print sitemap zoeken disclaimer contact

U bevindt zich hier :Jongbloed Fiscaal Juristen Banners Fiscale procedure?
7179 Fiscale procedure? https://www.jongbloed-fiscaaljuristen.nl/contact/e-mail_ons/

Fiscale procedure?

Vraag onze specialisten !

Formeel belastingrecht

Wat is formeel belastingrecht en wat is fiscaal procesrecht?

Het formele belastingrecht en het fiscale procesrecht zijn grote en tamelijk abstracte begrippen. Ze laten zich het best omschrijven door wat ze niet zijn. Het formele belastingrecht en het fiscale procesrecht gaan niet over de belasting zelf. Het gaat om de (algemene) regels eromheen. Deze kunnen substantiële voordelen opleveren.

Aan de ene kant gaan vragen zoals: zijn bepaalde kosten aftrekbaar van de (inkomsten)belasting, zijn bepaalde diensten vrijgesteld van (omzet)belasting en is op een dividenduitkering de deelnemingsvrijstelling van de vennootschapsbelasting van toepassing, over de belasting zelf.

Anderzijds zijn vragen zoals: is de aanslag in de (inkomsten)belasting tijdig opgelegd, is de boete terecht, vraagt de Belastingdienst terecht bepaalde informatie op, hoe ga ik in beroep en kan ik vertrouwen ontlenen aan de handelwijze van de Belastingdienst in andere jaren, vragen van formeel belastingrecht en fiscaal procesrecht.

Formeel belastingrecht

Formeel belastingrecht is kort gezegd alle regelgeving waaraan de Belastingdienst en de belastingplichtige zich moeten houden bij het heffen van belasting. De belangrijkste regels van het formele belastingrecht zijn vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Algemene Wet inzake rijksbelastingen (AWR). Dus in de kern: hoe wordt belasting geheven.

Steeds vaker krijgen wij op kantoor te maken met formeel belastingrecht, mediation, bezwaar- en beroepsprocedures, etc. Specialisten bij ons op kantoor zijn:

mr. Dennis Jongbloed

mr. Rob Antonis

Formeel belastingrecht [news] 3538

Fiscale procedure

Vrijwel wekelijks voeren wij voor clienten fiscale procedures tegen de Belastingdienst. In dit onderdeel treft u enkele artikelen aan over het voeren van een dergelijke procedure en de hieraan verbonden formele eisen. Ook geven wij u tips over het voeren van een procedure in de fiscale wereld.

2018-10-10 0000-00-00 0000-00-00 5695

Beslag Belastingdienst

De Belastingdienst kan vrij eenvoudig beslag leggen op uw bankrekeningen, salaris bij uw werkgever of uw uitkering bij een uitkeringsinstantie of verzekeraar. Er kan ook beslag worden gelegd op partneralimentatie. Het beslag wordt gelegd om uw belastingaanslag / schuld, kosten en rente af te lossen. Een deel van uw salaris, alimentatie, pensioen of uitkering wordt hiervoor dan gebruikt. De Belastingdienst heeft voor de beslaglegging geen vonnis van de rechter nodig, ze mogen dit dus zelf beslissen.

Beslagvrije voet bij beslag Belastingdienst

De Belastingdienst mag niet op het gehele salaris of de uitkering beslag leggen. Het deel waarop geen beslag mag worden gelegd noemt men de beslagvrije voet. De hoogte van de beslagvrije voet moet per persoon worden berekend en dit is afhankelijk van:

  • uw salaris / uitkering / alimentatie / lijfrente / pensioen;
  • uw woonkosten / woonlasten;
  • de premie voor uw zorgverzekering;
  • het inkomen van uw partner of echtgenoot;
  • de bijstandsnorm op dat moment.

Voorbeelden beslagvrije voet

De exacte bedragen verschillen per jaar, in het kort komt het ongeveer hierop neer:

  • u heeft een partner en bent beide ouder dan 21 jaar: € 1.200;
  • u heeft een partner en bent beide ouder dan 65 jaar: € 1.270;
  • u heeft een partner en bent beide jonger dan 21 jaar: € 660;
  • u bent een alleenstaande ouder, dan geldt er een minimum van € 840 en een maximum van € 1.080.

Wat kunt u doen om een beslaglegging te voorkomen?

De beslaglegging kan de Belastingdienst snel en eenvoudig regelen. U kunt een aantal dingen doen om een beslaglegging te voorkomen. De belangrijkste zijn:

  • Blijf communiceren met de Belastingdienst.
  • Maak bezwaar tegen de aanslag en vraag uitstel van betaling.
  • Doe een beroep op een speciale crisismaatregel met het verzoek om een redelijke betalingsregeling gedurende een periode van 12 maanden.
  • Bekijk of u nog tegoeden heeft bij de Belastingdienst, bijvoorbeeld een teruggave inkomstenbelasting of een teruggave van toeslagen.
  • Verzoek de Belastingdienst om een mediationtraject om uw problemen op te lossen, u moet dan wel een complexer probleem hebben waarbij verschillende inzichten spelen en daarnaast ook fouten door de Belastingdienst zijn gemaakt.
  • U krijgt eerst een aanslag (of naheffingsaanslag), een herinnering en daarna aanmaning. Vervolgens volgt er een dwangbevel. Na het dwangbevel komt de belastingdeurwaarder bij u langs met een hernieuwd bevel tot betaling. Dit moet hij aan iemand afgeven en als er niemand thuis is, mag hij het ook in de brievenbus gooien. U heeft dan nog 2 dagen om te betalen. Als er dan nog niet wordt betaald, mag de Belastingdienst beslag leggen op uw salaris, uitkering of uw bezittingen (verkoop veelal binnen 4 weken). Kijk goed of de Belastingdienst zich aan deze spelregels heeft gehouden, zo niet, maak dan direct bezwaar, ga in beroep of neem contact op met de Belastingdienst. U kunt op dit moment soms nog een betalingsregeling afspreken.
  • In sommige gevallen heeft u recht op kwijtschelding van belastingen, dit is een speciale regeling.

   

Beslag op loon belastingdienst Iedereen [news] 2012-12-01 2012-12-01 0000-00-00 3579

Boetes Belastingdienst  

Er is forse kritiek op de torenhoge boetes die Nederlanders krijgen als ze te laat hun belastingaangifte indienen. De maximale boete die de fiscus mag opleggen is in 2011 gestegen tot € 4.920. De heer mr. drs. Sanne van den Elst heeft een bijdrage geleverd aan dit artikel. Lees hier het gehele artikel op de site van de Financiële Telegraaf.

Regelmatig adviseren wij bedrijven en particulieren over boetes van de Belastingdienst. Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

Wanneer worden er boetes opgelegd?

In de volgende situaties kan de Belastingdienst u een boete opleggen:   

  1. U vraagt niet (of niet op tijd) om toezending van een aangifte.
  2. U stuurt uw aangifte niet (of niet op tijd) in.
  3. U vult uw aangifte onjuist of onvolledig in.

Vereisten belastingdienst bij opleggen boete

Als de inspecteur een belastingplichtige een boete oplegt moet de inspecteur uiterlijk op het moment van bekendmaken van de de boete de reden noemen. Bij onduidelijkheid komt alleen betekenis toe aan wat er op het aangiftebiljet is vermeld. In een procedure bij het Gerechtshof Den Bosch komt een boete aan de orde i.v.m. het niet tijdig betalen van aangiftebelasting, in deze de BTW (artikel 67f AWR). Er wordt niet aan de vereisten van artikel 67f AWR voldaan, de boete wordt vernietigd. De Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:704) heeft in 2021 het oordeel van het Gerechtshof (ECLI:NL:GHSHE:2019:2155) bevestigd.

Verzuimboete

Een verzuimboete wordt opgelegd als u niet of niet op tijd uw aangifte heeft ingediend. Ook als u niet of niet op tijd om een aangiftebiljet verzoekt, kan een dergelijke boete worden opgelegd. Niet op tijd wil zeggen: na de aanmaning uw aangifte indienen.

Als het niet de schuld van de belastingplichtige is dat de aangifte niet of niet juist wordt gedaan, dan wordt er geen boete opgelegd, in de praktijk is hier zelden sprake van.

Vergrijpboete

Doet u opzettelijk geen, een onjuiste of onvolledige aangifte, dan kan de Belastingdienst ook een vergrijpboete opleggen.

Hoe hoog is een verzuimboete?

De hoogte van de verzuimboete is € 2.460 als u niet (op tijd) verzoekt om toezending van een aangifte en € 226 als u de aangifte niet (of niet op tijd) instuurt. De boete kan oplopen tot € 984 als u tweemaal achter elkaar verzuimt en tot € 4.920 als u nog vaker verzuimt.

Hoe hoog is een vergrijpboete ?

Als er sprake is van opzet, dan bedraagt de boete 50% van de belasting die opzettelijk is verzwegen. Bij grove schuld is dit 25%. Als dit betrekking heeft op box 3 vermogen, dan kan dit oplopen tot een boete van 150%, bij grove schuld 75%. Er wordt dan ook nog gekeken of er een reden is om de boete te verlagen of te verhogen.

Boete, en toen?

De Belastingdienst moet u apart informeren over het feit of een boete wordt opgelegd en waarom. U mag alle gegevens inzien op grond waarvan een boete is opgelegd (dossierinzage), doe dit omdat dit soms niet geheel helder wordt vastgelegd. U hoeft geen antwoord te geven op vragen over de boete en de mate waarin u opzet of grove schuld kan worden verweten. U kunt apart bezwaar maken tegen de opgelegde boete.

Lagere boete door rechter

Het Gerechtshof in 's Hertogenbosch deed op 21 februari 2013 een bijzondere uitspraak. Een boete is fors verminderd. Een B.V. deed haar aangifte niet op tijd en kreeg een verzuimboete van € 2.460. Op zowel de herinnering als de aanmaning werd niet tijdig gereageerd. De B.V. stelt dat zij na ontvangst van de brieven van de Belastingdienst steeds haar belastingadviseur heeft gebeld en dat het belastingadvieskantoor heeft bevestigd dat de aangifte was ingediend. De Rechtbank oordeelt dat de boete niet proportioneel is, aangezien aan een natuurlijk persoon in de IB-sfeer voor hetzelfde feit een boete wordt opgelegd van € 226. De boete wordt daarom gematigd tot € 452. De B.V. gaat in Hoger Beroep en de boete wordt nu door het Gerechtshof aangepast tot € 50.

Bij een procedure voor de Rechtbank Breda op 21 december 2012 is een boete verminderd omdat volgens de rechter het verschil tussen een boete voor een te late aangifte vennootschapsbelasting en een aangifte inkomstenbelasting te groot is. Het is volgens de rechter niet objectief te rechtvaardigen dat een boete voor de vennnootschapsbelasting ruim € 2.000 hoger is. Deze uitspraak kent mogelijkheden, edoch op 10 mei 2012 deed het Gerechtshof in Den Bosch een andere uitspraak. Hierin wordt gesteld dat een dergelijk verschil wel is toegestaan, in deze zaak was echter sprake van recidive.

Het besluit bestuurlijke boeten is derhalve geen wet maar een besluit. Laat uw fiscaal jurist altijd met u meekijken bij het opleggen van een boete.

Vragen

Heeft u vragen of opmerkingen over een boete, neem gerust contact op.

[news] 2013-04-02 0000-00-00 0000-00-00 3695

Wat staat er in een bezwaarschrift?

U kunt tegen een aanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking bezwaar aantekenen binnen 6 weken. In dit bezwaarschrift moet u de volgende zaken opnemen:

  • Naam, adres, woonplaats.
  • Dagtekening bezwaarschrift.
  • Nummer van de aanslag waartegen u bezwaar maakt.
  • Omschrijving van de beslissing waartegen u bezwaar maakt.
  • Motivering van uw bezwaar.

In het bezwaarschrift kunt u ook de volgende zaken opnemen:

  • Uitstel van betaling (moet bij de invorderaar).
  • Verzoek om dossierinzage (uw dossier bij de Belastingdienst).
  • Verzoek om mediation.
  • Verzoek om vergoeding van kosten (als u een deskundige zou inschakelen).
  • Verzoek om rechtstreeks in beroep te gaan.
  • Verzoek om gehoord te worden om uw bezwaren toe te lichten.

Een voorbeeld bezwaarschrift uit mijn fiscale praktijk kunt u hier raadplegen.

Wat staat er in een bezwaarschrift Iedereen [news] 2012-10-10 0000-00-00 0000-00-00 3539

Mediation en Belastingdienst

Mediation komt voor in de bezwaarfase maar soms ook in de beroepsfase. In dit artikel een overzicht.

Mediation en bezwaar

U kunt mediation onder andere toepassen:

  • bij een geschil dat is ontstaan tijdens een controle;
  • bij een geschil over een beroepschrift;
  • in de bezwaarfase;
  • bij klachten over de Belastingdienst;
  • in situaties waarbij een geschil escaleert.

Checklist mediation met de Belastingdienst

Mediation is zinvol als de volgende vragen aan de orde zijn:

  1. Het geschil duurt al lang.
  2. Het geschil escaleert en overleg is niet meer mogelijk, de partijen zitten met de hakken in het zand.
  3. Ik heb geen behoefte aan een principiële uitspraak van de rechter.
  4. Ik wil een snelle oplossing voor het geschil.
  5. Ik zie best wel redelijke oplossingen die binnen de wet- en regelgeving passen.
  6. Ik heb het gevoel dat ik niet wordt begrepen.
  7. Mediation bespaart kosten en de kosten van een procedure wegen niet op tegen het belang.
  8. Ik kan niet meer praten met de inspecteur of medewerker van de Belastingdienst.
  9. Ik denk door de mediation ook andere geschillen te kunnen oplossen.
  10. Een goede relatie is van belang en via mediation kan ik hiervoor een basis leggen.
  11. Een bemiddelingspoging is nog niet ondernomen.

Mediation en beroep

De rechter kan ook besluiten om mediation toe te passen. De rechter komt er dan niet aan te pas, hij zal een bemiddelaar (mediator) aanwijzen. De uitkomst zal worden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Mediation gaat meestal sneller en soms krijgt u een beetje gelijk, dit kan ook voldoende zijn.

Mediation en belastingdienst Iedereen [news] 2012-10-10 2012-10-10 0000-00-00 3540

Dwangsom Belastingdienst

Als de Belastingdienst niet binnen de wettelijke termijn een beslissing neemt, kunt u schadevergoeding (via de rechter) claimen of aan de Belastingdienst een dwangsom opleggen. U moet hiertoe de Belastingdienst in gebreke stellen en nog eenmaal een termijn van 14 dagen geven om te reageren. Als u verder niks hoort, heeft u recht op een dwangsom, deze kan oplopen tot ruim € 1.200.

Dwangsom

De dwangsom bedraagt € 20 per dag voor de eerste 14 dagen, € 30 per dag voor de volgende 2 weken en € 40 per dag voor de daaropvolgende 2 weken. De maximale dwangsom bedraagt € 1.260.

Wanneer recht op dwangsom?

De Belastingdienst moet binnen 6 weken beslissen op een bezwaarschrift (tenzij tijdige mededeling dat sprake is van uitstel). Bij aanvraag van een beschikking (bijvoorbeeld voor een fusie of geruisloze inbreng) is de termijn 8 weken. De termijn gaat lopen zodra de Belastingdienst uw brief heeft ontvangen. De beslistermijn kan door de Belastingdienst worden uitgesteld of verlengd.

Hoe werkt het?

U heeft een bezwaar- of verzoekschrift verstuurd en u hoort - na 6 of 8 weken - niets.

  1. Download onderstaand formulier als de termijn zonder mededeling is verstreken.
  2. Vul het formulier in.
  3. Stuur het formulier op (per fax en post).

Het effect

De Belastingdienst is een professionele organisatie. Het kan en mag dus niet zo zijn dat het aanvragen van een dwangsom invloed heeft op de inhoudelijke kwestie. Door het indienen van de dwangsom wilt u de afhandeling bespoedigen. Daarnaast krijgt u wellicht een extra bedrag als er geen reactie volgt.

Formulieren en downloads dwangsom

Voordat u de dwangsom kunt vragen, moet u eerst een formulier invullen waarin u de Belastingdienst in gebreke stelt. Dit formulier kunt u hier downloaden.  Het formulier om een dwangsom aan te vragen, kunt u hier downloaden.

Dwangsom en belastingdienst [news] 2012-10-10 2012-10-10 0000-00-00 3541

Bodembeslag en Belastingdienst

Bodemrecht Belastingdienst is enkele jaren geleden aangepast. Bodemverhuurconstructies zijn hierdoor lastiger geworden. Regelmatig adviseren wij DGA's en bedrijven over nieuwe mogelijkheden en structuren. Regelmatig wordt er hierbij geadviseerd over bodemverhuurstructuren en de rechten van de Belastingdienst om beslag te kunnen leggen en / of het voorkomen van beslagleggingen. Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

Rechten van de Belastingdienst

De Belastingdienst int belastingen, zo eenvoudig is de wereld. Om belastingen te kunnen innen, heeft de Belastingdienst bevoegdheden die verder gaan dan een normale schuldeiser, de belangrijkste zijn:

  1. Dwangbevel: hierdoor kan de Belastingdienst executoriale maatregelen nemen om een belastingbedrag te incasseren zonder dat ze langs de rechter moeten. Ze kunnen hierdoor uw roerende zaken verkopen of beslag leggen op uw bankrekening.
  2. Loonbeslag: door een dwangbevel kan de Belastingdienst (zonder tussenkomst van de rechter) loonbeslag leggen bij uw werkgever of uitkeringsinstantie.
  3. Bodemrecht: de Belastingdienst heeft het recht om beslag te leggen op zaken die in eigendom toebehoren aan X, terwijl het belastingschulden betreffen van Y, mits deze zaken zich op de bodem van Y bevinden (in bedrijf of woning).
  4. Voorrecht: de Belastingdienst hoeft eigenlijk enkel de hypotheekhouder en de pandhouder voor te laten gaan bij bijvoorbeeld een executieverkoop. Bij bodembeslag gaat de Belastingdienst soms zelfs voor de pandhouder.

Het bodemrecht of bodembeslag in de volksmond geeft de Belastingdienst het recht om beslag te leggen op alle goederen die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden. Het is hierbij niet van belang van wie deze goederen zijn. De ontvanger mag dus beslag legggen op inventaris, auto's, etc. als de belastingschuldige zijn BTW of loonheffing niet heeft betaald.

Veel juristen hebben zich gebogen over dit bodemrecht en diverse structuren bedacht om dit recht van de Belastingdienst te ontgaan. Het gevecht gaat meestal tussen de Belastingdienst, de bank en de leasemaatschappij. In de praktijk kozen dergelijke partijen ervoor om het bedrijfspand van de ondernemer aan de huisbank te verhuren. Hierdoor staat de inventaris in het bedrijfspand niet meer op de grond van de belastingschuldige, maar op de grond van de bank. Gevolg: inventaris is geen bodemzaak van de ondernemer / belastingschuldige. Deze bodemverhuurconstructie wordt vaak toegepast, de Belastingdienst baalt hier al lang van. Dus ... kwam er nieuwe wetgeving.

Hoe werkt het bodemrecht?

Het bodemrecht geeft de Belastingdienst het recht om zakelijke belastingen te verhalen op roerende zaken van een derde. Zakelijke belastingen zijn BTW, loonheffing, accijns, etc. Het gaat hierbij om zaken die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden, maar niet van hem of haar zijn. Als de belastingschuldige een auto niet op tijd heeft betaald, dan kan de leverancier de auto ophalen, de Belastingdienst kan echter ook bodembeslag leggen. Als de Belastingdienst sneller is, dan heeft de leverancier meestal het nakijken. In de praktijk wordt de bodem verhuurd aan de kredietverlener en is hiermee bodembeslag niet meer mogelijk (bodemverhuurconstructie). Voordeel van deze constructie is dat de onderneming na een faillissement of executie kan worden voortgezet omdat de machines en inventaris blijven staan. De bodemverhuurconstructie wordt - mits juist uitgevoerd - door de rechter (Hoge Raad) en de Belastingdienst goedgekeurd resp. gedoogd. Vanaf 2013 wordt dit anders, de Staatssecretaris is van mening dat de bodemverhuurconstructie moet worden bestreden. De kredietverlener wordt verplicht om bij de Belastingdienst te melden dat hij van zijn rechten gebruik gaat maken. De Belastingdienst heeft vervolgens 4 weken de tijd om te beslissen of ze gebruik maken van het bodemrecht. De kredietverlener kan zich dan dus op veel minder roerende zaken verhalen. Gevolg zal zijn dat minder bedrijven kunnen worden doorverkocht bij een faillissement en dat kredietverleners (banken / investeerders, etc.) minder snel bereid zijn om financieringen te verstrekken.

Bodemrecht, en toen?

Wat van jou is, is van jou en wat van mij is, is van mij. Dit geldt voor iedereen behalve voor de Belastingdienst. Een schuldeiser van A kan zich niet verhalen op bezittingen van B. Voor zakelijke schulden mag de Belastingdienst bodembeslag leggen (artikel 22 invorderingswet). Dit bodembeslag of bodemrecht heeft verstrekkende gevolgen. Voor de Belastingdienst is dit vooral interessant bij een executieverkoop of een faillissement. Onder bodembeslag vallen roerende zaken die zich op de bodem van de belastingschuldige / belastingplichtige bevinden. Hierbij kunt u denken aan:

  • inventaris;
  • auto's;
  • computers;
  • voorraden, etc.

Bodembeslag kan zowel voor als na faillissement worden gelegd. Bodembeslag kan ook komen te rusten op roerende zaken die van iemand anders (een derde) zijn als deze zaken zich duurzaam op de bodem van de failliet (belastingschuldige) bevinden. Het bodembeslag gaat bij een faillissement op in het faillissementsbeslag, de Belastingdienst kan zich op deze goederen niet meer verhalen. Bodembeslag op goederen van een derde wordt niet getroffen door het faillissementsbeslag, de derde is immers niet failliet. De Belastingdienst kan dus de goederen / roerende zaken van derden gewoon uitwinnen en verkopen.

Reële eigendom

De Belastingdienst hanteert (gelukkig) wel een beleid dat reële eigendom van een derde wordt ontzien, dit staat in de Leidraad invordering. Als de derde kan aantonen dat de bodemzaak zijn eigendom is, zal de Belastingdienst dit meestal respecteren. U moet hiervoor wel moeite doen en er vlot bij zijn. De Belastingdienst zal uw recht niet erkennen als de roerende zaken zich op de bodem van de failliet / belastingschuldige bevinden waarbij de belastingschuldige een zogenaamde afnameverplichting had. Ook bij zogenaamde bedrijfsinmenging wordt de eigendom van derde niet gerespecteerd.

Nieuws over bodembeslag sinds 2013

Sinds 2013 is er een nieuw fiscaal bodemrecht. De positie van de Belastingdienst / de ontvanger is een stuk beter geworden. En als het voor de Belastingdienst beter wordt, dan wordt het voor anderen slechter. De huidige / nieuwe regeling gaat veel te ver en is mede daarom omstreden. De gevolgen voor financieringen van bedrijven kunnen erg groot zijn. Zodra banken de gevolgen van deze regeling overzien, zal dit ook zijn weerslag kennen binnen MKB financieringen.

Als een pandhouder (of andere gerechtigde) voornemens is om zijn rechten uit te oefenen dan wel iets te doen waardoor de zaak geen bodemzaak meer is, dan moet hij dit melden aan de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft dan 4 weken de tijd om actie te ondernemen, de pandhouder mag dan dus niets doen. Als de pandhouder zich niet aan deze regel zou houden, dan moet de pandhouder op verzoek van de Belastingdienst een verklaring verstrekken omtrent de (executie)waarde van de betreffende bodemzaak. Dit bedrag moet dan door de pandhouder worden overgemaakt aan de Belastingdienst. De pandhouder krijgt voor dit bedrag een (vaak waardeloze) vordering op de belastingschuldige.

Voorbeeld bodemrecht in 2013

Machinefabriek X B.V. levert in 2013 een machine aan Jansen B.V. De machine wordt onder eigendomsvoorbehoud geleverd. De factuur wordt niet betaald. U wilt als eigenaar de machine ophalen. Sinds 2013 moet u dit eerst melden aan de Belastingdienst, waarschijnlijk bent u de machine kwijt. De Belastingdienst zal namelijk na uw melding bodembeslag leggen.

Tenslotte

De nieuwe regeling geldt sinds 2013 en derhalve voor aanslagen welke zijn opgekomen na 1 januari 2013.

Bodembeslag en problemen in 2013 [news] 2012-10-10 2013-02-03 0000-00-00 3542

Betalingsregeling Belastingdienst

Mede door de economische omstandigheden in Nederland zitten veel bedrijven in de problemen. Vrijwel wekelijks zijn wij betrokken bij het treffen van een betalingsregeling met de Belastingdienst. Het verzoeken om uitstel van betaling of een betalingsregeling is de meest gekozen route. Regelmatig adviseren wij bedrijven en DGA's over dit onderwerp, bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

Uitstel van betaling voor ondernemers bij de Belastingdienst

Meestal wordt bezwaar gemaakt tegen een aanslag, eventueel dan weer gevolgd door beroep bij de rechter. Bij een bezwaar of beroep wordt tevens om uitstel van betaling verzocht. De Belastingdienst / de ontvanger kan voorwaarden verbinden aan het geven van uitstel van betaling, soms wordt er om zekerheid gevraagd. In de praktijk wordt deze route niet vaak overwogen en wordt het vragen om uitstel van betaling of mediation vergeten. Tijdens een bezwaarfase met uitstel van betaling moet de ontvanger al handelen alsof er uitstel van betaling is verleend, rust in het bedrijf derhalve. De ontvanger moet de ingezette invorderingsmaatregelen staken en eerst inhoudelijk reageren. Ook dit traject kan enkele maanden - binnen de wettelijke termijnen - worden opgerekt, als hieraan behoefte bestaat tenminste. Een eenvoudig briefje kan dus al direct uitstel opleveren, hierdoor is er ook ruimte om met de Belastingdienst / invorderaar in gesprek te komen.

Als u een teruggave verwacht (verliesverrekening, omzetbelasting, etc.), kan uitstel van betaling er ook voor zorgen dat u enige ruimte krijgt om de teruggave te regelen (bijvoorbeeld indienen aangifte inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting of omzetbelasting). De beschikbare liquiditeit binnen het bedrijf kan dan voor andere dingen worden gebruikt en de toekomstige teruggave kan worden gebruikt voor de aflossing van de schuld aan de Belastingdienst.

Betalingsregeling voor ondernemers bij de Belastingdienst

De Belastingdienst vraagt veel informatie voordat er een betalingsregeling wordt verstrekt. Een betalingsregeling wordt zeker niet altijd zomaar verstrekt. U moet een goed verhaal hebben en de betalingsproblemen moeten niet het gevolg zijn van een slecht bedrijf, structurele problemen of een bedrijf zonder perspectief. De betalingsproblemen moeten het gevolg zijn van een incident of de crisis, waarbij een oplossing in de nabije toekomst te verwachten is. Maak dit de Belastingdienst duidelijk en wij kiezen er dan ook vrijwel altijd voor om met de Belastingdienst in gesprek te komen. Daarnaast is het verstandig om deze gesprekken te combineren met bezwaarschriften, verzoeken om mediation, etc.

Als men nalatig is geweest bij het doen van aangifte of bewust fout aangifte heeft gedaan, ontbreekt het vertrouwen bij de Belastingdienst en de invorderaar. Dit vertrouwen kunt u soms herstellen, maar u staat wel 1-0 achter.

Een betalingsregeling moet dus worden voorzien van:

  • waar nodig bezwaarschriften;
  • actuele administratie;
  • toelichting over ontstaan belastingschulden;
  • weergave van de toekomst van uw bedrijf;
  • verzoek om uitstel van betaling;
  • verzoek om mediation.

De gemiddelde betalingsregeling moet binnen 12 maanden worden terugbetaald, soms is een langere periode mogelijk, maar dit zijn incidenten. De toekomstige betalingsverplichtingen moeten tijdig worden nagekomen, de schuld mag derhalve niet oplopen. Tussentijdse teruggaven zullen worden verrekend met de openstaande belastingschuld.

De Belastingdienst / invorderaar of ontvanger zal bij een betalingsregeling zekerheid vragen, dit is meestal een probleem of simpelweg niet mogelijk. Banken hebben vaak alles al in zekerheid en voor de Belastingdienst blijft er dan weinig over. Gezamenlijk met uw bank en de Belastingdienst praten kan dan ook verstandig zijn.

Crisismaatregel bij betalingsregeling

Doe bij uw verzoek om een betalingsregeling uitdrukkelijk een verzoek om de tijdelijke crisismaatregel. Deze maatregel is op u van toepassing als u kunt aantonen dat de betalingsproblemen direct samenhangen met de huidige crisis. De betalingsregeling wordt veelal eenvoudiger verstrekt. Het is wel van belang dat u hiervoor een deskundige heeft ingeschakeld, deze moet namelijk bepalen dat er een samenhang is tussen de belastingschuld en de crisis. Ook deze regeling moet binnen 12 maanden aflopen, maar veelal hoeft er geen zekerheid te worden verstrekt. U moet de Belastingdienst uitdrukkelijk wijzen op de crisismaatregel.

Beroep tegen afwijzen betalingsregeling

Als de Belastingdienst / ontvanger het verzoek om uitstel van betaling of een betalingsregeling afwijst of weigert, kunt u via mediation proberen om alsnog tot elkaar te komen. Dit is een lastige route die de Belastingdienst niet altijd voorstaat. Als de mediation niet doorgaat, kunt u nog in beroep komen tegen het weigeren of afwijzen van de betalingsregeling. Het beroep wordt ingesteld bij de directeur invordering. Er zal een zorgvuldige toetsing plaatsvinden.

Vragen over betalingsregeling Belastingdienst

U kunt voor vragen of opmerkingen contact met mij opnemen, bel of mail gerust.

Betalingsregeling belastingdienst Ondernemers [news] 2012-11-24 0000-00-00 0000-00-00 3572

Bewijslast verdeling Belastingdienst

Wie stelt bewijs en niet meer dan dat. Omkering van de bewijslast kan echter voor problemen zorgen.

De basis van de bewijslastverdeling

U dient uw aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting in en de Belastingdienst twijfelt op basis van haar eigen argumenten aan de juistheid van de ingediende aangifte. Ook in fiscale zaken geldt de regel dat degene die stelt moet bewijzen of iets wel of niet klopt. Dat betekent in een discussie met de Belastingdienst dat de Belastingdienst moet bewijzen dat u meer inkomen zou hebben genoten en dat u moet bewijzen dat een aftrekpost van toepassing is. De Belastingdienst zal zorgvuldig naar uw dossier moeten kijken en moet grondig en juist motiveren als ze besluiten dat uw omzet of inkomen hoger is.

In de meeste gevallen kunt u volstaan met een lichte vorm van bewijs, het aannemelijk maken dat een aftrekpost is gemaakt. Soms komt een zwaardere vorm van bewijs aan de orde, hierbij kunt u denken aan een kilometeradministratie bij een auto van de zaak.

Omkering bewijslast

Als u geen aangifte heeft gedaan en / of als uw administratie niet deugdelijk is, dan kan de Belastingdienst de bewijslast omkeren. Dit is een zware maatregel welke niet zomaar mag worden toegepast. De rechter zal ook kritisch kijken of de Belastingdienst zorgvuldig met deze zware maatregel is omgegaan. U zult overtuigend moeten kunnen aantonen dat uw inkomen lager is dan hetgeen de Belastingdienst stelt. Als u geen of onvoldoende bewijs verstrekt, dan kan de Belastingdienst de aanslag in stand laten. U kunt tegen een dergelijke aanslag in bezwaar bij de Belastingdienst en uiteindelijk in beroep bij de rechter.

Bedrijf onder de loep

Recentelijk is aangekondigd dat autorijscholen onder de loep worden genomen. Op grond van examenaanvragen wordt gekeken of de omzetten wel kloppen. De Belastingdienst wil op basis hiervan de omzet corrigeren. De Belastingdienst moet bewijzen dat er sprake is van meer omzet en waarom ze dit vinden. Op basis van de verhouding rijlessen en omzet zou een vermoeden kunnen ontstaan dat er te weining omzet is aangegeven. Dit vermoeden moet duidelijk en gemotiveerd vanuit de Belastingdienst worden aangegeven richting de rijschoolhouder. Een simpel briefje met "zoveel lessen is zoveel omzet" is dus niet voldoende.

De rijschoolhouder moet dan een verklaring geven waarom deze verhouding niet klopt of zou kunnen kloppen. De rijschoolhouder hoeft hiervoor geen uitgebreide brief te sturen of een processtuk, een eenvoudige verklaring is voldoende. De Belastingdienst moet dan het standpunt van de rijschoolhouder weerleggen. Zo gaat de bal dus heen en weer.

Procedure bewijslast Belastingdienst

In de bezwaarfase kunt u vragen om te worden gehoord en daarnaast kunt u verzoeken om informatie uit uw dossier, dit is een formeel proces dat u het beste door een fiscaal jurist kunt laten verzorgen. Vergeet ook niet om om een proceskostenvergoeding te vragen.

In de procedure bij de rechter zal de rechter bepalen wie wat moet bewijzen. De rechter is vrij om de bewijslast te verdelen. De Belastingdienst moet dan dus een goed dossier hebben (en u ook).

Vragen over bewijslast

Als u vragen of opmerkingen heeft over dit onderwerp, kunt u contact opnemen met de auteur van dit artikel.

Bewijslast en de belastingdienst Iedereen [news] 2012-11-28 0000-00-00 0000-00-00 3574

Belastingrenteregeling

Sinds 2013 geldt de belastingrenteregeling. Deze nieuwe regeling vervangt de normale heffingsrente die tot dat moment van toepassing is geweest. Sparen bij de Belastingdienst is sinds 2013 niet meer aantrekkelijk en daarnaast moet u ervoor zorgen dat u niet te weinig via een voorlopige aanslag gaat betalen.

Belastingrente 2014

Vanaf 2014 wordt de belastingrente voor bedrijven (vennootschapsbelasting) 8%, het is dus van belang om de hoogte van de voorlopige aanslag nog juister in te schatten. Voor andere belastingen is de rente vastgesteld op 4%. De rente wordt berekend vanaf 1 juli en niet meer vanaf 1 januari.

Heffingsrenteregeling tot en met 2012

"Vroeger" kon u nog geld sparen bij de Belastingdienst, dit tegen een redelijke rente. De Belastingdienst berekende de (enkelvoudige) rente vanaf de eerste dag na het aangiftejaar. Dus over het aangiftejaar 2011 kreeg u rente vergoed vanaf 1 januari 2012. Ook belasting betalen ging pas in vanaf 1 januari 2012.

Belastingrenteregeling vanaf 2013

Sinds 2013 gaat het anders. De belastingrente wordt pas gerekend als de aanslag wordt vastgesteld na 1 juli volgende op het belastingjaar, derhalve wordt bij de aangifte inkomstenbelasting pas rente vergoed vanaf 1 juli 2012 (en niet meer vanaf 1 januari 2012). De Belastingdienst hoeft dus over 6 maanden geen rente te vergoeden. Als u vóór 1 april 2013 uw aangifte over 2012 zou indienen, krijgt u meestal vóór 1 juli 2013 uw geld terug, dit nu dus zonder enige rentevergoeding.

Als u belasting moet betalen en de Belastingdienst legt u een aanslag op na 1 juli 2013, dan rekent de Belastingdienst de belastingrente tot het moment van de uiterste betaaldatum (en niet meer de dagtekening van de aanslag). Sneller de aanslag betalen heeft dus geen zin, u krijgt dan geen rentekorting.

Voorlopige aanslag te hoog

Als de voorlopige aanslag te hoog is vastgesteld, dan krijgt u nog zelden rente vergoed. Als de Belastingdienst te traag heeft gereageerd op een verzoek om aanpassing van de voorlopige aanslag (bezwaar / verzoek ambtshalve vermindering), dan wordt er rente vergoed, anders niet. De rentevergoeding gaat pas in op 1 juli van het jaar na het belastingjaar. De Belastingdienst is traag als een verzoek niet binnen 8 weken is afgerond (of als de aangifte niet binnen 13 weken is afgerond resp. er een voorlopige aanslag is opgelegd). De rente wordt dan vergoed over een beperkte periode, namelijk vanaf het moment dat u heeft verzocht om de voorlopige aanslag te verminderen (via verzoek of indienen aangifte) en zes weken na de dagtekening van de uiteindelijke vermindering, dit wordt dan weer verminderd met de genoemde 6 of 13 weken.

Hoogte belastingrente

De hoogte van de belastingrente is gelijk aan de wettelijke rente (voor niet-handelstransacties), deze rente is relatief laag, op dit moment 3%. Vanaf 2014 wordt de rente waarschijnlijk verhoogd tot 8% (wettelijke rente handelstransacties), dit zal dan gaan gelden voor zakelijke belastingen (zoals de vennootschapsbelasting).

Vanaf wanneer gaat belastingrente gelden?

De belastingaanslagen die betrekking hebben op de periode vanaf 1 januari 2012 vallen onder deze nieuwe regeling.

Invorderingsrente blijft.

De heffingsrente wordt dus belastingrente en de invorderingsrente blijft gewoon bestaan. De invorderingsrente komt naar voren als:

  • de Belastingdienst te laat heeft betaald; 
  • een teruggave wordt uitbetaald;
  • een aanslag te laat wordt betaald.

Er wordt geen invorderingsrente meer vergoed die het gevolg is van een terugbetaling welke haar oorzaak vindt in een vermindering van een reeds betaalde aanslag of een herziening hiervan. Ook in dit geval wordt het dus minder gunstig voor de belastingplichtige.

Belastingtip invorderingsrente

Stel dat u een aanslag voldoet gedurende een bezwaar- of beroepsprocedure en uiteindelijk krijgt u dit bedrag terug, dan krijgt u geen rente vergoed. Verzoek dus altijd om uitstel van betaling.

Conclusie belastingrente

Als u belasting moet betalen, is het verstandig om de voorlopige aanslagen op een redelijk niveau in te schatten of de aangifte vóór 1 juli (na het belastingjaar) in te dienen.

Als u meer belasting moet betalen dan er op een voorlopige aanslag is aangegeven, dan is het verstandig om de wijziging vóór 1 mei (na het belastingjaar) aan de Belastingdienst door te geven.

Als u belasting terugkrijgt (of dit verwacht), dan is het verstandig om de aangifte vóór 1 april (na het belastingjaar) in te dienen of een wijzigingsverzoek vóór 1 mei (na het belastingjaar) te versturen.

Belastingrente 2013, hoe werkt dit? [news] 2013-01-22 0000-00-00 0000-00-00 3627

Betalingsonmacht schriftelijk melden

U moet bij de Belastingdienst schriftelijk melden dat u een aanslag niet kunt betalen. Doet u dit niet, dan loopt u een groot risico dat u privé wordt aangesproken voor de belastingschulden van een rechtspersoon (zoals een B.V. / N.V., stichting, vereniging, etc).

Regelmatig adviseren wij bedrijven, ondernemers en DGA's over een betalingsregeling, het niet verstrekken van zekerheden en / of het melden van betalingsonmacht. Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen.

Betalingsonmachtig melden, wat zegt de rechter?

Als u omzetbelasting, loonbelasting, vennootschapsbelasting of een andere belasting niet kunt betalen, moet u dit per direct melden aan de Belastingdienst, pensioenverzekeraar of het UWV. In een procedure voor het Gerechtshof (8 januari 2013) kwam dit nog eens duidelijk aan de orde. Het ging in deze casus om een B.V. die de loonheffing niet tijdig kon betalen. De bestuurder van de B.V. maakte geen melding voor een betalingsonmacht. De inspecteur legde een naheffingsaanslag loonheffing op, deze aanslag wordt ook niet betaald. De bestuurder wordt in privé aansprakelijk gesteld voor deze aanslag.

Het Gerechtshof in Arnhem was helder, in de wet is opgenomen dat een bestuurder schriftelijk melding moet maken van een eventuele betalingsonmacht. Doet de bestuurder dit niet, dan kan de Belastingdienst ervan uitgaan dat het niet betalen van de belasting(en) te wijten is aan de bestuurder (zogenaamde bewijsvermoeden). De Belastingdienst hoeft uit het niet betalen van de belastingen niet automatisch op te maken dat er niet kan worden betaald. Volgens de rechter is het bewijsvermoeden niet in strijd met het Europese recht. Gerechtshof Arnhem, 8 januari 2013.

Inleiding betalingsonmacht

Meld betalingsonmacht zo snel mogelijk bij Belastingdienst, UWV of pensioenfonds. Wacht niet te lang omdat u dan als bestuurder van een B.V., N.V., stichting, etc. in privé aansprakelijk wordt gesteld voor de belastingschulden van de rechtspersoon. U moet de betalingsonmacht melden via een formulier dat de Belastingdienst hiervoor heeft bedacht.

Bij een betalingsonmacht krijgt u per direct te maken met de invorderingswet, dit is een strenge wet welke bestuurders vrij snel in privé (hoofdelijk) aansprakelijk gaat houden als de betaling uiteindelijk niet door de rechtspersoon heeft plaatsgevonden. In dergelijke situaties loopt het privévermogen van de bestuurder gevaar.

De Belastingdienst, het UWV en het pensioenfonds hebben een bijzondere positie in dit proces. Het enkel niet melden doet een bewijsvermoeden ontstaan dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur van de bestuurder. Tevens wordt verondersteld dat dit onbehoorlijke bestuur verwijtbaar is.

Binnen welke termijn betalingsonmacht melden ?

Een bestuurder moet binnen 14 dagen nadat u de belastingen of premies had moeten betalen een schriftelijke melding indienen. Bij de melding moet u veel informatie verstrekken, onder meer:

  • welke belastingsoort / premiesoort;
  • welk tijdvak;
  • welke aanslag;
  • hoe ziet het vermogen van de rechtspersoon eruit;
  • welke problemen zijn er binnen de rechtspersoon;
  • hoe zijn de problemen ontstaan.

U mag de melding niet telefonisch doorgeven. U moet een brief sturen (aangetekend of afgeven) en / of het formulier "Mededeling inzake betalingsonmacht" invullen en indienen (verkrijgbaar bij Belastingdienst, UWV of pensioenfonds).

Melding te laat, en dan?

Schakel een fiscaal jurist is, u wordt er nu druk mee. De Belastingdienst gaat er vanuit dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur en tevens zal de Belastingdienst u - binnen enkele maanden - in privé aansprakelijk stellen. U moet aannemelijk maken dat u er niets aan kon doen dat de betalingsonmacht niet of niet rechtsgeldig is gemeld. Dit is in de praktijk vrijwel onmogelijk. Mogelijke opties zijn:

  1. bekijken of de aanslag kan worden verminderd;
  2. bekijken of de aanslag kan worden verrekend met andere belastingen;
  3. opties voor verliesverrekening nazien;
  4. disculperen van de bestuurder (ziekte, etc.);
  5. oude schulden betalen en voor nieuwe schulden onmacht melden.

Wie is bestuurder ?

Iedereen die formeel (volgens statuten / KvK inschrijving) als bestuurder is ingeschreven is bestuurder, of u deze taak ook feitelijk uitvoert is niet van belang. Alternatief is de feitelijk bestuurder, dit is degene die niet officieel als bestuurder is ingeschreven maar zich wel zo gedraagt. U kunt aansprakelijk worden gesteld als de schulden zijn ontstaan in de periode dat u bestuurder was.

Opzet en betalingsonmacht

Het melden van betalingsonmacht voorkomt dat u als (formeel of feitelijk) bestuurder hoofdelijk in privé aansprakelijk wordt gesteld voor schulden van de rechtspersoon. Als u wel een melding maakt, bent u in sommige gevallen toch in privé aansprakelijk. Hiervan is sprake als u opzettelijk te weinig belasting zou aangeven en de Belastingdienst hier achter komt.

In 2011 kwam een zaak voor de Hoge Raad: een B.V. had over de periode 2002 - 2004 te weinig omzetbelasting aangegeven. Er komt een boekenonderzoek en de Belastingdienst legt een naheffingsaanslag BTW op, dit met een forse boete. De B.V. kan de aanslag niet betalen en geeft dit via een aangetekende brief aan richting de Belastingdienst. De B.V. gaat uiteindelijk in 2007 failliet. De bestuurder wordt in privé aansprakelijk gesteld. Volgens de Hoge Raad is er tijdig gemeld, hiermee is de bestuurder in principe niet aansprakelijk. Deze regel is echter niet van toepassing als sprake is van opzet en / of grove schuld van de B.V. De bestuurder van de B.V. heeft dit niet bestreden. Conclusie: ook al is de melding tijdig, toch aansprakelijkheid van de bestuurder. Hoge Raad d.d. 23 december 2011.

Neem gerust contact met ons op voor een vrijblijvend gesprek.

Betalingsonmacht schriftelijk melden [news] 2013-02-02 2013-02-02 0000-00-00 3645
Welke akten registreren? [news] 2013-02-12

Registratie akten Belastingdienst

Sommige onderhandse akten kunt u gratis laten registreren bij de Belastingdienst. Als u een akte laat registreren, kunt u aantonen dat de akte op de dag van registratie bestond. Voor leningsovereenkomsten tussen de B.V. en de DGA of andere overeenkomsten is dit wenselijk. Sinds enkele jaren is de regelgeving aangepast.

Registratie van onderhandse akten, welke akten?

De registratie zal plaatsvinden bij de Belastingdienst. De volgende akten moeten verplicht geregistreerd worden:

  • akten waarbij u een pandrecht vestigt op een roerende zaak of op de opbrengsten daarvan;
  • akten waarbij u een pandrecht vestigt op een recht aan toonder, bijvoorbeeld op een aandelenportefeuille, of op de opbrengsten daarvan;
  • akten waarbij u een pandrecht vestigt op een recht dat niet aan toonder of order luidt, bijvoorbeeld op een productierecht zoals een melkquotum, of op de opbrengsten daarvan;
  • akte voor een stille cessie van vorderingen;
  • akten waarbij u aandelen op naam levert in een beursgenoteerde vennootschap;
  • een voorovereenkomst of intentieverklaring.

Andere akten worden sinds 2013 niet geregistreerd.

Wat te doen om akten te registeren?

Stuur de akte of de overeenkomst aan uw notaris, accountant of fiscaal jurist. Dit kan per e-mail of per telefax. Verzoek uw adviseur om deze akte op te slaan op zijn "harde schijf".

Welke gegevens registreert de Belastingdienst?

De Belastingdienst registreert de volgende gegevens:

  • soort akte;
  • naam en adresgegevens van ten minste één van de partijen die in de akte voorkomen;
  • aantal bladen;
  • aantal exemplaren, als u meer exemplaren van 1 akte aanbiedt;
  • aantal renvooien. Een renvooi is een bijvoeging, verandering of doorhaling van de tekst, waarnaar in de kantlijn of aan het eind van de tekst wordt verwezen.

Wat gebeurt er nadat u de akte ter registratie heeft aangeboden?

De Belastingdienst plakt een sticker op de akte en deze ontvangt u dan terug. Op de sticker staat:

  • plaats en datum van registratie;
  • registratie en nummer;
  • handtekening van de inspecteur.

De registratie duurt meestal 2 weken.

Wie mogen de geregistreerde akten inzien?

Een beperkte groep mensen mag de akten inzien:

  • personen die in de akte staan;
  • erfgenamen van de personen die in de akte staan;
  • verkrijgers van rechten.

Hoe registeren van akten bij de Belastingdienst?

U kunt de akte opsturen naar de Belastingdienst of de akte persoonlijk afgeven (tussen 09:00 - 17:00 uur).

Bij welke Belastingdienst een akte registeren?

Belastingdienst / kantoor Amsterdam

Postbus 57295

1040 BD  Amsterdam

Bezoekadres: Kingsfordweg 1

Belastingdienst / kantoor Arnhem

Postbus 9005

6800 DG  Arnhem

Bezoekadres: Groningensingel 21

Belastingdienst / kantoor Breda

Postbus 3215

4800 DE  Breda

Bezoekadres: Gasthuisvelden 11

Belastingdienst / kantoor ’s-Hertogenbosch

Postbus 90116

5200 MA  ’s-Hertogenbosch

Bezoekadres: Kooikersweg 1C

Belastingdienst / kantoor Leeuwarden

Postbus 2108

8901 JC  Leeuwarden

Bezoekadres: Tesselschadestraat 4

Belastingdienst / kantoor Roermond

Postbus 925

6040 AX  Roermond

Bezoekadres: Kapellerpoort 1

Belastingdienst / kantoor Rotterdam

Postbus 50961

3007 BC  Rotterdam

Bezoekadres: Laan op Zuid 45

Belastingdienst / kantoor Den Haag

Postbus 30206

2500 GE  Den Haag

Bezoekadres: Prinses Beatrixlaan 512

Belastingdienst / kantoor Utrecht

Postbus 18500

3501 CM  Utrecht

Bezoekadres: Orteliuslaan 1000

0000-00-00 0000-00-00 3652
Inspecteur belastingdienst is geen belastingadviseur [news] 2013-03-14

Belastingdienst geen belastingadviseur

Inspecteur Belastingdienst is geen fiscaal jurist

Een belastinginspecteur verstrekt een juist maar niet fiscaal voordelig advies. De belastingplichtige stapt naar de rechter omdat ze teveel belasting heeft betaald. De rechter geeft de inspecteur gelijk, een belastinginspecteur is immers geen belastingadviseur.

De rol van de Belastingdienst, verwacht geen adviezen

Mevrouw Jansen (fictieve naam) woont in Nederland. De man van mevrouw Jansen komt onverwacht te overlijden. Mevrouw Jansen krijgt een substantiële kapitaaluitkering uit België. Dit bedrag kan ze het beste belastingvrij onderbrengen in een stamrecht B.V. Mevrouw Jansen belt de Belastingdienst. De inspecteur stelt dat mevrouw over de uitkering direct belasting moet betalen tegen het progressieve tarief dat kan oplopen tot 52%. De uitkering wordt overgemaakt en mevrouw Jansen voldoet haar belastingen direct. Achteraf komt ze erachter dat er fiscaal een veel voordeliger optie zou zijn geweest, het geld onderbrengen in een zogenaamde stamrecht B.V. Mevrouw Jansen stapt naar de rechter.

De rechter komt tot het volgende:

  • de Belastingdienst informeerde mevrouw Jansen juist;
  • het geven van belastingadviezen behoort niet tot de taak van de Belastingdienst en / of de inspecteur.

Bron adviseren taak Belastingdienst

Rechtbank Breda d.d. 18 december 2012 procedurenummer AWB 12/2222 (gepubliceerd 12 maart 2013)

0000-00-00 0000-00-00 3671

Bestuurder aansprakelijk door niet betalen fiscus

Als een B.V. niet meer goed draait (of failliet gaat), is het van cruciaal belang dat er zorgvuldig wordt gekeken naar mogelijke belastingschulden die niet worden betaald. In het meest vervelende geval is de bestuurder / DGA in privé aansprakelijk voor de belastingschulden van de B.V. In dit artikel een uiteenzetting van een tweetal langlopende procedures.

Kennelijk onbehoorlijk bestuur bij niet betalen Belastingdienst (procedure 1)

Een slepende procedure bij het Gerechtshof in Leeuwarden. Deze procedure liep via:

  • Rechtbank Breda (uitspraak nummer AWB 08/5433) d.d. 19 oktober 2009 gelijk Belastingdienst);
  • Gerechtshof in 's Hertogenbosch (uitspraak nummer 09/00687) d.d. 15 oktober 2010, gelijk Belastingdienst);
  • Hoge Raad (arrest nummer 10/05089) d.d. 24 februari 2012) vernietigt uitspraak Gerechtshof 's Hertogenbosch met verwijzing naar Gerechtshof Leeuwarden.

De essentie is dat een bestuurder in privé aansprakelijk is als blijkt dat hij wel de crediteuren van de B.V. heeft betaald maar de Belastingdienst niet. De bestuurder is aansprakelijk gesteld voor ruim € 100.000.

B.V. X kiest ervoor om belastingschulden niet te betalen, maar de overige schuldeisers wel. De Belastingdienst is van mening dat hierdoor de bestuurder van B.V. X in privé aansprakelijk is voor de niet betaalde belastingschulden. Over dit probleem wordt door partijen geprocedeerd. Volgens het Gerechtshof is de bestuurder van B.V. X aansprakelijk. In deze procedure ging het niet om de formele bestuurder, maar de feitelijk / indirecte bestuurder van B.V. X. 

De B.V. ging in 2007 in gesprek met de Belastingdienst en in september 2007 wordt er ook betalingsonmacht gemeld (moet nu schriftelijk, destijds niet). De betalingsonmacht was op tijd en dus rechtsgeldig. De Inspecteur was echter van mening dat de betalingsonmacht is te wijten aan het onbehoorlijke bestuur van de bestuurder (artikel 36 invorderingswet). De bestuurder was het hier niet mee eens. De rechter is van mening dat de bestuurder - blijkbaar bewust - de Belastingdienst niet betaalde en de crediteuren wel. De bestuurder had moeten begrijpen dat hij hiermee bewust de Belastingdienst benadeelde.

Bank betalen en Belastingdienst niet, onbehoorlijk bestuur (procedure 2)

Dezelfde lange route kwam aan de orde bij het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden (in 2018). Deze procedure liep via:

In de verwijzingsprocedure bij het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden (2018) kwam de volgende casus aan de orde. Een B.V. gaat failliet omdat een belangrijk vervoerscontract niet wordt verlengd. De B.V. is hiermee niet meer levensvatbaar en gaat failliet. De Rabobank zet druk op de ondernemer en uiteindelijk worden de schulden aan de Rabobank afgelost. De Belastingdienst krijgt haar vorderingen niet betaald (totaal ruim € 300.000). De B.V. gaat uiteindelijk failliet en de DGA / bestuurder wordt door de Belastingdienst aansprakelijk gesteld. De centrale vraag is: "heeft de bestuurder de Belastingdienst bewust benadeeld?" De bestuurder stelt dat hij de opbrengsten uit onder meer activa wel moest gebruiken om de Rabobank af te lossen, hij had geen keuze. De ontvangsten kwamen namelijk op de bankrekening van de Rabobank binnen en de bank beroept zich dan op verrekening. De bestuurder heeft hierover de Belastingdienst niet geïnformeerd, maar dit was volgens de Hoge Raad ook niet nodig. Het Gerechtshof in Arnhem is vervolgens van mening dat de bestuurder een ernstig en persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. De reden hiervoor is dat de bedrijfsvoering tijdelijk is voortgezet en dat daarbij voorrang is gegeven aan de Rabobank en crediteuren, en niet aan de Belastingdienst. De bestuurder wist of behoorde te weten dat de belastingschulden hierdoor niet (volledig) zouden worden betaald.

Onbehoorlijk bestuur moet goed worden onderzocht (procedure 3)

Henk is feitelijk bestuurder van een BV. Belastingen worden niet betaald en Henk wordt in prive aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven belastingschulden. De Rechtbank en het Gerechtshof 's Hertogenbosch beslissen dat de ontvanger aannemelijk heeft gemaakt dat Henk feitelijk bestuurder is geweest. De niet betaling van de verschuldigde belastingen is het gevolg van aan Henk te verwijten onbehoorlijk bestuur. Henk stapt - met succes - naar de Hoge Raad. Het Gerechtshof heeft zijn stelling gebaseerd op een rapport dat is opgemaakt voor de omzetbelasting. Uit dit rapport (en de daarom gebaseerde overwegingen) blijkt niet dat Henk door zijn onbehoorlijke bestuur bewerkstelligd heeft dat verschuldigde belastingen niet volledig zijn betaald. Het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden moet dit nu alsnog uitzoeken. Hoge Raad 8 juni 2018 ECLI:NL:HR:2018:853

Beoordeling fiscaal jurist

Een B.V. is aansprakelijk voor haar eigen belastingschulden. Bij onbehoorlijk bestuur kan een bestuurder ook in privé worden aangesproken door de curator of de Belastingdienst. Als u in zwaar weer zit, moet u tijdig schriftelijk richting de Belastingdienst, het pensioenfonds en de uitkeringsinstanties melden dat u belastingen of premies niet kunt betalen. Normaal gesproken is dit voldoende om privé aansprakelijkheid van de bestuurder te voorkomen of te beperken. Het kan echter zijn dat de bestuurder wel de betalingsonmacht heeft gemeld, maar wel onbehoorlijk heeft gehandeld. In deze procedures is dit zo. Let erop dat u bij financieel zwaar weer een goede fiscaal jurist en advocaat in de hand neemt.

Bron kennelijk onbehoorlijk bestuur

Gerechtshof Leeuwarden d.d. 26 februari 2013 (gepubliceerd 8 maart 2013).

Gerechtshof Arnhem d.d. 13 februari 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:1462).

Bestuurder BV aansprakelijk door bewust niet betalen [news] 2018-03-28 0000-00-00 0000-00-00 3674
Bevoegdheden inspecteur [news] 2013-03-25

Bevoegdheden inspecteur Belastingdienst

De bevoegdheden van de inspecteur zijn neergelegd in artikel 6 tot en met 20 van de AWR. De bevoegdheden gaan ver, dus als er een onderzoek wordt ingesteld, is het goed om te weten wat wel en niet is toegestaan. De Belastingdienst mag bij het uitvoeren van haar taken de bevoegdheden niet misbruiken.

Belastingdienst eist computerbestanden

Er wordt een boekenonderzoek door de Belastingdienst ingesteld en de Belastingdienst vraagt om een kopie van al uw computerbestanden resp. een backup van uw server, en nu? De Belastingdienst mag volgens de (Europese) rechter alle bestanden opvragen, ook als hierop persoonlijke e-mails van uw collega's staan en / of administraties van bedrijven waar geen controle is ingesteld.

De verregaande bevoegdheden van Belastingdienst

Deze procedure speelde in Noorwegen. Het Noorse bedrijf stapte naar de Europese rechter om te laten beoordelen of de Belastingdienst zomaar vertrouwelijke data van andere bedrijven en persoonlijke e-mails mag inzien / opvragen. De Europese rechter ging vrij ver in haar uitspraak.

Het Europese Hof vindt de verzoeken om toegang tot de complete server (kopie backup) redelijk, dit omdat de administraties niet gescheiden werden. De procedure moet dan wel met voldoende waarborgen worden verricht.

Advies fiscaal jurist

Zorg ervoor dat u administraties, adviezen, e-mails etc. apart hebt opgeslagen, de Belastingdienst kan anders teveel informatie inzien en opvragen.

0000-00-00 0000-00-00 3678
Onrechtmatig verkregen bewijs belastingdienst [news] 2013-03-27

Belastingdienst en onrechtmatig verkregen bewijs

Soms verkrijgt de Belastingdienst onrechtmatig informatie welke vervolgens wordt gebruikt bij het opleggen van aanslagen inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting of andere aanslagen. De rechter is hier vlot klaar mee: "Dit is niet toegestaan." De vraag is wel hoe u erachter komt hoe de Belastingdienst informatie heeft verkregen. In een bezwaarfase is het daarom altijd verstandig om dossierinzage te vragen.

Onrechtmatig bewijs in fiscale zaken

Feitelijk moet er een scheiding worden gemaakt tussen het gebruik van onrechtmatig verkregen informatie voor de belastingheffing en een mogelijke boete. De centrale vraag is of informatie door de Belastingdienst op een rechtmatige wijze van een derde is verkregen en / of deze mag worden gebruikt bij het opleggen van een aanslag. Het arrest chambaz van het Europese Hof van de Rechten van de Mensen is een mooi voorbeeld. In dit arrest van de Europese rechter is bepaald dat informatie welke onder dwang wordt verstrekt (artikel 47 AWR) niet mag worden gebruikt bij het opleggen van een boete omdat dit bij het verkrijgen van de informatie niet duidelijk was.

Onrechtmatig verkregen bewijs speelt met name in strafzaken. De Hoge Raad heeft echter in fiscale zaken ook al eens gekeken naar deze materie. De Hoge Raad stelt als vertrekpunt dat binnen het strafrecht onrechtmatig verkregen bewijs niet automatisch zal leiden tot de conclusie dat dit bewijs ook in fiscale zaken in de prullenbak moet worden gegooid.

Het fiscale recht / bestuursrecht heeft haar eigen wetsartikelen waaraan getoetst moet worden. De Hoge Raad neemt als uitgangspunt dat het bewijsmiddel is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit bewijs niet mag worden gebruikt.

Rechtmatig verkrijgen van fiscaal bewijs en beperkingen

De Belastingdienst (lees: de inspecteur) heeft op grond van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (de AWR) een zeer ruime bevoegdheid om informatie van een derde (of belastingplichtige zelf) op te vragen of te vorderen (artikel 47 AWR). De inspecteur gaat er echter te vaak vanuit dat deze bevoegdheden onbeperkt zijn, dat is zeker niet zo. De bevoegdheden van de inspecteur worden beperkt door:

  1. Geen informatie vorderen van advocaten en notarissen (verschoningsgerechtigden).
  2. Informatie moet van belang kunnen zijn voor de belastingheffing.
  3. Beginsel van fair play moet in acht worden genomen.
  4. De Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur moeten in acht worden genomen (met name proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel).



De belangrijkste vraag welke een inspecteur zich moet stellen is of hij de informatie wel mag opvragen. Hiertoe zou hij artikel 52a AWR als eerste stap moeten raadplegen. In een zaak bij de rechter (voor de liefhebber: Gerechtshof Leeuwarden) had een inspecteur het bewijs voor een aanslag niet rond. De inspecteur vroeg informatie op bij een particulier (niet-ondernemer), de informatie wordt ook verstrekt. Een particulier / niet-ondernemer is echter niet verplicht om informatie te bewaren resp. te verstrekken aan de inspecteur, de inspecteur had de particulier / niet-ondernemer hier niet op gewezen. De inspecteur gaat in deze zaak te ver en de informatie is onrechtmatig verkregen.

In een andere zaak verloor een Officier van Justitie een procedure. Hij belde vervolgens met de Belastingdienst om hen te vragen of ze de beste man fiscaal konden aanpakken. De inspecteur vroeg vervolgens de informatie op en kwam tot de conclusie dat er aanslagen konden worden opgelegd. De rechter was er vlot klaar mee:

  • De Officier van Justitie is op een onjuiste wijze op de hoogte gebracht.
  • De inspecteur wist dat er sprake was van onrechtmatig verkregen bewijs.
  • Conclusie: informatie mag niet worden gebruikt in fiscale zaken.

Procedure inzake onrechtmatig verkregen bewijs Belastingdienst

De Belastingdienst is een overheidsorgaan. Op beslissingen van de Belastingdienst ziet de Algemene wet Bestuursrecht en de Algemene wet inzake Rijksbelastingen. Van de Belastingdienst mag u verwachten dat ze behoorlijk handelen en onrechtmatig verkregen bewijs niet tegen u gebruiken. De Rechtbank (in Haarlem) was dit met een belastingplichtige eens, de opgelegde navorderingsaanslagen werden vernietigd.

In casu ging het om een doorzoeking in de woning door de politie, dit onderzoek heeft in 2010 plaatsgevonden. Het onderzoek is gestart via de kliklijn of een tip over een hennepplantage. In 2011 doet de Rechtbank in Amsterdam een uitspraak over de hennepplantage en het witwassen. De verdachte wordt vrijgesproken. De Belastingdienst vordert op grond van artikel 55 AWR het proces-verbaal. De huiszoeking was echter onrechtmatig en hiermee was het bewijs onrechtmatig verkregen en moesten de aanslagen worden verminderd.

Conclusie fiscaal bewijs

Bovenstaande maakt duidelijk dat de Belastingdienst (de inspecteur) vrij ruime bevoegheden heeft om informatie op te vragen. Het is echter wel van belang dat hierbij de regels welke gelden voor een betrouwbaar handelende overheid in acht worden genomen.

Bron onrechtmatig verkregen bewijs Belastingdienst

Rechtbank Haarlem d.d. 11 februari 2013 (publicatie 5 maart 2013).

0000-00-00 0000-00-00 3679

Waarneming ter plaatse

Als de Belastingdienst inzicht wil krijgen in de dagelijkse gang van zaken binnen uw onderneming, dan komen ze langs. Veelal zal dit via een vooraf aangekondigd boekenonderzoek gebeuren. Het kan echter ook zijn dat de Belastingdienst een ander zicht wil op uw organisatie, dit zou een waarneming ter plaatse kunnen zijn. Meestal wordt een waarneming ter plaatse (WTP) niet schriftelijk aangekondigd. Een WTP is voor de Belastingdienst een controlemiddel om daarna uw aangiften te kunnen controleren.

Als een WTP wel schriftelijk wordt aangekondigd, dan staat in de brief niet wanneer de waarneming ter plaatse zal plaatsvinden en ook niet hoe vaak de Belastingdienst komt kijken. In de brief staat wel - in algemene woorden - waarop wordt gelet en wat er wordt onderzocht.

De Belastingdienst is niet verplicht om een waarneming ter plaatse aan te kondigen. Veelal gaat het om:

  • Hoe wordt er gewerkt?
  • Hoeveel mensen werken er bij u?
  • Hoeveel tafels staan er?
  • Hoe druk is het op bepaalde momenten?
  • Voorraden vaststellen.
  • Kasadministratie beoordelen.
  • Aantal auto's op de parkeerplaats.
  • Aantal mensen op een terras.
  • Aantal werknemers op het bedrijf of op de markt.
  • Hoe wordt de administratie bijgehouden?

Van de waarneming ter plaatse wordt een verslag gemaakt, dit verslag krijgt u toegestuurd of wordt u aangeboden. Let erop dat de feiten en inhoud van het rapport juist en volledig zijn!

Toelichting waarneming ter plaatse

De Belastingdienst zal meestal een boekenonderzoek instellen, dit wordt dan schriftelijk aangekondigd. Soms vindt de Belastingdienst het nodig om een waarneming ter plaatse in te stellen, dit kan worden aangekondigd maar dat hoeft niet. Er kunnen diverse zaken worden gecontroleerd en deze informatie kan dan tijdens een later ingesteld boekenonderzoek worden gebruikt. Een waarneming ter plaatse wordt meestal verricht binnen een bepaalde branche (meestal met contant geldverkeer). Via een waarneming wordt een bedrijfstak op onderdelen in beeld gebracht. Binnen de Belastingdienst zijn er regels en instructies om een waarneming ter plaatse in goede banen te leiden.

Meestal zullen de belastingambtenaren een waarneming ter plaatse aankondigen en zich op dat moment legitimeren via een pasje van de Belastingdienst of een paspoort. De betrokken ondernemer krijgt na het onderzoek een (kort) verslag en daarna een uitgebreid verslag per post. Er komen echter steeds meer waarnemingen ter plaatse voor waarbij de ondernemer niet voordien op de hoogte wordt gebracht. De belangrijkste vragen binnen onze praktijk zijn:

  • Welke bewijskracht of bewijswaarde heeft een waarneming ter plaatse?
  • Wat mag de Belastingdienst wel en niet tijdens een waarneming ter plaatse?
  • Hoe kan ik mezelf voorbereiden op een waarneming ter plaatse?

Regels voor de Belastingdienst bij een waarneming ter plaatse

De Belastingdienst heeft een aantal regels voor een waarneming ter plaatse:

  1. Schriftelijke aankondiging: het is gebruikelijk dat de ondernemer voor een WTP voordien een schriftelijke aankondiging krijgt. Meestal niet met een exacte datum / tijdstip.
  2. Legitimatie: een werknemer van de Belastingdienst moet zich legitimeren, dit moet zo discreet mogelijk.
  3. Zo min mogelijk overlast: de waarneming ter plaatse zal vaak tijdens reguliere werktijden plaatsvinden. De werknemers van de Belastingdienst mogen hierbij zo min mogelijk de reguliere werkzaamheden verstoren. Werknemers worden in principe niet aangesproken, tenzij dit echt nodig is.
  4. Vastlegging: elke waarneming ter plaatse wordt (uiteindelijk) vastgelegd in een rapport.

Bevoegdheden Belastingdienst bij waarneming ter plaatse

De Belastingdienst zal binnen haar bevoegdheden een waarneming ter plaatse uitvoeren, deze regels zijn vastgelegd in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, de AWR. Artikel 47 AWR (en verder) gaat over deze bevoegdheden. Een aantal bevoegheden zijn:

  • Toegang verlenen tot een gebouw.
  • Inlichtingen verstrekken op verzoek van een inspecteur.

Soms staat in een specifieke wet nog een extra regel opgenomen, voorbeeld hiervan is de Wet op de Loonbelasting (artikel 30: indentiteit vaststellen van een werknemer, paspoort tonen aan belastingambtenaar).

Als een ondernemer zelf niet aanwezig is, hoeft de werknemer een belastingambtenaar of inspecteur geen toegang te verlenen. Als een werknemer een belastingambtenaar vrijwillig toegang zou verlenen of de ambtenaar binnen laat, dan is de ambtenaar wel binnen en kan hij of zij aan het werk. De belastingambtenaar heeft dan namelijk toegang gekregen en hiervoor niet zijn bevoegdheden gebruikt.

Stel dat u op bezoek bent in een coffeeshop of een restaurant, dan mag een inspecteur u om een paspoort of indentificatie vragen. U kunt dit eenvoudig weigeren en doorlopen. Als u meewerkt, is dit aan u. Deze informatie mag dan wel worden gebruikt in een onderzoek.

Beginsel van behoorlijk bestuur bij WTP

Een belastingambtenaar moet zich wel netjes gedragen, behoorlijk bestuur noemen we dit. Een ondernemer die aan het werk is, moet gewoon aan het werk kunnen blijven en mag geen last hebben van een belastingambtenaar. Een ambtenaar moet dus geen overlast veroorzaken en de ondernemer onnodig lastigvallen. Dit is wel een spanningsveld omdat elk onderzoek als hinderlijk zal worden ervaren. Als een ambtenaar zich niet netjes zou gedragen, dan mag hij de informatie wel gebruiken. Het is dus van belang dat u de ambtenaar wijst op de regels van behoorlijk bestuur en hem of haar desnoods wegstuurt. Als er sprake is van een zeer onbehoorlijk handelende ambtenaar, dan kunt u klachten indienen bij de Belastingdienst of de Nationale Ombudsman, zelden wordt bewijs ter zijde gelegd.

Rechtskracht van een WTP

Bewijs dat via een waarneming ter plaatse is verkregen wordt gezien als een goed bewijsmiddel. Als een onderzoek dus niet netjes verloopt, is het belangrijk dat u de ambtenaar wegstuurt of hem hierop wijst. Laat u niet overvallen door een aantal ambtenaren en schakel eventueel een fiscaal jurist in tijdens de WTP. Als u een rapport ontvangt, is het belangrijk dat u deze controleert op juistheid en volledigheid. Als er in het rapport opmerkingen staan over ontbrekende bescheiden, waarschuwingen worden afgegeven, etc., dan moet u hierop reageren. In de praktijk zien wij vaak dat een WTP een opstapje is naar omkering van de bewijslast of een uitgebreid derdenonderzoek of boekenonderzoek.

Wat is belangrijk bij een waarneming ter plaatse?

Als u wordt geconfronteerd met een waarneming ter plaatse is het volgende van belang:

  • Sluit de WTP aan met uw eigen administratie?
  • Heeft u getuigen welke verklaringen over die dag kunnen afleggen?
  • Heeft de Belastingdienst alle WTP's gebruikt of enkel de WTP welke haar goed uitkomt?
  • Reageer op rapporten welke u van de waarneming zou ontvangen en laat dit door een deskundige fiscaal jurist beoordelen.
  • Controleer het dossier van de Belastingdienst op andere zaken (inzage in uw dossier).
  • Controleer of het verslag volledig is in haar bevinden en niet selectief zaken heeft waargenomen of heeft opgeschreven.
  • Wie heeft de waarneming verricht en hoeveel personen (en wie) waren er ter plaatse? Waren deze mensen ook betrokken bij een later onderzoek en zijn deze personen directe collega's van elkaar?

Een rechter is geheel vrij in het soort bewijs dat wordt toegelaten en de waardering welke aan het bewijs wordt toegekend. Als een belastingambtenaar niet netjes, zorgvuldig of nauwkeurig heeft gehandeld, dan moet u een rechter hierop wijzen.

Alternatieven voor waarneming ter plaatse

De Belastingdienst kan via een bedrijfsbezoek, een boekenonderzoek, een informatieverzoek of via een waarneming ter plaatse informatie over uw onderneming verkrijgen. U moet de werknemer van de Beastingdienst toegang geven tot uw gebouw, uw administratie en de opzet hiervan. Dit geldt ook als het gaat om een onderzoek voor de belastingheffing bij een ander / derde.

Bron waarneming ter plaatse

Onrechtmatige WTP aldus ombudsman (2013).

Rechtbank Den Haag 18 februari 2010, WTP is basis voor schatting omzet.

Rechtbank Breda 6 september 2012, WTP niet volledig, belanghebbende deels gelijk.

Waarneming ter plaatse [news] 2013-04-06 0000-00-00 0000-00-00 3702
2013-04-22

Rechtspraak formeel belastingrecht

In dit onderdeel worden diverse uitspraken van de Rechtbank, het Gerechtshof of de Hoge Raad behandeld en voorzien van adviezen door fiscaal juristen of belastingadviseurs.

0000-00-00 0000-00-00 3740

Boete Belastingdienst en strafrechter

Una Via zeker niet altijd

Fiscale fraude is een hot item. Dit komt met name doordat fraude steeds meer de aandacht van de overheid krijgt en hiervoor meer mensen worden ingezet. Naast de frauderende belastingplichtige krijgt ook de frauderende belastingadviseur steeds meer de aandacht. Belastingadviseurs en accountants zijn nette mensen en als deze mensen fraude plegen, moeten ze stevig worden aangepakt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de belastingadviseur van de heer Guus Hiddink. Door de vierde tranche van de Algemene Wet Bestuursrecht kunnen adviseurs ook aansprakelijk worden gesteld voor boetes van de belastingplichtige. In de praktijk gebeurt dit nog zelden. Er mag echter niet met hagel worden geschoten en zomaar voor hetzelfde feit / gedraging twee keer een boete worden opgelegd. Hoe zit dit eigenlijk?

Twee keer een boete

Het bij aanslag opleggen van een boete sluit strafrechtelijke vervolging uit en vice versa. De Belastingdienst en Justitie moeten dus een keuze maken. Deze keuzes zijn vastgelegd in de ATV Richtlijn. Vanaf zo'n € 25.000 zal het strafrecht in beeld komen, aldus de genoemde richtlijn. Vaak besluiten rechters echter om naast de strafrechtelijke boetes ook nog een fiscale boete goed te keuren.

U krijgt geen boete van de Belastingdienst (een zogenaamde bestuurlijke boete) als voor dezelfde gedraging reeds een strafrechtelijke vervolging heeft plaatsgevonden. De discussie die dan meestal gaat plaatsvinden is, of beide boetes / straffen voor hetzelfde vergrijp / gedraging zijn opgelegd. Meestal kiezen de overheidsorganen ervoor om dit net iets anders te verwoorden. Op 4 december 2012 deed het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden een uitspraak waarbij de bestuurlijke boete gewoon in stand bleef. In deze casus kreeg de DGA een strafrechtelijke geldboete van € 50.000 i.v.m. zwartgeld / onjuist doen van aangifte. Vervolgens kwamen er ook nog naheffingsaanslagen met 50% boete.

Ne bis in Idem of Una Via

De Latijnse term voor "niet twee keer voor hetzelfde"; dit is ook redelijk, zal iedereen zeggen. Dit uitgangspunt is ook neergelegd in het Europese recht (artikel 14 lid 7 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten) en ook in het Europees verdrag voor de rechten van de mens. De problemen ontstaan echter bij het begrip "hetzelfde".

