is in de wet het voortzettingsvereiste opgenomen.

De voorwaardelijke vrijstelling vervalt geheel of gedeeltelijk indien de verkrijger op enig tijdstip binnen vijf jaren na de verkrijging van het ondernemingsvermogen ophoudt uit de onderneming of uit een deel daarvan winst te genieten. Hierbij wordt aangesloten bij het materiële stakingsbegrip in de inkomstenbelasting. Voor toepassing van de inkomstenbelasting staakt een belastingplichtige deze onderneming als hij ophoudt winst uit onderneming te genieten, omdat hij niet langer kwalificeert als ondernemer in de zin van artikel 3.4 Wet IB 2001. Voor de voortzettingseis is van belang dat de verkrijger winst blijft genieten. Voor zover deze ophoudt winst te genieten, wordt niet meer aan het voortzettingsvereiste voldaan en wordt de vrijstelling ingetrokken.



De materiële en objectieve onderneming

De bedrijfsopvolgingsregeling is enkel van toepassing op materieel ondernemingsvermogen (beleggingsvermogen kwalificeert dus niet). In de zin van de hier bedoelde regeling dient te worden beoordeeld of sprake is van een objectieve onderneming aan de hand van het begrip onderneming in de Wet IB 2001.

Inkomstenbelasting

Ook de Wet op de inkomstenbelasting 2001 kent een BOR. Deze regeling hangt nauw samen met de hiervoor besproken bedrijfsopvolgingsfaciliteiten uit de Successiewet. De inkomstenbelasting kent nog als extra voorwaarde dat de verkrijger voor ten minste 36 maanden voorafgaand aan de overdracht in dienstbetrekking moet zijn geweest bij de onderneming of reeds maat of vennoot is geweest in de VOF, respectievelijk maatschap waarop de overdracht betrekking heeft. Met deze aanvullende eis wordt invulling gegeven aan de gewenste duurzame betrokkenheid van de verkrijger bij de onderneming die wordt overgedragen, zodat slechts reële bedrijfsopvolgingen worden gefaciliteerd.

Overdrachtsbelasting

Indien er sprake is van een bedrijfsopvolging binnen de familiesfeer, kent ook de overdrachtsbelasting hiervoor een vrijstelling. De wet stelt verkrijging door één of meerdere kinderen van onroerende zaken die behoren tot en dienstbaar zijn aan de onderneming vrij van de heffing van overdrachtsbelasting. Als voorwaarde wordt gesteld dat de verkrijger(s) de onderneming van de ondernemer, wat de bedrijfsvoering betreft, in haar geheel voortzet of voortzetten. In het kader van de voortzettingseis is hier geen termijn genoemd in de wet of de parlementaire geschiedenis. Deze vrijstelling is alleen van toepassing indien en voor zover er een materiële onderneming wordt gedreven.

Belang voor de praktijk

Het belang voor de praktijk in de recente uitspraak van hof ’s-Hertogenbosch zit hem in de mogelijkheden om gedurende de vijfjaarstermijn van het voortzettingsvereiste de onderneming reeds door een derde partij te laten drijven. Hierdoor is de bedrijfsopvolger niet op dagelijkse basis verantwoordelijk bij de onderneming, doch kan wel gebruik worden gemaakt van de BOR. Uit de procedure blijkt wel dat een en ander op de juiste wijze vormgegeven dient te worden.

Tot besluit

Heeft u naar aanleiding van dit artikel nog vragen of wenst u zelf uw onderneming over te dragen? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact op met onderstaande adviseurs. Zij helpen u graag verder!

Voortzettingseis BOR en verhuur onderneming [news] 7202
Bedrijfsopvolging eenmanszaak vof [news] 2014-01-09

Bedrijfsopvolging eenmanszaak & VOF

Als u overweegt uw bedrijfsopvolging te verkopen of uit te treden uit een VOF, dan moet u hier eigenlijk al 5 jaar van tevoren over gaan nadenken. Het is belangrijk om een bedrijfsopvolging goed voor te bereiden en de hiervoor benodigde structuur nu al neer te zetten. Naast het feit dat een bedrijfsopvolging door een juiste structuur eenvoudiger kan verlopen, kunt u ook belasting besparen. Mits de structuur juist wordt opgezet, kunnen de meeste bedrijfsopvolgingen zonder heffing van belastingen plaatsvinden. De financiering van een bedrijfsopvolging of overname kan hierdoor eenvoudiger worden vormgegeven. Ook is het belangrijk dat u tijdig - in uw hoofd - gaat nadenken over uw vertrek, deze emotie wordt vaak vergeten. Conclusie: praat erover met uw accountant en schakel ook een specialist in.

De bedrijfsopvolging kan spelen bij ondernemers in de inkomstenbelasting en bij ondernemers in de B.V.-vorm. In dit onderdeel artikelen over de bedrijfsopvolging bij ondernemers voor de inkomstenbelasting, hierbij kunt u denken aan:

  • bedrijfsopvolging bij de eenmanszaak;
  • bedrijfsopvolging bij de VOF;
  • bedrijfsopvolging bij de maatschap;
  • bedrijfsopvolging bij de CV.

Inkomstenbelasting en bedrijfsopvolging

In de fiscale wereld spelen bij een bedrijfsopvolging (binnen de familie) de schenkbelasting en de inkomstenbelasting (box 1 of 2). De belasting kan worden voorkomen door gebruik te maken van de zogeheten bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF). Dit geldt dus voor eenmanszaken, vennootschappen onder firma, maatschappen en B.V.'s. In de inkomstenbelasting kan de heffing worden uitgesteld, er gelden wel voorwaarden:

  • U moet de onderneming minimaal 1 jaar in bezit hebben.
  • Er moet sprake zijn van een echte onderneming (geen beleggingen).
  • De persoon die de onderneming voortzet moet mede-ondernemer of werknemer zijn sinds de laatste 3 jaren (binnen de onderneming).
  • Bij vererving moeten de overnemers de onderneming ook gedurende een periode voortzetten.

Bedrijfsopvolging en geen echte onderneming

Als u een B.V. zou hebben waarbinnen deels een onderneming wordt uitgeoefend en deels wordt belegd, is het te overwegen om beide activiteiten via een juridische splitsing van elkaar te splitsen. Bij een dergelijke herstructurering kunt u het volgende meenemen:

  • pensioen in aparte entiteit;
  • vermogen in vrijgestelde beleggingsinstelling;
  • mede eigendom van uw partner;
  • beleggingsvermogen in aparte B.V.;
  • opzetten stichting voor toekomstige scheiding zeggenschap en eigendom;
  • opstarten van een familieplan om onduidelijkheden weg te nemen.

Quickscan voor bedrijfsopvolging

Wij maken regelmatig voor accountants en ondernemers een quickscan om te kijken of een bedrijfsopvolging binnen uw huidige structuur mogelijk is. Als u een offerte hiervoor zou willen, kunt u hier deze offerte aanvragen, binnen een paar dagen ontvangt u dan van ons een e-mail. De ervaring leert dat een quickscan altijd verbeterpunten oplevert. U kunt ook rechtstreeks met mij e-mailen of bellen.

Structuur bij een bedrijfsopvolging

De meest voorkomende structuur bij een bedrijfsopvolging in de B.V.-omgeving is de verkoop van een werkmaatschappij door een holding. De verkoop kan dan belastingvrij plaatsvinden, dit op grond van de deelnemingsvrijstelling. De structuur moet u tenminste 3 jaar voor de bedrijfsopvolging opzetten, dit op grond van fiscale wetgeving. De structuur kan worden gevormd via een geruisloze of ruisende inbreng van een eenmanszaak, vennootschap onder firma of maatschap welke dan wordt opgevolgd met bijvoorbeeld:

  • herstructurering of het uitzakken binnen fiscale eenheid (wachttermijn 6 jaar);
  • bedrijfsfusie;
  • juridische afsplitsing; 
  • aandelenruil.

Als u 1 B.V. zou hebben, dan kunt u hier belastingvrij en vrij eenvoudig een holdingstructuur van maken. Via een aandelenruil worden de aandelen in de werkmaatschappij verkregen door een nieuw op te richten holding (vrijstelling is geregeld in artikel 3.55 jo. artikel 4.41 lid 1 wet op de Inkomstenbelasting). Formeel is er dan geen wachttermijn van 3 jaar, het moet echter niet zo zijn dat u al een koper voor uw bedrijf heeft en / of het een samenstelling van rechtshandelingen is om belastingheffing te voorkomen. Via een aandelenruil is het lastig om een mogelijke lijfrente of een stamrecht in de holding onder te brengen.

Vragen over bedrijfsopvolging

Een bedrijfsopvolging kan via vele routes worden opgezet, één keuze of optie is niet te geven. Veel mensen zijn niet op de hoogte van de notariële en fiscale gevolgen van hun situatie en / of kiezen te laat voor de juiste structuur, dit is jammer.  

Wij bieden daarom altijd een vrijblijvend gesprek bij ons op kantoor aan. In dit gesprek controleren wij uw financiële situatie, uw testament of andere zaken zoals de statuten van uw B.V. etc. Als u al jaren geleden een testament heeft laten maken en uw inkomens-, vermogens- of gezinssituatie is gewijzigd, dan is de kans groot dat uw testament niet meer voldoet. Nog belangrijker is dat u de zaken beter kunt regelen en hiermee ook nog belasting kunt besparen en ruzies kunt voorkomen.

Als u vragen of opmerkingen heeft over de erfenis, het verwerpen van een erfenis, de inzage in een testament, de aangifte erfbelasting, etc., kunt u zonder verdere verplichtingen onderstaand vragenformulier invullen. 

Service van de notaris of fiscaal jurist

Soms willen cliënten liever een gesprek thuis, op hun bedrijf of in het weekend. Het maakt ons niets uit, dit regelen wij graag voor u. Als u aangeeft waar en wanneer u de bespreking zou wensen, dan houden wij hier rekening mee. 

0000-00-00 0000-00-00 4185
2014-01-09 0000-00-00 0000-00-00 4187 Jurisprudentie bedrijfsopvolging [news] 2014-01-09

Bedrijfsopvolgingsregeling en materiële onderneming

In een uitspraak van de rechtbank Arnhem d.d. 1 november 2012 kwam de bedrijfsopvolgingsregeling in het kader van de materiële onderneming aan de orde. Tevens heeft de rechtbank Arnhem - vrij uitgebreid - haar oordeel gegeven over de mogelijke discriminatie binnen deze regeling.

Feiten uit de uitspraak over de bedrijfsopvolgingsregeling

Op 16 oktober 2005 is de heer A overleden. Hij had een testament opgesteld, zijn echtgenote en zijn drie kinderen zijn erfgenaam. Tot de nalatenschap behoorden aandelen in X Onroerend Goed B.V. (hierna: de B.V.). Deze B.V. bezat 15 panden die in de periode 1989 tot en met 2003 met eigen geld zijn aangekocht. De panden worden verhuurd aan een derde. De kinderen kregen (via een legaat) de aandelen in de B.V. De vraag is: vormen de verhuurde panden een materiële onderneming of niet? De werkzaamheden bestonden uit: 

  • de aan- en verkoop van panden;
  • het zoeken van huurders;
  • het onderhouden van contacten met huurders;
  • het (laten) verbouwen van de panden;
  • het (laten) onderhouden van de panden;
  • het onderhouden van het dagelijkse contact met de aannemer;
  • het bekleden van bestuursfuncties in de verenigingen van eigenaren van de panden (hierna: de VVE);
  • het wijzigen van de bestemmingen van de panden;
  • het opstellen van huurovereenkomsten;
  • het kadastraal splitsen van de panden;
  • het oprichten van de VVE’s en het zorgen voor verdeelsleutels over de stemmen.

Geschil bedrijfsopvolgingsregeling en bedrijfspanden / onroerende zaken

Er wordt een beroep gedaan op de bedrijfsopvolgingsregeling zoals opgenomen in artikel 35b, tweede lid, sub b, juncto artikel 35c, eerste lid, van de Successiewet 1956 (hierna: de SW). Het beroep op deze regeling is door de Belastingdienst afgewezen, er is niet aannemelijk gemaakt dat de B.V. met haar vermogen een onderneming drijft, aldus de Belastingdienst.

Als deze vraag ontkennend wordt beantwoord, dan stellen de kinderen dat sprake is van strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel.

Rechter over de bedrijfsopvolgingsregeling en onroerende zaken

Is een B.V. met panden een onderneming die recht heeft op de bedrijfsopvolgingsregeling?

Ingevolge het genoemde artikel uit de successiewet (artikel 35b, tweede lid, aanhef en onderdeel b) kan de bedrijfsopvolgingsregeling worden toegepast als er aandelen worden verkregen in een B.V. welke een echte / materiële onderneming drijft. Het mag dus niet gaan om:

  • een lichaam waarvan de feitelijke werkzaamheid bestaat in het, onmiddellijk of middellijk, beleggen van vermogen of daarmee overeenkomende werkzaamheid, die behoorden tot een aanmerkelijk belang in de zin van afdeling 4.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

De rechter gaat er eens goed voor zitten en komt met een uitgebreide uiteenzetting. De rechtbank overweegt dat naar vaste jurisprudentie het volgende onderscheid kan worden gemaakt:

  • Een onderneming is een duurzame organisatie die erop is gericht met behulp van arbeid en / of kennis en veelal van kapitaal deel te nemen aan het maatschappelijke productieproces met het oogmerk om winst, dat wil zeggen baten die het normale rendement overstijgen te behalen.
  • Van normaal vermogensbeheer is niet langer sprake indien het rendabel maken van onroerende zaken mede geschiedt door middel van arbeid die de eigenaar van de onroerende zaken verricht en welke arbeid naar aard en omvang onmiskenbaar tot doel heeft het behalen van redelijkerwijs te verwachten voordelen uit de onroerende zaken, die het rendement bij een normaal vermogensbeheer te boven gaan (zie Hoge Raad 7 oktober 1981, nr. 20733, BNB 1981/299, Hoge Raad 17 augustus 1994, nr. 29.755, LJN ZC5731, BNB 1994/319 en Hoge Raad 9 oktober 2009, nr. 43.035, LJN BI0481, BNB 2010/117).

Volgens de rechter is bij de B.V. sprake van normaal vermogensbeheer en niet meer dan dat. De eiser / kinderen noemen allerlei dingen die zouden worden gedaan, maar dit wordt onvoldoende aangetoond. Tevens wordt onvoldoende aangetoond dat door de arbeid (onder meer van de heer A, de erflater) een hoger rendement is behaald dan bij normaal vermogensbeheer. Hierbij weegt de rechter ook mee:

  • De onroerende zaken zijn aangeschaft met eigen vermogen, wat wijst op beleggingsactiviteiten.
  • Overige werkzaamheden gaan een normaal vermogensbeheer niet te boven.
  • Van een bovengemiddelde waardestijging van de panden ten gevolge van de door erflater verrichte verbouwingen is niets gebleken.
  • Het wijzigen van de bestemming van de panden heeft betrekking gehad op slechts één pand.
  • Erflater's kennis van onroerende zaken was niet van dien aard dat hiermede een hoger rendement werd behaald. Erflater is nooit beroepsmatig werkzaam geweest op de vastgoedmarkt.
  • De omvang van alle werkzaamheden zijn volgens verweerder ook niet zodanig dat sprake is van een onderneming. De werkzaamheden dienen ieder voor zich te worden beoordeeld.
  • Er wordt geen onderbouwing gegeven van de activiteiten die worden verricht, ze worden wel genoemd maar daar blijft het ook bij.
  • Er is niet aannemelijk gemaakt dat de bedoelde activiteiten dermate frequent plaatsvonden en dermate omvangrijk en renderend waren, dat zij tot een hoger rendement dan bij een normaal vermogensbeheer hebben geleid.
  • Meeste werkzaamheden hadden een incidenteel karakter.

Conclusie: er is sprake van normaal vermogensbeheer, het duurzaamheidsvereiste ontbreekt en er is geen sprake van een materiële onderneming. Er is sprake van een beleggingsportefeuille in een B.V., niet meer dan dat.

Wordt het gelijkheidsbeginsel geschonden?

De kinderen proberen nog een andere route, namelijk dat op grond van het gelijkheidsbeginsel alsnog de aanslag op nihil moet worden vastgesteld, dit op grond van de bekende uitspraak van de Rechtbank op 13 juli 2012, nr. 11/5509, LJN BX3386, V-N 2012/43.20, waarin is geoordeeld dat op grond van dit beginsel de (voorwaardelijke) vrijstelling van de bedrijfsopvolgingsregeling ook op de verkrijging van privévermogen moet worden toegepast. De rechter gaat hier uitgebreid op in, zie hieronder de overwegingen: 

  • De rechtbank stelt voorop dat het vraagstuk of sprake is van gelijke gevallen dient te worden bezien vanuit de doelstelling van de regeling. Beoordeeld dient te worden met welke redenen de wetgever een eventueel onderscheid heeft gemaakt. Hierbij zij opgemerkt dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of voor de toepassing van artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM gevallen als gelijk dienen te worden beschouwd (HR 8 juli 2005, nr. 39.870, LJN AQ7212, BNB 2005/310). Het oordeel van de wetgever dient te worden geëerbiedigd tenzij het van redelijkheid is ontbloot (EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003/52.2). De wetgever kent een zogenoemde ‘wide margin of appreciation’ (EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398). De vraag die beantwoording behoeft, is of de wetgever deze ‘margin’ heeft overschreden bij het vormgeven van de bedrijfsopvolgingsregeling.
  • Ingevolge de artikelen 35b en 35c juncto 31a van de SW wordt op verzoek van de verkrijger de bedrijfsopvolgingsregeling toegepast, onder de voorwaarde dat het verkregen (ondernemings)vermogen gedurende een periode van ten minste vijf jaren rechtstreeks wordt voortgezet. Indien aan dit voortzettingsvereiste wordt voldaan, dan geldt een vrijstelling van zestig percent van het verkregen vermogen (wettekst 2005). Het vrijgestelde belastingbedrag wordt wederom op verzoek van de verkrijger geheven bij wege van conserverende aanslag.
  • Zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de hierboven beschreven bepalingen, is de bedrijfsopvolgingsregeling door de wetgever in het leven geroepen teneinde een (gedeeltelijke) oplossing te bieden voor die gevallen waarin bedrijfsopvolging na overlijden of schenking zou worden bemoeilijkt doordat over de verkrijgingen successie- of schenkingsrecht zou moeten worden voldaan. De wetgever achtte het vanuit algemeen sociaal-economisch belang onwenselijk dat een onderneming die overgaat door vererving moet worden gestaakt of geforceerd moet worden verkocht zonder dat de bedrijfsresultaten daar aanleiding toe geven, met als gevolg een verlies aan werkgelegenheid en economische diversiteit. De ondernemer is met andere woorden in zijn bestedingsmogelijkheden beperkt; het vermogen zit vast in de onderneming (zie MvT, Kamerstukken II 1997/1998, 25 688, nr. 3, blz. 7).
  • Gelet op de duidelijke bewoordingen van de wettelijke regeling en de bijbehorende wetsgeschiedenis heeft eiser, zoals hiervoor onder 4.5 is overwogen, geen recht op toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling, daar hij geen materiële onderneming heeft geërfd en deze ook niet kan voortzetten. Naar het oordeel van de rechtbank komt eiser ook op grond van het gelijkheidsbeginsel hiervoor niet in aanmerking. In het licht van de in ro. 4.7 genoemde jurisprudentie dient ter beoordeling van een mogelijke overschrijding van bevoegdheden specifiek te worden gekeken naar de redenen die de wetgever heeft gehad voor de invoering van de te toetsen regeling en het daarin gemaakte onderscheid. Uit de wetsgeschiedenis blijkt onmiskenbaar dat het doel van de bedrijfsopvolgingsregeling is het voorkomen van liquiditeitsproblemen bij ondernemingen als gevolg van de heffing van schenkings- of successierecht opdat het voortbestaan van de ondernemingen niet in gevaar komt. Bezien vanuit dat doel brengen erfrechtelijke verkrijgingen van ondernemings- en privévermogen verschillende risico’s met zich en zijn zij als zodanig niet te beschouwen als gelijke gevallen. Eiser loopt met de verkrijging van de aandelen in een B.V. waarin geen onderneming wordt gedreven en met de betaling van het successierecht eenvoudigweg niet dezelfde bestaansrisico’s als de toekomstig ondernemer die voor deze betaling mogelijkerwijs het ondernemingsvermogen moet aanwenden. De wetgever heeft met het maken van een onderscheid tussen de typen vermogens derhalve een gerechtvaardigd doel voor ogen gehad en heeft zijn ruime beoordelingsruimte niet overschreden (vergelijk Rechtbank Arnhem 25 maart 2010, nr. AWB 09/1750, LJN BX0548, NTFR 2012/1952, Hof Arnhem 22 maart 2011, nr. 10/00194, LJN BQ0618, V-N 2011/31.1.3, Hoge Raad 9 december 2011, nr. 11/02099, LJN BU6998, V-N 2012/6.4).
  • Ook voor het geval moet worden aangenomen dat sprake is van gelijke gevallen, dan wel van een disproportionele ongelijke behandeling van ongelijke gevallen, moet het beroep op het gelijkheidsbeginsel worden afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat voor het door de wetgever in het kader van de bedrijfsopvolgingsregeling gemaakte verschil in behandeling tussen vermogens en de gekozen uitvoeringswijze – te weten vrijstellingspercentages - een objectieve en redelijke rechtvaardiging welke samengevat betreft het stimuleren van ondernemerschap (zie hiervoor ro. 4.9). Daarbij heeft de wetgever om redenen van eenvoud en doelmatigheid mogen kiezen voor een generieke regeling, waarbij niet daadwerkelijk een vermogenstoets wordt aangelegd. Met die keuze heeft de wetgever nog niet zijn ruime beoordelingsmarge overschreden. Daartoe dient in de woorden van het EHRM Della Ciaja-arrest (zie ro. 4.7) immers sprake te zijn van een ‘manifestly illogical or arbitrary’ keuze, waarvan in de onderhavige regeling geen sprake is.

Conclusie bedrijfsopvolging en materiële onderneming

Als er een B.V. is met enkele onroerende zaken of niet duidelijk een materiële onderneming, moet u erfbelasting en box 2 heffing betalen als u komt te overlijden, dit kan zomaar 50% van het vermogen van de B.V. kosten (aan erfbelasting en inkomstenbelasting).

De bedrijfsopvolgingsregeling is een geweldige manier om de erfbelasting en box 2 heffing te voorkomen, deze regeling is door de overheid echter enkel opgesteld voor "echte bedrijven". Er komen steeds meer uitspraken waaruit volgt dat een beleggingsmaatschappij / B.V. met onroerend goed niet snel een materiële onderneming is. Als u zo'n B.V. heeft, laat u dan adviseren, de meest voor de hand liggende opties zijn:

  1. Materiële onderneming binnen de B.V. kopen (voorkeur: deze onderneming in het bedrijfspand vestigen).
  2. Activiteiten ontwikkelen in de B.V. (dus meer activiteiten voor de beleggingen zelf doen, bijvoorbeeld aannemersbedrijf kopen, etc.).
  3. Emigratie naar land zonder erfbelasting.

Vragen over de bedrijfsopvolgingsregeling?

Mailt of belt u mij gerust, een oriënterend gesprek bij ons op kantoor kan zonder verdere kosten plaatsvinden. 

Veel mensen zijn niet op de hoogte van de notariële en fiscale gevolgen van hun situatie. Dit komt doordat overlijden en financiële zaken liever niet worden besproken of omdat men denkt dat de adviseur (accountant / notaris / fiscaal jurist) er vast wel naar zal kijken. De bedrijfsopvolgingsregeling wordt vaak te laat of niet toegepast, terwijl deze ook tijdens leven kan worden uitgevoerd. De regeling is niet eenvoudig en kennis van zaken is nodig.

Wij bieden daarom altijd een vrijblijvend gesprek bij ons op kantoor aan. In dit gesprek controleren wij uw financiële situatie, uw testament of andere zaken zoals de statuten van uw B.V. etc. Als u al jaren geleden een testament heeft laten maken en uw inkomens-, vermogens- of gezinssituatie is gewijzigd, dan is de kans groot dat uw testament niet meer voldoet. Nog belangrijker is dat u de zaken beter kunt regelen en hiermee ook nog belasting kunt besparen en ruzies kunt voorkomen.

0000-00-00 0000-00-00 4188

Bedrijfsopvolging en CV-structuur

Er komt een moment in het leven van u als ondernemer dat u het bedrijf moet overdragen, en dan vaak aan de kinderen. Zowel financieel als emotioneel is dat een grote stap. Uit onderzoek blijkt dat men in meer dan 25% van de gevallen ontevreden is over de advisering. Wellicht omdat niet alle mogelijkheden benut zijn of omdat men niet alle consequenties vooraf goed kon overzien of er op is gewezen.

Het overdragen van uw eenmanszaak kan eenvoudig worden gerealiseerd door de onderneming te verkopen aan de zoon of dochter, eventueel gevolgd door het kwijtschelden van de koopsom. Dit kan al dan niet fiscaal geruisloos. Elders op deze website meer hierover.

Een fraaie vorm om uw eenmanszaak over te dragen is het aangaan van een Vennootschap onder Firma (VOF) of een commanditaire vennootschap (CV) met uw opvolger. Over deze laatste en over de voordelen daarvan gaat dit artikel.

Bedrijfsovername via Commanditaire Vennootschap (CV)

Bij een CV blijft u betrokken bij de zaak. Uw ondernemingsvermogen blijft als commanditair kapitaal in de onderneming en het aantrekken van extra financiering is derhalve niet direct nodig. Dat is in deze tijd wel zo prettig. U staakt uw onderneming niet, dus fiscaal rekent u niet af over zaken als goodwill, stille reserves in activa en fiscale reserves, zoals FOR. Ook is er geen sprake van desinvesteringsbijtelling. In tegenstelling tot het overdragen tegen een vordering op de opvolger (zoals zo vaak gebeurt) blijft uw vermogen in de ondernemingssfeer. Een onverhoopt verlies blijft dan fiscaal aftrekbaar. Een vordering op de opvolger in box 3 is dat niet, tenzij er sprake is van een zogenaamde ongebruikelijke  terbeschikkingstelling, maar dit terzijde. Uw aansprakelijkheid gaat als commandiet niet verder dan hetgeen u in de CV heeft ingebracht. In een gewone VOF bent u hoofdelijk aansprakelijk.

Als commandiet geniet u winst uit onderneming, maar bent u geen ondernemer in de zin van de faciliteiten voor ondernemers. U geniet alleen de MKB winstvrijstelling. Uw winstaandeel, bestaande uit een vergoeding voor uw kapitaal (waarde van hetgeen u heeft ingebracht, inclusief de voorbehouden stille reserves) is dan toch lager belast! U kunt er overigens voor kiezen een gedeelte van de activa (bijvoorbeeld het bedrijfspand) buiten de inbreng in de CV te houden en te verhuren aan de CV.

Na verloop van tijd kunt u op een geschikt moment uw aandeel in de CV doorschuiven aan de opvolger, de beherend vennoot, en pas dan is de overdracht voltooid. Deze overdracht is een staking en leidt tot stakingswinst. Hierop zijn de faciliteiten van de geruisloze doorschuiving en de stakingswinstlijfrente van toepassing. Deze mogelijkheden worden elders op de site verder uiteengezet.

Kort samengevat de voordelen van de CV voor de bedrijfsopvolging in het familiebedrijf:

  • geen fiscale afrekening;
  • geen overdracht dus geen directe financiering door de opvolger;
  • beperking aansprakelijkheid tot bedrag inbreng;
  • ondernemingsvermogen dus mogelijkheid afwaardering;
  • MKB winstvrijstelling;
  • latere (geruisloze) doorschuiving mogelijk;
  • gevoelsmatig nog meer betrokken, ook naar relaties.
[news] 2014-01-09 0000-00-00 0000-00-00 4189

Rechtspraak over bedrijfsopvolging

In dit onderdeel diverse rechtspraken over de bedrijfsopvolgingsfaciliteit.

Rechtspraak over bedrijfsopvolging [news] 2014-01-27 0000-00-00 0000-00-00
Jongbloed laat starters niet wachten [news] 2014-02-01

Startende ondernemers bij ons altijd welkom!

Wij zijn als fiscaal adviseur graag bereid om startende ondernemingen op weg te helpen door het mijnenveld van de fiscale regelgeving. De Belastingdienst adviseert starters ook, maar alleen bij voldoende belangstelling.

Bijeenkomsten Goede start Belastingdienst / KvK afgelast

Op zaterdagochtend 1 februari meldt de Twentsche Courant Tubantia dat de Belastingdienst starters laat  wachten. Een informatiebijeenkomst voor 17 startende ondernemers is afgelast omdat er te weinig belangstelling voor de bijeenkomst was. In de ogen van de Belastingdienst welteverstaan. De ondernemers zijn hierover, zo lezen we in de Tubantia, boos. En terecht.

Starters hebben deze kennis hard nodig, willen graag voortvarend van start en zien dit soort zaken als een ongewenst oponthoud. Lees hier het hele artikel.

Wij helpen u verder

Wij helpen deze 17 starters graag verder. En andere starters natuurlijk ook. Niet in een bijeenkomst met een minimaal aantal deelnemers, maar gewoon individueel. Op een moment dat het u uitkomt, dus ook na kantoortijd. Startende ondernemers zijn bij ons welkom, voor een goede start. Wij besteden daarbij aandacht aan aspecten als:

  • Formaliteiten startende onderneming
  • Omzetbelasting en loonheffingen
  • Wijzigen / aanvragen voorlopige aanslagen
  • Rechtsvormkeuze (B.V. of niet)
  • Overeenkomsten en contracten
  • Financiering en zekerheden
  • Personeel
  • Opstellen huwelijkse voorwaarden en aanpassen testament

Wilt u een afspraak maken voor een vrijblijvend gesprek? Of wilt u eerst telefonisch overleg? Neemt u dan contact met ons kantoor op.

0000-00-00 0000-00-00 4202

Uw B.V. en de bedrijfsopvolging: cumulatief preferente aandelen

Een derde van de familiebedrijven wil de zaak verkopen. Dat blijkt uit een onderzoek gehouden onder ondernemers in 2013. Veel van deze familiebedrijven worden in de vorm van een B.V. (besloten vennootschap) uitgeoefend.  Er zijn diverse manieren om uw onderneming over te dragen. In dit artikel behandelen wij een overdracht met behulp van cumulatief preferente aandelen. Aandelen simpelweg overdragen, al dan niet tegen schuldigerkennig, kan ook. Deze variant wordt hier beschreven.

Nieuws bedrijfsopvolging 2021 of 2022 

De Bedrijfsopvolgingsregeling staat al jaren onder druk. De regeling wordt vermoedelijk per 2022 (of wellicht eerder) versobert. De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021) en de erf of schenkbelasting 20% (over eerste € 100.000 slechts 10%). De totale belastingdruk is normaal dus ongeveer 40%.

Door de bedrijfsopvolgingsregeling is de effectieve druk slecht 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) vrijgesteld en over het meerder zelfs 83%. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de heffing van de genoemde 4% naar 25 - 30%.

Bedrijfsopvolging met cumulatief preferente aandelen

Als voorbeeld nemen we een eenvoudige structuur van een holding (van vader) en een werkmaatschappij, waarin de onderneming wordt gedreven. De opvolger, in dit geval de dochter, wil de zaak voortzetten. 

Een succesvolle bedrijfsopvolging kan worden gerealiseerd door het geheel of gedeeltelijk omvormen van de bestaande aandelen van de werkmaatschappij in cumulatief preferente aandelen (hierna: cumprefs) in combinatie met uitgifte van gewone aandelen aan de persoonlijke holding van de opvolgers.

De waarde en het rendement van de onderneming blijven dan bij de Holding B.V. van vader, de toekomstige waardestijging en de overwinsten komen dan toe aan (de B.V.’s van) de dochter. Ook financieringstechnisch gezien is dit een elegante oplossing, want er hoeft niet te worden betaald bij de uitgifte van de gewone aandelen. Deze zijn immers bij aanvang niets waard. Voor de omzetting van de aandelen in de werkmaatschappij is een statutenwijziging noodzakelijk. Daarvoor moet de notaris worden ingeschakeld.

De B.V. van vader houdt, na omzetting (naast eventuele gewone aandelen) de cumulatief preferente aandelen. Over de waarde van deze aandelen wordt een (primair) dividend uitgekeerd.

Het dividend kan jaarlijks worden uitgekeerd of 'rentedragend' worden bijgeschreven bij vader's Holding B.V. Over het eventueel bijgeschreven dividend dient in de toekomst dan weer het preferente dividend te worden berekend. Na verloop van tijd kunnen de aandelen van de werk-B.V. worden ingekocht, of kunnen de aandelen worden overdragen aan de holding van dochter.

Als bij de inkoop van deze aandelen externe financiering benodigd is, biedt deze structuur het voordeel dat de financiering op het niveau van de werkmaatschappij plaatsvindt. Hierdoor is de fiscale verrekening van de rentelast in beginsel geen probleem.

Afstemming fiscus

In het geval van overdracht binnen de familiesfeer zal de fiscus kritisch toezien op de zakelijkheid van de omzetting. Er moet worden voorkomen, dat er door de omzetting goodwill en / of stille reserves naar de opvolger verschuiven. Ook dient het dividendpercentage op de cumprefs zakelijk te zijn. Dit vergt afstemming met de Belastingdienst.

De Belastingdienst pleegde akkoord te gaan met een preferent dividend dat is gebaseerd op de rente op staatsobligaties met een geringe opslag. Vaak werd in de praktijk bij de 7% aangesloten die ooit in een (overigens niet van toepassing zijnd) besluit is genoemd. Vaak wordt nu een hoger primair dividend geëist.

Voorwaarden

De door de fiscus gestelde voorwaarden zijn:

  1. De gewone aandelen worden bij statutenwijziging omgevormd tot cumulatief preferente aandelen.
  2. De aan de om te zetten gewone aandelen verbonden zichtbare en stille winstreserves, alsmede goodwill worden toegerekend aan de preferente aandelen. Hiertoe worden in de jaarrekening en in de statuten afzonderlijke reserves gecreëerd.
  3. De preferente aandelen geven recht op een zakelijke vergoeding voor het ter beschikking stellen van vermogen (primair dividend).
  4. Indien in enig jaar in plaats van een werkelijke dividenduitkering een bijschrijving plaatsvindt op de aan de preferente aandelen verbonden winstreserverekening, bestaat in de daaropvolgende jaren ook recht op het vastgestelde percentage primair dividend over deze bijschrijving.
  5. Indien in enig jaar een verlies wordt afgeboekt op de aan de preferente aandelen verbonden winstreserverekening, wordt, als in een later jaar winst wordt gemaakt, een gelijk bedrag weer bijgeschreven op deze winstreserverekening.
  6. Bij liquidatie van de vennootschap worden de aan de preferente aandelen verbonden winstreserves uitgekeerd aan de houder van de preferente aandelen.

Toepassing bedrijfsopvolgingsfaciliteiten

Het prettige voordeel van het werken met cumprefs boven een gewone overdracht van aandelen is, dat bij de cumprefs de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten blijven bestaan ten aanzien van de aandelen met een vastgestelde waarde. Deze aandelen kunnen dus desgewenst ooit worden geschonken aan de opvolgers. Of ze gaan bij vererving over. Let op dat hier wel voorwaarden aan zijn gesteld:

  • De preferente aandelen vormen een omzetting van een eerder door de erflater of schenker gehouden aanmerkelijk belang van gewone aandelen.
  • De omzetting tot preferente aandelen is gepaard met het toekennen van gewone aandelen aan een ander (hier: de dochter). Door de Staatssecretaris is aangegeven dat hieraan ook is voldaan als van de door de overdrager gehouden gewone aandelen slechts een deel van de aandelen wordt omgezet in preferente aandelen en de rest van de aandelen overgaat naar de opvolger.
  • Ten tijde van de omzetting tot preferente aandelen dreef de vennootschap waarop de omgezette aandelen betrekking hadden een "echte" onderneming.
  • De verkrijger van de preferente aandelen is reeds voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder van gewone aandelen.
  • De verkrijging van indirect gehouden preferente aandelen, dus via een personal holding B.V. van vader, kan eveneens voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in aanmerking komen, omdat deze preferente deelneming als ondernemingsvermogen kan worden beschouwd voor zover dit ten tijde van de verkrijging betrekking heeft op ondernemingsvermogen in de werkmaatschappij.
[news] 2014-02-03 0000-00-00 0000-00-00 4206

Uw bedrijfspand en de bedrijfsopvolging

Bij een overdracht van een onderneming neemt een bedrijfspand een bijzondere positie in. Niet alleen vanwege de veelal hoge waarde en de mogelijk daarop rustende financiering, maar ook vanwege de fiscale gevolgen van overdracht. Moet het pand mee worden overgedragen, of blijft het als appeltje voor de dorst bij de overdrager achter? Wat zijn de mogelijkheden met betrekking tot de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten?

Een advies over uw bedrijfspand is maatwerk, maar in dit artikel geven wij een paar voorbeelden van veelvoorkomende situaties.

Privé-onderneming of samenwerkingsverband:

  • Pand is (gedeeltelijk) privévermogen
  • Pand in  verplicht ondernemingsvermogen

B.V. structuur:

  • Pand in de werkmaatschappij
  • Pand in vastgoed B.V.
  • Pand privé: terbeschikkingstelling
  • Pand privé: box 3

Binnenkort leest u hier meer over dit onderwerp.

2014-02-04 0000-00-00 0000-00-00 4207

Bedrijfsopvolging en rechtsvorm

Vooral bij een bedrijfsovername is het de vraag welke rechtsvorm passend is. Moet u kiezen voor een eenmanzaak, een B.V. of is er sprake van een samenwerkingsverband? Een belangrijke keuze. Niet alleen vanwege de fiscaliteit, maar ook vanwege aansprakelijkheid. Ook kunnen commerciële aspecten een rol spelen.

Vaak is voor een starter een in privé gedreven onderneming wel aantrekkelijk, vanwege de faciliteiten voor starters. Daarna is inbreng in een rechtspersoon (B.V. of N.V.) altijd mogelijk. Ook zonder tussentijdse fiscale afrekening. De rechtsvorm waarin de overdrager zijn onderneming heeft uitgeoefend speelt een rol, maar is niet altijd van overwegend belang. In dit artikel geven we een overzicht van de diverse opties, met elk hun eigen voordelen en nadelen.

Eenmanszaak, maat in de maatschap of firmant in een VOF

Voor starters graag een voor de hand liggende keuze. Een onderneming starten als ondernemer voor de inkomstenbelasting, bijvoorbeeld als ZZP'er of vrije beroepsbeoefenaar. Of in een samenwerkingsverband met een overdrager, als eerste aanzet naar een bedrijfsopvolging. Fiscaal levert dit vaak het meest optimale resultaat, omdat u als ondernemer (mits u voldoet aan het urencriterium en 1.225 uur werkt in de onderneming) gebruik kunt maken van diverse facilteiten voor ondernemers, zoals de MKB-winstvrijstelling, zelfstandigenaftrek, investeringsaftrek, willekeurige afschrijvingen en de oudedagsreserve.

Wanneer overstappen naar de B.V.?

Wij rekenenen graag voor u uit, wanneer het fiscaal beter is om uw onderneming om te zetten in de B.V., maar daarvoor moet u een behoorlijke winst behalen. Waar het omslagpunt precies ligt is afhankelijk van diverse factoren, zoals uw aftrekposten en het salaris dat u moet gaan genieten. 

U hoeft als IB-ondernemer geen salaris te genieten en dus geen rekening te houden met de regels van het gebruikelijk loon. Als de voortekenen ons niet bedriegen, worden deze regels ook nog aangescherpt in 2015. U mag nu nog binnen een 30% bandbreedte zitten van wat gebruikeljk is, vanaf 2015 zal dat waarschijnlijk 10% worden.

2014-02-04 0000-00-00 0000-00-00 4208

Bedrijfsopvolging? Is uw testament wel op orde?

Om onnodige fiscale afrekening te voorkomen, is het goed om af en toe te beoordelen / bezien of uw testament op orde is voor een goede bedrijfsoverdracht. Een testament heeft een beperkte houdbaarheid, vijf jaar is al redelijk oud. Mocht u geen testament hebben, dan wordt het ook de hoogste tijd om dat te doen.

In de praktijk constateren we dat het vaak fout gaat als de onderneming of de aandelen niet door de beoogde voortzetter van de onderneming worden verkregen, maar bijvoorbeeld door de langstlevende echteno(o)t(e). Uiteindelijk komt het wel goed, maar de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten kunnen dan niet direct worden benut. 

Checklist ondernemerstestament

  1. Is er een testament opgesteld?
  2. Wanneer is het testament opgemaakt en door welke notaris?
  3. Bent u getrouwd in gemeenschap van goederen of op huwelijkse voorwaarden?
  4. Is er nagedacht over een directeur bij overlijden van de ondernemer?
  5. Wie is de beoogde bedrijfsopvolger voor het bedrijf?
  6. Is er een volmacht verstrekt aan iemand die hierdoor het bedrijf kan voortzetten?
  7. Wie moet na overlijden de aandelen of eigendom van de onderneming verkrijgen?
  8. Welke aandelen verkrijgt de opvolger, de werkmaatschappij(en) en / of de holding?
  9. Is er een overlijdensrisicoverzekering afgesloten (bij pensioen in eigen beheer)?
  10. Hoe moeten de aandelen gewaardeerd worden?
  11. Moeten de aandelen per direct of in termijnen worden betaald?
  12. Is het wenselijk dat de aandelen nu al gecertificeerd worden?
  13. Is er sprake van onroerend goed in de holding?
  14. Is het wenselijk dat bepaalde werknemers ook een aandelenpakket krijgen, zo ja tegen welke prijs?
  15. Naar wie gaat de woning en inboedel?
  16. Is er binnen het (familie)bedrijf een opvolgingsplan?
  17. Is een vruchtgebruikstructuur wenselijk?
  18. Moet er een bewindvoerder worden benoemd?
  19. Is een voogd wenselijk?
  20. Is een executeur voor het bedrijf en / of de privézaken wenselijk?
  21. Is een leventestament te overwegen? 
  22. Wie zijn erfgenamen en / of wie krijgt er een legaat?
  23. Moeten bepaalde mensen of kinderen niets of zo weinig mogelijk krijgen?
  24. Is een tweetrapsmaking te overwegen?
2014-02-04 0000-00-00 0000-00-00 4210

Waardering van een onderneming of B.V.

Bij een bedrijfsopvolging of bedrijfsoverdracht moet de onderneming of de aandelen van de B.V. gewaardeerd worden. Voor de waardering van een onderneming bestaan verschillende methoden. Het waarderen van ondernemingen is lastig en erg afhankelijk van:

  • de toekomst van uw bedrijf en de bedrijfscyclus;
  • de winstverwachtingen van uw bedrijf in de toekomst;
  • stille reserves in activa;
  • de potentiële koper en diens wensen en eisen;
  • de goodwill binnen uw bedrijf;
  • de rechten, patenten, octrooien binnen uw bedrijf;
  • de afhankelijkheid van de persoon van de ondernemer;
  • de mogelijkheden om de cijfers te normaliseren, etc.

Er is niet één methode om uw bedrijf te waarderen. In dit artikel worden diverse methoden toegelicht. Welke methode in uw situatie de juiste is, zal afhangen van uw bedrijf, de branche en de intenties van de koper. Elke berekening is slechts een indicatie of richtsnoer om te komen tot een uiteindelijke waarde van uw onderneming of aandelen in een B.V. Laten we zeggen dat de waardeberekening van uw bedrijf een startpunt voor onderhandelingen is. De uiteindelijke koopprijs kan ook nog hoger zijn als de koopsom niet direct kan worden betaald, deze optie zien we de laatste tijd steeds vaker.

Is uw bedrijf klaar voor bedrijfsopvolging? 

Overweeg eens een fiscale scan van uw bedrijf. Wij toetsen uw bedrijf op meer dan 100 adviesonderdelen.  Hierbij bekijken wij of u gebruik maakt van alle fiscale regels en uw bedrijf klaar is voor een mogelijke bedrijfsopvolging. Ook kijken wij naar:

  • Maakt u optimaal gebruik van de fiscale wetgeving ?
  • Is uw structuur en rechtsvorm op orde?
  • Uw positie als ondernemer/DGA t.o.v. van uw prive situatie.
  • Continuiteit, verkoop, bedrijfsopvolging op orde.
  • Optimalisatie van uw fiscale positie.
  • Check inzake mogelijk boekenonderzoek, wat zijn de risico's?
  • Loonheffingen en onkostenvergoedingen optimaal?

Stuur een e-mail voor een vrijblijvende offerte.

Waardering onderneming volgens intrinsieke waarde

Vaak wordt er gesproken over de intrinsieke waarde van een onderneming of B.V. Dit is de waarde volgens de balans van de onderneming of B.V., dus feitelijk het zichtbaar eigen vermogen van de onderneming of B.V. Voor de intrinsieke waardeberekening moet een balans worden opgesteld waarop de activa en passiva gewaardeerd worden tegen de werkelijke waarde (actuele waarde). U moet dus rekening houden met de stille reserves in activa. U moet op deze balans ook rekening houden met de in de toekomst over de boekwinst te betalen belastingen (de zogenaamde latente belastingen). Voorbeeld:

Balans volgens accountant:

Activa: pand € 100.000 en voorraad € 25.000.

Passiva: eigen vermogen € 100.000 en schuld bank € 25.000.



Balans bij werkelijke waarde:

Activa: pand € 200.000 en voorraad € 50.000.

Passiva: eigen vermogen € 200.000 en schuld bank € 25.000 en latente belastingen € 25.000 (ong. 20% stille reserves).

De intrinsieke waarde van de vennootschap bedraagt dan € 200.000.

Waardering onderneming volgens rentabiliteits- en rendementswaarde

Bij de waardering van een onderneming of B.V. volgens de rendementswaarde wordt de waarde van een onderneming bepaald op basis van de contante waarde van de te verwachten dividenden. Deze berekeningswijze wordt vaak gebruikt bij de berekening van de waarde van een onderneming of B.V. als er sprake is van kleinere aandelenpakketten.

Bij de waardering van een onderneming of B.V. volgens de rentabiliteitswaarde is de waardering gestoeld op de contante waarde van de in de toekomst te verwachten winsten. Voor een dergelijke berekening is een prognose nodig voor de eerstkomende 3 tot 5 jaren. Deze prognose moet haar rechtvaardiging vinden in historische cijfers en overige gegevens. Hierbij mag de winst worden genormaliseerd (incidenten en zaken die na de overname niet meer relevant zijn kunnen uit de winst worden gehaald).

Waardering onderneming volgens discounted-cashflow-methode

De discounted-cashflow-methode (DCF) kent meerdere varianten en is een complexe berekeningsmethode. In de praktijk wordt meestal gebruik gemaakt van de Weighted Average Cost of Capital Methode (WACC). Bij de DCF-methode wordt gerekend met de toekomstige vrije kasstromen. Voor een dergelijke berekening is wederom een prognose nodig (zie hiervoor), maar deze prognose moet nog meer details bevatten (omzet, kosten, investeringen, desinvesteringen, rentebetalingen, etc.).  Per jaar wordt vervolgens bepaald welke kasstroom aan de aandeelhouder zou toekomen. De waarde van de onderneming of B.V. is dan gelijk aan de contante waarde van de toekomstige vrije kasstromen, hierbij wordt als disconteringsfactor de WACC gebruikt. Deze WACC is ongeveer gelijk aan de gewogen kostenvoet van het vermogen van de onderneming of B.V. waarbij uitgegaan wordt van een gewenste verhouding tussen eigen en vreemd vermogen, al met al hogeschool berekenen.

Waardering onderneming volgens gewogen gemiddelden

Niet elke methode is altijd even goed toe te passen, er wordt dan ook vaak voor gekozen om verschillende berekeningen te maken om te kijken of deze ongeveer tot dezelfde waarderingen komen. Vervolgens wordt er een gemiddelde genomen. Hierbij komt het in de praktijk ook voor dat een berekening die beter bij uw bedrijf past zwaarder wordt gewogen. Ook worden prognoses die dichter bij het heden liggen zwaarder in de berekening betrokken.

[news] 2014-02-04 0000-00-00 0000-00-00 4212

Opvolgingsfaciliteit voor ondernemers

Als uw bedrijf wordt gestaakt, verkocht of geschonken, liggen er diverse fiscale claims op de loer. Deze claims kunnen (deels) worden voorkomen of uitgesteld. Hoe dat in zijn werk gaat, leest u hieronder in de korte samenvatting van de huidige faciliteiten.

Fiscale gevolgen bedrijfsopvolging

In de situatie dat de in privé gedreven (IB-)onderneming wordt overgedragen, moet gewoonlijk worden afgerekend met inkomstenbelasting. Bij verkoop van aandelen van uw B.V. in de aanmerkelijk belangsfeer (AB) moet u 25% belasting afrekenen over de aanmerkelijk belangwinst. Bij een overgang daarna van het (netto) vermogen naar uw kinderen door schenking of bij overlijden is er ook nog eens minimaal 10%, en maximaal 20% erfbelasting verschuldigd. Dit kan al met al vervelende gevolgen hebben voor uw humeur en de continuïteit van uw onderneming. Het is immers een tussentijdse fiscale afrekening die in de praktijk vaak heel slecht uitkomt.

Teneinde de overdracht van uw onderneming naar bijvoorbeeld uw kinderen fiscaal geruisloos te laten verlopen en zo de continuïteit niet in gevaar te brengen, zijn er enkele bedrijfsopvolgingsfaciliteiten, die hieronder kort uiteen worden gezet.

Inkomstenbelasting

1. Doorschuiven IB-onderneming

Een ondernemer kan zijn onderneming geruisloos doorschuiven aan een medeondernemer die tenminste gedurende drie jaar als medeondernemer of als werknemer in de onderneming heeft gewerkt. De voortzetter gaat dan verder met de boekwaarden van de overdrager en neemt de fiscale claim ook over. Voor de liefhebbers: artikel 3.63 van de wet IB 2001. De koopsom kan aan de overdrager worden uitbetaald of door de overdrager aan zijn opvolger worden kwijtgescholden. De fiscale oudedagsreserve (FOR) kan alleen naar de partner worden doorgeschoven.

2. Doorschuiven IB-onderneming bij overlijden

Bij overlijden, ziekte en arbeidsongeschiktheid en enkele andere omstandigheden geldt de termijn van drie jaar niet en is de doorschuiffaciliteit direct van toepassing.

3. Doorschuiving van aanmerkelijk belang bij overlijden

Bij overlijden van de aanmerkelijkbelanghouder wordt er geen aanmerkelijk belang geheven bij overgang onder algemene titel (erven) of bijzondere titel (legaat) als voldaan wordt aan de volgende eisen:

  • de vennootschap drijft een onderneming (en is dus geen belegger) of is medegerechtigde;
  • de aandelen vormen geen aanmerkelijk belang op grond van de meetrekregeling;
  • de aandelen vormen geen ondernemingsvermogen;
  • een verkrijging bij legaat moet binnen twee jaar na overlijden plaatsvinden.

Het gedeelte van de overdrachtsprijs dat aan het vermogen van de onderneming is toe te rekenen, vermeerderd met 5% van het beleggingsvermogen, wordt zonder heffing doorgeschoven naar de erfgenamen / legataris (artikel 4.17a Wet IB 2001).

Voor preferente aandelen gelden aanvullende voorwaarden. Er moet onder meer sprake zijn van een eerdere omzetting van gewone aandelen, waarbij gewone aandelen aan een ander zijn uitgegeven. Zoals bij een gewone bedrijfopvolging dus.

4. Doorschuiving van aanmerkelijk belang bij schenking van aandelen

Schenking van aandelen aan de opvolger kan ook al bij leven. Daarvoor gelden dezelfde eisen als hierboven onder 1 tot en met 3 genoemd. Daarnaast geldt echter de aanvullende eis dat de verkrijger al sinds drie jaar bij de vennootschap waarvan de aandelen worden geschonken in dienstbetrekking is.

Eén en ander lijkt eenvoudig, maar is in de uitvoering redelijk complex en vereist dus de nodige planning.

Schenk- en erfbelasting

Hierboven hebben wij in het kort de inkomstenbelastinggevolgen van doorschuiving van ondernemingsvermogen besproken. Indien er ondernemingsvermogen wordt geschonken, heeft dit ook nog eens consequenties voor de schenk- en erfbelasting.

Schenken van vermogen door ouders aan kinderen kost, afgezien van vrijstellingen 10% over de eerste € 118.708 (bedragen 2011), over het meerdere wordt 20% geheven. Bij kleinkinderen is het tarief 80% hoger, derhalve 18% en 36%.

Bij een bedrijfsoverdracht kan onder voorwaarden gebruik worden gemaakt van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten. Vanaf 1 januari 2010 geldt een forse vrijstelling voor ondernemingsvermogen. Over een waarde van € 1.000.000 is helemaal geen erf- of schenkbelasting verschuldigd, daarboven is 83% vrijgesteld. Als er dan toch nog over de resterende 17% belasting is verschuldigd, kan daarvoor rentedragend uitstel worden verleend.

Voor de onderstaande ondernemingsgerelateerde vermogensbestanddelen kan van deze faciliteit gebruik worden gemaakt:

  • de IB-onderneming;
  • een medegerechtigdheid;
  • de aanmerkelijk belangaandelen van uw B.V. of N.V.;
  • onroerende zaken die onder de TBS-regeling vallen.

Er moet sprake zijn van een reële bedrijfsopvolging. Als voorwaarde geldt daarbij een bezitseis en een voortzettingseis.

De bezitseis bij overlijden houdt in, dat de erflater de hierboven genoemde onderneming al tenminste één jaar dreef, de aandelen of andere kwalificerende vermogensbestanddelen al één jaar had. Bij schenking bij leven geldt een termijn van vijf jaren.

De voortzettingseis geldt ten aanzien van de erfgenaam of begunstigde, deze moet de onderneming vijf jaar voortzetten of de aandelen vijf jaar houden. Gebeurt dat niet, dan vervalt de vrijstelling alsnog.

Samenvatting

Er zijn zeer interessante regelingen voor bedrijfsoverdracht in de inkomstenbelasting en de schenk- en erfbelasting. Er kunnen grote fiscale voordelen behaald worden. Vanzelfsprekend is de praktijk vaak veel weerbarstiger dan de theorie, zodat u zich tijdig en goed moet laten adviseren. Dit soort advisering moet dus vroegtijdig worden opgestart en zorgvuldig gepland. Wij zijn u daarbij graag van dienst. Samen met bijvoorbeeld uw eigen notaris en accountant kunnen wij tot een afgewogen advies komen.

Schema BOF BezitsperiodeDienstbetrekkingVoorzettings-Fiscaal Beleggings-
   erflater / schenkerverkrijgervereistegevolgvermogen max.
Aanmerkelijk belangSchenkengeen36 maandgeenuitstel5%
  Overlijdengeengeengeenuitstel5%
Winst uit ondernemingSchenkengeen36 maandgeenuitstelVermogens-
TBS vermogenOverlijdengeengeengeenuitsteletikettering
Schenk- en erfbelastingSchenken5 jaargeen5 jaarafstel5%
  Overlijden1 jaargeen5jaarafstel5%

Actueel: de bedrijfsopvolgingsregeling heeft de aandacht!

Door alle commotie die de uitspraak van het Gerechtshof in de Den Bosch heeft opgeleverd over de discriminerende werking van de BOR heeft Staatssecretaris Wiebes aangekondigd nog eens goed te kijken naar de regelingen. En met kijken bedoelt hij of de regelingen (die ondanks het feit dat de Hoge Raad de uitspraak van het Hof Den Bosch heeft vernietigd) de overheid veel geld kosten, niet kan beperken of afschaffen. Tijdens deze kabinetsperiode zal dat niet gebeuren, zegt Wiebes, maar wacht niet te lang. Een kabinet is ook niet eeuwig houdbaar! 

2014-02-04 0000-00-00 0000-00-00 4213

Toekomst bedrijfsopvolgingsregelingen, uitstel van executie?

Staatssecretaris Wiebes heeft in een brief aan de Tweede Kamer het voornemen geuit om de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten nader te bezien en te kijken of kan worden volstaan met een lager vrijstellingspercentage of met een betalingsregeling. Uit gegevens van de Belastingdienst zou blijken dat de te betalen erfbelasting in 70% van de gevallen uit de nalatenschap gewoon had kunnen worden betaald als geen sprake was geweest van een vrijstelling. Zoals te verwachten kwam er een storm van kritiek. 

Stop de bedrijfsopvolgingsregeling?

De door de Staatssecretaris aangekondigde afzwakking van de BOF zal in ieder geval niet tijdens de huidige kabinetsperiode worden doorgevoerd, zo laat het Ministerie van Financiën aan het FD weten. Ondernemers, werkgeversorganisaties VNO-NCW, MKB-Nederland en LTO Nederland zagen het plan van Wiebes geheel niet zitten. Zij waren "verbijsterd" over de "proefballon" van de bewindsman. En dat juist een Staatssecretaris van VVD-huize met het voorstel kwam, schoot velen in het verkeerde keelgat.



Het kabinet heeft aangegeven wel door te gaan met het voorbereiden van de belastingherziening, die zal leiden tot belastingverlaging voor burgers en bedrijven.

Conclusie

Hoe lang een kabinetsperiode duurt weet niemand. Toch maar niet te lang wachten met plannen maken, lijkt dus toch het devies!

[news] 2014-05-06 0000-00-00 0000-00-00 4294

Geruisloze terugkeer uit de B.V.

In onze dagelijkse praktijk adviseren wij veel ondernemers over de juistheid van de rechtsvorm van hun onderneming. Naast redenen als voorbereiden voor staken, opvolgen of samenwerken zijn toenemende of juist tegenvallende bedrijfsresultaten vaak aanleiding voor een goede analyse. Vaak gevolgd door een wijziging. In het hedendaagse economische klimaat blijkt de B.V.-vorm verre van (fiscaal) optimaal. Afgezien van de civielrechtelijke aspecten (zoals aansprakelijkheid) is dan al snel de wens uitgesproken om een goed alternatief te bedenken. Daarbij komt ook de toenemende druk op de omvang van het gebruikelijk loon, die de B.V.-vorm onaantrekkelijk maakt. In 2013 wordt de doelmatigheidsmarge verlaagd van 30% naar 10% en moet er € 150 miljoen uit de zak van de DGA worden geklopt. 

Afrekenen of niet  

Vaak zal een terugkeer uit de B.V. simpelweg kunnen worden geregeld door overdracht van de activa en passiva aan de aandeelhouder. Eventueel in overleg met de fiscus kunnen de voorwaarden worden bepaald (eventuele stille reserves, zakelijke goodwill zal er al vaak niet meer zijn). De B.V. kan in stand blijven met eventuele pensioen- of stamrechtverplichtingen. Afrekenen is dan in feite niet aan de orde. Eventuele stille reserves vallen dan in de verrekenbare verliezen en kunnen in de voortzettende IB-onderneming worden afgeschreven. Geen probleem en redelijk overzichtelijk. Ook is een eventuele VOF samen met de B.V mogelijk. Als er verliezen zijn, is een alternatief wellicht beter.

Fiscale verliezen

Het nadeel is dat eventuele compensabele verliezen, die in de B.V. zijn opgebouwd niet kunnen worden meegenomen. En die zijn er vaak in ruime mate! De B.V. maakt ook in de toekomst geen winsten waarmee ze verrekend kunnen worden en na negen jaar zijn ze verdampt en daarmee is een fiscaal voordeel verdwenen. Is dat uw situatie, maak dan gebruik van de geruisloze terugkeerfaciliteit.

Geruisloze terugkeerfaciliteit

De wetgever heeft een faciliteit in het leven geroepen, die in tegenstelling tot de geruisloze inbreng in de B.V. niet vaak wordt toegepast. De complexiteit van de uitvoering en het feit dat de B.V. verplicht moet worden ontbonden, maakt de regeling niet populair, maar in het geval van veel compensabele verliezen kan het wel een te overwegen mogelijkheid zijn.

Kern van de regeling:

  • Onderneming gaat op overgangstijdstip over op de aandeelhouders.
  • Geldt alleen voor materiële onderneming, holdingstructuur moet worden ontbonden (juridische fusie). 
  • Aandeelhouders worden ondernemer en moeten de intentie hebben om de onderneming voort te zetten.
  • De voormalige werk B.V. wordt geliquideerd.
  • De bestaande fiscale claims (VPB en aanmerkelijk belang) worden omgezet in een inkomstenbelastingclaim.
  • De verrekenbare verliezen van de B.V. worden verrekenbare ondernemingsverliezen in privé.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                        ivé 
  • Pensioen en stamrecht moet worden afgestort (dat is vaak een belemmering).
  • Beperkte terugwerkende kracht mogelijk, zorg voor intentieverklaring (voor 1 oktober). 

Advies nodig?

Een geruisloze terugkeer is redelijk complex, maar wij hebben hier ervaring mee. Wij kunnen u dus adviseren, dus neemt u vooral een keer (vrijblijvend) contact met ons op.

Geruisloze terugkeer uit de B.V. [news] 2014-09-03 0000-00-00 0000-00-00 4356

Bedrijfsopvolging via verhuur werkt niet

Henk heeft een onderneming en in 2010 komt Henk te overlijden. De onderneming is gevestigd in een warenhuis. De dochter van Henk, we noemen haar Jacklien, is enig erfgenaam. Ze pakt na het overlijden van Henk de onderneming verder op en verhuurt vanaf 2011 de onderneming / het warenhuis aan een derde. Centrale vraag: "is er sprake van voortzetting van de onderneming?" Als een onderneming namelijk belastingvrij wordt overgedragen, moet deze 5 jaar worden voortgezet. De rechter vindt van niet, hier zijn wij het wel mee eens. Had het slimmer gekund? Zeker ...

Nieuws bedrijfsopvolging 2021 of 2022 

De Bedrijfsopvolgingsregeling staat al jaren onder druk. De regeling wordt vermoedelijk per 2022 (of wellicht eerder) versobert. De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021) en de erf of schenkbelasting 20% (over eerste € 100.000 slechts 10%). De totale belastingdruk is normaal dus ongeveer 40%.

Door de bedrijfsopvolgingsregeling is de effectieve druk slecht 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) vrijgesteld en over het meerder zelfs 83%. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de heffing van de genoemde 4% naar 25 - 30%.

Procedure over BOF en verhuur

De voorzettingseis in de wet staat in artikel 35e van de successiewet.

  • "...... de verkrijger houdt op uit de onderneming of een gedeelte daarvan winst te genieten."

Dit artikel moet worden gelezen in combinatie met artikel 35b, vijfde lid SW, hierin staat dat de onderneming door de verkrijger vijf jaar moet worden voortgezet. Tijdens de gesprekken over deze wet is door het parlement hierover het volgende gezegd:

  • In beginsel volgt de bedrijfsopvolgingsregeling voor de zogenoemde voortzettingseis het stakings- en vervreemdingsbegrip uit de Wet inkomstenbelasting 2001. Dit kan anders zijn wanneer de specifieke aard van de bedrijfsopvolgingsregeling daarom vraagt. Indien bijvoorbeeld bij de overdracht van een onderneming gebruik wordt gemaakt van artikel 3.63 Wet IB 2001, wordt de onderneming voor de inkomstenbelasting geacht niet te zijn gestaakt. Deze niet-stakingsfictie werkt niet door naar de bedrijfsopvolgingsregeling. In zoverre bestaat er overigens geen wijziging ten opzichte van de huidige regeling.” (MvT, Kamerstukken II 2008 /09, 31 930, nr. 3, p. 46.)

Via de Wet op de Inkomstenbelasting kan een voortgezet ondernemerschap worden gevraagd. Volgens de erfgenaam is hiervan sprake. De rechter kiest - zoals hierboven omschreven - een andere route: "de oorspronkelijke onderneming moet worden voortgezet". Dat de erfgenaam via de verhuurroute ook winst uit onderneming geniet vindt de Rechtbank niet relevant. Uit een oude uitspraak van de Hoge Raad volgt dat verhuur van een onderneming moet worden gezien als een andere / gewijzigde vorm, dus geen staking.

Of er beroep is ingesteld is ons nu onbekend.

Oplossing voor verhuur en BOF 

Dat een verhuurder iets anders is dan een ondernemer zal voor iedere lezer wel helder zijn, immers de verhuurder krijgt huur en de huurder krijgt de winst (te verminderen met de huursom en overige kosten van de onderneming). De rechter loopt wel een bijzondere route waar wel wat tegen is in te brengen. Immers het bedrijf wordt (hoewel in een andere vorm) voortgezet door de erfgenaam. De erfgenaam had er beter voor kunnen kiezen om de onderneming voort te zetten in bijvoorbeeld een B.V. of coöperatie (artikel 10 uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting) en de huurder langzaam in deze B.V. laten ingroeien en hem als (mede-)bestuurder te benoemen.

Bron verhuur en bedrijfsopvolging

Rechtbank Den Haag, 21 januari 2016, 15/3326.

Hoge Raad 26 januari 1955 12.088.

[news] 2016-05-26 0000-00-00 0000-00-00 4934

Bedrijfsopvolging in de overdrachtsbelasting

Dat het overdragen van ondernemingsvermogen of aandelen in een familie-B.V. onder de bedrijfsopvolgingsregeling zonder schenk- en inkomstenbelasting mogelijk is, is een bekend gegeven. De wet biedt hiervoor een aantal faciliteiten. De overdrachtsbelasting blijkt echter in de praktijk een lastig dingetje. Rechtbank Noord Nederland kijkt verder dan de letterlijke wettekst en stelt dat de bedrijfsopvolgingsregeling in de overdrachtsbelasting ook geldt als aandelen in een onroerend-goed-lichaam (OG-lichaam) worden geschonken.

Nieuws bedrijfsopvolging 2021 of 2022 

De Bedrijfsopvolgingsregeling staat al jaren onder druk. De regeling wordt vermoedelijk per 2022 (of wellicht eerder) versobert. De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021) en de erf of schenkbelasting 20% (over eerste € 100.000 slechts 10%). De totale belastingdruk is normaal dus ongeveer 40%.

Door de bedrijfsopvolgingsregeling is de effectieve druk slecht 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) vrijgesteld en over het meerder zelfs 83%. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de heffing van de genoemde 4% naar 25 - 30%.

Wat was de casus inzake de BOR?

Belanghebbende krijgt de aandelen in een B.V. geschonken van zijn moeder. Op de balans van de B.V. stonden een 40-tal verhuurde studentenpanden, 4 winkelpanden en 3 garageboxen. Daarnaast had deze B.V. een 100% belang in een materiële onderneming. Vanwege de waarde van het onroerend goed in vergelijking tot het overige vermogen van de B.V., wordt deze B.V. voor de overdrachtsbelasting aangemerkt als een OG-lichaam. Fiscaal wordt dan gedaan alsof moeder onroerend goed heeft geschonken in plaats van aandelen. Deze fictie kost zoon echter wel € 141.360 aan overdrachtsbelasting. Voor de schenk- en inkomstenbelasting gaat de schenking wel goed omdat de inspecteur oordeelt dat de B.V. een materiële onderneming drijft.

Uiteraard is zoon het hier niet mee eens. Hij beroept zich op de vrijstelling in de overdrachtsbelasting voor overdracht van binnen de onderneming gebruikte onroerende zaken. Hierbij moet worden opgemerkt dat zoon tot de voor toepassing van deze vrijstelling geldende familiekring behoort. De inspecteur stelt dat de letterlijke wettekst geen ruimte laat voor een vrijstelling bij schenking van fictieve onroerende zaken (in casu de aandelen). Volgens de inspecteur blijkt uit de wet dat de vrijstelling slechts is bedoeld voor overdrachten van tot een IB-onderneming behorende onroerende zaken.  

De rechter sluit in haar uitspraak aan bij de achtergrond van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de overdrachtsbelasting: het wegnemen van fiscale belemmeringen bij overdracht binnen familieverband. Dat de wettekst spreekt over ‘onderneming‘ maakt het oordeel van de rechter niet anders nu dit begrip aansluit bij het ondernemingsbegrip welke in andere heffingswetten (IB / Successiewet) wordt gehanteerd (de materiële onderneming).

