print sitemap zoeken disclaimer contact

U bevindt zich hier :Jongbloed Fiscaal Juristen Banners Advies DGA of ondernemer?
7180 Advies DGA of ondernemer? https://www.jongbloed-fiscaaljuristen.nl/contact/e-mail_ons/

Advies DGA of ondernemer?

Vraag een offerte of stuur je vraag aan ons.

Belastingtips 2022 voor de DGA en de bv

In 2022 zullen diverse wijzigingen worden doorgevoerd voor de directeur-grootaandeelhouder (DGA) en zijn bv('s). In dit artikel een overzicht. Tevens nemen wij diverse tips voor de DGA op.

Wij controleren uw accountant

Heeft u vragen of wilt u belasting besparen? Neem eens contact met ons op of laat een fiscale scan van uw bedrijf en privé situatie maken. In deze fiscale scan controleren wij uw bedrijf (en privé situatie) op ruim 100 onderdelen. We gaan dus een wedstrijdje aan met uw accountant, wie is er slimmer en weet de fiscale mogelijkheden het beste !

Tarief vennootschapsbelasting 2022

Het tarief voor de Vennootschapsbelasting bedraagt 25%. Dit zal de komende jaren zo blijven. Echter voor winsten tot € 245.000 is het tarief in 2021 lager, namelijk 15%. In 2021 wordt dit nog gunstiger, tot een bedrag van € 395.000 bedraagt het tarief 15%. Heeft u een fiscale eenheid voor de Vennootschapsbelasting en winsten boven de € 395.000? Neem dan eens contact met ons op, via een eenvoudige route kunnen wij voor u tienduizende euro's besparen.

Verliesverrekening in de bv in 2022

Verliezen in de bv zijn verrekenbaar met winsten van het vorige jaar en de winsten over de komende 6 jaren. De termijn van 6 jaren komt te vervallen, verliezen zijn dus onbeperkt in de toekomst verrekenbaar. Tevens komt er een minder gunstige regeling. Verliezen tot € 1.000.000 zijn altijd te verrekenen, maar hierboven is nog maar 50% verrekenbaar.

Rekening-courant van de DGA in 2023

Er is een wetsvoorstel (excessief lenen) in de maak. De kern van dit voorstel is dat de DGA vanaf 2023 nog maximaal € 500.000 van zijn bv mag lenen. Lees voor meer informatie onderstaande artikelen. Er is veel kritiek op dit voorstel en de invoering is nog niet zeker.

Verrekening dividendbelasting met vennootschapsbelasting beperkt

Verrekening van dividendbelasting (en kansspelbelasting) met de vennootschapsbelasting wordt beperkt (oorzaak Sofia arrest). Op dit moment kunnen bv's (rechtspersonen) de betaalde dividendbelasting verrekenen met de te betalen vennootschapsbelasting. Wordt er verlies gemaakt in de bv, dan wordt de betaalde dividendbelasting aan de bv terugbetaald. Buitenlandse VPB-plichtigen krijgen de betaalde dividendbelasting niet terug. Dit kan volgens de EU niet door de spreekwoordelijke EU-beugel. Waarschijnlijk wordt de verliessituatie dus anders in de wet opgenomen. Bij verlies krijgt een Nederlandse bv de betaalde dividendbelasting niet meer terug van de Belastingdienst.

Diverse belastingtips 2022 voor de DGA

Als DGA zijn er vele mogelijkheden om belasting te besparen, denk eens aan:

  1. Belastingvrije bedrijfsopvolging
  2. Beperken bijtelling auto van de zaak bij meerdere auto's
  3. Belonen van kinderen en uw partner
  4. Voorkomen verliesverdamping
  5. Terugkeer uit de bv of eenmanszaak naast uw bv
  6. Fiscaal voordelig lenen van uw bv
  7. Eigen woning hypotheek of familiebank via uw bv
  8. Voorzieningen in uw bv voor uw bedrijfspand
  9. Sneller afschrijven van huurdersinvesteringen of materiële vaste activa
  10. Fiscale voordelen door innovatie

Fiscale vragen of fiscale scan

Heeft u vragen of wilt u een keer een fiscale APK van uw bedrijf? Neem dan gerust contact met ons op.

Belastingtips 2022 voor DGA en bv [news] 7213

Excessief lenen: emigratie en immigratie

In dit artikel, behorend bij onze reeks over het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap, gaan wij nader in op de gevolgen van dit wetsvoorstel voor aanmerkelijkbelanghouders (AB-houders) die emigreren of immigreren. Onderaan dit artikel, maar ook links in het menu, treft u snelkoppelingen naar de andere artikelen in deze reeks.

Excessief lenen bij de eigen vennootschap op hoofdlijnen

Wij brengen hier eerst het doel en de strekking van het wetsvoorstel in herinnering. Als gevolg van het wetsvoorstel bestaat er straks een fictief voordeel voor de situatie waarin een AB-houder, zijn partner of een met hem verbonden persoon een te grote schuld heeft uitstaan bij de vennootschap waarin het aanmerkelijk belang wordt gehouden. Indien de totale schuldsom meer bedraagt dan – als startdrempelbedrag - € 500.000, dan wordt het meerdere geacht inkomen uit aanmerkelijk belang te vormen. Dat leidt tot belastingheffing in box 2. Het box 2 tarief in 2021 bedraagt 26,9%.

Fiscale problematiek bij emigratie / immigratie AB-houders

Aanmerkelijkbelanghouders dienen bij emigratie of immigratie altijd rekening te houden met de fiscale aspecten. Bij emigratie is het zo dat sprake is van een fictieve vervreemding. Dat betekent dat over de vervreemdingswinst, die niet ‘echt’ wordt genoten, afgerekend moet worden met de Belastingdienst. Voor dit inkomen wordt een conserverende aanslag opgelegd. In tegenstelling tot wat vroeger het geval was, wordt deze conserverende aanslag niet na 10 jaar kwijtgescholden. Voor een conserverende aanslag kan uitstel van betaling worden verleend, afhankelijk van de omstandigheden kan dit zelfs renteloos zijn.

Bij immigratie geldt dat de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang moet worden vastgesteld. Indien sprake is van een vennootschap die naar Nederlands recht is opgericht of indien de immigrant eerder in Nederland heeft gewoond, zal de verkrijgingsprijs worden gesteld op de historische verkrijgingsprijs.

Excessief lenen en emigratie AB-houder

Ook bij excessief lenen heeft emigratie gevolgen voor de AB-houder. Wij beschreven hiervoor dat een fictief vervreemdingsvoordeel in aanmerking wordt genomen. Anders gezegd: er wordt gedaan alsof u de aandelen verkoopt. Indien u in het verleden geconfronteerd bent met een fictief regulier voordeel als gevolg van een te grote schuldsom, dan mag u een negatief fictief regulier voordeel in aanmerking nemen. Zoals uitgebreider uitgelegd in het artikel over het wetsvoorstel, is het negatief fictief regulier voordeel de tegenhanger van de box 2 heffing die u voldoet omdat u een te groot schuldbedrag heeft. Door deze systematiek wordt dubbele belastingheffing voorkomen. Hierna volgt een voorbeeld ter verduidelijking.

Een AB-houder heeft een schuld van € 750.000 aan zijn bv. Het bedrag dat de drempel van € 500.000 te boven gaat, wordt als regulier voordeel in aanmerking genomen. Dat bedrag bedraagt € 250.000. Het maximumbedrag (de drempel) bedraagt na deze gebeurtenissen € 750.000.

De AB-houder gaat later emigreren. De waarde van zijn aandelen in de bv bedraagt op dat moment € 1.100.000. De verkrijgingsprijs van de aandelen wordt gesteld op € 200.000. Het vervreemdingsvoordeel (fictief) wordt altijd gesteld op de waarde in het economisch verkeer – de verkrijgingsprijs. Het vervreemdingsvoordeel bedraagt derhalve € 900.000.

Op grond van dit wetsvoorstel wordt het vervreemdingsvoordeel vervolgens nog verminderd. Deze vermindering bedraagt het eerder in aanmerking genomen regulier voordeel (fictief) als gevolg van het excessief lenen. Dit voordeel bedroeg € 250.000. Deze € 250.000 komt dus in mindering op het vervreemdingsvoordeel van € 900.000.

Er volgt in dit voorbeeld dan een conserverende aanslag voor een vervreemdingsvoordeel van (per saldo) € 650.000, hetgeen resulteert in een aanslag van (naar huidig tarief van 26,9%) € 174.850.

Waardemutaties op de schuld in het jaar van de emigratie hebben geen effect op de uitkomst indien die voor de emigratie plaatsvinden.

Bij een conserverende aanslag horen altijd spelregels. Standaard is de regel dat de conserverende aanslag wordt beëindigd (en dus belasting wordt geheven), zodra u over het inkomen in Nederland belasting bent verschuldigd. Met de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel komt er een spelregel bij. Het uitstel van betaling wordt eveneens beëindigd voor zover bovenmatige schulden ontstaan of toenemen na de emigratie van de AB-houder. Net als wanneer u in Nederland was blijven wonen, bent u dan belasting verschuldigd over een fictief regulier voordeel. Hierna volgt een voorbeeld.

Een AB-houder heeft een schuld van € 750.000 bij zijn bv. Hij heeft hierover al eens een regulier fictief voordeel van € 250.000 voldaan, dus zijn maximumbedrag is ook € 750.000. Later emigreert de AB-houder. Ervan uitgaande dat het fictieve vervreemdingsvoordeel € 800.000 bedraagt, wordt de conserverende aanslag vastgesteld met een box 2 inkomen van € 550.000 (€ 800.000 - € 250.000). De belastingheffing hierover bedraagt, uitgaande van het huidige percentage van 26,9%, € 147.950.

In het jaar na de emigratie besluit de AB-houder nog eens € 50.000 te lenen van zijn vennootschap. Zijn totale lening bedraagt dan € 800.000. Het uitstel van betaling wordt nu ingetrokken voor een bedrag van € 50.000 * het AB-tarief (26,9%), hetgeen betekent dat een bedrag van € 13.450 moet worden voldaan. Wij merken volledigheidshalve op dat dit voorbeeld is geschreven zonder aandacht voor verdragstoepassing.

Uitzondering excessief lenen en emigratie AB-houder

Het kan voorkomen dat u na emigratie dividend uitkeert, juist bedoeld om die excessieve schuld af te lossen. Zonder nadere regels wordt echter bij het uitkeren van dividend, voor een deel van de conserverende aanslag het uitstel van betaling ingetrokken. Indien u als AB-houder aannemelijk kunt maken dat het totaal aan schulden is afgenomen ten opzichte van het vorige jaar, dan kan beëindiging van het uitstel achterwege blijven. Deze uitzondering geldt slechts voor zover in een nationale situatie een negatief fictief regulier voordeel in aanmerking genomen zou kunnen worden.

Excessief lenen en immigratie AB-houder

Ook bij excessief lenen heeft immigratie voor een AB-houder fiscale gevolgen. Vanaf het moment dat de persoon in Nederland gaat wonen, valt hij immers onder de Nederlandse fiscale verplichtingen en daar hoort het box 2 regime bij. Nederland wenst zich daarnaast in te spannen om immigratie zo min mogelijk te laten belemmeren door fiscaliteit. Het maximumbedrag van de schuldsom (de drempel) wordt daarom gesteld op het op dat moment aanwezige schuldbedrag van de AB-houder (en de aan hem toegerekende schulden van bijvoorbeeld een partner). De ondergrens daarbij bedraagt de bekende € 500.000. Hiermee wordt dubbele belastingheffing vermeden.

Zetelverplaatsing vennootschap en excessief lenen

Wat zich ook voor kan doen, is dat de vennootschap de werkelijke leiding verplaatst. Ook dit wordt aangemerkt als een fictieve vervreemding waarvoor een conserverende aanslag wordt opgelegd. De grondslag voor deze conserverende aanslag kan echter worden verlaagd met het bedrag dat als negatief fictief regulier voordeel in aanmerking genomen zou zijn genomen, indien de AB-houder de leiding niet had verplaatst en de schulden had afgelost. Hiermee wordt dubbele belastingheffing voorkomen. Indien een buitenlands belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft in meerdere vennootschappen, vindt deze regel pas toepassing zodra de laatste van de vennootschappen Nederland verlaat. Dit is anders ingeval van fictieve vestiging, waarop wij in dit artikel niet nader ingaan. Een voorbeeld ter verduidelijking.

De AB-houder is buitenlands belastingplichtig. De vennootschap is in Nederland gevestigd. De AB-houder leent € 700.000, hetgeen meer is dan de startdrempel van € 500.000. Een bedrag van € 200.000 wordt als fictief regulier voordeel in aanmerking genomen en het maximumbedrag wordt verhoogd naar € 700.000.

De vennootschap verplaatst later de werkelijke leiding naar het buitenland. Dat is een fictieve vervreemding en dus volgt een conserverende aanslag. Stel dat de waarde van de aandelen € 1.000.000 bedraagt en de verkrijgingsprijs € 100.000, dan bedraagt het vervreemdingsvoordeel € 900.000.

Dit bedrag wordt nog verminderd met het bedrag met € 200.000, waardoor de conserverende aanslag wordt berekend over een box 2 inkomen van € 700.000.

Fiscaal jurist over excessief lenen en emigratie / immigratie

Emigratie en immigratie zijn fiscaal altijd ingewikkelde onderwerpen. Met name als er sprake is van bijvoorbeeld diverse pensioenpotjes, aandelen in vennootschappen en / of een eigen onderneming, kan er veel geregeld moeten worden. De invoering van het wetsvoorstel excessief lenen maakt dat er weer een onderwerp bijkomt waar bij emigratie – in dit geval van een aanmerkelijkbelanghouder – rekening mee moet worden gehouden. Dat geldt overigens ook bij immigratie of remigratie. Het geheel aan regels bij het verlaten en / of terugkeren naar Nederland wordt er daarmee niet eenvoudiger op.

Het verplaatsen van de zetel van een vennootschap kan eveneens gevolgen hebben. Accountants en adviseurs zullen daarom scherp moeten zijn op het beoordelen van schuldverhoudingen in grensoverschrijdende situaties, indien deze schulden zijn aangegaan ten behoeve van de DGA, zijn partner of een verbonden persoon. Aangezien deze personen niet altijd dezelfde achternaam hebben, is het van belang om steeds en tijdig de juiste vragen te stellen. Vragen hierover? Neem dan gerust eens contact op met één van de auteurs van dit artikel.

Excessief lenen bij emigratie en immigratie [news] 2021-07-23 0000-00-00 0000-00-00 7096

Beantwoording vragen wet excessief lenen bij de eigen vennootschap (1)

In dit artikel, behorend bij onze reeks over het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap, gaan wij nader in op de uitgebreide beantwoording van vragen die zijn opgekomen naar aanleiding van het wetsvoorstel. Onderaan dit artikel, maar ook links in het menu, treft u snelkoppelingen naar de andere artikelen in deze reeks. 

Op 18 december 2020 is deze beantwoording gepubliceerd. Het complete document telt bijna 60 pagina’s. Wij volstaan in dit artikel met het beschrijven van verduidelijkingen en / of opmerkelijkheden.

U leest hier meer over de werking van dit wetsvoorstel in het algemeen.

Excessief lenen bij de eigen vennootschap op hoofdlijnen 

Wij brengen op deze plaats eerst het doel en de strekking van het wetsvoorstel in herinnering. Als gevolg van het wetsvoorstel bestaat er straks een fictief voordeel voor de situatie waarin een aanmerkelijkbelanghouder, zijn partner of een met hem verbonden persoon een te grote schuld heeft uitstaan bij de vennootschap waarin het aanmerkelijk belang wordt gehouden. Indien de totale schuldsom meer bedraagt dan – als startdrempelbedrag - € 500.000, dan wordt het meerdere geacht inkomen uit aanmerkelijk belang te vormen. Dat leidt tot belastingheffing in box 2. Het box 2 tarief in 2021 bedraagt 26,9%. Met deze wet probeert de wetgever een fiscaalrechtelijke oplossing te creëren voor het tegengaan van belastinguitstel en -afstel dat zich voordoet bij excessief lenen van de eigen vennootschap. Ter illustratie het volgende voorbeeld. Belastingafstel doet zich voor indien een aanmerkelijkbelanghouder niet in staat is de belasting te betalen over de vordering die de vennootschap op hem heeft. Dit doet zich vaak voor als de onderneming failliet gaat. Er zijn dan eenvoudigweg geen middelen meer om de belastingschuld af te lossen. Met dit voorstel wordt de heffing van naar voren gehaald in de tijd, zodat uitstel en afstel zich niet (of in mindere mate) voordoen.

Wij gaan hierna in op de beantwoording van vragen uit de Tweede Kamer. Daarbij komen achtereenvolgens de volgende onderwerpen aan bod:

  • Anticipatiegedrag;
  • Tegenbewijsregeling;
  • De uitgezonderde eigenwoningschuld;
  • Reikwijdte van de maatregel / anti-ontgaan;
  • Bestaande afspraken met de Belastingdienst;
  • Herkwalificatie van leningen;
  • Schulden van de partner en verbonden personen;
  • Dubbele heffing voorkomen;
  • Emigratie;
  • Overgangsrecht.

Anticipatiegedrag en excessief lenen

De wet excessief lenen is jaren geleden al aangekondigd. Dat maakt dat het voor belastingplichtigen mogelijk is om te anticiperen op de inwerkingtreding. Dat is volgens de wetgever ook gebeurd. Uit de aangiften inkomstenbelasting over het jaar 2019 blijkt dat er meer dividend is uitgekeerd. Dat zal enerzijds komen door de aankondiging van deze maatregel en anderzijds door de tariefverhoging voor box 2 per 2020 en 2021. In 2019 bedroeg het tarief voor de laatste keer 25%. In 2020 was het tarief 26,25% en per 2021 gaat het over 26,9%. De wetgever heeft niet in beeld hoeveel van de extra dividenduitkeringen zijn benut om schulden aan de eigen vennootschap af te lossen.

Tegenbewijsregeling en excessief lenen

Al vanaf het moment dat deze wetgeving werd aangekondigd, is gesproken over mogelijke alternatieven. Een veelgehoord argument is dat deze wetgeving kan leiden tot overkill. Immers, ook leningen die volledig zakelijk en goed aflosbaar zijn, worden in deze heffing betrokken. Een oplossing die regelmatig is voorgesteld, is het opnemen van een zogenaamde tegenbewijsregeling. Het is dan mogelijk om onderscheid te maken naar soorten leningen. De wetgever wil hier echter niet aan beginnen. Gelet op het doel van de wetgeving. is het verantwoord - in de ogen van de wetgever – om in principe alle schuldverhoudingen in de heffing te betrekken. Daarnaast leidt zo'n tegenbewijsregeling tot uitvoeringscomplexiteit voor de Belastingdienst. Een argument dat de afgelopen jaren overigens vaker uit de kast wordt gehaald om maatwerk tegen te gaan, zo valt ons op. Een tegenbewijsregeling of verzachting van de mogelijk harde uitwerking van deze wetgeving lijkt vooralsnog echter niet tot de mogelijkheden te behoren.

De eigenwoningschuld en excessief lenen

Zoals bekend is de eigenwoningschuld uitgezonderd van het wetsvoorstel excessief lenen. Nu kan zich echter een bijzonderheid voordoen. In Nederland zijn er veel mensen bij wie niet de gehele geldlening voor de eigen woning als eigenwoningschuld kwalificeert. Dat kan bijvoorbeeld komen doordat er een eigenwoningreserve is. Het gevolg is dan dat een deel van de geldlening in box 1 zit als eigenwoningschuld en de rest van de geldlening in box 3. Het deel dat in box 3 valt kwalificeert niet als eigenwoningschuld in de zin van de eigenwoningregeling.

Uitsluitend een eigenwoningschuld in de zin van box 1 kan voor de nieuwe wetgeving kwalificeren als een eigenwoningschuld die is uitgezonderd van de wetgeving inzake excessief lenen. Daarnaast dient een hypothecair zekerheidsrecht te zijn gevestigd. Het is dus belangrijk hier goed naar te kijken voordat een omvangrijke geldlening wordt aangegaan bij de eigen vennootschap.

Reikwijdte wet excessief lenen

Nieuwe maatregelen leiden vaak tot creatief gedrag waarmee de beoogde gevolgen door belastingplichtigen worden ontweken. Het is daarom niet vreemd dat in de Kamer direct wordt gevraagd of de wetgever hiermee rekening heeft gehouden. Dat is volgens de wetgever het geval. Zo is opgenomen dat leningen die rechtens dan wel in feite direct of indirect of via een verbonden persoon zijn verstrekt, ook onder deze wetgeving zullen vallen. Gezien de vorige zinsnede zullen ook zogenaamde back-to-back situaties onder de maatregel vallen. Dat zijn situaties waarin schuldverhoudingen zo worden gestructureerd, dat niet van een letterlijke maar wel van een feitelijke samenhang kan worden gesproken. De wetgever haalt het volgende voorbeeld aan. Een belastingplichtige die geld leent bij een bank, waarbij de eigen vennootschap zich op alle punten garant stelt. Een ander voorbeeld is het aangaan van een deposito bij de bank door de eigen vennootschap, waarna het geld wordt geleend – onder nagenoeg dezelfde voorwaarden – aan de belastingplichtige.

Een andere situatie die is geschetst, is de zogenaamde kruislening. Aanmerkelijkbelanghouders die niet kwalificeren als partners of verbonden personen van elkaar, gaan elkaar dan grote sommen geld lenen. Dat valt echter niet direct binnen de kaders van deze wetgeving, omdat geen sprake is van een lening aan de aanmerkelijkbelanghouder, de partner daarvan of een verbonden persoon. De aanmerkelijkbelanghouders zijn immers niet met elkaar verbonden. De wetgever meent dit op te kunnen vangen door een beroep te doen op het feit dat rechtens dan wel in feite direct of indirect geld wordt geleend. Wij voorzien op dit onderdeel voor de periode na inwerkingtreding veel discussies met de Belastingdienst.

Bestaande afspraken over lening bij eigen vennootschap

Veel belastingplichtigen hebben de afgelopen jaren afspraken gemaakt met de Belastingdienst over de schuld aan de eigen vennootschap. Over het algemeen betreft het afspraken over de hoogte van de rente en de omvang van de aflossingen. In vrijwel alle overeenkomsten met de Belastingdienst is opgenomen dat de afspraak kan vervallen bij een relevante wetswijziging. Daarvan is hoogstwaarschijnlijk sprake. De kans bestaat – en is volgens ons zelfs aanzienlijk – dat dan alsnog belastingheffing plaats zal vinden. Reken u dus niet rijk indien u nu een passende afspraak heeft liggen.

Herkwalificatie en excessief lenen bij eigen vennootschap

De Belastingdienst neemt regelmatig het standpunt in dat een geldlening eigenlijk een verkapte winstuitdeling is. Daarover kan vervolgens een discussie worden gevoerd. Indien de Belastingdienst in het gelijk wordt gesteld, zal zich iets bijzonders voordoen. Er is dan namelijk een geldlening die onder dit wetsvoorstel valt, maar aan de andere kant ook een winstuitdeling die eveneens in box 2 valt. Dat leidt zonder nadere maatregelen tot dubbele belastingheffing. Voor deze situatie is in de wet een uitzondering opgenomen die deze dubbele belastingheffing voorkomt.

Schulden van de partner en verbonden personen bij de eigen vennootschap

Niet alleen de schulden van de belastingplichtige die het aanmerkelijk belang houdt, maar ook de schulden van de partner en verbonden personen tellen mee. De belastingplichtige en zijn partner worden voor één gezamenlijk plafond van € 500.000 met rust gelaten. De reden dat er niet sprake is van een persoonsgebonden niveau, is het voorkoming van de uitholling van de grondslag door eenvoudigweg geld aan de partner uit te gaan lenen.

Indien sprake is van een fiscaal partner, kan gebruik worden gemaakt van het schuiven met gemeenschappelijke inkomensbestanddelen. Het fictief regulier voordeel behoort hier namelijk toe. De belastingplichtige en zijn partner kunnen dus samen kiezen aan wie het voordeel wordt toegerekend. Voor de hoogte van de heffing kan dit forse gevolgen hebben, dus denk hier goed over na of laat u goed adviseren. Indien geen keuze wordt gemaakt, wordt het inkomensbestanddeel aan ieder voor de helft toegerekend.

Ook de regels over verbonden personen roepen veel vragen op. Daarbij geldt als hoofdlijn het volgende. Tot de groep van verbonden personen behoren bloed- en aanverwanten in de rechte lijn van de belastingplichtige of zijn partner. Voor schulden die een verbonden persoon rechtens dan wel in feite direct of indirect heeft aan de vennootschap van de aanmerkelijkbelanghouder, geldt dat deze worden toegerekend aan de aanmerkelijkbelanghouder indien het bedrag hoger is dan het maximum. Een lening via de verbonden persoon, voor de aanmerkelijkbelanghouder, wordt aan de aanmerkelijkbelanghouder toegerekend. Dit geldt indien de verbonden persoon zelf geen aanmerkelijk belang in die vennootschap heeft. Heeft de verbonden persoon echter zelf een aanmerkelijk belang, dan is de regeling van toepassing op de verbonden persoon zelf en wordt gekeken naar de eigen schuld aan de vennootschap en het maximum bedrag.

Stel dat er sprake is van drie verbonden personen. Uit de toelichting van de wetgever komt naar voren dat het mogelijk is om aan alle drie een lening te verstrekken van € 499.000, zonder dat belastingheffing op grond van deze wetgeving plaatsvindt. Het is dan niet mogelijk om het geld weer door te lenen aan de aanmerkelijkbelanghouder zelf; dat wordt opgevangen door de back-to-back bestrijding. Uiteraard staan de Belastingdienst nog wel de gebruikelijke middelen zoals herkwalificatie en de onzakelijkheid van de lening ter beschikking om dergelijke transacties te bestrijden.

Voorkomen dubbele heffing bij excessief lenen

Zoals in ons uitgebreide artikel toegelicht, wordt dubbele heffing voorkoming door toekenning van een negatief fictief regulier voordeel bij een afnemende schuldpositie. Het benutten van dit negatieve voordeel verloopt echter volgens de reguliere regels voor verliezen in box 2 (aanmerkelijk belang). Naar huidig recht kan dan worden verrekend met inkomen uit aanmerkelijk belang uit het vorige jaar of in de komende zes jaar. Bij afwezigheid van het aanmerkelijk belang kan het verlies worden omgezet in een belastingkorting die in box 1 kan worden benut. Voorgaande maakt echter ook duidelijk dat de mogelijkheid bestaat dat verliezen niet benut kunnen worden, als gevolg waarvan dubbele heffing toch plaatsvindt. De wetgever lijkt hier geen oplossing voor te gaan bieden.

Emigratie en excessief lenen

Wij schreven eerder een artikel over emigratie en het wetsvoorstel excessief lenen. Voor een uitgebreide toelichting op de praktijk daaromtrent verwijzen wij daarnaar. Uit de beantwoording volgt met name dat internationale situaties voor de praktijk nog een uitdaging zullen worden, waarbij nuances en de uitleg van belastingverdragen van cruciaal belang zijn. De wetgever heeft toegelicht hoe deze wetgeving in het algemeen zal uitwerken. Bij verdragstoepassing zal eerst de vraag zijn of de excessieve lening als verkapt dividend wordt aangemerkt. Indien dat niet het geval is, heeft Nederland onder de meeste belastingverdragen geen heffingsrecht. In het buitenland wonende aanmerkelijkbelanghouders die geëmigreerd zijn hebben veelal een conserverende aanslag verkregen. Deze ziet op de waardeaangroei van het aanmerkelijk belang in de Nederlandse periode. Het verleende uitstel op de conserverende aanslag wordt voor hen ingetrokken voor een excessieve lening die na emigratie wordt verstrekt of toeneemt. Vooralsnog zal de wetgever niet gaan heronderhandelen over belastingverdragen op dit gebied. Het volgende voorbeeld is afgeleid van de toelichting:

Voorbeeld emigratie en excessief lenen

Een inwoner van Nederland heeft een aanmerkelijk belang in een in Duitsland gevestigd vennootschap. Hij leent meer dan € 500.000 en dus ontstaat een regulier fictief voordeel. In het jaar daarna wordt dividend uitgekeerd waarmee de lening wordt afgelost. Naar Nederlands recht zal dat leiden tot een negatief fictief regulier voordeel. Op die manier wordt dubbele heffing voorkomen. Dit kan echter complex worden indien Duitsland bronbelasting op de dividenduitkering inhoudt. Deze kan in Nederland voor verrekening in aanmerking komen, maar mogelijk is de belastingheffing in box 2 dan onvoldoende om de Duitse bronbelasting volledig te kunnen verrekenen. Deze bronbelasting kan overigens worden voortgewenteld.

Overgangsrecht wet excessief lenen bij de eigen vennootschap

Deze wetgeving gaat in per 1 januari 2023. Diverse partijen vragen zich af of het niet netter is om bestaande schuldverhoudingen bij wijze van overgangsrecht te respecteren, in plaats van via deze wetgeving in de belastingheffing te betrekken. Hier wil de wetgever echter vooralsnog niets van weten. Als gevolg van de coronacrisis is de datum van inwerkingtreding nu gesteld op 1 januari 2023 en belastingplichtigen hebben daardoor – volgens de wetgever – voldoende tijd om zich voor te bereiden op deze nieuwe wetgeving.

Een bekend voorbeeld is dat van ondernemers die op zakelijke gronden geld lenen van de eigen vennootschap, om daarmee beleggingsvastgoed aan te schaffen. Indien deze leningen boven het maximumbedrag uitkomen, is straks belastingheffing over het meerdere verschuldigd, terwijl het geld in stenen zit. Uit de beantwoording van de gestelde vragen komt naar voren dat voor deze groep geen tegemoetkoming wordt gezocht. In de ogen van de wetgever is onder andere het te gelde maken van het vastgoed (verkoop) een manier om de belastingheffing te kunnen voldoen. Deze groep hoeft dus niet uit te zien naar extra overgangsrecht of tegemoetkomingen. Illustratief is het verzoek van een aantal politieke partijen om een tijdelijke vrijstelling voor de overdrachtsbelasting te creëren, zodat het vervreemden van met geleend geld aangekocht beleggingsvastgoed aan bijvoorbeeld de eigen vennootschap vergemakkelijkt wordt. Hier wil de wetgever niet aan.

Advisering wet excessief lenen bij de eigen vennootschap

1 Januari 2023 is ver weg en de eerste peildatum van 31 december 2023 nog verder. Echter, de praktijk leert dat veel leningen bij de eigen vennootschap redelijk vast zitten en dat zonder meer aflossen vaak niet tot de mogelijkheden behoort. In deze fase lukt het ons in veel gevallen om samen met de belastingplichtige toch een oplossing te vinden, bijvoorbeeld door middel van kleine herstructureringen of het overdragen van vermogensbestanddelen. Het is echter van belang om hier tijdig mee te beginnen en een fiscaal jurist bij het dossier te betrekken. Deze kan, indien nodig, ook schakelen met uw accountant of andere financieel dienstverlener. Zo bent u tijdig en optimaal voorbereid op deze – harde – wetgeving.

Vragen excessief lenen [news] 7200

Excessief lenen bij de eigen vennootschap

Reeds in 2018 is het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap aangekondigd. Het wetsvoorstel leidt er kortgezegd toe dat de aanmerkelijkbelanghouder geconfronteerd wordt met een fictief voordeel, indien de totale schuldpositie te hoog is. Daarbij tellen ook schulden van de partner en verbonden personen mee. Het komt er dan op neer dat belasting wordt geheven over een voordeel dat niet daadwerkelijk is genoten. Dit kan leiden tot financiële problematiek. Dit wetsvoorstel leidt mede als gevolg hiervan tot veel discussie.

Inwerkingtreding wetsvoorstel excessief lenen bij eigen vennootschap

Als gevolg van de coronacrisis is de inwerkingtreding van deze wetgeving een jaar uitgesteld. De wet gaat in op 1 januari 2023. Dat betekent dat de eerste peildatum voor de schulden aan de eigen vennootschap, 31 december 2023 is. Tot deze datum hebt u nog de tijd om te anticiperen op deze nieuwe wetgeving.

Artikelenserie en updates wetsvoorstel excessief lenen

In deze rubriek treft u al onze artikelen over het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap. Sommige artikelen zijn algemeen van aard en andere gaan in op speciale problematiek of toelichtingen door de wetgever. Wij hopen u daarmee een volledig beeld van deze wetgeving te kunnen bieden.

Advies bij excessief lenen van de eigen vennootschap

Wij helpen u graag om de belastingdruk te beperken. Dit wetsvoorstel leidt tot belastingheffing over inkomen dat niet daadwerkelijk is genoten. Hoe eerder u uw schuldposities beoordeelt en hierop actie onderneemt, hoe meer er mogelijk is om deze heffing te voorkomen. Neem daarom gerust contact op met een van de specialisten onderaan dit artikel.

Excessief lenen bij de eigen vennootschap [news] 2021-07-01 0000-00-00 0000-00-00 7094

Oplossingen voor wetsvoorstel excessief lenen DGA

Excessief lenen directeur-grootaandeelhouder

DGA's zien de B.V. nog te vaak als hun eigen portemonnee. De bankrekening van de B.V. wordt als pinautomaat gebruikt voor de bestedingen van de DGA. Er ontstaat dan een lening en er wordt dus geen belastingheffing voldaan. Dit wil het kabinet beperken. De nieuwe wetgeving is aangekondigd per 2023.  

Of deze wetgeving het gaat halen is nog maar de vraag, er is vanuit de Raad van State, de Nederlandse Orde voor Belastingadviseurs en de Tweede Kamer veel kritiek op dit wetsvoorstel. Het is onnodig, complex en op onderdelen onjuist, is de veel gehoorde kritiek.

DGA-tax 2023

De DGA-tax is een strafheffing die vermoedelijk in 2023 wordt ingevoerd, dit was 2022 maar is uitgesteld. Over deze wetgeving is nog veel onduidelijk, maar de gevolgen lijken vrij stevig. In dit artikel monitoren wij de stand van de wetgeving en de mogelijkheden en onmogelijkheden. Een tijdige voorbereiding is wenselijk.

DGA strafheffing bij excessief of bovenmatig lenen

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) die veel van zijn B.V. heeft geleend wordt in 2023 stevig aangepakt. De nieuwe wetgeving zal vermoedelijk gevolgen hebben voor ruim 10.000 DGA's. De wetgever wil de opnamen van de DGA uit zijn eigen holding / B.V. aan banden gaan leggen. De Belastingdienst ziet het excessief lenen van de eigen B.V. als belastingontduiking en krijgt hier nu ook een wettelijke regeling voor.

Als u meer dan € 500.000 van uw B.V. heeft geleend, moet u opletten !

Excessief lenen van de B.V. door de DGA

Als er meer dan € 500.000 is geleend van de B.V. door de DGA, is sprake van een excessieve lening, aldus het nieuwe voorstel. In het kort de voorwaarden en regels:

  • Het moet gaan om een lening aan de DGA.
  • De lening moet hoger zijn dan € 500.000.
  • De DGA moet direct of indirect een aanmerkelijk belang in de B.V. bezitten.
  • De leningen van de verschillende rechtspersonen worden bij elkaar geteld.
  • Waar de lening voor is gebruikt is grotendeels niet relevant (box 3 / consumptief).
  • Leningen voor de eigen woning worden buiten beschouwing gelaten.
  • Voor leningen voor de eigen woning die na 1 januari 2022 worden verstrekt moet een hypothecaire zekerheid worden gesloten.
  • Leningen aan kinderen en (schoon-)ouders tellen mee indien deze hoger zijn dan € 500.000, het meerdere wordt dan bij de € 500.000 van de DGA opgeteld.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt vermoedelijk niet geïndexeerd.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt niet verdubbeld als de DGA een fiscale partner heeft.

Oplossingen voor geen excessieve lening

De Belastingdienst zal vanaf 2019 strenger optreden tegen DGA's met een rekening-courantschuld. Vanaf 2022 moet de DGA leningen gaan aflossen of dividend gaan uitkeren. Doet de DGA niets, dan geldt vanaf 2023 een fictie (en dus heffing van dividendbelasting). Het betreft thans nog een wetsvoorstel, maar er komt zeker een regeling aan. Oplossingen voor de nieuwe regeling zijn:

  1. Dividend uitkeren zodat schuld niet bovenmatig is.
  2. Overdragen activa waar de bovenmatige schulden mee samenhangen aan de B.V. (bij voorkeur op hoogtepunt van de markt, met waardering deskundige).
  3. Vermijden fiscaal partnerschap zodat de drempel 2x € 500.000 gaat bedragen.
  4. Aangaan van een personenvennootschap, waarbij de DGA de schuld inbrengt en tevens de activa welke hiermee direct samenhangen (bijvoorbeeld pand en lening). Hierbij moet de B.V. dan ook activiteiten inbrengen, het geheel moet een onderneming vormen. Vervolgens kan het aandeel van de DGA geruisloos worden ingebracht in de B.V. (geen overdrachtsbelasting etc.).
  5. Overdragen bezittingen, beleggingen of spaargeld aan de B.V. (ter aflossing van de schuld).
  6. Oversluiten van leningen bij externe partijen (vrienden of bancaire instellingen).
  7. Overdragen van bezittingen (met de bijbehorende schuld) door de DGA aan zijn kind(eren), mits de kinderen geen aandelen in de B.V. hebben. Bijvoorbeeld een beleggingspand van de DGA wordt (met schuld aan de B.V.) overgedragen aan de zoon of dochter, eventueel via een stichting die de activa gaat certificeren. Hiermee kan de DGA het stemrecht behouden (waardeontwikkeling bij de kinderen).
  8. Op dit moment wordt ook nagedacht over structuren waarbij een C.V. wordt gevormd in combinatie met overdracht van een beleggingspand. Of dit werkt wordt in 2020 bezien.

Oplossingen excessief lenen [news] 2021-02-22 0000-00-00 0000-00-00

Wellicht komt er voor de DGA een nieuwe wet in 2023 die het lenen van de B.V. moet beperken. De invoering is uiterst onzeker, maar je weet nooit! Wat zijn mogelijke oplossingen voor de nieuwe wet?

6891

Excessief lenen directeur-grootaandeelhouder

We zien in de praktijk dat DGA's massaal van hun B.V. lenen. Er zal dan geen belastingheffing over de lening plaatsvinden. De Belastingdienst trekt ten strijde tegen deze leningen. Nu nog via brieven en procedures en vanaf 2023 ook met nieuwe wetgeving in de hand.  Of deze wetgeving het gaat halen is nog maar de vraag, er is vanuit de Raad van State, de Nederlandse Orde voor Belastingadviseurs en de tweede kamer veel kritiek op dit wetsvoorstel. Het is onnodig, complex en op onderdelen onjuist, is de veel gehoorde kritiek.

DGA Tax 2023

De DGA-tax is een strafheffing die vermoedelijk in 2023 wordt ingevoerd, dit was 2022 maar is uitgesteld. Over deze wetgeving is nog veel onduidelijk, maar de gevolgen lijken vrij stevig. In dit artikel monitoren wij de stand van de wetgeving en de mogelijkheden en onmogelijkheden. Een tijdige voorbereiding is wenselijk.

Update 17 juni 2020

Het wetsvoorstel ligt sinds 17 juni 2020 bij de tweede kamer (dit voorstel kunt u hier raadplegen). Vanaf 2023 worden DGA's (AB houders) beperkt in het geld lenen van hun BV (tot maximaal € 500.000), met uitzondering van bestaande eigenwoning schulden. Het gaat om 11.000 DGA's die iets moeten veranderen in de afspraken met hun BV.

Update 24 april 2020

Het wetsvoorstel excessief lenen door de DGA van zijn eigen BV wordt uitgesteld tot eind 2023. Schulden van de DGA aan zijn eigen BV die hoger zijn dan € 500.000 kunnen hiermee later worden afgelost (is exclusief eigen woning schulden).

DGA strafheffing bij excessief of bovenmatig lenen

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) die veel van zijn B.V. heeft geleend wordt in 2022 stevig aangepakt. De nieuwe wetgeving zal vermoedelijk gevolgen hebben voor ruim 10.000 DGA's. De wetgever wil de opnamen van de DGA uit zijn eigen holding / B.V. aan banden gaan leggen. De Belastingdienst ziet het excessief lenen van de eigen B.V. als belastingontduiking en krijgt hier nu ook een wettelijke regeling voor.

Als u meer dan € 500.000 van uw B.V. heeft geleend moet u opletten !

Dividenduitkering DGA en belastingheffing

Als een DGA dividend ontvangt van zijn B.V., moet hij hierover 26,25% Box 2 heffing betalen (wordt in 2021  26,9%). Een dividenduitkering zal het eigen vermogen (winstreserve) in de B.V. verlagen. Bij een dividenduitkering moet de B.V. 15% dividend belasting inhouden, de overige 11,25% wordt in privé (inkomstenbelasting) opgelegd.

  • Bij een dividenduitkering van € 300.000 moet in totaal ruim € 78.000 aan dividendbelasting worden betaald. Bij de uitkering moet de B.V. € 45.000 betalen, in privé moet de DGA dan nog € 33.000 betalen.