Una Via beginsel in belastingrecht

De Belastingdienst legt geen boete op de belastingplichtige die voor dezelfde gedragen strafrechtelijk is vervolgd en hiervoor een geldboete heeft gekregen. Dit geldt enkel indien op het moment van de procedure de strafrechtelijke procedure is gestart en / of de boete (strafbeschikking) vaststaat (is uitgevaardigd).

De essentie is dan dus "dezelfde gedraging". Iemand die een onjuiste aangifte heeft ingediend zal dit meestal doen om minder belasting te hoeven betalen. Voor het niet tijdig of juist aangifte doen resp. belasting betalen kan door de Belastingdienst een boete worden opgelegd. Het niet tijdig betalen is echter geen strafbaar feit, dit zou ook te gek zijn.

Wil men de route van het strafrecht inslaan, dan moet er sprake zijn van het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte. Dat er alsdan ook te weinig wordt betaald is helder, dit is dan immers het gevolg. Het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte is hierbij dezelfde gedraging als het opzettelijk te weinig belasting betalen op deze aangifte.

Rechters denken hier meestal anders over, zie hiertoe ook de uitspraak welke hiervoor wordt genoemd. Rechters zien wel een samenhang tussen de aangifte en de betaling van de belasting, maar dat neemt niet weg dat dit afzonderlijke verplichtingen zijn. Als er dus niet juist aan de verplichtingen wordt voldaan, zijn dit volgens de rechters in Nederland verschillende gedragingen. Daar komt nog bij dat volgens de rechter de gedragingen moeten zien op dezelfde aangiftetijdvakken. Derhalve kan strafvervolging plaatsvinden over 2012 en een boete worden opgelegd over 2013.

Notitie fiscaal jurist

In casu lopen verschillende begrippen door elkaar. Artikel 5:44 van de Algemene Wet Bestuursrecht is helder, er komt geen bestuurlijke boete indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld. De lex speciales van de Algemene Wet Bestuursrecht, de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, gaat hierop door. Artikel 69 lid 4 van de AWR stelt feitelijk hetzelfde met verwijzing naar het Wetboek van Strafrecht. Ook in het besluit bestuurlijke boeten wordt in paragraaf 20 uitgebreid ingegaan op het Una Via beginsel. Hierin wordt ook nog gesteld dat de samenloop kan gelden voor verzuimboetes en vergrijpboetes, dit is dan weer geregeld in paragraaf 5. Onder een zelfde feit wordt het feit in materiële zin verstaan, het niet doen of opzettelijk niet doen van aangifte is materieel hetzelfde. Het niet tijdig doen en het onjuist doen van aangifte is materieel iets anders. Klinkt ingewikkeld maar het is zo.

De rechtspraak op dit gebied is niet geheel helder en het zomaar accepteren van fiscale boetes na strafvervolging moet aan de kaak worden gesteld. Dit kan ook spelen als er door de Belastingdienst een verzuimboete en een vergrijpboete worden opgelegd. Dit onderdeel wordt thans nog te weinig door belastingadviseurs gezien.

Bron

Gerechtshof Arnhem d.d. 4 december 2012

Gerechtshof Amsterdam d.d. 17 februari 2011

Kort Geding Rechtbank 's Gravenhage d.d. 15 september 2004 

Rechtbank 's Gravenhage 22 mei 2012

Gerechtshof 's Gravenhage

Fiscale en strafrechtelijke boete [news] 2013-04-23 0000-00-00 0000-00-00 3742

Inspecteur moet voortvarend zijn

Regelmatig buigen rechters zich over de vraag of een inspecteur voldoende vlot (voortvarend) is geweest bij het opleggen van een zogenaamde navorderingsaanslag bij verzwegen vermogen of zwart geld. Ruwweg kan worden gesteld dat, als een inspecteur 8 maanden niks doet, hij te laat is met het opleggen van een aanslag.

Nieuw feit nodig voor navordering

De Belastingdienst / inspecteur kan een navorderingsaanslag opleggen als hij op een nieuw feit stuit. Dit feit had hem niet bekend hoeven te zijn toen hij de oorspronkelijke aanslag had opgelegd. Dit moet in eerste instantie worden beoordeeld.

Soms heeft een inspecteur geen nieuw feit nodig om een aanslag op te leggen. Dit geldt onder meer als de belastingplichtige te kwader trouw is geweest en bewust inkomsten of vermogen niet heeft gemeld.

Termijn voor opleggen aanslagen

Er gelden gelukkig wel termijnen waarbinnen aanslagen moeten worden opgelegd. De normale termijn is 5 jaar (wordt 12 jaar), dit te rekenen vanaf het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. De periode van mogelijk uitstel wordt hierbij opgeteld.

Bij buitenlands vermogen of geld dat aldaar wordt gehouden of voordelen die in het buitenland zijn behaald heeft de inspecteur meer tijd, namelijk 12 jaar.

Op het moment dat de inspecteur de informatie in zijn bezit heeft, moet hij wel tempo maken. Als hij te lang wacht met het opleggen van een aanslag, dan is hij niet voortvarend geweest, dit heeft de Hoge Raad bepaald. Welke termijn uiteindelijk redelijk is, wordt nu door diverse rechters uitgemaakt.

Procedures voortvarendheid

  1. Rechtbank Leeuwarden d.d. 28 april 2011: Een belastingplichtige was betrokken bij iets bijzonders in Duitsland. De informatie wordt in 2002 door de Duitse Justitie ontvangen en in 2004 aan de Nederlandse autoriteiten verstrekt. De Belastingdienst legt vervolgens eind 2005 een aanslag op, dit na ruim 14 maanden. De inspecteur kon geen verklaring geven voor dit lange tijdsverloop. Ook het onderzoek van de FIOD was geen reden voor de lange termijn, aldus de rechter. De aanslagen worden vernietigd.
  2. Rechtbank Den Haag d.d. 13 juli 2011: In deze procedure was een termijn van 8 maanden aan de orde. De aanslag wordt vernietigd.
  3. Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden 4 juni 2013: In deze procedure begint een strafrechtelijk onderzoek in juli 2006 en dit onderzoek wordt een jaar later in juli 2007 afgesloten. In april 2008 worden de navorderingsaanslagen opgelegd (met toepassing van de verlengde navorderingstermijn). De inspecteur was voor juni 2007 op de hoogte van de feiten. Vanaf dat moment is geen sprake meer van tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting. De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen niet met voldoende voortvarendheid vastgesteld. Het incidentele hoger beroep van de inspecteur is ongegrond. Het Gerechtshof volgt hierbij de uitspraak van de Rechtbank.
  4. Rechtbank Zeeland - West Brabant (juni 2013): Vijf maanden stilzitten door de inspecteur (zonder reden) zorgt ervoor dat aanslagen worden vernietigd. Daarnaast krijgt belastingplichtige een immateriële schadevergoeding van ruim € 9.000 doordat de redelijke termijn is overschreden.

Noot belastingadviseur

Wij voeren regelmatig procedures over dit onderwerp, de termijn waarbinnen een aanslag moet worden opgelegd is hierbij vaak onderwerp van discussie. Wilt u een oriënterend gesprek, bel of mail ons gerust.

Voortvarendheid bij opleggen aanslagen [news] 2013-06-19 0000-00-00 0000-00-00 3780

Geen vergrijpboete door fout adviseur

Een fout in een aangifte wil nog niet automatisch zeggen dat een inspecteur zonder enige aarzeling een vergrijpboete mag of kan opleggen. Als een fout is ontstaan door een fout van uw adviseur respectievelijk door een pleitbaar standpunt, dan bestaat er geen reden om een boete aan de belastingplichtige op te leggen.

Geen vergrijpboete door fout accountant of belastingadviseur

In een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (27 oktober 2011) had een belastinginspecteur een vergrijpboete (meestal 25% of 50%) opgelegd. De inspecteur moet dan bewijzen dat er sprake is van grove schuld (dan wel opzet) van de belastingplichtige / ondernemer of aan hem te wijten. De rechter was er vlot klaar mee; als een ondernemer een deskundige heeft ingeschakeld om zijn fiscale zaken te regelen (bijvoorbeeld een BTW-aangifte), dan kan een fout van deze deskundige niet automatisch op het bordje van de belastingplichtige / ondernemer worden geschoven (worden toegerekend aan de ondernemer). De inspecteur moet dan bewijzen dat de ondernemer had moeten twijfelen aan de deskundigheid (of manier van werken) van de deskundige.

De Hoge Raad (23 september 2011) denkt hier net zo over. In een cassatieprocedure boog de Hoge Raad zich spreekwoordelijk over een ondernemer (DGA) waar een boekenonderzoek was verricht. In de loonadministratie ontbrak een aantal paspoorten (identiteitsbewijzen). De inspecteur legde een naheffingsaanslag loonheffing met vergrijpboete op. De Hoge Raad oordeelde echter dat dit niet terecht is. De DGA mocht vertrouwen op de deskundigheid van zijn adviseur. De adviseur had in het verleden nooit dergelijke fouten gemaakt dus .... hij is blijkbaar deskundig. Gevolg: boete van tafel. Artikel 67f van de AWR is duidelijk, zowel voor de DGA als voor de inspecteur, aldus de Hoge Raad

Het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden (uitspraak 25 juni 2013, publicatie 10 juli 2013) kreeg een vergelijkbare zaak voor ogen, ook hierin wordt de vergrijpboete vernietigd wegens het ontbreken van opzet of grove schuld bij het niet tijdig betalen van een BTW-aanslag. Een projectontwikkelaar verkoopt 2 kavels in 2007, de verschuldigde BTW wordt niet betaald. Bij een boekenonderzoek wordt dit ontdekt. De inspecteur legt een aanslag met boete op (uiteindelijk 50%). Tegenover de verklaring van de projectontwikkelaar heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat X zelf de aangifte heeft ingediend, zodat het Gerechtshof er vanuit gaat dat de adviseur de aangifte heeft ingediend. X wist wel dat er omzetbelasting moest worden betaald, maar ging ervan uit dat zijn adviseur dit zou regelen (een regeling om de BTW later te betalen). De projectontwikkelaar is niet echt actief geweest bij de controle van zijn adviseur, maar dit wil nog niet zeggen dat sprake is van grove schuld of (voorwaardelijke) opzet. De vergrijpboete komt te vervallen.

Geen vergrijpboete en pleitbaar standpunt

De Hoge Raad (6 maart 2012 / strafkamer) heeft een behoorlijk belangrijk arrest gewezen. Het gebruik van een pleitbaar standpunt wordt voor strafzaken ingeperkt, dit is niet zo mooi. Maar wat is een pleitbaar standpunt? Volgens de staatssecretaris van Financiën is dit ‘een opvatting over de kwalificatie van de feiten of de toepassing van het recht op de feiten die in redelijkheid verdedigbaar is.’ Als een standpunt (objectief gezien resp. na objectieve maatstaven) pleitbaar is, dan kan er geen sprake zijn van opzet of grove schuld, de centrale vraag blijft dan wel: Is uw standpunt pleitbaar?

Geen vergrijpboete door fout adviseur [news] 2013-07-18 0000-00-00 0000-00-00 3807

Belastingdienst krijgt informatie onder dwang

De Belastingdienst vraagt u om informatie (artikel 47 AWR) en u weigert elke medewerking. Er komen diverse procedures en er wordt gedreigd met een dwangsom. Wat zijn uw rechten?

Procedure Hoge Raad

Op 12 juli 2013 heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen. Het betrof een civiele zaak inzake informatieverstrekking van een belastingplichtige aan de Belastingdienst. De Hoge Raad is van mening dat de Belastingdienst een belastingplichtige mag dwingen om informatie te verstrekken over buitenlandse bankrekeningen. De informatie moet dan wel van belang zijn voor de belastingheffing. De informatie mag niet worden gebruikt voor het opleggen van een boete of een straf resp. strafvervolging.

De procedure inzake buitenlands vermogen 

De heer Jansen (fictieve naam) krijgt een vragenbrief van de Belastingdienst. In de vragenbrief wordt verzocht om informatie betreffende een stichting in Liechtenstein. De heer Jansen geeft aan dat hij zich hier weinig over kan herinneren en dat hij hierover geen informatie heeft. De inspecteur legt - ter behoud van rechten - een aanslag met 100% boete op. De heer Jansen leunt achterover en werkt niet mee. De staat der Nederlanden start een kort geding tegen de heer Jansen en eist afgifte van de informatie onder toekenning van een dwangsom. De Rechtbank en het Gerechtshof stellen de staat in het gelijk. In cassatie komt de belastingplichtige op de "proppen" met het arrest Chambaz (EHRM d.d. 5 april 2012). De Hoge Raad is van mening dat de belastingplichtige wilsafhankelijke informatie moet verstrekken. Doet hij dit niet, dan moet hij een dwangsom betalen. Bij een meningsverschil is het aan de Belastingdienst (de staat) om aannemelijk te maken dat de belastingplichtige daadwerkelijk over de informatie beschikt of kan beschikken.

Toelichting fiscaal jurist

Binnen onze wereld is er uitgekeken naar deze uitspraak. Moet een belastingplichtige onder druk van een dwangsom informatie verstrekken? De Hoge Raad stelt: Ja, mits ... Er wordt wel een voorwaarde aan gekoppeld. Het materiaal dat afhankelijk van de wil zou bestaan mag niet worden gebruikt voor een boete of strafvervolging. De Hoge Raad gaat wel eenvoudig voorbij aan het Chambaz arrest (Nemo Tentur beginsel).

Bron

Dwangsom bij niet verstrekken info [news] 2013-08-12 0000-00-00 0000-00-00 3873

Wetswijziging formeel belastingrecht

In september 2013 is een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd. De wet wordt binnenkort behandeld. De wet is met name voordelig voor de Belastingdienst, niet voor de belastingplichtige.

Wetswijzigingen op korte termijn

Navordering is het rechtsmiddel waarmee de overheid (Belastingdienst) fouten uit het verleden kan corrigeren. Navordering is aan regels gebonden en deze zijn de laatste jaren steeds meer in het voordeel van de Belastingdienst komen te liggen. Als de Belastingdienst of de belastingplichtige een fout heeft gemaakt, dan mag de Belastingdienst altijd de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting navorderen. Dit is in 2011 aangepast.

De Belastingdienst kan binnen 5 jaar (binnenlandse situaties) nog navorderen als er sprake is van een nieuw feit. De termijn voor navordering wordt beperkt tot 3 jaar na ontvangst van de aangifte (dit was 5 jaar na afloop van het belastingtijdvak). Als de belastingplichtige niet te goeder trouw is, dan wordt de termijn verlengd tot 12 jaar na ontvangst van de aangifte (dit was 5 jaar na het belastingtijdvak). Deze wetswijziging zal in 2014 ingaan (tenminste dat is de verwachting).

Tevens wordt de inkeerregeling versoepeld, dit tot en met 1 juli 2014. Voor een nadere toelichting, lees dit artikel.

Wetswijzigingen in 2016

Er komen nog een paar wetswijzigingen aan, deze zullen waarschijnlijk per 1 januari 2016 worden ingevoerd. De belangrijkste wijzigingen zijn:

  1. De Belastingdienst moet een definitieve aanslag binnen 3 maanden (en maximaal 15 maanden) opleggen. In bepaalde gevallen wordt een termijnverlenging van 6 maanden mogelijk.
  2. Zonder bezwaar te maken zal de Belastingdienst aanvullingen op de aangifte accepteren, dit kan tot 18 maanden na het doen van de aangifte.
  3. Bij computerstoringen of fouten in het systeem van de Belastingdienst kan de Belastingdienst navorderen gedurende een periode van 6 maanden.
  4. De mogelijkheid om ambtshalve verminderingen aan te vragen wordt beperkt. Dit geldt alleen nog als informatie (die een lagere belastingschuld tot gevolg heeft) niet eerst beschikbaar was of verstrekt kon worden.
  5. Er komt een regeling voor elektronische berichten vanuit de Belastingdienst.

Bron

Tweede Kamer d.d. 2 september 2013, nummer 33.714.



 

Wetswijziging formeel belastingrecht [news] 2013-09-09 0000-00-00 0000-00-00 4031

Aangifte te laat en boete

U moet uw aangifte tijdig indienen. Lukt dit niet, dan kunt u uitstel vragen. Als de aangifte te laat is ingediend, dan krijgt u eerst een herinnering en als u daar niet op zou reageren, dan krijgt u een aanmaning. In de aanmaning staat de nieuwe termijn waarbinnen u de aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting moet indienen. Als u de aangifte na die termijn zou indienen, dan krijgt u een verzuimboete, deze is fors. Doet u opzettelijk geen aangifte, dan kunt u ook nog een vergrijpboete krijgen. Dit kan ook gebeuren bij het opzettelijk onjuist of niet volledig doen van aangifte.

Regelmatig adviseren wij bedrijven, particulieren en DGA's over dit onderwerp, bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

Hoogte van de boete

De verzuimboete is voor de aangifte inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting niet gelijk.

  • Inkomstenbelasting: € 226 (tweemaal te laat € 984 en dit kan oplopen tot € 4.920).
  • Vennootschapsbelasting: € 2.460 (kan oplopen tot € 4.920).

Vereisten belastingdienst bij opleggen boete

Als de inspecteur een belastingplichtige een boete oplegt moet de inspecteur uiterlijk op het moment van bekendmaken van de de boete de reden noemen. Bij onduidelijkheid komt alleen betekenis toe aan wat er op het aangiftebiljet is vermeld. In een procedure bij het Gerechtshof Den Bosch komt een boete aan de orde i.v.m. het niet tijdig betalen van aangiftebelasting, in deze de BTW (artikel 67f AWR). Er wordt niet aan de vereisten van artikel 67f AWR voldaan, de boete wordt vernietigd. De Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:704) heeft in 2021 het oordeel van het Gerechtshof (ECLI:NL:GHSHE:2019:2155) bevestigd.

Verschil boete inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting rechtvaardig?

Volgens de rechtbank Breda (d.d. 21 december 2012) is het verschil tussen de boete voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting disproportioneel. In deze uitspraak is de boete verlaagd van € 2.460 tot € 452. In een eerdere uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch d.d. 10 mei 2012 wordt gesteld dat het verschil tussen de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting wel is toegestaan.

Lagere boete als aangifte paar dagen te laat is

De rechtbank Zeeland - West Brabant was coulant voor een belastingplichtige die iets te laat was met het indienen van de aangifte. Een B.V. moest voor 16 januari 2012 aangifte doen, de aangifte kwam uiteindelijk binnen op 31 januari 2012. De verzuimboete die is opgelegd bedroeg € 2.460 (belastingaanslag nihil). De boete wordt verminderd tot € 1.000. Bij deze procedure speelde wel mee dat de B.V. sinds jaren een nihilaangifte indiende.

Bezwaarschrift tegen boete te late aangifte

Een bezwaarschrift tegen een boete bij te late aangifte heeft vaak zin. Wij kunnen dit prima met u beoordelen en u kunt dit ook zelf voorbereiden, hierdoor zijn de kosten wellicht iets lager. Verzachten omstandigheden voor het later doen van aangifte zijn:"

  • Scheve verhouding tussen boete en feit (evenredigheidsbeginsel)
  • Staking van de onderneming / BV
  • Boete is niet vooraf aangekondigd (verdedigingsbeginsel)
  • U maakt dezelfde fout in verschillende jaren en krijgt boete voor elk jaar
  • Financiele situatie (schulden)
  • Overschrijding redelijke termijn door de Belastingdienst/ rechter
  • Geen schuld bij u
[news] 2013-09-13 0000-00-00 0000-00-00 4059

Bezwaarschrift niet ontvankelijk

Wij zijn als kantoor regelmatig betrokken bij bezwaar- en beroepsprocedures. Een succesvolle procedure tegen de Belastingdienst begint bij voldoende kennis van de materie en een bezwaarschrift dat tijdig en overeenkomstig de voorwaarden wordt ingediend, het bezwaarschrift moet derhalve ontvankelijk zijn.

De bezwaarfase

U krijgt een aanslag en u bent het hier niet mee eens. U dient een bezwaarschrift in tegen het standpunt van de belastinginspecteur. De inspecteur moet vervolgens een uitspraak doen op uw bezwaarschrift. De inspecteur heeft dan drie opties:

  1. De inspecteur komt aan uw bezwaren (geheel of gedeeltelijk) tegemoet.
  2. Uw bezwaarschrift is niet ontvankelijk.
  3. De inspecteur wijst het bezwaarschrift af.

Wat staat er in een bezwaarschrift?

In uw schriftelijke bezwaarschrift moet u tenminste de volgende onderdelen opnemen:

  1. Uw naam, adres en woonplaats.
  2. Dagtekening.
  3. Omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar zich richt (meestal nummer aanslag).
  4. Gronden van het bezwaar.
  5. Ondertekening.

Tevens kunt u verzoeken om het volgende:

  1. Dossierinzage.
  2. Kostenvergoeding.
  3. Mediation.
  4. Schriftelijke bevestiging ontvangst bezwaarschrift.

Voor een voorbeeld bezwaarschrift kunt u dit model gebruiken.

Afwijzing of niet ontvankelijk

Als de inspecteur het bezwaarschrift afwijst, heeft hij / zij het wel inhoudelijk beoordeeld, maar is van mening dat uw bezwaren (deels) geen hout snijden. De motivering is onvoldoende om de aanslag te verminderen. Na een dergelijke afwijzing kunt u in beroep.

Als een bezwaarschrift niet ontvankelijk wordt verklaard, dan is de inspecteur niet inhoudelijk op uw bezwaarschrift ingegaan. Meestal zal dit zo zijn als uw bezwaarschrift te laat is of niet aan de genoemde vormvereisten voldoet. De inspecteur kan dan soms wel besluiten om ambtshalve aan uw bezwaren tegemoet te komen. Tegen een ambtshalve beslissing kunt u niet in beroep, tegen een niet ontvankelijkheid wel. U komt dan niet in beroep tegen de beschikking, maar tegen de niet ontvankelijkheidsverklaring. Als de rechter het met u eens is, krijgt u meestal ook een beperkte onkostenvergoeding (ongeveer € 200 en restitutie van griffierechten).

Bezwaarschrift niet ontvankelijk [news] 2013-10-29 0000-00-00 0000-00-00 4134

Boekenonderzoek en artikel 47 AWR

Als de Belastingdienst een (boeken)onderzoek zou aankondigen, dan vragen ze meestal om veel informatie. Bij een belastingplichtige is meestal niet geheel duidelijk welke informatie hij nu wel en niet moet verstrekken. De vraag is ook of hij / zij alle informatie waarom wordt gevraagd ook moet geven. Centraal hierbij staan een aantal zaken:

  1. Gegevens worden door de belastingplichtige verstrekt via de door hem ingediende aangifte.
  2. Als de Belastingdienst twijfelt aan de juistheid van de verstrekte informatie, dan kan de Belastingdienst nadere informatie opvragen.
  3. De informatie welke moet worden verstrekt moet zien op het juist vaststellen van de belastingplicht, de informatie moet voor de belastingheffing van belang zijn.  
  4. Bij het opvragen van informatie is de Belastingdienst gehouden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de overheid mag haar bevoegdheden enkel gebruiken voor het doel waarvoor deze is toegekend (belastingheffing). Anders zou sprake kunnen zijn van  détournement de pouvoir (art. 3:3 Awb).

Welke informatie moet u verstrekken bij een boekenonderzoek?

Bij een boekenonderzoek vraagt de Belastingdienst erg veel informatie op. Als u het met de opgevraagde informatie niet eens bent, dan kunt u de inspecteur vragen waarom hij de informatie wil ontvangen en waarom deze informatie van belang voor uw belastingheffing, hierbij kunt u denken aan:

  • kijken of u de juiste aangifte heeft gedaan; 
  • voldoende belasting is betaald; 
  • een aftrekpost juist is opgevoerd;
  • teveel afdrachtverminderingen zijn geclaimd, etc. 

De inspecteur moet motiveren waarom hij de gevraagde informatie wil inzien of ontvangen. Er moet dan dus een directe samenhang zijn tussen de verzochte informatie en de hiermee samenhangende belastingheffing. Deze informatieverstrekking gaat in de praktijk wel ver, echter niet onbeperkt en wel met als grens "beginselen behoorlijk bestuur", "fair play" en "redelijkheid en billijkheid". Tenslotte moet er niet zoveel informatie worden opgevraagd waardoor het gaat lijken op een fishing expedition.

De informatie moet duidelijk, helder en zonder enig voorbehoud worden verstrekt, aldus artikel 49 AWR.

Wat kan de belastingplichtige ondernemen tegen artikel 47 AWR?

De inspecteur moet bewijzen dat de door hem / haar opgevraagde informatie (of raadpleging) van belang kan zijn voor de belastingheffing bij de belastingplichtige (algemene beginselen van behoorlijk bestuur). Dit zal de inspecteur niet prettig vinden.

Risico belastingplichtige bij niet voldoen aan artikel 47 AWR

Als een belastingplichtige niet voldoet aan een informatieverzoek van de Belastingdienst (de inspecteur), dan zijn er een drietal belangrijke risico's (of sancties) waarmee de belastingplichtige rekening moet houden:

  1. Opleggen verzwaarde bewijslast (na onherroepelijke informatiebeschikking) of een boete (omkering bewijslast artikel 25 e.v. AWR).
  2. Strafrechtelijke route.
  3. Privaatrechtelijke route (civiele procedure, meestal in kort geding met oplegging dwangsom), dit kan ook zonder artikel 52a route.

Als een inspecteur simpel zou stellen dat de bewijslast wordt omgekeerd omdat informatie niet is verstrekt, dan moet hij zich hiervan wel in alle redelijkheid overtuigen. Zijn beslissing moet aan een aantal voorwaarden voldoen:

  1. niet in strijd met de wet;
  2. niet in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur;
  3. geen verwijt bij de belastingplichtige waardoor informatie niet wordt verstrekt.

Informatiebeschikking brengt belastingplichtige zekerheid

Sinds 2011 kan de inspecteur een informatiebeschikking afgeven (artikel 52a AWR), een dergelijke beschikking wordt afgegeven als een belastingplichtige zou weigeren om informatie af te geven. Tegen een dergelijke beschikking kan de belastingplichtige in beroep, dit voorkomt dat er zware sancties (zie hiervoor onder ad 1-3) worden opgelegd. De omkering van de bewijslast is enkel mogelijk als de informatiebeschikking onherroepelijk is geworden.

Voordeel van deze route is ook dat de belastingplichtige gedurende de bezwaarfase in het dossier van de Belastingdienst kan kijken (artikel 7:4 AWB), dit op grond van het inzagerecht. Of alle informatie in het dossier aanwezig is, zal moeten blijken.

Bijzonder is wel dat de Belastingdienst ook een andere civiele route kan bewandelen. De Belastingdienst kan ook in kort geding naar de civiele rechter stappen en onder dwangsom de informatie opeisen (artikel 52a lid 4 AWR). Of deze route in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal van de feiten afhangen.

Tips bij boekenonderzoek

Een aantal zaken zijn bij of ter voorbereiding op een boekenonderzoek relevant. De belangrijkste aandachtspunten zijn:

  1. Bespreek met uw accountant welke informatie u moet vastleggen binnen uw organisatie. Als iets namelijk is vastgelegd mag het in beginsel niet worden verwijderd of vernietigd (voorbeeld kladbriefjes in een horeca gelegenheid, de dubbelrol in de kassa van de kapper, bestellingen op kladbriefjes, deze zaken behoren tot de administratie als ze zijn vastgelegd, anders niet)
  2. Maak een scheiding in uw dossier tussen adviezen, accountantszaken en aangifte zaken. De adviezen hoeft u niet ter inzage te verstrekken
  3. U ontvangt meestal een vragenbrief, betrek uw accountant vroegtijdig bij een boekenonderzoek
  4. Schakel voor het boekenonderzoek een specialist in (bijvoorbeeld een fiscaal jurist). Bespreek met hem de risico's etc.
  5. Ga niet alleen in gesprek met de belastingdienst en laat een specialist ook aan tafel plaatsnemen
  6. Laat u niet in de spreekwoordelijke "hoek" drukken door de controleur, vaak wordt er naar correcties gezocht die niet kunnen worden bewezen (u gaat dan zonder enige argwaan het bewijs leveren als u de kern van een vraag niet begrijpt)
  7. Bespreek met uw specialist welke informatie u wel en niet moet verstrekken
  8. Ga niet in op voorstellen om bijvoorbeeld 40% te betalen, tenzij u na overleg met een specialist tot een dergelijk besluit komt.


Zelf informatie verstrekken

Sinds 2012 is er ook nog een extra regeling in de AWR opgenomen (artikel 10a AWR). In dit artikel is een actieve informatieverplichting opgenomen voor belastingplichtigen (meestal werkgevers) als onjuistheden of onvolledigheden bij hem / haar zijn gebleken. Deze informatie moet dan direct aan de Belastingdienst worden gemeld. Vorenstaande kan voorkomen bij:

  1. gebleken zakelijk gebruik bestelauto;
  2. onjuiste aangifte erfbelasting bij buitenlandse situaties;
  3. suppletie omzetbelasting.

Informatie aan belastingdienst geven [news] 2013-11-11 0000-00-00 0000-00-00 4147

Belastingdienst en boekenonderzoek

Het boekenonderzoek is een controle van uw aangiften en administratie. Het kan gaan om een onderzoek over een periode of om controle van bepaalde onderdelen van uw aangiften en administratie. Een boekenonderzoek wordt altijd van tevoren aangekondigd, aldus de internetsite van de Belastingdienst.

Omdat wij de komende jaren meer boekenonderzoeken verwachten (waaronder deelonderzoeken over de werkkostenregeling, subsidies, afdrachtverminderingen (zoals WVA) en loonheffingen), maken wij hier inzichtelijk wat u mogelijk staat te wachten.

Regelmatig adviseren wij bedrijven, ondernemers en DGA's over dit onderwerp, bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

Administratieplicht

Het begint bij de administratieplicht. Zonder administratie valt er immers weinig te controleren. De wet is duidelijk en simpel: elke ondernemer is administratieplichtig.

Wat er dan in de administratie moet zitten en hoe die eruit ziet is veel minder duidelijk. De wet is weinig concreet:

“Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf (…)naar de eisen van dat bedrijf(…) op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen(…) hieruit duidelijk blijken.”

Een onmogelijke opdracht dus. Kern is dat er een deugdelijke en betrouwbare administratie is waaruit de (fiscale) rechten en verplichtingen eenvoudig zijn te destilleren. Hoe dat er precies uitziet is in hoge mate afhankelijk van de aard en omvang van uw onderneming.

Verplichtingen t.b.v. controle / boekenonderzoek

Ten behoeve van de controle gelden bij de administratie onder meer de volgende verplichtingen:

  • Bewaarplicht administratie (7 jaar, statuten etc. onbeperkt). Ook de onderliggende stukken dienen te worden bewaard, zelfs nadat de gegevens zijn verwerkt. Het is eventueel wel toegestaan die stukken te vervangen door een toegestane vastlegging. Bijvoorbeeld het in (beveiligd) pdf scannen van kladbriefjes.
  • Meewerkplicht. De administratie moet voor de Belastingdienst worden ontsloten en inzichtelijk gemaakt. Daaronder valt, binnen redelijke grenzen, het leesbaar maken van data voor de geautomatiseerde systemen van de Belastingdienst en het inzichtelijk maken van het systeem zelf.
  • Bij overgang op een nieuw (automatiserings)systeem moet worden geregeld dat oude gegevens beschikbaar blijven c.q. makkelijk beschikbaar kunnen worden gemaakt.
  • Ook de onderliggende stukken moeten worden verstrekt.

De administratie moet zodanig zijn ingericht, dat controle binnen redelijke termijn mogelijk is. Wat een redelijke termijn is, verschilt per onderneming en hangt onder meer af van de aard en omvang van die onderneming. Het is niet de Belastingdienst die uitmaakt wat een redelijke termijn is. Het is ook haar beleid met de redelijke belangen van de onderneming rekening te houden.

Als de zaak onder de rechter is, mag geen boekenonderzoek in die zaak meer worden verricht. De rechter kan echter wel vragen stellen of onderzoek laten verrichten. Het is dus belangrijk nauwkeurig vast te stellen waartoe het onderzoek dient. Verleen nooit medewerking of toestemming zonder eerst uw adviseur te raadplegen.

Als de controleur tijdens een boekenonderzoek bepaalde gegevens opvraagt (op grond van artikel 47 AWR) waarvan u vindt dat deze niet relevant zijn voor het lopende boekenonderzoek, kan de Belastingdienst twee dingen doen. Accepteren dat de betreffende gegevens niet relevant zijn ofwel het afgeven van een informatiebeschikking.

Informatiebeschikking

Sinds juli 2011 kan de inspecteur een informatiebeschikking afgeven (artikel 52a AWR), een dergelijke beschikking wordt afgegeven als een belastingplichtige zou weigeren om informatie af te geven. Tegen een dergelijke beschikking kan de belastingplichtige (uiteindelijk) in beroep bij de rechter.

Komt de rechter tot het oordeel dat het verzoek van de Belastingdienst rechtmatig is, dan krijgt u alsnog een bepaalde periode de mogelijkheid om de desbetreffende informatie te verstrekken. Als u dan nog niet over de brug komt met de gevraagde gegevens, kan de bewijslast worden omgekeerd. Dat is alleen mogelijk als de informatiebeschikking onherroepelijk is geworden.

Geeft de Belastingdienst, na een weigering gegevens te verstrekken, geen informatiebeschikking af, dan heeft de fiscus niet meer de mogelijkheid om de bewijslast om te keren wegens het niet verstrekken van informatie.

Sancties

Het niet of onvoldoende meewerken aan een boekenonderzoek kan dus leiden tot de zogenoemde omkering van de bewijslast door de Belastingdienst. In gevallen van omkering van de bewijslast kan de Belastingdienst bij het opleggen van de aanslag uitgaan van schattingen en aannames. Doorgaans zijn de inkomsten daarbij ruim geschat en de kosten mager gewaardeerd. Het is in de praktijk zeer lastig dergelijke aanslagen te weerleggen. Aantonen dat de aanslag te hoog is (geschat), is vrijwel ondoenlijk. Een reden temeer uw administratie door een deskundige te laten beoordelen.

Het niet voldoende meewerken kan ook strafrechtelijk worden vervolgd. De maximumstraf (2014) is 6 maanden zitten of een geldboete. Bij opzet (dan is sprake van een misdrijf!) wordt het maximaal 4 jaar zitten of een hogere geldboete dan wel – als dat meer is - eenmaal de daardoor te weinig geheven belasting (box 3: driemaal). Strafvervolging is de uitzondering. Voor dergelijke gevallen werken wij samen met een fiscaal advocaat.

Als de fiscale weg niet afdoende werkt voor de Belastingdienst, kan zij ook de gegevens vorderen via de burgerlijke rechter. Dat kan in kort geding, waarbij tevens een dwangsom kan worden opgelegd. Deze weg wordt meer en meer bewandeld door de Belastingdienst en zeker niet alleen in aansprekende fraudezaken. Ook hier kunnen wij u bijstaan.

Personeel

Niet is verboden dat de Belastingdienst vragen stelt aan personeelsleden. Met die mogelijkheid dient wel behoedzaam te worden omgegaan. In een (uitzonderlijk) geval waarin de controleurs tijdens een onaangekondigde waarneming ter plaatse vragen stelden over de omzet zonder dat er gelegenheid was de eigenaar te spreken, mocht die informatie van de Hoge Raad niet worden gebruikt. In minder extreme situaties zal dat anders zijn. Zorg dus voor duidelijke instructies.

Digitale administratie

De eis dat een administratie binnen redelijke termijn moet kunnen worden gecontroleerd kan betekenen dat die administratie digitaal dient te worden gevoerd. Dat is naar onze mening een te vergaande eis die de Belastingdienst alleen in bijzondere gevallen kan stellen. De Belastingdienst is gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dient daarbij uitdrukkelijk rekening te houden met de belangen van de onderneming. Het gemak en de tijdwinst voor de Belastingdienst dienen te worden afgezet tegen de kosten en moeite die daar tegenover staan bij de onderneming. Ook in deze tijd zijn er tal van ondernemingen die zich niet lenen voor (volledige) digitalisering.

Met betrekking tot het verstrekken van digitale bestanden zijn wij van mening dat de Belastingdienst niet zomaar ‘alles’ mag opvragen. Naar onze mening dient de Belastingdienst aan te geven welke bestanden zij met welk doel wenst te ontvangen. In niet-fiscale (toezichts)jurisprudentie is wel toegestaan dat een integrale kopie (forensic image) wordt gemaakt. Die kopie kan ook vernietigde bestanden bevatten die kunnen worden ‘teruggehaald’ en bestanden die onder het verschoningsrecht vallen (vb. adviezen). In die uitzonderingssituatie wordt wel toegestaan dat een adviseur van de onderneming bij het onderzoek aanwezig is en dat wordt aangegeven welke software en zoektermen worden gebruikt. Een dergelijke aanpak voert in fiscale zaken naar onze mening veel te ver. Maak dus duidelijke afspraken welke gegevens met welk doel worden verstrekt. Biedt desnoods ter plekke de gelegenheid het onderzoek uit te voeren, onder toeziend oog van de adviseur.

Deelonderzoeken

In toenemende mate legt de Belastingdienst zich toe op zogenoemde deelonderzoeken. Slechts een bepaald aspect van de belastingheffing wordt dan (grondig) onderzocht.

Nog meer dan bij algemene boekenonderzoeken is van belang dat vastgesteld wordt wat het doel van het onderzoek is en welke gegevens met welk doel worden verstrekt.

Vanwege het bijzondere karakter van veel regelingen (vb. de milieu-investeringsaftrek, de afdrachtvermindering en allerlei subsidies) kennen we speciale aanvullende eisen voor een fiscale tegemoetkoming. Daarbij dient u ervoor zorg te dragen dat u aan alle gestelde eisen voldoet en dat dit gedocumenteerd vastligt. Controleer dit! Beloftes en toezeggingen zijn mooi; bewijs op papier beter.

Zorg dus dat de boel op orde is. Het is niet voor het laatst dat na een deelonderzoek besloten wordt ‘door te pakken’ naar een meeromvattend boekenonderzoek. Wees dus voorbereid en schakel een adviseur in.

Na het boekenonderzoek

Als het boekenonderzoek onverhoopt al heeft plaatsgevonden, krijgt u een controlerapport. Als u het er niet mee eens bent, helpen wij u graag de schade te beperken. Beter nog kunt u ons inschakelen voor of tijdens het boekenonderzoek.

Vragen over boekenonderzoek Belastingdienst

Neemt u gerust contact op met onderstaande adviseurs voor een vrijblijvend oriënterend gesprek.

Boekenonderzoek belastingdienst [news] 2013-11-14 0000-00-00 0000-00-00 4150

Waarneming ter plaatse

Waarnemingen ter plaatse (artikel 50 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen) zijn er in soorten en maten. Individueel, collectief, spontaan en de zichtwaarneming. Daarbij combineert de Belastingdienst doorgaans diverse haar toekomende bevoegdheden (vb. verlenen toegang tot onderneming, inzage en inzicht in de boeken, identificatieplicht).

Het verrassingseffect van de waarneming ter plaatse is belangrijk voor de Belastingdienst. De ondernemer hoeft niet over de precieze datum en tijd te worden geïnformeerd van de waarneming. Doorgaans zullen datum en tijd wel concreet worden doorgegeven (aan de adviseur). Voor het geval dat niet gebeurt, heeft de ondernemer het recht zich te laten bijstaan door een adviseur. Hij moet dat wel kenbaar maken aan de Belastingdienst. Zonder die bijstand mag het onderzoek niet doorgaan.

De wet geeft geen definitie van de waarneming ter plaatse. In de praktijk komt het erop neer dat de Belastingdienst zelf ter plekke de bedrijfshandelingen van de onderneming waarneemt. Het doel is het op gestructureerde wijze vastleggen van die activiteiten. De aldus gevonden gegevens worden (als norm) gebruikt bij lopende of toekomstige (boeken)onderzoeken.

Toelaten verplicht

U bent verplicht de Belastingdienst tot het pand en het terrein van de onderneming toe te laten. Dat betekent overigens niet dat de Belastingdienst zich zelfstandig toegang mag verschaffen. Mogelijk kan de Belastingdienst zich via een civiele procedure (bij de burgerlijke rechter) wel toegang verschaffen, maar dan is het verrassingseffect weg.

Het niet toelaten kan leiden tot een boete van maximaal € 4.920. Het kan echter niet leiden tot de zogenoemde omkering van de bewijslast. Doorgaans is echter sprake van een combinatie met een (schriftelijk) inlichtingenverzoek (47 AWR). Het daaraan geen gevolg geven kan wel leiden tot omkering van de bewijslast (en gevangenisstraf / boete).

Het is beleid dat de waarneming wordt aangekondigd, hoewel er dan nog geruime tijd overheen kan gaan voordat de Belastingdienst echt op de stoep staat. Overigens zijn wij van mening dat toelaten van de inspecteur tot het gebouw, na legitimatie, alleen kan geschieden door de ondernemer c.q. eigenaar / gebruiker van het pand en niet door een (willekeurig) personeelslid of toevallig aanwezige derde (vb. boekouder of adviseur).

Behoorlijkheid

De Belastingdienst dient zich steeds aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te houden.

Als de zaak onder de rechter is, brengt de goede procesorde mee dat geen waarneming ter zake wordt verricht (in die zaak). Als u echter toch vrijwillig meewerkt, zijn de bevindingen van die waarneming toch te gebruiken in de lopende zaak. Het is dus belangrijk nauwkeurig vast te stellen waartoe de (aangekondigde) waarneming dient. Verleen nooit medewerking of toestemming zonder eerst uw adviseur te raadplegen.

De controleurs mogen zich niet ongevraagd wenden tot de personeelsleden (anders dan ter identificatie). Maak binnen de onderneming duidelijk wie de controleurs te woord staat en beperk het ook tot die persoon en communiceer dat ook duidelijk naar de Belastingdienst.

Bij de waarneming mogen de controleurs de personeelsleden tellen en identificeren, de voorraad vaststellen, de kas tellen en controleren met de administratie en de aanwezigheid van andere activa vaststellen. Ze mogen niet (archief)kasten openen en onderzoeken.

Naar onze mening is het niet toegestaan dat een waarneming ter plaatse ontaardt in een niet aangekondigd boekenonderzoek, zonder de nodige voorbereiding en zonder bijstand van de adviseur. Dat is in strijd met de aard van de waarneming ter plaatse.

Zichtwaarneming

De zogenoemde zichtwaarneming is een bijzondere variant. Daarbij wordt doorgaans van buiten de onderneming vastgesteld wat er gebeurt (bijvoorbeeld klantenbewegingen, goederenbewegingen, reclame etc.). Deze methode van onderzoek is niet in de wet geregeld. Dat neemt niet weg dat de methode per definitie niet is toegestaan. De Belastingdienst mag zich wat dit betreft gedragen als een ‘normale burger’ die in het dagelijks verkeer bepaalde zaken waarneemt. Het mag echter niet ontaarden in een stelselmatige observatie van de onderneming. Ook mag er geen bewijs worden gecreëerd. Naar onze mening mag een inspecteur bijvoorbeeld niet anoniem in een winkel een incourant artikel kopen om vervolgens enige tijd later te controleren of die verkoop in de boeken is verwerkt.

Wat te doen bij een waarneming ter plaatse

  • Zorg dat de zaken op orde zijn. Zoals kas(boek), kopie identiteitsbewijzen.
  • Wees voorbereid: zorg dat iedereen weet wat te doen: vooral zwijgen.
  • Stel vast wie de controleurs zijn en wat ze komen doen. Wijs de controleurs de deur als de bedrijfsvoering op dat moment bezoek niet toestaat.
  • Maak duidelijk wie de controleurs te woord staat en leg geen verklaringen af. Neem direct contact met uw adviseur of bel ons.
  • Verleen geen toegang tot archiefkasten.
  • Laat de controleur zelf geen kopieën maken, maar verleen hem die service. Dan kunt u meteen controleren of hij die gegevens mag hebben.

Vragen over waarneming ter plaatse

Als u vragen of opmerkingen heeft, kunt u contact opnemen met onderstaande specialisten, zij helpen u graag verder.



 
Waarneming ter plaatse [news] 2013-11-14 0000-00-00 0000-00-00 4151

Procederen tegen de Belastingdienst

Het innemen en intrekken van standpunten

Regelmatig worden wij ingeschakeld voor de begeleiding van een fiscale procedure. Dat kan al voordat er sprake is van een procedure, maar ook als de procedure al loopt en (nog) niet het gewenst resultaat oplevert.

Fiscaal procederen is vakwerk en maatwerk. Een belangrijk onderdeel is het innemen van de juiste standpunten. Dit artikel ziet daarop.

Het innemen van stellingen

Het fiscale procesrecht is redelijk informeel in vergelijking tot het overige bestuursrecht.

In elk stadium van de procedure kunnen nieuwe standpunten worden ingenomen, of dat nu in bezwaar, beroep of hoger beroep is. Pas in cassatie is die mogelijkheid beperkter.

In het fiscale procesrecht is het dus uitdrukkelijk niet zo dat alle standpunten in één keer en reeds vanaf de eerste fase (bezwaar) moeten worden ingenomen. Ook is het mogelijk dat een standpunt dat in bezwaar is afgewezen en in beroep niet aan de orde is gesteld, in hoger beroep weer aan de orde wordt gesteld.

Het intrekken van standpunten

In de praktijk komt het regelmatig voor dat in een procedure een groot aantal standpunten wordt ingenomen. Dan kan er aan de zijde van de Belastingdienst, maar ook aan de zijde van de rechter, de volgende gedachte ontstaan: Veel van die standpunten leiden tot niets, het zou efficiënt zijn en kosten besparen als die worden ingetrokken. Soms wordt daartoe ook nog de nodige druk uitgeoefend. Vaak worden dan (een aantal) standpunten ingetrokken.

Wat zijn de gevolgen van het intrekken van standpunten?

Over de gevolgen van het intrekken van een standpunt (grief) is de Hoge Raad duidelijk. Als hoofdregel heeft te gelden dat een ingetrokken grief niet wederom in dezelfde instantie of in hogere instantie als nieuw geschilpunt in de rechtsstrijd kan worden toegelaten.

Einde oefening zou je dus denken. Recent heeft de Hoge Raad dit enigszins genuanceerd. Wanneer de wederpartij (Belastingdienst) de rechter uitdrukkelijk en ondubbelzinnig te kennen geeft ermee in te stemmen dat de grief wordt toegelaten, kan de rechter die grief alsnog behandelen. Het (opnieuw ingenomen) standpunt mag dan niet zodanig zijn dat daarmee de goede procesorde geschaad wordt. Dus standpunten die een (zeer) omvangrijk onderzoek vragen worden sowieso niet toegestaan.

Een eenmaal ingetrokken standpunt kan dus alleen opnieuw aan de orde komen als de Belastingdienst daarmee instemt. Bijna onnodig op te merken dat het niet verstandig is afhankelijk te zijn van de Belastingdienst.

De geclaimde efficiency is een non-argument. De Belastingdienst en de rechter zijn zeer bekwaam in het afserveren (‘wegschrijven’) van onzin-standpunten. Het overtuigen tot intrekken kost doorgaans meer tijd.

Conclusie fiscaal jurist bij second opinion

Ondanks dat het fiscale procesrecht tamelijk informeel is, zijn er toch de nodige haken en ogen. Laat u dus altijd bijstaan door een specialist.

En voor het intrekken van eenmaal ingenomen standpunten: niet doen ...... nooit!

Bron

Hoge Raad 4 oktober 2013.

Procederen tegen de belastingdienst [news] 2013-11-14 0000-00-00 0000-00-00 4152

Rechten Belastingdienst boekenonderzoek

Door een uitspraak van de rechter worden de rechten van de Belastingdienst bij een boekenonderzoek wellicht beperkt. In dit artikel een nadere toelichting. In dit artikel behandelen wij de procedure bij de Rechtbank (gunstig voor belastingplichtige) en het Gerechtshof (gunstig voor de Belastingdienst) inzake informatie van een parkeer-app. Zoals uit onderstaande uitspraak volgt, heeft de Belastingdienst verregaande bevoegdheden om informatie op te vragen.

Rechten belastingdienst bij boekenonderzoek

Het boekenonderzoek is een controle van uw aangiften en administratie. Het kan gaan om een onderzoek over een periode of om controle van bepaalde onderdelen van uw aangiften en administratie. Een boekenonderzoek wordt altijd van tevoren aangekondigd, aldus de internetsite van de Belastingdienst. Omdat wij de komende jaren meer boekenonderzoeken verwachten (waaronder deelonderzoeken over de werkkostenregeling, subsidies, afdrachtverminderingen (zoals WVA) en loonheffingen), maken wij hier inzichtelijk wat u mogelijk staat te wachten.

De bevoegheden van de Belastingdienst bij een onderzoek gaan redelijk ver. Het is echter wel van belang dat de Belastingdienst zich aan spelregels heeft gehouden.

Rechtbank uitspraak omtrent verstrekken informatie aan Belastingdienst

De Rechtbank Oost-Brabant in Den Bosch heeft een redelijk opmerkelijke uitspraak gedaan. Het bedrijf SMS Parking hoeft geen parkeergegevens van klanten aan de Belastingdienst te verstrekken. De Belastingdienst wilde deze informatie ontvangen om te kunnen kijken waar een automobilist zijn auto heeft geparkeerd (reden waarschijnlijk: controleren kilometeradministratie). Volgens de rechter vormt dit een te grote inbreuk op de privacy van de burger.

De rechter is vlot en helder. De Belastingdienst schendt de privacy van burgers door klakkeloos extreem grote hoeveelheden op te eisen om te kijken of er toevallig ook bruikbare informatie tussen zou kunnen zitten. In dit kader ging het om ruim 2 miljoen parkeertransacties welke in 2012 zijn verwerkt. De Belastingdienst wilde op basis van deze kentekengegevens kijken of belastingplichtigen wellicht het privégebruik met de auto van de zaak hebben verzwegen. De informatie van SMS Parking wordt dan dus vergeleken met de kilometeradministratie van de belastingplichtige.

Deze uitspraak is volgens ons de eerste heldere uitspraak over een zogenaamde phishing expedition. Het verzoek van de Belastingdienst is zo omvangrijk, dat dit niet valt te combineren met een regulier boekenonderzoek en / of verzoek bij derden om informatie te verstrekken. In 1974 deed de Hoge Raad een uitspraak in cassatie waarbij is aangegeven dat de Belastingdienst vrijwel alles mag vragen, deze tijd is echter anders dan de situatie in 2013. We hebben nu privacywetgeving en Europees recht.

De Belastingdienst moet bij het opvragen van informatie rekening houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een onderdeel hiervan is het beginsel van proportionaliteit. De grens welke hierbij kan gelden heeft de rechter nog niet strak omschreven, maar dit zal de Hoge Raad waarschijnlijk wel gaan doen in 2014. De Belastingdienst heeft al aangekondigd om in hoger beroep te gaan, gezien het belang is dit logisch.

Gerechtshof inzake rechten belastingplichtige

De Belastingdienst is in hoger beroep gegaan inzake hiervoor genoemde uitspraak. Het bedrijf SMS Parking wordt door het Gerechtshof in het ongelijk gesteld en moet de informatie aan de Belastingdienst verstrekken. De belangrijkste reden is dat de kentekeninformatie niet direct naar een persoon herleidt.

Rechten Belastingdienst bij informatieverzoek

De rechten van de Belastingdienst op grond van de wet (met name artikel 47 en 53 AWR) zijn ruim geformuleerd. Meestal zal een informatieverzoek ook onder een dergelijke bepaling ressorteren. Vaak zal de informatie ook voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. Als u veel informatie heeft verzameld, zit er altijd wel iets bij waar u iets mee kunt, is dan de stelling. Het kan echter wel zo zijn dat de Belastingdienst door het verzoek het subsidiariteitsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel schendt. In dit kader kan worden verwezen naar artikel 8 EVRM (recht op bescherming voor zijn privéleven) en de relevante privacywetgeving.

Bij het opvragen van informatie behoeft het niet vooraf vast te staan dat deze informatie relevant is (Hoge Raad, 22 september 2006). Het gaat immers om inlichtingen, boeken en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing ten aanzien van een belastingplichtige / derde.

Het kan echter wel zijn dat sprake is van zekere mate van overkill (proportioneel) of dat sprake is van een strijdigheid met een ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur of Europese Wetgeving. Dit komt thans eindelijk eens aan de orde. Iedereen moet gewoon zijn of haar auto kunnen parkeren zonder dat de overheid deze informatie zomaar krijgt.

De Belastingdienst vraagt een grote bak informatie op en kijkt vervolgens of er nog "hits" zijn. Als dit zonder beperking ongeclausuleerd mogelijk zou zijn, worden de rechten van de Belastingdienst wel erg ver opgerekt. De Belastingdienst kan dit redelijk eenvoudig oplossen door informatie gericht op te vragen met een bepaald doel (Rechtbank Amsterdam d.d. 8 november 2011), dus niet vissen in open zee maar op een gerichte en goede visplek !

In de onderhavige casus mocht de Belastingdienst ook nog ruim € 1.300 aan kosten voor de parkeerorganisatie vergoeden. We wachten het Hoge Beroep maar eens af !

Gevolgen voor de parkeerpraktijk

Een aantal organisaties heeft hun informatie al aan de Belastingdienst verstrekt, door de uitspraak in Hoger Beroep zal de Belastingdienst bij alle organisaties die informatie van auto's vastleggen informatie gaan opvragen. Dergelijke organisaties zullen de informatie korter gaan bewaren, dit om toekomstige problemen te voorkomen.

Update 29 april 2015: parkeergegevens blijven voortaan geheim

De algemeen directeur van de Belastingdienst, de heer Blokpoel, is tot het inzicht gekomen dat het gebruik van parkeergegevens te ver gaat wat betreft de privacy van belastingplichtigen. Ook al mag het volgens de rechter dus wel, de Belastingdienst zal parkeergegevens niet langer opvragen voor het controleren van rittenadministraties. Reeds verzamelde informatie is intussen door de Belastingdienst vernietigd.

Bron informatie boekenonderzoek

Toelichting Rechtbank Oost-Brabant (Den Bosch) d.d. 26 november 2013.

Uitspraak Rechtbank Oost-Brabant d.d. 26 november 2013.

Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 19 augustus 2014.

[news] 2013-11-27 0000-00-00 0000-00-00 4155

Meer boekenonderzoeken fiscus

De Belastingdienst zal in 2021 en daarna meer boekenonderzoeken uitvoeren. De corona maatregelen worden minder en vanaf juni 2021 worden de onderzoeken weer actief opgestart. De meeste boekenonderzoeken hebben betrekking op:

  • loonbelasting / werkkostenregeling;
  • privé opnamen eigenaar;
  • rekening-courant aandeelhouder met B.V.;
  • auto van de zaak (bijtelling);
  • buitenlandse bankrekeningen.

Belangrijkste advies "laat u tijdig adviseren door een deskundige".

Boekenonderzoeken Belastingdienst

Het aantal boekenonderzoeken van de Belastingdienst is in 2019 met ongeveer 20% toegenomen, dit blijkt uit de rapportage van de Belastingdienst. In 2020 waren de onderzoeken beperkt, door coronaperikelen. Ook in onze praktijk zien we een substantiële stijging van het aantal onderzoeken. Er is structureel ruim € 150 miljoen vrijgemaakt en in 2021 worden er ruim 1.000 mensen vrijgemaakt om dit verder te intensiveren.

Verplichtingen t.b.v. controle / boekenonderzoek

Ten behoeve van de controle gelden bij de administratie onder meer de volgende verplichtingen:

  • Bewaarplicht administratie (7 jaar, statuten etc. onbeperkt). Ook de onderliggende stukken dienen te worden bewaard, zelfs nadat de gegevens zijn verwerkt. Het is eventueel wel toegestaan die stukken te vervangen door een toegestane vastlegging. Bijvoorbeeld het in (beveiligd) pdf scannen van kladbriefjes.
  • Meewerkplicht. De administratie moet voor de Belastingdienst worden ontsloten en inzichtelijk gemaakt. Daaronder valt, binnen redelijke grenzen, het leesbaar maken van data voor de geautomatiseerde systemen van de Belastingdienst en het inzichtelijk maken van het systeem zelf.
  • Bij overgang op een nieuw (automatiserings)systeem moet worden geregeld dat oude gegevens beschikbaar blijven c.q. makkelijk beschikbaar kunnen worden gemaakt.
  • Ook de onderliggende stukken moeten worden verstrekt.

De administratie moet zodanig zijn ingericht, dat controle binnen redelijke termijn mogelijk is. Wat een redelijke termijn is, verschilt per onderneming en hangt onder meer af van de aard en omvang van die onderneming. Het is niet de Belastingdienst die uitmaakt wat een redelijke termijn is. Het is ook haar beleid met de redelijke belangen van de onderneming rekening te houden.

Als de zaak onder de rechter is, mag geen boekenonderzoek in die zaak meer worden verricht. De rechter kan echter wel vragen stellen of onderzoek laten verrichten. Het is dus belangrijk nauwkeurig vast te stellen waartoe het onderzoek dient. Verleen nooit medewerking of toestemming zonder eerst uw adviseur te raadplegen.

Als de controleur tijdens een boekenonderzoek bepaalde gegevens opvraagt (op grond van artikel 47 AWR) waarvan u vindt dat deze niet relevant zijn voor het lopende boekenonderzoek, kan de Belastingdienst twee dingen doen. Accepteren dat de betreffende gegevens niet relevant zijn ofwel het afgeven van een informatiebeschikking.

Begeleiding boekenonderzoek

Als u wordt lastig gevallen met een boekenonderzoek, is het verstandig om u in een vroegtijdig stadium (dus voor het eerste gesprek) te laten adviseren door een fiscaal jurist, hij kan u helpen bij de voorbereiding en tevens mogelijke "fouten" herstellen. Tevens kan hij u aangeven wat u wel en vooral niet moet doen. Bel of mail gerust met één van onze collega's.

[news] 2013-12-17 0000-00-00 0000-00-00 4171

Gevangenisstraf bij niet of te laat belasting betalen

Een ondernemer die opzettelijk niet tijdig de BTW zou betalen is strafbaar, sinds 2014 is dit nieuwe wetgeving.  Dit wil zeggen dat, als u tijdig uw aangifte omzetbelasting of loonheffing indient en het verschuldigde bedrag opzettelijk niet (of gedeeltelijk niet) betaalt (of te laat betaalt), u een geldboete, taakstraf kunt krijgen en ook een gevangenisstraf. De eerste procedures hierover zien wij sinds 2016.

Regelmatig adviseren wij bedrijven, ondernemers en DGA's over dit onderwerp, soms in samenspraak met een advocaat. Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen.

Oude wetgeving (tot 2014)

Het opzettelijk niet, onjuist of onvolledig doen van aangifte (of niet op tijd doen van aangifte) was een strafbaar feit. De straf voor het niet doen van aangifte was maximaal 4 jaar gevangenisstraf en / of een forse geldboete (maximaal belastingbedrag). Het onjuist of onvolledig indienen van een aangifte wordt de ondernemer (of particulieren) zwaarder aangerekend, gevangenisstraf maximaal 6 jaar (en / of geldboete vijfde categorie met maximum van het belastingbedrag). Er stond geen gevangenisstraf op latere betalingen.

De nieuwe wetgeving (sinds 2014)

Het kabinet vindt fraude ontoelaatbaar. Fraude vindt plaats door bijvoorbeeld belastingen te ontduiken, denk hierbij aan een BTW-carrousel of het frauderen met toeslagen. Sinds 2014 zijn er nieuwe maatregelen en wetten om de fraude in Nederland beter aan te pakken. Deze nieuwe wetgeving slaat volledig door en kan voor u verregaande gevolgen hebben.

Opmerkelijk is dat er sinds 2014 een gevangenisstraf staat op het opzettelijk te laat betalen van aangiftebelastingen. De gevangenisstraf is maximaal 4 jaar. Daarnaast kan het ook nog zo zijn dat de rechter u enkele jaren uit uw beroep zet.

Nihil-aangifte gevaarlijk

Als een nihil-aangifte wordt ingediend en deze later alsnog wordt gecorrigeerd, dan is er sprake van een (alsnog) juist ingediende aangifte, edoch wel van een te late betaling. Hiermee is sprake van een strafbaar feit of misdrijf.

BTW te laat betalen (bewust of onbewust?)

Elke ondernemer moet op tijd aangifte doen en tevens tijdig het aangegeven bedrag betalen. Sinds 2014 is dit nog meer van belang. Het bewust niet of deels te laat betalen is sinds 2014 strafbaar en kan ervoor zorgen dat de ondernemer in de gevangenis terechtkomt. Tot 2013 was dit ook al zo, echter dit was enkel strafbaar bij het niet, onjuist of onvolledig doen van aangifte. Deed u daarna alsnog juist aangifte, dan was er niks aan de hand. Het niet of te laat betalen van de BTW was niet strafbaar. Sinds 2014 is de wetgeving dus uitgebreider en strakker. Het simpelweg niet tijdig betalen van de BTW-aangifte is strafbaar. Gevolg: een gevangenisstraf of geldboete.

Gevolgen nieuwe wetgeving (gevangenisstraf of geldboete)

Het indienen van een nihil-aangifte en deze nadien corrigeren kan dus grote gevolgen hebben. Ook het te laat betalen van de ingediende BTW-aangifte kan tot gevolg hebben dat de ondernemer wordt opgesloten.

Betalingsproblemen

Als een ondernemer om uitstel van betaling vraagt, is er geen sprake van een strafbaar feit.

Gevangenisstraf bij niet betalen BTW [news] 2014-01-28 0000-00-00 0000-00-00 4199

Meer boekenonderzoeken Belastingdienst

Meer boekenonderzoeken vanaf 2021

De Belastingdienst zal in de komende jaren (2021 en daarna) meer boekenonderzoeken uitvoeren. De Belastingdienst heeft hiervoor nieuwe werknemers in dienstbetrekking genomen. De belangrijkste onderzoeken hebben betrekking op:

  • loonbelasting;
  • werkkostenregeling;
  • suppletie omzetbelasting;
  • rekening-courant DGA;
  • privé-opnamen en privé- / zakelijke kosten;
  • bijtelling auto van de zaak;
  • buitenlandse bankrekeningen;
  • BTW-perikelen (vrijstelling of niet).

Waarom boekenonderzoek Belastingdienst?

Vroeger was de stelregel dat u eens per 5 jaar een boekenonderzoek zou krijgen. Veel ondernemers weten dat dit niet is gelukt, het overgrote deel van ons klantenbestand heeft de laatste 10 jaar geen bezoek van de Belastingdienst gehad. Vroeger werden bedrijven willekeurig uitgekozen. Tegenwoordig is dit niet (meer) zo, de Belastingdienst stelt een onderzoek om de volgende redenen:

  • een tip of melding via de kliklijn (van derde, werknemer, bank, etc.);
  • een artikel in de krant
  • een branche (gerichte onderzoeken binnen een sector / branche);
  • een speciaal onderwerp (zoals de WVA, auto van de zaak, buitenlandse bankrekening, etc.);
  • digitale (aangifte-)informatie (zoals de rekening-courantschuld van de DGA, sterk wisselende winsten, etc.).

Rechten en plichten bij een boekenonderzoek van de Belastingdienst

Veel ondernemers zijn niet op de hoogte van hun rechten en plichten tijdens een boekenonderzoek. Simpelweg komt het erop neer dat de Belastingdienst vrij veel rechten heeft. Dit moet ook, maar niet onbeperkt. Voor een controle gelden een paar beperkingen:

  • informatie waarom wordt gevraagd moet fiscaal relevant zijn;
  • de controleur moet zich netjes gedragen;
  • de controleur moet de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen;
  • fiscale adviezen, medische informatie en privézaken hoeft u niet te verstrekken.

Aandachtspunten voor een boekenonderzoek

Het belangrijkste bij een (aankondiging tot) boekenonderzoek is dat u dit onderzoek serieus neemt. Laat u voor en tijdens het boekenonderzoek adviseren en bijstaan door een specialist. Ik adviseer maandelijks ondernemers bij een boekenonderzoek en ik merk dat het verstandig is dat de ondernemer zelf de regie neemt en met zijn fiscaal jurist zorgt voor een redelijk kader voor een boekenonderzoek.

[news] 2014-02-24 0000-00-00 0000-00-00 4224

Faillissement B.V. en belastingen

De laatste tijd adviseren wij regelmatig DGA's waarvan een B.V. of de gehele structuur dreigt "om te vallen". Een faillissement van een B.V. vraagt aandacht, tijdig voorsorteren en deskundige begeleiding. De fiscale gevolgen worden vaak niet voldoende in de gaten gehouden. 

Regelmatig adviseren wij DGA's en bedrijven  over nieuwe mogelijkheden en structuren en bij mogelijkheden om een faillissement te voorkomen en / of de schade voor de bestuurder en / of het bedrijf te beperken. Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

Een faillissement van de B.V.

Een DGA heeft een holdingstructuur en de werkmaatschappij gaat failliet. De schulden kunnen niet meer worden betaald en een schuldeiser vraag het faillissement van de werkmaatschappij aan bij de Rechtbank. Soms vraagt de DGA zelf het faillissement aan, voor de gevolgen maakt dit niet uit. Eventueel kan de DGA een doorstart overwegen, edoch dit is altijd onzeker (curator en rechter-commissaris moeten hier immers mee instemmen).

Bij een faillissement van een B.V. gaat de DGA (in privé) niet failliet. In een aantal situaties loopt de DGA echter wel een risico. De belangrijkste risico's zijn:

  1. Aansprakelijkheidsstelling door de curator (of schuldeisers) (bijvoorbeeld door niet voldaan aan stortingsplicht of onbehoorlijk bestuur).
  2. Aansprakelijkheid voor belastingschulden.
  3. Rekening-courantvorderingen van de werkmaatschappij / holding op de DGA.
  4. Borgstelling bij de bancaire instelling.

Als de werkmaatschappij failliet gaat, zal de Rechtbank een curator in de buurt aanwijzen. Deze curator zal zich meestal nog dezelfde dag melden bij de DGA. De DGA krijgt een lijst met vragen en moet deze binnen een paar dagen beantwoorden. De curator zit er primair voor de schuldeisers. Zorg ervoor dat u de administratie (voor het faillissement) op orde heeft.

Aansprakelijkheid DGA bij faillissement

Een DGA / bestuurder kan aansprakelijk worden gesteld door de curator. Er moet dan sprake zijn van een (kennelijk) gebrekkige of onbehoorlijke taakvervulling. Voorbeelden hiervan zijn:

  1. Administratie is niet op orde.
  2. Verwijtbaar gedrag bij de bestuurder (slecht ondernemen / beslissingen nemen).
  3. Betalingsonmacht is niet tijdig gemeld bij de Belastingdienst.
  4. Er zijn - in het zicht van het faillissement - transacties verricht die schuldeisers hebben benadeeld (pauliana).
  5. De publicatiestukken zijn te laat ingediend bij het handelsregister.

Faillissement en vennootschapsbelasting

  • Liquidatieverlies: Bij de liquidatie van een deelneming (minimaal 5% belang) kunt u een liquidatieverlies nemen in de holding. Als de liquidatie-uitkering lager is dan hetgeen u voor de deelneming heeft opgeofferd (betaald), dan is dit verlies aftrekbaar in de holding (als liquidatieverlies). Het verlies is aftrekbaar als de vereffening van de liquidatie is voltooid. Als een faillissementsafwikkeling lang duurt, dan kan ook pas later het liquidatieverlies worden genomen. Het feit dat de curator zou stellen dat alle betrokken schuldeisers niets zullen ontvangen bij liquidatie maakt dit niet anders, derhalve eerst vereffenen en dan liquidatieverlies nemen.
  • Fiscale eenheid vennootschapbelasting: Als de holding en de werkmaatschappij zijn ondergebracht in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (holding heeft minimaal 95% van de aandelen in de werkmaatschappij en er is een verzoek tot fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting ingediend bij de Belastingdienst, waarbij er een beschikking is afgegeven), kan er een probleem ontstaan. Voor de Belastingdienst is er sprake van één belastingplichtige. Voordeel van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting is dat er 1 aangifte vennootschapsbelasting wordt ingediend en dat onderlinge resultaten (holding en werkmaatschappij) met elkaar mogen worden verrekend. Als de werkmaatschappij failliet gaat (en uiteindelijk wordt ontbonden), kan er fiscale winst ontstaan omdat bepaalde schulden niet hoeven te worden betaald resp. kunnen worden betaald (of worden kwijtgescholden). De bate / winst wordt belast bij de holding. Een ontvoeging in het zicht van liquidatie of een faillissement zal in de praktijk zelden werken (anti-misbruikbepaling in de Wet op de Vennootschapsbelasting).

Faillissement en omzetbelasting

Veel structuren met een holding en werkmaatschappij vormen een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Hiervan is sprake als de holding en de werkmaatschappij een financiële, organisatorische en economische eenheid vormen. Voordeel is dat over onderlinge diensten (zoals management fee) geen omzetbelasting (hierna BTW) in rekening hoeft te worden gebracht. Tevens doen beide B.V.'s maar 1 keer aangifte voor de omzetbelasting. Eenvoud is derhalve het grootste voordeel.

Het belangrijkste nadeel is dat de B.V.'s die zijn opgenomen in de fiscale eenheid voor de omzetbelasting ook onderling aansprakelijk zijn voor BTW-schulden. Als een B.V. binnen de fiscale eenheid failliet gaat, ontstaat er vaak een BTW-claim. Bij een faillissement van de werkmaatschappij wordt de fiscale eenheid tussen de holding en de werkmaatschappij verbroken. De holding blijft echter wel aansprakelijk voor BTW schulden (naheffingen, rente en boetes) van de werkmaatschappij. Dit geldt enkel voor BTW-schulden die betrekking hebben op de periode voorafgaande aan het faillissement. De curator is na het faillissement verantwoordelijk voor het indienen van de aangiften (en het afdragen van de BTW).

Het grootste risico is dat u voorafgaande aan het faillissement BTW heeft teruggevraagd maar de facturen niet heeft betaald. De BTW is dan ten onrechte teruggevraagd. 

Werknemer en faillissement

Een werknemer leent geld aan zijn werkgever omdat de bank weigert geld aan de B.V. te lenen. De B.V. gaat vervolgens failliet en de werknemer is zijn geld kwijt. De werknemer wil de lening (niet ontvangen bedrag) in zijn aangifte Inkomstenbelasting aftrekken (als negatief loon). Volgens de Hoge Raad d.d. 10 januari 2014 is een dergelijk verlies voor de werknemer niet aftrekbaar. Voor de liefhebber, het Gerechtshof in Arnhem heeft op 28 augustus 2012 anders beslist, maar deze uitspraak is dus ingehaald door de genoemde uitspraak in cassatie van de Hoge Raad.

Bodembeslag / bodemvoorrecht Belastingdienst en faillissement

De Belastingdienst heeft een supervoorrecht bij faillissementen. Op grond van artikel 21 invorderingswet heeft de Belastingdienst een voorrecht op alle goederen van de belastingplichtige. De Belastingdienst zou zichzelf hiermee bij voorrang op het gehele vermogen van de belastingplichtige kunnen richten. In de praktijk gaan zekerheidsrechten (hypotheek en pandrecht) voor dergelijke rechten, maar artikel 21 (lid 2) invorderingswet maakt hierop een belangrijke uitzondering. Voor omzetbelasting en loonbelasting gaat het recht van de Belastingdienst boven het zogenaamde stil pandrecht (op roerende zaken die op de bodem van belastingplichtige staan). Op zaken die zich op de bodem van belastingplichtige bevinden heeft de Belastingdienst dus vaak een sterker / beter recht dan de bancaire instelling (met pandrecht) / schuldeisers. Ook schuldeisers die onder eigendomsvoorbehoud hebben geleverd staan door het recht van de Belastingdienst aan de zijlijn te kijken.

In een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 11 april 2014 ging het voor de schuldeiser de goede kant op. B.V. X is eigenaar van een bedrijfspand en de inventaris. B.V. Y huurt het bedrijfspand en de inventaris van B.V. X. B.V. Y gaat failliet. De curator heeft de onderneming van B.V. Y voortgezet en de Belastingdienst legt bodembeslag op onder meer de inventaris. Volgens B.V. X is er geen sprake van "bodemzaken" en moet het bodembeslag worden opgeheven. De Hoge Raad is het met B.V. X eens, de Belastingdienst had geen bodembeslag mogen leggen. Een belangrijke reden was dat B.V. Y haar administratie op het perceel (bij B.V. X) had liggen. Deze procedure is gevoerd onder oude wetgeving !

Faillissement belastingen en aansprakelijkheid [news] 2014-04-22 0000-00-00 0000-00-00 4279

Betalingsproblemen en belastingaanslagen

Een bedrijf zit in zwaar weer. Wie moet je als eerste betalen, de werknemers, de leveranciers, de verhuurder of de Belastingdienst? Als de winsten / resultaten binnen een onderneming onder druk staan, moet de directie / het bestuur lastige keuzes maken. Wie moet er als eerste en als laatste worden betaald?

Als de Belastingdienst niet tijdig wordt betaald, loopt de bestuurder het risico dat hij wordt aangesproken in privé (als bestuurder). De bestuurder kan dit voorkomen door betalingsonmacht (tijdig) te melden. Maar wat gebeurt er als er na melding van de betalingsonmacht eerst andere schuldeisers worden betaald?

Een heldere uitspraak over dit onderwerp leest u hieronder, conclusie: mits u maar tijdig melding maakt van uw betalingsproblemen heeft u niet direct een probleem als u daarna andere crediteuren zou betalen (dus niet direct bestuurdersaansprakelijkheid i.v.m. onbehoorlijk bestuur).

Hoofdelijke aansprakelijkheid bestuurder

Een bestuurder is op grond van artikel 36 van de Invorderingswet hoofdelijk aansprakelijk voor niet betaalde loonbelasting en omzetbelasting (en enkele overige belastingen). Als de B.V. / N.V. (het lichaam) de belastingen niet kan betalen, dan moet hiervan onverwijld nadat is gebleken dat niet kan worden betaald een mededeling worden gedaan aan de Belastingdienst. Hiermee is de bestuurdersaansprakelijkheid redelijk afgedekt, tenzij (lid 3) sprake is van onbehoorlijk bestuur tijdens de 3 laatste jaren.

Procedure over aansprakelijkheid en melding betalingsonmacht

In een hoger beroepsprocedure bij het Gerechtshof in Den Haag (d.d. 18 maart 2014, eerste aanleg Rechtbank Den Haag d.d. 12 maart 2013) kwam een bestuurdersaansprakelijkheid aan de orde. Wat is er aan de hand?

  • De heer X is sinds 2000 bestuurder van de B.V.
  • In 2010 en 2011 wordt ook de heer Y bestuurder van de B.V.
  • De B.V. kan in 2010 niet alle belastingen tijdig betalen.
  • In 2012 worden beide bestuurders privé aansprakelijk gesteld (op grond van artikel 36 Invorderingswet).
  • Een B.V. kan haar loonheffingen en omzetbelasting niet tijdig betalen.
  • De bestuurders melden tijdig betalingsonmacht bij de Belastingdienst.
  • De Belastingdienst stelt dat niet alle meldingen tijdig zijn ingediend.
  • De ontvanger van de Belastingdienst stelt een bestuurder en medebestuurder aansprakelijk voor niet betaalde loonheffingen en omzetbelasting (van de B.V.).
  • De ontvanger moet aannemelijk maken dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur.
  • Het Gerechtshof is van mening dat de ontvanger / Belastingdienst hierin niet is geslaagd.
  • De bestuurders zijn niet hoofdelijk aansprakelijk.