Voor de praktijk

Natuurlijk is een dergelijke uitspraak altijd mooi, voor de praktijk is het echter nog geen gelopen race. Als sprake is van een vennootschap met onroerend goed moet eerst de discussie worden gewonnen dat sprake is van een materiële onderneming. Exploitatie van onroerend goed valt vaak onder de categorie beleggingen. Als deze horde gepasseerd is krijg je vervolgens nog de discussie over de overdrachtsbelasting. Naar de letter van de wet kan de bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet toegepast worden op een verkrijging van aandelen in een OG-lichaam. De Hoge Raad heeft echter op 10 juni 2011 geoordeeld dat het feit dat de onroerende zaken worden gehouden door een B.V. niet op andere wijze mag worden behandeld dan indien een privépersoon deze onroerende zaken zou bezitten (de doorkijkarresten). In onderhavige uitspraak wordt het standpunt van de Hoge Raad bevestigd.

De Hoge Raad gaat zich nu over deze casus buigen, pas dan is duidelijk hoe een starre wettekst moet worden uitgelegd en toegepast. Wordt vervolgd ... 

Wilt u weten of uw vennootschap kwalificeert voor de bedrijfsopvolgingsregeling, neem dan contact met ons op. De mogelijkheden reiken wellicht verder dan u vermoedt. 

Bron

Rechtbank Noord Nederland 22 juli 2016 (ECLI:NL:RBNNE:2016:3373).

Hoge Raad 10 juni 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ7580).

[news] 2017-03-10 0000-00-00 0000-00-00 5091

Bedrijfsopvolging en onroerend goed

In een B.V. zit veel onroerend goed. De eigenaar van de B.V. (de DGA) komt te overlijden. De aandelen gaan over naar de heer X en de broer van de overleden DGA. De vraag is of in de B.V. een materiële onderneming is ondergebracht. Als dit zo zou zijn, dan gaan de aandelen vrijwel zonder heffing over naar de erfgenamen. De Rechtbank is van mening dat er sprake is van een echte onderneming (materiële onderneming), het Gerechtshof is het niet met de Rechtbank eens (geen onderneming). De Hoge Raad verwijst de zaak naar een ander Gerechtshof omdat er volgens de Hoge Raad wel sprake is van een onderneming.

Nieuws bedrijfsopvolging 2021 of 2022 

De Bedrijfsopvolgingsregeling staat al jaren onder druk. De regeling wordt vermoedelijk per 2022 (of wellicht eerder) versobert. De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021) en de erf of schenkbelasting 20% (over eerste € 100.000 slechts 10%). De totale belastingdruk is normaal dus ongeveer 40%.

Door de bedrijfsopvolgingsregeling is de effectieve druk slecht 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) vrijgesteld en over het meerder zelfs 83%. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de heffing van de genoemde 4% naar 25 - 30%.

Ontwikkelingsactiviteiten vormen onderneming voor BOF

De heer X, zijn broer en hun vader zijn aandeelhouder in Y B.V. In deze B.V. zit veel onroerend goed en wordt ook onroerend goed ontwikkeld. De aandelen vererven aan de heer X en zijn broer. Het Gerechtshof was van mening dat de omvang van de ontwikkelingsactiviteiten t.o.v. de overige activiteiten in de B.V. te beperkt is voor een materiële onderneming. De Hoge Raad is dit niet met het Gerechtshof eens. Er moet worden gekeken of de ontwikkelingsactiviteiten op zichzelf bezien kunnen worden aangemerkt als onderneming. De zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof in Amsterdam voor nader onderzoek.

Grote portefeuille is onderneming voor BOF

In een BV zit voor ruim 7 miljoen aan onroerende zaken (winkelcentra, kantoren en hallen). Zowel de Rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2016:17102) als het Gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2018:794) zijn van mening dat er sprake is van een onderneming (en dus kan de bedrijfsopvolgingingsfaciliteit worden toegepast). Belangrijkste redenen:

  • omvang van de onroerend goed portefeuille
  • het rendement
  • voortdurend inschakelen van externe deskundigen (zoals makelaars en juristen)
  • werkzaamheden gericht tot behalen hoger rendement dan normaal (gemiddeld 6% en in deze casus 9%)

Noot fiscaal jurist

Bedrijfsopvolging is fiscaal erg aantrekkelijk geworden. Voor ondernemers die van plan zijn hun eenmanszaak, VOF of B.V. eerdaags voor een aantrekkelijk prijsje aan één van hun kinderen over te doen, kan de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van belang zijn. Veel klanten van ons kantoor vinden het prettig dat hun kinderen de zaak voortzetten. Begrijpelijke emotie noem ik dit. Door de onderneming tegen een lagere prijs dan de werkelijke waarde te verkopen of door de koopsom geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden, willen zij hun kinderen steunen. De Successiewet merkt dit als schenking aan, belasting betalen dus. Sinds 2010 is deze faciliteit verder uitgebreid. Onder bepaalde voorwaarden wordt over de eerste € 1.000.000 aan geschonken ondernemingsvermogen in het geheel geen schenkbelasting meer geheven. Het daarboven geschonken ondernemingsvermogen is voor 83% vrijgesteld van heffing van schenkbelasting. De belangrijkste voorwaarde is dat er sprake is van een echte onderneming, een materiële onderneming zoals de fiscale wet dit omschrijft. Bij onroerende zaken is er vaak discussie over dit onderwerp. De laatste jaren schuift de jurisprudentie langzaam op richting "ook stenen kunnen een bedrijf vormen". Laat u wel voordien goed adviseren en doe dit tijdig (6 jaar voor de opvolging).

Bron bedrijfsopvolging

Hoge Raad d.d. 10 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:396).

Gerechtshof Den Haag d.d. 1 juli 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:2167).

Rechtbank Den Haag d.d. 3 juni 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:16718).

[news] 2017-03-14 0000-00-00 0000-00-00 5092

Geen BOF voor liquide middelen

De bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) in de successiewet is een gunstige regeling om belastingvrij een bedrijf en / of vermogen over te dragen. Het wordt nog interessanter als beleggingsvermogen kan worden omgevormd in ondernemingsvermogen. Voor beleggingsvermogen geldt namelijk de BOF niet. Liquide middelen of beleggingsvermogen mag slechts voor 5% van het ondernemingsvermogen worden meegenomen, een kleine pleister derhalve. Er zijn manieren om beleggingsvermogen om te vormen tot ondernemingsvermogen.

Nieuws bedrijfsopvolging 2021 of 2022 

De Bedrijfsopvolgingsregeling staat al jaren onder druk. De regeling wordt vermoedelijk per 2022 (of wellicht eerder) versobert. De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021) en de erf of schenkbelasting 20% (over eerste € 100.000 slechts 10%). De totale belastingdruk is normaal dus ongeveer 40%.

Door de bedrijfsopvolgingsregeling is de effectieve druk slecht 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) vrijgesteld en over het meerder zelfs 83%. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de heffing van de genoemde 4% naar 25 - 30%.

Bedrijfsmiddelen kopen en BOF verhogen

Als het vermogen nodig is voor de onderneming, dan mag dit vermogen wel worden meegenomen voor de BOF. Dit vermogen moet dan binnen afzienbare tijd nodig zijn voor de onderneming, bijvoorbeeld in verband met het aankopen van activa.

Leningen aflossen en BOF verhogen

Als een DGA geld in de B.V. stort (als aandelenkapitaal) en dit geld gebruikt om leningen af te lossen (bijvoorbeeld een lening voor een pand of andere activa), dan kan de BOF ruimer worden toegepast.

Procedure over BOF en liquide middelen

Een man erft aandelen in 2009. In 2007 is de B.V. begonnen met de bouw van een schip. Het schip had een waarde van € 2,4 miljoen. Tevens stond er nog € 3 miljoen op een bankrekening, dit geld is nodig om het schip (een stoomboot) te realiseren. Tot zover is er niet zoveel aan de hand en zou het gehele vermogen als ondernemingsvermogen moeten kwalificeren. De kaarten liggen echter anders. De rechter en de inspecteur zijn van mening dat het schip niet als ondernemingsvermogen kan worden gezien. De B.V. richtte zich op de handel in stoomketels en niet op de exploitatie van schepen. Met het schip kon ook geen geld worden verdiend, dit wordt niet beoogd en is in redelijkheid ook niet te verwachten. De exploitatie van het schip kan niet worden gezien als een bedrijfsmatige activiteit. Het schip is geen ondernemingsvermogen en hiermee het geld ook niet, aldus de rechter.

Vragen over de BOF  

De BOF kan op vele manieren worden vormgegeven en geoptimaliseerd. Wij hebben diverse adviezen en procedures over dit onderwerp gevoerd en vele ondernemers - soms in overleg met de Belastingdienst - bijgestaan bij het vormgeven van de BOF binnen hun bedrijf, meestal zijn dit MKB-bedrijven / familiebedrijven. Heeft u vragen? Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak.

Bron BOF en liquide middelen

Rechtbank Den Haag d.d. 9 maart 2017 (ECLI:NL: RBDHA:2017:3400).

[news] 2017-04-15 0000-00-00 0000-00-00 5119

Inkomstenbelastinglatentie bij schenken en erven van aandelen

Bij de verkrijging van aandelen waarbij een beroep is gedaan op de doorschuiffaciliteiten die de Wet op de inkomstenbelasting 2001 kent, mag er voor de schenk- en erfbelasting (Successiewet 1956) rekening gehouden worden met een inkomstenbelastinglatentie. Deze latentie is opgenomen in de Successiewet 1956 en bedraagt 6,25%.

Voor de toepassing van deze latentie bestond lange tijd nog enigszins onduidelijkheid, aan deze onduidelijkheid heeft de Hoge Raad in 2017 een einde gebracht.

In de situatie die zich voordeed verkreeg belanghebbende krachtens schenking een aandelenpakket ter waarde van € 23 miljoen. Van deze verkrijging was € 19 miljoen vrijgesteld op grond van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit uit de Successiewet 1956. Voor de inkomstenbelasting bleef afrekening over de € 23 miljoen volledig achterwege, echter werd de (lagere) verkrijgingsprijs doorgeschoven. De begiftigde dient daardoor in de toekomst nog een keer af te rekenen voor de inkomstenbelasting, tegen 25% (tarief 2017).

Bij het doen van de aangifte schenkbelasting heeft belanghebbende de belastinglatentie gesteld op € 23 miljoen x 6,25%, ruim € 1,4 miljoen. Belanghebbende was van mening dat op de belaste verkrijging van € 4 miljoen een bedrag van ruim € 1,4 miljoen in mindering gebracht diende te worden. Rechtbank Zeeland - West Brabant was het niet met belastingplichtige eens, waarna er sprongcassatie is ingesteld.

De Hoge Raad stelt de Rechtbank Zeeland - West Brabant in het gelijk. De inkomstenbelastinglatentie dient evenredig te worden toegerekend aan zowel de vrijgestelde als het belaste deel van de verkrijging. Deze uitspraak leidt ertoe dat niet ruim € 1,4 miljoen in mindering gebracht kan worden op de verkrijging, maar “slechts” € 250.000.

Een uitspraak die duidelijkheid schept, edoch de uitkomst was vooraf wellicht al wel te verwachten gezien hetgeen hieromtrent in de parlementaire geschiedenis is geschreven.

Bent u bezig met de bedrijfsopvolging en wilt u uw onderneming fiscaal zo voordelig mogelijk overdragen? Neem dan contact op met de auteur van dit artikel voor een vrijblijvend gesprek.

Bronnen

Rechtbank Zeeland - West-Brabant, 23 maart 2016, nr. 15/5498.

Hoge Raad, 14 april 2017, nr. 16/02345.

Rechtbank Den Haag, 5 september 2017, nr. 16/7487.

Inkomstenbelastinglatentie bij schenken en erven van aandelen [news] 2017-11-14 0000-00-00 0000-00-00 5220

Bedrijfsopvolgingsregeling en liquiditeit

Een belastingplichtige (een B.V.) is een boot aan het bouwen. Er staat nog geld in de B.V., dit geld is nodig om de boot af te bouwen. Kan de bedrijfsopvolgingsregeling worden toegepast?

Nieuws bedrijfsopvolging 2021 of 2022 

De Bedrijfsopvolgingsregeling staat al jaren onder druk. De regeling wordt vermoedelijk per 2022 (of wellicht eerder) versobert. De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021) en de erf of schenkbelasting 20% (over eerste € 100.000 slechts 10%). De totale belastingdruk is normaal dus ongeveer 40%.

Door de bedrijfsopvolgingsregeling is de effectieve druk slecht 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) vrijgesteld en over het meerder zelfs 83%. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de heffing van de genoemde 4% naar 25 - 30%.

Liquiditeit en bedrijfsopvolging

Mevrouw Jansen komt in 2009 te overlijden. Haar echtgenoot (Henk Jansen) en hun 2 dochters zijn de erfgenamen. Mevrouw Jansen heeft een 50% belang in een B.V., deze B.V. heeft een belang in een B.V. die zich bezighoudt met de handel en verhuur van stoomketels. Er is ook een B.V. die een stoomschip aan het bouwen is. Met de bouw is in 2007 begonnen, in 2012 is de boot klaar. Op het moment van overlijden staat er nog ruim € 3.000.000 op de bank (liquide middelen). Deze middelen zijn nodig om de boot af te bouwen. Centrale vraag is: "mag de bedrijfsopvolgingsregeling worden toegepast?" Volgens de Belastingdienst en de Rechtbank kan de bedrijfsopvolgingsregeling niet worden toegepast. De reden is: "met een museumschip als deze kun je geen geld verdienen" (winst beoogen en verwachten). De totale kosten van het schip bedragen € 8.000.000.

De erfgenamen stappen naar het Gerechtshof in Den Haag.

Rechter over bedrijfsopvolgingsregeling en liquiditeit

Het Gerechtshof in Den Haag vindt het aannemelijk dat de B.V. op de overlijdensdatum in 2009 de intentie had om het schip af te bouwen. Het schip is gebouwd om innovatie binnen de stoomwereld te ontwikkelen, het is immers milieuvriendelijk. Er is ook een RDA-beschikking afgegeven door het Ministerie. Het schip wordt als ontwikkelingsproject gezien, mede voor de stoomketels die in een andere B.V. worden verkocht. Het schip wordt niet voor privédoeleinden gebruikt. Het schip en het geld zijn dus verplicht ondernemingsvermogen. De (mogelijke wan-)verhouding tussen de investering en het nut van een vermogensbestanddeel voor de onderneming is niet bepalend voor deze kwalificatie. Deze is wel van belang bij de beoordeling van de vraag of met de investering verbonden kosten een zakelijk- of privékarakter hebben. De familie Jansen krijgt gelijk van de rechter !

Noot fiscaal jurist over bedrijfsopvolging

Een boeiende uitspraak, soms kunnen liquide middelen ook onder de bedrijfsopvolgingsregeling vallen. De uitspraak van het Gerechtshof wordt zorgvuldig (met de wettekst in de hand) geformuleerd. Dit zal een opstap worden naar een ruimere toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling. De woorden "verplicht ondernemingsvermogen" komen vaak voor in de vastgoedwereld en / of bij projectontwikkeling. In de periode van ontwikkeling (als er nog geld staat) kan dus een totaalproject (met wat mitsen en maren) onder de bedrijfsopvolgingsregeling worden ondergebracht.

Bron bedrijfsopvolging en rechtspraak

Gerechtshof Den Haag d.d. 15 november 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:3353).

Rechtbank Den Haag d.d. 9 maart 2017 (ECLI:NLRBDHA:2017:3400).

[news] 2017-12-20 0000-00-00 0000-00-00 5240

Geen BOR voor vastgoed-B.V.

De toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) bij schenking / vererving van aandelen in een vastgoedvennootschap levert een aanzienlijk belastingvoordeel op. Immers, een schenking of vererving van deze aandelen wordt al snel belast met 20% erfbelasting. Hof Amsterdam heeft recent een enigszins opmerkelijke uitspraak gedaan over de toepassing van de BOR. De uitspraak betreft een verwijzingsarrest van de Hoge Raad.

Nieuws bedrijfsopvolging 2021 of 2022 

De Bedrijfsopvolgingsregeling staat al jaren onder druk. De regeling wordt vermoedelijk per 2022 (of wellicht eerder) versobert. De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021) en de erf of schenkbelasting 20% (over eerste € 100.000 slechts 10%). De totale belastingdruk is normaal dus ongeveer 40%.

Door de bedrijfsopvolgingsregeling is de effectieve druk slecht 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) vrijgesteld en over het meerder zelfs 83%. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de heffing van de genoemde 4% naar 25 - 30%.

Achtergronden: BOR en vastgoed-B.V.

Aan de Hoge Raad werd de vraag voorgelegd of de BOR toegepast kan worden op vererving van aandelen in een vastgoed-B.V. De Hoge Raad oordeelde op 10 maart 2017 dat de BOR van toepassing is als de vastgoed-B.V. een materiële onderneming drijft. De exploitatie van het onroerend goed moet het normaal vermogensbeheer te buiten gaan. Aldus wordt sterk de vergelijking gezocht met de situatie in de inkomstenbelasting. Hierbij speelt het aspect ‘arbeid’ een belangrijke rol. Heb je een box-3 pandje voor de verhuur, dan is de huuropbrengst onbelast (box 3). Koop je echter een pandje, knap je het vervolgens zelf op en verkoop je deze daarna met flinke winst, dan loop je het risico dat de winst in box 1 belast wordt.

Voor de toetsing van het begrip ‘meer dan normaal vermogensbeheer’ aan de feitelijke situatie van belastingplichtige, heeft de Hoge Raad de zaak terugverwezen naar Hof Amsterdam. Reikhalzend werd dan ook uitgekeken naar de uitspraak van het verwijzingshof, helaas valt hier nog wel het een en ander over op te merken …  

Wat was de casus: geen BOR voor vastgoed-B.V.

De DGA overleed en in zijn nalatenschap zaten onder andere certificaten van aandelen in een vastgoed-B.V. Deze vennootschap hield zich bezig met:

  • verhuur van onroerend goed;
  • de administratie;
  • onderhield intensieve contacten met diverse betrokken partijen;
  • ontwikkeling van vastgoedprojecten in de jaren 2003 tot en met 2012 (tussen 2008 en 2011 niet).    

In geschil is of de BOR toegepast kan worden op de vererving van de certificaten. Hof Amsterdam vindt van niet omdat dat de ontwikkelingsactiviteiten in het jaar voorafgaand aan het overlijden van de DGA niet kunnen worden aangemerkt als een materiële onderneming. Het Hof overweegt daarbij dat partijen geen bijzondere activiteiten hoefden te verrichten om toestemming voor de bouw te verkrijgen (geen bestemmingsplanwijziging). De werkzaamheden houden volgens het Hof dan ook niet meer in dan de gebruikelijke werkzaamheden voor onderhoud, verhuur en verkoop van een onroerende zaak. Dit is geen arbeid die normaal vermogensbeheer te boven gaat. Het gelijk is aan de inspecteur.

Het Hof oordeelt daarnaast nog dat het ondernemingsvermogen nihil is en dat de BOR om deze reden geen effect sorteert.

Noot fiscaal jurist 

Hoewel de uitkomst waarschijnlijk niet anders zal zijn voor belastingplichtige – immers zal de BOR inderdaad geen effect hebben als het ondernemingsvermogen niets waard is –zet ik wel vraagtekens bij de wijze waarop het Hof de discussie beslecht. Allereerst is het bijzonder dat het Hof voor de beoordeling of sprake is van een materiële onderneming, slechts kijkt naar de activiteiten in het jaar voorafgaande aan het overlijden (de bezitseis bij overlijden). Dit zou betekenen dat, als de aandelen geschonken zouden zijn, de uitkomst mogelijk anders uit kan vallen. Bij schenking wordt immers gekeken naar de vijf voorafgaande jaren. 

Ten tweede zegt het Hof impliciet dat er alleen bij wijziging van een bestemmingsplan sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Het lijkt mij echter dat een bestemmingsplanwijziging bijdraagt aan een voor belastingplichtige positief oordeel, maar dat dit zeker niet doorslaggevend mag zijn. Immers moet het feitencomplex in zijn geheel beoordeeld worden, er zijn vergunningen gevraagd en verstrekt, er wordt arbeid verricht, etc. Het oordeel van het Hof strookt op dit punt niet met de reeds bestaande jurisprudentie. Sterker nog, had de ontwikkeling plaatsgevonden in box 3, dan had belastingplichtige een behoorlijke discussie met de fiscus tegemoet kunnen zien over de belastbaarheid van de opbrengsten.

Al met al een uitspraak waar de praktijk weinig mee kan …

Bronnen 

Gerechtshof Amsterdam 3 juli 2018 (gepubliceerd 19 september 2018), ECLI:NL:GHAMS:2018:3294;

Hoge Raad 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:396.

Jongbloed Fiscaal juristen: Bedrijfsopvolging en onroerend goed

[news] 2018-11-23 0000-00-00 0000-00-00 5746

Bedrijf overdragen aan personeel

Op enig moment zal de directeur-grootaandeelhouder (DGA) nadenken over de verkoop of overdracht van zijn bedrijf. Als overdracht in de familie niet direct zou kunnen, is de overdracht aan het personeel wellicht te overwegen. In dit artikel enkele aandachtspunten voor een dergelijke overdracht. Wilt u hierbij advies, neem dan contact op met onze experts.

Personeel als bedrijfsopvolger

Het voordeel van het verkopen aan een medewerker / personeelslid is dat hij / zij de onderneming goed kent. Of deze persoon ook leiding kan geven aan het bedrijf is vaak wel de vraag, laat dit ook door een derde beoordelen. Het personeelslid moet, naast een vakman of vakvrouw zijn, ook verstand hebben van de strategie, financiën, HR-beleid en een visie hebben over de toekomst. Ook is ondernemerschap wenselijk.

Nieuws bedrijfsopvolging 2021 of 2022 

De Bedrijfsopvolgingsregeling staat al jaren onder druk. De regeling wordt vermoedelijk per 2022 (of wellicht eerder) versobert. De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021) en de erf of schenkbelasting 20% (over eerste € 100.000 slechts 10%). De totale belastingdruk is normaal dus ongeveer 40%.

Door de bedrijfsopvolgingsregeling is de effectieve druk slecht 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) vrijgesteld en over het meerder zelfs 83%. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de heffing van de genoemde 4% naar 25 - 30%.

Werknemersparticipatie

Voor een werknemersparticipatie zijn de volgende zaken van belang:

  1. Waarde onderneming: wat is de waarde van de onderneming en kan de onderneming eventueel lichter worden gemaakt (via overdracht activa, zoals het bedrijfspand of de materiële vaste activa). Wellicht is een herstructurering wenselijk, dit via een zogenaamde tussenholding of letteraandelen.
  2. Betaling koopsom: is het voor de werknemer mogelijk om het bedrijf te betalen? Dit kan via een bank of externe investeerder (of met eigen middelen, welke vaak onvoldoende zijn).
  3. Fiscale consequenties: de verkoop van een bedrijf aan een werknemer is een transactie welke bij de Belastingdienst onder een vergrootglas ligt. Het is een zogenaamde besmette transactie, als de waarde te laag is kan sprake zijn van (belast) loon. De voorwaarden moeten derhalve zakelijk zijn en wellicht is afstemming met de Belastingdienst noodzakelijk. Er zijn ook fiscale mogelijkheden om een bedrijf fiscaal gunstig aan een werknemer over te dragen. De werknemer moet hiertoe minimaal 36 maanden in dienstbetrekking zijn bij de onderneming.
  4. Overeenkomsten: het vastleggen van de afspraken is vakwerk, een ervaren adviseur is wenselijk. Ook is het van belang dat uw werknemer een eigen adviseur in de hand gaat nemen, dit om discussies zoveel mogelijk te voorkomen. Als u niet tot overeenstemming komt, moet het niet zo zijn dat de werknemer vertrekt en / of er andere conflicten ontstaan. Externe adviseurs kunnen dit voorkomen.

Vragen over een werknemersparticipatie

Wij adviseren regelmatig bij een werknemersparticipatie. Heeft u vragen of opmerkingen, neem dan gerust contact op met één van onze specialisten. Wij werken veelal samen met een externe accountant.

[news] 2020-10-29 0000-00-00 0000-00-00 6771

Bedrijfseinde en transitievergoeding

Transitievergoeding bij einde dienstverband

Indien het dienstverband van een werknemer eindigt op initiatief van de werkgever, dient de werkgever in beginsel de werknemer een transitievergoeding te betalen. Dit geldt zowel bij vaste als bij tijdelijke werknemers. De wet benoemt tevens situaties waarin geen recht op een transitievergoeding bestaat, zoals bij faillissement van de werkgever. Zoals zal blijken in de volgende paragraaf, kan de verplichting om de transitievergoeding te betalen bij pensionering of overlijden van de werkgever vergaande gevolgen hebben. Daarom kunnen kleine werkgevers deze transitievergoeding(en) onder voorwaarden gecompenseerd krijgen. Die voorwaarden beschrijven wij in het verdere deel van dit artikel.

Nieuws bedrijfsopvolging 2021 of 2022 

De Bedrijfsopvolgingsregeling staat al jaren onder druk. De regeling wordt vermoedelijk per 2022 (of wellicht eerder) versobert. De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021) en de erf of schenkbelasting 20% (over eerste € 100.000 slechts 10%). De totale belastingdruk is normaal dus ongeveer 40%.

Door de bedrijfsopvolgingsregeling is de effectieve druk slecht 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) vrijgesteld en over het meerder zelfs 83%. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de heffing van de genoemde 4% naar 25 - 30%.

DIT ARTIKEL IN 10 REGELS

Werkgevers die hun bedrijf beëindigen bij pensionering of door overlijden zijn wettelijk verplicht al hun werknemers transitievergoedingen te betalen. In de praktijk leidt dit regelmatig tot het aanwenden van privévermogen en / of faillissement. Per 1 januari 2021 treedt een compensatieregeling in werking. Kleine werkgevers kunnen dan de transitievergoedingen bij bedrijfseinde door pensionering of overlijden gecompenseerd krijgen. Hiervoor gelden strikte voorwaarden en termijnen. Uiteraard dienen ook andere, fiscale aspecten niet uit het oog verloren te worden. Het tijdig inschakelen van een specialist kan ongunstige situaties voorkomen.

Transitievergoeding en bedrijfseinde

Werkgevers die hun bedrijf beëindigen, doen dat meestal als ze er in een eerder stadium niet in zijn  geslaagd om een opvolger te vinden. Bij het overlijden van de ondernemer geldt dit vaak ook, doch dan hebben de erfgenamen / mede-eigenaren deze zoektocht verricht. Bij een bedrijfseinde dienen alle werknemers te worden ontslagen. Dat betekent ook dat de werkgever alle werknemers een transitievergoeding dient te betalen. Dit kan behoorlijk in de papieren lopen.

Kleine werkgevers lopen daarbij vaak tegen problemen aan. Indien zij met pensioen gaan of indien de onderneming eindigt door overlijden, is het geld voor al die transitievergoedingen er vaak niet. In de praktijk zien wij vaak dat werkgevers dan hun pensioenpot aanwenden, failliet gaan of hun privévermogen inzetten. De wetgever heeft deze onwenselijke situatie waargenomen en daarom is deze compensatieregeling er gekomen.

Compensatieregeling transitievergoeding bij bedrijfseinde

De kleine werkgever kan worden gecompenseerd voor verstrekte transitievergoedingen. Het doel is om de werkgevers (of erfgenamen) tegemoet te komen in de situatie dat een bedrijfsbeëindiging plaatsvindt door pensionering of overlijden. De werknemers moeten dan worden ontslagen en de transitievergoedingen dienen te worden betaald. Dit leidt regelmatig tot aanwending van het privévermogen, terwijl vanwege de beëindiging van de activiteiten naar verwachting al een inkomensachteruitgang plaatsvindt.

Wanneer is compensatie transitievergoeding bij bedrijfseinde mogelijk?

Wij benoemen hieronder de voorwaarden in de vorm van een opsomming. Daarna behandelen wij iedere voorwaarde afzonderlijk. De voorwaarden luiden als volgt:

  • De arbeidsplaatsen vervallen wegens het beëindigen van de werkzaamheden van de onderneming;
  • De werkgever voldoet aan het criterium om te worden aangemerkt als kleine werkgever;
  • De werkgever heeft de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, dan wel is overleden;
  • De vergoeding voldoet aan de gestelde voorwaarden.

Compensatie transitievergoeding en verval van arbeidsplaatsen

Het verval van arbeidsplaatsen moet het gevolg zijn van het beëindigen van de werkzaamheden van de onderneming. Hiervoor wordt aangesloten bij de huidige UWV-toetsing. Dit betekent dat, indien UWV voor ten minste één werknemer toestemming verleent om over te gaan tot het opzeggen van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseinde, aan dit vereiste is voldaan. UWV zal u onder meer vragen naar de reden voor de beëindiging en vragen om toe te lichten wat u met bijvoorbeeld de activa van de onderneming van plan bent. Een goede voorbereiding en advisering zijn daarbij van groot belang.

Dat toestemming voor één werknemer voldoende is, betekent dat de onderneming niet al daadwerkelijk geheel hoeft te zijn beëindigd. Fiscale redenen kunnen bijvoorbeeld aanleiding geven om de onderneming pas (geruime) tijd later te liquideren. Dat is onder deze regeling toegestaan.

Veel werkgevers werken in de praktijk met vaststellingsovereenkomsten en komen aan een UWV-procedure niet toe. Deze werkgevers dienen er rekening mee te houden dat formeel voor één werknemer toestemming nodig is van UWV. Een UWV-procedure kan tijdrovend zijn, maar u kunt tijd winnen door tijdig en volledig alle informatie aan te leveren en in vooroverleg met uw werknemer al een en ander af te stemmen.

Compensatie transitievergoeding en de kleine werkgever

De regeling is gericht op kleine werkgevers. De grens ligt bij 24 werknemers. Zijn er gemiddeld 25 of meer werknemers in dienst, dan is compensatie niet mogelijk. Het toetsmoment van het aantal werknemers is niet het moment van het indienen van de UWV-aanvraag. U moet kijken naar het aantal werknemers dat de onderneming gemiddeld in dienst had in de tweede helft van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin u het verzoek voor de eerste werknemer(s) indient. Uitzendkrachten en payrollmedewerkers hoeft u niet mee te tellen. Zit de onderneming in een groep (concern), dan gelden aanvullende regels.

Het gemiddelde wordt als volgt berekend. Het aantal werknemers op 1 juli en het aantal werknemers op 31 december wordt bij elkaar opgeteld. Dit deel je door twee en daarmee wordt het gemiddeld aantal werknemers verkregen. Een voorbeeld:

Henk wil zijn onderneming beëindigen wegens pensionering per 1 augustus 2025. Hij moet kijken naar het aantal werknemers in de tweede helft van het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin hij het verzoek voor de eerste werknemer indient. Dit zal in 2025 zijn, waardoor Henk moet kijken naar 2024. Op 1 juli 2024 heeft Henk 28 werknemers in dienst. In december zijn dit er 20. Het gemiddelde bedraagt 24 werknemers. Henk voldoet aan de eis van de kleine werkgever.

Bij de B.V. of de N.V. geldt dat onder voorwaarden de compensatie ook kan plaatsvinden als de DGA aan de vereisten voldoet. Bij eenmanszaken, vennootschappen onder firma en maatschappen ligt toepassing voor de hand. Andere rechtspersonen, zoals stichtingen en verenigingen, mogen de regeling niet toepassen. De reden is dat de continuïteit van de vereniging / stichting veelal niet afhankelijk is van (pensionering of overlijden van) één individueel bestuurslid. Ook is hier het zakelijk en privévermogen minder met elkaar verbonden.

Compensatie transitievergoeding bij pensionering

Om van de compensatie bij pensionering gebruik te kunnen maken, moet de eigenaar van een eenmanszaak, vennoot, maat of DGA de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken binnen zes maanden nadat het verzoek voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst van de eerste werknemer is ingediend. Een juiste planning is hier dus cruciaal. De werkgever die vervolgens actief blijft (niet met pensioen gaat), bijvoorbeeld door het bedrijf niet te beëindigen of in een andere onderneming door te gaan, kan niet nogmaals worden gecompenseerd in de toekomst.

Compensatie is mogelijk voor vergoedingen die de werkgever verstrekt:

  • In de zes maanden voorafgaand aan het eerste verzoek tot opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfsbeëindiging;
  • In de negen maanden nadat de toestemming tot opzegging van de arbeidsovereenkomst is verleend. 

Bij bijvoorbeeld een VOF zijn er meerdere vennoten. De pensioendatums van de diverse werkgevers lopen daarbij vaak niet gelijk. Voldoende is als één van de vennoten voldoet aan de vereisten.

Compensatie transitievergoeding bij overlijden

Deze regeling staat open voor erfgenamen en mede-werkgevers. Zij worden soms geconfronteerd met een onderneming die zij niet wensen voort te zetten. Compensatie is dan mogelijk indien uiterlijk twaalf maanden na het overlijden van de werkgever een verzoek om toestemming tot het opzeggen van de arbeidsovereenkomst wegens het beëindigen van de werkzaamheden van de onderneming, is ingediend.

De aanvraag om van deze regeling gebruik te maken moet binnen één jaar na het overlijden ingediend zijn. Daarmee wordt het verzoek tot opzegging van de arbeidsovereenkomst voor ten minste één werknemer bedoeld.

Voorwaarden aan de vergoeding en compensatie

Om een vergoeding gecompenseerd te krijgen, dient deze daadwerkelijk te zijn verstrekt aan de werknemer. U dient in de praktijk de transitievergoedingen dus voor te schieten. Door de perioden van zes maanden en negen maanden meent de wetgever een regeling te hebben getroffen die de voorschietperiode voldoende beperkt houdt. De wetgever ziet niets in het voorschieten van de transitievergoeding door UWV, onder meer omdat het vereiste van verstrekking voordat vergoeding plaatsvindt waarborgt dat de gelden ten goede van de transitievergoeding van de werknemer komen. Wij raden girale betaling aan, zodat u altijd een (schriftelijk) betaalbewijs hebt.

Misbruiksituaties en compensatie transitievergoeding

De werkgever moet ten minste in de twee jaar voor de datum van het verzoek tot toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, als eigenaar / DGA aan de onderneming verbonden zijn. Dit werkt dus door naar ondernemingen die nog maar kort bestaan. Bestaat uw onderneming minder dan twee jaar, dan kan er geen recht op compensatie zijn, ongeacht of sprake is van een misbruiksituatie. Dit kan, naar ons oordeel, in geval van overlijden buitengewoon vervelend uitwerken.

Ook bestaat de angst dat werkgevers calculerend omgaan met het aannemen van meer personeel. Daarom is compensatie alleen mogelijk voor werknemers die in dienst waren op 31 december van het kalenderjaar voor het verzoek om toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Wij menen dat ook deze bepaling buiten situaties van misbruik om, een forse, onwenselijke impact kan hebben.

Hoe vraag ik de compensatie aan?

De werkgever (of andere aanvragende partij, zoals de erfgenaam) heeft tot zes maanden na betaling van de volledige transitievergoeding om een aanvraag in te dienen bij UWV. Als moment van betaling is bepalend het moment waarop de vergoeding is afgeschreven van de rekening van de werkgever. UWV stelt een formulier beschikbaar met de informatie die u moet (laten) aanleveren. Wat exact op het formulier komt is nog onduidelijk, doch het zal in ieder geval gaan om de arbeidsovereenkomst, de duur van de arbeidsovereenkomst en berekeningen van de individuele transitievergoedingen. Een incomplete aanvraag dient meestal binnen 14 dagen te worden aangevuld.

Fiscaal en transitievergoeding

Een transitievergoeding is loon uit vroegere dienstbetrekking. In beginsel kan deze niet worden aangewezen als eindheffingsloon en derhalve niet onder de WKR worden gebracht. Betaalt u echter de transitievergoeding uit samen met loon waarop de arbeidskorting van toepassing is, bijvoorbeeld met het laatste reguliere loon, dan mag de transitievergoeding wel worden aangewezen als eindheffingsloon. Er moet dan wel zijn voldaan aan de gebruikelijkheidstoets. De transitievergoeding komt dan (deels) in de vrije ruimte.

Hoelang mag UWV over mijn aanvraag doen?

In beginsel heeft UWV een termijn van 8 weken. Indien UWV er niet in slaagt om binnen deze periode te beslissen, zal zij u op de hoogte stellen van de termijn die zij nodig meent te hebben. Deze termijn dient redelijk te zijn.

Fiscaal en bedrijfsbeëindiging

Uiteraard zijn transitievergoedingen niet het enige dat komt kijken bij een bedrijfseinde. Er zijn vele fiscale aspecten die van groot belang zijn om op orde te hebben. Zo dient u rekening te houden met de bepalingen over bijvoorbeeld de stakingswinst of de eindafrekening. Onze specialisten helpen u graag bij het woud aan regels dat hierbij komt kijken. Zo komt u niet voor verrassingen te staan.

[news] 2020-11-24 0000-00-00 0000-00-00 6788

Bedrijfsopvolgingsregeling ten einde?

DGA moet in 2021 actie ondernemen!

De bedrijfsopvolgingsregeling is een fiscale regeling waardoor familiebedrijven fiscaal voordelig kunnen worden overgedragen zonder of met beperkte belastingheffing. Derhalve vrijwel geen schenk- / erfbelasting of inkomstenbelasting bij de overdracht van uw bedrijf. De regeling gaat mogelijk tot het verleden behoren.

Aan welke belasting moet u denken bij bedrijfsopvolging?

De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021). De erf- of schenkbelasting bedraagt 20%, doch over de eerste circa € 128.000 'slechts' 10%. De totale belastingdruk is dus circa 40%. Echter, als gevolg van de bedrijfsopvolgingsregeling, is de effectieve belastingdruk slechts circa 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) is vrijgesteld en over het meerdere is zelfs 83% vrijgesteld. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de effectieve belastingdruk van de genoemde 4% naar circa 30%.

Afschaffing bedrijfsopvolgingsregeling

In 2020 hebben 169 ambtenaren een notitie geschreven over een nieuw belastingstelsel. Als onderdelen uit deze notitie worden overgenomen, dan gaan DGA's meer belasting betalen bij een bedrijfsopvolging. Onder de huidige regeling is de heffing van erf- en schenkbelasting beperkt (Bedrijfsopvolgingsregeling of BOR in de volksmond). De invoering wordt verwacht in 2022. Meer informatie kunt u rondom Prinsjesdag 2021 verwachten. Omdat bedrijfsopvolging een delicaat en langdurig traject kan zijn, is het raadzaam om ruim voor deze datum contact op te nemen met een specialist.

Welke wijzigingen binnen de BOR worden voorgesteld?

  1. 25% Van de waarde is vrijsteld (nu nog 83% met 100% voor eerste € 1.000.000);
  2. Maximumvrijstelling van € 5.000.000;
  3. Kleine pakketten worden wellicht uitgesloten voor de BOR, denk hierbij aan soort- of letteraandelen kleiner dan 5%;
  4. Geen vrijstelling of doorschuifregeling meer voor de inkomstenbelasting;
  5. Verhuurt u onroerend goed, dan geldt er geen enkele vrijstelling is (aan derden verhuurd vastgoed).

Let op! Fiscaal advies bedrijfsopvolgingsregeling

Veel familiebedrijven zullen nog dit jaar (en eigenlijk voor september 2021) in overleg moeten met hun fiscalist of accountant om sneller werk te maken van de (gedeeltelijk) belastingvrije overdracht van de onderneming aan de kinderen.

Wij begrijpen dat u als ondernemer niet zit te wachten op een belastingaanslag bij de bedrijfsopvolging. Zeker wanneer het geld uit het familiebedrijf gehaald moet worden om deze belastingaanslag - die nota bene in privé is opgelegd - te betalen. Met de BOR kan in combinatie met de overige fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten een forse belastingbesparing bereikt worden. Hiertoe dient echter wel een goede structuur te worden opgezet en dat kost tijd.

Uit onderzoek van KPMG blijkt dat 88% van de familiebedrijven substantiële problemen verwacht bij een bedrijfsopvolging onder de nieuwe wetgeving. Zelfs 50% denkt dat de bank geld moet gaan lenen aan het familiebedrijf. Een klein deel van de familiebedrijven (13%) zegt Nederland te verlaten (of het hoofdhuis te verplaatsen) als de BOR wordt afgeschaft.

Overleg familie, accountant en Belastingdienst inzake BOR

Onze specialisten zijn u graag van dienst. Wij werken praktisch, vlot en tegen meer dan marktconforme prijzen. Wij werken dan het liefst in een team met u, uw familie, raad van commissarissen, het bestuur en uw accountant. De eerste, oriënterende bespreking bij ons op kantoor kan zonder verdere kosten plaatsvinden.

De door ons voorgestelde regeling wordt na akkoord door u en uw accountant nog besproken met de Belastingdienst.

Bedrijfsopvolging wordt afgeschaft [news] 2021-04-16 0000-00-00 0000-00-00

De bedrijfsopvolgingsregeling is een fiscaal gunstige regeling voor familiebedrijven. Bedrijven kunnen binnen de familie fiscaal voordelig worden overgedragen. Wellicht wordt de regeling per september 2021 of 1 januari 2022 afgeschaft.

6969

Schenkbelasting en bedrijfsopvolging

Mag de betaalde schenkbelasting worden opgeteld bij de verkrijgingsprijs van een aanmerkelijk belang pakket? Nee, zo stelt de Hoge Raad. Wij gaan in dit artikel in op deze uitspraak, maar ook op de bredere regeling van de overdracht van aandelen door middel van schenking. Wij helpen u graag een fiscaal zo gunstig als mogelijke bedrijfsopvolging te regelen.

Vervreemdingsvoordeel en verkrijgingsprijs aanmerkelijk belang

In de inkomstenbelasting wordt in box 2 het voordeel uit aanmerkelijk belang belast. Dat voordeel kan bestaan uit reguliere voordelen, zoals dividend, maar ook uit vervreemdingsvoordelen. Van een vervreemdingsvoordeel is onder andere sprake bij het vervreemden van aandelen of winstbewijzen. De hoogte van een vervreemdingsvoordeel wordt bepaald door het verschil tussen de overdrachtsprijs en de verkrijgingsprijs. De verkrijgingsprijs is de tegenprestatie bij de verkrijging van de aandelen (bijvoorbeeld de koopprijs), vermeerderd met de ten laste van de verkrijger gekomen kosten. Recent heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over de hoogte van de verkrijgingsprijs ingeval sprake is van een schenking. De vraag die centraal stond was, of de schenkbelasting tot de kosten die ten laste van de verkrijger komen, behoort.

Schenken en aanmerkelijkbelangaandelen

Om tot een goed begrip van de uitspraak van de Hoge Raad te komen, is het handig om eerst de zaak in kwestie kort samen te vatten. In 2014 heeft Henk (fictieve naam) alle aandelen in een b.v. De verkrijgingsprijs van dit aanmerkelijk belang, bedraagt € 586.350. In dat jaar schenkt de vader van Henk aan Henk alle aandelen in een andere b.v. De verkrijgingsprijs van vader voor dit aanmerkelijk belang bedraagt € 4.400. Nu bevat de wet een bepaling die kan gelden ingeval van een schenking. Indien aan de volgende voorwaarden is voldaan, wordt de schenking van de aandelen niet als een vervreemding aangemerkt:

  • De vennootschap drijft een onderneming naar het ondernemingsbegrip in de inkomstenbelasting of houdt een medegerechtigdheid als bedoeld in de inkomstenbelasting; en
  • De aandelen/winstbewijzen behoren bij de vervreemder (in Henk zijn casus: zijn vader) niet tot een zogenaamd meegetrokken aanmerkelijk belang; en
  • De verkrijger (Henk) is binnenlands belastingplichtig en de verkregen aandelen/winstbewijzen gaan geen deel uitmaken van een onderneming voor Henk zijn rekening gedreven onderneming of werkzaamheid; en
  • De verkrijger (Henk) is voorafgaand aan de vervreemding ten minste 36 maanden in dienst bij de vennootschap waarop de aandelen/winstbewijzen zien.
  • Een belangrijke aanvulling op bovenstaande is, dat de uitzondering bij schenking slechts ziet op het zogenaamde ondernemingsvermogen en niet op het beleggingsvermogen. In de praktijk kan het voorkomen dat een deel van de waarde van de aandelen/winstbewijzen wel onder de bepaling kan worden gebracht en een deel niet. Dit zijn complexe dossiers, waarbij deskundige bijstand een must is.

    Indien de uitzondering bij schenking wordt toegepast, dan geldt voor het deel waarop de uitzondering van toepassing is, dat geen sprake is van een vervreemding. De verkrijgingsprijs voor de verkrijger (Henk) is dan in de meeste gevallen de verkrijgingsprijs van vader. Met betrekking tot de schenking heeft Henk wel afgerekend; hij voldoet € 361.907 aan schenkbelasting.

    Wat doet Henk daarna met de geschonken aandelen?

    Een jaar later besluit Henk de beide vennootschappen te fuseren. De vennootschap waarin hij aandelen had met een verkrijgingsprijs van € 586.350 gaat op in de vennootschap waarvan de verkrijgingsprijs € 4.400 bedraagt. De wet kent ook voor de juridische fusie een faciliteit, zodat de overdracht vrijgesteld is en de verkrijgingsprijs wordt doorgeschoven.

    Henk verzoekt de inspecteur vervolgens de verkrijgingsprijs van zijn resterende aandelenpakket vast te stellen. Henk meent dat zijn verkrijgingsprijs € 952.657 bedraagt. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

    • € 586.350: verkrijgingsprijs aandelen van de gefuseerde vennootschap;
    • € 4.400: verkrijgingsprijs aandelen ‘gebleven’ vennootschap;
    • € 361.907: betaalde schenkbelasting.
    • De inspecteur is het hiermee oneens en weigert de schenkbelasting in aanmerking te nemen. Henk stapt naar de rechter, want hij meent dat de schenkbelasting een kostenpost is die ten laste van hem, de verkrijger, is gekomen.

      Behoort de schenkbelasting tot de kosten bij de verkrijgingsprijs?

      De Hoge Raad heeft op 11 juni 2021 uitspraak gedaan in deze zaak. Hij merkt eerst op dat de verkrijgingsprijs bestaat uit de eerdere tegenprestatie, vermeerderd met ten laste van de verkrijger gekomen kosten. Dit geldt ook ingeval er gebruik wordt gemaakt van een regeling waarbij de eerdere verkrijgingsprijs wordt doorgeschoven, zoals de regeling waar Henk gebruik van heeft gemaakt. Dit volgt niet direct uit de wet, doch een redelijke toepassing van de wet vereist dit.

      Kosten die ten laste zijn gekomen van de verkrijger, behoren tot de verkrijgingsprijs. Het moet dan wel gaan om kosten die onmiddellijk verband houden met de verkrijging van de aandelen/winstbewijzen in de vennootschap. De Hoge Raad oordeelt dat de schenkbelasting niet zo’n kostenpost is. De verschuldigdheid van de schenkbelasting is namelijk het gevolg van een bevoordeling uit vrijgevigheid. Die bevoordeling uit vrijgevigheid staat los van de wijze waarop die bevoordeling vorm krijgt. Die vorm is – in het geval van Henk – de overdracht van aandelen. De kostenpost staat daarom niet in een onmiddellijk verband met de verkrijging van de aandelen.

      Ook meent de Hoge Raad dat het aanmerken van de schenkbelasting als kostenpost, niet past binnen de verzakelijking van de verkrijgingsprijs die plaatsvindt in gevallen waarin een tegenprestatie ontbreekt, zoals bij een schenking. In die situatie wordt immers de schenking weggedacht en aangesloten bij de waarde in het economisch verkeer. Binnen die wegdenkgedachte past het niet om een betaald bedrag aan schenkbelasting tot de verkrijgingsprijs te rekenen.

      Schenking van aandelen en advisering

      Het schenken van aandelen in een vennootschap luistert zeer nauw. U kunt ervoor kiezen de aandelen eenvoudigweg te schenken, doch de kans is aanzienlijk dat u dan mogelijkheden laat liggen om de belastingdruk enigszins te beperken. Dat zou zonde zijn. In het voorgaande zag u onder meer dat voor een van de uitzonderingen geldt dat een 36 maandentermijn moet zijn volgemaakt. Het is daarom raadzaam om zo vroeg als redelijkerwijs mogelijk, een kundig adviseur in te schakelen. Wilt u niet zo lang wachten? Neem ook dan gerust eens contact op. Wij denken graag met u mee en een eerste kennismaking is geheel vrijblijvend.

Schenkbelasting en bedrijfsopvolging [news] 2021-06-14 0000-00-00 0000-00-00 7023

Bedrijfsopvolging en vastgoed

Op 18 juni 2021 deed de Hoge Raad uitspraak in een zaak waar wij als fiscalisten lang naar uit hebben gekeken. In dit arrest stond de bedrijfsopvolgingsregeling bij de verkrijging van (certificaten van) aandelen in een vastgoedbedrijf centraal. De Belastingdienst stelt hierbij meestal al snel: "vastgoed is geen bedrijf, dus geen BOR." In dit geval was de Belastingdienst iets milder in haar standpunt, voor de ontwikkeling was er sprake van een bedrijf (materiële onderneming) maar voor de verhuuractiviteiten niet. Kan dit ?

Belastingvrij vastgoedbedrijf overdragen, kan dit?

Henk is in 2012 overleden en tot de nalatenschap behoren certificaten (21% en 25%) in drie vastgoedbedrijven. De bedrijven hielden zich actief bezig met projectontwikkeling en verhuur van vastgoed. De erfgenamen deden natuurlijk een beroep op de gunstige bedrijfsopvolgingsregeling (heffing ongeveer 4% i.p.v. 35%). Ze stelden dat de beide activiteiten sterk met elkaar verweven waren en dat op beide activiteiten de BOR van toepassing moet zijn. De inspecteur stelt dat de BOR enkel ziet op de materiële onderneming, in deze de projectontwikkelingsactiviteiten. Lagere rechters (rechtbanken en gerechtshoven) willen nog wel eens meegaan met belastingplichtigen en de BOR ook van toepassing verklaren op verhuuractiviteiten. Als deze verhuuractiviteiten een hoog rendement opleveren en van enige omvang zijn (qua vermogen en werkzaamheden) kan hierop ook de BOR van toepassing zijn, aldus de rechter. Voor het rendement wordt dan gekeken naar de Nederlandse IPD vastgoedindex.

Verhuur onroerend goed en BOR

De rechter kijkt naar de zogenaamde arbeidsplus-toets:

  • Van het drijven van een onderneming is sprake bij aanwezigheid van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die
  • is gericht op het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer
  • met het oogmerk winst te behalen.

Bij de exploitatie van onroerende zaken geldt dat deze activiteiten slechts als het drijven van een onderneming kunnen worden aangemerkt indien:

  • de arbeid naar aard en omvang meer heeft omvat dan gebruikelijk is bij normaal vermogensbeheer; en
  • deze arbeid naar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van een rendement dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat.

Verwevenheid van activiteiten en BOR

Er moet gekeken worden naar de verwevenheid van de activiteiten. De ontwikkeling van vastgoed is namelijk nodig om uiteindelijk tot verhuur van vastgoed te komen, dit was ook de mening van de Advocaat-Generaal. Als deze activiteiten nauw met elkaar samenhangen, kan sprake zijn van feitelijk het drijven van één onderneming. Vervolgens volgt de vermogenstoets, dus met welk deel van het vermogen wordt een echt bedrijf / onderneming gedreven? Ook spelen hierbij de vermogensetiketteringsregels (privé, ondernemings- of keuzevermogen) een rol.

De Belastingdienst neemt meestal als uitgangspunt dat verhuur van vastgoed moet worden gezien als beleggen van vermogen en derhalve geen BOR. De Advocaat-Generaal is een stuk milder, als de verhuur van vastgoed binnen een bedrijf / onderneming een echte functie vervult, dan is feitelijk sprake van keuzevermogen en kan de BOR gewoon worden toepast. Als je sec naar de verhuur kijkt, is dit wellicht niet zo, het gaat dus om de combinatie.  

De Hoge Raad is het niet helemaal met de A-G eens. Er wordt eerst gekeken naar de verhuuractiviteiten (dus apart). Als deze op zichzelf geen onderneming kan vormen, dan komt de Hoge Raad niet toe aan de combinatie van beide activiteiten. Deze zaak wordt ook nog verwezen naar een ander Gerechtshof omdat nog moet worden onderzocht welke panden kunnen worden toegerekend aan de projectontwikkelingstak.

Noot fiscaal jurist inzake bedrijfsopvolging bij vastgoed

In deze casus ziet de Hoge Raad de verhuur en projectontwikkeling als twee takken van sport. De verhuuractiviteiten worden niet gezien als ondernemingsvermogen (dus geen BOR). Als er vooraf was gekeken of de regels inzake arbeidsplus-toets en de vermogensetikettering (keuzevermogen?) toepasbaar zijn, was er wellicht tot een andere uitkomst gekomen. Als er voldoende verwevenheid zou zijn geweest, had het geheel (indien het keuzevermogen zou zijn) gezien kunnen worden als "geheel ondernemingsvermogen". 

Het verhuurde vermogen in een bv is altijd een punt van discussie. Vervult dit vermogen een rol voor het ondernemingsvermogen binnen de bv? Het kan bijvoorbeeld nodig zijn als financiële dekking en / of het gevolg zijn van de projectontwikkeling. Ook kan het zo zijn dat op grond van de basisbeoordeling (arbeidsplus) de aard en omvang van de arbeid (en het rendement) ervoor zorgen dat sprake is van ondernemingsvermogen.

We zijn er dus nog niet en het zal discussie blijven opleveren met de Belastingdienst !

Zijn er vragen of opmerkingen of is er een discussie met de Belastingdienst? Bel ons gerust voor een second opinion of advies. Of de BOR de komende jaren blijft is thans onduidelijk, er zijn geluiden over een beperking, maar ook over een uitbreiding.

Bron vastgoed en BOR

Hoge Raad d.d. 18 juni 2021 ECLI:NL:HR:2021:953

Gerechtshof Amsterdam d.d. 12 maart 2020 ECLI:NL:GHAMS:2020:1168

Bedrijfsopvolging en vastgoed [news] 2021-07-01 0000-00-00 0000-00-00

Er is veel discussie over de bedrijfsopvolging bij een vastgoedbedrijf. Is dit een materiële onderneming, of deels of helemaal niet? Wat zegt de Hoge Raad?

7082

Uw B.V. en de bedrijfsopvolging: cumulatief preferente aandelen

Een derde van de familiebedrijven wil de zaak verkopen. Dat blijkt uit een onderzoek gehouden onder ondernemers in 2013. Veel van deze familiebedrijven worden in de vorm van een B.V. (besloten vennootschap) uitgeoefend.  Er zijn diverse manieren om uw onderneming over te dragen. In dit artikel behandelen wij een overdracht met behulp van cumulatief preferente aandelen. Aandelen simpelweg overdragen, al dan niet tegen schuldigerkennig, kan ook. Deze variant wordt hier beschreven.

Nieuws bedrijfsopvolging 2021 of 2022 

De Bedrijfsopvolgingsregeling staat al jaren onder druk. De regeling wordt vermoedelijk per 2022 (of wellicht eerder) versobert. De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021) en de erf of schenkbelasting 20% (over eerste € 100.000 slechts 10%). De totale belastingdruk is normaal dus ongeveer 40%.

Door de bedrijfsopvolgingsregeling is de effectieve druk slecht 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) vrijgesteld en over het meerder zelfs 83%. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de heffing van de genoemde 4% naar 25 - 30%.

Bedrijfsopvolging met cumulatief preferente aandelen

Als voorbeeld nemen we een eenvoudige structuur van een holding (van vader) en een werkmaatschappij, waarin de onderneming wordt gedreven. De opvolger, in dit geval de dochter, wil de zaak voortzetten. 

Een succesvolle bedrijfsopvolging kan worden gerealiseerd door het geheel of gedeeltelijk omvormen van de bestaande aandelen van de werkmaatschappij in cumulatief preferente aandelen (hierna: cumprefs) in combinatie met uitgifte van gewone aandelen aan de persoonlijke holding van de opvolgers.

De waarde en het rendement van de onderneming blijven dan bij de Holding B.V. van vader, de toekomstige waardestijging en de overwinsten komen dan toe aan (de B.V.’s van) de dochter. Ook financieringstechnisch gezien is dit een elegante oplossing, want er hoeft niet te worden betaald bij de uitgifte van de gewone aandelen. Deze zijn immers bij aanvang niets waard. Voor de omzetting van de aandelen in de werkmaatschappij is een statutenwijziging noodzakelijk. Daarvoor moet de notaris worden ingeschakeld.

De B.V. van vader houdt, na omzetting (naast eventuele gewone aandelen) de cumulatief preferente aandelen. Over de waarde van deze aandelen wordt een (primair) dividend uitgekeerd.

Het dividend kan jaarlijks worden uitgekeerd of 'rentedragend' worden bijgeschreven bij vader's Holding B.V. Over het eventueel bijgeschreven dividend dient in de toekomst dan weer het preferente dividend te worden berekend. Na verloop van tijd kunnen de aandelen van de werk-B.V. worden ingekocht, of kunnen de aandelen worden overdragen aan de holding van dochter.

Als bij de inkoop van deze aandelen externe financiering benodigd is, biedt deze structuur het voordeel dat de financiering op het niveau van de werkmaatschappij plaatsvindt. Hierdoor is de fiscale verrekening van de rentelast in beginsel geen probleem.

Afstemming fiscus

In het geval van overdracht binnen de familiesfeer zal de fiscus kritisch toezien op de zakelijkheid van de omzetting. Er moet worden voorkomen, dat er door de omzetting goodwill en / of stille reserves naar de opvolger verschuiven. Ook dient het dividendpercentage op de cumprefs zakelijk te zijn. Dit vergt afstemming met de Belastingdienst.

De Belastingdienst pleegde akkoord te gaan met een preferent dividend dat is gebaseerd op de rente op staatsobligaties met een geringe opslag. Vaak werd in de praktijk bij de 7% aangesloten die ooit in een (overigens niet van toepassing zijnd) besluit is genoemd. Vaak wordt nu een hoger primair dividend geëist.

Voorwaarden

De door de fiscus gestelde voorwaarden zijn:

  1. De gewone aandelen worden bij statutenwijziging omgevormd tot cumulatief preferente aandelen.
  2. De aan de om te zetten gewone aandelen verbonden zichtbare en stille winstreserves, alsmede goodwill worden toegerekend aan de preferente aandelen. Hiertoe worden in de jaarrekening en in de statuten afzonderlijke reserves gecreëerd.
  3. De preferente aandelen geven recht op een zakelijke vergoeding voor het ter beschikking stellen van vermogen (primair dividend).
  4. Indien in enig jaar in plaats van een werkelijke dividenduitkering een bijschrijving plaatsvindt op de aan de preferente aandelen verbonden winstreserverekening, bestaat in de daaropvolgende jaren ook recht op het vastgestelde percentage primair dividend over deze bijschrijving.
  5. Indien in enig jaar een verlies wordt afgeboekt op de aan de preferente aandelen verbonden winstreserverekening, wordt, als in een later jaar winst wordt gemaakt, een gelijk bedrag weer bijgeschreven op deze winstreserverekening.
  6. Bij liquidatie van de vennootschap worden de aan de preferente aandelen verbonden winstreserves uitgekeerd aan de houder van de preferente aandelen.

Toepassing bedrijfsopvolgingsfaciliteiten

Het prettige voordeel van het werken met cumprefs boven een gewone overdracht van aandelen is, dat bij de cumprefs de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten blijven bestaan ten aanzien van de aandelen met een vastgestelde waarde. Deze aandelen kunnen dus desgewenst ooit worden geschonken aan de opvolgers. Of ze gaan bij vererving over. Let op dat hier wel voorwaarden aan zijn gesteld:

  • De preferente aandelen vormen een omzetting van een eerder door de erflater of schenker gehouden aanmerkelijk belang van gewone aandelen.
  • De omzetting tot preferente aandelen is gepaard met het toekennen van gewone aandelen aan een ander (hier: de dochter). Door de Staatssecretaris is aangegeven dat hieraan ook is voldaan als van de door de overdrager gehouden gewone aandelen slechts een deel van de aandelen wordt omgezet in preferente aandelen en de rest van de aandelen overgaat naar de opvolger.
  • Ten tijde van de omzetting tot preferente aandelen dreef de vennootschap waarop de omgezette aandelen betrekking hadden een "echte" onderneming.
  • De verkrijger van de preferente aandelen is reeds voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder van gewone aandelen.
  • De verkrijging van indirect gehouden preferente aandelen, dus via een personal holding B.V. van vader, kan eveneens voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in aanmerking komen, omdat deze preferente deelneming als ondernemingsvermogen kan worden beschouwd voor zover dit ten tijde van de verkrijging betrekking heeft op ondernemingsvermogen in de werkmaatschappij.
[news] 2014-02-03 0000-00-00 0000-00-00 4206
Bedrijfsopvolging voorbereiden

Tijdig uw bedrijfsstructuur aanpassen, maakt de toekomstige bedrijfsopvolging eenvoudiger en goedkoper. Bent u van plan om binnen nu en tien jaar te stoppen met uw onderneming, laat dan beoordelen of uw structuur wel deugt! Aan een oriënterend gesprek met één van onze adviseurs zijn geen kosten verbonden.

Bedrijfsoverdracht

Uw administratie wordt uiteraard al jaren tot volle tevredenheid door een administratie- of accountantskantoor verzorgd. Al jarenlang heeft u regelmatig contact met uw adviseur, en ook de Belastingdienst heeft nooit aanleiding gezien u lastige vragen te stellen. U ziet de relatie met uw adviseur dan ook terecht als zeer waardevol. Laat dat ook vooral zo blijven.

Toch kan het goed zijn dat wij een keer met een objectieve en frisse blik naar de fiscale positie van u en uw bedrijf kijken. Een fiscalist beschikt immers over specifieke expertise, die uw accountant of administrateur mogelijk niet of niet voldoende heeft. Dat is logisch, want het is ons dagelijks werk. Ieder zijn vak!

Zaken waar wij bijvoorbeeld over kunnen adviseren, is uw toekomstige bedrijfsoverdracht. Dat lijkt misschien nog ver weg, maar het opzetten van een goede structuur is van groot belang en moet vaak tijdig worden gedaan. Een termijn van drie jaar is vaak noodzakelijk om te voorkomen dat wettelijke termijnen een soepele overgang later toch nog ingewikkelder of duurder maken. In combinatie met de bedrijfsopvolgingsfaciliteit voor het successierecht kan (nu of later) een forse besparing van belasting worden bereikt. Het is een kwestie van goed plannen en tijdig de juiste beslissingen nemen.

Ook zien wij in de praktijk dat zaken als rechtsvorm, gebruikelijk loon, fiscale voorzieningen, uw oudedag, een nadere advisering behoeven. Specifieke materie, waar wij graag met u over spreken. Samen met uw adviseur en eventueel met andere professionals als een bank of uw notaris. Omdat veel van deze aspecten het doel hebben uiteindelijk veel belasting te besparen, zijn wij graag bereid de regie hierover in handen te nemen, zodat u gewoon kunt blijven doen waar ú goed in bent, zonder bezorgd te zijn dat u uiteindelijk veel teveel belasting betaalt.   

En dat is goed, voor u en uw adviseur. Wij zijn u graag van dienst.

]]>

Bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet in strijd met gelijkheidsbeginsel

Op 21 november heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in de vijf geselecteerde proefprocedures met betrekking tot de bedrijfsopvolgingsfaciliteit. De rechtbank Breda heeft in een geruchtmakende uitspraak op 13 juli 2012 geoordeeld dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in strijd was met het gelijkheidsbeginsel.In veel gevallen hebben belastingplichtigen bezwaar aangetekend.De Hoge Raad oordeelde, niet geheel onverwacht het tegenovergestelde. Elders op deze site heeft u al veel kunnen lezen over de aanleiding van deze uitspraak.



De Hoge Raad constateerde dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit onder meer is ingevoerd omdat de heffing van successie- en schenkingsrecht bij verkrijging van ondernemingsvermogen liquiditeitsproblemen met zich mee kan brengen. Hoewel het inderdaad kan voorkomen dat de faciliteit wordt toegepast terwijl er geen sprake is van liquiditeitsproblemen, betekent dat volgens de Hoge Raad niet dat de veronderstellingen van de wetgever evident onredelijk zijn. Volgens de Hoge Raad heeft de wetgever haar ruime beoordelingsvrijheid bij invoering van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit daarom niet overschreden. Zodoende is er geen sprake is van een bevoordeling van de verkrijging van ondernemingsvermogen ten opzichte van de verkrijging van overige vermogensbestanddelen. Van discriminatie kan daarom geen sprake zijn.

- See more at: http://www.estateplanningsjuristen.nl/ondernemers/hoge_raad_bedrijfsopvolgingsfaciliteit_alleen_voor_ondernememingsvermogen/#sthash.Q7qMWuV8.dpuf

Bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet in strijd met gelijkheidsbeginsel

Op 21 november heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in de vijf geselecteerde proefprocedures met betrekking tot de bedrijfsopvolgingsfaciliteit. De rechtbank Breda heeft in een geruchtmakende uitspraak op 13 juli 2012 geoordeeld dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in strijd was met het gelijkheidsbeginsel. In veel gevallen hebben belastingplichtigen bezwaar aangetekend. De Hoge Raad oordeelde, niet geheel onverwacht, het tegenovergestelde. Elders op deze site heeft u al veel kunnen lezen over de aanleiding van deze uitspraak.



De Hoge Raad constateerde dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit onder meer is ingevoerd omdat de heffing van successie- en schenkingsrecht bij verkrijging van ondernemingsvermogen liquiditeitsproblemen met zich mee kan brengen. Hoewel het inderdaad kan voorkomen dat de faciliteit wordt toegepast terwijl er geen sprake is van liquiditeitsproblemen, betekent dat volgens de Hoge Raad niet dat de veronderstellingen van de wetgever evident onredelijk zijn. Volgens de Hoge Raad heeft de wetgever haar ruime beoordelingsvrijheid bij invoering van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit daarom niet overschreden. Zodoende is er geen sprake van een bevoordeling van de verkrijging van ondernemingsvermogen ten opzichte van de verkrijging van overige vermogensbestanddelen. Van discriminatie kan daarom geen sprake zijn.

[news] 2013-11-24 2013-11-24 2014-01-31 4153

Bedrijfsopvolging en CV-structuur

Er komt een moment in het leven van u als ondernemer dat u het bedrijf moet overdragen, en dan vaak aan de kinderen. Zowel financieel als emotioneel is dat een grote stap. Uit onderzoek blijkt dat men in meer dan 25% van de gevallen ontevreden is over de advisering. Wellicht omdat niet alle mogelijkheden benut zijn of omdat men niet alle consequenties vooraf goed kon overzien of er op is gewezen.

Het overdragen van uw eenmanszaak kan eenvoudig worden gerealiseerd door de onderneming te verkopen aan de zoon of dochter, eventueel gevolgd door het kwijtschelden van de koopsom. Dit kan al dan niet fiscaal geruisloos. Elders op deze website meer hierover.

Een fraaie vorm om uw eenmanszaak over te dragen is het aangaan van een Vennootschap onder Firma (VOF) of een commanditaire vennootschap (CV) met uw opvolger. Over deze laatste en over de voordelen daarvan gaat dit artikel.

Bedrijfsovername via Commanditaire Vennootschap (CV)

Bij een CV blijft u betrokken bij de zaak. Uw ondernemingsvermogen blijft als commanditair kapitaal in de onderneming en het aantrekken van extra financiering is derhalve niet direct nodig. Dat is in deze tijd wel zo prettig. U staakt uw onderneming niet, dus fiscaal rekent u niet af over zaken als goodwill, stille reserves in activa en fiscale reserves, zoals FOR. Ook is er geen sprake van desinvesteringsbijtelling. In tegenstelling tot het overdragen tegen een vordering op de opvolger (zoals zo vaak gebeurt) blijft uw vermogen in de ondernemingssfeer. Een onverhoopt verlies blijft dan fiscaal aftrekbaar. Een vordering op de opvolger in box 3 is dat niet, tenzij er sprake is van een zogenaamde ongebruikelijke  terbeschikkingstelling, maar dit terzijde. Uw aansprakelijkheid gaat als commandiet niet verder dan hetgeen u in de CV heeft ingebracht. In een gewone VOF bent u hoofdelijk aansprakelijk.

Als commandiet geniet u winst uit onderneming, maar bent u geen ondernemer in de zin van de faciliteiten voor ondernemers. U geniet alleen de MKB winstvrijstelling. Uw winstaandeel, bestaande uit een vergoeding voor uw kapitaal (waarde van hetgeen u heeft ingebracht, inclusief de voorbehouden stille reserves) is dan toch lager belast! U kunt er overigens voor kiezen een gedeelte van de activa (bijvoorbeeld het bedrijfspand) buiten de inbreng in de CV te houden en te verhuren aan de CV.