Excessief lenen van de B.V. door de DGA

Als er meer dan € 500.000 is geleend van de B.V. door de DGA, is sprake van een excessieve lening, aldus het nieuwe voorstel. In het kort de voorwaarden en regels:

  • Het moet gaan om een lening aan de DGA.
  • De lening moet hoger zijn dan € 500.000.
  • De DGA moet direct of indirect een aanmerkelijk belang in de B.V. bezitten.
  • De leningen van de verschillende rechtspersonen worden bij elkaar geteld.
  • Waar de lening voor is gebruikt is grotendeels niet relevant (box 3 / consumptief).
  • Leningen voor de eigen woning worden buiten beschouwing gelaten.
  • Voor leningen voor de eigen woning die na 1 januari 2022 worden verstrekt moet een hypothecaire zekerheid worden gesloten.
  • Leningen aan kinderen en (schoon) ouders tellen mee indien deze hoger zijn dan € 500.000, het meerdere wordt dan bij de € 500.000 van de DGA opgeteld.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt vermoedelijk niet geïndexeeerd.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt niet verdubbeld als de DGA een fiscale partner heeft.

Conclusie fiscaal jurist over rekening-courant DGA

De Belastingdienst zal vanaf 2019 strenger optreden tegen DGA's met een rekening-courantschuld. Vanaf 2022 moet de DGA leningen gaan aflossen of dividend gaan uitkeren. Doet de DGA niets, dan geldt vanaf 2023 een fictie (en dus heffing van dividendbelasting). Het betreft thans nog een wetsvoorstel, maar er komt zeker een regeling aan. Oplossingen voor de nieuwe regeling zijn:

  1. Dividend uitkeren zodat schuld niet bovenmatig is.
  2. Overdragen activa waar de bovenmatige schulden mee samenhangen aan de BV (bij voorkeur op hoogtepunt van de markt, met waardering deskundige)
  3. Vermijden fiscaal partnerschap zodat de drempel 2x € 500.000 gaat bedragen.
  4. Aangaan van een personenvennootschap waarbij de DGA de schuld inbrengt en tevens de activa welke hiermee direct samenhangen (bijvoorbeeld pand en lening), hierbij moet de BV dan ook activiteiten inbrengen, het geheel moet een onderneming vormen. Vervolgens kan het aandeel van de DGA geruisloos worden ingebracht in de BV (geen overdrachtsbelasting etc.)
  5. Overdragen bezittingen, beleggingen of spaargeld aan de B.V. (ter aflossing van de schuld).
  6. Oversluiten van leningen bij externe partijen (vrienden of bancaire instellingen).
  7. Overdragen van bezittingen (met de bijbehorende schuld) door de DGA aan zijn kind(eren), mits de kinderen geen aandelen in de BV hebben. Bijvoorbeeld een beleggingspand van de DGA wordt (met schuld aan de B.V.) overgedragen aan de zoon of dochter. Eventueel via een stichting die de activa gaat certificeren, hiermee kan de DGA het stemrecht behouden (waardeontwikkeling bij de kinderen).
  8. Op dit moment wordt ook nagedacht over structuren waarbij een C.V. wordt gevormd in combinatie met overdracht van een beleggingspand. Of dit werkt wordt in 2020 bezien.

Excessief lenen DGA [news] 2020-02-27 0000-00-00 0000-00-00 6370
6807 Fiscale scan

Fiscale scan van uw onderneming

We betalen allemaal belasting in Nederland. Veel ondernemers en directeuren-grootaandeelhouders (DGA's) vinden of hebben het gevoel dat ze teveel belasting betalen. Ook bestaat er vaak onzekerheid over de vraag of de fiscale mogelijkheden wel optimaal benut worden. Of dat met het verstrijken van de tijd alles nog wel optimaal georganiseerd is.

Met enige regelmaat voeren wij fiscale scans uit voor ondernemers om te beoordelen of zij belasting kunnen besparen. De fiscale scan geeft u een simpel, snel en efficiënt overzicht van de mogelijkheden binnen uw bedrijf. De scan heeft meestal betrekking op het midden- en kleinbedrijf, zelfstandige beroepen (zoals advocaten, chirurgen, huisartsen, etc.).

Wij maken een beoordeling van het bedrijf en van de positie van de ondernemer en daarbij wordt er op diverse fiscale mogelijkheden getoetst. Op basis hiervan maken wij een risico-inventarisatie en een opstelling van de mogelijkheden. Of wij geven een bevestiging dat alles prima op orde is. 

Enkele veel voorkomende aandachtspunten zijn:

  • Bedrijfsstructuur op orde (aansprakelijkheid, toekomstige bedrijfsopvolging, flexibiliteit)?
  • Rechtsvorm goed?
  • Arbeidsrelaties en arbeidsbeloning DGA.
  • BTW-situatie beoordelen.
  • Diverse overeenkomsten op orde?
  • Vastgoed, positie binnen het bedrijf.
  • Voorzieningen mogelijk?
  • Oudedagsvoorzieningen goed geregeld?
  • Testament - huwelijkse voorwaarden.
  • Positie kinderen?

Kosten

De kosten van een eenvoudige scan bedragen circa € 1.500 en van een uitgebreide scan € 3.000 (alles exclusief omzetbelasting). Wij bespreken dit graag met u en geven u een offerte. Vaak is van kosten overigens geen sprake. Veelal vinden wij verbeterpunten die leiden tot een belastingbesparing, zodat onze inspanningen per saldo geld opleveren.

Second opinion

Uw huidige accountant, administrateur of adviseur is vaak waardevol voor uw bedrijf. Hij loopt vaak al lang mee en kent u en uw bedrijf door en door. Na een paar jaar zou u een fiscaal jurist of Register Belastingadviseur moeten vragen of u fiscaal en juridisch nog wel "bij de tijd" bent. Accountancy en belastingadvies zijn twee volledig andere werelden. Ons kantoor heeft diverse accountantskantoren als cliënt en wij verwijzen ook regelmatig cliënten door naar accountantskantoren. Ieder z'n vak. Omdat wij geen jaarrekeningen opstellen, zijn wij geen concurrent voor accountants, wij kunnen volledig onafhankelijk ons werk doen. We zitten elkaar niet in het vaarwater, maar vullen elkaar prima aan. En u heeft daarna altijd het geruststellende gevoel niet teveel belasting te betalen.

Neemt u eens vrijblijvend contact met ons op. Aan een oriënterend gesprek zijn geen kosten verbonden.

BTW scan

Sinds 2021 maken wij bij bedrijven ook een BTW scan, lees hier over de mogelijkheden en kosten.

WKR Scan

Via onze WKR tool kunnen wij u ook een scan van loonheffingen aanbieden, inclusief een WKR tool.

]]>

Fiscale BTW-scan

Op ons kantoor werken twee BTW-specialisten die u graag adviseren over mogelijke BTW-vraagstukken of risico's binnen uw bedrijf. De heer Arjan Hof is al lang bij ons kantoor werkzaam en de heer Henk Davina heeft zijn sporen verdiend bij de Belastingdienst. Regelmatig adviseren zij zorginstellingen, ziekenhuizen, verzekeringadviseurs, scholen, gemeenten en projectontwikkelaar of woningbouwbedrijven.

De BTW-quickscan

De BTW-wetgeving kent vele regels en uitzonderingen waarbij de gevolgen groot kunnen zijn als de regels niet worden opgevolgd. Het belang van bijvoorbeeld een correcte BTW-factuur wordt daarom ook vaak onderschat. Kennis van BTW-wetgeving is een must, het is een ‘zakelijke’ belasting. Moedwillig of onbewust, de vergissingen leiden vaak tot forse boetes!

Een quickscan dient om op een eenvoudige en efficiënte manier erachter te komen of u risico's loopt bij het uitvoeren van uw fiscale verplichtingen. Maar ook de kansen om belasting te besparen worden tijdens de quickscan in beeld gebracht.

Hoe werkt de BTW-scan?

Met een BTW-quickscan wordt aan de hand van een vragenlijst eerst een inventarisatie gemaakt van de huidige activiteiten van uw onderneming en de BTW-gevolgen daarvan. Met andere woorden, zitten we op de goede weg of constateren wij aanzienlijke omissies? Een dergelijke BTW-quickscan bestaat uit de volgende werkzaamheden:

Fase 1 BTW-scan

Een interview met een medewerker die inhoudelijk goed op de hoogte is van de activiteiten en van de geld- en factuurstromen binnen de onderneming (fase 1); hierbij kunnen bijvoorbeeld de volgende BTW-aspecten aan de orde komen.

  • tarief, algemeen (21%), verlaagd  (9%) of 0% (export)
  • administratieve verplichtingen  (juiste in- en verkoopfactuur)
  • onroerend goed en BTW (huur / verhuur)
  • vrijgestelde prestaties
  • gemengde prestaties
  • uit- en inlening van personeel en werken met zelfstandigen
  • pro rata en BUA (verstrekkingen aan personeel en zakelijke relaties)
  • intracommunautaire leveringen en diensten (aangifte ICP)
  • verleggingsregeling (b.v. in de bouw)
  • fiscale eenheid
  • privégebruik van zaken door werknemers (zoals eigen producten en de auto van de zaak)

Dit is slechts een korte opsomming. De BTW-wetgeving bestaat uit zeer veel verschillende aspecten.

Fase 2 en 3 BTW-scan

  • Beoordeling opgevraagde documenten / steekproef facturen / correspondentie Belastingdienst (fase 2);
  • Bevindingen worden gerapporteerd in een puntsgewijze schriftelijke uitwerking met aanbevelingen voor de toekomstige handelwijze (fase 3);
  • Ervaring leert dat inhoudelijk feitenonderzoek (fase 2) in combinatie met expertise uit de organisatie, een effectieve methode is de feitelijke fiscale (BTW-)werkelijkheid in kaart te brengen. Niet zelden blijkt dat de administratieve werkelijkheid anders is dan de door de organisatie waargenomen werkelijkheid. Daarnaast wordt een goed beeld gekregen van het fiscale bewustzijn van uw organisatie.

De quickscan is maatwerk. De reikwijdte van een quickscan wordt daarom in overleg met u bepaald. Hiervoor zijn reeds een aantal voorbeelden van onderwerpen genoemd waarop de quickscan betrekking kan hebben. De voorbeelden zijn uiteraard indicatief.

Kennismakingsgesprek inzake BTW-scan

De ervaring leert ons dat het een grote toegevoegde waarde oplevert als een dergelijke quickscan wordt uitgevoerd door een volledig onafhankelijk belastingadvieskantoor zoals Jongbloed Fiscaal Juristen. Op deze wijze verkrijgt de quickscan voor de cliënt direct het karakter van een second opinion.

De kosten en omvang van een dergelijke scan bespreken we vooraf met u. De kosten zijn uiteraard afhankelijk van de aard en omvang van de werkzaamheden. Bij het vrijblijvende orienterende gesprek zullen wij reeds een inschatting van de kosten geven.

BTW scan [news] 2020-05-18 0000-00-00 0000-00-00 6577

Fiscale loonheffing en WKR-scan

Personeelskosten beslaan een groot deel van uw kosten. Hier is ook veel fiscaal voordeel te behalen, dit kan via een zogenaamde WKR / loonbelastingscan al vanaf € 1.750 (exclusief omzetbelasting, bij minder dan 10 werknemers). Wij toetsen uw loonadministratie, belastingvrije vergoedingen, beloningsvormen, etc. op ruim 100 onderdelen. Naast het fiscale voordeel (dat veelal hoger is) bent u ook weer fiscusproof (bij een boekenonderzoek).

Heeft u meer werknemers, vraag dan een vrijblijvende offerte aan.

De loonheffing en WKR-scan

Ik wens u veel personeel”, een oude uitspraak, waarbij men u veel ellende en zorgen toewenst. In zekere zin is deze uitspraak nog steeds van toepassing. Immers, werknemers in dienst hebben of nemen brengt heel veel verplichtingen met zich mee. Daarnaast is de wet- en regelgeving rond personeel bijna voortdurend aan verandering onderhevig.

Bij controle van de loonheffingen maakt de Belastingdienst bij grotere ondernemingen in toenemende mate gebruik van de zogeheten geldeenheid- of Eurosteekproef. Deze methode, die door de Hoge Raad is goedgekeurd, is voor de Belastingdienst zeer efficiënt.

De gevolgen van de uitkomsten van deze steeproef kunnen voor werkgevers ook bij één enkele geconstateerde fout al flink in de papieren lopen (extrapolatie): een onjuist geboekte post van enkele honderden euro’s kan leiden tot naheffingen van tienduizenden euro’s.

Ook als u zelf weinig of geen personeel hebt, maar werkt met externen of werk uitbesteedt, krijgt u met diverse wetten te maken. Controle van de fiscale kwalificatie van arbeidsrelaties is een speerpunt bij de Belastingdienst.

Fiscale scan loonheffing

Speciaal voor de inzet van externen en de werkkostenregeling heeft Jongbloed Fiscaal Juristen een tweetal scans ontwikkeld.

  1. Loonheffingenscan / WKR, risico-inventarisatie tegen vaste prijs
  2. Scan inhuur externen / inhoudingsplicht

Voor de beoordeling van de fiscale risico’s met betrekking tot de inzet van externen hebben wij een scan ontwikkeld. De werkwijze hierbij is dat we documentatie opvragen. Aan de hand van de aangereikte documentatie vindt een interview plaats van 2 - 3 uur met één van uw medewerkers (afdeling administratie), waarna een verslag van bevindingen en beknopte aanbevelingen wordt opgeleverd.

Vaste prijs van de scan: € 1.750 excl. BTW.

Scan werkkostenregeling

Ook de toepassing van de werkkostenregeling leidt in de praktijk tot veel vragen en onjuiste toepassingen. Kunnen advocaatkosten van de werknemer bij einde dienstverband onbelast worden vergoed? Hoe zit het met het verstrekken van vaste onkostenvergoedingen?

Bij deze scan wordt het gebruik van gerichte vrijstellingen, nihilwaarderingen en kosten in de zogenoemde vrije ruimte beoordeeld. Ook hier vindt aan de hand van opgevraagde documentatie een interview plaats met één van uw medewerkers van de afdeling administratie, waarna de uitkomsten van de scan wordt uitgewerkt in een verslag van bevindingen en beknopte aanbevelingen.

Vaste prijs van de scan: € 1.750 excl. BTW.

Inhouse workshop loonheffingen  

Bij de inhouse workshops is ruimte voor 4 - 6 deelnemers. In verband met de coronamaatregelen behoort het geven van een online workshop (via teams) tot de mogelijkheden.

Kosten: € 850 excl. BTW (4 - 6 deelnemers)

Uiteraard ontvangen deelnemers een map met achtergronddocumentatie en de hand-out van de presentatie.

Inhouse workshop werkkostenregeling

Bij de inhouse workshops is ruimte voor 4 - 6 deelnemers.

In verband met de coronamaatregelen behoort het geven van een online workshop (via teams) tot de mogelijkheden.

Kosten: € 850 excl. BTW (4 - 6 deelnemers)

Uiteraard ontvangen deelnemers een map met achtergronddocumentatie en de hand-out van de presentatie.

Meer weten?

Interesse?  Stuur dan een e-mail naar m.bik@jongbloed.tv of bel 06- 36531263 voor een afspraak over de scans of workshops. 

Fiscale scan WKR [news] 2020-10-15 0000-00-00 0000-00-00 6759
DGA [news] 342

Onderneming aan kinderen

Bedrijf gratis aan kinderen

Nederland wordt steeds leuker. Sinds 2010 kan een directeur-grootaandeelhouder (DGA) zonder belastingen de aandelen van zijn actieve B.V. aan zijn kinderen schenken.

Toelichting

Tot 2010 moest de DGA 25% inkomstenbelasting (box 2) betalen bij een schenking. Daarnaast moest dan nog schenkingsrecht (5% - 27%) worden betaald. Sinds 2010 is de waarde van de aandelen voor 90% vrijgesteld op grond van de BOF-regeling (bedrijfsopvolgingsfaciliteit).

Aandachtspunt

De regeling is eenvoudig en hierdoor goed te gebruiken. U moet er wel op letten dat uw B.V. (dus ook de Holding) een actieve onderneming is. Tevens is het verstandig om een afspraak met de belastingdienst te maken omtrent de waarde van de aandelen. Het is verstandig om goed op te letten dat zowel een vrijstelling voor de AB heffing en de schenkbelasting wordt verkregen, uw zoon of dochter moet hiervoor minimaal 3 jaar bij uw bedrijf werkzaam zijn.

Overlijden

Als u komt te overlijden en de aandelen moeten dan nog over, is het fiscaal eigenlijk te laat. U had al lang moeten stoppen en uw kinderen hadden al eigenaar moeten zijn. De BOF-vrijstelling bedraagt sinds 2010 90%

Estate planning

Het is verstandig eens met uw partner en kinderen over 'de dood' te praten. Niet omdat het leuk is, maar omdat het moet en u er geld mee kunt besparen. Het is leuker om geld aan de kinderen te geven dan aan de fiscus, toch? Estate planning is relatief simpel, aandachtpunten zijn:

  1. huwelijkse voorwaarden;
  2. testament;
  3. overdracht vermogen bij leven;
  4. gevolgen bij overlijden;
  5. tenaamstellingen van polissen.

Pas op

Als de onderneming geen actieve B.V. meer is, is de vrijstelling niet van toepassing. Draag dus over voordat u stopt, verkoopt of emigreert !!

Onderneming aan kinderen [news] 2012-12-24 0000-00-00 0000-00-00

Partner in dienst nemen.

U  heeft een salaris van uw B.V. Het kan voordeliger zijn om ook uw partner in dienst te nemen van uw B.V. 

De voordelen

  1. Het belastingtarief voor uw partner is waarschijnlijk lager dan uw belastingtarief.
  2. Uw partner heeft bij een salaris recht op arbeidskorting.
  3. U kunt een pensioen voor uw partner regelen, in sommige gevallen kunt u het pensioen ook in eigen beheer opbouwen, maar daarvoor moet uw partner 10% van de aandelen bezitten.
  4. Alle zakelijke kosten voor uw partner (salaris, pensioen, etc.) zijn aftrekbaar van uw winst.
  5. U kunt uw partner een auto van de zaak geven, ook kunt u overwegen om de bijtelling voor uw auto te verdelen over u en uw partner. Voordeel hiervan is dat het belastingtarief van uw partner waarschijnlijk lager is.
  6. U bent meestal geen werknemerspremies over het salaris van uw partner verschuldigd. Dit komt doordat de gezagsverhouding ontbreekt.
  7. U kunt uw partner allerlei fiscaal gunstige regelingen toezeggen (vaste onkostenvergoeding, mobiele telefoon van de zaak, fiets van de zaak, fitness via de zaak, etc.).

Aandachtspunten

Regel het wel zakelijk, stel dus een arbeidsovereenkomst op en laat het salaris via uw loonadministratie maandelijks uitbetalen.

Echtscheiding

Als u gaat scheiden, wilt u waarschijnlijk uw partner ook ontslaan. Aan dit ontslag zijn extra kosten verbonden.

Gebruikelijk loon

Sinds vele jaren valt uw partner ook onder de gebruikelijkloonregeling. Lees meer elders op site. Bel hierover even met uw adviseur of stuur ons (kostenloos) een mail.

[news] 2010-01-15 2010-01-15 0000-00-00 2719

Bancaire lijfrente en DGA

Sinds 2008 is het voor de directeur-grootaandeelhouder (de DGA) mogelijk om een bancaire lijfrente af te sluiten. Dit is een spaar- of beleggingsrekening bij een bank waarop de DGA een lijfrente stort. De premie is aftrekbaar. Omdat er veel onduidelijkheden zijn over het pensioen in eigen beheer, zien wij in onze praktijk dat er steeds meer DGA's kiezen voor deze optie.

Voordelen bancaire lijfrente DGA

De bancaire lijfrente is er nog niet zo lang. Voorheen moest de DGA een lijfrente afsluiten bij een verzekeraar, de traditionele lijfrente. Voordeel van de bancaire lijfrente is dat de kosten lager zijn dan bij een reguliere lijfrente bij een verzekeraar. Een ander voordeel is dat bij een bancaire lijfrente het geld aan uw nabestaanden toekomt als u vroegtijdig komt te overlijden.

Een bancaire lijfrente kent andere voorwaarden dan een normale lijfrente bij een verzekeraar. Tijdens de opbouw van uw lijfrente is het weduwerisico niet verzekerd. Tevens stopt de uitkering als het geld op is, u krijgt wat u heeft gespaard (inclusief rendement). Als u voor de ingangsdatum komt te overlijden krijgen uw nabestaanden het banksaldo en als u lang zou leven stopt op enig moment de uitkering (lang leven risico). De normale uitkeringsperiode bij een bancaire lijfrente bedraagt 20 jaar.

Een belangrijk voordeel van een bancaire lijfrente is dat u voor de uiteindelijke uitkering niet afhankelijk bent van het succes van uw B.V. / onderneming. Er wordt dus echt geld buiten uw bedrijf gereserveerd voor uw pensioen, een goede risicospreiding. Nadeel is natuurlijk dat u geld aan uw bedrijf moet onttrekken.

Pensioen in eigen beheer en bancaire lijfrente

Als u gebruik maakt van de zogenaamde bancaire lijfrente, dan mag u geen gebruik maken van een pensioenopbouw in eigen beheer. U mag namelijk alleen via een bancaire lijfrente een pensioen opbouwen als u een pensioentekort heeft.

Voorbeeld bancaire lijfrente voor de DGA

Een DGA heeft een salaris van € 70.000. De maximale storting in een bancaire lijfrente bedraagt in dit geval ongeveer € 10.000 (€ 70.000 -/- € 11.829 x 17%). Stel dat u gedurende 25 jaar een maximaal bedrag heeft ingelegd, dan krijgt u na 25 jaar ongeveer € 430.000 (rente 4%). Als u dan op uw 67ste verjaardag met pensioen gaat, krijgt u gedurende 20 jaar een uitkering van ruim € 31.000, deze wordt nog vermeerderd met ongeveer € 10.000 aan AOW-uitkering, de genoemde bedragen zijn bruto. Al met al heeft u dan dus een pensioen van € 41.000 dat gegarandeerd wordt uitgekeerd.

Belastingtip

U kunt er na de opbouwfase voor kiezen om het banksaldo te gebruiken voor de aankoop van een traditionele lijfrente bij een verzekeraar, hierdoor heeft u recht op het zogenaamde lang leven risico.

Bancaire lijfrente voor de DGA [news] 2013-01-22 0000-00-00 0000-00-00 3626

Terugkeer uit de B.V.

Veel ondernemingen worden in een B.V.-structuur gevoerd. Door de crisis, het faillissement van klanten, lagere omzetten, etc. dalen de winsten. De huidige structuur is dan vaak niet meer het juiste "jasje" om de onderneming uit te oefenen. Bij een B.V. moet u salaris uitkeren en soms is dit voor de DGA niet mogelijk. Bij een eenmanszaak hoeft u over de eerste € 15.000 winst helemaal geen belasting te betalen. Wellicht is het eens tijd om te kijken naar een andere structuur.

Wanneer is dit voor u interessant?

Bij een winst tot € 75.000 is dit artikel voor u interessant. Bij hogere winsten kan dit ook zo zijn, edoch dan wel een rekensom maken.

De terugkeer uit de B.V. voor een DGA

Een regeling die weinig wordt gebruikt, maar in sommige gevallen veel voordelen kan opleveren. De reden dat de regeling weinig wordt gebruikt is de complexiteit. In de basis zijn er 2 mogelijkheden om uit de B.V. terug te keren, dit zijn:

  1. De geruisloze terugkeer uit de B.V.
  2. De ruisende terugkeer uit de B.V.

U zou een terugkeer kunnen overwegen indien:

  1. Er veel compensabele verliezen in de B.V. zitten welke u niet kunt compenseren.
  2. Er grote investeringen moeten worden gedaan in bijvoorbeeld een bedrijfspand of in uw productie.

Waarom terugkeer uit een B.V.?

De B.V.-structuur wordt vaak geadviseerd door de accountant of fiscaal jurist. De belangrijkste redenen hiervoor zijn:

  1. Fiscaal voordelig.
  2. Voorbereiden op verkoop.
  3. Voorkomen erfbelasting.
  4. Beperken aansprakelijkheid.
  5. Commerciële uitstraling.

Als de winst binnen de B.V. achter blijft en / of als u verlies maakt, kan het verstandig zijn om de B.V. op te heffen of in een andere vorm te gebruiken. De onderneming kan relatief eenvoudig in een eenmanszaak worden omgezet. De geruisloze omzetting is complex, maar een ruisende omzetting is relatief eenvoudig. De belangrijkste redenen om dit te doen zijn:

  1. Belasting besparen (ondernemersaftrek).
  2. Geen fictief / DGA-loon meer.
  3. Willekeurig afschrijven op bestaande of nieuwe investeringen.
  4. Optimale fiscale heffing creëren.

Bij een winst van € 0 - € 75.000 is het te overwegen om een B.V. om te zetten in een eenmanszaak, maatschap of vennootschap onder firma. Het voordeel kan zomaar oplopen tot € 1.000 netto per maand. Het grootste nadeel van een omzetting is dat u hoofdelijk aansprakelijk bent jegens schuldeisers (voor schulden van de onderneming). Als u richting uw bank een borgstelling hebt afgegeven, bent u ook met een B.V.-structuur in privé aansprakelijk, in dat geval maakt de rechtsvorm soms niet uit.

De geruisloze terugkeer uit de B.V.

De geruisloze terugkeer uit de B.V. is een complexe en omslachtige regeling met vele voorwaarden. Redenen om geruisloos uit een B.V. terug te keren naar bijvoorbeeld een eenmanszaak zijn:

  • Meenemen verrekenbare verliezen uit de B.V.
  • Voorkomen overdrachtsbelasting op bedrijfspand in de B.V.
  • Niet afrekenen op aanmerkelijk belang winsten.
  • Voorkomen afrekenen op een TBS-pand.

De ruisende terugkeer uit de B.V.

Bij een ruisende terugkeer uit de B.V. is er eigenlijk geen fiscale faciliteit. Er moet een voorovereenkomst worden gesloten (bij voorkeur vóór 1 januari van een kalenderjaar), van terugwerkende kracht kan eigenlijk geen sprake zijn. De B.V. wordt vanaf die datum voor rekening en risico van de directeur-grootaandeelhouder (DGA) gedreven. Voordelen van een ruisende terugkeer zijn:

  • Recht op zelfstandigenaftrek en startersaftrek.
  • Mogelijkheid willekeurige afschrijving voor startende ondernemers.

Het kan zijn dat er winsten worden gemaakt bij de overgang van de B.V. naar de eenmanszaak, deze winsten kunnen worden gemaakt doordat er meerwaarde wordt gerealiseerd over activa en / of goodwill. Deze winsten kunnen wellicht worden verrekend met de compensabele verliezen in een B.V. Desinvesteringsbijtellingen zijn een aandachtspunt, maar kunnen wellicht ook worden verrekend met de compensabele verliezen.

Als er een bedrijfspand in uw B.V. is, loopt u wellicht aan tegen afrekening over stille reserves en / of overdrachtsbelasting. U kunt in dit geval overwegen om het bedrijfspand vanuit de B.V. te verhuren aan uw eenmanszaak.

Als er over goodwill of stille reserves moet worden afgerekend, is het te overwegen om de overdracht tegen een winstrecht te laten plaatsvinden, hiermee hoeft u niet direct af te rekenen. Alternatief kan ook zijn de verhuur van de onderneming / B.V. aan de eenmanszaak.

Vaak zien wij dat pensioenen en stamrechtverplichtingen in de B.V. achterblijven, dit om grote problemen en complexe berekeningen of liquiditeitsperikelen te voorkomen.

Belastingtip ruisende terugkeer uit de B.V. bij substantiële investeringen

De ruisende terugkeer uit de B.V. zou kunnen spelen als een B.V. substantiële investeringen moet doen (inventaris, bedrijfsgebouw, etc.). De B.V. zou dan ruisend kunnen overgaan in een eenmanszaak waarna de investeringen worden gedaan. Vervolgens worden de investeringen willekeurig afgeschreven en wordt de eenmanszaak weer geruisloos ingebracht in een B.V.

Belastingtip VOF tussen B.V. en de DGA

Een praktisch alternatief is het oprichten van een vennootschap onder firma (een VOF). De B.V. brengt vermogen in en de DGA arbeid en vlijt. Dit moet zorgvuldig en op zakelijke gronden worden vormgegeven omdat de Belastingdienst anders kan stellen dat de aandelen die de DGA heeft in zijn B.V. tot het verplichte ondernemingsvermogen van de DGA / eigenaar behoren. Vooroverleg met de Belastingdienst is daarom zinvol. Eventueel kunt u ook overwegen om de aandelen in de B.V. over te dragen aan uw partner (mits gehuwd op huwelijkse voorwaarden). Via deze route kunt u ook met terugwerkende kracht een VOF tot stand brengen (maximaal 9 maanden terug, dus vóór 1 oktober regelen). De winst van de B.V. kan dus via deze route aan de DGA in privé worden toegerekend. Hiertoe moet u het volgende doen:

  • Beroep op MvF 6 februari 2010, nr. DGB2010/671M.
  • Overeenkomst opstellen en tekenen vóór 1 oktober van het kalenderjaar, in de overeenkomst de terugwerkende kracht tot 1 januari opnemen.
  • De terugwerkende kracht mag (niet alleen) gericht zijn op het behalen van fiscaal voordeel.
  • VOF-overeenkomst opstellen.

Belastingtip AB-verlies

Bij een ruisende terugkeer uit de B.V. kan eventueel een voordeel worden behaald doordat er een AB-verlies van 25% ontstaat. Een verliesneming mag slechts plaatsvinden als u geen belang meer heeft in de B.V. (artikel 4.24 IB), echter in casu mag dit wel omdat de onderneming in privé wordt voortgezet (4.53 IB).

Conclusies terugkeer uit een B.V.

Als u uw onderneming in een B.V.-vorm drijft en uw winstgevendheid blijft achter, dan kunt u overwegen om de onderneming in de vorm van een eenmanszaak of vennootschap onder firma te gaan uitoefenen. Het voordeel bedraagt zomaar € 500 - € 1.000 netto per maand.

Wilt u een afspraak maken voor een oriënterend gesprek? Bel gerust.

Terugkeer uit de BV, slimme fiscale truc [news] 2013-02-01 0000-00-00 0000-00-00 3636
Onzakelijke lening door BV aan dochter DGA [news] 2013-02-04

Lening B.V. aan kind DGA niet aftrekbaar

Als een B.V. een lening verstrekt, moet dit op zakelijke gronden plaatsvinden. Bij een lening aan de DGA of diens familie is dit zeker van belang omdat anders het risico bestaat dat de lening (bij niet terugbetaling) niet aftrekbaar is.

Nieuws lening

U moet sinds 2013 de informatie van een lening aan uw kind doorgeven aan de Belastingdienst. Dit speelt indien:

  • u een lening afsluit bij een familielid, B.V. of buitenlandse bank;
  • u op de lening moet aflossen (nieuwe hypotheekregels).

Het formulier kunt u hier downloaden.

Procedure inzake lening aan dochter van DGA

De heer Jansen is enig eigenaar en directeur van Jansen B.V. (fictieve namen). De dochter van de heer Jansen begint in Griekenland een kroeg aan het strand. De bank wil hiervoor geen geld lenen. Jansen B.V. verstrekt een lening aan de dochter. De leningen worden niet goed en ook niet op zakelijke gronden vastgelegd en nagekomen. Het volgende gaat mis:

  • geen afspraken over aflossingen;
  • er worden 4 leningen verstrekt, 2 leningen zonder rente;
  • 1 van de 4 geldleningen wordt niet schriftelijk vastgelegd.

De onderneming van de dochter in Griekenland wordt in 2009 beëindigd. Reden: de huur wordt niet betaald en de huurovereenkomst aldaar wordt ontbonden. Jansen B.V. boekt ruim € 100.000 ten laste van de winst omdat de vordering op de dochter van de heer Jansen niet wordt terugbetaald. De Belastingdienst accepteert de afboeking niet. De inspecteur stelt tevens dat er sprake is van een (verkapte) dividenduitkering en legt hiervoor een navorderingsaanslag inkomstenbelasting op van ruim € 100.000 (box 2). De heer Jansen gaat naar de rechter.

De rechter is van mening dat alle 4 leningen als onzakelijk moeten worden gezien. De Belastingdienst (inspecteur) heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat van een feitelijke kwijtschelding sprake is (hoewel dit civielrechtelijk niet zo is). De Rechtbank stelt dat er sprake is van een bewuste bevoordeling bij de B.V. en de heer Jansen.

Hoge Raad inzake onzakelijke lening

In een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 1 maart 2013 komt een belastingplichtige netjes weg. Mevrouw X (directeur van X B.V.) heeft een lening verstrekt aan de X B.V. De aandelen in X B.V. worden gehouden door haar man. De lening is onzakelijk. Het is onduidelijk of de lening bij het verstrekken hiervan al onzakelijk zou zijn. De vordering vanuit privé (ruim € 400.000) wordt afgewaardeerd. Volgens het Gerechtshof ging het om een onzakelijke lening (belangrijkste reden: mevrouw X heeft geen actie ondernomen om de vordering te innen). Volgens de Hoge Raad heeft het Gerechtshof haar uitspraak onvoldoende gemotiveerd. Het is onduidelijk of de onzakelijke lening in de loop van de tijd is ontstaan en / of een derde er wel in zou zijn geslaagd om bepaalde rechten veilig te stellen. Daarnaast is dan onduidelijk of de gehele lening niet aftrekbaar zou zijn. De Hoge Raad verwijst de zaak naar een nieuwe rechter, dit voor nader onderzoek.

Noot fiscaal jurist

Laat u bij leningen vanuit de B.V. aan de DGA of diens familie adviseren door een deskundige fiscaal jurist. De belangrijkste uitgangspunten zijn:

  • Het moet gaan om een lening onder zakelijke voorwaarden (zelfde als bij een derde).
  • Leg de lening schriftelijk vast.
  • Maak afspraken omtrent de aflossing.
  • Zorg ervoor dat er zekerheden worden gesteld.
  • Let erop dat er een zakelijke rente wordt gerekend.
  • Zorg ervoor dat de voorwaarden (rente / aflossing betalen) ook worden nagekomen.
  • Laat de lening registreren bij de Belastingdienst.

Bron

Rechtbank Haarlem d.d. 30 januari 2013.

Hoge Raad d.d. 1 maart 2013.

0000-00-00 0000-00-00 3647
Lening aan dochter BV niet aftrekbaar [news] 2013-02-28

Risicovolle lening aan dochter B.V. niet aftrekbaar

Een holding B.V. verstrekt een lening aan een dochter B.V. Op de lening wordt een zeer groot risico gelopen, de lening mag in de moeder niet worden afgewaardeerd ten laste van de winst als het risico te groot is en de lening onzakelijk.

Procedure risicovolle lening aan dochter B.V.

De Rechtbank Arnhem - Leeuwarden (de Rechtbank Oost Nederland) is van mening dat de holding B.V. een onzakelijke lening heeft verstrekt aan een dochter B.V. Het debiteurenrisico is zo groot, dat een onafhankelijke derde dit risico niet zou lopen. De leningen zijn in 2004, 2005 en 2006 afgewaardeerd. Tijdens een boekenonderzoek ziet de inspecteur de afboeking en hij corrigeert de aangiften vennootschapsbelasting op dit onderdeel. Er worden navorderingsaanslagen opgelegd. De belastingplichtige is het hier niet mee eens en stapt naar de rechter.

De Rechtbank is het met de inspecteur eens. De redenen zijn:

  • De leningen zijn onder zodanige voorwaarden verstrekt, dat het risico wel erg groot is.
  • Het risico is groter dan tussen onafhankelijke derden zou worden gelopen.
  • Er zijn geen zekerheden gesteld en de leningen die worden verstrekt worden afgewaardeerd. 
  • Tegelijk worden er weer nieuwe leningen verstrekt. Het vermogen in de dochter is zeer slecht.

Toelichting onzakelijke lening door fiscaal jurist

In mei 2008 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarin voor het eerst de onzakelijke lening aan de orde is gesteld. Tot dat moment was een lening een lening of verkapt kapitaal. Bij verkapt kapitaal is de rente niet aftrekbaar (onbelast), een afboeking is niet aftrekbaar. De Hoge Raad stelt het volgende:

  • Indien en voor zover een geldverstrekking door een vennootschap aan haar aandeelhouder plaatsvindt onder zodanige voorwaarden en omstandigheden dat daarbij door die vennootschap een debiteurenrisico wordt gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, moet - behoudens bijzondere omstandigheden - ervan worden uitgegaan dat die vennootschap dat debiteurenrisico in zoverre heeft aanvaard met de bedoeling het belang van haar aandeelhouder in die hoedanigheid te dienen. Dit brengt mee dat een eventueel verlies op de geldlening in zoverre niet in mindering op de winst van die vennootschap kan worden gebracht.

Bij een onzakelijke lening is de rente wel belast bij de ontvanger en aftrekbaar bij de betaler. De afboeking van de lening wordt echter niet geaccepteerd. De Belastingdienst zit er sinds 2011 fors op, onder meer bij:

  • Leningen vanuit de DGA in privé aan zijn B.V.
  • Leningen tussen B.V.'s onderling.

Als een lening vanuit privé (de DGA) aan een B.V. wordt verstrekt en als onzakelijk wordt gezien, dan ga ik er vanuit dat de lening bij de verkrijgingsprijs van de aandelen kan worden gevoegd (in de toekomst minder box 2 heffing).

Als een lening vanuit de ene B.V. aan de andere B.V. wordt verstrekt, dan ga ik er vanuit dat de lening bij de kostprijs deelneming mag worden gevoegd.

Belastingtip fiscaal jurist

Leg leningen goed schriftelijk vast en beding als geldverstrekker ook zekerheden. Doe afboekingen op de lening niet te snel en neem wel allerlei maatregelen om het geld binnen te krijgen (zakelijk handelen). Overleg vervolgens met een fiscaal jurist om te bekijken hoe en wanneer er op de lening wordt afgeboekt. Heeft u vragen? Stuur mij gerust een e-mail, beantwoording zal zonder verdere kosten plaatsvinden.

Bron

Rechtbank Arnhem d.d. 31 januari 2013 (publicatie 19 februari 2013).

0000-00-00 0000-00-00 3660

DGA en eigen woning

De directeur-grootaandeelhouder (DGA) van een B.V. kan eens met zijn fiscaal jurist nadenken over zijn eigen woning. Wat is er mogelijk?

  1. Grond onder de eigen woning verkopen aan de B.V. en in erfpacht uitgeven.
  2. De woning aan de B.V. verkopen.
  3. Hypotheek via de B.V. afsluiten (bijvoorbeeld tegen een rente van 0%).
  4. Bijgebouw of garage via de B.V.

In 2016 hebben wij diverse DGA's geadviseerd bij nieuwe structuren en overdrachten van woningen. Soms om een lagere hypotheekrente te krijgen, een rekening-courantschuld af te lossen en / of om goedkoper te wonen / werken.

Grond in erfpacht (ad 1)

De grond wordt verkocht aan de B.V. tegen de waarde in het economische verkeer. De opbrengst is voor de DGA belastingvrij. De DGA zal vervolgens (eeuwigdurend en niet voor 30 jaar) een erfpachtcanon kunnen aftrekken van zijn inkomen. De erfpacht is dan aftrekbaar tegen 52% en in de B.V. (direct) belast tegen 20% of 25% vennootschapsbelasting. Aandachtspunten zijn:

  1. afschrijving grond in de B.V. mogelijk;
  2. is de structuur zakelijk;
  3. prijs voor de grond;
  4. dividenduitkering in de toekomst (of direct);
  5. toekomstige verkoop van de grond (en de woning) aan een derde.

Een zorgvuldig opgezette structuur is van belang. De rechter heeft al eens een structuur afgekeurd (fraus legis) en sinds de uitspraak van de Hoge Raad van 8 juli 2016, nr 15/04315, is de constructie voor bestaande situaties bijna onhaalbaar geworden. De Hoge Raad heeft hier geoordeeld dat bij vervreemding van de grond in ruil voor het verkrijgen van erfpacht de te betalen erfpachtcanon niet aftrekbaar is als aftrekbare kosten van de eigen woning. Volgende de Hoge Raad moet er een direct verband zijn tussen de erfpacht en de verwerving, aankoop c.q. verbouwing of onderhoud van de eigen woning. In bestaande situaties is dit verband er niet, omdat de woning al een eigen woning is volgens de Wet IB 2001 voordat het recht van erfpacht wordt gevestigd.

De woning aan de B.V. verkopen (ad 2)

De woning kan ook worden verkocht aan de B.V. of wellicht in de B.V. worden ingebracht (mits privé-onderneming in de eigen woning). Een dergelijke transactie kent een aantal voordelen en nadelen. De belangrijkste voordelen zijn:

  1. Kosten eigen woning zijn aftrekbaar (onderhoud, gemeentelijke kosten, etc.).
  2. De B.V. kan de woning afschrijven ten laste van de winst, de woning is immers een bedrijfsmiddel. Afschrijving op vastgoed is echter beperkt (afschrijving tot maximaal de bodemwaarde). Omdat het een beleggingspand is, bedraagt de bodemwaarde de WOZ-waarde. Afschrijving is derhalve beperkt.
  3. Afwaardering woning tot lagere bedrijfswaarde, dit lijkt mogelijk, temeer omdat woningen en beleggingspanden substantieel in waarde dalen. Dit kan een substantieel voordeel opleveren. In privé is een verlies niet aftrekbaar, in een B.V. wel. Een afwaardering tot een lagere bedrijfswaarde moet plaatsvinden in het jaar waarin de substantiële waardedaling zich heeft voorgedaan, u mag dus niet zomaar willekeurig kiezen. U mag niet afwaarderen als sprake is van incidentele prijsschommelingen.
  4. De B.V. kan de hypotheekrente in lengte der jaren aftrekken, derhalve geen hypotheekrenteaftrekbeperkingen na 30 jaar en / of een bijleenregeling.