De overwegingen van het Gerechtshof zijn goed om te lezen

Er is geen sprake van onbehoorlijk bestuur omdat:

  1. De taakvervulling van de bestuurder moet echt slecht zijn (onverantwoord, roekeloos, onbezonnen, onnadenkend, etc.). Dit is niet bewezen resp. hiervan was geen sprake.
  2. De B.V. heeft nettolonen en enkele andere schuldeisers betaald, dit is niet onbehoorlijk.
  3. Een B.V. moet bij liquiditeitsproblemen rekening houden met de Belastingdienst, maar ook met werknemers en derden (die bij de onderneming betrokken zijn).
  4. Volgens het Hof zal een redelijk handelend bestuurder, zolang hij redelijkerwijs kan en mag menen dat de perspectieven voor de onderneming rooskleurig zijn, beslissingen nemen en maatregelen treffen die erop gericht zijn de continuïteit van de onderneming zolang mogelijk te waarborgen. Hierdoor kan een ondernemer ervoor kiezen om ook anderen dan de Belastingdienst te betalen (mits hij mag verwachten dat hij op termijn ook de Belastingdienst kan betalen).

Noot fiscaal jurist

Een heldere uitspraak van het Gerechtshof. De afwegingen worden volledig en zorgvuldig gemaakt. Het Gerechtshof heeft ook met een schuin oog gekeken naar een arrest van de Hoge Raad (8 december 2006 rolnummer C05/256HR en Hoge Raad 18 februari 2000 rolnummer C98/208). In dit geval hebben we te maken met redelijk denkende bestuurders die hun taken behoorlijk hebben vervuld. Er valt geen persoonlijk verwijt te maken. Het woordje "kennelijk" bij "kennelijk onbehoorlijk bestuur" wil zeggen dat er geen twijfel mag bestaan over het (doordachte) karakter van het bestuur. Er zijn immers gedragingen die als fouten, onjuiste beslissingen, weinig doordachte handelingen kunnen worden gekarakteriseerd, maar die niet als zodanig onbehoorlijk bestuur moeten worden aangemerkt, dat dit persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders met zich mee moet brengen. De rechter stelt hierover onder meer het volgende:

  • Bij de beantwoording van de vraag of de aan belanghebbende verweten handelingen als kennelijk onbehoorlijk bestuur kunnen worden aangemerkt, dienen alle ter zake dienende feiten en omstandigheden van de onderhavige zaak in totaliteit en in onderling verband en samenhang in de beoordeling te worden betrokken. Dat betekent ook dat bij de vaststelling van het vereiste causale verband tussen het gedrag van de bestuurder en het onbetaald blijven van belastingschulden onderzocht dient te worden of de belastingschulden waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld, onbetaald zijn gebleven als gevolg van het kennelijk onbehoorlijk bestuur, zoals dit op grond van het geheel van de, mede in onderling verband en samenhang te beschouwen, aan belanghebbende verweten gedragingen aannemelijk is te achten.
  • In een situatie van liquiditeitskrapte dient een redelijk handelend bestuurder rekening te houden met de belangen van alle bij de onderneming betrokken derden, zoals werknemers, schuldeisers - waaronder de ontvanger, clientèle en anderen. Een redelijk handelend bestuurder zal, zolang hij redelijkerwijs kan en mag menen dat de perspectieven voor de onderneming rooskleurig zijn, beslissingen nemen en maatregelen treffen die erop gericht zijn de continuïteit van de onderneming zolang mogelijk te waarborgen. In dat kader kan een redelijk handelend ondernemer ervoor kiezen schuldeisers later te betalen dan hem strikt genomen is toegestaan, mits hij de gerechtvaardigde verwachting koestert en mag koesteren dat in de nabije toekomst de ontstane betalingsachterstanden zullen worden ingelopen.

Bron betalingsproblemen en Belastingdienst

Gerechtshof Den Haag d.d. 18 maart 2014.

Rechtbank Den Haag (eerste aanleg) d.d. 12 maart 2014.

Hoge Raad d.d. 24 februari 2012.

Betalingsproblemen en belastingdienst [news] 2014-06-26 0000-00-00 0000-00-00 4329

De informatiebeschikking en de Belastingdienst

De informatiebeschikking is sinds juli 2011 in de wet opgenomen. Het middel houdt verband met een aantal van de verplichtingen die u als belastingplichtige of administratieplichtige op grond van de wet heeft, zoals de inlichtingenverplichting en de administratie- en bewaarverplichting. Wij gaan in dit uitgebreide artikel in op:

  • Het waarom van de informatiebeschikking;
  • De werking van de informatiebeschikking;
  • De gevolgen van de informatiebeschikking;
  • Aanvullende spelregels bij de informatiebeschikking;
  • De informatiebeschikking en behoorlijk bestuur;
  • De informatiebeschikking en onze advisering.

De informatiebeschikking: waarom?

Zonder juridisch en historisch alle details te beschrijven, is de informatiebeschikking om de volgende reden ingevoerd. Belastingplichtigen en administratieplichtigen hebben op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verplichtingen. Die verplichtingen dienen ertoe de Belastingdienst van al die informatie te voorzien die hij nodig heeft om een juiste belastingaanslag op te kunnen leggen. De Belastingdienst kan u bijvoorbeeld vragen stellen en verzoeken inzage te verlenen in de administratie. Dit kan voor belastingplichtigen uiteraard een ferme inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zijn. Daarom dient de Belastingdienst alleen die informatie op te vragen die voor de heffing van de belasting relevant kan zijn en is hij onder meer gebonden aan de regel dat een informatieverzoek proportioneel moet zijn.

Het komt voor dat de belastingplichtige het niet eens is met het verzoek van de Belastingdienst. Het komt regelmatig voor dat de Belastingdienst bijzonder veel informatie opvraagt en vaak kan betwist worden of die informatie nu echt relevant is en een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer rechtvaardigt. In de periode voordat de informatiebeschikking bestond gebeurde dan het volgende.

De Belastingdienst stelt enorm veel vragen en wil alles in bezit hebben. De belastingplichtige is het hiermee oneens. Hij kan ervoor kiezen niet mee te werken. De Belastingdienst zal dan een aanslag opleggen en (bijvoorbeeld) het inkomen schatten. De belastingplichtige zal dan in bezwaar en beroep gaan tegen die aanslag. En dan komt het probleem opzetten. De rechter zal eerst onderzoeken of het verzoek van de Belastingdienst rechtmatig was. Indien dat het geval is, dan is de belastingplichtige het bokje. Er vindt dan direct omkering en verzwaring van de bewijslast plaats. De belastingplichtige mag dan niet volstaan met het aannemelijk maken van zijn standpunten, maar moet deze overtuigend aantonen. In de literatuur is dit wel beschreven als een ondoenlijke bewijslast. Daar komt nog bij dat de constatering dat onvoldoende is meegewerkt kan leiden tot strafrechtelijke vervolging. Gezien de mogelijke vergaande gevolgen van niet-medewerking, kozen veel belastingplichtigen en administratieplichtigen voor de makkelijkste weg: toch maar gewoon meewerken, ondanks dat men de rechtmatigheid van de verzoeken van de Belastingdienst betwijfelt.

Bovenstaande is aanleiding geweest voor twee Kamerleden om een initiatiefwetsvoorstel in te dienen. Dat voorstel zou uiteindelijk leiden tot de informatiebeschikking. De informatiebeschikking is bedoeld om precies dat gebrek in de rechtsbescherming te herstellen, dat hiervoor werd weergegeven.

De informatiebeschikking: hoe werkt het en wat moet de Belastingdienst doen?

De informatiebeschikking laat zich het meest eenvoudig uitleggen als we het voorbeeld van de vorige paragraaf er weer bijnemen. Het gaat dan om de belastingplichtige of de administratieplichtige die verzoeken krijgt van de Belastingdienst waar hij het mee oneens is.

De Belastingdienst ziet zich dan wederom geconfronteerd met een belastingplichtige die niet wil meewerken. Het is nu echter niet meer zo dat de Belastingdienst een aanslag oplegt en zich dan kan beroepen op de omkering en verzwaring van de bewijslast. Indien de Belastingdienst dit wil bereiken en daarmee de belastingplichtige in een moeilijkere bewijspositie wil brengen, dan moet hij de onvoldoende medewerking vastleggen in een beschikking: de informatiebeschikking. Doet de Belastingdienst dat niet, dan zal in de procedure over de aanslag de belastingplichtige niet worden geconfronteerd met een verzwaarde bewijslast, tenzij sprake is van het niet hebben gedaan van de vereiste aangifte. Daarop gaan wij in een ander artikel nader in. Het gaat hier uitsluitend om de informatiebeschikking.

De Belastingdienst legt de onvoldoende medewerking vast in de informatiebeschikking. Hierbij gelden een aantal formele regels, die in de praktijk niet altijd volledig worden nageleefd. De belastingplichtige ontvangt deze informatiebeschikking. De informatiebeschikking is in feite een weergave van de verplichtingen waarvan de Belastingdienst meent dat de belastingplichtige ze onvoldoende is nagekomen. Tegen deze beschikking kan de belastingplichtige in bezwaar en beroep gaan. Hij kan de verzoeken van de Belastingdienst dan laten toetsen, voordat hij in de aanslagprocedure wordt geconfronteerd met een verzwaarde bewijspositie. Maar hoe leidt dit uiteindelijk nu tot werkelijke verbetering van de rechtsbescherming?

Dat komt door de zogenaamde hersteltermijn. Indien de rechter tot het oordeel komt dat het verzoek van de Belastingdienst rechtmatig was en de belastingplichtige dus ten onrechte niet heeft meegewerkt, dan vindt niet direct toepassing van de zwaardere bewijslast plaats. De rechter zal de belastingplichtige dan eerst een hersteltermijn bieden om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. Die hersteltermijn blijft alleen achterwege indien een hersteltermijn niet opportuun is of als de belastingplichtige kennelijk misbruik heeft gemaakt van zijn procesrecht. Dit laatste komt in de praktijk zelden voor. De hersteltermijn leidt er dus toe dat, in tegenstelling tot onder het oude systeem, de belastingplichtige verzoeken van de Belastingdienst kan laten toetsen, zonder direct al omkering en verzwaring van de bewijslast als een zwaard van Damocles boven zich te hebben hangen.

De informatiebeschikking: gevolgen in de praktijk

Op het moment dat de informatiebeschikking door de Belastingdienst wordt afgegeven, gebeuren er een aantal dingen. Het belangrijkste is dat de termijnen voor het opleggen van de aanslagen waar het om gaat worden opgeschort. Die opschorting is gelijk aan de duur van de informatiebeschikkingsprocedure. Indien het daadwerkelijk komt tot bezwaar, beroep, hoger beroep en cassatieberoep, kan dit vele jaren duren.

Tijdens de informatiebeschikkingsprocedure mag de Belastingdienst niet alsnog de aanslagen opleggen. Gebeurt dit wel, dan vervalt de informatiebeschikking. De Belastingdienst mag weer handelen zodra de informatiebeschikking onherroepelijk is geworden of is vernietigd. Een vernietiging spreekt voor zich. Het onherroepelijk worden van de informatiebeschikking doet zich voor indien de rechtsmiddelen zijn uitgeput en / of de belastingplichtige geen gebruik maakt van zijn rechtsmiddelen.

Een onherroepelijke informatiebeschikking leidt – bij afwezigheid van een hersteltermijn of het gebruik daarvan – tot de slotsom dat de belastingplichtige of de administratieplichtige niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Het gevolg komt terug bij de uitspraak op bezwaar, beroep en / of hoger beroep. Met een onherroepelijke informatiebeschikking is namelijk sprake van het toepassen van de omkering en verzwaring van de bewijslast. Hierop wordt een uitzondering gemaakt als het toepassen van deze sanctie disproportioneel is. Dit wordt in de praktijk niet snel aangenomen.

De informatiebeschikking: aanvullende spelregels voor u en de Belastingdienst

De informatiebeschikking is nog altijd aanleiding voor veel procedures. Het belang is uiteraard groot door de mogelijke omkering en verzwaring van de bewijslast. Echter, de regels met betrekking tot de informatiebeschikking kennen een aantal open normen en onduidelijkheden. De Hoge Raad heeft onder meer de volgende elementen verduidelijkt:

  • De wetgeving bij de informatiebeschikking kent geen overgangsrecht en dus zijn de bepalingen met onmiddellijke werking van toepassing op alle vanaf 1 juli 2011 gedane uitspraken op bezwaar;
  • Eén informatiebeschikking kan zien op meerdere belastingjaren en belastingmiddelen. Indien dan toch een aanslag te vroeg wordt opgelegd, dus voordat de informatiebeschikking onherroepelijk is, dan vervalt de informatiebeschikking voor zover die betrekking heeft op dat belastingjaar en dat belastingmiddel. Hieruit volgt dus ook dat een informatiebeschikking deels vernietigd kan worden;
  • De informatiebeschikking is geen schending van het recht op een eerlijk proces;
  • Het is de Belastingdienst toegestaan om pas in de bezwaarfase een informatiebeschikking af te geven. Dat doet zich voor indien eerst een belastingaanslag wordt opgelegd, de belastingplichtige daar iets van vindt en dan, alsnog, een informatiebeschikking volgt. Deze uitspraak is gedaan in het kader van een procedure over een vermeende schending van de inlichtingenverplichting. Bij schending van andere verplichtingen zou dit anders uit kunnen vallen.

Via een WOB-verzoek is de interne Handreiking Informatiebeschikking & Kostenvergoedingsbeschikking gepubliceerd. Dit zijn de regels die de Belastingdienst intern toepast bij het afgeven van een informatiebeschikking. Onze ervaring is dat deze regels niet altijd allemaal even goed worden nageleefd. In beginsel is de Belastingdienst aan deze regels echter wel gebonden.

De informatiebeschikking en behoorlijk bestuur door de Belastingdienst

Bij alle hiervoor beschreven handelingen geldt dat de Belastingdienst ook gebonden is aan het overige recht. Belangrijk daarbij zijn de zogenaamde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit houdt onder meer in dat de Belastingdienst u met een open vizier tegemoet moet treden, opgewekt vertrouwen moet rechtvaardigen en geen besluiten mag nemen die u onevenredig raken. Verder omvatten de algemene beginselen allerlei elementen die in de praktijk weleens over het hoofd worden gezien. Zo moeten besluiten ook afdoende gemotiveerd en onderbouwd worden.

De informatiebeschikking, boekenonderzoeken en onze advisering

De informatiebeschikking heeft voor een belastingplichtige potentieel verstrekkende gevolgen. Het middel is echter primair in het leven geroepen om u te helpen. Het dient om de rechtsbescherming van de belastingplichtige te verbeteren en voor een deel is dat ook zeker het geval. Een onherroepelijke informatiebeschikking brengt u echter vrijwel altijd in een nagenoeg ondoenbare bewijspositie. Het is daarom belangrijk om een informatiebeschikking scherp en goed onderbouwd aan te vliegen. Soms gebeurt dat door middel van bezwaar en beroep, maar in andere dossiers gebeurt het ook dat tijdens de informatiebeschikkingsprocedure alsnog overeenstemming wordt bereikt.

Hebt u een informatiebeschikking ontvangen of zit u in een boekenonderzoek? Twijfel dan niet en bel gerust eens met één van de auteurs. Een eerste kennismaking is vrijblijvend, kan op korte termijn en wij helpen graag.

De informatiebeschikking [news] 2021-03-15 0000-00-00 0000-00-00 6928

Herstel fouten door de Belastingdienst

Meer duidelijkheid over herstel van fouten door de belastingdienst.

Fouten maken is menselijk. Vanuit dat oogpunt is de Belastingdienst menselijk, soms té. Vooral bij massale processen (maar niet alleen daar!) laat de Belastingdienst nogal eens een steekje vallen. De lijst met schrijf- en tikfouten, overnamefouten, systeemfouten, instructiefouten, automatiseringsfouten, etc. is onuitputtelijk.

Duidelijke fouten moeten kunnen worden rechtgezet. Daar staat tegenover dat de belastingplichtige moet kunnen vertrouwen op de Belastingdienst. Als er een aanslag komt, moet er zekerheid zijn dat het daarmee klaar is (rechtszekerheid).

Herstel van fouten gaat door middel van navordering (of naheffing). Hoofdregel is en blijft dat voor navordering een nieuw feit vereist is. Dat is een omstandigheid die de inspecteur bij het opleggen van de aanslag nog niet kende (of behoefde te kennen).

Nieuwe wetgeving

Sinds 1 januari 2010 kan - ook zonder dat nieuwe feit - worden nagevorderd als een aanslag door een fout een te laag bedrag is. Het maakt niet uit wie de fout maakt. Vereist is wel dat het de belastingplichtige kenbaar is dat de aanslag te laag is. Een aanslag die 30% of meer te laag is, wordt geacht kenbaar te laag te zijn. Voorheen kon meestal niet worden nagevorderd als aanslagen te laag waren door een door de Belastingdienst gekozen werkwijze of fouten in de automatisering.

Wat is een fout volgens de rechter?

Recent heeft de Hoge Raad meer duidelijkheid gegeven wat nu een fout is. Zonder fout immers geen navordering.

Eerst wat geen fout is. Beoordelingsfouten van de inspecteur zijn geen fouten als hier bedoeld. Als de inspecteur dus op basis van de juiste feiten tot een onjuiste conclusie komt of de wet niet goed toepast, kan hij niet navorderen. Zelfs niet als die fout voor de belastingplichtige kenbaar is. Dat is alleen anders als de belastingplichtige te kwader trouw is (dus bijvoorbeeld moedwillig onjuiste aangifte doet of zaken verzwijgt / verstopt).

Wat is nu wel een fout?

Het begrip fout is bewust neutraal en ruim uitgelegd: “elke misslag die bij de Belastingdienst optreedt in verband met de aanslagregeling, zoals schrijf-, reken-, overname- en intoetsfouten, maar ook andere fouten zoals “fouten ten gevolge van de geautomatiseerde verwerking van aangiften”, indien het gevolg daarvan is dat de belastingschuld op een te laag bedrag is vastgesteld.” Dat is dus erg ruim. Een uitdaging om een misslag te bedenken die hier niet onder valt. De vraag komt op of de rechtszekerheid van de belastingplichtige niet teveel in het gedrang komt om de fouten bij de Belastingdienst te kunnen repareren … Het verschil tussen € 2.079 en € 2.970 is in elk geval voor de wetgever kenbaar.

In een zaak waarin gedurende een boekenonderzoek toch een te lage aanslag werd opgelegd over het onderzochte jaar ondanks een ambtelijke instructie dat niet te doen, terwijl aan de belastingplichtige al kenbaar was gemaakt dat van de aangifte zou worden afgeweken, werd navordering toegestaan.

Vanaf wanneer?

De nieuwe wet geldt met ingang van 1 januari 2010. Aanslagen die voor die datum te laag zijn van voor die datum kunnen niet op basis van de nieuwe wet worden nagevorderd. Dus een aanslag over 2008 die op 31 december 2009 is opgelegd kan niet worden nagevorderd, terwijl een aanslag over 2007 die op 1 januari 2010 is opgelegd wel kan worden nagevorderd.

Ontsnappen nog mogelijk?

De Hoge Raad heeft nog een (piep)klein ontsnappingsgaatje opengelaten. Als het de belastingplichtige, gelet op de gang van zaken voorafgaande aan het opleggen van de aanslag, niet kenbaar was dat die aanslag tot een te laag bedrag was vastgesteld, aangezien zij ervan mocht uitgaan dat die juist was, mag de te weinig geheven belasting ook niet worden nagevorderd met toepassing van de 30%-regel. Van kenbare onjuistheid is geen sprake in gevallen waarin de belastingplichtige in redelijkheid kon menen dat de aanslag, hoewel tot een te laag bedrag, niettemin op goede gronden is vastgesteld. Cryptisch!

Een voorbeeld ter verduidelijking:

In de zaak bij de Hoge Raad (nummer 1528, zie onder) heeft de belastingplichtige zich in correspondentie onder meer op het standpunt gesteld dat zij de aangiften heeft gedaan overeenkomstig aanwijzingen van de Inspecteur, gegeven bij de aanslagregeling voor een eerder jaar, en voorts voorgesteld eventuele wijzigingen van de wijze van verwerking in de aangiften aan te passen met ingang van de aangifte voor latere jaren. Dus het jaar van correctie zou verschoven worden. Het is nu aan het Hof te oordelen of dat voldoende is. Voor de goede orde: dit lijkt op het vertrouwensbeginsel, maar is het niet. Bij (gerechtvaardigd) vertrouwen is navordering überhaupt niet mogelijk.

Conclusie

De mogelijkheid voor de Belastingdienst om na te vorderen is uitgebreid ten koste van de rechtszekerheid. Niettemin blijft het specialistenwerk en afhankelijk van de feiten van uw zaak. Neem dus bij een navorderingsaanslag dus altijd contact op. Dat geldt zeker als daarbij ook een boete is opgelegd.

Bron fouten door de Belastingdienst

Hoge Raad d.d. 27 juni 2014, 13/02845, ECLI:NL:HR:2014:1527.

Hoge Raad d.d. 27 juni 2014, 14/00350, ECLI:NL:HR:2014:1528.

Hoge Raad d.d. 27 juni 2014, 13/02194, ECLI:NL:HR:2014:1529.

Herstel fouten door de Belastingdienst [news] 2014-07-14 0000-00-00 0000-00-00 4332

Getuigen bij de belastingrechter: overschat?

Het belastingrecht kent (in de meeste gevallen) de zogenoemde vrije bewijsleer. Dat betekent dat eenieder zijn stellingen en standpunten kan onderbouwen met de bewijsmiddelen die hij wenst. Doorgaans zullen dat schriftelijke stukken zijn. Doch de verklaring van een getuige is ook zo’n middel. Het is aan de rechter de waarde van een bewijsmiddel te wegen. In het overleg met de Belastingdienst en in de bezwaarprocedure kunnen getuigenverklaringen nuttig zijn om de inspecteur (alsnog) te overtuigen van uw standpunt.

Getuigen bij de rechter

In de beroepsprocedure bij de Rechtbank (en hoger beroep bij het Gerechtshof) kent de wet ook de mogelijkheid getuigen ter zitting te horen. Dat kan door getuigen zelf op te roepen of ter zitting mee te nemen (en dat vooraf aan de Rechtbank mede te delen). Ook kan aan de Rechtbank worden verzocht de getuige op te roepen.

Medewerking Rechtbank

Als u zelf getuigen meebrengt of oproept, zal de Rechtbank doorgaans meewerken aan het horen van de getuige, tenzij de rechter van mening is dat het te leveren getuigenbewijs niet relevant is voor de beslissing of dient ten bewijze van een feit dat door de Belastingdienst niet wordt bestreden. Dan is getuigenbewijs ook zinloos.

Bij die beoordeling mag de rechter echter niet vooruitlopen op de af te leggen getuigenverklaring ("wat hij ook zegt: ik geloof hem toch niet").

Van de mogelijkheid te verzoeken dat de Rechtbank een getuige oproept, komt in de praktijk weinig terecht. Dat komt omdat de rechter daartoe doorgaans niet verplicht is. Volgens de Hoge Raad staat het de rechter vrij alleen dan (zelf) een getuige op te roepen, indien hem dit in het kader van de op hem rustende taak zinvol voorkomt. Daarbij mag de rechter laten meewegen dat de desbetreffende partij zelf geen pogingen heeft ondernomen om ervoor te zorgen dat de getuige ter zitting aanwezig is. In het concrete geval viste de belastingplichtige achter het net omdat hij bij de Rechtbank wel de nodige (vruchteloze) pogingen had ondernomen een getuige op te roepen, maar dat in hoger beroep had nagelaten en het Gerechtshof (voorwaardelijk en ongemotiveerd) had verzocht de getuige op te roepen.

Het devies is dus: zelf getuigen oproepen / meenemen en, als dat niet lukt, gemotiveerd aangeven waarom het niet lukt, wat de getuige zou kunnen verklaren en wat de noodzaak voor de procedure is.

Overigens kan een partij zelf niet als getuige (onder ede) worden gehoord. De adviseur kan daarentegen wel worden gehoord!

Getuige gehoord, succes verzekerd?

Als het dan eenmaal is gelukt om de getuige te verhoren, is dat een grote kans op succes. Afgezien dat het, zoals hiervoor is opgemerkt, aan de rechter is het (getuigen-)bewijs te waarderen, is daarmee succes nog niet verzekerd. Een kort jurisprudentieonderzoek leert dat slechts in een klein aantal zaken de procedure wordt gewonnen op basis van getuigenverklaringen. Het komt vaker voor dat wordt gewonnen op basis van schriftelijke stukken aangevuld met getuigenbewijs.

Noot fiscaal jurist

Indien u in een conflict raakt of dreigt te raken met de Belastingdienst en u meent dat daarbij een belangrijke rol kan zijn weggelegd voor getuigen, zorg er dan voor dat diens verklaring zosnel mogelijk wordt vastgelegd. Enerzijds kan die verklaring dan al in de discussie met de inspecteur (of in bezwaar) worden ingebracht, waardoor het geschil snel kan worden opgelost. Anderzijds ligt dan de verklaring vast en wordt voorkomen dat herinneringen en geheugen vervagen. Het kan immers wel jaren duren voordat een getuige op zitting wordt gehoord.

Als u het in (hoger) beroep nog moet hebben van getuigenverklaringen, is de kans op succes gering en niet ondenkbeeldig dat in de voorfase zaken onderbelicht zijn gebleven.

Neem dus contact op met uw adviseur als u verwacht dat bepaalde feiten die (alleen) door getuigen kunnen worden bevestigd, van belang kunnen zijn bij een (toekomstig) geschil met de Belastingdienst. Beter vooraf begrepen dan achteraf vergeten.

Bron getuigen bij de belastingrechter



HR ECLI:NL:HR:2009:BH5559.  



HR ECLI:NL:HR:2014:1194.



HR ECLI:NL:HR:2013:196.



HR ECLI:NL:HR:2014:783.

Getuigen bij de belastingrechter [news] 2014-07-16 0000-00-00 0000-00-00 4335

Dossierinzage bij de Belastingdienst

Een belastingplichtige heef het recht om zijn eigen belastingdossier bij de Belastingdienst te bekijken. Als een inspecteur een naheffingsaanslag of navorderingsaanslag heeft opgelegd of als deze afwijkt van een door belastingplichtige (of diens accountant, of beter: diens fiscalist) ingediende aangifte, is het fijn om te weten waarom er wordt afgeweken.

Welke informatie heeft de inspecteur in zijn bezit? Is deze informatie voor mij van belang?

Op welk moment mag u uw belastingdossier inzien?

Het kan prettig zijn om uw fiscale dossier bij de Belastingdienst in te zien voordat u bezwaar gaat aantekenen. In de algemene wet bestuursrecht staat echter dat u recht heeft op dossierinzage tijdens de hoorfase / hoorzitting (artikel 7:4 Algemene Wet Bestuursrecht). In deze fase is uw bezwaarschrift al ingediend.

Voor en tijdens de bezwaarfase heeft u dus - op grond van de Nederlandse wetgeving - geen recht op inzage in uw belastingdossier.

Als er sprake is van een boete (of aankondiging boete) dan gelden er andere spelregels. Vanaf het moment dat een boete is aangekondigd moet de inspecteur een belastingplichtige / belanghebbende op diens eigen verzoek inzage verstrekken in zijn boetedossier (artikel 5:49 Algemene Wet Bestuursrecht).

Europees recht en inzage in belastingdossier

Volgens het Europese recht heeft u eerder recht op inzage in uw dossier. Volgens het Handvest (artikel 41) heeft een ieder het recht om toegang te krijgen tot het dossier hem betreffende (artikel 41 lid 2 ). Dit handvest geldt binnen de Europese Unie en volgens redelijk vaste jurisprudentie (Hof van Justitie) gelden deze regels vrijwel automatisch ook voor Nederland (zie ook de uitspraak van het Hof van Justitie d.d. 26 februari 2013, voor de liefhebber: Akerberg Fransson procedure). Deze lijn wordt door verschillende "geleerden" onderstreept en niet altijd door de Belastingdienst geaccepteerd.

Toch inzage in uw dossier

  1. Op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is het redelijk dat u weet waarom de Belastingdienst u een naheffingsaanslag of navorderingsaanslag heeft opgelegd. Ook is het prettig om te weten waarom van uw aangifte wordt afgeweken.
  2. Voorlopige voorziening: doordat u geen inzage krijgt in uw (proces-)dossier wordt u in uw belangen geschaad. Dit is een reden om via een voorlopige voorziening inzage in uw dossier aan te vragen.
  3. Vraag de Belastingdienst om inzage: meestal werkt de Belastingdienst wel mee aan een dossierinzage tijdens (of voor) uw bezwaarschrift.
Inzage belasting dossier [news] 2014-09-12 0000-00-00 0000-00-00 4430

Strafrechtelijk onderzoek is nieuw feit

Een belastingplichtige, in deze casus een advocaat, (we noemen hem "Henk") wordt veroordeeld wegens oplichting, verduistering, witwassen en valsheid in geschrift. Henk moet ook bedragen terugbetalen aan benadeelde partijen. Op grond van dit onderzoek en de veroordeling worden er aanslagen aan Henk opgelegd. Is er sprake van een nieuw feit?

Nieuw feit in de belastingwetgeving en navordering

Via een navordering kan de Belastingdienst fouten uit het verleden, gemaakt in het nadeel van de Belastingdienst, corrigeren. Dit is een inbreuk op de rechtszekerheid van de belastingbetaler / belastingplichtige (definitieve aanslag is immers opgelegd) en derhalve is navordering aan strikte regels gebonden. Voor de reguliere navordering is vereist dat er sprake is van een nieuw feit, dit wil zeggen een feit waarover de inspecteur bij het opleggen van de aanslag niet beschikte. Over de navorderingsaanslag wordt veel geprocedeerd, de uitslag is regelmatig in het voordeel van de belastingplichtige. Immers wat is een nieuw feit?
Sinds 2010 kan de Belastingdienst eenvoudiger en sneller een navorderingsaanslag opleggen. Dit kan op grond van de zogenaamde kenbaarheidstoets / kenbaarheidsvereiste. Deze regel is van toepassing indien de gemaakte fout redelijkerwijs kenbaar moet zijn geweest bij de belastingplichtige.

Strafrechtelijk onderzoek levert nieuw feit op

In een procedure bij de Rechtbank is Henk veroordeeld. De Belastingdienst krijgt de uitspraak van de rechter en het onderzoeksrapport onder ogen en legt voor enkele honderdduizenden euro's aan aanslagen op. Volgens de rechter levert het strafrechtelijk onderzoek een nieuw feit op dat navordering kan rechtvaardigen. De kosten die advocaat Henk heeft gemaakt kan hij niet aantonen (aannemelijk maken), deze zijn dan ook niet aftrekbaar.

Noot fiscaal jurist over nieuw feit

De boete wordt door de rechter verminderd, dit is opmerkelijk. De boetes worden verminderd vanwege de financiële omstandigheden bij de advocaat (en niet vanwege een pleitbaar standpunt of overschrijding van de redelijke termijn).

Bron strafbaar feit en navorderingsaanslag

Strafrechtelijk onderzoek en navorderingsaanslag [news] 2014-10-10 0000-00-00 0000-00-00 4448

Het Besluit Fiscaal Bestuursrecht

Hoe gaat u om met de Belastingdienst en de Belastingdienst met u? Het besluit fiscaal bestuursrecht is begin 2015 vernieuwd. De belangrijkste onderdelen zijn:

  1. De mogelijkheid tot vooroverleg is verduidelijkt.
  2. De mogelijkheid om via e-mail met de Belastingdienst te communiceren.
  3. Wanneer kan de Belastingdienst een beslissing op bezwaar uitstellen?
  4. Vaststellen zetel inspecteur in buitenlandsituaties.
  5. Fiscale grensverkenning en vooroverleg.
  6. Weigeren van een gemachtigde door de Belastingdienst.
  7. Horen in de bezwaarfase.
  8. Aangifte VPB voor curatoren.

Noot nieuw besluit fiscaal bestuursrecht

De Belastingdienst wordt weer ouderswets (communiceren via de fax) en modern (communiceren via de e-mail). De elektronische communicatie met de Belastingdienst is niet altijd toegestaan, echter wel bij:

  • aanvragen;
  • aangiften;
  • bezwaarschriften;
  • verzoeken; en
  • ingebrekestellingen.

Tevens wordt in het besluit opgenomen naar welke rechter een belastingplichtige moet stappen bij een fiscaal geschil.

  • Bij een binnenlands belastingplichtige is bevoegd de Rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft (art. 8:7, lid 2, eerste volzin, Awb).
  • Bij een buitenlands belastingplichtige is bevoegd de Rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft (art. 8:7, lid 2, tweede volzin, Awb), dit is de Rechtbank Zeeland - West Brabant (immers betreft de Belastingdienst Heerlen).

Voor in het buitenland wonende belastingplichtigen komt er meer duidelijkheid, u kunt altijd een verzoek tot een ambtshalve vermindering indienen, hierbij maakt het niet uit of u binnen of buiten de EU woont. Een verzoek kan enkel worden ingediend als sprake is van een echte fout. Een nieuwe uitspraak van de Hoge Raad of het HvJ kan u dus niet helpen.

Al met al een goed besluit dat ervoor kan zorgen dat er minder praktische problemen ontstaan.

Bron fiscaal bestuursrecht

Besluit fiscaal bestuursrecht 2015.

Nieuw besluit fiscaal bestuursrecht [news] 2015-01-27 0000-00-00 0000-00-00 4484

(On)partijdig: de oud-belastingambtenaar als rechter

Bij een procedure is het van belang dat een rechter onpartijdig is. Soms kan belastingplichtige hieraan terecht twijfelen. In dit artikel een beoordeling en enkele procedures, gaat u er eens rustig voor zitten.

Inleiding, is de rechter onpartijdig

Binnen de belastingrechtspraak bestaat er een lange traditie van rechters met een arbeidsverleden binnen de Belastingdienst of het Ministerie van Financiën. Op zich hoeft dat geen bezwaar te zijn en hun kennis en ervaring zal zeker nuttig zijn. De laatste jaren zien we (gelukkig) dat meer en meer mensen uit de wetenschap en de advieswereld instromen als belastingrechter. Ook uit andere afdelingen van de rechtbanken switchen rechters naar de belastingrechtspraak.

Onafhankelijkheid

So far, so good. De problemen beginnen als de belastingplichtige (of diens adviseur) wordt geconfronteerd met een rechter die zich in zijn vorige baan heeft beziggehouden met een zaak (of vergelijkbare zaak) waarover hij nu (als rechter) een oordeel moet geven. Op zich mogen we ervan uitgaan dat de rechter zijn werk onbevooroordeeld en onafhankelijk doet. Dat is ook het uitgangspunt van de wetgever. Dat wijzigt als het er alle schijn van heeft dat het toch niet helemaal lekker zit. De Hoge Raad schrijft het veel mooier op:

  • “Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de belanghebbende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de belanghebbende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is[1]

Het draait dus allemaal om zwaarwegende aanwijzingen. Die aanwijzingen hoeven niet bewezen te worden of feitelijk aanwezig te zijn. Voldoende is als de vrees van vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Toch nog een hele kluif om dat aannemelijk te maken.

Voorbeelden van (on)afhankelijkheid

De grens is soms erg dun. Laten we twee typische zaken bekijken. Allereerst de zaak van het hiervoor aangehaalde citaat. De Hoge Raad oordeelt:

  • “De omstandigheid dat een raadsheer in de Hoge Raad in een aan zijn raadsheerschap voorafgaande functie betrokken was bij het overbrengen van het standpunt van de Nederlandse Staat in procedures bij (thans) het Hof van Justitie van de Europese Unie, biedt geen grond voor gerechtvaardigde twijfel aan de niet-vooringenomenheid van de betrokken raadsheer, ook als wordt aangenomen dat het hier eenzelfde kwestie als in de onderhavige procedure bij de Hoge Raad zou betreffen. Die inbreng geschiedde immers in de hoedanigheid van de toenmalige functie van de betrokken raadsheer als gemachtigde van de Nederlandse Staat. Zij gaf niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de ambtenaar zelf weer. De functie waarin de betrokken ambtenaar thans te werk is gesteld, te weten die van raadsheer in de Hoge Raad, brengt mee dat hij is geroepen als rechter de toepasselijke regelingen uit te leggen en toe te passen. Daarbij is hij in geen enkel opzicht gebonden aan eerder ingenomen standpunten in zijn hoedanigheid van gemachtigde van de Nederlandse Staat.”

Dus een lid van de Hoge Raad heeft de schijn niet (of onvoldoende?) tegen als hij in een eerdere functie de Staat diende in zaken waarin dezelfde kwestie speelde als waarover hij als rechter moet oordelen.

Enige gelijkenis met de volgende zaak[2]valt niet te ontkennen. De volgende feiten waren aan de orde:

  • “i) voorafgaand aan zijn toetreding tot de rechterlijke macht was mr. X vanaf het jaar 2000 tot in elk geval 1 januari 2011 lid van de CCB (Coördinatieteam Constructiebestrijding);
  • ii) [B] was vanaf het jaar 2000 eveneens lid van de CCB. Hij heeft zich vanaf de zomer van 2004 beziggehouden met de bestrijding van oogst-op-stamconstructies en is als gemachtigde van de Inspecteur rechtstreeks betrokken geweest bij de onderhavige zaak, ook tijdens het hoger beroep;
  • iii) blijkens het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 25 mei 2000, nr. CPP 2000/584M, BNB 2000/233, bestond de CCB uit dertien leden;
  • iv) de bestrijding van (vermeende) oogst-op-stamconstructies, waarvan volgens de Inspecteur ook in de onderhavige zaak sprake is, vond gecoördineerd plaats;
  • vi) in de toespraak heeft de toenmalige staatssecretaris van Financiën het volgende opgemerkt:

    "En bij een viering horen de successen. Graag benoem ik er zes van de constructiebestrijding. Ziet u het als een Greatest Hits van de CCB en de CTC: (…) de bestrijding van "oogst-op-stamconstructies".

De Hoge Raad oordeelde:

  • “De hiervoor (…) genoemde omstandigheden, tezamen en in onderling verband bezien, leveren zwaarwegende aanwijzingen op die de objectief bezien gerechtvaardigde vrees konden doen ontstaan dat wat betreft mr. Gladpootjes geen sprake is geweest van rechterlijke onpartijdigheid. De in het verweerschrift in cassatie aangevoerde stelling, ook indien juist, dat de bestrijding van oogst-op-stamconstructies geen project was van de CCB zelf en de mededeling van mr. Gladpootjes ter zitting van het Hof, inhoudende "dat [hij] niet betrokken [is geweest] bij de onderhavige zaken" nemen de grond voor evenbedoelde vrees niet weg.”

Dus het feit dat de raadsheer lid was van een team dat constructies bestreed (maar niet vaststaat dat de raadsheer zich destijds ook met dat dossier bemoeide) waarover nu een oordeel als rechter wordt gevraagd, waarbij de Belastingdienst wordt vertegenwoordigd door een oud-collega van die raadsheer, heeft de schijn wel (voldoende) tegen.

Conclusie onafhankelijke fiscale rechter

Geïsoleerd bezien is het oordeel in beide zaken (wellicht) te billijken. Houden we de zaken dicht tegen elkaar, dan springen de overeenkomsten toch wel in het oog. Toch een andere uitkomst. Iemand die in een team zat dat eenzelfde aangelegenheid behandelde namens de Belastingdienst (Staat) is ‘verdacht’ en iemand die (in zijn functie) het standpunt van de Staat vertegenwoordigde in eenzelfde aangelegenheid is niet ‘verdacht’.

Het kenmerkende onderscheid tussen de zaken, dat een andere uitkomst rechtvaardigt, zie ik niet. Gooit de oud-collega roet in het eten? Of is het zo dat een raadsheer in de Hoge Raad nog iets onafhankelijker is (wordt geacht te zijn) dan een raadsheer in een gerechtshof?

Toetsing onafhankelijkheid

Als u zwaarwegende aanwijzingen heeft die de vrees van vooringenomenheid van de rechter objectief rechtvaardigen, heeft u de mogelijkheid tot wraking om een andere rechter op de zaak te krijgen. Dat wrakingsverzoek wordt behandeld door een wrakingskamer. Die kamer bestaat standaard uit drie rechters van dezelfde instantie (collega’s van de te wraken rechter dus). Tegen de uitspraak van de wrakingskamer is geen hoger beroep mogelijk. Wel kan dat oordeel (in hoger beroep) worden getoetst bij de beoordeling van het hoger beroep in de bodemzaak (waarin dus is beslist door een ‘niet gewenste’ rechter. Een dunne waarborg, maar toch.

Behandeling van wrakingsverzoeken bij de Hoge Raad

De Hoge Raad is, voor belastingzaken, de hoogste rechter. Over wrakingsverzoeken van de (leden van de) Hoge Raad oordeelt hij zelf. Zou het voor de onafhankelijkheid en de schijn daartegen, niet beter zijn die wrakingsverzoeken onder te brengen bij een andere rechter? Bijvoorbeeld de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste algemene bestuursrechter (vice versa)?

De onafhankelijkheid van de rechter is een groot goed. Controleer dat in uw zaak. In toenemende mate maakt de rechtbank de naam of namen van de rechter(s) in de uitnodiging voor de zitting bekend. Vraag daarom als dat niet het geval is. Steeds vaker stemmen de rechtbanken de zittingsdata vooraf af. Vraag op dat moment naar de naam van de rechter. Maak uw – objectief gerechtvaardigde – bezwaren kenbaar, dan kan de zaak intern nog aan een andere rechter worden gegeven.

Bij de toedeling van de zaken kan de rechter ook kort bezien of zich in die zaak een onafhankelijkheidsprobleem kan voordoen. Als dat het geval is, kan de zaak nog geruisloos naar een andere rechter.

Afsluiting

Vaak worden binnen een rechtbank zaken toebedeeld aan een bepaalde rechter, juist met het oog op diens kwaliteiten en expertise op een bepaald gebied. Op zich een goede zaak, maar de onafhankelijkheid gaat voor. Zelfs aan de schijn van onafhankelijkheid kan niet worden geknabbeld.

Bron onafhankelijke fiscale rechter

Is fiscale rechter onpartijdig [news] 2016-03-10 0000-00-00 0000-00-00 4909

Bestuurdersverbod door de Belastingdienst

De Belastingdienst kan de curator vragen om een (civielrechtelijk) bestuursverbod voor zogenaamde "boefjes" of malafide bestuurders. Deze optie staat (dadelijk) eigenlijk voor alle schuldeisers open. De bevoegdheid om een bestuurdersverbod op te leggen komt bij de curator te liggen, de toetsing zal door de rechter plaatsvinden. De Belastingdienst zal hiertoe besluiten als er bijvoorbeeld sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid. Er is veel kritiek op het verbod, dit met name vanuit MKB Nederland en VNO NCW.

Status bestuurdersverbod

Het wetsvoorstel ligt nu bij de Eerste Kamer. Er wordt al 2-3 jaar over gesproken. De verwachting is dat dit wetsvoorstel na de zomer wordt ingevoerd. De wijzigingen in het voorstel kunt u hier raadplegen. Het wetsvoorstel kunt u hier vinden.

Het bestuursverbod

Faillissementsfraude moet worden voorkomen, dit is duidelijk en een goed uitgangspunt. De ondernemer wordt aan de publieke "paal" gehangen gedurende een periode van 5 jaar. Er komt een openbaar register waar de bestuurders in worden genoemd en hierdoor werken notarissen en de KvK niet meer mee aan de oprichting van rechtspersonen / ondernemingen en / of het inschrijven van deze bestuurders.

In het wetsvoorstel staat ook een bepaling die moet voorkomen dat bestuurders via stromannen proberen invloed uit te oefen.

Een bestuurder van een rechtspersoon kan een bestuursverbod opgelegd krijgen bij een faillissement waarbij hij / zij ernstig tekort is geschoten. Hierbij wordt er gekeken naar de handelingen gedurende 3 jaren voorafgaande aan het faillissement. Voorbeeld zijn:

  • Wegsluizen vermogen van de rechtspersoon;
  • Boekhouding niet op orde;
  • Betrokkenheid bij eerdere faillissementen.

De bepaling is niet geheel nieuw, voor stichtingen kent de wet al een dergelijke bepaling (2:298 BW).

Advies inzake bestuursverbod

Als een rechtspersoon een vergrijpboete krijgt opgelegd, kan dit de opstap zijn naar een bestuurdersaansprakelijkheid en later een bestuursverbod. Krijgt u hiermee te maken, maak dan een vrijblijvende afspraak zodat wij met u kunnen meedenken.

Bestuursverbod door belastingdienst [news] 2016-03-29 0000-00-00 0000-00-00 4918

De macht van de Belastingdienst

De Belastingdienst heeft als taak om belastingen te innen en particulieren en ondernemers te controleren conform onze Nederlandse fiscale wetgeving. Om dit te kunnen doen hebben ze informatie nodig, erg veel informatie zoals vaak in de praktijk blijkt. Waar haalt de Belastingdienst deze informatie vandaan? Welke informatie moet u verstrekken?

De Belastingdienst wordt steeds machtiger

Uit de Panama Papers blijkt dat particulieren en bedrijven soms hun vermogen in het buitenland verstoppen. De internationale gegevensuitwisseling loopt gelukkig steeds beter en hiertoe zijn er ook veel nieuwe verdragen door Nederland afgesloten. Naast de Europese spaarrichtlijn (2005) is er ook nog de Europese Bijstandsrichtlijn. Beide richtlijnen moeten bijdragen aan een betere en vlottere informatie-uitwisseling. Tegenwoordig wordt naast rente ook informatie uitgewisseld over:

  • arbeidsinkomen;
  • pensioen;
  • eigendommen in het buitenland (zoals woningen);
  • buitenlandse bankrekeningen.

Ook in Nederland zijn er steeds meer instanties betrokken bij een (automatische) informatie-uitwisseling met de Belastingdienst, hierbij kunt u denken aan:

  • banken (bankrekeningen en effecten);
  • verzekeraars (polissen en premies);
  • gemeenten (adresinfo en WOZ-waarden van panden);
  • RDW (auto's etc.);
  • zorgkantoren;
  • leasebedrijven (info auto's);
  • Kamer van Koophandel;
  • Kadaster;
  • notarissen (akten);
  • Nederlandse Spoorwegen;
  • UWV (uitkeringen / inkomen).

Tevens kan de Belastingdienst informatie opvragen bij bedrijven en overige instanties, dit kan zelfs onder dwang. Hierbij kunt u denken aan bijvoorbeeld informatie over parkeerautomaten en informatie van de politie (omtrent snelheidsovertredingen en camera's boven de weg).

Sinds 2015 is er ook nog een extra afspraak (tussen ongeveer 100 landen), de zogenaamde Common Reporting Standard. Deze landen zullen vrijwel automatisch informatie aan elkaar gaan geven. Vanaf 2017 (of 2018) krijgt de Nederlandse Belastingdienst dus nog meer informatie over buitenlandse vermogens.

Machtsmisbruik door de Belastingdienst

Machtsmisbruik door de overheid is een oud verschijnsel. Overal waar technische (hulp-)middelen zijn, zullen deze worden gebruikt en ingezet. Iedereen weet dat informatie "macht" kan betekenen en steeds belangrijker gaat worden. De politiek zal hier toezicht op moeten houden, maar laat dit vaak lopen. Vorenstaande in combinatie met derdenonderzoeken (artikel 53 AWR) maakt de Belastingdienst tot een instantie die wel heel veel informatie verkrijgt of kan verkrijgen, zelfs met de sterke arm.

De Belastingdienst heeft veel informatie, krijgt veel informatie automatisch en kan veel informatie opvragen. Deze informatiestroom zal de komende jaren alleen nog maar toenemen. Dit brengt ook gevaren met zich mee, laten we zeggen risico's. De belangrijkste is de bescherming van privacy. Dit moet worden afgewogen tegen het risico van (fiscale) fraude en de informatiebehoefte van de Belastingdienst. Steeds vaker vinden rechters de privacy minder van belang, dit zal een zorg / probleem gaan worden. Logisch nadenken en een redelijke invulling zullen er bij de Belastingdienst (eigenlijk de wetgever) voor moeten zorgen dat de balans blijft.

Het college bescherming persoonsgegevens onderschrijft dat de Belastingdienst zich bescheiden / beperkt moet opstellen bij haar handelen. De grens tussen machtsmisbruik en gebruiken van controlemiddelen is een grijs gebied en de toekomst zal leren waar dit schip gaat stranden. 

Machtsmisbruik Belastingdienst [news] 2016-04-20 0000-00-00 0000-00-00 4927

Geen uitstel van betaling meer bij Belastingdienst, en dan?

De Belastingdienst legt een aanslag op en u bent het hier niet mee eens. Er wordt bezwaar aangetekend en wellicht gaat u nog in beroep tegen de aanslag. Het aantekenen van bezwaar of beroep wil nog niet zeggen dat u de aanslag niet hoeft te betalen, in ons jargon: "het schort de betalingsverplichting niet op."

Dit kan voor u als belastingplichtige verstrekkende gevolgen hebben. U bent het niet eens met de aanslag, maar u krijgt geen uitstel van betaling voor de aanslag of u moet zekerheid stellen voor de aanslag (wat dan weer uw vermogen zal beklemmen). Als de afdeling invordering haar werk opstart en bijvoorbeeld via (dwang) invordering het geld (van de aanslag) zou invorderen, kan dit onomkeerbare gevolgen hebben. Als u het hier niet mee eens bent, heeft u 2 opties:

  1. Civiele rechter: u stapt naar de (civiele) rechter om verzet aan te tekenen tegen de invordering (incassobevoegdheid) van de invorderaar / Belastingdienst. De rechter kan de invordering (tijdelijk) opschorten.
  2. Fiscale rechter: u  stapt naar de fiscale rechter voor een voorlopige voorziening om de invordering / aanslag te schorsen.

Verzet procedure bij belastingaanslagen

Een verzetprocedure is een procedure bij de civiele rechter. Deze procedure beschermt de belastingplichtige tegen de te ver gaande invorderingsmogelijkheden van de ontvanger. De Belastingdienst kan zich namelijk - anders dan normale schuldeisers - via een dwangbevel een bevoegdheid geven om beslag te leggen en vervolgens deze goederen te verkopen. Normale schuldeisers moeten hiervoor eerst langs de rechter (executoriale titel ophalen). De ontvanger doet dit zelf, derhalve geen toezicht van een onafhankelijke rechter (slager keurt zijn eigen vlees). Hoewel wij regelmatig dergelijke procedures voorbereiden, moet u hierbij met een advocaat samenwerken. Meestal wordt er aan de rechter het volgende gevraagd:

  • Terugbetaling van betaalde of verrekende bedragen;
  • Opheffing van de gelegde beslagen;
  • Verplichting voor de Belastingdienst om tijdens het bezwaar / beroep uitstel van betaling te verlenen (zonder zekerheid);
  • Schadevergoeding voor onrechtmatig handelen van de invorderaar.

De schorsende werking begint op het moment dat uw deurwaarder de dagvaarding aan de ontvanger van de Belastingdienst heeft uitgebracht. De zaak gaat dan tijdelijk op slot, dit tot het moment dat de Belastingdienst uitspraak heeft gedaan. In de procedure kunt u een aantal zaken aan de orde stellen:

  1. Aanslagen niet of niet tijdig ontvangen (vaak kleine kans).
  2. U bent het niet eens met de aanslagen (onterecht / te hoog / etc.) (vaak kleine kans, kan civiele rechter lastig beoordelen).
  3. Er is uitstel van betaling verleend.
  4. De aanslag is betaald of verrekend.
  5. De betalingsverplichting is verjaard.
  6. Geen reden voor versnelde invordering of executie.
  7. Besluit van de invorderaar is lichtvaardig of onrechtmatig genomen.
  8. Aanslag is nog niet onherroepelijk omdat er nog bezwaar / beroep loopt (dan om schorsing vragen).

Als u kansloos verzet zou aantekenen, dan nog moet de invorderaar hier naar luisteren en de beslissing van de rechter afwachten. De Belastingdienst was wel eens van mening dat verkoop van de goederen waar beslag op lag gewoon kon doorgaan als u alleen maar zeurde en de procedure van verzet misbruikte. De Hoge Raad  (d.d. 1 mei 2015 ECL NL HR 2015 1188) is het hier niet mee eens. Zou de Belastingdienst de invordering toch doorzetten, dan is zij aansprakelijk voor de schade.

Voorlopige voorziening bij belastingaanslagen

De fiscale voorziening moet u instellen bij de fiscale rechter. Dit kan alleen als er sprake is van onverwijlde spoed, dit zal bij een beslaglegging meestal wel het geval zijn. De rechter zal eerst beoordelen of uw verzoek ontvankelijk is (voldoende spoedeisend, bijvoorbeeld als door beslag / verkoop uw bedrijf failliet gaat of niet meer kan functioneren), daarna komt de rechter toe aan de inhoudelijke beoordeling. Voordeel van de fiscale route is, dat de belastingrechter wel iets kan vinden van de rechtmatigheid van de aanslagen. De fiscale rechter zal minder snel de invordering van de aanslag schorsen, tenzij sprake is van een lichtvaardig genomen besluit van de invorderaar en / of een onrechtmatig besluit.

U moet wel tijdig bezwaar / beroep hebben ingesteld tegen de aanslagen, anders is een voorlopige voorziening niet mogelijk. Voor de rechter moet duidelijk worden dat u als belastingplichtige de fiscale procedure gaat winnen ( de aanslag blijft niet in stand), hierdoor vervalt ook de betaling en rechtvaardiging voor de invorderingsmaatregelen.

De rechter doet soms (op uw verzoek of vanuit zichzelf) direct uitspraak. Tegen de uitspraak in een voorlopige voorziening staat geen (hoger) beroep of cassatie open.

Wat is in een procedure van belang?

  • Rechters hebben vaak weinig zin om inhoudelijk (helemaal) naar de zaak te kijken. Dwing ze hiertoe door uw standpunten uitgebreid en duidelijk te motiveren.
  • Neem jurisprudentie op waaruit in vergelijkbare gevallen de voorlopige voorziening is toegewezen.

Vragen

Bel gerust met onderstaande adviseur voor een vrijblijvende (telefonische) afspraak.

Geen uitstel van betaling [news] 2016-08-24 0000-00-00 0000-00-00 4966

Openbaar Ministerie vordert informatie

Er wordt steeds meer informatie digitaal opgeslagen, dit zowel bij accountants, belastingadviseurs en banken. Het Openbaar Ministerie (OM) kan eenvoudig deze informatie opvragen, ook al bent u geen verdachte. In dit artikel een overzicht van de mogelijkheden en onmogelijkheden.

Informatie vorderen door OM

De hoogste hoeder van de openbare orde is feitelijk het OM. Ze hebben (te) veel rechten om informatie bij derden op te vragen. Als de informatie / gegevens in redelijkheid van belang zijn voor een onderzoek, dan kan de informatie ook bij niet-verdachten worden opgevraagd. Hierbij moet u denken aan:

  • informatie bij accountants en belastingadviseurs over klanten;
  • bankgegevens bij banken;
  • reisinformatie bij reisbureau's;
  • telefoongesprekken bij telefoonmaatschappijen.

Het wettelijk kader is eenvoudig, het Wetboek van Strafvordering (Sv) kent de mogelijkheid om bij derden informatie te vorderen (o.a. art. 126nd Sv). Als het belastingadvieskantoor of de accountant de informatie verstrekt, kan er een aansprakelijkheidsstelling van de klant volgen (privacygevoelige data verstrekken). Het kantoor wordt dan spreekwoordelijk door de kat (OM) of de hond (de klant) gebeten. Daarnaast hebben deze beroepsgroepen een (soms wettelijk verankerde) geheimhoudingsplicht. Soms staat er informatie op buitenlandse servers, hoe zit het met deze informatie?

Wat moet de accountant / belastingadviseur wel en niet verstrekken?

Als de accountant of belastingadviseur wetenschap heeft van fraude, dan moet hij dit melden aan de Belastingdienst of het OM. Tevens moet er zelfstandig een nader onderzoek plaatsvinden. De accountant mag dan de geheimhoudingsplicht doorbreken, dit geldt niet altijd (afweging omvang en soort fraude). Als een accountant / belastingadviseur weigert informatie te verstrekken, dan zal het OM dwangmiddelen inzetten (doorzoeking, inbeslagneming, etc.). Als de accountant de klant informeert over het verzoek van het OM, dan is dit strafbaar. Er zijn wel oplossingen, welke?

  • Vroegtijdig een advocaat inschakelen zodat er een afgeleid verschoningsrecht kan gelden. Eventueel kan de accountant een advocaat inschakelen om "mee te denken", ook dan geldt dit verschoningsrecht. Soms gaat dit niet helemaal goed (artikel 126d SV). Dit zal hoogstwaarschijnlijk wel in strijd zijn met diverse bepalingen van het EVRM, dit is echter (nog) niet onder de hamer geweest. Een ander probleem is dat de accountant een geheimhouding heeft en niet zomaar een advocaat mag oplijnen in een dossier van de klant. Krijgt u een probleem, dan is de beste koers: geen informatie verstrekken en in kort geding proberen duidelijkheid te krijgen.
  • Server in het buitenland neerzetten: in de wetsgeschiedenis is onderkend dat de Nederlandse wet geen grondslag kan bieden voor een onderzoek in een server / computer welke in het buitenland staat. Het OM is echter van mening dat dit geen probleem is als de accountant / belastingadviseur (of andere derde) de gegevens zonder verdere problemen kan benaderen, zonder toestemming van een derde. Dit lijkt raar, immers "de landsgrenzen leveren meerdere jurisdicties op". Het OM heeft bevoegdheden binnen de Nederlandse landsgrenzen en niet daarbuiten. Soms wordt informatie in de cloud opgeslagen, op verschillende servers, waarvan we feitelijk niet direct weten waar deze servers precies staan. Het OM maakt het niets uit, edoch de wet is hierover niet duidelijk (of juist wel: "het mag niet"). In een casus bij Microsoft ging het om een e-mail account dat in het buitenland (Ierland) stond en door de autoriteiten in de VS wordt opgeëist. Microsoft wordt volledig in het gelijk gesteld door de rechter, informatie verstrekken uit Ierland is niet nodig. Je kunt de wetgeving in Ierland niet zomaar opzij zetten als de VS om informatie verzoekt, aldus de rechter.

Procedure softwareleverancier

In een procedure bij de Rechtbank Overijssel (1 februari 2017) klaagde een leverancier van aangifte- en adviessoftware (voor accountants) tegen het OM en de FIOD. De leverancier is benaderd door de FIOD om informatie van de software af te geven. Er lag een bevel dat door de rechter-commissaris aan de Officier van Justitie is afgegeven. De informatie is verstrekt en de klaagster wil via de procedure bereiken dat de informatie niet mag worden gebruikt. Redenen:

  • De leverancier is geen aanbieder van telecommunicatie diensten;
  • Niet proprotioneel;
  • Schending subsidiariteitbeginsel;
  • Ernstige schade commerciële belangen.

De rechter stelt het OM in het gelijk en overweegt het volgende:

  • Informatie staat op server in Ierland (dus telecommunicatiedienst);
  • Eisen proportionaliteit en subsidiariteit in acht genomen (immers RC is gevraagd).

Noot fiscaal jurist

Het inschakelen van een advocaat en het werken met een cloud-oplossing buiten Nederland lijkt voor Nederlandse banken, accountants en belastingadviseurs een prima oplossing. Het is nog niet helemaal duidelijk, maar het versterkt wel hun positie.

Bron

Rechtbank Overijssel d.d. 1 februari 2017 (ECLI NL RBOVE 2017 417).

OM vordert informatie [news] 2016-12-08 0000-00-00 0000-00-00 5015

Getuigenaanbod in belastingzaken

Het belastingrecht kent (in de meeste gevallen) de zogenoemde vrije bewijsleer. Dat betekent dat eenieder zijn stellingen en standpunten kan onderbouwen met de bewijsmiddelen die hij wenst. Doorgaans zullen dat schriftelijke stukken zijn. Doch de verklaring van een getuige is ook zo’n middel. Het is aan de rechter de waarde van een bewijsmiddel te wegen. In het overleg met de Belastingdienst en in de bezwaarprocedure kunnen getuigenverklaringen nuttig zijn om de inspecteur (alsnog) te overtuigen van uw standpunt. Volgens de Hoge Raad mag een rechter een aanbod om getuigen te horen niet zomaar in de prullenbak gooien.

Getuigen bij de rechter

In de beroepsprocedure bij de Rechtbank (en hoger beroep bij het Gerechtshof) kent de wet ook de mogelijkheid getuigen ter zitting te horen. Dat kan door getuigen zelf op te roepen of ter zitting mee te nemen (en dat vooraf aan de Rechtbank mede te delen). Ook kan aan de Rechtbank worden verzocht de getuige op te roepen. Meestal vindt de rechter het meer dan prima dat getuigen worden gehoord. Dit kan anders zijn als de rechter de verklaringen inschat als "niet relevant". Een verzoek aan de rechter om getuigen op te roepen verdwijnt wel steeds vaker in de prullenbak. Wilt u mensen horen tijdens een zitting, dan moet u deze dus zelf oproepen, dit voorkomt mogelijke risico's. Overschat een getuigenverklaring niet, veel rechters wegen deze beperkt mee. Het ondersteunen van een verklaring met schriftelijke bescheiden heeft dus altijd de voorkeur.

Getuigenbewijs wordt verworpen door rechter

De Hoge Raad was in 2016 van mening dat een rechter een aanbod om getuigen te horen niet zomaar van tafel mag schuiven. Volgens de Hoge Raad (hoogste rechtscollege) is het Gerechtshof Den Haag op ondeugdelijke gronden voorbij gegaan aan het aanbod van belastingplichtige om via getuigen bewijs te leveren voor zijn stelling. Het aanbod is door het Gerechtshof verworpen omdat het niet gespecificeerd zou zijn. Dit is niet juist, aldus de Hoge Raad. Daarnaast had het Gerechtshof ook simpelweg om een toelichting kunnen vragen. In 2018 schoof het Gerechtshof Amsterdam het getuigenaanbod opzij, dit echter op andere gronden (fiscaal beroep was niet mogelijk).

Noot fiscaal jurist

Indien u in een conflict raakt of dreigt te raken met de Belastingdienst en u meent dat daarbij een belangrijke rol kan zijn weggelegd voor getuigen, zorg er dan voor dat hun verklaring zo snel mogelijk wordt vastgelegd. Enerzijds kan die verklaring dan al in de discussie met de inspecteur (of in bezwaar) worden ingebracht, waardoor het geschil snel kan worden opgelost. Anderzijds ligt dan de verklaring vast en wordt voorkomen dat herinneringen en geheugen vervagen. Het kan immers wel jaren duren voordat een getuige op zitting wordt gehoord.

Als u het in (hoger) beroep nog moet hebben van getuigenverklaringen, is de kans op succes gering en niet ondenkbeeldig dat in de voorfase zaken onderbelicht zijn gebleven.

Neem dus contact op met uw adviseur als u verwacht dat bepaalde feiten die (alleen) door getuigen kunnen worden bevestigd, van belang kunnen zijn bij een (toekomstig) geschil met de Belastingdienst. Beter vooraf begrepen dan achteraf vergeten.

Bron getuigen bij de belastingrechter



HR ECLI:NL:HR:2009:BH5559.  



HR ECLI:NL:HR:2014:1194.



HR ECLI:NL:HR:2013:196.



HR ECLI:NL:HR:2014:783.

Hoge Raad 16 december 2016 ECLI NL HR 2016 2860.

Getuigenaanbod in belastingzaken [news] 2016-12-16 0000-00-00 0000-00-00 5016

Geen navordering ondanks foutieve aangifte Inkomstenbelasting

Hof Den Haag heeft op 21 december 2016 een interessante uitspraak gedaan, waaruit blijkt dat het opleggen van een navorderingsaanslag door de Belastingdienst niet zomaar kan, ook al is duidelijk dat er een foutieve aangifte is ingediend.

Casus

In deze zaak ging het om iemand die psychosociale zorg verleende aan houders van een PGB. Omdat hij daarnaast ook nog les gaf aan een VMBO, was er geen sprake van winst uit onderneming maar van resultaat uit overige werkzaamheden.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte de omzet opgevoerd verminderd met reiskosten en overige kosten. Deze kosten waren eveneens vermeld in de aangifte, het gaat om de jaren 2009 tot en met 2013. In eerste instantie zijn bij het opleggen van de aanslagen de ingediende aangiften zonder correctie gevolgd. Na ontvangst van een bericht van de werkgroep PGB waarin wordt aangegeven dat de kosten ongebruikelijk hoog zijn, legt de inspecteur de navorderingsaanslagen op.

Uitspraak Hof

Het Hof legt uit dat op grond van artikel 16 lid 1 AWR nagevorderd mag worden als er sprake is van een nieuw feit. Als er geen sprake is van een nieuw feit kan alsnog worden nagevorderd indien er sprake is van te kwader trouw van belastingplichtige.

De inspecteur en de Rechtbank waren van mening dat er sprake is van een nieuw feit. Omdat de aangifte een betrouwbare indruk maakte, hoefde de inspecteur deze niet nader te onderzoeken. Hier denkt het Hof anders over. Gelet op de omvang van de opgevoerde kosten en de aard en de hoogte van de inkomsten, had de inspecteur na zorgvuldige kennisname van de aangiften voor het opleggen van de primitieve aanslagen nader onderzoek moeten instellen. Door dit niet te doen heeft hij een ambtelijk verzuim begaan.

Van te kwader trouw is eveneens geen sprake omdat de aangifte is opgesteld door een financieel deskundige. Belastingplichtige hoefde niet te twijfelen aan de deskundigheid van deze deskundige. Hierdoor kan aan de belastingplichtige geen te kwader trouw worden verweten.

Conclusie van het Hof: de navorderingsaanslagen dienen te worden vernietigd.

Geen navordering ondanks foutieve aangifte Inkomstenbelasting [news] 2017-01-13 0000-00-00 0000-00-00 5024

Bestuurder KvK niet direct aansprakelijk

De Hoge Raad deed op 17 februari 2017 een opmerkelijke cassatie-uitspraak. De Hoge Raad is van mening dat de Belastingdienst (de ontvanger) moet bewijzen dat de bestuurder volgens de Kamer van Koophandel-inschrijving ook echt bestuurder is geweest.

Bestuurdersaansprakelijkheid Belastingdienst

Via de fiscale aansprakelijkheid van bestuurders kan de Belastingdienst het privé vermogen van de DGA / bestuurder aan de haak slaan en hem hiervoor aansprakelijk stellen voor niet betaalde belastingen en premies. Een paar zaken die van belang zijn:

  • Het moet gaan om rechtspersonen die in Nederland VPB betalen.
  • De aansprakelijkheid geldt voor de formele bestuurder, de gewezen bestuurder, de beleidsbepaler en de bestuurder van het lichaam dat bestuurder van de andere rechtspersoon is.
  • Bestuurder kan aansprakelijk worden gesteld voor loonheffingen, BTW, rente, kosten etc., maar ook op grond van de zogenaamde ketenaansprakelijkheid.
  • Er geldt eigenlijk geen aansprakelijkheid als de betalingsonmacht tijdig (binnen 2 weken na de dag dat belasting moest worden betaald) is gemeld. Dit kan anders zijn als het een boefje betreft en het niet betalen is te wijten aan kennelijk onbehoorlijk bestuur (dit is zo als er sprake is van onverantwoord, onbezonnen of roekeloos gedrag van de bestuurder). Normale ondernemersrisico's nemen mag dus wel.

Procedure aansprakelijkheid bestuurder

De Belastingdienst stelt een bestuurder aansprakelijk voor BTW-schulden. De bestuurder stond ingeschreven bij het handelsregister maar was feitelijk niet de bestuurder van de B.V. De heer X is bestuurder van een holding. De holding is bestuurder van een werkmaatschappij A B.V. De holding wordt aansprakelijk gesteld voor BTW-schulden van A B.V. De heer X wordt als bestuurder ook aansprakelijk gesteld. De Rechtbank en het Gerechtshof zijn het met de Belastingdienst eens, de heer X is aansprakelijk. De Hoge Raad denkt er anders over. De Belastingdienst / ontvanger moet bewijzen dat X bestuurder was en dat zijn inschrijving als bestuurder in het handelsregister hiervoor niet beslissend is. De beslissing van het Gerechtshof is niet juist en / of onvoldoende gemotiveerd op dit onderdeel. De zaak wordt verwezen naar een ander Gerechtshof. In deze procedure is het volgende van belang:

  1. Was X bestuurder?
  2. Wanneer is de betalingsonmacht gemeld?

Bron aansprakelijkheid bestuurder

Hoge Raad d.d. 27 juni 2008 ECLI NL HR 2008 BD5467.

Hoge Raad d.d. 17 februari 2017 ECLI NL HR 2017 248.

Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden d.d. 18 mei 2016 ECLI NL GHARL 2016 4086.

Rechtbank Gelderland d.d. 18 juni 2015 ECLI NL RBGEL 2015 3921.

Bestuurder KvK niet altijd aansprakelijk [news] 2017-02-20 0000-00-00 0000-00-00 5051

Griffierechten fiscale procedure

Griffierechten zijn een bijdrage in de kosten voor de rechtspraak. Beide partijen moeten griffierecht betalen. De griffierechten voor een fiscale procedure bedragen € 334 per procedure (particulieren € 168) (cijfers 2017). Voor beroepszaken bij het Gerechtshof bedraagt het griffierecht € 503 (particulieren € 124). De tarieven worden elk jaar hoger (index).

Splitsing griffierechten

Soms komt een belastingplichtige bedrogen uit en moeten er over meerdere jaren en / of over meerdere zaken griffierechten worden betaald. In een procedure bij de Rechtbank Noord Nederland in 2016 moest een belastingplichtige in eerste instantie 146 keer griffierechten betalen, uiteindelijk wordt dit door de Rechtbank teruggebracht tot 1x griffierecht. De heer X komt in beroep tegen drie (samenhangende) besluiten (namelijk een aanslag BPM, de boete en rente). X doet aangifte inzake 145 gebruikte en 1 nieuwe auto die worden ingevoerd. Na een boekenonderzoek zijn partijen het over de waarde van de auto's niet eens.

Noot fiscaal jurist

Als een beroepschrift wordt ingediend tegen twee of meer met elkaar samenhangende besluiten, dan is meestal slechts één keer griffierecht verschuldigd (artikel 8:41 lid 3 Algemene Wet Bestuursrecht). Van samenhangende besluiten is sprake als deze voortkomen uit één samenstel van feiten en omstandigheden, dit kan soms tot discussie leiden. Voorbeelden zijn:

  1. Aanslag Inkomstenbelasting, boete en rente (1 besluit);
  2. Aanslag BTW en VPB (voor bijvoorbeeld aftrekbare kosten of niet aangegeven omzet) (1 besluit).

Kwijtschelding griffierechten

Een BV (holding zonder activiteiten)  maakt al jaren verlies, heeft een negatief eigen vermogen en meer dan voldoende compensabele verliezen. Er wordt een ambtshalve aanslag vennootschapsbelasting opgelegd (met boete) en de BV maakt te laat bezwaar. Conclusie niet ontvankelijk. Tevens wordt er door de BV verzocht om kwijtschelding van griffierechten, reden "er is simpelweg geen geld". De aandeelhouder is volgens de rechtereen man van onweersproken gedrag en geloofwaardig. Van hem kan niet worden verwacht dat hij de griffierechten privé gaat betalen en/of aan de BV gaat lenen. Ook in cassatie bij de Hoge Raad wordt de uitspraak niet anders (81 RO).

Bron Griffierecht

Rechtbank Noord Nederland d.d. 6 december 2016 (ECLI:NL:RBNNE:2016:5333).

Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 26 februari 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:706)

Griffierecht in fiscale procedure [news] 2017-04-04 0000-00-00 0000-00-00 5114

Pleitbaar standpunt, boete en de Hoge Raad

Pleitbaar standpunt =geen boete

De Hoge Raad nuanceert zijn oordeel, maar regel blijft: bij een pleitbaar standpunt kan de Belastingdienst geen vergrijpboete opleggen.

Aangifte doen

Het doen van een belastingaangifte is lang niet altijd makkelijk. De wet eist echter wel dat gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden ingevuld[1]. Vaak is het voor ondernemers onduidelijk hoe de aangifte nu exact moet worden ingevuld en soms wordt bewust scherp aan de wind gezeild.

Het doen van aangifte is een verplichting en het doen van onjuiste aangifte kan leiden tot (forse) boetes. Bij onduidelijkheden wringt dat. Daarom hanteert de Hoge Raad sinds jaar en dag de leer van het pleitbare standpunt. In de kern komt dat erop neer dat, als je een pleitbaar standpunt hebt, je geen boete kunt krijgen.

Wat is nu een pleitbaar standpunt?

De Hoge Raad omschrijft dat als volgt:

“Van een pleitbaar standpunt is sprake indien aan de aangifte een standpunt ten grondslag ligt dat gebaseerd kan worden op een pleitbare uitleg van het (fiscale) recht, in die zin dat de belasting- of inhoudingsplichtige ten tijde van het doen van de aangifte – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht menen dat deze uitleg en daarmee de door hem gedane aangifte juist was (zie HR 21 april 2017, nr. 15/05278, ECLI:NL:HR:2017:638, NTFR 2017/1240).”

Duidelijk toch…?

Of niet helemaal.

Allereerst is er een verschil tussen een objectief pleitbaar standpunt en een subjectief pleitbaar standpunt. Objectief wil - kortweg - zeggen: los van de persoon die de aangifte doet. Het standpunt hoeft niet door degene die aangifte doet zelf te worden ingenomen of verwoord, het kan ook volgen uit andere rechterlijke uitspaken, literatuur of gewoonte. Bovendien kan het ook achteraf opkomen er alsnog ‘ondergeschoven’ worden. Daarentegen wil subjectief zeggen dat degene die aangifte doet, het pleitbare standpunt reeds bij de aangifte zelfstandig zo heeft ingenomen. De Hoge Raad kiest - gelukkig - voor de objectieve benadering (in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Raad van State)!

Waar zit de nuance nu in?

Recent heeft de Hoge Raad een arrest gewezen[2] (zo heet dat) waarin men oordeelt dat een bepaalde wet[3] betrekkelijk eenvoudige formele voorwaarden bevat om voor toepassing van de belastingvermindering in aanmerking te komen (het betrof bepaalde vereiste verklaringen).

Dat brengt naar het oordeel van de Hoe Raad mee dat het standpunt dat men wel recht heeft op de belastingvermindering omdat men wel voldoet aan de materiële (inhoudelijke) eisen, ondanks de afwezigheid van de vereiste verklaringen, niet naar objectieve maatstaven gemeten pleitbaar is.

Het standpunt is dus niet pleitbaar en een boete wel mogelijk.

Conclusie

Een pleitbaar standpunt sluit een vergrijpboete uit, ook als je de argumenten pas na de aangifte (of het opleggen van de aanslag) aanvoert. Die argumenten moeten wel (voldoende) steekhoudend zijn. Daarbij is wel vereist dat je de wet (en de bijkomende regelingen) leest en duidelijke regels niet negeert.

Je bent tenslotte Gekke Henkie niet. Dat moet dan ook weer worden geobjectiveerd, zodat de echt Gekke Henkies er ook niet mee wegkomen…

Dus: pleitbaar standpunt = geen boete

Heeft u ook een pleitbaar standpunt (nodig)? Bel ons gerust, wij zoeken graag mee!

Meer over pleitbaar standpunt

Fraus legis of pleitbaar standpunt

Pleitbaar standpunt of gevangenisstraf voor accountant

Geen vergrijpboete door fout adviseur




[1]Artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen

[3]Artikelen 14, leden 1 en 5, WVA en 12aa, lid 1 en lid 3 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering

Pleitbaar standpunt, boete en Hoge Raad [news] 2017-09-11 0000-00-00 0000-00-00 5193

Weigeren bewijsstukken onderbouwen

Het Gerechtshof mag niet zomaar nieuw bewijs weigeren en moet dit goed onderbouwen. De Hoge Raad eist van het Gerechtshof dat ze de procedure echt in al haar facetten opnieuw moet heroverwegen.