Na verloop van tijd kunt u op een geschikt moment uw aandeel in de CV doorschuiven aan de opvolger, de beherend vennoot, en pas dan is de overdracht voltooid. Deze overdracht is een staking en leidt tot stakingswinst. Hierop zijn de faciliteiten van de geruisloze doorschuiving en de stakingswinstlijfrente van toepassing. Deze mogelijkheden worden elders op de site verder uiteengezet.

Kort samengevat de voordelen van de CV voor de bedrijfsopvolging in het familiebedrijf:

  • geen fiscale afrekening;
  • geen overdracht dus geen directe financiering door de opvolger;
  • beperking aansprakelijkheid tot bedrag inbreng;
  • ondernemingsvermogen dus mogelijkheid afwaardering;
  • MKB winstvrijstelling;
  • latere (geruisloze) doorschuiving mogelijk;
  • gevoelsmatig nog meer betrokken, ook naar relaties.
[news] 2014-01-09 0000-00-00 0000-00-00 4189

Bedrijfsopvolgingsfaciliteiten voor de inkomstenbelasting en schenk- en erfbelasting

Als uw bedrijf wordt gestaakt, verkocht of geschonken, liggen er diverse fiscale claims op de loer. Deze claims kunnen (deels) worden voorkomen of uitgesteld. Hoe dat in zijn werk gaat, leest u hieronder in de korte samenvatting van de huidige faciliteiten.

In de situatie dat de in privé gedreven (IB-)onderneming wordt overgedragen, moet gewoonlijk worden afgerekend met inkomstenbelasting. Bij verkoop van aandelen in uw B.V. moet in de aanmerkelijk belangsfeer worden afgerekend. Bij een overgang daarna van het (netto) vermogen naar uw kinderen door schenking of bij overlijden, is er ook nog eens minimaal 10% en maximaal 20% belasting verschuldigd. Teneinde de overdracht van uw onderneming naar bijvoorbeeld uw kinderen fiscaal geruisloos te laten verlopen en zo de continuïteit niet in gevaar te brengen, zijn er enkele bedrijfsopvolgingsfaciliteiten die hieronder kort uiteen worden gezet.

Inkomstenbelasting

1. Doorschuiven IB-onderneming

Een ondernemer kan zijn onderneming geruisloos doorschuiven aan een mede-ondernemer, die tenminste gedurende drie jaar als mede-ondernemer of als werknemer in de onderneming heeft gewerkt. De voortzetter gaat dan verder met de boekwaarden van de overdrager en neemt de fiscale claim ook over. Voor de liefhebbers: artikel 3.63 van de wet IB 2001. De koopsom kan aan de overdrager worden uitbetaald of door de overdrager aan zijn opvolger worden kwijtgescholden. De fiscale oudedagsreserve (FOR) kan alleen naar de partner worden doorgeschoven.

2. Doorschuiven IB-onderneming bij overlijden

Bij overlijden, ziekte en arbeidsongeschiktheid en enkele andere omstandigheden geldt de termijn van drie jaar niet en is de doorschuiffaciliteit direct van toepassing.

3. Doorschuiving van aanmerkelijk belang bij overlijden

Bij overlijden van de aanmerkelijk belanghouder wordt er geen aanmerkelijk belang geheven bij overgang onder algemene titel (erven) of bijzondere titel (legaat) als voldaan wordt aan de volgende eisen:

  • de vennootschap drijft een onderneming (en is dus geen belegger) of is medegerechtigde;
  • de aandelen vormen geen aanmerkelijk belang op grond van de meetrekregeling;
  • de aandelen vormen geen ondernemingsvermogen;
  • een verkrijging bij legaat moet binnen twee jaar na overlijden plaatsvinden.

Het gedeelte van de overdrachtsprijs dat aan het vermogen van de onderneming is toe te rekenen, vermeerderd met 5% van het beleggingsvermogen, wordt zonder heffing doorgeschoven naar de erfgenamen / legataris (artikel 4.17a Wet IB 2001).

Voor preferente aandelen gelden aanvullende voorwaarden. Er moet onder meer sprake zijn van een eerdere omzetting van gewone aandelen, waarbij gewone aandelen aan een ander zijn uitgegeven. Zoals bij een gewone bedrijfopvolging dus.

4. Doorschuiving van aanmerkelijk belang bij schenking van aandelen

Schenking van aandelen aan de opvolger kan ook al bij leven. Daarvoor gelden dezelfde eisen als hierboven onder 1 tot en met 3 genoemd. Daarnaast geldt echter de aanvullende eis, dat de verkrijger al sinds drie jaar bij de vennootschap, waarvan de aandelen worden geschonken, in dienstbetrekking is.

Een en ander lijkt eenvoudig, maar is in de uitvoering redelijk complex en vereist dus de nodige planning.

Schenk- en erfbelasting

Hierboven hebben wij in het kort de inkomstenbelastinggevolgen van doorschuiving van ondernemingsvermogen besproken. Indien er ondernemingsvermogen wordt verkregens krachtens schenking of vererving heeft dit ook nog eens consequenties voor de Successiewet.

Bij het schenken of erven van vermogen van ouders aan kinderen is in beginsel 10% - 20% belasting verschuldigd. Bij kleinkinderen is het tarief 80% hoger, derhalve 18% - 36%. Bij een bedrijfsopvolging kan onder voorwaarden gebruik worden gemaakt van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten. Vanaf 1 januari 2010 geldt een forse vrijstelling voor ondernemingsvermogen. Over een waarde van ruim € 1.000.000 is helemaal geen erf- of schenkbelasting verschuldigd, daarboven is 83% vrijgesteld. Als er dan toch nog over de resterende 17% belasting is verschuldigd, kan daarvoor rentedragend uitstel worden verleend.

Voor de onderstaande ondernemingsgerelateerde vermogensbestanddelen kan van deze faciliteit gebruik worden gemaakt:

  • de IB-onderneming;
  • een medegerechtigdheid;
  • de aanmerkelijk belangaandelen van uw BV of NV;
  • onroerende zaken die onder de TBS-regeling vallen.

Er moet sprake zijn van een reële bedrijfsopvolging. Als voorwaarde geldt daarbij een bezitseis en een voortzettingseis.

De bezitseis bij overlijden houdt in dat de erflater de hierboven genoemde onderneming al tenminste één jaar dreef, de aandelen of andere kwalificerende vermogensbestanddelen al één jaar had. Bij schenking geldt een termijn van vijf jaren.

De voortzettingseis geldt ten aanzien van de erfgenaam of begunstigde, deze moet de onderneming vijf jaar voortzetten of de aandelen vijf jaar houden. Gebeurt dat niet, dan vervalt de vrijstelling alsnog. Het betreft derhalve een voorwaardelijke vrijstelling.

Bedrijfsopvolging en materiële onderneming

Als er een B.V. is met enkele onroerende zaken of niet duidelijk een materiële onderneming wordt gedreven, moet u erfbelasting en box 2 heffing betalen als u komt te overlijden, dit kan zomaar 50% van het vermogen van de B.V. kosten (aan erfbelasting en inkomstenbelasting).

De bedrijfsopvolgingsregeling is een geweldige manier om de erfbelasting en box 2 heffing te voorkomen, deze regeling is door de overheid echter enkel opgesteld voor "echte bedrijven". Er komen steeds meer uitspraken waaruit volgt dat een beleggingsmaatschappij / B.V. met onroerend goed niet snel een materiële onderneming is. Als u zo'n type onderneming drijft, laat u dan tijdig adviseren, wellicht is er dan nog iets mogelijk qua structurering.

Er bestaat veel jurisprudentie over de materiële onderneming en de bedrijfsopvolgingsfaciliteit. Waardoor u wellicht door de bomen het bos niet meer ziet. Het is verstandig om in overleg met een fiscaal jurist te bekijken welke uitspraak het meeste lijkt op uw situatie. Een voorbeeld is de uitspraak van de Rechtbank Arnhem d.d. 18 december 2012 (gepubliceerd 8 maart 2013). In deze uitspraak bestaan de activiteiten in de B.V. voornamelijk uit verhuur van bedrijfspanden en woningen. De huuropbrengst bedraagt € 300.000 per jaar. De heer X doet een beroep op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (artikel 35b en artikel 35c van de Successiewet 1956). De inspecteur weigert de bedrijfsopvolgingsfaciliteit en de heer X stapt naar de rechter. De rechter stelt dat de arbeid binnen de B.V. beperkt is en het normale vermogensbeheer niet te boven gaat. Het verrichten van onderhoud en voeren van onderhandelingen met huurders behoren tot de gebruikelijke werkzaamheden. Conclusie Rechtbank: geen bedrijfsopvolgingsfaciliteit.

Tot besluit

Er zijn zeer interessante regelingen voor bedrijfsopvolging in de inkomstenbelasting en de schenk- en erfbelasting. Er kunnen hiermee grote fiscale voordelen behaald worden. Vanzelfsprekend is de praktijk vaak een stuk weerbarstiger dan de theorie, zodat u zich tijdig en goed moet laten adviseren. Wij zijn u daarbij graag van dienst. Samen met bijvoorbeeld uw eigen notaris en accountant kunnen wij tot een afgewogen advies komen.

[news] 2011-03-07 2011-03-07 2011-05-07 3314

"Hoe kan ik gunstig mijn bedrijf overdragen aan mijn kinderen?"

Sinds 2010 is het mogelijk uw onderneming onder voorwaarden belastingvrij over te dragen aan uw kinderen. Hierin zijn de voorwaarden voor het schenken van uw onderneming aanmerkelijk versoepeld.

De faciliteit

  • U kunt 100% van uw onderneming tot een bedrag van ruim € 1 miljoen belastingvrij schenken (voorheen was dit maximaal 75%), voor het meerdere geldt voor 83% de vrijstelling.  
  • U kunt uitstel van betaling krijgen voor het resterende bedrag van de schenking.
  • De faciliteit geldt ook voor onroerend goed dat u vanuit privé aan de vennootschap ter beschikking stelt.
  • Er worden geen voorwaarden meer gesteld aan uw leeftijd en / of de mate van arbeidsongeschiktheid.

Waar moet ik op letten?

  • De regeling geldt alleen voor "echte" ondernemingen en niet voor beleggingsvennootschappen. Slechts 5% van het geschonken bedrijf mag bestaan uit beleggingsvermogen.
  • De schenker moet het bedrijf minimaal 5 jaar in bezit hebben gehad (bij overlijden geldt een minimum bezitseis van 1 jaar) en de begunstigde moet minimaal 5 jaar de onderneming voortzetten.
  • Bij preferente aandelen gelden andere voorwaarden; deze kunnen slechts onder de vrijstelling vallen, indien deze zijn ontstaan als gevolg van de gefaseerde overdracht van de onderneming.
  • U moet om de regeling verzoeken; hij is anders niet van toepassing.
  • Vergeet de andere kinderen niet.

Bedrijfsopvolgingsfaciliteit en vastgoed

Regelmatig krijgen wij zaken voorbij waar het de vraag is of er sprake is van een materiële onderneming. Een voorbeeldcasus is de procedure bij het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 5 november 2013. Vader komt in 2005 te overlijden. In 2001 is een nieuw testament opgesteld. De vrouw en 3 kinderen zijn als erfgenamen in het testament opgenomen. Tot 2000 was vader betrokken bij een schildersbedrijf (in een werkmaatschappij). Daarna is hij met pensioen gegaan. In de B.V. zaten op het moment van overlijden ruim 15 panden die werden verhuurd. Het eigen vermogen bedroeg ongeveer € 1 miljoen. In de B.V. kwam qua omzet voornamelijk huur binnen. Er worden in de B.V. regelmatig (zeg jaarlijks) wel panden gekocht of verkocht. Er wordt ongeveer € 200.000 aan erfbelasting betaald en er wordt bezwaar en beroep aangetekend tegen de aanslag. De erfgenamen zijn van mening dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van toepassing is (artikel 35b en verder Successiewet of op grond van gelijkheidsbeginsel). Op grond van artikel 35c eerste lid Successiewet moet het gaan om een "echte onderneming": een onderneming welke een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid vormt.

Van een materiële onderneming is bij exploitatie van onroerende goederen sprake indien de in dat kader te verrichten of verrichte arbeid qua aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van een rendement dat het rendement bij normaal vermogensbeheer te boven gaat.

Volgens de erflaters was vader hier erg druk mee, de volgende zaken worden gesteld:

  • er worden regelmatig panden gekocht en verkocht;
  • rendement is hoger dan bij normaal vermogensbeheer;
  • er worden zelfstandig huurovereenkomsten opgesteld;
  • er wordt zelfstandig naar huurders gezocht;
  • begeleiding van onderhoud;
  • actieve rol binnen vereniging van eigenaren;
  • wijzigingen in bestemmingsplannen;
  • splitsen van eigendomsrechten.

Het Gerechtshof is van mening dat er geen sprake is van een materiële onderneming. De conclusie is dat bij bedrijfspanden een zeer actieve rol erg belangrijk is. Er moeten zoveel als mogelijk zelf werkzaamheden worden verricht (eigen bouwvakker in dienstbetrekking, eigen huuradministratie, werknemer voor algemene zaken, etc.).

Bedrijfsopvolging en privévermogen

We hebben even gedacht of de bedrijfsopvolgingsfaciliteit wellicht ook van toepassing zou kunnen zijn op privévermogen. Volgens de rechtbank en de advocaat-generaal zou dit wellicht kunnen. De Hoge Raad was er snel klaar mee. De uitspraak in cassatie is op 22 november 2013 bekend geworden. Hoewel de advocaat-generaal nog positief voor de belastingplichtige adviseerde, ging de Hoge Raad hierin niet mee. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat onze wetgever een duidelijk onderscheid mag maken tussen ondernemingsvermogen en particulier vermogen. De bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) in de Successiewet is volgens de Hoge Raad niet in strijd met het discriminatieverbod, omdat er gerechtvaardigde doelstellingen aan dit onderscheid ten grondslag hebben gelegen. Bij bedrijven kan er namelijk een groot liquiditeitsprobleem ontstaan als er belasting verschuldigd zou zijn. Bron Hoge Raad 22 november 2013.

Advies

Mocht u voornemens zijn op termijn uw onderneming over te dragen aan uw kinderen, laat u dan tijdig adviseren. Om alles optimaal te kunnen regelen, is het 't beste om minimaal 3 jaar vóór de daadwerkelijke overdracht een en ander reeds in gang te zetten. De bedrijfsopvolgingsregeling is de meest makkelijke manier om belastingvrij vermogen over te dragen aan uw kinderen; de meest ideale vorm van estate planning.

[news] 2010-05-11 0000-00-00 0000-00-00 2785
2014-01-09 0000-00-00 0000-00-00 4187 Jurisprudentie bedrijfsopvolging [news] 2014-01-09

Bedrijfsopvolgingsregeling en materiële onderneming

In een uitspraak van de rechtbank Arnhem d.d. 1 november 2012 kwam de bedrijfsopvolgingsregeling in het kader van de materiële onderneming aan de orde. Tevens heeft de rechtbank Arnhem - vrij uitgebreid - haar oordeel gegeven over de mogelijke discriminatie binnen deze regeling.

Feiten uit de uitspraak over de bedrijfsopvolgingsregeling

Op 16 oktober 2005 is de heer A overleden. Hij had een testament opgesteld, zijn echtgenote en zijn drie kinderen zijn erfgenaam. Tot de nalatenschap behoorden aandelen in X Onroerend Goed B.V. (hierna: de B.V.). Deze B.V. bezat 15 panden die in de periode 1989 tot en met 2003 met eigen geld zijn aangekocht. De panden worden verhuurd aan een derde. De kinderen kregen (via een legaat) de aandelen in de B.V. De vraag is: vormen de verhuurde panden een materiële onderneming of niet? De werkzaamheden bestonden uit: 

  • de aan- en verkoop van panden;
  • het zoeken van huurders;
  • het onderhouden van contacten met huurders;
  • het (laten) verbouwen van de panden;
  • het (laten) onderhouden van de panden;
  • het onderhouden van het dagelijkse contact met de aannemer;
  • het bekleden van bestuursfuncties in de verenigingen van eigenaren van de panden (hierna: de VVE);
  • het wijzigen van de bestemmingen van de panden;
  • het opstellen van huurovereenkomsten;
  • het kadastraal splitsen van de panden;
  • het oprichten van de VVE’s en het zorgen voor verdeelsleutels over de stemmen.

Geschil bedrijfsopvolgingsregeling en bedrijfspanden / onroerende zaken

Er wordt een beroep gedaan op de bedrijfsopvolgingsregeling zoals opgenomen in artikel 35b, tweede lid, sub b, juncto artikel 35c, eerste lid, van de Successiewet 1956 (hierna: de SW). Het beroep op deze regeling is door de Belastingdienst afgewezen, er is niet aannemelijk gemaakt dat de B.V. met haar vermogen een onderneming drijft, aldus de Belastingdienst.

Als deze vraag ontkennend wordt beantwoord, dan stellen de kinderen dat sprake is van strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel.

Rechter over de bedrijfsopvolgingsregeling en onroerende zaken

Is een B.V. met panden een onderneming die recht heeft op de bedrijfsopvolgingsregeling?

Ingevolge het genoemde artikel uit de successiewet (artikel 35b, tweede lid, aanhef en onderdeel b) kan de bedrijfsopvolgingsregeling worden toegepast als er aandelen worden verkregen in een B.V. welke een echte / materiële onderneming drijft. Het mag dus niet gaan om:

  • een lichaam waarvan de feitelijke werkzaamheid bestaat in het, onmiddellijk of middellijk, beleggen van vermogen of daarmee overeenkomende werkzaamheid, die behoorden tot een aanmerkelijk belang in de zin van afdeling 4.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

De rechter gaat er eens goed voor zitten en komt met een uitgebreide uiteenzetting. De rechtbank overweegt dat naar vaste jurisprudentie het volgende onderscheid kan worden gemaakt:

  • Een onderneming is een duurzame organisatie die erop is gericht met behulp van arbeid en / of kennis en veelal van kapitaal deel te nemen aan het maatschappelijke productieproces met het oogmerk om winst, dat wil zeggen baten die het normale rendement overstijgen te behalen.
  • Van normaal vermogensbeheer is niet langer sprake indien het rendabel maken van onroerende zaken mede geschiedt door middel van arbeid die de eigenaar van de onroerende zaken verricht en welke arbeid naar aard en omvang onmiskenbaar tot doel heeft het behalen van redelijkerwijs te verwachten voordelen uit de onroerende zaken, die het rendement bij een normaal vermogensbeheer te boven gaan (zie Hoge Raad 7 oktober 1981, nr. 20733, BNB 1981/299, Hoge Raad 17 augustus 1994, nr. 29.755, LJN ZC5731, BNB 1994/319 en Hoge Raad 9 oktober 2009, nr. 43.035, LJN BI0481, BNB 2010/117).

Volgens de rechter is bij de B.V. sprake van normaal vermogensbeheer en niet meer dan dat. De eiser / kinderen noemen allerlei dingen die zouden worden gedaan, maar dit wordt onvoldoende aangetoond. Tevens wordt onvoldoende aangetoond dat door de arbeid (onder meer van de heer A, de erflater) een hoger rendement is behaald dan bij normaal vermogensbeheer. Hierbij weegt de rechter ook mee:

  • De onroerende zaken zijn aangeschaft met eigen vermogen, wat wijst op beleggingsactiviteiten.
  • Overige werkzaamheden gaan een normaal vermogensbeheer niet te boven.
  • Van een bovengemiddelde waardestijging van de panden ten gevolge van de door erflater verrichte verbouwingen is niets gebleken.
  • Het wijzigen van de bestemming van de panden heeft betrekking gehad op slechts één pand.
  • Erflater's kennis van onroerende zaken was niet van dien aard dat hiermede een hoger rendement werd behaald. Erflater is nooit beroepsmatig werkzaam geweest op de vastgoedmarkt.
  • De omvang van alle werkzaamheden zijn volgens verweerder ook niet zodanig dat sprake is van een onderneming. De werkzaamheden dienen ieder voor zich te worden beoordeeld.
  • Er wordt geen onderbouwing gegeven van de activiteiten die worden verricht, ze worden wel genoemd maar daar blijft het ook bij.
  • Er is niet aannemelijk gemaakt dat de bedoelde activiteiten dermate frequent plaatsvonden en dermate omvangrijk en renderend waren, dat zij tot een hoger rendement dan bij een normaal vermogensbeheer hebben geleid.
  • Meeste werkzaamheden hadden een incidenteel karakter.

Conclusie: er is sprake van normaal vermogensbeheer, het duurzaamheidsvereiste ontbreekt en er is geen sprake van een materiële onderneming. Er is sprake van een beleggingsportefeuille in een B.V., niet meer dan dat.

Wordt het gelijkheidsbeginsel geschonden?

De kinderen proberen nog een andere route, namelijk dat op grond van het gelijkheidsbeginsel alsnog de aanslag op nihil moet worden vastgesteld, dit op grond van de bekende uitspraak van de Rechtbank op 13 juli 2012, nr. 11/5509, LJN BX3386, V-N 2012/43.20, waarin is geoordeeld dat op grond van dit beginsel de (voorwaardelijke) vrijstelling van de bedrijfsopvolgingsregeling ook op de verkrijging van privévermogen moet worden toegepast. De rechter gaat hier uitgebreid op in, zie hieronder de overwegingen: 

  • De rechtbank stelt voorop dat het vraagstuk of sprake is van gelijke gevallen dient te worden bezien vanuit de doelstelling van de regeling. Beoordeeld dient te worden met welke redenen de wetgever een eventueel onderscheid heeft gemaakt. Hierbij zij opgemerkt dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of voor de toepassing van artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM gevallen als gelijk dienen te worden beschouwd (HR 8 juli 2005, nr. 39.870, LJN AQ7212, BNB 2005/310). Het oordeel van de wetgever dient te worden geëerbiedigd tenzij het van redelijkheid is ontbloot (EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003/52.2). De wetgever kent een zogenoemde ‘wide margin of appreciation’ (EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398). De vraag die beantwoording behoeft, is of de wetgever deze ‘margin’ heeft overschreden bij het vormgeven van de bedrijfsopvolgingsregeling.
  • Ingevolge de artikelen 35b en 35c juncto 31a van de SW wordt op verzoek van de verkrijger de bedrijfsopvolgingsregeling toegepast, onder de voorwaarde dat het verkregen (ondernemings)vermogen gedurende een periode van ten minste vijf jaren rechtstreeks wordt voortgezet. Indien aan dit voortzettingsvereiste wordt voldaan, dan geldt een vrijstelling van zestig percent van het verkregen vermogen (wettekst 2005). Het vrijgestelde belastingbedrag wordt wederom op verzoek van de verkrijger geheven bij wege van conserverende aanslag.
  • Zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de hierboven beschreven bepalingen, is de bedrijfsopvolgingsregeling door de wetgever in het leven geroepen teneinde een (gedeeltelijke) oplossing te bieden voor die gevallen waarin bedrijfsopvolging na overlijden of schenking zou worden bemoeilijkt doordat over de verkrijgingen successie- of schenkingsrecht zou moeten worden voldaan. De wetgever achtte het vanuit algemeen sociaal-economisch belang onwenselijk dat een onderneming die overgaat door vererving moet worden gestaakt of geforceerd moet worden verkocht zonder dat de bedrijfsresultaten daar aanleiding toe geven, met als gevolg een verlies aan werkgelegenheid en economische diversiteit. De ondernemer is met andere woorden in zijn bestedingsmogelijkheden beperkt; het vermogen zit vast in de onderneming (zie MvT, Kamerstukken II 1997/1998, 25 688, nr. 3, blz. 7).
  • Gelet op de duidelijke bewoordingen van de wettelijke regeling en de bijbehorende wetsgeschiedenis heeft eiser, zoals hiervoor onder 4.5 is overwogen, geen recht op toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling, daar hij geen materiële onderneming heeft geërfd en deze ook niet kan voortzetten. Naar het oordeel van de rechtbank komt eiser ook op grond van het gelijkheidsbeginsel hiervoor niet in aanmerking. In het licht van de in ro. 4.7 genoemde jurisprudentie dient ter beoordeling van een mogelijke overschrijding van bevoegdheden specifiek te worden gekeken naar de redenen die de wetgever heeft gehad voor de invoering van de te toetsen regeling en het daarin gemaakte onderscheid. Uit de wetsgeschiedenis blijkt onmiskenbaar dat het doel van de bedrijfsopvolgingsregeling is het voorkomen van liquiditeitsproblemen bij ondernemingen als gevolg van de heffing van schenkings- of successierecht opdat het voortbestaan van de ondernemingen niet in gevaar komt. Bezien vanuit dat doel brengen erfrechtelijke verkrijgingen van ondernemings- en privévermogen verschillende risico’s met zich en zijn zij als zodanig niet te beschouwen als gelijke gevallen. Eiser loopt met de verkrijging van de aandelen in een B.V. waarin geen onderneming wordt gedreven en met de betaling van het successierecht eenvoudigweg niet dezelfde bestaansrisico’s als de toekomstig ondernemer die voor deze betaling mogelijkerwijs het ondernemingsvermogen moet aanwenden. De wetgever heeft met het maken van een onderscheid tussen de typen vermogens derhalve een gerechtvaardigd doel voor ogen gehad en heeft zijn ruime beoordelingsruimte niet overschreden (vergelijk Rechtbank Arnhem 25 maart 2010, nr. AWB 09/1750, LJN BX0548, NTFR 2012/1952, Hof Arnhem 22 maart 2011, nr. 10/00194, LJN BQ0618, V-N 2011/31.1.3, Hoge Raad 9 december 2011, nr. 11/02099, LJN BU6998, V-N 2012/6.4).
  • Ook voor het geval moet worden aangenomen dat sprake is van gelijke gevallen, dan wel van een disproportionele ongelijke behandeling van ongelijke gevallen, moet het beroep op het gelijkheidsbeginsel worden afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat voor het door de wetgever in het kader van de bedrijfsopvolgingsregeling gemaakte verschil in behandeling tussen vermogens en de gekozen uitvoeringswijze – te weten vrijstellingspercentages - een objectieve en redelijke rechtvaardiging welke samengevat betreft het stimuleren van ondernemerschap (zie hiervoor ro. 4.9). Daarbij heeft de wetgever om redenen van eenvoud en doelmatigheid mogen kiezen voor een generieke regeling, waarbij niet daadwerkelijk een vermogenstoets wordt aangelegd. Met die keuze heeft de wetgever nog niet zijn ruime beoordelingsmarge overschreden. Daartoe dient in de woorden van het EHRM Della Ciaja-arrest (zie ro. 4.7) immers sprake te zijn van een ‘manifestly illogical or arbitrary’ keuze, waarvan in de onderhavige regeling geen sprake is.

Conclusie bedrijfsopvolging en materiële onderneming

Als er een B.V. is met enkele onroerende zaken of niet duidelijk een materiële onderneming, moet u erfbelasting en box 2 heffing betalen als u komt te overlijden, dit kan zomaar 50% van het vermogen van de B.V. kosten (aan erfbelasting en inkomstenbelasting).

De bedrijfsopvolgingsregeling is een geweldige manier om de erfbelasting en box 2 heffing te voorkomen, deze regeling is door de overheid echter enkel opgesteld voor "echte bedrijven". Er komen steeds meer uitspraken waaruit volgt dat een beleggingsmaatschappij / B.V. met onroerend goed niet snel een materiële onderneming is. Als u zo'n B.V. heeft, laat u dan adviseren, de meest voor de hand liggende opties zijn:

  1. Materiële onderneming binnen de B.V. kopen (voorkeur: deze onderneming in het bedrijfspand vestigen).
  2. Activiteiten ontwikkelen in de B.V. (dus meer activiteiten voor de beleggingen zelf doen, bijvoorbeeld aannemersbedrijf kopen, etc.).
  3. Emigratie naar land zonder erfbelasting.

Vragen over de bedrijfsopvolgingsregeling?

Mailt of belt u mij gerust, een oriënterend gesprek bij ons op kantoor kan zonder verdere kosten plaatsvinden. 

Veel mensen zijn niet op de hoogte van de notariële en fiscale gevolgen van hun situatie. Dit komt doordat overlijden en financiële zaken liever niet worden besproken of omdat men denkt dat de adviseur (accountant / notaris / fiscaal jurist) er vast wel naar zal kijken. De bedrijfsopvolgingsregeling wordt vaak te laat of niet toegepast, terwijl deze ook tijdens leven kan worden uitgevoerd. De regeling is niet eenvoudig en kennis van zaken is nodig.

Wij bieden daarom altijd een vrijblijvend gesprek bij ons op kantoor aan. In dit gesprek controleren wij uw financiële situatie, uw testament of andere zaken zoals de statuten van uw B.V. etc. Als u al jaren geleden een testament heeft laten maken en uw inkomens-, vermogens- of gezinssituatie is gewijzigd, dan is de kans groot dat uw testament niet meer voldoet. Nog belangrijker is dat u de zaken beter kunt regelen en hiermee ook nog belasting kunt besparen en ruzies kunt voorkomen.

0000-00-00 0000-00-00 4188
Bedrijfsopvolging eenmanszaak vof [news] 2014-01-09

Bedrijfsopvolging eenmanszaak & VOF

Als u overweegt uw bedrijfsopvolging te verkopen of uit te treden uit een VOF, dan moet u hier eigenlijk al 5 jaar van tevoren over gaan nadenken. Het is belangrijk om een bedrijfsopvolging goed voor te bereiden en de hiervoor benodigde structuur nu al neer te zetten. Naast het feit dat een bedrijfsopvolging door een juiste structuur eenvoudiger kan verlopen, kunt u ook belasting besparen. Mits de structuur juist wordt opgezet, kunnen de meeste bedrijfsopvolgingen zonder heffing van belastingen plaatsvinden. De financiering van een bedrijfsopvolging of overname kan hierdoor eenvoudiger worden vormgegeven. Ook is het belangrijk dat u tijdig - in uw hoofd - gaat nadenken over uw vertrek, deze emotie wordt vaak vergeten. Conclusie: praat erover met uw accountant en schakel ook een specialist in.

De bedrijfsopvolging kan spelen bij ondernemers in de inkomstenbelasting en bij ondernemers in de B.V.-vorm. In dit onderdeel artikelen over de bedrijfsopvolging bij ondernemers voor de inkomstenbelasting, hierbij kunt u denken aan:

  • bedrijfsopvolging bij de eenmanszaak;
  • bedrijfsopvolging bij de VOF;
  • bedrijfsopvolging bij de maatschap;
  • bedrijfsopvolging bij de CV.

Inkomstenbelasting en bedrijfsopvolging

In de fiscale wereld spelen bij een bedrijfsopvolging (binnen de familie) de schenkbelasting en de inkomstenbelasting (box 1 of 2). De belasting kan worden voorkomen door gebruik te maken van de zogeheten bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF). Dit geldt dus voor eenmanszaken, vennootschappen onder firma, maatschappen en B.V.'s. In de inkomstenbelasting kan de heffing worden uitgesteld, er gelden wel voorwaarden:

  • U moet de onderneming minimaal 1 jaar in bezit hebben.
  • Er moet sprake zijn van een echte onderneming (geen beleggingen).
  • De persoon die de onderneming voortzet moet mede-ondernemer of werknemer zijn sinds de laatste 3 jaren (binnen de onderneming).
  • Bij vererving moeten de overnemers de onderneming ook gedurende een periode voortzetten.

Bedrijfsopvolging en geen echte onderneming

Als u een B.V. zou hebben waarbinnen deels een onderneming wordt uitgeoefend en deels wordt belegd, is het te overwegen om beide activiteiten via een juridische splitsing van elkaar te splitsen. Bij een dergelijke herstructurering kunt u het volgende meenemen:

  • pensioen in aparte entiteit;
  • vermogen in vrijgestelde beleggingsinstelling;
  • mede eigendom van uw partner;
  • beleggingsvermogen in aparte B.V.;
  • opzetten stichting voor toekomstige scheiding zeggenschap en eigendom;
  • opstarten van een familieplan om onduidelijkheden weg te nemen.

Quickscan voor bedrijfsopvolging

Wij maken regelmatig voor accountants en ondernemers een quickscan om te kijken of een bedrijfsopvolging binnen uw huidige structuur mogelijk is. Als u een offerte hiervoor zou willen, kunt u hier deze offerte aanvragen, binnen een paar dagen ontvangt u dan van ons een e-mail. De ervaring leert dat een quickscan altijd verbeterpunten oplevert. U kunt ook rechtstreeks met mij e-mailen of bellen.

Structuur bij een bedrijfsopvolging

De meest voorkomende structuur bij een bedrijfsopvolging in de B.V.-omgeving is de verkoop van een werkmaatschappij door een holding. De verkoop kan dan belastingvrij plaatsvinden, dit op grond van de deelnemingsvrijstelling. De structuur moet u tenminste 3 jaar voor de bedrijfsopvolging opzetten, dit op grond van fiscale wetgeving. De structuur kan worden gevormd via een geruisloze of ruisende inbreng van een eenmanszaak, vennootschap onder firma of maatschap welke dan wordt opgevolgd met bijvoorbeeld:

  • herstructurering of het uitzakken binnen fiscale eenheid (wachttermijn 6 jaar);
  • bedrijfsfusie;
  • juridische afsplitsing; 
  • aandelenruil.

Als u 1 B.V. zou hebben, dan kunt u hier belastingvrij en vrij eenvoudig een holdingstructuur van maken. Via een aandelenruil worden de aandelen in de werkmaatschappij verkregen door een nieuw op te richten holding (vrijstelling is geregeld in artikel 3.55 jo. artikel 4.41 lid 1 wet op de Inkomstenbelasting). Formeel is er dan geen wachttermijn van 3 jaar, het moet echter niet zo zijn dat u al een koper voor uw bedrijf heeft en / of het een samenstelling van rechtshandelingen is om belastingheffing te voorkomen. Via een aandelenruil is het lastig om een mogelijke lijfrente of een stamrecht in de holding onder te brengen.

Vragen over bedrijfsopvolging

Een bedrijfsopvolging kan via vele routes worden opgezet, één keuze of optie is niet te geven. Veel mensen zijn niet op de hoogte van de notariële en fiscale gevolgen van hun situatie en / of kiezen te laat voor de juiste structuur, dit is jammer.  

Wij bieden daarom altijd een vrijblijvend gesprek bij ons op kantoor aan. In dit gesprek controleren wij uw financiële situatie, uw testament of andere zaken zoals de statuten van uw B.V. etc. Als u al jaren geleden een testament heeft laten maken en uw inkomens-, vermogens- of gezinssituatie is gewijzigd, dan is de kans groot dat uw testament niet meer voldoet. Nog belangrijker is dat u de zaken beter kunt regelen en hiermee ook nog belasting kunt besparen en ruzies kunt voorkomen.

Als u vragen of opmerkingen heeft over de erfenis, het verwerpen van een erfenis, de inzage in een testament, de aangifte erfbelasting, etc., kunt u zonder verdere verplichtingen onderstaand vragenformulier invullen. 

Service van de notaris of fiscaal jurist

Soms willen cliënten liever een gesprek thuis, op hun bedrijf of in het weekend. Het maakt ons niets uit, dit regelen wij graag voor u. Als u aangeeft waar en wanneer u de bespreking zou wensen, dan houden wij hier rekening mee. 

0000-00-00 0000-00-00 4185

Erfbelasting bij verkrijgen B.V.

De Hoge Raad (en het Gerechtshof) zijn van mening dat voor de waardering van aandelen ook rekening moet worden gehouden met het langlevenrisico (bedoeling wetgever bij artikel 13a SW 1956). Waardestijging van aandelen door overlijden van moeder is derhalve volledig belast als fictieve verkrijging.

Erfbelasting over waarde onderneming

Als u een onderneming (of aandelen in een B.V.) erft, dan moet u hierover erfbelasting betalen. Hoeveel? Dat zal afhangen van de waarde van de aandelen / onderneming. Soms krijgt u een vrijstelling. Dit kan spelen als u een onderneming van uw ouders erft en de bedrijfsopvolgingsregeling van toepassing is. Hoe wordt de waarde van de aandelen bepaald? Heeft pensioen of een lijfrente in eigen beheer invloed op de waarde van de aandelen? In dit artikel een casus bij de Hoge Raad in 2019.

Gevolgen lijfrente voor waarde B.V.

De Hoge Raad oordeelt dat de waardestijging van de aandelen door het overlijden van moeder gewoon belast is met erfbelasting.

  • Een man drijft met zijn ouders een onderneming in de vorm van een VOF. De ouders treden uit en bedingen daarbij een lijfrente bij de onderneming van de voorzettende zoon. De onderneming en de lijfrente worden daarna ingebracht in een B.V.
  • In mei 2015 wordt moeder ernstig ziek en ze overlijdt in juli. Daardoor valt haar lijfrenteverplichting vrij en stijgt de waarde van de aandelen in de B.V. Op basis van de wet wordt die waardestijging aangemerkt als een (fictieve) erfrechtelijke verkrijging.
  • De zoon moet dus erfbelasting betalen omdat zijn aandelen meer waard zijn geworden door het overlijden van moeder.
  • De zoon kan daar maar moeilijk mee leven en komt in bezwaar en beroep tegen de aanslag erfbelasting. Hij neemt daarbij een creatief standpunt in, waarvan ik zou willen dat ik het bedacht had: de waardestijging is niet het gevolg van het overlijden, maar van de ernstige ziekte van moeder, waardoor de lijfrenteverplichting al vóór overlijden moest worden afgewaardeerd (toen waren de vooruitzichten immers al zeer slecht). De waardestijging komt dus niet door overlijden van moeder, maar door de ernstige ziekte.

Helaas gaat de Hoge Raad niet mee in die gedachte:

“Aan de (…) bedoeling van de wetgever wordt dan recht gedaan door (de) te belasten waardestijging van de aandelen mede rekening te houden met een eventuele eerdere afwaardering van die voorziening in verband met verminderd langlevenrisico van de verzekerde.”

Opmerking fiscaal jurist over waardering B.V.

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de regeling is ingevoerd om een einde te maken aan constructies waarbij oudedagsvoorzieningen van een erflater worden ondergebracht in een vennootschap waarvan de aandelen worden gehouden door een ander dan die erflater, en een waardestijging van die aandelen ten gevolge van het overlijden van een erflater onbelast blijft.

Op zich is dat een terechte anti-misbruikregel, maar kan soms toch wel onredelijk uitpakken.

Wel komt de vraag op of de hele waardestijging ook belast is met erfbelasting als er tussen het opkomen van de ziekte een jaargrens zit (met een balansafsluiting). De gedachte zou dan toch kunnen zijn dat er op het moment van afsluiting van het jaar een herwaardering van de lijfrenteverplichting mag plaatsvinden (die dan wel belast is met Vpb) maar dat er nog een klein deel resteert omdat er nog een verplichting is omdat – per balansdatum – nog geen sprake is van overlijden. De toekomst zal het leren, maar wij procederen dat graag voor u uit.

Vragen over erven van een bedrijf?

Graag bespreken we de mogelijkheden onder een bakkie troost.

Bron erfbelasting over waarde B.V.

Arrest Hoge Raad erfbelasting

Erfbelasting bij verkrijgen BV [news] 2019-02-15 0000-00-00 0000-00-00 5819

Bedrijfsopvolging en vastgoed

Op 18 juni 2021 deed de Hoge Raad uitspraak in een zaak waar wij als fiscalisten lang naar uit hebben gekeken. In dit arrest stond de bedrijfsopvolgingsregeling bij de verkrijging van (certificaten van) aandelen in een vastgoedbedrijf centraal. De Belastingdienst stelt hierbij meestal al snel: "vastgoed is geen bedrijf, dus geen BOR." In dit geval was de Belastingdienst iets milder in haar standpunt, voor de ontwikkeling was er sprake van een bedrijf (materiële onderneming) maar voor de verhuuractiviteiten niet. Kan dit ?

Belastingvrij vastgoedbedrijf overdragen, kan dit?

Henk is in 2012 overleden en tot de nalatenschap behoren certificaten (21% en 25%) in drie vastgoedbedrijven. De bedrijven hielden zich actief bezig met projectontwikkeling en verhuur van vastgoed. De erfgenamen deden natuurlijk een beroep op de gunstige bedrijfsopvolgingsregeling (heffing ongeveer 4% i.p.v. 35%). Ze stelden dat de beide activiteiten sterk met elkaar verweven waren en dat op beide activiteiten de BOR van toepassing moet zijn. De inspecteur stelt dat de BOR enkel ziet op de materiële onderneming, in deze de projectontwikkelingsactiviteiten. Lagere rechters (rechtbanken en gerechtshoven) willen nog wel eens meegaan met belastingplichtigen en de BOR ook van toepassing verklaren op verhuuractiviteiten. Als deze verhuuractiviteiten een hoog rendement opleveren en van enige omvang zijn (qua vermogen en werkzaamheden) kan hierop ook de BOR van toepassing zijn, aldus de rechter. Voor het rendement wordt dan gekeken naar de Nederlandse IPD vastgoedindex.

Verhuur onroerend goed en BOR

De rechter kijkt naar de zogenaamde arbeidsplus-toets:

  • Van het drijven van een onderneming is sprake bij aanwezigheid van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die
  • is gericht op het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer
  • met het oogmerk winst te behalen.

Bij de exploitatie van onroerende zaken geldt dat deze activiteiten slechts als het drijven van een onderneming kunnen worden aangemerkt indien:

  • de arbeid naar aard en omvang meer heeft omvat dan gebruikelijk is bij normaal vermogensbeheer; en
  • deze arbeid naar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van een rendement dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat.

Verwevenheid van activiteiten en BOR

Er moet gekeken worden naar de verwevenheid van de activiteiten. De ontwikkeling van vastgoed is namelijk nodig om uiteindelijk tot verhuur van vastgoed te komen, dit was ook de mening van de Advocaat-Generaal. Als deze activiteiten nauw met elkaar samenhangen, kan sprake zijn van feitelijk het drijven van één onderneming. Vervolgens volgt de vermogenstoets, dus met welk deel van het vermogen wordt een echt bedrijf / onderneming gedreven? Ook spelen hierbij de vermogensetiketteringsregels (privé, ondernemings- of keuzevermogen) een rol.

De Belastingdienst neemt meestal als uitgangspunt dat verhuur van vastgoed moet worden gezien als beleggen van vermogen en derhalve geen BOR. De Advocaat-Generaal is een stuk milder, als de verhuur van vastgoed binnen een bedrijf / onderneming een echte functie vervult, dan is feitelijk sprake van keuzevermogen en kan de BOR gewoon worden toepast. Als je sec naar de verhuur kijkt, is dit wellicht niet zo, het gaat dus om de combinatie.  

De Hoge Raad is het niet helemaal met de A-G eens. Er wordt eerst gekeken naar de verhuuractiviteiten (dus apart). Als deze op zichzelf geen onderneming kan vormen, dan komt de Hoge Raad niet toe aan de combinatie van beide activiteiten. Deze zaak wordt ook nog verwezen naar een ander Gerechtshof omdat nog moet worden onderzocht welke panden kunnen worden toegerekend aan de projectontwikkelingstak.

Noot fiscaal jurist inzake bedrijfsopvolging bij vastgoed

In deze casus ziet de Hoge Raad de verhuur en projectontwikkeling als twee takken van sport. De verhuuractiviteiten worden niet gezien als ondernemingsvermogen (dus geen BOR). Als er vooraf was gekeken of de regels inzake arbeidsplus-toets en de vermogensetikettering (keuzevermogen?) toepasbaar zijn, was er wellicht tot een andere uitkomst gekomen. Als er voldoende verwevenheid zou zijn geweest, had het geheel (indien het keuzevermogen zou zijn) gezien kunnen worden als "geheel ondernemingsvermogen". 

Het verhuurde vermogen in een bv is altijd een punt van discussie. Vervult dit vermogen een rol voor het ondernemingsvermogen binnen de bv? Het kan bijvoorbeeld nodig zijn als financiële dekking en / of het gevolg zijn van de projectontwikkeling. Ook kan het zo zijn dat op grond van de basisbeoordeling (arbeidsplus) de aard en omvang van de arbeid (en het rendement) ervoor zorgen dat sprake is van ondernemingsvermogen.

We zijn er dus nog niet en het zal discussie blijven opleveren met de Belastingdienst !

Zijn er vragen of opmerkingen of is er een discussie met de Belastingdienst? Bel ons gerust voor een second opinion of advies. Of de BOR de komende jaren blijft is thans onduidelijk, er zijn geluiden over een beperking, maar ook over een uitbreiding.

Bron vastgoed en BOR

Hoge Raad d.d. 18 juni 2021 ECLI:NL:HR:2021:953

Gerechtshof Amsterdam d.d. 12 maart 2020 ECLI:NL:GHAMS:2020:1168

Bedrijfsopvolging en vastgoed [news] 2021-07-01 0000-00-00 0000-00-00

Er is veel discussie over de bedrijfsopvolging bij een vastgoedbedrijf. Is dit een materiële onderneming, of deels of helemaal niet? Wat zegt de Hoge Raad?

7082

De bv in oprichting: de voorperiode

Bij de omzetting van een onderneming naar een bv kan het zijn dat er een bepaalde terugwerkende kracht van toepassing is. De periode tussen het overgangstijdstip voor fiscale begrippen en de feitelijke oprichting van de bv wordt voorperiode genoemd. Je komt dan eigenlijk tijdelijk in een fiscaal niemandsland terecht, maar hoe wordt dan omgegaan met verschillende facetten gedurende deze periode?

Beloning en voorperiode

De door de oprichter van de bv in de voorperiode verrichte onttrekkingen voor privébestedingen kunnen niet worden belast als winst uit onderneming. De onderneming wordt immers niet meer voor rekening van de natuurlijk persoon in kwestie gedreven. Evenmin kunnen deze bedragen worden belast als inkomen uit dienstbetrekking. Zolang de vennootschap nog niet bestaat, kan er immers nog geen sprake zijn van een dienstbetrekking met deze bv. Deze onttrekkingen plegen dan volgens onze staatssecretaris te worden behandeld als resultaat uit overige werkzaamheden. In de voorperiode dient een zakelijke beloning in acht te worden genomen. In de praktijk is het dan zaak om de beloning in de voorperiode aan te laten sluiten bij het daarna te genieten loon, op basis van de gebruikelijkloonregeling. Over het 'loon' in de voorperiode wordt in beginsel geen voorlopige aanslag opgelegd. Evenmin vindt inhouding van loonbelasting plaats, ons advies luidt dus doorgaans om wat middelen te reserveren voor de inkomstenbelasting.

Belastingplicht omzetbelasting

De Hoge Raad heeft in een uitspraak duidelijkheid gebracht omtrent de aanvang van de belastingplicht voor de omzetbelasting. De Hoge Raad besliste dat een lichaam voor het eerst vanaf de datum van oprichting als een ondernemer in de zin van de omzetbelasting kan worden aangemerkt. De hiervoor bedoelde uitspraak brengt dus met zich mee dat omzetbelasting in de voorperiode door de omgezette eenmanszaak moet worden voldaan.*

Onttrekkingen voorafgaande aan de omzetting

De vraag of de onttrekking van vermogensbestanddelen in het kader van een geruisloze omzetting naar het privévermogen van belastingplichtige mogelijk is, is een lange tijd voer voor discussie geweest.

De staatssecretaris heeft in dat kader goedgekeurd dat met betrekking tot de geruisloze omzetting vermogensbestanddelen mogen worden onttrokken; dit betreft zowel vermogensbestanddelen die tot het keuzevermogen behoren, als ook die vermogensbestanddelen die tot het verplicht ondernemingsvermogen behoren.

De staatssecretaris heeft in een besluit duidelijkheid geschetst over de vraag of in het kader van de geruisloze omzetting vermogensbestanddelen mogen worden onttrokken. De minister keurt goed dat zowel keuzevermogen als verplicht ondernemingsvermogen mag worden onttrokken. Voor onttrekkingen van verplicht ondernemingsvermogen is de goedkeuring een uitbreiding, want in het verleden was een onttrekking van verplicht ondernemingsvermogen op geen enkele wijze toegestaan.**

Naar onze mening is het echter voor belastingplichtigen (vanuit fiscaal oogpunt) onder andere verstandig om van deze goedkeuring gebruik te maken als de vermogensbestanddelen met een boekverlies kunnen worden onttrokken, zodat het verlies zo snel mogelijk tot uitdrukking komt. In gevallen waarin een boekwinst wordt gemaakt, is het verstandig de heffing zo lang mogelijk uit te stellen en geen gebruik te maken van de door de staatssecretaris verleende goedkeuring. Een optie zou nog kunnen zijn een vervreemding van vermogensbestanddelen na de oprichting van de bv, dit in verband met het tariefverschil tussen de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting.

Tot besluit

Heeft u naar aanleiding van dit artikel nog vragen of speelt er wellicht een ander fiscaal vraagstuk bij u? Neem dan gerust een vrijblijvend contact op met onze onderstaande adviseurs.

*   HR 22 september 2006, nr. 41.443.

** Besluit van 30 juni 2010, nr. DGB2010/3599M.

De bv in oprichting: de voorperiode [news] 7209

De bv wordt fiscaal steeds voordeliger

Waar het omslagpunt voor de fiscaal ingegeven keuze tussen ondernemen in een eenmanszaak of een bv voorheen rond de € 150.000 aan resultaat lag, ligt deze in 2021 al op € 105.000. De komende jaren zal dit omslagpunt zelfs nog lager komen te liggen. Reden genoeg om eens kritisch naar uw structuur te kijken en wellicht nog dit jaar in ieder geval de intentie tot omzetting kenbaar te maken bij de Belastingdienst.

Tariefsaanpassing box 1

Wat is nou de reden dat dit omslagpunt door de jaren heen steeds lager komt te liggen? Dat is gelegen in het feit dat:

  • Er een afbouw plaatsvindt van de zelfstandigenaftrek;
  • Er een afbouw plaatsvindt van het maximale tarief waartegen de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling in aftrek gebracht kan worden (2021: 43%, 2022: 40%, 2023: 37,05%).

Intentieverklaring

Door vóór 1 oktober 2021 in ieder geval de intentie tot mogelijk omzetten van de eenmanszaak naar de bv bij de Belastingdienst te registreren, behoudt u de mogelijkheid om uw onderneming tot en met 31 maart 2022 daadwerkelijk om te zetten naar een bv-structuur. Door een intentieverklaring te registreren wordt u niks verplicht, uw houdt echter wel de mogelijkheid open om met terugwerkende kracht tot 1 januari 2021 uw winst in de bv te laten belasten.

Tot besluit

Denkt u na over de omzetting van uw onderneming naar een bv-structuur, neem dan gerust eens vrijblijvend contact op met onderstaande adviseurs. Zij helpen u graag bij het maken van de juiste keuze.

De bv wordt steeds voordeliger [news] 7212
Verzoek geruisloze terugkeer uit een B.V.



Inleiding

Dit is een verzoek om een beschikking te krijgen voor de faciliteit van de geruisloze terugkeer. Het verdient aanbeveling om een terugkeer uit een B.V. in overleg te doen met uw belastingadviseur of accountant.

Belastingdienst ..............................
Postbus ......
..............................

Plaats .............................. datum ...............

Uw kenmerk: ..............................

Geachte heer / mevrouw,

Namens cliënt, .............................. en haar directeur / enig aandeelhouder, de heer / mevrouw .............................., wonende te .............................., sofinr. ..............., vragen wij // vraag ik uw aandacht voor het volgende. De heer .............................. en .............................. B.V. hebben bij overeenkomst van .............................. besloten om met toepassing van de faciliteit van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de artikelen 3.54a en 4.42a van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 de onderneming die wordt gedreven door .............................. B.V. per 1 januari ...... geruisloos door te schuiven naar de heer / mevrouw .............................. Ik verzoek // Wij verzoeken u een beschikking af te geven als is bedoeld in artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

De getekende en geregistreerde voorovereenkomst treft u in bijlage 1 aan. De voorwaarts te verrekenen verliezen bedragen op overgangstijdstip € ...............

Mocht u naar aanleiding van het bovenstaande nog vragen hebben, dan // verneem ik // vernemen wij // die graag.

Met vriendelijke groet,


..............................

]]>

Terugwerkende kracht geruisloze inbreng

Ook in tijden van economische crisis zijn er ondernemers die goede bedrijfsresultaten weten te behalen. Of u ontdekt nu dat u vanwege de crisis juist risico's in privé loopt, die u liever wenst te beperken. U kunt er dan over nadenken om uw eenmanszaak, firma of maatschap in te brengen in de B.V. Dat kan met terugwerkende kracht naar 1 januari, onder gebruikmaking van de faciliteit van de geruisloze inbreng.

Wijziging 2014

Met ingang van 2014 moet u de voorovereenkomst aangetekend naar de Belastingdienst versturen. Registreren bij de Belastingdienst is niet meer mogelijk. Vorenstaande komt door de Wet Elektronische Registratie notariële akten. U moet de voorovereenkomst via een aangetekende brief versturen naar:

  • Belastingdienst Heerlen, Postbus 13, 6400 AA Heerlen

Twee methoden van inbreng

  1. De ruisende inbreng. U begint in de B.V. als het ware helemaal opnieuw. U staakt de onderneming en verkoopt deze aan de door u opgerichte B.V. De stakingswinst (goodwill, stille en fiscale reserves) is belast met inkomstenbelasting, maar deze kan eventueel worden uitgesteld door het bedingen van een stakingswinstlijfrente bij uw B.V. U moet dit regelen door vóór 1 april van enig jaar een intentieverklaring of voorovereenkomst te laten registreren. De eerste datum dat u dit weer kunt doen is, bij een boekjaar als kalenderjaar, per 1 januari 2013.
  2. Bij een geruisloze inbreng kunt u echter nog gebruikmaken van terugwerkende kracht naar 1 januari 2013. U moet dan uw intentieverklaring of voorovereenkomst uiterlijk binnen negen maanden na het overgangstijdstip hebben laten registreren. In dit geval gaat de B.V. met dezelfde balans (boekwaarden) verder als waarmee uw onderneming is gestaakt. Uw onderneming wordt bij fictie geacht niet te zijn gestaakt. Er wordt een aantal (standaard) voorwaarden gesteld.

Daarnaast kunt u op elk tussentijds gewenst moment de onderneming inbrengen, maar dan krijgt u te maken met een gebroken boekjaar en dat brengt extra kosten met zich mee. Het verdient de voorkeur om voor een overgangsmoment bij aanvang boekjaar te kiezen.

Wij zijn u graag behulpzaam met al deze afwegingen en bij het opstellen en registreren van de benodigde stukken.

Tip: laat een intentieverklaring registreren vóór 30 september als u de onderneming in een B.V. wilt inbrengen, of als u dat overweegt.

Terugwerkende kracht geruisloze inbreng in de BV: voor 1 oktober aktie ondernemen! [news] 2011-09-20 2011-09-20 2011-09-30 3363

Inbreng optiekzaak in een B.V.

De optiek-onderneming inbrengen in een vennootschap?

U drijft uw optiek-onderneming in de vorm van een eenmanszaak of samenwerkingsverband. Dan kunnen er momenten zijn waarop het verstandig is te kiezen voor de omzetting van de optiekzaak in een besloten vennootschap. Dit kan bijvoorbeeld zijn in verband met een stijgende winst, de aansprakelijkheid als eigenaar, maar ook als voorbereidende stappen naar een bedrijfsopvolging of verkoop.

Versturen voorovereenkomst

U moet de voorovereenkomst aangetekend naar de Belastingdienst versturen. Registreren bij de Belastingdienst is niet meer mogelijk. Vorenstaande komt door de Wet Elektronische Registratie notariële akten. U moet de voorovereenkomst via een aangetekende brief versturen naar:

  • Belastingdienst Heerlen, Postbus 13, 6400 AA Heerlen

Geruisloos en ruisend optiekzaak in een B.V.

De omzetting van de optiekzaak naar een vennootschapsvorm kan dan geruisloos of “ruisend” geschieden.

Geruisloze inbreng in de vennootschap houdt in dat de belastingclaim over de goodwill en stille reserves in de onderneming worden doorgeschoven naar de besloten vennootschap, zodat niet direct behoeft te worden afgerekend over de “verkoop” van de optiek-onderneming. De belastingheffing over de overdrachtswinst wordt zo naar de toekomst geschoven.

“Ruisende” inbreng houdt in dat de optiek-onderneming wordt overgedragen aan de vennootschap met afrekening over de goodwill en fiscale en stille reserves. Vanwege gebruikmaking van (onder andere) stakingswinstlijfrente-aftrek kan deze mogelijkheid fiscaal voordelig zijn. Voor beide vormen kan een (overigens verschillende) termijn aan terugwerkende kracht worden gehanteerd.

Voordelen optiekzaak in een B.V.

Als voordelen voor het drijven van de optiek-onderneming in een (structuur van) besloten vennootschap(pen) zijn onder andere te noemen de beperking van de aansprakelijkheid van de optiek-ondernemer, de inkomensspreiding op maat voor de directeur-aandeelhouder(s), de mogelijkheid van opbouw van pensioen in eigen beheer (hetgeen grote fiscale voordelen oplevert, maar tevens de liquiditeiten binnen de onderneming houdt), het afschermen van winsten en pensioenaanspraken van de risicosfeer in de optiekvennootschap, groei van de optiek-onderneming naar andere vestigingen kunnen eenvoudigweg aan de structuur worden toegevoegd, de organisatie wordt door deze structuur flexibeler. Tevens wordt de overdraagbaarheid van de optiekzaak door de vennootschapsstructuur vergemakkelijkt. Immers, er kan simpelweg worden gekozen voor het verkopen van de aandelen van de vennootschap.

Nadelen optiekzaak in een B.V.

Uiteraard zijn ook nadelen te noemen, zoals de ondernemersfaciliteiten die vervallen, de directeur-aandeelhouder dient zijn salaris te conformeren aan de gebruikelijkloonregeling, de oprichtingskosten van de vennootschap(pen).

Fiscaal gezien is er het voordeel van het tariefsverschil: winsten worden eerst belast tegen het vennootschapsbelastingtarief, pas later eventueel tegen het progressieve inkomstenbelastingtarief. Bovendien is er de mogelijkheid middelen uit de vennootschap te halen door middel van dividenduitkeringen.

Met name bij een voorgenomen bedrijfsopvolging in of verkoop van de optiekzaak en de huidige belastingtarieven in aanmerking nemend, is het zeker de moeite waard een beoordeling te laten maken van de voordelen van een vennootschapsstructuur in uw specifieke situatie.

Optiek zaak inbrengen in BV Opticien [news] 2012-07-17 2012-07-17 0000-00-00 3491

Inbreng in de B.V. en de coronacrisis

We worden op dit moment door veel ondernemers gebeld over de mogelijkheden om aansprakelijkheden te beperken. De meest gekozen route is dan de inbreng van de eenmanszaak of vennootschap onder firma in een B.V. Als een onderneming in een B.V. is ondergebracht, is uw privé vermogen meestal veilig. Bij een eenmanszaak, VOF of maatschap bent u met uw volledige vermogen aansprakelijk, dus al uw vermogen (privé en zakelijk) is dan veelal weg. Dit kan wellicht nog worden beperkt door huwelijkse voorwaarden op te stellen.

Termijn geruisloze inbreng in de B.V. eenmalig verlengd door coronacrisis

Sinds april 2020 heeft u meer tijd. In verband met de coronacrisis heeft de Staatssecretaris van Financiën in een beleidsbesluit goedgekeurd dat de termijn die wordt gesteld bij gebruikmaking van terugwerkende kracht bij de geruisloze inbreng in de bv met drie maanden wordt verlengd. Dit is echter alleen van toepassing wanneer deze termijn verstrijkt in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020.

Heeft u dus vóór 1 oktober 2019 een intentieverklaring tot geruisloze omzetting bij de Belastingdienst geregistreerd, dan heeft u nog tot 1 juni 2020 de tijd om deze inbreng ook daadwerkelijk te formaliseren.

Voor de faciliteiten van de bedrijfsfusie, de juridsche fusie en de splitsing, waarbij gebruik wordt gemaakt van terugwerkende kracht geldt overigens dezelfde termijnverlenging.

Risico's beperken door inbreng in de B.V.

Sinds 2019 zijn de tarieven voor B.V.'s gedaald, een inbreng in de B.V. is hierdoor nog eerder aantrekkelijk. Tevens kunt u risico's beperken. De coronacrisis heeft laten zien dat er soms onverwacht risico's voorbij kunnen komen die ondernemers niet kunnen overzien.

Wanneer is inbreng in de B.V. interessant?

De inbreng van de onderneming in een B.V. kan interessant zijn indien:

  • U risico's wilt spreiden (privé en zakelijk);
  • De winsten meer bedragen dan € 125.000 per jaar;
  • Er zich in uw onderneming stille reserves bevinden en u uw onderneming op termijn wenst te beëindigen;
  • U extern kapitaal wenst aan te trekken;
  • Uw werkzaamheden ten behoeve van de onderneming beperkt zijn;
  • Uw onderneming zeer innovatief is.

Bovenstaande opsomming is niet limitatief, daarnaast zijn er ook nog legio andere (niet fiscale) overwegingen om uw onderneming in te brengen in een B.V.

Wat kost een inbreng in de B.V.?

De totale kosten (inclusief berekening, accountant, notaris, etc.) bedragen tussen de € 2.000 en € 4.500, dit afhankelijk van de complexiteit.

Inbrengen onderneming in een B.V., hoe werkt dit?

Als u op dit moment uw eenmanszaak, VOF of maatschapsaandeel inbrengt in een B.V., dan zal dit in de toekomst zeker tot een beperking van uw aansprakelijkheden leiden. Aandachtspunten zijn:

  • Maak een berekening van de fiscale voor- en nadelen, soms is een B.V. erg nadelig !
  • Hou termijnen in de gaten en laat een stappenplan maken (wat te doen en wanneer).
  • Voor de inbreng heeft u een fiscalist (of accountant) en een notaris nodig.
  • Bij de inbreng in de B.V. blijft u eerst privé aansprakelijk voor verplichtingen.
  • Overeenkomsten die u als ondernemer bent aangegaan staan op uw privénaam. Deze moeten worden overgezet naar de B.V., tot dat moment bent en blijft u privé aansprakelijk (denk bijvoorbeeld aan overeenkomsten met uw bank of verhuurder). De schuldeisers zullen eerst uw B.V. benaderen bij een faillissement, maar als dit vermogen onvoldoende is, grijpen ze terug op uw privé vermogen (tenzij de overeenkomsten zijn overgezet vanuit privé naar de B.V., dit met medewerking van de schuldeiser).  
  • Overweeg ook een inbreng in een N.V., dit kan u in de toekomst (bij dividenduitkeringen) een voordeel opleveren.
  • Toekomstige verplichtingen (na de inbreng) zijn voor rekening van de B.V., hiermee beperkt u voor een deel uw aansprakelijkheid.
  • Partijen zullen / kunnen een privé zekerheid of borgstelling eisen, denk hier goed over na.
  • U bent in privé wel aansprakelijk voor schulden in de B.V. als u als bestuurder wanbeleid zou plegen, de zogenaamde bestuurdersaansprakelijkheid.

Wat heeft de notaris nodig voor een geruisloze inbreng?

De notaris heeft een inbrengbalans en een inbrengbeschrijving nodig voor de geruisloze inbreng in de B.V. Bij een N.V. moet ook een accountantsverklaring worden verstrekt. Vervolgens moet je ook relaties gaan informeren, denk hierbij aan de verhuurder, klanten, bank, leveranciers, loonadministratie, omzetten arbeidsovereenkomsten, etc. Heeft u hierover vragen, e-mail ons gerust voor een stappenplan.

Een B.V. iets voor u?

Wilt u weten wat de fiscale voordelen zijn of overweegt u de onderneming voort te zetten in de vorm van een B.V., neem dan contact op met de auteur van dit artikel. Dit kan eenvoudig en snel via onderstaand formulier.

Inbreng in BV i.v.m. aansprakelijkheid [news] 2020-04-16 0000-00-00 0000-00-00 6513

Ruisende inbreng in B.V.

Er zijn twee mogelijkheden om een eenmanszaak, VOF of maatschap om te zetten naar een B.V. (of N.V.). De eerste mogelijkheid is het geruisloos inbrengen, de tweede mogelijkheid is het ruisend inbrengen van de onderneming in de B.V. Elders op de website vindt u een artikel over de geruisloze inbreng in de B.V., hierna zal ik nader ingaan op de ruisende inbreng.

Let op! Van belang bij een ruisende inbreng met terugwerkende kracht tot 1 januari, registratie van de intentieovereenkomst vóór 1 april!

Wanneer is een ruisende inbreng interessant?

De inbreng van de onderneming in een B.V. kan vanuit fiscaal perspectief interessant zijn indien:

  • De winsten meer bedragen dan € 150.000 per jaar;
  • Er zich in uw onderneming stille reserves bevinden en u uw onderneming op termijn wenst te beëindigen;
  • U extern kapitaal wenst aan te trekken;
  • Uw werkzaamheden ten behoeve van de onderneming beperkt zijn;
  • Uw onderneming zeer innovatief is.
  •  Bovenstaande opsomming is niet limitatief, daarnaast zijn er ook nog legio andere (niet fiscale) overwegingen om uw onderneming in te brengen in een B.V.

De ruisende inbreng betekent dat de onderneming tegen de waarde in het economische verkeer, ook wel de werkelijke waarde genoemd, wordt ingebracht in de B.V. De waarde in het economische verkeer c.q. werkelijke waarde is doorgaans hoger dan de boekwaarde. Over het verschil tussen de boekwaarde en de veelal hogere waarde in het economische verkeer – ook wel de stakingswinst genoemd – dient de ondernemer af te rekenen. De afrekening over de stakingswinst leidt doorgaans tot een substantieel bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting. Toch kan een ruisende inbreng interessanter zijn dan een geruisloze inbreng (waarbij een afrekening over de stakingswinst achterwege kan blijven).

Een ruisende of geruisloze inbreng?

Om een goede keuze te maken over het ruisend of geruisloos inbrengen van een onderneming in een B.V. worden hierna een aantal voor- en nadelen weergegeven:

Voordelen van een ruisende inbreng kunnen zijn:

  • Bij de B.V. wordt een hoger afschrijvingspotentieel gecreëerd;
  • Er hoeft formeel geen verzoek bij de Belastingdienst te worden ingediend (doch dit kan wel raadzaam zijn);
  • Er is geen vervreemdingsverbod van de aandelen van drie jaar van toepassing;
  • Er zijn geen voorwaarden ten aanzien van creditering.

Nadelen van een ruisende inbreng kunnen zijn:

  • Afrekenen vindt plaats over een hogere stakingswinst dan bij de geruisloze inbreng, hetgeen leidt tot een hogere eenmalige aanslag inkomstenbelasting;
  • Er vindt een desinvesteringsbijtelling plaats ten aanzien van goederen waarvoor kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), milieu-investeringsaftrek (MIA) of energie-investeringsaftrek (EIA) is geclaimd.

Het nadeel zoals hiervoor beschreven kan echter (gedeeltelijk) worden ondervangen door het bedingen van een (stakings-)lijfrente bij de B.V. waar de onderneming wordt ingebracht. Deze mogelijkheid zorgt voor een oudedagsvoorziening voor de ondernemer en leidt tot uitstel van belastingheffing tot het moment dat de ondernemer met pensioen gaat.

Intentieovereenkomst bij ruisende inbreng

Indien u met terugwerkende kracht tot 1 januari van een jaar ruisend de B.V. in wilt, dan dient er een intentieverklaring ondertekend en geregistreerd te worden bij de Belastingdienst. Daarbij is het ook mogelijk om later in een jaar ruisend de B.V. in te gaan en een beroep te doen op een terugwerkende kracht van drie maanden.

Voorbeeld  

Indien een ondernemer vóór 1 juli een intentieovereenkomst opstelt, ondertekent en registreert bij de Belastingdienst, dan kan de inbreng in de B.V. met terugwerkende kracht tot 1 april van dat jaar plaatsvinden.

Overgangstijdstip bij het oprichten van de B.V.

Het oprichten van een B.V. dient binnen negen maanden na het overgangstijdstip plaats te vinden. Het overgangstijdstip is het moment waarop de resultaten (met terugwerkende kracht) voor rekening en risico van de B.V. komen. Deze termijn is korter dan de termijn die daarvoor geldt bij een geruisloze inbreng (15 maanden).

Tot slot

Indien een ondernemer overweegt om zijn onderneming in te brengen in een B.V., dan is het van belang dat er tijdig een intentieovereenkomst wordt opgesteld, getekend en geregistreerd. Vervolgens dienen de voor- en nadelen tegen elkaar afgewogen te worden en zal er een keuze worden gemaakt. Het is daarbij niet onverstandig hierover een gesprek aan te gaan met een fiscaal jurist, teneinde van A tot Z inzicht te krijgen in de fiscale en juridische gevolgen van de inbreng in de B.V.