Belangrijkste nadeel is wel dat de DGA (niet aftrekbare) huur aan zijn eigen B.V. moet gaan betalen. Daar staat tegenover dat de B.V. over de ontvangen huur wel gewoon 20% of 25% vennootschapsbelasting moet betalen. Bovendien komt op de huur nog eens een aanmerkelijkbelangclaim (box 2)  te rusten van 25%. De huurgelden kunnen door de DGA - nadat de kosten in de B.V. zijn betaald - wel weer als dividend uitgekeerd worden, zodat de nettolast in privé beperkt is. Als u deze structuur zou doorrekenen, komt u tot de conclusie dat dit niet snel financieel aantrekkelijk is. Door de bijleenregeling (zie hierna) kan de structuur - in z'n geheel gezien - wel weer aantrekkelijk zijn. Daarnaast is de waardedaling van de woning voor de B.V. aftrekbaar.

Hypotheek via de B.V. (ad 3)

De hypotheekrenteaftrek is een veelbesproken onderwerp. Vroeg of laat zal de hele regeling op de schop gaan, echter het is nog (lang) niet zover. Derhalve dient het te behalen voordeel te worden geoptimaliseerd zolang het nog kan.

Een DGA (directeur-grootaandeelhouder) kan de hypotheek via zijn B.V. opzetten. Indien dit op de juiste wijze wordt vormgegeven, levert dit direct geld op. Hieronder een uiteenzetting van deze optimalisatie.

De rente op een schuld die is aangegaan ten behoeve van de aankoop, onderhoud of verbetering van een eigen woning is aftrekbaar in box 1. Bij wie de schuld is aangegaan, doet niet ter zake. Dit betekent dat ook uw eigen B.V. als leningverstrekker kan optreden. Ook de overname van een bancaire schuld door uw B.V. (schuldovername) staat de renteaftrek niet in de weg. De hypotheek bij de eigen B.V. is een aansprekende en flexibele manier van eigenwoningfinanciering. De rente die u aan de B.V. betaalt, blijft voor u aftrekbaar in box 1. Bij de B.V. zal het rendement op de overtollige liquiditeiten (bijv. depositorente) worden ingewisseld voor het rendement op de eigenwoninglening. Afhankelijk van uw situatie kan de hypotheek tegen een hoge rente (zeg 6%) of tegen een lage rente (0%) kunnen worden verstrekt. Een uitgebreid artikel over dit onderwerp treft u hier aan.

Bijgebouw of garage in de B.V. (ad 4)

Steeds vaker zien wij dat een bijgebouw (echt kantoor, dus met toilet en separaat te verhuren) of garage door de B.V. wordt gebouwd. De belangrijkste voordelen zijn:

  • Financieringslasten aftrekbaar (en niet beperkt tot 30 jaar);
  • BTW op de nieuwbouw verrekenbaar;
  • Kosten aftrekbaar;
  • Deel algemene kosten eigen woning (tuinman, schilder, etc.) aftrekbaar;
  • Lagere WOZ-waarde eigen woning.

Noot fiscaal jurist over woning en DGA

Het verkopen van de grond en weer uitgeven tegen erfpacht komt in de praktijk (nog) weinig voor, dit is een aantrekkelijke optie. Het verkopen van de eigen woning aan de B.V. is een stuk complexer, maar kan wel voordelig zijn, veelal bent u bij de verkoop overdrachtsbelasting verschuldigd. De hypotheek via uw B.V. laten lopen komt in onze praktijk steeds vaker voor.

Een reden om de woning (tijdelijk) aan de B.V. te verkopen kan de bijleenregeling zijn. U kunt gewoon in uw woning blijven wonen en na 3 jaar is de bijleenregeling niet meer van toepassing (uitgewerkt). U kunt de woning weer terugkopen en weer volledig financieren tegen een aftrekbare rente. Een opzet (vooraf geheel duidelijk) kan een probleem veroorzaken (fraus legis). De nieuwe schuld moet dan wel annuïtair worden afgelost (nieuwe hypotheekrecht).

DGA en zijn eigen woning [news] 2013-03-24 0000-00-00 0000-00-00 3677
Hypotheek aan DGA of werknemer [news] 2013-03-27

Hypotheekrente DGA of werknemer

Fiscale truc met voordelen

Een DGA (directeur-grootaandeelhouder) kan de hypotheek via zijn B.V. opzetten. Indien dit op de juiste wijze wordt vormgegeven, levert dit direct geld op. Hieronder een uiteenzetting van deze optimalisatie. De B.V. hoeft geen rente in rekening te brengen aan de DGA en mag er ook voor kiezen een hogere rente te rekenen. De Staatssecretaris heeft in maart 2013 aangegeven dat ook onder de werkkostenregeling dit voordeel blijft.

Nieuws 2015

In de fiscale verzamelwet 2015 staat dat de nihilwaardering voor hypotheken via de werkgever niet meer tegen 0% kan worden verstrekt. De nihilwaardering binnen de werkkostenregeling komt te vervallen. Het rentevoordeel mag ook niet in de vrije ruimte worden ondergebracht (dus niet aanwijzen als eindheffingsbestanddeel). Het voordeel (verschil betaalde rente werknemer en marktrente) moet (wellicht al vanaf 2016) als loon worden gezien. De nihilwaardering blijft wel bestaan voor de (elektrische) fiets of scooter.

Neem een hypotheek bij uw eigen B.V.

De rente op een schuld die is aangegaan ten behoeve van de aankoop, onderhoud of verbetering van een eigen woning is aftrekbaar in box 1. Bij wie de schuld is aangegaan, doet niet ter zake. Dit betekent dat ook uw eigen B.V. als leningverstrekker kan optreden. Ook de overname van een bancaire schuld door uw B.V. (schuldovername) staat de renteaftrek niet in de weg.

De hypotheek bij de eigen B.V. is een aansprekende en flexibele manier van eigenwoningfinanciering. De rente die u aan de B.V. betaalt, blijft voor u aftrekbaar in box 1. Bij de B.V. zal het rendement op de overtollige liquiditeiten (bijv. depositorente) worden ingewisseld voor het rendement op de eigenwoninglening. Indien het rendement op de eigenwoninglening hoger is dan het rendement op de overtollige liquiditeiten, zal een voordeel worden behaald. Een B.V. die momenteel een rendement maakt van ongeveer 6% op haar uitgezette geld doet het best aardig! Het vorenstaande is tevens mogelijk als er geen overtollige liquiditeiten aanwezig zijn, indien de B.V. geld leent van de bank en dit vervolgens doorleent aan privé ten behoeve van de eigen woning.

Zoals hierboven reeds weergegeven, is de hoogte van het rentepercentage belangrijk (hoe hoger, hoe beter). Een hoger rentepercentage kan verdedigbaar zijn door in de leningsovereenkomst een langere rentevastperiode te kiezen, tussentijds boetevrij te kunnen aflossen, een tophypotheek te verstrekken en te werken met een wat zachtere zekerheid in de vorm van een positieve / negatieve hypotheekverklaring (in plaats van een hypothecaire inschrijving).

Verder kan worden gedacht aan het overeenkomen van een afsluitprovisie bij het aangaan van de lening. Deze afsluitprovisie is onder de eigenwoninglening aftrekbaar. Het maximale bedrag dat ineens in aftrek mag worden genomen, bedraagt 1,5% van de eigenwoningschuld met een maximum van € 3.630 (per belastingplichtige). Het meerdere is naar evenredigheid aftrekbaar over de looptijd van de lening.

Bijkomstig voordeel bij de hypotheek bij uw eigen B.V. is, dat u deze zo lang mogelijk volledig (geen aflossing) in stand kunt laten. Bij een eventuele verhuizing in de toekomst vermindert u de negatieve gevolgen van de zogeheten bijleenregeling.

0000-00-00 0000-00-00 3680
Wijziging DGA pensioen in 2014 [news] 2013-03-30

Wijziging DGA-pensioen in 2014

Update

Directeuren-grootaandeelhouders (DGA's) krijgen in 2017 (en 2018 en 2019) de mogelijkheid om hun pensioen in eigen beheer van de balans te halen (af te kopen). Dit kan met een korting van 34,5% in 2017 (en in de jaren daarna tegen lagere percentages, namelijk 2018: 25% en 2019: 19,5%). Heeft u geen geld, dan resteren er twee opties:

  1. Premievrij maken;
  2. Spaarvariant kiezen.

Pensioen in eigen beheer opbouwen is dus vanaf 2017 feitelijk voorbij.

De invoering is uitgesteld tot 1 april 2017, lees hiertoe deze brief van de Staatssecretaris van Financiën.

Inleiding

De DGA moet zijn pensioen per 1 januari 2014 aanpassen. De belangrijkste reden is dat de pensioenleeftijd in 2014 naar 67 jaar wordt verhoogd. De DGA die is geboren na 1950 moet dus aan de slag met zijn pensioen. De wijziging moet in 2013 worden doorgevoerd. Het eenvoudig opstellen van een nieuwe pensioenbrief is niet verstandig, laat u goed adviseren en neem er de tijd voor.

Een korte terugblik op het DGA-pensioen

We hebben al vele stelsels gehad, de belangrijkste waren:

  • Pre-Witteveen (tot uiterlijk 01-06-2004): opbouwpercentage 2,33%, lage AOW-franchise (8/7 zelfstandig, geschoond), opbouw over auto van de zaak, pensioenleeftijd 60 jaar, met een overbruggingspensioen voor de periode 60-65.
  • Witteveen (tot 01-01-2006): 2% opbouw, hoge(re) bruto ongehuwden, AOW-franchise op basis van 10/7 bruto ongehuwde AOW-uitkering, pensioenleeftijd 60 jaar. 
  • VPL: 2% opbouw en pensioenleeftijd 65 jaar.
  • Vanaf 2014 wordt het 1,9% en 67 jaar als pensioendatum. En alvast voor de periode daarna (2015) zelfs 1,5% met ook nog eens een maximaal pensioengevend salaris tot € 100.000. 

Commerciële en fiscale waarde DGA-pensioen

Door de wetswijziging in de B.V. (flex B.V. in oktober 2012) is de commerciële en fiscale waardering ook van belang geworden. Er is een beperking op het uitkeren van dividenden als dit eigenlijk niet zou kunnen, hiertoe is de commerciële waarde van het pensioen van belang. Betrek hierbij ook het nabestaandenpensioen. Meestal is dit extern ondergebracht, maar als dit niet zo is, moet dit bij de waardering worden betrokken.

Overwegingen bij de DGA

  1. Commercieel en fiscaal: laat uw pensioenvoorziening berekenen en kijk of de commerciële waarde wel binnen de B.V. aanwezig is.
  2. Nabestaandenpensioen: bekijk of het zinvol is om dit extern te verzekeren, regel dit voor uw partner / kinderen!
  3. Vermogen: bekijk of het vermogen voor uw pensioen wel aanwezig is. Veelal zien wij dat de B.V. een onderneming heeft waar de waarde in is opgeslagen en / of een rekening-courantvordering op de DGA. Dit is niet verstandig, probeer om  - bijvoorbeeld - 70% van de benodigde middelen opzij te leggen in beleggingen of een aparte spaarrekening.
  4. Echtscheiding: bereken wat de gevolgen voor het pensioen in eigen beheer zijn als u zou gaan scheiden, sommige bedrijven komen bij een echtscheiding van de DGA in substantiële problemen.
  5. Overlijden: laat uw pensioenadviseur berekenen wat de gevolgen zijn als u komt te overlijden.

Vragen over DGA-pensioen

Neem gerust contact op en laat u geheel vrijblijvend adviseren. Voor zeer complexe vraagstukken werken wij samen met pensioenspecialisten.

0000-00-00 0000-00-00 3686

DGA en auto

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) kan een auto in privé of in zijn B.V. kopen. Als er een nieuwe auto wordt gekocht, is het meestal voordeliger om een auto door de B.V. te laten kopen en de bijtelling voor lief te nemen. De laatste jaren is de elektrische auto in opkomst. Deze is minder praktisch, maar fiscaal erg aantrekkelijk (extra aftrekposten en lagere bijtelling). Als de DGA een auto in privé koopt, mag hij € 0,19 per zakelijk gereden kilometer aan vergoeding ontvangen, via de werkkostenregeling kan deze vergoeding wellicht hoger worden vastgesteld. Meer adviezen over de auto van de zaak? Lees hier

Vrijblijvend advies over auto van de zaak en DGA

Regelmatig adviseren wij DGA's over nieuwe mogelijkheden en structuren, bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen. Er zijn leuke structuren te bedenken als u energiezuinige en / of meerdere auto's zou rijden. Wij leggen dit voor aan de Belastingdienst zodat u vooraf zekerheid heeft.

Beperken bijtelling en fiscale APK

Overweeg eens een fiscale scan van uw bedrijf. Wij toetsen uw bedrijf op meer dan 100 adviesonderdelen en bekijken ook of u uw bijtelling kunt optimaliseren.  Kort en goed bekijken wij het volgende;

  • Maakt u optimaal gebruik van de fiscale wetgeving ?
  • Is uw structuur en rechtsvorm op orde?
  • Uw positie als ondernemer/DGA t.o.v. van uw prive situatie.
  • Continuiteit, verkoop, bedrijfsopvolging op orde.
  • Optimalisatie van uw fiscale positie.
  • Check inzake mogelijk boekenonderzoek, wat zijn de risico's?
  • Loonheffingen en onkostenvergoedingen optimaal via WKR tool?

Stuur een e-mail voor een vrijblijvende offerte.

Pensioen, DGA en auto van de zaak

Het is voordelig om het salaris met de bijtelling te verhogen en dan een eigen bijdrage te betalen, de grondslag voor het DGA-pensioen is dan hoger, dit kan een fiscaal voordeel opleveren. Eventueel kunt u ook kijken of het mogelijk is om door inkoop oudere dienstjaren het pensioen nog verder te optimaliseren.

Auto van de zaak en DGA

Als de DGA een auto van de zaak zou rijden, mag de B.V. alle kosten met betrekking tot de auto betalen. Eventueel in privé betaalde kosten voor parkeren, ANWB, tolgelden, etc. mag de B.V. belastingvrij vergoeden. Soms is het voordelig om de auto na 2 jaar over te hevelen naar privé. De verkoop moet dan in principe met BTW plaatsvinden. Met enige regelmaat adviseren wij DGA's over het voorkomen van deze BTW bij de verkoop van de auto naar privé.

Voor de DGA gelden soms bijzondere regels, hierbij kunt u denken aan de situatie waarbij aan de DGA meerdere auto's ter beschikking worden gesteld en / of als de DGA een auto ter beschikking stelt aan zijn zoon of dochter (in plaats van een beloning in geld).

Auto in privé en de DGA

De B.V. mag € 0,19 per kilometer belastingvrij vergoeden aan de DGA, overige kosten mogen niet worden vergoed. Binnen de werkkostenregeling is soms een hogere vergoeding mogelijk. Soms is het verstandig om het salaris van de DGA te verhogen zodat de kosten kunnen worden verhoogd. De pensioengrondslag gaat hiermee ook omhoog, dit kan een voordeel opleveren. In sommige gevallen is het verstandig om niet het salaris te verhogen, maar dividend uit te keren, dit is een kwestie van rekenen. Als de DGA tijdens een zakelijke rit schade aan zijn privé-auto zou rijden, dan mag de B.V. deze schade belastingvrij vergoeden. Om de kilometers te mogen vergoeden, moet de DGA wel een eenvoudige rittenregistratie bijhouden waaruit de zakelijke en woon-werkkilometers volgen.

Vragen DGA en auto

In de praktijk adviseren wij vele DGA's over de auto, meest voorkomende adviezen zijn:

  1. Auto in B.V. of privé (eenvoudige berekening maken).
  2. Advisering omtrent auto op buitenlands kenteken.
  3. Auto samen met partner rijden.
  4. Advisering bij meerdere auto's op de zaak
  5. Hoe voordelig een kostbare en / of exclusieve auto rijden.
  6. Auto naar privé overhevelen zonder BTW.

Heeft u vragen of opmerkingen, stuur gerust een e-mail of maak een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor.

[news] 2015-03-31 0000-00-00 0000-00-00 3691

DGA en rekening-courantschuld

Bijna iedere directeur-grootaandeelhouder (DGA) heeft wel een rekening-courant bij zijn vennootschap(pen). Sinds enkele jaren  heeft de Belastingdienst veel belangstelling voor dergelijke schulden. Er wordt ook steeds vaker over rekening-courantschulden geprocedeerd en dit zal de komende jaren alleen maar toenemen. In 2023 komt er nieuwe wetgeving waardoor de DGA maximaal € 500.000 mag lenen van zijn BV (m.u.v. leningen voor zijn eigen woning).

Wij adviseren regelmatig DGA's met forse rekening-courantschulden. Hierbij wordt ook gekeken naar:

  • verrekening rekening-courant met afkoop pensioen;
  • kwijtschelden vordering DGA i.v.m. oninbaarheid;
  • laten vervallen DGA-schuld i.v.m. 5-jaarstermijn;
  • aflossing rekening-courant via overdracht activa vanuit privé.

Update 17 juni 2020

Het wetsvoorstel inzake excessief lenen ligt sinds 17 juni 2020 bij de tweede kamer (dit voorstel kunt u hier raadplegen). Vanaf 2023 worden DGA's (AB houders) beperkt in het geld lenen van hun BV (tot maximaal € 500.000), met uitzondering van bestaande eigenwoning schulden. Het gaat om 11.000 DGA's die iets moeten veranderen in de afspraken met hun BV.

Zijn er mogelijkheden om uw rekening courant schuld terug te brengen?

Rekening courant terugbrengen door fiscale APK 

Overweeg eens een fiscale scan van uw bedrijf. Wij toetsen uw bedrijf op meer dan 100 adviesonderdelen en bekijken hierbij ook of uw rekening courant schuld kan worden teruggebracht. Kort en goed bekijken wij het volgende;

  • Maakt u optimaal gebruik van de fiscale wetgeving ?
  • Is uw structuur en rechtsvorm op orde?
  • Uw positie als ondernemer/DGA t.o.v. van uw prive situatie.
  • Continuiteit, verkoop, bedrijfsopvolging op orde.
  • Optimalisatie van uw fiscale positie.
  • Check inzake mogelijk boekenonderzoek, wat zijn de risico's?
  • Loonheffingen en onkostenvergoedingen optimaal?

Stuur een e-mail voor een vrijblijvende offerte.

Zakelijk handelen met de B.V.

Iedere aandeelhouder dient zakelijk te handelen met zijn vennootschap(pen). Dit betekent dat de verstrekking, als de voorwaarden waaronder dit geschiedt, moet geschieden zoals dat ook tussen derden het geval zou zijn geweest. Om fiscaal niet tegen ongewenste gevolgen aan te lopen, dient u rekening te houden met het volgende:

  • Kijk goed naar de vermogenspositie van de schuldenaar (zou deze ook een lening van een derde kunnen ontvangen?).
  • Stel een zakelijke rente vast.
  • Kom een aflossingsschema overeen.
  • Leg de lening en de bijbehorende voorwaarden vast in een overeenkomst.
  • Indien het bovenstaande niet juist is vormgegeven, kan de Belastingdienst de rente gaan corrigeren en mogelijk de lening aanmerken als onzakelijk met alle gevolgen van dien.

Rente rekening-courantschuld tot € 17.500

Bij een schuld van de aandeelhouder tot € 17.500 hoeft geen rente in rekening te worden gebracht. Hier tegenover staat dat de schuld niet in box 3 mag worden opgenomen.

Belastingdienst en rekening-courant

De Belastingdienst heeft een speciale site over de rekening-courant van de aandeelhouder (kijk hier). U kunt erop wachten dat de Belastingdienst in 2016 / 2017  strikter gaat kijken naar DGA's met een schuld aan hun B.V. Essentie volgens de Belastingdienst is het volgende:

  • Lening tegen zakelijke voorwaarden (voorwaarden die een bank ook zou stellen).
  • De lening moet schriftelijk worden vastgelegd.
  • Er moeten afspraken worden gemaakt over terugbetaling van de lening.
  • De B.V. heeft voldoende zekerheden.
  • De B.V. moet aan haar verplichtingen kunnen blijven voldoen als u de lening opneemt.
  • Als er onzakelijk wordt gehandeld, voldoet de lening niet aan de voorwaarden, de lening wordt dan gezien als inkomen.

Rekening-courant en de DGA

Een hoge rekening-courantschuld is niet wenselijk, zowel fiscaal als naar uw bank. Ook bij een faillissement kan een rekening-courantschuld ervoor zorgen dat uw privévermogen wordt aangesproken bij een faillissement van uw B.V. Door een rekening-courantschuld kan ook het vormen van een normale pensioenvoorziening in gevaar komen. Als de B.V. haar verplichtingen niet kan nakomen door rekening-courantopnamen door de DGA, dan kan dit een onrechtmatige daad tot gevolg hebben. Hierdoor is de bestuurder aansprakelijk voor schulden bij een faillissement van de B.V. (Rechtbank Den Haag 5 april 2012).

Als een DGA geld uit zijn B.V. heeft geleend voor consumptieve zaken, dan kan dit voor de Belastingdienst een reden zijn om te veronderstellen dat sprake is van een uitdeling of genoten salaris. Dit komt sneller in beeld als er geen zekerheid wordt geboden en / of de schuld onvoldoende is vastgelegd, resp. als hetgeen is vastgelegd niet wordt nagekomen. In mijn praktijk wordt dit meestal wel opgelost, bijvoorbeeld door met de Belastingdienst af te spreken dat de schuld in 3 tot 5 jaar wordt afgebouwd via bijvoorbeeld een dividenduitkering.

Dividend uitkeren en rekening-courant

De eenvoudigste manier om een rekening-courantschuld weg te werken is de dividenduitkering. Er moet wel brutering plaatsvinden, voor een schuld van € 100.000 moet een dividend van ruim € 133.000 worden uitgekeerd. De B.V. heeft hiervoor in contanten dus € 33.000 nodig. Een deel wordt bij de dividenduitkering door de B.V. voldaan en een deel door de DGA, in totaal moet 25% worden betaald. Als u te maken krijgt met de stelling dat er sprake is van een uitdeling, kunt u een aantal stellingen betrekken:

  1. Ik regel het alsnog goed en zal privé zekerheden verstrekken en tot aflossing overgaan.
  2. Maak een plan om binnen 3 jaar de schuld in z'n geheel af te lossen.
  3. Probeer een deel van de schuld wel als zakelijk te laten staan (voorbeeld Rechtbank Den Haag 2 maart 2010). Een DGA had een schuld van € 450.000, deze was opgelopen tot € 660.000. Er was geen schriftelijke overeenkomst. Inspecteur stelt: "uitdeling." Rechtbank stelt: "uitdeling voor de opname ad € 210.000 en niet voor geheel," voor restant niet omdat voor dit deel artikel 4.43 IB niet aannemelijk is gemaakt.

Let op ... een dividenduitkering is alleen mogelijk als de B.V. over positief vermogen beschikt. Om dit vermogen te bepalen, moet u de pensioenverplichting om commerciële waarde waarderen, deze is meestal hoger dan de (fiscale) waarde die op de balans staat. U moet ook rekening houden met de uitkeringstoets (kan de B.V. geld als dividend uitkeren zonder de B.V. in gevaar te brengen, deze eis moet u sinds 2012 toepassen).

Terugbetaling van kapitaal

De meest eenvoudige manier om een rekening-courantschuld te verlagen is het verminderen van kapitaal. Dit kan alleen als er voldoende kapitaal is gestort dat fiscaal ook is erkend.

Rekening-courant en rentevoordeel

Op 25 februari 2011 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan inzake een DGA die geld had geleend van zijn vennootschap tegen een rente van 2,5% en dit geld vervolgens op privérekeningen zette tegen een hogere rente percentage. Hierdoor maakte de DGA een onbelaste winst in privé. De inspecteur was het niet eens met de DGA. De Rechtbank stelde de DGA in het gelijk, het Hof echter niet. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad zich over deze zaak gebogen en kwam met de volgende uitspraak. De kennis van tarieven op spaarrekeningen is niet als bijzondere vorm van kennis aan te merken, aangezien deze gewoon op het internet staan. Het standpunt van het Hof dat de winst in box 1 belast moest worden wegens activiteiten die normaal vermogensbeheer te boven gaan, gaat derhalve niet op. De activiteiten zijn volgens de Hoge Raad niet substantieel genoeg, waardoor sprake is van normaal vermogensbeheer en derhalve is het rentevoordeel onbelast.

Conclusie rekening-courant

Neem altijd tijdig contact op met uw belastingadviseur om te beoordelen of u aan alle voorwaarden en formaliteiten voldoet. Dit kan ongewenste gevolgen voorkomen.

Bron DGA en rekening-courant

Hoge Raad 25 februari 2011.

Rechtbank Den Haag 5 april 2012.

Rechtbank Den Haag 2 maart 2010.

[news] 2013-03-31 0000-00-00 0000-00-00 3692
Periodiek verrekenbeding DGA [news] 2013-03-31

Periodiek verrekenbeding DGA

Veel ondernemers zijn op huwelijkse voorwaarden getrouwd. In de traditionele advisering behoort de onderneming toe aan de man en de woning aan de vrouw (of gemeenschappelijk). In de meeste huwelijkse voorwaarden staat een verrekenbeding welke ervoor moet zorgen dat extra inkomen gelijk over de man en de vrouw wordt verdeeld.

Het belang van een jaarlijkse verrekening is groot en toch wordt dit meestal vergeten. Het niet verrekenen kan ervoor zorgen dat bij een echtscheiding het ondernemingsvermogen of de B.V. (deels) moet worden gedeeld resp. bij een faillissement wordt ook het andere vermogen meegetrokken.

Niet verrekenen, wat zegt de rechter?

Uitspraak over echtscheiding DGA

Op 26 oktober 2001 deed de Hoge Raad (ons hoogste rechtscollege) een bijzondere uitspraak. In essentie stelde de Hoge Raad het volgende:

  • Partijen hebben huwelijkse voorwaarden opgesteld.
  • Partijen hebben aan de tussen hen overeengekomen huwelijkse voorwaarden nimmer uitvoering gegeven.
  • Partijen hebben tijdens het huwelijk niet jaarlijks de overgespaarde inkomsten verdeeld. 
  • Partijen hebben geen administratie bijgehouden waaruit een verdeling zou kunnen worden opgemaakt.
  • Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van het verrekenbeding, heeft dit tot gevolg dat partijen gehouden zijn de vermogensbestanddelen die zij tijdens hun huwelijk hebben verworven en waarvan niet kan worden vastgesteld dat zij naar de bedoeling van partijen of van een derde zonder enig recht op verrekening behoren tot het vermogen van één van de partijen, alsnog te verdelen alsof deze vermogensbestanddelen aan hen gemeenschappelijk toebehoren.
  • In beginsel en behoudens bewijs van het tegendeel moet in een dergelijk geval immers ervan worden uitgegaan dat partijen deze vermogensbestanddelen hebben verkregen uit of door belegging van overgespaarde inkomsten.

Conclusie: huwelijkse voorwaarden niet bijgehouden, derhalve is alles gekocht uit het overbespaarde inkomen en is dit gemeenschappelijk.

Uitspraak over faillissement DGA

In een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam op 19 augustus 2009 komt een andere situatie aan bod. Een curator in een faillissement claimt de eigen woning van de niet failliet. Reden: de failliet heeft bijgedragen aan de hypotheekrente. De faillissementswet (artikel 61 voor de liefhebber) stelt dan dat, als verrekening niet heeft plaatsgevonden, het vermogen dat hierdoor is gevormd geacht wordt gemeenschappelijk te zijn. Gevolg: vermogen (de woning) valt in de failliete boedel.

Uitspraak wijziging huwelijkse voorwaarden en DGA

Truus heeft een onderneming in de vorm van een B.V., Henk is huisman. Ze trouwen in 1985 op huwelijkse voorwaarden. De huwelijkse voorwaarden worden in 2007 aangepast (inkomensbegrip wordt beperkt en winsten in de B.V. vallen buiten verrekenbeding). In 2009 gaan Truus en Henk scheiden. De notaris had Henk niet verteld dat hij door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zijn recht op waardestijging van de aandelen in de B.V. (en de opgepotte winsten) had prijsgegeven. Dit was een benadeling voor meer dan 25% waardoor er een wettelijk vermoeden is van dwaling (artikel 3:196 BW). De Rechtbank in Breda was dit op 9 februari 2011 met Henk eens, de overeenkomst is vernietigd en er moest alsnog worden verrekend.

Verrekening bij DGA vergeten

Wij maken regelmatig voor onze cliënten een vermogensoverzicht. De cliënt weet dan waar hij aan toe is als hij zou gaan scheiden. De opstelling wordt meestal bij de aangifte gevoegd.

Als in het verleden een dergelijke opstelling niet is gemaakt, dan moet er alsnog over het verleden worden verrekend. Er moet dan een zogenaamde vaststellingsovereenkomst worden gesloten (artikel 7:900 BW). Als adviseur moeten hierbij de belangen van beide echtelieden zorgvuldig worden meegewogen en het is ook verstandig om de overeenkomst uiteindelijk via een notaris te laten bekrachtigen. Als blijkt dat een dergelijke overeenkomst niet juist is opgesteld, dan kan deze eventueel in de toekomst worden vernietigd.

Doel verrekenbeding bij de DGA

Een periodiek verrekenbeding komt bij veel ondernemers voor. De reden is dat via een verrekenbeding een deel van het vermogen uit de B.V. / onderneming kan worden overgeheveld naar de partner, dit deel van het vermogen is dan veilig gesteld (van de ondernemingsrisico's). Een betaling op grond van een verrekenbeding kan niet door een curator worden aangepakt. De verrekening wordt fiscaal ook niet gezien als schenking. Het is wel vereist dat er ook daadwerkelijk geld wordt overgeboekt. Het overbespaarde inkomen is het inkomen te verminderen met de kosten van de huishouding. Sommige huwelijkse voorwaarden zeggen specifiek wat inkomen is en wat uitgaven zijn. De hypotheekrente of huur behoort tot de kosten van de huishouding (Hoge Raad 27 januari 2006).

Aandachtspunt is dat de notariële bepaling in de huwelijkse voorwaarden meestal ruimte laat voor verschillende interpretaties. De reden is simpel, veel bepalingen zijn lastig te lezen en / of slecht geredigeerd in een andere tijdsgeest. Als iets niet helemaal duidelijk is, dan moet de uitleg in de geest van de bepaling (de letterlijke tekst) en de bedoeling van partijen plaatsvinden. Binnen de juridische wereld staat dit bekend onder de zogenaamde Haviltex formule of Haviltex arrest (uitspraak uit 1981).

Vaststellingsovereenkomst voor oudere jaren

De oudere jaren kunnen alsnog worden verrekend en - zoals hiervoor is genoemd - in een overeenkomst worden vastgelegd. Dit is vaak veel rekenwerk waarbij de archieven hopelijk nog voldoende aanwezig zijn. Als dit niet zorgvuldig zou gebeuren, dan kan de advocaat van de meest gerede partij alsnog gaan "piepen" over de totstandkoming of inhoud van de overeenkomst. De advocaat kan deze overeenkomst dan eventueel laten vernietigen, dit met alle gevolgen van dien. Als er niet is verrekend, dan wordt veelal al snel gesteld dat het op dat moment aanwezig vermogen is ontstaan uit het vermogen dat niet is verrekend. Als er voor het huwelijk al vermogen was en / of als vermogen op een andere wijze (loterij, schenking, etc.) is verkregen, is er wellicht nog een uitweg.

Advisering verrekenbeding en DGA

Een DGA zou erop moeten letten dat hij jaarlijks het verrekenbeding toepast. Het meest eenvoudig kan dit worden toegepast bij het opstellen van de aangifte inkomstenbelasting. Als bijlage wordt er dan een verrekening bij de aangifte gevoegd welke jaarlijks door beide echtelieden wordt ondertekend.

Een ander aandachtspunt is de DGA met een minderheidsbelang, hij heeft geen invloed op de dividendstroom, zijn management fee, etc. De huwelijkse voorwaarden moeten hier wel bij aansluiten, anders zouden eventueel niet uitgekeerde dividenden wel tot de grondslag van de verrekening behoren.

Heeft u vragen? Bel of mail gerust voor een vrijblijvend gesprek.



0000-00-00 0000-00-00 3694

DGA soms recht op WW-uitkering

Werknemers zijn verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen (WW, ZW en WIA). Volgens de WW is er sprake van een werknemer als er een privaatrechtelijke dienstbetrekking is. Bij een DGA of een andere bestuurder is er twijfel of er sprake is van een dienstbetrekking omdat de gezagsverhouding ontbreekt. Hierdoor is het ook twijfelachtig of er recht bestaat op op een WW-uitkering resp. of er de plicht zou bestaan om premies te betalen.

Als een directeur-grootaandeelhouder (DGA) wordt ontslagen, heeft hij meestal geen recht op een WW-uitkering. In sommige gevallen heeft de DGA echter wel recht op een WW-uitkering. Dit is enkel mogelijk als er meerdere aandeelhouders zijn.

Inleiding WW-uitkering voor de DGA

Een DGA betaalt meestal geen premies werknemersverzekeringen, de belangrijkste zijn:

  • de Ziektewet (ZW);
  • de Werkeloosheidswet (WW); en
  • de Wet op Arbeidsongeschiktheidsverzekering; en
  • Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WAO / WIA).

Deze premies moeten pas worden betaald als er sprake is van een dienstbetrekking (en dus een gezagsverhouding tussen de werkgever en de werknemer). Een DGA is vaak zijn eigen werkgever, feitelijk werkgever en werknemer in 1 persoon. Als een DGA meer dan 50% van de aandelen in een B.V. bezit, dan kan hij zelf zijn ontslag bepalen. Hiermee is hij / zij niet verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Als er meerdere aandeelhouders zijn, dan kan dit anders liggen.

Procedure Centrale Raad van Beroep 2011

In een procedure bij de Centrale Raad van Beroep (uitspraak 10 augustus 2011) is bepaald dat een meerderheid van aandelen niet altijd automatisch wil zeggen dat de DGA niet in een gezagsverhouding zou staan. Een DGA was sinds 2002 in dienstbetrekking als algemeen directeur, hij had 64% van de aandelen in de B.V. in zijn bezit. Dit belang is nadien gewijzigd tot 51%. In 2006 wordt de DGA geschorst, in 2008 ging de B.V. failliet en wordt de DGA ontslagen. Vanaf de schorsing is de DGA verplicht verzekerd voor de werknemersuitkeringen (moment schorsing). De DGA kon echter aantonen dat hij al langer in een gezagsverhouding tot de B.V. stond, derhalve voor de schorsing. Volgens de Centrale Raad van Beroep had de DGA recht op (20 maanden) WW-uitkering.

Procedure Hoge Raad 2013

In een procedure bij de Hoge Raad op 22 maart 2013 kwam ook een DGA aan bod. Een DGA was niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen omdat hij samen met zijn bloed- en aanverwanten minstens 66% van de aandelen in een B.V. in bezit had. De eigen aandelen van de DGA tellen hierbij niet mee.

Het UWV kijkt voor de regels in de regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder. De feiten waren eenvoudig: een DGA vroeg een WW-uitkering aan toen de activiteiten van zijn B.V. werden gestaakt en hij werd ontslagen (DGA had 48% van de aandelen). Het UWV weigerde de uitkering te betalen en wees de aanvraag dus af. De DGA stapte naar de rechter. Volgens het hiervoor genoemde besluit moeten de aandelen van bijvoorbeeld een dochter of zoon worden meegeteld. In casu had de dochter 26% van de aandelen. Volgens de Rechtbank, het Gerechtshof en de de Hoge Raad mogen echter de aandelen van de DGA zelf niet worden meegeteld bij het bepalen van de 66% (2/3 van de aandelen). De DGA had recht op een WW-uitkering. In casu had de DGA ook WW-premies afgedragen.

Conclusie fiscaal jurist

Als een DGA binnen familieverband werkzaamheden verricht en hij zelf minder dan 50% van de aandelen in zijn bezit heeft, is er sprake van een bijzondere situatie. De genoemde uitspraak van de Hoge Raad haalt een forse streep door het beleid van de Belastingdienst. Vorenstaande kan betekenen dat er een aantal DGA's rondloopt die feitelijk wel verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. De actie die de Belastingdienst gaat ondernemem is nog niet helemaal duidelijk. Ik verwacht dat een aantal DGA's eerdaags gewoon premies voor werknemersverzekeringen moet gaan betalen en dat zich meer DGA's zullen melden met het verzoek om een WW-uitkering.

WW uitkering voor DGA [news] 2013-04-16 0000-00-00 0000-00-00 3727
Problemen pensioen DGA [news] 2013-05-03

Problemen pensioen eigen beheer van de DGA

Update

Directeuren-grootaandeelhouders (DGA's) krijgen in 2017 (en 2018 en 2019) de mogelijkheid om hun pensioen in eigen beheer van de balans te halen (af te kopen). Dit kan met een korting van 34,5% in 2017 (en in de jaren daarna tegen lagere percentage, namelijk 2018: 25% en 2019: 19,5%). Heeft u geen geld, dan resteren er twee opties:

  1. Premievrij maken;
  2. Spaarvariant kiezen.

Pensioen in eigen beheer opbouwen is dus vanaf 2017 feitelijk voorbij.

De invoering is uitgesteld tot 1 april 2017, lees hiertoe deze brief van de Staatssecretaris van Financiën.

Inleiding

Door de nieuwe wetgeving voor de B.V. sinds 2012 zijn er onverwacht problemen ontstaan bij de pensioen B.V. van de DGA. Pensioen in eigen beheer opbouwen is hierdoor gevaarlijk en een stuk minder aantrekkelijk geworden. Dit komt doordat de fiscale waardering van uw pensioen meestal een stuk lager is dan de commerciële waardering. Gevolg hiervan kan zijn dat u over uw pensioen 72% heffing moet betalen.

Pensioen DGA in eigen beheer

In het verleden werden eenmanszaken ingebracht in een B.V. of werd er een B.V. opgericht en gelijktijdig maar direct een pensioenbrief opgesteld. Elk jaar bouwt de DGA (directeur-grootaandeelhouder) een pensioenaanspraak op, waardoor de B.V. een aftrekpost krijgt. De voorziening wordt gevormd voor een toekomstige pensioenuitkering. De opbouw is aftrekbaar van de winst (minder vennootschapsbelasting betalen) en is in de toekomst belast met inkomstenbelasting. Dotaties aan de voorziening leverden elk jaar een aantrekkelijke aftrekpost op en dus een lagere winst en minder vennootschapsbelasting. In mijn beginjaren was het tarief voor de vennootschapsbelasting nog 34,5%, de laatste jaren is dit tarief verlaagd tot 20% (25% bij hogere winsten).

Belastingdienst gaat controleren

In 2013 en 2014 zal de Belastingdienst scherp gaan controleren op stamrecht B.V.'s, pensioen B.V.'s en rekening-courantschulden van de DGA aan de B.V. Het is dus verstandig om met uw fiscaal jurist te overleggen wat verstandig is. Oplossingen kunnen zijn:

  • overeenkomsten opnieuw opstellen;
  • geen pensioen meer opbouwen;
  • langzamer pensioen opbouwen;
  • pensioen extern verzekeren of banksparen;
  • afsluiten dalende risicoverzekering bij vooroverlijden.

Voorbeeld pensioen in eigen beheer

Henk heeft zijn bedrijf verkocht en is 64 jaar. In zijn holding zit nog een pensioen en een zak met geld. De getallen:

  • Rabobank spaarrekening € 500.000;
  • fiscale pensioenreserve € 300.000 (commercieel € 550.000);
  • eigen vermogen € 20.000;
  • winstreserve € 180.000.

De commerciële waardering van het pensioen is veel hoger, deze bedraagt ongeveer € 550.000. Dit komt door het volgende:

  1. fiscale levensverwachting is 17 jaar, een verzekeraar rekent met ongeveer 20 jaar;
  2. fiscaal blijft de uitkering gelijk, commercieel zal de uitkering jaarlijks met een index stijgen;
  3. fiscaal is de rekenrente 4%, commercieel ongeveer 1,5%;
  4. verzekeringsmaatschappij zal kosten en winst in rekening brengen, hierdoor moet de koopsom hoger zijn, ongeveer 5%.

Gevolgen waardering pensioen van de DGA

Normaal mag Henk de winstreserve ad € 180.000 als dividend uitkeren, hierover is 25% box 2 heffing verschuldigd. De balanstest en de liquiditeitstest leveren geen problemen op, ook wordt er voldaan aan 2:216 BW, dus geen vuiltje aan de lucht. Henk kan prima beslissen om een dividend aan hem uit te keren, tenminste civielrechtelijk. Fiscaalrechtelijk is er wel een probleem. Als de pensioenreserve voor de commerciële waarde wordt opgenomen, dan is de winstreserve weg en is er zelfs een negatief eigen vermogen. De B.V. is niet in staat om ruim 20 jaar een geïndexeerd pensioen van € 25.000 uit te keren.

De Belastingdienst is dan van mening dat er sprake is van een fictieve afkoop van het pensioen van de DGA, dit is zelfs nu al het geval. De gevolgen hiervan zijn dat het pensioen ineens progressief wordt belast (artikel 19B wet Loonheffing) en tevens is er soort boete (revisierente) van 20% verschuldigd (Artikel 30i Algemene Wet inzake Rijksbelastingen). Als Henk een partner zou hebben, dan is het probleem nog groter, met name in de opbouwfase.