De procedure inzake bewijs

De Hoge Raad is van mening dat een bedrijf (in dit geval een GmbH) altijd bewijsstukken moet kunnen aanleveren als ze hierom vraagt. De GmbH heeft bij de rechtbankprocedure tijd en ruimte gekregen om bewijs aan te leveren en haar standpunt te onderbouwen. Tijdens de zitting stelt de GmbH dat ze bewijs wil leveren. Volgens het Hof is dit niet wenselijk omdat de waarde-ontwikkeling al eerder een discussiepunt in geweest (tijdens de zitting bij de Rechtbank). Volgens het Hof heeft de GmbH alle gelegenheid gehad haar standpunt te onderbouwen en moet ze tijdens de zitting niet meer zeuren. De Hoge Raad denkt hier anders over. Dat de GmbH in de gelegenheid is geweest om tijdens de rechtbankprocedure bewijsstukken te leveren wil nog niet zeggen dat een nieuwe gelegenheid om bewijs te leveren zomaar kan worden geweigerd. Er kan namelijk een reden zijn dat bepaald bewijs tijdens een eerdere zitting niet wordt verstrekt. Dit had het Hof moeten onderzoeken. De zaak wordt verwezen.

Noot fiscaal jurist over hoger beroep en bewijs

Als een belastingplichtige in een beroepsprocedure pas tijdens de zitting bewijsmateriaal verstrekt, is het vaak de vraag of een rechter dit nog wil of kan accepteren. Een goede procesorde zegt namelijk dat laat aangeleverd bewijs niet strookt met de gang van zaken tijdens een procedure. Een rechter moet in Hoger Beroep zelf onderzoek doen en moet deze procedure zien als een echte herkansing voor belastingplichtige. Het leveren van bewijs is geen spel of roulette.Tijdens een Hoger Beroep moet een belastingplichtige de kans krijgen om uit te leggen waarom bepaald bewijs nog niet eerder is verstrekt. Het kan namelijk zijn dat de Rechtbank heeft bepaald dat op onderdelen onvoldoende bewijs is geleverd, dit bewijs moet dan in Hoger Beroep aan de orde kunnen komen, ook al wordt dit pas tijdens de zitting naar voren gebracht.

Bron bewijsvoering in procedure

Hoge Raad d.d. 15 september 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2340).

Gerechtshof Den Haag d.d. 25 januari 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:103).

Rechtbank Den Haag d.d. 7 juli 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:8167).

Weigeren nieuw bewijs mag niet zomaar [news] 2017-09-21 0000-00-00 0000-00-00 5200

FIOD-onderzoek

Bij de opstart van ons kantoor was ik regelmatig betrokken bij de begeleiding van een FIOD-inval. Het komt in de praktijk zelden voor dat de FIOD een bezoek brengt aan uw bedrijf. Het is echter wel verstandig dat u weet hoe u moet handelen. De FIOD komt vaak zonder vooraankondiging.

Vooraf FIOD op Bezoek

De zwijger is sterker dan de spreker, dit is het uitgangspunt. De meeste mensen denken bij een FIOD-inval: “Ik heb niks fout gedaan.” Deze veronderstelling is prima, maar veelal is er meer aan de hand dan u overziet of kunt overzien. Zodra de FIOD bij u invalt, bel dan met uw accountant of nog beter, met uw fiscaal jurist. Zeg verder niks en geef aan dat de FIOD moet wachten op uw adviseur. Laat u geen woorden in de mond leggen en praat enkel over zaken die u uit eigen ervaring zeker weet.

Wanneer komt de FIOD?

Bij verdenking van een strafbaar feit of de medeplichtigheid hieraan komt de FIOD in beeld. Als u bezoek krijgt, dan bent u getuige of verdachte van een fiscaal delict / strafbaar feit. Het onderzoek start vaak vanuit een boekenonderzoek. Als de belastingambtenaar constateert dat u de schatkist heeft getild voor meer dan € 15.000, kan hij de FIOD informeren (particulieren € 10.000). Als u de drempel zou overschrijden, maar de schade van de schatkist is lager dan € 125.000, dan zal de FIOD meestal niet in beeld komen (tenzij bijzondere omstandigheden of onderdeel van een groter geheel, of als u een voorbeeldfunctie zou vervullen). De FIOD, Belastingdienst en officier van Justitie beslissen gezamenlijk of er een onderzoek wordt opgestart. De belangrijkste bevoegdheden van de FIOD zijn:

  1. betreden bedrijfspand;
  2. verhoren verdachte of getuige;
  3. administratie in beslag nemen.

Vragen over FIOD Onderzoek

Het begeleiden van een FIOD onderzoek is voor ons dagelijkse praktijk. Heeft u vragen of opmerkingen neem dan gerust contact op.

2017-11-16 0000-00-00 0000-00-00 5221

Geen onzakelijke lening bij verstrekte lening door minderheidsaandeelhouder

Gelukkig zijn er ook nog uitspraken waarbij geen onzakelijke lening wordt geconstateerd. In het onderstaande arrest is door de Hoge Raad geoordeeld dat de lening die belastingplichtige aan zijn werkgever heeft verstrekt niet is aan te merken als deelnemerschapslening en ook niet als onzakelijke lening.

Beschrijving feiten

Belastingplichtige was werkzaam (financieel directeur) bij zijn werkgever, X B.V. Deze B.V. was niet echt winstgevend  in de loop der jaren. In 2007 heeft X B.V. een grote opdracht verworven waardoor er extra geld benodigd was binnen X B.V. Belastingplichtige verwerft in 2008 een minderheidspakket aandelen in X B.V. voor een prijs van € 1 en verstrekt daarnaast een lening van € 300.000 aan X B.V. (als werkkapitaal zijnde). De andere 2 directieleden kopen ook een minderheidspakket aandelen en verstrekken tevens € 300.000 als lening zijnde. Verder heeft de grootaandeelhouder zijn lening van € 1,8 miljoen omgezet in een lening waarop dezelfde voorwaarden van toepassing zijn als op de lening van de directieleden.

Belastingplichtige zijn dienstbetrekking eindigt in 2011 waarbij hij zijn aandelen verkoopt voor €  1 en zijn lening verkoopt voor € 30.000. Als gevolg van de verkoop van de lening voor € 30.000 lijdt belastingplichtige een verlies van ruim €  330.000 (inclusief rente).

Uitspraak Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat de lening die X aan E B.V. heeft verstrekt, niet is aan te merken als een deelnemerschapslening. Ook is de lening volgens de Hoge Raad niet aan te merken als een onzakelijke lening. De Hoge Raad verwerpt hierbij de stelling van de Staatssecretaris dat de door de Hoge Raad ontwikkelde criteria ten aanzien van de deelnemerschapslening materieel moeten worden beoordeeld. Ten aanzien van de stelling van de Staatssecretaris dat er sprake is van een onzakelijke lening, wijst de Hoge Raad erop dat er geen sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in het arrest van 28 februari 2014. In casu hebben de toe te treden minderheidsaandeelhouders, onder wie de belastingplichtige, namelijk geld aan de debiteur verstrekt terwijl de meerderheidsaandeelhouder bij gelegenheid van die toetreding dat niet heeft gedaan. De Hoge Raad bevestigt de uitspraak van het Hof[1].

Zoals ook maar weer uit bovenstaand arrest blijkt zijn de exacte feiten en omstandigheden van wezenlijk belang voor de fiscale kwalificatie van een lening dan wel de afwaardering hiervan. Laat uw fiscaal jurist de kwalificatie beoordelen bij een eventuele discussie.




[1] Hof Arnhem - Leeuwarden oordeelt dat er geen sprake is van een bodemlozeputlening. Het Hof overweegt hierbij dat X ten tijde van het verstrekken van de geldlening nog niet eerder geld had geleend aan E B.V., en ook geen aandelen hield in E B.V. Volgens het Hof is het dan ook volstrekt onaannemelijk dat het op dat moment duidelijk was dat de hoofdsom nimmer zou worden terugbetaald. Ook is er geen sprake van een deelnemerschapslening of een onzakelijke lening.

Geen onzakelijke lening bij verstrekte lening door minderheidsaandeelhouder [news] 2018-01-11 0000-00-00 0000-00-00 5250

Bewijsuitsluiting Belastingdienst

Mag de Belastingdienst onrechtmatig verkregen bewijs in een procedure gebruiken? In de meeste gevallen is de rechter hier vlot klaar mee, dit mag niet. Vraag altijd dossierinzage, zodat u kunt zien hoe de Belastingdienst de informatie heeft verkregen en welke informatie de Belastingdienst in haar bezit heeft.

Als een Inspecteur via een U-bocht onrechtmatig informatie verkrijgt, zullen de hieruit voortvloeiende aanslagen veelal worden vernietigd.

Informatie via Officier van Justitie

Een Inspecteur wil informatie uit Hong Kong van een belastingplichtige ontvangen. De Inspecteur vraagt deze informatie (inzake een Ltd. in Hong Kong) op via artikel 25 van het belastingverdrag tussen Nederland en Hong Kong. De informatie wordt in 2011 opgevraagd en het verdrag is geldig vanaf 2012. Hong Kong stelt dat het verzoek te vroeg is ingediend en stelt dat zij de belanghebbende gaan informeren over het verzoek van de Inspecteur. De Inspecteur ziet verder af van het verzoek en schakelt de Officier van Justitie in. De Officier stuurt een briefje (rechtshulpverzoek) aan Hong Kong, hierin wordt om dezelfde informatie verzocht. De Officier doet dit in bedekte vorm en stelt in de brief: "het hoofddoel van mijn verzoek is niet gelegen in het feit dat belastingaanslagen worden opgelegd of belasting te innen." De Officier doet dus voorkomen dat er andere redenen zijn om het verzoek in te dienen. De informatie wordt door Hong Kong verstrekt en stelt: "u mag de informatie niet zonder goedkeuring voor andere doelen gebruiken dan in uw brief is opgenomen." De Inspecteur stuurt vervolgens een verzoekje aan de Officier en heeft op deze wijze zijn informatie alsnog "binnen".

Het Gerechtshof vraagt tijdens de zitting of er toestemming aan Hong Kong is gevraagd, hier komt geen duidelijk antwoord op. Vervolgens trekt de Inspecteur zijn bewijs in, dit in afwachting van goedkeuring door de autoriteiten in Hong Kong. Het Gerechtshof is er wel klaar mee, vorenstaande is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (fair play). Via een truc wordt het belastingverdrag ontweken en dit is onbehoorlijk en vals. Voor de liefhebber, lees een rechtsoverweging 4.23 - 4.25 in de uitspraak.

Informatie gekregen via tipgever

De Belastingdienst krijgt informatie via een tipgever. De tipgever heeft de informatie gestolen van zijn werkgever (verduisterd) en deze informatie tegen een redelijke vergoeding verkocht aan de Belastingdienst. De Belastingdienst is blij met de informatie en legt diverse aanslagen inkomstenbelasting op bij verschillende belastingplichtigen. De belastingplichtigen stappen naar de rechter omdat ze dit een slechte gang van zaken vinden. Informatie via heling verkregen mag niet tegen hen worden gebruikt, is hun mening. Het Gerechtshof 's Hertogenbosch (uitspraak februari 2018) is het met de belastingplichtigen eens. In de procedure beriep de Belastingdienst zich steeds op haar geheimhouding. De rechter accepteert deze stelling uiteindelijk, maar koppelt hieraan wel een belangrijk gevolg: "de informatie mag dan niet worden gebruikt." De Inspecteur heeft rechten, maar moet ook kritisch zijn op informatie welke aan haar wordt verstrekt. Tevens moet een belangenafweging worden gemaakt, elke belastingplichtige moet eerlijk aangifte doen, maar de Belastingdienst mag geen crimineel gedrag (gestolen informatie verkopen) belonen.

Als bonus krijgt de belastingplichtige ook nog € 50.000 aan proceskostenvergoeding.

Advies bij fiscale procedures

Het voeren van een fiscale procedure is steeds meer werk voor specialisten. Wij staan maandelijks in de rechtbank om de belangen van een belastingplichtige te vertegenwoordigen. Heeft u vragen of opmerkingen, bel of mail ons gerust.

Bron tipgever en verkregen bewijs

Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 20 februari 2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:515).

Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 23 juli 2020 (ECLI:NL:GHSHE:2020:2351)

Bewijs Belastingdienst [news] 2020-09-02 0000-00-00 0000-00-00 5270

Wanneer navorderingsaanslag

U krijgt een navorderingsaanslag als u volgens de Belastingdienst meer belasting zou moeten betalen dan eerder definitief is berekend (kan ook minder zijn, maar dit komt zelden voor). Navorderingsaanslagen worden meestal opgelegd in de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting (erfbelasting en schenkbelasting kan ook).

Wanneer mag de Belastingdienst een navorderingsaanslag opleggen?

De Belastingdienst beoordeelt uw aangifte, legt een definitieve aanslag op en het geld wordt uitbetaald. Normaal bent u dan klaar en is het jaar afgerond. In uitzonderingsgevallen mag de Belastingdienst terugkomen op haar standpunt. De belangrijkste gevallen zijn:

  1. Er is sprake van een nieuw feit (iets wat nog niet bekend was of bekend kon zijn);
  2. Schatting is onjuist;
  3. Kwade trouw bij belastingplichtige;
  4. U heeft geen aangifte gedaan;
  5. Er is sprake van een (duidelijke) type- of computerfout (en deze fout is voor u redelijkerwijs kenbaar).

Tot wanneer kan een navorderingsaanslag worden opgelegd?

Een navorderingsaanslag kan worden opgelegd binnen 5 jaar na het einde waarin uw belastingschuld is ontstaan. Betreft het inkomsten of vermogen uit het buitenland, dan bedraagt de termijn 12 jaar. Als u uitstel heeft gehad voor het indienen van de aangifte, dan moet u deze termijn bij de genoemde 5 of 12 jaar optellen.

Noot fiscaal jurist over navorderingsaanslagen

Vrijwel maandelijks behandelen wij in bezwaar of beroep situaties waarbij er een navorderingsaanslag is opgelegd. De kern van de vraag is dan: "mag het?" In dit onderdeel een aantal voorbeelden uit onze praktijk

  1. Kenbare fout of niet: in een mooie conclusie van de Advocaat-Generaal (20 februari 2018/ ECLI:NL:PHR:2018:180). De basis is dat de Belastingdienst slechts in uitzonderingsgevallen een navorderingsaanslag mag opleggen. Door de verregaande automatisering is de kans op fouten (bewust) groter geworden. De wet is hierop wel aangepast, bij computerfoutjes mag de Belastingdienst (meestal) ook navorderen. Een beoordelingsfout is echter geen kenbare fout (artikel 16 lid 2 letter c AWR), volgens de Hoge Raad op 27 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1528). Wat is een beoordelingsfout? Dit is een fout die wordt gemaakt door de Inspecteur omdat hij de wet of de feiten niet goed heeft toegepast. Meestal moet de aangifte dan wel door een mens worden beoordeeld. Als de Belastingdienst met ondeskundige of slordige mensen werkt, moet het niet zo kunnen zijn dat kan worden nagevorderd.
  2. In één oogopslag een fout zien: een fout moet redelijkerwijs kenbaar zijn. Kenbaar moet je volgens normaal spraakgebruik opvatten. De belastingplichtige moet het dus in één oogopslag kunnen zien. Zie voor een voorbeeld het arrest van de Hoge Raad op 10 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:8).
  3. Feit moet nieuw zijn: de Belastingdienst heft soms te weinig belasting omdat ze niet alles weten of kunnen weten. Het kan ook zijn dat belastingambtenaren of computers van de Belastingdienst langs elkaar heen werken. Als de Belastingdienst (lees: de Inspecteur) wil navorderen, dan moet er sprake zijn van een nieuw feit dat hij niet wist of niet kon weten. Daarnaast moet de belastingplichtige te kwader trouw zijn. In een aantal gevallen mag de Belastingdienst ook zonder nieuw feit of kwade trouw naheffen (bijvoorbeeld verkeerde verrekening voorlopige aanslag / verliesverrekening etc). Of een feit nieuw genoeg is, is vaak onduidelijk. De Inspecteur moet op de door u verstrekte informatie kunnen vertrouwen, maar moet ook zorgvuldig zijn en indien nodig nader onderzoek instellen. Hierbij moet hij ook gebruik maken van de informatie die binnen de Belastingdienst bekend is (of bekend had kunnen zijn). Als de ambtenaren niet goed samenwerken is veelal een navorderingsaanslag niet mogelijk.
  4. Deskundige adviseur helpt niet echt: In een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam d.d 14 augustus 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:3088) wordt door de inspecteur een veel te lage winstcorrectie opgelegd. De inspecteur komt hier na het opleggen van de definitieve aanslag (in bezwaar door belastingplichtige) achter. De inspecteur legt een navorderingsaanslag op. Kan dit zomaar? De fout is te wijten aan een onjuist inzicht van de inspecteur, dan kan de inspecteur navorderen. De fout moet bij de belastingplichtige wel kenbaar zijn. Via een fictie moet een fout kenbaar zijn als de verschuldigde belasting meer dan 30% afwijkt. Dat is hier het geval. De uitweg is dan nog dat de belastingplichtige mocht aannemen dat de aanslag juist was. Dat is volgens het hof  niet het geval. De correctie stond in brieven van de Belastingdienst en de belastingplichtige is bijgestaan door een adviseur. De vrouw had beter geen bezwaar kunnen maken, tenminste daar lijk het op.

Vragen over navorderingsaanslagen

Wij adviseren regelmatig ondernemers en particulieren bij navorderingsaanslagen. Zijn er vragen, stuur gerust een e-mail of bel ons.

Wanneer navorderingsaanslag [news] 2018-04-03 0000-00-00 0000-00-00 5312

Terugvordering van toeslagen

De automatische mangel van de fiscus

Net als iedereen hebben ook statushouders recht op tegemoetkomingen. Zo komen ze in aanmerking voor kinderbijslag. Daarnaast kunnen ze aanspraak maken op door de Belastingdienst / Toeslagen toegekende toelagen.

Zodra een huurtoeslag of kinderbijslag is aangevraagd beginnen ook de molens van de Belastingdienst / Toeslagen te malen en kunnen de statushouders – als ze aan de voorwaarden voldoen - aanspraak maken op het kindgebonden budget.

Als is vastgesteld dat aanspraak bestaat op het kindgebonden budget, wordt volledig automatisch de zogenoemde alleenstaande ouderkop toegekend aan alleenstaande ouders. Die beloopt ruim € 3.000 per jaar.

Wat is dan het probleem met het terugvorderen van deze toeslagen?

De kern van het probleem is dat, als in de systemen van de Belastingdienst / Toeslagen bij de statushouder geen partner is vermeld, er automatisch – en zonder controle – vanuit wordt gegaan dat er geen partner is. Ook wordt er geen kennisgeving vooraf gestuurd dat de toekenning gebeurt vanwege het feit dat de statushouder alleenstaand is.

In de praktijk komt het talloze malen voor dat de vluchteling / statushouder zich bij de gemeente / Belastingdienst / Sociale Verzekeringsbank meldt voor bijstand, huurtoeslag of kinderbijslag. Daarbij vaak geholpen door Vluchtelingenwerk, het COA of de gemeente. Bij die aanvraag wordt keurig opgegeven dat ze gehuwd zijn in het land van herkomst.

Voor het registeren van het huwelijk (en dus de echtgenoot) is een BSN-nummer nodig van de echtgenoot. Omdat de benodigde papieren ontbreken (huwelijksakte, bewijs van geboorte of inschrijving of bewijs van leven), is het toekennen van een BSN-nummer aan de partner niet mogelijk.

Bijgevolg is er geen BSN-nummer, kan het systeem een andere wijze van vermelding van een huwelijk niet aan en wordt er geen partner ingeschreven.

Daarop ‘denkt’ het systeem: ‘hé, geen partner, wel kindgebonden budget, dus alleenstaande ouderkop’. En pardoes wordt het geld overgemaakt.

Gezinshereniging

Vaak jaren later wordt een verzoek om gezinshereniging gedaan. Dan constateert de Belastingdienst / Toeslagen: hé, er is een huwelijk.

Terugvordering vindt plaats

Kan de Belastingdienst deze toeslagen zomaar terugvorderen?

Kijkt men naar de letter van de wet – daarin is de Belastingdienst / Toeslagen erg goed – dan is duidelijk dat de alleenstaande ouderkop onterecht was en dus terugbetaald moet worden.

Is dat dan ook in redelijkheid te verlangen van een statushouder?

Als we de feiten wat kleur geven, ontstaat het volgende beeld. Een statushouder verzoekt om kinderbijslag en krijgt die volkomen terecht toegekend. Daarbij geeft zij aan gehuwd te zijn, maar niet te weten of haar man überhaupt nog leeft en niet over papieren beschikt. De man draagt ook feitelijk niets bij. Bij de autoriteiten (gemeente, COA, Belastingdienst) is gemeld dat er een huwelijk is, maar het systeem kan dat niet verwerken. Vervolgens komt er een toeslag die ook feitelijk voor de kinderen wordt gebruikt. Nergens is vermeld dat de toeslag is gebaseerd op – door de Belastingdienst / Toeslagen zelf ingevulde aanname van – het alleenstaand zijn. De statushouder is volledig te goeder trouw.

Wat het nog schrijnender maakt, is het feit dat de problematiek al jaren bij de Belastingdienst / Toeslagen bekend is. Vluchtelingenwerk Nederland heeft het herhaaldelijk gemeld en de VNG heeft er aandacht voor gevraagd. Tot slot is het al in november 2016 in de Kamerstukken aan de orde gesteld.

In dat licht bezien is het in redelijkheid niet te verlangen dat de alleenstaande ouderkop wordt terugbetaald.

De formele benadering

De rechter kan echter weinig met een redelijkheidsoordeel. Hij kan echter wel ingrijpen als een zogenoemd nieuw feit ontbreekt, als een ambtelijk verzuim is begaan of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden.

Belastingdienst / Toeslagen zal zeggen dat er een nieuw feit is. Ze wisten eerder niet dat er een huwelijk was. De vraag is of dat argument opgaat. Op zich is hij niet verantwoordelijk voor de gegevens(-verwerking) van andere instanties, hoewel daarop nuances mogelijk zijn[1]. Aan de andere kant heeft hij wel een onderzoekplicht als zelfstandig gegevens worden ingevuld.

Dat brengt ons bij het ambtelijk verzuim. Als de Belastingdienst / Toeslagen bij het toekennen van de toeslag ‘heeft zitten slapen’, kan die ook niet worden teruggevorderd. Dat hangt ook weer samen met de onderzoeksplicht en de (veronderstelde) kennis van de samenhang tussen kindgebonden budget, huwelijk en alleenstaande ouderkop. In een recente zaak waarin de Belastingdienst een inkomensafhankelijke combinatiekorting ten onrechte niet corrigeerde (die gekoppeld is aan de wel gecorrigeerde zelfstandigenaftrek) was navordering volgens de Hoge Raad niet mogelijk.[2]

Een deugdelijke belangenafweging is vereist alvorens een terugvorderingsbesluit te nemen.[3]Ook als de Belastingdienst / Toeslagen een verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het oplopen of ontstaan van een schuld kan dat reden zijn het terugvorderen niet toe te staan.[4]Ook mag men erop vertrouwen dat de Belastingdienst / Toeslagen zich baseert op juiste feiten.

Conclusie

Als de Belastingdienst / Toeslagen niet ‘netjes binnen de lijntjes kleurt’, moet een op zich terechte terugvordering achterwege blijven.




[1]ABRvS 17 augustus 2005, nr. 200500823/1, LJN AU1094, AB 2006, 147.

[2]HR 15 juni 2018, nr. 17/01894, ECLI:NL:HR:2018:797.

[3]ABRvS 28 februari 2018, nr. 201703738/1/A2, ECLI:NL:RVS:2018:661.

[4]CRvB 16 oktober 2012, nr. 10-3715 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BY0598.

Terugvorderen van toeslagen bij vluchtelingen [news] 2018-06-25 0000-00-00 0000-00-00 5378

Fiscale procedure tegen Belastingdienst

Heeft u bezwaar gemaakt tegen uw belastingaanslag of een boete en is uw bezwaar afgewezen? In dat geval kunt u in beroep gaan bij de rechtbank. In uw bezwaarschrift kunt u de Belastingdienst ook verzoeken om in te stemmen met een direct of rechtstreeks beroep bij de rechter. U bent niet verplicht om een advocaat of fiscaal jurist mee te nemen, u kunt dus zelf procederen. Via onze site kunt u hierover veel informatie vinden. In dit onderdeel diverse onderdelen waar u op moet letten tijdens een procedure

Fiscaal jurist bij procedure

Procederen tegen de fiscus is duur, duurt lang en levert weinig op. Zomaar een paar vooroordelen. Wij draaien het graag om. Procederen is leuk, kan snelle resultaten leveren en er kan nog geld mee verdiend worden ook. Lees dit artikel voor een verdere beschouwing.

Procedure tegen belastingdienst [news] 2018-07-06 0000-00-00 0000-00-00 5398

Dossier compleet; eerlijk proces

Als u een geschil heeft met de Belastingdienst is het toch wel het minste dat u nodig heeft een compleet dossier. Immers, zonder volledig dossier geen eerlijke procedure.

In de praktijk blijkt dat lastiger dan op papier.

Wat hoort nu in het dossier?

Als u bezwaar heeft tegen de aan u opgelegde belastingaanslag kunt u in bezwaar gaan. Daarbij kunt u vragen om gehoord te worden en om dossierinzage vragen. De stukken moeten dan een week voor het horen ter inzage worden gelegd (art. 7:4 Algemene wet bestuursrecht, AWB).

De Belastingdienst moet zorgdragen voor een compleet dossier. Alles wat voor de belastingheffing van belang kan zijn moet er in zitten en zeker alles wat voor het opleggen van de aanslag is gebruikt.

Komt u er in bezwaar niet uit, dan kunt u naar de belastingrechter. Daarbij geldt dat de Belastingdienst verplicht is ‘de op de zaak betrekking hebbende stukken’ naar de rechter te sturen (art. 8:42 Awb). Daarvan krijgt u dan een kopie.

De Belastingdienst is ‘zuinig’ op zijn informatie en blijkt vaak van mening dat een bepaald stuk niet in het dossier hoort. Dat levert vaak discussie op, als u al weet dat er een stuk is of zou moeten / kunnen zijn.

Wat doet de belastingrechter voor een compleet dossier?

De belastingrechter is niet verplicht te onderzoeken of het dossier dat hij krijgt compleet is. Vaak blijft de check beperkt tot de basistukken, zoals de aanslag, het bezwaarschrift, het beroepschrift en de reactie daarop van de Belastingdienst.

Als u meent dat het dossier niet compleet is omdat de Belastingdienst stukken achterhoudt, moet u voldoende duidelijk aangeven op welk stuk dat betrekking heeft en waarom het ontbrekende stuk van belang kan zijn. Het in algemene termen klagen dat het dossier niet compleet is, is onvoldoende.

Deskundige bijstand is daarbij noodzakelijk, omdat wij weten wat er in een dossier behoort te zitten en gemotiveerd kunnen aangeven welke stukken waarschijnlijk ontbreken of makkelijk door de Belastingdienst kunnen worden vergaard.

Conclusie

De Belastingdienst is terughoudend met het verstrekken van - voor hem nadelige - informatie aan u en aan de rechter. Schakel een deskundige in om in elk geval een volledig dossier te krijgen en ook overigens een eerlijke rechtsgang.

Jurisprudentie

Hoge Raad 6 juli 2018.

Zonder volledig dossier geen eerlijk proces [news] 2018-07-23 0000-00-00 0000-00-00 5631

Bewijslast na overlijden

Reeds jaar en dag is iedereen verplicht in zijn belastingaangifte de ‘gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen' (art. 8 Algemene wet inzake Rijksbelastingen, AWR). Bovendien moet iedereen de Belastingdienst de door hem gestelde vragen beantwoorden.

Als niet de vereiste aangifte is gedaan (art. 25 AWR) of niet voldoende inlichtingen zijn verstrekt (art. 52a AWR), volgt de zogenoemde ‘omkering van de bewijslast’. Dat betekent dat u moet bewijzen dat de opgelegde aanslag te hoog is, een schier onmogelijke opgave.

Onze hoogste rechter – de Hoge Raad – vindt dat geen straf maar een administratieve maatregel om ervoor te zorgen dat de Belastingdienst de benodigde gegevens krijgt om een juiste belastingaanslag op te leggen.

Toch voelt de ‘omkering’ als een straf.

Wat nu bij overlijden?

Bij het overlijden van de belastingplichtige ‘vererft’ de belastingaanslag gewoon mee. De vraag is nu of de ‘omkering van de bewijslast’ ook mee vererft. Dan moeten de erfgenamen bewijzen dat de belastingaanslag aan de erflater niet te hoog is. Een nog onmogelijker taak voor de erfgenamen, die vaak niet van de hoed en de rand weten.

Toch heeft de Hoge Raad recent beslist dat de ‘omkering van de bewijslast’ ook op de erfgenamen rust. Een zware dobber dus.

Schrale troost

Een troost mag zijn dat de aan de overledene opgelegde boete wel vervalt (art. 5:42 Awb).

Conclusie

De greep van de fiscus verslapt niet bij overlijden. Ook het doen van belastingaangifte namens de overledene vergt de nodige precisie.

Jurisprudentie

Hoge Raad 6 juli 2018.

Bewijslast na overlijden [news] 2018-07-23 0000-00-00 0000-00-00 5632

Procederen zonder machtiging

Een belastingplichtige kan zich in een procedure laten vertegenwoordigen. De rechter kan en zal een schriftelijke machtiging [1] vragen om te bewijzen dat degene die stukken indient daartoe ook bevoegd is (art. 8:24 Awb).

Wat nu als er geen machtiging is?

Zonder machtiging is er geen vertegenwoordigingsbevoegdheid. Een bezwaar- of beroepschrift zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. De weg naar de rechter is dan feitelijk afgesloten.

Zijn er dan geen uitzonderingen?

Soms bestaat het fiscale procesrecht bij de gratie van uitzonderingen. Ook hier is een uitzondering mogelijk. Het moet dan wel gaan om een uitzonderlijke situatie.

De Hoge Raad heeft recent beslist dat in de volgende casus geen machtiging nodig was.

Dennis [2] is de gemachtigde van de heer Jansen. De heer Jansen is het niet eens met een belastingaanslag en Dennis komt voor meneer Jansen in bezwaar en later in beroep bij de belastingrechter. De uitspraak van de rechter is ongunstig. Een week na de uitspraak overlijdt meneer Jansen. Daarmee eindigt ook de volmacht van Dennis.

Toch tekent Dennis tegen de uitspraak hoger beroep aan. Omdat de heer Jansen is overleden en diens rechten vererven, moet dat namens de erfgenamen. Van hen heeft Dennis echter geen machtiging. Onduidelijk is namelijk wie de erfgenamen zijn. De wel bekende erfgenamen hebben de erfenis verworpen en kunnen dus geen volmacht geven.

De Hoge Raad gaat te rade in het Burgerlijk Wetboek en past zaakwaarneming (art. 6:198 BW) toe.

“Het moet daarbij echter gaan om een uitzonderlijk geval. De zaakwaarnemer dient te stellen en aannemelijk te maken dat aan de eisen van artikel 6:198 BW is voldaan. Van die stelplicht is onderdeel dat de zaakwaarnemer stelt en aannemelijk maakt dat de belanghebbende (tijdelijk) niet zelf in rechte kan optreden en redelijkerwijs ook niet een vertegenwoordiger heeft kunnen aanwijzen.”

In dit geval is de Hoge Raad van oordeel dat het aannemelijk is dat Dennis zich in dit geding op redelijke grond inlaat met de behartiging van het belang van ondanks onderzoek onbekend gebleven erfgenamen.

Het beroep is ontvankelijk; de zaak kan beginnen!

Voor de volledigheid merkt de Hoge Raad nog wel op dat belanghebbende (als die alsnog opduikt) gebonden is aan de uitspraak die de rechter doet.

Conclusie

Regel een volmacht of bel 06 -389 28 100.

Jurisprudentie: Hoge Raad 15 juni 2018.




[1] Advocaten hebben geen machtiging nodig.

[2] De gekozen namen zijn volstrekt willekeurig.

Procederen zonder machtiging [news] 2018-07-23 0000-00-00 0000-00-00 5633

Hoe zit het eigenlijk met de verjaring van belastingschulden?

Evenals het civiele recht kent ook het fiscale recht verjaringstermijnen. Deze verjaringstermijnen zijn ervoor om de belastingplichtige rechtszekerheid te geven. Na een bepaalde periode is de termijn voor het opleggen van een navorderingsaanslag of naheffingsaanslag niet meer mogelijk. Daarnaast gelden er ook verjaringstermijnen voor reeds geformaliseerde belastingschulden.

Wat is de navorderingstermijn bij de aanslagbelasting?

De verjaring van aanslagbelastingen (inkomsten-, vennootschaps-, schenk-, erf- en overdrachtsbelasting) is geregeld in artikel 16 algemene wet inzake rijksbelasting (“AWR”). Hierin is opgenomen dat belastingaanslagen verjaren na verloop van een periode van 5 jaar. Is het inkomen of vermogen echter opgekomen in het buitenland, dan wordt de navorderingtermijn verlengd tot 12 jaar. Indien deze termijnen van 5, respectievelijk 12 jaar zijn verstreken, dan kan er geen navorderingsaanslag worden opgelegd. Wordt er een navorderingaanslag buiten de termijn opgelegd, dan zal een bezwaar- of beroepschrift volstaan met een beroep op verjaring.

Uitstel leidt tot verlening van de navorderingstermijn

Indien er uitstel is verleend voor het indienen van de aangifte, dan wordt de navorderingstermijn verlengd met het verleende uitstel. Voor het doen van aangifte inkomsten- en vennootschapsbelasting wordt er doorgaans 5, 11 of 12 maanden uitstel verleend voor het doen van de aangifte. Het verleende uitstel verlengt de navorderingstermijn.

De naheffingstermijn bij de aangiftebelasting

De verjaring van aangiftebelasting (loon-, omzet-, dividend-, kansspelbelasting, accijnzen, autobelastingen en milieuheffingen) is geregeld in artikel 20 AWR. Hierin is opgenomen dat de bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag verjaart na verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan dan wel de teruggaaf is verleend. Bij aangiftebelastingen wordt geen uitstel verleend voor het doen van aangifte, deze verjaringstermijn zal derhalve niet verlengd worden.

Informatiebeschikking en de verlening van de navorderings- en naheffingstermijn

De hiervoor benoemde termijnen kunnen worden verlengd indien er een informatiebeschikking is opgelegd. De navorderingstermijn wordt verlengd met de periode tussen de bekendmaking van de met betrekking tot die belastingaanslag of beschikking genomen informatiebeschikking en het moment waarop deze informatiebeschikking onherroepelijk komt vast te staan of wordt vernietigd. De verlenging geldt zowel voor de aanslag- als aangiftebelasting.

Voorbeeld

Over het jaar 2012 is er een boekenonderzoek ingesteld, waarna er op 3 maart 2018 een naheffingsaanslag omzetbelasting en een navorderingsaanslag inkomstenbelasting worden opgelegd. In beginsel lijken zowel de navorderingsaanslag inkomstenbelasting als de naheffingsaanslag omzetbelasting verjaard. Echter, indien er uitstel is verleend voor het doen van de aangifte inkomstenbelasting, is de navorderingstermijn nog niet verstreken. Voor de omzetbelasting wel.

Stel, er is medio 2017 een informatiebeschikking uitgereikt die na verloop van 6 maanden is vernietigd. In dat geval wordt de navorderingstermijn verlengd met 6 maanden en betekent dat ook de naheffingsaanslag omzetbelasting tijdig is opgelegd.

Wanneer verjaren reeds geformaliseerde belastingschulden?

Indien er een belastingaanslag is opgelegd, dan kan verjaring plaatsvinden op grond van de algemene wet bestuursrecht (“AWB”). Verjaring van een belastingaanslag vindt plaats 5 jaar nadat de betaaltermijn is verstreken. Dit geldt voor alle belastingen, dus zowel voor de aangifte als aanslagbelasting. De termijn van 5 jaar kan echter worden gestuit, dit door een aanmaning, beschikking tot verrekening of dwangbevel dan wel door een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel. In de praktijk is het dan ook zeer lastig te achterhalen of een openstaande belastingschuld nog invorderbaar is. Mocht in de afgelopen 5 jaar ergens een aanmaning of dwangbevel zijn ontvangen, dan herleeft namelijk de verjaringstermijn van 5 jaar weer.

Hoe zit het eigenlijk met de verjaring van belastingschulden? [news] 2018-08-07 0000-00-00 0000-00-00

Evenals het civiele recht kent ook het fiscale recht verjaringstermijnen. Deze verjaringstermijnen zijn ervoor om de belastingplichtige rechtszekerheid te geven.

5635

Welke stukken moet de Belastingdienst verstrekken?

De Inspecteur (lees Belastingdienst) vindt het vaak lastig om u alle informatie die ze in hun bezit hebben te verstrekken. Voor een procedure moeten echter alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan u worden verstrekt. Dit zijn ook stukken die niet bij de beoordeling zijn meegewogen. U heeft zowel voor een zitting (in de bezwaarfase) recht om deze in te zien (dossierinzage). Het blijft altijd wel de vraag of er stukken uit uw dossier zijn gehaald en/of de Belastingdienst bereid is om de stukken te verstrekken. Soms stelt een Inspecteur dat bepaalde stukken er niet in zitten i.v.m. privacy van een ander en/ of in verband met een geheimhouding. Normaliter krijgt u de stukken wel in een procedure omdat bij een procedure deze stukken moeten worden overlegd (artikel 8:42 AWB).

Wat zeggen rechters over "op de zaak betrekking hebbende stukken"?

Over dit onderwerp wordt veel geprocedeerd. Een paar belangrijke uitspraken/ arresten:

  1. De Hoge Raad (ons hoogste rechtscollege) stelt, dat de Inspecteur verplicht is dat alle stukken die een rol spelen bij de besluitvorming tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren. Het moet dus om een volledig en logisch dossier gaan. Soms is geheimhouding (wegens een gewichtige reden) noodzakelijk. De stukken hoeven dan niet te worden verstrekt (artikel 8:29 AWB). Soms mag de rechter deze stukken wel zien en de belastingplichtige niet. Dit is recentelijk nog verder uitgebreid door de Hoge Raad (zie onder).
  2. In een procedure bij het Gerechtshof (november 2017) kwam er een heldere opstelling en mening van de rechter. De Belastingdienst verstrekte in deze casus veel te weinig informatie omdat het naar haar mening “interne stukken waren”. In deze casus ging het over een document (het zogenaamde pr weegdocument) dat de FIOD verstrekt aan het Openbaar Ministerie. Hierbij moet het OM beoordelen of de door de Belastingdienst aangedragen informatie zich voldoende leent om tot een strafrechtelijk onderzoek over te gaan. In dit document staat vaak nuttige informatie voor een belastingplichtige en veelal ook een doorkijk naar hetgeen de Belastingdienst in haar bezit heeft en waarin de verdenkingen richting de belasting-plichtige worden verwoord.De verslagen die daarna worden geschreven (dus hoe het onderzoek verloopt) kunnen ook relevant zijn. Als een zaak niet door het OM wordt opgepakt, zal hierin staan waarom hiertoe is besloten. Dit zijn vaak de zwakkere plekken in het verhaal en/ of de stukken van de Belastingdienst.Volgens het Gerechtshof moeten dergelijke documenten gewoon door de Belastingdienst/ Inspecteur of ontvanger worden verstrekt. De belangen van de Belasting-dienst (geheimhouder) wegen hierbij minder zwaar dan de belangen van de belastingplichtige.
  3. In een arrest van de Hoge Raad (augustus 2018) wordt er nog breder gekeken naar "op de zaak betrekking hebbende stukken". Het hoeft niet te gaan om stukken die de Inspecteur heeft of had kunnen gebruiken voor zijn beslissing in de bezwaarfase of bij het opleggen van de aanslag. Ook stukken (mits relevant) die daarna boven tafel komen en van belang kunnen zijn moeten door de Inspecteur worden verstrekt. Dit zelfs als de Inspecteur stelt, dat hij de stukken niet heeft laten meewegen bij zijn beslissing. Dit arrest is anders dan de uitspraak van het Gerechtshof.

Noot fiscaal jurist over inzage stukken

Veel collega belastingadviseurs laten een dossierinzage voor wat het is. Het zou hun positie richting de Belastingdienst geen goed doen en/ of er zou wantrouwen uit spreken. Als u echter de stukken van de Belastingdienst heeft weet u precies hoe de Belasting-dienst tot een oordeel is gekomen. Hiermee kunt u ook eenvoudiger uw verdediging op papier zetten. Het maakt de Belastingdienst niet uit dat u van uw wettelijk recht gebruikmaakt.

Bron dossierinzage Belastingdienst

Gerechtshof 10 november 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:4838).

Hoge Raad 15 januari 2016 nr. 14/02925, ECLI:NL:HR:2016:39.

Hoge Raad 17 augustus 2018 ECLI:NL:HR:2018:1319

Hoge Raad 25 april 2008, nrs. 43448 en 43791, ECLI:NL:HR:2008:BA3823 en ECLI:NL:HR:2008:BB5868.

Hoge Raad 15 november 2013, nr. 12/0606, ECLI:NL:HR:2013:1129.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 oktober 2014, 13/00842-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2014:4205.

Stukken opvragen bij Belastingdienst [news] 2018-08-22 0000-00-00 0000-00-00 5654

Belastingdienst moet informatie verstrekken

Dat de Belastingdienst moeite heeft om tijdig en volledige stukken te verstrekken aan de belastingplichtige beschreven we al in Welke stukken moet Belastingdienst verstrekken. De verplichting van de Belastingdienst om stukken in het geding te brengen is nu door de Hoge Raad verder uitgewerkt. Het moet gaan om "op de zaak betrekking hebbende stukken (voor de liefhebber, artikel 8:42 lid 1 AWB). Dit hoeft niet als de inspecteur (oprecht en eerlijk) kan beroepen op zijn geheimhouding wegens gewichtige redenen (8:29 AWB).

De Belastingdienst moet uit eigen beweging en bij weigering op verzoek van de rechter vaak meer informatie verstrekken dan dat u spontaan krijgt. U moet er echter wel om vragen en dus scherp bekijken of uit de processtukken volgt, dat er nog informatie over uw dossier beschikbaar zou kunnen zijn.

Welke informatie moet de Belastingdienst in fiscale procedure verstrekken?

Gegevens uit een database moeten worden verstrekt als zij van belang zijn voor de aan de orde zijnde zaak en voor de Belasting-dienst daarvoor raadpleegbaar zijn of waren. Als een aanslag (of andere beschikking) is opgelegd met behulp van een geautomati-seerd proces moet de Belastingdienst desgevraagd dat proces zodanig inzichtelijk maken, dat de gemaakte keuzes en de daarbij gebruikte gegevens en aannames controleerbaar en betwistbaar zijn. In gewoon Nederlands; het mag geen zwarte doos zijn waarvan de uitkomst niet controleerbaar is[1][2][3].

Ook moet de Belastingdienst de stukken die op de zaak betrekking hebben uit eigen beweging verstrekken. Een belastingplichtige moet niet moeten hengelen naar informatie.

Het gaat dus om de volgende stukken:

  1. gegevens uit uw dossier welke bij de beoordeling van de aanslagen / aangiften is gebruikt;  
  2. interne stukken (zoals memo's, standpunten van de kennisgroep, etc.) (HR 29 juni 2012). De belastingdienst is vaak een andere mening toegedaan, deze is niet juist. Ik vind de uitleg van de Hoge Raad wel erg ruim
  3. informatie uit een database (waarin u bent opgenomen);
  4. electronisch bewaarde stukken (HR 20 december 2013)
  5. informatie welke in het dossier ligt, voor de aanslag zijn gebruikt en in de beroepsfase niet meer relevant zijn (HR 4 mei 2018)
  6. gegevens welke tijdens de bezwaar of beroepsfase bekend zijn geworden (HR 4 mei 2018)
  7. informatie waarbij het geautomatiseerde proces inzichtelijk wordt gemaakt (bijvoorbeeld bij verzenden brieven of beoordelen aangiften);
  8. informatie uit een strafdossier (mits van belang bij de besluitvorming) HR 5 oktober 2018;
  9. interne taxatierapporten of memo's.

Belastingdienst verstrekt informatie vaak niet spontaan

Beide elementen – het inzichtelijk maken van de processen en het pro-actief verstrekken van stukken – lijkt niet dominant aanwezig in het DNA van de Belastingdienst. Transparantie is een modewoord. Toch komt het te vaak voor, dat de Belastingdienst stukken achterhoudt of niet volledig is in de informatievoorziening.

Daar waar de belastingplichtige verplicht wordt volledig openheid van zaken te geven (duidelijk, stellig en zonder voorbehoud zoals de wetgever het noemt) mag van de Belastingdienst ten minste worden verwacht dat deze ook transparant is.

Proceduredruk in fiscale zaken

Transparantie is er niet slechts ter bevrediging van de nieuwsgierigheid. Het is niet voor niets dat de wetgever voor de bezwaarfase groot belang hecht aan het verstrekken van informatie, belastingplichtigen het recht hebben te worden gehoord en de belasting-rechter bij voorkeur de belastingplichtige zelf bevraagt. Alles is erop gericht de juiste feiten te verzamelen en inzicht te verschaffen in het geschil.

Als de Belastingdienst serieus werk maakt van transparantie en steeds snel en uit eigen beweging alle relevante informatie ver-schaft, zal het inzicht bij de belastingplichtigen toenemen waardoor het beginnen van een procedure vaak niet meer nodig blijkt. Voorzover een procedure wel aan de orde is kan deze sneller, effectiever en efficiënter worden gevoerd.

Stukken uit strafdossier FIOD bij belastingdienst

Als de Belastingdienst (op grond van artikel 55 AWR ev) informatie heeft ontvangen van de FIOD, politie of het Openbaar Ministerie dan zitten deze stukken in uw dossier bij de Belastingdienst. De daadwerkelijk verstrekte stukken behoren in principe tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. De belastingplichtige kan via deze route vaak eerder zicht krijgen op het strafdossier. Vraag ook het formulier waarbij de inspecteur de stukken heeft opgevraagd, zo is duidelijk wat er is opgevraagd.

Het kan ook zijn dat belastingdienst medewerkers hebben samengewerkt met de FIOD of het OM. In deze hoedanigheid hebben zij toegang gehad tot uw strafdossier. Op grond van een arrest van de Hoge Raad (5 oktober 2018) moeten ook deze stukken worden verstrekt.

Consequenties niet overleggen stukken

Als de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overlegt dan kan de rechter (artikel 8:31 AWB) dan kan de rechter alle kanten op (de route die de rechter geraden voorkomt). De meest verstrekkende gevolgtrekking is dat de belastingaanslagen worden vernietigd

Conclusie fiscaal jurist inzake fiscale procedures

De ‘Dikke Van Dale’ kent maar één definitie van doorluchtig (aanzienlijk, voornaam). Wikitionary heeft er een tweede bij: licht en lucht doorlatend. Oftewel: transparant. Hopelijk schuift de traditionele Belastingdienst snel een heel stuk op van de eerste naar de twee betekenis zodat nog lang sprake kan zijn van de Doorluchtige Belastingdienst.

Het verstrekken van informatie en verschaffen van inzicht door de Belastingdienst gaat lang niet altijd automatisch en dan ook nog met horten en stoten. Dat past niet meer in de huidige tijd en is bovendien niet meer vol te houden. Tijd voor een Doorluchtige Belastingdienst.

Als de inspecteur informatie niet verstrekt dan zitten hier eigenlijk geen consequenties aan, dat is jammer en staat een goede proc-esorde in de weg. Tja.. wie zou het goede voorbeeld moeten geven.. dit is voor ons nog altijd de overheid. Wij hopen dat deze arresten zorgen voor meer openheid. Als dat niet zo is, dan moet u er bij de rechter op aandringen en gericht om informatie vragen ! Procederen kunt u in fiscale zaken zelf maar als u de beste kansen wilt, moet u nog steeds bij specialisten zijn. Wij helpen u graag en tegen normale tarieven.

Bron Belastingdienst moet informatie verstrekken

[1]Hoge Raad 17 augustus 2018 I

[2]Hoge Raad 17 augustus 2018 II

[3]Hoge Raad 17 augustus 2018 III

Hoge Raad 14 mei 2018 ECLI:NL:HR:2018:676

Hoge Raad 20 december 2013 ECLI:NL:HR:2013:1776

Hoge Raad 5 oktober 2018 ECLI:NL:HR:2018:1863

Hoge Raad 29 juni 2012 ECLI:NL:HR:2012:BW9850

Belastingdienst moet informatie verstrekken [news] 2018-09-11 0000-00-00 0000-00-00 5674

Dossierinzage Belastingdienst voordelig

In een bezwaar- en beroepsprocedure heeft u recht om uw (volledige) dossier bij de Belastingdienst in te zien. U mag afschriften nemen van stukken uit het dossier (soms tegen een kostenvergoeding). Soms zitten niet alle stukken in het dossier. Het gaat om stukken welke de Belastingdienst ter beschikking heeft gehad en niet om informatie welke de Belastingdienst nog in haar bezit heeft. Daarnaast kan het zijn dat, als de Belastingdienst spullen niet verstrekt, ook de primaire aanslag van tafel gaat.

Neem bij dossierinzage deskundige mee

Bij een dossierinzage moet u op detailniveau door uw dossier, dit dossier kan zowel in papieren vorm en vaak ook in digitale vorm (intern noemt met dit bij de Belastingdienst het TOP dossier) aanwezig zijn. U moet allert zijn op stukken die aantoonbaar ontbreken, dit kan gaan om memo's, mails, telefoonnotities, etc. Het gaat erom dat op grond van uw dossier aanslagen konden worden opgelegd. Hierbij moet de inspecteur in het bezit zijn van voldoende stukken. Volgens de Hoge Raad gaat het hierbij ook om stukken die de Belastingdienst ter beschikking hebben gestaan.

Het moet dus gaan om stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het besluit. Dit kunnen voor u positieve en negatieve stukken zijn. De Hoge Raad heeft het begrip "op de zaak betrekking hebbende stukken" verder verruimd. Dit is prettig en komt u als belastingplichtige goed uit. Stukken welke in uw voordeel zijn moeten dus ook in het dossier zitten.

Welke stukken zijn aanwezig bij dossierinzage?

  • Wettelijk gaat het om de "op de zaak betrekking hebbende stukken".
  • Deze stukken heeft de inspecteur geraadpleegd om tot een juist besluit te komen.
  • Stukken die de Belastingdienst gedurende de procedure heeft ontvangen.
  • Ook stukken die niet voor het besluit zijn gebruikt moeten in uw dossier zitten.
  • Als in een document gedeeltelijk informatie staat welke op uw zaak betrekking heeft, dan moet het document in z'n geheel in uw dossier zitten. Hierbij kan het gaan om memo's, informatie uit databanken, etc.
  • Stukken van andere organisaties, zoals het Openbaar Ministerie, de FIOD of andere onderdelen van de Belastingdienst, moeten ook in uw dossier zitten.
  • Een strafdossier waaruit de inspecteur informatie heeft gehaald voor het opleggen van aanslagen moet in z'n geheel aan u worden verstrekt.

Er zijn stukken uit uw dossier, en dan?

Als de Belastingdienst stukken niet verstrekt of uit uw dossier heeft gehaald, dan kan er discussie ontstaan. Het is ook de vraag of u dit te weten komt of kunt zien. Een ervaren fiscaal jurist die zorgvuldig uw dossier gaat raadplegen is dan ook wenselijk. Op grond van de algemene wet bestuursrecht (artikel 8:31) moet de inspecteur de stukken aan de rechter verstrekken, als hierom wordt verzocht. Als dit niet is gebeurd (en er dus stukken ontbreken), dan kan een rechter de aanslagen welke zijn opgelegd hierom vernietigen.

Vragen over dossierinzage Belastingdienst

Als u vragen of opmerkingen heeft over een dossierinzage of beroepsprocedure, neem dan gerust contact met ons op.

Bron dossierinzage belastingdienst

Hoge Raad d.d. 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672.

Hoge Raad d.d.17 augustus 2018: ECLI:NL:HR:2018:1315.

Gerechtshof Amsterdam 31 juli 2018 ECLI:NL:GHAMS:2018:2591.

Dossierinzage voordelig [news] 2018-12-05 0000-00-00 0000-00-00 5784

Betalingsonmacht en aansprakelijkheid

Betalingsonwil is geen betalingsonmacht

Bestuurdersaansprakelijkheid bij betalingsonmacht

Als uw B.V. de belasting niet kan betalen, moet u dat als bestuurder tijdig bij de Belastingdienst melden. Als u niet tijdig meldt, bent u in beginsel aansprakelijk voor de niet betaalde belasting.

Betalingsproblemen of niet?

Een B.V. heeft grote schulden voor de omzetbelasting en de loonbelasting, in elk geval zo’n € 1,5 miljoen. De schulden hebben betrekking op recente tijdvakken, maar ook op naheffingen over oude jaren. Daarnaast heeft de B.V. nog een grote schuld in rekening-courant (€ 2 miljoen) aan de aandeelhouder. Ook is er nog een aparte lening van de aandeelhouder van € 750.000 en wat overige crediteuren (€ 160.000). Tegen het einde van 2007 en begin 2008 meldt de bestuurder aan de Belastingdienst dat de omzetbelasting en de loonbelasting over de laatste tijdvakken niet meer kunnen worden betaald (de zogenoemde melding betalingsonmacht).

In de loop van 2007 is echter wel de rekening-courant aan de aandeelhouder afgelost voor een bedrag van zo’n € 2 miljoen (waarvan zo’n € 425.000 na de eerste melding betalingsonmacht). In 2008 is de lening van € 750.000 van de aandeelhouder goeddeels afgelost. Ook zijn vanaf december 2007 overige crediteuren betaald.

De Belastingdienst stelt dat niet tijdig de melding betalingsonmacht is gedaan en stelt de bestuurder aansprakelijk voor zo’n € 1,5 miljoen. De bestuurder komt in bezwaar en beroep. Het Gerechtshof vermindert de aansprakelijkstelling tot op € 750.000.

Bij de Hoge Raad blijkt dat het Gerechtshof wat steken heeft laten vallen.

  • De bestuurder had namelijk gesteld dat er geen sprake was van betalingsonmacht, maar van betalingsonwil. Dus: de B.V. kon het wel betalen, maar wilde dat niet en gaf de voorkeur aan betaling van de aandeelhouder (tevens bestuurder) en wat andere crediteuren.
  • Het Gerechtshof verzuimt vast te stellen (vanaf) wanneer er sprake was van betalingsonmacht. Daarmee kan niet worden bepaald of inderdaad te laat gemeld is.

Nu mag een ander Gerechtshof uitzoeken wanneer er sprake was van betalingsonmacht (en of daarvan wel tijdig melding is gedaan).

Opmerking fiscaal jurist over betalingsonmacht

De melding betalingsonmacht is een voor de Belastingdienst makkelijke methode om op de hoogte te raken van betalingsproblemen én een eenvoudige manier om bestuurders aansprakelijk te stellen en daarbij de bewijslast op de bestuurder te leggen. De Belastingdienst moet dan wel ‘binnen de lijntjes kleuren’ en vaststellen dat sprake is van betalingsonmacht en vanaf wanneer.

In de bovenstaande casus lijkt de Hoge Raad (met het Gerechtshof) uit te gaan van betalingsonmacht, maar onduidelijk is (vanaf) wanneer. Een ander Gerechtshof mag dat nu uitzoeken.

Komt onze bestuurder nu goed weg?

Uit de uitspraken blijkt dat na de eerste melding in november 2007 nog aanzienlijke bedragen zijn betaald op de rekening-courant van de aandeelhouder, de lening van de aandeelhouder en crediteuren. Dat suggereert dat er voldoende middelen waren om (het gros van) de belastingaanslagen te betalen. Er lijkt daarmee (nog) geen betalingsonmacht eind 2007 / begin 2008.

Van de andere kant is het dan wel de vraag waarom er wel (een aantal malen) betalingsonmacht is gemeld. Dat doe je immers niet uit plezier en roept een vragenformulier van de Belastingdienst op.

Afwachten dus wat er in het verdere traject gebeurt …

Conclusie inzake betalingsonmacht of onwil

Meld tijdig uw betalingsproblemen bij de Belastingdienst. Bent u te laat en aansprakelijk gesteld wegens te laat melden, bel uw adviseur en kijk met hem / haar of er echt betalingsonmacht was.

Waarschuwing:

Dit is geen vrijbrief om er ‘een potje van te maken’. U bent namelijk ook aansprakelijk als aannemelijk is dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan u te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de drie voorafgaande jaren. Dat wanbestuur moet de Belastingdienst dan wel bewijzen.

Bent u ook aansprakelijk gesteld door de Belastingdienst?

Neem dan direct contact op met uw fiscaal jurist. Deze kan o.a. beoordelen of:

  • terecht en naar de wettelijke maatstaven aansprakelijk is gesteld;
  • voor het juiste bedrag aansprakelijk is gesteld;
  • er inderdaad een betalingsverzuim is;
  • er redenen zijn om de aansprakelijkstelling ‘af te schudden’.

De aansprakelijkstelling dient aan strikte voorwaarden te voldoen. De Belastingdienst veronachtzaamt die nogal eens. Dat kunnen wij voor u beoordelen.

Uitspraken inzake betalingsonmacht

Hoge Raad 14 december 2018.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13 juli 2017.

Voorbeeldformulier betalingsonmacht.

Betalingsonmacht en aansprakelijkheid [news] 2019-01-03 0000-00-00 0000-00-00 5792

Is dwangsom loon

Inleiding over dwangsom en belastingheffing

Ook ambtenaren hebben wel eens te maken met de overheid. Een verzoekje hier, een bezwaar daar. Soms is die overheid ook hun werkgever. Maar ook dan moet de overheid zich aan de formele regels houden. Als de overheid niet tijdig beslist, kan zij een dwangsom verschuldigd worden. Ook aan ambtenaren.

Is over de dwangsom belasting verschuldigd?

Nu was er een overijverige bestuurder die meende dat de ambtenaren over de hen toegekende dwangsom belast is met loonbelasting. Dit vanuit het ruime loonbegrip van de loonbelasting:

  • “Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.”
  • Of als vuistregel: alles wat van de werkgever komt is loon.

Een politieagent die verzocht om herwaardering van zijn functie, moest daarop te lang wachten en kreeg een dwangsom toegekend, die de werkgever vervolgens belastte. Hetzelfde voor een militair piloot die om meer vlieguren had verzocht en een andere militair vlieger over de tijd van zijn dienstverplichting.

Alle drie krijgen nu gelijk van de Hoge Raad. De dwangsom wordt het bestuursorgaan uitsluitend verschuldigd in zijn hoedanigheid van bestuursorgaan. Daarbij is niet van belang of de aanvrager van een beschikking in een dienstbetrekking staat tot dat bestuursorgaan. De vaststelling van de dwangsom vindt als zodanig geen grondslag in die dienstbetrekking en strekt niet tot nakoming van een uit die dienstbetrekking voortvloeiende verplichting.

Noot fiscaal jurist over dwangsom en belastinheffing

Eigenlijk is het te gek voor woorden dat voor zo’n zaak de Hoge Raad wordt belast. Dat de wetgever er zekerheidshalve voor kiest het loonbegrip ruim te formuleren mag niet leiden tot onnodig formalisme. Ergens wel zorgelijk dat tot op het niveau van de Staatssecretaris het gevoel ontbreekt dat het eenvoudigweg niet de bedoeling kan zijn dat dit niet in de belastingheffing thuishoort.

Bron dwangsom en loonbelasting

Arrest Hoge Raad dwangsom politie.

Arrest Hoge Raad dwangsom vlieger 1.

Arrest Hoge Raad dwangsom vlieger 2.

Is dwangsom loon? [news] 2019-02-15 0000-00-00 0000-00-00 5820

DGA aansprakelijk voor belastingschulden

Tijdig betalingsonmacht schriftelijk melden is van essentieel belang als uw B.V. belastingschulden niet kan betalen.

DGA niet zomaar aansprakelijk voor belastingschulden B.V.

Als uw B.V. belastingaanslagen niet kan betalen, moet dat tijdig gemeld worden bij de Belastingdienst. Doet u dat niet, dan bent u aansprakelijk voor die schulden. Als u wel tijdig meldt, bent u niet aansprakelijk tenzij de Belastingdienst bewijst dat sprake is van zogenoemd kennelijk onbehoorlijk bestuur. Maar als het aan de opzet of grove schuld van de B.V. te wijten is dat de belasting hoger is dan aangegeven en afgedragen, kunt u niet meer tijdig melden (en bent u aansprakelijk).

Nu heeft de Hoge Raad beslist dat – als wel tijdig de betalingsonmacht is gemeld – de Belastingdienst niet als reden van kennelijk onbehoorlijk bestuur kan stellen dat de belasting hoger is dan aangegeven en afgedragen.

Betalingsonmacht en aansprakelijkheid bestuurder

Een uitzendbureau had een aantal Polen in dienst. Uit een tip aan het UWV bleek dat reiskostenvergoedingen en lunchkostenvergoedingen zonder inhouding van loonheffingen werden vergoed, zonder dat (gecontroleerd werd of) deze kosten ook werkelijk zijn gemaakt door de werknemers. Naar aanleiding van onderzoek legt de Belastingdienst een naheffingsaanslag loonheffing op van ruim € 150.000. Het uitzendbureau betaalt niet, maar meldt dat wel op tijd.

Daarop wordt de DGA aansprakelijk gesteld voor de volle € 150.000. De Belastingdienst erkent daarbij dat tijdig de melding betalingsonmacht is gedaan. Zij meent echter dat de aansprakelijkstelling terecht is omdat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur (in de drie jaar voorafgaand aan de naheffingsaanslag). Dat kennelijk onbehoorlijk bestuur bestond volgens de Belastingdienst uit het niet aangeven en afdragen van de loonheffing.

Arrest Hoge Raad over aansprakelijkheid bestuurder

De Hoge Raad is er vlot klaar mee en roept de Belastingdienst tot de orde. De redeneerwijze van de Belastingdienst. Letterlijk:

  • “loonbelasting en premie volksverzekeringen [zijn] nageheven die meer beliepen dan (…) aangegeven. Op grond daarvan is bij uitsluiting de meldingsregeling van (…) toepassing. (…) Gelet op de (…) oordelen van het Hof, moet ervan worden uitgegaan dat (…) rechtsgeldige melding van betalingsonmacht is gedaan (…) Dit brengt mee dat (…) de Ontvanger aannemelijk diende te maken dat het niet betalen van de naheffingsaanslag is te wijten aan kennelijk onbehoorlijk bestuur
  • (…). Daarbij kan de omstandigheid dat de verschuldigde belasting en premie meer belopen dan die welke overeenkomstig de aangiften zijn afgedragen, niet als verwijt aan belanghebbende in aanmerking worden genomen."

Omdat er uit het dossier geen feiten blijken die wel leiden tot kennelijk onbehoorlijk bestuur, gaat de aansprakelijkstelling volledig van tafel.

Noot fiscaal jurist over bestuurdersaansprakelijkheid

Eens temeer blijkt hoe belangrijk het is tijdig de betalingsonmacht bij de Belastingdienst te melden als uw B.V. de belasting niet kan betalen. Doet u dat niet tijdig, dan bent u doorgaans ‘de Sjaak’. Dus als u de belasting niet kunt betalen of een naheffingsaanslag krijgt: neem contact op met uw adviseur en meld!

Als u toch aansprakelijk wordt gesteld, schakel dan direct een deskundige in. Aansprakelijkstellingen is een vak op zich en een goede adviseur kan de fouten eruit halen en beoordelen of de aansprakelijkstelling terecht is.

Jongbloed Fiscaal Juristen heeft ruime ervaring bij de bestrijding van aansprakelijkstellingen en aanslagen. Neem vrijblijvend contact op.

Bron aansprakelijkheid DGA voor belastingschulden

Arrest Hoge Raad geen aansprakelijkheid DGA.

Arrest Hoge Raad melding betalingsonmacht.

Aansprakelijkheid DGA voor belastingen [news] 2019-02-22 0000-00-00 0000-00-00 5825

Nieuw feit en navordering

In dit onderdeel diverse artikelen en rechtspraak over een nieuw feit binnen de belastingheffing. Er kan een navorderingsaanslag worden opgelegd als sprake is van een nieuw feit dat bij de Belastingdienst bij het vaststellen van de aanslag niet bekend was. Er zijn echter meer smaken, navordering is ook mogelijk indien:

  1. U geen aangifte heeft gedaan, terwij u dit wel moest doen;
  2. U bewust inkomsten of vermogen niet hebt opgegeven (nieuw feit is dan niet nodig);
  3. Er een fout is gemaakt door de Belastingdienst, welke voor u kenbaar was. Is de te weinig geheven belasting 30% of meer, dan kan altijd worden nagevorderd   

Nieuw feit en kwade trouw

Als de Inspecteur wil navorderen, moet er wel sprake zijn van een nieuw feit. Wist de Inspecteur al eerder van het feit dat er wellicht te weinig belasting wordt geheven (of kon hij dit weten), dan kan er niet worden nageheven, tenzij er sprake is van kwade trouw. Dit moet de Inspecteur dan wel aannemelijk maken.

Noot fiscaal jurist over nieuw feit

In de praktijk is er vaak discussie over "nieuw feit of niet". Dit is zeer afhankelijk van de feiten en omstandigheden, dus uw verhaal. De Inspecteur mag niet achterover leunen, maar hij mag er wel vanuit gaan dat u juist en volledig aangifte doet. Als u een boef bent, dan is navordering vaak wel mogelijk. Als u een eerlijke boef bent (u maakt wel melding van feiten over het belastbare feit), is navordering niet altijd mogelijk. De Inspecteur moet namelijk de aangifte zorgvuldig nalopen en verder onderzoek instellen als aan de juistheid van de aangifte kan worden getwijfeld. Hierbij moet hij gebruik maken van alle binnen de Belastingdienst (en soms daarbuiten) beschikbare informatie en kennis. Procederen over dit onderwerp is ons vak. Heeft u vragen, maak dan gerust een afspraak met één van onze specialisten.

Navordering en nieuw feit [news] 2019-07-31 0000-00-00 0000-00-00 6226

Vooroverleg Belastingdienst

Regelmatig overleggen wij met de Belastingdienst over internationale en nationale fiscale merites. Dit kan voor grotere bedrijven, maar zeker ook voor MKB bedrijven. Op grond van wetgeving, beleid en natuurlijk actuele jurisprudentie wordt - na overleg met de Belastingdienst - gekeken welke afspraak rechtens is. Zo weet de ondernemer vooraf waar hij / zij aan toe is.

Hoe werkt vooroverleg met de Belastingdienst?

In een advies of via een speciaal hiervoor gemaakt formulier zal er overleg plaatsvinden met de Inspecteur. In dit gesprek wordt een standpunt gevraagd van de Inspecteur in een specifieke fiscale situatie. Vooraf wordt er informatie aan de Belastingdienst verstrekt, de belangrijkste informatie is:

  • Namen van de betrokken (rechts)personen;
  • Gegevens gemachtigde (met volmacht);
  • Voor welke situatie vraagt u vooroverleg?;
  • Toelichting waarom u twijfelt en vooroverleg wenst;
  • Alle (fiscaal) relevante feiten en omstandigheden;
  • Beschrijving fiscale gevolgen van toekomstige handelingen;
  • Wat is uw standpunt?

Vooroverleg met de Belastingdienst eindigt vaak in een standpuntsbepaling en / of vaststellingsovereenkomst.

Noot fiscaal jurist over vooroverleg

Het is van belang dat u de feiten en omstandigheden klip en klaar op tafel legt. Een fiscaal expert kan vervolgens op grond van wetgeving, besluiten en jurisprudentie bepalen wat dan de consequenties zijn. Een zorgvuldige voorbereiding is van cruciaal belang. Een situatie die helder is opgenomen in wetgeving leent zich niet voor vooroverleg. Bij onzekerheid over de uitleg is vooroverleg soms wenselijk. De Belastingdienst zal niet ingaan op vooroverleg als bijvoorbeeld belastingbesparen de enige reden is om een structuur op te zetten. Waak dus voor gekunstelde constructies.

De Inspecteur moet op grond van artikel 4:13 AWB binnen 8 weken een standpunt innemen. Als een langere termijn nodig is, dan hoort u dit. Afdwingen van de termijn is lastig, een dwangsom (artikel 4:17 AWB) kan niet worden gevraagd. Meestal is uw klantcoördinator betrokken bij het verzoek. Soms zal uw verzoek worden voorgelegd binnen het vaktechnische overleg bij de Belastingdienst.

Bron informatie

Formulier vooroverleg Belastingdienst.

Handboek vooroverleg Belastingdienst.

WOB verzoek vaststellingsovereenkomst en voorbeelden

Vooroverleg Belastingdienst [news] 2019-08-28 0000-00-00 0000-00-00 6266

Dossierinzage en geheimhouding

U mag uw eigen belastingdossier dat de Belastingdienst heeft opgesteld inzien. Dit mag vlak voor de zogenaamde hoorfase, dus nadat u uw bezwaarschrift heeft ingediend. Als er een boete is opgelegd gelden andere spelregels, u mag dan uw dossier inzien vanaf het moment dat de boete is aangekondigd. .

Uw belastingdossier is niet volledig

De Belastingdienst (de Inspecteur) vindt het moeilijk om alle stukken aan u te laten zien, het zijn net mensen. Stel dat u leemten of open eindjes ontdekt in uw dossier, wat doet u dan? Zijn er stukken uit uw dossier gehaald? De wet is hierover helder (artikel 7:4 AWB), alle op de zaak betrekking hebbende stukken moeten ter inzage worden verstrekt. Soms stelt een Inspecteur dat bepaalde stukken er niet in zitten i.v.m. privacy van een ander en / of in verband met een geheimhouding.

De Hoge Raad (ons hoogste rechtscollege) stelt dat de Inspecteur verplicht is dat alle stukken die een rol spelen bij de besluitvorming tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren. Het moet dus om een volledig en logisch dossier gaan. Soms is geheimhouding (wegens een gewichtige reden) noodzakelijk, de stukken hoeven dan niet te worden verstrekt (artikel 8:29 AWB). Soms mag de rechter deze stukken wel zien en de belastingplichtige niet.

Interne correspondentie en dossierinzage

Gelukkig zijn rechters hier scherp op. Bij een dossierinzage (Artikel 7:4 Algemene Wet Bestuursrecht) of bij het overleggen van de op de zaak betrekking hebbende stukken (8:42 Awb) moeten spelregels worden betracht. De geheimhoudingskamer van het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden ging er recentelijk met gestrekt been in.

Het belang van vrijheid en vertrouwelijkheid van intern beraad is geen reden om deze stukken buiten het dossier van de belastingplichtige te houden, dit is derhalve geen rechtvaardigingsgrond voor een geheimhouding van op de zaak betrekking hebbende stukken (tijdens de zitting bleek het om 2.229 stukken te gaan). De Inspecteur had in deze zaak interne emails en correspondentie uit het dossier gehaald. Dit ging om ruim 1.500 berichten. Deze zijn eruit gehaald met een beroep op de geheimhouding. Uiteindelijk werden de mails wel verstrekt, maar is er veel zwart gemaakt (onleesbaar). Een rechter moet echter integraal kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Alleen een echt en gerechtvaardigd (en dus gemotiveerd) beroep op de geheimhouding (artikel 8:29 lid 1 Awb) moet worden gerespecteerd. Als de belangen van de Inspecteur zwaarder wegen dan de belangen van de belastingplichtige, mogen de stukken uit het dossier worden gehaald, anders niet. Dit is een verrekt zware bewijslast voor de Inspecteur.

Soms mogen stukken die betrekking hebben op intern overleg of intern beraad uit een dossier worden gehaald. Dit bijvoorbeeld in verband met persoonlijke standpuntsbepalingen, algemene beoordelingen of strategische overwegingen. Volgens de rechter moeten ook de stukken welke betrekking hebben op intern beraad in het dossier worden opgenomen.

Als de Inspecteur stukken uit een dossier wil halen, dan moet hij dit per stuk / mail / brief of passage afzonderlijk motiveren en aangeven welke belangenafweging is gemaakt. Daarnaast moeten de stukken overzichtelijk worden gerangschikt. Een extreme klus.

Vragen over dossierinzage

Een dossierinzage kan een belastingplichtige erg veel nuttige informatie geven. De geheimhouding of schoning van dit dossier heeft een warme belangstelling van de rechters. Inspecteurs zullen hieraan moeten wennen. Belastingplichtigen moeten hier scherp op zijn. Als u vragen heeft ... bel gerust voor een afspraak !

Bron geheimhouding en dossierinzage

Hoge Raad d.d. 4 mei 2018 (ECLI:NL:HR:2018:672)

Gerechtshof Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL: 2019: 7933)

Dossierinzage en geheimhouding [news] 2019-10-15 0000-00-00 0000-00-00 6302

Boete belastingadviseur & Wall of Shame

Hé, psst, belastingadviseur ... BOE !!

De boete van de belastingadviseurs

Inleiding boete voor belastingadviseurs en openbaarmaking naam

Belastingen zijn leuk, zo leuk dat we ons beroep ervan hebben gemaakt. Belasting betalen is minder, maar wel noodzakelijk. Wij staan u dan ook graag bij de staatsruif te vullen met uw bijdrage. Niet minder dan vereist, maar zeker niet meer dan nodig. Wij faciliteren u dus bij uw belastingverplichtingen, dit op deskundige wijze en met de wettekst en jurisprudentie als onze bijbel. Nu zijn er natuurlijk altijd mensen met een lagere belastingmoraal. Ook zij zoeken de fiscaal meest gunstige weg. En daar wringt nu de schoen. Binnen de grenzen van de wet is dat toegestaan. Sommigen noemen dat wel belastingontwijking, wat is toegestaan. Belastingontduiking echter niet.

Belastingontwijking versus belastingontduiking

De Belastingdienst ziet de belastingadviseur – terecht – als belangenbehartiger van de belastingplichtige. Er is echter een sterke tendens waarneembaar, waarin de Belastingdienst de adviseur meer ziet als partner-in-crime. Voeg daarbij de maatschappelijke trend waarin de ‘fair share’ gedachte (ieder zijn eerlijke deel, eventueel los van de - gebrekkige - wetgeving) doorgedrongen is en ook belastingontwijking als moreel niet meer aanvaardbaar is.

Openbaarmaking naam belastingadviseur op internet

De belastingadviseur wordt meer en meer de duimschroeven aangedraaid. We konden al bestuursrechtelijk geweigerd worden als vertegenwoordiger (artikel 2:2 Awb) en strafrechtelijk is ook het nodige mogelijk. Dat was beperkt tot excessen (de adviseur van de voetbaltrainer die wist dat hij onjuiste aangiften namens hem deed) maar meer strafrechtelijke vervolging ligt in het verschiet. Ook kan een adviseur bestuursrechtelijk worden beboet als hij (met de belastingplichtige) medepleger of medeplichtig is aan een fiscaal vergrijp.

Melden internationale structuren

Vanaf 1 juli 2020 zijn belastingadviseurs gehouden om – als onbezoldigd belastingambtenaar – internationale structuren te melden bij de belastingdienst (noot 1) . Die verplichting gaat erg ver. Hoe ver zal de toekomst uitwijzen. Duidelijk is wel dat er terugwerkende kracht is. Vanaf 1 juli moeten adviseurs binnen twee maanden alles melden voor (adviezen over) structuren vanaf 25 juni 2018. Meteen een zinvolle vakantiebesteding voor menig adviseur?? In sommige gevallen moet u zelf melden (geen adviseur, adviseur buiten de EU of adviseur met verschoningsrecht (advocaat).