Wilt u meer weten over de inbreng in de B.V. of wilt u een afspraak inplannen met een fiscaal jurist, neem dan contact op met de auteur van dit artikel.

Ruisende inbreng in B.V. [news] 2020-03-09 0000-00-00 0000-00-00 6375

Bitcoins in de eenmanszaak

Fiscale aspecten cryptovaluta in een eenmanszaak of VOF

Er wordt veel geschreven over de fiscale aspecten van bitcoins, of beter: cryptovaluta. Op de internetsite van de Belastingdienst staat dat deze worden belast in box 3. Recentelijk heeft de Staatssecretaris van Financiën vragen uit de Eerste Kamer beantwoord. Ook hij (de heer Snel) concludeert dat er normaliter sprake is van box 3 vermogen. Wat nu als u binnen uw eenmanszaak of VOF bitcoins of crypto muntenkoopt?

Cryptocurrency in eenmanszaak of VOF

Bij de aankoop van cryptovaluta door een natuurlijk persoon die kwalificeert als IB-ondernemer speelt het leerstuk van de vermogensetikettering. Als sprake is van duurzaam overtollige liquide middelen waarmee de cryptovaluta worden aangeschaft, worden zij tot de rendementsgrondslag van box 3 gerekend.

Als de aankoop van de cryptovaluta met ondernemingsvermogen niet plaatsvindt binnen de normale ondernemingsuitoefening en er geen sprake is van het beleggen van tijdelijke overtollige middelen op een zodanige wijze dat zij weer tijdig binnen de onderneming beschikbaar kunnen zijn, is sprake van verplicht privévermogen (box 3).

Heffing in box 3 over cryptocurrency

Als u in Nederland woont of in Nederland vermogen heeft, moet u uw vermogen opgeven aan de Belastingdienst. Het gaat hierbij om het vermogen per begin van het jaar (1 januari). De Belastingdienst ziet bitcoins, cryptovaluta, ethers en andere digitale geldmiddelen als "overige bezittingen in box 3". Als dit vermogen meer is dan € 30.846 (2020), dan moet u hierover in box 3 belasting betalen.

  • Van € 30.846 - € 103.643: 0,59%;
  • Van € 103.643 - € 1.036.418: 1,26%;
  • Vanaf € 1.036.418: 1,58%.

Voor de waarde van de cryptomunt moet volgens de Staatssecretaris worden aangesloten bij de waarde (geldende koers) op peildatum (1 januari van het belastingjaar, dus 1 januari 2020 voor de aangifte over 2020 moet hiertoe kijken op het door u gebruikte omwisselplatform.

Wat zeggen fiscale rechters over bitcoins

Er zijn nog geen procedures bekend over bitcoins en belastingen. Echter wel over speculatieve transacties en het inkomen dat hiermee wordt verdiend. In jurisprudentie is al uitgemaakt dat geen sprake is van box 1 inkomen als het een speculatieve transactie betreft en het eindresultaat niet te beïnvloeden is door arbeid. Als er echter structureel positieve resultaten worden behaald die kunnen worden verklaard door arbeid van de persoon, is wellicht wel sprake van een bron van inkomen.

Bron fiscale aspecten crypto valuta

Beantwoording vragen fiscale aspecten cryptovaluta.

Bitcoins in de eenmanszaak [news] 5363

Bitcoin in box 1

Er zijn verschillende soorten inkomsten, bij bitcoins kan sprake zijn van box 1 (arbeid / winst) of box 3 (vermogen) inkomsten. Deze discussie speelt veelal bij de verhuur van panden en minder vaak bij beleggen in aandelen en / of bitcoins. Bitcoins worden meestal belast in box 3, maar bij hoge winsten zal de Belastingdienst proberen te stellen dat sprake is van box 1 inkomsten.

Nieuws : gegevensuitwisseling Bitcoin in EU 

Binnenkort vallen crypto valuta onder de Europese uitwisseling van fiscale gegevens. Onder de zogenaamde DAC wetgeving (we zijn al bij DAC 7) worden binnen de EU gegevens tussen landen uitgewisseld. Zo wordt er al informatie uitgewisseld over bankrekeningen, inkomen, pensioenen, onroerende zaken, anti witwas info, advisering bij constructies, etc. Recent is DAC 7 ingevoerd, onder deze wetgeving wordt geregeld dat digitale platformen verplicht worden fiscale informatie over hun gebruikers te verstrekken aan de Belastingdienst (en dat deze informatie wordt uitgewisseld met andere EU lidstaten). Crypoto valuta vallen nog niet onder de gegevensuitwisseling, dit zal gebeuren in DAC 8. Vorenstaande staat in een kamerbrief d.d. 18 februari 2021.

Bitcoin belast als inkomen

Als een natuurlijk persoon zich bezig gaat houden met het beleggen in bitcoins kan sprake zijn van winst uit onderneming (of resultaat uit overige werkzaamheden). Een harde lijn is er niet en het blijft een grijs gebied waarbij de feiten de doorslag moeten geven. De kern van de discussie is: "wat doet u zelf ?" Bij een box 1 belegging is de winst belast en zijn het verlies en de kosten aftrekbaar. De signalen voor een box 1 belegging in bitcoins zijn:

  • veel eigen werk, onderzoek, etc.;
  • snelle winst;
  • voorkennis;
  • veel mutaties / arbeidsinzet door uzelf;
  • is er een organisatie / bedrijf / internetsite.

Als er sprake is van daytrading of het structureel handelen in bitcoins, kan er sprake zijn van box 1 inkomen. Maar ook daytrading kan gezien worden als normaal vermogensbeheer. Een rechter overweegt hierbij als volgt:

  • Het handelen in opties moet een meer dan speculatief karakter hebben met als doel het behalen van voordeel. Hierbij moet de de bitcoinhandelaar deskundigheid, ervaring en relaties hebben binnen deze wereld. Tevens moet hij het koersverloop via de deskundigheid en ervaringen kunnen beïnvloeden.

Bitcoin niet in aangifte opgenomen

Als u de bitcoin niet in uw aangifte hebt opgenomen, dan heeft u onjuist aangifte gedaan. Het vermogen of inkomen wordt dan als zwart inkomen / vermogen gezien. Dit kan een misdrijf opleveren. U kunt het vermogen alsnog opgeven door dit in uw aangifte te vermelden en voor oudere jaren alsnog met de Belastingdienst in overleg te treden (inkeren). Sinds 1 januari 2018 is de formele route om in te keren afgeschaft, deskundige begeleiding is verstandig.

Vragen over bitcoins

Heeft u vragen of opmerkingen over bitcoins, dan kunt u hierover één van onze deskundige fiscaal juristen vragen. Maak gerust een vrijblijvende afspraak.

Bitcoin in box 1 [news] 5244

Bitcoin en BTW

Moet u BTW betalen over de inkoop / verkoop van bitcoins (en / of andere crypto valuta)?

Omzetbelasting en bitcoin

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bepaald dat over de verkoop van bitcoins geen BTW is verschuldigd. De bitcoin wordt niet gezien als geld, maar heeft wel eenzelfde functie, een bijzondere status voor de BTW derhalve.

Vragen over bitcoin en belastingen

Heeft u vragen over de fiscale behandeling van bitcoins? Bel gerust vrijblijvend met één van onze adviseurs.

Bron Bitcoin en BTW

Hof van Justitie d.d. 22 oktober 2015.

Bitcoin en BTW [news] 5243

Fiscale aspecten cryptovaluta

Er wordt veel geschreven over de fiscale aspecten van bitcoins, of beter: cryptovaluta. Op de internetsite van de Belastingdienst staat dat deze worden belast in box 3. Recentelijk heeft de Staatssecretaris van Financiën vragen uit de Eerste Kamer beantwoord. Ook hij (de heer Snel) concludeert dat er normaliter sprake is van box 3 vermogen.

Belastingen en cryptocurrency box 3

Als u in Nederland woont of in Nederland vermogen heeft, moet u uw vermogen opgeven aan de Belastingdienst. Het gaat hierbij om het vermogen per begin van het jaar (1 januari). De Belastingdienst ziet bitcoins, cryptovaluta, ethers en andere digitale geldmiddelen als "overige bezittingen in box 3". Als dit vermogen meer is dan € 25.000, dan moet u hierover vermogensbelasting / box 3 belastingen betalen.

  • Tot € 75.000: 0,86%;
  • Van € 75.001 - € 975.000: 1,38%;
  • Vanaf € 975.001: 1,61%.

Voor de waarde van de cryptomunt moet volgens de Staatssecretaris worden aangesloten bij de waarde (geldende koers) op peildatum (1 januari van het belastingjaar, dus 1 januari 2017 voor de aangifte over 2017). U moet hiertoe kijken op het door u gebriukte omwisselplatform.

Belastingen en cryptocurrency box 1

Bij het handelen in cryptovaluta of het minen door een natuurlijke persoon is er volgens de Staatssecretaris van Financiën niet snel sprake van een bron van inkomen (box 1). Aan de hand van feiten en omstandigheden kan de Belastingdienst echter anders oordelen. De overwegingen hierbij zijn:

  1. Er moet arbeid worden verricht;
  2. Het voordeel moet worden beoogd (subjectief element);
  3. Het voordeel moet redelijkerwijs te verwachten zijn (objectief element);
  4. De omvang van de investeringen (computers etc.).

Er zijn op dit moment veel mensen bezig met het voordeel proberen te behalen met de handel in cryptovaluta. Mede doordat er een beperkt aantal cryptomunten per dag kunnen worden gemined / verhandeld, is het al snel de vraag of er een voordeel kan worden verwacht.

Wat zeggen fiscale rechters over bitcoins

Er zijn nog geen procedures bekend over bitcoins en belastingen. Echter wel over speculatieve transacties en het inkomen dat hiermee wordt verdiend. In jurisprudentie is al uitgemaakt dat geen sprake is van box 1 inkomen als het een speculatieve transactie betreft en het eindresultaat niet te beïnvloeden is door arbeid. Als er echter structureel positieve resultaten worden behaald die kunnen worden verklaard door arbeid van de persoon, is wellicht wel sprake van een bron van inkomen.

Loon via cryptovaluta

Loon dat door een werkgever wordt uitbetaald via cryptovaluta wordt gezien als loon in natura. Dit soort salaris / loon moet worden omgerekend in euro's op het moment dat het loon / de cryptomunt wordt genoten.

Bron fiscale aspecten crypto valuta

Beantwoording vragen fiscale aspecten cryptovaluta.

Fiscale aspecten crypto valuta [news] 5362

Bitcoins in de B.V.

Fiscale aspecten cryptovaluta in een B.V.

Er wordt veel geschreven over de fiscale aspecten van bitcoins, of beter: cryptovaluta. Op de internetsite van de Belastingdienst staat dat deze worden belast in box 3. Eind 2018 heeft de Staatssecretaris van Financiën vragen uit de Eerste Kamer beantwoord. Hij concludeert dat er normaliter sprake is van box 3 vermogen. Wat nu als u binnen uw B.V. cryptovaluta koopt?

Nieuws : gegevensuitwisseling Bitcoin in EU 

Binnenkort vallen crypto valuta onder de Europese uitwisseling van fiscale gegevens. Onder de zogenaamde DAC wetgeving worden binnen de EU gegevens tussen landen uitgewisseld. Zo wordt er al informatie uitgewisseld over bankrekeningen, inkomen, pensioenen, onroerende zaken, anti witwas info, advisering bij constructies, etc. Recent is DAC 7 ingevoerd, onder deze wetgeving wordt geregeld dat digitale platformen verplicht worden fiscale informatie over hun gebruikers te verstrekken aan de Belastingdienst (en dat deze informatie wordt uitgewisseld met andere EU lidstaten). Crypto valuta vallen nog niet onder de gegevensuitwisseling, dit zal gebeuren in de reeds aangekondigde DAC 8. Vorenstaande staat in een kamerbrief d.d. 18 februari 2021.

Cryptocurrency in uw B.V.

Op grond van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 drijft een rechtspersoon (B.V. / N.V.) een onderneming met zijn gehele vermogen. Anders dan bij een IB-ondernemer speelt bij een B.V. / N.V. het leerstuk van de vermogensetikettering geen rol. Dit betekent dat het minen en de aankoop (al dan niet gevolgd door verkoop) van cryptovaluta zich in de winstsfeer afspelen. De resultaten daarvan moeten volgens goed koopmansgebruik in aanmerking worden genomen. Het kan wel weer zo zijn dat de Belastingdienst gaat stellen dat verliezen niet aftrekbaar zijn omdat een weldenkende ondernemer niet zou beslissen om dergelijke valuta te kopen.

Wat zeggen fiscale rechters over bitcoins

Er zijn nog geen procedures bekend over bitcoins en belastingen, echter wel over speculatieve transacties en het inkomen dat hiermee wordt verdiend. In jurisprudentie is al uitgemaakt dat geen sprake is van box 1 inkomen als het een speculatieve transactie betreft en het eindresultaat niet te beïnvloeden is door arbeid. Als er echter structureel positieve resultaten worden behaald die kunnen worden verklaard door arbeid van de persoon, is wellicht wel sprake van een bron van inkomen.

Er komt binnenkort een nadere toelichting over de fiscale aspecten rondom de cryptocurrency.

Bron fiscale aspecten crypto valuta

Beantwoording vragen fiscale aspecten cryptovaluta.

Bitcoins en BV [news] 5364

Cryptovaluta in de jaarrekening

Bitcoin en accountant

De opkomst van cryptovaluta en bitcoins biedt ook volop kansen voor accountants. Na het papieren-geld-tijdperk kwamen de pinpas en de digitale financiële wereld. Dit is in een stroomversnelling gekomen door ondermeer Apple Pay en cryptovaluta. Het beheer en de vastlegging hiervan kunnen veel ruimte bieden voor accountants.

Bitcoin en de rol van de accountant

Naast de stijging van de block chain technologie zien wij als Jongbloed Accountants ook steeds meer betalingsverkeer via bitcoins en andere crypto's. Het vertrouwen in deze valuta is wisselend en is hiermee volop in beweging. De cryptovaluta gaan een grote rol spelen in de ontwikkeling van onze economie en de financiële wereld. Het procesmatig bijhouden van de cryptotransacties wordt alleen maar groter en complexer. De vraag naar nieuwe innovaties in accountancy-land zal moeten volgen, de reguliere boekhouding en de cryptoboekhouding moeten naast elkaar (en eigenlijk gezamenlijk) worden opgezet.

Accountancyregels aangaande crypto's

In Europa wil men eenduidige accountancyregels aangaande cryptovaluta. De Europese banken willen dat er onderlinge afspraken worden gemaakt over de regulering van de cryptohandel, lees hiertoe deze notitie. De AFM heeft in 2018 reeds een adviesrapport geschreven over het vergunningenstelsel bij crypto's. Ook omtrent de belastingheffing over crypto's is er veel beweging te zien.

Crypto in een bv

Als cryptovaluta worden ondergebracht in een bv of andere rechtspersoon, is de belastingheffing redelijk eenvoudig. Er moet vennootschapsbelasting worden betaald als de winst is behaald, dus bij een daadwerkelijke verkoop. Verlies mag worden genomen als de cryptovaluta in waarde zouden dalen (onder de kostprijs). Dit is feitelijk gelijk aan de behandeling van normale effecten, waardering per balansdatum op kostprijs of lagere marktwaarde.

Crypto in de jaarrekening

De Raad voor de jaarverslaggeving heeft in 2018 over dit onderwerp een rapport geschreven (hier te raadplegen). Het betreft nog een "soort van advies", maar geeft in ieder geval enige richting binnen accountancy-land. De algemene gedachtenlijn op dit moment is dat crypto's geen liquide middelen of financiële instrumenten zijn, maar moeten worden gezien als immateriële vaste activa / andere beleggingen. Dergelijke activa moeten worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs en onder voorwaarden tegen lagere of hogere actuele waarde. De waardeveranderingen komen dan ten bate of laste van de winsten / verliezen (en dus het eigen vermogen) van de vennootschap. Dat het niet eenvoudig is volgt uit een artikel in het FD. Het zal nog wel even duren voordat er volledige duidelijkheid komt omtrent het opnemen van crypto's in de jaarrekening.

Bitcoin in jaarrekening [news] 7030

Crypto inkeren of melden bij de Belastingdienst

Boete crypto kan oplopen tot 300%

Steeds meer Nederlanders bezitten cryptovaluta, zoals de Bitcoin. Wij staan in de praktijk vaak belastingplichtigen bij die de belastingheffing bij deze cryptovaluta over het hoofd hebben gezien. In de loop van 2021 komt er nieuwe wetgeving binnen de Europese Unie, waardoor de bezitter van bitcoins of andere cryptomunten bekend worden bij de Belastingdienst. Crypto moet in de meeste gevallen in box 3 (waarde per 1 januari) worden aangegeven, soms zelfs in box 1.

Hebt u crypto's? Wij zien dat veel mensen deze (nog) niet melden bij de Belastingdienst, soms bewust, soms onbewust. Er is op dit moment Europese regelgeving op komst die het verbergen van cryptomunten voor de Belastingdienst complexer maakt.

Nieuwe Europese wetgeving inzake crypto en melding Belastingdienst

De Europese Unie is met een richtlijn bezig  waardoor lidstaten van de EU eenvoudiger spontaan informatie kunnen en moeten uitwisselen over de bezitter / eigenaar van cryptomunten. Het voorstel staat voor 2021 op de agenda. Nadat de wetgeving binnen de EU is aangenomen, moet deze worden opgenomen in de Nederlandse wetgeving, dit zal nog wel even duren. Binnen de nieuwe wetgeving worden cryptobedrijven gedwongen om persoonlijke gegevens van zenders en ontvangers op te slaan en uiteindelijk aan de EU of het woonland te verstrekken. Het is zelfs denkbaar dat anonieme cryptowallets worden verboden.

In dit artikel leggen wij de gevolgen uit als u crypto niet in uw aangifte hebt aangegeven en bijvoorbeeld wordt betrapt. 

Cryptovaluta en Belastingdienst

Cryptovaluta vertegenwoordigen een waarde. Deze waarde varieert sterk. De waarde die voor uw heffing relevant is, is afhankelijk van de wijze waarop u de cryptovaluta aanhoudt. Bezit van crypto hoort in de basis thuis in box 3. Bent u een actieve particulier (bijvoorbeeld door minen of veel handel), dan kan sprake zijn van heffing in box 1. De kosten zijn dan ook aftrekbaar.

Het kopen van crypto is zelden zichtbaar voor de Belastingdienst. Als de crypto (met forse winst) wordt verkocht, is er echter wel een vermogensstijging zichtbaar, deze kan de Belastingdienst via een vermogensvergelijking wel zien. De Belastingdienst zal dan vragen stellen over de door u ingediende aangifte Inkomstenbelasting.

De Belastingdienst kan dan tot 5 jaar terug een navorderingsaanslag opleggen, als de crypto via het buitenland is aangehouden, kan dit ook 12 jaar zijn. Wij denken dat de Belastingdienst gaat stellen dat crypto kwalificeert als buitenlands vermogen (dus 12 jaar navorderingstermijn).

Tevens zal de Belastingdienst een boete opleggen. Omdat de crypto veelal bewust niet is opgenomen, zal de basisstelling zijn dat sprake is van opzettelijk niet aangeven van vermogen. De boete bedraagt dan tenminste 100% van de opgelegde aanslag. Er kan ook een verhoogde boete van 300% worden opgelegd, deze wordt meestal verminderd tot 150%.

Advies inzake crypto bij onderzoek Belastingdienst

De Belastingdienst zal u een vragenformulier sturen. U bent verplicht de fiscaal relevante vragen te beantwoorden, andere vragen dus niet. Als u niet zou antwoorden of dit weigert, zal de Belastingdienst een zogenaamde informatiebeschikking afgeven. Gevolg hiervan is dat u aanloopt tegen een omkering en verzwaring van de bewijslast. Al uw stellingen moet u in dit traject overtuigend aantonen, dit gaat verder dan de normale toets (aannemelijk maken).

Het is verstandig om een specialist in te schakelen als de Belastingdienst u op het spoor komt. Wij hebben ruime ervaring met dit soort trajecten en adviseerden ook honderden cliënten bij het vooraf melden van nog onbekend vermogen (inkeerregeling).

"Ik heb crypto niet in mijn aangifte staan, wat nu?"

Mede door de aangekondigde EU-wetgeving zal de Belastingdienst binnen enkele jaren veel informatie ontvangen over cryptobeleggingen. Als dit nog niet bekend is in uw aangifte, dan loopt u een fors financieel risico (boetes kunnen oplopen tot 300%). U kunt vrijwillig een opgave doen aan de Belastingdienst inzake de verzwegen cryptobeleggingen. Als u dit binnen 2 jaar doet, dan wordt er veelal geen vergrijpboete opgelegd. Voor cryptobeleggingen gelden er echter wel uitzonderingen, in voorkomende gevallen wordt er wel een vergrijpboete opgelegd, maar deze is dan lager dan de genoemde 150%.

Als de Belastingdienst u al op het spoor is, dan is vrijwillige verbetering niet meer mogelijk. Inkeren is dan immers niet meer vrijwillig.

Op korte termijn is het voor de Belastingdienst een stuk eenvoudiger om cryptomunten in het vizier te krijgen.

Advies inzake inkeren bij cryptobeleggingen

Wij hebben in de loop der jaren veel inkeertrajecten begeleid. Dat waren eerst vooral zaken met betrekking tot buitenlandse bankrekeningen, maar steeds vaker gaat het om (aanzienlijke) cryptoportefeuilles. De belastingplichtige die vrijwillig wil verbeteren en alsnog juiste aangiften uit zichzelf doet, kan er vaak met een goede deal vanaf komen. Wij helpen u graag om die deal te bereiken. Neem gerust eens contact op met één van de auteurs van dit artikel. Een eerste gesprek is altijd vrijblijvend.

Bron crypto en inkeerregeling

Vragen en antwoorden EU inzake crypto

Richtlijn EU inzake crypto 20 juli 2021

Voorgestelde EU wetgeving inzake crypto



EU wetgeving voor crypto [news] 7208

Fiscale procedure over de hypotheekrenteaftrek

De rente op een zogenaamde eigenwoningschuld, behoort tot de aftrekbare kosten in de inkomstenbelasting. Dit wordt ook wel de hypotheekrenteaftrek genoemd. Niet iedere schuld die iets met de eigen woning te maken heeft is echter een eigenwoningschuld. Aan de volgende voorwaarden moet zijn voldaan om van een eigenwoningschuld te kunnen spreken:

  1. De schuld is aangegaan in verband met een eigen woning;
  2. Er is een contractuele verplichting om de schuld af te lossen in ten hoogste 30 jaar;
  3. Er is een contractuele verplichting om de aflossing ten minste annuïtair te laten verlopen;
  4. Aan de aflossingsverplichting wordt voldaan;
  5. Indien de schuld is aan bij een zogenaamde niet-aangewezen-administratieplichtige, moet zijn voldaan aan de informatieverstrekkingseis.

De mogelijkheid om de hypotheekrente af te trekken is niet onomstreden. Steeds vaker komt de discussie terug of niet sprake is van een onnodige subsidie op het bezit van de eigen woning. Gezaghebbende partijen zoals de DNB en het IMF pleiten voor een forse stelselwijziging, bijvoorbeeld door de eigen woning over te hevelen naar box 3. De voornaamste vraag daarbij lijkt te zijn welke politieke partij het aandurft om dit voorstel ook daadwerkelijk in te dienen.

Hebt u vragen over de hypotheekrenteaftrek of een fiscale procedure? Neem dan gerust rechtstreeks contact op met één van de auteurs onderaan deze pagina

Geschillen over de hypotheekrenteaftrek

De regeling over de hypotheekrenteaftrek lijkt eenvoudig en is dat in de meeste situaties ook. Echter, met enige regelmaat ontstaat tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst toch discussie over de aftrekbaarheid van bepaalde renten. Zo deed de Rechtbank Noord-Nederland op 6 augustus 2021 uitspraak in een zaak waarin de volgende geschilpunten op tafel lagen:

  • Mocht de Belastingdienst de hypotheekrenteaftrek weigeren?
  • Is er sprake van gerechtvaardigd vertrouwen op basis van informatie van de adviseur van de belastingplichtige?
  • Is er sprake van gerechtvaardigd vertrouwen op basis van informatie die op de website van de Belastingdienst staat?
  • Zijn de vergrijpboeten terecht opgelegd?

Hierna beschrijf ik eerst wat er in deze zaak precies aan de hand was. Daarna geef ik het oordeel van de rechtbank weer over bovenstaande geschilpunten.

Feiten bij geschillen over hypotheekrenteaftrek

De broer van de belastingplichtige heeft een woning gebouwd. De belastingplichtige huurt deze woning eerst van de broer en later van de dochter van de belastingplichtige. Van eigendom is aan de zijde van de belastingplichtige nooit sprake geweest; ook is geen sprake geweest van een recht van vruchtgebruik. Het betreft een duidelijke huurconstructie. In 2004 komt de dochter, waar de woning van wordt gehuurd, ook in de woning wonen. Daarna vinden een aantal verbouwingen plaats die er uiteindelijk toe leiden dat op het perceel een zelfstandige woning staat die de dochter gaat bewonen. Deze zelfstandige woning heeft geen eigen huisnummer.

De verbouwing wordt gefinancierd door de dochter. Zij gaat hiervoor een hypothecaire geldlening aan. De belastingplichtige staat borg en tekent een ontruimingsclausule. De dochter betaalt de rente op de geldlening. Dit gaat door tot 2009. Dan verhuist de dochter en gaat de andere dochter van belastingplichtige in de zelfstandige woning wonen. De rente wordt dan nog steeds betaald door de dochter die ondertussen is verhuisd.

In 2013 wendt de belastingplichtige zich online tot een gratis adviseur. Hij schetst het feitencomplex en geeft aan dat de woning eigendom is van dochter en dat de hypotheek op naam staat van hem, de dochter en zijn vrouw (die in 2019 overlijdt). De adviseur geeft aan dat de rente mag worden afgetrokken. Het administratiekantoor dat de belastingaangiften doet heeft twijfels over de juistheid van handelen. Echter, op basis van het antwoord van de adviseur gaat het kantoor toch over tot het in aftrek brengen van de hypotheekrente.

De Belastingdienst bekijkt de zaak en spreekt in februari 2017 met het administratiekantoor dat de belastingaangiften doet. Het administratiekantoor verstrekt de stukken en verwijst naar het antwoord dat is verkregen van de gratis adviseur. Naar aanleiding van deze bespreking en vermoedelijk wat nader onderzoek, kondigt de Belastingdienst in februari 2018 aan over te willen gaan tot het opleggen van navorderingsaanslagen. Reden: ten onrechte is de hypotheekrenteaftrek toegepast. In april 2018 geeft de Belastingdienst vervolgens aan ook over te gaan tot boeteoplegging. Het voornemen is om vergrijpboetes op te leggen van 50%. Dat betekent ook dat de Belastingdienst van mening is dat sprake is van opzet of grove schuld.

Op 28 juli 2018 volgen uiteindelijk de navorderingsaanslagen over 2012, 2014 en 2015.

Is de hypotheekrenteaftrek hier terecht geweigerd?

De rechtbank beschrijft eerst wanneer sprake is van een woning die als eigen woning kwalificeert. Het gaat dan niet alleen om de woning die de belastingplichtige in eigendom heeft. Van een eigen woning is ook sprake indien de woning ter beschikking staat op grond van een recht van vruchtgebruik, recht van bewoning of een recht van gebruik dat krachtens erfrecht is ontstaan. Een aanvullende voorwaarde is steeds dat de voordelen uit de woning voor de belastingplichtige zijn, maar dat ook de kosten op hem (of zijn partner) drukken. De eigenwoningregeling is daarmee breder dan belastingplichtigen in de praktijk – zo valt ons regelmatig op – denken.

In deze zaak is sprake van een woning die in eigendom is van de dochter. Van vruchtgebruik, bewoning of gebruik krachtens erfrecht is naar het oordeel van de rechtbank eveneens geen sprake. De belastingplichtige (en destijds zijn partner) kwalificeren als huurders van de woning. Dat betekent dat voor de belastingplichtige geen sprake is van een eigen woning in de zin van de wet op de inkomstenbelasting 2001. Dat betekent eveneens dat geen sprake kan zijn van hypotheekrenteaftrek; zonder eigen woning immers geen eigenwoningschuld.

Is hypotheekrenteaftrek mogelijk wegens vertrouwen op adviseur?

De belastingplichtige is van mening dat – ondanks dat het wettelijk gezien niet mogelijk is – de hypotheekrenteaftrek niet gecorrigeerd kan worden. Hij heeft naar eer en geweten gehandeld op grond van het advies van de gratis adviseur en het administratiekantoor heeft de hypotheekrenteaftrek ook in de aangifte opgenomen. Daar moet hij als belastingplichtige op kunnen vertrouwen. De Belastingdienst is het hiermee oneens.

De rechtbank geeft aan dat een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen mogelijk is indien het uitlatingen betreft van de zijde van de overheid. Het vertrouwensbeginsel werkt niet door naar uitlatingen van adviseurs en / of administratiekantoren. Deze uitlatingen kunnen (uiteraard) ook niet aan de Belastingdienst worden toegerekend. Het beroep op het vertrouwensbeginsel in verband met de uitlatingen van de gratis adviseur en het handelen van het administratiekantoor faalt daarmee.

Is hypotheekrenteaftrek mogelijk wegens vertrouwen op website Belastingdienst?

De belastingplichtige heeft een uitdraai gemaakt van de website van de Belastingdienst. Het gaat om de pagina(‘s) met informatie over de hypotheekrenteaftrek. Op deze pagina staat dat de hypotheekrenteaftrek maximaal 30 jaar aftrekbaar is in box 1. Deze informatie wekt volgens de belastingplichtige het vertrouwen op dat rente op een hypothecaire schuld voor de woning aftrekbaar is. De Belastingdienst bestrijdt dit standpunt en geeft aan dat het zeer algemene informatie betreft die ook nog eens onderdeel is van een breder scala aan informatie over dit onderwerp. Voorts kan – volgens de Belastingdienst – geen vertrouwen worden ontleend aan dergelijke algemene informatie. Ook niet als deze op de website van de Belastingdienst is opgenomen.

Voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel moet sprake zijn van een toezegging van de zijde van de overheid (de Belastingdienst in deze) of een andere uitlating / gedraging. Uit de toezegging / uitlating / gedraging moet de belastingplichtige redelijkerwijs mogen afleiden of, en zo ja hoe de Belastingdienst zijn bevoegdheden in zijn situatie zal uitoefenen. Deze regel volgt uit vaste rechtspraak.

In dit geval heeft de belastingplichtige niet aan de bewijslast voldaan dat van zo’n toezegging / uitlating / gedraging sprake is. De informatie op de website van de Belastingdienst heeft te maken met de periode waarover de renteaftrek mogelijk is. Dat zegt echter niets over de vraag of sprake is van een eigen woning of van een schuld met betrekking tot die eigen woning. Daarom faalt ook dit beroep op het vertrouwensbeginsel.

Terechte vergrijpboete bij foutief gebruik hypotheekrenteaftrek?

De Belastingdienst heeft vergrijpboeten opgelegd. Bij het opleggen van zo’n boete rust de bewijslast op de Belastingdienst. Alleen laten zien dat ten onrechte de hypotheekrenteaftrek is gebruikt, is onvoldoende. Een vergrijpboete vereist namelijk opzet of grove schuld aan de zijde van de belastingplichtige. Indien de belastingplichtige gebruik heeft gemaakt van een adviseur, dan is de vraag of hij deze adviseur voldoende deskundig mocht achten. De adviseur bij wie niet aan een goede / zorgvuldige taakuitoefening getwijfeld hoeft te worden, hoeft de belastingplichtige niet steeds te controleren. Van opzet / grove schuld zal dan minder snel sprake zijn.

De ondergrens om opzet aan te nemen ligt bij de zogenaamde voorwaardelijke opzet. Daarvan is sprake als de belastingplichtige willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardt dat een bepaald gevolg – in dit geval het ten onrechte gebruikmaken van een fiscale faciliteit – optreedt. Van grove schuld is sprake indien de belastingplichtige zo onachtzaam handelt, dat dit aan opzet grenst. Ook hier geldt dat het aan de Belastingdienst is om het bewijs te leveren. In de zaak van deze belastingplichtige meent de Belastingdienst dat sprake is van opzet of voorwaardelijke opzet.

De Belastingdienst komt tot deze mening omdat de belastingplichtige eerst te horen kreeg dat iets niet kon en toen op zoek is gegaan naar iemand die wilde zeggen dat het wel kon. Dat bleek uiteindelijk de gratis adviseur te zijn. Daarnaast heeft de belastingplichtige volgens de Belastingdienst onvoldoende openheid van zaken gegeven. Daarmee is door de belastingplichtige bewust de aanmerkelijke kans op een te lage aanslag aanvaard. De boete van 50% is daarmee – volgens de Belastingdienst – terecht.

De belastingplichtige is het daarmee oneens. Hij heeft inderdaad gezocht naar manieren om de rente af te trekken, maar meent dat hij daarbij mag vertrouwen op het advies van anderen. Daarnaast heeft hij niet zelf de belastingaangifte gedaan, maar heeft het administratiekantoor dit voor zijn rekening genomen.

De rechtbank oordeelt dat het administratiekantoor al jaren de aangiften doet. Daarbij is tot het moment dat de gratis adviseur zijn advies had gegeven de hypotheekrenteaftrek nooit benut. Het administratiekantoor heeft er in eerste instantie ook op gewezen dat de rente niet afgetrokken kon worden, maar is overstag gegaan op verzoek van de belastingplichtige en nadat de belastingplichtige advies had ingewonnen. De rechtbank kijkt daarom ook naar de totstandkoming van het advies. Daarbij wordt vastgesteld dat het verkregen advies gebaseerd is op informatie die de belastingplichtige heeft aangeleverd en deze informatie is onjuist. De belastingplichtige gaf namelijk aan dat sprake was van vruchtgebruik terwijl, zo oordeelde de rechtbank, sprake is van een huursituatie. Ook is het niet belastingplichtige zelf die de rente betaalt.

Het bewust verstrekken van onjuiste informatie aan de gratis adviseur en het administratiekantoor rechtvaardigt het oordeel dat de belastingplichtige bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op een te lage aanslag. Het argument dat de aangifte niet zelf is ingediend biedt dan onvoldoende bescherming tegen de vergrijpboete. De regel dat vertrouwd mag worden op een kundig adviseur gaat namelijk niet op als niet alle voor de aangifte relevante informatie is verstrekt. De vergrijpboeten zijn terecht opgelegd. De hoogte van de boete (50%) is passend en geboden. Toch worden de boeten gematigd. Dat komt omdat de redelijke termijn voor het afdoen van de boete zaak is overschreden.

Uitspraak in geschil hypotheekrenteaftrek

De rechtbank laat de navorderingsaanslag intact en dat geldt ook voor de vergrijpboeten. Deze worden wegens termijnoverschrijding wel gematigd. De proceskosten worden niet vergoed.

De uitspraak: ECLI:NL:RBNNE:2021:3392.

Fiscale procedures en hypotheekrenteaftrek

De hypotheekrenteaftrek is in opzet relatief eenvoudig, maar zorgt in de praktijk regelmatig voor hoofdbrekens. Dat komt ook door de ingewikkelde regelingen die samenhangen met de hypotheekrenteaftrek, zoals de bijleenregeling. Niet zelden leidt dit jaren na dato tot navorderingsaanslagen en meningsverschillen met de Belastingdienst. In veel gevallen kan door een second opinion van een fiscaal deskundige de zaak worden beslecht. Soms is de navorderingsaanslag helaas terecht en soms heeft de Belastingdienst het bij het verkeerde eind. Een inschatting van de procedurekansen op basis van een second opinion is, zeker in dit soort dossiers, sterk aan te raden.

Hebt u behoefte aan een second opinion op een dossier over de hypotheekrenteaftrek? Of op een dossier dat over een geheel ander fiscaal onderwerp gaat? Neem dan gerust rechtstreeks contact op met één van onderstaande auteurs. Wij geven graag vrijblijvend aan wat wij voor u kunnen betekenen.

Geschil hypotheekrenteaftrek [news] 7177

Renseignering en IB-47

De Belastingdienst heeft informatie nodig om op juiste wijze belasting te kunnen heffen en om haar controletaak goed te kunnen uitoefenen. In de wet is daarvoor onder meer een verplichting opgenomen voor administratieplichtigen om mee te werken aan het verkrijgen van gegevens en inlichtingen ten behoeve van de heffing van derden. De verplichting om dat soort gegevens te verstrekken wordt wel aangeduid als renseignering. We kennen momenteel een renseigneringsverplichting voor onder andere banken en schadeverzekeraars. Daar komt binnenkort een renseigneringsverplichting bij voor twee groepen administratieplichtigen:

  • De inhoudingsplichtigen voor de loonbelasting;
  • De collectieve beheerorganisaties.

Wij gaan in deze bijdrage op de inhoud van deze nieuwe verplichting in. Aangezien wij signaleren dat in de praktijk onduidelijkheid bestaat over deze nieuwe regeling en de IB-47 formulieren, gaan wij eerst in op de samenhang van deze regelingen. Daarna gaan wij per begrip in op de nieuwe regeling.

IB-47 en de nieuwe renseigneringsverplichting

De Belastingdienst mag om inlichtingen vragen bij administratieplichtigen met betrekking tot betalingen aan derden. Het opgeven van deze betalingen is wat vaak de IB-47 verplichting wordt genoemd. Het voordeel voor de Belastingdienst is onder meer gelegen in de administratieplicht die de verstrekker heeft. De gegevens zijn dan immers met een redelijke mate van zekerheid aanwezig. De bron van deze bevoegdheden is gelegen in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen.

Bij IB-47 gaat het om uitbetaalde bedragen aan derden. U moet dan denken aan personen die werkzaamheden / diensten verrichten, maar niet bij u in dienst zijn en geen ondernemer zijn. Bijvoorbeeld een spreker of een deelnemer aan een medische proef. Bij de IB-47 opgaaf is altijd gevraagd om opgaaf van een BSN. Bij die BSN-vraag zit het probleem en de aanleiding voor de nieuwe regeling. In 2018 is de Belastingdienst namelijk gestopt met de BSN-vragen, aangezien daarvoor – als gevolg van de invoering van de AVG – onvoldoende wettelijke grondslag is. Met de nieuwe renseigneringsverplichting komt die grondslag er wel en de regeling is daarmee een aanvulling op de IB-47 regeling.

De verwachting is dat met de nieuwe regeling het grootste deel van de bestaande IB-47 uitvraag wordt ondervangen. De rangorde is daarbij als volgt: u past deze regeling toe als u hieronder valt en slechts als dat niet het geval is, is IB-47 van toepassing.

Wij gaan hierna in op de nieuwe regeling aan de hand van de relevante begrippen.

Wie zijn de ‘inhoudingsplichtigen voor de loonbelasting’?

Voor de uitleg van dit begrip is de Wet op de Loonbelasting 1964 van belang. Kort gezegd partijen die loon uit tegenwoordige of vroegere dienstbetrekking uitkeren, doch met die versimpelde weergave dekken wij (uiteraard) niet de gehele, complexe lading. Om voor deze nieuwe verplichting als inhoudingsplichtige te kwalificeren, geldt nog een aanvullende eis. De renseigneringsverplichting geldt alleen indien er betalingen aan een natuurlijk persoon zijn verricht voor werkzaamheden en diensten verricht voor de inhoudingsplichtige zelf, of een met de inhoudingsplichtige verbonden lichaam. Bij een verbonden lichaam kunt u globaal denken aan het verbonden zijn via (in-)directe aandelenbelangen van ten minste 1/3.

Slechts als u in het bovenstaande plaatje past, is deze nieuwe regeling op u als inhoudingsplichtige van toepassing.

Wie zijn de ‘collectieve beheerorganisaties’?

Collectie beheerorganisaties zijn organisaties die namens een groep van rechthebbenden optreden, om zonder winstoogmerk vergoedingen voor een auteursrecht of naburig recht te innen en onder rechthebbenden te verdelen. In de praktijk kent men vrijwillig en verplicht beheer, doch dat is voor deze regeling niet van belang.

In welke gevallen moet u onder de nieuwe regeling informatie verstrekken?

Het is in de regeling enigszins cryptisch verwoord. U dient gegevens en inlichtingen te verstrekken die zien op uitbetalingen die naar verwachting tot belastbare inkomsten leiden en die doorgaans tot het resultaat uit overige werkzaamheden behoren. De wet trekt het echter ruimer en geeft aan dat het gaat om gegevens die ook kunnen zien op andere box 1 onderdelen, box 3 vermogen of persoonsgebonden aftrek. In de regeling wordt in ieder geval een aantal situaties geschetst waarin u geen gegevens en / of inlichtingen hoeft te verstrekken:

  •  De werkzaamheden zijn verricht als werknemer, artiest, beroepssporter of lid van een buitenlands gezelschap. Dit is logisch, aangezien deze gegevens via de loonaangifteketen de Belastingdienst al bereiken.

  • De werkzaamheden zijn verricht als werknemer, artiest, beroepssporter of lid van een buitenlands gezelschap, maar de persoon wordt door een verdrag of regeling (zoals met de BES-eilanden) niet als zodanig aangemerkt. Hier geldt dat Nederland over deze uitbetalingen geen heffingsrecht toekomt en de Belastingdienst derhalve onvoldoende belang heeft bij de gegevens.

  • U betaalt vrijwilligersvergoedingen die niet boven de normbedragen per maand en / of jaar uitkomen. Let op! Indien u meer betaalt dan de norm, dient u dit straks aan te geven onder deze nieuwe verplichting. De Belastingdienst zal deze inkomsten dan vermoedelijk in de aangifte van de vrijwilliger opnemen. Niet gezegd is echter dat sprake is van een zogenaamde bron van inkomen, hetgeen vereist is om te mogen heffen. In de regeling staat echter dat het aan belastingplichtigen zelf is om dit te corrigeren. Het is verstandig uw vrijwilligers hierop te wijzen. Zie ook de link onderaan deze pagina.

  • U ontvangt voor de werkzaamheden een factuur die voldoet aan de eisen van de Wet op de omzetbelasting 1968, waarop de BTW is vermeld. De benodigde gegevens zijn dan via een andere bron al bekend bij de Belastingdienst.

  • Vergoedingen voor een auteursrecht of een naburig recht aan erfgerechtigden zijn uitgezonderd van deze verplichting. De reden die hiervoor wordt gegeven is dat deze elementen al tot de box 3-bezittingen behoren.

Welke informatie moet u onder de nieuwe regeling verstrekken?

U moet een aantal gegevens vermelden (en dus ook verzamelen):

  • Persoonsgegevens ter identificatie en verificatie van de gerechtigde tot de betaling. Het gaat dan om de naam, het adres en de geboortedatum.
  • De uitgekeerde bedragen, daaronder vallen ook eventuele kostenvergoedingen.
  • Er kunnen zich situaties voordoen waarin het verstrekken van gegevens achterwege gelaten mag worden. U moet dan denken aan de situatie waarin:

    - de Belastingdienst oordeelt dat het belang van de gegevens en inlichtingen niet opweegt tegen de inspanning om deze te verstrekken;

    - de Belastingdienst oordeelt dat de administratieplichtige tijdelijk niet of niet tijdig in staat is deze te verstrekken;

    - de Belastingdienst de gegevens en inlichtingen heeft aangewezen als van verstrekking vrijgesteld.

Ter illustratie kan worden gewezen op het opvragen van informatie waarvan de Belastingdienst vooraf al met redelijke zekerheid kan stellen dat Nederland er geen heffingsrechten over heeft.

Hoe verstrekt u de gegevens onder deze nieuwe renseigneringsverplichting?

U moet de gegevens aanleveren zoals de Belastingdienst dat wenst. Dit zal digitaal worden en de Belastingdienst gaat hier nog een handleiding voor opstellen.

Wanneer moet u de gegevens onder deze nieuwe regeling uiterlijk aanleveren?

U moet de gegevens en inlichtingen jaarlijks aanleveren. Dat doet u na afloop van het kalenderjaar waarop de gegevens betrekking hebben, doch uiterlijk op 31 januari. De Belastingdienst heeft de gegevens op die datum nodig, om te kunnen garanderen dat zij zijn opgenomen in de vooraf ingevulde aangifte (VIA) van de vermoedelijke belastingplichtige.

Van de administratieplichtigen die gebruik maken van het IB-47 formulier is bekend dat er een groep is die de voorkeur geeft aan het maandelijks doorgeven van de gegevens en inlichtingen. De Belastingdienst heeft daarom de mogelijkheid om administratieplichtigen toestemming te geven om lopende het kalenderjaar al gegevens en inlichtingen aan te leveren. Zoals het er nu naar uitziet, zal dit op verzoek zijn en kunnen hier nog nadere voorwaarden aan worden verbonden. Het wordt niet verplicht om van deze mogelijkheid gebruik te maken. De Belastingdienst kan dit dus niet aan u opleggen.

Het eerste jaar waarin deze regeling van toepassing is, zal dit tussentijds aanleveren nog niet mogelijk zijn. Voor alle administratieplichtigen geldt dan de jaarlijkse aanlevering, hoe onhandig dit ook kan zijn. Dit geldt ook voor administratieplichtigen die in het kader van de bestaande informatieverstrekking van dit soort betalingen (met het genoemde formulier IB-47) over de periode voor invoering tussentijdse aanlevering hebben toegepast.

Wanneer gaat deze renseigneringsverplichting in?

Het is aan de Belastingdienst om aan te geven per wanneer deze regeling kan worden uitgevoerd. De hoop is gevestigd om de regeling per 1 januari 2021 in te laten gaan, maar de regeling houdt nu al ruimte om dit pas per 1 januari 2022 te doen.

Renseignering en IB-47 [news] 2020-11-10 0000-00-00 0000-00-00 6783

Ruilarresten bij het bepalen van de fiscale winst

Het ruilen van bedrijfsmiddelen, zoals een machine, kan leiden tot winstrealisatie. De winst bedraagt de waarde in het economisch verkeer van het ontvangen bedrijfsmiddel, verminderd met de boekwaarde van het bedrijfsmiddel dat u voor de ruil heeft ingezet. Deze winst valt in de jaar waarin de ruil plaatsvindt. Dit kan voor de belastingheffing echter bijzonder zuur uitwerken. Stel dat het verschil tussen de waarde economisch verkeer en de boekwaarde zeer groot is, dan realiseert u een zeer grote winst. Belastingheffing over de gerealiseerde boekwinst kan dan aanzienlijke financiële gevolgen hebben. De Hoge Raad liet in een ver verleden al toe (1951) dat de boekwinst (de stille reserve) werd doorgeschoven naar het bedrijfsmiddel dat u hebt verkregen. Directe belastingheffing blijft dan nog achterwege. Het gevolg is dat de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel gelijk wordt aan de kostprijs ervan, minus de doorgeschoven stille reserve.

Wanneer gebruikt u de ruilarresten?

U kunt de ruilarresten niet op iedere ruil toepassen. Belangrijk is dat het verkregen goed van dezelfde aard is en economisch dezelfde plaats inneemt als het goed dat u voor de ruil heeft ingezet. Daarbij moet ook worden beoordeeld of het verkregen goed dezelfde functie vervult als het voor de ruil ingezette goed. Deze toets moet worden gedaan naar de functie op het moment van de ruil (de vervreemding van het goed). Wat ook meetelt is een eventueel groot waardeverschil tussen de beide goederen. Het komt voor dat de rechter bij een (te) groot waardeverschil niet aanneemt dat echt sprake is van een ruil. Waar de exacte grens ligt is onduidelijk. U kunt bijvoorbeeld denken aan voorraden.

Ruilarresten en herinvesteringsreserve

De ruilarresten lijken qua functie behoorlijk op de herinvesteringsreserve. Een herinvesteringsreserve mag u vormen bij de verkoop van een bedrijfsmiddel. U neemt de boekwinst dan niet direct in uw fiscale winst op, maar u vormt daarvoor een reserve: de herinvesteringsreserve. Op het moment dat u herinvesteert, boekt u de doorgeschoven boekwinst als afboeking op de aanschafprijs van het aangeschafte bedrijfsmiddel. Daarmee verlaagt dus ook uw afschrijvingsbasis. De afboeking is in beginsel verplicht. Echter, indien de herinvesteringsreserve ontstaat door vervreemding van een bedrijfsmiddel waarop u niet afschrijft of waarop u in meer dan tien jaar afschrijft, dan hoeft u deze pas af te boeken indien u een bedrijfsmiddel met dezelfde economische functie aanschaft. Op een investering in een dergelijk bedrijfsmiddel mag u alleen herinvesteringsreserves afboeken die zijn ontstaan als gevolg van de vervreemding van een bedrijfsmiddel met dezelfde economisch functie. Dus: bij vervreemding van een pand mag u de herinvesteringsreserve wel afboeken op een machine waarop u in vijf jaar afschrijft. Bij de vervreemding van een machine waarop u in vijf jaar afschrijft mag u ook een herinvesteringsreserve vormen, maar deze mag u niet afboeken op een pand.

De herinvesteringsreserve lijkt dus enorm op de ruilarresten. Vroeger was dat anders; de herinvesteringsreserve (destijds: vervangingsreserve) verschilde toen in grote mate van de ruilarresten en dus hadden beiden bestaansrecht. De verschillen zijn tegenwoordig een stuk kleiner, maar daarmee niet geheel afwezig. Zo vereist een herinvesteringsreserve dat u een herinvesteringsvoornemen heeft. Een relatief zachte eis. Indien u gebruik wenst te maken van de ruilarresten, dan moet er een concreet vervangingsplan aanwezig zijn. Dat is een wat hogere drempel. Daarbij komt nog dat het herinvesteringsvoornemen aan het einde van het boekjaar aanwezig moet zijn. Deze bedenktijd hebt u niet bij de ruilarresten. Daar is het moment van ruilen doorslaggevend en op dat moment moet u een concreet vervangingsplan hebben. Tot slot wijzen wij erop dat de herinvesteringsreserve gebonden is aan een termijn (drie jaar, verlenging soms mogelijk). De ruilarresten kijken naar het moment van ruil (de vervreemding van uw goed).

Geen keuze tussen ruilarresten en herinvesteringsreserve

De Hoge Raad heeft in 2014 duidelijk gemaakt dat u niet mag kiezen. Indien een herinvesteringsreserve mogelijk is, dan dient u van deze mogelijkheid gebruik te maken. Effectief kunt u de ruilarresten dus alleen toepassen indien u geen herinvesteringsreserve kunt vormen. De herinvesteringsreserve vormt u bij de vervreemding van een bedrijfsmiddel. Dat geeft direct de reikwijdte van de ruilarresten: vervreemding van iets anders dan een bedrijfsmiddel. Denk bijvoorbeeld aan voorraden.

Recente zaak over de ruilarresten

De inspecteur legt over het jaar 2015 een aanslag vennootschapsbelasting op. De activiteiten van het bedrijf bestaan uit de handel in agrarisch vastgoed, zoals de aan- en verkoop van boerderijen en cultuurgrond, doch ook vee en fosfaatrechten. Het verwerven van cultuurgronden gebeurt steeds met de bedoeling om deze op een geschikt moment weer te verkopen, bijvoorbeeld aan degene waar de grond aan wordt gepacht. De gemiddelde tijd tussen aan- en verkoop bedraagt 230 dagen.

Het vermogen van het bedrijf bestaat grotendeels uit handelsvoorraad, in de vorm van eerdergenoemde onroerende zaken, bestemd voor de verkoop. In 2015 worden diverse onroerende zaken verkregen en verkocht. Het bedrijf heeft hiervan een uitgebreid overzicht gemaakt. Bij het doen van de aangifte vennootschapsbelasting heeft het bedrijf de ruilarresten toegepast op de boekwinst behaald met de verkoop van een aantal onroerende zaken die tot de handelsvoorraad behoorden. Deze boekwinst is in mindering gebracht op de kostprijs van verkregen onroerende zaken. Daarbij geeft het bedrijf aan dat de onroerende zaken dezelfde economische functie hebben. Daarbij moet worden gekeken – zo wordt gesteld – naar het geheel van de handelsvoorraad en niet iedere transactie afzonderlijk. Voorts bestaat – door de constante handel – een algemeen voornemen tot vervanging. Het niet toestaan van het gebruik van de ruilarresten heeft volgens het bedrijf een forse aanslag op het liquide werkkapitaal tot gevolg. De inspecteur is het hiermee (uiteraard) oneens. Hij stelt dat de ruilarresten niet van toepassing zijn. Dat is gebaseerd op de stelling dat bij de ruilgedachte van een echte winstrealisatie geen sprake is. Het bedrijf heeft nu juist – zo meent de inspecteur – als doel het verwerven van onroerende zaken om deze te verkopen. Voorts zou van dezelfde economische functie geen sprake zijn, althans dat is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Tot slot wordt ook het concrete vervangingsplan betwist. Alle reden dus voor de rechtbank om zich over de zaak te buigen.

Rechtbank oordeelt over ruilarresten

De rechtbank geeft eerst aan wat de regel is. Indien een belastingplichtige bij vervreemding van een activum een ander activum verwerft dat dezelfde economische functie vervult, dan kan op grond van de ruilarresten de behaalde boekwinst in mindering worden gebracht op de kostprijs van het verkregen activum. De ruilarresten mogen worden toegepast op alle soorten activa, dus ook op de handelsvoorraad.

Niet in geschil is dat de vervreemde onroerende zaken tot de handelsvoorraad behoorden. Dat enkele gegeven is volgens de rechtbank echter onvoldoende om aan te nemen dat de verworven onroerende zaken economisch en functioneel dezelfde plaats innemen. Voor een handelsonderneming geldt – zo oordeelt de rechtbank – in het algemeen dat in de vervreemding van de handelsvoorraad een beoogde realisering van winst of verlies is gelegen. Dat wordt bepaald door het verschil tussen de boekwaarde en de opbrengst. Daaraan doet niet af dat (een deel van) de opbrengst beoogd is voor de aankoop van een andere onroerende zaak, die ook weer zal worden verkocht. Het gaat niet om de plaats die de onroerende zaken innemen in het vermogen van het bedrijf, maar om de plaats die zij innemen in de handelsvoorraad van het bedrijf.

Dus moet – in tegenstelling tot wat het bedrijf meende – wel worden gekeken naar de afzonderlijke transacties in de handelsvoorraad. Het is aan het bedrijf om te bewijzen (aannemelijk te maken) dat de verworven onroerende zaken in economische zin dezelfde plaats innemen als de verkregen onroerende zaken. Dat bewijs is onvoldoende geleverd. Daarbij telt mee dat:

- Op transactieniveau is sprake van grote verschillen in oppervlakte en ligging van de onroerende zaken. Zo is niet laten zien hoe een perceel akkerland van 10 hectare economisch gelijk is aan een perceel grasland van 2 hectare.

- Niet aannemelijk is gemaakt dat op transactieniveau de vervreemde onroerende zaken een ongeveer gelijke mate van beheer, courantheid en inflatiebestendigheid kennen als de verworven onroerende zaken.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht toepassing van de ruilarresten heeft geweigerd.

Fiscaal jurist over ruilarresten en herinvesteringsreserve

Dit artikel richt zich vooral op de ruilarresten. Daarbij is sprake van een regel die in de praktijk nog weleens over het hoofd wordt gezien, maar die bijvoorbeeld bij handelsvoorraden wel degelijk interessant kan zijn. Bijvoorbeeld als u zich, zoals in bovenstaande zaak, bezighoudt met onroerend goed dat tot uw handelsvoorraad behoort.

Het gebruikmaken van de ruilarresten, maar ook het gebruikmaken van de herinvesteringsreserve, vereist ook administratief de nodige handelingen. Zo dient getoetst te worden of sprake is van een:

- Voldoende concreet vervangingsplan dan wel een voldoende concreet herinvesteringsvoornemen;

- Dient beoordeeld te worden of – indien nodig – sprake is van goederen die dezelfde economische functie vervullen;

- Dient beoordeeld te worden op welke wijze zorg kan worden gedragen dat u aan de bewijslast voldoet bij eventuele vragen van de inspecteur.

Het kan zeer aantrekkelijk zijn om directe winstneming uit te stellen. Dat zorgt er immers voor dat u op korte termijn meer liquide middelen ter beschikking heeft. Dit hoeft echter niet altijd de meest ideale oplossing te zijn. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin u een winst best goed kunt gebruiken, zoals bij dreigende verliesverdamping. Er is dus geen ‘one size fits all’ in deze. Schakel daarom altijd een specialist in. Neem gerust eens contact op met één van onderstaande auteurs.

Uitspraak

Rechtbank Noord-Nederland 23 juni 2021: ECLI:NL:RBNNE:2021:2691

Toepassing van de ruilarresten [news] 2021-07-06 0000-00-00 0000-00-00 7086

Verzuimboete bij niet (tijdige) aangifte (67a AWR)

In dit artikel gaan wij in op het opleggen van een zogenaamde verzuimboete bij het niet of niet tijdig doen van belastingaangifte. Dat kan zich op hoofdlijnen voor twee soorten belastingen voordoen: aanslagbelastingen en aangiftebelastingen. Bij een aanslagbelasting dient de belastingplichtige aangifte te doen, maar legt de inspecteur de aanslag op. Een aangiftebelasting vereist minder ingrijpen van de Belastingdienst. Bij dit type belastingen is het de belastingplichtige die zelf de belasting berekent en betaalt.

Voorbeelden van aanslagenbelastingen zijn de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting. Bekende aangiftebelastingen zijn de loonheffingen en omzetbelasting. Het onderscheid tussen deze belastingtypen is overigens niet alleen voor boeten van belang, maar ook bijvoorbeeld bij het bepalen of de Belastingdienst over mag gaan tot navordering of naheffing.

In dit artikel kijken wij naar de wet- en regelgeving over het opleggen van een boete bij het niet of niet tijdig doen van een aangifte voor een aanslagbelasting. Dit wordt ook wel de 67a AWR boete genoemd. Deze benaming zult u vaak op de boetebeschikking terugzien. Wij zullen in dit artikel het voorbeeld uitwerken aan de hand van de aangifte inkomstenbelasting.

Wij zijn in een ander artikel ingegaan op de verzuimboete bij het niet of niet tijdig doen van een aangifte voor een aangiftebelasting. U leest dat artikel hier.

Verzuimboete bij niet of niet tijdige aangifte ingevolge 67a AWR

De wet bepaalt dat het niet doen van de aangifte binnen de gestelde termijn een verzuim vormt. Voor dit verzuim kan een boete worden opgelegd. Het gedrag van de belastingplichtige is aangemerkt als een overtreding. Dit roept uiteraard een aantal vragen op. Wat is nu precies die gestelde termijn en hoe hoog mag die boete zijn?

Het begrip ‘gestelde termijn’ bij de verzuimboete van 67a AWR

Iedereen die door de Belastingdienst wordt uitgenodigd is verplicht om aangifte te doen. Deze uitnodiging ontvangt u meestal in de vorm van een brief. In deze brief wordt ook aangegeven wat de termijn is voor het doen van de aangifte. De termijn dient ten minste één maand te bedragen. De termijn wordt berekend vanaf de datum van het uitnodigen. Uit de titel van dit artikel blijkt al dat twee situaties voorkomen: de aangifte is niet gedaan en de aangifte is niet op tijd gedaan. Het in het geheel niet hebben gedaan van de aangifte maakt boeteoplegging direct mogelijk. Het is echter ook mogelijk dat de aangifte wordt gedaan nadat de termijn is verlopen. In dat geval kan de boete alleen worden opgelegd indien de inspecteur u heeft aangemaand om binnen een redelijke termijn alsnog aangifte te doen. Wij zien dat dit in de praktijk niet altijd goed gaat.

De wet bevat ook regels voor belastingplichtigen die weten dat zij aan te geven inkomen hebben, maar die niet zijn uitgenodigd om aangifte te doen. Zij kunnen niet een zogenaamde 67a AWR boete opgelegd krijgen. Overigens kent het boetestelsel voor deze overtreding een andere boeteregel. Deze is opgenomen bij de 67ca AWR boete. Het komt in de praktijk nog steeds voor dat boetes op verkeerde gronden worden opgelegd.

De hoogte van de verzuimboete bij 67a AWR

De wet bepaalt dat de boete maximaal € 5.514 bedraagt (bedrag 2021). Het is geldend beleid dat bij het opleggen van de boete onderscheid wordt gemaakt naar belastingmiddel. Indien u de aangifte vennootschapsbelasting niet of niet-tijdig doet, kunt u een boete krijgen van maximaal 50% van het maximum. In de praktijk is dat nu dus € 2.757. Doet u de aangifte inkomstenbelasting niet of niet tijdig, dan bedraagt de boete maximaal 7%, zijnde € 385. In de praktijk komt het voor dat belastingplichtigen bijvoorbeeld twee jaar achter elkaar de aangifte niet tijdig doen. Het beleid maakt het mogelijk om een verzuimboete voor het volle bedrag van € 5.514 op te leggen indien sprake is van een uitzonderlijk geval. Als voorbeeld wordt daarbij genoemd het stelselmatig in verzuim zijn. In de praktijk wordt over deze bijzondere gevallen vaak gediscussieerd met de Belastingdienst.

De Belastingdienst dient bij het opleggen van een boete altijd rekening te houden met omstandigheden die aanleiding kunnen zijn om de boete te verhogen of te verlagen. Bij de 67a AWR boete is het zo dat het kijken naar individuele omstandigheden niet direct gebeurt. Het systeem werkt daarvoor té geautomatiseerd. Het rekening houden met individuele feiten en omstandigheden komt dan pas in de bezwaarfase voor het eerst aan de orde. U dient deze bezwaarprocedure echter zelf (of met hulp van een specialist) aanhangig te maken. Daarvoor gelden strikte termijnen. Handel daarom bij boeteoplegging snel.

Bij relevante aspecten in het kader van matiging van de boeteoplegging kunt u denken aan de verhouding tussen de boete en de overtreding, verzachtende omstandigheden en een pleitbaar standpunt.

Waarom een verzuimboete opleggen?

De 67a AWR boete is een zogenaamde verzuimboete. De Staatssecretaris van Financiën heeft in 2009 in herinnering gebracht wat het doel is van de verzuimboete. Het gaat niet, zoals belastingplichtigen het soms ervaren, om leedtoevoeging. Verzuimboeten hebben als primaire doel het onderhouden en versterken van de bereidheid om fiscale verplichtingen na te komen. Dit is anders dan bij de vergrijpboete. Daar is duidelijk sprake van een bestraffend karakter en het wegnemen van een onterecht voordeel.

Wat in de praktijk ook wel voorkomt, is dat de Belastingdienst de boete gebruikt als een instrument om u tot handelen aan te zetten. De inspecteur kan dan een boete opleggen voordat de aanslag wordt opgelegd. Dat doet hij dan onder de voorwaarde dat u alsnog binnen een gestelde termijn de aangifte doet. De matiging van de boete wordt daarmee een soort extra motiveringsmiddel. Deze mogelijkheid is sinds 2013 in de wet opgenomen.

Het voorbeeld bij de aangifte inkomstenbelasting

Hierna werken wij uit hoe deze boeteoplegging zou kunnen verlopen bij de aangifte inkomstenbelasting. De uitwerking is op hoofdlijnen hetzelfde bij de andere aanslagbelastingen, zoals de vennootschapsbelasting.

Henk wordt begin 2021 uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting 2020. Deze uitnodiging valt in de bekende blauwe envelop op zijn deurmat. Stel dat in de brief is opgenomen dat Henk vóór 1 mei 2021 aangifte moet doen (de termijn). Hoe moet Henk nu handelen?

Indien Henk vóór 1 mei 2021 zijn aangifte doet, is er niets aan de hand in het kader van dit artikel. Henk kan echter vergeten aangifte te doen. De gangbare praktijk is dat de Belastingdienst nu eerst een herinnering stuurt en als Henk dan nog niets doet, een aanmaning. Doet Henk de aangifte dan nog steeds niet of niet binnen de termijn genoemd bij de aanmaning, dan kan de Belastingdienst de verzuimboete opleggen bij de aanslag.

De Belastingdienst kan het ook anders doen. In plaats van de boete op te leggen bij de aanslag zoals in de vorige alinea beschreven, kan hij ook de boete opleggen voordat hijzelf de aanslag oplegt. De boete dient dan als stimulering om Henk alsnog de aangifte te laten doen. Dit kan bijvoorbeeld uitmonden in een toegezegde boetematiging bij het alsnog doen van de aangifte.

Wie kan de verzuimboete van 67a AWR opgelegd krijgen?

In de eerste plaats en het meest voorkomend is uiteraard de belastingplichtige zelf. De wet is echter regelmatig uitgebreid. Thans is het mogelijk de boete ook op te leggen aan een medepleger, opdrachtgeveren / of feitelijk leidinggever, de doen plegeren de uitlokker. Op deze mogelijkheden, die in de praktijk zeer weinig voorkomen, gaan wij in dit artikel niet nader in.

De verzuimboete van 67a AWR en onze deskundigheid

De verzuimboete wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte voor een aanslagbelasting, ook wel de 67a AWR boete genoemd, wordt automatisch opgelegd. Alle bezwaren die u tegen deze boete heeft komen vrijwel altijd pas in de bezwaarfase aan de orde. Wij voeren voor belastingplichtigen vaak procedures tegen de verzuimboete en – indien nodig – ook tegen de aanslag zelf. Een eerste gesprek is altijd vrijblijvend.

Verzuimboete aangifte (67a AWR) [news] 2021-03-09 0000-00-00 0000-00-00 6920

Wetswijzigingen eigenwoningregeling 2022

De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst (een hele mond vol) heeft een brief aan de Tweede Kamer gestuurd waarin wijzigingen in de eigenwoningregeling worden beschreven. Deze wetswijzigingen moeten per 1 januari 2022 in werking treden en zullen onderdeel uitmaken van het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen. Dit wetsvoorstel zal op Prinsjesdag 2021 nader bekend worden gemaakt.

De wetswijzigingen bevinden zich allemaal op het gebied van de partnerrelaties. Zo wordt gekeken naar de bijleenregeling bij partners, aflossingssituaties bij partners en de gevolgen van een overlijden voor de eigenwoningregeling. De staatssecretaris noemt vier onderwerpen:

  • De bijleenregeling;
  • De aflossingsstand;
  • Bestaande eigenwoningschulden;
  • Overlijden.

Wij gaan hierna in op de wijzigingen per onderwerp. Zoals genoemd betreft het in deze fase voorstellen. Voorstellen kunnen in de praktijk nog wijzigen. De voorstellen hangen samen met de wijzigingen in het huwelijksvermogensrecht per 2018.

Wetswijziging bijleenregeling bij partners

De bijleenregeling is sinds 2004 opgenomen in de wet. Met deze regeling wordt de hypotheekrenteaftrek beperkt. Dat werkt als volgt. Indien bij de verkoop van een eigen woning een overwaarde wordt gerealiseerd, dan wordt deze aangemerkt als eigenwoningreserve. Bij de aankoop van een nieuwe woning moet de eigenwoningreserve worden besteed aan de nieuwe woning, althans daar gaat de wet vanuit. Dat betekent dat voor de hoogte van de eigenwoningreserve geen hypotheekrenteaftrek kan worden geclaimd. Een voorbeeld:

Op een woning rust een hypotheekschuld van € 180.000. De woning wordt verkocht voor € 200.000. De overwaarde bedraagt dan € 20.000. Stel dat daarna een woning wordt gekocht voor € 250.000. Voor een bedrag van € 20.000 kan dan geen hypotheekrenteaftrek worden benut. Dat betekent dat de maximale schuld voor de hypotheekrenteaftrek € 230.000 bedraagt en niet € 250.000.

Indien sprake is van partners, dan wordt de bijleenregeling per individu toegepast. Het resultaat is aan de persoon gebonden. Onder voorwaarden is het mogelijk om – bijvoorbeeld bij echtscheiding – de eigenwoningreserve aan de partner toe te delen. Indien sprake is van een huwelijksgemeenschap kan zelfs sprake zijn van een verplichte toerekening van de eigenwoningreserve. Het is op dit gebied waar zich knelpunten voordoen. Uit de toelichting van de staatssecretaris komt het volgende knelpunt naar voren.

Henk heeft een eigenwoningreserve van € 50.000. Henk gaat vervolgens trouwen. Er ontstaat een beperkte gemeenschap voor bezittingen en schulden die tijdens het huwelijk ontstaan of die voor het huwelijk al gezamenlijk waren. Als gevolg van het huwelijk wordt de eigenwoningreserve nu voor de helft toegerekend aan de nieuwe partner, ondanks dat er geen gezamenlijke eigen woning is geweest. Dat is de fiscale uitwerking. Binnen het huwelijksvermogensrecht heeft de nieuwe partner echter totaal geen aanspraak op de helft van dit bedrag. Dat is een verschil tussen belastingrecht en personen- en familierecht. En daar wringt het uiteraard.