Conclusie pensioen DGA

Of u nu pensioen aan het opbouwen bent of reeds van uw pensioen geniet, het is verstandig om eens met een fiscaal jurist te gaan praten om te kijken of er sprake is van een probleem. De Belastingdienst zal stevig in de wedstrijd staan en het is dan verstandig om voordien al stappen te ondernemen. De Belastingdienst kan ook nog terugkijken en dividenduitkeringen van enkele jaren geleden nog terugdraaien. Geen bangmakerij, maar simpelweg een feit.

Ik ga mijn eigen pensioen in eigen beheer stopzetten en kijken naar mogelijkheden om pensioen extern te verzekeren.

0000-00-00 0000-00-00 3750

Tijdsbesteding en gebruikelijk loon DGA

Het gebruikelijk loon van een directeur-grootaandeelhouder (DGA) bedraagt € 45.000 per jaar (cijfers 2018). Mag dit salaris lager worden vastgesteld als de DGA minder voor zijn bedrijf werkt? Volgens fiscalisten is dit wel zo, volgens de rechter niet.

Procedure gebruikelijk loon DGA

Het Gerechtshof in Den Haag deed op 1 februari 2013 (publicatie 31 mei 2013) een bijzondere uitspraak. Een DGA werkte niet fulltime voor zijn B.V. en er werd dan ook gerekend met een lager gebruikelijk loon. Als een DGA een lager loon dan dit salaris wil rekenen, moet hij aannemelijk maken dat dit gebruikelijk is. Dit kan bijvoorbeeld door:

  • in de markt wordt er niet meer betaald voor een dergelijke baan (soortelijke baan zonder aandelen);
  • er wordt meer verdiend dan de meest verdienende werknemer;
  • de B.V. kan het niet betalen.

In deze situatie werkte de DGA gedurende 2 uur per week voor zijn B.V. De Belastingdienst was van mening dat een salaris van € 20.000 gebruikelijk zou zijn. De B.V. was het hier niet mee eens en stapte naar de rechter. Volgens het Gerechtshof speelde het aantal gewerkte uren geen rol. Ook na diverse verwijzingen bleef deze uitspraak in stand (zie onder).

Noot fiscaal jurist gebruikelijk loon

Deze procedure is niet het uitgangspunt. De DGA had moeten stellen en bewijzen dat voor een soortelijk dienstverband (zonder aanmerkelijkbelangaandelen) een lager loon als gebruikelijk zou kunnen gelden. Dit is niet aannemelijk gemaakt.

Voor wie geldt het gebruikelijk loon?

Het gebruikelijk loon geldt niet alleen voor de DGA, maar ook voor andere aandeelhouders met een aanmerkelijk belang. Dit geldt indien een persoon - al dan niet samen met zijn partner - aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • bezit minstens 5% van het in totaal geplaatste aandelenkapitaal in de vennootschap of 5% van het geplaatste kapitaal van een bepaalde soort aandelen;
  • heeft rechten om 5% of meer van het in totaal geplaatste kapitaal of van het kapitaal in een bepaalde soort aandelen van de vennootschap te verwerven;
  • heeft winstbewijzen om 5% of meer van de jaarwinst (of liquidatie-uitkering) van de vennootschap te krijgen;
  • heeft minstens 5% stemrechten in een coöperatie. 

Gebruikelijk loon € 5.000 of lager

Als een DGA geen loon voor zijn werkzaamheden krijgt en zijn gebruikelijk loon niet hoger is dan € 5.000, dan hoeft hij / zij geen loonheffingen over dat gebruikelijke loon te betalen. Betaalt u wel loon - ook al is dat lager dan € 5.000 - dan moet u wel loonheffingen betalen. De grens van € 5.000 wordt niet per B.V. getoetst, maar geldt voor alle werkzaamheden van de aanmerkelijkbelanghouder.

Bron

Gerechtshof Den Haag d.d. 1 februari 2013.

Gebruikelijk loon DGA bij deeltijd [news] 2013-06-11 0000-00-00 0000-00-00 3773
Voorwaarden afzien van pensioen [news] 2013-04-15



Afzien van ingegaan pensioen wegens onderdekking

Vanaf 2013 is het mogelijk om gedeeltelijk van uw reeds ingegane pensioen in eigen beheer af te zien. Dat kan wenselijk zijn als uw B.V. op termijn de verplichtingen niet kan nakomen. Iets dat met enige regelmaat zal voorkomen in deze tijden. Op 18 maart heeft de Staatssecretaris van Financiën een en ander in een besluit toegelicht. Hieruit blijkt aan welke voorwaarden allemaal zal moeten worden voldaan.

Let wel: gesproken wordt over de fiscale waardering van de voorziening. Realiseert u zich dat de werkelijke verplichting veel hoger zal zijn. Laat in elk geval jaarlijks ook deze werkelijke verplichting actuarieel vaststellen, of vraag een offerte bij een professionele verzekeraar. Ook al is deze waarde voor het onderstaande wat minder van belang, het is goed te weten waar u aan toe bent.

De belangrijkste voorwaarden in het kort

  • Dekkingsgraad 75% of lager.
  • Onderdekking is veroorzaakt door reële ondernemings- of beleggingsverliezen.
  • Dekkingsgraad is waarde economisch verkeer van de activa afgezet tegen de pensioenverplichting en schulden.
  • Uitgangspunt is (lage!) fiscale waardering van de voorziening.
  • Vennootschappelijke balans geldt als uitgangspunt.
  • Waarde pand is WOZ voorgaand jaar of lagere WEV.
  • Eventueel correcties bij onzakelijke premies.
  • Correcties bij dividenduitkering of terugbetaling kapitaal in afgelopen 7 jaar.
  • Vrijval winst is winst voor Vpb.

Winst en Vpb-heffing

Het bedrag van de vrijval valt in de winst van de vennootschap en kan leiden tot heffing van vennootschapsbelasting. Veelal zal in een geval van onderdekking van pensioen echter wel sprake zijn van fiscaal compensabele verliezen. Afzien kan dus worden gebruikt om verdamping van verliezen te voorkomen. Om hiervan gebruik te maken, moet eerst een verzoek bij de inspecteur worden ingediend.

Voorbeeld (uit het besluit)

Een directeur-grootaandeelhouder heeft een toegezegd pensioen van € 60.000 per jaar. De activa van de B.V. bedragen € 500.000 (geen stille reserves). De passiva bestaan uit de pensioenverplichting met een fiscale waarde van € 750.000 en overige crediteuren van € 50.000. De dekkingsgraad is hier 62,5% (500.000 / 800.000 * 100%). Als aan alle voorwaarden is voldaan, kan een eenmalige vermindering van de pensioenaanspraken plaatsvinden met 37,5%, (€ 22.500), zodat het aangepaste pensioen € 37.500 bedraagt.

Als de schuld van € 50.000 een hogere rangorde heeft dan de pensioenverplichting (het gaat bijvoorbeeld om een hypothecaire schuld), dan kan de dekkingsgraad worden berekend op 60% (((500.000 -/- 50.000)/ 750.000) * 100%).

(Bron: Staatscourant)

Klik hier voor het gehele besluit.

0000-00-00 0000-00-00 3716

Certificeren van aandelen

Een aandeelhouder heeft feitelijk 2 soorten rechten, zeggenschap (1) en winst (2). Het hoogste orgaan binnen een B.V. is de aandeelhoudersvergadering. De aandeelhouder benoemt / ontslaat de bestuurder en de bestuurder runt de "tent" binnen de contouren welke de aandeelhouder heeft uitgezet. Zolang de aandeelhouder direct betrokken is bij de onderneming, kunnen aandeelhouder / bestuurder prima samengaan. Als de aandeelhouder minder bij de onderneming betrokken is of bij familiebedrijven, zie je dat langzaam een scheiding ontstaat tussen aandeelhouder en bestuurder.

Regelmatig adviseren wij DGA's over nieuwe mogelijkheden en structuren, bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

Certificering, en toen?

Onder omstandigheden kan het verstandig zijn om de stemrechten en vermogensrechten van elkaar te scheiden. Bij certificering dragen de aandeelhouders hun aandelen over aan een nieuwe rechtspersoon (meestal een stichting administratiekantoor of STAK). In ruil voor deze aandelen krijgt de aandeelhouder certificaten. De aandelen in de B.V. worden gehouden door de STAK en de STAK krijgt hiermee alle (aandeelhouders)rechten in de B.V.

De voormalige aandeelhouder heeft na de overdracht geen stemrecht meer in de B.V., tenzij hij (ook) bestuurder binnen de STAK is. De dividenduitkeringen gaan nog wel gewoon naar de oorspronkelijke aandeelhouder. Of er dividend wordt uitgekeerd kan de aandeelhouder niet meer bepalen, deze beslissing moet het bestuur van de STAK nemen (of niet).

Waarom certificeren?

Er kunnen meerdere redenen zijn om tot certificering van aandelen over te gaan. In de praktijk zien wij advisering over dit onderwerp voorbijkomen in de volgende situaties:

  1. Familiebedrijf waarbij sommige leden van de familie wel binnen het bedrijf werkzaam zijn en andere niet.
  2. De DGA (eigenaar-aandeelhouder) wil zich langzaam uit het bedrijf terugtrekken, maar nog wel enige overzicht houden.
  3. Er is sprake van een voorgenomen bedrijfsopvolging waarbij de kinderen langzaam stemrecht en vermogensrecht binnen de onderneming krijgen.
  4. Er zijn erg veel aandeelhouders waardoor de onderneming moeilijker te besturen is, een alternatief is dan een coöperatie of STAK.
  5. Estate planning, de kinderen krijgen via de STAK en het testament wel de vermogensrechten binnen de onderneming, maar geen stemrecht.
  6. De belangen en toekomstige visie van de onderneming lopen niet parallel met de belangen van de aandeelhouder (voorbeeld: bedrijf wil groeien en heeft hiervoor geld nodig en de aandeelhouder wil dividend).
  7. Veilig stellen continuïteit van de onderneming na overlijden van de DGA / aandeelhouder.

Wie is de baas binnen de onderneming?

In de oorspronkelijke vorm was de aandeelhouder de feitelijke baas binnen de onderneming. Na de certificering is het bestuur van de STAK de baas. Het bestuur wordt benoemd door de oorspronkelijke aandeelhouder / DGA. Meestal wordt het bestuur gevormd door de DGA en twee vertrouwelingen (bijvoorbeeld de opvolger, de accountant, fiscalist, advocaat, etc.). Via de hiervoor genoemde route behoudt de DGA nog stemrecht binnen de onderneming. Bij het overlijden van de DGA kan het bestuur gewoon blijven zitten en hierdoor de onderneming aansturen.

Sinds de invoering van de Flex B.V. (in 2012) is het ook mogelijk aandelen in alle soorten en maten uit te geven, hierbij kunt u denken aan aandelen zonder stemrecht, zonder winstrecht, etc. Het belang van certificering is hiermee iets minder geworden. Het is echter wel zo dat houders van stemrechtloze aandelen bij de aandeelhoudersvergadering aanwezig zijn en hier iets mogen zeggen. Bij een STAK is dit niet zo.

Certificering en fiscus

Certificering is in principe een vervreemding en bovendien kan dit tot gevolg hebben dat de fiscale eenheid (omzetbelasting / vennootschapsbelasting) eindigt.

Aandeelhouder natuurlijk persoon (box 2) en certificering

Als een DGA zijn aandelen onderbrengt in een STAK, is feitelijk sprake van een vervreemding / verkoop. Door een besluit van de Staatssecretaris (4 september 2012, nr. BLKB2012/101M ) zal er echter geen belastingheffing in box 2 plaatsvinden. Er zijn echter wel voorwaarden, de belangrijkste zijn:

  • De STAK mag de overgenomen aandelen niet verpanden.
  • Voor elk aandeel krijgt de DGA een certificaat (nominale waarde moet gelijk blijven).
  • STAK moet de dividenden en liquidatie-uitkeringen direct doorbetalen aan de certificaathouder.
  • Ook voor bonusaandelen moet een certificaat worden uitgegeven.
  • Heldere rechten ten aanzien van uitgifte nieuwe aandelen.

Aandeelhouder rechtspersoon en certificering

Als een B.V. / N.V. aandeelhouder is, dan valt de certificering onder de deelnemingsvrijstelling (mits 5% > belang). Door de certificering komt de fiscale eenheid voor de Vennootschapsbelasting te vervallen. Wellicht kan ook de fiscale eenheid voor de Omzetbelasting komen te vervallen.

Certificering van aandelen [news] 2013-09-24 0000-00-00 0000-00-00 4083

Salary split bij bestuurder of directeur

Indien een werknemer in dienstbetrekking is van een werkgever in meerdere landen, dan kan zijn salaris over 2 of meer landen worden verdeeld. Door deze splitsing van het salaris (of salary split) kan een tariefsvoordeel worden behaald, of populair gesteld, met hetzelfde bruto loon heeft de werknemer een hoger netto loon.

Fiscaliteit bij salary split bestuurder

Een werknemer woont in Nederland en geniet salaris vanuit zijn Nederlandse werkgever en zijn buitenlandse werkgever. In beide landen wordt er loonheffing voldaan. Omdat de werknemer in Nederland woont, moet hij in Nederland zijn wereldinkomen opgeven. Het buitenlandse salaris wordt in Nederland vrijgesteld (volgens een formule buitenland / wereldinkomen). De belastingvermindering is gelijk aan de inkomstenbelasting over het wereldinkomen, te verminderen met het aandeel van het buitenlands inkomen t.o.v. het wereldinkomen (de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting). Door de belastingvrije som in het buitenland en het feit dat de tarieven daar oplopen (naar mate omvang salaris), zal er in het buitenland vaak minder belasting verschuldigd zijn dan de voorkoming welke in Nederland wordt gegeven.

Het moet wel zo zijn dat er daadwerkelijk in het buitenland wordt gewerkt. Papier is prima maar als de praktijk anders is, dan werkt de structuur niet. De werkzaamheden moeten ook daadwerkelijk in het buitenland worden uitgevoerd. Het salaris moet ook door de buitenlandse werkgever worden betaald en op zakelijke basis worden vastgesteld (dus redelijk salaris voor het werk dat u verricht). Het salaris mag niet worden doorbelast aan de Nederlandse vestiging. Het is verstandig om in de agenda (en op basis van facturen, tankbonnen, etc.) duidelijk te kunnen maken dat u in het buitenland bent geweest. De Hoge Raad heeft in 2006 al eens geroepen over de voorwaarden voor een salary split:

  1. De werkgever in het buitenland moet de baas zijn over de werknemer.
  2. De resultaten welke de werknemer moeten toekomen aan de buitenlandse vestiging.
  3. De loonkosten van de werkgever moeten aan de buitenlandse vestiging worden doorbelast (individueel).

Salary split bij bestuurder of directeur

Bovenstaande gaat uit van een salary split bij een werknemer. Voor bestuurders / directeuren / commissarissen werkt een salary split meestal minder gunstig uit. Dit komt doordat de vermindering in Nederland anders wordt ingevuld. De vrijstelling wordt niet berekend op grond van de genoemde formule, maar er wordt meestal een vermindering verleend van de daadwerkelijk in het buitenland betaalde belastingen. Hiermee is het voordeel meestal weg (tax credit i.p.v. evenredigheidsmethode). Vorenstaande komt onder meer voor bij situaties met de Verenigde Staten, Denemarken, Frankrijk, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. Als de desbetreffende beloning in het buitenland normaal wordt belast, dan is er nog een mogelijheid. Er mag dan - op grond van een besluit d.d. 19 juli 2008 nummer CPP 2007/664M, lees onderdeel 3.4 - worden gekozen voor de evenredigheidsmethode. Bij vorenstaande moet er wel belasting worden betaald in het andere land. Als dit niet is gebeurd, dan geldt deze regeling niet (Hoge Raad 27 september 2013), het beroepschrift kunt u hier raadplegen.

Voorbeeld salary split

Henk werkt bij B.V. X in Enschede. Hij werkt ook voor A GmbH in Duitsland. Zijn wereldinkomen bedraagt € 100.000, hiervan geniet hij € 40.000 in Duitsland. In Nederland zou Henk € 42.000 over zijn salaris moeten betalen. De aftrek ter voorkoming van dubbele belasting bedraagt € 40.000 / € 100.000 x € 42.000 = € 16.800. In Duitsland is Henk over zijn salaris ongeveer € 10.000 verschuldigd. Het voordeel bedraagt ruim € 6.000.

Auto van de zaak en salary split

Als er een auto ter beschikking wordt gesteld, dan geldt veelal dat deze auto aan beide werkgevers wordt toegerekend en naar rato van de salarisverdeling wordt toegerekend (Rechtbank Breda d.d. 8 mei 2008). Het kan ook zijn dat de auto door 1 werkgever ter beschikking wordt gesteld, alsdan is advisering wenselijk.

Buitenlandse werknemer en salary split

Voor een werknemer welke in het buitenland woont werkt de salary split helemaal goed uit; hij / zij hoeft in Nederland geen premies volksverzekeringen te betalen. De tarieven in de 1e en 2e schijf bedragen hiermee rond de 10%.

Salary split bij bestuurders [news] 2013-10-03 0000-00-00 0000-00-00 4107

Lager fictief loon DGA bij verliessituatie

Als een B.V. structureel verlies maakt, dan mag het fictief loon (of gebruikelijk loon) van de DGA lager worden vastgesteld, aldus de rechter. Bij het vaststellen van het fictieve loon moet het eigen vermogen binnen de B.V. worden meegewogen. Het fictieve loon bedraagt € 47.000 (cijfers 2021).

Fictief loon lager en uitspraak Gerechtshof

Als er sprake is van een structureel verliesgevende situatie, kan dit een lager loon rechtvaardigen, hierover wordt vaak een discussie met de Belastingdienst gevoerd. In een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam d.d. 22 oktober 2013 ging het om een DGA met een holding en 2 werkmaatschappijen. De Belastingdienst was van mening dat de DGA drie keer het DGA-loon moest genieten, dit mede omdat hij de enige werknemer van de B.V.'s was. Gezien de financieel slechte situatie bij de B.V.'s was de DGA van mening dat een dergelijk salaris veel te hoog was. Beide partijen stappen naar de rechter. Het Gerechtshof stelt dat een DGA per dienstbetrekking een (fictief) loon moet ontvangen. De rechter stelde echter ook dat bij de beoordeling van het loon het eigen vermogen van de B.V. van belang is. Een slecht draaiende B.V. kan immers niet onbeperkt loon betalen omdat hiermee het voortbestaan in gevaar kan komen. Daarnaast kon de DGA onmogelijk 3 voltijdsdienstbetrekkingen uitvoeren, dit kost hem immers 120 uur per week. De rechter stelt vast dat de DGA bij één B.V. geen loon hoeft te genieten, bij de andere B.V. een loon van € 15.000 en bij de derde B.V. een loon van € 38.000 (cijfers 2006). Artikel 12a van de Wet Loonbelasting blijft dus voor veel discussie zorgen.

Bron

Gerechtshof Amsterdam d.d. 22 oktober 2013.

Handleiding gebruikelijk loon 2019

[news] 2013-11-06 0000-00-00 0000-00-00 4139

Onzakelijke lening directeur-grootaandeelhouder

De onzakelijke lening is op dit moment binnen de fiscale wereld een veelbesproken onderwerp. In de praktijk komt het vaak voor dat een directeur-grootaandeelhouder (DGA) vanuit zijn B.V. een lening verstrekt aan de DGA in privé of vanuit privé aan de B.V. Deze lening is (in eerste instantie) gewoon een lening. De voorwaarden van de lening kunnen ervoor zorgen dat de Belastingdienst (en later ook de rechter) van mening is dat er sprake is van een zogenaamde onzakelijke lening.

Lening vanuit B.V. aan privé

Een B.V. verstrekt aan de DGA in privé een lening voor de verbouwing van zijn woning. Op de woning is een hypotheek gevestigd en de lening van de B.V. is opgelopen tot € 300.000. Op de lening wordt normaal rente voldaan. In de leningsovereenkomst worden geen zekerheden voor de B.V. opgenomen. De DGA heeft een stuk grond gekocht voor € 350.000 en vervolgens de opstallen gesloopt en op het kavel een woning gebouwd van ruim € 1.500.000. De woning staat op het moment van de procedure te koop voor ruim € 1.000.000. Er rust een lening bij een bank op de woning van ongeveer € 900.000. De B.V. wil de lening (deels) afboeken. De rechter in hoger beroep (zie onder) is het met de Rechtbank en de inspecteur eens, er is sprake van een onzakelijke lening (er is namelijk geen zekerheid verstrekt) en de vordering kan door de B.V. niet worden afgeboekt. De overwegingen van de rechter zijn de volgende:

  • Indien en voor zover een geldverstrekking door een vennootschap aan haar aandeelhouder plaatsvindt onder zodanige voorwaarden en omstandigheden dat daarbij door die vennootschap een debiteurenrisico wordt gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, moet – behoudens bijzondere omstandigheden – ervan worden uitgegaan dat die vennootschap dat debiteurenrisico in zoverre heeft aanvaard met de bedoeling het belang van haar aandeelhouder in die hoedanigheid te dienen. Dit brengt mee dat een eventueel verlies op de geldlening in zoverre niet in mindering op de winst van die vennootschap kan worden gebracht (HR 9 mei 2008, nr. 43849, LJN BD1108, BNB 2008/191).

  • Ingeval bij een geldlening tussen een vennootschap en haar aandeelhouder de rente niet in overeenstemming met het ‘at arm's length’ beginsel is vastgesteld, zal voor de fiscale winstberekening moeten worden uitgegaan van een rente die wel aan dit criterium voldoet. Daarbij zal – behoudens het rentepercentage – uitgegaan moeten worden van hetgeen partijen zijn overeengekomen (zoals met betrekking tot zekerheden en de looptijd van de lening). Met dat uitgangspunt strookt niet dat de rente zodanig wordt aangepast dat de geldlening in wezen winstdelend zou worden. Dan zou het karakter van hetgeen partijen zijn overeengekomen worden aangetast. Indien met inachtneming van het hiervoor overwogene geen rente kan worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken aan de met de vennootschap gelieerde partij, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden, moet worden verondersteld dat bij die verstrekking door de vennootschap een debiteurenrisico wordt gelopen dat deze derde niet zou hebben genomen. Alsdan moet – behoudens bijzondere omstandigheden – ervan worden uitgegaan dat de betrokken vennootschap dit risico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van haar aandeelhouder te dienen. Dit brengt mee dat een eventueel verlies op de geldlening niet op de winst van de vennootschap in mindering kan worden gebracht (vgl. HR 25 november 2011, nr. 08/05323, LJN: BN3442, BNB 2012/37).

Zakelijkheid rekening-courant

Iedere aandeelhouder dient zakelijk te handelen met zijn vennootschap(pen). Dit betekent dat de verstrekking, als de voorwaarden waaronder dit geschiedt, moet geschieden zoals dat ook tussen derden het geval zou zijn geweest. Om fiscaal niet tegen ongewenste gevolgen aan te lopen, dient u rekening te houden met het volgende:

  • Kijk goed naar de vermogenspositie van de schuldenaar (zou deze ook een lening van een derde kunnen ontvangen?).
  • Stel een zakelijke rente vast.
  • Kom een aflossingsschema overeen.
  • Leg de lening en de bijbehorende voorwaarden vast in een overeenkomst.
  • Indien het bovenstaande niet juist is vormgegeven, kan de Belastingdienst de rente gaan corrigeren en mogelijk de lening aanmerken als onzakelijk met alle gevolgen van dien.

Rente rekening-courantschuld tot € 17.500

Bij een schuld van de aandeelhouder tot € 17.500 hoeft geen rente in rekening te worden gebracht. Hier tegenover staat dat de schuld niet in box 3 mag worden opgenomen.

Belastingdienst en rekening-courant

De Belastingdienst heeft een speciale site over de rekening-courant van de aandeelhouder (kijk hier). U kunt erop wachten dat de Belastingdienst in 2012 en 2013 strikter gaat kijken naar DGA's met een schuld aan hun B.V. Essentie volgens de Belastingdienst is het volgende:

  • Lening tegen zakelijke voorwaarden (voorwaarden die een bank ook zou stellen).
  • De lening moet schriftelijk worden vastgelegd.
  • Er moeten afspraken worden gemaakt over terugbetaling van de lening.
  • De B.V. heeft voldoende zekerheden.
  • De B.V. moet aan haar verplichtingen kunnen blijven voldoen als u de lening opneemt.
  • Als er onzakelijk wordt gehandeld, voldoet de lening niet aan de voorwaarden, de lening wordt dan gezien als inkomen.

Rekening-courant en rentevoordeel

Op 25 februari 2011 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan inzake een DGA die geld had geleend van zijn vennootschap tegen een rente van 2,5% en dit geld vervolgens op privérekeningen zette tegen een hogere rente. Hierdoor maakte de DGA een onbelaste winst in privé. De inspecteur was het niet eens met de DGA.

De Rechtbank stelde de DGA in het gelijk, het Hof echter niet. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad zich over deze zaak gebogen en kwam met de volgende uitspraak. De kennis van tarieven op spaarrekeningen is niet als bijzondere vorm van kennis aan te merken, aangezien deze gewoon op het internet staan. Het standpunt van het Hof dat de winst in box 1 belast moest worden wegens activiteiten die normaal vermogensbeheer te boven gaan, gaat derhalve niet op. De activiteiten zijn volgens de Hoge Raad niet substantieel genoeg, waardoor sprake is van normaal vermogensbeheer en derhalve is het rentevoordeel onbelast.

De onzakelijke lening, een toelichting van de fiscaal jurist

Voor het eerst is op 9 mei 2008 door de Hoge Raad een arrest gewezen waarbij afwaardering van een lening (die fiscaal ook wordt aangemerkt als lening) niet aftrekbaar is op grond van onzakelijkheid. Voor dit arrest volgde de fiscale kwalificatie van een lening de civielrechtelijke kwalificatie, tenzij sprake was van een deelnemerschapslening, een schijnlening of een bodemlozeputlening (deze laatste drie vormen werden geherkwalificeerd naar eigen vermogen). Het vorenstaande zal zich alleen voordoen indien geld wordt verstrekt door gelieerde partijen.

Op basis van het bovenstaande arrest en de arresten die hierop volgden [1] is kort gezegd de afwaardering van een onzakelijke lening niet mogelijk, ondanks dat deze toch fiscaal wordt gezien als lening zijnde. De arresten maken het mogelijk om de rechtsverhouding als lening te duiden voor zover de debiteur aan zijn rente- en aflossingsverplichtingen voldoet. Pas op het moment dat afwaardering aan de orde komt, zal de Belastingdienst stellen dat sprake is van een onzakelijke lening en dat derhalve de afwaardering niet ten laste van de winst mag worden gebracht.

Het toetsmoment voor de beoordeling van de lening is in beginsel het moment van de verstrekking. Ook kan de lening op een later moment worden geherkwalificeerd naar een onzakelijke lening indien de crediteur uit onzakelijke motieven nalaat aanvullende maatregelen te treffen in het kader van zijn belangen als crediteur.

De vraag of sprake is van een onzakelijke lening wordt als volgt beoordeeld. Indien een geldverstrekking heeft plaatsgevonden onder zodanige voorwaarden en omstandigheden, dat daarbij door de geldverstrekker een debiteurenrisico wordt gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, dan is sprake van een onzakelijke lening.

Allereerst dient derhalve te worden gekeken of het rentepercentage zakelijk is vastgesteld op basis van de elementen uit de geldleningsovereenkomst. Staat vast dat de rente onzakelijk is, dan wordt deze gecorrigeerd naar zakelijke verhoudingen. Indien het niet mogelijk is de rente te corrigeren naar een zakelijke verhouding, waarbij een onafhankelijke derde nog bereid zou zijn geweest om de lening onder dezelfde voorwaarden te verstrekken, dan wordt de lening fiscaal wel aangemerkt als lening (rente is wel aftrekbaar / belast), maar kan het afwaarderingsverlies niet ten laste van de winst worden gebracht [2]. Gunstig is dat de bewijslast voor een onzakelijk debiteurenrisico rust op de inspecteur.

Indicatoren voor een onzakelijke lening zijn:

  • financiering aantrekken bij een bank is onmogelijk;
  • er is geen geldleningsovereenkomst aanwezig;
  • er zijn geen zekerheden gesteld;
  • er is geen aflossingsschema overeengekomen.

De onzakelijke lening wordt zowel geconstateerd bij leningen tussen B.V.’s (die gelieerd zijn) als bij een lening tussen de DGA en de B.V.

Onlangs sprak de Hoge Raad zich uit [3] over een rechtszaak waarin de inspecteur van mening was dat er sprake was van een onzakelijke lening. De DGA had namelijk zeer soepele voorwaarden gesteld. Zo was de afgesproken rente erg laag en was geen sprake van formele zekerheden of een aflossingsschema. De Hoge Raad gaf aan dat een lening zonder formele zekerheden niet automatisch onzakelijk is. Hierbij moet wel kunnen worden aangetoond dat geen sprake is van een schijnlening, deelnemerschapslening dan wel een bodemlozeputlening. In deze specifieke kwestie was de lening, zonder formele zekerheden, wel zakelijk. De Hoge Raad benadrukte wel dat als de overeengekomen rente niet zakelijk is, er voor de fiscale winstberekening wel van een zakelijk percentage moet worden uitgegaan.  

Zoals hierboven weergegeven, kunnen bij de betreffende leningen veel discussies ontstaan. Zorg derhalve voor een tijdige en inhoudelijke beoordeling van een lening, zodat de negatieve fiscale consequenties voor zover mogelijk kunnen worden voorkomen.

Bron

Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 3 december 2013.

De onzakelijke lening tussen BV en DGA [news] 2014-01-02 0000-00-00 0000-00-00 4178

Pas op met de gebruikelijkloonregeling !

In de praktijk lijkt het nogal mee te vallen met de toepassing van de gebruikelijkloonregeling. Het kabinet is echter van plan om in het kader van de begrotingsafspraken de regeling aan te scherpen. Wij zien in de praktijk steeds vaker een discussie over het salaris van de DGA. Er is een belastingopbrengst begroot van maar liefst € 150 miljoen, dus dit zal niet zonder slag of stoot aan de deur van de gemiddelde DGA voorbij gaan. Dat gaat dus geld kosten!

Regelmatig adviseren wij DGA's over nieuwe mogelijkheden en structuren, bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

De huidige regeling

De gebruikelijkloonregeling van artikel 12a in de Wet loonbelasting heeft betrekking op de situatie dat een aanmerkelijkbelanghouder arbeid verricht voor een B.V. of N.V. waarin hij een aanmerkelijk belang houdt, dus de directeur-grootaandeelhouder. Deze werknemer kan in feite zijn eigen arbeidsvoorwaarden, waaronder de hoogte van zijn salaris, vaststellen. Artikel 12a regelt dat deze aanmerkelijkbelanghouder wordt geacht ten minste een gebruikelijk loon te genieten.

Hieronder enkele belangrijke kenmerken van de gebruikelijkloonregeling:

  • Norm inkomen minimaal € 45.000 (kolom 14). Cijfers 2018.
  • Loon is loon in geld en loon in natura.
  • Loon is inclusief auto van de zaak.
  • Toepassen werkkostenregeling niet van invloed.
  • Inkomen lager dan € 5.000, dan geen gebruikelijk loon (bewijslast DGA).
  • Lager inkomen in verband met gevaar voor continuïteit bedrijf (bewijslast DGA).
  • Deeltijd (bewijslast DGA). 
  • Ten minste salaris best verdienende andere medewerker.

Voor de bepaling van het gebruikelijk loon geldt de doelmatigheidsmarge van 30%, dus het salaris mag maximaal 30% afwijken van hetgeen gebruikelijk is. De vraag blijft natuurlijk wat nou eigenlijk gebruikelijk is.

 Afroommethode is enkel van toepassing als:

  • de opbrengsten van de B.V. (nagenoeg) geheel voortvloeien uit de door de AB-houder (in zijn hoedanigheid van werknemer) verrichte arbeid. 

Afroommethode is niet van toepassing als:

  • de onderneming in opbouw is;
  • de opbrengsten van de vennootschap bestaan uit een percentage van het resultaat van het samenwerkingsverband;
  • de vennootschap overig personeel in dienst heeft.

De afroommethode lijkt nog alleen van toepassing voor éénpitters.

Wat te doen?

Hieronder een paar tips om alvast rekening te houden met de wijzigingen.

Optimaal salaris

Bereken de juiste en tevens fiscaal optimale hoogte van uw salaris. Houd daarbij rekening met uw privé fiscale positie, zoals uw aftrekposten en optimaliseer dit, zodat u bij voorkeur maximaal 42% belasting betaalt. Eventueel kunt u dit moment gebruiken om eens goed naar uw oudedagsvoorziening te kijken. Door bijvoorbeeld een pensioen in eigen beheer in uw B.V. toe te zeggen, maakt u het gebruikelijk loon (dat is inclusief pensioenpremies) hoger en daarmee kan het probleem al deels zijn opgelost. Ook zou u ervoor kunnen kiezen om in privé te gaan banksparen en zo een aftrekpost te creëren. Met banksparen spaart u fiscaal gefaciliteerd en heel transparant zonder bijkomende kosten voor uw oudedag.

Rechtsvorm wel juist?

Een hoger gebruikelijk loon leidt veelal tot een hogere belastingdruk en dit kan dus een aanleiding zijn om nog eens goed naar uw rechtsvorm te kijken. Is de B.V.-structuur nog wel wenselijk, of moet u terug naar de eenmanszaak? Wij rekenen dit graag even samen met u uit.

Gebruikelijk loon, pas op! [news] 2014-02-03 0000-00-00 0000-00-00 4204

DGA-salaris of dividend

Dividend DGA gunstiger dan salaris

Een directeur moet zich een bepaald salaris (gebruikelijk loon) uitkeren. Stel, u geniet een salaris van € 80.000 en uw B.V. maakt nog een winst van € 80.000. Wanneer u behoefte heeft aan aanvullend inkomen, dan is het aantrekkelijker om dit als dividend uit te keren in plaats van als salaris. In vrijwel alle gevallen is dividend veel voordeliger dan salaris.

Het maximale tarief bij dividend bedraagt 38%. Het maximale tarief (DGA niet verzekerd) voor de inkomstenbelasting (en premie Zvw) bedraagt 55,5%. Vanaf een inkomen van € 25.000 is dividend feitelijk al voordeliger dan salaris. Hierbij is rekening gehouden met:

  • Salaris is aftrekbaar van de winst;
  • Geen heffingskortingen bij dividenduitkering;
  • Bij lager salaris een hogere AB-claim in de toekomst.

Toelichting

  • De top van het salaris van de DGA wordt soms belast tegen 52% (belastbaar inkomen hoger dan € 68.500, cijfers 2020).
  • Stel, de heer X overweegt om € 20.000 extra salaris uit te keren. Dit is voor de B.V. aftrekbaar (en dus niet belast met vennootschapsbelasting) en in privé belast tegen 52%. Daarnaast is over salaris ook premie Zvw verschuldigd.
  • De heer X ontvangt bij een bruto salaris van € 20.000 ongeveer € 10.000 netto. Kiest de heer X voor een dividenduitkering van € 20.000, dan blijft er netto € 12.000 over.

Voorbeeld berekening

Stel dat u € 50.000 kunt uitkeren als salaris of als dividend, wat is dan voordeliger?

   Salaris  Dividend 
      
Uitkering  

 € 50.000

 

 € 50.000

Vennootschapsbelasting 16%  

€ 0

 

  € 8.000 

Inkomstenbelasting box 1/ Zvw  

 € 27.000

 

€ 0 

Inkomstenbelasting box 2 26,25%    

€  11.025

     
Netto ontvangst   

€ 23.000 

  

€ 30.975 

     

Conclusie

Het tarief (inkomstenbelasting en premies Zvw) over een salaris is maximaal 55% en over een dividenduitkering per saldo ruim 38%. Bij hogere salarissen en een belastbaar inkomen van meer dan € 25.000 is een dividenduitkering vaak voordeliger dan een salarisverhoging. Aantekening hierbij is wel dat dit maatwerk is, immers een salarisverhoging kan ook een hogere pensioenlast opleveren, dit kan voordelig zijn. En er moet natuurlijk altijd voldaan worden aan het gebruikelijk loon.

Fiscale aandachtspunten en mogelijkheden

Eventueel kunt u de dividenduitkering combineren met een eigen bijdrage voor de auto van de zaak en / of de dividenduitkering gebruiken om uw rekening-courantschuld (indien aanwezig) af te lossen. Tenslotte is het van belang dat er soms een verhouding moet zijn (afroommethode / gebruikelijk loon) tussen uw salaris en de omzet / management fee in uw B.V. Laat u hierover goed adviseren. Vragen? Bel of mail gerust.

[news] 2020-09-10 0000-00-00 0000-00-00 4205
Terugkeer uit BV via VOF of verhuur [news] 2014-02-10

Terugkeer uit de B.V. via VOF

Steeds meer DGA's kunnen belasting besparen door over te gaan vanuit een B.V. naar een eenmanszaak of Vennootschap onder Firma (VOF). Via een eenvoudig rekenmodel berekenen wij maandelijks voor klanten of een terugkeer uit de B.V. financieel voordeel kan opleveren. U kunt via diverse opties terug vanuit de B.V.

Wanneer is een terugkeer uit de B.V. voordelig?

Bij een brutowinst (salaris en nettowinst voor belastingen) in een B.V. van € 60.000 levert een eenmanszaak een voordeel op van ongeveer € 5.000. U zou een fiscaal jurist kunnen bezoeken indien:

  1. uw B.V. meer dan 1 jaar verlies maakt; en
  2. de vooruitzichten niet substantieel beter zijn;
  3. het salaris ad € 43.000 lastig (of niet) kan worden betaald.

Het omslagpunt is lastig te bepalen en sterk afhankelijk van feiten, edoch vanaf een brutowinst (salaris en winst voor belastingen) tot ongeveer € 90.000 is het verstandig om u door een fiscaal jurist te laten adviseren. Het voordeel is nog groter als de B.V. (jaarlijks) verlies maakt, de verliezen binnen een B.V. kunnen vaak niet worden gecompenseerd met winsten en daarnaast speelt de fictiefloonregeling een nadere rol (artikel 12a Wet Loonbelasting). Binnen de eenmanszaak en de VOF zijn de verrekeningsopties van verliezen ruimer.

Belangrijkste voordelen terugkeer uit de B.V.

De belangrijkste voordelen van een terugkeer uit de B.V. zijn:

  1. Compensabele verliezen verrekenen met inkomen (bij geruisloze terugkeer met terugkeerreserve).
  2. Geen discussie meer over DGA-loon / fictief loon.
  3. Recht op zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling (financieel voordeel).
  4. Lagere administratieve lasten (geen aangifte VPB / LH meer).

Hoe terugkeren uit de B.V.?

Er zijn meer wegen naar Rome en ook meerdere manieren om terug te keren uit de B.V. De meest voorkomende opties zijn:

  1. Geruisloze terugkeer en liquideren van de B.V.
  2. VOF met uw B.V. opzetten.
  3. Verhuur van uw B.V. aan een VOF of eenmanszaak.

Ad 1 De geruisloze terugkeer uit de B.V.

Er is een ingewikkelde regeling waarmee u kunt terugkeren uit een B.V. Dit kan zonder belastingheffing, echter veelal is dit erg complex en hiervoor is ook liquiditeit nodig. Deze terugkeer zal via een verzoek aan de Belastingdienst in werking worden gezet. Voor een verdere toelichting zie onderstaand artikel (of lees dit artikel hier).

Ad 2 VOF met uw B.V. opzetten

Een steeds vaker gekozen route voor de terugkeer uit de B.V. is de vorming van een VOF met de B.V. Deze structuur is niet zonder risico's en vooroverleg met de Belastingdienst is wenselijk. U als DGA brengt arbeid (en vlijt) in de VOF in en uw B.V. het (bedrijfs)vermogen en de activiteiten. Pensioenen en vorderingen op de DGA blijven achter in de B.V. Het is verstandig om met de Belastingdienst te overleggen omtrent de zelfstandigheid van de DGA (ondernemersaftrek). De verdeling van de winst is een kwestie van rekenen onder economisch rechtvaardige omstandigheden. Mits de structuur juist is opgezet, dan komt de investeringsaftrek voor toekomstige investeringen toe aan de DGA (natuurlijk persoon).

Aandachtspunt is of de DGA (natuurlijk persoon) kan worden gezien als startende ondernemer. Als dit zo zou zijn, dan is er wellicht recht op extra ondernemersaftrek (de startersaftrek) en kan er ook recht bestaan op de regeling voor willlekeurige afschrijving (buitenvennootschappelijk vermogen).

Ad 3 Verhuur van uw B.V. aan een VOF of eenmanszaak

Een eenvoudige optie is het oprichten van een eenmanszaak waarbij de eenmanszaak de onderneming (activa etc.) huurt van de B.V. De huur is aftrekbaar in de eenmanszaak (maximaal 43%) en belast in de B.V. (maximaal 25%, directe heffing). De huur moet op zakelijke gronden worden vastgesteld. Voordeel van deze structuur is dat mogelijke compensabele verliezen kunnen worden verrekend met toekomstige winsten. Aandachtspunt is een mogelijke desinvesteringsbijtelling (door verhuur activa).