Wwft en UBO en belastingadviseur

Naast het melden van structuren moeten we ook goed op de hoogte zijn van de achtergronden van onze klanten. In de strijd tegen witwassen en terrorisme moeten wij ook (onbetaald) ons steentje bijdragen. Er zijn velerlei verplichtingen voor klantonderzoek in de Wwft (Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme) en het vaststellen van de uiteindelijk gerechtigde bij ondernemingen (UBO, Ultimate Beneficial Owners).

Onjuist aangifte doen voor klant is niet fiscaal beboetbaar bij adviseur

Het is standaard praktijk dat de adviseur (via de geautomatiseerde systemen) aangifte doet voor de klant. Indien die aangifte onjuist blijkt te zijn, kan de adviseur geen fiscale boete krijgen. Recent oordeelde de Hoge Raad (noot 2) dat het een kwaliteitsdelict is, dat alleen gepleegd kan worden door degene die op basis van de wet aangifte moet doen (en dat is de klant zelf, c.q. de bestuurder van de B.V.). Strafrechtelijke vervolging is echter wel mogelijk (art. 225 Sr: ‘valsheid in geschrift’. De vraag komt op of de adviseur van de bekende voetbaltrainer wel op de juiste gronden is veroordeeld ... (noot 3).

De belastingadviseur als medepleger van een fiscale uitglijder

Niet alleen de belastingplichtige die een fiscale overtreding begaat, kan een fiscale boete aan de broek krijgen, maar ook diens adviseur. De wet (art. 5:1 Awb) voorziet namelijk in de beboeting van een medepleger. Medeplegen is zwaarder dan medeplichtig. Voor medeplichtigheid hoeft slechts het misdrijf te worden bevorderd of vergemakkelijkt. Voor medeplegen is een nauwe en bewuste samenwerking nodig. Bijvoorbeeld als de adviseur het initiatief heeft genomen tot een niet toegestane belastingbesparing kan deze medepleger zijn als de belastingplichtige daarvan op de hoogte is (en ook meewerkt). Een aardig voorbeeld is de notaris die rommelt met side-letters om zo overdrachtsbelasting (voor de klant) terug te krijgen (noot 4).

Dergelijke boetes worden niet vaak opgelegd. Bovendien is daarvoor toestemming van het Ministerie nodig, zodat alleen sprekende gevallen in aanmerking komen. Er is wel een toename zichtbaar, dus de adviseur is gewaarschuwd.

The Wall of Shame voor belastinadviseurs

Sinds 1 januari 2020 is er een nieuwe loot aan de stam om de adviseur in zijn hok te duwen. Als aan de adviseur een fiscale boete is opgelegd, kan diens naam worden gepubliceerd (noot 5), met naam en toenaam, de hoogte van de boete en de aard van de boete staan dan voor vijf jaar op de site van de Belastingdienst.

Let wel: voor een boete is niet vereist dat de adviseur er zelf beter van geworden is. Bovendien hangt hem een ‘beroepsverbod’ boven het hoofd. De schuldige van de benoemde strafbare feiten, in zijn beroepsuitoefening begaan, kan namelijk van de uitoefening van dat beroep worden ontzet (noot 6).

Vanuit de beroepsorganisaties is sterk tegen deze wet gereageerd (noot 7). Terecht. (Vrijwel) nergens in het strafrecht worden namen van overtreders gepubliceerd, terwijl dit niet een hard-core strafrecht is. De feiten zijn meestal vele jaren geleden gepleegd. Tijdelijke publicatie is een utopie (internet vergeet niets). Feitelijk is beroepsuitoefening niet meer mogelijk. Voor de echt slechte gevallen zijn daarvoor andere methoden. En dan zijn er nog de privacy-perikelen.

Hoe graag wij als fiscaal juristen ook verlost willen zijn van concurrerende ‘rotte appels’, is dit niet de methode. Er zijn al meer dan genoeg (illegale) zwarte lijsten binnen de Belastingdienst (noot 8). Daarbij, een bonafide klant kan met eenvoudig googelen meestal wel de kwaliteit van een adviseur inschatten om de malafide adviseurs te ontlopen.

Malafide klanten willen we niet en die vinden hun weg toch wel naar de malafide adviseur, met of zonder publicatie of beroepsverbod.

De rechter kan belastingadviseur nog helpen

Jawel, een beetje. De Staatssecretaris heeft geprobeerd de kosten van de belastingheffing op de adviseur te verhalen. Dat was een geval waarin een adviseur voor zo’n 4.000 klantjes de aangifte invulde met verzonnen zorgkosten, waardoor zij een teruggaaf kregen. De Belastingdienst wilde de kosten van het herzien van die teruggaven verhalen. De adviseur zou zo voor bijna 4 ton aan kosten moeten vergoeden. De adviseur van de Hoge Raad (A-G Wattel) wil daar niet aan (noot 9).

In een arrest van de Hoge Raad d.d. 15 september 2020 is gebleken dat een adviseur niet altijd als medepleger kan worden gezien als er opzettelijk onjuist of onvolledig aangifte is gedaan (artikel 69.2 AWR), dit in tegenstelling tot de uitspraak van het Gerechtshof. De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2020:121), inhoudende dat als aangifte ingediende gegevensdrager uitsluitend kan worden aangemerkt als ‘bij belastingwet voorziene aangifte’ indien die aangifte is gedaan door degene op wiens belasting- of betalingsplicht die aangifte betrekking heeft of door degene die uit hoofde van art. 42 tot en met 44 AWR als vertegenwoordiger van belasting- of betalingsplichtige kan optreden en dat art. 47 tot en met 51 Sr diverse mogelijkheden bieden om degene die anders dan als pleger betrokken is bij onjuist of onvolledig doen van bij belastingwet voorziene aangifte, onder specifieke voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor die betrokkenheid.

Noot fiscaal jurist of wall of shame

Belastingen zijn leuk. Daar begonnen we mee. Dat blijft het ook. De toenemende regelgeving, geboden en verboden, verplichtingen en risico’s, boetes en aansprakelijkheden, meldplichten en suppleties, nemen hand over hand toe. Daar tussendoor laveren en ook nog een goed advies geven; laat dat maar aan ons over. Hoe ruwer de zee, hoe meer wij in ons element zijn.

Wij doen niet mee aan de grote bangmaak-show en gaan vrolijk door met ons werk. Naar eer en geweten.

Wij kunnen ons voorstellen dat belastingplichtigen (zoals mensen met het toeslagen probleem) zelf een lijst willen maken van belastingambtenaren die op een openbare lijst moeten staan, via de wettelijke route is dit niet mogelijk maar op het internet is veel mogelijk. De Belastingdienst heeft vorig jaar al mensen ontslagen wegens fraude, wellicht dat de Belastingdienst zelf ook een voorzet kan geven voor een dergelijke lijst. De mensen die bij de Belastingdienst worden ontslagen solliciteren wellicht in de adviespraktijk, wij zouden graag voordien weten of de sollicitant wordt verdacht van fraude, dus zo gek is de lijst nog niet.  

Loopt u ook tegen bovenstaande problemen aan, of heeft u een - gewoon - fiscaal probleem, aarzel dan niet en neem contact met ons op.

Bron Wall of Shame belastingadviseur

Melding internationale structuren

Boete en wall of shame belastingadviseur [news] 2020-03-03 0000-00-00 0000-00-00 6372

Het coronavirus en belastingheffing

Het coronavirus speelt een belangrijke rol in de wereldeconomie. Zo ligt er in China reeds een groot aantal fabrieken stil en lijkt het een kwestie van tijd dat dergelijke maatregelen ook in Europa en Nederland worden getroffen. Het coronavirus kan tot de nodige financiële onzekerheid leiden voor een onderneming. Hierna een aantal aandachtspunten in geval uw onderneming (financiële) hinder ondervindt van het coronavirus.

Melding van betalingsonmacht door coronavirus

Indien uw onderneming de verschuldigde loonbelasting en omzetbelasting niet tijdig kan voldoen, dan is het raadzaam een melding van betalingsonmacht te doen bij de Belastingdienst. Wordt geen of niet tijdig de betalingsonmacht gemeld, dan is de bestuurder in beginsel hoofdelijk aansprakelijk voor de niet betaalde loonheffingen en omzetbelasting. Dit ongeacht of het niet kunnen betalen van de loonbelasting en omzetbelasting te wijten is aan de bestuurder.

Mocht u (als gevolg van het coronavirus) in financiële problemen zijn gekomen, dan is het raadzaam tijdig een melding van betalingsonmacht te doen. Een tijdige melding vindt plaats binnen 14 dagen nadat de loonbelasting of omzetbelasting verschuldigd is.

Uitstel van betaling aanvragen vanwege coronavirus

Heeft u als ondernemer een openstaande belastingschuld? Dan kunt u 4 maanden uitstel krijgen vanaf de uiterste betaaldatum van de aanslag indien het bedrag van de openstaande belastingschuld minder is dan € 20.000. Voorwaarde is wel dat u altijd op tijd aangifte heeft gedaan, er niet voor dezelfde aanslag uitstel van betaling is verleend en er geen dwangbevel ligt. Indien u aan bovenstaande voorwaarden voldoet, kunt u telefonisch om uitstel van betaling vragen via 0800 - 0543.

Voldoet u niet aan bovenstaande voorwaarden, dan dient u schriftelijk te verzoeken om uitstel van betaling. Daarbij dient u het ontstaan van het liquiditeitstekort te beschrijven en tevens aan te geven wanneer en hoe u verwacht uw openstaande belastingschuld alsnog te kunnen voldoen. Van belang is veelal dat de openstaande belastingschuld binnen een redelijke tijd wordt ingelopen en dat er gedurende de betalingsregeling zekerheid wordt afgegeven.

In deze trajecten doet u er verstandig aan u bij te laten staan door een fiscaal jurist.

Wijzigen voorlopige aanslag

Indien u een aantal goede jaren heeft gehad, zult u waarschijnlijk ook voor het jaar 2020 een voorlopige aanslag inkomsten- of vennootschapsbelasting opgelegd hebben gekregen. Mocht blijken dat de winstverwachting als gevolg van het coronavirus achterblijft, dan kunt u een verzoek bij de Belastingdienst indienen om de voorlopige aanslag te verminderen.

Uitstel voor het doen van aangifte

Indien de aangifte inkomsten- of vennootschapsbelasting leidt tot een te betalen bedrag, dan kan het raadzaam zijn om uitstel te verzoeken voor het indienen van de aangifte, of gebruik te maken van de uitsteltermijn die voor het doen van de aangifte geldt. Houdt er in dat geval wel rekening mee dat er met ingang van 1 juli een belastingrente van 4% berekend wordt over de verschuldigde inkomstenbelasting en een belastingrente van 8% over de verschuldigde vennootschapsbelasting.

Voelt uw onderneming de gevolgen van het coronavirus en wilt u meer weten over de fiscale gevolgen daarvan? Neem dan contact op met de auteur van dit artikel.

Contact met onze corona-specialisten

Het coronavirus en belastingheffing [news] 2020-03-09 0000-00-00 0000-00-00 6381

Uitstel van betaling coronavirus

Dit artikel is aangepast n.a.v. de op 12, 17 en 26 maart 2020 aangekondigde maatregelen. Voor de overzichtpagina inzake corona kunt u hier klikken

Fiscale maatregelen in verband met coronavirus

Als ondernemer zult u rekening moeten houden met mogelijke betalingsproblemen. De overheid heeft diverse maatregelen bekend gemaakt, de belangrijkste op dit moment zijn:

  1. Uitstel van betaling bij de Belastingdienst wordt eenvoudiger.
  2. De invordering wordt direct na uw verzoek stopgezet
  3. Geen verzuimboete bij niet tijdig betalen van uw belastingen.
  4. Een deskundigen verklaring voor uitstel blijft nodig.
  5. Vrijwel geen invorderingsrente of belastingrente.
  6. Verlagen voorlopige aanslagen inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting.
  7. Er komt een speciale MKB-lening met staatsgarantie.
  8. Werknemers kunnen gedeeltelijk in de WW.

Uitstel van belastingbetaling door het coronavirus

In de brief van 12 maart 2020 van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, kenmerk CE-AEP/20072624, en mede ondertekend door de Minister van Financiën, Wopke Hoekstra, wordt de mogelijkheid geboden om bijzonder uitstel van betaling aan te vragen aan ondernemers om hun liquiditeitsproblemen het hoofd te kunnen bieden.

Ondernemers die in financiële problemen komen vanwege het coronavirus kunnen uitstel van betaling aanvragen bij de Belastingdienst. Het gaat hierbij om:

  • inkomstenbelasting;
  • vennootschapsbelasting;
  • loonbelasting; en
  • omzetbelasting.

De fiscus zal dan de verzuimboete voor het niet op tijd betalen van de belasting schrappen of terugdraaien. Let op!  De verzuimboete voor het niet tijdig indienen van de aangifte blijft wel van kracht, dus u moet wel een juiste en tijdige aangifte indienen.

Vereisten verzoek uitstel van betaling

De Belastingdienst heeft op het forum voor fiscaal dienstverleners de regels omtrent uitstel van betaling opgenomen. Deze regels zijn afkomstig uit eerdere besluiten omtrent uitstel van betaling. De vereisten zijn eenvoudiger geworden:

  • als u door de uitbraak van corona in de betalingsproblemen bent gekomen krijgt u gedurende 3 maanden uitstel van betaling.

Mededeling Belastingdienst inzake uitstel van betaling i.v.m. coronavirus

Update 19 maart 2020

U kunt ons vragen om bijzonder uitstel van betaling. Dit kan voor alle aanslagen inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, omzetbelasting (btw) en loonheffingen.

Stuur daarvoor een brief aan ons. In de brief vraagt u om uitstel van betaling waarin u aangeeft dat u door de uitbraak van corona in betalingsproblemen bent gekomen. Nadat wij uw verzoek hebben ontvangen, stoppen wij met invorderingsmaatregelen. U krijgt automatisch 3 maanden uitstel van betaling. Een boete voor het niet op tijd betalen van btw of loonheffingen hoeft u niet te betalen. 

Mogelijk is een betalingsuitstel van 3 maanden voor u te kort. U kunt ook voor een langere periode uitstel aanvragen. Wij vragen u dan nogaanvullende informatie aan te leveren (eventueel verklaring van een derde deskundige). Hier zullen we u nog over inlichten via deze website. Het kabinet wil de administratieve lasten van het aanvragen van uitstel van betaling voor u zo beperkt mogelijk houden. Voor de eerste 3 maanden is dus geen verklaring van een derde deskundige (bijvoorbeeld accountant of brancheorganisatie) nodig.

Hieronder leest u waarmee u rekening moet houden wanneer u bijzonder uitstel van betaling wilt aanvragen.

Wanneer kunt u uitstel aanvragen?

U kunt voor alle aanslagen inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, omzetbelasting (btw) en loonheffingen uitstel aanvragen. Dit betekent dat u wanneer u aangifte hebt gedaan en een aanslag hebt ontvangen, u het uitstel kunt aanvragen.

Waar stuurt u uw verzoek om uitstel naar toe?

Stuur uw verzoek om uitstel met motivering naar:

Belastingdienst

Postbus 100

6400 AC Heerlen

Verzoek uitstel van betaling, hoe indienen?

Verstuur een eenvoudige brief aan de Belastingdienst. Wilt u een voorbeeld brief ontvangen stuur ons dan een e-mail, wij sturen u dan gratis een voorbeeldbrief.

Wat kunt u als ondernemer doen?

  • Verminder uw voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting, deze verzoeken i.v.m. het coronavirus worden door de Belastingdienst ingewilligd.  
  • Vraag uitstel van betaling aan voor nog verschuldigde omzetbelasting, vennootschapsbelasting, loonbelasting of inkomstenbelasting.
  • Is echt sprake van zwaar weer, dan kan het handig zijn om ook betalingsonmacht te melden bij de Belastingdienst. Hiermee voorkomt u dat u bij een faillissement van de onderneming aansprakelijk kunt worden gesteld voor de loon- en omzetbelastingschulden van de onderneming.
  • Vraag BTW terug als blijkt dat uw debiteuren u niet kunnen betalen.
  • Pas op met inlenen van personeel, als degene waar u personeel van heeft ingehuurd de loonheffing niet zou betalen, kunt u hiervoor aansprakelijk worden gesteld.
  • Verwacht u over 2020 verlies te maken door het coronavirus, dan kunt u direct na afloop van dit jaar een verzoek tot voorlopige verliesverrekening indienen. U kunt uw verlies over 2020 dan verrekenen met de winst over 2019. Dit kan via een voorlopige carry back, u kunt dan 80% van het verlies verrekenen.

Verminderen van uw voorlopige aanslag i.v.m. coronavirus

Hoe kunt u uw voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting verminderen?

U doet de aanvraag of wijziging met uw commerciële softwarepakket of laat dit door uw belastingconsulent doen.

Vragen over fiscale maatregelen coronavirus?

De behandeling bij de Belastingdienst zal handmatig plaatsvinden, de wachttermijnen zullen de komende weken dus oplopen. Als op de site van de Belastingdienst wordt gezocht op het woord "corona", dan is het enige zoekresultaat "wachttijden bij Belastingtelefoon door coronavirus".  

De adviseurs van Jongbloed Fiscaal Juristen staan u graag bij met hun expertise, zodat de financiële gevolgen van de coronacrisis voor u zo beperkt mogelijk blijven. Wilt u op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen, schrijf u dan in voor onze nieuwsbrief. Voor vragen of een vrijblijvende afspraak kunt u contact opnemen met één van onze specialisten.

Download uitstel van betaling

Formulier uitstel van betaling

Uitstel van betaling coronavirus [news] 2020-03-12 0000-00-00 0000-00-00 6384

Uitstel van betaling door crisis

Deze site is bijgewerkt n.a.v. de aankondigingen op 17 maart 2020 en 19 maart 2020

Uitstel van betaling coronavirus

In de brief van 12 maart 2020 van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, kenmerk CE-AEP/20072624, en mede ondertekend door de Minister van Financiën, Wopke Hoekstra, wordt de mogelijkheid geboden om bijzonder uitstel van betaling aan te vragen voor ondernemers om hun liquiditeitsproblemen het hoofd te kunnen bieden. De regeling is op 17 maart 2020 verder verruimd: Het gaat hierbij om uitstel van betaling voor:

  • inkomstenbelasting;
  • vennootschapsbelasting;
  • loonbelasting; en
  • omzetbelasting.

De regeling wordt soepel toegepast

  • De belastingdienst stopt de invordering direct na het verzoek
  • Er wordt vrijwel geen invorderings- of belastingrente in rekening gebracht
  • Er wordt geen boete opgelegd
  • U moet met een externe deskundigen verklaring kunnen aantonen dat u nu tijdelijke betalingsproblemen heeft en dat uw bedrijf levensvatbaar is, voor de eerste 3 maanden uitstel geldt deze verklaring nog niet. Dit is op 19 maart 2020 bekend gemaakt.

Hoe werkt de regeling voor uitstel van betaling?

Vereisten verzoek uitstel van betaling

De Belastingdienst heeft op het forum voor fiscaal dienstverleners de regels omtrent uitstel van betaling opgenomen. Deze regels zijn afkomstig uit eerdere besluiten omtrent uitstel van betaling. Belangrijkste aandachtspunt bij de regeling is dat uw via een zogenaamde deskundigenverklaring aannemelijk moet maken dat:

  • er sprake is van bestaande betalingsproblemen
  • uw betalingsproblemen van tijdelijke aard zijn als gevolg van het coronavirus
  • uw onderneming levensvatbaar is

Mededeling Belastingdienst inzake uitstel van betaling i.v.m. coronavirus

Heeft uw klant betalingsproblemen als gevolg van de coronacrisis? Dan kunt u bij de Belastingdienst een verzoek indienen voor bijzonder uitstel van betaling. Dit uitstel van betaling is mogelijk voor inkomstenbelasting, loonbelasting, omzetbelasting en vennootschapsbelasting.

De Belastingdienst verleent uitstel van betaling als u kunt motiveren dat uw klant door de coronacrisis in betalingsproblemen is gekomen. Voor de eerste 3 maanden uitstel hoeft u een deskundigenverklaring nog niet te verstrekken. Als u langer uitstel wenst dan 3 maanden dat moet u een een verklaring van een derde deskundige aan de Belastingdienst sturen. Uit deze verklaring moet blijken dat:

  • Sprake is van werkelijk bestaande, acute betalingsproblemen (en niet om bijvoorbeeld betalingsproblemen die in de toekomst zullen ontstaan).
  • Betalingsproblemen van tijdelijke aard zijn.
  • Uw klant de betalingsproblemen voor een bepaald tijdstip oplost.
  • De onderneming levensvatbaar is.
  • Waarom u na 3 maanden nog niet tot betaling van belasting kunt overgaan.

Een derde deskundige kan een externe consultant, een externe financier, een brancheorganisatie, een accountant of financieel adviseur zijn.

U stuurt het formulier inclusief de verklaring van derde en motivering naar:

Belastingdienst

Postbus 100

6400 AC  Heerlen

Wilt u een beoordeling ontvangen neem dan contact met ons op via email of telefoon (053 - 432 72 00)

Verzoek uitstel van betaling, hoe indienen?

Ons advies is dat u het standaard formulier van de Belastingdienst gebruikt. Dit kunt u hier downloaden. Het verzoek voor uitstel van betaling moet dus schriftelijk worden ingediend.  Zodra het verzoek bij de Belastingdienst binnen is, zet de Belastingdienst de invordering stop. Uitstel van betaling kan voor maximaal 3 maanden, er kunnen zekerheden worden gevraagd maar gedurende de eerste 3 maanden zal dit waarschinlijk niet gebeuren.

Verminderen van uw voorlopige aanslag i.v.m. coronavirus

Hoe kunt u uw voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting verminderen?

U doet de aanvraag of wijziging met uw commerciële softwarepakket of laat dit door uw belastingconsulent doen.

Vragen over fiscale maatregelen coronavirus?

De behandeling bij de Belastingdienst zal handmatig plaatsvinden, de wachttermijnen zullen de komende weken dus oplopen. Als op de site van de Belastingdienst wordt gezocht op het woord "corona", dan is het enige zoekresultaat "wachttijden bij Belastingtelefoon door coronavirus".  

De adviseurs van Jongbloed Fiscaal Juristen staan u graag bij met hun expertise zodat de financiële gevolgen van de coronacrisis voor u zo beperkt mogelijk blijven. Wilt u op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen, schrijf u dan in voor onze nieuwsbrief. Voor vragen of een vrijblijvende afspraak kunt u contact opnemen met één van onze specialisten.

Download uitstel van betaling

Formulier uitstel van betaling

Uitstel van betaling [news] 2020-03-16 0000-00-00 0000-00-00 6390

(Fiscaal) verschoningsrecht, wat is het en hoe werkt het?

Iedere belastingplichtige is gehouden om de Belastingdienst informatie te verstrekken die nodig is voor de heffing. Deze verplichting geldt ook voor derden (administratieplichtigen). Er zijn uitzonderingen gemaakt voor bepaalde derden, zoals advocaten en notarissen. Zij kunnen zich beroepen op een wettelijk verschoningsrecht om informatie van hun cliënten niet te hoeven delen. Dit verschoningsrecht is de afgelopen jaren weer (meer) in opspraak geraakt, onder meer als gevolg van de Panama Papers. Dit heeft geresulteerd in een wetsvoorstel dat wij aan het einde van dit artikel nader bespreken.  

Wat is een verschoningsrecht?

Het verschoningsrecht kan het eenvoudigst worden uitgelegd in samenhang met de vertrouwelijkheid die tussen een advocaat en een cliënt geldt. Het zou voor de rechtsbescherming ongunstig zijn indien rechtzoekenden hun advocaat niet met alle relevante zaken in vertrouwen durven te nemen. Het verschoningsrecht maakt dat de advocaat tegenover iedereen (dus ook een belastinginspecteur en een rechter) kan weigeren informatie te openbaren op grond van een geheimhoudingsplicht.

Het verschoningsrecht vindt, aldus de Hoge Raad, zijn grondslag in het algemene maatschappelijk belang dat eenieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde tot de dienstverlener kan wenden. Dit uitgangspunt zien we onder meer terug in Hoge Raad uitspraak van 27 april 2012.

De vraag is wie bepaalt of informatie wel of niet onder het verschoningsrecht valt. Die keuze is in beginsel voorbehouden aan de beroepsbeoefenaar (de derde). Dit is slechts anders indien redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de onjuistheid van het aanmerken van informatie als vallend onder het verschoningsrecht.

Het verschoningsrecht in het belastingrecht

In het belastingrecht kennen we een verschoningsrecht dat geldt voor: notarissen, advocaten, procureurs, apothekers, artsen en godsdienstbeoefenaars. Zij kunnen weigeren om informatie af te staan als het gaat om informatie die benodigd is voor de belastingheffing van derden (cliënten) en die zij uit hoofde van hun beroep hebben verkregen. Opvallende afwezige in deze lijst is de fiscaal jurist. Deze beschikt echter wel over een tweetal aanverwante, doch minder vergaande verschoningsrechten: het pseudo-verschoningsrecht en het afgeleid verschoningsrecht.

Het pseudo-verschoningsrecht ziet op informatie die de fiscaal jurist heeft opgesteld om de fiscale positie van de belastingplichtige te belichten dan wel hieromtrent te adviseren. Denk bijvoorbeeld aan een adviesrapport of een DDO-rapport. Dit heeft de Hoge Raad in 2005 beslist. Een belangrijke begrenzing ligt hierin dat dit soort rapporten niet volledig onder de werking van het pseudo-verschoningsrecht vallen. Indien en voor zover het rapport niet ziet op het belichten of adviseren van de belastingpositie van de belastingplichtige, moet de informatie worden verstrekt. In de praktijk betekent dit dat, naast de overheid, tegenwoordig ook de fiscaal jurist rapporten (deels) zwart lakt alvorens tot verstrekking aan de Belastingdienst over te gaan.

Het afgeleid verschoningsrecht speelt voornamelijk in samenwerkingssituaties. Het komt vaak voor dat een advocaat, bijvoorbeeld gespecialiseerd in strafrecht, optrekt met een fiscaal jurist in een fiscaal getint dossier. Het zou hoogst onwenselijk zijn indien de fiscaal jurist tot volledige informatieverstrekking inzake het dossier gehouden is en de advocaat niet. In dat soort situaties kan de fiscaal jurist zich beroepen op het afgeleid verschoningsrecht. Hij ‘leent’ dan als het ware het verschoningsrecht van de advocaat. Dit werkt in de praktijk op bijzondere wijze. Indien het OM zich zou wenden tot de ingeschakelde deskundige, is deze gehouden de informatie af te geven. Alvorens de informatie mag worden ingezien en gebruikt, moet de rechter-commissaris deze onder zich houden. De advocaat (verschoningsgerechtigde) dient zich vervolgens eerst uit te kunnen laten over het wel of niet onder zijn verschoningsrecht vallen van de informatie.

De omgekeerde situatie komen wij in de praktijk ook vaak tegen. De fiscaal jurist betrekt dan een gespecialiseerde advocaat bij het dossier en verstrekt informatie. Hoe hiermee om te gaan? Uitgangspunt is dat dan moet worden beoordeeld of de cliënten zich (rechtstreeks) tot de advocaat hebben gewend en aan de advocaat in die hoedanigheid informatie hebben verstrekt. Aangezien het primaire contact veelal via de fiscaal jurist verloopt, zal dat niet vaak het geval zijn. Getoetst moet dan worden aan het pseudo-verschoningsrecht van de fiscaal jurist op grond waarvan de advocaat eventueel een afgeleid verschoningsrecht kan hebben. Complexe materie.

Wetsvoorstel aanpassing verschoningsrecht

De wetgever lijkt opnieuw de belangenafweging tussen onbegrensde informatievergaring en onderlinge vertrouwelijkheid te willen maken. Daartoe is nu een wetsvoorstel in internetconsultatie gebracht. De belangenafweging lijkt echter anders uit te vallen. In het nu gedane voorstel wordt de regel dat het verschoningsrecht niet kan worden ingeroepen indien het informatie betreft die, indien de belastingplichtige geen verschoningsgerechtigde zou hebben ingeschakeld, ook zou moeten worden verstrekt. Tevens wordt in de wet verduidelijkt dat het verschoningsrecht alleen geldt voor informatie die verband houdt met de juridische dienstverlening. Dit laatste is slechts een vastlegging van wat in de rechtspraak al als regel wordt gehanteerd.

In het wetsvoorstel wordt opgemerkt dat de Inspecteur zich eerst moet wenden tot de belastingplichtige zelf. Slechts als laatste middel (een ‘ultimum remedium’) mag de Inspecteur zich richten tot een verschoningsgerechtigde. Voorafgaand aan een informatieverzoek van de Inspecteur zou deze zich moeten laten machtigen door de Minister.

Een belangrijke vraag is hoe zo'n verzoek van de Inspecteur uitpakt in het kader van het gesloten stelsel van rechtsbescherming dat wij kennen in het fiscaal recht. Immers, indien de belastingplichtige niet voldoet aan de informatieverplichtingen, kan hij worden geconfronteerd met een informatiebeschikking. Hiertegen staat vervolgens bezwaar en beroep open. Een relevante vraag bij dit voorstel is hoe de belastingplichtige en / of verschoningsgerechtigde kan opkomen tegen een gemachtigd verzoek om informatie aan een verschoningsgerechtigde. Immers, indien daartegen, behoudens een civiele kortgedingprocedure, geen bezwaar en beroep openstaat, kan sprake zijn van een situatie waarin de rechtsbescherming ernstig wordt beperkt.

Vanuit het oogpunt van de rechtsbescherming hebben wij bij dit wetsvoorstel dus nog een aantal relevante vragen. Wij houden u hiervan op de hoogte.

Noot

Zit u in een geschil met de Belastingdienst waar u niet uitkomt? Neem dan contact met onze specialisten op. Wij zetten ons volledig in voor uw belangen.

Nuttige links:

Hoge Raad 27 april 2012

Hoge Raad 2005

Internetconsultatie wetsvoorstel

(Fiscaal) Verschoningsrecht [news] 2020-09-11 0000-00-00 0000-00-00 6666

Vaststellingsovereenkomst Belastingdienst

Belastingwetgeving is niet altijd duidelijk, daarnaast zijn feiten soms niet helder en regels/ wetgeving, evenmin. Het is soms niet verstandig om geschillen aan de rechter voor te leggen, dit is kostbaar, duurt lang en de uitkomst is onzeker.  Soms is het maken van afspraken met de Belastingdienst dan een betere optie. De afspraken worden uiteindelijk vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst.

Wat is een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst?

In een vastellingsovereenkomst worden de volgende zaken vastgelegd

  • De feiten
  • De twistpunten
  • De standpunten
  • Tijdlijn
  • De fiscale gevolgen
  • De afspraak
  • Belastingrente, invorderingsrente en boete
  • De formele zaken (geldigheidsduur, afstand rechtsmiddelen, wilsgebreken, etc)

Waarover is vaak discussie bij een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst?

De Belastingdienst hanteert een model overeenkomst welke als uitgangspunt wordt genomen. Wij beoordelen regelmatig dergelijke overeenkomsten. In de praktijk is wle eens discussie over enkele onderwerpen aangaande de inhoud van de vaststellingsovereenkomst. Het is verstandig om de overeenkomst door een deskundige te laten beoordelen

Checklist Vaststellingsovereenkomst Belastingdienst

  1. Worden de feiten juist weergegeven
  2. Over welke periode gelden de afspraken
  3. Hoe omgaan met boetes, belastingrente en invorderingsrente
  4. Bepaling omtrent dwaling en de verstrekte informatie
  5. Vergoeding van griffierechten (bij intrekken beroepsprocedure)
  6. Vergoeding immateriele schade
  7. Vergoeding kosten (bijvoorbeeld van adviseurs)
  8. Vergoeding kosten bezwaarfase
  9. Mag het bedrag dat samenhangt met de VSO in het jaar waarom deze betrekking heeft als kosten/ verlies worden genomen.
  10. Welke afspraken worden er voor de toekomst gemaakt
  11. Is naast de VSO nog beroep mogelijk tegen bepaalde onderdelen
  12. Is een betalingsregeling voor het bedrag uit de VSO mogelijk

Advies inzake vaststellingsovereenkomst

Het is verstandig om een vaststellingsovereenkomst voor ondertekening nog door een deskundige te laten controleren. Maak gerust een afspraak of vraag een offerte.

WOB Verzoek vaststellingsovereenkomst

Vaststellingsovereenkomst 2020-09-22 0000-00-00 0000-00-00 6689

Navordering en kwade trouw

De Belastingdienst kan navorderen. Dat betekent dat hij achteraf te weinig betaalde belasting alsnog kan vorderen, ondanks dat al een definitieve aanslag is opgelegd. Dit kan echter niet ongelimiteerd. U moet als belastingplichtige namelijk kunnen vertrouwen op de aanslag die dezelfde Belastingdienst u eerder heeft opgelegd. Daarom is het navorderen van belasting alleen mogelijk indien voldaan is aan strikte voorwaarden, zoals kwade trouw bij de belastingplichtige. Aan de hand van een recent praktijkvoorbeeld gaan wij op de kwade trouw nader in. Eerst benoemen wij echter wat kwade trouw inhoudt en gaan wij in op het opzetvereiste.  

Kwade trouw bij navorderen

Kwade trouw wordt niet zomaar aangenomen door de rechter, ondanks dat de Belastingdienst dit standpunt redelijk snel inneemt. Van kwade trouw is alleen sprake als de belastingplichtige met opzet de Inspecteur niet voorziet van juiste inlichtingen. Het maakt daarbij niet uit of de belastingplichtige zwijgt of onjuiste inlichtingen geeft. Kwade trouw mag alleen tot navordering leiden als de kwade trouw de oorzaak is van de te weinig betaalde belasting op de aanslag. De beoordeling of kwade trouw aanwezig is vindt plaats naar de situatie op het moment van het indienen van de aangifte die tot de aanslag heeft geleid.

Kwade trouw en opzet

Vaak wordt over de zinsnede met opzet heen gelezen. Toch is dit een belangrijke aanvulling in de wettekst. Doordat de wet spreekt van opzet, is van kwade trouw geen sprake als de belastingplichtige zich niet bewust is geweest van de onjuistheid of onvolledigheid. Dit is door de Hoge Raad ook bevestigd (BNB 2011/59). In situaties waarin opzet ontbreekt, spreekt men vaak van onachtzaamheid of (grove) schuld. Van opzet is uiteraard wel sprake als de belastingplichtige willens en wetens onjuiste inlichtingen verstrekt. Dit kan discussies opleveren over de vraag waar de grens ligt tussen opzet en onachtzaamheid. Deze grens is niet in beton gegoten en is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden. De rechter kijkt vaak of de belastingplichtige zich bewust aan de aanmerkelijke kans heeft blootgesteld dat hij een onjuiste aangifte doet. Is dat het geval, dan is sprake van voorwaardelijke opzet, hetgeen voldoende is om opzet in de zin van kwade trouw aan te nemen.

Voorbeeld uit de praktijk

Een belastingplichtige maakt bij het doen van de aangiften inkomstenbelasting gebruik van de mogelijkheid om persoonsgebonden aftrek op te geven. Het betreft weekenduitgaven voor gehandicapten. Dit verlaagt hier het belastbare inkomen uit werk en woning behoorlijk. De Inspecteur volgt deze aangiften en legt aanslagen op. Enkele jaren later stelt de Inspecteur vragen over de persoonsgebonden aftrek. In 2013 stelt hij vragen over de periode 2008 – 2010. Over deze jaren legt de Inspecteur navorderingsaanslagen op. De belastingplichtige is het oneens met de navorderingsaanslag (2008 – 2010) en gaat in bezwaar. Het bezwaar is zonder resultaat en ook het beroep bij de Rechtbank leidt niet tot het gewenste resultaat.

Het Gerechtshof benadrukt eerst dat sprake moet zijn van opzet. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van het gedrag van de belanghebbende bij het doen van de aangifte. Van opzet is sprake indien, in de woorden van het Hof: de belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte wist dat, indien deze aangifte zou worden gevolgd, de aanslag tot een te laag bedrag zou worden opgelegd. In deze situatie is het zo dat belanghebbende € 26.100 in aftrek heeft gebracht. Tijdens de procedure neemt hij het standpunt in dat dit € 5.814 had moeten zijn. Dat zijn de getallen over 2008. Het verschil over 2009 is kleiner (€ 10.842 opgegeven en € 6.264 als later standpunt). Het Hof ziet hierin voldoende aanleiding om te oordelen dat de belastingplichtige ermee bekend was of in ieder geval had moeten zijn, dat dit onjuiste inlichtingen waren. Tevens meent het Hof dat dit opzettelijk is gebeurd en dat hierdoor te weinig belasting is geheven. Het Hof stelt dat van kwade trouw sprake is.

De belanghebbende laat het er echter nog niet bij zitten en legt de zaak voor aan de Hoge Raad. Hij oordeelt met betrekking tot de kwade trouw dat het Hof te snel heeft geoordeeld dat sprake is geweest van opzet. Het Hof heeft zich gebaseerd op het grote verschil tussen wat de belastingplichtige nu als uitgaven noemt en hetgeen hij in de aangifte heeft opgenomen. Dit verschil kan echter niet zonder meer het oordeel dragen dat in de aangifte opzettelijk onjuiste gegevens zijn opgenomen. Dat is te kort door de bocht geweest.

Uiteindelijk trekt de belastingplichtige in dit dossier toch nog aan het kortste eind. Er is namelijk sprake van een nieuw feit, hetgeen ook een grond is om tot navordering over te mogen gaan. Een soort pyrrusoverwinning in dit geval dus.

Belastingadviseur en kwade trouw

Indien u uw aangifte door een adviseur in laat dienen, valt niet direct de navorderingsmogelijkheid weg. U kunt niet zonder meer stellen dat bij u geen kwade trouw aanwezig kan zijn, omdat een adviseur voor u de aangifte heeft ingediend. In deze situatie wordt in beginsel de kwade trouw, via uw adviseur, aan u toegerekend. Hierop kunnen uitzonderingen bestaan.

Kwade trouw in de praktijk

Het Nederlandse belastingsysteem is complex en een foutje is in een aangifte snel gemaakt. Dat doet de belastingplichtige lang niet altijd met opzet en van kwade trouw is dan geen sprake. Het loont daarom om een navorderingsaanslag door een fiscaal specialist te laten bekijken en een degelijk advies te krijgen over hoe u hiermee om moet gaan. De Belastingdienst kan immers navorderen, maar heeft hiertoe rekening te houden met strikte, formele regels.

Uitspraak van Gerechtshof

Uitspraak van Hoge Raad

Navordering en kwade trouw [news] 2020-10-15 0000-00-00 0000-00-00 6758

Interne compensatie

Mag de Belastingdienst alsnog inkomsten belasten als ze een aftrekpost moet toestaan?

De gebruikelijke werkwijze omtrent inkomstenbelasting

Normaal gesproken houdt de werkgever (maandelijks) loonbelasting in op loonbetalingen aan het personeel. Na afloop van het jaar doen de werknemers aangifte voor de inkomstenbelasting. Daarin zitten alle loonbetalingen van het jaar (uit de jaaropgave). Daarop wordt uitgerekend wat de verschuldigde inkomstenbelasting is. Dat bedrag wordt verminderd met de maandelijkse inhoudingen. Idealiter loopt dat 'glad', waardoor er niet bijbetaald of terugbetaald moet worden.

Als de werkgever op een deel van het loon nu niets inhoudt en afdraagt aan de Belastingdienst, zal de Belastingdienst daarover kunnen naheffen. Doorgaans wordt dat gedaan bij de werkgever. Die zal de belasting verhalen op de werknemer. Kortweg: het maandloon wordt hoger, de belasting ook. Dat werkt door naar de inkomstenbelasting. Daar wordt het inkomen hoger en de belasting dus ook. Wat de werkgever verhaalt, kan de werknemer verrekenen.

In de onderstaande casus had de tijd de Belastingdienst echter ingehaald. Toen de loonbelasting werd nageheven, stond de aanslag inkomstenbelasting al vast. De werknemer claimde echter – terecht – dat hij de door de werkgever verhaalde loonbelasting alsnog mocht verrekenen met zijn inkomstenbelasting. De Belastingdienst had echter verzuimd de inkomsten waarop de naheffing zag in de aanslag inkomstenbelasting mee te nemen. De vraag is of dat alsnog kan.

Casus

Henk is als directeur in dienst van een Advies B.V. Op enig moment krijgt hij 5% van de aandelen. Enige tijd later wordt Henk min of meer gedwongen zijn aandelen Advies B.V. te verkopen c.q. ruilen tegen aandelen Het Beste Advies B.V.

Vervolgens komt de Belastingdienst in beeld. Die ziet in de aandelenverkoop / -ruil een beloningsvoordeel van ruim € 100.000. De Belastingdienst belast dit loon door naheffing van loonbelasting van Advies B.V.

Advies B.V. betaalt die belasting en verhaalt die op Henk. Ondertussen heeft Henk zijn definitieve aanslag IB al gehad. Die staat ook reeds vast. De wet voorziet in het alsnog verrekenen van de verhaalde loonbelasting met de aanslag inkomstenbelasting.

De fiscus wijst het verzoek echter af omdat het loon niet in de aanslag inkomstenbelasting is betrokken. Als het loon niet in de inkomstenbelasting is betrokken, kan de ingehouden / verhaalde loonbelasting ook niet worden verrekend, is de gedachte.

De Rechtbank en het Hof komen tot het oordeel dat wel verrekend mag worden. Voor verrekening is namelijk niet vereist dat het loon in de aanslag IB is betrokken. Daar komt Henk dus nog goed weg: geen inkomstenbelasting betalen, wel de loonbelasting terugkrijgen.

Interne compensatie

Interne compensatie houdt in dat de Belastingdienst – die een belastingvermindering toe moet staan – alsnog mag stellen dat er tegenover die aftrekpost een inkomen staat dat ten onrechte nog niet is belast.  Dat mag echter niet leiden tot meer te betalen belasting.

In deze zaak staat vast dat de door Advies B.V. verhaalde loonbelasting alsnog door Henk verrekend mag worden met de te betalen inkomstenbelasting. Daar stelde de Belastingdienst tegenover dat het voordeel uit de aandelenverkoop / -ruil alsnog belast moet worden in de inkomstenbelasting (zodat meer inkomstenbelasting verschuldigd is). De terug te geven loonbelasting wordt dan verrekend met de alsnog verschuldigde inkomstenbelasting (waardoor Henk er per saldo niets mee opschiet). Deze verrekening wordt door het Hof afgewezen omdat er door de Belastingdienst geen expliciet beroep zonder voorbehoud op is gedaan.

Hoge Raad

De Hoge Raad stelt voorop dat interne compensatie mogelijk is. Wel is vereist dat het standpunt in de procedure uitdrukkelijk en ondubbelzinnig moet blijken.

Voor dat blijken is niet vereist dat de woorden ‘beroep op interne compensatie’ worden gebruikt.

In dit geval heeft de fiscus wel expliciet gesteld dat bij verrekening ook het loon in de inkomstenbelasting moet worden betrokken. Tegen die stelling heeft Henk ook bezwaren geuit.

In die omstandigheden vindt de Hoge Raad dus dat een voldoende duidelijk beroep op interne compensatie is gedaan. De fiscus kon dus een beroep op interne compensatie doen.

Commentaar

Interne compensatie

Zolang een aanslag nog niet definitief vaststaat (of vermindering op grond van 9.6 IB nog mogelijk is), kan een belastingplichtige alles aanvoeren om de aanslag naar beneden te krijgen, zelfs als dat standpunt afwijkt van zijn aangifte. Dat kan ook bij navorderingen. Ook op punten waarop de navordering helemaal niet ziet.

De tegenhanger daarvan is de interne compensatie. In bezwaar, beroep en hoger beroep mag de fiscus stellen: u heeft gelijk dat de aanslag op die punten naar beneden moet, maar ik heb nog eens goed naar de aangifte en de aanslag gekeken en vind dat op die en die punten dat de aanslag te laag is. Daarvoor is dan ook geen nieuw feit nodig!

De grenzen voor de fiscus bij een beroep op interne compensatie zijn in wezen de rechtsbescherming van de belastingplichtige:

  • De aanslag kan nooit hoger worden;
  • Op punten die in bezwaar, beroep of hoger beroep expliciet en zonder voorbehoud worden prijsgegeven kan niet worden teruggekomen;
  • het beroep op interne compensatie moet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig blijken.

Op dat laatste punt kalft met het bovenstaande arrest wel wat van de rechtsbescherming af. Hier werd weliswaar geprocedeerd door een (top-)adviseur en de link tussen loon voor de loonheffing en loon in de inkomstenbelasting is wel makkelijk te leggen, maar toch wringt het. Nergens tref ik een opmerking of berekening aan waaruit blijkt dat het belastbare inkomen hoger moet zijn en wat dan de belastingheffing is. De naheffing loonbelasting is niet per definitie de extra inkomstenbelasting. Voor een normale belastingplichtige zal het niet allemaal direct even duidelijk zijn. De fiscus maakt er zich wel erg makkelijk af met de opmerking dat het ook in de inkomstenbelasting moet zitten.

Toch redt de Hoge Raad hier de Inspecteur. Dat is nadelig voor toekomstige belastingplichtigen die geen topadviseur hebben en waar het allemaal niet zo duidelijk is. Erg uitdrukkelijk en ondubbelzinnig is het allemaal niet.

Pyrrhusoverwinning

Qua rechtsbescherming voor de belastingplichtigen is dit arrest een stapje achteruit.

Voor Henk zal het allemaal wel loslopen. Dat komt hierdoor:

In de loonheffing heeft men het laten lopen. Advies B.V. vond het wel prima en kon het toch makkelijk verhalen door de verrekening met de ontslaguitkering. Henk heeft waarschijnlijk niet eens de naheffing gezien en was niet in de gelegenheid bezwaar te maken. Dus het moest wel via de 'achterdeur' van de IB.

Voor de Rechtbank en het Hof is ook aangevoerd dat er helemaal geen loonvoordeel is. In de eerste plaats is het geen loon en in de tweede plaats is er geen voordeel. Op dat laatste punt heeft de Rechtbank al beslist dat er helemaal geen meerwaarde in de aandelen zit. Dan valt er ook niets te belasten. Helaas heeft het Hof dit punt niet meer behandeld, zodat men nu noodgedwongen naar een ander Hof moet om dat te beoordelen.

Eindresultaat zal uiteindelijk waarschijnlijk zijn dat er geen te belasten loonvoordeel is en dat de loonheffing wel kan worden verrekend (ondanks dat er ook niets in de IB is betrokken, maar dat is geen voorwaarde, zoals de Rechtbank terecht al vaststelde).

De naheffing is van eind 2016 of januari 2017. Henk zit dus al vijf jaar op zijn geld te wachten. Bij bezwaar tegen de naheffing loonbelasting zou uitstel van betaling zijn verleend.

Ook daarom: schakel tijdig een specialist in.

Uitspraak Rechtbank

Uitspraak Hof

Arrest Hoge Raad

Interne compensatie [news] 2020-10-27 0000-00-00 0000-00-00 6767

Melden van internationale fiscale adviezen

De DAC 6 richtlijn is in werking gegaan

Europa trekt ten strijde tegen internationale structuren. In Nederland woonachtige of gevestigde belastingadviseurs, accountants, etc. (intermediairs) moeten adviezen met een grensoverschrijdend karakter om belasting te ontwijken melden bij de Belastingdienst.

Wie moet fiscale adviezen melden op grond van DAC 6? 

De meldingsplicht is vrij ruim van opzet en zal schuren met de wettelijke geheimhoudingsplicht. De meldingsplicht geldt voor:

  • Accountants
  • Belastingadviseurs
  • Advocaten
  • Notarissen
  • Banken en trustkantoren
  • Hulp intermediairs
  • Belastingplichtige zelf (soms als adviseur zich beroept op verschoningsrecht of als er geen intermediair is, bijvoorbeeld bij advisering door een bedrijfsfiscalist)

In sommige gevallen hoeft er niet te worden gemeld, dit bijvoorbeeld in situaties waarbij duidelijk is dat een andere intermediair al heeft gemeld. 

Vanaf welk moment adviezen melden o.g.v. DAV 6?

  • Adviezen vanaf 25 juni 2018 moeten worden gemeld vóór 1 maart 2021.
  • Adviezen na 1 juli 2020 moeten worden gemeld vóór 1 februari 2021.
  • Adviezen in 2021 moeten binnen 30 kalenderdagen worden gemeld.

Melding is ruim vormgegeven. Het kan gaan om een kant en klaar advies, maar ook om een advies dat in concept beschikbaar is gesteld, gereed is voor uitvoering of implementatie, of als de eerste stap inzake de advisering is gezet.

Doel van de wetgeving DAC 6

Bij potentieel agressieve grensoverschrijdende constructies moet een lampje gaan branden bij de adviseur. De informatie (het advies) moet tussen lidstaten worden uitgewisseld. De EU (en Nederland) wil hiermee de fiscale transparantie bevorderen en ongewenste agressieve advisering bij fiscale structuren tegengaan.

Welke straf kan de belastingadviseur of accountant krijgen?

De sancties zijn stevig. Een bestuurlijke boete kan oplopen tot € 870.000 en ook is een strafrechtelijk traject mogelijk. Als er sprake is van een "pleitbaar standpunt", dan kan boete-oplegging niet plaatsvinden. Er zal terughoudend worden omgegaan met boete-opleggingen, de praktijk zal leren hoe dit wordt uitgelegd.

Welke belastingen moeten worden gemeld o.g.v. DAC 6?

Er moet worden gemeld inzake adviezen aangaande:

  • Inkomstenbelasting
  • Vennootschapsbelasting
  • Loonbelasting
  • Dividendbelasting
  • Erf- en schenkbelasting

Er hoeft dus niet te worden gemeld bij adviezen inzake BTW, douanerechten, accijnzen, sociale zekerheid en leges.

Wat moet u melden o.g.v. DAC 6?

Via e-herkenning 3 moet u inloggen bij de Belastingdienst. In dit portaal moet de volgende informatie worden gemeld:

  • Gegevens van de adviseur (of belastingplichtige)
  • Gegevens over de belastingplichtige en verbonden personen of lichamen
  • Samenvatting van de inhoud van de belastingconstructie
  • Relevante wezenskenmerken
  • Relevante nationale bepalingen / wetgeving
  • De waarde van de belastingconstructie
  • De datum van implementatie
  • De relevante EU lidstaten

Nadere informatie treft u hier aan.

Noot fiscaal jurist inzake DAC 6 richtlijn

Moeten we nu een "cc" of "bcc" van onze e-mail aan de Belastingdienst sturen? De meldingsplicht is breed van opzet, wetgeving is nog niet geheel duidelijk en de straffen zijn stevig. De administratieve lasten bij fiscalisten en accountants, maar ook bij de Belastingdienst, zullen toenemen.

Bron melden internationale adviezen

Nederlandse DAC 6 wetgeving d.d. 18 december 2019

EU richtlijn inzake DAC 6 wetgeving  25 mei 2018

Leidraad DAC 6 van de Belastingdienst d.d. 24 juni 2020

Checklist DAC 6

Hier kunt u internationale adviezen melden in een gegevensportaal bij de Belastingdienst

Melden internationaal advies [news] 2020-12-29 0000-00-00 0000-00-00 6829

Onterechte navordering Belastingdienst wegens onzorgvuldigheid

De Belastingdienst heeft de mogelijkheid om na te vorderen. Dat gebeurt bijvoorbeeld in de sfeer van de inkomstenbelasting. Navorderen mag als er sprake is van een zogenaamd ‘nieuw feit’ of als de belastingplichtige ‘te kwader trouw’ is geweest bij het doen van de aangifte. Denk bijvoorbeeld aan het opzettelijk invullen van onjuiste gegevens. De kwalificatie van een feit als ‘nieuw’ feit is regelmatig voer voor discussie. Hoofdregel is dat een feit dat de Belastingdienst redelijkerwijs bekend kon zijn, geen grond mag opleveren voor navordering. Aangezien in de vorige zin het woord ‘redelijkerwijs’ is gebruikt, moge duidelijk zijn dat de Belastingdienst een bepaalde onderzoeksplicht heeft. De Belastingdienst moet zich dus inspannen om de juiste gegevens te verkrijgen. Doet hij dat niet, dan kan sprake zijn van een ambtelijk verzuim en mag niet worden nagevorderd. Recentelijk is een uitspraak gedaan door de Rechtbank Zeeland-West Brabant die over het nieuwe feit en de onderzoeksplicht gaat. Wij lichten deze uitspraak hierna toe.

Onterechte navordering door onzorgvuldigheid Belastingdienst: wat was er aan de hand?

Wij noemen de belastingplichtige in dit artikel Kees. Kees is werknemer van een bedrijf met een studieregeling. Deze regeling houdt in dat werknemers die een bepaalde opleiding volgen, worden gekort op hun brutoloon. Voor Kees gaat het in 2014 om een bedrag van € 3.908. Kees doet in 2015 netjes aangifte van zijn looninkomsten in de inkomstenbelasting. Hij besluit om met het bedrag van € 3.908 verder niets te doen. Eind goed, al goed, zou je denken en er volgt een definitieve aanslag.

In 2018 besluit Kees de aangifte over 2015 te herzien. Hij voert een bedrag van € 3.658 aan als scholingskosten waarvoor recht op aftrek zou bestaan. Dit bedrag is gelijk aan het ingehouden bedrag minus de drempel. Kees stuurt in het geheel geen stukken mee ter onderbouwing. De inspecteur merkt deze herziening aan als bezwaar. In de uitspraak op bezwaar geeft de inspecteur aan dat het bezwaar buiten de termijn is. De inspecteur heeft echter besloten aan het verzoek tegemoet te komen en de aanslag wordt verminderd. Kees krijgt als gevolg hiervan betaalde belasting terug.

Dit nieuws komt uit en binnen het bedrijf waar Kees werkt ontstaat een discussie. Eén van de andere werknemers benadert uiteindelijk de Belastingdienst en vraagt of dit nu klopt, of juist niet. De inspecteur komt al snel tot de conclusie dat Kees eigenlijk geen recht heeft op de aftrekpost en besluit over te gaan tot navordering van het bedrag dat Kees via de herziene aangifte heeft terugontvangen. De inspecteur wil het geld dat Kees heeft teruggekregen zelf weer terugontvangen.

Onterechte navordering door onzorgvuldigheid Belastingdienst: wat is het punt van geschil?

In geschil is of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. Daarvoor is immers een nieuw feit vereist. Het wel / geen recht hebben op de aftrekpost is geen punt van geschil in deze procedure.

Onterechte navordering door onzorgvuldigheid Belastingdienst: wat vindt de belastingplichtige?

Kees vindt dat er sprake is van een ambtelijk verzuim. Hij heeft immers een herziene aangifte gedaan en de inspecteur had die inhoudelijk moeten beoordelen en waar nodig de aftrekpost moeten onderzoeken. Had de inspecteur aan die onderzoeksplicht voldaan, dan had hij toen al geweten dat er geen recht op aftrek bestond. Als gevolg van het ambtelijk verzuim moet navordering achterwege blijven.

Onterechte navordering door onzorgvuldigheid Belastingdienst: het oordeel van de rechtbank

De rechtbank begint met vaststellen wat er nu eigenlijk is gebeurd bij de Belastingdienst. De inspecteur heeft twee beslissingen genomen nadat Kees de herziene aangifte heeft ingediend:

  1. De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar (de herziene aangifte); en
  2. Het toekennen van een ambtshalve vermindering.

Een ambtshalve vermindering is een beslissing die de inspecteur mag nemen. Hij geeft ter zitting nog aan dat deze vermindering is toegekend na een marginale beoordeling van de herziene aangifte. Er is dus naar de aangifte gekeken.

In de regelgeving is opgenomen dat de inspecteur een ambtshalve vermindering kan verlenen. De vermindering wordt verleend zodra de inspecteur is gebleken dat de aanslag die eerder is opgelegd te hoog is. Het is in die fase aan de belastingplichtige (Kees) om aannemelijk te maken dat de aanslag te hoog was.

De rechtbank leidt hieruit af dat de inspecteur een onderzoeksplicht heeft bij de ambtshalve vermindering. Hem moet immers gebleken zijn dat de aanslag onjuist was. Daarnaast gelden hier de algemene regels van het bestuursrecht en die brengen onder meer met zich dat de inspecteur tot zorgvuldig voorbereide besluiten moet komen. In de situatie van Kees heeft de inspecteur volstaan met de informatie die Kees heeft aangeleverd. Hij heeft verder geen vragen gesteld.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur het niet redt met de stelling dat sprake is van een feit dat hem niet bekend had kunnen zijn. Immers: de inspecteur heeft zelf de afweging gemaakt om geen verdere informatie te vragen bij de beoordeling van het verzoek. Kees heeft geen aanvullende informatie aangeleverd, maar de inspecteur had hierom moeten vragen. Dat is nu juist die onderzoeksplicht.  

Van de inspecteur mag zorgvuldigheid worden verwacht en er geldt dus een onderzoeksplicht. Deze inspecteur is echter onzorgvuldig geweest en heeft amper onderzoek gedaan. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een ambtelijk verzuim. Dit staat aan navordering in de weg. De conclusie is dat de navordering wordt vernietigd en Kees niet hoeft terug te betalen, ondanks dat hij eigenlijk geen recht had op de aftrekpost. De inspecteur heeft dus door onzorgvuldig te handelen zijn navorderingsrecht verspeeld. Kees moest hiervoor wel naar de rechtbank.

Navorderingsaanslag en fiscale advisering

Indien u een navorderingsaanslag ontvangt, gaat er direct al een belangrijke termijn lopen. U moet dan besluiten om wel / niet in bezwaar te gaan. Indien u deze termijn laat verlopen, doet dat uw rechtspositie geen goed. Hebt u het gevoel een aanslag te ontvangen die niet (helemaal) juist is of hebt u het gevoel dat onzorgvuldig wordt gehandeld? Neem dan contact op met één van de auteurs en wij bespreken graag vrijblijvend onze dienstverlening en uw situatie met u.

Uitspraak (bron)

Onterechte navordering Belastingdienst [news] 2021-03-01 0000-00-00 0000-00-00 6910

Vergrijpboete en margeregeling: uitleg over fiscale boetes

De Belastingdienst heeft de mogelijkheid om boeten op te leggen. Dat gebeurt bijvoorbeeld als bij een boekenonderzoek blijkt dat de belastingplichtige informatie niet correct verstrekt heeft, onjuiste aangifte(n) heeft gedaan of belasting niet tijdig betaalt. Veel voorkomende boeten zijn de verzuimboete en de vergrijpboete. Wij komen dit in de praktijk ook vaak tegen. Overigens geldt daarbij dat binnen de verzuim- en vergrijpboete ook weer verschillende onderverdelingen te maken zijn; ieder met eigen (rand)voorwaarden.

Over boeten worden veel discussies gevoerd met de Belastingdienst en regelmatig geprocedeerd. Bij boeteoplegging gelden een aantal formele voorschriften en de hoogte van een boete is niet in beton gegoten. Zo kent de regelgeving inzake de fiscale boeteoplegging diverse gronden die een boetematiging kunnen rechtvaardigen. Wij bespreken hierna een recent voorbeeld van een vergrijpboete. Deze uitspraak laat zien hoe belangrijk het is dat u als belastingplichtige energie steekt in het verkrijgen van juiste inlichtingen over de margeregeling.

Vergrijpboete en margeregeling: wat is er aan de hand?

De belastingplichtige in deze zaak heeft een bedrijf dat zich bezighoudt het met overnemen van voorraden en inventarissen van failliete ondernemingen. Deze zaken worden vervolgens weer (door)verkocht. De belastingplichtige past de margeregeling toe en draagt de BTW te laat af. Hij doet zelf de BTW-aangiften. In deze zaak draait het uiteindelijk om het toepassen van de margeregeling. De inspecteur laat het te laat afdragen voorbijgaan zonder boeteoplegging.

De Belastingdienst doet bij deze onderneming een boekenonderzoek. Hieruit komt naar voren dat de margeregeling ten onrechte is toegepast. De belastingplichtige koopt de goederen namelijk niet van particulieren, vrijgestelde ondernemers of van handelaren die de goederen met toepassing van de margeregeling verkopen. Ook heeft de belastingplichtige niet aan de aanvullende administratieve voorwaarden van de margeregeling voldaan. De inspecteur van de Belastingdienst gaat over tot boeteoplegging wegens het ten onrechte toepassen van de margeregeling.

De inspecteur kondigt een vergrijpboete aan van 25%. In deze situatie leidt dat tot een boetebedrag van circa € 169.000 De boete wordt opgelegd, omdat – zoals wij al aangaven – de margeregeling ten onrechte is toegepast. Een vergrijpboete vereist opzet of grove schuld van de belastingplichtige. De inspecteur stelt zich in deze zaak op het standpunt dat sprake is van grove schuld. De belastingplichtige heeft in de ogen van de inspecteur zo onzorgvuldig gehandeld (of nagelaten te handelen), dat hij er schuld aan heeft dat de correcte belasting niet of niet tijdig is betaald.

Nog bij het afhandelen van het boekenonderzoek komt de inspecteur de belastingplichtige tegemoet. Het bedrag van € 169.000 is te veel van het goede. Gezien de wanhouding tussen de ernst van het feit en de op te leggen boete, kiest de inspecteur ervoor om de boete te matigen tot € 100.000. De belastingplichtige gaat in bezwaar en daarna in beroep.

Vergrijpboete en margeregeling: wat zijn de geschilpunten?

De belastingplichtige is het met de vergrijpboete oneens. Hij meent in de eerste plaats dat de boete niet opgelegd had mogen worden. Mocht de rechtbank vinden dat de boete wel opgelegd mag worden, dan is hij van mening dat verdere matiging plaats moet vinden. Deze stellingen behandelen wij hierna.

Vergrijpboete en margereling: is de boete terecht?

De rechtbank geeft eerst aan wat de regel is. De inspecteur wil een vergrijpboete opleggen, dus dan moet de inspecteur hiervoor het bewijs leveren. Duidelijk is dat de inspecteur meent dat door grove schuld te weinig belasting is geheven. Dit baseert de inspecteur op de omstandigheid dat de belastingplichtige de margeregeling onterecht heeft toegepast. Overigens is niet in geschil dat de belastingplichtige de margeregeling niet toe mocht passen. Dat betekent dat de rechtbank direct kan toetsen of de inspecteur de grove schuld bewezen heeft.

De inspecteur vindt dat sprake is van grove schuld, omdat de belastingplichtige niet voldoende heeft gedaan. De belastingplichtige heeft de margeregeling namelijk toegepast, zonder zich voldoende te verdiepen in de regels en voorwaarden van de margeregeling. Dit had de belastingplichtige, zeker gezien de omvang van de omzet die hij onder de margeregeling bracht, wel moeten doen. Althans, zo stelt de inspecteur.

De belastingplichtige ziet dit anders. Hij kocht zaken in en kreeg de mededeling dat het gebruikte goederen betrof. Volgens de mededeling van de curator waarvan hij de zaken kocht, moest hij daarmee rekening houden bij de BTW-aangifte. Hoe hij er rekening mee moest houden, was niet helemaal duidelijk. Vervolgens heeft hij op de website van de Belastingdienst gelezen dat gebruikte goederen die zonder BTW zijn ingekocht onder de margeregeling vallen. De belastingplichtige meende zonder BTW in te kopen. Deze verklaring van de belastingplichtige neemt de rechtbank aan als redelijk. De juistheid van het verhaal van de belastingplichtige is dus niet in geding.  

De rechtbank moet dan oordelen of de boete opgelegd kon worden. De eerste conclusie is dat de margeregeling ingewikkeld is. Het gaat echter om een groot bedrag en van de belastingplichtige mocht verwacht worden dat deze meer zorgvuldig onderzoek naar de toepassing van de margeregeling had gedaan. Dat kwalificeert in de ogen van de rechtbank als het in verregaande mate onzorgvuldig handelen. Daarbij telt ook mee dat de website van de Belastingdienst over de margeregeling veel meer informatie bevat dan de belastingplichtige aangeeft. De verregaande mate van onzorgvuldig handelen maakt dat de inspecteur grove schuld mocht stellen.

Het vereiste van grove schuld is volgens de rechtbank voldoende bewezen door de inspecteur en dus is de boete terecht opgelegd. Dan staat het verzoek om verdere matiging nog wel open. Dat behandelen wij hierna.

Vergrijpboete en margeregeling: wordt de boete gematigd?

De belastingplichtige heeft drie redenen om de boete verder te laten matigen: een wanverhouding tussen het feit en de hoogte van de boete, zijn financiële draagkracht en de duur van de procedure. Wij behandelen die redenen hierna afzonderlijk.

Wanverhouding tussen de ernst van het feit en de hoogte van de boete

De rechtbank gaat hier niet in mee. Hij acht het van groot belang dat fiscale verplichtingen juist en tijdig worden nagekomen. Als iedereen zo onzorgvuldig kan handelen, dan zou de maatschappelijke schade enorm zijn. Het is daarom niet redelijk om geen gevolgen aan de gedraging te verbinden. De boete van 25% staat in redelijke verhouding tot de ernst van het feit. Daar komt nog bij dat de boete al is gematigd tot 10% door de inspecteur. De rechtbank acht een matiging tot een boete minder dan 10% niet gepast. Deze reden leidt dus niet tot boetematiging.

De financiële draagkracht

De belastingplichtige geeft aan dat zijn financiële draagkracht beperkt is. Dat komt onder meer omdat er al geruime tijd geen activiteiten worden verricht door de onderneming. De rechtbank kijkt bij dit argument of de hoogte van de boete de bedrijfsvoering in gevaar brengt. Dat is volgens de rechtbank niet het geval. Boetematiging is daarom niet aan de orde op deze grond.

De duur van de procedure

De belastingplichtige meent tot slot dat de redelijke termijn is overschreden. Deze termijn houdt in dat binnen twee jaar nadat de belastingplichtige kenbaar is met de (mogelijke) boeteoplegging, een uitspraak van de rechtbank gegeven moet zijn. Deze termijn is inderdaad overschreden en daarom wordt de boete met 5% gematigd tot circa € 64.000.

Vergrijpboete en margeregeling: conclusies

De rechtbank oordeelt dus dat de inspecteur op alle gronden juist heeft gehandeld. Enkel vanwege de lange doorlooptijd wordt de boete met 5% gematigd. De belastingplichtige heeft zelf dus onvoldoende gedaan om bekend te zijn met geldende wet- en regelgeving. Het tijdig inwinnen van deskundig advies had hier de boete kunnen voorkomen.

Vergrijpboete en margeregeling: onze advisering

Vergrijpboeten komen in de praktijk vaak voor. Afhankelijk van de omstandigheden van uw situatie, kan boeteoplegging geheel onterecht zijn of is boetematiging gepast. Het is verstandig om, zodra u geconfronteerd wordt met een boekenonderzoek, een specialist in te schakelen. Dit kan uiteraard ook in een latere fase, bijvoorbeeld als u bekend bent met de boete die zal worden opgelegd. Vragen over vergrijpboeten? Neem dan gerust eens contact op met één van de auteurs. Het is uiteraard ook verstandig om u met betrekking tot ingewikkelde regelgeving door een specialist te laten adviseren. Een oriënterende kennismaking is bij ons altijd en vrijblijvend mogelijk, ook digitaal.

uitspraak van de rechtbank

Vergrijpboete en margeregeling [news] 2021-03-02 0000-00-00 0000-00-00 6913

Onterecht belastingrente wegens onevenredigheid

De belastingrenteregels zijn niet onomstreden. Het doel van de belastingrente, die per 2013 in de wet is opgenomen, is om het sparen bij de Belastingdienst te ontmoedigen. Dat gebeurde in het verleden vaak door het veel te laat te betalen, waardoor liquiditeits- en rentevoordelen werden genoten. In de sfeer van de inkomstenbelasting betaalt u onder meer belastingrente indien u de aangifte te laat doet of als de Belastingdienst afwijkt van uw aangifte. Veel belastingplichtigen ervaren de rentepercentages die worden gehanteerd bij belastingrente als excessief. Deze percentages zijn in verband met corona naar beneden bijgesteld. Dit zal na de huidige crisis vermoedelijk weer worden teruggedraaid. Kortgeleden heeft de rechtbank uitspraak gedaan in een interessante zaak over de belastingrente. Wij lichten die zaak hierna toe.

Onevenredige belastingrente: wat was er aan de hand?

In deze zaak zijn twee personen van belang. Het gaat om fiscale partners. Wij noemen ze voor het gemak Jan en Truus. Jan doet namens hun beiden zijn aangifte inkomstenbelasting 2017. Hij neemt in zijn aangifte Truus op als fiscaal partner. Deze aangifte doet Jan op tijd. In deze aangifte neemt hij het vermogen van hun allebei op. De te betalen belasting wordt eveneens op tijd voldaan. Truus doet geen eigen aangifte, want haar inkomen is al in de aangifte van Jan opgenomen.

Twee jaar later besluiten Jan en Truus de gedane aangifte te herzien. Zij gaan over tot het herverdelen van het gezamenlijk inkomen. Dat leidt ertoe dat Jan zijn aangifte aanpast en Truus alsnog een eigen aangifte indient. De Belastingdienst stelt de herziening niet ter discussie. Echter, de Belastingdienst legt aan Truus wel een beschikking belastingrente op. Hiermee is Truus het oneens.

Onevenredige belastingrente: waarom een beschikking belastingrente?

De Belastingdienst stelt zich strikt aan de wet te houden. Truus heeft zelf geen aangifte IB 2017 gedaan tot aan het moment van herziening. Dat betekent dat de eigen aangifte van Truus zeker twee jaar te laat is ingediend. Het verzuimen om tijdig aangifte te doen wordt bestraft met belastingrente, dat is nu eenmaal de wet. De Belastingdienst geeft toe dat het inkomen van Truus in de aangifte van haar fiscaal partner is opgenomen, maar dat is niet voldoende om aan de eigen aangifteplicht te hebben voldaan. Tot slot merkt de Belastingdienst op dat de regeling hier wat hard uitpakt, maar dat dat nu eenmaal de regeling is.

Onevenredige belastingrente: het argument van belastingplichtige

Truus is in de eerste plaats van mening dat zij gewoon aan haar verplichtingen heeft voldaan. Daarnaast benoemt zij het doel en de strekking van de belastingrente. De regels zijn bedoeld als vergoeding voor betalingsachterstanden en daarvan is in deze situatie nooit sprake geweest. De volledige belasting was immers al betaald door de partner en haar deel zal daar gewoon bij in. Sterker nog, de Belastingdienst heeft meer geld tot zijn beschikking gehad, omdat de herziening per saldo tot minder verschuldigde belasting heeft geleid.

Onevenredige belastingrente: het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt eerst vast dat de belastingrente juist is berekend. Daarna merkt hij op dat de gedachte achter belastingrente is, dat ongewenste rente-effecten kunnen worden voorkomen of beperkt. Geldend recht daarbij is dat belastingrente onder omstandigheden, bijvoorbeeld op grond van het evenredigheidsbeginsel, achterwege moet blijven. De vraag is dan of zo’n situatie zich hier voordoet.

De rechtbank zet uiteen wat er in dit geval precies gebeurt. Als hier de belastingrenteregels strikt worden toegepast, dan leidt dat tot een berekening alsof er verzuimd is. De vraag is dan eerst of Truus inderdaad verzuimd heeft. Zij heeft haar eigen aangifte inderdaad te laat gedaan, maar de eerdere gezamenlijke aangifte en de betaalde aanslag zijn wel betaald. De wijziging van de aangifte heeft per saldo geleid tot een teruggaaf. De Belastingdienst heeft dus al het geld tijdens het – vermeende – verzuim onder zich gehad. Zelfs de Staatssecretaris heeft naar aanleiding van recent onderzoek in zijn algemeenheid aangegeven dat dit onrechtvaardig kan zijn. Deze overwegingen zijn voor de rechtbank voldoende om tot een oordeel te kunnen komen.

Het oordeel van de rechtbank is in het voordeel van Truus. Het evenredigheidsbeginsel staat aan het in rekening brengen van belastingrente in deze situatie in de weg. Het strikt volgen van de wet zou leiden tot een uitkomst die zich niet verhoudt tot doel en de strekking van de belastingrenteregels. Deze onevenredigheid moet worden voorkomen en is reden om de beschikking belastingrente te vernietigen.

Onevenredige belastingrente: conclusies en advisering

De belastingrenteregeling kan hard uitpakken voor belastingplichtigen. Dat gebeurde in dit voorbeeld ook. De Belastingdienst verschuilt zich hier achter het wet-is-wet principe. Wat van dat principe ook moge zijn, de afgelopen periode is er gelukkig een discussie op gang gekomen over de, vaak harde, uitwerking van fiscale wetgeving. Over dit type praktijksituaties zal het laatste woord dan ook nog niet gesproken zijn.

Wordt u geconfronteerd met navorderingen, naheffingen, boeten en / of belastingrente? En bent u het hiermee oneens? Neem dan eens vrijblijvend contact op met één van de auteurs om te kijken of wij iets voor u kunnen betekenen.

Onterecht belastingrente [news] 2021-03-05 0000-00-00 0000-00-00 6916

Verzuimboete bij niet (tijdige) aangifte (67b AWR)

In dit artikel gaan wij in op het opleggen van een zogenaamde verzuimboete bij het niet of niet tijdig doen van een belastingaangifte. Dat kan zich voor twee soorten belastingen voordoen: aanslagbelastingen en aangiftebelastingen. Bij een aanslagbelasting dient de belastingplichtige zelf aangifte te doen, maar legt de inspecteur de aanslag op. Een aangiftebelasting vereist minder ingrijpen van de Belastingdienst. Bij dit type belastingen is het de belastingplichtige die zelf de belasting berekent en betaalt.

Voorbeelden van aanslagenbelastingen zijn de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting. Bekende aangiftebelastingen zijn de loonbelasting en omzetbelasting. Het onderscheid tussen deze belastingtypen is overigens niet alleen voor boeten van belang, maar ook bijvoorbeeld bij het bepalen of de Belastingdienst over mag gaan tot navordering of naheffing.

In dit artikel kijken wij naar de wet- en regelgeving met betrekking tot het opleggen van een boete bij het niet of niet tijdig doen van een aangifte voor een aangiftebelasting. Dit wordt ook wel de 67b AWR boete genoemd. Deze benaming zult u vaak op de boetebeschikking terugzien. Wij zullen in dit artikel het voorbeeld uitwerken aan de hand van de aangifte loonbelasting.

Wij zijn in een ander artikel ingegaan op de verzuimboete bij het niet of niet tijdig doen van een aangifte voor een aanslagbelasting. U leest dat artikel hier.

Verzuimboete bij niet of niet tijdige aangifte ingevolge 67b AWR

De wet bepaalt dat bij het niet of niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte voor een aangiftebelasting een verzuimboete opgelegd kan worden. De bevoegdheid om deze boete op te leggen is aan termijnen gekoppeld. In het kader van dit artikel is één termijn van belang. Dat is de termijn om een boete op te leggen wegens het niet of niet tijdig doen van de aangifte. De bevoegdheid tot boeteoplegging vervalt in die situatie één jaar na het einde van de termijn waarbinnen de aangifte gedaan moest worden.

De wet kent ook een tweede termijn. Die geldt als u in de situatie zit waarin u een onjuiste / onvolledige aangifte heeft gedaan. De bevoegdheid tot boeteoplegging vervalt dan vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. Een rechtvaardiging voor dit onderscheid wordt gevonden in de te verrichten inspanningen door de Belastingdienst. Constateren dat iets niet of te laat is gedaan, is eenvoudigweg minder werk dan inhoudelijke onjuistheden constateren.