De voorgestelde wetswijziging leidt ertoe dat toerekening van de eigenwoningreserve aan de partner nog slechts plaatsvindt indien:

  • Voor het huwelijk al sprake is geweest van een boedelmenging; en
  • Als er een huwelijk in algemene gemeenschap wordt gesloten.

Dit zal zich bijvoorbeeld voordoen als de woning die is verkocht al voor het huwelijk gezamenlijk eigendom was. Toerekening is dan – in de ogen van de wetgever – niet onredelijk.

Een ander knelpunt dat zich bij de bijleenregeling voordoet is het volgende. Bij een gezamenlijke aankoop en financiering kan het zijn dat een schuld niet voor hypotheekrenteaftrek in aanmerking komt, omdat het eigenwoningverleden niet verdeeld kan worden. Momenteel kan dit op basis van goedkeurend beleid overigens wel. Dit goedkeurend beleid zal in de wet worden opgenomen. Er wordt dan gekeken wat de maximale eigenwoningschuld is die de partners mogen aangaan en of er voldoende eigen middelen worden ingezet. Een voorbeeld:

De woning kost € 200.000. De woning wordt gefinancierd met een gezamenlijke lening van € 150.000 en één van de partners heeft een eigenwoningreserve van € 50.000. Op grond van het huidige recht ontstaat nu een knelpunt in de renteaftrek. Hierna spreken wij over partner 1 en partner 2.

Partner 1 is tot de helft van de woning gerechtigd (€ 100.000) en tot de helft van de schuld (€ 75.000). De maximale eigenwoningschuld bedraagt voor partner 1 echter de woningwaarde voor partner 1, verminderd met de eigenwoningreserve. Dat leidt tot een bedrag van € 50.000 (€ 100.000 - € 50.000). Het overige deel van de schuld van partner 1, zijnde € 25.000 (€ 75.000 - € 50.000), komt niet voor renteaftrek in aanmerking.

Partner 2 is op dezelfde wijze tot de woning gerechtigd, maar heeft geen eigenwoningreserve. Voor zijn deel is renteaftrek over € 75.000 mogelijk.

Onderaan de streep vindt – bekeken op gezamenlijk niveau – renteaftrek plaats over € 125.000.

Na de wetswijziging pakt de regeling gunstiger uit. Er wordt dan gekeken naar de maximale hypotheekrenteaftrek voor de partners gezamenlijk en dat is € 200.000 (woningwaarde) minus € 50.000 (eigenwoningreserve). Doordat nu op totaalniveau een beoordeling plaatsvindt, kan renteaftrek plaatsvinden over de volledige € 150.000.

Bovenstaande vormt een welkome wijziging van de wetgeving. In de praktijk zal bij gezamenlijke aankoop en financiering dan rekening worden gehouden – op gezamenlijk niveau – met de maximale eigenwoningschuld en de bijleenregeling.

Wetswijziging aflossingsstand in partnersituaties

De aflossingsstand is van belang om te bepalen of een schuld nog in aanmerking komt voor hypotheekrenteaftrek. Deze stand laat zien hoe op het moment van het aangaan van een eigenwoningschuld, de resterende looptijd en renteaftrektermijn wordt beperkt. Zo een beperking kan bijvoorbeeld plaatsvinden, omdat voor het bedrag van de schuld al een aantal jaar renteaftrek is genoten. De renteaftrek duurt namelijk maximaal dertig jaar. Er ontstaat alleen een aflossingsstand indien er sprake is van een verkoop van een eigen woning. Een eenvoudig voorbeeld bij de aflossingsstand:

Een woning wordt gefinancierd met een schuld van € 200.000. Deze moet in dertig jaar worden afgelost. Na tien jaar wordt de woning verkocht en de schuld bedraagt dan nog € 150.000. Deze € 150.000 wordt als aflossingsstand genoteerd. Indien een nieuwe woning wordt gekocht, dan kan voor een bedrag van € 150.000 nog maximaal twintig jaar renteaftrek worden genoten.

Momenteel wordt de aflossingsstand aan beide partners toegerekend naar rato van de gerechtigdheid tot de huwelijksgemeenschap. Daarbij is niet relevant of er ook een gezamenlijke woning wordt aangekocht. Stel dus dat er een woning is die geen onderdeel is van de huwelijksgemeenschap, dan wordt alsnog de aflossingsstand verdeeld. Dat wordt als onwenselijk gezien. De wetswijziging die nu is voorgesteld maakt dat de aflossingsstand in beginsel blijft toebehoren aan de partner bij wie deze is ontstaan.

De aflossingsstand kan ook voor knelpunten zorgen bij een gezamenlijke aankoop en financiering van een woning. De voorgestelde wijziging komt erop neer dat het wordt toegestaan dat de aflossingsstand gedeeltelijk vervalt als deze feitelijk bezien op gezamenlijk niveau is toegepast. Een wat cryptisch verwoorde bepaling die zich met een voorbeeld goed laat illustreren.

Partner 1 heeft een aflossingsstand van € 100.000. Partner 2 heeft geen aflossingsstand. Vervolgens trouwen partner 1 en partner 2 met elkaar. De aflossingsstand blijft geheel van partner 1. Vervolgens wordt een woning gezamenlijk gekocht en gefinancierd. De woning zal in de huwelijksgemeenschap vallen. De woning kost € 160.000.

Onder het huidige recht is de uitwerking als volgt. Partner 1 is gerechtigd tot de helft van de schuld, zijnde € 80.000. Dat geldt ook voor partner 2. Daarna wordt per leningdeel nog de toerekening verricht. Dat betekent dat partner 1 voor de helft van de schuld (€ 40.000) de aflossingsstand moet benutten. De andere helft komt niet voor benutting van de aflossingsstand in aanmerking en er resteert ook nog eens € 20.000 van de oorspronkelijke aflossingsstand. Partner 1 ziet dus € 40.000 aan lening naar box 3 gaan en blijft zitten met een aflossingsstand van € 60.000.

Onder het nieuwe recht werkt dit eenvoudiger uit. Voor het deel van de schuld dat aan partner 1 toebehoort (€ 80.000) wordt de aflossingsstand benut en voor de andere helft niet. De aflossingsstand is dan voor € 80.000 benut en de laatste € 20.000 blijft staan.

Samengevat komt deze wijziging dus op het volgende neer. De aflossingsstand bij gezamenlijke aankoop en financiering van een eigen woning vindt plaats voor ten minste het bedrag van het aandeel in de schuld van de partner die de aflossingsstand heeft.

Wetswijziging bestaande eigenwoningschulden

Ook voor situaties waarin een bestaande eigenwoningschuld een rol speelt, zal de wet worden veranderd. Een eerste knelpunt doet zich hier voor in oversluitsituaties. Dat zijn situaties waarin in een kalenderjaar de schuld geheel of gedeeltelijk wordt afgelost. Daarbij geldt als voorwaarde dat uiterlijk in het kalenderjaar dat volgt, een nieuwe schuld tot ten hoogste het afgeloste bedrag in verband met de eigen woning wordt afgesloten. Er doet zich echter iets onwenselijks voor op het moment dat sprake is van gezamenlijke aankoop en financiering van een woning met een partner. Een voorbeeld ter illustratie.

Partner 1 heeft een bestaande eigenwoningschuld van € 150.000. De nog lopende termijn is 20 (van de 30) jaar. Er is geen eigenwoningreserve. Partner 1 gaat met Partner 2 samenwonen. Er wordt gezamenlijk een woning gekocht en gefinancierd. Deze woning kost € 200.000. Er wordt een aflossingsvrije lening afgesloten van € 150.000 en voor het restant van € 50.000 een annuïtaire lening.

Partner 1 en 2 zijn ieder gerecht tot € 100.000 van de woningwaarde en ook tot de helft van de beide schulden. De schuld van partner 1 is volledig aan te merken als bestaande eigenwoningschuld, aangezien de helft van de totale schuld minder bedraagt dan de bestaande eigenwoningschuld. Dat geldt niet voor partner 2, want die heeft geen bestaande eigenwoningschuld en kan daardoor het aflossingsvrije deel onder de regeling bestaande eigenwoningschulden niet in box 1 houden. Een aflossingsvrije lening kwalificeert immers niet als eigenwoningschuld voor de hypotheekrenteaftrek.

Onder de nieuwe regeling kan in bovenstaande situatie de bestaande eigenwoningschuld worden ingezet door de partners gezamenlijk en naar rato van het aandeel in de schuld. Dit verandert de afloop van het bovenstaande voorbeeld als volgt.

De bestaande eigenwoningschuld van partner 1 kan nu door beide partners gezamenlijk worden ingezet naar rato van het aandeel in de schuld. Partner 1 en 2 kunnen dan ieder voor maximaal 50% van de bestaande eigenwoningschuld het overgangsrecht benutten. De bestaande eigenwoningschuld bedroeg € 150.000. De gezamenlijke aflossingsvrije lening bedraagt eveneens € 150.000. Partner 1 en 2 kunnen hiervan beiden hun deel van € 75.000 als bestaande eigenwoningschuld aanmerken. Dat leidt ertoe dat de gehele aflossingsvrije lening voor renteaftrek in aanmerking komt. Dan resteert het annuïtaire deel van € 50.000, doch annuïtaire leningen vallen in beginsel al onder de renteaftrek, mits uiteraard aan de overige voorwaarden is voldaan. In tegenstelling tot onder het voorbeeld naar huidig recht, houdt dus ook partner 2 zijn aflossingsvrije leningdeel in box 1.

Bovenstaande leidt ertoe dat er meer hypotheekrenteaftrek mogelijk is. Zeker met de huidige rentepercentages is het niet altijd gegeven dat hypotheekrenteaftrek in box 1 de meest optimale situatie is. Er zijn belastingplichtigen die er de voorkeur aan geven om deze schulden in box 3 te hebben. Voor deze categorie belastingplichtigen is het goed om te weten dat de staatssecretaris heeft aangekondigd dat het een ‘kan-bepaling’ betreft. Dat betekent dat het niet verplicht is van deze mogelijkheid gebruik te maken. Indien geen gebruik wordt gemaakt van deze bepaling, blijft de uitwerking ten opzichte van het oude recht ongewijzigd.

In samenhang met bovenstaande wijzigt ook de regel die geldt indien tijdens de periode van het oversluiten boedelmenging plaatsvindt. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij het aangaan van een huwelijk in algehele gemeenschap van goederen. Nu is het zo dat een overgesloten bestaande eigenwoningschuld, indien het een gezamenlijke lening betreft, naar rato wordt verdeeld over de partners. Hier komt een kan-bepaling voor in de plaats. Deze verdeling is dus niet langer verplicht.

Wetswijzigingen overlijden en eigen woning

Een gebeurtenis die in de praktijk voor veel vraagtekens zorgt, is het overlijden en de gevolgen hiervan voor de eigenwoningregeling. Een groot deel van de onduidelijkheid komt omdat voor veel mensen niet duidelijk is of overlijden nu leidt tot een vervreemding of juist niet.

Onder het huidige recht is het vervreemdingsbegrip uitgebreid gedefinieerd. Van een vervreemding is sprake als er iets gebeurt waardoor de eigen woning voor de belastingplichtige geen eigen woning meer is. Bij overlijden is dat ontegenzeggelijk het geval. Daarnaast is in de wet opgenomen dat bij vervreemding / verwerving van de woning krachtens erfrecht tussen partners geen sprake is van een vervreemding / verwerving. Het gevolg is dat bij overlijden de eigenwoningreserve en de aflossingsstand kunnen overgaan op de langstlevende partner, maar dit is afhankelijk van diverse omstandigheden / randvoorwaarden. Dat maakt de regeling complex.

Met betrekking tot de gevolgen bij overlijden wordt het vervreemdingsbegrip onder de nieuwe regels aangepast. Hierdoor is bij overlijden altijd sprake van een vervreemding van de eigen woning. Tevens wordt opgenomen dat de verwerving krachtens erfrecht niet een verwerving in de zin van de eigenwoningregeling is. Dat heeft voor de praktijk de volgende gevolgen, waarbij wij tevens ingaan op hoe de regeling nu werkt.

Wetswijziging overlijden en bijleenregeling

Het kan zijn dat er al een eigenwoningreserve is of dat deze bij overlijden ontstaat. Dit laatste doet zich voor bij overlijden, tenzij de woning krachtens erfrecht overgaat op de partner. Dat is de uitwerking onder huidig recht. Het wel of niet overgaan van de eigenwoningreserve is daarmee dus afhankelijk van de vraag of er sprake is van een vervreemding bij overlijden en staat geheel los van de economische werkelijkheid met betrekking tot de woning en de gerechtigdheid hiertoe. Dit gaat de wetgever veranderen.

Onder het nieuwe recht is bij overlijden per definitie sprake van een vervreemding. Er ontstaat dan een eigenwoningreserve. Deze komt naast een eventuele eigenwoningreserve die de overledene al heeft. De eigenwoningreserve is per 1 januari 2022 echter weer strikt gebonden aan de belastingplichtige. Als gevolg van overlijden komt de eigenwoningreserve dan te vervallen. Deze gaat nooit over naar de langstlevende partner.

Wetswijziging overlijden en aflossingsstand

Bij overlijden kan van twee situaties sprake zijn. Ten eerste kan het zo zijn dat er al een aflossingsstand is. Ten tweede kan het overlijden leiden tot een aflossingsstand. Bij overlijden gaat de aflossingsstand over op de partner. Afhankelijk van de vraag of sprake is van een vervreemding, gaat alleen de bestaande aflossingsstand over of ook de aflossingsstand die ontstaat bij overlijden. Zoals eerder aangegeven is dat onder het huidige recht afhankelijk van het antwoord op de vraag of de woning krachtens erfrecht tussen partners op de partner overgaat. Het overgaan van de aflossingsstand vindt dus plaats zonder dat wordt gekeken naar de betrokkenheid van de partner bij de schulden die tot de aflossingsstand hebben geleid. Dit acht de wetgever ongewenst.

Onder het nieuwe recht is bij overlijden per definitie sprake van een vervreemding. Er zal dan een aflossingsstand ontstaan en die komt na een eventueel al bestaande aflossingsstand. Deze aflossingsstand zal echter wordt gekoppeld aan de persoon van de belastingplichtige. Dat leidt ertoe dat bij overlijden de aflossingsstand komt te vervallen en nooit overgaat naar de partner.

Wetswijziging overlijden en aflossingsschema / aftrektermijn

Bij het overlijden van de belastingplichtige gaat het aflossingsschema over op de partner die de eigenwoningschuld verkrijgt. Dit zal met de nieuwe wetgeving niet veranderen. Dus: indien een eigenwoningschuld bij overlijden overgaat op de partner, gaat ook het aflossingsschema van de schuld over op de partner.

Met betrekking tot de renteaftrektermijn geldt dat deze eveneens overgaat op de partner. Dit leidt ertoe dat de bewoning kan worden voorgezet zonder fiscale beperkingen. Die regeling blijft overeind. Er komt echter wel een uitbreiding in de vorm van een kan-bepaling. Deze bepaling is ontleend aan een bepaling die reeds onderdeel uitmaakt van de wetgeving. Op grond van deze bepaling kan de langstlevende partner ervoor kiezen om de ruimte voor een bestaande eigenwoningschuld van de overledene te benutten. Dit is niet verplicht. Dit zal zich voordoen indien de langstlevende binnen de oversluittermijn een nieuwe lening aangaat.

Advisering eigen woning en fiscaliteit

De eigenwoningregeling laat zich op hoofdlijnen makkelijk uitleggen en de hypotheekrenteaftrek is een zeer bekende fiscale faciliteit. Uit bovenstaande komt echter ook naar voren dat er in de praktijk knelpunten ontstaan. Deze knelpunten worden vaak met ingewikkelde regelgeving en gedetailleerde uitzonderingen gerepareerd. Voor de praktijk wellicht interessant, maar het maakt wet- en regelgeving (onnodig) complex en dat werkt frustrerend. Het zou toch beter zijn als een huis kan worden gekocht of een nalatenschap kan worden afgewikkeld, zonder dat tegen ingewikkelde, fiscale verplichtingen wordt aangelopen.

Hebt u problemen met de eigen woning of zit u in een situatie waarin de gevolgen voor u onduidelijk zijn? Neem dan gerust eens contact op met één van onderstaande adviseurs om vrijblijvend over uw situatie te spreken.

Wetswijzigingen eigenwoningregeling 2022 [news] 7205

Bitcoins in de B.V.

Fiscale aspecten cryptovaluta in een B.V.

Er wordt veel geschreven over de fiscale aspecten van bitcoins, of beter: cryptovaluta. Op de internetsite van de Belastingdienst staat dat deze worden belast in box 3. Eind 2018 heeft de Staatssecretaris van Financiën vragen uit de Eerste Kamer beantwoord. Hij concludeert dat er normaliter sprake is van box 3 vermogen. Wat nu als u binnen uw B.V. cryptovaluta koopt?

Nieuws : gegevensuitwisseling Bitcoin in EU 

Binnenkort vallen crypto valuta onder de Europese uitwisseling van fiscale gegevens. Onder de zogenaamde DAC wetgeving worden binnen de EU gegevens tussen landen uitgewisseld. Zo wordt er al informatie uitgewisseld over bankrekeningen, inkomen, pensioenen, onroerende zaken, anti witwas info, advisering bij constructies, etc. Recent is DAC 7 ingevoerd, onder deze wetgeving wordt geregeld dat digitale platformen verplicht worden fiscale informatie over hun gebruikers te verstrekken aan de Belastingdienst (en dat deze informatie wordt uitgewisseld met andere EU lidstaten). Crypto valuta vallen nog niet onder de gegevensuitwisseling, dit zal gebeuren in de reeds aangekondigde DAC 8. Vorenstaande staat in een kamerbrief d.d. 18 februari 2021.

Cryptocurrency in uw B.V.

Op grond van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 drijft een rechtspersoon (B.V. / N.V.) een onderneming met zijn gehele vermogen. Anders dan bij een IB-ondernemer speelt bij een B.V. / N.V. het leerstuk van de vermogensetikettering geen rol. Dit betekent dat het minen en de aankoop (al dan niet gevolgd door verkoop) van cryptovaluta zich in de winstsfeer afspelen. De resultaten daarvan moeten volgens goed koopmansgebruik in aanmerking worden genomen. Het kan wel weer zo zijn dat de Belastingdienst gaat stellen dat verliezen niet aftrekbaar zijn omdat een weldenkende ondernemer niet zou beslissen om dergelijke valuta te kopen.

Wat zeggen fiscale rechters over bitcoins

Er zijn nog geen procedures bekend over bitcoins en belastingen, echter wel over speculatieve transacties en het inkomen dat hiermee wordt verdiend. In jurisprudentie is al uitgemaakt dat geen sprake is van box 1 inkomen als het een speculatieve transactie betreft en het eindresultaat niet te beïnvloeden is door arbeid. Als er echter structureel positieve resultaten worden behaald die kunnen worden verklaard door arbeid van de persoon, is wellicht wel sprake van een bron van inkomen.

Er komt binnenkort een nadere toelichting over de fiscale aspecten rondom de cryptocurrency.

Bron fiscale aspecten crypto valuta

Beantwoording vragen fiscale aspecten cryptovaluta.

Bitcoins en BV [news] 5364

Bitcoin en BTW

Moet u BTW betalen over de inkoop / verkoop van bitcoins (en / of andere crypto valuta)?

Omzetbelasting en bitcoin

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bepaald dat over de verkoop van bitcoins geen BTW is verschuldigd. De bitcoin wordt niet gezien als geld, maar heeft wel eenzelfde functie, een bijzondere status voor de BTW derhalve.

Vragen over bitcoin en belastingen

Heeft u vragen over de fiscale behandeling van bitcoins? Bel gerust vrijblijvend met één van onze adviseurs.

Bron Bitcoin en BTW

Hof van Justitie d.d. 22 oktober 2015.

Bitcoin en BTW [news] 5243

Bitcoin in box 1

Er zijn verschillende soorten inkomsten, bij bitcoins kan sprake zijn van box 1 (arbeid / winst) of box 3 (vermogen) inkomsten. Deze discussie speelt veelal bij de verhuur van panden en minder vaak bij beleggen in aandelen en / of bitcoins. Bitcoins worden meestal belast in box 3, maar bij hoge winsten zal de Belastingdienst proberen te stellen dat sprake is van box 1 inkomsten.

Nieuws : gegevensuitwisseling Bitcoin in EU 

Binnenkort vallen crypto valuta onder de Europese uitwisseling van fiscale gegevens. Onder de zogenaamde DAC wetgeving (we zijn al bij DAC 7) worden binnen de EU gegevens tussen landen uitgewisseld. Zo wordt er al informatie uitgewisseld over bankrekeningen, inkomen, pensioenen, onroerende zaken, anti witwas info, advisering bij constructies, etc. Recent is DAC 7 ingevoerd, onder deze wetgeving wordt geregeld dat digitale platformen verplicht worden fiscale informatie over hun gebruikers te verstrekken aan de Belastingdienst (en dat deze informatie wordt uitgewisseld met andere EU lidstaten). Crypoto valuta vallen nog niet onder de gegevensuitwisseling, dit zal gebeuren in DAC 8. Vorenstaande staat in een kamerbrief d.d. 18 februari 2021.

Bitcoin belast als inkomen

Als een natuurlijk persoon zich bezig gaat houden met het beleggen in bitcoins kan sprake zijn van winst uit onderneming (of resultaat uit overige werkzaamheden). Een harde lijn is er niet en het blijft een grijs gebied waarbij de feiten de doorslag moeten geven. De kern van de discussie is: "wat doet u zelf ?" Bij een box 1 belegging is de winst belast en zijn het verlies en de kosten aftrekbaar. De signalen voor een box 1 belegging in bitcoins zijn:

  • veel eigen werk, onderzoek, etc.;
  • snelle winst;
  • voorkennis;
  • veel mutaties / arbeidsinzet door uzelf;
  • is er een organisatie / bedrijf / internetsite.

Als er sprake is van daytrading of het structureel handelen in bitcoins, kan er sprake zijn van box 1 inkomen. Maar ook daytrading kan gezien worden als normaal vermogensbeheer. Een rechter overweegt hierbij als volgt:

  • Het handelen in opties moet een meer dan speculatief karakter hebben met als doel het behalen van voordeel. Hierbij moet de de bitcoinhandelaar deskundigheid, ervaring en relaties hebben binnen deze wereld. Tevens moet hij het koersverloop via de deskundigheid en ervaringen kunnen beïnvloeden.

Bitcoin niet in aangifte opgenomen

Als u de bitcoin niet in uw aangifte hebt opgenomen, dan heeft u onjuist aangifte gedaan. Het vermogen of inkomen wordt dan als zwart inkomen / vermogen gezien. Dit kan een misdrijf opleveren. U kunt het vermogen alsnog opgeven door dit in uw aangifte te vermelden en voor oudere jaren alsnog met de Belastingdienst in overleg te treden (inkeren). Sinds 1 januari 2018 is de formele route om in te keren afgeschaft, deskundige begeleiding is verstandig.

Vragen over bitcoins

Heeft u vragen of opmerkingen over bitcoins, dan kunt u hierover één van onze deskundige fiscaal juristen vragen. Maak gerust een vrijblijvende afspraak.

Bitcoin in box 1 [news] 5244

Bitcoins in de eenmanszaak

Fiscale aspecten cryptovaluta in een eenmanszaak of VOF

Er wordt veel geschreven over de fiscale aspecten van bitcoins, of beter: cryptovaluta. Op de internetsite van de Belastingdienst staat dat deze worden belast in box 3. Recentelijk heeft de Staatssecretaris van Financiën vragen uit de Eerste Kamer beantwoord. Ook hij (de heer Snel) concludeert dat er normaliter sprake is van box 3 vermogen. Wat nu als u binnen uw eenmanszaak of VOF bitcoins of crypto muntenkoopt?

Cryptocurrency in eenmanszaak of VOF

Bij de aankoop van cryptovaluta door een natuurlijk persoon die kwalificeert als IB-ondernemer speelt het leerstuk van de vermogensetikettering. Als sprake is van duurzaam overtollige liquide middelen waarmee de cryptovaluta worden aangeschaft, worden zij tot de rendementsgrondslag van box 3 gerekend.

Als de aankoop van de cryptovaluta met ondernemingsvermogen niet plaatsvindt binnen de normale ondernemingsuitoefening en er geen sprake is van het beleggen van tijdelijke overtollige middelen op een zodanige wijze dat zij weer tijdig binnen de onderneming beschikbaar kunnen zijn, is sprake van verplicht privévermogen (box 3).

Heffing in box 3 over cryptocurrency

Als u in Nederland woont of in Nederland vermogen heeft, moet u uw vermogen opgeven aan de Belastingdienst. Het gaat hierbij om het vermogen per begin van het jaar (1 januari). De Belastingdienst ziet bitcoins, cryptovaluta, ethers en andere digitale geldmiddelen als "overige bezittingen in box 3". Als dit vermogen meer is dan € 30.846 (2020), dan moet u hierover in box 3 belasting betalen.

  • Van € 30.846 - € 103.643: 0,59%;
  • Van € 103.643 - € 1.036.418: 1,26%;
  • Vanaf € 1.036.418: 1,58%.

Voor de waarde van de cryptomunt moet volgens de Staatssecretaris worden aangesloten bij de waarde (geldende koers) op peildatum (1 januari van het belastingjaar, dus 1 januari 2020 voor de aangifte over 2020 moet hiertoe kijken op het door u gebruikte omwisselplatform.

Wat zeggen fiscale rechters over bitcoins

Er zijn nog geen procedures bekend over bitcoins en belastingen. Echter wel over speculatieve transacties en het inkomen dat hiermee wordt verdiend. In jurisprudentie is al uitgemaakt dat geen sprake is van box 1 inkomen als het een speculatieve transactie betreft en het eindresultaat niet te beïnvloeden is door arbeid. Als er echter structureel positieve resultaten worden behaald die kunnen worden verklaard door arbeid van de persoon, is wellicht wel sprake van een bron van inkomen.

Bron fiscale aspecten crypto valuta

Beantwoording vragen fiscale aspecten cryptovaluta.

Bitcoins in de eenmanszaak [news] 5363

Fiscale aspecten cryptovaluta

Er wordt veel geschreven over de fiscale aspecten van bitcoins, of beter: cryptovaluta. Op de internetsite van de Belastingdienst staat dat deze worden belast in box 3. Recentelijk heeft de Staatssecretaris van Financiën vragen uit de Eerste Kamer beantwoord. Ook hij (de heer Snel) concludeert dat er normaliter sprake is van box 3 vermogen.

Belastingen en cryptocurrency box 3

Als u in Nederland woont of in Nederland vermogen heeft, moet u uw vermogen opgeven aan de Belastingdienst. Het gaat hierbij om het vermogen per begin van het jaar (1 januari). De Belastingdienst ziet bitcoins, cryptovaluta, ethers en andere digitale geldmiddelen als "overige bezittingen in box 3". Als dit vermogen meer is dan € 25.000, dan moet u hierover vermogensbelasting / box 3 belastingen betalen.

  • Tot € 75.000: 0,86%;
  • Van € 75.001 - € 975.000: 1,38%;
  • Vanaf € 975.001: 1,61%.

Voor de waarde van de cryptomunt moet volgens de Staatssecretaris worden aangesloten bij de waarde (geldende koers) op peildatum (1 januari van het belastingjaar, dus 1 januari 2017 voor de aangifte over 2017). U moet hiertoe kijken op het door u gebriukte omwisselplatform.

Belastingen en cryptocurrency box 1

Bij het handelen in cryptovaluta of het minen door een natuurlijke persoon is er volgens de Staatssecretaris van Financiën niet snel sprake van een bron van inkomen (box 1). Aan de hand van feiten en omstandigheden kan de Belastingdienst echter anders oordelen. De overwegingen hierbij zijn:

  1. Er moet arbeid worden verricht;
  2. Het voordeel moet worden beoogd (subjectief element);
  3. Het voordeel moet redelijkerwijs te verwachten zijn (objectief element);
  4. De omvang van de investeringen (computers etc.).

Er zijn op dit moment veel mensen bezig met het voordeel proberen te behalen met de handel in cryptovaluta. Mede doordat er een beperkt aantal cryptomunten per dag kunnen worden gemined / verhandeld, is het al snel de vraag of er een voordeel kan worden verwacht.

Wat zeggen fiscale rechters over bitcoins

Er zijn nog geen procedures bekend over bitcoins en belastingen. Echter wel over speculatieve transacties en het inkomen dat hiermee wordt verdiend. In jurisprudentie is al uitgemaakt dat geen sprake is van box 1 inkomen als het een speculatieve transactie betreft en het eindresultaat niet te beïnvloeden is door arbeid. Als er echter structureel positieve resultaten worden behaald die kunnen worden verklaard door arbeid van de persoon, is wellicht wel sprake van een bron van inkomen.

Loon via cryptovaluta

Loon dat door een werkgever wordt uitbetaald via cryptovaluta wordt gezien als loon in natura. Dit soort salaris / loon moet worden omgerekend in euro's op het moment dat het loon / de cryptomunt wordt genoten.

Bron fiscale aspecten crypto valuta

Beantwoording vragen fiscale aspecten cryptovaluta.

Fiscale aspecten crypto valuta [news] 5362

Vragenbrief cryptomunt of bitcoin

Wij adviseren sinds enkele jaren belastingplichtigen met zogenaamde cryptomunten. Zodra een cryptomunt in een aangifte inkomstenbelasting wordt gemeld, leert de praktijk dat de aangifte in een andere bak terecht komt en er vrijwel altijd vragen worden gesteld. Soms worden wij zelfs penvrienden van de Belastingdienst en volgen er diverse - soms onnodige - vragen en vele brieven. In dit artikel een weergave van uw rechten. Zonder voor eigen parochie te praten, schakel een deskundige in en laat de Inspecteur altijd vragen schriftelijk stellen, niet per telefoon!

Nieuws : gegevensuitwisseling Bitcoin in EU 

Binnenkort vallen crypto valuta onder de Europese uitwisseling van fiscale gegevens. Onder de zogenaamde DAC wetgeving worden binnen de EU gegevens tussen landen uitgewisseld. Zo wordt er al informatie uitgewisseld over bankrekeningen, inkomen, pensioenen, onroerende zaken, anti witwas info, advisering bij constructies, etc. Recent is DAC 7 ingevoerd, onder deze wetgeving wordt geregeld dat digitale platformen verplicht worden fiscale informatie over hun gebruikers te verstrekken aan de Belastingdienst (en dat deze informatie wordt uitgewisseld met andere EU lidstaten). Crypto valuta vallen nog niet onder de gegevensuitwisseling, dit zal gebeuren in de reeds aangekondigde DAC 8. Vorenstaande staat in een kamerbrief d.d. 18 februari 2021.

Vragenbrief over crypto's door de Belastingdienst

De Belastingdienst denkt nog te snel dat bij cryptomunten (of litecoin, etherium, etc.) er iets niet klopt. Dan gaan er blijkbaar computersystemen aan het werk binnen het systeem van de Belastingdienst. De belastingplichtige hoeft niet alle vragen te beantwoorden. De vragen moeten namelijk betrekking hebben op de belastingheffing en moeten feitelijk zijn. In de basis moet de belastingplichtige alle voor de belastingheffing relevante vragen beantwoorden. Dit moet netjes, stellig en zonder voorbehoud. De onderliggende informatie moet worden meegestuurd. Doet de Belastingplichtige hier niet aan mee, dan kan de bewijslast worden omgekeerd of kan een zogenaamde informatiebeschikking worden uitgereikt. Het kan zelfs strafbaar zijn om gevraagde informatie niet te verstrekken. Meestal wordt door de blauwe enveloppe of de dreiging met allerlei rechtsmaatregelen teveel informatie verstrekt door de belastingplichtige.

Welke informatie moet u over cryptomunten verstrekken

De Belastingdienst / Inspecteur mag alle vragen stellen die in hem opkomen. Intern liggen er ook een memo en voorbeeldbrieven welke vragen er worden gesteld. De Inspecteur moet zich echter wel beperken tot fiscaal relevante en feitelijke informatie. Of u bijvoorbeeld de cryptomunt ziet als box 1 of box 3 vermogen is niet relevant. Ook informatie van derden of betrokken personen mogen in principe niet bij u worden opgevraagd. Soms is het niet meer mogelijk om nog bij uw cryptomunt of domein te komen als u deze heeft verkocht. Transacties en mutaties zijn dan niet meer op te vragen. Als u niet meer over de informatie kunt beschikken, is dit - als uitgangspunt - niet direct uw probleem. Soms kan de Inspecteur deze informatie heel eenvoudig zelf opvragen. Tevens moet u dingen in de tand van de tijd plaatsen, in 2014 was er nog niet zoveel te doen over de cryptomunt en wist niemand dat hij of zij deze moest melden in een aangifte inkomstenbelasting. Als particulier bent u geen boekhouder of ondernemer en heeft u in principe ook geen administratieplicht. Een normale inspanning mag van een belastingplichtige worden verwacht, maar het moet niet te ver gaan, een onevenredige inspanning of een oneerlijke inspanning kan niet worden gevraagd.

Noot fiscaal jurist over cryptomunten

Vragen moet u beantwoorden en meestal loopt het met een sisser af. Het onmogelijke kan echter niet van u worden gevraagd en het moet wel binnen redelijke grenzen blijven. Meestal is er niet veel informatie meer beschikbaar als de cryptomunt is verkocht. Dit lijkt ook minder relevant omdat de meeste cryptomunten slecht belastbaar zijn in box 3.

Vragenbrief cryptomunt of bitcoin [news] 5639

Cryptovaluta in de jaarrekening

Bitcoin en accountant

De opkomst van cryptovaluta en bitcoins biedt ook volop kansen voor accountants. Na het papieren-geld-tijdperk kwamen de pinpas en de digitale financiële wereld. Dit is in een stroomversnelling gekomen door ondermeer Apple Pay en cryptovaluta. Het beheer en de vastlegging hiervan kunnen veel ruimte bieden voor accountants.

Bitcoin en de rol van de accountant

Naast de stijging van de block chain technologie zien wij als Jongbloed Accountants ook steeds meer betalingsverkeer via bitcoins en andere crypto's. Het vertrouwen in deze valuta is wisselend en is hiermee volop in beweging. De cryptovaluta gaan een grote rol spelen in de ontwikkeling van onze economie en de financiële wereld. Het procesmatig bijhouden van de cryptotransacties wordt alleen maar groter en complexer. De vraag naar nieuwe innovaties in accountancy-land zal moeten volgen, de reguliere boekhouding en de cryptoboekhouding moeten naast elkaar (en eigenlijk gezamenlijk) worden opgezet.

Accountancyregels aangaande crypto's

In Europa wil men eenduidige accountancyregels aangaande cryptovaluta. De Europese banken willen dat er onderlinge afspraken worden gemaakt over de regulering van de cryptohandel, lees hiertoe deze notitie. De AFM heeft in 2018 reeds een adviesrapport geschreven over het vergunningenstelsel bij crypto's. Ook omtrent de belastingheffing over crypto's is er veel beweging te zien.

Crypto in een bv

Als cryptovaluta worden ondergebracht in een bv of andere rechtspersoon, is de belastingheffing redelijk eenvoudig. Er moet vennootschapsbelasting worden betaald als de winst is behaald, dus bij een daadwerkelijke verkoop. Verlies mag worden genomen als de cryptovaluta in waarde zouden dalen (onder de kostprijs). Dit is feitelijk gelijk aan de behandeling van normale effecten, waardering per balansdatum op kostprijs of lagere marktwaarde.

Crypto in de jaarrekening

De Raad voor de jaarverslaggeving heeft in 2018 over dit onderwerp een rapport geschreven (hier te raadplegen). Het betreft nog een "soort van advies", maar geeft in ieder geval enige richting binnen accountancy-land. De algemene gedachtenlijn op dit moment is dat crypto's geen liquide middelen of financiële instrumenten zijn, maar moeten worden gezien als immateriële vaste activa / andere beleggingen. Dergelijke activa moeten worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs en onder voorwaarden tegen lagere of hogere actuele waarde. De waardeveranderingen komen dan ten bate of laste van de winsten / verliezen (en dus het eigen vermogen) van de vennootschap. Dat het niet eenvoudig is volgt uit een artikel in het FD. Het zal nog wel even duren voordat er volledige duidelijkheid komt omtrent het opnemen van crypto's in de jaarrekening.

Bitcoin in jaarrekening [news] 7030

Crypto inkeren of melden bij de Belastingdienst

Boete crypto kan oplopen tot 300%

Steeds meer Nederlanders bezitten cryptovaluta, zoals de Bitcoin. Wij staan in de praktijk vaak belastingplichtigen bij die de belastingheffing bij deze cryptovaluta over het hoofd hebben gezien. In de loop van 2021 komt er nieuwe wetgeving binnen de Europese Unie, waardoor de bezitter van bitcoins of andere cryptomunten bekend worden bij de Belastingdienst. Crypto moet in de meeste gevallen in box 3 (waarde per 1 januari) worden aangegeven, soms zelfs in box 1.

Hebt u crypto's? Wij zien dat veel mensen deze (nog) niet melden bij de Belastingdienst, soms bewust, soms onbewust. Er is op dit moment Europese regelgeving op komst die het verbergen van cryptomunten voor de Belastingdienst complexer maakt.

Nieuwe Europese wetgeving inzake crypto en melding Belastingdienst

De Europese Unie is met een richtlijn bezig  waardoor lidstaten van de EU eenvoudiger spontaan informatie kunnen en moeten uitwisselen over de bezitter / eigenaar van cryptomunten. Het voorstel staat voor 2021 op de agenda. Nadat de wetgeving binnen de EU is aangenomen, moet deze worden opgenomen in de Nederlandse wetgeving, dit zal nog wel even duren. Binnen de nieuwe wetgeving worden cryptobedrijven gedwongen om persoonlijke gegevens van zenders en ontvangers op te slaan en uiteindelijk aan de EU of het woonland te verstrekken. Het is zelfs denkbaar dat anonieme cryptowallets worden verboden.

In dit artikel leggen wij de gevolgen uit als u crypto niet in uw aangifte hebt aangegeven en bijvoorbeeld wordt betrapt. 

Cryptovaluta en Belastingdienst

Cryptovaluta vertegenwoordigen een waarde. Deze waarde varieert sterk. De waarde die voor uw heffing relevant is, is afhankelijk van de wijze waarop u de cryptovaluta aanhoudt. Bezit van crypto hoort in de basis thuis in box 3. Bent u een actieve particulier (bijvoorbeeld door minen of veel handel), dan kan sprake zijn van heffing in box 1. De kosten zijn dan ook aftrekbaar.

Het kopen van crypto is zelden zichtbaar voor de Belastingdienst. Als de crypto (met forse winst) wordt verkocht, is er echter wel een vermogensstijging zichtbaar, deze kan de Belastingdienst via een vermogensvergelijking wel zien. De Belastingdienst zal dan vragen stellen over de door u ingediende aangifte Inkomstenbelasting.

De Belastingdienst kan dan tot 5 jaar terug een navorderingsaanslag opleggen, als de crypto via het buitenland is aangehouden, kan dit ook 12 jaar zijn. Wij denken dat de Belastingdienst gaat stellen dat crypto kwalificeert als buitenlands vermogen (dus 12 jaar navorderingstermijn).

Tevens zal de Belastingdienst een boete opleggen. Omdat de crypto veelal bewust niet is opgenomen, zal de basisstelling zijn dat sprake is van opzettelijk niet aangeven van vermogen. De boete bedraagt dan tenminste 100% van de opgelegde aanslag. Er kan ook een verhoogde boete van 300% worden opgelegd, deze wordt meestal verminderd tot 150%.

Advies inzake crypto bij onderzoek Belastingdienst

De Belastingdienst zal u een vragenformulier sturen. U bent verplicht de fiscaal relevante vragen te beantwoorden, andere vragen dus niet. Als u niet zou antwoorden of dit weigert, zal de Belastingdienst een zogenaamde informatiebeschikking afgeven. Gevolg hiervan is dat u aanloopt tegen een omkering en verzwaring van de bewijslast. Al uw stellingen moet u in dit traject overtuigend aantonen, dit gaat verder dan de normale toets (aannemelijk maken).

Het is verstandig om een specialist in te schakelen als de Belastingdienst u op het spoor komt. Wij hebben ruime ervaring met dit soort trajecten en adviseerden ook honderden cliënten bij het vooraf melden van nog onbekend vermogen (inkeerregeling).

"Ik heb crypto niet in mijn aangifte staan, wat nu?"

Mede door de aangekondigde EU-wetgeving zal de Belastingdienst binnen enkele jaren veel informatie ontvangen over cryptobeleggingen. Als dit nog niet bekend is in uw aangifte, dan loopt u een fors financieel risico (boetes kunnen oplopen tot 300%). U kunt vrijwillig een opgave doen aan de Belastingdienst inzake de verzwegen cryptobeleggingen. Als u dit binnen 2 jaar doet, dan wordt er veelal geen vergrijpboete opgelegd. Voor cryptobeleggingen gelden er echter wel uitzonderingen, in voorkomende gevallen wordt er wel een vergrijpboete opgelegd, maar deze is dan lager dan de genoemde 150%.

Als de Belastingdienst u al op het spoor is, dan is vrijwillige verbetering niet meer mogelijk. Inkeren is dan immers niet meer vrijwillig.

Op korte termijn is het voor de Belastingdienst een stuk eenvoudiger om cryptomunten in het vizier te krijgen.

Advies inzake inkeren bij cryptobeleggingen

Wij hebben in de loop der jaren veel inkeertrajecten begeleid. Dat waren eerst vooral zaken met betrekking tot buitenlandse bankrekeningen, maar steeds vaker gaat het om (aanzienlijke) cryptoportefeuilles. De belastingplichtige die vrijwillig wil verbeteren en alsnog juiste aangiften uit zichzelf doet, kan er vaak met een goede deal vanaf komen. Wij helpen u graag om die deal te bereiken. Neem gerust eens contact op met één van de auteurs van dit artikel. Een eerste gesprek is altijd vrijblijvend.

Bron crypto en inkeerregeling

Vragen en antwoorden EU inzake crypto

Richtlijn EU inzake crypto 20 juli 2021

Voorgestelde EU wetgeving inzake crypto



EU wetgeving voor crypto [news] 7208

DGA en fiscus [news] 4500

Is onbelast wegstrepen schuld aan uw B.V. mogelijk?

In de media is de laatste tijd veel aandacht besteed aan een fiscaal adviesproduct, waarbij een rekening-courantschuld  van een directeur-grootaandeelhouder (DGA) aan zijn B.V. zonder belastingheffing en boetes (gedeeltelijk) kan worden "weggestreept". Aanleiding hiervan was een item in een uitzending van het programma Business Class van Harry Mens, waarin een belastingadviseur uitlegt dat het probleem van een schuld aan de B.V. eenvoudig en zonder belastingheffing en boetes kan worden opgelost. Klinkt simpel, maar is het zeker niet.

In de fiscale DGA-praktijk wordt nu veel gespeculeerd over de juistheid van dit advies en de eventuele nadelige gevolgen en risico's voor de DGA en zijn adviseur.

Uitgangspunt: schuld aan de B.V. niet laten oplopen

Het komt in de praktijk met enige regelmaat voor dat een DGA een jaarlijks oplopende  schuld aan zijn B.V. heeft. Het verdient altijd de voorkeur om een dergelijke rekening-courantschuld niet te laten oplopen, maar juist af te lossen. Het geeft de Belastingdienst immers aanleiding om dit te corrigeren door te stellen dat het bedrag al door de DGA  in privé genoten is (loon, dividend). Ook kan dit vervelende gevolgen hebben voor uw pensioen in eigen beheer (afkoop van deze verplichting kost u 72%, namelijk 52% belasting verhoogd met 20% revisierente). Ook kan dit leiden tot een vervelende en vervroegde discussie over de omvang van uw gebruikelijk loon. Tevens moet er rente worden berekend, die u in privé niet kunt aftrekken. Tenslotte zal in geval van een faillissement de curator de vordering bij u opeisen. Kortom: als uw adviseur u hierover niet adviseert, is het voor u van belang om dit aan de orde te stellen.

Let wel: een vorm van een lening, vastgelegd in een leningsovereenkomst en onder zakelijke condities verstrekt hoeft geen probleem te zijn, maar laat dit wel even toetsen.

U heeft een schuld aan uw B.V. 

Als u een forse schuld aan uw B.V. heeft, zal het vaak op enig moment een probleem worden om deze af te lossen. Terugbetalen vanuit privé is vaak niet mogelijk en het uitkeren van dividend kost direct (veel) belasting. Stel dat u een schuld aan de B.V. heeft ter grootte van € 100.000, dan moet u een bruto dividenduitkering van € 133.333 uitkeren, waarover € 33.333 belasting moet worden betaald. Vaak zijn de liquiditeiten niet voorhanden, maar vaak laat men het op zijn beloop. Daar ontstaan de problemen.

Wegstrepen mogelijk?

De stelling is dat in sommige gevallen de verstrekte lening niet moet worden gezien als een zakelijke lening, maar als een onzakelijke vorm van geldverstrekking door de B.V. aan haar DGA. Er moet sprake zijn van een schijnlening.  Een gewone lening zal worden terugbetaald, maar bij een schijnlening is deze terugbetaling van meet af aan zeer dubieus. Het gevolg is dat het bedrag van de lening als uitdeling van dividend kan of als loon zal worden aangemerkt. Als aannemelijk is dat er sprake is van een schijnlening en daarbij de mogelijkheid om na te vorderen door de Belastingdienst door tijdsverloop is verstreken, is het standpunt dat deze schuld met een eenvoudige journaalpost kan worden weggestreept tegen (1) het eigen vermogen, dan wel (2) de pensioen- of stamrechtreserves.

Wat zijn de risico's van dit wegstrepen?

De aanslagen over de betreffende jaren moeten definitief zijn vastgesteld. De Belastingdienst heeft echter sinds 2010 ruimere navorderingsmogelijkheden, waardoor er toch kan worden nagevorderd als er sprake is van kwader trouw of een redelijkerwijs kenbare fout. De Belastingdienst zal bij dit soort acties vanzelfsprekend alle registers opentrekken om deze onbelaste vrijval te voorkomen en een lange bezwaar- en beroepsprocedure ligt in het verschiet. Daarbij komt dat het risico bestaat dat men afkoop van pensioen gaat stellen, met alle gevolgen van dien.

Ook is het de vraag wanneer de verkapte dividenduitkering heeft plaatsgevonden en of er ook mutaties zijn geweest in recentere jaren. Het is ook maar de vraag of er wel een vereiste juiste aangifte is gedaan. Ook leidt dit tot een aansprakelijkheidsrisico voor de adviseur op grond van de vierde tranche AWB. Kortom, er zijn veel beren op de weg.

Tenslotte ... de ethiek

Veel fiscaal adviseurs zullen terughoudend zijn met de uitvoering van dit soort advisering, vanwege de ethische norm. De vraag die bijvoorbeeld door prof.dr.mr. Edwin Heithuis van de Universiteit van Amsterdam wordt gesteld is, of dit soort advisering  niet in strijd is met de eer en waardigheid van het beroep. We hebben het immers over herstel van fiscaal nadelige situaties die de betreffende DGA, al dan niet bewust, wel zelf heeft veroorzaakt. Wellicht toch maar kiezen voor een elegante oplossing!

Wat is ons advies

In beginsel zijn er situaties denkbaar waarin men het best het standpunt van de onzakelijke lening en onbelaste vrijval zou kunnen innemen. Zeker als het een reactie is op een reeds ingenomen standpunt van de Belastingdienst bij een controle, dat er sprake is van een uitdeling. De vraag is of het wenselijk is om echter pro-actief het standpunt in te nemen dat er sprake is van verkapt dividend. Wellicht zijn er alternatieven die uiteindelijk ook tot een voor de DGA aanvaardbaar resultaat leiden. Denk aan het geven van zekerheid, een zakelijke rente en een aflossingsschema. Dit alles is zeer afhankelijk van uw specifieke situatie. Wij bespreken dit uiteraard graag met u. 

Onderstaand nog enkele artikelen over dit onderwerp, lees ook dit artikel over het interne memo van de Belastingdienst.

Wegstrepen schuld aan BV? [news] 2016-02-25 0000-00-00 0000-00-00 4906

Bezoek golfclub leidt tot bijtelling auto

Onlangs heeft Gerechthof Den Bosch een opmerkelijke uitspraak gedaan inzake de vraag of ritten naar de golfclub als privé of zakelijk moeten worden aangemerkt.

Wat was er aan de hand?

Henk kreeg van zijn werkgever een auto ter beschikking gesteld en werd daarnaast door zijn werkgever verplicht om marketingactiviteiten te verrichten om werk binnen te halen.

Henk heeft hiertoe een lidmaatschap genomen bij de lokale golfclub, alwaar hij uitsluitend heen ging om met zakenrelaties een balletje te slaan; in 2011 bezocht hij hiertoe 79 maal de golfclub met zijn zakelijke auto.

Het geschil

Henk vond dat de ritten naar de golfclub zakelijk waren en dat hij dus geen bijtelling had; hij reed volgens zijn kilometeradministratie slechts 326 km privé, dus geen bijtelling voor privégebruik.

De inspecteur zag dit anders; hij zag golfen als een privé-aangelegenheid en merkte de autoritten daarom aan als privé, met als gevolg dat Henk boven de 500 km-grens uit kwam en belast moest worden voor privégebruik van de auto.

Uitspraak Gerechtshof

Niet in geschil is dat alle golfbezoeken uitsluitend hebben plaatsgevonden met zakelijke relaties, vooraf ingepland in de agenda.

Het Gerechtshof Den Bosch acht het daarom aannemelijk dat de bezoeken aan de golfclub zowel samenhangen met zijn rol als directeur als met zijn privéleven waarin het beoefenen van de golfsport een rol speelt; zowel een zakelijk als een privé-element derhalve.

Vervolgens oordeelt het Hof dat autoritten die zowel met de dienstbetrekking als met het privéleven te maken hebben, slechts als zakelijk kunnen worden aangemerkt als iemand die niet een dergelijke dienstbetrekking vervult, doch wat inkomen, vermogen en gezin betreft in dezelfde omstandigheden verkeert, die autoritten niet zou hebben gemaakt. Vraag is dus hoe vaak iemand in privé zelf zou zijn gaan golfen.

Het antwoord op deze vraag wordt door de adviseur van Henk zelf aangedragen; in een rapport van de Golfbranche is berekend dat een golfer gemiddeld bijna 17 rondjes van 18-holes per jaar speelt.

Conclusie van het Hof is daarom dat 17 rondjes als privé worden aangemerkt en de restende 62 rondjes als zakelijk. Helaas voor Henk pakt dit niet gunstig uit; hij woont op 8 km van de golfclub: 17 rondjes maal 8 km maal 2 (heen en terug) leiden tot 272 privékilometers naar de golfclub. Omdat hij daarnaast nog 326 andere privékilometers heeft gereden, komt hij totaal op 598 km privé.

Conclusie: 598 km privé is meer dan 500 km, dus bijtelling!

Let dus goed op bij het rijden van privékilometers en zorg dat je totaal onder de 500 km blijft. Voor Henk zijn het erg dure kilometers gebleken.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:2707.

Bezoek golfclub leidt tot bijtelling auto [news] 2018-10-25 0000-00-00 0000-00-00 5732

Wetsvoorstel inzake lenen bij de eigen B.V.

Zoals reeds tijdens Prinsjesdag in 2018 aangekondigd wil het Kabinet leningen van aandeelhouders bij de eigen besloten vennootschap gaan beperken. Op 4 maart jl. is hiertoe het wetsvoorstel “Wet excessief lenen bij eigen vennootschap” gepubliceerd. 

De internetconsultatie duurt tot 1 april 2019. Naar verwachting wordt het wetsvoorstel in de zomer ingediend bij de Tweede Kamer.

Wetsvoorstel lenen bij BV van DGA

Door het wetsvoorstel moet voorkomen worden dat aanmerkelijkbelanghouders belastingheffing langdurig uitstellen of zelfs afstellen. Alleen aanmerkelijkbelanghouders die bovenmatig lenen worden geraakt door de maatregel. Indien de totale som van de schulden van de aanmerkelijkbelanghouder aan zijn eigen vennootschap meer dan € 500.000 bedraagt, wordt dat meerdere in de vorm van een fictief regulier voordeel als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen. Voor bestaande en nieuwe eigenwoningschulden wordt een overgangsmaatregel getroffen.

Aanmerkelijkbelanghouders en lening

Bij toepassing van de fictie worden de schulden van de aanmerkelijkbelanghouder en zijn / haar partner samengeteld. Daarnaast is de voorgestelde maatregel van toepassing op schulden die bloed- of aanverwanten in de rechte lijn (ouders, kinderen, kleinkinderen) van de aanmerkelijkbelanghouder of van zijn / haar partner hebben aan de vennootschap.

Leningen van de DGA

Alle soorten leningen vallen onder de regeling (met uitzondering van de eigenwoningschuld, zie hierna). Hieraan wordt een ruime invulling gegeven. Zo vallen onder de reikwijdte van de maatregel ook schulden die niet rechtstreeks bij de vennootschap zijn aangegaan, maar indirect wel van de vennootschap afkomstig zijn. Het gaat hier bijvoorbeeld om het in- en doorlenen via een andere (rechts-)persoon aan de aanmerkelijkbelanghouder en leningen van een derde aan de aanmerkelijkbelanghouder onder garantstelling door de vennootschap.

De eigenwoningschuld is, zoals hierboven reeds benoemd, onder bepaalde voorwaarden uitgezonderd. Een schuld wordt voor de toepassing van de maatregel niet als schuld in aanmerking genomen als deze kwalificeert als eigenwoningschuld voor de eigenwoningregeling in box 1. Voor eigenwoningschulden afgesloten na 31 december 2021 dient tevens een hypotheekrecht te zijn verstrekt.

Vaststellingsovereenkomsten DGA en lening

Het consultatievoorstel gaat kort in op de gevolgen voor bestaande afspraken over rekening-courantverhoudingen die in de praktijk door belastingplichtigen met de Belastingdienst zijn gemaakt. Bestaande afspraken die zien op een totaal aan schulden van minder dan € 500.000 komen niet te vervallen. Bestaande afspraken die zien op een schuldentotaal van meer dan € 500.000 komen na inwerkingtreding van de maatregel mogelijk wel te vervallen. Dit is afhankelijk van de gemaakte afspraken.

De verwachte inwerkingtreding van de maatregel is per 1 januari 2022. Iedere aanmerkelijkbelanghouder zal derhalve voorafgaand aan deze datum moeten beoordelen in hoeverre deze wordt getroffen door de maatregel. Vervolgens zal moeten worden bepaald hoe dit kan worden opgelost en per wanneer (gezien de tariefsverhoging van de aanmerkelijkbelangheffing in 2020 is het mogelijk verstandig om reeds in 2019 een dividenduitkering te doen).

Indien gewenst kunnen wij u behulpzaam zijn bij het in beeld brengen van de gevolgen voor u en de wijze waarop u hierop dient te anticiperen. Neem hiertoe contact op met de heer mr. M. te Riet van ons kantoor (eerste gesprek is geheel vrijblijvend).

Noot fiscaal jurist bij lenen uit eigen BV door DGA

Het wetsvoorstel is begrijpelijk maar slaat te ver door. Een paar aandachtspunten

Lening voor beleggingspanden door DGA

Als een DGA  zou lenen voor een pand of een te verhuren woning in prive wil aanschaffen (box 3) dan valt een dergelijke lening ook onder de regeling. De DGA moet dan het pand gaan herfinancieren bij een bancaire instelling. De DGA zou het pand / de woning kunnen overbrengen naar de BV maar hij is dan 2% of 6% overdrachtsbelasting verschuldigd. Als de regeling doorgaat zou dit tarief tijdelijk voor dergelijke situaties moeten worden verlaagd naar 0%.

Lening voor eigen woning door DGA

Er is een uitzondering voor schulden i.v.m. de eigen woning. Edoch voor nieuwe schulden voor de eigen woning (vanaf 2022) geldt een extra voorwaarde dat er een recht van hypotheek moet worden verstrekt, de DGA loopt dan dus aan tegen extra kosten, de DGA moet dan immers naar de notaris. Daarnaast kan het zo zijn dat de bank hier toestemming voor moet geven omdat vaak een bancaire instelling het eerste recht van hypotheek heeft. Los van deze formele eis moet de DGA beoordelen of een hypotheek nog wel zo gunstig is, vanaf 2023 is nog maar 37,05% aftrekbaar.

Belastingverdragen en lening DGA

De maatregel kan in internationale situaties voor problemen zorgen. Hoe moet het fictief regulier voordeel worden gezien in het licht van de dividend bepalingen in verdragen. Haalt Nederland hiermee eenzijdig een heffingsrecht naar zich toe en wordt het verdrag opzij gezet?

Kinderen en partner bij lening DGA

De maatregel creert een groep mensen. De regeling geldt voor de partner en bloed- en/of aanverwachten in de rechte lijn, de zogenaamde verbonden personen. Dat de partner tot de groep gaat behoren is begrijpelijk maar dat nu ook de kinderen worden meegesleept is bijzonder. Een DGA met drie kinderen zou dus maximaal € 2.000.000 kunnen lenen, namelijk € 500.000 voor zichzelf en 3 x € 500.000 voor de kinderen, hoe gaat dit nu uitwerken? Er wordt kennelijk ook geen onderscheid gemaakt tussen minderjarige en meerjarige kinderen, dit is bij de TBS regeling anders.

Immigratie en lening DGA bij BV

Voor sommige mensen geldt een soort van step up regeling. Mensen die zijn geëmigreerd mogen meer lenen. De lening op het moment van emigratie wordt gerespecteerd en hier komt dan € 500.000 extra bij.  Of DGA's nu nog voor 2022 gaan emigreren is de vraag.

Wetsvoorstel lenen bij de eigen B.V. [news] 2019-03-07 2019-03-07 0000-00-00 5834

TBS vordering op B.V.

U heeft als DGA een vordering op uw B.V. of N.V. Wat zijn de fiscale gevolgen?

TBS vordering DGA op eigen B.V.

Een vordering van de DGA (directeur-grootaandeelhouder) valt onder de zogenaamde TBS-regeling. De door de B.V. betaalde rente is belast in box 1. Gezien het tariefsverschil tussen de Vennootschapsbelasting en de Inkomstenbelasting is dit normaal gesproken fiscaal en financieel ongunstig.

Rente op TBS-vordering

Een DGA leent geld in privé met als onderpand zijn eigen woning (hypotheek). Het geld wordt doorgeleend aan de B.V. De lening valt onder de TBS-regeling. De vraag is welke rente de DGA aan zijn B.V. moet rekenen. Volgens het Gerechtshof en de Hoge Raad moet worden gerekend met een opslag van 1%. Dus de DGA leent bij de bank tegen 3% en moet dan 4% rekenen aan zijn B.V.

Er moet dus worden gerekend met een zakelijke rente, zie hiertoe een arrest van de Hoge Raad uit 2011 en Hof-uitspraak uit 2015. Er wordt gekeken naar de volgende onderdelen:

  1. Rente op spaarrekening;
  2. Debiteurenrisico van de geldverstrekker (de DGA);
  3. Zekerheden;
  4. Aflossingsschema.

Afwaarderen TBS-vordering

Als een DGA zijn vordering op zijn B.V. wil afwaarderen, komt hij vaak in discussie met de Belastingdienst. De Belastingdienst neemt dan de stelling in dat sprake is van een zogenaamde onzakelijke lening. De vordering mag dan niet worden afgewaardeerd. Een oplossing hiervoor is dat de vordering wordt omgezet in aandelenkapitaal (zie hierna). Als de B.V. dan in de toekomst wel tot terugbetaling in staat is, kan het aandelenkapitaal weer worden omgezet in een lening, belaste opwaardering blijft dan achterwege. Dit werkt meestal niet omdat artikel 3.98a Wet Inkomstenbelasting dit in de weg staat. Fiscale advisering is dan ook noodzakelijk.

Er is meer dan voldoende rechtspraak voorhanden over de onzakelijke TBS-vordering of TBS-lening. Er zijn diverse uitspraken waar het fout ging voor de DGA, onder meer Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden d.d. 28 maart 2017 of een arrest van de Hoge Raad uit 2018. Ook in een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag uit 2019 worden de voorwaarden voor een onzakelijke lening duidelijk.

Belangrijke fouten die worden gemaakt:

  1. Geen leningsovereenkomst;
  2. Geen zekerheden;
  3. Geen duidelijk aflossingsplan;
  4. Geen begroting in de B.V. hoe geld moet worden terugbetaald;
  5. Op moment van verstrekken lening was al duidelijk dat geld niet zou kunnen worden terugbetaald;
  6. Onvoldoende gezocht naar externe financiers.

Het gelijk is echter niet altijd aan de Belastingdienst. In een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2013:7502) had de DGA zonder extra zekerheden en tegen een lage rente geld aan zijn B.V. geleend. Dit wil volgens de rechter echter nog niet zeggen dat hij op het moment van het verstrekken van de lening een onzakelijk debiteurenrisico heeft gelopen. De enkele stelling van de Belastingdienst dat de bank niet onder dezelfde voorwaarden wilde financieren is voor de rechter onvoldoende. De bewijslast dat in het zakelijke verkeer voor vergelijkbare leningen geen vast (hoog) rentepercentage bepaalbaar is, rust op de inspecteur resp. de Belastingdienst. Op het moment dat de lening wordt verstrekt draaide de B.V. prima. Uit dit arrest blijkt overduidelijk dat je bij een discussie de juiste stellingen moet innemen en ervaring moet hebben bij bezwaar- en beroepszaken, een deskundige fiscalist is hierbij noodzakelijk.

Ook in een latere uitspraak van het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden d.d. 25 oktober 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:8538) ging het voor de DGA goed. Ook in een recente uitspraak (Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden d.d. 2 april 2019 ECLI:NLGHARL:2019:2893), viel de spreekwoordelijke bal voor de DGA de goede kant op.

Vordering meerderjarig kind onder TBS-regeling

De vordering van een derde (bijvoorbeeld een meerderjarig kind) valt in box 3. De rente is dan dus aftrekbaar in de B.V. en belast in box 3. Dit is een gunstige regeling, omdat de heffing in box 3 veelal lager is dan de aftrek in de B.V. De DGA zou dus (belastingvrij) geld kunnen schenken aan zijn zoon of dochter die dit dan aan zijn / haar B.V. leent. Bij een ongebruikelijke terbeschikkingstelling is de lening echter wel belast in box 1. Wat ongebruikelijk is, is vaak een grijs en onduidelijk gebied. U zou voor de lening moeten aansluiten bij de voorwaarden die banken stellen. Dus vraag een offerte aan bij uw bank en op grond van deze voorwaarden mag uw zoon of dochter ook geld lenen aan uw B.V. Gebrek aan zekerheden mag u compenseren met een hogere rente.

Vermijden van een TBS-vordering op de B.V.

U zou de lening als DGA kunnen omzetten in aandelenkapitaal (of informeel kapitaal). De lening wordt dan omgezet (of kwijtgescholden). Het beste is om deze route via de notaris formeel vast te leggen.

TBS-vordering bij DGA die in het buitenland woont

Als een DGA in het buitenland woont, is zijn wereldinkomen belast in zijn woonland. De TBS-vordering wordt meestal echter in Nederland belast (artikel 7.2 lid 2 letter c Wet IB) als resultaat uit overige werkzaamheden. Als er een belastingverdrag van toepassing is, zal het heffingsrecht vaak aan het woonland (buitenland) worden toegewezen. Nederland zal dan een bronheffing inhouden (meestal 10% - 15%).

Tips TBS-vordering

Bij een TBS vordering zijn een aantal zaken van belang:

  1. Vastleggen van de vordering in een leningsovereenkomst of rekening-courantovereenkomst, deze onder zakelijke voorwaarden (rente / aflossing. etc.) opstellen.
  2. Maak een begroting binnen de B.V. waarin u heeft vastgelegd hoe de schuld wordt terugbetaald.
  3. Vraag een offerte aan een bancaire instelling zodat de zakelijkheid kan worden aangetoond.

Bron rechtspraak TBS-vordering

Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden d.d. 20 september 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:7591)

Hoge Raad d.d. 2 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:292)

Gerechtshof ’s Hertogenbosch d.d. 27 maart 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:1093

TBS vordering DGA [news] 2020-01-02 0000-00-00 0000-00-00 6345

Lenen bij de B.V.

Wie leent, moet terugbetalen!

Er wordt de laatste tijd steeds meer gesproken over de schuld die een DGA heeft aan zijn B.V. Geld dat van de B.V. is opgenomen voor bijvoorbeeld de financiering van de aankoop of (ver)bouw van een woning. Daarnaast komt het geregeld voor dat geld voor consumptieve bestedingen is aangewend of dat er jaarlijks de door de B.V. gedane uitgaven worden geboekt in “rekening-courant”. Mocht je hier als DGA niet op verdacht zijn en bijvoorbeeld geen rente betalen aan je B.V., dan kan zo’n schuldverhouding, vaak benoemd als “rekening-courant” vrij snel oplopen tot tienduizenden euro’s.

De eerste vraag die wij u als DGA willen stellen is: hoe hoog is uw schuldverhouding bij uw eigen B.V. op 31 december jongstleden? Een vraag waar veel DGA’s vaak niet direct antwoord op kunnen geven. De tweede vraag die daarop volgt is: hoe denkt u die schuld af te gaan lossen? Deze vraag stuit doorgaans op meer weerstand. “Maar de B.V. is toch van mij?” of “ik leen toch van mijzelf?” Deze reacties bevatten een kern van waarheid, ware het niet dat er ook nog de nodige fiscale gevolgen aan vast zitten.

Lenen bij de B.V.

Zoals de titel van dit artikel luidt, zal eenieder die geld leent dit ooit terug moeten betalen. Leen jij bijvoorbeeld geld van een derde, dan zullen er doorgaans afspraken worden gemaakt over:

-          Wanneer wordt de lening terugbetaald?

-          Welke rente wordt er vergoed gedurende de looptijd?

-          Welke zekerheden kunt u mij bieden voor het aflossen van de lening?

Vorenstaande afspraken over rente, aflossing en zekerheden worden doorgaans schriftelijk vastgelegd in een leningsovereenkomst, eventueel aangevuld met een hypotheekakte, pandakte.

Wij zien in de praktijk dat bij een DGA de afspraken over rente, aflossing en zekerheden vaak niet schriftelijk worden vastgelegd. Dit leidt bij een boekenonderzoek of vragenbrief van de Belastingdienst al snel tot de nodige discussie. De Hoge Raad heeft hiertoe op 17 januari 2020, nr. 18/03662 een cassatieberoep afgewezen, het betrof een casus waarbij een DGA een schuldpositie had met zijn eigen B.V. Hij kon geen schriftelijke overeenkomst overleggen en er werd in het betreffende belastingjaar geen rente berekend. Als gevolg van deze constatering heeft de Inspecteur een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd die uitgaat van een dividenduitkering, gelijk aan 7% rente over de openstaande schuld. De Rechtbank, het Gerechtshof en de Hoge Raad waren het met de Inspecteur eens. Geen schriftelijke overeenkomst leidt hier derhalve tot een hogere dividenduitkering.

Een ander voorbeeld dat tussen derden voorkomt is het aanhouden van een “rekening-courant”, bijvoorbeeld in het geval van een tankpas. Je tankt gedurende een maand meerdere keren, je gebruikt de tankpas om mee te “betalen” maar feitelijk wordt de tankbeurt in de “rekening-courant” geboekt en krijg je achteraf de rekening toegestuurd die je moet betalen. Hier gaat het bij de DGA en zijn B.V. vaak mis. De boekingen worden wel in rekening-courant verwerkt, maar de afrekening vindt niet plaats. Hierdoor blijft de rekening-courantpositie oplopen en zal daar jaarlijks ook nog eens rente bijgeboekt worden door de boekhouder of accountant.

Om niet in vervelende discussies met de Belastingdienst te komen, zal begonnen moeten worden met het opstellen en ondertekenen van een schriftelijke leningsovereenkomst. Let wel, dit is nog maar het begin.

Rente betalen over lening van de B.V.

In artikel 7:129c BW is het volgende bepaald:

1.      Indien beide partijen natuurlijke personen zijn en geen van beide partijen in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelt, is over het geleende bedrag slechts rente verschuldigd, indien dit schriftelijk is bedongen.