0000-00-00 0000-00-00 4218

De risico's van dividend uitkeren in 2016 en 2017

Update

Directeuren-grootaandeelhouders (DGA's) krijgen in 2017 (en 2018 en 2019) de mogelijkheid om hun pensioen in eigen beheer van de balans te halen (af te kopen). Dit kan met een korting van 34,5% in 2017 (en in de jaren daarna tegen lagere percentages, namelijk 2018: 25% en 2019: 19,5%). Heeft u geen geld, dan resteren er twee opties:

  1. Premievrij maken;
  2. Spaarvariant kiezen.

Pensioen in eigen beheer opbouwen is dus vanaf 2017 feitelijk voorbij.

De invoering is uitgesteld tot 1 april 2017, lees hiertoe deze brief van de Staatssecretaris van Financiën.

Inleiding

Wij krijgen veel vragen van cliënten en hun adviseurs over de mogelijkheid om dividend uit te keren. Voor de invoering van het nieuwe B.V.-recht (flex B.V.) op 1 oktober 2012 was het veelal geen probleem om dividend uit te keren, als het vermogen maar positief was en er notulen van de AVA waren opgesteld. Na 1 oktober 2012 moet u vooraf wel drie keer nadenken, of  het uitkeren van vermogen wel kan en wat de mogelijke consequenties hiervan kunnen zijn. Een consequentie is de hoofdelijke aansprakelijkheid voor bestuurders. Dit geldt voor de volgende handelingen, inhoudende vormen van uitkeren van vermogen:

  • Uitkering van de winst of reserves (dividend);
  • Terugbetaling op aandelen in het kader van kapitaalvermindering;
  • Inkoop van eigen aandelen, anders dan om niet.

Balanstest en uitkeringstoets

Het bestuur van een vennootschap is onder het huidige B.V.-recht (let wel: iedere B.V. is tegenwoordig een zogenaamde flex B.V.) verplicht om bij elke hierboven genoemde vorm van uitkering van vermogen aan aandeelhouders na te gaan of dit verantwoord is. De wet zegt vrij vertaald het volgende:

  1. De AVA is bevoegd tot het nemen van een besluit tot vaststellen van een (dividend-)uitkering voor zover het vermogen groter is dan de wettelijke en statutaire reserves. Dat wordt balanstest genoemd.   
  2. Het besluit heeft geen gevolg totdat het bestuur goedkeuring verleent.
  3. Het bestuur weigert slechts goedkeuring als zij weet of redelijkerwijs behoort in te zien dat de vennootschap na uitkering niet zal kunnen doorgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. Dat is de uitkeringstoets of uitkeringstest.

     

Aan bovenstaande verplichtingen zijn aansprakelijkheidssancties gekoppeld voor bestuurders en aandeelhouders. Men is persoonlijk aansprakelijk voor tekorten bij de B.V. welke zijn ontstaan door de uitkering, vermeerderd met de wettelijke rente. Let bij de balanstest op negatief vermogen en op de wettelijke en / of statutaire reserves, bijvoorbeeld bij de aanwezigheid van deelnemingen. Ter zake van de niet uitgekeerde dividenden van deelnemingen (welke zijn gewaardeerd tegen de intrinsieke waarde) moet een wettelijke reserve op de balans worden opgenomen. Dit is beklemd vermogen en dit beperkt de mogelijkheid tot het doen van dividenduitkeringen. Let op dat dit niet altijd op juiste wijze in de commerciële jaarrekening staat vermeld.

Het gaat bij de balanstest om een belangenafweging tussen de aandeelhouders en de schuldeisers, de continuïteit op langere termijn van de vennootschap staat voorop! Volgens de parlementaire behandeling is de beoordelingsperiode een jaar vanaf de uitkering, maar voorzienbare zaken daarna moeten ook worden meegenomen. Het is niet helder waar de grens ligt.

Het vastleggen van de balanstest en uitkeringstest is niet expliciet voorgeschreven, maar verdient wel degelijk aanbeveling en versterkt de positie bij een eventuele aansprakelijkheidsstelling.

Fiscaal risico bij pensioen- en stamrechtverplichtingen

Wellicht in de praktijk veel gevaarlijker dan het terugbetalingsrisico is het fiscale risico indien de vennootschap een pensioen- of soortgelijke verplichting op de balans heeft staan. Het uitkeren van dividend kan naast bovengenoemde aansprakelijkheid ook leiden tot de stelling van de fiscus dat er sprake is van afkoop van pensioen, met alle desastreuze financiële gevolgen van dien.

De Belastingdienst (bij monde van het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen CAP) is van mening dat er na uitkering van dividend op korte en lange termijn voldoende vermogen moet overblijven om het pensioen te kunnen uitkeren. En daarbij worden de regels wel erg ver opgerekt. Regels die thans (eind 2016) nog niet door de rechter zijn getoetst!

In tegenstelling tot de lage fiscale waardering van pensioen op de fiscale balans, moet voor de dividendtoets volgens het CAP rekening worden gehouden met een waarde die "minimaal gelijk is aan de koopsom die aan een professionele verzekeraar zou moeten worden betaald voor het onderbrengen van de betreffende verplichting”. Als de B.V. het risico van vooroverlijden (nabestaandenpensioen) niet extern verzekert, moet ook dat aspect worden meegenomen. Dit zou een enorm risico betekenen. Het is duidelijk dat dividend uitkeren dan vrijwel nooit mogelijk is. Het verdient in zo'n geval (dat zou u overigens altijd moeten doen!) de aanbeveling een risicoverzekering af te sluiten of om het nabestaandenpensioen uit te ruilen tegen een ouderdomspensioen. Meer over de stelling van het CAP kunt u lezen in het vraag en antwoord besluit 12-008 van 21 september 2012.

Wat te doen?

Doe niet zomaar wat, het kan u duur komen te staan. Leg bovenstaande uitkomsten schriftelijk vast. Vraag uw accountant of neem even vrijblijvend contact met ons op voor overleg. Houd ook onze site in de gaten voor actuele ontwikkelingen en toekomstige jurisprudentie. Of ... bel voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor.

Dividend, uitkeringstoets en pensioen [news] 2015-04-16 0000-00-00 0000-00-00 4501

Vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI)

Heeft u uw onderneming verkocht, overtollige liquiditeiten in uw onderneming of box 3 vermogen in de vorm van spaartegoeden met een laag rendement? Een VBI kan zowel fiscaal als op andere gebieden voordeel opleveren. Regelmatig adviseren wij DGA's over nieuwe mogelijkheden en structuren, bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

Wijziging VBI 2017

De VBI wordt door steeds meer DGA's gebruikt en wij hebben er diverse opgericht. Vanaf 20 september 2016 (Prinsjesdag) is de VBI een stuk minder aantrekkelijk geworden. De belangrijkste wijzigingen zijn:

  1. Direct afrekenen: de VBI kon zonder belasting te betalen tot stand worden gebracht. De AB-claim werd namelijk doorgeschoven naar de toekomst. Vanaf 20 september 2016 moet er direct 25% worden afgerekend over de AB-winst (het vermogen in de VBI). Er blijft dus geen 100% vermogen in de VBI over, maar slechts 75%.
  2. Flits VBI: een gebruikte optie is om box 3 vermogen onder te brengen in een B.V. (hierdoor geen box 3 heffing meer). Als het vermogen kort in box 3 blijft (18 maanden), is er sprake van een zogenaamde flits VBI, dit is niet toegestaan.
  3. Box 3 rendement: er komt een koppeling tussen de box 3 heffing en het rendement waarmee binnen de VBI moet worden gerekend.

Aandachtspunt: er wordt terugwerkende kracht voorgesteld (dus invoering per direct en niet per 1 janauri 2017). Gezien het rechtszekerheidsbeginsel is het nog maar de vraag of dit ook doorgaat. De Raad van State heeft al voorgesteld om de terugwerkende kracht te laten vervallen, tenzij er een beter gefundeerde motivering wordt gegeven voor speculatief gedrag.

Het is niet gezegd dat de VBI-maatregel ingaat per 20 september 2016, het is dus zaak dit te volgen en wellicht in december 2016 nog een VBI op te richten. De VBI is een stuk minder aantrekkelijk geworden door deze maatregel, maar hoeft nog niet in de prullenbak. Voor box 3 vermogen dat duurzaam wordt ondergebracht in een VBI zal er niet veel veranderen. Conclusie: rekenen en goed laten adviseren, de berekening is vrij simpel.

Wat is een VBI?

Een VBI is een N.V. of een open fonds voor gemene rekening die liquiditeiten en / of beleggingen bezit. Het voordeel van een VBI ten opzichte van een reguliere B.V. die liquiditeiten en beleggingen bezit is dat er geen vennootschapsbelasting wordt berekend over de voordelen die worden behaald. Wel zal er jaarlijks een fictief rendement van 4% over de werkelijke waarde van de VBI in box 2 aangegeven moeten worden waarover 25% inkomstenbelasting verschuldigd is. Per saldo komt dit uit op een belastingdruk van 1% per jaar. Ter vergelijking, over box 3 vermogen wordt 1,2% belasting geheven. Enkele voorbeelden waarin een VBI te overwegen is.

Privéstructuur

Wanneer een DGA de onderneming heeft verkocht en de opbrengst in de holding laat, is voor derden inzichtelijk hoeveel de onderneming heeft opgeleverd door de publicatiestukken van de holding op te vragen. Door gedurende het boekjaar (een deel van) het vermogen af te splitsen en onder te brengen in een open fonds voor gemene rekening, zal het voor derden niet te achterhalen zijn hoeveel de verkoop van de werkmaatschappij heeft opgebracht.

Overtollige liquiditeiten

Indien u in uw onderneming beschikt over overtollige liquiditeiten, dan kan het voor u fiscaal aantrekkelijk zijn de overtollige liquiditeiten af te splitsen en onder te brengen in een VBI, uw vermogen is dan buiten de risicosfeer. Eventueel zou er dan ook voor gekozen kunnen worden het beheer van de gelden bij de DGA te houden en de aandelen of participaties stapgewijs over te dragen aan de kinderen. Daarbij kan tevens het beheer over het vemogen na overlijden van de DGA en zijn / haar partner overgedragen worden.

Laag rendement op spaartegoeden in box 3

Indien u beschikt over spaartegoeden in box 3 waarop u een laag rendement maakt, kan een VBI uitkomst voor u bieden. Door de spaartegoeden in te brengen in een VBI en de resultaten blijven tegenvallen, dan kan er na verloop van tijd voor gekozen worden om de VBI te liquideren. Indien het rendement lager is geweest dan 4% per jaar, dan levert dit een verlies op in box 2. Indien er door de liquidatie geen box 2 vermogen meer is, kan het verlies omgezet worden in een belastingkorting in box 1.

Bij een vermogen van € 5.000.000 zal een VBI jaarlijks € 10.000 voordeliger zijn ten opzichte van het aanhouden van het vermogen in box 3.

Wanneer aantrekkelijk?

Een VBI kan vanaf een vermogen van circa € 1.000.000 fiscaal voordelig zijn, er zijn namelijk kosten gemoeid bij het tot stand brengen van een VBI. Een VBI is aantrekkelijk voor:

- vermogende DGA's; 

- beleggingen met weinig risico (obligaties, deposito's, spaartegoeden);

- vermogende particulieren die inkomen genieten in de vorm van dividenduitkeringen uit hun B.V. (voordeel van 20% tot 25%!).

Daarnaast leent een VBI zich ook om vermogen bij elkaar te houden en het beheer van het vermogen centraal te regelen. Zo kan ervoor gekozen worden om opgebouwd vermogen bij elkaar te houden en dat de kinderen / toekomstige erfgenamen niet de mogelijkheid hebben om het vermogen aan te wenden voor consumptieve doeleinden.

Meer weten of advies?

Wij kunnen u adviseren en begeleiden in het tot stand brengen van een VBI. We nodigen u dan ook graag uit voor een vrijblijvend gesprek waarin wordt bekeken of de VBI in uw situatie voordelig is.

Vrijgestelde beleggingsinstelling de VBI [news] 2015-06-25 0000-00-00 0000-00-00 4531

Gebruikelijk loon bij parttime DGA

Het gebruikelijk loon van een DGA mag ook lager zijn dan het wettelijk vastgestelde minimumloon (ad € 47.000, cijfers 2021). Dit kan spelen als er sprake is van een (langdurige) verliessituatie. De vuistregel voor het loon van de DGA is het genoemde minimumloon en/of het loon dat een werknemer in een vergelijkbare situatie zou verdienen. Er moeten zakelijke gronden zijn om een lager DGA loon te hanteren.

Zekerheid over DGA loon

U kunt via vooroverleg met de Belastingdienst zekerheid krijgen over het DGA loon dat moet worden gehanteerd. Wij kunnen die tegen beperkte kosten voor u verzorgen, stuur ons hiertoe een e-mail. Het formulier inzake vooroverleg kunt u hier downloaden. De volgende informatie moet worden verstrekt:

  1. omschrijving van de aaard en omvang van uw werkzaamheden
  2. naam en nummer van de rechtspersoon en BSN nummer van de DGA
  3. lonen van werknemers met vergelijkbare dienstbetrekking / werkzaamheden
  4. hoogste loon van de werknemer die bij de BV werkzaam is
  5. argumenten waarom de DGA (tijdelijk) een lager loon redelijk vindt

Partime DGA en fictief loon

Een DGA die 5 uur per week voor zijn bedrijf werkt en ook nog arbeidsongeschikt is, moet volgens de rechter het gebruikelijk loon als salaris uit zijn onderneming halen. Reden: de DGA is er bijzonder en heeft talent. Een bijzondere uitspraak!

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) kan feitelijk zijn eigen salaris bepalen. Door een optimale planning kan de DGA zijn salaris in Box 1 optimaliseren. Om dit te voorkomen, is in de wet de gebruikelijkloonregeling opgenomen. Een DGA moet een minimaal salaris van ruim € 47.000 (cijfers 2021) genieten. Als de DGA te weinig salaris opneemt, dan kan de Belastingdienst alsnog een naheffingsaanslag loonheffingen opleggen. Een parttime DGA zou in principe genoegen kunnen nemen met een lager salaris. In onderstaande procedure ging dit fout.

Procedure Gerechtshof inzake fictief loon parttime DGA

Een DGA werkte parttime voor zijn uitzendbureau en ontving naast zijn bescheiden salaris een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De inspecteur was van mening dat de DGA - ondanks dat hij maar een paar uur in de week werkte - tot het gebruikelijk loon moest verdienen (in die periode zo'n € 33.000). De werkzaamheden van de DGA waren namelijk erg belangrijk voor het uitzendbureau.

De DGA werkte 5 uur per week voor zijn uitzendbureau. Zijn vrouw werkte ook binnen het bedrijf. De centrale vraag is of de Belastingdienst in dergelijke situaties mag uitgaan van 100% van het wettelijk voorgeschreven fictief / gebruikelijk loon. De procedure heeft erg lang geduurd, maar uiteindelijk was de rechter het met de Belastingdienst eens. Het Gerechtshof was van mening dat de DGA - ondanks zijn gezondheidsproblemen, het feit dat hij 5 uur per week werkte en de arbeidsongeschiktheidsverzekering - gewoon een salaris van ruim € 30.000 moest genieten.

De werkzaamheden van de DGA waren namelijk van dusdanig groot belang voor zijn uitzendbureau, dat dit gebruikelijk zou zijn. De DGA was erg goed in het koppelen van uitzendkrachten aan opdrachtgevers, dit kon zijn echtgenote niet zo goed. Daarnaast bleef de DGA binnen het bedrijf de feitelijk leidinggevende.

Noot fiscaal jurist gebruikelijk loon

Deze procedure is niet het uitgangspunt. De DGA had moeten stellen en bewijzen dat voor een soortelijk dienstverband (zonder aanmerkelijkbelangaandelen) een lager loon als gebruikelijk zou kunnen gelden. Dit is niet aannemelijk gemaakt.

Bron gebruikelijk loon parttime DGA

Rechtbank Den Haag d.d. 23 december 2011 ECLI NL RBSGR 2011 BV2925.

Gerechtshof Den Haag d.d. 1 mei 2013 ECLI NL GHDHA 2013 CA 3998.

Hoge Raad d.d. 18 april 2014 ECLI NL HR 2014 934.

Gerechtshof Amsterdam d.d. 9 juli 2015 (ECLI NL GHAMS 2015 3692).

[news] 2015-09-17 0000-00-00 0000-00-00 4862

Geruisloze terugkeer uit de B.V., voorsorteren gewenst

Met ingang van 2016 wordt het tarief in de tweede en derde tariefschijf verlaagd naar 40,15% en wordt de derde tariefschijf verlengd tot € 66.421. Het wordt hierdoor aantrekkelijker om een onderneming te drijven in de vorm van een eenmanszaak, vennootschap onder firma (VOF) of maatschap. Indien de onderneming wordt gedreven in de vorm van een holdingstructuur waarbij de onderneming in een werkmaatschappij is ondergebracht, zijn de mogelijkheden om fiscaal geruisloos terug te keren echter beperkt. Om toch met ingang van 1 januari 2016 geruisloos terug te keren uit de B.V., zal er voorgesorteerd moeten worden, met andere woorden, de holdingstructuur zal ontmanteld moeten worden.


Overdracht werkmaatschappij aan privé

Door ervoor te zorgen dat de aandelen in de werkmaatschappij op 1 januari 2016 in bezit zijn van de DGA, kan een geruisloze terugkeer worden bewerkstelligd. De holding blijft hierdoor bestaan (met daarin bijvoorbeeld de pensioen- of stamrechtverplichting) en beperkt de uitvoeringsproblemen. De werkmaatschappij met daarin de onderneming kan vervolgens met terugwerkende kracht tot het begin van het kalenderjaar als eenmanszaak (of VOF) worden gedreven.


Overdracht onderneming werkmaatschappij aan holding

Het is mogelijk om de onderneming voor rekening en risico door de werkmaatschappij (binnen de fiscale eenheid Vpb) over te dragen aan de holding. Vervolgens dient de werkmaatschappij ontbonden en geliquideerd te worden. Hier is ook van belang dat de overdracht en de ontbinding vóór 1 januari 2016 plaatsvindt. De holding zal vervolgens voldoen aan de voorwaarden waardoor de geruisloze terugkeer zonder problemen plaats kan vinden.


Juridische fusie

Indien het boekjaar reeds onderweg is en er nog steeds sprake is van een holdingstructuur, dan biedt de juridische fusie nog een uitkomst. De dochtermaatschappij zal hierdoor opgaan in de holding. Nadat de juridische fusie heeft plaatsgevonden, voldoet de holdingvennootschap aan de voorwaarden en kan de geruisloze terugkeer alsnog (met terugwerkende kracht tot het begin van het kalenderjaar) plaatsvinden.


Indien het voorsorteren tijdig heeft plaatsgevonden, kan in de loop van 2016 het formele verzoek worden ingediend bij de Belastingdienst en zullen de uitvoeringsproblemen beperkt zijn. Met ingang van 1 januari 2016 zal het resultaat als winst uit onderneming worden belast en zal het voordeel tot uiting komen.


Hulp nodig?

De geruisloze terugkeer komt geregeld voor in onze dagelijkse praktijk. Doordat het inkomstenbelastingtarief met ingang van 2016 wijzigt, is het voor meer ondernemers aantrekkelijker om de holdingstructuur op te heffen en de onderneming voort te zetten in de vorm van een eenmanszaak, VOF of maatschap. Benieuwd of een geruisloze terugkeer ook een jaarlijks voordeel voor u oplevert? Maak vrijblijvend een afspraak met de auteur van dit artikel.
Geruisloze terugkeer uit de BV, voorsorteren gewenst. [news] 2015-10-14 0000-00-00 0000-00-00 4864

Pensioen in eigen beheer, een update

De invoering is uitgesteld tot 1 april 2017, lees hiertoe deze brief van de Staatssecretaris van Financiën.

Op 24 september 2016 heeft er een algemeen overleg plaatsgevonden inzake de toekomst van het pensioen in eigen beheer. Opvallend was het gegeven dat bij ruim 60% (!!!) van de pensioen-B.V.'s sprake is van een onderdekking. Dit betekent dat in 60% van de gevallen het geld eerder op is dan dat de pensioengerechtigde komt te overlijden. Dit heeft ertoe geleid dat er - zoals het er nu naar uitziet - met ingang van 1 januari 2017 een tweetal oplossingen zijn geboden.

Op 17 december 2015 heeft de Staatssecretaris een brief met een aantal oplossingsrichtingen uitgebracht (Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 108). Hierin maakt Staatssecretaris Wiebes kenbaar dat vanuit het vereenvoudigingsoogpunt, uitfasering van het pensioen in eigen beheer met een fiscaal gefaciliteerde afkoopmogelijkheid, zonder dat er iets ander voor in de plaats komt, de voorkeur heeft. Het oudedagssparen in eigen beheer wordt in die brief echter als minder wenselijk neergezet.

Op 16 februari 2016 heeft Staatssecretaris Wiebes een brief gestuurd aan de Tweede Kamer waarin hij aankondigt dat hij de vragen die de Tweede Kamer aan hem heeft gesteld zal beantwoorden in de week van 7 maart 2016, we wachten het af.

De wijzigingen ten aanzien van het pensioen in eigen beheer zullen op 1 januari 2017 wetgeving moeten zijn. Gezien de vele voor- en tegenstanders van het pensioen in eigen beheer lijkt deze termijn haalbaar, maar zal de voortgang er wel ingehouden moeten worden.

En wat nu?

De voorgestelde maatregelen zullen - zoals hierboven weergegeven - op zijn vroegst met ingang van 1 januari 2017 geldend recht worden. In situaties waarbij de pensioenrechten niet meer voor verwezenlijking vatbaar zijn, bestaat er wellicht nog een mogelijkheid om tot afstempeling over te gaan zonder heffing van loonheffing en revisierente. Laat u hierin echter goed adviseren.
Pensioen in eigen beheer, een update [news] 2015-10-14 0000-00-00 0000-00-00 4865
Vermogensstructuur ter verkrijging van anonimiteit [news] 2015-11-23

Vermogensstructuur ter verkrijging van anonimiteit

Het is tegenwoordig zeer eenvoudig om publicatiestukken bij de Kamer van Koophandel op te vragen om hiermee inzicht te krijgen in het vermogen. Dit is ook de manier voor de Quote 500 om inzicht te krijgen in het vermogen van de 500 rijkste inwoners van ons land. Wilt u niet dat buitenstaanders inzicht krijgen in uw vermogen, dan zijn er verschillende mogelijkheden om dit inzicht te beperken.

Open fonds voor gemene rekening

Een minder bekend fiscaal vehikel is het open fonds voor gemene rekening (OFGR). Een OFGR is in het leven geroepen om te fungeren als beleggingsfonds. Echter, een OFGR blijkt ook voor andere doeleinden zeer geschikt.

Een OFGR is net als een B.V. of N.V. een vennootschapsbelastingplichtig lichaam. Echter, een OFGR wordt niet ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en een OFGR heeft logischerwijs ook geen verplichting tot het publiceren van jaarstukken.

Voorwaarde bij een open fonds voor gemene rekening is dat er minimaal twee participanten zijn.

Open commanditaire vennootschap

Een wellicht wat bekender vehikel is de open commanditaire vennootschap (OCV). Een dergelijke rechtsvorm wordt ook vaak gebruikt voor beleggingsdoeleinden. Voordeel van een OCV is echter dat de commanditaire vennoot slechts tot de inleg aansprakelijk is (dus geen hoofdelijke aansprakelijkheid). Heeft u een holding waarin overtollige liquiditeiten zitten, dan is het wellicht een optie om de holding om te zetten in een open commanditaire vennootschap.

Bij het oprichten van een OCV zal ook een beherend vennoot nodig zijn. Deze beherend vennoot wordt in dergelijke structuren gevonden door de oprichting van een stichting. Het bestuur van deze stichting zal vervolgens gevormd (kunnen) worden door de commanditaire vennoot.

Mijn vermogen zit in een B.V. / N.V., moet ik dan niet afrekenen?

Doordat een open fonds voor gemene rekening en een open C.V. net als de B.V. en de N.V. vennootschapsbelastingplichtige lichamen zijn, kan gebruik worden gemaakt van verschillende fiscale (fusie / splitsing-)faciliteiten. Dit betekent dat het creëren van een vermogensstructuur - waarbij het voor een derde nagenoeg niet te achterhalen is hoeveel vermogen u bezit – zonder heffing van inkomsten- of vennootschapsbelasting plaats kan vinden.

Uiteraard zal wel alle openheid van zaken gegeven moeten worden richting de Belastingdienst.

Vrijgestelde beleggingsinstelling

Afhankelijk van uw privésituatie en het soort bezittingen die in uw vennootschap zitten is het mogelijk om de status van vrijgestelde beleggingsinstelling aan te vragen. Zie hiervoor dit artikel.

Wilt u meer weten over het creëren van een vermogensstructuur teneinde meer anonimiteit te krijgen, neem vrijblijvend contact op met onderstaande auteur.

0000-00-00 0000-00-00 4872
Afroommethode DGA als laatste redmiddel [news] 2016-02-29

Afroommethode DGA als laatste redmiddel

Volgens de conclusie van de Advocaat Generaal van 19 januari 2016 is de door de Belastingdienst veelvuldig toegepaste afroommethode slechts toegestaan indien er op geen enkele andere wijze een gebruikelijk loon is vast te stellen.

In het verleden is het toepassen van de afroommethode al veelvuldig afgeschoten. De wetgever heeft daar onder andere op geanticipeerd door vanaf 2015 het gebruikelijkloonartikel van 12a LB aan te passen.

Met ingang van 1 januari 2015 is de doelmatigheidsmarge verlaagd van 30% naar 25% en is het begrip 'soortgelijke dienstbetrekking' vervangen door het begrip 'meest vergelijkbare dienstbetrekking'. Deze 30% / 25% dient u niet te verwarren met de 30% die tevens gebruikt werd bij de afroommethode.

Doel van de gebruikelijkloonregeling is – om met een zekere marge – het fiscale loon vast te stellen op het niveau ‘van een zakelijk te achten salaris’. Volgens het Hof en de A-G is het dus de vraag of ‘in het economisch verkeer een hoger loon gebruikelijk is’. Dit betekent dat moet worden onderzocht of in de markt hogere lonen worden toegekend aan personen die vergelijkbare werkzaamheden anders dan als DGA in dienstbetrekking verrichten (vergelijkingsmethode). De toepassing van de afroommethode leidt volgens de A-G niet tot de vaststelling van een ‘vergelijkbaar loon’, maar eerder tot ‘de voor loonbetaling beschikbare winst’. In wezen benadert het aldus becijferde bedrag ‘wat het loon zou kunnen zijn’.

Slechts in zeer specifieke gevallen zal er wellicht geen in de markt vergelijkbaar loon te vinden zijn in een vergelijkbare dienstbetrekking waardoor de Belastingdienst wellicht toch de afroommethode met succes zou kunnen toepassen.  

Of het oordeel van het Hof en de conclusie van de A-G wordt bevestigd door de Hoge Raad zal op korte termijn duidelijk worden.

Tip

In de praktijk komen wij vaak tegen dat accountants en administratiekantoren zelf nog veelvuldig de afroommethode toepassen. In heel veel situaties zou dat kunnen betekenen dat de DGA al jaren mogelijk een veel hoger salaris heeft genoten dan nodig zou zijn geweest. Kijk als DGA een kritisch naar uw salaris en naar vergelijkbare functies. Mogelijk kunt u de nodige belastingen besparen!

0000-00-00 0000-00-00 4907

Verlies uit aanmerkelijk belang? Benut de belastingkorting!

Een steeds actueler wordend onderwerp is het omzetten van het verlies uit aanmerkelijk belang (box 2) in een belastingkorting die verrekend kan worden met verschuldigde belasting over het inkomen uit werk en woning (box 1). Hoewel de crisis al weer achter ons ligt en de vooruitzichten stukken beter, hebben sommige directeur-grootaandeelhouders (DGA's) nog te maken met de nasleep van een faillissement of opheffing van de B.V. waarin een aanmerkelijk belang werd gehouden.

Verliezen uit aanmerkelijk belang

Een verlies uit aanmerkelijk belang ontstaat doorgaans als gevolg van een faillissement, liquidatie of een verkoop van het aanmerkelijk belang, de aandelen die worden gehouden in een B.V. Indien de verkrijgingsprijs van de aandelen hoger is dan de vervreemdingsprijs is sprake van een verlies.

Verkrijgingsprijs

Onder verkrijgingsprijs wordt verstaan de prijs waarvoor de aandelen zijn verkregen. In de meeste situaties is deze gelijk aan het geplaatst en volgestorte aandelenkapitaal, maar kan als gevolg van bijvoorbeeld een geruisloze inbreng van een onderneming ook hoger of lager zijn. In dit laatste geval is hiervoor bij de geruisloze inbreng een verkrijgingsprijs vastgesteld.

De verkrijgingsprijs wordt verhoogd met vorderingen die de DGA had op zijn B.V. en die vervolgens zijn kwijtgescholden of wegens failissement niet meer invorderbaar zijn. Deze bedragen worden aangemerkt als een kapitaalstorting en verhogen de verkrijgingsprijs.

Vervreemdingsprijs

Onder de vervreemdingsprijs wordt de tegenprestatie in geld verstaan waartegen de aandelen worden verkocht. Indien de B.V. waarin het belang wordt gehouden failliet gaat of wordt geliquideerde en ontbonden, dan is de vervreemdingsprijs gelijk aan de liquidatie-uitkering (veelal nihil).

Indien de vervreemdingsprijs verminderd met de verkrijgingsprijs leidt tot een negatieve uitkomst, dan is er sprake van een verlies uit aanmerkelijk belang. Dit verlies kan een jaar terug worden gewenteld en negen jaar vooruit. Het verlies is echter alleen met inkomen uit aanmerkelijk belang te verrekenen (en niet met box 1 of box 3 inkomen).

Verlies uit aanmerkelijk belang omzetten in belastingkorting

Indien er nog een verlies uit aanmerkelijk belang resteert en de DGA - tezamen met zijn / haar partner - geen aanmerkelijk belang meer houdt in een B.V., dan heeft de DGA de mogelijkheid om het verlies om te zetten in een belastingkorting. Deze belastingkorting leidt ertoe dat het verlies afgezet kan worden tegen de verschuldigde belasting uit werk en inkomen (box 1).

Indien de DGA aanspraak wenst te maken op de belastingkorting, mag hij - al dan niet tezamen met zijn / haar partner - in het kalenderjaar en het daaraan voorafgaande kalenderjaar geen aanmerkelijk belang houden in een B.V. of daarmee vergelijkbare rechtspersoon. Nadat het verlies is omgezet in een belastingkorting kan de korting gedurende zeven jaren verrekend worden met de belasting die is verschuldigd over bijvoorbeeld looninkomsten, of een (pensioen-)uitkering. De belastingkorting dient uiterlijk in het negende jaar na het jaar waarin het verlies uit aanmerkelijk belang is ontstaan te zijn verrekend. De belastingkorting die na dit jaar nog resteert zal 'verdampen'.

De belastingkorting is voor DGA's die wegens verkoop, faillissement of liquidatie en ontbinding van de B.V. een verlies hebben geleden op hun aandelen een pleister op de wonden. De praktijk leert echter dat de belastingkorting niet altijd optimaal benut wordt. Zit u wellicht in een situatie waarin u overweegt uw aandelen te verkopen of uw B.V. te liquideren en ontbinden, neem dan voor die tijd contact op met een fiscaal jurist om uw situatie te beoordelen. Zowel de timing als het vormgeven van bijvoorbeeld een aandelenverkoop kan het verschil maken in wel of geen verlies uit aanmerkelijk belang en het kunnen omzetten van dit verlies in een belastingkorting.

In het het arrest van de Rechtbank Gelderland van 31 maart 2016, nummer: AWB15/3919, ECLI:NL:RBGEL:2016:1772 is een eventuele verlenging van de verrekeningstermijn aan de orde gekomen. De DGA in die situatie heeft betoogd dat als gevolg van een verliesverrekening de belastingkorting weer zou moeten herleven en de verrekeningstermijn daarmee verlengd zou moeten worden. Inspecteur is het daar echter niet mee eens, de Rechtbank bevestigt het standpunt van de inspecteur. Verliesverrekening leidt niet tot een verjonging van de belastingkorting. Deze uitspraak bevestigt hetgeen uit de voorgaande alinea, timing en een juiste vormgeving is vereist om het optimale resultaat te bereiken.

Wilt u meer weten? Neem contact op met de auteur van dit artikel.

Verlies uit aanmerkelijk belang? Benut de belastingkorting! [news] 2016-04-12 0000-00-00 0000-00-00 4924
Van uw oude stakingslijfrente af zonder fiscale pijn? [news] 2016-04-20

Van uw oude stakingslijfrente af zonder fiscale pijn? Leest u dan verder!

Heeft u in het verleden uw onderneming omgezet in een besloten vennootschap en heeft u hiervoor een stakingslijfrente bedongen, dan zijn de (toekomstige) uitkeringen belast met inkomstenbelasting. Maar wat als de vennootschap geen liquiditeit heeft om de uitkeringen te voldoen? Kunt u zonder fiscale gevolgen afzien van uw lijfrente-uitkeringen? In beginsel is het antwoord: nee. Onder de Wet op de inkomstenbelasting 2001 wordt het afzien van uitkeringen gesanctioneerd met een heffing van 52% inkomstenbelasting en daarnaast beboet met nog eens 20% revisierente. Heeft u nog een oude stakingslijfrente (vóór 1992)? Dan is er mogelijk nog een uitweg.

Het fiscale lijfrenteregime is in de loop der jaren steeds weer gewijzigd. Voor op het tijdstip van wijziging bestaande lijfrenten is vaak een overgangsrecht gecreëerd. Zo ook voor lijfrenten die vóór 1 januari 1992 zijn bedongen. Voor deze lijfrenten geldt het verbod op afzien niet waardoor een sanctie in de inkomstenbelasting achterwege blijft.

Voor de vennootschapsbelasting is nog wel sprake van een fiscaal belaste winst. Heeft u echter nog fiscale verliezen, dan kunnen deze met de winst verrekend worden. Daardoor hoeft het afzien van uitkeringen u ook in de vennootschapsbelasting fiscaal geen pijn te doen.

Wilt u meer weten? Neem dan contact op met ons kantoor, wij helpen u graag verder.

0000-00-00 0000-00-00 4928
Overdracht belastingschuld aan BV [news] 2016-09-05

Overdracht belastingschuld aan B.V.

Omzetten niet aftrekbare belastingschuld in box 3 schuld

Een belastingschuld in privé is niet aftrekbaar voor de inkomstenbelasting (in box 3). Als je deze schuld aan de B.V. verkoopt, ontstaat er voor de DGA een schuld aan zijn eigen B.V. Deze schuld kan wel in box 3 worden opgenomen. In deze casus ging het om een lange procedure waarbij de Hoge Raad de Randstad-oprichter Frits Goldschmeding in het gelijk heeft gesteld.

Belastingschuld aan B.V. verkopen

De DGA verkocht in 2008 een pakket aandelen aan zijn dochters voor ruim € 100 miljoen. De dochters konden dit niet betalen en kregen dus een schuld aan hun vader (resp. de vader heeft een vordering op zijn dochters). Daarnaast moest er belasting worden betaald over de verkoop (ook ruim € 100 miljoen), deze belasting moest in 10 jaar tijd worden betaald. De vordering op de dochters is belast in box 3 en de schuld aan de Belastingdienst is in box 3 niet aftrekbaar.

Eind 2010 verkoopt de DGA de vorderingen op zijn dochters en ook de schuld aan de Belastingdienst aan zijn eigen B.V. De Belastingdienst vindt dit flauwekul en ziet de economische logica niet. Daarnaast heeft de Belastingdienst geen toestemming gegeven voor de overdracht van de schuld. De DGA heeft na de overdracht geen economisch belang meer bij de schuld; mocht de belastingschuld worden kwijtgescholden, dan is dit voordeel ook voor de B.V. De overdracht kan volgens de Hoge Raad ook zonder toestemming van de Belastingdienst (tenminste fiscaal).

De Rechtbank was het met de Belastingdienst eens. Het Gerechtshof en de Hoge Raad niet, zij geven de DGA gelijk. De overdracht kan en leidde niet tot een TBS-vordering op de B.V. De Advocaat-Generaal heeft de Hoge Raad anders geadviseeerd (Belastingdienst gelijk), maar de Hoge Raad trekt zijn eigen lijn.

Fiscale noot

DGA's zouden nu op grote schaal niet aftrekbare belastingschulden aan hun B.V. kunnen verkopen. Meestal moet het dan wel gaan om forse belastingschulden, anders is het voordeel te beperkt. In bovenstaande casus is het voordeel ongeveer € 3-4 miljoen per jaar (in een dalende lijn omdat er elk jaar wordt afgelost). De Belastingdienst zal wel proberen om deze structuur te voorkomen of te beperken, dit kan via:

  1. beroep op Fraus Legis (belastingbesparing is enige motief voor de transactie);
  2. wetswijziging.

Als de B.V. de schuld niet zou betalen en / of failliet gaat, dan zal de DGA in privé moeten betalen en zal de structuur waarschijnlijk onderuit gaan.

Bron belastingschuld verkopen

Hoge Raad d.d. 12 augustus 2016 (ECLI NL HR 2016 1900).

Conclusie Advocaat-Generaal d.d. 15 maart 2016 (ECLI NL PHR 2016 120).

Gerechtshof Amsterdam d.d. 23 april 2015 (ECLI NL GHAMS 2015 2191).

0000-00-00 0000-00-00 4974

Pensioen in eigen beheer afkopen

Directeuren-grootaandeelhouders (DGA's) krijgen in 2017 (en 2018 en 2019) de mogelijkheid om hun pensioen in eigen beheer van de balans te halen (af te kopen). Dit kan met een korting van 34,5% in 2017 (en in de jaren daarna tegen lagere percentages, namelijk 2018: 25% en 2019: 19,5%). Heeft u geen geld, dan resteren er twee opties:

  1. Premievrij maken;
  2. Spaarvariant kiezen.

De invoering is uitgesteld tot 1 april 2017. De novelle van de wet Uitfasering pensioen in eigen beheer is inmiddels door de Eerste en Tweede kamer aangenomen. Zoals het er nu uitziet is het vanaf 1 juli 2017 niet meer mogelijk om fiscaal gefacilieerd pensioen in eigen beheer op te bouwen. Het afkopen of omzetten van het pensioen in een oudedagsvoorziening kan vanaf 1 april 2017, de beoogde datum van inwerkingtreding van de wet.

Als DGA uw pensioen in eigen beheer afkopen of niet?

Als uw pensioenreserve € 100.000 bedraagt, dan krijgt u hierop een korting van 34,5%. Over € 65.500 moet u dan dus 52% afrekenen. Dit kost netto zo'n € 34.000 (effectief tarief is derhalve 34%). Wellicht is het verstandig om in 2016 dit geld vast vrij te maken (of vanuit privé in de B.V. te storten), maar dat is afhankelijk van de feiten. Conclusie:

  1. 2017: korting 34,5%, deel afkoop 65,5% en effectief tarief 34,06%;
  2. 2018: korting 25%, deel afkoop 75% en effectief tarief 39%;
  3. 2019: korting 19,5%, deel afkoop 80,5% en effectief tarief 41,86%.

Overige opmerkingen over afkoopsom DGA-pensioen

De regeling is vrij uitgebreid en kent enkele voorwaarden en aandachtspunten:

  • Er wordt voor de regeling gekeken naar de fiscale verplichting per eind 2015.
  • Een creatieve verhoging of verlaging in 2016 heeft dus geen zin.
  • De revisierente (extra boete) van 20% geldt voor deze regeling niet.
  • De loonheffing moet ineens door de B.V. worden betaald, dit kan een flinke klap voor bestaande liquiditeit betekenen.

Spaarvariant DGA en eigen beheer pensioen

De spaarvariant is eigenlijk heel eenvoudig. De pensioenrechten worden gewaardeerd op de fiscale waarde (afgestempeld). De fiscale waarde van uw pensioen in eigen beheer wordt zonder loonheffing en vennootschapsbelasting omgezet in een oudedagsspaarverplichting. Daarna zal er geen verdere opbouw meer plaatsvinden. Het verschil tussen de fiscale en commerciële waarde verdwijnt derhalve, dit is een voordeel. Hierdoor kunt u ook weer eerder dividend laten uitkeren door uw B.V. Ook ziet uw balans er weer iets rooskleuriger uit. Let erop dat uw partner met de omzetting akkoord moet gaan, leg het dus schriftelijk vast in een overeenkomst (en notulen van de AvA).

Echtscheiding DGA en afkoop

Als u gescheiden bent en de verevende pensioenrechten van uw ex-partner zitten (bevroren) in de B.V., dan moet u met uw ex in overleg over een mogelijke afkoop (artikel 3a lid 6 Wet Verevening pensioenrechten bij scheiding). Uw ex moet voor de afkoop  namelijk toestemming verlenen. Een aantal opmerkingen:

  • Voor het ouderdomspensioen geldt formeel nog geen wettelijke regeling om toestemming te vragen.
  • Doordat er geen pensioen meer wordt opgebouwd, neemt de winst van uw B.V. toe, hierdoor hogere draagkracht.
  • U kunt ook het deel van uw partner onderbrengen bij een externe verzekeraar.
  • U kunt uw partner een compensatie aanbieden voor het gemis van pensioen, als uw pensioen nu "onder water staat", moet u hiermee rekening houden (lagere compensatie, kijk ook naar deze uitspraak van het Gerechtshof Den Haag d.d. 18 juni 2014).  
  • Let op dat er geen sprake is van een schenking. Als uw partner zomaar afziet, dan kan dit een schenking zijn. Let hierbij ook op artikel 19b lid 3 Wet Loonbelasting. 