Wij gaan hierna eerst in op het termijnbegrip en de hoogte van de boete.

Vereisten belastingdienst bij opleggen boete

Als de inspecteur een belastingplichtige een boete oplegt moet de inspecteur uiterlijk op het moment van bekendmaken van de de boete de reden noemen. Bij onduidelijkheid komt alleen betekenis toe aan wat er op het aangiftebiljet is vermeld. In een procedure bij het Gerechtshof Den Bosch komt een boete aan de orde i.v.m. het niet tijdig betalen van aangiftebelasting, in deze de BTW (artikel 67f AWR). Er wordt niet aan de vereisten van artikel 67f AWR voldaan, de boete wordt vernietigd. De Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:704) heeft in 2021 het oordeel van het Gerechtshof (ECLI:NL:GHSHE:2019:2155) bevestigd.

Het begrip ‘gestelde termijn’ bij de verzuimboete van 67b AWR

Het is aan de Belastingdienst om in de eerste plaats de termijnen te stellen voor het doen van de aangifte. Bij de loonbelasting ontvangt u bijvoorbeeld ieder jaar een brief met daarop de tijdvakken voor het komende jaar. De termijn dient ten minste een maand te bedragen na het einde van het tijdvak waarop de belasting ziet. Indien u uitstel verkrijgt, dient dit uiteraard gerespecteerd te worden.

De inspecteur hoeft met betrekking tot deze boeten u geen herinnering of aanmaning te sturen. Indien u niet tijdig de aangifte doet, dan is dat voldoende reden voor de boete.

De hoogte van de verzuimboete bij 67b AWR

Om de hoogte van de boete te bepalen, moet worden gekeken wat voor aangifte te laat is ingediend. Daarbij is het onderscheid tussen de aangifte loonbelasting enerzijds en alle andere aangiften anderzijds van belang.

Indien u te laat bent met de aangifte loonbelasting, dan bedraagt de boete maximaal € 1.377 (bedrag 2021). Bent u te laat met een andere aangifte, dan bedraagt de boete maximaal € 136. Dit zijn de maximumbedragen die de wet geeft. Bij beleid is het proces van boeteoplegging echter behoorlijk uitgebreid. Wij gaan hierna kort in op een aantal spelregels, maar kunnen door de complexiteit eenvoudigweg niet volledig zijn.

Indien u te laat bent met de aangifte loonbelasting, dan bent u in verzuim. Over het algemeen zal dan een boete van 5% worden opgelegd. Naar de bedragen van 2021 is dat € 68. Een boete blijft achterwege indien u de aangifte doet binnen zeven dagen na afloop van de wettelijke termijn. Zowel toepassing van de 5%-regel als het achterwege laten van de boete bij ‘snel’ herstel kunnen op grond van bijzondere omstandigheden achterwege blijven. Dit is bijvoorbeeld zo als u stelselmatig in verzuim bent. Over stelselmatigheid en de daaraan te koppelen gevolgen worden vaak discussies gevoerd. Tot slot schrijft het beleid voor dat de Belastingdienst terughoudend moet omgaan met het opleggen van boetes bij onjuiste / onvolledige aangiften.

Wij sluiten deze paragraaf af door te wijzen op enkele aanvullende regels. Zo blijft een boete afwezig indien u geen schuld heeft aan de termijnoverschrijding of als u een pleitbaar standpunt heeft. Ook kan er sprake zijn van strafverminderende omstandigheden, zoals verzachtende omstandigheden. Daarbij gaat het om gebeurtenissen die buiten uw invloed zijn gelegen. Ook financiële omstandigheden, zoals thans corona, kunnen aanleiding zijn om boetes te matigen. Wij merken dat dit in de praktijk al veel gebeurt.

Waarom een verzuimboete opleggen?

De 67b AWR boete is een zogenaamde verzuimboete. De Staatssecretaris van Financiën heeft in 2009 in herinnering gebracht wat het doel is van de verzuimboete. Het gaat niet, zoals belastingplichtigen het soms ervaren, om leedtoevoeging. Verzuimboeten hebben als primaire doel het onderhouden en versterken van de bereidheid om fiscale verplichtingen na te komen. Dit is anders dan bij de vergrijpboete. Daar is duidelijk sprake van een bestraffend karakter en het wegnemen van een onterecht voordeel.

Het voorbeeld bij de aangifte loonbelasting

Hierna werken wij uit hoe deze boeteoplegging zou kunnen verlopen bij de aangifte loonbelasting. De uitwerking is op hoofdlijnen hetzelfde als bij de andere aangiftebelastingen, zoals de omzetbelasting.

Henk is werkgever en inhoudingsplichtig voor de loonbelasting. Zijn tijdvak bedraagt een maand. Henk dient de aangifte over maart 2021 uiterlijk 30 april 2021 te doen. Stel dat Henk dat niet doet. Wij werken twee scenario’s uit.

Henk doet de aangifte uiteindelijk op 15 juni 2021. Daardoor is Henk ruim tweeënhalve maand te laat. Henk krijgt hiervoor waarschijnlijk een verzuimboete opgelegd. Als het de eerste keer is, dan zal deze boete € 68 bedragen. Dit kan anders zijn, indien Henk bijvoorbeeld stelselmatig verzuimt.

Het kan ook zijn dat Henk de boete op 3 mei 2021 doet. Dat is binnen zeven dagen na het aflopen van de termijn. Henk krijgt dan geen boete opgelegd, tenzij zich bijzondere omstandigheden, zoals stelselmatig verzuim, voordoen.

Wie kan de verzuimboete van 67b AWR opgelegd krijgen?

In de eerste plaats en het meest voorkomend is uiteraard de belastingplichtige zelf. De wet is echter regelmatig uitgebreid. Thans is het mogelijk de boete ook op te leggen aan een medepleger, opdrachtgeveren / of feitelijk leidinggever, de doen plegeren de uitlokker. Op deze mogelijkheden, die in de praktijk zeer weinig voorkomen, gaan wij in dit artikel niet nader in.

De verzuimboete van 67b AWR en onze deskundigheid

De verzuimboete wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte voor een aangiftebelasting, ook wel de 67b AWR boete genoemd, wordt automatisch opgelegd. Alle bezwaren die u tegen deze boete heeft komen vrijwel altijd pas in de bezwaarfase aan de orde. Wij voeren voor belastingplichtigen vaak procedures tegen de verzuimboete en – indien nodig – ook tegen de aanslag zelf. Een eerste gesprek is altijd vrijblijvend.

Verzuimboete niet (tijdige) aangifte [news] 2021-03-09 0000-00-00 0000-00-00 6919

Verzuimboete bij niet (tijdige) aangifte (67a AWR)

In dit artikel gaan wij in op het opleggen van een zogenaamde verzuimboete bij het niet of niet tijdig doen van belastingaangifte. Dat kan zich op hoofdlijnen voor twee soorten belastingen voordoen: aanslagbelastingen en aangiftebelastingen. Bij een aanslagbelasting dient de belastingplichtige aangifte te doen, maar legt de inspecteur de aanslag op. Een aangiftebelasting vereist minder ingrijpen van de Belastingdienst. Bij dit type belastingen is het de belastingplichtige die zelf de belasting berekent en betaalt.

Voorbeelden van aanslagenbelastingen zijn de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting. Bekende aangiftebelastingen zijn de loonheffingen en omzetbelasting. Het onderscheid tussen deze belastingtypen is overigens niet alleen voor boeten van belang, maar ook bijvoorbeeld bij het bepalen of de Belastingdienst over mag gaan tot navordering of naheffing.

In dit artikel kijken wij naar de wet- en regelgeving over het opleggen van een boete bij het niet of niet tijdig doen van een aangifte voor een aanslagbelasting. Dit wordt ook wel de 67a AWR boete genoemd. Deze benaming zult u vaak op de boetebeschikking terugzien. Wij zullen in dit artikel het voorbeeld uitwerken aan de hand van de aangifte inkomstenbelasting.

Wij zijn in een ander artikel ingegaan op de verzuimboete bij het niet of niet tijdig doen van een aangifte voor een aangiftebelasting. U leest dat artikel hier.

Verzuimboete bij niet of niet tijdige aangifte ingevolge 67a AWR

De wet bepaalt dat het niet doen van de aangifte binnen de gestelde termijn een verzuim vormt. Voor dit verzuim kan een boete worden opgelegd. Het gedrag van de belastingplichtige is aangemerkt als een overtreding. Dit roept uiteraard een aantal vragen op. Wat is nu precies die gestelde termijn en hoe hoog mag die boete zijn?

Het begrip ‘gestelde termijn’ bij de verzuimboete van 67a AWR

Iedereen die door de Belastingdienst wordt uitgenodigd is verplicht om aangifte te doen. Deze uitnodiging ontvangt u meestal in de vorm van een brief. In deze brief wordt ook aangegeven wat de termijn is voor het doen van de aangifte. De termijn dient ten minste één maand te bedragen. De termijn wordt berekend vanaf de datum van het uitnodigen. Uit de titel van dit artikel blijkt al dat twee situaties voorkomen: de aangifte is niet gedaan en de aangifte is niet op tijd gedaan. Het in het geheel niet hebben gedaan van de aangifte maakt boeteoplegging direct mogelijk. Het is echter ook mogelijk dat de aangifte wordt gedaan nadat de termijn is verlopen. In dat geval kan de boete alleen worden opgelegd indien de inspecteur u heeft aangemaand om binnen een redelijke termijn alsnog aangifte te doen. Wij zien dat dit in de praktijk niet altijd goed gaat.

De wet bevat ook regels voor belastingplichtigen die weten dat zij aan te geven inkomen hebben, maar die niet zijn uitgenodigd om aangifte te doen. Zij kunnen niet een zogenaamde 67a AWR boete opgelegd krijgen. Overigens kent het boetestelsel voor deze overtreding een andere boeteregel. Deze is opgenomen bij de 67ca AWR boete. Het komt in de praktijk nog steeds voor dat boetes op verkeerde gronden worden opgelegd.

De hoogte van de verzuimboete bij 67a AWR

De wet bepaalt dat de boete maximaal € 5.514 bedraagt (bedrag 2021). Het is geldend beleid dat bij het opleggen van de boete onderscheid wordt gemaakt naar belastingmiddel. Indien u de aangifte vennootschapsbelasting niet of niet-tijdig doet, kunt u een boete krijgen van maximaal 50% van het maximum. In de praktijk is dat nu dus € 2.757. Doet u de aangifte inkomstenbelasting niet of niet tijdig, dan bedraagt de boete maximaal 7%, zijnde € 385. In de praktijk komt het voor dat belastingplichtigen bijvoorbeeld twee jaar achter elkaar de aangifte niet tijdig doen. Het beleid maakt het mogelijk om een verzuimboete voor het volle bedrag van € 5.514 op te leggen indien sprake is van een uitzonderlijk geval. Als voorbeeld wordt daarbij genoemd het stelselmatig in verzuim zijn. In de praktijk wordt over deze bijzondere gevallen vaak gediscussieerd met de Belastingdienst.

De Belastingdienst dient bij het opleggen van een boete altijd rekening te houden met omstandigheden die aanleiding kunnen zijn om de boete te verhogen of te verlagen. Bij de 67a AWR boete is het zo dat het kijken naar individuele omstandigheden niet direct gebeurt. Het systeem werkt daarvoor té geautomatiseerd. Het rekening houden met individuele feiten en omstandigheden komt dan pas in de bezwaarfase voor het eerst aan de orde. U dient deze bezwaarprocedure echter zelf (of met hulp van een specialist) aanhangig te maken. Daarvoor gelden strikte termijnen. Handel daarom bij boeteoplegging snel.

Bij relevante aspecten in het kader van matiging van de boeteoplegging kunt u denken aan de verhouding tussen de boete en de overtreding, verzachtende omstandigheden en een pleitbaar standpunt.

Waarom een verzuimboete opleggen?

De 67a AWR boete is een zogenaamde verzuimboete. De Staatssecretaris van Financiën heeft in 2009 in herinnering gebracht wat het doel is van de verzuimboete. Het gaat niet, zoals belastingplichtigen het soms ervaren, om leedtoevoeging. Verzuimboeten hebben als primaire doel het onderhouden en versterken van de bereidheid om fiscale verplichtingen na te komen. Dit is anders dan bij de vergrijpboete. Daar is duidelijk sprake van een bestraffend karakter en het wegnemen van een onterecht voordeel.

Wat in de praktijk ook wel voorkomt, is dat de Belastingdienst de boete gebruikt als een instrument om u tot handelen aan te zetten. De inspecteur kan dan een boete opleggen voordat de aanslag wordt opgelegd. Dat doet hij dan onder de voorwaarde dat u alsnog binnen een gestelde termijn de aangifte doet. De matiging van de boete wordt daarmee een soort extra motiveringsmiddel. Deze mogelijkheid is sinds 2013 in de wet opgenomen.

Het voorbeeld bij de aangifte inkomstenbelasting

Hierna werken wij uit hoe deze boeteoplegging zou kunnen verlopen bij de aangifte inkomstenbelasting. De uitwerking is op hoofdlijnen hetzelfde bij de andere aanslagbelastingen, zoals de vennootschapsbelasting.

Henk wordt begin 2021 uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting 2020. Deze uitnodiging valt in de bekende blauwe envelop op zijn deurmat. Stel dat in de brief is opgenomen dat Henk vóór 1 mei 2021 aangifte moet doen (de termijn). Hoe moet Henk nu handelen?

Indien Henk vóór 1 mei 2021 zijn aangifte doet, is er niets aan de hand in het kader van dit artikel. Henk kan echter vergeten aangifte te doen. De gangbare praktijk is dat de Belastingdienst nu eerst een herinnering stuurt en als Henk dan nog niets doet, een aanmaning. Doet Henk de aangifte dan nog steeds niet of niet binnen de termijn genoemd bij de aanmaning, dan kan de Belastingdienst de verzuimboete opleggen bij de aanslag.

De Belastingdienst kan het ook anders doen. In plaats van de boete op te leggen bij de aanslag zoals in de vorige alinea beschreven, kan hij ook de boete opleggen voordat hijzelf de aanslag oplegt. De boete dient dan als stimulering om Henk alsnog de aangifte te laten doen. Dit kan bijvoorbeeld uitmonden in een toegezegde boetematiging bij het alsnog doen van de aangifte.

Wie kan de verzuimboete van 67a AWR opgelegd krijgen?

In de eerste plaats en het meest voorkomend is uiteraard de belastingplichtige zelf. De wet is echter regelmatig uitgebreid. Thans is het mogelijk de boete ook op te leggen aan een medepleger, opdrachtgeveren / of feitelijk leidinggever, de doen plegeren de uitlokker. Op deze mogelijkheden, die in de praktijk zeer weinig voorkomen, gaan wij in dit artikel niet nader in.

De verzuimboete van 67a AWR en onze deskundigheid

De verzuimboete wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte voor een aanslagbelasting, ook wel de 67a AWR boete genoemd, wordt automatisch opgelegd. Alle bezwaren die u tegen deze boete heeft komen vrijwel altijd pas in de bezwaarfase aan de orde. Wij voeren voor belastingplichtigen vaak procedures tegen de verzuimboete en – indien nodig – ook tegen de aanslag zelf. Een eerste gesprek is altijd vrijblijvend.

Verzuimboete aangifte (67a AWR) [news] 2021-03-09 0000-00-00 0000-00-00 6920

Terechte navordering hypotheekrente

Indien na het opleggen van een belastingaanslag bij de inspecteur het vermoeden rijst dat deze te laag is vastgesteld, dan kan dit uiteindelijk leiden tot navordering. De inspecteur kan overgaan tot navordering indien sprake is van een zogenaamd nieuw feit, tenzij sprake is van een situatie waarin de belastingplichtige te kwader trouw is geweest. Een nieuw feit is dan niet nodig. Voor de volledigheid merken wij op dat navordering onder voorwaarden ook mogelijk is indien sprake is van een duidelijke fout bij de aanslagoplegging. Wij gaan daar in het kader van dit artikel niet nader op in.

Dit artikel bevat een weergave van een recent vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. Aan de orde was het navorderen door de inspecteur wegens een onjuistheid in de hypotheekrenteaftrek. Wij bespreken in het vervolg van dit artikel het vonnis.

Terechte navordering hypotheekrente: wat was er aan de hand?

Het betreft een navorderingsaanslag in de sfeer van de inkomstenbelasting. De belastingplichtige en zijn partner hebben een eigen woning. Dat betekent dat voor leningen die als eigenwoningschuld kwalificeren hypotheekrenteaftrek mogelijk is. Daarnaast had de belastingplichtige een B.V. Deze B.V. is in 2001 failliet verklaard. Hierna beschrijven wij wat voor invloed dit feitencomplex op de aangifte en de aanslag heeft gehad.

De B.V. is in 2001 failliet verklaard. De belastingplichtige is als gevolg hiervan door de bank aangesproken voor een openstaande schuld. Deze schuld is vervolgens door hem afgelost. Daarvoor moest hij echter een lening afsluiten bij de bank. Bij de aangifte inkomstenbelasting 2013, maar ook in de jaren daarvoor, geeft de belastingplichtige die lening aan als eigenwoningschuld. Ook is door de belastingplichtige een zogenaamde BBZ-lening aangevoerd als eigenwoningschuld. Voor beide leningen claimt de belastingplichtige hypotheekrenteaftrek. De Belastingdienst stelt naar aanleiding van de aangifte inkomstenbelasting 2013 geen vragen. Hij gaat over tot het opleggen van de aanslag overeenkomstig de ingediende aangifte.

Vragen van de Belastingdienst over hypotheekrenteaftrek

In 2018 stelt de inspecteur vragen over de aangifte inkomstenbelasting 2013. Hij komt tot de conclusie dat ten onrechte hypotheekrenteaftrek is geclaimd, omdat geen sprake is van eigenwoningschulden. Duidelijk is immers dat de leningen niet zijn aangegaan ten behoeve van de eigen woning, maar om een borgstelling in te lossen. De lening die als BBZ-lening kwalificeert is eveneens niet bedoeld voor de eigen woning. Vervolgens ontstaat een discussie over het kwalificeren van deze lening(en) als box 1 of box 3 schuld, doch dat laten wij hier verder onbesproken. De inspecteur accepteert de beide leningen niet als eigenwoningschuld en corrigeert de hypotheekrenteaftrek.

Terechte navordering hypotheekrente: wat is het geschilpunt?

De belastingplichtige meent dat navordering niet mogelijk is wegens een ambtelijk verzuim van de inspecteur. Het had, zo stelt de belastingplichtige, op de weg van de inspecteur gelegen om nader onderzoek te doen naar de ingediende aangifte inkomstenbelasting 2013. Dit zou voor de hand liggen omdat de rentelasten en kosten sterk zijn gestegen tussen 2009 en 2014, de Belastingdienst bekend is met de rekeninggegevens en de BBZ-leningen, de eigenwoningschuld op een apart moment toenam en de ondernemingsbalans sterk is gewijzigd. De Belastingdienst is ook partij geweest bij de afwikkeling van de B.V. en was dus bekend met de slechte financiële positie van de belastingplichtige. De belastingplichtige meent daarom dat de inspecteur alle reden had om de gegevens in de aangifte te controleren voordat de aanslag werd opgelegd.

De inspecteur is het hiermee oneens. Hij vindt dat er sprake is van een nieuw feit. Bij het opleggen van de eerste aanslag mocht hij uitgaan van de juistheid van de gegevens in de aangifte. Van een ambtelijk verzuim is dus geen sprake. Zoals gebruikelijk in deze procedures, meent de inspecteur ook dat sprake is van kwade trouw.

Wat overweegt de rechtbank bij deze navordering?

De rechtbank merkt op dat er in deze situatie sprake moet zijn van een nieuw feit of kwade trouw. Is dat niet het geval, dan is navordering niet aan de orde. Daarbij is de bewijslast zo verdeeld, dat de inspecteur aannemelijk moet maken dat aan de vereisten voor navordering is voldaan. Dat er hier sprake is van een feit dat grond oplevert voor het vermoeden dat de aanslag te laag was, staat naar het oordeel van de rechtbank buiten kijf. De vraag is of het een nieuw feit is. De kernvraag daarbij is of de inspecteur met dit feit – bij het opleggen van de aanslag – reeds bekend was of redelijkerwijs had kunnen zijn.

Bij het beantwoorden van de kernvraag geldt als uitgangspunt dat een inspecteur kan uitgaan van de juistheid van de informatie die de belastingplichtige via de aangifte verstrekt. De inspecteur is tot nader onderzoek gehouden als hij, na met normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de aangifte, aan de juistheid ervan in redelijkheid behoort te twijfelen. De Hoge Raad oordeelde in het verleden al dat in ieder geval niet getwijfeld hoeft te worden aan de juistheid van de gegevens, als de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn. De rechtbank zal in deze zaak de vraag moeten beantwoorden of de niet onwaarschijnlijke kans bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.

Het oordeel van de rechtbank inzake de navordering van hypotheekrente:

De inspecteur is op basis van de huidige regels niet gehouden om de juistheid van de gegevens te toetsen door verbanden te leggen met voorgaande jaren en die aangiften. Het gaat dus om een zelfstandige toetsing van de aangifte die in geding is. Het standpunt van de belastingplichtige over de omliggende belastingjaren en de ontwikkeling daarin doen dus niet ter zake.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur aan de juistheid van de gegevens in de aangifte niet hoefde te twijfelen. Er is derhalve geen ambtelijk verzuim begaan. Dit oordeel motiveert de rechtbank als volgt.

De totale eigenwoningschuld die is aangegeven maakt dat het bedrag aan hypotheekrente niet onwaarschijnlijk is. Dat de belastingplichtige expliciet heeft vermeld dat sprake is van een BBZ-lening, doet daar niet aan af. Het begeleidende invulveld in de aangifte is namelijk – zo oordeelt de rechtbank – geen relevant gegeven om de hoogte van de aanslag te bepalen. Het zou te veel van de inspecteur vergen om deze invulvelden te interpreteren en er telkens kennis van te nemen. De navorderingsaanslag is terecht opgelegd.

Navordering door de Belastingdienst en onze advisering

Zoals uit bovenstaande naar voren komt, is het beoordelen of navordering door de Belastingdienst mogelijk is een nauwkeurige aangelegenheid. Dat komt onder meer door de complexe, open norm naar de waarschijnlijkheid van de juistheid van gegevens. Naar onze mening had bovenstaande zaak op basis van die norm ook anders uit kunnen vallen. Wij voeren regelmatig discussies met de Belastingdienst over de mogelijkheid om na te vorderen. Wordt u geconfronteerd met een navorderingsaanslag? Laat de termijnen dan niet verlopen en neem contact op met een specialist. De eerste kennismaking is altijd vrijblijvend.

Uitspraak Rechtbank

Terechte navordering hypotheekrente [news] 2021-03-11 0000-00-00 0000-00-00 6922

Informatiebeschikking

De informatiebeschikking van de Belastingdienst leidt tot omkering van de bewijslast bij het opleggen van belastingaanslagen. Hierdoor moet de belastingplichtige bewijzen dat de aanslag die de inspecteur heeft opgelegd niet juist is. Dit kan tot grote bewijstechnische problemen leiden. U kunt dit voorkomen door tijdig bezwaar/ beroep aan te tekenen tegen de informatiebeschikking.

De informatiebeschikking van de Belastingdienst

De belastinginspecteur kan veel informatie opvragen bij een belastingplichtige. Soms heeft de belastingplichtige niet alle informatie of wil hij simpelweg de informatie niet verstrekken. Een belastingplichtige moet echter meewerken aan een onderzoek en de informatie die tot zijn administratie behoort aan de Belastingdienst verstrekken (artikel 47 AWR). Er gelden hierbij dus 5 voorwaarden:

  1. De informatie moet tot de administratie behoren.
  2. De inspecteur moet redelijk zijn bij het opvragen van informatie en hierbij ook een redelijke termijn geven.
  3. De informatie moet relevant zijn voor de belastingheffing.
  4. De inspecteur mag geen informatie opvragen die kan bijdragen aan een strafrechtelijke vervolging.
  5. De inspecteur moet zich houden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zorgvuldigheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel, verbod detournement de pouvoir (bevoegdheden Belastingdienst enkel gebruiken waarvoor die bedoeld zijn)).

Wanneer informatiebeschikking

De Belastingdienst mag niet zomaar besluiten om een informatiebeschikking uit te reiken. Vereist is dat de belastingplichtige, ook nadat de inspecteur hier een aantal keren om heeft verzocht, niet voldaan heeft aan de (wettelijke) informatieverplichting. De inspecteur mag dan - als laatste middel - een informatiebeschikking uitreiken (artikel 52a AWR).

In de informatiebeschikking moet duidelijk staan waarom deze wordt verstuurd. Ook moet volledig worden omschreven welke informatie de inspecteur wenst te ontvangen. Ook moet de omkering van de bewijslast worden gemeld.

[news] 2015-03-15 0000-00-00 0000-00-00 6929

Nalaten doen vereiste aangifte

Praktijkvoorbeeld omkering bewijslast en redelijke schatting

Het is de verantwoordelijkheid van iedere belastingplichtige om de vereiste aangifte te doen. Het komt echter voor dat de inspecteur van de Belastingdienst er bij een controle achter komt, dat bepaalde inkomensbestanddelen ten onrechte niet zijn opgenomen in de ingediende aangifte. De inspecteur kan dan de stelling innemen dat de belastingplichtige de vereiste aangifte niet heeft gedaan. De voorwaarden die hieraan verbonden zijn bespreken wij in de volgende paragraaf. Het gevolg van het niet doen van de vereiste aangifte is dat de maatregel van omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is. Voor belastingplichtigen is dit een zeer belangrijk en groot verschil. Bij omkering en verzwaring van de bewijslast kan namelijk niet worden volstaan met het aannemelijk maken van stellingen. U moet deze dan doen blijken, dat wil zoveel zeggen als: overtuigend aantonen. Dit is in de praktijk nagenoeg onmogelijk. Er ligt dan veelal een aanslag die de inspecteur met behulp van schattingen heeft opgelegd. Deze schattingen dienen redelijk te zijn.

Wij gaan in dit artikel eerst in op de vereiste aangifte en daarna op een recente casus die voor de rechtbank is geweest.

De vereiste aangifte

De vereiste aangifte kan via twee routes niet zijn gedaan:

  1. Er is sprake van formele gebreken in de aangifte;
  2. Er is sprake van materiële gebreken in de aangifte.

Bij formele gebreken gaat het in de praktijk om twee dingen. In de eerste plaats gaat het om de belastingplichtige die niet reageert op een uitnodiging van de inspecteur om de aangifte te doen. Ten tweede komt het voor dat aangiftebiljetten weliswaar worden ingevuld, maar dat deze op onjuiste wijze worden ingevuld. In deze situatie wordt de belastingplichtige over het algemeen nog de gelegenheid geboden om de gebreken te herstellen.

Bij materiële gebreken ligt het ingewikkelder. De inspecteur moet dan drie dingen aannemelijk maken:

  • De volgens de aangifte verschuldigde belasting is aanzienlijk lager dan de werkelijk verschuldigde belasting; en
  • Het bedrag van de belasting die door de gebreken niet zou zijn geheven is op zichzelf beschouwd aanzienlijk; en
  • De belastingplichtige was zich bij het doen van de aangifte ervan bewust (of had zich dat moeten zijn) dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.

Slechts als aan alle voorwaarden is voldaan, kan worden geoordeeld dat de vereiste aangifte niet is gedaan. De inspecteur van de Belastingdienst moet dat aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk maken. Dat wil zeggen: de inspecteur moet aangeven wat de onjuistheden volgens hem zijn en indien de belastingplichtige dit betwist, moet de inspecteur zijn stellingen aannemelijk maken.

Gevolgen van het niet doen van de vereiste aangifte

Indien de inspecteur van de Belastingdienst terecht stelt dat de vereiste aangifte niet is gedaan, dan vindt in principe omkering en verzwaring van de bewijslast plaats. Dat betekent dat de belastingplichtige in een zwaardere bewijspositie terechtkomt. Het is dan aan de belastingplichtige om al wat hij stelt overtuigend aan te tonen. De inspecteur zal de in geschil zijnde aanslag hebben opgelegd met gebruikmaking van schattingen. Deze schattingen dienen redelijk te zijn. Juist dit redelijkheidsvereiste is in deze van groot belang. Immers: de belastingplichtige zit in een moeilijke bewijspositie, dus voorkomen moet worden dat niet alleen de bewijslast bijna ondoenlijk wordt, maar ook dat de aanslagen door de inspecteur van de Belastingdienst niet naar volstrekte willekeur worden opgelegd. De inspecteur zal de schattingen dus altijd moeten kunnen onderbouwen.

Praktijkvoorbeeld vereiste aangifte, omkering bewijslast en redelijke schatting

Er is recent een uitspraak van de rechtbank Den Haag gepubliceerd over een zaak waarin alle bovenstaande punten terugkwamen. Wij beschrijven hierna eerst wat er speelde en behandelen daarna de elementen die wij hiervoor opnoemden.

Feiten en omstandigheden die leiden tot het geschil met de Belastingdienst

Het gaat om een belastingplichtige. Deze is onderwerp van een strafrechtelijk onderzoek. Bij een woningdoorzoeking worden grote contante geldbedragen gevonden. Ook bevinden zich in de woning veel luxegoederen en materialen die duiden op een hennepkwekerij. Tijdens de verhoren door de politie geeft de belastingplichtige niet veel prijs, behalve dan dat deze spullen en gelden toebehoren aan een bekende van de belastingplichtige. De politie maakt uiteindelijk een zogenaamde kasopstelling. Daarmee brengt de politie in kaart wat ongeveer het voordeel is geweest dat deze belastingplichtige heeft genoten.

De belastingplichtige wordt uitgenodigd om een aangifte inkomstenbelasting alsnog te doen. Deze aangifte doet de belastingplichtige, maar die aangifte ligt niet in lijn met de kasopstelling. Er zit een behoorlijk verschil tussen de gehanteerde bedragen. De Belastingdienst besluit de aangifte niet te volgen en legt een fors hogere aanslag op. Ook neemt de inspecteur contact op met de Officier van Justitie om zo onderzoeksgegevens voor de belastingheffing te kunnen gebruiken. Deze toestemming wordt verleend.

De Belastingdienst legt de aanslag op en wijkt dus af van de aangifte. Gelijktijdig wordt een rentebeschikking opgelegd. De belastingplichtige gaat eerst in bezwaar en daarna in beroep. Het beroep diende bij de rechtbank.

Waarop ziet het geschil met de Belastingdienst?

De volgende zaken spelen hier:

  • De Belastingdienst heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vereiste aangifte niet is gedaan;
  • De omkering en verzwaring van de bewijslast is onterecht toegepast;
  • Er is sprake van onredelijke schattingen.

Wij behandelen deze punten hierna afzonderlijk.

De vereiste aangifte

De rechtbank begint bij de kasopstelling. Hieruit komt naar voren dat er meer contante uitgaven zijn gedaan dan met het opgegeven inkomen van de belastingplichtige mogelijk was. Het oordeel over de kasopstelling luidt dat dit een geschikt middel is om te kijken of sprake is van verzwegen inkomsten. Daarbij telt ook mee dat de belastingplichtige niet is overgegaan tot concrete betwisting. De rechtbank kent aan de kasopstelling daarom bewijskracht toe.

De volgende vraag is of dat voldoende is om te kunnen spreken van een situatie waarin de vereiste aangifte niet is gedaan. De vraag die dan voorligt is of het bedrag aan belasting dat niet is geheven door het verzwijgen van inkomen absoluut en relatief hoog is. Wij bespraken dat in het begin van dit artikel uitgebreider. Hier rust de bewijslast op de inspecteur van de Belastingdienst. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur dit voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Dat komt omdat de stellingen over het uitgavepatroon en de luxe bezittingen voldoende sterk zijn om het verzwegen inkomen te onderbouwen. Aangezien de verzwegen inkomsten het opgegeven inkomen sterk overstijgen, is aan de vereisten voldaan. De rechtbank gaat niet expliciet in op het bewustheidsvereiste.

Omkering en verzwaring van de bewijslast door de Belastingdienst

De hoofdregel is dat bij het niet doen van de vereiste aangifte, omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is. Het is dan aan de belastingplichtige om te doen blijken in hoeverre de stellingen van de inspecteur van de Belastingdienst onjuist zijn. Dat is hier door de belastingplichtige onvoldoende gedaan. De omkering en verzwaring van de bewijslast is daarmee niet alleen van toepassing, maar de gevolgen doen zich gelijk gelden. Het lukt de belastingplichtige niet om te doen blijkendat de Belastingdienst onjuistheden heeft opgenomen.

Onredelijke schattingen door de Belastingdienst

De slotvraag is of hier sprake is geweest van een redelijke schatting. Het oordeel valt hier min of meer in twee delen uiteen. Ten eerste is sprake van bedragen die in aanmerking worden genomen en die op kostenpost worden onderbouwd. Denk aan een auto en bepaalde luxegoederen. Ten tweede neemt de inspecteur nog een geschat bedrag aan extra uitgaven mee. Deze uitgaven onderbouwt de inspecteur door te wijzen op de levensstandaard die de belastingplichtige zich heeft aangemeten.

De rechtbank accepteert beide denkwijzen. Dat betekent dat niet alleen de direct onderbouwde kostenposten worden meegenomen, maar ook de meer algemene schatting wordt als redelijk bestempeld.

Conclusie

De aanslagen blijven intact. De belastingplichtige heeft de vereiste aangifte niet gedaan en kwam daardoor in een bijna ondoenbare bewijspositie terecht. De inspecteur van de Belastingdienst heeft de redelijkheid van de schattingen voldoende onderbouwd en als gevolg hiervan heeft de rechtbank de aanslagen in stand gehouden.

Onze advisering bij formeel belastingrecht

Bovenstaande zaak gaat bijna niet in op bijvoorbeeld de regels van de inkomstenbelasting of de loonheffingen. Het gaat om formele aspecten, zoals het doen van de vereiste aangifte en de redelijkheid van een omgekeerde bewijslast. Formeel belastingrecht is een belangrijk onderdeel van het belastingrecht. Dreigt u in geschil te komen met de Belastingdienst, of wordt u bijvoorbeeld geconfronteerd met stellingen over de vereiste aangifte, inlichtingenverplichtingen, informatiebeschikkingen etc.? Neem dan contact op met één van de auteurs van dit artikel. Wij helpen u snel en graag.

Nalaten doen vereiste aangifte [news] 2021-03-18 0000-00-00 0000-00-00 6934

Onterechte navordering Zwitsers vermogen door Belastingdienst

De afgelopen jaren is het veel in de media geweest: de jacht op buitenlands vermogen door de Belastingdienst. De Belastingdienst is actief bezig met het opsporen van buitenlands vermogen, zoals bankrekeningen in Zwitserland en schimmige vennootschapsstructuren in het buitenland. De bedragen die hiermee gepaard gaan zijn meestal groot. Niet gek is daarom dat belastingplichtigen recht hebben op bescherming tegen een al te snelle en agressieve handelswijze van de Belastingdienst. Recent deed het gerechtshof Den Haag uitspraak in zo’n zaak waar de Belastingdienst iets te voortvarend heeft gehandeld. Wij lichten deze specifieke zaak hierna nader toe.

Belastingdienst verzoekt Zwitserse belastingdienst om informatie

De belastingplichtige en zijn partner nemen tussen 2003 en 2014 geen vermogensbestanddelen op in de aangifte inkomstenbelasting die betrekking hebben op buitenlandse bankrekeningen. De Belastingdienst doet in 2015 een verzoek aan de Zwitserse belastingdienst om informatie over vermogen. Het gaat om informatie van Nederlanders met een bankrekening bij de UBS-bank in Zwitserland. De Belastingdienst wenst deze informatie te verkrijgen, omdat het vermoeden bestaat dat niet alle Nederlanders deze bankrekeningen op de juiste wijze in de aangifte inkomstenbelasting hebben opgenomen. De Zwitserse belastingdienst werkt aan dit verzoek mee.

Van de belastingplichtige in deze zaak zit zo’n rekening in de informatie die de Belastingdienst krijgt. Het gaat om een bankrekening met (in totaal) circa € 575.000. De Belastingdienst besluit uiteindelijk, na herhaalde verzoeken om inlichtingen aan de belastingplichtige, over te gaan tot het opleggen van een navorderingsaanslag voor 2003. Later komt daar ook 2004 bij. Echter, de informatie die de Belastingdienst heeft gekregen uit Zwitserland gaat niet over 2003 en 2004. Volgens de inspecteur hoeft dit geen probleem te zijn. Hij geeft aan dat de ervaring leert dat er in dit soort dossiers dan in 2003 vrijwel altijd ook zulk vermogen was. Daarnaast ‘ontstaat geld niet zomaar’. De belastingplichtige komt tegen de navorderingsaanslagen in bezwaar, beroep, en nu bij het gerechtshof in hoger beroep. In de voorfase voert hij nog het verweer dat er vermoedelijk wel geld is geweest, maar niet altijd op zijn bankrekeningen en, voor zover er geld was, betrof het vakantiegeld. Duidelijk is dat de inspecteur dit niet gelooft.

De rol van de inspecteur

Het gerechtshof geeft aan dat het de inspecteur is die in ieder geval aannemelijk moet maken dat er in 2003 en 2004 vermogen in het buitenland was. Daarbij hoeft hij niet de exacte getallen te kennen. In het kader van deze procedure brengt de belastingplichtige nog twee stukken in. Uit deze stukken komt naar voren dat er in 2010 een rekening is geopend met een storting van circa € 100.000 en dat deze rekening in 2014 is gesloten met een saldo van circa € 86.000. In 2010 heeft een behoorlijke (€ 375.000) contante storting plaatsgevonden. Dit zegt uiteraard niets over de jaren in geding: 2003 en 2004. Het geeft wel aan dat er sprake is geweest van verzwegen vermogen.

De inspecteur gaat dus uit van buitenlands vermogen in 2003 en 2004. Dat bestrijdt de belastingplichtige. Het is dan aan de inspecteur om de aanwezigheid van buitenlands vermogen aannemelijk te maken. Lukt het de inspecteur om deze horde te nemen, dan mag hij overgaan tot navordering. De inspecteur zal zich hier gesterkt hebben gevoeld door een verklaring van de belastingplichtige dat hij rondom kalenderjaar 2002 mogelijk een Zwitserse rekening had. De belastingplichtige bestrijdt de totstandkoming van deze verklaring echter.

De belastingplichtige heeft stukken laten zien waaruit volgt dat in 2010 een rekening is opgericht en in 2014 een rekening is opgeheven. De inspecteur heeft hiertegenover geen concrete feiten weten te benoemen waarmee aannemelijk wordt dat ook in 2003 en 2004 zulk vermogen aanwezig is geweest. De enkele stelling dat de ervaring leert dat dit bijna altijd het geval is, is daarvoor onvoldoende. Dat geldt ook voor het argument dat ‘geld niet zomaar ontstaat’.

Het gerechtshof is het met de inspecteur eens dat er een vermoeden kan zijn dat er voor 2010 al een aanzienlijk vermogen aanwezig was. Het hebben van vermoedens is ook geen verboden bezigheid. Echter, een vermoeden strekt niet zo ver dat je daarmee 6 tot 7 jaar terug in de tijd kunt (naar 2003 / 2004) navorderen zonder verdere onderbouwing. Er zijn geen feiten / omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de aanwezigheid van verzwegen vermogen zich in 2003 / 2004 heeft voorgedaan. Dat de belastingplichtige eerst anders heeft verklaard, leidt in dit geval niet tot een ander oordeel.

Zure bom voor de Belastingdienst

De navorderingsaanslagen en de boeten worden vernietigd. Dat is een zure uitkomst voor de Belastingdienst. De inspecteur voerde eerder nog aan dat op deze wijze de onwelwillende houding van de belastingplichtige wordt beloond. Dit argument kan, gelukkig, geen stand houden. Eenieder verdient immers dezelfde rechtsbescherming, ongeacht de situatie waar men zich in bevindt.

Verklaringen belastingplichtige

Wat in dit dossier ook bijzonder is, is de informatie die de belastingplichtige heeft verstrekt. Hij gaf in een eerder gesprek met de Belastingdienst namelijk aan, dat er rondom het jaar 2002 wel een bankrekening geweest was in Zwitserland. Later geeft de belastingplichtige aan tijdens dit gesprek te zijn overvallen / verrast. De vraag is echter hoe aannemelijk deze verklaring is, omdat het dossier op dat moment al geruime tijd liep. Ook de argumenten dat het vakantiegeld of een rekening van iemand anders betreft, zijn argumenten die even zo goed de andere kant op hadden kunnen vallen. Deze uitspraak is vanuit het oogpunt van de rechtsbescherming daarom prettig, maar duidelijk gekleurd door de zeer specifieke omstandigheden.

Buitenlands vermogen en Belastingdienst: wat te doen?

Indien u beschikt over buitenlandse bankrekeningen en u hoeft redelijkerwijs nog niet te vermoeden dat de Belastingdienst u op het spoor is, dan kunt u gebruik maken van de zogenaamde inkeerregeling. U kunt dan op basis van vrijwillige verbetering de Belastingdienst benaderen en gedane zaken corrigeren. Dit leidt meestal tot een forse boetematiging, of zelfs de afwezigheid van boeten. Wat zich in uw situatie voordoet is onder meer afhankelijk van het soort verzwegen vermogen. Hebt u hier vragen over of zit u in een onderzoek van de Belastingdienst naar buitenlands vermogen en wordt u geconfronteerd met moeilijke vragen en mogelijke navordering? Neem dan gerust eens contact op met één van de auteurs van dit artikel.

Onterechte navordering Zwitsers vermogen [news] 2021-03-22 0000-00-00 0000-00-00 6939

Boete fiscale eenheid btw

Boeteoplegging komt in de praktijk zeer veel voor en leidt tot veel geschillen met de Belastingdienst. Van deze meeste boetes is duidelijk dat de persoon aan wie ze opgelegd worden een mogelijke overtreder van de regels is. Of de boete inhoudelijk terecht is, is dan uiteraard nog een heel ander verhaal. Toch is het niet altijd duidelijk of de (vermeend) overtreder van de regels een persoon is aan wie een boete opgelegd kan worden. Over de fiscale eenheid btw is recent door de Hoge Raad geoordeeld dat zij een beboetbaar subject is.

Een boete voor de fiscale eenheid btw

Een fiscale eenheid voor de btw is een zelfstandig belastingplichtige en ontstaat als gevolg van het vormen van de fiscale eenheid. Bijvoorbeeld: stel dat A en B een fiscale eenheid voor de btw vormen, dan ontstaat ‘de fiscale eenheid’ als C. Dit is anders dan bij de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting. Daar vormen belastingplichtige A (moeder) en B (dochter) een fiscale eenheid, waarbij A vervolgens ‘de moedermaatschappij’ is. Dan ontstaat geen nieuwe belastingplichtige. In de sfeer van boeteoplegging heeft de fiscale eenheid btw de afgelopen jaren tot discussie en hoofdbrekens geleid, waaraan nu een einde (lijkt) te komen.

Problemen bij een boete voor de fiscale eenheid btw

Het gaat om een fiscale eenheid die een verzuimboete krijgt opgelegd wegens het niet tijdig betalen van de omzetbelasting. Het gaat in de procedure vervolgens niet om de vraag of de boete terecht is opgelegd, maar om de vraag of de boete wel aan de fiscale eenheid opgelegd kan worden. De kernvraag daarbij is of de fiscale eenheid als overtreder kan worden aangemerkt.

De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat de algemene regels voor het bestuursrecht. Deze regels zijn dus ook van belang voor het belastingrecht. In de Awb is sinds 2009 expliciet opgenomen wie een overtreding kunnen begaan. Dat zijn natuurlijke personen, rechtspersonen, maatschappen, rederijen en doelvermogens. Sommige van deze zijn direct in de Awb benoemd, andere via een schakelbepaling naar het strafrecht. De fiscale eenheid btw is niet één van de voornoemde personen. Dat staat in de procedure ook niet ter discussie.

De Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) gebruikt bij de boetebepalingen niet de term overtreder, maar de term belastingplichtige. De fiscale eenheid btw is wel een belastingplichtige. De vraag die dan opkomt is welke bepaling voorrang krijgt en of de AWR een toegestane afwijking van de Awb vormt.

Tot 2009 was hierover geen discussie. De fiscale eenheid btw kon als zodanig worden beboet. Echter, sinds 2009 bevat de Awb de eerdergenoemde regel waarin expliciet wordt benoemd wie overtreder kunnen zijn. Voor de uitkomst van deze zaak is het daarom van belang of de wetgever met de regeling in 2009 de bedoeling heeft gehad om het beboeten van de fiscale eenheid btw af te schaffen. In de wetsgeschiedenis treft men kleine tegenstrijdigheden aan. Zo wordt eerst opgemerkt dat de regeling van de Awb geldt, tenzij expliciet en in bepaalde bewoordingen van de regeling is afgeweken. Dat is in de AWR niet gebeurd. Echter, men treft in de wetsgeschiedenis ook een passage aan waaruit naar voren komt dat geen wijziging ten opzichte van de systematiek tot 2009 is beoogd. Sterker nog: de wetgever ziet geen noodzaak tot het wijzigen van de andere bepalingen. Bij fiscale boetebepalingen die na 2009 zijn ingevoerd, is overigens wel voorzien in de expliciete tekst bestemd voor afwijkingen van de Awb.

Kan een boete aan de fiscale eenheid btw worden opgelegd?

De AWR bepaalt dat de boete kan worden opgelegd aan de belastingplichtige. De fiscale eenheid btw is een belastingplichtige. Dat de Awb in 2009 is gewijzigd en een limitatieve opsomming van mogelijke overtreders bevat, doet hieraan volgens de Hoge Raad niet af. Uit de wetsgeschiedenis komt voldoende duidelijk naar voren dat niet bedoeld is om het systeem van voor 2009 in te perken. Dat de op dat moment bestaande bepalingen in de AWR niet zijn voorzien van de expliciete tekstvoorschriften die een afwijking van de Awb aanduiden, is daarbij niet onoverkomelijk. Het opleggen van de boete aan de fiscale eenheid btw is dus mogelijk.

Wie betaalt de boete bij de fiscale eenheid btw?

De fiscale eenheid is de zelfstandig belastingplichtige die wordt gevormd door de personen die de fiscale eenheid met elkaar vormen. Maar wie draagt dan de boete? Dat is in beginsel aan de leden van de fiscale eenheid zelf om uit te maken. Indien de boete niet wordt betaald, dan kan de ontvanger alleen onderdelen van de fiscale eenheid aansprakelijk stellen, die een verwijt kunnen worden gemaakt. Interessant, doch voor het belastingrecht niet direct relevant, is de afwijking hierin met het strafrecht. In het strafrecht is het niet de fiscale eenheid zelf die wordt aangepakt, maar zijn het de gezamenlijke onderdelen van de fiscale eenheid. Deze onderdelen worden dan gezien als medeplegers, indien zij bij de gedraging betrokken zijn geweest.

Boete en advisering

Bovenstaande uitspraak ziet op het opleggen van een verzuimboete op grond van art. 67c AWR. Wij zien geen reden om aan te nemen dat deze uitspraak beperkt is tot slechts art. 67c AWR.

Boeteoplegging komt zeer vaak voor. Niet zelden wordt door de Belastingdienst een (meer dan) uiterste positie ingenomen. Wij helpen u graag om te kijken of boetematiging (of vernietiging) mogelijk is. Neem daarvoor gerust contact met ons op.

Boete fiscale eenheid btw [news] 2021-04-12 0000-00-00 0000-00-00 6961

Dwangsom bij niet-tijdig besluit Belastingdienst

Binnen het bestuursrecht gelden een flink aantal termijnen. De belanghebbende die een termijn laat passeren, kan dit in de meeste gevallen niet (eenvoudig) herstellen. Ook voor het bestuursorgaan (zoals in deze tekst de Belastingdienst) gelden termijnen. Het is aan de Belastingdienst om binnen deze termijnen een besluit te nemen. Het doel van deze termijnen is het verschaffen van rechtszekerheid aan belanghebbenden. Zij verdienen het om te weten binnen welke termijn zij zekerheid / een reactie kunnen verwachten. Een bekende termijn is de termijn om te beslissen op een bezwaarschrift. Deze termijn bedraagt zes weken. De Belastingdienst heeft de mogelijkheid om eenmalig deze termijn te verdagen met nog eens zes weken. Deze eenzijdige termijnverlenging wordt in de praktijk overigens (te) veel gebruikt.

Worden besluiten keurig op tijd genomen door de Belastingdienst?

Uit veel publicaties van het begin van deze eeuw komt naar voren dat bestuursorganen in het algemeen de wettelijke termijnen veelvuldig overschrijden. De wetgever heeft ‘het bestuur’ lang de tijd gegeven om dit zelf op te lossen, maar dat is niet gelukt. Belanghebbenden zelf hadden echter weinig middelen in handen om de Belastingdienst tot handelen aan te zetten. Men kon weliswaar in bezwaar gaan tegen het niet nemen van een beslissing, maar een echte stok achter de deur was niet aanwezig. Daarom is onder meer de zogenaamde dwangsomregeling ingevoerd. Deze regeling houdt in dat, als aan de – hierna te bespreken – voorwaarden wordt voldaan, een termijnoverschrijding niet zonder gevolgen blijft. De belanghebbende kan een dwangsom aanvragen bij de Belastingdienst en de Belastingdienst stelt de verschuldigdheid en hoogte vast.

Wanneer recht op een dwangsom bij geen besluit Belastingdienst?

De dwangsomregeling is bedoeld als financiële prikkel. Het doel is de Belastingdienst besluiten te laten nemen binnen de daarvoor gestelde beslistermijnen. Indien u als belanghebbende geconfronteerd wordt met termijnoverschrijdingen, dan kunt u niet direct een dwangsom bij de Belastingdienst aanvragen. U dient eerst de inspecteur aan te sporen om binnen een periode van twee weken alsnog een besluit te nemen. Dit doet u door een schriftelijke ingebrekestelling aan de Belastingdienst te richten. Dit document is vormvrij, doch u doet er verstandig aan hier advies over in te winnen. Een belanghebbende die slechts een e-mailbericht stuurde dat algemeenheden bevatte, had geen recht op een dwangsom.

Pas als de Belastingdienst na uw aanmaning niet handelt, is een dwangsom verschuldigd. De ingebrekestelling kent werking vanaf de dag na die waarop het bestuursorgaan de ingebrekestelling ontvangt. Stel dat uw ingebrekestelling bij brief op 1 januari binnenkomt, dan loopt de termijn vanaf 2 januari. De laatste dag van de termijn is dan 15 januari. Vanaf 16 januari hebt u recht op een dwangsom. De dwangsom loopt door tot en met de dag waarop de Belastingdienst u de beschikking / reactie toezendt.

Een dwangsom is overigens niet altijd verschuldigd. U hebt bijvoorbeeld geen recht op een dwangsom indien u de ingebrekestelling onredelijk laat verstuurt of als de Belastingdienst er door uw handelen niet in slaagt tijdig een besluit te nemen. De wet kent nog een aantal andere situaties waarin u geen recht hebt op enige dwangsom. U moet bijvoorbeeld denken aan de situatie waarin een belanghebbende (of zijn gemachtigde) een ingepland hoorgesprek steeds verplaatst. Wat ook voorkomt is dat de belanghebbende een dag voor het aflopen van de termijn nog met enorme stapels extra informatie op de proppen komt. Onder deze omstandigheden is het opleggen van een dwangsom onredelijk. Uiteraard is een dwangsom ook niet verschuldigd als u zelf akkoord bent gegaan met het verlenen van uitstel aan de Belastingdienst.

Voorbeeld onredelijk late ingebrekestelling

Een belanghebbende heeft op 11 februari 2015 een hoorgesprek. Daarna blijft het over-en-weer stil. Op 2 januari 2017 verzendt de belanghebbende een ingebrekestelling. Deze termijn wordt door de rechter als onredelijk lang beschouwd. De belanghebbende had hier eerder moeten handelen.

Kan ik de Belastingdienst bij voorbaat in gebreke stellen?

Deze vraag wordt in de praktijk veel gesteld. Het antwoord is nee. U kunt pas een ingebrekestelling versturen, zodra u redelijkerwijs kan menen dat de Belastingdienst in gebreke is. Het is dus niet mogelijk om bij uw aanvraag al een ingebrekestelling bij voorbaat mee te sturen. U zou dan immers bijna speculatief ervan uitgaan dat niet tijdig zal worden beslist.

Kan de Belastingdienst zich beroepen op overmacht bij de dwangsomregeling?

Ja, dat kan. Het doel van de dwangsomregeling is om het bestuursorgaan dat nalaat tijdig te handelen, onder druk te zetten. Het is daarmee niet een geldsom die als soort genoegdoening voor de belanghebbende dient. Indien sprake is van overmacht, is het werken met een drukmiddel ongepast. Bij overmacht is geen sprake van voldoende invloed op het niet halen van de termijnen. Maar wanneer is sprake van overmacht? De wetgever heeft hierover geen uitsluitsel gegeven, maar merkt wel op dat overmacht niet te snel mag worden aangenomen. Overmacht vereist een onmogelijkheid om te beslissen door omstandigheden die buiten het toedoen van de Belastingdienst zelf en zijn risicosfeer liggen. Denk aan het afbranden van een belastingkantoor. Het hebben van onvoldoende personeel is bijvoorbeeld geen overmacht, ook niet als dit structureel is.

Wat als de dwangsom verkeerd wordt vastgesteld?

Zoals aangegeven, is het aan de Belastingdienst om de hoogte en de verschuldigdheid te beoordelen. Het kan zijn dat u het daarmee oneens bent. Het is aan de bestuursrechter om over geschillen inzake deze dwangsommen te oordelen. Mocht u gelijktijdig in bezwaar / beroep komen tegen de inhoudelijke beschikking, zoals de uitspraak op bezwaar, dan loopt het geschil over de dwangsom mee in deze procedure.

Hoe hoog is de dwangsom?

Er is gekozen om te werken met een zogenaamde glijdende schaal. Deze keuze is gemaakt om de Belastingdienst zoveel als mogelijk te prikkelen om snel na de termijnoverschrijding tot een besluit te komen. De dwangsom bedraagt € 23 per dag voor de eerste 14 dagen, € 35 per dag voor de 14 daaropvolgende dagen en daarna € 45 per dag. Het maximaal aantal dagen is vastgesteld op 42. De dwangsom kan dus niet hoger zijn dan € 1.260. De betalingstermijn loopt vanaf het moment dat de beschikking aan u bekend is gemaakt. Er is tijdig betaald indien het betaalde geld op uw rekening is bijgeschreven binnen de termijn.

Wat als de Belastingdienst na een dwangsom geen besluit neemt?

Door het opleggen van de dwangsom hebt u uw ‘sympathieke’ drukmiddel gebruikt. Indien de Belastingdienst alsnog geen besluit neemt, kunt u in beroep gaan tegen het niet tijdig beslissen. Deze stap kunt u ook al nemen indien u nog in het dwangsomtraject zit. Zeker in meer omvangrijke zaken is dit ook aan te raden. Uiteraard gelden ook hier de voorwaarden van onder andere de ingebrekestelling,

Advies bij het te laat nemen van besluiten door de Belastingdienst

U hebt als belastingplichtige recht om te weten waar u aan toe bent. Daarvoor bevat de wet termijnen waar u en de Belastingdienst zich aan moeten houden. Het komt in de praktijk nog (te) vaak voor dat deze termijnen door de Belastingdienst niet worden nageleefd. Het is dan raadzaam om door te pakken en te zorgen dat u de rechtszekerheid krijgt die u verdient. Neem bij vragen gerust eens contact op met één van de auteurs.

 

Dwangsom bij niet-tijdig besluit Belastingdienst [news] 2021-04-14 0000-00-00 0000-00-00 6963

Betaling crediteuren of Belastingdienst

Als een rechtspersoon in liquiditeitsproblemen verkeert, is het vaak de vraag of crediteuren nog mogen worden betaald. De Belastingdienst is (veelal) van mening dat bij het betalen van crediteuren (lagere preferentie) er vrijwel automatisch sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur en dus privé aansprakelijkheid van de bestuurder. Maar is dit zo? In dit artikel een overzicht van relevante jurisprudentie.

Bestuurdersaansprakelijkheid bij mogelijk faillissement

Als een bestuurder de belastingschulden van zijn bv niet kan betalen, is het van belang dat hij tijdig de betalingsonmacht gaat melden bij de Belastingdienst. Normaal gesproken is dit voldoende om privé aansprakelijkheid te voorkomen, tenzij sprake is van onbehoorlijk bestuur.

Een bestuurder is soms in privé toch aansprakelijk voor nog openstaande belastingschulden van zijn bv (rechtspersoon) als er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De bewijslast hiervoor ligt bij de Belastingdienst. Als er geen (tijdige) melding betalingsonmacht heeft plaatsgevonden, dan is er een wettelijk vermoeden dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur, de bewijslast van de Belastingdienst is dan dus beperkt (en eigenlijk nihil).

Kennelijk onbehoorlijk bestuur, wanneer is hiervan sprake?

Van kennelijk onbehoorlijk bestuur is sprake indien geen redelijk denkend bestuurder onder deze omstandigheden aldus zou hebben gehandeld. Stel dat de bestuurder anders heeft gehandeld, dan is de vraag in hoeverre dit onverantwoord of roekeloos zou zijn. Dit alles moet in redelijkheid (door de rechter) worden beoordeeld.

In een kwestie bij de Rechtbank Gelderland stonden de Belastingdienst en een DGA voor de rechter. De belangrijkste vraag die hierin voorlag was: "is er sprake van onbehoorlijk bestuur omdat crediteuren die lager in preferentie zijn zijn betaald?" De basis voor deze vaststelling vond de rechtbank in een recent arrest van de Hoge Raad (2019). Het is voor een bestuurder altijd lastig om onder druk een (achteraf) juiste beslissing te nemen, de beoordelingsvrijheid moet dus niet te beperkt zijn.

De rechter is van mening dat er geen sprake is van onbehoorlijk bestuur, dit in lijn met eerdere uitspraken van het Gerechtshof Arnhem (2006) en het Gerechtshof Den Haag (2010). Dat het altijd een feitelijke kwestie betreft en dus uitspraken ook anders kunnen zijn, volgt ondermeer uit een arrest van de Hoge Raad (2003). Een belangrijk onderdeel in de wisselende jurisprudentie is wel het arrest van de Hoge Raad (2010), hierin is bepaald dat het een bestuurder vrij staat te bepalen wie er wel of niet wordt betaald, zonder dat dit kennelijk onbehoorlijk bestuur tot gevolg heeft, zie rechtsoverweging 4.1.1.

Dit is anders als de bv heeft besloten haar activiteiten te stoppen of te staken, waarbij niet iedereen (alle schuldeisers) kan worden betaald. De ruimte voor de bestuurder wordt groter als zogenaamde dwangcrediteuren (crediteuren die nodig zijn om het bedrijf voort te kunnen zetten) worden betaald. Het is wel van belang dat gemaakte keuzes duidelijk (het liefst in notulen of bestuursbesluiten) worden vastgelegd. Men moet namelijk beslissingen en overwegingen goed kunnen beoordelen in de tand des tijds (het moment waarop deze worden genomen).

Noot fiscaal jurist inzake onbehoorlijk bestuur en betalen crediteuren

Een procedure over een privé aansprakelijkstelling van een DGA of bestuurder is bijna altijd een emotionele kwestie. Het bedrijf is failliet en als kers op de taart moet de DGA / bestuurder in privé de rekening betalen. Het zorgvuldig opbouwen van de feiten en juiste advisering tijdens het faillissement zijn van essentieel belang. Als een bedrijf belangrijke crediteuren (dwangcrediteuren) zou betalen om zo een faillissement te voorkomen, is niet snel sprake van onbehoorlijk bestuur. Als de keuze "we stoppen" is gemaakt, wordt een casus lastiger. Echter, ook in dergelijke situaties moeten alle bijzondere omstandigheden in redelijkheid worden gewogen. De Belastingdienst moet ook met voldoende bewijs komen, dit is veelal niet het geval.

Adviesgesprek gewenst? Bel of mail gerust met één van onze specialisten. Wij werken in dergelijke adviestrajecten vaak samen met een gespecialiseerde advocaat.

Bron onbehoorlijk bestuur en aansprakelijkheid

Rechtbank Gelderland d.d. 19 februari 2021 (ECLI:NL:RBGEL:2021:714)

Gerechtshof Arnhem d.d. 27 december 2006 ECLI:NL:GHARN:2006:AZ6620

Gerechtshof Den Haag d.d. 28 september 2010 (ECLI:NL:GHSGR:2010:BO0352)

Hoge Raad d.d. 18 april 2003 (ECLI:NL:HR:2004:AF3063)

Hoge Raad d.d. 26 maart 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK9654)

Hoge Raad d.d. 12 april 2019 ECLI:NL:HR:2019:576

Bestuurdersaansprakelijkheid [news] 2021-05-31 0000-00-00 0000-00-00 7008

Rechtbank ziet af van zitting

Op grond van Europees en Nederlands recht hebben belanghebbenden toegang tot onafhankelijke rechtspraak om besluiten aan te vechten. Binnen het belastingrecht gaat het dan met name om de voor bezwaar en beroep vatbare besluiten. De gebruikelijke gang van zaken is dat eerst in bezwaar wordt gegaan en daarna in beroep bij de aangewezen instantie (meestal de rechtbank). De rechtbank zal partijen uitnodigen voor een zitting en de partijen daar aanhoren / vragen stellen. Op die wijze kan de rechtbank op weloverwogen wijze tot een uitspraak komen. Dat gebeurt echter niet altijd. In het bestuursrecht, waar het belastingrecht een onderdeel van is, wordt de rechtsgang voorgeschreven in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze wet bevat bepalingen die de bestuursrechter de mogelijkheid bieden om af te zien van een behandeling van de zaak ter zitting. De bestuursrechter dient prudent om te gaan met deze bevoegdheid. Wij behandelen verderop in dit artikel de situaties waarin de bestuursrechter van deze bevoegdheid gebruik mag maken.

Kortgeleden kon een belanghebbende weinig begrip opbrengen voor het aanwenden van de mogelijkheid tot het afzien van een zitting door de bestuursrechter. Hij meent dat de rechter ten onrechte gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid. Het Europees recht zou dit niet toestaan, aldus belanghebbende. De Hoge Raad heeft hierover op 18 juni 2021 uitspraak gedaan. Op die uitspraak gaan wij hierna in. Onderaan dit artikel treft u de artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht waar deze bepalingen in zijn opgenomen alsmede een directe link naar de uitspraak van de Hoge Raad.

De mogelijkheid om af te zien van een zitting

De rechter kan besluiten af te zien van een mondelinge behandeling (zitting). Die bevoegdheid heeft hij in vier situaties:

  1. De bestuursrechter is kennelijk onbevoegd;
  2. Het beroep van belanghebbende is kennelijk niet-ontvankelijk;
  3. Het beroep van belanghebbende is kennelijk ongegrond;
  4. Het beroep van belanghebbende is kennelijk gegrond.

Het begrip kennelijk houdt in dat over de situatie waar de bestuursrechter de zaak onder schaart, redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is. De bestuursrechter dient van deze bevoegdheid uiteraard terughoudend gebruik te maken. In de zaak van deze belanghebbende ging het om een beroep op de kennelijke ongegrondheid van het beroep. In de uitspraak dient de bestuursrechter te wijzen op de mogelijkheid om in verzet te komen.

Verzet tegen het afzien van een zitting

De belanghebbende – maar ook het bestuursorgaan – kan tegen de uitspraak waarbij is afgezien van een zitting, in verzet gaan. Het verzet moet worden ingediend bij dezelfde rechtbank, doch wordt behandeld door andere rechters. De rechter dient bij het behandelen van het verzet altijd de indiener van het verzetschrift in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord op een zitting. Het horen mag alleen achterwege blijven indien de bestuursrechter meent dat het verzet gegrond is. Uiteraard kunnen ook de andere partijen gehoord worden op de zitting.

Een uitspraak op verzet kan drie vormen aannemen:

  1. Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard;
  2. Het verzet wordt ongegrond verklaard;
  3. Het verzet wordt gegrond verklaard.

Indien het verzet gegrond wordt verklaard, valt de eerdere uitspraak weg en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Dit betekent dat de bestuursrechter opnieuw uitspraak moet doen, met inachtneming van de uitspraak op verzet. Het komt zelfs voor dat de bestuursrechter die het verzet behandelt, zelf uitspraak doet over het geschil. Dat kan alleen indien:

  1. Nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak; en
  2. De partijen in de gelegenheid zijn gesteld om op de zitting te worden gehoord; en
  3. Partijen op de zitting zijn gewezen op de bevoegdheid van de bestuursrechter om tevens uitspraak te doen op beroep.

Tegen de uitspraak op verzet staat cassatie open bij de Hoge Raad.

Is het afzien van een zitting in strijd met Europees recht?

Op grond van Europees recht heeft iedereen wiens rechten / verplichtingen worden geschonden recht op een doeltreffende, gerechtelijke voorziening. Dit uitgangspunt geldt uiteraard alleen indien het rechten / verplichtingen betreft die het Unierecht waarborgt. Tot de rechten die door dit uitgangspunt worden beschermd, behoort ook het recht om in een gerechtelijke procedure te worden gehoord. Het gehoord worden in een gerechtelijke procedure is daarmee een grondrecht van de Unie. Deze unierechtelijke grondrechten moeten duidelijk worden onderscheiden van de grondrechten die volgen uit de grondwet.

De unierechtelijke grondrechten zijn niet absoluut, dat wil zeggen: inbreuk maken op deze grondrechten is mogelijk. Het inbreuk maken op een grondrecht wordt ook wel ‘beperken’ genoemd. Beperken is mogelijk indien de beperking beantwoordt aan een doelstelling van algemeen belang. Voorts mag de beperking niet onevenredig en / of onduldbaar zijn. Tot slot moet het gekozen middel geschikt zijn om de beoogde doelstelling te bereiken en mag er geen minder vergaand middel mogelijk zijn. Het Europees recht bevat echter geen exacte definitie van wat wel / niet mogelijk is. Die beoordeling is aan de lidstaten.

Lidstaten zijn echter niet volledig vrij in hun doen en laten op dit gebied. Procedureregels mogen namelijk niet ertoe leiden dat de Europese regels (het Unierecht) in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk uit te oefenen is. Dit wordt het doeltreffendheidsbeginsel genoemd. De Hoge Raad dient dus te beoordelen of het afzien van een zitting in strijd komt met het doeltreffendheidsbeginsel.

Afzien van zitting in strijd met doeltreffendheidsbeginsel?

De Hoge Raad stelt eerst vast dat het afzien van een zitting ertoe leidt dat de belanghebbende niet wordt gehoord. De rechten van de verdediging worden daarmee beperkt. Het Europees recht legt echter geen verplichting op om altijd een zitting te houden. Uit eerdere rechtspraak over dit onderwerp komt naar voren dat het Hof van Justitie van de Europese Unie kijkt naar alle feiten en omstandigheden. Een zitting hoeft volgens het Hof in ieder geval niet te worden gehouden wanneer de zaak geen feitelijke of juridische vraagstukken oproept, die niet naar behoren kunnen worden opgelost op basis van het dossier en de schriftelijke stukken. Oftewel: de bepaling zoals het Nederlandse bestuursrecht – en dus ook belastingrecht – deze kent, is niet ontoelaatbaar en niet in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel, aangezien het uitoefenen van rechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt. Voorts is de bepaling verklaarbaar vanuit het oogpunt van een efficiënte proceseconomie. De Hoge Raad ontleent dit oordeel met name aan de volgende elementen:

  • Tegen een uitspraak waarbij is afgezien van een zitting kan verzet worden aangetekend;
  • De indiener van een eventueel verzetschrift wordt op verzoek gehoord, tenzij het verzet gegrond is;
  • De indiener van een eventueel verzetschrift wordt tevens gehoord indien de bestuursrechter die mogelijkheid aanbiedt. De bestuursrechter moet van deze mogelijkheid gebruikmaken in alle gevallen waarin de vereisten van een behoorlijk proces daartoe aanleiding geven.

Hoge Raad over deze casus

De Hoge Raad oordeelt dus dat de regeling om af te zien van een zitting niet in strijd is met Europees recht (Unierecht). Het oordeel van de rechtbank over deze specifieke zaak is in de ogen van de Hoge Raad niet gebaseerd op onjuiste rechtsopvattingen. Voorts zijn de motiveringen van de rechtbank niet onvoldoende of onbegrijpelijk. De uitspraak blijft dus in stand. Oftewel: de rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat uit de feiten duidelijk volgt dat het beroep geen kans van slagen heeft.

Advies bij fiscale procedures

Fiscale procedures zijn een specialiteit op zichzelf. Een gevleugelde uitspraak is dat gelijk hebben niet hetzelfde is als gelijk krijgen. In de praktijk zien wij dit ook vaak terug. Een procedure vereist een andere mentaliteit en een andere aanvliegroute dan bijvoorbeeld een vooroverleg. Laat u daarom bij procedures bijstaan door een fiscaal jurist met kennis van het formele belastingrecht, zodat een optimaal resultaat kan worden bereikt. Neem voor vragen gerust contact op met één van onderstaande auteurs.

Link naar arrest:

ECLI:NL:HR:2021:966

Wets- en verdragsartikelen

Art. 8:54 Awb

Art. 8:55 Awb

Art. 6 EVRM

Art. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest)

Rechtbank ziet af van zitting [news] 2021-06-21 0000-00-00 0000-00-00 7026

Zwarte lijst Belastingdienst

De Belastingdienst werkt met een zogenaamde zwarte lijst waarop belastingplichtigen staan opgenomen. Op deze lijst staan 240.000 mensen die door de Belastingdienst worden gezien als mogelijke fraudeur. Dit kan op grond van vermoedens van fraude. Vorenstaande volgt uit informatie welke openbaar is gemaakt door een WOB-verzoek. Op dit moment hebben ruim 60.000 mensen een excuusbrief ontvangen van de Belastingdienst (bron NOS). De Belastingdienst kan door deze zwarte lijst burgers vaker dan nodig benaderen, maar het grootste probleem is dat deze informatie wordt gedeeld met andere overheidsinstanties, dit kan een olievlek tot gevolg hebben (gehad).

Registratie belastingplichtigen bij de Belastingdienst

De registratie op de lijst betreft het registreren van persoonsgegevens, hiermee is de AVG van toepassing. Alle vormen van verwerking van die gegevens zijn in beginsel in strijd met de privacy, tenzij er een uitzondering van toepassing is. De AWR (Algemene Wet inzake Rijksbelastingen) kent een dergelijke uitzondering niet, dit heeft de Hoge Raad in 2017 al eens bepaald (procedure inzake flitspalen).

Inzage in zwarte lijst

Het kan in procedures of bij veelvuldig bezoek van de Belastingdienst verstandig zijn om inzage te vragen in deze zwarte lijst. Tevens is het van belang dat u daarna van de zwarte lijst wordt gehaald. Wij adviseren regelmatig mensen inzake dergelijke procedures.

Er was blijkbaar een vinkje bij belastingplichtigen (project 1043) die kon worden aangetikt voor sommige belastingplichtigen. Deze belastingplichtigen werden dan 5 jaar lang intensief gevolgd en gecontroleerd. De reden voor het "vinkje" kon zelfs een dubbele nationaliteit zijn. De namen van deze personen werden opgenomen in de Fraude Signalering Voorziening (FSV).

Rechter of zwarte lijst

Het instellen van bezwaar en beroep moet volgens de Advocaat Generaal van de Hoge Raad (d.d. 17 juni 2021) ruimer worden toegestaan. Het kan namelijk zo zijn dat burgers (en hierdoor soms bedrijven) hogere aanslagen hebben ontvangen door plaatsing op deze lijst. De bezwaar- en beroepstermijnen van dergelijke aanslagen zijn op dit moment veelal verstreken. De AG is van mening dat deze mensen alsnog bezwaar en beroep moeten kunnen instellen, omdat informatie door de Belastingdienst is achtergehouden.

De Hoge Raad mag nu eens kritisch kijken naar de mening van haar eigen AG. De vraag is wat de Hoge Raad nu gaat beslissen.

Noot fiscaal jurist inzake zwarte lijst

Het "taggen" van klanten of documenten kan best handig zijn. Zo weet je beter waar je moet zoeken en / of een onderzoek moet instellen. Alleen zijn er wel spelregels, en deze spelregels staan dan weer in de wet (zoals de AVG, Wet bescherming persoonsgegevens, artikel 10 grondwet, etc.). Bij het "taggen" van belastingplichtigen kunnen er grote problemen ontstaan en veelal kan dit extreme financiële gevolgen hebben. De vraag is of via deze "tag" verkregen bewijs rechtmatig is verkregen en - zo ja of nee - welke gevolgen hieraan dan moeten worden verbonden.

Is een aanslag onrechtmatig als u opvalt door een "vinkje"? Er is sprake van een onrechtmatige selectie, maar brengt dit ook mee dat de belastingaanslag onrechtmatig is? Door het vinkje wordt er een onderzoek ingesteld en men komt dan tot de conclusie dat er een belastingaanslag moet worden opgelegd. Er is dus een causaal verband tussen het vinkje, het onderzoek en de belastingaanslag. Het bewijs voor de aanslag is het vinkje en dit is dan onrechtmatig verkregen, dat staat vast. Onbevoegd verkregen informatie mag niet een andere of verhoogde aanslag tot gevolg hebben. Dat er sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM staat ook wel vast, maar de nationale gevolgen welke hieraan worden verbonden legt men altijd op het bordje van de nationale rechter. Dat een belastingplichtige alsdan de wijze waarop bewijs is verkregen moet kunnen aanvechten lijkt logisch.

Vragen over zwarte lijst

Wij adviseren regelmatig mensen inzake procedures tegen de Belastingdienst, dit tijdens regulier overleg, bezwaar- en / of beroepsprocedures. Neemt u gerust contact met ons op via onderstaand formulier of bel met één van onze specialisten (zie onder).

Bron zwarte lijst

Conclusie Advocaat Generaal d.d. 17 juni 2021 ECLI:NL:PHR:2021:618

Zwarte lijst Belastingdienst [news] 2021-06-23 0000-00-00 0000-00-00 7031

Rechtsbescherming verder in de knel. Voorkom dat de FIOD stukken achterhoudt.

Als u verdacht wordt van een strafbaar feit, kan het zijn dat ook de Belastingdienst nog eens ‘op de koffie komt’. De wet geeft de belastinginspecteur de bevoegdheid tot het opvragen van stukken uit een strafdossier bij het OM[1]. Die gegevens kunnen dan gebruikt worden om de resultaten van de (vermeende) criminele activiteiten te belasten.

Waarom werden stukken achtergehouden door de FIOD?

De kinderopvangsector zit in de hoek waar tegenwoordig de klappen vallen. Zo ook in de volgende, recente casus. De Belastingdienst doet een onderzoek bij een gastouderbureau en het daarvan opgemaakte rapport leidt tot het inschakelen van de FIOD. Een en ander leidt tot vervolging en veroordeling (valsheid in geschrifte, witwassen, lid criminele organisatie) van de dochter op wiens naam het bureau stond.

De belastinginspecteur vraagt de stukken op bij het OM t.b.v. de belastingheffing. De OvJ stemt daarmee in, waarop de stukken worden verstrekt aan de FIOD. De FIOD selecteert vervolgens de stukken en stelt die ter beschikking aan de belastinginspecteur. Op basis van die stukken volgen navorderingsaanslagen.

De belastingplichtige komt tegen de aanslagen in beroep en belandt uiteindelijk bij de Hoge Raad.