2.      In andere gevallen is de lener verplicht over de geleende som rente te betalen, tenzij uit de overeenkomst voortvloeit dat geen rente verschuldigd is.

In de schriftelijke overeenkomst wordt doorgaans een rente overeengekomen. Daarbij kan het zijn dat de rente bij de hoofdsom wordt bijgeschreven of dat de rente periodiek (per maand, kwartaal of jaar) wordt voldaan. Het is bij het aangaan van een leningsovereenkomst wel van belang dat de overeengekomen rente daadwerkelijk wordt betaald door de DGA aan de B.V. en dat de rente op zakelijke gronden is vastgesteld. Gebeurt dat niet, dan moet de rente worden bijgeschreven bij de hoofdsom, hierdoor blijft de schuldpositie oplopen.

Blijkt de rente onzakelijk laag te zijn, dan kan de Inspecteur de rente corrigeren naar een zakelijk niveau en de te weinig afgedragen belasting eventueel navorderen. Mochten er meer onvolkomenheden aanwezig zijn, dan zou ook de gehele of gedeeltelijke schuldpositie als uitdeling worden aangemerkt en tot een navordering kunnen leiden.

Aflossing van de lening bij de B.V.

Kenmerkend voor een lening is dat hij wordt afgelost, zo bepaalt artikel 7:129 BW:

1.      De overeenkomst van geldlening is de kredietovereenkomst waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen.

Zonder terugbetalingsverplichting kan geen sprake zijn van een lening, dit dient dan ook schriftelijk te worden vastgelegd. Tevens is van belang dat ook daadwerkelijk – overeenkomstig de schriftelijke leningsovereenkomst – tot aflossing wordt overgegaan.

In het arrest van Gerechtshof Amsterdam  4 oktober 2018, nr. 17/00581, deed zich de situatie voor dat een DGA een rekening-courant had met zijn B.V. In het jaar 2010 verkoopt de DGA een woning en had schriftelijk vastgelegd (destijds in afstemming met de Belastingdienst) dat hij dan tot aflossing van de schuld die hij had aan zijn N.V. over zou gaan. Dit deed hij, echter boekte  de N.V. dezelfde dag een aanzienlijk bedrag over naar de DGA. Deze overboeking heeft er onder andere toe geleid dat de gehele schuldpositie – het betrof een lening van € 11.000.000 en een rekening-courant van € 1.204.543 – als uitdeling werd aangemerkt. Het Gerechtshof oordeelt uiteindelijk dat gedurende de looptijd aannemelijk is geworden dat de schuldpositie niet meer zou worden afgelost. Een cassatieberoep door de DGA bij de Hoge Raad was tevergeefs (HR 7 februari 2020, nr. 18/04854).

Vestigen van zekerheden

Het vestigen van zekerheden is in principe geen verplichting voor een lening. Wel draagt het vestigen van zekerheden in fiscale zin bij aan het zakelijk zijn van een lening. Hoe meer zekerheden er gevestigd worden, hoe zakelijker een lening wordt. Met het vestigen van zekerheden kan tevens een lage(re) rente worden bedongen. Indien er geen zekerheid wordt gevestigd, zou bij een hoge schuldpositie met de B.V. ook sprake kunnen zijn van een uitdeling.

In Rechtbank Den Haag 9 januari 2019 (gepubliceerd op 11 februari 2020), nr. 19/4184 speelde zich een situatie af waarbij te weinig zekerheid werd geboden. Een DGA had een rekening-courantschuld aan zijn B.V. en deze is in het belastingjaar met € 113.979 opgelopen tot € 637.292 per het einde van het jaar. Tezamen met zijn eigenwoningschuld had deze DGA een schuld van € 1.215.406 aan zijn B.V. De Inspecteur is van mening dat de toename van de rekening-courantschuld, bestaande uit rentebijschrijvingen en betalingen van privékosten en de aankoop van een stuk grond ad € 45.000 als netto uitdeling gezien moet worden en stelt dat er een uitdeling van € 134.092 plaats heeft gevonden. De Rechtbank is het met de Inspecteur eens, met dien verstande dat hij de grond die de DGA heeft aangekocht op de uitdeling in mindering brengt, hij is namelijk van mening dat de grond enige dekking biedt voor de rekening-courantschuld. De uitdeling wordt hierdoor uiteindelijk gesteld op € 81.147

Ten aanzien van de verschuldigde rente geven we hieronder een voorbeeld weer, aansluitend op recente jurisprudentie.

Voorbeeld

Als DGA leen je € 100.000 bij de B.V. Regel je niets, dan kan het wel eens zijn dat de Inspecteur van mening is dat 7% rente verschuldigd is (zie Gerechtshof Den Haag 11 juli 2018, nr. BK-17/00934). Beschik je echter over een effectenportefeuille of onroerend goed in privé, dan kan het vestigen van een pand- en / of hypotheekrecht ertoe leiden dat er een veel lagere rente overeengekomen kan worden.

Van belang bij het vestigen van zekerheden is dat de formaliteiten daadwerkelijk uitgevoerd moeten worden, zo moet een pandrecht vaak worden geregistreerd en een hypotheekrecht notarieel worden vastgelegd. Dit vergt de nodige tijd en geld, doch dit leidt wel tot veel minder fiscale problemen en tevens tot een lagere rente.

Noot van de adviseur - Wetsvoorstel ‘Wet excessief lenen bij eigen vennootschap’

Ten tijde van het schrijven van dit artikel is reeds bekend dat het Ministerie van Financiën bezig is met een wetsvoorstel dat het excessief lenen bij de eigen vennootschap aan banden moet leggen. Voor zover nu bekend is zal hier in maart 2020 meer uitsluitsel over komen.

Globaal schrijft dit wetsvoorstel voor dat DGA’s die meer dan € 500.000 van hun eigen B.V. lenen in de belastingheffing worden betrokken. Hierbij maakt het zelfs niet uit of deze aandeelhouders een minderheids- of meerderheidsbelang hebben, zolang er maar sprake is van een aanmerkelijk belang (minimaal 5%). Bij de vraag of de grens van € 500.000 wordt overschreden, worden ook leningen van de partner en andere verbonden personen meegenomen.

De huidige verwachting is dat de wet per 1 januari 2022 in werking treedt. Dit betekent dat op 31 december 2022 voor het eerst zal moeten worden bepaald of het bedrag van € 500.000 wordt overschreden. Indien dat het geval is, zal het meerdere boven € 500.000 als een fictief inkomen uit aanmerkelijk belang bij de DGA worden belast. De heffing zal dan plaatsvinden tegen het dan geldend tarief in box 2. Het tarief in box 2 bedraagt vanaf 2021: 26,9%. Voor bestaande eigenwoningschulden aan de eigen vennootschap wordt een overgangsmaatregel getroffen, tevens is aangekondigd dat ook nieuwe eigenwoningschulden zullen worden uitgezonderd.

Voorkomen is beter dan genezen!

Hoewel het wetsvoorstel ‘Wet excessief lenen bij eigen vennootschap’ nog niet definitief is, zal het wetsvoorstel naar alle verwachting tot aanzienlijke nadelige gevolgen voor aanmerkelijkbelanghouders leiden. Het maakt in principe zelfs niet uit of die leningen onder de hiervoor beschreven ‘zakelijke voorwaarden’ zijn aangegaan. Belastingplichtigen zullen dus ook tijdig moeten voorsorteren om de nadelige gevolgen van dit wetsvoorstel te beperken. Ook is het goed te beoordelen of bijvoorbeeld nu al gestart moet worden met het aflossen van schulden, voorkomen is immers beter dan genezen.

Conclusie van lenen bij de B.V.

Als DGA een schuldpositie hebben met je eigen B.V. vergt de nodige aandacht. Zorg voor goede schriftelijke vastlegging van de voorwaarden waaronder de lening tot stand is gekomen en zorg ervoor dat de voorwaarden ook nageleefd worden.

Bent u DGA en heeft u een schuld aan uw B.V. of heeft u een geschil met de Belastingdienst hierover? Neem dan gerust eens contact op met één van de auteurs van dit artikel!

Lenen bij de B.V. [news] 2020-02-21 0000-00-00 0000-00-00 6366

Open fonds voor gemene rekening ook mogelijk bij 98% - 2% verhouding

De Rechtbank Gelderland heeft de vraag of een fonds met verhouding 98% - 2% aangemerkt kan worden als een open fonds voor gemene rekening dat belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting bevestigend beantwoord.

Door het fictieve rendement dat wordt geheven in box 3, kan de effectieve belastingheffing over laag renderend vermogen aanzienlijk zijn. Bij bank- en spaartegoeden zal de belastingheffing doorgaans hoger zijn dan het rendement. Het is echter mogelijk om het fictieve rendement in box 3 te verlagen door dit vermogen bijvoorbeeld in te brengen in een open fonds voor gemene rekening, waardoor alleen het werkelijk rendement belast wordt met vennootschapsbelasting. Voorheen was het volgens de Belastingdienst alleen mogelijk met een 90% - 10% verhouding, maar nu lijkt het ook mogelijk te zijn met een verhouding van 98% - 2%, het geheel van feiten en omstandigheden wordt daarbij doorslaggevend geacht.

(Open) fonds voor gemene rekening: “Hoe en wat?!”

Een fonds voor gemene rekening is een overeenkomst tussen drie verschillende partijen, een bewaarder, beheerder en deelnemers. Het fonds is erop gericht om vermogen bijeen te brengen om dit gezamenlijk te beleggen. Een open fonds voor gemene rekening kan worden aangegaan door middel van een onderhandse overeenkomst, er is dus geen gang naar de notaris nodig.

Deelnemers in een open fonds voor gemene rekening houden bewijzen van deelgerechtigdheid. Deze zijn vergelijkbaar met de aandelen in een besloten vennootschap. De mate van verhandelbaarheid van de bewijzen van deelgerechtigdheid is belangrijk om vast te stellen of het fonds voor gemene rekening een open of besloten karakter heeft. Bewijzen van deelgerechtigdheid zijn verhandelbaar als voor vervreemding (van het bewijs) niet de toestemming is vereist van alle deelnemers. Als de bewijzen helemaal vrij verhandelbaar zijn, is er dus in ieder geval sprake van een open fonds voor gemene rekening. Deze is dan belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Als de bewijzen van deelgerechtigdheid alleen aan het fonds zelf of aan de bloed- en aanverwanten in rechte lijn van een deelnemer kunnen worden overgedragen, is er in ieder geval sprake van een besloten fonds voor gemene rekening. De overdraagbaarheid is dan te beperkt, ook in het geval als binnen deze groep de bewijzen van deelgerechtigheid vrij overdraagbaar zijn.

Volgens de Staatssecretaris van Financiën (Kamerbrief 18 september 2017) is sprake van een open fonds voor gemene rekening als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a.    Er moet sprake zijn van een fonds (in beginsel een afgescheiden vermogen zonder rechtspersoonlijkheid).

b.    Het doel moet zijn het verkrijgen van voordelen voor de deelgerechtigden.

c.    Het moet voor gemene rekening zijn. Dit brengt een collectiviteit tot uitdrukking, dat wil zeggen dat er minimaal twee participanten zijn, die gelden of andere activa bijeenbrengen.

d.    Het bezit van vermogen is gericht op het verkrijgen van rendementen, via beleggen of het anderszins aanwenden van gelden.

e.    Bewijzen van deelgerechtigdheid zijn vrij verhandelbaar; voor de vervreemding (van het bewijs) behoeft geen toestemming te zijn vereist van alle deelgerechtigden. Als uitsluitend aan het fonds zelf kan worden vervreemd, of aan bloed- en aanverwanten in de rechte lijn, is geen sprake van vrije verhandelbaarheid.

Een open fonds voor gemene rekening is zoals gezegd zelfstandig belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Een besloten fonds is echter “fiscaal transparant”, met andere woorden: door een besloten fonds voor gemene rekening aan te gaan, verandert er niets aan de fiscale situatie, doch door het aangaan van een open fonds wel.

Standpunt Belastingdienst

In het document “Beoordeling open FGR” van december 2016 (gedeeltelijk openbaar gemaakt op 26 juli 2017 in de Brief van het Ministerie van Financiën inzake Wob-verzoek naar beleid toekenning fiscaal nummers open fondsen voor gemene rekening). En in de toelichting bij vraag 4 van het formulier ‘Aanmelding Fonds voor gemene rekening’ zoals opgenomen op de site van de Belastingdienst is het volgende opgemerkt:

“Van ‘gemene rekening’ is geen sprake als een (overheersende) participant de overige participanten erbij heeft gezocht om naar de vorm sprake te doen zijn van ‘voor gemene rekening’. Wij erkennen het aangemelde fonds dan niet als een open fonds voor gemene rekening.

Als twee (overigens voldoende onafhankelijke) participanten door middel van een fonds voor gemene rekening beleggen en de ene participant heeft een aandeel van ten minste 10% en de andere van ten hoogste 90% in het fonds, dan gaan wij er vanuit dat nog sprake is van ‘gemene rekening’.“

Uitspraak Rechtbank Gelderland

Belanghebbende X en haar echtgenoot Y zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Eind 2016 wordt Fonds Q opgericht. X en Y nemen voor 98% deel en hun dochter A voor 2%. Begin 2017 wordt de Inspecteur verzocht om het fonds als belastingplichtig voor de Vpb aan te merken. De Inspecteur honoreert dit verzoek niet. In geschil is of Q per 1 januari 2017 kan worden aangemerkt als een open fonds voor gemene rekening dat belastingplichtig is voor de Vpb, of dat het belang van X in Q tot de heffingsgrondslag van de vermogensrendementsheffing behoort. Volgens de Inspecteur lijkt het erop dat de deelname van 2% alleen maar is toegevoegd om te voldoen aan de collectiviteitseis.

Rechtbank Gelderland oordeelt dat het fonds moet worden aangemerkt als een open fonds voor gemene rekening dat belastingplichtig is voor de Vpb. De rechtbank wijst er daarbij op dat sprake is van het voor gemene rekening beleggen of anderszins aanwenden van gelden. Verder zijn de bewijzen van deelgerechtigdheid vrij verhandelbaar. De rechtbank overweegt verder nog dat er geen reden is om, zoals de Inspecteur voorstelt, aan te sluiten bij de collectiviteitseis bij een vrijgestelde beleggingsinstelling.

Conclusie

Uit bovengenoemde uitspraak kan dus worden afgeleid dat de Rechtbank Gelderland niet meegaat in het standpunt van de Belastingdienst dat de minimale verhouding in een open fonds voor gemene rekening 90% - 10% moet zijn. Hoger beroep is echter nog mogelijk, dus we zullen vooralsnog af moeten wachten of de Inspecteur hoger beroep gaat instellen en – mocht dat het geval zijn – wat het gerechtshof vervolgens zal oordelen.

Tot besluit

Mocht u overwegen een open fonds voor gemene rekening op te richten, of bent u simpelweg op zoek naar meer informatie, neem dan gerust eens vrijblijvend contact op met de auteurs van dit artikel.

Verhouding open fonds gemene rekening [news] 2020-04-23 0000-00-00 0000-00-00 6550

DGA leent geld aan B.V.

Een DGA leent geldt aan zijn B.V. of heeft een vordering op zijn B.V. De B.V. kan de lening - bijvoorbeeld door de coronacrisis of financiële tegenwind - niet terugbetalen. Kan de DGA de vordering in box 1 afboeken?

Fiscale gevolgen van vordering op de B.V.

Veel bedrijven komen in de financiële problemen door de coronacrisis. Vorderingen kunnen hierdoor niet meer worden afgelost en / of rente kan niet meer worden betaald. De vordering heeft hierdoor een lagere waarde (dan de nominale waarde). Kan een DGA zijn vordering op zijn B.V. afboeken als de B.V. het lastig krijgt?

Fiscale voorziening in box 1 voor DGA

Mag de DGA per eind 2019 een fiscale voorziening vormen voor het mogelijke risico dat (een deel van) de vordering niet door de B.V. kan worden terugbetaald? Omdat dit per eind 2019 moet worden beoordeeld, lijkt een dergelijke voorziening niet mogelijk. Eind 2019 viel in redelijkheid niet te verwachten dat de situatie inzake het coronavirus in China zich zou ontwikkelen tot een crisis in Nederland.

In de VPB-sfeer (in de B.V.) kan een dergelijke voorziening wel worden gevormd voor te verwachten verliezen in 2020, dit conform een speciale maatregel die hiervoor is bedacht.

Kwijtschelding van de vordering door de DGA

Als de vordering waardeloos is geworden, kan deze worden kwijtgescholden. Dit zal ervoor zorgen dat de B.V. winst maakt (kwijtscheldingswinst). De B.V. kan dan - onder voorwaarden - een beroep doen op de kwijtscheldingswinstvrijstelling. De winsten zijn dan niet belast met vennootschapsbelasting, de compensabele verliezen moeten wel worden ingeleverd.

Als de lening als een onzakelijke lening wordt aangemerkt, dan kan de lening niet worden afgeboekt in box 1. De bewijslast hiervoor rust bij de Belastingdienst, maar in diverse procedures lukt dit. Als de Belastingdienst kan bewijzen dat het een lening betreft die op onzakelijke gronden is verstrekt, dan is de vordering in privé niet aftrekbaar. Een kwijtschelding van een onzakelijke lening moet dan worden gezien als informeel kapitaal. Het verlies kan dan soms in box 2 in aftrek worden gebracht, ook hiervoor gelden een aantal voorwaarden. Verlies nemen in box 1 is voor de DGA aantrekkelijker dan verlies nemen in box 2.

DGA verstrekt leningen in 2020 i.v.m. coronacrisis

Als de DGA in 2020 een lening verstrekt aan zijn B.V. of een borgstelling gaat tekenen (t.b.v. de bancaire instelling), dan moet dit op zakelijke gronden plaatsvinden en goed en volledig worden vastgelegd. Hierbij moet de DGA handelen zoals een derde zou handelen. De Belastingdienst kan in deze lastige tijd eenvoudig stellen dat de DGA om persoonlijke redenen een lening heeft verstrekt, waarbij hij / zij op dat moment wist of kon weten dat deze niet zou worden terugbetaald, een zogenaamde bodemloze-put-lening. Als hiervan sprake is, dan kan de vordering (uiteindelijk) niet in box 1 worden afgewaardeerd.

Noot fiscaal jurist inzake afwaardering vordering DGA

Als een DGA een vordering wil afwaarderen en / of een nieuwe vordering wil verstrekken, is advisering door een fiscaal jurist van essentieel belang. Het risico dat de vordering uiteindelijk niet kan worden afgewaardeerd is groot. Ook moeten er diverse bescheiden (leningsovereenkomst, borgstellingsovereenkomst, borgstellingsvergoeding, notulen, bestuursbesluit, etc.) worden opgesteld en ondertekend. Als een persoon geld leent aan een bedrijf van een familielid, moet ook worden gekeken naar de risico's. Veelal zal de lening worden ondergebracht in box 3 (bij de schuldeiser). Er kan in voorkomende gevallen echter sprake zijn van een schenking, bijvoorbeeld als vader een lening verstrekt aan het bedrijf van zijn zoon. Ook hierbij is dus advisering wenselijk.

Heeft u vragen of opmerkingen, stuur ons gerust een mail voor een vrijblijvend advies.

Lening DGA aan BV [news] 2020-05-12 0000-00-00 0000-00-00 6571

DGA-salaris en rekening-courantschuld

DGA en niet uitbetalen salaris

In deze barre tijden staan bij veel ondernemers de resultaten onder (zware) druk. Huur, onderhoud en personeel kunnen niet meer betaald worden. Als ook de coronamaatregelen van de overheid niet voldoende zijn en de financiering niet meer rond gekregen kan worden, zal de directeur-grootaandeelhouder (DGA) alles doen om de tent overeind te houden.

Vaak zien we dat het eigen loon van de DGA dan maar niet wordt uitbetaald. Dat kan pijnlijke gevolgen hebben, zoals hierna zal blijken.

Update 17 juni 2020

Het wetsvoorstel inzake excessief lenen ligt sinds 17 juni 2020 bij de tweede kamer (dit voorstel kunt u hier raadplegen). Vanaf 2023 worden DGA's (AB houders) beperkt in het geld lenen van hun BV (tot maximaal € 500.000), met uitzondering van bestaande eigenwoning schulden. Het gaat om 11.000 DGA's die iets moeten veranderen in de afspraken met hun BV.

De DGA kan zijn salaris niet uitbetalen

Hugo was DGA van zijn eigen vennootschap ‘Profileringsdrang B.V.’ Daar staat hij op de loonlijst voor een schamele € 32.000, waarover de B.V. keurig loonheffing aangeeft. Zoals wel vaker bij een DGA, heeft ook hij een schuld in rekening-courant aan de B.V. Die is ruim 7 ton. Royaal, maar kan gebeuren.

Op enig moment gaan de zaken slecht, zeer slecht. ‘Profileringsdrang B.V.’ kan door liquiditeitsproblemen het loon van Hugo niet meer betalen. Hugo krijgt dus niet uitbetaald. Dat neemt hij dan ook op in zijn aangifte inkomstenbelasting, loon is nul.

De belastinginspecteur is het daar niet mee eens en neemt de € 32.000 wel in aanmerking als genoten looninkomsten.

Hugo, assertief van nature, pikt het niet een stapt naar de rechter.

De rechter pelt de zaak keurig af en stelt vast dat het loon door Hugo gewoon vorderbaar is, omdat het behoort tot het tussen Hugo en de B.V. overeengekomen afspraken. Ook stelt de rechter vast dat het loon voor Hugo te innen is bij ‘Profileringsdrang B.V.’ omdat zonder verder verwijl betaling door de B.V. zal plaatsvinden (Hugo is er immers de baas).

Voor niet-fiscalisten is dat moeilijk te vatten, maar de crux zit hem in de schuld die Hugo aan de B.V. heeft.

De rechter stelt vast dat die rekening-courantschuld een zodanige waarde (omvang) had, dat daarmee het loon van € 32.000 kon worden verrekend.  Verrekenen is ook een vorm van innen, dus is het loon ‘gewoon’ genoten en daarmee belast.

Hugo probeert het nog door aan te voeren dat hij door de hele malaise in zijn levensstandaard achteruit is geboerd. Ook dat baat hem niet. De aanslag is terecht. Als hij niet kan betalen, moet hij maar een regeling treffen met de ontvanger (en dat is een ander loket). Tot en met de hoogste rechter (Hoge Raad) vangt Hugo bot.

Noot fiscaal jurist inzake DGA-loon en rekening-courantschuld aan B.V.

Als uw vennootschap niet meer in staat is uw salaris te betalen, trek dan tijdig aan de bel. Dan kunnen we samen bezien op welke wijze het loon kan worden verlaagd of kan worden voorkomen dat niet feitelijk ontvangen loon toch wordt belast.

In deze bijzondere tijden kan dat onder andere op basis van de volgende regeling.

Coronamaatregel gebruikelijk loon DGA

Als de coronacrisis grote gevolgen heeft voor omzet en liquiditeit, kan de DGA voor 2020 tijdelijk een lager maandloon afspreken. Het gebruikelijk loon is € 3.833 per maand. De DGA mag vanwege de coronacrisis het gebruikelijk loon achteraf bepalen, maar niet al genoten loon met terugwerkende kracht verlagen. Kijk ook naar dit artikel:  DGA_en_corona_maatregelen

Bronnen bij ‘DGA en niet uitbetalen salaris’

Hof Den Haag

Hoge Raad

DGA_en_coronamaatregelen

DGA salaris en rekening courant [news] 2020-05-18 0000-00-00 0000-00-00 6578

DGA en verzekeringsplicht

Is een DGA verzekerd voor voor de werknemersverzekeringen? Had de opdrachtgever loonheffingen moeten inhouden op de betaalde management fee? Dit soort vragen komen regelmatig voorbij bij onze specialisten.

Sinds 2020 zien wij dat de Belastingdienst steeds vaker onderzoeken instelt naar de verzekeringsplicht van een DGA met een eigen holding of management B.V.

Dienstbetrekking van een DGA

Een bestuurder die op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden voor een B.V. verricht staat formeel in dienstbetrekking tot die B.V. Dit is dan onder het gezag van de algemene vergadering van aandeelhouders, aldus de Hoge Raad in 2013. Vaak is de aandeelhouder en de bestuurder gelijk (bij de DGA). De formele regels om te beoordelen of iemand in dienstbetrekking is zijn:

  1. Er wordt loon betaald.
  2. De werknemer moet de arbeid persoonlijk verrichten.
  3. Er is sprake van een gezagsverhouding.

In een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (15 september 2020) liep het Gerechtshof deze criteria maar eens rustig langs en concludeerde dat aan alle voorwaarden was voldaan. De DGA was in dienstbetrekking. Waarom?

  • Er wordt een vergoeding betaald.
  • De bestuurders moesten hun werk persoonlijk verrichten.
  • De bestuurders waren - gezien hun persoonlijke kwaliteiten - onmisbaar.
  • Er was sprake van een gezagsverhouding (onder gezag van de AvA).

De zogenoemde regeling aanwijziging DGA was volgens  het Gerechtshof niet van toepassing. De naheffingsaanslagen loonheffingen bleven in stand.

Mocht niet aan alle criteria voor een ‘echte’ dienstbetrekking zijn voldaan, dan kan overigens nog sprake zijn van inhoudingsplicht. Op basis van de wet kan namelijk ook sprake zijn van een fictieve dienstbetrekking van de DGA. Twee toetsen dus en volgtijdig te beoordelen!

Managementovereenkomst en DGA

Bij de beoordeling van een managementovereenkomst wordt vaak gesteld dat er geen sprake is van een dienstbetrekking. De managementovereenkomst is echter een overeenkomst van opdracht en ook deze moet op grond van de feiten en daadwerkelijke uitvoering worden beoordeeld. Als aan de formele eisen wordt voldaan, kan sprake zijn van loon uit dienstbetrekking (en dus geen managementdienst op grond van een managementovereenkomst). Bij deze beoordeling moet tevens worden gekeken naar de vraag of aan de management B.V. reële betekenis toekomt of dat deze slechts is tussengeschoven vanwege fiscale motieven. In dat laatste geval zal voor de inlener sprake zijn van inhoudingsplicht.

In een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam (2016) overweegt het Gerechtshof dat voor een dienstbetrekking maatgevend is of de rechtsverhouding tussen de DGA van de holding en de werk B.V. kwalificeert als een arbeidsovereenkomst, in casu geen dienstbetrekking !

In een andere procedure bij de Rechtbank Den Haag (2018) werken 2 minderheidsaandeelhouders in eerste instantie met een salaris voor de werkmaatschappij en daarna wordt dit salaris stopgezet en wordt er gewerkt via een management B.V. Volgens de Belastingdienst moet de management fee gewoon gezien worden als salaris. Volgens de Rechtbank is er sprake van meerdere wijzigingen en is er sprake van een reële betekenis (voor de management fee).

Noot fiscaal jurist over verzekeringsplicht DGA

In de regeling aanwijziging DGA 2016 wordt uitgebreid stilgestaan bij de verzekeringsplicht voor de DGA. Als een DGA in staat is om zijn eigen ontslag tegen te houden, is hij / zij meestal niet in dienstbetrekking. Dit kan hij eventueel regelen in samenspraak met aandelen die worden gehouden door zijn echtgenoot of een bloed- / aanverwante. Heeft een bestuurder geen aandelen, dan is hij / zij vrijwel altijd verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Als er sprake is van meerdere bestuurders (met een gelijk belang), dan is er geen sprake van ondergeschiktheid (en dus geen verzekeringsplicht).

Noot fiscaal jurist over werken met een management B.V.

Het werken via een management B.V. komt steeds vaker voor in Nederland. Als een directeur (ex-werknemer) via zijn eigen management B.V. gaat werken, kan dit substantiële fiscale voordelen en risico's opleveren. Steeds vaker stelt de Belastingdienst dat sprake is van een dienstbetrekking bij de inlener, de managementovereenkomst wordt dan volledig genegeerd. De naheffingen (maximaal 5 jaar) worden dan vaak met boetes (25% - 50%) opgelegd bij de inlener.

Familielid van de DGA in dienstbetrekking

Hoe moet de dienstbetrekking van de partner van de DGA worden beoordeeld? Vaak heeft de partner geen aandelen in de holding / management B.V. Bij de beoordeling van de mogelijke dienstbetrekking van de partner moeten de formele regels worden doorlopen. De familieverhouding kan een rol spelen bij de beoordeling of sprake is van gezag.

Sinds 2018 zien wij een andere beoordeling van deze werksituatie (Centrale Raad van Beroep, ECLI:NL:CRVB:2018:259), ook bij familieverhoudingen kan sprake zijn van een gezagsverhouding. Er moet dus zorgvuldig naar de feiten worden gekeken.

Als de partner onder duidelijk andere omstandigheden en (arbeids-)voorwaarden werkt dan gebruikelijk zou zijn, is hij of zij niet in privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam. Voorbeelden hiervan zijn:

  • Als enige een bonus krijgen;
  • Andere beloning of beloningsvorm;
  • Andere uren dan gebruikelijk;
  • Worden er functioneringsgesprekken gehouden;
  • Naast de DGA als enige zeggenschap over bedrijf.
DGA en verzekeringsplicht [news] 2020-10-06 0000-00-00 0000-00-00 6745

Familiebedrijf en fiscus

Bedrijfsopvolging nu gaan regelen!

Binnen onze klantenportefeuille zitten diverse familiebedrijven. De familieleden zijn meestal direct betrokken bij het bedrijf en objectieve en onafhankelijke advisering is hierbij erg belangrijk. In de notitie van onze Staatssecretaris (Bouwstenen voor beter belastingstelsel, mei 2020) staan diverse maatregelen die het familiebedrijf direct gaan raken.

Huidige regeling bedrijfsopvolging

Onder de huidige regeling kan een bedrijfsopvolging vrijwel belastingvrij plaatsvinden. Tot een bedrag van € 1.100.000 (afgerond) is 100% vrijgesteld en daarboven is 83% vrijgesteld. Tevens kan er 10 jaar uitstel van betaling worden aangevraagd.

Tip: laat u als DGA van een familiebedrijf in 2020 of 2021 adviseren over de bedrijfsopvolging van uw familiebedrijf! Volgens onderzoek zullen 44% van de familiebedrijven hiertoe beslissen. Zelfs 58% van de familiebedrijven verwacht financiële problemen.

De belangrijkste pijnpunten van de nieuwe wetgeving: 

  • Belastingheffing op winstuitkeringen die niet worden uitgekeerd (ongeveer 1% over winstreserves per jaar); 
  • Doorschuifregeling inkomstenbelasting wordt afgeschaft;
  • Vrijstelling voor erf- en schenkbelasting wordt afgeschaft of sterk verminderd.

Conclusie nieuwe wetgeving familiebedrijf

Simpele conclusie: doorschuiven familiebedrijf is niet meer (vrijwel) belastingvrij. In de nieuwe situatie is er ongeveer 35% - 40% belasting verschuldigd over de waarde van het familiebedrijf !

DGA's van familiebedrijven kiezen er bewust voor om hun vermogen in het familiebedrijf te laten, om zo te kunnen (door-)investeren in hun bedrijf. Dividenden worden dus niet uitgekeerd. Doordat familiebedrijven financieel gezond zijn, vallen ze minder snel om. Hierdoor blijven vele arbeidsplaatsen behouden. De meest opvallende wetswijzigingen zijn (1) het heffen van belasting op niet uitgekeerde winsten en (2) het vrijwel volledig afschaffen van de bedrijfsopvolgingsregeling.

Advies bedrijfsopvolging familiebedrijven

Wij adviseren wekelijks familiebedrijven in het kader van een bedrijfsopvolging. De belangrijkste advisering ziet op:

  • Overdracht veilig binnen familie;
  • Verdelen van het stemrecht en het familievermogen;
  • Begeleiding van het proces en opstellen van een familiestatuut:
  • Waarborgen en veilig stellen van het familievermogen;
  • Advisering in het kader van een familiestichting, trust, Raad van Commissarissen, etc.

Bron familiebedrijf en fiscus

Bouwstenen voor een beter belastingstelsel Tweede Kamer mei 2020

Onderzoek Nyenrode inzake familiebedrijven

Bedrijfsopvolging nu regelen [news] 2020-10-19 0000-00-00 0000-00-00 6760

DGA en lening van de bv

Het komt zeer vaak voor dat de DGA geld leent van de eigen bv. Soms in grote getallen, soms in de vorm van een rekening-courant. De Belastingdienst heeft van het lenen van de eigen zaak een aandachtsgebied gemaakt. Er wordt actief gecontroleerd op forse rekening-courantstanden en grote uitstaande geldleningen. Niet zelden neemt de inspecteur dan het standpunt in dat geen sprake is van geldverstrekking met terugbetalingsverplichting, maar van een winstuitdeling. Kan dat zomaar?

Wat komt in de DGA-praktijk voor bij lenen van de bv?

De DGA houdt alle aandelen in de holding. Vervolgens gaan de holding en de DGA een rekening-courant- of geldleningsovereenkomst aan. Bij beide vormen van geldverstrekking is het – juridisch gezien – de bedoeling dat de gelden ook weer terugkeren in de bv. Het komt echter voor dat de inspecteur betalingen in rekening-courant of op grond van een leningsovereenkomst van een nieuwe stempel voorziet. De inspecteur stelt dan dat sprake is van winstuitdelingen aan de DGA. Het gevolg? De winstuitdeling – het bedrag dat in rekening-courant is geboekt of als lening is verstrekt – wordt als dividend behandeld. Heffing in box 2 in de inkomstenbelasting is hiervan het gevolg. Het tarief in box 2 is momenteel (2021) 26,9%.

Wanneer mag de inspecteur echter zo’n winstuitdeling stellen en op wie rust welke bewijslast? Deze materie lijkt actueler dan ooit. Tijd voor een toelichting.

Wanneer is sprake van een winstuitdeling in plaats van een lening?

Een lening van de holding aan de DGA kan in twee situaties een winstuitdeling vormen. De beide situaties hebben met elkaar gemeen dat de conclusie is dat het geld de holding definitief heeft verlaten. Het betreft:

  1. De situatie waarin de DGA de lening niet zal aflossen;
  2. De situatie waarin de DGA de lening niet kan aflossen.

Het wezenskenmerk van de geldlening is een terugbetalingsverplichting. Indien de DGA de lening niet zal aflossen, dan is met de geldlening blijkbaar niet een echte lening bedoeld. Dit wordt ook wel een schijnvordering genoemd. De Hoge Raad oordeelde dat hiervan sprake is als het niet de bedoeling is geweest dat de DGA de gelden echt schuldig is geworden aan de holding.

Indien de DGA de lening niet kan aflossen, wordt wel gesproken van een bodemloze-putlening van de holding aan de DGA. De Hoge Raad oordeelde dat dit zich voordoet als direct al duidelijk is geweest dat het geld niet kan worden terugbetaald of verrekend. Er doet zich dan een gebrek voor in de terugbetalingsmogelijkheden.

Bewustheidsvereiste bij winstuitdeling

De inspecteur zal een winstuitdeling in plaats van een lening pas met succes kunnen stellen, indien de DGA zich bewust is geweest of had moeten zijn dat hij werd bevoordeeld door de holding. Het gebeurt in de praktijk vaak dat de Belastingdienst hier niet (direct) een duidelijk en onderbouwd standpunt over inneemt.

Wanneer vindt de winstuitdeling plaats?

De winstuitdeling vindt in de meeste gevallen plaats op het moment dat de lening wordt aangegaan. Maar wat nu als pas jaren later duidelijk wordt dat (een deel van) het geld niet kan worden terugbetaald? Hierover is de jurisprudentie nog niet eenduidig. In een recente conclusie heeft de Advocaat-Generaal aangegeven het mogelijk te achten dat op een later moment een winstuitdeling plaatsvindt ter grootte van het bedrag dat het vermogen van de vennootschap definitief verlaat. Dit zou betekenen dat ook in de loop der jaren een winstuitdeling zich nog voor kan doen.

De winstuitdeling vindt bij het latere verschieten van kleur plaats, op het moment waarop het vaststaat of zo goed als zeker is dat de schuld niet meer wordt afgelost. Op dat moment is het immers zo dat enige aflossing of rentebetaling niet meer plaats zal vinden. Hier doet zich een belangrijk verschil voor tussen de twee genoemde situaties waaronder een winstuitdeling plaats kan vinden. Betreft het een DGA die niet zal betalen, dan vindt de winstuitdeling altijd plaats op het moment van geldverstrekking. Een later verschieten van kleur is dan niet aan de orde. Betreft het een DGA die niet kan betalen, dan kan het later verschieten van kleur wel aan de orde zijn. Dat is ook logisch; betalingsonmacht kan later opkomen, betalingsonwil is direct aanwezig.

Het verrekenen van een schuld aan de DGA

Van een winstuitdeling is geen sprake indien de schuldvordering kan worden verrekend. Hierover is de Hoge Raad in 1964 al duidelijk geweest. De DGA kan echter niet aanvoeren dat verrekening mogelijk zou zijn door in de toekomst dividend uit te keren. Indien u mogelijkheden tot verrekening ziet, is het altijd goed een specialist in de arm te nemen.

Hoe groot is de winstuitdeling op het latere moment?

Indien een lening direct al onder één van de twee genoemde situaties valt, is het de vraag of de gehele lening niet zal worden afgelost of dat een deel van de lening niet zal worden afgelost. Indien het de gehele lening betreft, is voor de gehele lening sprake van een winstuitdeling. Zal de lening gedeeltelijk niet worden afgelost, dan vindt voor het niet-aflosbare deel een winstuitdeling plaats. Dit heeft de Hoge Raad in 2020 bevestigd.

Maar wat nu als de lening later pas van kleur verschiet? De moeilijkheid die zich dan voordoet, is dat op het moment dat het geld werd geleend, aflossing blijkbaar in de lijn der verwachting lag. Het zonder meer stellen van een winstuitdeling is dan te kort door de bocht. De Advocaat-Generaal beschrijft hoe moet worden beoordeeld of sprake is van een winstuitdeling in deze situatie.

De eerste vraag is of het zo goed als zeker is dat aflossing uitblijft, uitsluitend als gevolg van het handelen van de vennootschap ten gunste van de DGA als zodanig. Is het antwoord op deze vraag ‘ja’, dan moet een winstuitdeling worden aangenomen. Indien het antwoord op de vraag ‘nee’ is, dan vindt geen winstuitdeling plaats. Er kan overigens ruimte zijn om een deel van de lening niet als winstuitdeling in aanmerking te nemen. De Advocaat-Generaal heeft voorgesteld om het deel van de lening waarvoor ook een onafhankelijke derde (dus niet de DGA) onder dezelfde omstandigheden als de DGA de schuld niet zou hebben afgelost, niet als winstuitdeling aan te merken.

Wie heeft de bewijslast?

De bewijslast dat sprake is van een winstuitdeling ligt bij de inspecteur. Het is aan hem om feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit naar voren komt dat de lening niet zal worden afgelost. Ook dient de inspecteur aannemelijk te maken dat de bv en de DGA zich hiervan bewust waren of hadden moeten zijn. Pas nadat de inspecteur dit aannemelijk maakt, is het aan u om dit gemotiveerd te weerleggen. Laat u daarom nooit verleiden om al met standpunten en argumenten te komen voordat de inspecteur aan zijn bewijslast heeft voldaan.

Advisering DGA en lenen van de bv

Wij adviseren vaak DGA’s over lenen van het eigen bedrijf en de gevolgen hiervan. Deze gevolgen kunnen namelijk verstrekkend zijn. Het is belangrijk om het rentepercentage juist te bepalen en een degelijke leningsovereenkomst op te stellen. Wordt u geconfronteerd met de stelling van de Belastingdienst dat sprake is van een winstuitdeling? Dan kan dat flink in de papieren lopen. Ook dan is contact opnemen met één van onze specialisten verstandig. De Belastingdienst stelt vaak dat het gehele bedrag van de lening een winstuitdeling vormt maar, zoals uit bovenstaande blijkt, is dat te kort door de bocht. Vragen? Neem gerust contact op met één van onderstaande adviseurs.

Lening DGA en winstuitdeling [news] 2021-04-22 0000-00-00 0000-00-00 6976

De fiscaal slimme DGA

Eenmanszaak naast de bv

Een fiscaal slimme DGA eet van twee walletjes en de rechter is het met hem eens. De DGA heeft zijn bedrijf (rentmeester) met nog twee andere personen ondergebracht in een bv. De opdrachten worden in de bv ondergebracht en 85% van de omzet wordt doorgeboekt naar de eenmanszaak van de DGA. Hierdoor is er sprake van een optimale fiscale planning. De DGA maakt gebruik van het laagste belastingtarief in zijn bv en tevens kan hij privé gebruik maken van de MKB-winstvrijstelling en de ondernemersaftrek. Het ging in deze casus goed, maar het gaat ook zeker heel vaak fout !

Procedure inzake eenmanszaak en bv

Henk heeft in 2011 een eenmanszaak inschreven bij de Kamer van Koophandel, daarna heeft hij zich ook gemeld bij de Belastingdienst. De ondernemingsactiviteiten bestaan uit de bemiddeling, advisering en verhuur van vastgoed, met name op het gebied van grond en pachtzaken. Henk is feitelijk in privé een rentmeester. Ook is Henk voor 1/3 aandeelhouder in een bv, deze bv is opgericht om gezamenlijk naar buiten te kunnen treden als rentmeester en het risico op te vangen. Ook worden bepaalde algemene kosten in de bv gedeeld over de 3 aandeelhouders.

Henk is zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van opdrachten en de uitvoering. De omzet wordt gefactureerd door de bv en vervolgens wordt 85% van de omzet van Henk op de bankrekening van zijn eenmanszaak bijgeschreven. De overige 15% (dit was eerst 8%) van de factuur blijft in de bv achter, dit is bestemd voor gemeenschappelijke kosten in de bv. De omzet in de bv wordt per rentmeester apart bijgehouden.

Henk is van mening dat dit mag en dat hij voor zijn eenmanszaak gewoon in box 1 de belasting moet afrekenen en gebruik mag maken van de ondernemersfaciliteiten, zoals de MKB-winstvrijstelling en de zelfstandigenaftrek.

Noot fiscaal jurist inzake eenmanszaak en bv

Een zorgvuldige opzet is van essentieel belang. Uitgangspunt is de gemaakte afspraken (civiele recht) en vervolgens de materiële (fiscale) gevolgen hiervan. Er is een bv en er is een eenmanszaak en beide hebben hun eigen activiteiten. Dat de bv als soort van "kostenmaatschap" wordt gebruikt mag dan ook geen probleem geven. De onderlinge werkzaamheden en contracten (tussen Henk, zijn eenmanszaak en de bv) moeten wel goed op papier worden gezet. In dit geval was de rechter het met Henk eens. Er is wel hoger beroep aangetekend, dus na 90 minuten staat Henk op voorsprong maar de verlenging is begonnen.

Bron eenmanszaak naast de bv

Rechtbank Noord Nederland d.d. 17 september 2020 ECLI:NL:RBNNE:2020:4506)

Slimme DGA [news] 2021-07-01 0000-00-00 0000-00-00 7083

DGA leent geld aan B.V.

Een DGA leent geldt aan zijn B.V. of heeft een vordering op zijn B.V. De B.V. kan de lening - bijvoorbeeld door de coronacrisis of financiële tegenwind - niet terugbetalen. Kan de DGA de vordering in box 1 afboeken?

Fiscale gevolgen van vordering op de B.V.

Veel bedrijven komen in de financiële problemen door de coronacrisis. Vorderingen kunnen hierdoor niet meer worden afgelost en / of rente kan niet meer worden betaald. De vordering heeft hierdoor een lagere waarde (dan de nominale waarde). Kan een DGA zijn vordering op zijn B.V. afboeken als de B.V. het lastig krijgt?

Fiscale voorziening in box 1 voor DGA

Mag de DGA per eind 2019 een fiscale voorziening vormen voor het mogelijke risico dat (een deel van) de vordering niet door de B.V. kan worden terugbetaald? Omdat dit per eind 2019 moet worden beoordeeld, lijkt een dergelijke voorziening niet mogelijk. Eind 2019 viel in redelijkheid niet te verwachten dat de situatie inzake het coronavirus in China zich zou ontwikkelen tot een crisis in Nederland.

In de VPB-sfeer (in de B.V.) kan een dergelijke voorziening wel worden gevormd voor te verwachten verliezen in 2020, dit conform een speciale maatregel die hiervoor is bedacht.

Kwijtschelding van de vordering door de DGA

Als de vordering waardeloos is geworden, kan deze worden kwijtgescholden. Dit zal ervoor zorgen dat de B.V. winst maakt (kwijtscheldingswinst). De B.V. kan dan - onder voorwaarden - een beroep doen op de kwijtscheldingswinstvrijstelling. De winsten zijn dan niet belast met vennootschapsbelasting, de compensabele verliezen moeten wel worden ingeleverd.

Als de lening als een onzakelijke lening wordt aangemerkt, dan kan de lening niet worden afgeboekt in box 1. De bewijslast hiervoor rust bij de Belastingdienst, maar in diverse procedures lukt dit. Als de Belastingdienst kan bewijzen dat het een lening betreft die op onzakelijke gronden is verstrekt, dan is de vordering in privé niet aftrekbaar. Een kwijtschelding van een onzakelijke lening moet dan worden gezien als informeel kapitaal. Het verlies kan dan soms in box 2 in aftrek worden gebracht, ook hiervoor gelden een aantal voorwaarden. Verlies nemen in box 1 is voor de DGA aantrekkelijker dan verlies nemen in box 2.

DGA verstrekt leningen in 2020 i.v.m. coronacrisis

Als de DGA in 2020 een lening verstrekt aan zijn B.V. of een borgstelling gaat tekenen (t.b.v. de bancaire instelling), dan moet dit op zakelijke gronden plaatsvinden en goed en volledig worden vastgelegd. Hierbij moet de DGA handelen zoals een derde zou handelen. De Belastingdienst kan in deze lastige tijd eenvoudig stellen dat de DGA om persoonlijke redenen een lening heeft verstrekt, waarbij hij / zij op dat moment wist of kon weten dat deze niet zou worden terugbetaald, een zogenaamde bodemloze-put-lening. Als hiervan sprake is, dan kan de vordering (uiteindelijk) niet in box 1 worden afgewaardeerd.

Noot fiscaal jurist inzake afwaardering vordering DGA

Als een DGA een vordering wil afwaarderen en / of een nieuwe vordering wil verstrekken, is advisering door een fiscaal jurist van essentieel belang. Het risico dat de vordering uiteindelijk niet kan worden afgewaardeerd is groot. Ook moeten er diverse bescheiden (leningsovereenkomst, borgstellingsovereenkomst, borgstellingsvergoeding, notulen, bestuursbesluit, etc.) worden opgesteld en ondertekend. Als een persoon geld leent aan een bedrijf van een familielid, moet ook worden gekeken naar de risico's. Veelal zal de lening worden ondergebracht in box 3 (bij de schuldeiser). Er kan in voorkomende gevallen echter sprake zijn van een schenking, bijvoorbeeld als vader een lening verstrekt aan het bedrijf van zijn zoon. Ook hierbij is dus advisering wenselijk.

Heeft u vragen of opmerkingen, stuur ons gerust een mail voor een vrijblijvend advies.

Lening DGA aan BV [news] 2020-05-12 0000-00-00 0000-00-00 6571

Wetswijzigingen eigenwoningregeling 2022

De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst (een hele mond vol) heeft een brief aan de Tweede Kamer gestuurd waarin wijzigingen in de eigenwoningregeling worden beschreven. Deze wetswijzigingen moeten per 1 januari 2022 in werking treden en zullen onderdeel uitmaken van het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen. Dit wetsvoorstel zal op Prinsjesdag 2021 nader bekend worden gemaakt.

De wetswijzigingen bevinden zich allemaal op het gebied van de partnerrelaties. Zo wordt gekeken naar de bijleenregeling bij partners, aflossingssituaties bij partners en de gevolgen van een overlijden voor de eigenwoningregeling. De staatssecretaris noemt vier onderwerpen:

  • De bijleenregeling;
  • De aflossingsstand;
  • Bestaande eigenwoningschulden;
  • Overlijden.

Wij gaan hierna in op de wijzigingen per onderwerp. Zoals genoemd betreft het in deze fase voorstellen. Voorstellen kunnen in de praktijk nog wijzigen. De voorstellen hangen samen met de wijzigingen in het huwelijksvermogensrecht per 2018.

Wetswijziging bijleenregeling bij partners

De bijleenregeling is sinds 2004 opgenomen in de wet. Met deze regeling wordt de hypotheekrenteaftrek beperkt. Dat werkt als volgt. Indien bij de verkoop van een eigen woning een overwaarde wordt gerealiseerd, dan wordt deze aangemerkt als eigenwoningreserve. Bij de aankoop van een nieuwe woning moet de eigenwoningreserve worden besteed aan de nieuwe woning, althans daar gaat de wet vanuit. Dat betekent dat voor de hoogte van de eigenwoningreserve geen hypotheekrenteaftrek kan worden geclaimd. Een voorbeeld:

Op een woning rust een hypotheekschuld van € 180.000. De woning wordt verkocht voor € 200.000. De overwaarde bedraagt dan € 20.000. Stel dat daarna een woning wordt gekocht voor € 250.000. Voor een bedrag van € 20.000 kan dan geen hypotheekrenteaftrek worden benut. Dat betekent dat de maximale schuld voor de hypotheekrenteaftrek € 230.000 bedraagt en niet € 250.000.

Indien sprake is van partners, dan wordt de bijleenregeling per individu toegepast. Het resultaat is aan de persoon gebonden. Onder voorwaarden is het mogelijk om – bijvoorbeeld bij echtscheiding – de eigenwoningreserve aan de partner toe te delen. Indien sprake is van een huwelijksgemeenschap kan zelfs sprake zijn van een verplichte toerekening van de eigenwoningreserve. Het is op dit gebied waar zich knelpunten voordoen. Uit de toelichting van de staatssecretaris komt het volgende knelpunt naar voren.

Henk heeft een eigenwoningreserve van € 50.000. Henk gaat vervolgens trouwen. Er ontstaat een beperkte gemeenschap voor bezittingen en schulden die tijdens het huwelijk ontstaan of die voor het huwelijk al gezamenlijk waren. Als gevolg van het huwelijk wordt de eigenwoningreserve nu voor de helft toegerekend aan de nieuwe partner, ondanks dat er geen gezamenlijke eigen woning is geweest. Dat is de fiscale uitwerking. Binnen het huwelijksvermogensrecht heeft de nieuwe partner echter totaal geen aanspraak op de helft van dit bedrag. Dat is een verschil tussen belastingrecht en personen- en familierecht. En daar wringt het uiteraard.

De voorgestelde wetswijziging leidt ertoe dat toerekening van de eigenwoningreserve aan de partner nog slechts plaatsvindt indien:

  • Voor het huwelijk al sprake is geweest van een boedelmenging; en
  • Als er een huwelijk in algemene gemeenschap wordt gesloten.

Dit zal zich bijvoorbeeld voordoen als de woning die is verkocht al voor het huwelijk gezamenlijk eigendom was. Toerekening is dan – in de ogen van de wetgever – niet onredelijk.

Een ander knelpunt dat zich bij de bijleenregeling voordoet is het volgende. Bij een gezamenlijke aankoop en financiering kan het zijn dat een schuld niet voor hypotheekrenteaftrek in aanmerking komt, omdat het eigenwoningverleden niet verdeeld kan worden. Momenteel kan dit op basis van goedkeurend beleid overigens wel. Dit goedkeurend beleid zal in de wet worden opgenomen. Er wordt dan gekeken wat de maximale eigenwoningschuld is die de partners mogen aangaan en of er voldoende eigen middelen worden ingezet. Een voorbeeld:

De woning kost € 200.000. De woning wordt gefinancierd met een gezamenlijke lening van € 150.000 en één van de partners heeft een eigenwoningreserve van € 50.000. Op grond van het huidige recht ontstaat nu een knelpunt in de renteaftrek. Hierna spreken wij over partner 1 en partner 2.

Partner 1 is tot de helft van de woning gerechtigd (€ 100.000) en tot de helft van de schuld (€ 75.000). De maximale eigenwoningschuld bedraagt voor partner 1 echter de woningwaarde voor partner 1, verminderd met de eigenwoningreserve. Dat leidt tot een bedrag van € 50.000 (€ 100.000 - € 50.000). Het overige deel van de schuld van partner 1, zijnde € 25.000 (€ 75.000 - € 50.000), komt niet voor renteaftrek in aanmerking.

Partner 2 is op dezelfde wijze tot de woning gerechtigd, maar heeft geen eigenwoningreserve. Voor zijn deel is renteaftrek over € 75.000 mogelijk.

Onderaan de streep vindt – bekeken op gezamenlijk niveau – renteaftrek plaats over € 125.000.

Na de wetswijziging pakt de regeling gunstiger uit. Er wordt dan gekeken naar de maximale hypotheekrenteaftrek voor de partners gezamenlijk en dat is € 200.000 (woningwaarde) minus € 50.000 (eigenwoningreserve). Doordat nu op totaalniveau een beoordeling plaatsvindt, kan renteaftrek plaatsvinden over de volledige € 150.000.

Bovenstaande vormt een welkome wijziging van de wetgeving. In de praktijk zal bij gezamenlijke aankoop en financiering dan rekening worden gehouden – op gezamenlijk niveau – met de maximale eigenwoningschuld en de bijleenregeling.

Wetswijziging aflossingsstand in partnersituaties

De aflossingsstand is van belang om te bepalen of een schuld nog in aanmerking komt voor hypotheekrenteaftrek. Deze stand laat zien hoe op het moment van het aangaan van een eigenwoningschuld, de resterende looptijd en renteaftrektermijn wordt beperkt. Zo een beperking kan bijvoorbeeld plaatsvinden, omdat voor het bedrag van de schuld al een aantal jaar renteaftrek is genoten. De renteaftrek duurt namelijk maximaal dertig jaar. Er ontstaat alleen een aflossingsstand indien er sprake is van een verkoop van een eigen woning. Een eenvoudig voorbeeld bij de aflossingsstand:

Een woning wordt gefinancierd met een schuld van € 200.000. Deze moet in dertig jaar worden afgelost. Na tien jaar wordt de woning verkocht en de schuld bedraagt dan nog € 150.000. Deze € 150.000 wordt als aflossingsstand genoteerd. Indien een nieuwe woning wordt gekocht, dan kan voor een bedrag van € 150.000 nog maximaal twintig jaar renteaftrek worden genoten.

Momenteel wordt de aflossingsstand aan beide partners toegerekend naar rato van de gerechtigdheid tot de huwelijksgemeenschap. Daarbij is niet relevant of er ook een gezamenlijke woning wordt aangekocht. Stel dus dat er een woning is die geen onderdeel is van de huwelijksgemeenschap, dan wordt alsnog de aflossingsstand verdeeld. Dat wordt als onwenselijk gezien. De wetswijziging die nu is voorgesteld maakt dat de aflossingsstand in beginsel blijft toebehoren aan de partner bij wie deze is ontstaan.

De aflossingsstand kan ook voor knelpunten zorgen bij een gezamenlijke aankoop en financiering van een woning. De voorgestelde wijziging komt erop neer dat het wordt toegestaan dat de aflossingsstand gedeeltelijk vervalt als deze feitelijk bezien op gezamenlijk niveau is toegepast. Een wat cryptisch verwoorde bepaling die zich met een voorbeeld goed laat illustreren.

Partner 1 heeft een aflossingsstand van € 100.000. Partner 2 heeft geen aflossingsstand. Vervolgens trouwen partner 1 en partner 2 met elkaar. De aflossingsstand blijft geheel van partner 1. Vervolgens wordt een woning gezamenlijk gekocht en gefinancierd. De woning zal in de huwelijksgemeenschap vallen. De woning kost € 160.000.

Onder het huidige recht is de uitwerking als volgt. Partner 1 is gerechtigd tot de helft van de schuld, zijnde € 80.000. Dat geldt ook voor partner 2. Daarna wordt per leningdeel nog de toerekening verricht. Dat betekent dat partner 1 voor de helft van de schuld (€ 40.000) de aflossingsstand moet benutten. De andere helft komt niet voor benutting van de aflossingsstand in aanmerking en er resteert ook nog eens € 20.000 van de oorspronkelijke aflossingsstand. Partner 1 ziet dus € 40.000 aan lening naar box 3 gaan en blijft zitten met een aflossingsstand van € 60.000.

Onder het nieuwe recht werkt dit eenvoudiger uit. Voor het deel van de schuld dat aan partner 1 toebehoort (€ 80.000) wordt de aflossingsstand benut en voor de andere helft niet. De aflossingsstand is dan voor € 80.000 benut en de laatste € 20.000 blijft staan.

Samengevat komt deze wijziging dus op het volgende neer. De aflossingsstand bij gezamenlijke aankoop en financiering van een eigen woning vindt plaats voor ten minste het bedrag van het aandeel in de schuld van de partner die de aflossingsstand heeft.

Wetswijziging bestaande eigenwoningschulden

Ook voor situaties waarin een bestaande eigenwoningschuld een rol speelt, zal de wet worden veranderd. Een eerste knelpunt doet zich hier voor in oversluitsituaties. Dat zijn situaties waarin in een kalenderjaar de schuld geheel of gedeeltelijk wordt afgelost. Daarbij geldt als voorwaarde dat uiterlijk in het kalenderjaar dat volgt, een nieuwe schuld tot ten hoogste het afgeloste bedrag in verband met de eigen woning wordt afgesloten. Er doet zich echter iets onwenselijks voor op het moment dat sprake is van gezamenlijke aankoop en financiering van een woning met een partner. Een voorbeeld ter illustratie.

Partner 1 heeft een bestaande eigenwoningschuld van € 150.000. De nog lopende termijn is 20 (van de 30) jaar. Er is geen eigenwoningreserve. Partner 1 gaat met Partner 2 samenwonen. Er wordt gezamenlijk een woning gekocht en gefinancierd. Deze woning kost € 200.000. Er wordt een aflossingsvrije lening afgesloten van € 150.000 en voor het restant van € 50.000 een annuïtaire lening.

Partner 1 en 2 zijn ieder gerecht tot € 100.000 van de woningwaarde en ook tot de helft van de beide schulden. De schuld van partner 1 is volledig aan te merken als bestaande eigenwoningschuld, aangezien de helft van de totale schuld minder bedraagt dan de bestaande eigenwoningschuld. Dat geldt niet voor partner 2, want die heeft geen bestaande eigenwoningschuld en kan daardoor het aflossingsvrije deel onder de regeling bestaande eigenwoningschulden niet in box 1 houden. Een aflossingsvrije lening kwalificeert immers niet als eigenwoningschuld voor de hypotheekrenteaftrek.

Onder de nieuwe regeling kan in bovenstaande situatie de bestaande eigenwoningschuld worden ingezet door de partners gezamenlijk en naar rato van het aandeel in de schuld. Dit verandert de afloop van het bovenstaande voorbeeld als volgt.

De bestaande eigenwoningschuld van partner 1 kan nu door beide partners gezamenlijk worden ingezet naar rato van het aandeel in de schuld. Partner 1 en 2 kunnen dan ieder voor maximaal 50% van de bestaande eigenwoningschuld het overgangsrecht benutten. De bestaande eigenwoningschuld bedroeg € 150.000. De gezamenlijke aflossingsvrije lening bedraagt eveneens € 150.000. Partner 1 en 2 kunnen hiervan beiden hun deel van € 75.000 als bestaande eigenwoningschuld aanmerken. Dat leidt ertoe dat de gehele aflossingsvrije lening voor renteaftrek in aanmerking komt. Dan resteert het annuïtaire deel van € 50.000, doch annuïtaire leningen vallen in beginsel al onder de renteaftrek, mits uiteraard aan de overige voorwaarden is voldaan. In tegenstelling tot onder het voorbeeld naar huidig recht, houdt dus ook partner 2 zijn aflossingsvrije leningdeel in box 1.

Bovenstaande leidt ertoe dat er meer hypotheekrenteaftrek mogelijk is. Zeker met de huidige rentepercentages is het niet altijd gegeven dat hypotheekrenteaftrek in box 1 de meest optimale situatie is. Er zijn belastingplichtigen die er de voorkeur aan geven om deze schulden in box 3 te hebben. Voor deze categorie belastingplichtigen is het goed om te weten dat de staatssecretaris heeft aangekondigd dat het een ‘kan-bepaling’ betreft. Dat betekent dat het niet verplicht is van deze mogelijkheid gebruik te maken. Indien geen gebruik wordt gemaakt van deze bepaling, blijft de uitwerking ten opzichte van het oude recht ongewijzigd.

In samenhang met bovenstaande wijzigt ook de regel die geldt indien tijdens de periode van het oversluiten boedelmenging plaatsvindt. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij het aangaan van een huwelijk in algehele gemeenschap van goederen. Nu is het zo dat een overgesloten bestaande eigenwoningschuld, indien het een gezamenlijke lening betreft, naar rato wordt verdeeld over de partners. Hier komt een kan-bepaling voor in de plaats. Deze verdeling is dus niet langer verplicht.

Wetswijzigingen overlijden en eigen woning

Een gebeurtenis die in de praktijk voor veel vraagtekens zorgt, is het overlijden en de gevolgen hiervan voor de eigenwoningregeling. Een groot deel van de onduidelijkheid komt omdat voor veel mensen niet duidelijk is of overlijden nu leidt tot een vervreemding of juist niet.

Onder het huidige recht is het vervreemdingsbegrip uitgebreid gedefinieerd. Van een vervreemding is sprake als er iets gebeurt waardoor de eigen woning voor de belastingplichtige geen eigen woning meer is. Bij overlijden is dat ontegenzeggelijk het geval. Daarnaast is in de wet opgenomen dat bij vervreemding / verwerving van de woning krachtens erfrecht tussen partners geen sprake is van een vervreemding / verwerving. Het gevolg is dat bij overlijden de eigenwoningreserve en de aflossingsstand kunnen overgaan op de langstlevende partner, maar dit is afhankelijk van diverse omstandigheden / randvoorwaarden. Dat maakt de regeling complex.

Met betrekking tot de gevolgen bij overlijden wordt het vervreemdingsbegrip onder de nieuwe regels aangepast. Hierdoor is bij overlijden altijd sprake van een vervreemding van de eigen woning. Tevens wordt opgenomen dat de verwerving krachtens erfrecht niet een verwerving in de zin van de eigenwoningregeling is. Dat heeft voor de praktijk de volgende gevolgen, waarbij wij tevens ingaan op hoe de regeling nu werkt.

Wetswijziging overlijden en bijleenregeling

Het kan zijn dat er al een eigenwoningreserve is of dat deze bij overlijden ontstaat. Dit laatste doet zich voor bij overlijden, tenzij de woning krachtens erfrecht overgaat op de partner. Dat is de uitwerking onder huidig recht. Het wel of niet overgaan van de eigenwoningreserve is daarmee dus afhankelijk van de vraag of er sprake is van een vervreemding bij overlijden en staat geheel los van de economische werkelijkheid met betrekking tot de woning en de gerechtigdheid hiertoe. Dit gaat de wetgever veranderen.

Onder het nieuwe recht is bij overlijden per definitie sprake van een vervreemding. Er ontstaat dan een eigenwoningreserve. Deze komt naast een eventuele eigenwoningreserve die de overledene al heeft. De eigenwoningreserve is per 1 januari 2022 echter weer strikt gebonden aan de belastingplichtige. Als gevolg van overlijden komt de eigenwoningreserve dan te vervallen. Deze gaat nooit over naar de langstlevende partner.

Wetswijziging overlijden en aflossingsstand

Bij overlijden kan van twee situaties sprake zijn. Ten eerste kan het zo zijn dat er al een aflossingsstand is. Ten tweede kan het overlijden leiden tot een aflossingsstand. Bij overlijden gaat de aflossingsstand over op de partner. Afhankelijk van de vraag of sprake is van een vervreemding, gaat alleen de bestaande aflossingsstand over of ook de aflossingsstand die ontstaat bij overlijden. Zoals eerder aangegeven is dat onder het huidige recht afhankelijk van het antwoord op de vraag of de woning krachtens erfrecht tussen partners op de partner overgaat. Het overgaan van de aflossingsstand vindt dus plaats zonder dat wordt gekeken naar de betrokkenheid van de partner bij de schulden die tot de aflossingsstand hebben geleid. Dit acht de wetgever ongewenst.

Onder het nieuwe recht is bij overlijden per definitie sprake van een vervreemding. Er zal dan een aflossingsstand ontstaan en die komt na een eventueel al bestaande aflossingsstand. Deze aflossingsstand zal echter wordt gekoppeld aan de persoon van de belastingplichtige. Dat leidt ertoe dat bij overlijden de aflossingsstand komt te vervallen en nooit overgaat naar de partner.

Wetswijziging overlijden en aflossingsschema / aftrektermijn

Bij het overlijden van de belastingplichtige gaat het aflossingsschema over op de partner die de eigenwoningschuld verkrijgt. Dit zal met de nieuwe wetgeving niet veranderen. Dus: indien een eigenwoningschuld bij overlijden overgaat op de partner, gaat ook het aflossingsschema van de schuld over op de partner.

Met betrekking tot de renteaftrektermijn geldt dat deze eveneens overgaat op de partner. Dit leidt ertoe dat de bewoning kan worden voorgezet zonder fiscale beperkingen. Die regeling blijft overeind. Er komt echter wel een uitbreiding in de vorm van een kan-bepaling. Deze bepaling is ontleend aan een bepaling die reeds onderdeel uitmaakt van de wetgeving. Op grond van deze bepaling kan de langstlevende partner ervoor kiezen om de ruimte voor een bestaande eigenwoningschuld van de overledene te benutten. Dit is niet verplicht. Dit zal zich voordoen indien de langstlevende binnen de oversluittermijn een nieuwe lening aangaat.

Advisering eigen woning en fiscaliteit

De eigenwoningregeling laat zich op hoofdlijnen makkelijk uitleggen en de hypotheekrenteaftrek is een zeer bekende fiscale faciliteit. Uit bovenstaande komt echter ook naar voren dat er in de praktijk knelpunten ontstaan. Deze knelpunten worden vaak met ingewikkelde regelgeving en gedetailleerde uitzonderingen gerepareerd. Voor de praktijk wellicht interessant, maar het maakt wet- en regelgeving (onnodig) complex en dat werkt frustrerend. Het zou toch beter zijn als een huis kan worden gekocht of een nalatenschap kan worden afgewikkeld, zonder dat tegen ingewikkelde, fiscale verplichtingen wordt aangelopen.

Hebt u problemen met de eigen woning of zit u in een situatie waarin de gevolgen voor u onduidelijk zijn? Neem dan gerust eens contact op met één van onderstaande adviseurs om vrijblijvend over uw situatie te spreken.

Wetswijzigingen eigenwoningregeling 2022 [news] 7205

Fiscale procedure over de hypotheekrenteaftrek

De rente op een zogenaamde eigenwoningschuld, behoort tot de aftrekbare kosten in de inkomstenbelasting. Dit wordt ook wel de hypotheekrenteaftrek genoemd. Niet iedere schuld die iets met de eigen woning te maken heeft is echter een eigenwoningschuld. Aan de volgende voorwaarden moet zijn voldaan om van een eigenwoningschuld te kunnen spreken:

  1. De schuld is aangegaan in verband met een eigen woning;
  2. Er is een contractuele verplichting om de schuld af te lossen in ten hoogste 30 jaar;
  3. Er is een contractuele verplichting om de aflossing ten minste annuïtair te laten verlopen;
  4. Aan de aflossingsverplichting wordt voldaan;
  5. Indien de schuld is aan bij een zogenaamde niet-aangewezen-administratieplichtige, moet zijn voldaan aan de informatieverstrekkingseis.

De mogelijkheid om de hypotheekrente af te trekken is niet onomstreden. Steeds vaker komt de discussie terug of niet sprake is van een onnodige subsidie op het bezit van de eigen woning. Gezaghebbende partijen zoals de DNB en het IMF pleiten voor een forse stelselwijziging, bijvoorbeeld door de eigen woning over te hevelen naar box 3. De voornaamste vraag daarbij lijkt te zijn welke politieke partij het aandurft om dit voorstel ook daadwerkelijk in te dienen.