Partner en pensioen

Het is van essentieel belang dat de (gewezen) partner / vrouw / echtgenoot van de DGA medewerking gaat verlenen aan de uiteindelijke overeenkomst. Zonder een krabbel van de (gewezen) partner kunnen er vele problemen ontstaan. Zekerheidshalve is het verstandig dat de (gewezen) partner reeds op de notulen (voor de beslissing) haar handtekening zet.

Tenslotte

Wij adviseren diverse DGA's over deze materie en maken hiervoor een kort advies met een berekening. Vragen? Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak.

Bron pensioen in eigen beheer

Wetswijziging in staatscourant

Wijziging novelle (uitvoeringsbesluit)

Afkoop pensioen eigen beheer [news] 2017-02-14 0000-00-00 0000-00-00 4975

Belastingvrij afboeken rekening-courantschuld DGA aan B.V.

Bijna iedere directeur-grootaandeelhouder (DGA) heeft wel een rekening-courant bij zijn vennootschap(pen). Sinds enkele jaren heeft de Belastingdienst veel belangstelling voor dergelijke schulden. Er wordt ook steeds vaker over rekening-courantschulden geprocedeerd en dit zal de komende jaren alleen maar toenemen. In 2019 aflossen is fiscaal voordeliger omdat in 2020 het tarief voor box 2 zal stijgen. Daarnaast komt er in 2022 een wetswijziging (lees meer)

Advies inzake schuld aan BV

Wij adviseren regelmatig DGA's met forse rekening-courantschulden. Hierbij wordt ook gekeken naar:

  • verrekening rekening-courant met afkoop pensioen;
  • kwijtschelden vordering DGA i.v.m. oninbaarheid;
  • laten vervallen DGA-schuld i.v.m. 5-jaarstermijn;
  • aflossing rekening-courant via overdracht activa vanuit privé.

De laatste maanden wordt veel gesproken over het belastingvrij kwijtschelden van rekening-courantschulden. Dit op grond van diverse publicaties en een TV-uitzending (die ik via 'Uitzending gemist' heb bekeken). In dit artikel wordt duidelijk dat u met vuur speelt als u hieraan zou beginnen en dat sprookjes niet bestaan. Heeft u vragen kom gerust langs voor een vrijblijvende afspraak.

Belastingvrij afboeken schuld DGA

Steeds vaker krijgen wij vragen over het belastingvrij afboeken van een schuld van de DGA aan zijn B.V. Wat te mooi is om waar te zijn, is dat vaak ook. Is het dan flauwekul wat er in het nieuws voorbijkomt en door enkele adviseurs wordt geroepen? Ja, in veel gevallen wel. De optie wordt geroepen in een TV uitzending, ik heb dit via 'Uitzending gemist' bekeken, een bijzonder advies. De stelling is als volgt:  er is een definitieve aanslag, de stijging van de rekening-courantlening is onzakelijk en feitelijk een schijnlening en hiermee kun je deze zomaar wegstrepen (geen nieuw feit). Dit sprookje is flauwekul, hierbij de realiteit.

Wat kunt u met een rekening-courant?

  1. Simpelweg aflossen.
  2. Dividend uitkeren (aflossing € 75.000 rekening-courant kost € 25.000 aan liquiditeit).

Een rekening-courantschuld van de DGA aan zijn B.V. geeft de Belastingdienst een aantal opties:

  1. De opname is loon geweest.
  2. De opname is een dividenduitkering geweest.
  3. De opname is een echte lening.

Overige gevolgen van een rekening-courantschuld kunnen zijn:

  1. Pensioenprobleem: grote opnamen kunnen ervoor zorgen dat het pensioen in eigen beheer wordt gedekt door een (waardeloze) vordering op de DGA. Dit kan afkoop van pensioen tot gevolg hebben (gevolg: 52% belasting en 20% revisierente).
  2. Rente: de rente op de rekening-courant is vaak in privé niet aftrekbaar en in de B.V. wel belast.
  3. Faillissement: bij een faillissement van uw B.V. komt de curator het geld bij de DGA in privé ophalen.

Als een directeur-grootaandeelhouder (de DGA) een schuld aan zijn B.V. heeft opgebouwd, dan wil hij hier graag af. In een TV programma wordt deze structuur (belastingvrij afboeken) gepresenteerd. De insteek is de volgende:

  • Een DGA heeft sinds vele jaren een schuld aan zijn B.V.
  • De schuld is in rekening-courant opgebouwd.
  • De DGA kan de schuld niet (meer) aflossen.
  • De DGA heeft de schuld niet afgelost en kon dit ook niet (schijnlening).
  • De lening is feitelijk in het verleden omgezet in een (vermomde) uitdeling.
  • De opnamen hebben in het verleden het karakter gekregen van een dividenduitkering.
  • De inspecteur had dan in het verleden zich moeten melden bij de DGA en de opnamen als dividenduitkeringen moeten aanmerken.
  • De inspecteur heeft dat niet gedaan en is hiermee te laat, navorderen is dan nu niet meer mogelijk (geen nieuw feit).

De gedachte hierachter is wel te volgen en niet geheel onjuist. Echter de vraag is of de inspecteur te laat en / of de inspecteur een nieuw feit nodig heeft.

  1. Uit diverse uitspraken van rechters (jurisprudentie) blijkt dat de Belastingdienst (inspecteur) niet snel zijn rechten op navordering (door een nieuw feit) verspeelt.
  2. Als de aangifte is gemaakt door een deskundige (accountantskantoor, belastingadviseur), dan kan de Belastingdienst eenvoudig stellen dat de aangifte juist moet zijn. Navordering blijft dan gewoon mogelijk.
  3. Daarnaast is navordering altijd mogelijk als de DGA te kwader trouw is geweest, een nieuw feit is dan niet nodig.
  4. De Hoge Raad heeft in enkele arresten al aangegeven dat een onzakelijke lening nog steeds een lening is en geen kapitaal. De B.V. kan geen verlies nemen op de afboeking van de vordering op de DGA en dit heeft ook niet tot gevolg dat de lening als dividenduitkering moet worden gezien. De stap "partijen wilden geen lening maar bedoelden een dividenduitkering" is een dunne lijn, de bewijslast bij de B.V. en DGA is lastig (immers in de aangiften IB / VPB en de jaarrekeningen staat een lening en er is geen dividendbelasting voldaan (moet binnen 1 maand)).

Beleid Belastingdienst over afboeken schuld DGA

Er is de laatste maanden veel geschreven over het belastingvrij wegstrepen van rekening-courantschulden van de DGA aan zijn B.V. De Belastingdienst neemt hier maatregelen tegen en heeft een intern memo hierover opgesteld. Via een WOB verzoek is dit memo openbaar geworden, het memo kunt u hier lezen. De brief van de Staatssecretaris bij dit memo is ook gepubliceerd (lees hier). Het memo geeft een leuke doorkijk in de keuken van de Belastingdienst. In het memo worden aan de medewerker van de Belastingdienst handvatten gegeven hoe met advisering over dit onderwerp moet worden omgegaan. Aantal conclusies uit dit memo:

  1. Belastingdienst zal belastingvrij wegstrepen van rekening-courantschulden bestrijden.
  2. De Belastingdienst zal bij belastingvrij wegstrepen van schulden boetes opleggen en eventueel de DGA strafrechtelijk vervolgen (opzettelijk onjuist aangifte doen).
  3. Als een afboeking wordt geconstateerd (meestal via VPB-aangifte van de B.V.) wordt eerst informatie bij de adviseur en / of de DGA opgevraagd. Bij problemen wordt vanuit de Belastingdienst een oplossingsgerichte aanpak "geadviseerd".
  4. In vooroverleg omtrent het belastingvrij afboeken wordt geen standpunt ingenomen.

Het memo stelt wel een aantal zaken iets te zwart/wit. Zo is een nieuw standpunt van een adviseur (of belastingplichtige) zeker niet altijd een nieuw feit dat navordering kan rechtvaardigen. Iets nieuws vinden kan ook gewoon een ander standpunt zijn op een bestaande situatie (nieuw inzicht of een nieuwe of herziene visie). Daarnaast wordt er scherp gesteld dat het strafrechtelijk vervolgen tot de mogelijkheden behoort, deze bevoegdheid ligt echter niet primair bij de inspecteur, wel de signalering. Ook is niet duidelijk wanneer voor deze route wordt gekozen.

Zakelijk handelen met de B.V.

Iedere aandeelhouder dient zakelijk te handelen met zijn vennootschap(pen). Dit betekent dat de verstrekking, als de voorwaarden waaronder dit geschiedt, moet geschieden zoals dat ook tussen derden het geval zou zijn geweest. Om fiscaal niet tegen ongewenste gevolgen aan te lopen, dient u rekening te houden met het volgende:

  • Kijk goed naar de vermogenspositie van de schuldenaar (zou deze ook een lening van een derde kunnen ontvangen?).
  • Stel een zakelijke rente vast.
  • Kom een aflossingsschema overeen.
  • Leg de lening en de bijbehorende voorwaarden vast in een overeenkomst.
  • Indien het bovenstaande niet juist is vormgegeven, kan de Belastingdienst de rente gaan corrigeren en mogelijk de lening aanmerken als onzakelijk met alle gevolgen van dien.

Rente rekening-courantschuld tot € 17.500

Bij een schuld van de aandeelhouder tot € 17.500 hoeft geen rente in rekening te worden gebracht. Hier tegenover staat dat de schuld niet in box 3 mag worden opgenomen.

Belastingdienst en rekening-courant

De Belastingdienst heeft een speciale site over de rekening-courant van de aandeelhouder (kijk hier). U kunt erop wachten dat de Belastingdienst in 2016 / 2017  strikter gaat kijken naar DGA's met een schuld aan hun B.V. Essentie volgens de Belastingdienst is het volgende:

  • Lening tegen zakelijke voorwaarden (voorwaarden die een bank ook zou stellen).
  • De lening moet schriftelijk worden vastgelegd.
  • Er moeten afspraken worden gemaakt over terugbetaling van de lening.
  • De B.V. heeft voldoende zekerheden.
  • De B.V. moet aan haar verplichtingen kunnen blijven voldoen als u de lening opneemt.
  • Als er onzakelijk wordt gehandeld, voldoet de lening niet aan de voorwaarden, de lening wordt dan gezien als inkomen.

Rekening-courant en de DGA

Een hoge rekening-courantschuld is niet wenselijk, zowel fiscaal als naar uw bank. Ook bij een faillissement kan een rekening-courantschuld ervoor zorgen dat uw privévermogen wordt aangesproken bij een faillissement van uw B.V. Door een rekening-courantschuld kan ook het vormen van een normale pensioenvoorziening in gevaar komen. Als de B.V. haar verplichtingen niet kan nakomen door rekening-courantopnamen door de DGA, dan kan dit een onrechtmatige daad tot gevolg hebben. Hierdoor is de bestuurder aansprakelijk voor schulden bij een faillissement van de B.V. (Rechtbank Den Haag 5 april 2012).

Als een DGA geld uit zijn B.V. heeft geleend voor consumptieve zaken, dan kan dit voor de Belastingdienst een reden zijn om te veronderstellen dat sprake is van een uitdeling of genoten salaris. Dit komt sneller in beeld als er geen zekerheid wordt geboden en / of de schuld onvoldoende is vastgelegd, resp. als hetgeen is vastgelegd niet wordt nagekomen. In mijn praktijk wordt dit meestal wel opgelost, bijvoorbeeld door met de Belastingdienst af te spreken dat de schuld in 3 tot 5 jaar wordt afgebouwd via bijvoorbeeld een dividenduitkering.

Dividend uitkeren en rekening-courant

De eenvoudigste manier om een rekening-courantschuld weg te werken is de dividenduitkering. Er moet wel brutering plaatsvinden, voor een schuld van € 100.000 moet een dividend van ruim € 133.000 worden uitgekeerd. De B.V. heeft hiervoor in contanten dus € 33.000 nodig. Een deel wordt bij de dividenduitkering door de B.V. voldaan en een deel door de DGA, in totaal moet 25% worden betaald. Als u te maken krijgt met de stelling dat er sprake is van een uitdeling, kunt u een aantal stellingen betrekken:

  1. Ik regel het alsnog goed en zal privé zekerheden verstrekken en tot aflossing overgaan.
  2. Maak een plan om binnen 3 jaar de schuld in z'n geheel af te lossen.
  3. Probeer een deel van de schuld wel als zakelijk te laten staan (voorbeeld Rechtbank Den Haag 2 maart 2010). Een DGA had een schuld van € 450.000, deze was opgelopen tot € 660.000. Er was geen schriftelijke overeenkomst. Inspecteur stelt: "uitdeling." Rechtbank stelt: "uitdeling voor de opname ad € 210.000 en niet voor geheel," voor restant niet omdat voor dit deel artikel 4.43 IB niet aannemelijk is gemaakt.

Let op ... een dividenduitkering is alleen mogelijk als de B.V. over positief vermogen beschikt. Om dit vermogen te bepalen, moet u de pensioenverplichting om commerciële waarde waarderen, deze is meestal hoger dan de (fiscale) waarde die op de balans staat. U moet ook rekening houden met de uitkeringstoets (kan de B.V. geld als dividend uitkeren zonder de B.V. in gevaar te brengen, deze eis moet u sinds 2012 toepassen).

Terugbetaling van kapitaal

De meest eenvoudige manier om een rekening-courantschuld te verlagen is het verminderen van kapitaal. Dit kan alleen als er voldoende kapitaal is gestort dat fiscaal ook is erkend.

Rekening-courant en rentevoordeel

Op 25 februari 2011 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan inzake een DGA die geld had geleend van zijn vennootschap tegen een rente van 2,5% en dit geld vervolgens op privérekeningen zette tegen een hogere rente. Hierdoor maakte de DGA een onbelaste winst in privé. De inspecteur was het niet eens met de DGA. De Rechtbank stelde de DGA in het gelijk, het Hof echter niet. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad zich over deze zaak gebogen en kwam met de volgende uitspraak. De kennis van tarieven op spaarrekeningen is niet als bijzondere vorm van kennis aan te merken, aangezien deze gewoon op het internet staan. Het standpunt van het Hof dat de winst in box 1 belast moest worden wegens activiteiten die normaal vermogensbeheer te boven gaan, gaat derhalve niet op. De activiteiten zijn volgens de Hoge Raad niet substantieel genoeg, waardoor sprake is van normaal vermogensbeheer en derhalve is het rentevoordeel onbelast.

Conclusie rekening-courant

Neem altijd tijdig contact op met uw belastingadviseur om te beoordelen of u aan alle voorwaarden en formaliteiten voldoet. Dit kan ongewenste gevolgen voorkomen. Aflossen van een rekening-courantschuld kan het eenvoudigst door als DGA te betalen en anders door (in de loop van enkele jaren) dividend uit te keren. Overleg altijd met uw fiscaal jurist zodat u geen fouten maakt. Van belang is wel om de rekening-courant schriftelijk vast te leggen en de rente laag te houden.

Er zijn best situaties denkbaar dat het belastingvrij wegstrepen van de rekening courant denkbaar is, dit volgt ook wel (een beetje) uit het memo van de Belastingdienst. De houding van de Belastingdienst hiertegen is gezond kritisch en u moet zich wel realiseren dat er een redelijk schriftelijk gevecht gaat plaatsvinden als u hiertoe besluit. In sommige gevallen kan dit noodzakelijk zijn maar dan moet wel vooraf een gezonde afweging plaatsvinden.

Vrijblijvende offerte voor de DGA

Veel ondernemers worstelen met een rekening courant schuld. Maar ook is vaak de vraag "betaal ik niet teveel belasting?" of "weet mijn boekhouder wel alle fiscale mogelijkheden?". Vrijwel wekelijks helpen wij ondernemers en/of DGA’s met fiscale adviezen. Het meest gekozen advies is de ondernemersscan (fiscale adviezen op meer dan 100 onderdelen binnen uw bedrijf) of een toetsing van de werkkostenregeling (de WKR scan).  Ook adviseren wij vele ondernemers bij boekenonderzoeken, bezwaar- beroepsprocedures, emigraties en het verkopen van hun onderneming. Interesse? Neem contact op of stuur een email, wij nemen dan binnen 48 uur contact met u op.

Vrijblijvende afspraak

Komt gerust langs voor een vrijblijvende afspraak. U kunt via email een afspraak inplannen

Bron DGA en rekening-courant

Hoge Raad 25 februari 2011.

Rechtbank Den Haag 5 april 2012.

Rechtbank Den Haag 2 maart 2010.

Intern memo Belastingdienst over kwijtschelden schulden.

Brief Staatssecretaris inzake kwijtschelden schulden (februari 2017).

[news] 2017-02-27 0000-00-00 0000-00-00 5063

Wet uitfasering pensioen in eigen beheer definitief

Nadat de Tweede Kamer al eerder akkoord was, heeft op 7 maart jl. ook de Eerste Kamer ingestemd met de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen, inclusief de later ingediende novelle. De wet is op op 1 april 2017 in werking getreden.

Keuzemogelijkheden DGA

DGA's kunnen vanaf 1 juli 2017 geen pensioen in eigen beheer (PEB) meer opbouwen. Met de in eigen beheer opgebouwde pensioenaanspraken hebben DGA's drie keuzes:

1. Afkopen PEB;

2. Omzetten PEB in een oudedagsverplichting (ODV);

3. Niets doen, oftewel een premievrij PEB behouden.

Afkopen

Bij afkoop keert de vennootschap waar het pensioen op de balans staat, de fiscale verplichting in één keer uit aan de DGA. Bij de DGA is deze regulier belast in box 1, waarbij er wel een korting geldt op de fiscale waarde. Bij afkoop in 2017 is de korting 34,5%, in 2018 25% en in 2019 19,5%. Na 2019 is afkoop niet meer mogelijk.

Omzetten in ODV

DGA's die niet in één keer een groot bedrag aan belasting willen of kunnen betalen, hebben de mogelijkheid hun fiscale pensioenverplichting om te zetten in een oudedagsverplichting. Omzetting is mogelijk tot 2020.

Vanaf AOW-leeftijd heeft de DGA vervolgens recht op uitkeringen gedurende 20 jaren.

De DGA kan er ook voor kiezen de verplichting af te storten naar een bank of verzekeraar om daar een lijfrente te bedingen.

Premievrij PEB

Maakt de DGA geen keuze, danwel wil hij niet afkopen of omzetten, dan blijven zijn opgebouwde pensioenaanspraken gehandhaafd. Er verandert niets aan de huidige situatie. Wel is het natuurlijk zo dat nieuwe pensioenopbouw in eigen beheer vanaf uiterlijk 1 juli 2017 niet meer mogelijk is.

Te ondernemen acties

DGA's met PEB moeten nadenken wat ze willen met hun opgebouwde pensioenaanspraken. Acties die zoal vereist zijn:

1. Indien DGA nog actief PEB opbouwt, dit vóór 1 juli 2017 beëindigen;

2. DGA's met een externe pensioenverzekering kunnen nog tot 1 juli 2017 het kapitaal terughalen naar de eigen venootschap;

3. (Ex-)partner van de DGA moet instemmen met afkopen en omzetten in ODV. Welicht is compensatie van de (ex-)partner voor afzien van rechten benodigd.



Wet uitfasering pensioen in eigen beheer definitief [news] 2017-05-01 0000-00-00 0000-00-00 5134

Stichting Administratiekantoor en gebruikelijk loon

Een Stichting Administratiekantoor heeft veel voordelen. De belangrijkste zijn:

  1. Beperken aansprakelijkheid;
  2. Geen gebruikelijk loon (wat DGA wel heeft);
  3. Flexibiliteit.

U moet een Stichting Administratiekantoor (hierna: STAK) niet verwarren met goede doelen.

Geen gebruikelijk loon bij Stichting Administratiekantoor

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) van een B.V. of N.V. moet zichzelf - op grond van fiscale wetgeving - verplicht een salaris toekennen van ruim € 47.000 (cijfers 2021). Dit is een anti-misbruikbepaling die vaak ongunstig kan uitwerken. Voor een DGA is het namelijk goedkoper om dividend uit te keren dan salaris te genieten, dit scheelt ongeveer 10% heffing. Bij een stichting bent u niet verplicht om als bestuurder een DGA-salaris aan uzelf te betalen. Dit is ook logisch omdat u geen aandelen van de stichting heeft.

In een procedure bij de Rechtbank in april 2018 kwam het gebruikelijk loon voor een stichtingbestuur aan de orde. De rechter was er vlot klaar mee, geen fictief loon voor de bestuursleden. Een bestuurder van een stichting heeft namelijk geen aanmerkelijk belang in een B.V., ook niet als de aandelen van de B.V. worden gehouden door een stichting. Dit kan wel anders zijn als de STAK de aandelen in de werk-B.V. heeft gecertificeerd en de STAK derhalve enkel juridisch eigenaar van de aandelen in de B.V. is. In deze casus kwam het dividend van de B.V. ook toe aan de STAK.

STAK voorkomt persoonlijke aansprakelijkheid

Als u een onderneming start, kan dit als eenmanszaak of VOF (geen rechtspersoonlijkheid) of als B.V. (wel rechtspersoonlijkheid). Daarnaast zijn er nog vele mengvormen en zij sporen qua soort onderneming. Als u voor een bedrijf met rechtspersoonlijkheid kiest, wordt veelal gekozen voor de B.V. of N.V. Deze B.V. is dan zelf degene die verplichtingen en contracten aangaat. Omdat een mens een handtekening moet zetten, is er ook een bestuur of directeur. Bij een aansprakelijkheid wordt een stichting aansprakelijk gesteld en niet het bestuur. Dit is anders als het bestuur niet netjes (onbehoorlijk) heeft gehandeld.

STAK brengt flexibilteit

Een STAK kan ook prima worden gebruikt voor een bedrijfsopvolging of als spaarpot voor het familievermogen. Dit is echter wel maatwerk en hierbij moet de STAK zorgvuldig en correct worden ingericht. De winst in een stichting laten terechtkomen is niet altijd verstandig. Een stichting heeft veelal een winstuitkeringsverbod.

Vragen over STAK

Het kan zijn dat u een optimale structuur voor uw bedrijf zoekt of uw bedrijfsopvolging tijdig wilt regelen. Kom gerust eens langs voor een geheel vrijblijvend gesprek bij ons op kantoor.

[news] 2018-04-12 0000-00-00 0000-00-00 5316

DGA-salaris berekenen

Het DGA-salaris voor 2018 bedraagt € 45.000. Er zijn veel procedures over het gebruikelijke loon voor een DGA. Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) zal altijd bezig zijn met een optimale hoogte van het gebruikelijke DGA-salaris. Maximaal 42% inkomstenbelasting betalen is optimaal. Dividend kan immers voordeliger zijn, opnamen in rekening-courant vullen de tekorten ook wel even op, of men wil het geld liever in de B.V. houden om te gebruiken voor het bedrijf. De vraag is en blijft: wat heeft men nodig en wat moet men van de fiscus uitkeren? Het blijft een kat en muis spelletje. Wij adviseren dagelijks DGA's over hun salaris en de (on-)mogelijkheden hierbij.

Belastingdienst vindt salaris DGA te laag

In een procedure voor de Rechtbank Den Haag d.d. 9 januari 2014 kwam een situatie aan de orde waarbij een communicatieadviseur via zijn eigen B.V. werkzaamheden verricht voor derden. De verhoudingen waren als volgt (genoemde bedragen in euro's):

  • 2006: omzet € 59.000 en salaris € 46.000 (Belastingdienst akkoord);
  • 2007: omzet € 137.000 en salaris € 55.000 (Belastingdienst € 85.000);
  • 2008: omzet € 67.000 en salaris € 62.000 (Belastingdienst akkoord);
  • 2009: omzet € 154.000 en salaris € 62.000 (Belastingdienst € 95.000); 
  • 2010: omzet € 166.000 en salaris € 58.000 (Belastingdienst € 95.000).

Voor de berekening van de salarissen wordt door belastingplichtige de afroommethode gebruikt. De salarissen worden door de Inspecteur gecorrigeerd op grond van artikel 12a van de Wet op de Loonbelasting 1964 (wet LH). Centrale vraag is of het loon in belangrijke mate afwijkt van het gebruikelijke loon en of de afroommethode mag worden toegepast.

Volgens de Rechtbank maakt de Inspecteur niet aannemelijk dat het salaris op grond van artikel 12a LH in belangrijke mate afwijkt van hetgeen in het economische verkeer gebruikelijk is. Uit het enkele feit dat het door de Inspecteur met toepassing van de afroommethode berekende loon hoger ligt dan het aan belanghebbende (de DGA) toegekende en uitbetaalde loon volgt, zonder nadere motivering, niet dat het toegekende loon lager is dan hetgeen voor een soortgelijke dienstbetrekking in het economische verkeer gebruikelijk is. De naheffingsaanslagen worden vernietigd, het gelijk is aan de DGA.

Parttime werken en DGA-salaris

Een DGA verricht zeer beperkt werkzaamheden voor zijn B.V. Het gebruikelijk loon moet dan volgens de rechter € 10.000 zijn. De B.V. verricht beperkt activiteiten, namelijk het verhuren en verkopen van onroerende zaken. De Belastingdienst stelt dat het salaris ruim € 40.000 moet bedragen, de rechter is het hier niet mee eens. De rechter begrijpt de belastingplichtige (de DGA) en stelt het salaris veel lager vast, namelijk op € 10.000 per jaar. De rechter stelt dat er altijd iemand iets voor een B.V. moet doen, zoals de financiële administratie, overleg accountant, publiceren jaarrekeningen en het nemen van beslissingen. Gezien de mogelijke aansprakelijkheid van de bestuurder zal een derde hiervoor altijd een vergoeding willen hebben. De Rechtbank Noord Nederland beslist hiertoe op 15 maart 2018 (ECLI:NL:RBNNE:2018:889). Een derde zou dit nooit voor minder dan € 5.000 doen, aldus de rechter.

Vragen over DGA-salaris

Heeft u vragen over het gebruikelijke loon van een DGA, dan kunt u altijd eens langskomen voor een vrijblijvend gesprek.

[news] 2018-04-26 0000-00-00 0000-00-00 5321

Dividenduitkering in 2021

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) maakt winst in zijn B.V. en wil dit geld privé in bezit krijgen. Dit kan via salaris, maar meestal is een dvidenduitkering voordeliger. Over de winst in de B.V. moet 20% - 25% vennootschapsbelasting worden betaald en over wat dan overblijft draagt de DGA bij een dividenduitkering aanmerkelijkbelangheffing af (Box 2). Het AB-tarief is in 2020 verhoogd van 25% tot 26,25% (en in 2021 tot 26,9%). Het tarief in de vennootschapsbelasting is gelukkig gedaald tot 15% (eerste € 200.000)

Vrijblijvende afspraak

De belastingdienst stuurt sinds 2020 aan vele DGA's brieven over de rekening courant schuld. Wees dit moment voor en leg uw situatie vast en/of laat u adviseren over een plan om de schuld te verminderen. Vragen? Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak.

Dividenduitkering DGA (tarieven)

De tarieven worden de komende jaren aangepast:

  • 2017: 20% VPB (tot € 200.000 winst) en 25% AB-heffing.
  • 2018: 20% VPB (tot € 200.000 winst) en 25% AB-heffing.
  • 2019: 19% VPB (tot € 200.000 winst) en 25% AB-heffing. 
  • 2020: 16,5% VPB (tot € 200.000 winst) en 26,25% AB-heffing.
  • 2021: 15% VPB (tot € 200.000 winst) en 26,9% AB-heffing.

Fiscale scan voor DGA

Veel DGA's vragen ons om eens mee te denken over fiscale mogelijkheden binnen de onderneming en de privé situatie. Wij hebben hiervoor een fiscale scan ontwikkeld. Wij toetsen uw bedrijf en uw prive situatie hierbij op meer dan 100 adviesonderdelen.  Hierbij bekijken wij of u gebruik maakt van alle fiscale regels en uw bedrijf klaar is voor een mogelijke bedrijfsopvolging. Ook kijken wij naar:

  • Structuur optimaal
  • Bijtelling auto's op orde
  • Hoe minder belasting betalen (nu en in de toekomst)
  • Continuïteit, verkoop, bedrijfsopvolging op orde.
  • Check inzake mogelijk boekenonderzoek, wat zijn de risico's?
  • Loonheffingen en onkostenvergoedingen optimaal?

Stuur een e-mail voor een vrijblijvende offerte.

Nadeel tariefsverhoging

Over de huidige winstreserve in de B.V. van een DGA moet nog 25% box 2 heffing worden betaald (bij uitkeren). Dit tarief wordt verhoogd. Er komt waarschijnlijk geen eerbiedigende werking voor de bestaande reserves per 1 januari 2020. Uitkeren in 2019 (na 1 januari, ter voorkoming van box 3 heffing in 2019) is dan ook verstandig.

Advies over dividend uitkeren of niet

Via een relatief eenvoudige berekening (welke wij voor u kunnen maken) kunt u berekenen of het zinvol is om dividend uit te keren of het geld in de B.V. te houden. Bij een verwacht rendement van hoger dan 4% (in de B.V.) is het meestal verstandig om geen dividend uit te keren (geen dividendbelasting). Het kan soms ook mogelijk zijn om dividend uit te keren en dit als vermogen of agio weer in de B.V. te storten. Dit is maatwerk en kan best een voordeel opleveren.

DGA met rekening-courantschuld

Als de DGA een schuld aan zijn B.V. heeft en een negatief box 3 vermogen, dan is het veelal verstandig om wel dividend in 2019 uit te keren. Bij een negatief box 3 vermogen is er geen besparing in privé en moet de B.V. wel vennootschapsbelasting betalen over de rente op de vordering. De rente is in privé niet aftrekbaar.

Vragen over DGA en dividenduitkering

Bel of mail gerust met één van onze fiscaal juristen.

Optimaliseren positie DGA

Overweeg eens een fiscale scan van uw bedrijf. Wij toetsen uw bedrijf op meer dan 100 adviesonderdelen en bekijken ook of uw positie als DGA kan worden geoptimaliseerd.  Kort en goed bekijken wij het volgende;

  • Maakt u optimaal gebruik van de fiscale wetgeving ?
  • Is uw structuur en rechtsvorm op orde?
  • Uw positie als ondernemer/DGA t.o.v. van uw prive situatie.
  • Continuiteit, verkoop, bedrijfsopvolging op orde.
  • Optimalisatie van uw fiscale positie.
  • Check inzake mogelijk boekenonderzoek, wat zijn de risico's?
  • Loonheffingen en onkostenvergoedingen optimaal via WKR tool?

Stuur een e-mail voor een vrijblijvende offerte.

[news] 2018-05-09 0000-00-00 0000-00-00 5348

Rekening-courantschuld DGA in 2019

In de nieuwe belastingplannen voor 2019 en daarna staat een opmerkelijke regeling voor DGA's met een rekening-courantschuld. De maatregel maakt formeel geen deel uit van het belastingplan 2019. In Nederland hebben DGA's ongeveer € 50 miljard uit hun B.V. geleend. Ongeveer 10% van de DGA's heeft een rekening-courantschuld welke hoger is dan € 500.000. Voor deze groep komt een speciale regeling.

Update 17 juni 2020

Het wetsvoorstel inzake excessief lenen ligt sinds 17 juni 2020 bij de tweede kamer (dit voorstel kunt u hier raadplegen). Vanaf 2023 worden DGA's (AB houders) beperkt in het geld lenen van hun BV (tot maximaal € 500.000), met uitzondering van bestaande eigenwoning schulden. Het gaat om 11.000 DGA's die iets moeten veranderen in de afspraken met hun BV.

Onderzoek Belastingdienst bij rekening-courant DGA

Bij een dividenduitkering moet de DGA ongeveer 25% box 2 heffing betalen. Deze heffing wordt de komende jaren hoger. Via een lening hoeft de DGA nog niet direct met zijn B.V. af te rekenen. De komende periode zullen er meer onderzoeken komen naar B.V.'s met rekening-courantvorderingen op de DGA. Er komt in 2023 (door corona crisis in 2020) een maatregel waarbij er een soort van strafheffing komt voor DGA's met een rekening-courantschuld welke hoger is dan € 500.000. Voor leningen (bijvoorbeeld voor de eigen woning) komt een overgangsregeling.

Dividenduitkering DGA in 2019

Een dividenduitkering hoeft nog niet in 2018 plaats te vinden. In 2019 blijft het box 2 tarief nog 25%.

[news] 2018-09-19 0000-00-00 0000-00-00 5682

Rekening-courant DGA

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) heeft een rekening-courantschuld aan zijn B.V. van ruim € 800.000. Voor de schuld zijn onvoldoende zekerheden verstrekt. De rechter is van mening dat sprake is van een uitdeling. De medisch specialist krijgt ook nog een boete van € 95.000. De Belastingdienst is op dit moment veel actiever bij het "opsporen" van DGA's met rekening-courantschulden. Laat u tijdig adviseren en onderneem actie.

Update 17 juni 2020

Het wetsvoorstel inzake excessief lenen ligt sinds 17 juni 2020 bij de tweede kamer (dit voorstel kunt u hier raadplegen). Vanaf 2023 worden DGA's (AB houders) beperkt in het geld lenen van hun BV (tot maximaal € 500.000), met uitzondering van bestaande eigenwoning schulden. Het gaat om 11.000 DGA's die iets moeten veranderen in de afspraken met hun BV.

Uitdeling bij hoge rekening-courant DGA

Een medisch specialist heeft via een STAK aandelen in zijn B.V. De DGA had voor zijn huis € 225.000 geleend van de B.V. en ook nog een rekening-courantschuld van ruim € 550.000. De accountant heeft een convenant met de Belastingdienst gesloten, de DGA viel hiermee sinds 2011 ook onder dit convenant. In 2010 stond de schuld bij de B.V. niet in de aangifte inkomstenbelasting van de DGA. Sinds 2011 wordt de medisch specialist als "convenant klant" behandeld door de Belastingdienst. De accountant vraagt de Belastingdienst om een standpunt over enkele posten in de aangifte. In 2017 legt de inspecteur een navorderingsaanslag op en stelt dat er sprake is van een uitdeling van ruim € 800.000. De adviseur stelt dat enkel de aangroei in 2010 mag worden belast, de rest niet (geen nieuw feit). Een kansloze route die ook vlot van tafel wordt geveegd.

De lening voldoet niet aan de voorwaarden:

  • onduidelijkheid over rente;
  • onduidelijkheid over zekerheden;
  • geen schriftelijke overeenkomst;
  • geen kredietplafond;
  • geen aflossingsschema;
  • zekerheden woning waren niet van reële betekenis;
  • specialist kon gezien salaris geen rente of aflossing betalen (rente wordt bijgeboekt).

Nieuwe wetgeving rekening-courantschuld DGA

Het kabinet wil het lenen door de DGA bij zijn B.V. een halt toeroepen. DGA's die meer dan € 500.000 bij hun B.V. hebben geleend worden "aangepakt". De lening boven € 500.000 wordt automatisch gezien als fictief voordeel uit aanmerkelijk belang. Dit geldt niet voor leningen i.v.m. de eigen woning van de DGA, hiervoor komt een overgangsregeling. Leningen van de DGA, zijn partner, zijn kinderen, ouders en kleinkinderen worden bij elkaar geteld. Deze nieuwe wetgeving zal vermoedelijk ingaan per 1 januari 2023. Omdat het aanmerkelijkbelangtarief in 2020 zal stijgen, is het verstandig om in 2019 of 2020 al actie te ondernemen.  

Noot fiscaal jurist inzake rekening-courant DGA

Als u een rekening-courantschuld aan uw B.V. heeft, moet u deze schriftelijk vastleggen met een reële rente en (eventueel) aflossingschema. De rente moet eigenlijk ook gewoon worden betaald. Voorkom problemen met de Belastingdienst en overleg met uw accountant of met ons over de mogelijkheden en / of onmogelijkheden. In dit geval kreeg de medisch specialist ook nog een vergrijpboete van € 100.000 (50%), deze is iets verminderd (tot € 95.000) i.v.m. overschrijding van de redelijke termijn. De reden hiervoor is dat de specialist opzettelijk de aanslag tot een te laag bedrag heeft vastgesteld. Bij het doen van de aangifte had de specialist de wetenschap dat er een aanmerkelijke kans was dat er te weinig belasting zou worden geheven en heeft hij dit risico bewust gelopen, aldus de rechter.

Een slecht gevoerde procedure met te weinig gebruikmaking van bewijsaanbod en te weinig juridische stellingen tegen de boete. Het bewijs had in de procedure moeten worden geleverd en niet bij de zitting.

Bron rekening-courantschuld DGA

Rechtbank Gelderland d.d. 31 januari 2019 (ECLI:NL:RBGEL:2019:361)

DGA met schuld aan BV [news] 2019-02-07 0000-00-00 0000-00-00 5812

Verlies hoofdelijke aansprakelijkheid

Henk is DGA van Holding X B.V. De dochteronderneming van Holding X B.V. is Werkmij. B.V. Holding B.V is sinds 2003 hoofdelijk aansprakelijk voor een krediet dat door Werkmij. B.V. is afgesloten. In 2013 leent Holding B.V. ook nog € 65.000 aan Werkmij. B.V. Werkmij. B.V. gaat in 2013 failliet. In 2012 vormt Holding B.V. een voorziening voor de hoofdelijke aansprakelijkheid en de vordering, in totaal € 220.000. De Belastingdienst is het niet eens met de voorziening. De Hoge Raad is het met belastingplichtige eens, de voorziening mag ten laste van de winst worden gevormd. Waarom? Omdat een onafhankelijke derde zich ook hoofdelijk aansprakelijk had gesteld.

De Staatssecretaris probeerde nog via het Paraplukrediet-arrest de rechter tot andere gedachten te brengen, dit is niet gelukt. Volgens de Hoge Raad blijkt uit het Paraplukrediet-arrest duidelijk wanneer een hoofdelijke aansprakelijkheid niet aftrekbaar is bij schulden van gelieerde vennootschappen. Voor een ruimere toepassing en / of meer voorwaarden is geen plek.

Borgstelling fiscaal aftrekbaar voor DGA

Veelal zien we in de praktijk dat een directeur-grootaandeelhouder (hierna: DGA) borg staat voor schulden die zijn vennootschap(pen) aangaan, dit via een borgstellingsovereenkomst. In deze casus ging het om een B.V. welke binnen het concern zich had borg gesteld voor een gelieerde B.V. Wat fiscaal de consequenties zijn van een borgstelling wordt hieronder nader uiteengezet. Zoals reeds weergegeven komt een borgstelling in de praktijk vaak voor. Aangezien een DGA en zijn vennootschap(pen) zakelijk met elkaar dienen te handelen, zal een borgstellingsvergoeding aan de DGA (moeten) worden betaald. Dit zou een derde namelijk ook willen ontvangen indien een borgstelling afgegeven wordt.

Wat is van belang bij een borgstelling?

  1. Zorg voor een zakelijk verhaal.
  2. Maak een borgstellingsovereenkomst op tussen de DGA en zijn B.V.
  3. Laat de B.V. aan de DGA een borgstellingsvergoeding betalen.
  4. Stel notulen en een directiebesluit op, hierin omschrijft u de overwegingen en uitgangspunten.
  5. Laat u adviseren door een fiscaal jurist / deskundige belastingadviseur.

Uitspraken van rechters over hoofdelijke aansprakelijkheden en borgstellingen

In de uitspraak van 17 oktober 2014, nr. 14/00955 (BNB 2015/13) is door de Hoge Raad geoordeeld dat de jurisprudentie over onzakelijke geldleningen tevens van toepassing is op het als borg handelen van een aanmerkelijkbelanghouder. Daarbij dient de vraag gesteld te worden of de aanvaarding van de hoofdelijke aansprakelijkheid moet worden aangemerkt als een handelen van een aandeelhouder als zodanig, waarbij het beslissend is of een (niet van de winst van de vennootschap afhankelijke) vergoeding kan worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde aansprakelijkheid te aanvaarden, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden.