In een (fiscale) procedure is van belang dat beide partijen over dezelfde ‘wapens’ beschikken. Eén van de vereisten daarvoor is dat de belastinginspecteur ‘alle op de zaak betrekking hebbende stukken’[2]aan de rechter stuurt (en dus ook aan de belastingplichtige).

De belastingplichtige stelt dat de belastinginspecteur niet alle stukken heeft verstrekt omdat deze niet het volledige strafdossier heeft ingediend, maar slechts een selectie. In wezen heeft hij dus geen eerlijk proces gehad.

De Hoge Raad over stukken achterhouden

De Hoge Raad pelt de zaak af en oordeelt in stappen als volgt.

1. De verplichting stukken in te brengen ziet op de belastinginspecteur zoals aangeduid in de wet en niet op de Belastingdienst als geheel. De FIOD is weliswaar onderdeel van de Belastingdienst, maar niet de belastinginspecteur. De stukken die onder de FIOD zijn hoeven dus in beginsel niet ingediend te worden.

2. De stukken die de FIOD, maar ook het OM of andere instanties, heeft moeten WEL worden ingediend als: - die stukken die de belastinginspecteur ter beschikking staan of hebben gestaan EN van belang kunnen zijn voor het (resterende) fiscale geschil. Dat moet per stuk afzonderlijk worden beoordeeld.

3. De belastinginspecteur is niet verplicht het OM te verzoeken het gehele dossier beschikbaar te stellen om daar zelf de stukken uit te selecteren.

4. De belastingplichtige heeft niet de stelling ingenomen dat de FIOD bij de selectie stukken heeft achtergehouden die wel voor de belastingheffing van belang kunnen zijn.

Eindconclusie is dan dat de belastinginspecteur de wet niet heeft geschonden en de navorderingen blijven in stand.

Opmerking fiscaal jurist over zaakstukken

De Belastingdienst zet de FIOD / het OM op het spoor en na de strafvervolging maakt de Belastingdienst gebruik van de aldaar verzamelde gegevens. Op zich is dat niet bezwaarlijk, iedereen moet zijn deel van de belasting betalen, al kan over de wijze waarop anders worden gedacht. Het knelpunt zit in de beoordeling van de gegevens, de strafrechtelijke bewijsstukken.

Laten we het voorzichtig als volgt stellen. Het is geen onomstreden gedachte dat het OM bij de jacht op en vervolging van strafbare feiten eerder op zoek gaat naar belastend materiaal als ontlastend materiaal en ook minder genegen kan zijn gevonden ontlastend materiaal in het dossier te voegen. Datzelfde geldt ook voor de FIOD en de belastinginspecteur. Die zijn geneigd om vooreerst op zoek te gaan naar materiaal dat de belastingheffing rechtvaardigt en hebben minder oog voor materiaal dat de andere kant op wijst. In het kader van het FIOD-onderzoek volgt uit het EVRM dat ook recht staat op kennisname van ontlastende stukken.[3]Dat zou ook kunnen gelden voor de selectie van materiaal uit een strafdossier.

Als een belastingplichtige niet weet wat er allemaal aan materiaal is, is het niet te controleren of er mogelijk materiaal ontbreekt. In de termen van de Awb: of alle van belang zijnde stukken zijn ingediend. In wezen is sprake van een niet objectief controleerbare zeeffunctie toegepast door de overheid. De rechter zelf is ook niet gehouden zelfstandig op zoek te gaan naar (ontlastend) bewijs. Het is dus aan de belastingplichtige om op het (mogelijke) bestaan daarvan te wijzen en om inbreng van dat bewijs te verzoeken.

Ook het feit dat de FIOD onderdeel is van de Belastingdienst baart zorgen, nu de Hoge Raad die (processueel) niet gelijkstelt aan de belastinginspecteur. Het is immers niet ondenkbaar dat de belastinginspecteur een kortere lijn heeft met de FIOD dan de belastingplichtige, in die zin dat de ‘collega’s’ gevraagd wordt nog eens het dossier in te duiken voor bewijsstukken. Dat geeft de belastinginspecteur in wezen toegang tot het gehele FIOD-dossier als hij dat wenst (dus ter beschikking staat en dus moet worden ingediend). Die optie ligt voor de belastingplichtige minder voor de hand. Er is al geen effectieve controle op (de volledigheid van) de stukken die het OM verstrekt. De tussenschakeling van de FIOD leidt dan mogelijk tot extra ruis. De rechtsbescherming van de belastingplichtige is er niet beter op geworden.

Of de belastingplichtige over een volledig dossier beschikt, blijft dus in nevelen gehuld. Wellicht dat er een oplossing zit in het hiervoor opgenomen punt 4. in de uitspraak van de Hoge Raad. De belastingplichtige kan het standpunt innemen dat de FIOD bij de selectie stukken achterhoudt. Die stelling moet wel worden onderbouwd. Aan de onderbouwing moeten dan niet al te hoge eisen worden gesteld. Ook kan worden gedacht aan de verplichting om van een strafdossier een volledige inhoudsopgave te verstrekken met vermelding van de aard van de inhoud van het stuk. In algemene zin moet zoveel mogelijk worden gewaarborgd dat de belastingplichtige over een volledig dossier beschikt. Voorts moet toetsbaar zijn dat dit werkelijk het geval is. Door het weglakken van delen van stukken kan de inspecteur inzichtelijk maken welke stukken er zijn. Desnoods past hij daarbij artikel 8:29 Awb toe (geheimhouding). Op die manier wordt de onafhankelijke rechter – al dan niet in de vorm van de geheimhoudingskamer – erbij betrokken.

Uitspraak Hoge Raad 25 juni 2021

Achterhouden FIOD-stukken [news] 2021-06-28 0000-00-00 0000-00-00 7036

De fiscale informatieplicht

Hoe ver mag de Belastingdienst gaan met het opvragen en meenemen van stukken?

Rechten Belastingdienst inzake opvragen informatie

De Belastingdienst heeft vergaande mogelijkheden om informatie op te vragen. Na het aangiftebiljet (dat u duidelijk, stellig en zonder voorbehoud (artikel 8 AWR) moet indienen) is de vragenbrief het meest gebruikte middel om die informatie te vergaren. Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn (artikel 47 AWR). Ook dat moet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud (artikel 49 AWR).

Het voorstaande geldt ook voor administratieplichtigen voor gegevens die betrekking hebben op derden (artikel 53 AWR). U kunt dus als ondernemer door de Belastingdienst gebruikt worden als informatiepunt voor de belastingheffing van anderen. Een (zakelijke) relatie met die derde is niet nodig. Het beschikken over de gegevens is voldoende. Naast de begrenzing dat het moet gaan om gegevens die fiscaal relevant kunnen zijn, is er nog een belangrijke beperking.

Die beperking zit in het verschoningsrecht. De verplichting tot gegevensverstrekking geldt niet (artikel 53a AWR) als u een zogenoemde verschoningsgerechtigde bent. Dat zijn bekleders van een geestelijk ambt, notarissen, advocaten, artsen en apothekers die zich beroepen op de omstandigheid, dat zij uit hoofde van hun stand, ambt of beroep tot geheimhouding verplicht zijn. Sommigen – zoals belastingadviseurs – kunnen zich beroepen op een (daarvan) afgeleid verschoningsrecht (Hoge Raad 12 maart 1997, rolnr. 30478).

Dat de Belastingdienst (en de FIOD) dit verschoningsrecht niet standaard respecteren, blijkt wel uit de volgende zaak.

Verschoningsrecht en informatieplicht Belastingdienst

De belastingplichtige is betrokken geweest bij een vliegtuigongeluk. Daarop heeft hij de vliegtuigmaatschappij en de -bouwer aansprakelijk gesteld. Van (het voorschot op) de schadevergoeding heeft hij een BMW gekocht. Omdat hij contant afrekende, is daarvan een MOT-melding gedaan (Melding Ongebruikelijke Transactie). Daarop is een onderzoek geweest en is de FIOD in het huis geweest van de belastingplichtige. Daarbij is een ordner met stukken meegenomen. Op die ordner stond “25 februari vliegtuigcrash en het ziekenhuis advocaat informatie”.

De daarna door de inspecteur gestelde vragen weigerde de belastingplichtige te beantwoorden. Hij meende dat de ordner onrechtmatig verkregen was, omdat deze onder het verschoningsrecht van zijn advocaat viel en hem bovendien niet was gewezen op zijn recht om te zwijgen (de zogenoemde cautie). De vraag is of terecht informatiebeschikkingen zijn genomen wegens het niet antwoorden.

De zaak gaat een beetje als een nachtkaars uit, omdat het hof heeft vastgesteld dat deze via een andere weg op de hoogte was van een belangrijke brief uit die ordner waaruit een bepaalde inkomens- en vermogenspositie van de belastingplichtige bleek (en de daarop gebaseerde vragenbrief dus voortkwam uit  de al dan niet onrechtmatig verkregen ordner). De cautieplicht is niet geschonden omdat (schriftelijk en mondeling) geen vragen zijn gesteld m.b.t. het opleggen van een boete.

T.a.v. het verschoningsrecht merkt de Hoge Raad wel op dat het aan de verschoningsgerechtigde (in dit geval de advocaat) is om te bepalen of stukken onder het verschoningrecht vallen. Dat is dus niet aan de inspecteur, maar ook niet aan de belastingplichtige. Het gaat dus om de visie van de advocaat, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.

De staatssecretaris had het nog gewaagd te stellen dat stukken uit de ordner waren verstrekt aan de tegenpartij in de civiele procedure (de vliegtuigbouwer) en dat daarmee de stukken bij een derde terecht waren gekomen zonder een beroep te doen op het verschoningsrecht, zodat tegen de Belastingdienst ook geen beroep op het verschoningsrecht kan worden gedaan. Met één pennenstreek veegt de Hoge Raad dat argument van tafel: “… brengt niet mee dat de advocaat ten aanzien van die stukken jegens anderen niet langer een beroep op zijn verschoningsrecht kan doen.”

Opmerking fiscaal jurist inzake fiscale informatieplicht

Een belastingplichtige dient altijd volledig vrij over zijn (fiscale) zaken te kunnen overleggen met zijn adviseur. Bij huis- of kantoorbezoek dient de inspecteur (en FIOD) de rechten van de belastingplichtige te respecteren en geen stukken in te zien of mee te nemen waarbij overduidelijke tekenen zijn dat die onder het (afgeleide) verschoningsrecht vallen. Zorg dat dergelijke (advies-)stukken deugdelijk zijn opgeborgen. Als het niet anders kan, geef ze slechts mee onder protest en in een verzegelde envelop en maak een notitie van hetgeen wordt meegenomen.

Overleg altijd met uw adviseur voordat u zelfstandig stukken verstrekt en laat u niet overrompelen. De tijd dat alleen de belastingplichtigen de grens opzoeken ligt ver achter ons.

Bron fiscale informatieplicht

Hoge Raad 21 mei 2021

HR 12 maart 1997, nr. 30.478, BNB 1997/146

Fiscale informatieplicht [news] 2021-06-28 0000-00-00 0000-00-00 7037

Betalingsregeling en kwijtschelding belastingdienst

Wij adviseren steeds vaker ondernemers over betalingsregelingen en kwijtschelding van belastingen. In dit onderdeel treft u hierover diverse artikelen aan.

Vragen over betalingsregeling of kwijtschelding?

Neem gerust contact op met onderstaande adviseurs.  

Betalingsregeling en kwijtschelding [news] 2021-02-25 0000-00-00 0000-00-00

Ondernemers vragen steeds vaker een betalingsregeling aan bij de Belastingdienst. In sommige gevallen is kwijtschelding van belastingschulden ook mogelijk. Hoe werkt dit?

6900

Fiscale vestigingsplaats vennootschap

Waar een vennootschap voor fiscale doeleinden gevestigd is, is van groot belang. Bij de toepassing van verdragsbepalingen wordt namelijk voor de toewijzing van het heffingsrecht vaak verwezen naar de ‘vestigingsplaats’ of de ‘woonplaats’. Het is belangrijk dat deze plaats dus zonder twijfel vaststaat. De vraag waar een bedrijf is gevestigd, lijkt op het eerste gezicht niet al te complex. Zo zal een besloten vennootschap naar Nederlands recht met een statutaire zetel te Enschede, toch in Nederland gevestigd zijn? Nee, dat hoeft helemaal niet zo te zijn. Onder de werking van belastingverdragen wordt vaak gekeken naar hele andere elementen, zoals de plaats waarvandaan de feitelijke leiding wordt uitgeoefend over de vennootschap. Dat kan een heel andere plaats zijn. De Hoge Raad heeft zich in het kader van het verdrag tussen Nederland en Singapore recent uitgelaten over deze materie. De uitkomsten van dit arrest zijn in het algemeen voor het internationaal belastingrecht relevant. Redenen genoeg om het arrest dus te bespreken in een artikel.

Discussie over de vestigingsplaats ontstaat na adreswijziging

Belanghebbende is een naar Nederlands recht opgerichte bv en tot 2006 doen zich geen vestigingsplaatsproblemen voor. Echter, eind 2006 wijzigt het adres van belanghebbende naar een adres te Singapore. Gelijktijdig wordt een natuurlijk persoon aangesteld als statutair bestuurder. Deze aanstelling vindt plaats namens een Singaporees trustkantoor. Het kantoor zelf wordt de managing director. Vanaf dat moment wordt de vennootschap als inwoner van Singapore in de belastingheffing betrokken.

De aandeelhouder van Belanghebbende, voor het gemak noemen we die Henk, is in 2006 ook vertrokken uit Nederland. Henk is naar Sint-Maarten geëmigreerd. Sindsdien meent hij in Nederland buitenlands belastingplichtig te zijn. Belanghebbende wordt in de periode 2006 – 2010 begeleid door twee belastingadvieskantoren (gevestigd te Nederland, met een vestiging op de Antillen). Dit kantoor adviseert Henk ook in privé. De belastingadvieskantoren leveren – zoals verderop ook blijkt – bovengemiddeld veel werkzaamheden en inspanningen. De zoon van Henk is vanuit Nederland ook betrokken bij Belanghebbende.

In 2010 wordt flink dividend uitgekeerd door Belanghebbende aan Henk. Steeds wordt aangifte dividendbelasting gedaan en aangegeven dat niets is verschuldigd. Het lijkt erop dat dat ook het doel is geweest van het ‘schuiven’ met de vestigingsplaats: het vermijden van belasting. De inspecteur is het met de ingediende aangiften oneens en heft dividendbelasting na. Over die aanslagen is het geschil ontstaan.

Er liggen een aantal geschilpunten voor. Wij richten ons in dit artikel op het geschil over de vestigingsplaats van de vennootschap. De rechtbank Den Haag gaf aan dat het erom gaat waar de vennootschap geleid en bestuurd wordt. Over de uitleg van dit begrip ontstaat een geschil.

Juridische kader vestigingsplaats vennootschap en leiding

In het nationale recht kennen we een bepaling die inhoudt dat een bv, opgericht naar Nederlands recht, steeds wordt geacht in Nederland gevestigd te zijn. Deze fictiebepaling kan internationaal uiteraard voor wrijving zorgen op het moment dat een andere staat – zoals Singapore – meent dat een vennootschap juist daar gevestigd is. Dat doet zich hier ook voor; Singapore ziet de vennootschap als inwoner en wil de vennootschap in de belastingheffing betrekken. Zo komt het dat twee landen van mening zijn dat de vennootschap daar is gevestigd.

Het belastingverdrag tussen Nederland en Singapore moet dan uitsluitsel bieden. In het verdrag is opgenomen dat voor de belastingheffing de vestigingsplaats dan wordt gesteld op de plaats waarin de vennootschap wordt geleid en bestuurd. De meeste belastingverdragen zijn gebaseerd op het modelverdrag van de OESO. In dat verdrag was, op het moment dat Nederland en Singapore afspraken maakten, opgenomen dat de vestigingsplaats wordt gesteld op de plaats van het effective management. Nederland en Singapore hebben deze bepaling als basis gebruikt, doch in de Engelse versie van het verdrag is opgenomen dat het gaat om: managed and controlled.

In 2018 sprak de Hoge Raad zich al eens uit over de term geleid en bestuurd. Ook toen in het kader van het verdrag tussen Nederland en Singapore. Hij gaf toen aan dat het bij deze term gaat om het bepalen van de plaats waar de kernbeslissingen met betrekking tot de activiteiten van de vennootschap worden genomen, waar de eindverantwoordelijkheid voor de beslissingen wordt gedragen en van waaruit in voorkomende gevallen instructie wordt gegeven aan werkzame personen. Wie de dagelijkse leiding bij de uitvoering heeft, is voor het bepalen van de plaats van de leiding van een lichaam niet relevant. Deze rechtspraak sluit aan bij eerdere rechtspraak. Feitelijk komt het erop neer dat het tussenplaatsen van een stroman geen gevolg heeft. Immers: die gaan niet over de kernbeslissingen en dragen veelal niet de eindverantwoordelijkheid.

Advocaat-Generaal over vestigingsplaats vennootschap

Op 1 december 2020 is de conclusie van de Advocaat-Generaal in deze zaak gepubliceerd. Hij gaat op een aantal elementen in. Over de bewijslastverdeling schrijft hij het volgende. De inspecteur diende te bewijzen dat de belanghebbende (vooral) vanuit Nederland werd bestuurd, althans dat dient hij aannemelijk te maken. Het hof kwam tot het oordeel dat de inspecteur daarin was geslaagd. Dat betekent dat stap 2 is het beoordelen van het tegenbewijs dat de Belanghebbende heeft geleverd. Daarbij weegt ook mee dat het de belanghebbende is die de ‘ingewikkelde’ situatie in het leven heeft geroepen. Dit heeft het hof eveneens gedaan, alvorens tot de conclusie te komen dat Belanghebbende er niet in geslaagd is om onaannemelijk te maken dat de leiding in Nederland lag.

De kernvraag waar het om steeds om gaat is, of een bepaalde beslissing is genomen als bestuurder, als aandeelhouder of als uitvoerder. Om te kunnen spreken van het geven van leiding / het managen van een vennootschap, dient sprake te zijn van een bestuurders- of uitvoerdersbeslissing. Dat is ook de reden dat het hof tot het oordeel is gekomen dat de vestigingsplaats Nederland is. Henk bevond zich weliswaar op Sint-Maarten, maar Henk heeft onvoldoende bewezen dat hij ook belangrijke beslissingen als bestuurder nam. Voor zover Henk beslissingen heeft aangedragen die ondubbelzinnig te kwalificeren zijn als bestuurdersbeslissingen, geldt dat Henk niet inzichtelijk heeft gemaakt vanaf welke locatie hij die beslissingen heeft genomen. De Advocaat-Generaal merkt op dat de juiste rechtsregels zijn toegepast en dat de toetsing op zichzelf bezien sterk feitelijk van aard is. De Hoge Raad past dan terughoudendheid en ingrijpen geschiedt slechts als een oordeel ongemotiveerd / onbegrijpelijk is. Dat doet zich volgens de Advocaat-Generaal hier niet voor.

Een andere bijzonderheid in deze zaak is gelegen in de rol van de belastingadviseur van Henk en Belanghebbende. Het gerechtshof oordeelde dat de leiding bij het belastingadvieskantoor te Nederland en de zoon van Henk liggen. Belanghebbende meent echter dat het belastingadvieskantoor geen ondernemingsbeslissingen neemt en daarom niet ‘meetelt’ bij het bepalen van de vestigingsplaats van de vennootschap. Het hof kwam onder meer tot haar oordeel door te wijzen op de betrokkenheid van het belastingadvieskantoor bij het overdragen van certificaten, aangaan van aandeelhoudersleningen en het instellen van vermogensbeheer. De Advocaat-Generaal kijkt kritisch naar het bewijs, maar acht deze uitkomst acceptabel. Dat een belastingadvieskantoor onderdeel uitmaakt van de leiding van de vennootschap is ongebruikelijk, maar niet minder ongebruikelijk dan dat een relatief goedkoop Singaporees kantoor de leiding uit zou oefenen.

De Hoge Raad heeft op 2 juli 2021 uitspraak gedaan in deze zaak.

De Hoge Raad over de vestigingsplaats van de vennootschap

De Hoge Raad herhaalt eerst wat de Belanghebbende aandraagt: het gerechtshof heeft de termen geleid en bestuurd verkeerd uitgelegd. Dit punt haalt de Hoge Raad echter onderuit. Met ‘geleid en bestuurd’ wordt hetzelfde bedoeld als met ‘feitelijke leiding’. Deze – op het oog kleine – uitspraak van de Hoge Raad schept voor de praktijk weer de nodige duidelijkheid.

De Hoge Raad gaat ook in op de rol van de belastingadviseur. Belanghebbende voert steeds aan dat een adviseur geen ondernemingsbeslissingen kan nemen voor zijn klanten. Dus kan de vestigingsplaats van de adviseur geen invloed hebben op de fiscale vestigingsplaats. Ook dit punt houdt geen stand. De Advocaat-Generaal verwoordde dit al pakkend door te stellen: dat iets onwaarschijnlijk is, wil niet zeggen dat het niet gebeurt.

Correct is dat het aan de inspecteur is om aannemelijk te maken dat Belanghebbende fiscaal gevestigd is te Nederland. Wat Belanghebbende in deze situatie vervolgens ook niet helpt, is dat Henk niet meewerkt aan het verlenen van voldoende inzicht in stukken die mogelijk tot een ander oordeel kunnen leiden.

Belanghebbende trekt dus aan het kortste eind.

Fiscaal jurist over woon- en vestigingsplaatsonderzoeken

Discussies over de woonplaats van individuen en / of de vestigingsplaats van vennootschappen zijn aan de orde van de dag. Het is van belang om daarbij steeds te kijken naar alle feiten en omstandigheden. Waar vroeger ‘eenvoudigerwijs’ kon worden gewezen naar de locatie waar de schoorstenen rookten, is dat tegenwoordig anders. Kapitaal is steeds mobieler geworden en ook fysieke aanwezigheid is in tijden van digitalisering geen doorslaggevende factor meer.

De overduidelijke opzet om de holding buiten Nederland te houden en zo dividendbelasting te voorkomen, mislukt onder andere door lacunes in de uitvoering. Dit is geen zeldzaamheid, maar komt regelmatig voor. Het is op papier eenvoudiger om een banksaldo te verplaatsen dan een rij schoorstenen, doch indien uw bedrijf Nederland binnenkomt of verlaat, is het toch verstandig een adviseur in de arm te nemen.

Niet zelden loopt zo’n discussie met de Belastingdienst over de woonplaats of de vestigingsplaats namelijk uit op een geschil. De uitkomst van dit geschil is voor de belastingheffing van zeer groot belang. Laat u daarom altijd bijstaan door een deskundige. Neem gerust eens contact op met één van onderstaande auteurs voor een vrijblijvende kennismaking.

Uitspraak en conclusie

Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1044

Advocaat-Generaal: ECLI:NL:PHR:2020:1150

Fiscale vestigingsplaats vennootschap [news] 2021-07-05 0000-00-00 0000-00-00 7085

Geen navordering bij beoordelingsfout Belastingdienst

Zodra u een definitieve aanslag krijgt opgelegd, moet u erop kunnen vertrouwen dat deze aanslag inderdaad definitief is. Het zou afdoen aan uw rechtszekerheid als te pas en te onpas nog bedragen konden worden nagevorderd. Toch is navordering onder voorwaarden mogelijk. De inspecteur kan navorderen indien sprake is van een nieuw feit of indien de belastingplichtige te kwader trouw is geweest. Wij zien in de praktijk dat de Belastingdienst relatief snel naar het middel van navordering grijpt. Soms terecht, maar soms ook niet. In een recente zaak bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch kwam de vraag aan de orde of de belastingplichtige te kwader trouw was geweest. In dit artikel gaan wij in op deze uitspraak.

Wat ging vooraf aan de navordering van de Belastingdienst?

Het betreft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 2012. De belastingplichtige is tegen de navordering in bezwaar gegaan, maar dat heeft niet tot een ander oordeel geleid. Succes heeft belastingplichtige wél bij de rechtbank. De rechtbank verklaart het beroep namelijk gegrond, hetgeen voor de inspecteur reden is om in hoger beroep te gaan. Het gerechtshof begint, zoals gebruikelijk, met het vaststellen van de feiten en omstandigheden.

De belastingplichtige is op 1 oktober 2012 in Nederland komen wonen. Hij houdt alle aandelen in een pensioen bv en deze bv houdt alle aandelen in een vastgoed bv. Deze bv’s zijn allemaal in Nederland gevestigd. De belastingplichtige is eigenaar van een aantal onroerende zaken en deze zijn in december 2012 aan de vastgoed bv geleverd. In 2014 heeft de inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd. De inspecteur is van mening dat sprake is van inkomen als gevolg van het ter beschikking stellen van vermogen en dat de waarde in het economisch verkeer sterk afwijkt van de waarde waarvoor de onroerende zaken zijn verkocht.

In privé vraag de belastingplichtige steeds om uitstel voor de aangifte 2012. Dit doet hij vanwege het lopende onderzoek en de impact daarvan op de uitkomst voor de aangifte 2012. Hij verwijst ook steeds naar de het lopende onderzoek. De inspecteur verleent het uitstel. Uiteindelijk doet de belastingplichtige aangifte en hij stuurt een afzonderlijke brief mee, waarin eveneens het lopende onderzoek wordt benoemd.

In december 2015 wordt de aanslag opgelegd, overeenkomstig de aangifte. De belastingplichtige laat deze aanslag aan de inspecteur zien. De inspecteur besluit echter in 2016 over te gaan tot navordering over 2012. Vast staat ook dat tussen de inspecteur die de controle verricht en degene die de aanslag heeft vastgesteld, overleg is gevoerd over deze kwestie. Uit dit contact komt ook naar voren dat de aangifte geblokkeerd had moeten zijn en de definitieve aanslag niet opgelegd had moeten worden. Er is voorts van alles gebeurd bij de Belastingdienst intern. Hierna een korte samenvatting.

De aangifte IB 2012 van belastingplichtige is geruime tijd geblokkeerd geweest wegens het lopende onderzoek. Toch heeft de aangifte vroegtijdig tot een aanslag geleid. De uitgeworpen aangifte is door een medewerker doorgezet naar het team buitenland. Deze heeft de aangifte versneld afgehandeld en niet inhoudelijk naar de posten gekeken. Dat komt volgens hem omdat dit type aangifte over het algemeen relatief gemakkelijk is en daarom ook zo wordt behandeld. Deze medewerker voelde zich niet geroepen om iedere post te controleren. Tot slot geeft hij aan dat het negeren van de blokkade niet aan hem verwijtbaar is. Uiteindelijk komt men tot de slotsom dat de aangifte handmatig is afgedaan, maar dat de uitworpreden inzichtelijk moet zijn geweest. Die is vervolgens niet gezien of bewust weggeklikt. Er is slechts sprake van uitvoering van beleid.

Geschil bij navordering door de Belastingdienst

Zoals aangegeven, is voor navordering een nieuw feit of kwade trouw vereist. Dat van een nieuw feit geen sprake is, daar zijn partijen het wel over eens. De inspecteur meent echter dat de belastingplichtige te kwader trouw is en dat sprake is van een fout. Daarmee bedoelt de inspecteur dat sprake is van een fout die de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is. Ook dan mag namelijk tot navordering worden overgegaan. De belastingplichtige is het hier (uiteraard) mee oneens.

Gerechtshof over de navordering door de Belastingdienst

De discussie richt zich dus op de vraag naar kwade trouw en de aanwezigheid van een kenbare fout. Het gerechtshof beschrijft eerst de regel met betrekking tot de kwade trouw. Indien de belastingplichtige ten aanzien van een feit aan de inspecteur opzettelijk onjuiste gegevens of inlichtingen verstrekt of deze juist onthoudt, dan is sprake van kwade trouw. Daarbij is wel vereist dat de belastingplichtige bij het doen van de aangifte weet dat zijn opgaaf van gegevens leidt tot een aanslag met een te laag bedrag. De inspecteur is degene die hierbij de bewijslast draagt. Hij meent aan deze bewijslast te voldoen, door op te merken dat de belastingplichtige uit een brief had moeten afleiden dat de waarde die bij de vastgoedtransactie werd gebruikt sowieso te hoog was. Dat ziet de inspecteur als voldoende reden voor de kwade trouw. Daarbij zou ook meetellen dat de aangifte die is ingediend, is ingediend met aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting wordt geheven.

Het gerechtshof is het hiermee oneens. De inspecteur heeft de kwade trouw niet voldoende aannemelijk gemaakt. De toetsing op kwade trouw moet plaatsvinden naar de gedragingen bij het indienen van de aangifte waarbij informatie is verstrekt. Bij het doen van de aangifte heeft deze belastingplichtige steeds uitstel aangevraagd wegens het lopende onderzoek en toen hij geen uitstel meer kreeg, heeft hij een begeleidende brief meegestuurd. Dat de belastingplichtige belastingheffing wil vermijden is een onjuiste conclusie van de inspecteur. Het tegenovergestelde is eerder waar. De inspecteur had met een extra handeling bekend kunnen zijn met de gehele inhoud van de begeleidende brief. Dit punt van de inspecteur wordt dus niet gevolgd en dat is onzes inziens niet meer dan terecht.

De vraag is dan hoe het gerechtshof aankijkt tegen het argument dat sprake is van een fout die de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is. Hierover oordeelde de Hoge Raad reeds dat het begrip ‘fout’ ruim bedoeld is. Het betreft iedere misslag die bij de Belastingdienst optreedt in de aanslagregeling, zoals schrijf-, reken-, overname- en intoetsfouten. Het kan echter ook fouten betreffen als gevolg van een geautomatiseerde verwerking van de aangifte. Aan het foutbegrip zit echter ook een grens. Het is niet de bedoeling dat beoordelingsfouten herstelbaar zijn. Beoordelingsfouten zijn fouten als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht bij de inspecteur. Navordering is dan niet mogelijk.

Het gerechtshof stelt vast dat de inspecteur veel informatie had. Vervolgens zijn intern een aantal meldingen verzonden / ontvangen. Deze meldingen zien er juist op dat aangiften door het geautomatiseerde systeem worden afgedaan. Nadat een medewerker de aangifte heeft geselecteerd, is gekozen voor een versnelde regeling. Nergens is actie ondernomen en de aangifte heeft geleid tot een aanslag. Er is sprake van een beoordelingsfout. De inspecteur die de uitgeworpen aangifte te zien kreeg, had moeten weten waarom de aangifte is uitgeworpen. De systemen waarin de informatie zich bevindt, zijn niet geraadpleegd. Raadpleging zou ertoe hebben geleid dat de inspecteur met alle informatie over het lopende onderzoek bekend was. Het niet raadplegen is aan te merken als een beoordelings- of inschattingsfout. Navordering is dan niet mogelijk. De navorderingsaanslag kan niet overeind blijven.

Fiscaal-jurist over beoordelingsfouten en navordering door Belastingdienst

Navordering is een middel dat in de praktijk veel wordt gebruikt. Soms terecht, maar soms ook onterecht. De inspecteur vindt over het algemeen al snel dat sprake is van een nieuw feit of kwade trouw, maar de rechtspraak is hier gelukkig terughoudender in. Dat geldt ook voor het argument dat sprake is geweest van een ‘kenbaar’ foutje. Indien u wordt geconfronteerd met een navorderingsaanslag, is het daarom raadzaam een specialist te raadplegen.

Wat deze zaak bijzonder maakt is dat er intern bij de Belastingdienst dingen niet goed zijn gegaan. Deze aangifte had eigenlijk niet afgedaan mogen worden zoals is geschied. Dit wordt echter niet toegegeven; de belastingplichtige moet immers tot aan het gerechtshof procederen om het gelijk te halen dat hij verdient. Het is nu te hopen dat geen cassatie wordt ingesteld tegen deze uitspraak van het hof, die onzes inziens terecht is. Waar gewerkt wordt, worden immers fouten gemaakt, ook beoordelingsfouten.

Neem gerust eens vrijblijvend contact op met één van onderstaande auteurs indien u met navordering wordt geconfronteerd.

Uitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2021:2006

Geen navordering bij beoordelingsfout Belastingdienst [news] 2021-07-15 0000-00-00 0000-00-00 7089

Geen schending gelijkheidsbeginsel artiest en actrice

Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 17 augustus 2021 in twee zaken uitspraak gedaan. In beide gevallen gaat het om de vraag of iemand wel of niet als ondernemer voor de inkomstenbelasting kwalificeert. Het betreft een artiest en een actrice. De argumenten zijn aan elkaar gelijk: het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden. Het gelijkheidsbeginsel vereist dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. In beide gevallen komt het gerechtshof tot het oordeel dat het gelijkheidsbeginsel niet geschonden is. In dit artikel een toelichting op de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak van het gerechtshof en een toelichting op het gelijkheidsbeginsel.

Rechtbank over ongelijke behandeling artiest en actrice

Het geschil ziet op de vraag of het gelijkheidsbeginsel is geschonden. In de rechtbankfase hebben de artiest en actrice zelfstandige procedures gevoerd, maar de overlap is qua inhoud zeer groot. Het komt in beide procedures neer op de vraag of bepaalde inkomsten wel of niet als winst uit onderneming kwalificeren. Het 'voordeel' aan winst uit onderneming is dat er ondernemersfaciliteiten van toepassing kunnen zijn en gemaakte kosten in aftrek kunnen worden gebracht. Het gevolg is vaak lagere belastingheffing.

Het argument is dat er sprake is van begunstigend beleid dat op de artiest en actrice niet is toegepast. Het beleid zou zijn, zo stellen zij, dat verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen worden toegekend zonder overeenkomsten in te willen zien. Dit beleid is niet gepubliceerd, maar zou blijken uit e-mails en 'ervaringen' uit eerdere jaren. Daarnaast zou in soortgelijke situaties wel zijn geaccepteerd dat de inkomsten als winst uit onderneming worden verantwoord. Dit is een beroep op de zogenaamde meerderheidsregel. Ter onderbouwing hiervan sturen de artiest en actrice 123 uitspraken op bezwaar in. Deze uitspraken zien op 58 andere belastingplichtigen en zij zijn tegemoetgekomen door de Belastingdienst. Volgens de artiest en actrice zijn zij met hen vergelijkbaar. De Belastingdienst is het hier (uiteraard) niet mee eens.

Toetsingskader bij schending gelijkheidsbeginsel

Het gebeurt regelmatig dat belastingplichtigen zich beroepen op schending van het gelijkheidsbeginsel. Deze vordering wordt echter niet vaak toegewezen. Een schending van het gelijkheidsbeginsel vereist dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Maar dat is op zichzelf nog niet voldoende. De ongelijke behandeling moet voortkomen uit begunstigend beleid of een oogmerk van begunstiging en er mag geen rechtvaardiging voor aanwezig zijn. Dat vraagt ook om nadere duiding van de termen 'begunstigend beleid' en 'oogmerk van begunstiging'. Van begunstigend beleid is sprake indien de Belastingdienst beleid zou hebben gevoerd dat bepaalde belastingplichtigen bevoordeelt en andere belastingplichtigen niet door de wet op onjuiste wijze toe te passen. Dit moet de bedoeling zijn geweest van de Belastingdienst. Van een oogmerk van begunstiging is sprake indien de Belastingdienst zich ervan bewust is – of zou moeten zijn – dat hij in andere gevallen wel begunstigend optreedt door de wet onjuist toe te passen. Tot slot de meerderheidsregel. Deze regel houdt in dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, indien gelijke gevallen deel uitmaken van een groep en de meerderheid van de groep begunstigend wordt behandeld.

Het is aan de belastingplichtige die zich op een schending van het gelijkheidsbeginsel beroept, om dit te bewijzen. Bewijzen betekent daarbij – in dit geval – niet dat iets buiten alle twijfel aangetoond moet worden. Het gaat er om dat de belastingplichtige de schending aannemelijk weet te maken. Vervolgens is het aan de Belastingdienst om dat gemotiveerd te betwisten. De belastingplichtige dient feiten en omstandigheden aan te dragen en aannemelijk te maken. Uit deze feiten en omstandigheden moet volgen dat in minstens twee gevallen die vergelijkbaar zijn, een juiste toepassing van de wet achterwege is gebleven. Daarna is het aan de Belastingdienst om aannemelijk te maken dat de relevante groep groter is en dat in de meerderheid van de gevallen de wet correct is toegepast. De discussie richt zich vaak op de vraag of überhaupt sprake is van gelijke gevallen.

Het bepalen of sprake is van gelijke gevallen is ingewikkelder dan op het eerste oog het geval lijkt te zijn. Situaties kunnen immers alleen vanuit een bepaald gezichtspunt gelijke situaties zijn. Een in de praktijk veelgemaakte 'fout' is, dat een compleet overzicht wordt opgesteld van alle mogelijke overeenkomsten en verschillen. Dat is onnodig en draagt niet bij aan de uitkomst van de procedure. Eerst moet duidelijk worden waar de gelijkheid in schuilt en daarna dienen de fiscaal-juridisch relevante verschillen te worden benoemd.

Gelijkheid doet zich voor indien situaties rechtens en feitelijk vergelijkbaar zijn. Rechtens vergelijkbaar is over het algemeen makkelijk vast te stellen. Daar doet zich namelijk de vraag voor of dezelfde wettelijke voorschriften op de belastingplichtigen van toepassing zijn. Uiteraard geldt ook hier: slechts de voorschriften toetsen die voor de specifieke situatie van belang zijn. Feitelijke vergelijkbaarheid is vaak iets complexer. Daar staat de vraag centraal of de belastingplichtigen in soortgelijke omstandigheden verkeren. Er moet dan worden gekeken naar de omstandigheden die voor de toepassing van het wettelijke voorschrift (of een beleidsregel) van belang zijn.

Oordeel rechtbank over schending gelijkheidsbeginsel

De rechtbank oordeelt dat de artiest en actrice niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. De e-mails van de Belastingdienst en de 'eerdere ervaringen' zijn daarvoor onvoldoende bewijs. Het is in het geheel onduidelijk of er sprake is geweest van bepaald beleid, laat staan begunstigend beleid. Ook het beroep op de meerderheidsregel slaagt niet. Hierover oordeelt de rechtbank als volgt. De ingediende stukken over de andere kunstenaars zijn te beperkt om de gelijkheid aan te nemen. Zo zijn geen contracten overlegd, zodat niet geoordeeld kan worden of de werkzaamheden onder dezelfde voorwaarden worden verricht. Dat de artiest en actrice vergelijkbaar zijn met andere kunstenaars, is als enkele stelling onvoldoende. Dat is te algemeen. De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden.

Oordeel gerechtshof over schending gelijkheidsbeginsel

Het Gerechtshof Amsterdam heeft de beide hogere beroepen op 17 augustus 2021 behandeld. Het hof merkt eerst op dat de rechtbank op de juiste wijze de stellingen van de belastingplichtigen heeft getoetst. Het hof gaat vervolgens zelf naar de zaak kijken. De eerste conclusie is dat het hof uit de stukken niet kan afleiden dat bij de andere kunstenaars de wet onjuist is toegepast op de wijze zoals de artiest en actrice menen dat het geval is. Aan de vraag of in de meerderheid van de gevallen de wet onjuist is toegepast, komt het hof dan niet eens toe.

Veronderstellenderwijs gaat het hof nog in op de situatie dat er wel sprake is van vergelijkbare gevallen. In dat geval volgt uit wat de artiest en actrice verder hebben aangeleverd, niet dat de Belastingdienst bewust van de wet is afgeweken of een oogmerk van begunstiging heeft gehad. Daarom kan het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel niet slagen. Het hof bevestigt daarom de uitspraken van de rechtbank.

Fiscaal procederen is maatwerk

Fiscaal procederen is een vak apart. Wij voeren bijna dagelijks fiscale procedures en merken dat het formele belastingrecht steeds belangrijker wordt. Formeel belastingrecht is het geheel aan regels dat ziet op het vaststellen en invorderen van belastingschulden. Denk bijvoorbeeld aan regels over het opleggen van een naheffingsaanslag, het opleggen van boeten en het gebruik van bevoegdheden door onder andere de Belastingdienst. Maar ook de verplichtingen die belastingplichtigen hebben tegenover de Belastingdienst zijn onderdeel van het formele belastingrecht. Zowel belastingplichtige als Belastingdienst lijken deze regels steeds verder te willen oprekken en daar ontstaat spanning.

De meeste fiscale procedures worden binnen ons kantoor door twee personen opgepakt. Eén die gespecialiseerd in 'de spelregels' (het formele belastingrecht) en één die gespecialiseerd is in de materiële kant van het geschil. Een voorbeeld ter verduidelijking. De Belastingdienst kan een navorderingsaanslag opleggen, omdat u ten onrechte een herinvesteringsreserve gevormd zou hebben. Ook wordt een boete opgelegd. Onze specialist formeel belastingrecht beoordeelt dan de rechtmatigheid van de navorderingsaanslag en de boete. Daarnaast is er een specialist van ons die zich bezighoudt met de vraag of u wel of niet een herinvesteringsreserve had mogen vormen. Dit maximaliseert uw proceskansen, zonder dat dit leidt tot extra kosten.

Uit voorgaande komt naar voren dat fiscaal procederen een vak apart is, net als winstbelasting en omzetbelasting. Win daarom bij een aanstaande procedure altijd advies in van een processpecialist. Wij ondersteunen particulieren, ondernemingen, maar ook accountantskantoren die zelf de procedures van hun klanten liever niet voeren. Op het gebied van de overdrachtsbelasting en btw adviseren wij regelmatig notariskantoren.

Vragen naar aanleiding van bovenstaande? Neem dan gerust rechtstreeks contact op met één van onderstaande auteurs.

Uitspraken:

Geen schending gelijkheidsbeginsel [news] 7207

Procederen tegen de Belastingdienst

Het innemen en intrekken van standpunten

Regelmatig worden wij ingeschakeld voor de begeleiding van een fiscale procedure. Dat kan al voordat er sprake is van een procedure, maar ook als de procedure al loopt en (nog) niet het gewenst resultaat oplevert.

Fiscaal procederen is vakwerk en maatwerk. Een belangrijk onderdeel is het innemen van de juiste standpunten. Dit artikel ziet daarop.

Het innemen van stellingen

Het fiscale procesrecht is redelijk informeel in vergelijking tot het overige bestuursrecht.

In elk stadium van de procedure kunnen nieuwe standpunten worden ingenomen, of dat nu in bezwaar, beroep of hoger beroep is. Pas in cassatie is die mogelijkheid beperkter.

In het fiscale procesrecht is het dus uitdrukkelijk niet zo dat alle standpunten in één keer en reeds vanaf de eerste fase (bezwaar) moeten worden ingenomen. Ook is het mogelijk dat een standpunt dat in bezwaar is afgewezen en in beroep niet aan de orde is gesteld, in hoger beroep weer aan de orde wordt gesteld.

Het intrekken van standpunten

In de praktijk komt het regelmatig voor dat in een procedure een groot aantal standpunten wordt ingenomen. Dan kan er aan de zijde van de Belastingdienst, maar ook aan de zijde van de rechter, de volgende gedachte ontstaan: Veel van die standpunten leiden tot niets, het zou efficiënt zijn en kosten besparen als die worden ingetrokken. Soms wordt daartoe ook nog de nodige druk uitgeoefend. Vaak worden dan (een aantal) standpunten ingetrokken.

Wat zijn de gevolgen van het intrekken van standpunten?

Over de gevolgen van het intrekken van een standpunt (grief) is de Hoge Raad duidelijk. Als hoofdregel heeft te gelden dat een ingetrokken grief niet wederom in dezelfde instantie of in hogere instantie als nieuw geschilpunt in de rechtsstrijd kan worden toegelaten.

Einde oefening zou je dus denken. Recent heeft de Hoge Raad dit enigszins genuanceerd. Wanneer de wederpartij (Belastingdienst) de rechter uitdrukkelijk en ondubbelzinnig te kennen geeft ermee in te stemmen dat de grief wordt toegelaten, kan de rechter die grief alsnog behandelen. Het (opnieuw ingenomen) standpunt mag dan niet zodanig zijn dat daarmee de goede procesorde geschaad wordt. Dus standpunten die een (zeer) omvangrijk onderzoek vragen worden sowieso niet toegestaan.

Een eenmaal ingetrokken standpunt kan dus alleen opnieuw aan de orde komen als de Belastingdienst daarmee instemt. Bijna onnodig op te merken dat het niet verstandig is afhankelijk te zijn van de Belastingdienst.

De geclaimde efficiency is een non-argument. De Belastingdienst en de rechter zijn zeer bekwaam in het afserveren (‘wegschrijven’) van onzin-standpunten. Het overtuigen tot intrekken kost doorgaans meer tijd.

Conclusie fiscaal jurist bij second opinion

Ondanks dat het fiscale procesrecht tamelijk informeel is, zijn er toch de nodige haken en ogen. Laat u dus altijd bijstaan door een specialist.

En voor het intrekken van eenmaal ingenomen standpunten: niet doen ...... nooit!

Bron

Hoge Raad 4 oktober 2013.

Procederen tegen de belastingdienst [news] 2013-11-14 0000-00-00 0000-00-00 4152

Wetswijzigingen eigenwoningregeling 2022

De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst (een hele mond vol) heeft een brief aan de Tweede Kamer gestuurd waarin wijzigingen in de eigenwoningregeling worden beschreven. Deze wetswijzigingen moeten per 1 januari 2022 in werking treden en zullen onderdeel uitmaken van het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen. Dit wetsvoorstel zal op Prinsjesdag 2021 nader bekend worden gemaakt.

De wetswijzigingen bevinden zich allemaal op het gebied van de partnerrelaties. Zo wordt gekeken naar de bijleenregeling bij partners, aflossingssituaties bij partners en de gevolgen van een overlijden voor de eigenwoningregeling. De staatssecretaris noemt vier onderwerpen:

  • De bijleenregeling;
  • De aflossingsstand;
  • Bestaande eigenwoningschulden;
  • Overlijden.

Wij gaan hierna in op de wijzigingen per onderwerp. Zoals genoemd betreft het in deze fase voorstellen. Voorstellen kunnen in de praktijk nog wijzigen. De voorstellen hangen samen met de wijzigingen in het huwelijksvermogensrecht per 2018.

Wetswijziging bijleenregeling bij partners

De bijleenregeling is sinds 2004 opgenomen in de wet. Met deze regeling wordt de hypotheekrenteaftrek beperkt. Dat werkt als volgt. Indien bij de verkoop van een eigen woning een overwaarde wordt gerealiseerd, dan wordt deze aangemerkt als eigenwoningreserve. Bij de aankoop van een nieuwe woning moet de eigenwoningreserve worden besteed aan de nieuwe woning, althans daar gaat de wet vanuit. Dat betekent dat voor de hoogte van de eigenwoningreserve geen hypotheekrenteaftrek kan worden geclaimd. Een voorbeeld:

Op een woning rust een hypotheekschuld van € 180.000. De woning wordt verkocht voor € 200.000. De overwaarde bedraagt dan € 20.000. Stel dat daarna een woning wordt gekocht voor € 250.000. Voor een bedrag van € 20.000 kan dan geen hypotheekrenteaftrek worden benut. Dat betekent dat de maximale schuld voor de hypotheekrenteaftrek € 230.000 bedraagt en niet € 250.000.

Indien sprake is van partners, dan wordt de bijleenregeling per individu toegepast. Het resultaat is aan de persoon gebonden. Onder voorwaarden is het mogelijk om – bijvoorbeeld bij echtscheiding – de eigenwoningreserve aan de partner toe te delen. Indien sprake is van een huwelijksgemeenschap kan zelfs sprake zijn van een verplichte toerekening van de eigenwoningreserve. Het is op dit gebied waar zich knelpunten voordoen. Uit de toelichting van de staatssecretaris komt het volgende knelpunt naar voren.

Henk heeft een eigenwoningreserve van € 50.000. Henk gaat vervolgens trouwen. Er ontstaat een beperkte gemeenschap voor bezittingen en schulden die tijdens het huwelijk ontstaan of die voor het huwelijk al gezamenlijk waren. Als gevolg van het huwelijk wordt de eigenwoningreserve nu voor de helft toegerekend aan de nieuwe partner, ondanks dat er geen gezamenlijke eigen woning is geweest. Dat is de fiscale uitwerking. Binnen het huwelijksvermogensrecht heeft de nieuwe partner echter totaal geen aanspraak op de helft van dit bedrag. Dat is een verschil tussen belastingrecht en personen- en familierecht. En daar wringt het uiteraard.

De voorgestelde wetswijziging leidt ertoe dat toerekening van de eigenwoningreserve aan de partner nog slechts plaatsvindt indien:

  • Voor het huwelijk al sprake is geweest van een boedelmenging; en
  • Als er een huwelijk in algemene gemeenschap wordt gesloten.

Dit zal zich bijvoorbeeld voordoen als de woning die is verkocht al voor het huwelijk gezamenlijk eigendom was. Toerekening is dan – in de ogen van de wetgever – niet onredelijk.

Een ander knelpunt dat zich bij de bijleenregeling voordoet is het volgende. Bij een gezamenlijke aankoop en financiering kan het zijn dat een schuld niet voor hypotheekrenteaftrek in aanmerking komt, omdat het eigenwoningverleden niet verdeeld kan worden. Momenteel kan dit op basis van goedkeurend beleid overigens wel. Dit goedkeurend beleid zal in de wet worden opgenomen. Er wordt dan gekeken wat de maximale eigenwoningschuld is die de partners mogen aangaan en of er voldoende eigen middelen worden ingezet. Een voorbeeld:

De woning kost € 200.000. De woning wordt gefinancierd met een gezamenlijke lening van € 150.000 en één van de partners heeft een eigenwoningreserve van € 50.000. Op grond van het huidige recht ontstaat nu een knelpunt in de renteaftrek. Hierna spreken wij over partner 1 en partner 2.

Partner 1 is tot de helft van de woning gerechtigd (€ 100.000) en tot de helft van de schuld (€ 75.000). De maximale eigenwoningschuld bedraagt voor partner 1 echter de woningwaarde voor partner 1, verminderd met de eigenwoningreserve. Dat leidt tot een bedrag van € 50.000 (€ 100.000 - € 50.000). Het overige deel van de schuld van partner 1, zijnde € 25.000 (€ 75.000 - € 50.000), komt niet voor renteaftrek in aanmerking.

Partner 2 is op dezelfde wijze tot de woning gerechtigd, maar heeft geen eigenwoningreserve. Voor zijn deel is renteaftrek over € 75.000 mogelijk.

Onderaan de streep vindt – bekeken op gezamenlijk niveau – renteaftrek plaats over € 125.000.

Na de wetswijziging pakt de regeling gunstiger uit. Er wordt dan gekeken naar de maximale hypotheekrenteaftrek voor de partners gezamenlijk en dat is € 200.000 (woningwaarde) minus € 50.000 (eigenwoningreserve). Doordat nu op totaalniveau een beoordeling plaatsvindt, kan renteaftrek plaatsvinden over de volledige € 150.000.

Bovenstaande vormt een welkome wijziging van de wetgeving. In de praktijk zal bij gezamenlijke aankoop en financiering dan rekening worden gehouden – op gezamenlijk niveau – met de maximale eigenwoningschuld en de bijleenregeling.

Wetswijziging aflossingsstand in partnersituaties

De aflossingsstand is van belang om te bepalen of een schuld nog in aanmerking komt voor hypotheekrenteaftrek. Deze stand laat zien hoe op het moment van het aangaan van een eigenwoningschuld, de resterende looptijd en renteaftrektermijn wordt beperkt. Zo een beperking kan bijvoorbeeld plaatsvinden, omdat voor het bedrag van de schuld al een aantal jaar renteaftrek is genoten. De renteaftrek duurt namelijk maximaal dertig jaar. Er ontstaat alleen een aflossingsstand indien er sprake is van een verkoop van een eigen woning. Een eenvoudig voorbeeld bij de aflossingsstand:

Een woning wordt gefinancierd met een schuld van € 200.000. Deze moet in dertig jaar worden afgelost. Na tien jaar wordt de woning verkocht en de schuld bedraagt dan nog € 150.000. Deze € 150.000 wordt als aflossingsstand genoteerd. Indien een nieuwe woning wordt gekocht, dan kan voor een bedrag van € 150.000 nog maximaal twintig jaar renteaftrek worden genoten.

Momenteel wordt de aflossingsstand aan beide partners toegerekend naar rato van de gerechtigdheid tot de huwelijksgemeenschap. Daarbij is niet relevant of er ook een gezamenlijke woning wordt aangekocht. Stel dus dat er een woning is die geen onderdeel is van de huwelijksgemeenschap, dan wordt alsnog de aflossingsstand verdeeld. Dat wordt als onwenselijk gezien. De wetswijziging die nu is voorgesteld maakt dat de aflossingsstand in beginsel blijft toebehoren aan de partner bij wie deze is ontstaan.

De aflossingsstand kan ook voor knelpunten zorgen bij een gezamenlijke aankoop en financiering van een woning. De voorgestelde wijziging komt erop neer dat het wordt toegestaan dat de aflossingsstand gedeeltelijk vervalt als deze feitelijk bezien op gezamenlijk niveau is toegepast. Een wat cryptisch verwoorde bepaling die zich met een voorbeeld goed laat illustreren.

Partner 1 heeft een aflossingsstand van € 100.000. Partner 2 heeft geen aflossingsstand. Vervolgens trouwen partner 1 en partner 2 met elkaar. De aflossingsstand blijft geheel van partner 1. Vervolgens wordt een woning gezamenlijk gekocht en gefinancierd. De woning zal in de huwelijksgemeenschap vallen. De woning kost € 160.000.

Onder het huidige recht is de uitwerking als volgt. Partner 1 is gerechtigd tot de helft van de schuld, zijnde € 80.000. Dat geldt ook voor partner 2. Daarna wordt per leningdeel nog de toerekening verricht. Dat betekent dat partner 1 voor de helft van de schuld (€ 40.000) de aflossingsstand moet benutten. De andere helft komt niet voor benutting van de aflossingsstand in aanmerking en er resteert ook nog eens € 20.000 van de oorspronkelijke aflossingsstand. Partner 1 ziet dus € 40.000 aan lening naar box 3 gaan en blijft zitten met een aflossingsstand van € 60.000.

Onder het nieuwe recht werkt dit eenvoudiger uit. Voor het deel van de schuld dat aan partner 1 toebehoort (€ 80.000) wordt de aflossingsstand benut en voor de andere helft niet. De aflossingsstand is dan voor € 80.000 benut en de laatste € 20.000 blijft staan.

Samengevat komt deze wijziging dus op het volgende neer. De aflossingsstand bij gezamenlijke aankoop en financiering van een eigen woning vindt plaats voor ten minste het bedrag van het aandeel in de schuld van de partner die de aflossingsstand heeft.

Wetswijziging bestaande eigenwoningschulden

Ook voor situaties waarin een bestaande eigenwoningschuld een rol speelt, zal de wet worden veranderd. Een eerste knelpunt doet zich hier voor in oversluitsituaties. Dat zijn situaties waarin in een kalenderjaar de schuld geheel of gedeeltelijk wordt afgelost. Daarbij geldt als voorwaarde dat uiterlijk in het kalenderjaar dat volgt, een nieuwe schuld tot ten hoogste het afgeloste bedrag in verband met de eigen woning wordt afgesloten. Er doet zich echter iets onwenselijks voor op het moment dat sprake is van gezamenlijke aankoop en financiering van een woning met een partner. Een voorbeeld ter illustratie.

Partner 1 heeft een bestaande eigenwoningschuld van € 150.000. De nog lopende termijn is 20 (van de 30) jaar. Er is geen eigenwoningreserve. Partner 1 gaat met Partner 2 samenwonen. Er wordt gezamenlijk een woning gekocht en gefinancierd. Deze woning kost € 200.000. Er wordt een aflossingsvrije lening afgesloten van € 150.000 en voor het restant van € 50.000 een annuïtaire lening.

Partner 1 en 2 zijn ieder gerecht tot € 100.000 van de woningwaarde en ook tot de helft van de beide schulden. De schuld van partner 1 is volledig aan te merken als bestaande eigenwoningschuld, aangezien de helft van de totale schuld minder bedraagt dan de bestaande eigenwoningschuld. Dat geldt niet voor partner 2, want die heeft geen bestaande eigenwoningschuld en kan daardoor het aflossingsvrije deel onder de regeling bestaande eigenwoningschulden niet in box 1 houden. Een aflossingsvrije lening kwalificeert immers niet als eigenwoningschuld voor de hypotheekrenteaftrek.

Onder de nieuwe regeling kan in bovenstaande situatie de bestaande eigenwoningschuld worden ingezet door de partners gezamenlijk en naar rato van het aandeel in de schuld. Dit verandert de afloop van het bovenstaande voorbeeld als volgt.

De bestaande eigenwoningschuld van partner 1 kan nu door beide partners gezamenlijk worden ingezet naar rato van het aandeel in de schuld. Partner 1 en 2 kunnen dan ieder voor maximaal 50% van de bestaande eigenwoningschuld het overgangsrecht benutten. De bestaande eigenwoningschuld bedroeg € 150.000. De gezamenlijke aflossingsvrije lening bedraagt eveneens € 150.000. Partner 1 en 2 kunnen hiervan beiden hun deel van € 75.000 als bestaande eigenwoningschuld aanmerken. Dat leidt ertoe dat de gehele aflossingsvrije lening voor renteaftrek in aanmerking komt. Dan resteert het annuïtaire deel van € 50.000, doch annuïtaire leningen vallen in beginsel al onder de renteaftrek, mits uiteraard aan de overige voorwaarden is voldaan. In tegenstelling tot onder het voorbeeld naar huidig recht, houdt dus ook partner 2 zijn aflossingsvrije leningdeel in box 1.

Bovenstaande leidt ertoe dat er meer hypotheekrenteaftrek mogelijk is. Zeker met de huidige rentepercentages is het niet altijd gegeven dat hypotheekrenteaftrek in box 1 de meest optimale situatie is. Er zijn belastingplichtigen die er de voorkeur aan geven om deze schulden in box 3 te hebben. Voor deze categorie belastingplichtigen is het goed om te weten dat de staatssecretaris heeft aangekondigd dat het een ‘kan-bepaling’ betreft. Dat betekent dat het niet verplicht is van deze mogelijkheid gebruik te maken. Indien geen gebruik wordt gemaakt van deze bepaling, blijft de uitwerking ten opzichte van het oude recht ongewijzigd.

In samenhang met bovenstaande wijzigt ook de regel die geldt indien tijdens de periode van het oversluiten boedelmenging plaatsvindt. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij het aangaan van een huwelijk in algehele gemeenschap van goederen. Nu is het zo dat een overgesloten bestaande eigenwoningschuld, indien het een gezamenlijke lening betreft, naar rato wordt verdeeld over de partners. Hier komt een kan-bepaling voor in de plaats. Deze verdeling is dus niet langer verplicht.

Wetswijzigingen overlijden en eigen woning

Een gebeurtenis die in de praktijk voor veel vraagtekens zorgt, is het overlijden en de gevolgen hiervan voor de eigenwoningregeling. Een groot deel van de onduidelijkheid komt omdat voor veel mensen niet duidelijk is of overlijden nu leidt tot een vervreemding of juist niet.

Onder het huidige recht is het vervreemdingsbegrip uitgebreid gedefinieerd. Van een vervreemding is sprake als er iets gebeurt waardoor de eigen woning voor de belastingplichtige geen eigen woning meer is. Bij overlijden is dat ontegenzeggelijk het geval. Daarnaast is in de wet opgenomen dat bij vervreemding / verwerving van de woning krachtens erfrecht tussen partners geen sprake is van een vervreemding / verwerving. Het gevolg is dat bij overlijden de eigenwoningreserve en de aflossingsstand kunnen overgaan op de langstlevende partner, maar dit is afhankelijk van diverse omstandigheden / randvoorwaarden. Dat maakt de regeling complex.

Met betrekking tot de gevolgen bij overlijden wordt het vervreemdingsbegrip onder de nieuwe regels aangepast. Hierdoor is bij overlijden altijd sprake van een vervreemding van de eigen woning. Tevens wordt opgenomen dat de verwerving krachtens erfrecht niet een verwerving in de zin van de eigenwoningregeling is. Dat heeft voor de praktijk de volgende gevolgen, waarbij wij tevens ingaan op hoe de regeling nu werkt.

Wetswijziging overlijden en bijleenregeling

Het kan zijn dat er al een eigenwoningreserve is of dat deze bij overlijden ontstaat. Dit laatste doet zich voor bij overlijden, tenzij de woning krachtens erfrecht overgaat op de partner. Dat is de uitwerking onder huidig recht. Het wel of niet overgaan van de eigenwoningreserve is daarmee dus afhankelijk van de vraag of er sprake is van een vervreemding bij overlijden en staat geheel los van de economische werkelijkheid met betrekking tot de woning en de gerechtigdheid hiertoe. Dit gaat de wetgever veranderen.

Onder het nieuwe recht is bij overlijden per definitie sprake van een vervreemding. Er ontstaat dan een eigenwoningreserve. Deze komt naast een eventuele eigenwoningreserve die de overledene al heeft. De eigenwoningreserve is per 1 januari 2022 echter weer strikt gebonden aan de belastingplichtige. Als gevolg van overlijden komt de eigenwoningreserve dan te vervallen. Deze gaat nooit over naar de langstlevende partner.

Wetswijziging overlijden en aflossingsstand

Bij overlijden kan van twee situaties sprake zijn. Ten eerste kan het zo zijn dat er al een aflossingsstand is. Ten tweede kan het overlijden leiden tot een aflossingsstand. Bij overlijden gaat de aflossingsstand over op de partner. Afhankelijk van de vraag of sprake is van een vervreemding, gaat alleen de bestaande aflossingsstand over of ook de aflossingsstand die ontstaat bij overlijden. Zoals eerder aangegeven is dat onder het huidige recht afhankelijk van het antwoord op de vraag of de woning krachtens erfrecht tussen partners op de partner overgaat. Het overgaan van de aflossingsstand vindt dus plaats zonder dat wordt gekeken naar de betrokkenheid van de partner bij de schulden die tot de aflossingsstand hebben geleid. Dit acht de wetgever ongewenst.

Onder het nieuwe recht is bij overlijden per definitie sprake van een vervreemding. Er zal dan een aflossingsstand ontstaan en die komt na een eventueel al bestaande aflossingsstand. Deze aflossingsstand zal echter wordt gekoppeld aan de persoon van de belastingplichtige. Dat leidt ertoe dat bij overlijden de aflossingsstand komt te vervallen en nooit overgaat naar de partner.

Wetswijziging overlijden en aflossingsschema / aftrektermijn

Bij het overlijden van de belastingplichtige gaat het aflossingsschema over op de partner die de eigenwoningschuld verkrijgt. Dit zal met de nieuwe wetgeving niet veranderen. Dus: indien een eigenwoningschuld bij overlijden overgaat op de partner, gaat ook het aflossingsschema van de schuld over op de partner.

Met betrekking tot de renteaftrektermijn geldt dat deze eveneens overgaat op de partner. Dit leidt ertoe dat de bewoning kan worden voorgezet zonder fiscale beperkingen. Die regeling blijft overeind. Er komt echter wel een uitbreiding in de vorm van een kan-bepaling. Deze bepaling is ontleend aan een bepaling die reeds onderdeel uitmaakt van de wetgeving. Op grond van deze bepaling kan de langstlevende partner ervoor kiezen om de ruimte voor een bestaande eigenwoningschuld van de overledene te benutten. Dit is niet verplicht. Dit zal zich voordoen indien de langstlevende binnen de oversluittermijn een nieuwe lening aangaat.

Advisering eigen woning en fiscaliteit

De eigenwoningregeling laat zich op hoofdlijnen makkelijk uitleggen en de hypotheekrenteaftrek is een zeer bekende fiscale faciliteit. Uit bovenstaande komt echter ook naar voren dat er in de praktijk knelpunten ontstaan. Deze knelpunten worden vaak met ingewikkelde regelgeving en gedetailleerde uitzonderingen gerepareerd. Voor de praktijk wellicht interessant, maar het maakt wet- en regelgeving (onnodig) complex en dat werkt frustrerend. Het zou toch beter zijn als een huis kan worden gekocht of een nalatenschap kan worden afgewikkeld, zonder dat tegen ingewikkelde, fiscale verplichtingen wordt aangelopen.

Hebt u problemen met de eigen woning of zit u in een situatie waarin de gevolgen voor u onduidelijk zijn? Neem dan gerust eens contact op met één van onderstaande adviseurs om vrijblijvend over uw situatie te spreken.

Wetswijzigingen eigenwoningregeling 2022 [news] 7205

Fiscale procedure over de hypotheekrenteaftrek

De rente op een zogenaamde eigenwoningschuld, behoort tot de aftrekbare kosten in de inkomstenbelasting. Dit wordt ook wel de hypotheekrenteaftrek genoemd. Niet iedere schuld die iets met de eigen woning te maken heeft is echter een eigenwoningschuld. Aan de volgende voorwaarden moet zijn voldaan om van een eigenwoningschuld te kunnen spreken:

  1. De schuld is aangegaan in verband met een eigen woning;
  2. Er is een contractuele verplichting om de schuld af te lossen in ten hoogste 30 jaar;
  3. Er is een contractuele verplichting om de aflossing ten minste annuïtair te laten verlopen;
  4. Aan de aflossingsverplichting wordt voldaan;
  5. Indien de schuld is aan bij een zogenaamde niet-aangewezen-administratieplichtige, moet zijn voldaan aan de informatieverstrekkingseis.

De mogelijkheid om de hypotheekrente af te trekken is niet onomstreden. Steeds vaker komt de discussie terug of niet sprake is van een onnodige subsidie op het bezit van de eigen woning. Gezaghebbende partijen zoals de DNB en het IMF pleiten voor een forse stelselwijziging, bijvoorbeeld door de eigen woning over te hevelen naar box 3. De voornaamste vraag daarbij lijkt te zijn welke politieke partij het aandurft om dit voorstel ook daadwerkelijk in te dienen.

Hebt u vragen over de hypotheekrenteaftrek of een fiscale procedure? Neem dan gerust rechtstreeks contact op met één van de auteurs onderaan deze pagina

Geschillen over de hypotheekrenteaftrek

De regeling over de hypotheekrenteaftrek lijkt eenvoudig en is dat in de meeste situaties ook. Echter, met enige regelmaat ontstaat tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst toch discussie over de aftrekbaarheid van bepaalde renten. Zo deed de Rechtbank Noord-Nederland op 6 augustus 2021 uitspraak in een zaak waarin de volgende geschilpunten op tafel lagen:

  • Mocht de Belastingdienst de hypotheekrenteaftrek weigeren?
  • Is er sprake van gerechtvaardigd vertrouwen op basis van informatie van de adviseur van de belastingplichtige?
  • Is er sprake van gerechtvaardigd vertrouwen op basis van informatie die op de website van de Belastingdienst staat?
  • Zijn de vergrijpboeten terecht opgelegd?

Hierna beschrijf ik eerst wat er in deze zaak precies aan de hand was. Daarna geef ik het oordeel van de rechtbank weer over bovenstaande geschilpunten.

Feiten bij geschillen over hypotheekrenteaftrek

De broer van de belastingplichtige heeft een woning gebouwd. De belastingplichtige huurt deze woning eerst van de broer en later van de dochter van de belastingplichtige. Van eigendom is aan de zijde van de belastingplichtige nooit sprake geweest; ook is geen sprake geweest van een recht van vruchtgebruik. Het betreft een duidelijke huurconstructie. In 2004 komt de dochter, waar de woning van wordt gehuurd, ook in de woning wonen. Daarna vinden een aantal verbouwingen plaats die er uiteindelijk toe leiden dat op het perceel een zelfstandige woning staat die de dochter gaat bewonen. Deze zelfstandige woning heeft geen eigen huisnummer.

De verbouwing wordt gefinancierd door de dochter. Zij gaat hiervoor een hypothecaire geldlening aan. De belastingplichtige staat borg en tekent een ontruimingsclausule. De dochter betaalt de rente op de geldlening. Dit gaat door tot 2009. Dan verhuist de dochter en gaat de andere dochter van belastingplichtige in de zelfstandige woning wonen. De rente wordt dan nog steeds betaald door de dochter die ondertussen is verhuisd.

In 2013 wendt de belastingplichtige zich online tot een gratis adviseur. Hij schetst het feitencomplex en geeft aan dat de woning eigendom is van dochter en dat de hypotheek op naam staat van hem, de dochter en zijn vrouw (die in 2019 overlijdt). De adviseur geeft aan dat de rente mag worden afgetrokken. Het administratiekantoor dat de belastingaangiften doet heeft twijfels over de juistheid van handelen. Echter, op basis van het antwoord van de adviseur gaat het kantoor toch over tot het in aftrek brengen van de hypotheekrente.

De Belastingdienst bekijkt de zaak en spreekt in februari 2017 met het administratiekantoor dat de belastingaangiften doet. Het administratiekantoor verstrekt de stukken en verwijst naar het antwoord dat is verkregen van de gratis adviseur. Naar aanleiding van deze bespreking en vermoedelijk wat nader onderzoek, kondigt de Belastingdienst in februari 2018 aan over te willen gaan tot het opleggen van navorderingsaanslagen. Reden: ten onrechte is de hypotheekrenteaftrek toegepast. In april 2018 geeft de Belastingdienst vervolgens aan ook over te gaan tot boeteoplegging. Het voornemen is om vergrijpboetes op te leggen van 50%. Dat betekent ook dat de Belastingdienst van mening is dat sprake is van opzet of grove schuld.

Op 28 juli 2018 volgen uiteindelijk de navorderingsaanslagen over 2012, 2014 en 2015.

Is de hypotheekrenteaftrek hier terecht geweigerd?

De rechtbank beschrijft eerst wanneer sprake is van een woning die als eigen woning kwalificeert. Het gaat dan niet alleen om de woning die de belastingplichtige in eigendom heeft. Van een eigen woning is ook sprake indien de woning ter beschikking staat op grond van een recht van vruchtgebruik, recht van bewoning of een recht van gebruik dat krachtens erfrecht is ontstaan. Een aanvullende voorwaarde is steeds dat de voordelen uit de woning voor de belastingplichtige zijn, maar dat ook de kosten op hem (of zijn partner) drukken. De eigenwoningregeling is daarmee breder dan belastingplichtigen in de praktijk – zo valt ons regelmatig op – denken.

In deze zaak is sprake van een woning die in eigendom is van de dochter. Van vruchtgebruik, bewoning of gebruik krachtens erfrecht is naar het oordeel van de rechtbank eveneens geen sprake. De belastingplichtige (en destijds zijn partner) kwalificeren als huurders van de woning. Dat betekent dat voor de belastingplichtige geen sprake is van een eigen woning in de zin van de wet op de inkomstenbelasting 2001. Dat betekent eveneens dat geen sprake kan zijn van hypotheekrenteaftrek; zonder eigen woning immers geen eigenwoningschuld.

Is hypotheekrenteaftrek mogelijk wegens vertrouwen op adviseur?

De belastingplichtige is van mening dat – ondanks dat het wettelijk gezien niet mogelijk is – de hypotheekrenteaftrek niet gecorrigeerd kan worden. Hij heeft naar eer en geweten gehandeld op grond van het advies van de gratis adviseur en het administratiekantoor heeft de hypotheekrenteaftrek ook in de aangifte opgenomen. Daar moet hij als belastingplichtige op kunnen vertrouwen. De Belastingdienst is het hiermee oneens.

De rechtbank geeft aan dat een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen mogelijk is indien het uitlatingen betreft van de zijde van de overheid. Het vertrouwensbeginsel werkt niet door naar uitlatingen van adviseurs en / of administratiekantoren. Deze uitlatingen kunnen (uiteraard) ook niet aan de Belastingdienst worden toegerekend. Het beroep op het vertrouwensbeginsel in verband met de uitlatingen van de gratis adviseur en het handelen van het administratiekantoor faalt daarmee.

Is hypotheekrenteaftrek mogelijk wegens vertrouwen op website Belastingdienst?

De belastingplichtige heeft een uitdraai gemaakt van de website van de Belastingdienst. Het gaat om de pagina(‘s) met informatie over de hypotheekrenteaftrek. Op deze pagina staat dat de hypotheekrenteaftrek maximaal 30 jaar aftrekbaar is in box 1. Deze informatie wekt volgens de belastingplichtige het vertrouwen op dat rente op een hypothecaire schuld voor de woning aftrekbaar is. De Belastingdienst bestrijdt dit standpunt en geeft aan dat het zeer algemene informatie betreft die ook nog eens onderdeel is van een breder scala aan informatie over dit onderwerp. Voorts kan – volgens de Belastingdienst – geen vertrouwen worden ontleend aan dergelijke algemene informatie. Ook niet als deze op de website van de Belastingdienst is opgenomen.

Voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel moet sprake zijn van een toezegging van de zijde van de overheid (de Belastingdienst in deze) of een andere uitlating / gedraging. Uit de toezegging / uitlating / gedraging moet de belastingplichtige redelijkerwijs mogen afleiden of, en zo ja hoe de Belastingdienst zijn bevoegdheden in zijn situatie zal uitoefenen. Deze regel volgt uit vaste rechtspraak.

In dit geval heeft de belastingplichtige niet aan de bewijslast voldaan dat van zo’n toezegging / uitlating / gedraging sprake is. De informatie op de website van de Belastingdienst heeft te maken met de periode waarover de renteaftrek mogelijk is. Dat zegt echter niets over de vraag of sprake is van een eigen woning of van een schuld met betrekking tot die eigen woning. Daarom faalt ook dit beroep op het vertrouwensbeginsel.

Terechte vergrijpboete bij foutief gebruik hypotheekrenteaftrek?

De Belastingdienst heeft vergrijpboeten opgelegd. Bij het opleggen van zo’n boete rust de bewijslast op de Belastingdienst. Alleen laten zien dat ten onrechte de hypotheekrenteaftrek is gebruikt, is onvoldoende. Een vergrijpboete vereist namelijk opzet of grove schuld aan de zijde van de belastingplichtige. Indien de belastingplichtige gebruik heeft gemaakt van een adviseur, dan is de vraag of hij deze adviseur voldoende deskundig mocht achten. De adviseur bij wie niet aan een goede / zorgvuldige taakuitoefening getwijfeld hoeft te worden, hoeft de belastingplichtige niet steeds te controleren. Van opzet / grove schuld zal dan minder snel sprake zijn.

De ondergrens om opzet aan te nemen ligt bij de zogenaamde voorwaardelijke opzet. Daarvan is sprake als de belastingplichtige willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardt dat een bepaald gevolg – in dit geval het ten onrechte gebruikmaken van een fiscale faciliteit – optreedt. Van grove schuld is sprake indien de belastingplichtige zo onachtzaam handelt, dat dit aan opzet grenst. Ook hier geldt dat het aan de Belastingdienst is om het bewijs te leveren. In de zaak van deze belastingplichtige meent de Belastingdienst dat sprake is van opzet of voorwaardelijke opzet.

De Belastingdienst komt tot deze mening omdat de belastingplichtige eerst te horen kreeg dat iets niet kon en toen op zoek is gegaan naar iemand die wilde zeggen dat het wel kon. Dat bleek uiteindelijk de gratis adviseur te zijn. Daarnaast heeft de belastingplichtige volgens de Belastingdienst onvoldoende openheid van zaken gegeven. Daarmee is door de belastingplichtige bewust de aanmerkelijke kans op een te lage aanslag aanvaard. De boete van 50% is daarmee – volgens de Belastingdienst – terecht.

De belastingplichtige is het daarmee oneens. Hij heeft inderdaad gezocht naar manieren om de rente af te trekken, maar meent dat hij daarbij mag vertrouwen op het advies van anderen. Daarnaast heeft hij niet zelf de belastingaangifte gedaan, maar heeft het administratiekantoor dit voor zijn rekening genomen.