Hebt u vragen over de hypotheekrenteaftrek of een fiscale procedure? Neem dan gerust rechtstreeks contact op met één van de auteurs onderaan deze pagina

Geschillen over de hypotheekrenteaftrek

De regeling over de hypotheekrenteaftrek lijkt eenvoudig en is dat in de meeste situaties ook. Echter, met enige regelmaat ontstaat tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst toch discussie over de aftrekbaarheid van bepaalde renten. Zo deed de Rechtbank Noord-Nederland op 6 augustus 2021 uitspraak in een zaak waarin de volgende geschilpunten op tafel lagen:

  • Mocht de Belastingdienst de hypotheekrenteaftrek weigeren?
  • Is er sprake van gerechtvaardigd vertrouwen op basis van informatie van de adviseur van de belastingplichtige?
  • Is er sprake van gerechtvaardigd vertrouwen op basis van informatie die op de website van de Belastingdienst staat?
  • Zijn de vergrijpboeten terecht opgelegd?

Hierna beschrijf ik eerst wat er in deze zaak precies aan de hand was. Daarna geef ik het oordeel van de rechtbank weer over bovenstaande geschilpunten.

Feiten bij geschillen over hypotheekrenteaftrek

De broer van de belastingplichtige heeft een woning gebouwd. De belastingplichtige huurt deze woning eerst van de broer en later van de dochter van de belastingplichtige. Van eigendom is aan de zijde van de belastingplichtige nooit sprake geweest; ook is geen sprake geweest van een recht van vruchtgebruik. Het betreft een duidelijke huurconstructie. In 2004 komt de dochter, waar de woning van wordt gehuurd, ook in de woning wonen. Daarna vinden een aantal verbouwingen plaats die er uiteindelijk toe leiden dat op het perceel een zelfstandige woning staat die de dochter gaat bewonen. Deze zelfstandige woning heeft geen eigen huisnummer.

De verbouwing wordt gefinancierd door de dochter. Zij gaat hiervoor een hypothecaire geldlening aan. De belastingplichtige staat borg en tekent een ontruimingsclausule. De dochter betaalt de rente op de geldlening. Dit gaat door tot 2009. Dan verhuist de dochter en gaat de andere dochter van belastingplichtige in de zelfstandige woning wonen. De rente wordt dan nog steeds betaald door de dochter die ondertussen is verhuisd.

In 2013 wendt de belastingplichtige zich online tot een gratis adviseur. Hij schetst het feitencomplex en geeft aan dat de woning eigendom is van dochter en dat de hypotheek op naam staat van hem, de dochter en zijn vrouw (die in 2019 overlijdt). De adviseur geeft aan dat de rente mag worden afgetrokken. Het administratiekantoor dat de belastingaangiften doet heeft twijfels over de juistheid van handelen. Echter, op basis van het antwoord van de adviseur gaat het kantoor toch over tot het in aftrek brengen van de hypotheekrente.

De Belastingdienst bekijkt de zaak en spreekt in februari 2017 met het administratiekantoor dat de belastingaangiften doet. Het administratiekantoor verstrekt de stukken en verwijst naar het antwoord dat is verkregen van de gratis adviseur. Naar aanleiding van deze bespreking en vermoedelijk wat nader onderzoek, kondigt de Belastingdienst in februari 2018 aan over te willen gaan tot het opleggen van navorderingsaanslagen. Reden: ten onrechte is de hypotheekrenteaftrek toegepast. In april 2018 geeft de Belastingdienst vervolgens aan ook over te gaan tot boeteoplegging. Het voornemen is om vergrijpboetes op te leggen van 50%. Dat betekent ook dat de Belastingdienst van mening is dat sprake is van opzet of grove schuld.

Op 28 juli 2018 volgen uiteindelijk de navorderingsaanslagen over 2012, 2014 en 2015.

Is de hypotheekrenteaftrek hier terecht geweigerd?

De rechtbank beschrijft eerst wanneer sprake is van een woning die als eigen woning kwalificeert. Het gaat dan niet alleen om de woning die de belastingplichtige in eigendom heeft. Van een eigen woning is ook sprake indien de woning ter beschikking staat op grond van een recht van vruchtgebruik, recht van bewoning of een recht van gebruik dat krachtens erfrecht is ontstaan. Een aanvullende voorwaarde is steeds dat de voordelen uit de woning voor de belastingplichtige zijn, maar dat ook de kosten op hem (of zijn partner) drukken. De eigenwoningregeling is daarmee breder dan belastingplichtigen in de praktijk – zo valt ons regelmatig op – denken.

In deze zaak is sprake van een woning die in eigendom is van de dochter. Van vruchtgebruik, bewoning of gebruik krachtens erfrecht is naar het oordeel van de rechtbank eveneens geen sprake. De belastingplichtige (en destijds zijn partner) kwalificeren als huurders van de woning. Dat betekent dat voor de belastingplichtige geen sprake is van een eigen woning in de zin van de wet op de inkomstenbelasting 2001. Dat betekent eveneens dat geen sprake kan zijn van hypotheekrenteaftrek; zonder eigen woning immers geen eigenwoningschuld.

Is hypotheekrenteaftrek mogelijk wegens vertrouwen op adviseur?

De belastingplichtige is van mening dat – ondanks dat het wettelijk gezien niet mogelijk is – de hypotheekrenteaftrek niet gecorrigeerd kan worden. Hij heeft naar eer en geweten gehandeld op grond van het advies van de gratis adviseur en het administratiekantoor heeft de hypotheekrenteaftrek ook in de aangifte opgenomen. Daar moet hij als belastingplichtige op kunnen vertrouwen. De Belastingdienst is het hiermee oneens.

De rechtbank geeft aan dat een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen mogelijk is indien het uitlatingen betreft van de zijde van de overheid. Het vertrouwensbeginsel werkt niet door naar uitlatingen van adviseurs en / of administratiekantoren. Deze uitlatingen kunnen (uiteraard) ook niet aan de Belastingdienst worden toegerekend. Het beroep op het vertrouwensbeginsel in verband met de uitlatingen van de gratis adviseur en het handelen van het administratiekantoor faalt daarmee.

Is hypotheekrenteaftrek mogelijk wegens vertrouwen op website Belastingdienst?

De belastingplichtige heeft een uitdraai gemaakt van de website van de Belastingdienst. Het gaat om de pagina(‘s) met informatie over de hypotheekrenteaftrek. Op deze pagina staat dat de hypotheekrenteaftrek maximaal 30 jaar aftrekbaar is in box 1. Deze informatie wekt volgens de belastingplichtige het vertrouwen op dat rente op een hypothecaire schuld voor de woning aftrekbaar is. De Belastingdienst bestrijdt dit standpunt en geeft aan dat het zeer algemene informatie betreft die ook nog eens onderdeel is van een breder scala aan informatie over dit onderwerp. Voorts kan – volgens de Belastingdienst – geen vertrouwen worden ontleend aan dergelijke algemene informatie. Ook niet als deze op de website van de Belastingdienst is opgenomen.

Voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel moet sprake zijn van een toezegging van de zijde van de overheid (de Belastingdienst in deze) of een andere uitlating / gedraging. Uit de toezegging / uitlating / gedraging moet de belastingplichtige redelijkerwijs mogen afleiden of, en zo ja hoe de Belastingdienst zijn bevoegdheden in zijn situatie zal uitoefenen. Deze regel volgt uit vaste rechtspraak.

In dit geval heeft de belastingplichtige niet aan de bewijslast voldaan dat van zo’n toezegging / uitlating / gedraging sprake is. De informatie op de website van de Belastingdienst heeft te maken met de periode waarover de renteaftrek mogelijk is. Dat zegt echter niets over de vraag of sprake is van een eigen woning of van een schuld met betrekking tot die eigen woning. Daarom faalt ook dit beroep op het vertrouwensbeginsel.

Terechte vergrijpboete bij foutief gebruik hypotheekrenteaftrek?

De Belastingdienst heeft vergrijpboeten opgelegd. Bij het opleggen van zo’n boete rust de bewijslast op de Belastingdienst. Alleen laten zien dat ten onrechte de hypotheekrenteaftrek is gebruikt, is onvoldoende. Een vergrijpboete vereist namelijk opzet of grove schuld aan de zijde van de belastingplichtige. Indien de belastingplichtige gebruik heeft gemaakt van een adviseur, dan is de vraag of hij deze adviseur voldoende deskundig mocht achten. De adviseur bij wie niet aan een goede / zorgvuldige taakuitoefening getwijfeld hoeft te worden, hoeft de belastingplichtige niet steeds te controleren. Van opzet / grove schuld zal dan minder snel sprake zijn.

De ondergrens om opzet aan te nemen ligt bij de zogenaamde voorwaardelijke opzet. Daarvan is sprake als de belastingplichtige willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardt dat een bepaald gevolg – in dit geval het ten onrechte gebruikmaken van een fiscale faciliteit – optreedt. Van grove schuld is sprake indien de belastingplichtige zo onachtzaam handelt, dat dit aan opzet grenst. Ook hier geldt dat het aan de Belastingdienst is om het bewijs te leveren. In de zaak van deze belastingplichtige meent de Belastingdienst dat sprake is van opzet of voorwaardelijke opzet.

De Belastingdienst komt tot deze mening omdat de belastingplichtige eerst te horen kreeg dat iets niet kon en toen op zoek is gegaan naar iemand die wilde zeggen dat het wel kon. Dat bleek uiteindelijk de gratis adviseur te zijn. Daarnaast heeft de belastingplichtige volgens de Belastingdienst onvoldoende openheid van zaken gegeven. Daarmee is door de belastingplichtige bewust de aanmerkelijke kans op een te lage aanslag aanvaard. De boete van 50% is daarmee – volgens de Belastingdienst – terecht.

De belastingplichtige is het daarmee oneens. Hij heeft inderdaad gezocht naar manieren om de rente af te trekken, maar meent dat hij daarbij mag vertrouwen op het advies van anderen. Daarnaast heeft hij niet zelf de belastingaangifte gedaan, maar heeft het administratiekantoor dit voor zijn rekening genomen.

De rechtbank oordeelt dat het administratiekantoor al jaren de aangiften doet. Daarbij is tot het moment dat de gratis adviseur zijn advies had gegeven de hypotheekrenteaftrek nooit benut. Het administratiekantoor heeft er in eerste instantie ook op gewezen dat de rente niet afgetrokken kon worden, maar is overstag gegaan op verzoek van de belastingplichtige en nadat de belastingplichtige advies had ingewonnen. De rechtbank kijkt daarom ook naar de totstandkoming van het advies. Daarbij wordt vastgesteld dat het verkregen advies gebaseerd is op informatie die de belastingplichtige heeft aangeleverd en deze informatie is onjuist. De belastingplichtige gaf namelijk aan dat sprake was van vruchtgebruik terwijl, zo oordeelde de rechtbank, sprake is van een huursituatie. Ook is het niet belastingplichtige zelf die de rente betaalt.

Het bewust verstrekken van onjuiste informatie aan de gratis adviseur en het administratiekantoor rechtvaardigt het oordeel dat de belastingplichtige bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op een te lage aanslag. Het argument dat de aangifte niet zelf is ingediend biedt dan onvoldoende bescherming tegen de vergrijpboete. De regel dat vertrouwd mag worden op een kundig adviseur gaat namelijk niet op als niet alle voor de aangifte relevante informatie is verstrekt. De vergrijpboeten zijn terecht opgelegd. De hoogte van de boete (50%) is passend en geboden. Toch worden de boeten gematigd. Dat komt omdat de redelijke termijn voor het afdoen van de boete zaak is overschreden.

Uitspraak in geschil hypotheekrenteaftrek

De rechtbank laat de navorderingsaanslag intact en dat geldt ook voor de vergrijpboeten. Deze worden wegens termijnoverschrijding wel gematigd. De proceskosten worden niet vergoed.

De uitspraak: ECLI:NL:RBNNE:2021:3392.

Fiscale procedures en hypotheekrenteaftrek

De hypotheekrenteaftrek is in opzet relatief eenvoudig, maar zorgt in de praktijk regelmatig voor hoofdbrekens. Dat komt ook door de ingewikkelde regelingen die samenhangen met de hypotheekrenteaftrek, zoals de bijleenregeling. Niet zelden leidt dit jaren na dato tot navorderingsaanslagen en meningsverschillen met de Belastingdienst. In veel gevallen kan door een second opinion van een fiscaal deskundige de zaak worden beslecht. Soms is de navorderingsaanslag helaas terecht en soms heeft de Belastingdienst het bij het verkeerde eind. Een inschatting van de procedurekansen op basis van een second opinion is, zeker in dit soort dossiers, sterk aan te raden.

Hebt u behoefte aan een second opinion op een dossier over de hypotheekrenteaftrek? Of op een dossier dat over een geheel ander fiscaal onderwerp gaat? Neem dan gerust rechtstreeks contact op met één van onderstaande auteurs. Wij geven graag vrijblijvend aan wat wij voor u kunnen betekenen.

Geschil hypotheekrenteaftrek [news] 7177

Aftrek zorgkosten dermatoloog, chiropractor en vervoer

Specifieke zorgkosten zijn onderdeel van de persoonsgebonden aftrekposten in de inkomstenbelasting. Uitgaven die zijn gedaan wegens ziekte of invaliditeit mogen onder voorwaarden in aftrek worden gebracht op het inkomen. De persoonsgebonden aftrek vermindert het inkomen in box 1. Indien de aftrek hoger is dan het inkomen, mag het restant mee worden genomen naar box 3 en daarna naar box 2.

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 24 juni 2021 uitspraak gedaan in een zaak waarin belanghebbende meent recht te hebben op een hogere aftrek van specifieke zorgkosten. In dit artikel zullen wij deze uitspraak behandelen.

Geschil over aftrek van zorgkosten inkomstenbelasting

Door belanghebbende zijn in 2015 kosten gemaakt voor een behandeling bij de dermatoloog en chiropractor. Tevens zijn er kosten gemaakt voor het vervoer naar deze behandelingen.

Tussen partijen is in geschil of de inspecteur terecht een deel van de aangevoerde uitgaven voor specifieke zorgkosten heeft afgewezen. Op belanghebbende rust in deze situatie de bewijslast om aannemelijk te maken dat zij recht heeft op de extra aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten.

Belanghebbende moet aannemelijk maken dat de uitgaven voor de dermatoloog en chiropractor zien op behandelingen die ondergaan zijn wegens ziekte of invaliditeit. Tevens zal aannemelijk moeten worden gemaakt dat de uitgaven voor vervoer niet behoren tot het normale bestedingspatroon van een persoon die niet ziek of invalide is. Deze persoon moet zich wel in een gelijke financiële en maatschappelijke positie bevinden als belanghebbende.

Standpunt belastingplichtige over aftrekbare zorgkosten

Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op aftrek van specifieke zorgkosten, gelet op de uitgaven voor genees- en heelkundige hulp. De zorgkosten mogen in aanmerking worden genomen indien deze door belanghebbende of haar partner zijn gemaakt. De echtgenoot van belanghebbende is door de huisarts verwezen naar de dermatoloog. De ingreep verricht door de dermatoloog was medisch noodzakelijk en niet slechts cosmetisch. Belanghebbende heeft een overzicht van de huisartsenpraktijk bijgevoegd, waaruit volgt dat de huisarts de echtgenoot naar de dermatoloog heeft verwezen.

Belanghebbende is van mening dat de kosten voor de chiropractor volledig aftrekbaar zijn. Volgens belanghebbende staat op de website van de Belastingdienst namelijk dat de kosten voor een chiropractor aftrekbaar zijn. Daarnaast heeft de huisarts de echtgenoot verwezen naar de chiropractor en de behandelingen hebben plaatsgevonden onder begeleiding en toezicht van de huisarts. Dit moet blijken uit de overgelegde brief door belanghebbende.

Tot slot stelt belanghebbende dat zij recht heeft op aftrek voor uitgaven in verband met vervoer.

Standpunt Belastingdienst over aftrekbare zorgkosten

De inspecteur heeft slechts een deel van de aftrekpost geaccepteerd. De inspecteur stelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de behandeling door de dermatoloog is ondergaan wegens ziekte of invaliditeit.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de kosten voor de chiropractor niet aftrekbaar zijn. Volgens de inspecteur valt een chiropractor niet onder de paramedici waarvoor geen verwijzing door een huisarts nodig is. Voor het recht op aftrek dienen de behandelingen bij de chiropractor daarom op voorschrift en onder begeleiding van een arts plaats te vinden. Volgens de inspecteur volgt uit de overgelegde brief slechts een terugkoppeling van de chiropractor en is er geen sprake van een behandeling op voorschrift van een arts.

Tot slot heeft de inspecteur slechts een gedeelte van de vervoerskosten voor aftrek in aanmerking genomen.

De wet over aftrekbare zorgkosten inkomstenbelasting

In de wet staat welke uitgaven behoren tot de specifieke zorgkosten. Van belang is dat het moet gaan om uitgaven die gedaan zijn wegens ziekte en invaliditeit. De volgende uitgaven kunnen kwalificeren als specifieke zorgkosten.

  • Uitgaven voor genees- en heelkundige hulp;
  • Uitgaven voor vervoer;
  • Uitgaven voor farmaceutische hulpmiddelen, verstrekt op voorschrift van een arts;
  • Andere hulpmiddelen, voor zover deze hoofdzakelijk door een zieke of invalide persoon worden gebruikt;
  • Uitgaven voor een op medisch voorschrift gehouden dieet;
  • Uitgaven voor extra kleding en beddengoed;
  • Uitgaven voor reiskosten ziekenbezoek;
  • Uitgaven voor extra gezinshulp.

In een afzonderlijk artikel over de specifieke zorgkosten worden bovengenoemde uitgaven uitgebreid behandeld. De link naar dit artikel vindt u onderaan deze pagina.

Gerechtshof over zorgkosten dermatoloog, chiropractor en vervoer

Het hof beantwoordt in deze zaak de volgende twee vragen.

  1. Heeft de inspecteur in 2015 terecht een deel van de aangevoerde uitgaven voor specifieke zorgkosten, in het bijzonder de genees- en heelkundige hulp en de reiskosten afgewezen?
  2. Heeft de inspecteur in 2016 terecht een deel van de aangevoerde uitgaven voor specifieke zorgkosten, in het bijzonder de reiskosten afgewezen?

Het hof oordeelt dat het begrip ‘ziekte’ niet nader in de wet wordt gedefinieerd. Volgens het hof kan ‘ziekte’ worden omschreven als een tijdelijke lichamelijke of psychische aandoening die een organisme belemmert in het normale functioneren. Uit het medisch dossier van de echtgenoot acht het hof aannemelijk dat de aandoening het normaal functioneren van de echtgenoot kan belemmeren. Hiermee heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat de uitgaven voor de dermatoloog zien op een behandeling die is ondergaan wegens ziekte of invaliditeit. Het hof is van oordeel dat de inspecteur de extra kosten voor de dermatoloog ten onrechte niet in aftrek heeft toegelaten.

De kosten voor de chiropractor zijn terecht niet in aftrek toegelaten. Belanghebbende heeft niet aannemelijk kunnen maken dat de behandeling door de chiropractor plaatsvond op voorschrift en onder begeleiding van de huisarts.

Tot slot is het hof van oordeel dat belanghebbende de omvang van de kosten van vervoer niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt. De berekening van de inspecteur ten aanzien van de vervoerskosten wordt door het hof redelijk en aannemelijk geacht.

Advisering over aftrekbare zorgkosten

In de aangifte inkomstenbelasting kunnen uitgaven worden aangemerkt als specifieke zorgkosten. De bewijslast rust in dit geval op de belastingplichtige, om aannemelijk te maken dat de kosten gemaakt zijn wegens ziekte of invaliditeit en niet worden gemaakt door een persoon die niet ziek of invalide is. In deze situatie denken wij graag met u mee om dit op een correcte wijze aannemelijk te maken. 

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel of bent u opzoek naar een passend advies? Neem dan gerust contact op met één van onderstaande auteurs.

Geschil aftrek specifieke zorgkosten [news] 7110

Specifieke zorgkosten in de inkomstenbelasting

In de inkomstenbelasting zijn persoonsgebonden aftrekposten opgenomen. De persoonsgebonden aftrek vermindert op bij wet voorgeschreven wijze het inkomen uit werk en woning (box 1), het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) en / of het inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2). Voorbeelden van deze posten zijn betaalde partneralimentatie, giften en uitgaven voor specifieke zorgkosten. Dit artikel behandelt diverse uitgaven die vallen onder de specifieke zorgkosten. Wij behandelen ook de van toepassing zijnde drempelbedragen en mogelijke verhogingen.

Rangorde bij persoonsgebonden aftrekposten in de inkomstenbelasting

De persoonsgebonden aftrek komt in mindering op het inkomen in box 1. Indien de aftrek niet volledig benut kan worden, bijvoorbeeld door een te laag inkomen, vindt verrekening plaats met het voordeel uit sparen en beleggen (box 3). Mocht ook dan nog aftrek resteren, dan komt dit in mindering op de reguliere en vervreemdingsvoordelen in box 2. Lukt het niet om het volledige bedrag te verrekenen met het inkomen, dan mag het restant van de persoonsgebonden aftrek mee worden genomen naar het volgende kalenderjaar.

Zorgkosten in de inkomstenbelasting

Specifieke zorgkosten zijn één van de persoonsgebonden aftrekposten in de inkomstenbelasting. Om uitgaven voor aftrek in aanmerking te nemen als specifieke zorgkosten, moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden:

  • De zorgkosten mogen niet onder het eigen risico vallen;
  • De kosten moeten in verband staan met ziekte of invaliditeit;
  • De kosten mogen slechts worden afgetrokken in het jaar waarin zij zijn gemaakt;
  • Er mag geen recht bestaan op een vergoeding voor de gemaakte zorgkosten;
  • De kosten zijn gemaakt voor een kwalificerende persoon.

Kwalificerende personen bij zorgkosten in de inkomstenbelasting

Onder specifieke zorgkosten vallen de uitgaven wegens ziekte of invaliditeit. Om dergelijke kosten in aanmerking te mogen nemen, moeten de kosten zijn gemaakt voor een ‘kwalificerende persoon’. Dit houdt in dat specifieke zorgkosten alleen in aanmerking komen indien de kosten zijn gemaakt:

  • Voor de belastingplichtige zelf;
  • Voor de fiscale partner van belastingplichtige;
  • Voor de kinderen van belastingplichtige die jonger zijn dan 27 jaar en die niet in staat zijn om de kosten zelf te betalen;
  • Voor ernstig gehandicapte personen van 27 jaar of ouder die tot het huishouden van de belastingplichtige behoren;
  • Voor ouders, broers of zussen die bij belastingplichtige in huis wonen en afhankelijk zijn van zijn zorg.

In het kader van bovenstaande opsomming zijn de begrippen ‘ernstig gehandicapt’ en ‘afhankelijk van zorg’ gedefinieerd. Van een ‘ernstig gehandicapt persoon’ is sprake indien de persoon – gelet op de aanwezige beperkingen – aanspraak maakt op opname in een bij de Wet langdurige zorg geregelde, intramurale inrichting. Van zorgafhankelijkheid is voor deze regel sprake indien de persoon, mocht hij niet bij de belastingplichtige wonen, aangewezen zou zijn op beroepsmatige hulp of verzorging en een verzorgingsinrichting of verpleeginrichting. Bij de uitleg van bovenstaande opsomming komt het dus sterk aan op de relevante feiten en omstandigheden.

Drempelbedrag bij zorgkosten in de inkomstenbelasting

De uitgaven mogen in aanmerking worden genomen indien deze een drempelbedrag te boven gaan. De hoogte van de drempel is afhankelijk van het verzamelinkomen van de belastingplichtige. In geval van fiscaal partnerschap geldt het verzamelinkomen zoals dat voor beide partners geldt. Bij partnerschap ligt ook het drempelbedrag hoger. In 2021 bedraagt het drempelbedrag ten minste € 139 en maximaal € 700. De drempel wordt vermeerderd met 5,75% van het verzamelinkomen dat hoger ligt dan € 42.434. 

Voorbeeld drempelbedrag specifieke zorgkosten inkomstenbelasting

Het inkomen van belastingplichtige bedraagt in 2021 € 25.000. Belastingplichtige heeft in 2021 € 1.200 aan uitgaven voor specifieke zorgkosten. Er is in 2021 geen sprake van fiscaal partnerschap.

Het inkomen ligt tussen de € 7.989 en € 42.434. Dit betekent dat de drempel 1,65% bedraagt van het inkomen. Het drempelbedrag bedraagt 1,65% van € 25.000 is € 412,50. Het drempelbedrag wordt in mindering gebracht op de uitgaven voor specifieke zorgkosten. Het bedrag dat belastingplichtige in zijn aangifte inkomstenbelasting mag aanmerken als specifieke zorgkosten, bedraagt € 787,50 (€ 1.200 - € 412,50).

Verhoging uitgaven zorgkosten inkomstenbelasting

Wanneer uitgaven worden gedaan in verband met specifieke zorgkosten en het verzamelinkomen niet meer bedraagt dan een bij wet bepaald bedrag, bestaat er recht op een verhoging van de specifieke zorgkosten. Dit houdt in dat er meer in aftrek mag worden gebracht dan er daadwerkelijk betaald is. De verhoging hangt af van de hoogte van het verzamelinkomen en de leeftijd van desbetreffende belastingplichtige op 1 januari. In geval van fiscaal partnerschap, wordt uitgegaan van het verzamelinkomen zoals dat voor beide partners geldt.

Uitgaven die kwalificeren als specifieke zorgkosten

In de wet staat welke uitgaven behoren tot de specifieke zorgkosten. Van belang is dat het moet gaan om uitgaven die gedaan zijn wegens ziekte en invaliditeit. De volgende uitgaven kunnen kwalificeren als specifieke zorgkosten.

  • Uitgaven voor genees- en heelkundige hulp;
  • Uitgaven voor vervoer;
  • Uitgaven voor farmaceutische hulpmiddelen, verstrekt op voorschrift van een arts;
  • Uitgaven voor andere hulpmiddelen, voor zover deze hoofdzakelijk door een zieke of invalide persoon worden gebruikt;
  • Uitgaven voor een op medisch voorschrift gehouden dieet;
  • Uitgaven voor extra kleding en beddengoed;
  • Uitgaven voor reiskosten ziekenbezoek;
  • Uitgaven voor extra gezinshulp.

Uitgaven voor genees- en heelkundige hulp inkomstenbelasting

Uitgaven voor genees- en heelkundige hulp worden onder voorwaarden voor aftrek in aanmerking genomen. Er moet een direct verband bestaat tussen de uitgaven voor de specifieke zorgkosten en de ziekte of invaliditeit van belastingplichtige. Er moet dus een medische reden ten grondslag liggen aan de uitgaven. Illustratief zijn:

  • Behandeling zonder verwijzing door onder andere een erkend fysiotherapeut, diëtist en mondhygiënist;
  • Behandeling op voorschrift en onder begeleiding van een arts door een paramedicus.

Uitgaven voor vervoer bij zorgkosten in de inkomstenbelasting

De vervoerskosten worden opgesplitst in twee onderdelen. Het gaat om de werkelijke uitgaven voor vervoer naar een arts of ziekenhuis, en de extra vervoerskosten door ziekte of invaliditeit.

Bij het berekenen van de werkelijke uitgaven mogen onder andere taxikosten, autokosten en kosten voor het openbaar vervoer worden meegeteld. Tevens mogen de parkeergelden voor het bezoek aan een arts of ziekenhuis worden meegenomen bij de berekening.

Extra vervoerskosten mogen in aftrek worden gebracht als deze kosten hoger zijn in vergelijking met personen die niet ziek of invalide zijn. Het gaat dan om personen die zich in een gelijke financiële en maatschappelijke positie bevinden. In dit geval moet u aannemelijk kunnen maken dat u door ziekte of invaliditeit hogere vervoerskosten hebt gemaakt.

Uitgaven voor farmaceutische hulpmiddelen inkomstenbelasting

De uitgaven voor farmaceutische hulpmiddelen behoren tot de aftrekbare specifieke zorgkosten. Hieronder vallen medicijnen en hulpmiddelen ter toediening van deze medicijnen. De voorwaarde is dat de aftrek alleen geldt voor hulpmiddelen die zijn verstrekt op voorschrift van een arts. Ook homeopathische middelen kunnen, indien voorgeschreven door een arts, aftrekbaar zijn.

Uitgaven voor andere hulpmiddelen voor zorg in de inkomstenbelasting

Hulpmiddelen zijn voorzieningen of apparaten die hoofdzakelijk door een zieke of invalide persoon worden gebruikt. Onder kosten vallen de uitgaven die gedaan zijn voor de aankoop, onderhoud, reparatie en verzekering van de hulpmiddelen. Voorbeelden zijn:

  • Steunzolen;
  • Aanpassingen aan een auto, fiets en dergelijke;
  • Gehoorapparaat onder voorwaarden.

Echter, er zijn ook meerdere hulpmiddelen waarvan de kosten niet aftrekbaar zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om kosten voor een rolstoel of scootmobiel, aanpassingen aan een woning en hulpmiddelen ter ondersteuning van het gezichtsvermogen.

Uitgaven voor een dieet aftrekken in de inkomstenbelasting

De uitgaven voor een dieet zijn aftrekbaar indien het gaat om een op medisch voorschrift gehouden dieet. Slechts de uitgaven voor aangewezen diëten zijn aftrekbaar. Een overzicht van kwalificerende dieetkosten is opgenomen in artikel 37 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Aangezien dit zeer precies komt en sterk detaillistisch is opgeschreven, is het raadzaam deze lijst er steeds bij te nemen of deskundig advies in te winnen.

Uitgaven voor extra kleding en beddengoed in de inkomstenbelasting

De extra uitgaven voor kleding en beddengoed in verband met invaliditeit, zijn aftrekbaar tot een bedrag van € 300. Indien aannemelijk kan worden gemaakt dat de uitgaven uit zijn gekomen boven de € 600, dan mag een bedrag van maximaal € 750 worden aangemerkt als aftrekbare kosten. Om voor aftrek in aanmerking te komen, moet er sprake zijn van ziekte of invaliditeit die minstens een jaar heeft geduurd of vermoedelijk een jaar gaat duren. Daarbij loopt een jaar niet van 1 januari tot 1 januari, maar gaat het steeds om een periode van twaalf maanden in het algemeen. Voorbeelden van kosten die onder deze post vallen zijn:

  • Extra bewassingskosten;
  • Aanpassingskosten van een bed;
  • Extra kosten in verband met het herstellen van kleding en beddengoed.

Het is aan te raden om de aankoopbonnen en facturen te bewaren. De bewijslast dat sprake is geweest van extra uitgaven voor kleding en beddengoed rust namelijk op de belastingplichtige. Door middel van het overleggen van bonnen en facturen kan aannemelijk worden gemaakt dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

Uitgaven voor reiskosten ziekenbezoek aftrekbaar inkomstenbelasting

Uitgaven voor reizen in verband met ziekenbezoek zijn onder de volgende voorwaarden aftrekbaar:

  • Bij het begin van de ziekte vormde u samen met de zieke een gezamenlijke huishouding;
  • Het ziekenbezoek vindt regelmatig plaats;
  • De zieke wordt langer dan een maand verpleegd, of de verwachting is dat de verpleging minimaal een maand zal duren;
  • De reisafstand tussen uw verblijfplaats en de plaats van de verpleging is meer dan 10 kilometer. Daarbij wordt gekeken naar de meest gebruikelijke route. Dat hoeft niet per se de kortste route te zijn.

Voor het reizen met de auto mag € 0,19 per kilometer in aanmerking worden genomen. In geval van reizen met het openbaar vervoer worden de werkelijk gemaakte reiskosten meegenomen voor het bepalen van de aftrekbare kosten.

Uitgaven voor extra gezinshulp bij ziekte in de inkomstenbelasting

Uitgaven in verband met extra gezinshulp behoren tot de aftrekbare uitgaven voor specifieke zorgkosten. De kosten komen slechts voor aftrek in aanmerking indien er een rechtstreeks verband bestaat met de ziekte of invaliditeit. De uitgaven voor extra gezinshulp moeten blijken uit gedagtekende facturen met daarin vermeld de naam en het adres van de gezinshulp. Voorbeelden van dergelijke kosten zijn de:

  • Hulp bij het doen van boodschappen;
  • Hulp bij het schoonhouden van de woning;
  • Hulp bij het verzorgen van maaltijden.

In de wet is een rekentabel opgenomen om te bepalen voor welk bedrag de extra gezinshulp in aftrek mag worden gebracht.

Advisering en specifieke zorgkosten

Door de persoonsgebonden aftrekposten optimaal te benutten, wordt het inkomen verlaagd en dit kan leiden tot belastingbesparing. Wel is het van belang om aannemelijk te kunnen maken dat er daadwerkelijk recht bestaat op aftrek van de zorgkosten. Aangezien het een aftrekpost betreft, hebt u de bewijslast om aannemelijk te maken dat de kosten die u aangeeft zich ook daadwerkelijk hebben voorgedaan. Voer daarom een goede administratie waarbij u bonnen / facturen bewaart.

Mocht u vragen hebben over de specifieke zorgkosten of over andere persoonsgebonden aftrekposten, neem dan gerust vrijblijvend contact op met één van onderstaande auteurs.

Aftrek specifieke zorgkosten [news] 2021-07-27 0000-00-00 0000-00-00 7099

Aftrekposten inkomstenbelasting

De belangrijkste aftrekposten voor de inkomstenbelasting zijn

  1. Hypotheekrente
  2. Persoonsgebonden aftrek
  3. Reiskosten openbaar vervoer
  4. Lijfrenten

2017-12-28 0000-00-00 0000-00-00 5241

Afschaffing fiscale aftrek scholingsuitgaven in de inkomstenbelasting

Maakt u gebruik van de aftrekpost voor de scholingsuitgaven in de inkomstenbelasting? Let dan op het volgende.

Naar verwachting zal met ingang van 1 januari 2022 de fiscale aftrekpost voor scholingsuitgaven in de inkomstenbelasting worden afgeschaft. Ter vervanging van deze aftrekpost zal de subsidieregeling STAP-budget in werking treden. Dit wetsvoorstel maakt onderdeel uit van het bredere kabinetsbeleid inzake een Leven Lang Ontwikkelen (LLO). De nieuwe subsidieregeling zal ten opzichte van de fiscale aftrekpost in de inkomstenbelasting een aantal belangrijke voordelen moeten bieden voor mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt.

Nieuws scholingskosten per 2022

De fiscale aftrek van scholingskosten in de aangifte inkomstenbelasting komt per 2022 te vervallen. De fiscale aftrek wordt vervangen door een nieuwe STAP regeling (subsidie). Voor iedereen vanaf 18 jaar komt er een budget. Het kan zijn dat dit formeel niet gaat lukken, de scholingskosten zulllen dan vanaf 2023 niet meer aftrekbaar zijn, dit wordt in 2021 duidelijk. De STAP regeling wordt uitgevoerd door het UWV en DUO. Voor meer informatie lees deze kamerbrief d.d. 4 juni 2021

De fiscale aftrek van scholingsuitgavenin de inkomstenbelasting

De fiscale aftrek van scholingsuitgaven is een persoonsgebonden aftrekpost op grond waarvan een belastingplichtige die geen recht heeft op studiefinanciering, de kosten voor een opleiding of studie in aftrek kan brengen op zijn inkomen. Het moet hierbij gaan om kosten die voor rekening komen van de belastingplichtige. Deze kosten moeten voorts gemaakt zijn voor een door hemzelf gevolgde opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. Scholingsuitgaven die zien op louter hobbymatige cursussen komen dus niet voor de aftrek in aanmerking.

Scholingsuitgaven komen op dit moment voor aftrek in aanmerking, voor zover het gezamenlijke bedrag hoger is dan de drempel (€ 250 in 2021) en lager is dan de maximumaftrek (€ 15.000 in 2021). De voorwaarden en beperkingen met betrekking tot de aftrekbare scholingsuitgaven worden in een afzonderlijk artikel behandeld (Aftrekbare studiekosten).

Nadelen van de aftrek scholingsuitgaven in de inkomstenbelasting

Een nadeel van deze fiscale aftrekpost is dat de scholingsuitgaven eerst voorgefinancierd dienen te worden door de belastingplichtige. De aangifte inkomstenbelasting wordt namelijk achteraf ingediend. Dit betekent dat de belastingplichtige eerst zelf de kosten moet betalen en pas later (een deel) terugkrijgt. Voor mensen met een lager inkomen zal deze voorfinanciering niet altijd mogelijk zijn. Ook de hoge drempel (€ 250) wordt gezien als een nadeel.

Daarnaast geldt dat er onder het huidige systeem sprake is van een eigen bijdrage in de scholingsuitgaven. De hoogte van deze bijdrage is afhankelijk van uw inkomen, maar bedraagt altijd meer dan 50%. Ter verduidelijking een voorbeeld:

De totale scholingsuitgaven in 2021 bedragen voor Henk € 2.000. Na aftrek van de drempel blijft er € 1.750 over om in aanmerking te nemen als persoonsgebonden aftrek. De hoogte van het te behalen voordeel is vervolgens afhankelijk van het belastingtarief voor Henk in box 1.

Stel dat Henk valt onder het hoogste belastingtarief (49,5%). Zonder rekening te houden met allerlei andere elementen van de inkomstenbelasting, bedraagt zijn belastingvoordeel dan 1.750 * 49,5% = € 866,25. Henk betaalt in dit geval € 1.133,75 zelf.

Subsidieregeling STAP-budget

Ter vervanging van de fiscale aftrek van scholingsuitgaven zal de subsidieregeling STAP-budget (Stimulans van de Arbeidsmarkpositie) worden ingevoerd. Deze regeling is bedoeld voor natuurlijke personen met een band met de Nederlandse arbeidsmarkt. Wij gaan hierna in op de redenen om de nieuwe regeling in te voeren.

Uit een evaluatie van het Centraal Planbureau blijkt dat de aftrekpost van scholingsuitgaven door een beperkt aantal mensen wordt gebruikt. Voorts blijkt dat de gebruikers relatief hoogopgeleid zijn. Dit is voor het kabinet aanleiding geweest om de huidige fiscale aftrekpost te vervangen door de nieuwe subsidieregeling. De invoering van de subsidieregeling STAP-budget moet onder andere leiden tot het beter bereiken van mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt door de laagdrempeligheid van deze regeling.

Uit het wetsvoorstel komt naar voren dat er bij de vervangende subsidieregeling STAP-budget geen sprake zal zijn van een drempel. De maximale vergoeding bedraagt € 1.000. Zijn de opleidingskosten lager, dan wordt het volledige bedrag van de opleiding vergoed. Daarbij dient wel sprake te zijn van een kwalificerende opleiding. De opleider kan hier inzage in verlenen.

Voordeel nieuwe regeling scholingsuitgaven

Het voordeel ten opzichte van de huidige aftrek voor scholingsuitgaven in de inkomstenbelasting is dat de kosten van de opleiding niet voorgefinancierd hoeven te worden door de deelnemer. Het STAP-budget kan namelijk eenvoudig digitaal worden aangevraagd en wordt na goedkeuring rechtstreeks uitbetaald aan de opleidingsinstantie. Voor meerjarige opleidingen geldt dat er jaarlijks een aanvraag kan worden ingediend voor het STAP-budget.

Het maximumbedrag van € 1.000

Het maximumbedrag van € 1.000 via het STAP-budget is lager dan het maximumbedrag van € 15.000 dat geldt bij de fiscale aftrek voor scholingsuitgaven in de inkomstenbelasting. Echter, gebleken is dat een zeer beperkte groep gebruik maakt van dit maximumbedrag van € 15.000. Op grond van een analyse geldt dat voor circa 80% van de gebruikers van de fiscale aftrekpost voor scholingsuitgaven, het STAP-budget voor hen financieel gunstiger zal zijn.

Datum afschaffing aftrek scholingsuitgaven in de inkomstenbelasting

De inwerkingtreding van de in het wetsvoorstel opgenomen wijzigingen vindt plaats op het moment waarop de subsidieregeling STAP-budget in werking treedt. Omdat deze datum nog niet bekend is, vindt de inwerkingtreding van de afschaffing fiscale aftrek scholingsuitgaven in de inkomstenbelasting plaats op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Uit het wetsvoorstel blijkt dat burgers in ieder geval nog in 2019, 2020 en 2021 van de fiscale aftrek van scholingsuitgaven gebruik kunnen maken. Naar verwachting zal de wetswijziging met ingang van 1 januari 2022 in werking treden. Het kan daarom verstandig zijn om betaling aan onderwijsinstellingen naar voren te halen. Dit is maatwerk en zal per persoon verschillen.

Het overgangsrecht

Het overgangsrecht is van toepassing op de situatie waarbij scholingsuitgaven niet voor aftrek in aanmerking kwamen, omdat recht bestond op een prestatiebeurs. Deze uitgaven kunnen vervolgens alsnog in aftrek worden gebracht ingeval de prestatiebeurs niet wordt omgezet in een gift. Dit overgangsrecht zal komen te vervallen met ingang van 1 januari 2031. 

In het wetsvoorstel is geen overgangsrecht opgenomen voor scholingsuitgaven die gedaan worden in belastingjaren na de afschaffing van de fiscale aftrekpost. Het zou kunnen zijn dat voor deze uitgaven wellicht in eerdere jaren verplichtingen zijn aangegaan. Dit geldt eveneens voor meerjarige opleidingen waarvan de betalingen deels plaatsvinden voor de afschaffing en deels na de afschaffing van de fiscale aftrekpost.

Wel wordt voorgesteld om een overgangsrecht in te voeren voor de situatie waarbij iemand reeds scholingsuitgaven in aftrek heeft gebracht en na de afschaffing ter zake van deze uitgaven ten onrechte een bedrag terugontvangt. In een dergelijke situatie zal een bijtelling bij het inkomen plaatsvinden ter grootte van het terugontvangen bedrag. Wij houden u graag op de hoogte van de beslissing op dit voorstel.

De rol van de geïnformeerde burger

De leden van de VVD-fractie hebben hun zorgen uitgesproken over het ontbreken van het overgangsrecht en het informeren van de burgers.

Het kabinet is van mening dat nader overgangsrecht voor scholingsuitgaven die gedaan worden na de afschaffing van de fiscale aftrekpost in de inkomstenbelasting, niet nodig is. De wetgever merkt op dat het voornemen hiertoe allang bekend is en het wetsvoorstel in 2016 al is ingediend. Leden van de fractie van de VVD hebben hierover kritische vragen gesteld. Zij geven, naar onze mening terecht, aan dat de wetgever niet kan volstaan met deze argumentatie. Hoeveel belastingplichtigen zijn immers actief bezig met het bijhouden van wetswijzigingen?

Als (kleine) tegemoetkoming heeft het kabinet aangegeven dat het actief belastingplichtigen zal gaan informeren over de gevolgen en aanstaande afschaffing. Echter, tot nader overgangsrecht is het vooralsnog niet gekomen.

Vragen?

Heeft u naar aanleiding van het lezen van dit artikel vragen? Neem dan gerust contact op met één van onderstaande auteurs.

Afschaffing aftrek scholingsuitgaven [news] 2021-02-22 0000-00-00 0000-00-00 6890
Boekenonderzoek [news] 4547

Boekenonderzoek wet DBA

De Belastingdienst heeft een plan gemaakt om meer toezicht te gaan houden op de DBA (de Wet Deregulering arbeidsrelaties). In 2018 en 2019 worden vele bedrijven bezocht om met hen te "praten" over hun werkwijze en ervaringen met opdrachtnemers. Hieruit zullen zeker ook boekenonderzoeken volgen.

Onderzoek naar zelfstandigen in het kader van de DBA

De Belastingdienst heeft aangekondigd om ruim 100 opdrachtgevers te gaan bezoeken. Er wordt een selectie van bedrijven gemaakt. Er is door de Belastingdienst een selectie gemaakt om te kijken welke bedrijven worden bezocht. De criteria zijn:  

  1. bedrijf werkt nog niet met goedgekeurde modelovereenkomsten;
  2. de modelovereenkomst is afgekeurd;
  3. de onderhandelingen over de modelovereenkomst zijn gestopt;
  4. er wordt veel gewerkt met goedgekeurde modelovereenkomsten.

Er worden zoveel mogelijk branches bezocht, de focus zal liggen op ad 1 en ad 2.

Belastingdienst komt op bezoek in kader DBA

Het is belangrijk om goed voorbereid het gesprek aan te gaan. Het kan lijken op een algemeen en oriënterend gesprek edoch dit kan eenvoudig omslaan in een boekenonderzoek. Zoals uit de notitie van de Belastingdienst volgt, zal bij een vermoeden van een (fictieve) dienstbetrekking (of kwaadwillendheid) direct een nader onderzoek worden ingesteld. Handhaven is voor de Belastingdienst erg intensief (bewijslast bij de Belastingdienst), maar men wil dit op korte termijn oppakken. Laat altijd uw accountant of één van onze gespecialiseerde fiscalisten bij dit gesprek aansluiten en zorg voor een goede voorbereiding.

Noot fiscaal jurist over boekenonderzoek DBA

Sinds 1 juli 2018 zal de Belastingdienst niet alleen handhaven bij de ernstigste gevallen van kwaadwillenden, maar ook bij andere kwaadwillenden. Via deze notitie wordt de eerste stap in deze richting gezet. De Belastingdienst moet bij kwaadwillenden het volgende bewijzen:

  1. er is sprake van schijnzelfstandigheid;
  2. de persoon die wordt ingehuurd is in (fictieve) dienstbetrekking;
  3. U handelt - willens en wetens - in strijd met de wet en laat dit voortbestaan.

U loopt als opdrachtgever het risico op naheffingen loonbelasting en forse boeten. Er zal vermoedelijk met terugwerkende kracht worden gekeken naar de feiten (tot en met 1 mei 2016).  

Het is belangrijk dat u op dit moment al goed kijkt naar uw contracten (en de feitelijke werkwijze) van zelfstandigen die voor uw bedrijf werken. Voor niet kwaadwillenden loopt de termijn (transitieperiode) voor de nieuwe wetgeving door tot 1 januari 2020. Voor 1 januari 2019 komt er meer duidelijkheid over het begrip "gezagsverhouding".

Wij adviseren regelmatig klanten over hoe om te gaan met zelfstandigheden. Wij adviseren u graag over de risico's en de mogelijke problemen (en oplossingen). Een oriënterend gesprek bij ons op kantoor is zonder verdere kosten of verplichtingen.

Boekenonderzoek wet DBA [news] 2018-08-16 0000-00-00 0000-00-00 5640

Controle-aanpak Belastingdienst

Het Handboek Controle van de Belastingdienst is openbaar gemaakt. In dit handboek worden de ideeën en grondslagen van een boekenonderzoek door de Belastingdienst netjes op de rij gezet. De controle-aanpak en de wijze waarop een boekenonderzoek moet plaatsvinden worden zorgvuldig omschreven. Voor de adviespraktijk is het mooi om een kijkje achter de schermen te krijgen.

Noot fiscaal jurist over controle Belastingdienst

Elke ondernemer of rechtspersoon krijgt een keer te maken met een boekenonderzoek van de Belastingdienst. De controle is meestal gericht op de belastingplichtige zelf, maar soms gaat het om een onderzoek bij een ander (derdenonderzoek). Een onderzoek kan via:

  1. Een bedrijfsbezoek;
  2. Een boekenonderzoek;
  3. Een derdenonderzoek naar de situatie bij een belastingplichtige;
  4. Een waarneming ter plaatse.

Op dit moment hebben de meeste onderzoeken betrekking op specieke aftrekposten of balansposten (rekening-courant eigenaar, WVA, juist en tijdig aangifte doen, tarieven BTW, etc). De belangrijkste belastinggroepen die worden gecontroleerd zijn:

  1. Omzetbelasting; en
  2. Loonheffingen.

Het is van belang dat u voor een onderzoek weet wat uw rechten en plichten zijn en welke administratie u moet verstrekken. Tevens is van belang om te weten of u een verwijt kan worden gemaakt als er iets fout zou zitten. Heeft u vragen over een boekenonderzoek, bel ons dan gerust voor een vrijblijvende afspraak.

Bron controle-aanpak Belastingdienst

Handboek controle van de Belastingdienst downloaden.

Handboek controle aanpak belastingdienst [news] 2017-03-27 0000-00-00 0000-00-00 5113

Computercrash en boekenonderzoek Belastingdienst

De computer van een ondernemer crasht en de administratie is niet meer te benaderen. Hierdoor kan de ondernemer veel vragen van de Belastingdienst niet meer beantwoorden. Er is geen backup gemaakt en de harde schijf is niet meer te benaderen. En nu? Is dit overmacht of heeft de ondernemer een groot probleem?

Bewaarplicht boekhouding bij FIOD inval en computercrash

In een procedure in 2021 ging het ook mis voor de ondernemer. De ondernemer had betalingen ontvangen op zijn prive rekening en dit was de aanleiding voor een bezoek van de FIOD. De ondernemer ontvangt een navorderingsaanslag en claimt in zijn bewaarschrift ruim € 200.000 aan kosten. De bewijslast hiervoor ligt natuurlijk bij de ondernemer. De boekhouding is niet volledig door een computercrash en de backup werkt niet meer. Ook de papierenboekhouding is niet meer beschikbaar, deze is namelijk weggegooid door de curator en de FIOD heeft een deel in beslag genomen. De rechter is er snel klaar mee, dat is dan pech, wie stelt moet bewijzen en de ondernemer heeft een bewaarplicht waarin hij heeft verzaakt.

Procedure over fiscale problemen bij computercrash

Er wordt een boekenonderzoek ingesteld bij een ondernemer. De aangiften BTW en loonheffingen worden onderzocht. Er wordt een kopie van de digitale administratie gevraagd. Deze administratie is niet meer voorhanden omdat de computer kapot is gegaan. De computer was niet meer te herstellen en is weggegooid. De ondernemer beroept zich op overmacht. Op de harde schijf stond de digitale administratie en vele primaire vastleggingen. De inspecteur krijgt de informatie niet en stuurt de ondernemer een zogenaamde informatiebeschikking. De informatie wordt uiteindelijk niet verstrekt en op grond van schattingen worden naheffingsaanslagen en vergrijpboetes opgelegd. De ondernemer stelt dat hij heeft voldaan aan zijn informatieplicht omdat hij alle informatie die beschikbaar was heeft verstrekt.

De rechter is er vlot klaar mee. De ondernemer moet zorgen voor zijn administratie en tijdig een backup maken. Doet hij dit niet, dan is dit voor risico van de ondernemer. De gebreken in de administratie waren teveel en ernstig, aldus de rechter. De omkering van de bewijslast is terecht en de informatiebeschikking bleef dus in stand.

Noot fiscaal jurist over computercrash

Een escortbureau heeft de administratie bijgehouden op een mooie PC. Naast dit escortbureau worden er ook webcamdiensten verleend, stripteaseshows gegeven en is er een limo-service. Er wordt een strafrechtelijk onderzoek opgestart naar verboden vrouwenhandel. Uit afgeluisterde telefoongesprekken volgt dat er informatie niet in de administratie wordt opgenomen. Alle signalen staan op rood en de Belastingdienst start een onderzoek. De ondernemer komt met de melding: "Wat ik heb kunt u krijgen en de PC is stuk, sorry." De administratieplicht van de ondernemer is niet weg als de PC kapot gaat, daarnaast staat de ondernemer er gekleurd op. Een pleister op de wonden: de boete wordt verminderd (termijnoverschrijding) en er wordt een immateriële schadevergoeding verstrekt van € 2.500. Dit lijkt ook het maximaal haalbare voor deze ondernemer. In andere gevallen waarbij de PC kapot is kan de primaire papierenadministratie met het bankboek een ondernemer best helpen. Niet al uw informatie is namelijk fiscaal relevant en / of behoort tot de administratie van de ondernemer.

Bron computercrash en boekenonderzoek

Rechtbank Noord Nederland d.d. 15 september 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:7654).

Rechtbank Den Haag d.d. 4 maart 20021 ECLI:NL:RBDHA:2021:2407

De rechter oordeelde dat het in de risicosfeer van de ondernemer lag dat hij geen back-up had gemaakt van de gegevens op de harde schijf van de computer. Verder vond de rechter de ernst van de gebreken in de administratie zo ernstig dat zij een omkering van de bewijslast rechtvaardigden. De informatiebeschikking bleef daarom in stand.

[news] 2017-09-21 0000-00-00 0000-00-00 5203

Boekenonderzoek horeca, en nu?  

De Belastingdienst komt gemiddeld eens per 25 jaar bij u langs. De horeca is sinds jaren een branche die vaker onderzoek krijgt van de Belastingdienst. Wij adviseren regelmatig horecabedrijven (of de accountant van de horecaondernemer) bij boekenonderzoeken. Wilt u een gratis adviesgesprek, neem gerust contact op.

Belastingdienst en onderzoeken horeca

De reden dat de Belastingdienst meer boekenonderzoeken in de horeca uitvoert, is dat er regelmatig fouten in de administratie worden geconstateerd. De administratieve vastlegging is veelal niet conform fiscale eisen. Veel voorkomende problemen en/of fouten zijn:

  1. kassyteem sluit niet aan bij administratie;
  2. lonen worden zwart betaald (zonder inhouding loonheffing);
  3. niet alle omzet wordt geboekt;
  4. primaire vastlegging sluit niet aan bij kassa.

De insteek is nog te vaak "het zal wel niet kloppen", dit terwijl wij zien dat vele horecaondernemers - evenzo als andere ondernemers - keurig hun werk en administratie vastleggen en wellicht een paar kleine fouten maken.

Aankondiging onderzoek in horeca

Een boekenonderzoek wordt vrijwel altijd via een brief aangekondigd. De Belastingdienst geeft hierin aan welke belastingen worden onderzocht en wil veelal een zogenaamde auditfile van uw administratie ontvangen. Op dit verzoek moet u niet direct ingaan. Plan eerst een gesprek met uw fiscaal jurist en accountant en neem hierin door hoe met het onderzoek om te gaan. Afspraken maken over het gebruik van de auditfile is verstandig. U moet bij een boekenonderzoek alle tot uw administratie behorende bescheiden aan de Belastingdienst verstrekken, deze moeten echter wel fiscaal relevant zijn. Dit laatste levert vaak discussie op "wat is fiscaal relevant?". De inrichting van uw administratie is ook niet een zwart of wit gebied, u heeft hierbinnen een redelijke speelruimte. De administratie moet passen bij de aard en omvang van uw horecaonderneming.

De controleur zal ook (soms heel veel) vragen stellen. De controleur mag elke vraag stellen edoch u hoeft niet alle vragen te beantwoorden. Elke vraag moet fiscaal relevant zijn. Daarnaast moeten de vragen betrekking hebben op uw eigen belastingplicht. Het is verstandig om bij gesprekken een specialist (fiscaal jurist) te laten aansluiten.

Voorbereiding boekenonderzoek horeca

Een goede en gedegen voorbereiding is van essentieel belang. Het gaat vaak over het verre verleden (3-5 jaar terug) en hiervan is ook niet altijd direct alle informatie voorhanden. Ook kunt u zich als horecaondernemer wellicht niet meer alle feiten en omstandig-heden herinneren. Gelukkig is ook uw geheugen niet zonder beperkingen, dus dit is niet vreemd. In mijn praktijk zie ik vaak dat de ondernemer met de beste bedoelingen vragen heeft beantwoord maar niet op de juiste wijze en/of niet volledig. Dit kan verre-gaande gevolgen hebben. Er worden conclusies getrokken op grond van eerste verklaringen, ook als deze daarna worden inge-trokken.

Waarneming ter plaatse door Belastingdienst in horeca

Binnen de horeca is er steeds vaker sprake van een waarneming ter plaatse. De Belastingdienst komt dan - meestal zonder verdere aankondiging - in uw onderneming kijken, meestal als gast. Op grond hiervan wordt er bijvoorbeeld gekeken naar:

  1. werknemers;
  2. vastlegging van bestellingen;
  3. betalingen door klanten.

Vragen over boekenonderzoek binnen horeca

Als een onderzoek door de Belastingdienst binnen uw horecabedrijf is aangekondigd, dan is het verstandig om een afspraak te maken met één van onze specialisten. Een vrijblijvend gesprek is binnen 48 uur te regelen en wij zullen u voorbereiden over het traject en de dingen die u vooral niet moet doen.

Boekenonderzoek horeca [news] 2018-08-21 0000-00-00 0000-00-00 5650

Auditfile Belastingdienst

Vrijwel wekelijks adviseren wij ondernemers bij boekenonderzoeken. Eén van de meest tijdrovende bezigheden voor de ondernemer en zijn accountant. Het inzichtelijk maken van de administratie en het beantwoorden van vragen kost veel tijd, soms teveel. De Belastingdient mag alles vragen, maar niet alle vragen moeten worden beantwoord. De Belastingdienst vraagt vaak als eerste om de XML Auditfile, hierin staan de meeste feiten en getallen die worden gecontroleerd.

Fiscale bewaartermijn

U moet uw administratie gedurende 7 jaar bewaren. Alle informatie welke u ontvangt en / of vastlegt behooort tot uw administratie. Als de informatie ook fiscaal relevant is, moet u deze aan de Belastingdienst verstrekken. Voor e-mails, agenda's en overige informatie is vaak onduidelijk of deze tot uw administratie behoren. De meeste discussie wordt gevoerd over "de fiscale relevantie".

Moet u een auditfile verstrekken?

Een auditfile volgt uit uw adminstratie (export bestand). Er komt wel eens aan de orde of u deze auditfile moet verstrekken. In een casus voor de Rechtbank Gelderland speelde het volgende:

Henk importeert en verkoopt kleding. De verkoop vindt plaats via winkel en via het internet. De inspecteur vraagt i.v.m. een boekenonderzoek om een auditfile. Henk stelt: "u doet het maar met de papieren." De rechter is het met de inspecteur eens, Henk beschikt over een auditfile en de inspecteur vraag erom, dus moet Henk de auditfile verstrekken. De auditfile kan van belang zijn voor het boekenonderzoek. Ook de persoonlijke aantekeningen (in de auditfile) behoren tot de administratie en moeten worden verstrekt. Henk moet binnen 6 weken de auditfile verstrekken.

Bron auditfile en belastingen

Rechtbank Gelderland d.d. 1 oktober 2018 (ECLI:NL:RBGEL:2018:4161)

Auditfile en belastingen [news] 2018-10-12 0000-00-00 0000-00-00 5712

Boekenonderzoek na definitieve aanslag

Een definitieve aanslag is normaal gesproken een definitieve afsluiting van een fiscale periode. Dit is - evenzo als in het normale leven - soms echter niet zo. De Belastingdienst kan terugkomen op een definitieve aanslag via een navorderingsaanslag, bijvoorbeeld na een boekenonderzoek.

Wanneer navorderen bij boekenonderzoek?

U doet aangifte (bijvoorbeeld voor de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting) en levert hiervoor informatie aan. De inspecteur (of computer) beoordeelt deze informatie en er volgt een voorlopige of definitieve aanslag. Als achteraf blijkt dat de inspecteur niet alle informatie tot zijn beschikking had, kan de Belastingdienst terugkomen op de definitieve aanslag, dit kan niet in alle gevallen. Als de inspecteur een fout wil herstellen, dan kan dit via een formele en vastomlijnde route, met als eindresultaat een navorderingsaanslag. U moet kunnen vertrouwen op de Belastingdienst en er vanuit kunnen gaan dat de inspecteur scherp en kritisch is. Er moet dus sprake zijn van een nieuw feit welke een navorderingsaanslag (bijvoorbeeld tijdens een boekenonderzoek) kan rechtvaardigen.

Nieuw feit tijdens boekenonderzoek

Van een nieuw feit is sprake als:

  • de informatie tijdens het opleggen van de aanslag niet bekend had kunnen zijn;
  • de informatie bewust / onbewust niet is verstrekt en de inspecteur dit niet kon weten.

Gaat het om een inspecteur die heeft liggen slapen (een ambtelijk verzuim), dan kan er geen navorderingsaanslag worden opgelegd.

Geen nieuw feit tijdens boekenonderzoek maar wel navorderingsaanslag

Soms is een nieuw feit niet nodig, dit speelt als u te kwader trouw bent (bewust informatie niet verstrekt). De inspecteur moet dan wel de kwade trouw bewijzen. Bij een administratieve fout (typ- of rekenfout) kan de inspecteur ook een navorderingsaanslag opleggen. Het moet dan voor u (of uw adviseur) wel duidelijk zijn geweest dat er sprake is geweest van een administratieve fout. U dacht bijvoorbeeld dat u € 10.000 zou terug ontvangen en u krijgt €100.000 op uw bankrekening gestort (een nulletje extra). Als een fout het gevolg is van een bepaalde werkwijze van de Belastingdienst, dan is het herstellen via een navorderingsaanslag niet mogelijk.

Termijn navordering bij boekenonderzoek

De Belastingdienst kan gelukkig niet eeuwig navorderen. De maximale termijn hiertoe is 5 jaar nadat de belastingschuld is ontstaan. Als u uitstel heeft gehad voor het indienen van de aangifte, dan moet u deze termijn bij de genoemde 5 jaar optellen. Voor situaties waar het buitenland bij betrokken is (bijvoorbeeld vermogen staat in buitenland) bedraagt de termijn geen 5 jaar maar 12 jaar. Ook tegen een navorderingsaanslag kunt u in bezwaar en beroep bij de fiscale rechter.

Begeleiding bij boekenonderzoek

Het is niet verstandig om een boekenonderzoek als ondernemer zelf - zonder hulp - op te pakken. Een aantal tips voor boekenonderzoek:

  1. Schakel een specialist in, voor de controlerend ambtenaar is het dagelijks werk, hij is specialist, u niet.
  2. Zorg voor een nette ruimte voor de inspecteur / controlerend ambtenaar van de Belastingdienst.
  3. Verstrek alleen informatie welke fiscaal relevant is en tot uw administratie behoort, laat dit vooraf goed beoordelen door een deskundige accountant of fiscaal jurist.
  4. Zorg ervoor dat één persoon binnen uw bedrijf contactpersoon is, andere personen niet met de Belastingdienst laten praten.
  5. Geef geen originelen aan de controlerend ambtenaar.
  6. Geeft kort en bondig antwoord op vragen.

Wij adviseren wekelijks ondernemers bij een boekenonderzoek. Wilt u een vrijblijvend gesprek? Maak gerust een afspraak bij ons op kantoor.

Boekenonderzoek na definitieve aanslag [news] 2018-10-16 0000-00-00 0000-00-00 5714

Informatieverplichting Belastingdienst

De Belastingdienst moet u kunnen controleren. De aangifte is vaak het startpunt van de informatieverplichting richting de Belastingdienst. Meestal is dit voldoende. Soms is extra informatie noodzakelijk om de belasting die u moet betalen goed te kunnen vaststellen. U bent verplicht de fiscaal relevante informatie te verschaffen. Maar waar ligt de grens?

U weigert informatie te verschaffen aan de Belastingdienst

Als u geen informatie verschaft, dan kan de Belastingdienst uw inkomen of vermogen schatten. Ook kan het zijn dat bepaalde aftrekposten niet worden geaccepteerd. De Belastingdienst kan ook een informatiebeschikking verstrekken, hierin staat welke informatie u volgens de Belastingdienst moet verstrekken.

Informatieverplichting en strafvervolging

Aan Henk wordt een informatiebeschikking opgelegd, daarnaast wordt Henk strafrechtelijk vervolgd omdat hij weigert informatie te verstrekken. De Belastingdienst zit er dus bovenop. De rechter oordeelt dat, zolang er nog een procedure loopt over een informatiebeschikking, nog niet vast staat of de Belastingdienst de fiscaal relevante informatie opvraagt. Als de Belastingdienst wel de noodzakelijke informatie opvraagt, krijgt Henk vaak nog een tweede kans, hij kan de informatie dan alsnog (binnen een bepaalde termijn) verstrekken. Om Henk dan gelijktijdig strafrechtelijk te vervolgen is niet netjes. Het Openbaar Ministerie is hiermee niet ontvankelijk.

De informatiebeschikking is jaren terug ingevoerd als rechtsbescherming voor belastingplichtigen, in dit verhaal dus voor Henk. Voordat de informatiebeschikking bestond had Henk direct een probleem. Als informatie niet wordt verstrekt zou dit tot gevolg hebben dat de bewijslast wordt omgekeerd. Door de informatiebeschikking konden de vragen (informatieverzoeken) van de belastingdienst worden getoetst door de rechter. Als de rechter van mening is dat de informatie moet worden verstrekt, dan stelt de rechter een nieuwe termijn. Als de informatie niet hoeft te worden verstrekt, dan hoeft Henk geen info te verstrekken en / of antwoorden te geven.

Informatie wel of niet verstrekken aan de Belastingdienst

Als u hierover vragen heeft, kunt u geheel vrijblijvend een afspraak met één van onze fiscaal juristen maken. Steeds vaker zien wij dat de Belastingdienst - met name bij boekenonderzoeken - veel te veel informatie via de belastingplichtige heeft gekregen en / of veel te veel informatie opvraagt.

Bron informatieverplichting Belastingdienst

Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 12 juni 2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:2472)

informatieverplichting belastingdienst [news] 2018-10-17 0000-00-00 0000-00-00 5715

Boekenonderzoek restaurant

Boekenonderzoek horeca, en nu?  

De Belastingdienst komt gemiddeld eens per 25 jaar bij u langs. De horeca is sinds jaren een branche die vaker onderzoek krijgt van de Belastingdienst, dit is in 2018 ook nog eens aangekondigd. Wij adviseren regelmatig horecabedrijven (of de accountant van de horeca-ondernemer) bij boekenonderzoeken. Wilt u een gratis adviesgesprek, neem gerust contact op.

Belastingdienst en onderzoeken horeca

De reden dat de Belastingdienst meer boekenonderzoeken in de horeca uitvoert, is dat er regelmatig fouten in de administratie worden geconstateerd. De administratieve vastlegging is veelal niet conform fiscale eisen. Veel voorkomende problemen en / of fouten zijn:

  1. kassysteem sluit niet aan bij administratie;
  2. lonen worden zwart betaald (zonder inhouding loonheffing);
  3. niet alle omzet wordt geboekt;
  4. primaire vastlegging sluit niet aan bij kassa.

De insteek is nog te vaak: "het zal wel niet kloppen", dit terwijl wij zien dat vele horeca-ondernemers - evenzo als andere ondernemers - keurig hun werk en administratie vastleggen en wellicht een paar kleine fouten maken.

Uitspraken rechters inzake boekenonderzoek horeca

De Belastingdienst komt op controle bij een restaurant. De kassagegevens worden niet digitaal bewaard, maar op papier. De ondernemer geeft de belastingcontroleur meters papieren kassarollen in 25 dozen. "Veel succes," denkt de ondernemer. De controleur weigert de vele rollen door te nemen en stuurt de ondernemer een zogenaamde informatiebeschikking. De kassarollen zijn groot qua omvang en slecht leesbaar. Daarnaast kost het de Belastingdienst heel veel tijd om deze door te nemen. De ondernemer stelt: "doe een steekproef en een zogenaamde Z afslagen controle." De rechtbank is het met de Belastingdienst eens, de administratie wordt niet juist en volledig vastgelegd, een controle is niet mogelijk.

Bron horeca en boekenonderzoek

Rechtbank Gelderland 10 januari 2019 ECLI:NL:RBGEL:2019:63.

Boekenonderzoek restaurant [news] 2019-01-18 0000-00-00 0000-00-00 5800

Steekproef bij boekenonderzoek

Bij een boekenonderzoek wil de Belastingdienst vlot en in algemene lijnen door de administratie. Er wordt dan volgens de controle-aanpak van de Belastingdienst gebruik gemaakt van de (statische) steekproef, ook wel de guldensteekproef genoemd. Deze steekproef kent diverse problemen en tekortkomingen. Wat zijn de rechten van de Belastingdienst?

Een boekenonderzoek op grond van steekproef

Hoe werkt eigenlijk een boekenonderzoek? Steeds vaker wordt bij een boekenonderzoek gebruik gemaakt van eenvoudige hulpmiddelen, zoals de steekproef. De steekproef vindt haar oorsprong in de accountancy. De Belastingdienst zet deze steekproef in fiscale controles (boekenonderzoeken etc.) steeds vaker in. De steekproef geeft soms vreemde resultaten, kent een overkill en wordt niet altijd op de juiste wijze toegepast. Dit komt door:

  1. extrapolatieregels worden ruim toegepast;
  2. de op te vragen informatie wordt ruim ingevuld;
  3. de statistische steekproef wordt niet goed ingevuld / toegepast (en op verschillende manieren).

Gevolgen steekproef Belastingdienst

De Belastingdienst past de steekproef bijvoorbeeld toe op inkoop- of verkoopfacturen. Als er in de auditfile ook memoriaalboekingen zitten, is dit niet juist, via memoriaalboekingen worden namelijk foute boekingen tegengeboekt. De fouten in de inkoop- of verkoopfacturen worden dan onjuist geïnterpreteerd. Bij de (gulden-)steekproef ligt de primaire aandacht op fouten in de administratie. De uitkomsten worden geëxtrapoleerd en hier komt dan een foutmarge uit. De Belastingdienst krijgt hierdoor geen compleet beeld. Het aantal fouten dat de Belastingdienst aantreft is vaak de basis voor de op te leggen (naheffings-)aanslagen. De fouten worden namelijk geëxtrapoleerd naar de toekomst (doorwerkende fout). Soms wordt op grond van een steekproef in het verkoopboek wel een forse correctie op af te dragen BTW opgelegd, maar geen rekening gehouden met de juiste inkoop-BTW.