  • HR 14 september 2012, nr. 11/02105 (BNB 2013/12): voorziening vormen toegestaan door belanghebbende  mag op het moment dat de borgstelling is aangegaan (verlies mag toegerekend worden aan het onderhavige jaar).
  • HR 9 maart 2012, nr. 10/03641 (BNB 2012/188): voorziening vormen toegestaan door belanghebbende mag al op het moment dat de borgstelling is aangegaan (dat kan eerder liggen dan feitelijke betaaldatum).
  • HR 8 juli 2011, nr. 09/03341 (BNB 2011/284): als een hoofdelijk medeschuldenaar een schuld voldoet, hangt het van de onderlinge bijdrageplicht af welke regresvordering op de overige medeschuldenaren ontstaat.
  • HR 22 januari 2016, nr. 15/02128: belanghebbende is niet aangesproken door de bank uit hoofde van de borgstelling of als hoofdelijke schuldenaar. Derhalve kan  belanghebbende geen voorziening vormen.
  • HR 9 maart 2012, nr. 11/01714 (BNB 2012/189): voorziening vormen toegestaan door belanghebbende mag al op het moment dat de borgstelling is aangegaan.
  • Hof Den Haag 22 maart 2016, nr. 15/00292: in 2005 en in 2008 worden financieringen door de bank aan een concern verstrekt. Voor beide leningen heeft de aandeelhouder zich als borg gebonden. Gezien de resultaten in de jaren voorafgaande aan 2005 en de destijds verstrekte zekerheden, kan de borgstelling als zakelijk worden beschouwd. De tweede financiering is verstrekt onder andere omstandigheden. Het vermogen van het concern was negatief én de bank keek naar de (financiële) privéruimte van de aandeelhouder. Deze omstandigheden leiden ertoe dat sprake is van een onzakelijke borgstelling.
  • Hof Arnhem - Leeuwarden 22 maart 2016, nr. 15/00365: belanghebbende stelt zich borg voor € 150.000 voor de B.V. waarin hij een aanmerkelijk belang heeft. In 2010 vormt belanghebbende een voorziening van € 150.000 en in datzelfde jaar gaat de B.V. failliet. Belanghebbende wordt vervolgens in 2011 door de bank aangesproken. Met de bank is afgesproken dat belanghebbende € 30.000 betaalt tegen finale kwijting. De Inspecteur wilde een positief TBS-resultaat in aanmerking van € 120.000, waarop de kwijtscheldingswinstvrijstelling niet van toepassing zou zijn. Het Hof is van oordeel dat de kwijtscheldingswinstvrijstelling van toepassing is. (LET OP: cassatie ingesteld!)
  • Hof Den Bosch 25 september 2015, nr. 14/00994: aan de B.V. van belanghebbende wordt een lening verstrekt door de bank. Belanghebbende stelt zich hiervoor hoofdelijk aansprakelijk en verleent een tweede zekerheidsrecht op zijn woning. Doordat de B.V. haar verplichtingen niet kan nakomen, wordt belanghebbende aangesproken. Doordat een onafhankelijke derde onder dezelfde omstandigheden en voorwaarden niet bereid zou zijn het debiteurenrisico te nemen, is de borgstelling onzakelijk.
  • Hof Arnhem - Leeuwarden 8 januari 2014, nr. 13/00331: aan de B.V. van belanghebbende is een lening verstrekt van € 200.000 door de bank. Belanghebbende stelt zich hiervoor hoofdelijk aansprakelijk en verleent een tweede zekerheidsrecht op zijn woning. Er is geen borgtochtovereenkomst opgesteld en er is geen borgtochtvergoeding bedongen. Tussen partijen staat vast dat de lening niet onzakelijk was. Doordat de B.V. haar verplichtingen niet na kan komen, wordt belanghebbende aangesproken. Met de bank wordt afgesproken dat belanghebbende € 160.000 voldoet tegen finale kwijting. Belanghebbende mag € 160.000 ten laste brengen van de aangifte, doordat ten tijde van het aangaan van het krediet geen sprake was van een uitzichtloze situatie. Dat een borgtochtovereenkomst en -vergoeding ontbrak deed niets af aan het zakelijke karakter van de borgstelling.
  • Rechtbank Noord Nederland, 4 mei 2017: borgstelling niet aftrekbaar. De borgstelling is niet vastgelegd, de borgstellingsvergoeding wordt niet betaald en de borg is op onzakelijke gronden verstrekt.  

Advies bij hoofdelijke aansprakelijkheid

Heeft u vragen of opmerkingen over dit artikel, neem dan gerust contact met ons op.

Bron hoofdelijke aansprakelijkheid en aftrek

Hoge Raad 10 mei 2019 ECLI: NL:HR:2019:681

Hoge Raad 1 mei 2013 (Paraplukrediet arrest) ECLI:NL:HR:2013:BW6520

Verlies hoofdelijke aansprakelijkheid [news] 2019-05-13 0000-00-00 0000-00-00 6166

DGA-salaris berekenen

Een DGA moet zijn salaris anders vaststellen dan een normale werknemer. Regelmatig krijgen wij vragen over hoe je het salaris van een DGA nu eigenlijk moet bepalen. In dit artikel een toelichting (zeg stappenplan) op het bepalen van het fiscaal juiste DGA-salaris.

Belastingdienst en DGA-salaris

De Wet op de Loonbelasting beschrijft in artikel 12a nauwkeurig hoe je het salaris moet bepalen:

  1. 75% Van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking (lid 1 letter a). Het gaat hierbij om omvang (aantal uren) en de aard van de werkzaamheden van de DGA. De bestuurderswerkzaamheden zijn hierbij minder van belang, het gaat om de primaire werkzaamheden. Informatie over de normale beloning kun je eenvoudig via google vinden.
  2. Het hoogste loon van de werknemers die in dienst zijn van het lichaam (of verbonden lichaam) (lid 1 letter b). Een verbonden lichaam is bijvoorbeeld een B.V. waarin 1/3 of meer van de aandelen wordt gehouden.
  3. Een bedrag van € 45.000 per jaar (lid 1 letter c). Als dit lager is dan ad 1 of 2 hiervoor, dan moet een hoger salaris worden gehanteerd.

Het salaris zal veelal € 45.000 zijn, maar dit kan ook lager zijn als dit salaris behoort bij de werkzaamheden van een vergelijkbare dienstbetrekking en binnen het concern werknemers niet meer betaald krijgen (artikel 12a lid 2).

Speciale regelingen bij DGA-salaris

Een aantal zaken zijn van belang voor het bepalen van het DGA-salaris, de belangrijkste zijn:

  1. Maak notulen waarin het salaris wordt vastgesteld en neem hierin op hoe u het salaris heeft vastgesteld (met onderliggende bescheiden). Leg hierin ook vast hoeveel uren u werkt voor uw bedrijf.
  2. Als u een lager salaris heeft gehanteerd, bijvoorbeeld door minder werkbare uren of arbeidsongeschiktheid, zorg dan voor voldoende onderbouwingen (zoals urenregistratie en / of gezondheidsverklaringen).
  3. Wilt u rekenen met een salaris dat lager is gelegen dan de genoemde € 45.000, dan is het verstandig dit te overleggen met de Belastingdienst. Dit is relatief eenvoudig en de kans van slagen is - bij een goede onderbouwing - redelijk groot. Dit voorkomt ook gezeur en boetes achteraf.
  4. Als u nauwelijk actief bent in uw bedrijf, dan is het aannemelijk dat het salaris zeer laag is of dat er geen salaris wordt betaald. In een uitspraak van de Rechtbank in 2018 is goedgekeurd (bij een B.V. welke belegde in panden) dat het salaris bij beperkte werkzaamheden laag kan zijn. In dit geval verrichtte de DGA wel de basiswerkzaamheden van de B.V. (publicatie, administratie, VPB- en BTW-aangiften, etc.). Hiervoor moest een salaris worden gerekend.
  5. Voor een start up geldt een soepele regeling voor het gebruikelijke DGA-loon. U mag het wettelijk minimumloon hanteren als DGA-salaris (en zelfs een lager loon als dit vergelijkbaar is met andere dienstbetrekkingen binnen het concern). U moet wel een S&O Verklaring hebben en een starter zijn. De regeling geldt maximaal 3 jaar.
  6. Een lager salaris kan bij verliessituaties soms worden toegepast, lees hiertoe dit artikel.

Vragen over gebruikelijk loon DGA

Bel gerust eens met één van onze adviseurs. Soms is er meer mogelijk dan u denkt.

DGA salaris berekenen [news] 2019-10-14 0000-00-00 0000-00-00 6301

De fiscale glijclausule

Voorkom ‘uitglijder’ door opnemen glijclausule

Bent u als DGA dit jaar met uw B.V. een overeenkomst aangegaan waarbij u niet 100% zeker bent dat de fiscus de condities van die transactie zal accepteren? Zorg er dan voor dat u een glijclausule opneemt in de schriftelijke vastlegging van die transactie en zo een ‘uitglijder’ voorkomt!

Toelichting fiscale glijclausule

Iedereen kan zich vergissen of een foutje maken. De Belastingdienst kan achteraf stellen dat een waardering of rentepercentage niet juist is. Denk hierbij aan:

  • een verhoging van uw vaste kostenvergoeding;
  • het rentepercentage dat u de B.V. op uw debetstand moet vergoeden, enz.

Met zo’n contractueel beding (de fiscale glijclausule) voorkomt u fiscale schade als de Inspecteur de gehanteerde condities (terecht) niet aanvaardt. U kunt het bovenmatige gedeelte dan zonder problemen alsnog met de B.V. verrekenen. Voorwaarde is wel dat de oorspronkelijk overeengekomen condities gebaseerd zijn op een ‘pleitbaar standpunt’.

Rechtspraak over fiscale glijclausule

In een arrest van de Hoge Raad uit 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD8503) komt naar voren dat de glijclausule geen loterij zonder nieten mag zijn en tevens zorgvuldig moet worden opgesteld.

Fiscale glijclausule ... let op !

Let op: een glijclausule werkt niet bij toekenning van pensioenrechten. Als u daarover zekerheid wilt hebben, is het verstandig om het een en ander vóór toekenning aan de Inspecteur voor te leggen.

Een fiscale glijclausule werkt ook niet als de belastingplichtige redelijkerwijs moest begrijpen dat de overeengekomen tegenprestatie niet zakelijk zou zijn.

Voorbeeld fiscale glijclausule

  • Als na de oprichting van een B.V. onherroepelijk komt vast te staan dat de belastingplichtige (of de oprichter) fiscaal gezien een te lage waarde heeft toegekend aan de onderneming, dan zal ter beoordeling van de belastingplichtige (de oprichter) de creditering of het agio worden vermeerderd of verminderd. De B.V. is dan verplicht de aandelen / agio of de creditering te aanvaarden mits het minimum kapitaal gehandhaafd blijft. Het eventuele verschil zal de oprichter direct in geld ter beschikking stellen van de B.V., waarbij er ook een zakelijke rente wordt vergoed.
  • Partijen beogen een overeenkomst te sluiten die voldoet aan de criteria voor een fiscaal acceptabele overeenkomst van geldlening. Indien de Belastingdienst en / of belastingrechter in hoogste resort van mening is dat deze overeenkomst geheel of ten dele niet voldoet aan de daaraan te stellen fiscale eisen, wordt deze overeenkomst geacht van de aanvang af gewijzigde bepalingen te bevatten die wel overeenstemmen met de fiscale eisen. Over het verschil wordt een zakelijke rente vergoed of berekend.

Fiscale glijclausule [news] 2019-12-11 0000-00-00 0000-00-00 6335

Excessief lenen directeur-grootaandeelhouder

We zien in de praktijk dat DGA's massaal van hun B.V. lenen. Er zal dan geen belastingheffing over de lening plaatsvinden. De Belastingdienst trekt ten strijde tegen deze leningen. Nu nog via brieven en procedures en vanaf 2023 ook met nieuwe wetgeving in de hand.  Of deze wetgeving het gaat halen is nog maar de vraag, er is vanuit de Raad van State, de Nederlandse Orde voor Belastingadviseurs en de tweede kamer veel kritiek op dit wetsvoorstel. Het is onnodig, complex en op onderdelen onjuist, is de veel gehoorde kritiek.

DGA Tax 2023

De DGA-tax is een strafheffing die vermoedelijk in 2023 wordt ingevoerd, dit was 2022 maar is uitgesteld. Over deze wetgeving is nog veel onduidelijk, maar de gevolgen lijken vrij stevig. In dit artikel monitoren wij de stand van de wetgeving en de mogelijkheden en onmogelijkheden. Een tijdige voorbereiding is wenselijk.

Update 17 juni 2020

Het wetsvoorstel ligt sinds 17 juni 2020 bij de tweede kamer (dit voorstel kunt u hier raadplegen). Vanaf 2023 worden DGA's (AB houders) beperkt in het geld lenen van hun BV (tot maximaal € 500.000), met uitzondering van bestaande eigenwoning schulden. Het gaat om 11.000 DGA's die iets moeten veranderen in de afspraken met hun BV.

Update 24 april 2020

Het wetsvoorstel excessief lenen door de DGA van zijn eigen BV wordt uitgesteld tot eind 2023. Schulden van de DGA aan zijn eigen BV die hoger zijn dan € 500.000 kunnen hiermee later worden afgelost (is exclusief eigen woning schulden).

DGA strafheffing bij excessief of bovenmatig lenen

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) die veel van zijn B.V. heeft geleend wordt in 2022 stevig aangepakt. De nieuwe wetgeving zal vermoedelijk gevolgen hebben voor ruim 10.000 DGA's. De wetgever wil de opnamen van de DGA uit zijn eigen holding / B.V. aan banden gaan leggen. De Belastingdienst ziet het excessief lenen van de eigen B.V. als belastingontduiking en krijgt hier nu ook een wettelijke regeling voor.

Als u meer dan € 500.000 van uw B.V. heeft geleend moet u opletten !

Dividenduitkering DGA en belastingheffing

Als een DGA dividend ontvangt van zijn B.V., moet hij hierover 26,25% Box 2 heffing betalen (wordt in 2021  26,9%). Een dividenduitkering zal het eigen vermogen (winstreserve) in de B.V. verlagen. Bij een dividenduitkering moet de B.V. 15% dividend belasting inhouden, de overige 11,25% wordt in privé (inkomstenbelasting) opgelegd.

  • Bij een dividenduitkering van € 300.000 moet in totaal ruim € 78.000 aan dividendbelasting worden betaald. Bij de uitkering moet de B.V. € 45.000 betalen, in privé moet de DGA dan nog € 33.000 betalen.

Excessief lenen van de B.V. door de DGA

Als er meer dan € 500.000 is geleend van de B.V. door de DGA, is sprake van een excessieve lening, aldus het nieuwe voorstel. In het kort de voorwaarden en regels:

  • Het moet gaan om een lening aan de DGA.
  • De lening moet hoger zijn dan € 500.000.
  • De DGA moet direct of indirect een aanmerkelijk belang in de B.V. bezitten.
  • De leningen van de verschillende rechtspersonen worden bij elkaar geteld.
  • Waar de lening voor is gebruikt is grotendeels niet relevant (box 3 / consumptief).
  • Leningen voor de eigen woning worden buiten beschouwing gelaten.
  • Voor leningen voor de eigen woning die na 1 januari 2022 worden verstrekt moet een hypothecaire zekerheid worden gesloten.
  • Leningen aan kinderen en (schoon) ouders tellen mee indien deze hoger zijn dan € 500.000, het meerdere wordt dan bij de € 500.000 van de DGA opgeteld.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt vermoedelijk niet geïndexeeerd.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt niet verdubbeld als de DGA een fiscale partner heeft.

Conclusie fiscaal jurist over rekening-courant DGA

De Belastingdienst zal vanaf 2019 strenger optreden tegen DGA's met een rekening-courantschuld. Vanaf 2022 moet de DGA leningen gaan aflossen of dividend gaan uitkeren. Doet de DGA niets, dan geldt vanaf 2023 een fictie (en dus heffing van dividendbelasting). Het betreft thans nog een wetsvoorstel, maar er komt zeker een regeling aan. Oplossingen voor de nieuwe regeling zijn:

  1. Dividend uitkeren zodat schuld niet bovenmatig is.
  2. Overdragen activa waar de bovenmatige schulden mee samenhangen aan de BV (bij voorkeur op hoogtepunt van de markt, met waardering deskundige)
  3. Vermijden fiscaal partnerschap zodat de drempel 2x € 500.000 gaat bedragen.
  4. Aangaan van een personenvennootschap waarbij de DGA de schuld inbrengt en tevens de activa welke hiermee direct samenhangen (bijvoorbeeld pand en lening), hierbij moet de BV dan ook activiteiten inbrengen, het geheel moet een onderneming vormen. Vervolgens kan het aandeel van de DGA geruisloos worden ingebracht in de BV (geen overdrachtsbelasting etc.)
  5. Overdragen bezittingen, beleggingen of spaargeld aan de B.V. (ter aflossing van de schuld).
  6. Oversluiten van leningen bij externe partijen (vrienden of bancaire instellingen).
  7. Overdragen van bezittingen (met de bijbehorende schuld) door de DGA aan zijn kind(eren), mits de kinderen geen aandelen in de BV hebben. Bijvoorbeeld een beleggingspand van de DGA wordt (met schuld aan de B.V.) overgedragen aan de zoon of dochter. Eventueel via een stichting die de activa gaat certificeren, hiermee kan de DGA het stemrecht behouden (waardeontwikkeling bij de kinderen).
  8. Op dit moment wordt ook nagedacht over structuren waarbij een C.V. wordt gevormd in combinatie met overdracht van een beleggingspand. Of dit werkt wordt in 2020 bezien.

Excessief lenen DGA [news] 2020-02-27 0000-00-00 0000-00-00 6370

Ruisende inbreng in B.V.

Er zijn twee mogelijkheden om een eenmanszaak, VOF of maatschap om te zetten naar een B.V. (of N.V.). De eerste mogelijkheid is het geruisloos inbrengen, de tweede mogelijkheid is het ruisend inbrengen van de onderneming in de B.V. Elders op de website vindt u een artikel over de geruisloze inbreng in de B.V., hierna zal ik nader ingaan op de ruisende inbreng.

Let op! Van belang bij een ruisende inbreng met terugwerkende kracht tot 1 januari, registratie van de intentieovereenkomst vóór 1 april!

Wanneer is een ruisende inbreng interessant?

De inbreng van de onderneming in een B.V. kan vanuit fiscaal perspectief interessant zijn indien:

  • De winsten meer bedragen dan € 150.000 per jaar;
  • Er zich in uw onderneming stille reserves bevinden en u uw onderneming op termijn wenst te beëindigen;
  • U extern kapitaal wenst aan te trekken;
  • Uw werkzaamheden ten behoeve van de onderneming beperkt zijn;
  • Uw onderneming zeer innovatief is.
  •  Bovenstaande opsomming is niet limitatief, daarnaast zijn er ook nog legio andere (niet fiscale) overwegingen om uw onderneming in te brengen in een B.V.

De ruisende inbreng betekent dat de onderneming tegen de waarde in het economische verkeer, ook wel de werkelijke waarde genoemd, wordt ingebracht in de B.V. De waarde in het economische verkeer c.q. werkelijke waarde is doorgaans hoger dan de boekwaarde. Over het verschil tussen de boekwaarde en de veelal hogere waarde in het economische verkeer – ook wel de stakingswinst genoemd – dient de ondernemer af te rekenen. De afrekening over de stakingswinst leidt doorgaans tot een substantieel bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting. Toch kan een ruisende inbreng interessanter zijn dan een geruisloze inbreng (waarbij een afrekening over de stakingswinst achterwege kan blijven).

Een ruisende of geruisloze inbreng?

Om een goede keuze te maken over het ruisend of geruisloos inbrengen van een onderneming in een B.V. worden hierna een aantal voor- en nadelen weergegeven:

Voordelen van een ruisende inbreng kunnen zijn:

  • Bij de B.V. wordt een hoger afschrijvingspotentieel gecreëerd;
  • Er hoeft formeel geen verzoek bij de Belastingdienst te worden ingediend (doch dit kan wel raadzaam zijn);
  • Er is geen vervreemdingsverbod van de aandelen van drie jaar van toepassing;
  • Er zijn geen voorwaarden ten aanzien van creditering.

Nadelen van een ruisende inbreng kunnen zijn:

  • Afrekenen vindt plaats over een hogere stakingswinst dan bij de geruisloze inbreng, hetgeen leidt tot een hogere eenmalige aanslag inkomstenbelasting;
  • Er vindt een desinvesteringsbijtelling plaats ten aanzien van goederen waarvoor kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), milieu-investeringsaftrek (MIA) of energie-investeringsaftrek (EIA) is geclaimd.

Het nadeel zoals hiervoor beschreven kan echter (gedeeltelijk) worden ondervangen door het bedingen van een (stakings-)lijfrente bij de B.V. waar de onderneming wordt ingebracht. Deze mogelijkheid zorgt voor een oudedagsvoorziening voor de ondernemer en leidt tot uitstel van belastingheffing tot het moment dat de ondernemer met pensioen gaat.

Intentieovereenkomst bij ruisende inbreng

Indien u met terugwerkende kracht tot 1 januari van een jaar ruisend de B.V. in wilt, dan dient er een intentieverklaring ondertekend en geregistreerd te worden bij de Belastingdienst. Daarbij is het ook mogelijk om later in een jaar ruisend de B.V. in te gaan en een beroep te doen op een terugwerkende kracht van drie maanden.

Voorbeeld  

Indien een ondernemer vóór 1 juli een intentieovereenkomst opstelt, ondertekent en registreert bij de Belastingdienst, dan kan de inbreng in de B.V. met terugwerkende kracht tot 1 april van dat jaar plaatsvinden.

Overgangstijdstip bij het oprichten van de B.V.

Het oprichten van een B.V. dient binnen negen maanden na het overgangstijdstip plaats te vinden. Het overgangstijdstip is het moment waarop de resultaten (met terugwerkende kracht) voor rekening en risico van de B.V. komen. Deze termijn is korter dan de termijn die daarvoor geldt bij een geruisloze inbreng (15 maanden).

Tot slot

Indien een ondernemer overweegt om zijn onderneming in te brengen in een B.V., dan is het van belang dat er tijdig een intentieovereenkomst wordt opgesteld, getekend en geregistreerd. Vervolgens dienen de voor- en nadelen tegen elkaar afgewogen te worden en zal er een keuze worden gemaakt. Het is daarbij niet onverstandig hierover een gesprek aan te gaan met een fiscaal jurist, teneinde van A tot Z inzicht te krijgen in de fiscale en juridische gevolgen van de inbreng in de B.V.

Wilt u meer weten over de inbreng in de B.V. of wilt u een afspraak inplannen met een fiscaal jurist, neem dan contact op met de auteur van dit artikel.

Ruisende inbreng in B.V. [news] 2020-03-09 0000-00-00 0000-00-00 6375

Eenmanszaak en B.V. naast elkaar fiscaal voordelig

Als u optimaal gebruik wilt maken van de tarieven voor 2021, is een combinatie tussen een eenmanszaak en een B.V. wellicht een optie voor u. De DGA / ondernemer kan dan namelijk profiteren van de fiscale voordelen voor ondernemers (inkomstenbelasting) en het lage tarief in de B.V. (vennootschapsbelasting).

Voordeel eenmanszaak

Het belangrijkste voordeel van de eenmanszaak zijn de ondernemersfaciliteiteiten (zelfstandigenaftrek, MKB-winstvrijstelling, FOR, etc.). Door deze fiscale tegemoetkomingen / aftrekposten voldoet u tot een inkomen van € 20.000 vrijwel geen belastingen. Tot een winst van ongeveer € 80.000 is een eenmanszaak voordelig, daarna begint de B.V. aantrekkelijk te worden.

  • Aandachtspunt: om optimaal gebruik te maken van de ondernemersfaciliteiten, moet u per jaar 1.225 uur (25 uur per week) aan de activiteiten besteden, deze uren moet u ook (ruwweg) bijhouden in uw agenda.
  • Aandachtspunt: tenminste 50% van uw tijd voor uw bedrijf moet via de eenmanszaak worden uitgeoefend.
  • Tip: als starter kunt u over vele activa willekeurig afschrijven (max. € 320.000).  

Voordeel B.V.

De tarieven voor in de B.V. zijn stukken lager dan voor een eenmanszaak. Het tarief over de winst (vennootschapsbelasting) bedraagt in 2021 15% (tot een winst van € 245.000). Daarnaast is het mogelijk om in de B.V. vrijwel belastingvrij te sparen. De DGA (directeur van de B.V.) hoeft namelijk niet alle winsten uit te keren, hierdoor kan een groot deel van de winst belastingvrij worden opgepot.

Een ander voordeel is dat de DGA (normaal gesproken) niet privé aansprakelijk is voor de ondernemersactiviteiten.

Investeren in bedrijfsgebouwen

Als u als ondernemer in een bedrijfsgebouw gaat investeren, kunt u dit fiscaal soms beter doen in de eenmanszaak. U kunt dan wellicht willekeurig afschrijven en daarnaast mag tot maximaal 50% van de WOZ-waarde worden afgeschreven. In de B.V. is er geen willekeurige afschrijving en kan tot maximaal 100% van de WOZ-waarde worden afgeschreven. Feitelijk is dus afschrijving in de B.V. beperkt (of nihil). Eventueel kan de eenmanszaak het bedrijfspand verhuren aan de B.V., dit is maatwerk.

Investeringsaftrek bij eenmanszaak naast B.V.

De investeringaftrek (formeel kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA)) geldt tot een maximum van ruim € 320.000. Dit maximum geldt voor de eenmanszaak en ook voor de B.V., u kunt dus uw investeringen optimaliseren. Daarnaast neemt de KIA af zodra de omvang van de investeringen stijgt, het voordeel is dus bij lagere investeringen groter. Doordat u deze kunt verdelen tussen de B.V. en de eenmanszaak, zit hier een tweede voordeel.

Salaris DGA / het gebruikelijke loon

Een DGA moet wel rekening houden met het gebruikelijke loon, dit is een wettelijk vastgesteld minimum salaris (in 2020 € 46.000). De Belastingdienst kijkt hier kritisch naar, het vooraf maken van afspraken met de Belastingdienst is daarom verstandig. Als de DGA zijn werkzaamheden enkel in de eenmanszaak verricht en de rest van de ondernemersactiviteiten in de B.V., is geen gebruikelijk loon van toepassing.

Fiscaal advies eenmanszaak en de B.V.

Wij adviseren regelmatig ondernemers bij een combinatie tussen een eenmanszaak en een B.V. De transacties en werkzaamheden moeten zorgvuldig van elkaar worden gescheiden. Ook moeten afspraken schriftelijk worden vastgelegd. Wilt u meer informatie ontvangen? Stuur gerust een e-mail of bel ons eens voor een orienterend gesprek.

Eenmanszaak naast BV [news] 2020-09-16 0000-00-00 0000-00-00 6679

Gebruikelijk loon DGA in 2021

Het gebruikelijk loon voor de DGA stijgt in 2021 tot € 47.000. Dit was in 2019 en 2020 nog € 46.000.

Hoe DGA-loon berekenen?

Wij adviseren wekelijks DGA's over de hoogte van hun gebruikelijk loon. De meest voorkomende vragen zijn

  1. Hoe fiscaal loon optimaliseren?
  2. Is dividend voordeliger dan salaris? Lees meer ...
  3. Wat te doen met DGA-salaris in verliessituaties?
  4. Hoe kan ik het DGA-salaris beperken?
  5. Wat is salaris van DGA die niet fulltime werkt? Lees meer... 

In dit artikel een overzicht van de regelingen voor een DGA en zijn salaris. Vaak ontstaan er achteraf veel problemen en zijn deze vooraf eenvoudig te voorkomen. Voorkom problemen en zorg voor een optimale situatie! Wilt u een breder advies, laat dan een fiscale scan van uw onderneming maken, of stuur ons een e-mail voor een vrijblijvende offerte.

Fiscale advisering DGA en salaris

Regelmatig adviseren wij DGA's over nieuwe mogelijkheden en structuren, bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

Vragen over DGA-loon?

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) zal altijd bezig zijn met een optimale hoogte van het ondernemersloon. Maximaal 42% inkomstenbelasting betalen is optimaal. Dividend kan immers voordeliger zijn, opnamen in rekening-courant vullen de tekorten ook wel even op, of men wil het geld liever in de B.V. houden om te gebruiken voor het bedrijf. De vraag is en blijft: wat heeft men nodig en wat moet men van de fiscus uitkeren? Het blijft een kat en muisspelletje. Hieronder een uitleg en tips. Ook de handleiding van de Belastingdienst inzake gebruikelijk loon kan u verder helpen, deze kunt u hier raadplegen.

De wet over gebruikelijk loon van een DGA

Als eerste kijken we wat de wet (artikel 12a Wet loonbelasting) erover zegt, dat is immers de basis:

Iemand die werkzaamheden verricht voor een vennootschap waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft (dus meer dan 5% van de aandelen houdt), wordt geacht in 2021 tenminste € 47.000 salaris te verdienen (2011 / 2010: € 41.000 en 2012 € 42.000 en 2013 € 43.000). Het loon mag niet minder zijn dan dat van de best betaalde werknemer in de B.V. of daarmee verbonden lichamen.

Tevens mag het loon niet meer dan in belangrijke mate (30%) naar beneden afwijken van hetgeen gebruikelijk is in niet DGA-verhoudingen. Dat betekent dus dat het loon vaak (veel) hoger zal zijn dan de genoemde € 47.000. Anders gezegd: de DGA moet 70% verdienen van hetgeen gebruikelijk is.

Mocht het aannemelijk zijn dat het gebruikelijk loon in niet DGA-verhoudingen lager is dan dat van de best verdienende medewerker, dan mag het DGA-loon ook lager zijn. Maar niet minder dan 70% van het salaris dat gebruikelijk is of € 47.000!

Als er sprake is van werkzaamheden voor meerdere B.V.'s behorend tot een concern, mag de doorbetaaldloonregeling worden toegepast. Het loon is dan gebaseerd op alle werkzaamheden, maar wordt verloond bij de B.V. waar de dienstbetrekking plaatsvindt.

De gebruikelijkloonregeling geldt vanaf 2010 niet als het loon van de vennootschap en de vennootschappen die tot het concern behoren minder dan € 5.000 bedraagt. Als iemand dus weinig werkzaamheden verricht, hoeft er ook geen loonadministratie gevoerd te worden.

De praktijk over het gebruikelijke loon van de DGA

De theorie lijkt helder, in de praktijk zijn er diverse procedures gevoerd die hebben geleid tot vaste jurisprudentie. Er zijn eigenlijk twee methoden voor het vaststellen van een DGA-salaris:

  1. Het beoordelen van het salaris aan de hand van de hierboven genoemde wettelijke regeling, waarbij met name wordt gekeken naar de salarissen in vergelijkbare situaties, die niet aanmerkelijkbelang-gerelateerd zijn. Bij meerdere dienstbetrekkingen wordt dat per dienstbetrekking bekeken, bijvoorbeeld de bestuurswerkzaamheden bij de holding en de gewone werkzaamheden bij de dochtermaatschappij.
  2. De zogenaamde afroommethode. Hierbij is het DGA-salaris direct afgeleid van de door de werkzaamheden van de DGA persoonlijk gerealiseerde omzet. Deze methode wordt vaak toegepast bij vrije beroepsbeoefenaren als artsen, advocaten en notarissen. Dit zal veelal leiden tot een relatief hoog DGA-salaris. Na aftrek van kosten zal dit veelal 70% van de winst of de management fee bedragen. Uit de uitspraak van Hof Leeuwarden van 28 juni 2011 (nr. 10/10061) blijkt dat het gebruikelijk loon van een advocaat / DGA moet worden gesteld op 70% van het winstaandeel (minus de pensioenpremie en minus de goodwillafschrijving) van de maatschap waarin hij werkt. Met kosten en lasten van de B.V. wordt geen rekening gehouden. 

Inspecteur moet hoger loon aannemelijk maken

In een procedure voor de Rechtbank Den Haag d.d. 9 januari 2014 kwam een situatie aan de orde waarbij een communicatieadviseur via zijn eigen B.V. werkzaamheden verricht voor derden. De verhoudingen waren als volgt (genoemde bedragen in euro's):

  • 2006: omzet € 59.000 en salaris € 46.000 (Belastingdienst akkoord);
  • 2007: omzet € 137.000 en salaris € 55.000 (Belastingdienst € 85.000);
  • 2008: omzet € 67.000 en salaris € 62.000 (Belastingdienst akkoord);
  • 2009: omzet € 154.000 en salaris € 62.000 (Belastingdienst € 95.000); 
  • 2010: omzet € 166.000 en salaris € 58.000 (Belastingdienst € 95.000).

Voor de berekening van de salarissen wordt door belastingplichtige de afroommethode gebruikt. De salarissen worden door de inspecteur gecorrigeerd op grond van artikel 12a van de Wet op de Loonbelasting 1964 (wet LH). Centrale vraag is of het loon in belangrijke mate afwijkt van het gebruikelijke loon en of de afroommethode mag worden toegepast.

Volgens de Rechtbank maakt de inspecteur niet aannemelijk dat het salaris op grond van artikel 12a LH in belangrijke mate afwijkt van hetgeen in het economische verkeer gebruikelijk is. Uit het enkele feit dat het door de inspecteur met toepassing van de afroommethode berekende loon hoger ligt dan het aan belanghebbende (de DGA) toegekende en uitbetaalde loon volgt, zonder nadere motivering, niet dat het toegekende loon lager is dan hetgeen voor een soortgelijke dienstbetrekking in het economische verkeer gebruikelijk is. De naheffingsaanslagen worden vernietigd, het gelijk is aan de DGA.

Verlies in B.V. en DGA-salaris

De crisismaatregel uit 2009 en 2010, dat men zonder voorafgaande toestemming van de inspecteur een salaris verlagen kon, is helaas niet meer aan de orde. U moet nu in overleg om zekerheid te krijgen. De inspecteur zal u daar binnen 8 weken een beschikking voor afgeven. Wij gaan graag met u en de fiscus in overleg om een fiscaal optimale situatie voor u te regelen. Als u een en ander niet wenst af te stemmen, zorg dan voor een goede onderbouwing van de hoogte van het salaris en leg dit vast in de administratie. Een pleitbaar standpunt leidt immers niet tot een boete, hooguit tot een correctie (in de toekomst).

Meer algemeen zou de vraag aan de orde kunnen komen of de B.V. nog wel de juiste rechtsvorm voor u is. Wij bespreken gaarne de mogelijkheden om terug te keren naar de eenmanszaak, of een samenwerkingsverband als de VOF, maatschap of de LLP. Lees ook dit artikel over dit onderwerp.

Lager gebruikelijk loon als B.V. verlies maakt

Als er sprake is van een structureel verliesgevende situatie, kan dit een lager loon rechtvaardigen. Hierover wordt vaak een discussie met de Belastingdienst gevoerd. In een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam d.d. 22 oktober 2013 ging het om een DGA met een holding en 2 werkmaatschappijen. De Belastingdienst was van mening dat de DGA drie keer het DGA-loon moest genieten, dit mede omdat hij de enige werknemer van de B.V.'s was. Gezien de financieel slechte situatie bij de B.V.'s was de DGA van mening dat een dergelijk salaris veel te hoog was. Beide partijen stappen naar de rechter. Het Gerechtshof stelt dat een DGA per dienstbetrekking een (fictief) loon moet ontvangen. De rechter stelde echter ook dat bij de beoordeling van het loon het eigen vermogen van de B.V. van belang is. Een slecht draaiende B.V. kan immers niet onbeperkt loon betalen omdat hiermee het voortbestaan in gevaar kan komen. Daarnaast kon de DGA onmogelijk 3 voltijdsdienstbetrekkingen uitvoeren, dit kost hem immers 120 uur per week. De rechter stelt vast dat de DGA bij één B.V. geen loon hoeft te genieten, bij de andere B.V. een loon van € 15.000 en bij de derde B.V. een loon van € 38.000 (cijfers 2006). Artikel 12a van de Wet Loonbelasting blijft dus voor veel discussie zorgen.

Tips en aandachtspunten

  • Wellicht is het tijd om de B.V. te verlaten, bespreek dit eens met een fiscalist.
  • Laat uw rekening-courantschuld niet te ver oplopen.
  • Onderbouw de hoogte van uw salaris schriftelijk.
  • Vraag een beschikking van de inspecteur om onzekerheid te voorkomen.
  • Het gebruikelijk loon kunt u jaarlijks (mits gemotiveerd) aanpassen.
  • Pensioenpremie telt mee voor het gebruikelijk loon.
  • De bijtelling voor de auto van de zaak telt mee voor het gebruikelijk loon.
  • Deeltijd verlaagt niet automatisch het gebruikelijk loon naar rato.
  • Beoordeel of er al dan niet sprake is van het afroomcriterium (zie hieronder).

Actuele rechtspraak Hoge Raad 2012 over afroommethode

Op 9 november 2012 (11/03555, LJN BW 4167) heeft de Hoge Raad een interessant arrest gewezen inzake de gebruikelijkloonregeling en de afroommethode.

De afroommethode houdt in dat het gebruikelijk loon van (veelal) een vrije beroepsbeoefenaar wordt berekend door de winst van zijn persoonlijke B.V. aan te houden, zijnde het aandeel in een maatschap of ander samenwerkingsverband, verminderd met de kosten en lasten die aan die opbrengst zijn toe te rekenen. Dat levert veelal een hoog salaris op, met daarnaast een B.V. die nagenoeg geen winst maakt. Fiscaal volstrekt niet optimaal dus. Deze regeling kon rekenen op veel kritiek.

De Hoge Raad heeft nu beslist dat de afroommethode niet werkt in de onderstaande situatie. Een advocaat is via zijn persoonlijke B.V. maat in een maatschap van advocaten. De inspecteur heeft de hoogte van het salaris aangepast (lees: verhoogd) op basis van de gebruikelijkloonregeling. Hof Leeuwarden oordeelde destijds dat de opbrengst van de B.V. nagenoeg geheel voortvloeit uit de arbeid die door belanghebbende is verricht. Daarom moest het gebruikelijk loon worden berekend op basis van de afroommethode. De Hoge Raad denkt daar anders over en casseert deze uitspraak.

Als de werkzaamheden van deze advocaat worden verricht in een maatschap en de opbrengst van de persoonlijke B.V. bestaat uit een aandeel in de winst van een maatschap, dan is van een (nagenoeg) geheel voortvloeien uit de door de directeur verrichte arbeid geen sprake. Dat is slechts het geval indien de omvang van het aandeel van de B.V. in het resultaat van dat samenwerkingsverband (nagenoeg) uitsluitend wordt bepaald door de arbeid die de betreffende advocaat zelf in de maatschap verricht. Bestaat echter zoals in casu het aandeel van de B.V. in het resultaat van het samenwerkingsverband uit een percentage van het totale resultaat van dat samenwerkingsverband, dan ontbreekt die relatie. Dan kan de afroommethode niet dus worden toegepast.

Meer weten?

Maak gerust een afspraak voor een vrijblijvende afspraak, wij adviseren u graag en vlot.

Gebruikelijk loon DGA 2021 [news] 2020-12-22 0000-00-00 0000-00-00 6828

Oplossingen voor wetsvoorstel excessief lenen DGA

Excessief lenen directeur-grootaandeelhouder

DGA's zien de B.V. nog te vaak als hun eigen portemonnee. De bankrekening van de B.V. wordt als pinautomaat gebruikt voor de bestedingen van de DGA. Er ontstaat dan een lening en er wordt dus geen belastingheffing voldaan. Dit wil het kabinet beperken. De nieuwe wetgeving is aangekondigd per 2023.  

Of deze wetgeving het gaat halen is nog maar de vraag, er is vanuit de Raad van State, de Nederlandse Orde voor Belastingadviseurs en de Tweede Kamer veel kritiek op dit wetsvoorstel. Het is onnodig, complex en op onderdelen onjuist, is de veel gehoorde kritiek.

DGA-tax 2023

De DGA-tax is een strafheffing die vermoedelijk in 2023 wordt ingevoerd, dit was 2022 maar is uitgesteld. Over deze wetgeving is nog veel onduidelijk, maar de gevolgen lijken vrij stevig. In dit artikel monitoren wij de stand van de wetgeving en de mogelijkheden en onmogelijkheden. Een tijdige voorbereiding is wenselijk.

DGA strafheffing bij excessief of bovenmatig lenen

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) die veel van zijn B.V. heeft geleend wordt in 2023 stevig aangepakt. De nieuwe wetgeving zal vermoedelijk gevolgen hebben voor ruim 10.000 DGA's. De wetgever wil de opnamen van de DGA uit zijn eigen holding / B.V. aan banden gaan leggen. De Belastingdienst ziet het excessief lenen van de eigen B.V. als belastingontduiking en krijgt hier nu ook een wettelijke regeling voor.

Als u meer dan € 500.000 van uw B.V. heeft geleend, moet u opletten !

Excessief lenen van de B.V. door de DGA

Als er meer dan € 500.000 is geleend van de B.V. door de DGA, is sprake van een excessieve lening, aldus het nieuwe voorstel. In het kort de voorwaarden en regels:

  • Het moet gaan om een lening aan de DGA.
  • De lening moet hoger zijn dan € 500.000.
  • De DGA moet direct of indirect een aanmerkelijk belang in de B.V. bezitten.
  • De leningen van de verschillende rechtspersonen worden bij elkaar geteld.
  • Waar de lening voor is gebruikt is grotendeels niet relevant (box 3 / consumptief).
  • Leningen voor de eigen woning worden buiten beschouwing gelaten.
  • Voor leningen voor de eigen woning die na 1 januari 2022 worden verstrekt moet een hypothecaire zekerheid worden gesloten.
  • Leningen aan kinderen en (schoon-)ouders tellen mee indien deze hoger zijn dan € 500.000, het meerdere wordt dan bij de € 500.000 van de DGA opgeteld.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt vermoedelijk niet geïndexeerd.
  • Het bedrag van € 500.000 wordt niet verdubbeld als de DGA een fiscale partner heeft.