De rechtbank oordeelt dat het administratiekantoor al jaren de aangiften doet. Daarbij is tot het moment dat de gratis adviseur zijn advies had gegeven de hypotheekrenteaftrek nooit benut. Het administratiekantoor heeft er in eerste instantie ook op gewezen dat de rente niet afgetrokken kon worden, maar is overstag gegaan op verzoek van de belastingplichtige en nadat de belastingplichtige advies had ingewonnen. De rechtbank kijkt daarom ook naar de totstandkoming van het advies. Daarbij wordt vastgesteld dat het verkregen advies gebaseerd is op informatie die de belastingplichtige heeft aangeleverd en deze informatie is onjuist. De belastingplichtige gaf namelijk aan dat sprake was van vruchtgebruik terwijl, zo oordeelde de rechtbank, sprake is van een huursituatie. Ook is het niet belastingplichtige zelf die de rente betaalt.

Het bewust verstrekken van onjuiste informatie aan de gratis adviseur en het administratiekantoor rechtvaardigt het oordeel dat de belastingplichtige bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op een te lage aanslag. Het argument dat de aangifte niet zelf is ingediend biedt dan onvoldoende bescherming tegen de vergrijpboete. De regel dat vertrouwd mag worden op een kundig adviseur gaat namelijk niet op als niet alle voor de aangifte relevante informatie is verstrekt. De vergrijpboeten zijn terecht opgelegd. De hoogte van de boete (50%) is passend en geboden. Toch worden de boeten gematigd. Dat komt omdat de redelijke termijn voor het afdoen van de boete zaak is overschreden.

Uitspraak in geschil hypotheekrenteaftrek

De rechtbank laat de navorderingsaanslag intact en dat geldt ook voor de vergrijpboeten. Deze worden wegens termijnoverschrijding wel gematigd. De proceskosten worden niet vergoed.

De uitspraak: ECLI:NL:RBNNE:2021:3392.

Fiscale procedures en hypotheekrenteaftrek

De hypotheekrenteaftrek is in opzet relatief eenvoudig, maar zorgt in de praktijk regelmatig voor hoofdbrekens. Dat komt ook door de ingewikkelde regelingen die samenhangen met de hypotheekrenteaftrek, zoals de bijleenregeling. Niet zelden leidt dit jaren na dato tot navorderingsaanslagen en meningsverschillen met de Belastingdienst. In veel gevallen kan door een second opinion van een fiscaal deskundige de zaak worden beslecht. Soms is de navorderingsaanslag helaas terecht en soms heeft de Belastingdienst het bij het verkeerde eind. Een inschatting van de procedurekansen op basis van een second opinion is, zeker in dit soort dossiers, sterk aan te raden.

Hebt u behoefte aan een second opinion op een dossier over de hypotheekrenteaftrek? Of op een dossier dat over een geheel ander fiscaal onderwerp gaat? Neem dan gerust rechtstreeks contact op met één van onderstaande auteurs. Wij geven graag vrijblijvend aan wat wij voor u kunnen betekenen.

Geschil hypotheekrenteaftrek [news] 7177

Ne bis in idem beginsel in belastingzaken

Samenloop strafrecht en fiscale boete 

Als iemand in een strafzaak of het daaraan voorafgaande strafrechtelijk onderzoek verdacht wordt van belastingfraude, dan moet hij er goed op bedacht zijn dat hij niet alleen te maken heeft met het strafrecht, maar ook met het belastingrecht. In dit soort zaken kunnen strafrecht en belastingrecht op diverse manieren verband met elkaar houden. Uit het oogpunt van een goede verdediging is het cruciaal om acht te slaan op de diverse verbanden tussen beide rechtsgebieden.

Als een belastingplichtige voor hetzelfde feitencomplex wordt beboet door de Belastingdienst en ook strafrechtelijk wordt vervolgd door het Openbaar Ministerie (OM), schuurt er iets. U wordt dan twee keer bestraft, dit is binnen het Nederlandse rechtssysteem niet toegestaan. Het ne bis in idem beginsel en het una via beginsel (5:44 AWB / artikel 243 wetboek van Strafvordering) willen namelijk het dubbel straffen van dezelfde persoon voor hetzelfde feit voorkomen.

Aanpak fiscale fraude in Nederland

De Belastingdienst, de FIOD en het Openbaar Ministerie zitten regelmatig om de tafel om fiscale zaken te bespreken. Er moet bij een vervolging een keuze worden gemaakt. Wordt de belastingplichtige aangepakt door de Belastingdienst, door het OM of door beide? In dit artikel een zaak waarbij een relatief kleine zaak via het OM wordt aangepakt, maar waarbij de computers van de Belastingdienst ervoor zorgen dat het strafrecht niet in beeld mag komen.

Verzuimboete en strafvervolging

Henk is eigenaar van een eenmanszaak, maar voldoet al jaren de btw niet tijdig. Er worden naheffingsaanslagen met verzuimboeten opgelegd, deze worden ook niet tijdig voldaan. Henk wordt vervolgens strafrechtelijk vervolgd door het OM. Henk is onderdeel van het zogenaamde paperclip project, waarbij ook kleinere ondernemers worden aangepakt via de strafrechtelijke route. Er wordt door de rechtbank een taakstraf van 120 uur opgelegd (met proeftijd van 2 jaar). Henk gaat succesvol in beroep bij het Gerechtshof. Het Gerechtshof (ECLI:NL:GHSHE:2021:1168) stelt vast dat er eerst een verzuimboete is opgelegd door de Belastingdienst. Deze verzuimboetes (artikel 67c AWR) zijn voor exact hetzelfde feit opgelegd (dat is vaak het kern-issue). Door de verzuimboete is een strafrechtelijke route niet meer mogelijk. Het Gerechtshof vernietigde het vonnis van de Rechtbank en verklaart het OM niet ontvankelijk in de strafvervolging.

Noot fiscaal jurist inzake samenloop boete en strafvervolging

Het ne bis in idem beginsel is al erg oud, maar zeker nog niet stoffig. De rechter moet zorgvuldig beoordelen of het om dezelfde feiten gaat, vaak wordt hierin een beetje geschoven door het OM / de Belastingdienst. De rechter pakt dan zijn stofkam en kijkt naar het volgende:

  • Alle feiten moeten helder zijn;
  • De gedragingen van de verdachte worden beoordeeld;
  • De schuldgraad wordt onder de loep genomen;
  • De rechtsnormen en strafmaxima worden bekeken.

In dit geval wordt Henk vervolgd voor het niet tijdig betalen van de btw, hiervoor heeft Henk ook al een verzuimboete gekregen (artikel 69a AWR). De Hoge Raad heeft hier ook al eens naar gekeken (Hoge Raad 6 oktober 2015 ECLI:NL:HR:2015:2978).

Het Gerechtshof geeft het OM ook nog even een tik over de vingers. Henk kon de btw niet betalen en heeft dit ook laten weten aan de Belastingdienst. De Belastingdienst stelt: "Dat zal wel, maar u moet dit melden via speciale formulieren, dat is niet gebeurd, pech." De rechter is hierover heerlijk helder :

  • Uit het procesdossier kan worden afgeleid dat aan de strafvervolging de gedachte ten grondslag ligt dat een verzoek om uitstel van betaling alleen schriftelijk kon worden gedaan en alleen via de website van Belastingdienst te vinden formulieren en dat de betalingsonmacht had moeten worden gemeld. Alleen voor lichamen kan een melding van betalingsonmacht worden gedaan en dit moet sinds 4 juli 2010 schriftelijk. Zelfs voor deze schriftelijke melding van betalingsonmacht voor lichamen geldt, dat deze niet alleen kan geschieden door gebruik te maken van de door Belastingdienst op de website geplaatste formulieren, maar dat het begrip ‘schriftelijk’ overigens ruim kan worden uitgelegd. Het veronderstelt iedere weergave van schrifttekens ongeacht wat de drager van die tekens is. Een verzoek om uitstel van betaling voor een éénmanszaak, zoals die van de verdachte, is vormvrij.

Dus ook al was de strafvervolging rechtens, dan nog zou deze in de prullenbak kunnen. De verdachte "vangen" op een formaliteit terwijl de menselijke maat ook moet meespelen is niet gewenst. Henk heeft tijdig aangegeven niet te kunnen betalen, dan moet je als overheid niet roepen: "Verkeerde formulier, dus pech."

Als laatste tip, de Belastingdienst heeft een app om uw btw-aangifte niet te vergeten. Download de btw-alert-app, zodat u tijdig uw aangifte gaat indienen.

Ne bis in idem belastingzaken [news] 7201

Verhoor FIOD

Wij zijn regelmatig betrokken bij verhoren van de FIOD en / of onderzoeken. In dit kader schrijven wij hierbij een praktisch artikel voor mensen die door de FIOD worden verhoord. Strikt formeel moet een advocaat mee na een verhoor en wordt een fiscaal jurist (geen advocaat) niet toegelaten. De kosten voor de adviseur zijn voor uw eigen rekening en deze zal de FIOD niet betalen.

Inleiding verhoor FIOD

De werknemers van de FIOD verstaan hun vak goed. Bij een FIOD verhoor moet u zich goed voorbereiden en het geniet de voorkeur om een ervaren advocaat mee te nemen. In sommige gevallen staat de FIOD toe dat uw accountant / fiscaal jurist (niet advocaat) meegaat, overleg dit voordien. In dit artikel een aantal tips voor een FIOD verhoor.

Getuige bij een FIOD verhoor

Meestal worden mensen die door de FIOD worden verhoord aangemerkt als verdachte. U bent niet verplicht om vragen van de FIOD ambtenaar te beantwoorden, dit geldt ook als u (slechts) getuige bent. Een getuige hoeft alleen maar vragen te beantwoorden die door een rechter worden gesteld (na dagvaarding). Zelfs hoeft een getuige niks tegen een rechter te zeggen als het om zijn familie gaat.

Verdachte bij een FIOD verhoor

Een verdachte hoeft niks te zeggen. Gevolg is dan meestal wel dat u een paar dagen wordt opgesloten en / of dat hiermee wordt gedreigd. Een verdachte heeft dus nooit spreekplicht. Dit zal u ook voor het verhoor mondeling of schriftelijk worden medegedeeld. Het geheel zwijgen helpt meestal niet echt, het is vaak beter om tijdelijk te zwijgen totdat u uw advocaat / adviseur heeft gesproken en / of de feiten redelijk strak op uw netvlies heeft. U kunt gegeven verklaringen niet meer terugtrekken, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden.

Praktische tips bij een FIOD verhoor:

  1. Neem uw paspoort en eventueel de oproepingsbrief mee.
  2. Vraag om de namen en legitimatie (en functies) van de FIOD ambtenaren die bij uw verhoor aanwezig zijn.
  3. Het is verstandig dat een getuige (beter nog 2) bij uw gesprek aanwezig zijn.
  4. Vraag of u getuige of verdachte bent.
  5. De FIOD ambtenaar heeft soms maanden onderzoek gedaan een weet nog niet alles, daarom vragen ze u om bevestiging. Het zijn professionals, wees hier attent op.
  6. Vraag een afschrift van het proces-verbaal (men is niet verplicht dit te geven), dus het gespreksverslag, en geef voordien aan dat, als er zaken worden opgeschreven, er na elke vraag / antwoord een overzicht wordt gegeven (dus wat was de vraag en wat heeft men als antwoord opgeschreven). Let op kleine details en een juiste vastlegging. Het is zelfs het beste dat u de vraag en uw antwoord zelf leest, dit voorkomt onduidelijkheden en gezeur achteraf.
  7. Maak zelf aantekeningen van de vragen en uw antwoorden.
  8. Zorg ervoor dat uw kamer en uw bureau zo leeg mogelijk zijn. Doe ook uw computer uit.
  9. Overweeg of u een advocaat bij gesprek het wenst (kan zowel als u getuige of verdachte bent). Meestal is dit verstandig.
  10. Bent u verdachte, dan heeft u recht op een advocaat bij een gesprek met de FIOD, doe dit ! Beroep u op uw zwijgrecht.
  11. Vraag (tot in detail) naar hetgeen waarvan u wordt verdacht en de gronden voor de verdenking. Schrijf dit zorgvuldig op.
  12. Wees zorgvuldig met de beantwoording en beperk u tot feiten of wetenschap (en doe het kort en zeg niks teveel). Vraag om de 10 minuten wat er is opgeschreven zodat uw antwoorden ook netjes en volledig worden genoteerd.
  13. Zeg nooit iets dat u niet zeker weet of laat dit in uw verklaring glashelder opschrijven. Geef niet uw mening en geef zeker geen veronderstellingen. Het is ook niet verstandig om feiten, vragen of gebeurtenissen te interpreteren.
  14. Als u bescheiden worden getoond en aan u worden uitgelegd wees dan voorzichtig en trek niet zomaar conclusies. Beperk uw antwoorden.
  15. Laat u niet beïnvloeden door de FIOD ambtenaar en de wijze waarop vragen worden gesteld. Beperk u tot feiten en laat u niet meeslepen in veronderstellingen. Laat u ook geen woorden in de mond leggen: "het zal wel zo en zo zijn geweest."
  16. Beantwoord kort en bondig alleen de gestelde vraag. Dus geen ongevraagde antwoorden, veronderstellingen of mogelijke opties.
  17. Als een vraag niet duidelijk is, vraag dan om een toelichting.
  18. Als er geen vraag wordt gesteld maar een opmerking wordt gemaakt, zeg dan niks.
  19. Let op de factor tijd (veelal gaat het om gebeurtenissen van enkele jaren geleden) en de tijdlijn. Let erop dat u hier een voorbehoud op maakt: "weet niet meer hoelang geleden dit is." Let er ook op dat u aangeeft of u de feiten op dat moment wist of dit later te weten bent gekomen.
  20. Maak een duidelijk onderscheid tussen feiten die u zelf weet en feiten welke u heeft gehoord of gelezen.
  21. Als uw antwoorden niet duidelijk in het proces-verbaal staan, zet dit er dan bij (dus dit is geen juiste of volledige weergave).
  22. Zorg ervoor dat de aanwezigen en het tijdstip van het verhoor zorgvuldig in het proces-verbaal staan (dus begin- en eindtijd en de locatie).
  23. Maak zelf notities en schrijf op als u dingen opvalt en / of er onrechtmatigheden plaatsvinden en / of mensen de ruimte verlaten en / of tijdens het verhoor de ruimte binnen komen.

FIOD verhoor [news] 2017-11-16 0000-00-00 0000-00-00 5225

Rechtspraak FIOD

In dit onderdeel een beschrijving van diverse FIOD onderzoeken en procedures

2018-03-13 0000-00-00 0000-00-00 5283
Samenloop strafrecht en belastingrecht [news] 2014-03-07

Samenloop tussen strafrecht en belastingrecht bij verdenking belastingfraude

Als iemand in een strafzaak of het daaraan voorafgaande strafrechtelijk onderzoek verdacht wordt van belastingfraude, dan moet hij er goed op bedacht zijn dat hij niet alleen te maken heeft met het strafrecht, maar ook met het belastingrecht. In dit soort zaken kunnen strafrecht en belastingrecht op diverse manieren verband met elkaar houden. Uit het oogpunt van een goede verdediging is het cruciaal om acht te slaan op de diverse verbanden tussen beide rechtsgebieden.

Belang belastingrecht voor strafzaak

Eén verband spreekt voor zich: Als het Openbaar Ministerie en de FIOD-ECD (de ‘belastingpolitie’) niet kunnen bewijzen dat de verdachte belastingwetgeving heeft overtreden, dan zullen zij er niet in slagen om hem strafrechtelijk veroordeeld te krijgen voor belastingfraude. Bij het leveren van dit bewijs spelen verklaringen van belastingambtenaren een belangrijke rol. Hun visie is echter niet altijd de juiste.

In dit soort fiscale strafzaken wordt voorts altijd een zogenaamde nadeelberekening ingebracht. Daarin wordt door de Belastingdienst becijferd hoeveel belasting de overheid zou hebben misgelopen. In het geval van een veroordeling neemt de rechter die berekening mee bij de bepaling van de hoogte van de straf. Deze berekening is soms veel te hoog.

Een advocaat die een verdachte van belastingfraude verdedigt, zal dus niet alleen moeten kijken naar puur strafrechtelijke verdedigingsmogelijkheden, maar ook naar fiscaaltechnische verdedigingsmogelijkheden.

Twee elkaar beïnvloedende trajecten

Een ander belangrijk verband tussen strafrecht en belastingrecht is dat, als iemand belastingfraude heeft gepleegd, er in de regel ook te weinig belasting zal zijn betaald. Bij ontdekking zal de overheid dan niet alleen willen straffen, maar ook de te weinig betaalde belasting alsnog willen incasseren, door het opleggen van navorderings- of naheffingsaanslagen. Bestraffing en navordering / naheffing zijn twee aparte trajecten, met eigen regels en – als het daartoe komt – een eigen rechtsgang.

Het is belangrijk om zich te realiseren dat wat in het ene traject gebeurt, ook in het andere van belang kan zijn. Informatie die men verstrekt in het strafrechtelijke traject, kan bijvoorbeeld gevolgen hebben voor het fiscale traject over de navordering / naheffing en andersom. Complicerend daarbij is dat iemand soms geen informatie hoeft te verstrekken in het strafrechtelijke traject, maar in het fiscale traject wel. Gebruik van in het fiscale traject verkregen informatie mag niet altijd worden gebruikt in het strafrechtelijke traject. De daarvoor geldende regels worden niet altijd goed nageleefd door de overheid. Het is dus zeer belangrijk om de proceshouding in het strafrechtelijke traject af te stemmen op die in het fiscale traject en kritisch te bezien of de overheid geen verdedigingsregels schendt. Een in zowel het belastingrecht als het strafrecht goed onderlegde advocaat kan hier goede diensten bewijzen.

0000-00-00 0000-00-00 4232

Fiscale boete of gevangenisstraf

FIOD invallen, boekenonderzoeken en fraudebestrijding staan hoog op de agenda de laatste jaren. In 2014 is er een nieuwe Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit ingevoerd (artikel 69a AWR). Normaal krijgt u een boete als u niet of niet tijdig uw belasting heeft betaald, de Belastingdienst kan echter ook kiezen voor een strafrechtelijke route met maximaal 6 jaar.

Boete bij te laat betalen

Normaal krijgt u een verzuimboete (artikel 67c AWR) als u uw belasting te laat heeft betaald. De boete bedraagt maximaal zo'n € 5.200. Als u niet zo'n keurige belastingbetaler bent en als er dus sprake is van opzet of grove schuld, dan kan de boete (artikel 67f AWR) worden verhoogd tot 100% van de te weinig betaalde of afgedragen belastingen.

Door allerlei fraudes bij toeslagen kwam er een nog strengere maatregel. Echte fraudeurs (kwaadwillenden) moeten via strafvervolging uiteindelijk de gevangenis in (artikel 69a AWR). Naast de gevangenisstraf kunt u ook nog een boete (in geld) krijgen. Door deze nieuwe wetgeving kunnen fraudeurs en oplichters nog beter worden aangepakt. De bepaling is zeker niet bedoeld voor mensen die simpelweg hun belasting niet kunnen betalen omdat er geen geld is, de goedwillende ondernemer of particulier hoeft zich dus normaal gesproken geen zorgen te maken. Als u om uitstel van betaling vraagt of betalingsonmacht heeft gemeld, dan hoeft u zich geen zorgen te maken (artikel 69c lid 3).

Noot fiscaal jurist over boete of gevangenisstraf

De Belastingdienst kan soms stevig ten strijde trekken. In een procedure bij het Gerechtshof was duidelijk dat er niet tijdig was betaald. De ondernemer (B.V.) had ook geen uitstel van betaling aangevraagd en / of betalingsonmacht gemeld. De rechter was echter zorgvuldig in haar afweging. Er was geen sprake van een fraudeur of boef (kwaadwillende), er kon simpelweg niet worden betaald. Als niet is aangetoond dat er sprake is van een "boef", dan heeft de wetgever niet voor ogen gehad dat hiervoor artikel 69a AWR moet worden toegepast. De Belastingdienst heeft voldoende middelen (beslag, etc.) om belastingplichtigen die niet betalen aan te pakken, iemand hoeft dan niet direct de gevangenis in. Als iemand niet kan betalen, dan hoeft hij nog niet zomaar de gevangenis in, aldus het Gerechtshof. De wetgeving is geschreven om fraudeurs aan te pakken.

De Belastingdienst moet via de reguliere kanalen proberen belastingaanslagen te innen. Hierbij moet de Belastingdienst correct, netjes en voortvarend te werk gaan. Als de Belastingdienst dit niet doet (of als dit niet lukt), dan noemen we dit "pech". Het moet dan niet mogelijk zijn om iemand de gevangenis in te jagen.

Vragen over fiscale boetes? Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak.

Bron geldboete of gevangenisstraf

Gerechtshof Arnhem -  Leeuwarden d.d. 13 februari 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:1244)

Fiscale boete of gevangenisstraf [news] 2019-03-05 0000-00-00 0000-00-00 5832

Fiscale boete en strafvervolging

Gebeten worden door de hond (Officier van Justitie) of kat (Belastingdienst) maar niet beide. Of "ne bis in idem" en "una via beginsel"

Boete op boete

Het doen van belastingaangifte wordt steeds ingewikkelder en velen stellen het tot het laatste moment uit. Vooral de BTW is voor velen een maandelijks uitstelprobleem.

Dan kan het wel eens gebeuren dat u te laat bent met de aangifte of dat de belasting niet op tijd op de rekening van de Belastingdienst staat.

Om u toch wat beter bij de les te houden en de normen wat aan te scherpen – zoals dat heet – zijn er diverse boetebepalingen in de wet opgenomen. Dat begint bij verzuimboetes en vergrijpboetes in het administratieve recht en kan eindigen met taakstraffen en zelfs gevangenisstraf in het strafrecht.

Slechts één keer straf (ne bis in idem)

Ook een verzuimboete is een straf. Zelden komt daar een rechter aan te pas, maar straf is straf. De wettelijke bepalingen bevatten een overlap en zijn of lijken soms identiek.

U kunt echter maar één keer voor hetzelfde feit bestraft worden (ne bis in idem beginsel). Daarnaast wordt u óf door de hond (de Officier van Justitie bij strafvervolging) óf door de kat (de Belastingdienst bij een geldboete) gebeten (una via beginsel).

De overheid moet dus keuzes maken: geven we een verzuimboete of vergrijpboete; doet de Belastingdienst het of sturen we het naar de Officier van Justitie?

  • In beginsel is de keuze beslissend;
  • Een verzuimboete kan geen vergrijpboete meer worden; en
  • Na boetoplegging door de Belastingdienst kan niet meer strafrechtelijk worden vervolgd.

Het grijze gebied bij een dubbele fiscale straf

Aangezien het strafbare feit in de diverse wettelijke bepalingen (iets) anders is omschreven, kan het voorkomen dat de Belastingdienst een verzuimboete oplegt en dat later ook de Officier van Justitie gaat vervolgen. Dat mag niet voor hetzelfde feit.

Hetzelfde feit bij boete en strafoplegging in fiscale landschap

Nu lijkt er wat licht te zitten tussen het beoordelingskader van het EHRM (de hoogste Europese rechter) en onze nationale hoogste rechter (de Hoge Raad) over de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’.

  • Het EHRM kijkt vooral naar de inhoudelijke feiten: de feitelijke omstandigheden die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn qua tijd en plaats.
  • De Hoge Raad heeft daarnaast (nog steeds?) aandacht voor de juridische aard van de gedraging: vallen de feiten onder dezelfde delictsomschrijving, het doel van de strafbaarstelling van feit, wie tegen dat feit beschermd moet worden en de maximale straf van de verschillende feiten.

Spijkers op laag water zoeken? Niet echt. In een recente zaak heeft een verdachte van de Rechtbank een taakstraf gekregen van liefst 72 uur wegens het opzettelijkniet (tijdig) doen van aangifte inkomstenbelasting. Pas in hoger beroep wordt kennelijk beter naar de zaak gekeken en wordt vastgesteld dat al een verzuimboete is opgelegd wegens het niet (tijdig) doen van aangifte inkomstenbelasting. Het Hof is er snel klaar mee. Het OM vervolgt hetzelfde feit als waarvoor reeds een verzuimboete is opgelegd. Dat kan niet. Daarop volgt niet-ontvankelijk verklaring van het OM met een streep door de taakstraf.

Eerder had Hof Den Bosch al in een BTW-zaak geoordeeld dat een verzuimboete wegens het niet (tijdig) doen van aangifte omzetbelasting zonder enige twijfel hetzelfde feit is als het opzettelijkniet (tijdig) doen van aangifte (dat wordt bestraft met een vergrijpboete).

Daarmee lijken de gerechtshoven (reeds?) iets meer op de lijn van het EHRM te zitten. Het juridische element van opzet dat is vereist voor een vergrijpboete maakt dus niet dat sprake is van een ander feit.

Opmerking fiscaal jurist inzake fiscale boete en strafoplegging

Boeteoplegging is maatwerk. Niet alleen alle feiten en omstandigheden moeten leiden tot een passende boete, ook de juridische duiding van het feit dat strafbaar wordt gesteld of beboet dient smetteloos te zijn.

Op een fout moet een passende straf volgen die goed gemotiveerd is. Dat dwingt de Belastingdienst om al bij het opleggen van de boete goed na te denken. Het mag niet zo zijn dat door juridische haarkloverij de fout nogmaals wordt bestraft op grond van een net iets andere wettelijke bepaling.

Als er bewust voor wordt gekozen voor het werken met grotendeels geautomatiseerde systeemboetes (wat bij verzuimboeten het geval is), dient de Belastingdienst de consequenties daarvan te aanvaarden. Het niet voldoende onderzoeken en motiveren van een verzuimboete moet per definitie leiden tot het uitsluiten van verdere strafvervolging.

In de praktijk zien we dat door de Belastingdienst niet goed wordt aangegeven op basis van welke wettelijke bepalingen een boete wordt opgelegd en dat veelal onvoldoende wordt gemotiveerd op grond van welke concrete feiten en omstandigheden tot de conclusie is gekomen dat de boete passend is. Het boetedossier (dat u altijd mag inzien) zou duidelijkheid moeten geven, meestal is dit dossier "gevuld" met een paar krabbels en 2 A4-tjes. Bij verzuimboetes is het doorgaans een kille mathematische exercitie.

De moraal van het verhaal: krijgt u een boete of wordt u fiscaal strafrechtelijk vervolgd, meld het ons. Er is meer mogelijk dan u denkt.

Jurisprudentie fiscale boete en strafoplegging

Uitspraak Hof Den Haag

Uitspraak Hof Den Bosch

Hoge Raad over 'hetzelfde feit'

Fiscale boete en strafvervolging [news] 2020-10-21 0000-00-00 0000-00-00 6762

Belastingfraude en gevangenisstraf

Op belastingfraude staat een maximale gevangenisstraf van 6 jaar. De laatste jaren worden steeds meer bestuurders, DGA's en belastingadviseurs veroordeeld tot een "echte" gevangenisstraf. Heeft u gefraudeerd met uw belastingaangifte of had u de FIOD bij uw bureau staan? Wat zijn de gevolgen?

Foutieve aangifte en fraude

Bedrijven moeten vaak maandelijks aangiften indienen (omzetbelasting en loonbelasting). Tevens moet eens per jaar een aangifte vennootschapsbelasting (bij rechtspersonen) worden ingediend. Een foutieve aangifte (bijvoorbeeld schuiven of slepen met btw) kan al snel worden gezien als fraude.

Sancties bij belastingfraude

Verzuimboete als sanctie

Indien u beneden de onderstaande drempels blijft of als er geen opzet speelt, wordt er een boete opgelegd. Dit kan een verzuimboete of vergrijpboete zijn, dit hangt van de feiten af en wordt door een speciale "boete-inspecteur" bepaald. Een verzuimboete krijgt u meestal als u niet tijdig een aangifte heeft ingediend en / of als opzet ontbreekt.

In de meeste gevallen krijgt u of uw bedrijf dus gewoon een (verzuim-)boete. Als er meer aan de hand is, wordt een vergrijpboete opgelegd, deze kan oplopen tot 100% van het belastingbedrag. Het kan ook zijn dat er een zogenaamde strafbeschikking volgt. De strafrechter zal dan oordelen over het fiscale handelen van u of uw bedrijf. De vervolging is vervelend, maar de straf die volgt heeft menselijke en financiële gevolgen (boete, celstraf of taakstraf). 

Vergrijpboete als sanctie

Een vergrijpboete krijgt u of uw bedrijf indien u opzettelijk geen aangifte of een onjuiste of onvolledige aangifte heeft ingediend. Het drempelbedrag wordt hierbij ook bekeken, maar meestal wordt de stap naar vervolging niet gemaakt. De hoogte van de vergrijpboete zal afhangen van:

  • Uw opzet, bewust handelen, grove schuld;
  • Recidive (begaat u vaker overtredingen);
  • Uw kennis van het vak;
  • Omvang van de belastingvordering.

Tegen verzuim- en vergrijpboetes kunt u bezwaar maken en ook in beroep gaan bij de rechter.

Strafsanctie

Op belastingfraude staat een maximale gevangenisstraf van 6 jaren. Ook kan een navorderings- of naheffingsaanslag worden opgelegd en kan u het voordeel worden ontnomen.

Wanneer kan strafvervolging in beeld komen? Dit zal afhangen van het nadeel voor de Belastingdienst (de schatkist):

  • Strafvervolging particulieren: nadeel hoger dan € 10.000;
  • Strafvervolging ondernemers: nadeel hoger dan € 15.000.

Vaak ziet de Belastingdienst de fraude of het belastingnadeel als eerste. In voorkomende gevallen wordt dit dan intern besproken. Vervolgens kan de inspecteur of controleur beslissen om uw situatie aan te melden binnen het tripartiete overleg (overleg Belastingdienst, Openbaar Ministerie en de FIOD). Uw situatie wordt dan besproken en formeel getoetst aan de AAFD Richtlijn. Mensen met een voorbeeldfunctie (bekende mensen, accountants, advocaten en belastingadviseurs) komen sneller in aanmerking voor strafvervolging.

Bij een strafbeschikking verlaten we feitelijk het fiscale materiële recht. Er is dan geen sanctie meer (zoals een verzuim- of vergrijpboete), maar we stappen vanuit allerlei boetewetgeving over naar het strafrecht. Het gevolg hiervan is dat u hoge boetes kunt krijgen en ook een gevangenisstraf (en dus strafblad). In de praktijk merken wij dat de impact hiervan enorm kan zijn, naast een strafblad kan dit grote gevolgen voor uw bedrijf hebben. De belangrijkste zijn:

  • Reputatieverlies door artikelen in de pers;
  • Klanten en relaties verliezen het vertrouwen in u of uw bedrijf;
  • Banken zeggen het vertrouwen (en de financiering) op;
  • Meer controles door de Belastingdienst, AFM, etc.

Advies inzake belastingfraude of onderzoek

De Belastingdienst zal niet snel de stap naar het strafrecht maken, veelal worden er "gewoon" bestuurlijke boetes (verzuim- of vergrijpboetes) opgelegd. Bij ernstige onregelmatigheden, recidive (u bent hardleers) of zware fraude kunt u met het (fiscale) strafrecht in aanraking komen.

Het begint dan meestal met een brief, boekenonderzoek of vraaggesprek. Vervolgens kan het zijn dat de Belastingdienst op grond van haar bevindingen contact opneemt met het OM of de FIOD. In dergelijke gevallen kan dan ook ineens de FIOD op de stoep staan.

Voorkomen van strafvervolging en tijdig een specialist inschakelen is vaak het beste advies. DGA's doen jaarlijks aangifte voor de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting en nog vaker wordt er een aangifte omzetbelasting en / of loonbelasting ingediend. Een fout is zo gemaakt en voordat u het weet is sprake van grove schuld, opzet of een fraudegeval. Een fout kan dus soms desastreuze gevolgen hebben.

Bij een boekenonderzoek kan de controleur tot de conclusie komen dat hij uw handelen intern moet aanmelden. Het is in dergelijke gevallen verstandig dat u met de Belastingdienst in gesprek blijft. Hierbij is het wel van belang dat u zich goed heeft voorbereid op de gesprekken en geen informatie geeft welke zich later tegen u kan keren. Soms is er iets verkeerd gegaan zonder dat u het wist of kon weten. In dergelijke gevallen is van fraude meestal geen sprake.

Bij strafvervolging (maar ook bij sommige boetes) gelden er ook striktere regels en waarborgen voor u. De belangrijkste is uw zwijgrecht op het moment dat men u als verdachte ziet. Ook mag uw woning niet zomaar worden onderzocht (tenzij toestemming van rechter commissaris).

Soms komt het OM niet in beeld en wordt er door de Belastingdienst een Fiscale Strafbeschikking (een FSB) opgelegd. Via deze route worden de rechtelijke macht en het OM een beetje ontlast. Ook voor dergelijke trajacten (bij boete boven € 2.000) gelden specifieke spelregels. De belangrijkste is dat u wordt gehoord en in dit gesprek uw zienswijze kunt geven. De Belastingdienst-medewerker zal u wijzen op de cautie (niet verplicht om te antwoorden / alles wat u zegt kan gebruikt worden bij het onderzoek).

Heeft u vragen of opmerkingen? Neem gerust contact op met één van onze (onderstaande) specialisten.

Belastingfraude en gevangenisstraf [news] 2021-04-11 0000-00-00 0000-00-00

Op belastingfraude staat een gevangenisstraf van maximaal 6 jaar. Hoe werkt dit?

6960

Fiscale boete of strafvervolging

Een boete van de Belastingdienst én een strafvervolging door de officier van justitie, kan dat?

Fiscale boete en strafvervolging

Als belastingplichtige kunt u talloze fouten maken die aanleiding kunnen zijn voor een boete. Dat u niet aan uw fiscale verplichtingen voldoet kan vele oorzaken hebben. Onwetendheid, laksheid, vergeten, uitbesteed aan adviseur of accountant, nalatigheid, opzet en alles wat daartussen zit.

Afwezigheid van alle schuld

Bij afwezigheid van alle schuld (AVAS) krijgt u geen boete. De lat daarvoor ligt hoog. U mag geen enkel foutje hebben gemaakt. Grof weergegeven worden de kleinere zaken afgedaan door een boete van de Belastingdienst en worden de zwaardere zaken strafrechtelijk vervolgd. Tussen Belastingdienst, FIOD en het Openbaar Ministerie zijn daarover afspraken gemaakt die zijn neergelegd in het AAFD Protocol.

Ne bis in idem en una via beginsel

Het opleggen van een boete is strafvervolging. De Oude Grieken hadden al een wet die ‘verbiedt dat dezelfde persoon tweemaal wordt berecht voor hetzelfde feit’[1]. Dat zogenoemde ne bis in idem-beginsel geldt nog steeds.

Daarnaast geldt dat u maar op één manier aangepakt kunt worden: het una via-beginsel. Dat beginsel beoogt een vroegtijdige keuze tussen een boete van de Belastingdienst of strafvervolging. Nu staat dat in de artikelen 5:43 en 5:44 van de Awb. Die afstemming is geregeld in het AAFD Protocol. Het belang kwam ook aan de orde in een uitspraak van het Gerechtshof in 2021. In deze zogenaamde "paperclip procedure" wordt een belastingplichtige een verzuimboete opgelegd en tevens wordt hij strafrechtelijk vervolgd. Dit kan en mag niet, aldus het Gerechtshof. Het OM wordt in deze procedure niet ontvankelijk verklaard. In deze procedure ging het om een verzuimboete (van slechts 3%). De vraag die in de praktijk voorbij komt is of het ne bis in idem-beginsel alleen in beeld komt bij vergrijpboetes of ook bij verzuimboetes. Het Gerechtshof is hierover duidelijk (bij alle boetes), nu de Hoge Raad nog.

De overheid moet dus kiezen, óf via een boete (bestuursrecht) een belastingplichtige straffen, óf via het strafrecht. De Belastingdienst overlegt een relevante casus met de FIOD in een Tripartiete overleg, hiervoor bestaan regels. Deze regels zijn vastgelegd in het AAFD Protocol, het protocol voor aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen. In dit protocol staat wanneer een fiscaal delict in aanmerking komt voor strafrechtelijke vervolging. Feitelijk speelt dit al bij een drempel van € 20.000 of meer, in de praktijk is deze drempel € 100.000.

Waar gaat het fout bij boete of strafvervolging?

In de praktijk blijkt nogal eens dat de Belastingdienst een grote ‘boetemachine’ is waarin tamelijk geautomatiseerd met boetes wordt gestrooid wegens het niet, te laat of te weinig doen van belastingaangifte en / of de betaling daarvan. Vooral in situaties waarin de officier van justitie op basis van de aanvullende toetsingscriteria van het AAFD Protocol ook gaat vervolgen, wordt uit het oog verloren dat al een boete is opgelegd. Er wordt bijvoorbeeld strenger strafrechtelijk gehandhaafd omdat bepaalde zaken vaak voorkomen (vb. het schuiven met btw naar een andere maand, toeslagenfraude of airbnb-verhuur) of er een combinatie is met andere strafbare feiten.

Ook komt het voor dat informatie wel bij de Belastingdienst bekend is, maar dat de officier van justitie strengere normen heeft. Voor de belastingheffing is een verzoek om uitstel van betaling of de opgave dat je niet kunt betalen (melding betalingsonmacht) tamelijk vormvrij, terwijl de officier van justitie (ten onrechte) eist dat een specifiek formulier is gebruikt.

Let er bij een boete dus op dat, ook als die terecht is, wel regels gelden.

Commentaar fiscaal jurist

Een boete is vervelend, maar soms terecht. Niettemin loont het altijd de moeite om te checken of de Belastingdienst en officier van justitie zich aan de regels houden. Als het dan toch zover komt, zijn er natuurlijk ook talloze redenen om een boete te matigen. Het is daarom raadzaam een boete altijd met uw adviseur te bespreken om even beter te kijken of er echt niets aan is te doen. Wilt u een afspraak? Bel ons gerust voor een vrijblijvende bespreking.

Bron fiscale boete of strafvervolging

Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen

Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 13 april 2021 ECLI:NL:GHSHE:2021:1168

Folder belastingdienst inzake preventie en opsporing

[1]Demosthenes, Speech against Leptines, vert. J.H. Vince, Harvard: Harvard University Press 1962.

Fiscale boete of strafvervolging [news] 2021-05-28 0000-00-00 0000-00-00 7007

Geen schending gelijkheidsbeginsel artiest en actrice

Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 17 augustus 2021 in twee zaken uitspraak gedaan. In beide gevallen gaat het om de vraag of iemand wel of niet als ondernemer voor de inkomstenbelasting kwalificeert. Het betreft een artiest en een actrice. De argumenten zijn aan elkaar gelijk: het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden. Het gelijkheidsbeginsel vereist dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. In beide gevallen komt het gerechtshof tot het oordeel dat het gelijkheidsbeginsel niet geschonden is. In dit artikel een toelichting op de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak van het gerechtshof en een toelichting op het gelijkheidsbeginsel.

Rechtbank over ongelijke behandeling artiest en actrice

Het geschil ziet op de vraag of het gelijkheidsbeginsel is geschonden. In de rechtbankfase hebben de artiest en actrice zelfstandige procedures gevoerd, maar de overlap is qua inhoud zeer groot. Het komt in beide procedures neer op de vraag of bepaalde inkomsten wel of niet als winst uit onderneming kwalificeren. Het 'voordeel' aan winst uit onderneming is dat er ondernemersfaciliteiten van toepassing kunnen zijn en gemaakte kosten in aftrek kunnen worden gebracht. Het gevolg is vaak lagere belastingheffing.

Het argument is dat er sprake is van begunstigend beleid dat op de artiest en actrice niet is toegepast. Het beleid zou zijn, zo stellen zij, dat verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen worden toegekend zonder overeenkomsten in te willen zien. Dit beleid is niet gepubliceerd, maar zou blijken uit e-mails en 'ervaringen' uit eerdere jaren. Daarnaast zou in soortgelijke situaties wel zijn geaccepteerd dat de inkomsten als winst uit onderneming worden verantwoord. Dit is een beroep op de zogenaamde meerderheidsregel. Ter onderbouwing hiervan sturen de artiest en actrice 123 uitspraken op bezwaar in. Deze uitspraken zien op 58 andere belastingplichtigen en zij zijn tegemoetgekomen door de Belastingdienst. Volgens de artiest en actrice zijn zij met hen vergelijkbaar. De Belastingdienst is het hier (uiteraard) niet mee eens.

Toetsingskader bij schending gelijkheidsbeginsel

Het gebeurt regelmatig dat belastingplichtigen zich beroepen op schending van het gelijkheidsbeginsel. Deze vordering wordt echter niet vaak toegewezen. Een schending van het gelijkheidsbeginsel vereist dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Maar dat is op zichzelf nog niet voldoende. De ongelijke behandeling moet voortkomen uit begunstigend beleid of een oogmerk van begunstiging en er mag geen rechtvaardiging voor aanwezig zijn. Dat vraagt ook om nadere duiding van de termen 'begunstigend beleid' en 'oogmerk van begunstiging'. Van begunstigend beleid is sprake indien de Belastingdienst beleid zou hebben gevoerd dat bepaalde belastingplichtigen bevoordeelt en andere belastingplichtigen niet door de wet op onjuiste wijze toe te passen. Dit moet de bedoeling zijn geweest van de Belastingdienst. Van een oogmerk van begunstiging is sprake indien de Belastingdienst zich ervan bewust is – of zou moeten zijn – dat hij in andere gevallen wel begunstigend optreedt door de wet onjuist toe te passen. Tot slot de meerderheidsregel. Deze regel houdt in dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, indien gelijke gevallen deel uitmaken van een groep en de meerderheid van de groep begunstigend wordt behandeld.

Het is aan de belastingplichtige die zich op een schending van het gelijkheidsbeginsel beroept, om dit te bewijzen. Bewijzen betekent daarbij – in dit geval – niet dat iets buiten alle twijfel aangetoond moet worden. Het gaat er om dat de belastingplichtige de schending aannemelijk weet te maken. Vervolgens is het aan de Belastingdienst om dat gemotiveerd te betwisten. De belastingplichtige dient feiten en omstandigheden aan te dragen en aannemelijk te maken. Uit deze feiten en omstandigheden moet volgen dat in minstens twee gevallen die vergelijkbaar zijn, een juiste toepassing van de wet achterwege is gebleven. Daarna is het aan de Belastingdienst om aannemelijk te maken dat de relevante groep groter is en dat in de meerderheid van de gevallen de wet correct is toegepast. De discussie richt zich vaak op de vraag of überhaupt sprake is van gelijke gevallen.

Het bepalen of sprake is van gelijke gevallen is ingewikkelder dan op het eerste oog het geval lijkt te zijn. Situaties kunnen immers alleen vanuit een bepaald gezichtspunt gelijke situaties zijn. Een in de praktijk veelgemaakte 'fout' is, dat een compleet overzicht wordt opgesteld van alle mogelijke overeenkomsten en verschillen. Dat is onnodig en draagt niet bij aan de uitkomst van de procedure. Eerst moet duidelijk worden waar de gelijkheid in schuilt en daarna dienen de fiscaal-juridisch relevante verschillen te worden benoemd.

Gelijkheid doet zich voor indien situaties rechtens en feitelijk vergelijkbaar zijn. Rechtens vergelijkbaar is over het algemeen makkelijk vast te stellen. Daar doet zich namelijk de vraag voor of dezelfde wettelijke voorschriften op de belastingplichtigen van toepassing zijn. Uiteraard geldt ook hier: slechts de voorschriften toetsen die voor de specifieke situatie van belang zijn. Feitelijke vergelijkbaarheid is vaak iets complexer. Daar staat de vraag centraal of de belastingplichtigen in soortgelijke omstandigheden verkeren. Er moet dan worden gekeken naar de omstandigheden die voor de toepassing van het wettelijke voorschrift (of een beleidsregel) van belang zijn.

Oordeel rechtbank over schending gelijkheidsbeginsel

De rechtbank oordeelt dat de artiest en actrice niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. De e-mails van de Belastingdienst en de 'eerdere ervaringen' zijn daarvoor onvoldoende bewijs. Het is in het geheel onduidelijk of er sprake is geweest van bepaald beleid, laat staan begunstigend beleid. Ook het beroep op de meerderheidsregel slaagt niet. Hierover oordeelt de rechtbank als volgt. De ingediende stukken over de andere kunstenaars zijn te beperkt om de gelijkheid aan te nemen. Zo zijn geen contracten overlegd, zodat niet geoordeeld kan worden of de werkzaamheden onder dezelfde voorwaarden worden verricht. Dat de artiest en actrice vergelijkbaar zijn met andere kunstenaars, is als enkele stelling onvoldoende. Dat is te algemeen. De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden.

Oordeel gerechtshof over schending gelijkheidsbeginsel

Het Gerechtshof Amsterdam heeft de beide hogere beroepen op 17 augustus 2021 behandeld. Het hof merkt eerst op dat de rechtbank op de juiste wijze de stellingen van de belastingplichtigen heeft getoetst. Het hof gaat vervolgens zelf naar de zaak kijken. De eerste conclusie is dat het hof uit de stukken niet kan afleiden dat bij de andere kunstenaars de wet onjuist is toegepast op de wijze zoals de artiest en actrice menen dat het geval is. Aan de vraag of in de meerderheid van de gevallen de wet onjuist is toegepast, komt het hof dan niet eens toe.

Veronderstellenderwijs gaat het hof nog in op de situatie dat er wel sprake is van vergelijkbare gevallen. In dat geval volgt uit wat de artiest en actrice verder hebben aangeleverd, niet dat de Belastingdienst bewust van de wet is afgeweken of een oogmerk van begunstiging heeft gehad. Daarom kan het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel niet slagen. Het hof bevestigt daarom de uitspraken van de rechtbank.

Fiscaal procederen is maatwerk

Fiscaal procederen is een vak apart. Wij voeren bijna dagelijks fiscale procedures en merken dat het formele belastingrecht steeds belangrijker wordt. Formeel belastingrecht is het geheel aan regels dat ziet op het vaststellen en invorderen van belastingschulden. Denk bijvoorbeeld aan regels over het opleggen van een naheffingsaanslag, het opleggen van boeten en het gebruik van bevoegdheden door onder andere de Belastingdienst. Maar ook de verplichtingen die belastingplichtigen hebben tegenover de Belastingdienst zijn onderdeel van het formele belastingrecht. Zowel belastingplichtige als Belastingdienst lijken deze regels steeds verder te willen oprekken en daar ontstaat spanning.

De meeste fiscale procedures worden binnen ons kantoor door twee personen opgepakt. Eén die gespecialiseerd in 'de spelregels' (het formele belastingrecht) en één die gespecialiseerd is in de materiële kant van het geschil. Een voorbeeld ter verduidelijking. De Belastingdienst kan een navorderingsaanslag opleggen, omdat u ten onrechte een herinvesteringsreserve gevormd zou hebben. Ook wordt een boete opgelegd. Onze specialist formeel belastingrecht beoordeelt dan de rechtmatigheid van de navorderingsaanslag en de boete. Daarnaast is er een specialist van ons die zich bezighoudt met de vraag of u wel of niet een herinvesteringsreserve had mogen vormen. Dit maximaliseert uw proceskansen, zonder dat dit leidt tot extra kosten.

Uit voorgaande komt naar voren dat fiscaal procederen een vak apart is, net als winstbelasting en omzetbelasting. Win daarom bij een aanstaande procedure altijd advies in van een processpecialist. Wij ondersteunen particulieren, ondernemingen, maar ook accountantskantoren die zelf de procedures van hun klanten liever niet voeren. Op het gebied van de overdrachtsbelasting en btw adviseren wij regelmatig notariskantoren.

Vragen naar aanleiding van bovenstaande? Neem dan gerust rechtstreeks contact op met één van onderstaande auteurs.

Uitspraken:

Geen schending gelijkheidsbeginsel [news] 7207

De informatiebeschikking en de Belastingdienst

De informatiebeschikking is sinds juli 2011 in de wet opgenomen. Het middel houdt verband met een aantal van de verplichtingen die u als belastingplichtige of administratieplichtige op grond van de wet heeft, zoals de inlichtingenverplichting en de administratie- en bewaarverplichting. Wij gaan in dit uitgebreide artikel in op:

  • Het waarom van de informatiebeschikking;
  • De werking van de informatiebeschikking;
  • De gevolgen van de informatiebeschikking;
  • Aanvullende spelregels bij de informatiebeschikking;
  • De informatiebeschikking en behoorlijk bestuur;
  • De informatiebeschikking en onze advisering.

De informatiebeschikking: waarom?

Zonder juridisch en historisch alle details te beschrijven, is de informatiebeschikking om de volgende reden ingevoerd. Belastingplichtigen en administratieplichtigen hebben op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verplichtingen. Die verplichtingen dienen ertoe de Belastingdienst van al die informatie te voorzien die hij nodig heeft om een juiste belastingaanslag op te kunnen leggen. De Belastingdienst kan u bijvoorbeeld vragen stellen en verzoeken inzage te verlenen in de administratie. Dit kan voor belastingplichtigen uiteraard een ferme inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zijn. Daarom dient de Belastingdienst alleen die informatie op te vragen die voor de heffing van de belasting relevant kan zijn en is hij onder meer gebonden aan de regel dat een informatieverzoek proportioneel moet zijn.

Het komt voor dat de belastingplichtige het niet eens is met het verzoek van de Belastingdienst. Het komt regelmatig voor dat de Belastingdienst bijzonder veel informatie opvraagt en vaak kan betwist worden of die informatie nu echt relevant is en een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer rechtvaardigt. In de periode voordat de informatiebeschikking bestond gebeurde dan het volgende.

De Belastingdienst stelt enorm veel vragen en wil alles in bezit hebben. De belastingplichtige is het hiermee oneens. Hij kan ervoor kiezen niet mee te werken. De Belastingdienst zal dan een aanslag opleggen en (bijvoorbeeld) het inkomen schatten. De belastingplichtige zal dan in bezwaar en beroep gaan tegen die aanslag. En dan komt het probleem opzetten. De rechter zal eerst onderzoeken of het verzoek van de Belastingdienst rechtmatig was. Indien dat het geval is, dan is de belastingplichtige het bokje. Er vindt dan direct omkering en verzwaring van de bewijslast plaats. De belastingplichtige mag dan niet volstaan met het aannemelijk maken van zijn standpunten, maar moet deze overtuigend aantonen. In de literatuur is dit wel beschreven als een ondoenlijke bewijslast. Daar komt nog bij dat de constatering dat onvoldoende is meegewerkt kan leiden tot strafrechtelijke vervolging. Gezien de mogelijke vergaande gevolgen van niet-medewerking, kozen veel belastingplichtigen en administratieplichtigen voor de makkelijkste weg: toch maar gewoon meewerken, ondanks dat men de rechtmatigheid van de verzoeken van de Belastingdienst betwijfelt.

Bovenstaande is aanleiding geweest voor twee Kamerleden om een initiatiefwetsvoorstel in te dienen. Dat voorstel zou uiteindelijk leiden tot de informatiebeschikking. De informatiebeschikking is bedoeld om precies dat gebrek in de rechtsbescherming te herstellen, dat hiervoor werd weergegeven.

De informatiebeschikking: hoe werkt het en wat moet de Belastingdienst doen?

De informatiebeschikking laat zich het meest eenvoudig uitleggen als we het voorbeeld van de vorige paragraaf er weer bijnemen. Het gaat dan om de belastingplichtige of de administratieplichtige die verzoeken krijgt van de Belastingdienst waar hij het mee oneens is.

De Belastingdienst ziet zich dan wederom geconfronteerd met een belastingplichtige die niet wil meewerken. Het is nu echter niet meer zo dat de Belastingdienst een aanslag oplegt en zich dan kan beroepen op de omkering en verzwaring van de bewijslast. Indien de Belastingdienst dit wil bereiken en daarmee de belastingplichtige in een moeilijkere bewijspositie wil brengen, dan moet hij de onvoldoende medewerking vastleggen in een beschikking: de informatiebeschikking. Doet de Belastingdienst dat niet, dan zal in de procedure over de aanslag de belastingplichtige niet worden geconfronteerd met een verzwaarde bewijslast, tenzij sprake is van het niet hebben gedaan van de vereiste aangifte. Daarop gaan wij in een ander artikel nader in. Het gaat hier uitsluitend om de informatiebeschikking.

De Belastingdienst legt de onvoldoende medewerking vast in de informatiebeschikking. Hierbij gelden een aantal formele regels, die in de praktijk niet altijd volledig worden nageleefd. De belastingplichtige ontvangt deze informatiebeschikking. De informatiebeschikking is in feite een weergave van de verplichtingen waarvan de Belastingdienst meent dat de belastingplichtige ze onvoldoende is nagekomen. Tegen deze beschikking kan de belastingplichtige in bezwaar en beroep gaan. Hij kan de verzoeken van de Belastingdienst dan laten toetsen, voordat hij in de aanslagprocedure wordt geconfronteerd met een verzwaarde bewijspositie. Maar hoe leidt dit uiteindelijk nu tot werkelijke verbetering van de rechtsbescherming?

Dat komt door de zogenaamde hersteltermijn. Indien de rechter tot het oordeel komt dat het verzoek van de Belastingdienst rechtmatig was en de belastingplichtige dus ten onrechte niet heeft meegewerkt, dan vindt niet direct toepassing van de zwaardere bewijslast plaats. De rechter zal de belastingplichtige dan eerst een hersteltermijn bieden om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. Die hersteltermijn blijft alleen achterwege indien een hersteltermijn niet opportuun is of als de belastingplichtige kennelijk misbruik heeft gemaakt van zijn procesrecht. Dit laatste komt in de praktijk zelden voor. De hersteltermijn leidt er dus toe dat, in tegenstelling tot onder het oude systeem, de belastingplichtige verzoeken van de Belastingdienst kan laten toetsen, zonder direct al omkering en verzwaring van de bewijslast als een zwaard van Damocles boven zich te hebben hangen.

De informatiebeschikking: gevolgen in de praktijk

Op het moment dat de informatiebeschikking door de Belastingdienst wordt afgegeven, gebeuren er een aantal dingen. Het belangrijkste is dat de termijnen voor het opleggen van de aanslagen waar het om gaat worden opgeschort. Die opschorting is gelijk aan de duur van de informatiebeschikkingsprocedure. Indien het daadwerkelijk komt tot bezwaar, beroep, hoger beroep en cassatieberoep, kan dit vele jaren duren.

Tijdens de informatiebeschikkingsprocedure mag de Belastingdienst niet alsnog de aanslagen opleggen. Gebeurt dit wel, dan vervalt de informatiebeschikking. De Belastingdienst mag weer handelen zodra de informatiebeschikking onherroepelijk is geworden of is vernietigd. Een vernietiging spreekt voor zich. Het onherroepelijk worden van de informatiebeschikking doet zich voor indien de rechtsmiddelen zijn uitgeput en / of de belastingplichtige geen gebruik maakt van zijn rechtsmiddelen.

Een onherroepelijke informatiebeschikking leidt – bij afwezigheid van een hersteltermijn of het gebruik daarvan – tot de slotsom dat de belastingplichtige of de administratieplichtige niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Het gevolg komt terug bij de uitspraak op bezwaar, beroep en / of hoger beroep. Met een onherroepelijke informatiebeschikking is namelijk sprake van het toepassen van de omkering en verzwaring van de bewijslast. Hierop wordt een uitzondering gemaakt als het toepassen van deze sanctie disproportioneel is. Dit wordt in de praktijk niet snel aangenomen.

De informatiebeschikking: aanvullende spelregels voor u en de Belastingdienst

De informatiebeschikking is nog altijd aanleiding voor veel procedures. Het belang is uiteraard groot door de mogelijke omkering en verzwaring van de bewijslast. Echter, de regels met betrekking tot de informatiebeschikking kennen een aantal open normen en onduidelijkheden. De Hoge Raad heeft onder meer de volgende elementen verduidelijkt:

  • De wetgeving bij de informatiebeschikking kent geen overgangsrecht en dus zijn de bepalingen met onmiddellijke werking van toepassing op alle vanaf 1 juli 2011 gedane uitspraken op bezwaar;
  • Eén informatiebeschikking kan zien op meerdere belastingjaren en belastingmiddelen. Indien dan toch een aanslag te vroeg wordt opgelegd, dus voordat de informatiebeschikking onherroepelijk is, dan vervalt de informatiebeschikking voor zover die betrekking heeft op dat belastingjaar en dat belastingmiddel. Hieruit volgt dus ook dat een informatiebeschikking deels vernietigd kan worden;
  • De informatiebeschikking is geen schending van het recht op een eerlijk proces;
  • Het is de Belastingdienst toegestaan om pas in de bezwaarfase een informatiebeschikking af te geven. Dat doet zich voor indien eerst een belastingaanslag wordt opgelegd, de belastingplichtige daar iets van vindt en dan, alsnog, een informatiebeschikking volgt. Deze uitspraak is gedaan in het kader van een procedure over een vermeende schending van de inlichtingenverplichting. Bij schending van andere verplichtingen zou dit anders uit kunnen vallen.

Via een WOB-verzoek is de interne Handreiking Informatiebeschikking & Kostenvergoedingsbeschikking gepubliceerd. Dit zijn de regels die de Belastingdienst intern toepast bij het afgeven van een informatiebeschikking. Onze ervaring is dat deze regels niet altijd allemaal even goed worden nageleefd. In beginsel is de Belastingdienst aan deze regels echter wel gebonden.

De informatiebeschikking en behoorlijk bestuur door de Belastingdienst

Bij alle hiervoor beschreven handelingen geldt dat de Belastingdienst ook gebonden is aan het overige recht. Belangrijk daarbij zijn de zogenaamde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit houdt onder meer in dat de Belastingdienst u met een open vizier tegemoet moet treden, opgewekt vertrouwen moet rechtvaardigen en geen besluiten mag nemen die u onevenredig raken. Verder omvatten de algemene beginselen allerlei elementen die in de praktijk weleens over het hoofd worden gezien. Zo moeten besluiten ook afdoende gemotiveerd en onderbouwd worden.

De informatiebeschikking, boekenonderzoeken en onze advisering

De informatiebeschikking heeft voor een belastingplichtige potentieel verstrekkende gevolgen. Het middel is echter primair in het leven geroepen om u te helpen. Het dient om de rechtsbescherming van de belastingplichtige te verbeteren en voor een deel is dat ook zeker het geval. Een onherroepelijke informatiebeschikking brengt u echter vrijwel altijd in een nagenoeg ondoenbare bewijspositie. Het is daarom belangrijk om een informatiebeschikking scherp en goed onderbouwd aan te vliegen. Soms gebeurt dat door middel van bezwaar en beroep, maar in andere dossiers gebeurt het ook dat tijdens de informatiebeschikkingsprocedure alsnog overeenstemming wordt bereikt.

Hebt u een informatiebeschikking ontvangen of zit u in een boekenonderzoek? Twijfel dan niet en bel gerust eens met één van de auteurs. Een eerste kennismaking is vrijblijvend, kan op korte termijn en wij helpen graag.

De informatiebeschikking [news] 2021-03-15 0000-00-00 0000-00-00 6928

Verzuimboete bij niet (tijdige) aangifte (67b AWR)

In dit artikel gaan wij in op het opleggen van een zogenaamde verzuimboete bij het niet of niet tijdig doen van een belastingaangifte. Dat kan zich voor twee soorten belastingen voordoen: aanslagbelastingen en aangiftebelastingen. Bij een aanslagbelasting dient de belastingplichtige zelf aangifte te doen, maar legt de inspecteur de aanslag op. Een aangiftebelasting vereist minder ingrijpen van de Belastingdienst. Bij dit type belastingen is het de belastingplichtige die zelf de belasting berekent en betaalt.

Voorbeelden van aanslagenbelastingen zijn de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting. Bekende aangiftebelastingen zijn de loonbelasting en omzetbelasting. Het onderscheid tussen deze belastingtypen is overigens niet alleen voor boeten van belang, maar ook bijvoorbeeld bij het bepalen of de Belastingdienst over mag gaan tot navordering of naheffing.

In dit artikel kijken wij naar de wet- en regelgeving met betrekking tot het opleggen van een boete bij het niet of niet tijdig doen van een aangifte voor een aangiftebelasting. Dit wordt ook wel de 67b AWR boete genoemd. Deze benaming zult u vaak op de boetebeschikking terugzien. Wij zullen in dit artikel het voorbeeld uitwerken aan de hand van de aangifte loonbelasting.

Wij zijn in een ander artikel ingegaan op de verzuimboete bij het niet of niet tijdig doen van een aangifte voor een aanslagbelasting. U leest dat artikel hier.

Verzuimboete bij niet of niet tijdige aangifte ingevolge 67b AWR

De wet bepaalt dat bij het niet of niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte voor een aangiftebelasting een verzuimboete opgelegd kan worden. De bevoegdheid om deze boete op te leggen is aan termijnen gekoppeld. In het kader van dit artikel is één termijn van belang. Dat is de termijn om een boete op te leggen wegens het niet of niet tijdig doen van de aangifte. De bevoegdheid tot boeteoplegging vervalt in die situatie één jaar na het einde van de termijn waarbinnen de aangifte gedaan moest worden.

De wet kent ook een tweede termijn. Die geldt als u in de situatie zit waarin u een onjuiste / onvolledige aangifte heeft gedaan. De bevoegdheid tot boeteoplegging vervalt dan vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. Een rechtvaardiging voor dit onderscheid wordt gevonden in de te verrichten inspanningen door de Belastingdienst. Constateren dat iets niet of te laat is gedaan, is eenvoudigweg minder werk dan inhoudelijke onjuistheden constateren.

Wij gaan hierna eerst in op het termijnbegrip en de hoogte van de boete.

Vereisten belastingdienst bij opleggen boete

Als de inspecteur een belastingplichtige een boete oplegt moet de inspecteur uiterlijk op het moment van bekendmaken van de de boete de reden noemen. Bij onduidelijkheid komt alleen betekenis toe aan wat er op het aangiftebiljet is vermeld. In een procedure bij het Gerechtshof Den Bosch komt een boete aan de orde i.v.m. het niet tijdig betalen van aangiftebelasting, in deze de BTW (artikel 67f AWR). Er wordt niet aan de vereisten van artikel 67f AWR voldaan, de boete wordt vernietigd. De Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:704) heeft in 2021 het oordeel van het Gerechtshof (ECLI:NL:GHSHE:2019:2155) bevestigd.

Het begrip ‘gestelde termijn’ bij de verzuimboete van 67b AWR

Het is aan de Belastingdienst om in de eerste plaats de termijnen te stellen voor het doen van de aangifte. Bij de loonbelasting ontvangt u bijvoorbeeld ieder jaar een brief met daarop de tijdvakken voor het komende jaar. De termijn dient ten minste een maand te bedragen na het einde van het tijdvak waarop de belasting ziet. Indien u uitstel verkrijgt, dient dit uiteraard gerespecteerd te worden.

De inspecteur hoeft met betrekking tot deze boeten u geen herinnering of aanmaning te sturen. Indien u niet tijdig de aangifte doet, dan is dat voldoende reden voor de boete.

De hoogte van de verzuimboete bij 67b AWR

Om de hoogte van de boete te bepalen, moet worden gekeken wat voor aangifte te laat is ingediend. Daarbij is het onderscheid tussen de aangifte loonbelasting enerzijds en alle andere aangiften anderzijds van belang.

Indien u te laat bent met de aangifte loonbelasting, dan bedraagt de boete maximaal € 1.377 (bedrag 2021). Bent u te laat met een andere aangifte, dan bedraagt de boete maximaal € 136. Dit zijn de maximumbedragen die de wet geeft. Bij beleid is het proces van boeteoplegging echter behoorlijk uitgebreid. Wij gaan hierna kort in op een aantal spelregels, maar kunnen door de complexiteit eenvoudigweg niet volledig zijn.

Indien u te laat bent met de aangifte loonbelasting, dan bent u in verzuim. Over het algemeen zal dan een boete van 5% worden opgelegd. Naar de bedragen van 2021 is dat € 68. Een boete blijft achterwege indien u de aangifte doet binnen zeven dagen na afloop van de wettelijke termijn. Zowel toepassing van de 5%-regel als het achterwege laten van de boete bij ‘snel’ herstel kunnen op grond van bijzondere omstandigheden achterwege blijven. Dit is bijvoorbeeld zo als u stelselmatig in verzuim bent. Over stelselmatigheid en de daaraan te koppelen gevolgen worden vaak discussies gevoerd. Tot slot schrijft het beleid voor dat de Belastingdienst terughoudend moet omgaan met het opleggen van boetes bij onjuiste / onvolledige aangiften.

Wij sluiten deze paragraaf af door te wijzen op enkele aanvullende regels. Zo blijft een boete afwezig indien u geen schuld heeft aan de termijnoverschrijding of als u een pleitbaar standpunt heeft. Ook kan er sprake zijn van strafverminderende omstandigheden, zoals verzachtende omstandigheden. Daarbij gaat het om gebeurtenissen die buiten uw invloed zijn gelegen. Ook financiële omstandigheden, zoals thans corona, kunnen aanleiding zijn om boetes te matigen. Wij merken dat dit in de praktijk al veel gebeurt.

Waarom een verzuimboete opleggen?

De 67b AWR boete is een zogenaamde verzuimboete. De Staatssecretaris van Financiën heeft in 2009 in herinnering gebracht wat het doel is van de verzuimboete. Het gaat niet, zoals belastingplichtigen het soms ervaren, om leedtoevoeging. Verzuimboeten hebben als primaire doel het onderhouden en versterken van de bereidheid om fiscale verplichtingen na te komen. Dit is anders dan bij de vergrijpboete. Daar is duidelijk sprake van een bestraffend karakter en het wegnemen van een onterecht voordeel.

Het voorbeeld bij de aangifte loonbelasting

Hierna werken wij uit hoe deze boeteoplegging zou kunnen verlopen bij de aangifte loonbelasting. De uitwerking is op hoofdlijnen hetzelfde als bij de andere aangiftebelastingen, zoals de omzetbelasting.

Henk is werkgever en inhoudingsplichtig voor de loonbelasting. Zijn tijdvak bedraagt een maand. Henk dient de aangifte over maart 2021 uiterlijk 30 april 2021 te doen. Stel dat Henk dat niet doet. Wij werken twee scenario’s uit.

Henk doet de aangifte uiteindelijk op 15 juni 2021. Daardoor is Henk ruim tweeënhalve maand te laat. Henk krijgt hiervoor waarschijnlijk een verzuimboete opgelegd. Als het de eerste keer is, dan zal deze boete € 68 bedragen. Dit kan anders zijn, indien Henk bijvoorbeeld stelselmatig verzuimt.

Het kan ook zijn dat Henk de boete op 3 mei 2021 doet. Dat is binnen zeven dagen na het aflopen van de termijn. Henk krijgt dan geen boete opgelegd, tenzij zich bijzondere omstandigheden, zoals stelselmatig verzuim, voordoen.

Wie kan de verzuimboete van 67b AWR opgelegd krijgen?

In de eerste plaats en het meest voorkomend is uiteraard de belastingplichtige zelf. De wet is echter regelmatig uitgebreid. Thans is het mogelijk de boete ook op te leggen aan een medepleger, opdrachtgeveren / of feitelijk leidinggever, de doen plegeren de uitlokker. Op deze mogelijkheden, die in de praktijk zeer weinig voorkomen, gaan wij in dit artikel niet nader in.

De verzuimboete van 67b AWR en onze deskundigheid

De verzuimboete wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte voor een aangiftebelasting, ook wel de 67b AWR boete genoemd, wordt automatisch opgelegd. Alle bezwaren die u tegen deze boete heeft komen vrijwel altijd pas in de bezwaarfase aan de orde. Wij voeren voor belastingplichtigen vaak procedures tegen de verzuimboete en – indien nodig – ook tegen de aanslag zelf. Een eerste gesprek is altijd vrijblijvend.

Verzuimboete niet (tijdige) aangifte [news] 2021-03-09 0000-00-00 0000-00-00 6919

Onterechte navordering Zwitsers vermogen door Belastingdienst

De afgelopen jaren is het veel in de media geweest: de jacht op buitenlands vermogen door de Belastingdienst. De Belastingdienst is actief bezig met het opsporen van buitenlands vermogen, zoals bankrekeningen in Zwitserland en schimmige vennootschapsstructuren in het buitenland. De bedragen die hiermee gepaard gaan zijn meestal groot. Niet gek is daarom dat belastingplichtigen recht hebben op bescherming tegen een al te snelle en agressieve handelswijze van de Belastingdienst. Recent deed het gerechtshof Den Haag uitspraak in zo’n zaak waar de Belastingdienst iets te voortvarend heeft gehandeld. Wij lichten deze specifieke zaak hierna nader toe.

Belastingdienst verzoekt Zwitserse belastingdienst om informatie

De belastingplichtige en zijn partner nemen tussen 2003 en 2014 geen vermogensbestanddelen op in de aangifte inkomstenbelasting die betrekking hebben op buitenlandse bankrekeningen. De Belastingdienst doet in 2015 een verzoek aan de Zwitserse belastingdienst om informatie over vermogen. Het gaat om informatie van Nederlanders met een bankrekening bij de UBS-bank in Zwitserland. De Belastingdienst wenst deze informatie te verkrijgen, omdat het vermoeden bestaat dat niet alle Nederlanders deze bankrekeningen op de juiste wijze in de aangifte inkomstenbelasting hebben opgenomen. De Zwitserse belastingdienst werkt aan dit verzoek mee.

Van de belastingplichtige in deze zaak zit zo’n rekening in de informatie die de Belastingdienst krijgt. Het gaat om een bankrekening met (in totaal) circa € 575.000. De Belastingdienst besluit uiteindelijk, na herhaalde verzoeken om inlichtingen aan de belastingplichtige, over te gaan tot het opleggen van een navorderingsaanslag voor 2003. Later komt daar ook 2004 bij. Echter, de informatie die de Belastingdienst heeft gekregen uit Zwitserland gaat niet over 2003 en 2004. Volgens de inspecteur hoeft dit geen probleem te zijn. Hij geeft aan dat de ervaring leert dat er in dit soort dossiers dan in 2003 vrijwel altijd ook zulk vermogen was. Daarnaast ‘ontstaat geld niet zomaar’. De belastingplichtige komt tegen de navorderingsaanslagen in bezwaar, beroep, en nu bij het gerechtshof in hoger beroep. In de voorfase voert hij nog het verweer dat er vermoedelijk wel geld is geweest, maar niet altijd op zijn bankrekeningen en, voor zover er geld was, betrof het vakantiegeld. Duidelijk is dat de inspecteur dit niet gelooft.

De rol van de inspecteur

Het gerechtshof geeft aan dat het de inspecteur is die in ieder geval aannemelijk moet maken dat er in 2003 en 2004 vermogen in het buitenland was. Daarbij hoeft hij niet de exacte getallen te kennen. In het kader van deze procedure brengt de belastingplichtige nog twee stukken in. Uit deze stukken komt naar voren dat er in 2010 een rekening is geopend met een storting van circa € 100.000 en dat deze rekening in 2014 is gesloten met een saldo van circa € 86.000. In 2010 heeft een behoorlijke (€ 375.000) contante storting plaatsgevonden. Dit zegt uiteraard niets over de jaren in geding: 2003 en 2004. Het geeft wel aan dat er sprake is geweest van verzwegen vermogen.

De inspecteur gaat dus uit van buitenlands vermogen in 2003 en 2004. Dat bestrijdt de belastingplichtige. Het is dan aan de inspecteur om de aanwezigheid van buitenlands vermogen aannemelijk te maken. Lukt het de inspecteur om deze horde te nemen, dan mag hij overgaan tot navordering. De inspecteur zal zich hier gesterkt hebben gevoeld door een verklaring van de belastingplichtige dat hij rondom kalenderjaar 2002 mogelijk een Zwitserse rekening had. De belastingplichtige bestrijdt de totstandkoming van deze verklaring echter.

De belastingplichtige heeft stukken laten zien waaruit volgt dat in 2010 een rekening is opgericht en in 2014 een rekening is opgeheven. De inspecteur heeft hiertegenover geen concrete feiten weten te benoemen waarmee aannemelijk wordt dat ook in 2003 en 2004 zulk vermogen aanwezig is geweest. De enkele stelling dat de ervaring leert dat dit bijna altijd het geval is, is daarvoor onvoldoende. Dat geldt ook voor het argument dat ‘geld niet zomaar ontstaat’.

Het gerechtshof is het met de inspecteur eens dat er een vermoeden kan zijn dat er voor 2010 al een aanzienlijk vermogen aanwezig was. Het hebben van vermoedens is ook geen verboden bezigheid. Echter, een vermoeden strekt niet zo ver dat je daarmee 6 tot 7 jaar terug in de tijd kunt (naar 2003 / 2004) navorderen zonder verdere onderbouwing. Er zijn geen feiten / omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de aanwezigheid van verzwegen vermogen zich in 2003 / 2004 heeft voorgedaan. Dat de belastingplichtige eerst anders heeft verklaard, leidt in dit geval niet tot een ander oordeel.

Zure bom voor de Belastingdienst

De navorderingsaanslagen en de boeten worden vernietigd. Dat is een zure uitkomst voor de Belastingdienst. De inspecteur voerde eerder nog aan dat op deze wijze de onwelwillende houding van de belastingplichtige wordt beloond. Dit argument kan, gelukkig, geen stand houden. Eenieder verdient immers dezelfde rechtsbescherming, ongeacht de situatie waar men zich in bevindt.

Verklaringen belastingplichtige

Wat in dit dossier ook bijzonder is, is de informatie die de belastingplichtige heeft verstrekt. Hij gaf in een eerder gesprek met de Belastingdienst namelijk aan, dat er rondom het jaar 2002 wel een bankrekening geweest was in Zwitserland. Later geeft de belastingplichtige aan tijdens dit gesprek te zijn overvallen / verrast. De vraag is echter hoe aannemelijk deze verklaring is, omdat het dossier op dat moment al geruime tijd liep. Ook de argumenten dat het vakantiegeld of een rekening van iemand anders betreft, zijn argumenten die even zo goed de andere kant op hadden kunnen vallen. Deze uitspraak is vanuit het oogpunt van de rechtsbescherming daarom prettig, maar duidelijk gekleurd door de zeer specifieke omstandigheden.

Buitenlands vermogen en Belastingdienst: wat te doen?

Indien u beschikt over buitenlandse bankrekeningen en u hoeft redelijkerwijs nog niet te vermoeden dat de Belastingdienst u op het spoor is, dan kunt u gebruik maken van de zogenaamde inkeerregeling. U kunt dan op basis van vrijwillige verbetering de Belastingdienst benaderen en gedane zaken corrigeren. Dit leidt meestal tot een forse boetematiging, of zelfs de afwezigheid van boeten. Wat zich in uw situatie voordoet is onder meer afhankelijk van het soort verzwegen vermogen. Hebt u hier vragen over of zit u in een onderzoek van de Belastingdienst naar buitenlands vermogen en wordt u geconfronteerd met moeilijke vragen en mogelijke navordering? Neem dan gerust eens contact op met één van de auteurs van dit artikel.

Onterechte navordering Zwitsers vermogen [news] 2021-03-22 0000-00-00 0000-00-00 6939
Laatste update : 17-08-2021
Dit artikel (of blog of voorbeeldovereenkomst) is met aandacht en zorgvuldigheid geschreven, maar bevat informatie van algemene en informatieve aard. De informatie in dit artikel kan, afhankelijk van de omstandigheden van uw specifieke geval, niet of verminderd van toepassing zijn. De informatie in dit artikel dient derhalve niet als fiscaal/juridisch advies te worden beschouwd. Jongbloed Fiscaal Juristen N.V. en of haar vestingen/ deelnemingen aanvaarden dan ook geen enkele aansprakelijkheid voor de gevolgen van het gebruik van de informatie uit het artikel.

Deel deze pagina

U bevindt zich hier : Jongbloed Fiscaal Juristen Banners Fiscale procedure?

Jongbloed Fiscaal Juristen - Disclaimer - Zoeken - Sitemap