De jurisprudentie over de steekproef bij een boekenonderzoek is nog beperkt. Een rechter is echter wel redelijk kritisch, de uitkomsten uit een steekproef mogen niet zomaar worden gebruikt als grondslag voor naheffingsaanslagen of navorderingsaanslagen. Soms is de steekproef te summier of wordt slechts een beperkte periode in de steekproef betrokken.

Uitspraken rechters over steekproef

In 2008 keek de Hoge Raad al eens naar de guldensteekproef. De methode wordt door de Hoge Raad (HR 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:AU0840) niet verboden. Extrapolatie moet echter wel zorgvuldig worden onderbouwd, het Gerechtshof in Den Bosch zoomde hierop in 2011 nog eens in (Hof Den Bosch 28 januari 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ2837). Het jaar dat werd onderzocht liet een hoge omzet zien, de vraag is of dit maatgevend is voor de overige jaren, volgens het Gerechtshof was dit hier niet zo. Volgens de rechter mag hiervan ook niet zomaar worden uitgegaan. Ook een loonbelastingcorrectie op grond van een steekproef moest in de prullenbak, aldus de Rechtbank Leeuwarden (Rechtbank Leeuwarden 25 maart 2010, ECLI:NL:RBLEE:2010:BL9918) en Rechtbank Den Haag 25 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:13230.

Belangrijkste probleem is vaak de extrapolatie naar andere jaren. Dit is toegestaan, maar dan wel met kanttekeningen:

  • Er moet emiprisch bewijs zijn (dus niet alleen een steekproefresultaat).
  • De Inspecteur moet met een helder en duidelijk verhaal komen waarom extrapolatie moet kloppen, dus het onderzochte jaar is geen incident.
  • Fouten in het ene jaar moeten ook vookomen in de andere jaren (Gerechtshof Den Haag in 2016).
  • De jaren moeten een constant beeld geven die aansluit bij feiten.
  • De groep die wordt onderzocht moet homogeen zijn, bij werknemers (loonheffing) is dit eerder het geval dan bijvoorbeeld bij auto's (BPM).

Noot steekproeven en boekenonderzoeken

Wij adviseren regelmatig ondernemers bij boekenonderzoeken en hebben meer dan voldoende ervaring met het gebruik van steekproeven. Wilt u voor of tijdens een boekenonderzoek overleg over het plan van aanpak of de mogelijkheden? Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak.

Steekproef bij boekenonderzoek [news] 2019-04-10 0000-00-00 0000-00-00 5873

Aandachtspunten boekenonderzoek

Steeds meer ondernemers krijgen de Belastingdienst op bezoek. Wij begeleiden wekelijks accountants en ondernemers bij dergelijke onderzoeken. Een boekenonderzoek is voor veel ondernemers (en accountants) geen dagelijkse praktijk, voor ons wel! Op 16 mei 2019 is er door ons - in samenwerking met Jaeger advocaten - een lezing verzorgd over een boekenonderzoek door de Belastingdienst en FIOD invallen. In dit memo een overzicht van enkele aandachtspunten en gespreksonderwerpen.

Hoe werkt een boekenonderzoek ?

Het is belangrijk om een aantal onderdelen bij de start van een boekenonderzoek vast te stellen. De belangrijkste zijn:

  1. Reden onderzoek: is het onderzoek een regulier boekenonderzoek, onderzoek in de branche, op grond van big data, een klikbrief, een normaal bedrijfsbezoek of een derdenonderzoek
  2. Vraag voor het onderzoek om een kennismakingsgesprek, hierin kunt u de spelregels afspreken en afstemmen waarom het onderzoek gaat plaatsvinden en welke informatie relevant is voor de Belastingdienst
  3. Navordering beperken: iets wat tijdens het boekenonderzoek is onderzocht kan daarna niet meer een navordering tot gevolg hebben. Uitzondering hierop is (a) onderdeel niet bij boekenonderzoek meegenomen (b) kwade trouw (c) informatie bewust achtergehouden

Moet een auditfile worden verstrekt?

Inspecteur wil auditfile en belastingplichtige stelt, je krijgt de papierenversie. Moet je auditfile verstrekken? De rechtbank is van mening dat de auditfile voorhanden is en dus tot de administratie behoort. Ook de persoonlijke aantekeningen van de klant in de auditfile moeten worden verstrekt Rechtbank Gelderland d.d. 1 oktober 2018 (ECLI:NL:RBGEL:2018:4161)

Voorbereiding boekenonderzoek

Het is verstandig om een boekenonderzoek met uw accountant en uw belastingadviseur goed voor te bereiden. Wat kunt u verwachten? Wat zijn mogelijke risico's? Ook is het volgende van belang:

  1. Leg andere administratie en informatie in de kast achter slot en grendel
  2. Schakel een specialist in, voor de controlerend ambtenaar is het dagelijks werk
  3. Geen adviezen van uw accountant, advocaat, notaris of belastingadviseur ter inzage leggen
  4. Eigen notities bij uw administratie niet verstrekken, bent u wel verplicht als hierom wordt gevraagd
  5. Verstrek alleen informatie welke fiscaal relevant is en tot uw administratie behoort, laat dit vooraf goed beoordelen door een deskundige accountant of fiscaal jurist.
  6. Zorg ervoor dat één persoon binnen uw bedrijf contactpersoon is, andere personen niet met de Belastingdienst laten praten.
  7. Geef geen originelen aan de controlerend ambtenaar.
  8. Maak afschriften van hetgeen door de inspecteur wordt meegenomen, zo weet u wat er wel niet is verstrekt
  9. Geeft kort en bondig antwoord op vragen. En enkel op de gestelde vragen en maak naar elk gesprek een kort gespreksverslag
  10. Geluidsopnamen, steeds meer bedrijven hebben camera’s die ook opnemen. Juridisch en qua privacy en bewijsvoering lastig maar zeker te overwegen. Ombudsman (2015/038) opname zonder toestemming bij boekenonderzoek (medische reden “kan niet goed onthouden”) . Ombudsman “opnemen is toegestaan”. Algemeen verbod opnemen bij Belastingdienst is onbehoorlijk.

Vragen over boekenonderzoek

Heeft u vragen over een boekenonderzoek of wilt u een vrijblijvend gesprek? Stuur ons gerust een e-mail of neem contact op.

Rechten en plichten bij een boekenonderzoek

  1. Belastingplichtige heeft een inlichtingen verplichting. De informatie moet echter wel voor de belastingheffing relevant zijn.
  2. Geef alleen feiten weer en geen meningen,
  3. Als vragen betrekking hebben op een mogelijke boete kunt u zich op uw zwijgrecht beroepen
  4. U moet uw administratie verstrekken, de wet zegt echter niets over "hoe dit zou moeten".
  5. Administratie 7 jaar bewaren (bij onroerende zaken 9 jaar)
  6. Fiscale adviezen hoeft u niet te verstrekken
  7. Alles wat u zegt moet waar zijn, maar niet alles zeggen !!!
  8. Wees kort en bondig bij een antwoord, zinnen max 10 woorden !
  9. Inspecteur mag niet snuffelen (fishing expedition).. laden/ kasten openen/ niet achter PC of in archief snuffelen
  10. Adviezen notaris/ advocaat : verschoningsrecht .. ook adviezen accountant/ fiscalist (geen wettelijk verschoningsrecht)

Welke boekenonderzoeken kunnen we de komende jaren verwachten?

We zien steeds vaker dat de Belastingdienst al vroegtijdig samenwerkt met de FIOD en/of de inspectie SZW. De eerst komende jaren zullen onderzoeken ook worden ingezet op grond van datakoppelingen (big data) binnen de Belastingdienst. Tevens komen er meer onderzoeken in het kader van : 

  1. Zelfstandigheid of dienstbetrekking (DBA) / Schijnconstructures (uitzendbureau’s/ ondernaanneming. Etc)
  2.  Internationale controles (zoals inkeer) nemen toe
  3. Rekening courant aandeelhouders
  4. Werkkostenregeling / kostenvergoedingen 
  5. Auto van de zaak zonder bijtelling
  6. Suppletie en omvang omzetbelasting (carrousel fraude)

Inzagerecht in bezwaar en beroepfase

U heeft recht om uw dossier bij de Belastingdienst in te zien, dit wettelijke recht is er pas laat in de bezwaarfase, namelijk voorafgaand aan het hoorgesprek. Volgens Europese wetgeving (handvest) heeft u dit recht eerder en feitelijk op elk moment. Dit wordt in de doctrine onderstreept edoch de Belastingdienst wil hieraan nog niet meewerken. Naast een papieren dossier is er ook een digitaal dossier (zogenaamd TOP dossier) bij de Belastingdienst beschikbaar. De Belastingdienst mag mails en overige informatie uit het dossier verwijderen als men van mening is dat het niet van belang is. De vraag is dan "keurt de slager zijn eigen vlees op een juiste wijze"

In een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam in 2018 had de belastingdienst informatie uit het dossier verwijderd. Hierdoor werd volgens de rechter belastingplichtige in haar belang geschaad. Gevolg "aanslagen gaan de prullenbak in".

Tips ten aanzien van boekenonderzoek

  1. Verstrek niet klakkeloos alle gevraagde informatie. Kort antwoorden !
  2. Scheid adviezen en eigen notities van uw administratie, maakt geen notities in uw eigen administratie
  3. Controleer wat de fiscus doet en/of steekproeven kloppen.
  4. Wijs binnen uw organisatie één persoon aan als contactpersoon, geef dit ook aan richting de Belastingdienst en instrueer andere personen dat ze geen antwoorden geven.
  5. Maak zelf aantekeningen bij een onderzoek, elke dag (wat is er gebeurd, besproken, etc
  6. Tijdig adviseur inschakelen
  7. Verstrek geen originelen aan de Belastingdienst en maar een scan van de informatie welke door de Belastingdienst wordt meegenomen.
  8. Beantwoord vragen kort en zakelijk
  9. Vooraf en bij einde onderzoek (voor definitieve rapport) adviseur inschakelen en bij bezwaar/ beroep formele zaken (naast materieel) meenemen . Indien gewenst, moment om te “dealen” is bij slotgesprek
  10. Bekijk of er ruimte is voor een schadevergoeding (civiele of bestuursrechter)

Hulp nodig bij boekenonderzoek?

Een boekenonderzoek blijft voor de ondernemer een lastige kwestie. Wij begeleiden vrijwel dagelijks ondernemers bij boekenonderzoeken. Dit levert altijd een voordeel op en zorgt voor een vlotte doorlooptijd en correcte afhandeling. Boetes en torenhoge naheffingen / navorderingen kunnen veelal worden voorkomen.

Jongbloed Fiscaal Juristen helpt u verder

  • Gratis oriënterend gesprek om de mogelijkheden te bekijken (neem contact op).
  • Direct aan tafel met een ervaren fiscaal jurist.
  • Wij begeleiden het traject van begin tot eind.
  • Beperkte kosten en vooraf duidelijke offerte.
Boekenonderzoek Belastingdienst [news] 2019-05-16 0000-00-00 0000-00-00 6168

Boekenonderzoeken in de schoonmaaksector in 2020

Boekenonderzoek Belastingdienst

Ministeries hebben onlangs hun jaarplan 2020 gepresenteerd, zo ook het Ministerie van Financiën voor de werkzaamheden van de Belastingdienst en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de Inspectie SZW. In het jaarplan staan de belangrijkste activiteiten van de Belastingdienst en Inspectie SZW; de speerpunten van de controles voor 2020.

Aangekondigde boekenonderzoeken van de Belastingdienst en SZW

Anderzijds is de controle-aanpak van de Inspectie SZW en de Belastingdienst gericht op een aantal aangewezen sectoren. Voor 2020 mag onder andere de schoonmaaksector zich in het bijzonder op aandacht van de Inspectie SZW verheugen (en controles verwachten).

De grootste door de Inspectie SZW gesignaleerde risico’s in de schoonmaaksector zijn:

  • Onderbetaling;
  • Illegale tewerkstelling;
  • Fiscale en sociale zekerheidsfraude;
  • Schijnconstructies (werken met ZZP'ers);
  • Fictieve dienstbetrekkingen;
  • Overschrijding van arbeidstijden.

Het programma van de Inspectie SZW kijkt niet alleen naar schoonmaakbedrijven zelf, maar ook naar de opdrachtgevers van schoonmaakwerk en uitzendbureaus.

Waar mogelijk wordt een ketenaanpak gehanteerd. Daarbij gaat het om het inspecteren van schoonmaakbedrijven die werkzaam zijn bij opdrachtgevers die onder een keten vallen. Vanuit afgeronde onderzoeken wil het programma, door middel van handhavingscommunicatie, een belangrijk signaal afgeven naar de totale populatie en – daar waar mogelijk - opdrachtgevers.

Aanpak door FIOD, Belastingdienst en SZW

De controles van de Inspectie SZW staan niet op zichzelf. In het kader van het project Schijnconstructies heeft de overheid een samenwerking opgezet van een aantal instanties, waaronder FIOD, Belastingdienst en Inspectie SZW. Zij bundelen ook hun kennis via het opgerichte Kennis Informatie Platform (KIP).

Hulp bij boekenonderzoeken van Belastingdienst of SZW?

Jongbloed Fiscaal Juristen heeft inmiddels een verzoek ingediend op basis van de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) om de documentatie die via het KIP wordt gedeeld openbaar te krijgen. Deze informatie is mede van belang bij verweer tegen boetes en naheffingen. Kortom, de schoonmaaksector mag zich op de bijzondere aanpak van de Inspectie SZW verheugen. Controles kunnen worden verwacht.

Wij adviseren doorlopend bedrijven bij boekenonderzoeken. Wilt u meer informatie, neem dan contact met ons op via onderstaande link.

Bronnen Boekenonderzoeken 2020

Aanbiedingsbrief jaarplan

Jaarplan Belastingdienst 2020

Welke boekenonderzoeken in 2020 [news] 2019-12-04 0000-00-00 0000-00-00 6322

Statistische steekproef bij boekenonderzoek

Bij belastingcontroles maakt de Belastingdienst vaak gebruik van een statistische controle-methode, de eurosteekproef. Het gebruik van dergelijke steekproeven is in het kader van de vrije bewijsleer toegestaan. Extrapolatie van de uitkomsten van een steekproef naar andere jaren is eveneens toegestaan mits sprake is van een constante feitelijke situatie.

Waarom de statistische steekproef?

Voordeel van deze manier van controleren is, dat met een beperkt aantal waarnemingen uitspraken kunnen worden gedaan over de te controleren administratie. De controle kan daardoor erg efficiënt worden ingericht.

Statistische steekproef bij boekenonderzoeken in de praktijk

Voor het uitvoeren van de eurosteekproef of statistische steekproef is een behoorlijke kennis van statistiek vereist. Dit betekent dat, als u de steekproef wilt beoordelen, u ook over meer dan gemiddelde statistische kennis moet beschikken. Bij een eurosteekproef wordt de administratie onderverdeeld in intervallen. Uit zo’n interval wordt 1 euro getrokken. Deze euro (in feite 1 post of 1 factuur) kan worden goedgekeurd of geheel of gedeeltelijk worden afgekeurd.

Voorbeeld statistische steekproef

Bij een controle van de loonbelasting verdeelt de Inspecteur de loonsom van € 800.000 in veertig intervallen van € 20.000. Uit ieder interval wordt € 1 getrokken. De post die hoort bij deze euro wordt gecontroleerd op juistheid. Aan de hand van de bevindingen wordt het gehele interval van € 20.000 geheel of gedeeltelijk goedgekeurd of afgekeurd. Stel dat binnen het interval een post van € 200 geheel onjuist is, dan kan het gehele interval afgekeurd worden. Dit levert een correctie van € 20.000 voor een enkele fout van € 200.

Als dit de enige fout is en de feitelijke situatie is in de andere jaren ongewijzigd, dan kan dit leiden tot een correctie van 5 * € 20.000. te vermeerderen met boetes en rente. Een klein foutje met grote gevolgen dus.

Noot fiscaal jurist inzake statistische steekproef

De wet staat een statistische steekproef toe, aldus de Hoge Raad in 2008. De zorgvuldigheid is hierbij wel van belang en niet in alle situaties mag van de steekproef bij boekenonderzoeken worden uitgegaan, aldus het Gerechtshof in 2011. Het extrapoleren verdient extra aandacht omdat dit enkel is toegestaan op grond van empirisch bewijs omtrent het feit dat de jaren waarna wordt geëxtrapoleerd constant zijn, aldus de Rechtbank Den Haag in 2016, maar ook het Gerechtshof Den Haag in dat jaar.

Bij het gebruik van de steekproef wordt een bandbreedte gehanteerd. Als u deze wilt aanvechten, is een uitgebreid dossieronderzoek bij de Belastingdienst noodzakelijk. Ook is kennis van de statistische wetenschap een vereiste. Hierbij moet ook naar de extrapolatie worden gekeken, maar ook naar de homogeniteit binnen de groep. Het opleggen van vergrijpboeten moet zeker nader worden onderzocht.

Als u vragen of opmerkingen heeft, neem dan gerust contact op. Wij hebben uitgebreide ervaring met boekenonderzoeken en statistische steekproeven.

Bronnen steekproef bij boekenonderzoek

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 5 december 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:5440

Gerechtshof Den Haag 23 november 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3835

Gerechtshof 's Hertogenbosch 28 januari 2011 ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ2837

Hoge Raad 14 maart 2008 ECLI:NL:HR:2008:AU0840

NBA Tool inzake statische steekproef bij boekenonderzoeken

https://www.nba.nl/tools/hra-2019/?folder=132640#par132659%20(2019)

Steekproef bij boekenonderzoeken [news] 2020-03-25 0000-00-00 0000-00-00 6451

Navorderen tijdens boekenonderzoek

De Belastingdienst stelt een boekenonderzoek in en tijdens dit onderzoek worden definitieve aanslagen opgelegd over jaren die bij het onderzoek zijn betrokken. En nu? De Belastingdienst kan bij computerfoutjes gewoon navorderen, maar heeft ook een onderzoeksplicht. In een uitspraak van de Rechtbank kwam vorenstaande aan de orde. In dit artikel een toelichting.

Wanneer nog navorderen door de Belastingdienst?

Een eenvoudige schrijf- of tikfout mag de Belastingdienst herstellen, dit geldt ook voor een automateringsfout of computerfout. De Belastingdienst kan soms alsnog belasting heffen als er al een definitieve aanslag is opgelegd, dit wordt dan vormgegeven via naheffingsaanslagen (aangiftebelastingen zoals omzetbelasting / loonbelasting) en / of navorderingsaanslagen (aanslagbelastingen zoals inkomstenbelasting / vennootschapsbelasting).

De Inspecteur mag inkomsten (of winst) navorderen als dit inkomen redelijkerwijs niet bij de Inspecteur bekend was of bekend had kunnen zijn. De belastingplichtige moet echter wel op het standpunt van de Belastingdienst kunnen vertrouwen, dus een definitieve aanslag is ook een definitieve aanslag. Had de Inspecteur iets kunnen of moeten zien? Had de Inspecteur moeten (door-)vragen?

Moet de Inspecteur doorvragen bij navordering?

De Inspecteur moet volgens de Hoge Raad (in 2010) gericht doorvragen als hij heeft kennis genomen van een ingediende aangifte. Hierbij moet de Inspecteur de normale zorgvuldigheid in acht nemen. Als de Inspecteur in redelijkheid moet twijfelen aan de juistheid van een ingediende aangifte indien hij/ zij zou moeten twijfelen over de juistheid van de ingediende aangifte. De ruimte voor de Inspecteur is dus best ruim en sterk afhankelijk van feiten (artikel 16 AWR). Een nieuw feit is volgende de wet:

  • Een feit dat de Inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Van kwade trouw is sprake als de belastingplichtige opzettelijk de Inspecteur onvolledig of onjuist heeft geinformeerd.

En zijn ook nog een paar aanvullende voorwaarden bij navordering, lees hiertoe artikel 16 lid 2 van de AWR. Deze zien op:

  1. Het moet voor de belastingplichtige in redelijkheid duidelijk (kenbaar) zijn dat de opgelegde aanslag te laag is, hiervan is in ieder geval sprake bij een afwijking van 30%. Hierbij geldt als uitgangspunt "een redelijk denkende belastingplichtige, aldus eenarrest uit 2014.
  2. Fiscale partners wijzigen onderling de verdeling van vermogen of inkomen. 
  3. Een belastingteruggave onjuist (te hoog) is verrekend met de te betalen belasting.

Kenbare fout bij navordering

Als de belastingplichtige direct kan zien dat een aanslag te laag is, is sprake van een kenbare fout. Een fout is ook een typ- of rekenfoutje van de Belastingdienst in hun megacomputer, ook deze kunnen via navordering worden hersteld. Als de Inspecteur echter een beoordelingsfout maakt, kan hij / zij zich niet verschuilen achter de AWR. Een verwijtbare fout bij de Inspecteur kan niet via de route van artikel 16 worden hersteld, ook niet als de belastingplichtige het kon weten.

Navordering tijdens boekenonderzoek

Tijdens een boekenonderzoek wordt door de belastingplichtige een aangifte ingediend. Bij de aangifte doet hij een briefje met de melding "het volgende is gebeurd ... en er loopt nu een onderzoek". Voordat het boekenonderzoek is afgerond, wordt de definitieve aanslag opgelegd waarbij de aangifte inkomstenbelasting wordt gevolgd. Was de belastingplichtige te kwader trouw? Dit is volgens de rechter niet zo, er zat immers een keurige toelichting bij de aangifte inkomstenbelasting. Door allerlei (menselijke en computer-)fouten is de aangifte er tussendoor geglipt, aldus de Inspecteur. Daarom wil de Inspecteur nu navorderen. Dat er geen nieuw feit is, is wel duidelijk, er liep immers een onderzoek bij belastingplichtige. Van kwade trouw is ook geen sprake, er zat immers een toelichting bij de aangifte. De rechter is het niet met de Inspecteur eens, er is geen sprake van een automatiseringsfout. De Inspecteur had zijn systemen op orde moeten brengen en de uitworp van aanslagen moeten voorkomen. Dit onderzoek heeft niet plaatsgevonden en hiermee kan de Inspecteur een verwijt worden gemaakt. Een beoordelingsfout die niet via artikel 16 (lid 2) AWR kan worden hersteld, daar is de wet niet voor bedoeld.

Conclusie inzake navordering tijdens boekenonderzoek

Bij een aanslagbelasting (zoals inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting) rust op de Inspecteur de verantwoordelijkheid om zijn huiswerk goed te maken. Als de Inspecteur iets had kunnen zien of moeten zien, kan er niet worden nagevorderd. Op deze hoofdregel bestaan natuurlijk weer allerlei uitzonderingen, dit maakt het complex en een grijs gebied.

Een beoordelingsfout komt voor rekening van de Inspecteur en een typfout voor rekening van belastingplichtige, dit volgt uit deze rechtbankzaak en ook uit een arrest uit 2018.

Vragen over navorderingsaanslagen of boekenonderzoeken?

Neemt gerust vrijblijvend contact op met één van onze specialisten !

Bron kenbare fout en navordering

Hoge Raad d.d. 21 mei 2010 ECLI:NL:HR:2010:BL8295

Hoge Raad d.d. 15 juni 2018 ECLI:NL:HR:2018:797

Hoge Raad d.d. 13 juli 2019 ECLI:NL:HR:2018:1203

Hoge Raad d.d. 27 juni 2014 ECLI:NL:HR:2014:1528

Rechtbank Zeeland - West Brabant d.d. 26 februari 2020 ECLI:NL:RBZWB:2020:922

Navorderen tijdens boekenonderzoek [news] 2020-08-25 0000-00-00 0000-00-00 6639

Boekenonderzoek en e-mailverkeer

Een administratiekantoor weigert bepaalde e-mails aan de Belastingdienst te verstrekken bij een boekenonderzoek. Door de toenemende digitalisering zien wij vaker bij dergelijke onderzoeken dat de Belastingdienst hierom vraagt. Wanneer moet u adviezen en / of e-mails verstrekken aan de Belastingdienst?

Boekenonderzoek en informatieverstrekking

De Belastingdienst vraagt een ondernemer bij een boekenonderzoek soms het "administratieve hemd van het lijf". Hierbij wordt er soms veel te veel opgevraagd en de ondernemer / belastingplichtige wordt hierbij beperkt beschermd. De enige echte bescherming is dat de Belastingdienst enkel informatie mag opvragen welke fiscaal relevant is. De basis voor de informatieverstrekking is gelegen in artikel 47 en 52 van de AWR (Algemene Wet inzake Rijksbelastingen).

Door de toenemende digitalisering zien wij dat de Belastingdienst steeds vaker ook e-mailverkeer opvraagt bij de belastingplichtige. Hierbij mag de ondernemer een scheiding maken in de te verstrekken e-mails.

Wat moet er worden verstrekt bij een boekenonderzoek?

De Belastingdienst mag veel informatie opvragen, maar er zijn ook beperkingen. De belangrijkste aandachtspunten bij het verstrekken van informatie zijn:

  1. Is de informatie fiscaal relevant voor belastingheffing?
  2. E-mails met fiscale adviezen hoeven in principe niet te worden verstrekt.
  3. E-mails met een privé karakter hoeven niet te worden verstrekt.
  4. Het willekeurig alles opvragen (fishing expedition) door de Belastingdienst is niet toegestaan.

Procedure rechtbank inzake verstrekken e-mails bij boekenonderzoek

In een procedure bij de Rechtbank Gelderland in 2020 ging het om een informatiebeschikking tijdens een boekenonderzoek. In deze procedure beroept een administratie- / belastingadvieskantoor zich op het informele verschoningsrecht, dit wordt vlot door de rechter in de prullenbak gegooid, ook al zou dit in strijd zijn met het fair play beginsel (Hoge Raad, 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3140). De Belastingdienst heeft niet specifieke e-mails van een bepaalde relatie opgevraagd. De gevraagde informatie had betrekking op de administratie van het administratie- / belastingadvieskantoor en moet gewoon worden verstrekt.

Advies fiscaal jurist inzake boekenonderzoek

Het is verstandig om een specialist in te schakelen bij een boekenonderzoek. Het aantal onderzoeken zal de komende tijd toenemen. Een gedegen voorbereiding is bij een boekenonderzoek ook van belang, hierbij moeten ook de spelregels en de aandachtspunten voor de ondernemer / belastingplichtige duidelijk zijn. Heeft u vragen of wordt er een boekenonderzoek bij uw bedrijf aangekondigd, neem dan gerust contact op met één van onze specialisten.

Bron boekenonderzoek en informatieverstrekking

Rechtbank Gelderland d.d. 9 december 2020 ECLI:NL:RBGEL:2020:6488

Boekenonderzoek en mail [news] 2021-01-07 0000-00-00 0000-00-00

Moet u bij een boekenonderzoek ook e-mailverkeer aan de Belastingdienst verstrekken? Als dit voor de belastingheffing relevant is, soms wel!

6835

Derdenonderzoek Belastingdienst

Informatieverstrekking aan de Belastingdienst over een ander

Inleiding derdenonderzoek

Om goed belasting te kunnen heffen, moet de Belastingdienst over de noodzakelijke informatie over uw onderneming kunnen beschikken. Buiten de informatie die u bij de aangifte moet verstrekken, heeft de Belastingdienst ook uitgebreide mogelijkheden om meer informatie op te vragen en onderzoek te doen.

Die informatie kan de Belastingdienst niet alleen bij u opvragen, maar ook bij anderen. Omgekeerd werkt dat ook: de Belastingdienst kan bij u informatie opvragen over anderen.

Recent heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Europees Hof) wat meer duidelijkheid gegeven over deze informatiegaring in internationaal verband. Deze beslissing kan (en naar mijn mening moet) gevolgen hebben voor informatiegaring in Nederland.

De Nederlandse wetgeving inzake derdenonderzoek

In de Nederlandse overkoepelende belastingwet heeft de Belastingdienst de bevoegdheid informatie van derden bij u op te vragen (artikel 53 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; Awr).

De administratieplichtige is verplicht informatie aan te leveren die ziet op de belastingheffing van derden. Feitelijk is elke ondernemer of ZZP’er administratieplichtige.

Als u vragen krijgt over een andere belastingplichtige, dient u die te beantwoorden. Tegen dergelijke informatieverzoeken van de Belastingdienst staat geen rechtsbescherming open. U kunt dus niet (uiteindelijk) naar de rechter met de vraag of het verzoek wel terecht is en niet te ver gaat. Het enige dat u kunt doen, is stellen dat de vraag van de Belastingdienst onrechtmatig is en vragen om een vergoeding van de kosten die u heeft moeten maken om de vraag te beantwoorden. De informatie moet echter geleverd worden en de Belastingdienst kan dat afdwingen met een dwangsom.

Derdenonderzoek in Europees perspectief

De informatie-uitwisseling over derden over de landsgrens heen werkt in wezen hetzelfde. De buitenlandse belastingdienst heeft informatie nodig over een aldaar belastingplichtige en meent dat uw onderneming daarover beschikt. Via de Nederlandse Belastingdienst krijgt u dan de vragen die u moet beantwoorden. Dat is geregeld in de Wet internationale bijstandverlening bij de heffing van belastingen (WIB).

Goed om te weten is dat die wet (tot 2014) wel een gang naar de rechter mogelijk maakte tegen een internationaal inlichtingenverzoek.

In een Luxemburgse zaak heeft het Europees Hof nu beslist dat voor de informatiehouder (dat is degene bij wie de informatie over een andere belastingplichtige wordt opgevraagd) een voorziening in rechte tegen een dergelijk verzoek moet hebben (lees: naar de rechter moet kunnen stappen).

Het arrest van het Europees Hof ziet alleen op situaties waarin door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden. Er moet dus een link zijn met het Europese recht. Dat zal bij de Omzetbelasting- en Douanezaken snel aan de orde zijn, maar bij Inkomstenbelasting en Vennootschapsbelasting ligt dat minder voor de hand.

Noot fiscaal jurist inzake derdenonderzoek Belastingdienst

Als u informatie moet verstrekken over anderen, is daar te weinig tegen te doen. Door de uitspraak van het Europees Hof kunt u bij EU-gerelateerde zaken zich wel verzetten tegen een informatieverzoek.

Het zou beter zijn als de wetgever bij internationale gegevensuitwisseling de oude situatie herstelt en weer bezwaar en beroep tegen die verzoeken mogelijk maakt.

Qua rechtsbescherming is het vreemd dat u zich niet (bij de rechter) kunt verzetten tegen de informatiezucht van de Belastingdienst als ze bij u komen voor (doorgaans bewijzen tegen) een andere belastingplichtige.

Als het gaat om informatie over uzelf, kan de Belastingdienst een informatiebeschikking nemen als u niet de gewenste informatie levert. Daartegen kunt u opkomen bij de rechter. Waarom dat ook niet mogelijk maken als het om informatie over een ander gaat ...?

Heeft u vragen over boekenonderzoeken, derdenonderzoeken of ander onderzoek door de Belastingdienst, neem dan contact op!

Bron Informatieverstrekking aan de belastingdienst

Arrest HvJ EU

Derdenonderzoek Belastingdienst [news] 2021-03-01 0000-00-00 0000-00-00

Om goed belasting te kunnen heffen, moet de Belastingdienst over de noodzakelijke informatie over uw onderneming kunnen beschikken. Buiten de informatie die u bij de aangifte moet verstrekken, heeft de Belastingdienst ook uitgebreide mogelijkheden om meer informatie op te vragen en onderzoek te doen.

6911

Geldsteekproef en boekenonderzoek Belastingdienst

De guldensteekproef, geldsteekproef of eurosteekproef

De Belastingdienst stelt weer vaker boekenonderzoeken in. Bij grotere MKB-bedrijven is de administratie vaak omvangrijk en een boekenonderzoek kost dan veel tijd. Om de inspecteur efficiënt in te zetten, wordt gebruik gemaakt van slimmere controlemiddelen. De guldensteekproef (of geldsteekproef) is hierbij een zinvol en nuttig middel.  

Belastingcontrole en geldsteekproef

Bij grotere administraties kost het veel tijd en energie (zowel voor de Belastingdienst als de 'klant') om facturen, betalingen, verloningen en dergelijke te controleren. Voor het bedrijf zit die tijd en energie in de voorbereiding van de controle en het klaarleggen van de gevraagde stukken, voor de Belastingdienst in het beoordelen van al deze stukken. Voor de inspecteur in het feit dat hij / zij veel informatie moet "doorploeteren" om te kijken of alles fiscaal juist is verwerkt. Hoe kan er efficiënt worden gewerkt?  

Uitkomst geldsteekproef

De Belastingdienst maakt daarom bij haar controles steeds vaker gebruik van de geldsteekproef. De geldsteekproef is gebaseerd op statistiek; de Belastingdienst stelt bij een foute factuur / geldeenheid dat zij er vanuit kan gaan dat de fout zich ook bij andere (niet beoordeelde) facturen in dezelfde periode heeft voorgedaan.

De belastingcontrole wordt hierdoor erg veel efficiënter, maar in basis ook heel kostbaar. Helaas voor de belastingbetaler; de Hoge Raad heeft de controle met behulp van de statistische steekproefmethodiek al goedgekeurd.

De getrokken geldeenheden maken namelijk deel uit van een zogenoemde interval. Als de getrokken euro volledig wordt afgekeurd en de interval bedraagt € 20.000, betekent dit dat de hele interval wordt afgekeurd, dus een correctie van € 20.000.

Als dan wordt bedacht dat de Belastingdienst over de laatst verlopen vijf jaren correcties mag opleggen, dan is de correctie ineens substantieel. Het bedrag kan uiteraard ook nog worden verhoogd met boetes en renten.

Jurisprudentie en geldsteekproef

Het Gerechtshof plaatst onlangs enkele belangrijke kanttekeningen bij de toepassing van de guldensteekproef.

Het Gerechtshof overweegt dat de Belastingdienst aan de hand van steekproeven - zoals de geldsteekproef - administraties van belastingplichtigen mag controleren, maar dat de Belastingdienst de steekproef dan wel moet uitvoeren op een statistisch-wetenschappelijk verantwoorde en controleerbare wijze.

Om statistisch-wetenschappelijk verantwoord te zijn, moet de onderzochte groep binnen de geldsteekproef homogeen zijn. Dit wil zeggen dat er samenhang moet bestaan tussen de elementen van de groep. De keuze van de onderzochte groep moet bovendien aan de hand van objectieve maatstaven plaatsvinden.

Het Hof overweegt echter dat aan de resultaten van de geldsteekproef niet meer bewijskracht kan worden toegekend dan dat de inspecteur daarmee het vermoeden van het bestaan van die feiten of fouten tot de berekende omvang aannemelijk heeft gemaakt. Er is dus sprake van een bewijsvermoeden dat voor ontzenuwing vatbaar is. De belastingplichtige heeft dus de mogelijkheid om het bewijsvermoeden dat uit de resultaten van de geldsteekproef volgt te ontzenuwen.

Gerechtshof Den Haag concludeerde al eerder dat het extrapoleren van resultaten van een in een bepaald jaar gehouden onderzoek naar andere jaren mogelijk is, als er voldoende grond is om aan te nemen dat het onderzochte jaar en de andere jaren een constant beeld vertonen wat betreft de van belang zijnde feitelijke situatie of op voorhand vaststaat dat de data van de andere jaren in dezelfde mate juist of onjuist zijn als die van het onderzochte jaar.

Noot fiscaal jurist inzake geldsteekproef en Belastingdienst

Advies fiscaal jurist inzake geldsteekproef

Een controle met toepassing van de geldsteekproef is complex. Het is dan ook goed hierbij een specialist te betrekken; in de regel is dat geen accountant of fiscalist, maar een specialist op het gebied van statistische steekproeven. De impact van een foutje is groot, dus de investering in kwaliteit raadzaam. In beginsel geldt voor een belastingplichtige altijd de vrije bewijsleer. Dit wil zeggen dat de belastingplichtige zelf mag kiezen op welke wijze hij / zij hun standpunten aannemelijk willen maken. De Belastingdienst mag ook kiezen hoe een controle wordt ingestoken, edoch bij een geldsteekproef kunnen kleine fouten grote gevolgen hebben, dit komt door de extrapolatie in aantallen en jaren. Als de steekproef is gebaseerd op onjuiste uitgangspunten, kan de steekproef de prullenbak is. Dit kost echter wel even tijd en hiervoor is technische kennis van een steekproef wenselijk. In sommige gevallen kan ook omkering van de bewijslast (en wellicht verzwaring van de bewijslast) plaatsvinden. Verzwaring wil zeggen dat iets moet worden bewezen, dit is zwaarder dan aannemelijk maken.

Voorwaarden geldsteekproef !

Rechters maken duidelijk dat de eurosteekproef of geldsteekproef een "signaal of bewijsvermoeden" is. Ook worden er strikte voorwaarden gesteld aan het onderzoek, de belangrijkste zijn:

  • Uitvoeren op een statistisch-wetenschappelijk verantwoorde en controleerbare wijze;
  • Samenhang tussen de elementen van de groep;
  • De keuze van de onderzochte groep moet aan de hand van objectieve maatstaven plaatsvinden.

Bronnen geldsteekproef

Gerechtshof Den Bosch 31 december 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:4116

Gerechthof Den Haag, BK-16/00267 t/m 00270: ECLI:NL:GHDHA:2016:3835

Controleaanpak Belastingdienst

Handboek controle Belastingdienst versie juli 2020

Geldsteekproef boekenonderzoek [news] 2021-03-08 0000-00-00 0000-00-00

Zijn ingediende aangiften juist ? De Belastingdienst controleert dit steeds vaker via de guldensteekproef. Hoe werkt dit?

6917

Boekenonderzoek en cautie

Boekenonderzoek aangekondigd? Hangt er een boete in de lucht?

Beste advies? Mondje dicht, alles schriftelijk en bel een fiscalist.

Miranda-waarschuwing

Onderstaande Miranda-waarschuwing

  • You have the right to remain silent. Should you waive that right, anything you say can be held against you in the court of law. You have the right to speak to an attorney. If you cannot afford an attorney, one will be appointed for you. Do you understand these rights as they have been read to you?

komt niet alleen voor in Amerikaanse politieseries, maar moet ook goede diensten bewijzen in het belastingrecht. Via het Europese recht heeft het zwijgrecht ook zijn weg gevonden in het bestuurs- en belastingrecht. Sinds 1 juli 2009 bepaalt artikel 5:10a van de Awb:

  • Degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie, is niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen. Voor het verhoor wordt aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.

Uw rechten tijdens een boekenonderzoek

De strekking van bovenstaande bepaling is duidelijk, zou je denken.

In de eerste plaats geldt de verplichting te wijzen op het zwijgrecht (het geven van de cautie) niet voor schriftelijke vragen. Bij schriftelijke vragen is als regel geen sprake van een verhoor. Dit is slechts anders indien in bijzondere omstandigheden van een schriftelijke vraag een zodanige druk om te antwoorden zou uitgaan, dat materieel sprake is van een verhoor.

Wanneer is sprake van een verhoor?

De wetgever omschrijft het zo: “Een verhoor is een mondelinge ondervraging met het oog op het opleggen van een bestraffende sanctie.” De Hoge Raad formuleert het als: “alle gevallen waarin anders dan schriftelijk vragen aan de betrokkene worden gesteld met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete."

Als een controlerende ambtenaar, zoals een inspecteur van de Belastingdienst, vragen stelt, is de belastingplichtige over het algemeen verplicht om te antwoorden. Als deze ambtenaar (hierdoor) de belastingplichtige gaat verdenken, moet hij een cautie geven. Er is dan sprake van een sfeerovergang (van de controlesfeer naar de opsporingssfeer).

Een typische cautie in Nederland is:

  • "U hoeft niet te antwoorden, maar..."; of
  • "U bent niet tot antwoorden verplicht, maar..." (steeds gevolgd door de eerste vraag van de opsporingsambtenaar). Zoals altijd bij het woordje 'maar' moet u op uw qui-vive zijn.

De praktijk bij een boekenonderzoek

In de praktijk komt het herhaaldelijk voor dat tijdens een gezellig praatje met de ambtenaren tijdens een boekenonderzoek of bij de bespreking van de resultaten dergelijke zinnetjes worden ingevlochten. Ook het moment waarop pleegt door de ambtenaren te worden uitgesteld. In die zin is een verhoor niet altijd als zodanig kenbaar en kan dus onderdeel zijn van een (voortgangs-)gesprek en zelfs van een telefoongesprek.

Het zwijgrecht (en dus de cautieplicht) geldt in ieder geval vanaf het tijdstip waarop kan worden gesproken van een 'criminal charge'. Veelal wordt aangenomen dat sprake is van een criminal charge vanaf het tijdstip waarop de belastingplichtige uit handelingen van het bestuursorgaan redelijkerwijs kan afleiden dat hem een boete zal worden opgelegd. Dat kan dus midden in een gesprek zijn.

Advies inzake boekenonderzoek

Omdat u wel verplicht bent om vragen te beantwoorden als het gaat om de belastingheffing zelf, is het vaak lastig om tijdens een boekenonderzoek te onderkennen wanneer het nu gaat om de belastingheffing en wanneer om de boete. Het is niet noodzakelijkerwijs zo dat de vragen t.b.v. de boete altijd aan het einde van een gesprek zitten. Draag uw werknemers daarom op om geen vragen te beantwoorden en wijs een verantwoordelijke aan die de ambtenaren te woord staat. Betrek bij twijfel altijd een adviseur bij het gesprek. En natuurlijk, het is verstandiger om vragen schriftelijk te beantwoorden, niet mondeling. Dwing de inspecteur hiertoe zodat u controle kunt houden op de feiten, gevolgen en heffingen.

Bron inzake cautie Boekenonderzoek

[1]Memorie van Toelichting

Boekenonderzoek Belastingdienst [news] 2021-06-28 0000-00-00 0000-00-00 7038

Boekenonderzoek en aftrek van btw

De Belastingdienst is verantwoordelijk voor het heffen en invorderen van belastingen. Dat gaat niet zonder informatie. De wet bevat verplichtingen voor belastingplichtigen om informatie te verstrekken en voor bepaalde groepen belastingplichtigen om een administratie te voeren. Via deze weg verkrijgt de Belastingdienst veel informatie. Echter, vertrouwen is goed; controle is beter. In het kader van controlehandelingen is het boekenonderzoek een niet weg te denken middel dat de Belastingdienst regelmatig inzet. In de zaak die hierna wordt besproken betreft het een boekenonderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting. De aangiften zien op tijdvakken gelegen tussen 2009 en 2014. Het geschil waar het gerechtshof over heeft beslist betreft de opgelegde naheffingsaanslagen in de breedste zin van het woord. Om het artikel goed leesbaar te houden, wordt eerst – en uitgebreid – een weergave gegeven van de feiten en omstandigheden. Daarna volgt een uiteenzetting van de geschilpunten en de standpunten van partijen. Vervolgens gaan wij in op het oordeel van het gerechtshof.

Omstandigheden bij btw-boekenonderzoek

Het gaat om een onderneming die zich bezighoudt met interim-management en administratieve dienstverlening. In 2014 kondigt de Belastingdienst het boekenonderzoek bij deze onderneming aan. Voor aanvang van het onderzoek doet de ondernemer aangifte bij de politie; de administratie is gestolen. De Belastingdienst verricht vervolgens het boekenonderzoek aan de hand van bankafschriften. Deze bankafschriften leiden tot correcties. De meeste correcties zien op de hoogte van de in aftrek gebrachte btw (de vooraftrek). Naast de correcties legt de inspecteur ook vergrijpboeten op. De hoogte van deze vergrijpboete wordt gesteld op 50%. De Belastingdienst meent dat sprake is van opzet of voorwaardelijk opzet. Van voorwaardelijk opzet is sprake indien de belastingplichtige zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een fiscale misslag wordt begaan. In de bezwaarfase is de hoogte van de boete ongemoeid gebleven. De correcties zijn verminderd.

Waar het in de kern om gaat is, dat de ondernemer meent dat bij de btw-aftrek rekening gehouden moet worden met btw op kosten die in privé zijn betaald. Het betreft naar de mening van de ondernemer voorgeschoten kosten. Daar komt in hoger beroep nog bij dat de ondernemer aangeeft dat aan een vennootschap onder firma teveel kosten zijn doorbelast. Het gevolg daarvan is – volgens de ondernemer – dat er teveel btw op de naheffingsaanslag is opgenomen. Hij geeft tot slot aan dat de vennootschap onder firma bij wijze van suppletie deze btw reeds heeft terugbetaald aan de Belastingdienst.

De rechtbank over dit btw-boekenonderzoek

De uitspraak van de rechtbank is niet gepubliceerd. Er is daardoor slechts beperkte informatie voorhanden. Uit de uitspraak van het gerechtshof komt het volgende naar voren over de uitspraak van de rechtbank. In de beroepsfase is door de ondernemer nadere informatie verstrekt. Dit heeft er niet toe geleid dat de correcties zijn gewijzigd of vernietigd. De rechtbank komt wel tot de conclusie dat de boeteoplegging onjuist is. De Belastingdienst heeft gesteld dat sprake is van opzet of voorwaardelijke opzet. De rechtbank acht dit niet bewezen, doch acht wel aannemelijk dat sprake is van grove schuld. Van grove schuld is sprake ingeval het gedrag zich laat kenmerken als in laakbaarheid aan opzet grenzende verwijtbaarheid. Hiertoe behoort ook grove onachtzaamheid. Dit is reden om de boeten te matigen. De boeten worden verder verminderd met 15% wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dit leidt ertoe dat de boetes behoorlijk worden verlaagd.

Tussenuitspraak van het hof over dit btw-boekenonderzoek

Het gerechtshof heeft eind 2020 de zaak aangehouden. De ondernemer is hierbij in de gelegenheid gesteld om nadere informatie aan te leveren. Dit heeft hij ook gedaan. De Belastingdienst heeft op deze informatie gereageerd. Op basis van alle verzamelde informatie doet het gerechtshof uitspraak in deze zaak. De ondernemer heeft vervolgens nog verzocht om uitstel van de zitting wegens hartritmestoornissen. Dit verzoek is door het gerechtshof afgewezen. Het gerechtshof overweegt dat de eisen van een goede rechtspleging bij een goede reden maken dat uitstel verleend wordt, tenzij zwaarder wegende belangen zich hiertegen verzetten. Volgens het hof is daarvan in dit geval sprake. De zaak ligt namelijk al lang bij de rechtspraak en is regelmatig uitgesteld, onder meer voor nader onderzoek. Daarnaast is er al een zitting geweest waarbij de ondernemer aanwezig was en zou nader uitstel leiden tot onredelijke vertraging. Het hof geeft aan wel rekening te houden met het gegeven dat de ondernemer hierdoor op bepaalde zaken niet heeft kunnen reageren.

Het gerechtshof over dit btw-boekenonderzoek

Het gaat – zoals eerder opgemerkt – om de vraag of er ten onrechte is gecorrigeerd op de in aftrek gebrachte btw. Het gerechtshof wijst eerst op de wet om daarmee de spelregels aan te geven. De ondernemer kan btw in aftrek brengen indien deze in rekening is gebracht op de voorgeschreven wijze. Daarnaast moet de btw die in aftrek wordt gebracht zien op kosten die wordt gemaakt in het kader van de uitoefening van de onderneming (de economische activiteit). De bewijslast ligt bij een discussie over de aftrek van btw bij de belastingplichtige.

Het gerechtshof oordeelt dat de ondernemer aan deze bewijslast niet heeft kunnen voldoen. Er zijn geen feiten en omstandigheden gebleken waaruit aannemelijk wordt dat er recht is op meer btw-aftrek dan de Belastingdienst toestaat. Sterker nog: het gerechtshof spreekt uit dat de Belastingdienst welwillend is geweest door de berekeningen van de ondernemer te volgen, ondanks het gebrek aan voldoende onderbouwing. De informatie die de ondernemer in hoger beroep nog heeft aangeleverd, kan zonder nadere onderbouwing en cijfermatige conclusies niet leiden tot verdere aftrek. Zo is niet duidelijk of de kosten een zakelijk karakter hebben en of dat de kosten het niveau overstijgen van wat al in aanmerking is genomen door de Belastingdienst. Daarbij weegt het hof mee dat de ondernemer in deze jaren weinig omzet maakte, maar wel veel kosten had. De zakelijkheid is, ondanks het bieden van gelegenheid, niet onderbouwd.

Vervolgens buigt het gerechtshof zich over het argument dat aan de vennootschap onder firma teveel kosten zijn doorbelast. Echter, de ondernemer heeft de specificatie die is opgevraagd niet verstrekt. Hierdoor kan het gerechtshof niet controleren of de suppletieaangifte is gedaan. Ook hier ontstaat dus een bewijsprobleem. Voorts volgt niet uit de stukken wie nu precies welk bedrag in rekening heeft gebracht en aan wie. Het recht op btw-aftrek is dus ook hier niet voldoende aannemelijk gemaakt.

Het gerechtshof komt daarom tot de conclusie dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. De boeten blijven eveneens op het niveau dat de rechtbank heeft vastgesteld. Deze zijn passend en geboden. Met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn wordt in deze zaak geen schadevergoeding toegekend, dit op grond van bijzondere omstandigheden. In de eerste plaats zorgt de coronacrisis uiteraard voor vertraging. Dit leidt tot een verlenging van de redelijke termijn van vier maanden. Daarnaast is het zo dat de ondernemer meermaals om uitstel of aanhouding van de zitting heeft gevraagd. Dit heeft geleid tot een vertraging van vijf maanden, die aan de ondernemer wordt toegerekend.

Fiscaal jurist over boekenonderzoek, bewijslast en administratie

De ondernemer in deze zaak heeft niet voldoende bewijs kunnen leveren. Echter, dat wil niet zeggen dat de zaken niet zijn verlopen zoals de ondernemer deze voorspiegelt. Iets niet kunnen bewijzen wil immers niet zeggen dat iets niet gebeurd is. Het komt in de praktijk regelmatig voor dat ondernemers niet of onvoldoende kunnen voldoen aan de bewijslast. Dat komt regelmatig voor, omdat bij het opzetten van een bepaalde werkwijze niet is meegekeken door een fiscaal jurist. Wat dan vaak blijkt is dat de werkwijze zoals die door de ondernemer wordt uitgelegd niet onjuist is, maar dat niet is nagedacht over de administratie- en bewaarverplichtingen die uit de wet volgen. Er kan dan onvoldoende aan die verplichtingen worden voldaan. Dat leidt vervolgens tot navorderings- of naheffingsaanslagen en vaak tot omkering en verzwaring van de bewijslast.

Een boekenonderzoek is voor iedere ondernemer een onaangename verrassing. De Belastingdienst wil vaak inzage in zeer veel documenten, gaat in een rap tempo vragen stellen en heeft op basis van alle beschikbare informatie vaak al wat risicopunten geïdentificeerd. Het is verstandig om u gedurende een boekenonderzoek bij te laten staan door een fiscaal jurist. Deze weet precies wat de Belastingdienst wel en niet mag vragen. Ook kan hij aanwezig zijn bij gesprekken met de Belastingdienst, om er onder andere voor te zorgen dat niet meer informatie wordt verstrekt dan noodzakelijk. Een goede fiscaal jurist treedt daarnaast ook op als procesbewaker en zal ernaar streven de vaart erin te houden. Niet zelden slepen boekenonderzoeken namelijk onnodig lang voort, hetgeen over en weer tot irritatie leidt.

Vragen over boekenonderzoeken, boeten, btw of andere fiscale zaken? Neem gerust eens vrijblijvend en rechtstreeks contact op met één van onderstaande auteurs van dit artikel.

Uitspraak: ECLI:NL:GHARL:2021:7343.

Boekenonderzoek naar aftrek van btw [news] 7199

Boekenonderzoek paardenbranche

Dit artikel is geschreven door Madeleine Brugman, belastingadviseur en liefhebber van de paardensport. Heeft u vragen welke deze wereld raken of is er een boekenonderzoek ingesteld, neem dan gerust contact op met Madeleine Brugman.

Boekenonderzoek in de sportpaardenbranche

Teneinde de fraude in (inter-)nationale handel van (top-)sportpaarden aan te pakken, heeft de FIOD in 2017 de werkgroep "Elite Paarden" opgericht, teneinde nationale en internationale boekenonderzoeken in te stellen bij organisaties die zich hoofdzakelijk bezighouden met de handel van topsportpaarden. Daarbij werd onderzoek gedaan naar carrouselfraude en witwassen in het epicentrum (Euregio driehoek Eindhoven, Aken, Brussel, waar later Nordrhein Westfalen, Nedersaksen en Noord-Frankrijk aan werden toegevoegd.

Belastingfraude binnen de paardensport

Aanleiding voor het grootschalige onderzoek was een melding van een oplettende douanemedewerker op de luchthaven van Luik. Daar werd een heel waardevol sportpaard uitgevoerd en enkele weken later werd datzelfde paard weer ingevoerd met een aanzienlijk lagere waarde. Uit een opvolgend summier onderzoek bleek dat dit veel vaker voorkwam. De waardebepaling van een paard is en blijft een lastige kwestie doordat vraag / aanbod en emotie de prijs naar ongekende hoogtes kunnen opdrijven en een ernstige blessure de waarde kan laten verwateren tot de slachtprijs of nihil. Goederen waarvan de waarde lastig is te bepalen zijn zeer geliefd bij degenen die geld witwassen.

Doel van het onderzoek was om meer inzicht te krijgen in de werkwijze van deze branche en te constateren waar / hoe frauduleuze transacties plaatsvinden teneinde aanbevelingen te kunnen maken ter zake van fraudepreventie. De hippische sector is een lastig parcours voor de fiscus, daar de waardebepaling erg subjectief kan zijn en de eigenaren en de waarde van de paarden niet centraal staan geregistreerd.  Daar komt nog bij dat het eigendom van paarden soms via ingewikkelde constructies verloopt via Nederlandse handelsstallen, met in het buitenland wonende particulieren en vennootschappen die gevestigd zijn in een belastingparadijs, waarvan de eigenaren dan weer buiten Nederland wonen of fiscale nomaden zijn.

Belastingdienst en kijk op paardenhandel

De paardenhandel is een wereldje op zich en, hoewel met een groot globaal bereik, de topruiters en paardenhandelaren die hen paarden verschaffen kennen elkaar wel op de één of andere manier. Het heeft zo zijn eigen omgangsregels en is erg conventioneel. Fiscaal is het bij boekenonderzoeken vaak een zwaar parcours om de fiscale realiteit te achterhalen, waardoor er veel (onterechte) aannames worden gedaan en hoge naheffingsaanslagen worden opgelegd, welke voor de belastingplichtige lastig of onmogelijk zijn om te pareren omdat er contractueel veelal niets (of te weinig) wordt vastgelegd.

Boekenonderzoek of FIOD-inval binnen paardenbranche

Een goed voorbeeld is een boekenonderzoek bij een springruiter in Wierden. De Belastingdienst stelt diverse vragen en bekijkt vele stukken. Er zit een verschil tussen de administratieve en werkelijke voorraad paarden. Simpel zou men kunnen stellen: er zijn meer paarden verkocht dan dat er omzet is geboekt. Er volgt argwaan en vervolgens wordt de FIOD ingeschakeld. De FIOD kan dieper graven in de "paardenbak" en doorzoekt de woning, het kantoor, en brengt een bezoek aan het accountantskantoor van de springruiter. De ruiter wordt verdacht van het indienen van onjuiste belastingaangiften en het niet voeren van een juiste administratie. In dit onderzoek zijn de ruiter en de belastingadviseur beiden verdachte.

Fiscale kijk in de paardenkeuken

Facturen worden vaak niet of nauwelijks eens gemaakt en contante betalingen zijn eerder regelmaat dan uitzondering. Daarbij komt nog dat de waarde van een paard erg subjectief is. Natuurlijk is er een soort benchmarket van vergelijkbare paarden van dezelfde leeftijd, ervaring en prestatielijst, maar de prijs kan explosief uit zijn verband worden getrokken als er twee of meer partijen een paard koste wat het kost willen hebben of als iemand een paard echt liever niet wil verkopen en de koper wil het paard per se hebben. Paarden hebben een waarde in het economisch verkeer van 'wat een gek er voor geeft' en die waarde is heel lastig vast te stellen. Als achteraf blijkt dat een duur verkocht paard helemaal niet functioneert met de nieuwe ruiter, wordt dit paard in de regel weer terug genomen voor een lager bedrag teneinde een langlopende procedure te voorkomen. Want tegen de tijd dat een juridisch procedure is uitgevochten, is het paard vaak al een paar jaar ouder of minder gezond en nagenoeg niets meer waard, dus de meesten kiezen eieren voor hun geld. Zo uitzonderlijk is het namelijk niet als een paard voor een heel hoge prijs wordt geëxporteerd en enkele weken later weer wordt geïmporteerd. De douane-ambtenaar heeft geen weet van wat er in de periode tussen export en import heeft afgespeeld, een verborgen gebrek dat resulteert in een ernstige blessure kan daar even goed de oorzaak van zijn in plaats van frauduleus handelen. Omdat er vaak weinig vast wordt gelegd, komt de paardenhandelaar hierdoor wel in een heel netelige bewijslastpositie indien hem verweten wordt dat hij frauduleus handelt.

Malafide handel in de paardenbranche

De handel in exclusieve spring- en dressuurpaarden is gevoelig voor fraude en witwaspraktijken. De wereld is soms ondoorzichtig en via handjeklap en mondelinge overeenkomsten worden de mooiste paarden verkocht. Nederland staat bovenaan binnen deze branche, dus zal er ook vast wel malafide handel plaatsvinden. Dit was de reden om een speciaal team op te richten bij de FIOD.  

Malafide handelingen uiten zich grotendeels in het niet (volledig) aangeven van de gerealiseerde omzet, het niet toepassen van (het juiste) btw-tarief, onjuiste afdracht van verschuldigde omzetbelasting, niet opgeven van de juiste douanewaarde met als gevolg onjuiste afdracht van invoerrechten en witwassen. Teneinde informatie te vergaren over de aan- / verkooptransacties van elite sportpaarden, vindt er uitwisseling van contra-informatie plaats, waarbij facturen van aan- / verkochte paarden in het land van vestiging worden onderzocht om zodoende vast te kunnen stellen in hoeverre directe dan wel indirecte belastingen werden ontdoken / ontweken middels de verkoop en export van paarden vanuit een ander land dan het vestigingsgebied.

De paardensector is voor Nederland van grote economische waarde. De Nederlandse hippische sector is goed voor  € 1,5 à € 2 miljard omzet op jaarbasis, en in de EU overstijgt de economische waarde € 100 miljard. Nederland behoort tot de top 5 wat betreft paardenexport in het topsportsegment. Goed betalende afnemers bevinden zich vooral in de VS, China, Japan en Midden-Oosten. Volgens de Belastingdienst loopt Nederland € 100 miljoen aan belasting mis.

Paardenhandelaar loopt tegen de lamp

De Spaanse paardenhandelaar X kwam onlangs ten val tezamen met zijn financieel adviseur. Eind juni werd de Spaanse paardenhandelaar veroordeeld tot 15 maanden celstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk vanwege witwassen van zwart geld. Zijn 70-jarige Belgische adviseur werd schuldig bevonden aan witwassen en kreeg 8 maanden celstraf, waarvan 4 voorwaardelijk, ondanks het feit dat zijn adviseur een Wwft  (Wet financieel toezicht) melding had gedaan.

X investeerde ca. € 2,5 miljoen in een prachtig stallencomplex ‘Y’ te Valkenswaard midden in het epicentrum van de springsport, de opening werd groots gevierd en was een memorabele avond voor velen. Officieel woonde X in Monaco, hij verbleef regelmatig in Nederland en poogde als fiscaal inwoner van België te worden aangemerkt, teneinde niet binnenlands belastingplichtig in Nederland te worden. Er liepen geldstromen via offshore company’s op de Maagdeneilanden via Zwitserse bankrekeningen die gerelateerd waren aan de paardenhandel en nergens ter wereld betaalde hij belasting. In 12 jaar tijd werd er bijna een miljoen aan contant geld opgenomen. Hierdoor ontstond er discussie met de fiscus. De fiscus had nogal moeite met het fiscale parcours en X vermoedt dat de fiscus daarom het OM voor het karretje heeft gespannen. Het OM bleek een meer capabele ruiter te zijn gezien de uitspraak van de Rechtbank, maar wie weet komt er nog een tweede omloop bij het Hof. Het OM trekt de herkomst van het geld in twijfel en meent dat Y een witwasverhikel is om geld uit het criminele circuit te zuiveren. X neemt het standpunt in dat de herkomst van het geld te herleiden is naar zijn paardenhandel, het trainen van paarden en het verhuren van stalling. De fiscaal adviseurs van X verhinderden het OM om actief onderzoek te doen naar de herkomst van het geld. Er loopt overigens nog een bestuursrechtelijke procedure waarin de fiscus € 5,7 miljoen van X wil hebben.

Melding ongebruikelijke transacties binnen paardenbranche

De financieel adviseur van X heeft een Wwft (Wet financieel toezicht) melding gedaan, welke door het OM niet verder werd onderzocht. De Wwft verplicht melding te maken van verdachte transacties. Een Wwft-melding heeft regelmatig tot gevolg dat er onderzoek door de Belastingdienst volgt en een strafrechtelijk onderzoek door de FIOD. Wwft-plichtigen worden in drie categorien verdeeld: banken, overige financiële instellingen en beroepsgroepen. Onder beroepsgroepen vallen accountants, notarissen, belastingadviseurs, makelaars etc., maar ook bemiddelaars inzake koop / verkoop van zaken van grote waarde.

De Wwft is alleen van toepassing op (rechts-)personen handelend in het kader van hun beroepsactiviteiten die beroeps- of bedrijfsmatig handelen als koper of verkoper van goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van € 10.000 of meer, ongeacht of de transactie plaatsvindt in een handeling of door middel van meer handelingen waartussen een verband bestaat. Onder transactie wordt verstaan een samenstel van handelingen van of ten behoeve van een cliënt waarvan de instelling ten behoeve van haar dienstverlening aan die cliënt heeft kennisgenomen.

Uit de Wwft volgt dat een organisatie een eigen business en risicobeleid zou moeten hebben, hetgeen inhoudt dat er een risicoprofiel dient te zijn waarin op basis van risicocriteria, zoals landen- en geografisch risico, cliëntrisico en productrisico, beredeneerd kan worden wat de risico’s zijn op witwassen en financieren van terrorisme voor hun specifieke business. Daarbij dient in kaart te worden gebracht - en dit moet vast worden gelegd - welke beheersmaatregelen de organisatie dient te nemen om de risico’s te beheersen. Aan de hand van dit risicobeleid kunnen cliënten vervolgens geïdentificeerd worden bij transacties waarmee meer dan € 10.000 aan contant geld is gemoeid. Hoe hoger het risico bij een bepaalde afnemer, des te hoger de inspanning en controleverplichting zouden moeten zijn. Daarbij is het opportuun om één verantwoordelijke hiervoor aan te wijzen die de Wwft onder zich neemt en die verantwoordelijk is voor het doen van de meldingen bij de FIU en zorgt voor het borgen van alle relevante informatie.

Indien contante bedragen hun oorsprong vinden in niet-gerelateerde bedrijfsactiviteiten, dan is er geen sprake van eigen bedrijfsmatig handelen. Er staat immers geen verkoop of eigen transactie tegenover het opnemen van de contante gelden. Er is alleen sprake van een zogenaamde geldtransfer. Het zijn eveneens geen handelingen die zijn aan te merken als zijnde te zijn gedaan 'ten behoeve van haar dienstverlening aan een cliënt', daar de contante gelden buiten de financiële administratie vallen. Bij een stikte lezing van de Wwft is de Wwft dan niet van toepassing. Ondanks het feit dat er wel geldverkeer plaatsvindt, staat hier geen specifieke transactie of verkoop van goederen tegenover. Het betreft eveneens geen eigen bedrijfsmatig handelen. Hoewel het begrip 'transactie' ruim dient te worden uitgelegd, zou het in zojuist beschreven situatie te ver gaan om deze gang van zaken onder het toepassingsbereik van de Wwft te scharen. Dan zou er immers ook verwacht worden dat er een cliëntonderzoek wordt verricht, maar in de hiervoor beschreven omstandigheid is er geen cliënt in de zin van Wwft waarnaar risicogeoriënteerd onderzoek plaats zou dienen te vinden.

Fiscale advisering binnen paardenbranche onvoldoende

De meeste paardenhandelaren staan bijna altijd wel met één voet (on-)bewust in het fiscale graf. Eerder kwam men daar nog vaak wel mee weg omdat er weinig controle was vanuit de fiscus, maar de paardenhandel wordt steeds kritischer bekeken en als men niet oppast, ligt het straks onder vuur. Het blijkt dat een hele grote groep van hippische belastingplichtigen geen gebruik maakt van een belastingadviseur / accountant. Daardoor worden ook veel (onnodige) fouten gemaakt in de aangiften, met alle, soms extreem zwaarwegende gevolgen van dien.

Fiscaal advies nodig binnen de paardenwereld?

Voor wie niet uit de paardenwereld komt, is deze soms nauwelijks te begrijpen. Er worden met handjeklap of op de achterkant van een sigarendoos miljoenentransacties gesloten. Dat er uiteindelijk een fiscale of juridische discussie kan volgen, lijkt zelden van belang. Dat de FIOD en de Belastingdienst steeds vaker komen binnenwandelen, lijkt een paardenondernemer niets uit te maken. Dit is snel voorbij als er naheffingsaanslagen of FIOD-invallen volgen. Voorkomen is beter dan genezen en soms zijn fiscaal juristen hierbij noodzakelijk.

Krijgt u te maken met een boekenonderzoek of een bedrijfsbezoek van de fiscus, houd er dan rekening mee dat de fiscus een dubbele agenda kan hebben, daar zij al een vermoeden hebben van onregelmatigheden en eigenlijk dan alleen op zoek gaan naarr meer bewijs. Als het dan ineens stil wordt voordat het boekenonderzoek zou worden afgerond, dan dient men extra alert te zijn en is het opportuun om in gesprek te blijven met de Belastingdienst.

Krijgt u te maken met een boekenonderzoek, zet dan een ervaren fiscaal-juridische ruiter op het paard van de fiscus teneinde u de beste kans te geven dit fiscale parcours foutloos of met zo min mogelijk strafpunten te beëindigen. Immers, u stuurt een L-ruiter ook niet de Grand Prix ring in.

Boekenonderzoek paardenbranche [news] 7206

Fiscaal due diligence onderzoek en boekenonderzoek

Met enige regelmaat ben ik betrokken bij het opstellen van een fiscaal due diligence onderzoek (DDO). Een dergelijk rapport wordt opgesteld om bij een overname de fiscale risico's goed in beeld te hebben. De Belastingdienst heeft een gezonde interesse in dergelijke rapporten omdat het een grondslag kan zijn voor navorderingen / naheffingen bij belastingplichtige. De Belastingdienst kan deze informatie ook halen uit de koopovereenkomst, maar het DDO is de beste bron. Wat moet u doen als de Belastingdienst hierom vraagt?

Fiscaal DDO en geheimhouding Belastingdienst

U moet het rapport niet aan de Belastingdienst verstrekken, dit met een beroep op het (informele) verschoningsrecht van een fiscalist of accountant. Het is wellicht nog beter om het rapport in opdracht van een advocaat te laten opstellen zodat het wellicht valt onder het afgeleide verschoningsrecht van een advocaat. Een andere tip die ook werkt is om 2 rapporten op te stellen:

  1. Rapport 1: de feiten en korte conclusies;
  2. Rapport 2: met alle toelichtingen / bevindingen en een volledige weergave.

In voorkomende gevallen kunt u dan rapport 1 aan de Belastingdienst verstrekken. In eerste instantie is het dan het beste om de Belastingdienst te vragen een informatiebeschikking te verstrekken. Hiermee kunt u het verzoek om het fiscale DDO te verstrekken voorleggen aan de rechter.

Fiscale risico's in koopovereenkomst

De fiscale risico's kunt u het beste opnemen in algemene garanties of een bijlage. Als alle fiscale risico's namelijk in een koopovereenkomst staan omschreven, dan kan de Belastingdienst eenvoudig en gericht een onderzoek instellen.

Noot fiscaal jurist

Aan belastingadvis