Oplossingen voor geen excessieve lening

De Belastingdienst zal vanaf 2019 strenger optreden tegen DGA's met een rekening-courantschuld. Vanaf 2022 moet de DGA leningen gaan aflossen of dividend gaan uitkeren. Doet de DGA niets, dan geldt vanaf 2023 een fictie (en dus heffing van dividendbelasting). Het betreft thans nog een wetsvoorstel, maar er komt zeker een regeling aan. Oplossingen voor de nieuwe regeling zijn:

  1. Dividend uitkeren zodat schuld niet bovenmatig is.
  2. Overdragen activa waar de bovenmatige schulden mee samenhangen aan de B.V. (bij voorkeur op hoogtepunt van de markt, met waardering deskundige).
  3. Vermijden fiscaal partnerschap zodat de drempel 2x € 500.000 gaat bedragen.
  4. Aangaan van een personenvennootschap, waarbij de DGA de schuld inbrengt en tevens de activa welke hiermee direct samenhangen (bijvoorbeeld pand en lening). Hierbij moet de B.V. dan ook activiteiten inbrengen, het geheel moet een onderneming vormen. Vervolgens kan het aandeel van de DGA geruisloos worden ingebracht in de B.V. (geen overdrachtsbelasting etc.).
  5. Overdragen bezittingen, beleggingen of spaargeld aan de B.V. (ter aflossing van de schuld).
  6. Oversluiten van leningen bij externe partijen (vrienden of bancaire instellingen).
  7. Overdragen van bezittingen (met de bijbehorende schuld) door de DGA aan zijn kind(eren), mits de kinderen geen aandelen in de B.V. hebben. Bijvoorbeeld een beleggingspand van de DGA wordt (met schuld aan de B.V.) overgedragen aan de zoon of dochter, eventueel via een stichting die de activa gaat certificeren. Hiermee kan de DGA het stemrecht behouden (waardeontwikkeling bij de kinderen).
  8. Op dit moment wordt ook nagedacht over structuren waarbij een C.V. wordt gevormd in combinatie met overdracht van een beleggingspand. Of dit werkt wordt in 2020 bezien.

Oplossingen excessief lenen [news] 2021-02-22 0000-00-00 0000-00-00

Wellicht komt er voor de DGA een nieuwe wet in 2023 die het lenen van de B.V. moet beperken. De invoering is uiterst onzeker, maar je weet nooit! Wat zijn mogelijke oplossingen voor de nieuwe wet?

6891

Inactiviteit bv geen reden voor lager loon DGA

Het gebruikelijk loon houdt de gemoederen altijd bezig. De regeling is ooit ingevoerd als maatregel tegen het betalen van een zo laag mogelijk loon aan de directeur-grootaandeelhouder. Het uitkeren van dividend was toentertijd aanzienlijk voordeliger dan het uitbetalen van loon. De strekking van de regeling – aldus de staatssecretaris – is het voorkomen van het afzien van een gebruikelijk loon en daarmee het behalen van belastingvoordelen en voordelen in de sfeer van de sociale zekerheid.

De gebruikelijkloonregeling is niet in beton gegoten. Afwijken is mogelijk, mits juridisch aanvaardbaar. Veel DGA’s verlagen het gebruikelijk loon zonder vooroverleg met de Belastingdienst. Indien u zeker bent van uw standpunt, hoeft dat geen probleem te zijn. Echter, in de praktijk zien wij dat de Belastingdienst vaak een ander oordeel is toegedaan. Dat leidt tot veel rechtspraak, zoals recent over een DGA die wegens inactiviteit in de bv het gebruikelijk loon op een lager bedrag heeft vastgesteld dan het normbedrag. Voor de DGA liep het in deze kwestie niet goed af. Wij gaan hierna kort in op de gebruikelijkloonregeling en deze uitspraak van de rechtbank.

De gebruikelijkloonregeling

De gebruikelijkloonregeling is opgenomen in de Wet op de Loonbelasting 1964. De bepaling ziet op het loon van een werknemer die arbeid verricht in een vennootschap en tevens een aanmerkelijk belang heeft in die vennootschap. Deze werknemer wordt in de praktijk meestal de DGA genoemd. Wij merken daarbij op dat DGA staat voor directeur-grootaandeelhouder. Niet iedere AB-houder is echter een grootaandeelhouder. Dit kan voor de praktijk – bijvoorbeeld binnen de sociale zekerheid – een belangrijk onderscheid zijn.

Als uitgangspunt geldt dat het gebruikelijk loon minimaal gelijk is aan het hoogste van de volgende bedragen:

  • 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;
  • het loon van de meestverdienende werknemer bij die bv of bij een lichaam dat verbonden is met de bv;
  • ten minste € 47.000 (2021).

Indien u zich aan bovenstaande norm houdt en de inspecteur meent dat het gebruikelijk loon hoger moet zijn, dan rust de bewijslast op de inspecteur. Meent u dat het gebruikelijk loon in uw situatie lager mag zijn, dan draagt u de bewijslast.

Een nadere definitie van het begrip verbonden lichaam is opgenomen in de wet, doch voor deze bijdrage niet van nader belang.

Feiten en omstandigheden in de rechtbankzaak

Een DGA is in beroep gegaan tegen het loon dat de inspecteur voor hem had aangemerkt als gebruikelijk loon. Het door de inspecteur vastgestelde gebruikelijk loon bedroeg € 30.000. Dat is lager dan het normbedrag. Volgens belanghebbende is dit bedrag ten onrechte in aanmerking genomen en zijn de aanslagen naar te hoge bedragen opgelegd. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aanslagen terecht zijn opgelegd en naar de juiste bedragen. In geschil is of het gebruikelijk loon van € 30.000 terecht in aanmerking is genomen.

Standpunten belanghebbende en inspecteur

De DGA meent dat € 30.000 loon niet gebruikelijk is, het is te hoog gezien de feiten en omstandigheden. De vennootschap die het betreft zou inactief zijn geweest, structureel verlies lijden en werknemers in dezelfde positie minder loon betalen.

De inspecteur is het met bovenstaande oneens en acht € 30.000 gebruikelijk.

Het betreft de discussie over het op een lager bedrag vaststellen van het gebruikelijk loon dan het normbedrag. Dat betekent dat de DGA de bewijslast draagt om aannemelijk te maken dat € 30.000 te hoog is.

Het oordeel van de rechtbank

De DGA hield het hele jaar een aanmerkelijk belang in de vennootschap. De naam en activiteiten zijn gedurende het jaar gewijzigd, maar dat acht de rechtbank bij de beoordeling direct van belang bij het bepalen of sprake is van een aanmerkelijk belang waarop de gebruikelijkloonregeling van toepassing is. De rechtbank oordeelt kort en helder: de DGA hield een aanmerkelijk belang in de vennootschap en heeft arbeid verricht. Dan is de gebruikelijkloonregeling van toepassing.

De rechtbank stelt daarna vast dat het loon waar het om gaat lager ligt dan het normbedrag. Dat is mogelijk. Indien de omstandigheden van de situatie van de DGA het rechtvaardigen, kan het gebruikelijk loon lager worden vastgesteld. De vraag is dus of dergelijke omstandigheden hier aanwezig zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de DGA onvoldoende feiten en omstandigheden stelt en aannemelijk maakt om een lager gebruikelijk loon te rechtvaardigen. Een periode van inactiviteit van de vennootschap is daartoe onvoldoende. Daarnaast is niet gesteld en al helemaal niet gebleken dat de vennootschap structureel verlies lijdt of werknemers met gelijke werkzaamheden minder loon toekent.

Advisering en gebruikelijk loon

Uit bovenstaande blijkt weer dat alle feiten en omstandigheden van belang zijn. Daarbij kunt u niet volstaan met het enkel stellen dat u vindt dat het gebruikelijk loon lager vastgesteld dient te worden. U moet dit aannemelijk maken tegenover de inspecteur. Doet u dat niet, dan kunt u worden geconfronteerd met naheffingsaanslagen en boeten. De DGA uit bovenstaande casus werd bijvoorbeeld ook geconfronteerd met een verzuimboete (67a-boete). De boete bedroeg voor deze DGA € 369, maar kende een wettelijk maximum van € 5.278.

Bent u van mening dat uw gebruikelijk loon op een lager bedrag vastgesteld dient te worden? Dan is het verstandig een ervaren adviseur in de arm te nemen. Neem gerust eens contact op met één van onze specialisten. Wij beoordelen graag uw situatie en bij twijfel voeren wij overleg met de Belastingdienst om rechtszekerheid te krijgen.

Geen lager DGA-loon bij inactieve bv [news] 2021-05-03 0000-00-00 0000-00-00 6982

Waarom ondernemen in een bv?

Er kunnen vele redenen zijn om een bv op te richten. Een in de markt veelgehoorde reden is status: de dga kan zich directeur noemen en vanzelfsprekend is dit niet het argument dat het meeste hout snijdt. Hieronder gaan wij in op een aantal (doorgaans) belangrijkere redenen.

Aansprakelijkheid en risico

Door het drijven van een onderneming voor rekening en risico van een bv wordt de aansprakelijkheid in privé beperkt. De bv is namelijk zelf aansprakelijk voor haar schulden, niet de aandeelhouders of de directie. Een uitzondering hierop is bestuurdersaansprakelijkheid. Deze houdt in dat, naast de bv, in bepaalde gevallen ook de bestuurder aansprakelijk is. Criterium is dat de bestuurstaken onbehoorlijk zijn uitgevoerd.

Is dit alles niet aan de orde, dan loopt de aandeelhouder slechts financieel risico tot het bedrag van zijn investering in het aandelenkapitaal.

Dit moet overigens enigszins gerelativeerd worden. Indien een dga een onderneming start in de vorm van een bv, zullen financiers (zoals een bank) vaak extra zekerheid wensen van de dga in persoon, bijvoorbeeld door een borgstelling voor de schulden van de bv.

Fiscaal voordeel

De laatste jaren probeert de wetgever Nederland aantrekkelijker te maken voor ondernemingen in het MKB. Zo zijn de tarieven in de vennootschapsbelasting fors verlaagd ten opzichte van een aantal jaar geleden. Zo bedroeg het toptarief 15 jaar geleden bijvoorbeeld nog 34,5% en bedraagt het vennootschapsbelastingtarief voor 2021 15% tot een bedrag van € 245.000 en 25% voor alles daarboven. Daarentegen bedraagt het maximale tarief in de inkomstenbelasting nu 49,50%. Door de MKB-winstvrijstelling van 14% daalt het effectieve tarief nog wel. De gecombineerde heffing (vennootschapsbelasting en aanmerkelijkbelangheffing) op uitgekeerde winsten uit een bv in 2021 bedraagt tussen de 37,8% en 45%. Het voordeel wordt zelfs groter indien de behaalde winst niet wordt uitgekeerd. Bij de bv kan minimaal 75% en maximaal 85% van de winst worden geherinvesteerd in de onderneming; in een IB-onderneming is dit dus aanzienlijk lager, hetgeen een liquiditeitsvoordeel oplevert dat kan worden benut voor het doen van investeringen.

De uitkering van een gebruikelijk loon aan de dga kan het voordeel ten opzichte van de IB-onderneming beperken. Het salaris is voor de dga immers belast in de inkomstenbelasting tegen maximaal 49,50%. Bovendien zal vooral bij lagere winsten de IB-onderneming aantrekkelijker zijn door de MKB-winstvrijstelling en enkele aftrekposten (ondernemersfaciliteiten) die uitsluitend openstaan voor IB-ondernemers. Een vuistregel die wij in de praktijk hanteren is om vanuit fiscaal oogpunt ingegeven eens te gaan kijken naar de bv bij een winst van om en nabij de € 125.000 tot € 150.000.

Vergemakkelijken bedrijfsoverdracht

Wanneer een onderneming in de vorm van bijvoorbeeld een eenmanszaak wordt overgedragen, worden in feite alle activa en passiva overgedragen. Bij de overdracht van een onderneming in de vorm van een bv is dat anders. De aandeelhouders zijn namelijk geen eigenaar van de activa en passiva; de bv is eigenaar van de activa en passiva. Door de aandelen van de bv over te dragen, wordt op eenvoudige wijze een onderneming overgedragen. Bovendien voorziet de wetgeving in een aantal fiscaalvriendelijke mogelijkheden voor de overdracht van aandelen.

Continuïteit

Als de dga overlijdt, behoeven – in tegenstelling tot bijvoorbeeld bij de eenmanszaak – de activa en passiva niet onder de erfgenamen te worden verdeeld. De erfgenamen krijgen aandelen of certificaten van aandelen die ze eventueel kunnen verkopen. De bv en dus de onderneming blijft gewoon bestaan.

Overzicht

Bij een persoonlijke onderneming lopen zakelijke aangelegenheden en privéaangelegenheden vaak door elkaar, met name ook financieel. Bij een bv is dat meer gescheiden, omdat de bv een rechtspersoon is. Zakelijk (de rekening van de bv) en privé (de rekeningen van de dga) zijn daarmee gescheiden. Dat maakt het ondernemen met een bv overzichtelijker.

Tot besluit

Wenst u te gaan ondernemen in een bv of heeft u naar aanleiding van dit artikel nog andere vragen voor onze adviseurs? Aarzel dan niet om contact op te nemen via onderstaande contactgegevens. Wij helpen u graag verder!

Waarom ondernemen in een bv? [news] 7211

De bv wordt fiscaal steeds voordeliger

Waar het omslagpunt voor de fiscaal ingegeven keuze tussen ondernemen in een eenmanszaak of een bv voorheen rond de € 150.000 aan resultaat lag, ligt deze in 2021 al op € 105.000. De komende jaren zal dit omslagpunt zelfs nog lager komen te liggen. Reden genoeg om eens kritisch naar uw structuur te kijken en wellicht nog dit jaar in ieder geval de intentie tot omzetting kenbaar te maken bij de Belastingdienst.

Tariefsaanpassing box 1

Wat is nou de reden dat dit omslagpunt door de jaren heen steeds lager komt te liggen? Dat is gelegen in het feit dat:

  • Er een afbouw plaatsvindt van de zelfstandigenaftrek;
  • Er een afbouw plaatsvindt van het maximale tarief waartegen de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling in aftrek gebracht kan worden (2021: 43%, 2022: 40%, 2023: 37,05%).

Intentieverklaring

Door vóór 1 oktober 2021 in ieder geval de intentie tot mogelijk omzetten van de eenmanszaak naar de bv bij de Belastingdienst te registreren, behoudt u de mogelijkheid om uw onderneming tot en met 31 maart 2022 daadwerkelijk om te zetten naar een bv-structuur. Door een intentieverklaring te registreren wordt u niks verplicht, uw houdt echter wel de mogelijkheid open om met terugwerkende kracht tot 1 januari 2021 uw winst in de bv te laten belasten.

Tot besluit

Denkt u na over de omzetting van uw onderneming naar een bv-structuur, neem dan gerust eens vrijblijvend contact op met onderstaande adviseurs. Zij helpen u graag bij het maken van de juiste keuze.

De bv wordt steeds voordeliger [news] 7212

Terugwerkende kracht geruisloze inbreng

Ook in tijden van economische crisis zijn er ondernemers die goede bedrijfsresultaten weten te behalen. Of u ontdekt nu dat u vanwege de crisis juist risico's in privé loopt, die u liever wenst te beperken. U kunt er dan over nadenken om uw eenmanszaak, firma of maatschap in te brengen in de B.V. Dat kan met terugwerkende kracht naar 1 januari, onder gebruikmaking van de faciliteit van de geruisloze inbreng.

Wijziging 2014

Met ingang van 2014 moet u de voorovereenkomst aangetekend naar de Belastingdienst versturen. Registreren bij de Belastingdienst is niet meer mogelijk. Vorenstaande komt door de Wet Elektronische Registratie notariële akten. U moet de voorovereenkomst via een aangetekende brief versturen naar:

  • Belastingdienst Heerlen, Postbus 13, 6400 AA Heerlen

Twee methoden van inbreng

  1. De ruisende inbreng. U begint in de B.V. als het ware helemaal opnieuw. U staakt de onderneming en verkoopt deze aan de door u opgerichte B.V. De stakingswinst (goodwill, stille en fiscale reserves) is belast met inkomstenbelasting, maar deze kan eventueel worden uitgesteld door het bedingen van een stakingswinstlijfrente bij uw B.V. U moet dit regelen door vóór 1 april van enig jaar een intentieverklaring of voorovereenkomst te laten registreren. De eerste datum dat u dit weer kunt doen is, bij een boekjaar als kalenderjaar, per 1 januari 2013.
  2. Bij een geruisloze inbreng kunt u echter nog gebruikmaken van terugwerkende kracht naar 1 januari 2013. U moet dan uw intentieverklaring of voorovereenkomst uiterlijk binnen negen maanden na het overgangstijdstip hebben laten registreren. In dit geval gaat de B.V. met dezelfde balans (boekwaarden) verder als waarmee uw onderneming is gestaakt. Uw onderneming wordt bij fictie geacht niet te zijn gestaakt. Er wordt een aantal (standaard) voorwaarden gesteld.

Daarnaast kunt u op elk tussentijds gewenst moment de onderneming inbrengen, maar dan krijgt u te maken met een gebroken boekjaar en dat brengt extra kosten met zich mee. Het verdient de voorkeur om voor een overgangsmoment bij aanvang boekjaar te kiezen.

Wij zijn u graag behulpzaam met al deze afwegingen en bij het opstellen en registreren van de benodigde stukken.

Tip: laat een intentieverklaring registreren vóór 30 september als u de onderneming in een B.V. wilt inbrengen, of als u dat overweegt.

Terugwerkende kracht geruisloze inbreng in de BV: voor 1 oktober aktie ondernemen! [news] 2011-09-20 2011-09-20 2011-09-30 3363

Bedrijfsopvolging

In Nederland zijn circa 260.000 familiebedrijven. Uit een recent onderzoek van de Universiteit Nijenrode en het Economisch Bureau van ING blijkt dat voor een derde van de ondernemers de crisis een goed moment is om de onderneming over te dragen. Na het bereiken van de pensioenleeftijd is dat de belangrijkste reden voor overdracht. Men heeft daarbij een grote voorkeur voor de overdracht van het bedrijf binnen de familiekring.

Nieuws bedrijfsopvolging 2021 of 2022

De Bedrijfsopvolgingsregeling staat al jaren onder druk. De regeling wordt vermoedelijk per 2022 (of wellicht eerder) versobert. De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021) en de erf of schenkbelasting 20% (over eerste € 100.000 slechts 10%). De totale belastingdruk is normaal dus ongeveer 40%.

Door de bedrijfsopvolgingsregeling is de effectieve druk slecht 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) vrijgesteld en over het meerder zelfs 83%. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de heffing van de genoemde 4% naar 25 - 30%.

Waarom bedrijfsopvolging?

Een goede en succesvolle overdracht van de onderneming is niet eenvoudig. Uit het genoemde onderzoek blijkt vooral dat de juridische en fiscale complexiteit van de overdracht van de onderneming het grootste knelpunt vormen. In ruim een kwart van de gevallen is men niet tevreden over de kwaliteit van de adviezen. Opvallend daarbij is dat in 91% van de gevallen de eigen accountant de adviseur is die het traject moet begeleiden en er slechts in 37% van de gevallen voor een fiscalist / belastingadviseur wordt gekozen. Dat is opvallend en jammer! Enkel een goede samenwerking tussen de verschillende diciplines kan leiden tot een goed advies. Een accountant vanuit de cijfermatige kant, zoals het opstellen van een waardering, de notaris vanwege de zekerheid van een juiste juridische vormgeving en de bank in verband met de financiering. De fiscalist zal echter een centrale rol moeten spelen, omdat vanuit onze kennis en ervaring de opvolging op een fiscaal optimale wijze kan worden uitgevoerd. Zowel voor de overdrager als de opvolger is het van belang dat zowel het moment van belastingbetaling als de omvang van de belastingdruk worden geoptimaliseerd. En dat is ons vak.

Op onze website leest u veel over onze advisering en hoe u die kunt toepassen. Wij leren u en uw familie graag kennen, zodat wij u een advies op maat kunnen geven.

Steeds meer (familie)bedrijven blijven binnen de familie. Wij begeleiden regelmatig ondernemers en hun accountant bij het opzetten van een bedrijfsopvolging. In dit onderdeel treft u diverse artikelen aan.

Bedrijfsopvolging [news] 4184

Bij verhuur van onderneming wordt nog steeds aan voortzettingseis BOR voldaan

De schenk- en erfbelasting kent een vrijstelling in de vorm van een bedrijfsopvolgingsregeling (hierna: 'BOR'). Wordt een onderneming geschonken of nagelaten, dan wordt een groot deel van de verschuldigde schenk- of erfbelasting voorwaardelijk vrijgesteld. Eén van de voorwaarden is dat de onderneming die krachtens schenking of erfrecht wordt verkregen gedurende een periode van vijf jaar wordt voortgezet.

Een discussie die je daarbij zou kunnen voeren is of er sprake is van het voortzetten van een onderneming indien je de onderneming verhuurt aan een derde.

Hof ’s-Hertogenbosch heeft geoordeeld dat bij de verhuur van de onderneming – binnen de vijfjaarstermijn – nog steeds aan de voortzettingseis met betrekking tot de BOR wordt voldaan. Daarbij wordt eveneens niet van belang geacht dat na afloop van de vijfjaarstermijn voor de BOR, de onderneming wordt overgedragen aan de huurder. In dit artikel gaan wij in op de voorwaarden en vereisten van de BOR en schetsen wij kort het belang voor de praktijk van deze uitspraak.

Successiewet

Over de verkrijging van ondernemingsvermogen krachtens schenking of erfrecht is de verkrijger schenk- en erfbelasting verschuldigd. Om te voorkomen dat de heffing van deze belasting het voortbestaan van een onderneming in gevaar brengt - doordat liquide middelen aan de onderneming onttrokken zouden moeten worden om de belasting te kunnen betalen – is in de Successiewet 1956 de BOR opgenomen. De kern van de BOR is dat de schenk- en erfbelasting vanwege het belang van de onbelemmerde voortzetting van economische bedrijvigheid, geen bedreiging mag vormen voor reële bedrijfsoverdrachten. Onder de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) is het verkregen ondernemingsvermogen tot € 1.119.845 (2021) voor 100% vrijgesteld. Het surplus is voor 83% voorwaardelijk vrijgesteld. De vrijstelling is van toepassing mits wordt voldaan aan de bezitseis en voortzettingseis.

Het bezitsvereiste

Op grond van het bezitsvereiste moet de schenker het kwalificerende vermogen gedurende minimaal vijf jaar voorafgaande aan de schenking bezitten. Ook voor de erflater geldt een bezitseis, deze is beduidend korter, namelijk één jaar.

Het voortzettingsvereiste

De BOR is bedoeld om reële bedrijfsopvolgingen te faciliteren. Daarvan is geen sprake indien de verkrijger van de onderneming de onderneming direct na de verkrijging staakt of verkoopt. Hiervoor is in de wet het voortzettingsvereiste opgenomen.

De voorwaardelijke vrijstelling vervalt geheel of gedeeltelijk indien de verkrijger op enig tijdstip binnen vijf jaren na de verkrijging van het ondernemingsvermogen ophoudt uit de onderneming of uit een deel daarvan winst te genieten. Hierbij wordt aangesloten bij het materiële stakingsbegrip in de inkomstenbelasting. Voor toepassing van de inkomstenbelasting staakt een belastingplichtige deze onderneming als hij ophoudt winst uit onderneming te genieten, omdat hij niet langer kwalificeert als ondernemer in de zin van artikel 3.4 Wet IB 2001. Voor de voortzettingseis is van belang dat de verkrijger winst blijft genieten. Voor zover deze ophoudt winst te genieten, wordt niet meer aan het voortzettingsvereiste voldaan en wordt de vrijstelling ingetrokken.



De materiële en objectieve onderneming

De bedrijfsopvolgingsregeling is enkel van toepassing op materieel ondernemingsvermogen (beleggingsvermogen kwalificeert dus niet). In de zin van de hier bedoelde regeling dient te worden beoordeeld of sprake is van een objectieve onderneming aan de hand van het begrip onderneming in de Wet IB 2001.

Inkomstenbelasting

Ook de Wet op de inkomstenbelasting 2001 kent een BOR. Deze regeling hangt nauw samen met de hiervoor besproken bedrijfsopvolgingsfaciliteiten uit de Successiewet. De inkomstenbelasting kent nog als extra voorwaarde dat de verkrijger voor ten minste 36 maanden voorafgaand aan de overdracht in dienstbetrekking moet zijn geweest bij de onderneming of reeds maat of vennoot is geweest in de VOF, respectievelijk maatschap waarop de overdracht betrekking heeft. Met deze aanvullende eis wordt invulling gegeven aan de gewenste duurzame betrokkenheid van de verkrijger bij de onderneming die wordt overgedragen, zodat slechts reële bedrijfsopvolgingen worden gefaciliteerd.

Overdrachtsbelasting

Indien er sprake is van een bedrijfsopvolging binnen de familiesfeer, kent ook de overdrachtsbelasting hiervoor een vrijstelling. De wet stelt verkrijging door één of meerdere kinderen van onroerende zaken die behoren tot en dienstbaar zijn aan de onderneming vrij van de heffing van overdrachtsbelasting. Als voorwaarde wordt gesteld dat de verkrijger(s) de onderneming van de ondernemer, wat de bedrijfsvoering betreft, in haar geheel voortzet of voortzetten. In het kader van de voortzettingseis is hier geen termijn genoemd in de wet of de parlementaire geschiedenis. Deze vrijstelling is alleen van toepassing indien en voor zover er een materiële onderneming wordt gedreven.

Belang voor de praktijk

Het belang voor de praktijk in de recente uitspraak van hof ’s-Hertogenbosch zit hem in de mogelijkheden om gedurende de vijfjaarstermijn van het voortzettingsvereiste de onderneming reeds door een derde partij te laten drijven. Hierdoor is de bedrijfsopvolger niet op dagelijkse basis verantwoordelijk bij de onderneming, doch kan wel gebruik worden gemaakt van de BOR. Uit de procedure blijkt wel dat een en ander op de juiste wijze vormgegeven dient te worden.

Tot besluit

Heeft u naar aanleiding van dit artikel nog vragen of wenst u zelf uw onderneming over te dragen? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact op met onderstaande adviseurs. Zij helpen u graag verder!

Voortzettingseis BOR en verhuur onderneming [news] 7202
Bedrijfsopvolging eenmanszaak vof [news] 2014-01-09

Bedrijfsopvolging eenmanszaak & VOF

Als u overweegt uw bedrijfsopvolging te verkopen of uit te treden uit een VOF, dan moet u hier eigenlijk al 5 jaar van tevoren over gaan nadenken. Het is belangrijk om een bedrijfsopvolging goed voor te bereiden en de hiervoor benodigde structuur nu al neer te zetten. Naast het feit dat een bedrijfsopvolging door een juiste structuur eenvoudiger kan verlopen, kunt u ook belasting besparen. Mits de structuur juist wordt opgezet, kunnen de meeste bedrijfsopvolgingen zonder heffing van belastingen plaatsvinden. De financiering van een bedrijfsopvolging of overname kan hierdoor eenvoudiger worden vormgegeven. Ook is het belangrijk dat u tijdig - in uw hoofd - gaat nadenken over uw vertrek, deze emotie wordt vaak vergeten. Conclusie: praat erover met uw accountant en schakel ook een specialist in.

De bedrijfsopvolging kan spelen bij ondernemers in de inkomstenbelasting en bij ondernemers in de B.V.-vorm. In dit onderdeel artikelen over de bedrijfsopvolging bij ondernemers voor de inkomstenbelasting, hierbij kunt u denken aan:

  • bedrijfsopvolging bij de eenmanszaak;
  • bedrijfsopvolging bij de VOF;
  • bedrijfsopvolging bij de maatschap;
  • bedrijfsopvolging bij de CV.

Inkomstenbelasting en bedrijfsopvolging

In de fiscale wereld spelen bij een bedrijfsopvolging (binnen de familie) de schenkbelasting en de inkomstenbelasting (box 1 of 2). De belasting kan worden voorkomen door gebruik te maken van de zogeheten bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF). Dit geldt dus voor eenmanszaken, vennootschappen onder firma, maatschappen en B.V.'s. In de inkomstenbelasting kan de heffing worden uitgesteld, er gelden wel voorwaarden:

  • U moet de onderneming minimaal 1 jaar in bezit hebben.
  • Er moet sprake zijn van een echte onderneming (geen beleggingen).
  • De persoon die de onderneming voortzet moet mede-ondernemer of werknemer zijn sinds de laatste 3 jaren (binnen de onderneming).
  • Bij vererving moeten de overnemers de onderneming ook gedurende een periode voortzetten.

Bedrijfsopvolging en geen echte onderneming

Als u een B.V. zou hebben waarbinnen deels een onderneming wordt uitgeoefend en deels wordt belegd, is het te overwegen om beide activiteiten via een juridische splitsing van elkaar te splitsen. Bij een dergelijke herstructurering kunt u het volgende meenemen:

  • pensioen in aparte entiteit;
  • vermogen in vrijgestelde beleggingsinstelling;
  • mede eigendom van uw partner;
  • beleggingsvermogen in aparte B.V.;
  • opzetten stichting voor toekomstige scheiding zeggenschap en eigendom;
  • opstarten van een familieplan om onduidelijkheden weg te nemen.

Quickscan voor bedrijfsopvolging

Wij maken regelmatig voor accountants en ondernemers een quickscan om te kijken of een bedrijfsopvolging binnen uw huidige structuur mogelijk is. Als u een offerte hiervoor zou willen, kunt u hier deze offerte aanvragen, binnen een paar dagen ontvangt u dan van ons een e-mail. De ervaring leert dat een quickscan altijd verbeterpunten oplevert. U kunt ook rechtstreeks met mij e-mailen of bellen.

Structuur bij een bedrijfsopvolging

De meest voorkomende structuur bij een bedrijfsopvolging in de B.V.-omgeving is de verkoop van een werkmaatschappij door een holding. De verkoop kan dan belastingvrij plaatsvinden, dit op grond van de deelnemingsvrijstelling. De structuur moet u tenminste 3 jaar voor de bedrijfsopvolging opzetten, dit op grond van fiscale wetgeving. De structuur kan worden gevormd via een geruisloze of ruisende inbreng van een eenmanszaak, vennootschap onder firma of maatschap welke dan wordt opgevolgd met bijvoorbeeld:

  • herstructurering of het uitzakken binnen fiscale eenheid (wachttermijn 6 jaar);
  • bedrijfsfusie;
  • juridische afsplitsing; 
  • aandelenruil.

Als u 1 B.V. zou hebben, dan kunt u hier belastingvrij en vrij eenvoudig een holdingstructuur van maken. Via een aandelenruil worden de aandelen in de werkmaatschappij verkregen door een nieuw op te richten holding (vrijstelling is geregeld in artikel 3.55 jo. artikel 4.41 lid 1 wet op de Inkomstenbelasting). Formeel is er dan geen wachttermijn van 3 jaar, het moet echter niet zo zijn dat u al een koper voor uw bedrijf heeft en / of het een samenstelling van rechtshandelingen is om belastingheffing te voorkomen. Via een aandelenruil is het lastig om een mogelijke lijfrente of een stamrecht in de holding onder te brengen.

Vragen over bedrijfsopvolging

Een bedrijfsopvolging kan via vele routes worden opgezet, één keuze of optie is niet te geven. Veel mensen zijn niet op de hoogte van de notariële en fiscale gevolgen van hun situatie en / of kiezen te laat voor de juiste structuur, dit is jammer.  

Wij bieden daarom altijd een vrijblijvend gesprek bij ons op kantoor aan. In dit gesprek controleren wij uw financiële situatie, uw testament of andere zaken zoals de statuten van uw B.V. etc. Als u al jaren geleden een testament heeft laten maken en uw inkomens-, vermogens- of gezinssituatie is gewijzigd, dan is de kans groot dat uw testament niet meer voldoet. Nog belangrijker is dat u de zaken beter kunt regelen en hiermee ook nog belasting kunt besparen en ruzies kunt voorkomen.

Als u vragen of opmerkingen heeft over de erfenis, het verwerpen van een erfenis, de inzage in een testament, de aangifte erfbelasting, etc., kunt u zonder verdere verplichtingen onderstaand vragenformulier invullen. 

Service van de notaris of fiscaal jurist

Soms willen cliënten liever een gesprek thuis, op hun bedrijf of in het weekend. Het maakt ons niets uit, dit regelen wij graag voor u. Als u aangeeft waar en wanneer u de bespreking zou wensen, dan houden wij hier rekening mee. 

0000-00-00 0000-00-00 4185
2014-01-09 0000-00-00 0000-00-00 4187 Jurisprudentie bedrijfsopvolging [news] 2014-01-09

Bedrijfsopvolgingsregeling en materiële onderneming

In een uitspraak van de rechtbank Arnhem d.d. 1 november 2012 kwam de bedrijfsopvolgingsregeling in het kader van de materiële onderneming aan de orde. Tevens heeft de rechtbank Arnhem - vrij uitgebreid - haar oordeel gegeven over de mogelijke discriminatie binnen deze regeling.

Feiten uit de uitspraak over de bedrijfsopvolgingsregeling

Op 16 oktober 2005 is de heer A overleden. Hij had een testament opgesteld, zijn echtgenote en zijn drie kinderen zijn erfgenaam. Tot de nalatenschap behoorden aandelen in X Onroerend Goed B.V. (hierna: de B.V.). Deze B.V. bezat 15 panden die in de periode 1989 tot en met 2003 met eigen geld zijn aangekocht. De panden worden verhuurd aan een derde. De kinderen kregen (via een legaat) de aandelen in de B.V. De vraag is: vormen de verhuurde panden een materiële onderneming of niet? De werkzaamheden bestonden uit: 

  • de aan- en verkoop van panden;
  • het zoeken van huurders;
  • het onderhouden van contacten met huurders;
  • het (laten) verbouwen van de panden;
  • het (laten) onderhouden van de panden;
  • het onderhouden van het dagelijkse contact met de aannemer;
  • het bekleden van bestuursfuncties in de verenigingen van eigenaren van de panden (hierna: de VVE);
  • het wijzigen van de bestemmingen van de panden;
  • het opstellen van huurovereenkomsten;
  • het kadastraal splitsen van de panden;
  • het oprichten van de VVE’s en het zorgen voor verdeelsleutels over de stemmen.

Geschil bedrijfsopvolgingsregeling en bedrijfspanden / onroerende zaken

Er wordt een beroep gedaan op de bedrijfsopvolgingsregeling zoals opgenomen in artikel 35b, tweede lid, sub b, juncto artikel 35c, eerste lid, van de Successiewet 1956 (hierna: de SW). Het beroep op deze regeling is door de Belastingdienst afgewezen, er is niet aannemelijk gemaakt dat de B.V. met haar vermogen een onderneming drijft, aldus de Belastingdienst.

Als deze vraag ontkennend wordt beantwoord, dan stellen de kinderen dat sprake is van strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel.

Rechter over de bedrijfsopvolgingsregeling en onroerende zaken

Is een B.V. met panden een onderneming die recht heeft op de bedrijfsopvolgingsregeling?

Ingevolge het genoemde artikel uit de successiewet (artikel 35b, tweede lid, aanhef en onderdeel b) kan de bedrijfsopvolgingsregeling worden toegepast als er aandelen worden verkregen in een B.V. welke een echte / materiële onderneming drijft. Het mag dus niet gaan om:

  • een lichaam waarvan de feitelijke werkzaamheid bestaat in het, onmiddellijk of middellijk, beleggen van vermogen of daarmee overeenkomende werkzaamheid, die behoorden tot een aanmerkelijk belang in de zin van afdeling 4.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

De rechter gaat er eens goed voor zitten en komt met een uitgebreide uiteenzetting. De rechtbank overweegt dat naar vaste jurisprudentie het volgende onderscheid kan worden gemaakt:

  • Een onderneming is een duurzame organisatie die erop is gericht met behulp van arbeid en / of kennis en veelal van kapitaal deel te nemen aan het maatschappelijke productieproces met het oogmerk om winst, dat wil zeggen baten die het normale rendement overstijgen te behalen.
  • Van normaal vermogensbeheer is niet langer sprake indien het rendabel maken van onroerende zaken mede geschiedt door middel van arbeid die de eigenaar van de onroerende zaken verricht en welke arbeid naar aard en omvang onmiskenbaar tot doel heeft het behalen van redelijkerwijs te verwachten voordelen uit de onroerende zaken, die het rendement bij een normaal vermogensbeheer te boven gaan (zie Hoge Raad 7 oktober 1981, nr. 20733, BNB 1981/299, Hoge Raad 17 augustus 1994, nr. 29.755, LJN ZC5731, BNB 1994/319 en Hoge Raad 9 oktober 2009, nr. 43.035, LJN BI0481, BNB 2010/117).

Volgens de rechter is bij de B.V. sprake van normaal vermogensbeheer en niet meer dan dat. De eiser / kinderen noemen allerlei dingen die zouden worden gedaan, maar dit wordt onvoldoende aangetoond. Tevens wordt onvoldoende aangetoond dat door de arbeid (onder meer van de heer A, de erflater) een hoger rendement is behaald dan bij normaal vermogensbeheer. Hierbij weegt de rechter ook mee:

  • De onroerende zaken zijn aangeschaft met eigen vermogen, wat wijst op beleggingsactiviteiten.
  • Overige werkzaamheden gaan een normaal vermogensbeheer niet te boven.
  • Van een bovengemiddelde waardestijging van de panden ten gevolge van de door erflater verrichte verbouwingen is niets gebleken.
  • Het wijzigen van de bestemming van de panden heeft betrekking gehad op slechts één pand.
  • Erflater's kennis van onroerende zaken was niet van dien aard dat hiermede een hoger rendement werd behaald. Erflater is nooit beroepsmatig werkzaam geweest op de vastgoedmarkt.
  • De omvang van alle werkzaamheden zijn volgens verweerder ook niet zodanig dat sprake is van een onderneming. De werkzaamheden dienen ieder voor zich te worden beoordeeld.
  • Er wordt geen onderbouwing gegeven van de activiteiten die worden verricht, ze worden wel genoemd maar daar blijft het ook bij.
  • Er is niet aannemelijk gemaakt dat de bedoelde activiteiten dermate frequent plaatsvonden en dermate omvangrijk en renderend waren, dat zij tot een hoger rendement dan bij een normaal vermogensbeheer hebben geleid.
  • Meeste werkzaamheden hadden een incidenteel karakter.

Conclusie: er is sprake van normaal vermogensbeheer, het duurzaamheidsvereiste ontbreekt en er is geen sprake van een materiële onderneming. Er is sprake van een beleggingsportefeuille in een B.V., niet meer dan dat.

Wordt het gelijkheidsbeginsel geschonden?

De kinderen proberen nog een andere route, namelijk dat op grond van het gelijkheidsbeginsel alsnog de aanslag op nihil moet worden vastgesteld, dit op grond van de bekende uitspraak van de Rechtbank op 13 juli 2012, nr. 11/5509, LJN BX3386, V-N 2012/43.20, waarin is geoordeeld dat op grond van dit beginsel de (voorwaardelijke) vrijstelling van de bedrijfsopvolgingsregeling ook op de verkrijging van privévermogen moet worden toegepast. De rechter gaat hier uitgebreid op in, zie hieronder de overwegingen: 

  • De rechtbank stelt voorop dat het vraagstuk of sprake is van gelijke gevallen dient te worden bezien vanuit de doelstelling van de regeling. Beoordeeld dient te worden met welke redenen de wetgever een eventueel onderscheid heeft gemaakt. Hierbij zij opgemerkt dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of voor de toepassing van artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM gevallen als gelijk dienen te worden beschouwd (HR 8 juli 2005, nr. 39.870, LJN AQ7212, BNB 2005/310). Het oordeel van de wetgever dient te worden geëerbiedigd tenzij het van redelijkheid is ontbloot (EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003/52.2). De wetgever kent een zogenoemde ‘wide margin of appreciation’ (EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398). De vraag die beantwoording behoeft, is of de wetgever deze ‘margin’ heeft overschreden bij het vormgeven van de bedrijfsopvolgingsregeling.
  • Ingevolge de artikelen 35b en 35c juncto 31a van de SW wordt op verzoek van de verkrijger de bedrijfsopvolgingsregeling toegepast, onder de voorwaarde dat het verkregen (ondernemings)vermogen gedurende een periode van ten minste vijf jaren rechtstreeks wordt voortgezet. Indien aan dit voortzettingsvereiste wordt voldaan, dan geldt een vrijstelling van zestig percent van het verkregen vermogen (wettekst 2005). Het vrijgestelde belastingbedrag wordt wederom op verzoek van de verkrijger geheven bij wege van conserverende aanslag.
  • Zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de hierboven beschreven bepalingen, is de bedrijfsopvolgingsregeling door de wetgever in het leven geroepen teneinde een (gedeeltelijke) oplossing te bieden voor die gevallen waarin bedrijfsopvolging na overlijden of schenking zou worden bemoeilijkt doordat over de verkrijgingen successie- of schenkingsrecht zou moeten worden voldaan. De wetgever achtte het vanuit algemeen sociaal-economisch belang onwenselijk dat een onderneming die overgaat door vererving moet worden gestaakt of geforceerd moet worden verkocht zonder dat de bedrijfsresultaten daar aanleiding toe geven, met als gevolg een verlies aan werkgelegenheid en economische diversiteit. De ondernemer is met andere woorden in zijn bestedingsmogelijkheden beperkt; het vermogen zit vast in de onderneming (zie MvT, Kamerstukken II 1997/1998, 25 688, nr. 3, blz. 7).
  • Gelet op de duidelijke bewoordingen van de wettelijke regeling en de bijbehorende wetsgeschiedenis heeft eiser, zoals hiervoor onder 4.5 is overwogen, geen recht op toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling, daar hij geen materiële onderneming heeft geërfd en deze ook niet kan voortzetten. Naar het oordeel van de rechtbank komt eiser ook op grond van het gelijkheidsbeginsel hiervoor niet in aanmerking. In het licht van de in ro. 4.7 genoemde jurisprudentie dient ter beoordeling van een mogelijke overschrijding van bevoegdheden specifiek te worden gekeken naar de redenen die de wetgever heeft gehad voor de invoering van de te toetsen regeling en het daarin gemaakte onderscheid. Uit de wetsgeschiedenis blijkt onmiskenbaar dat het doel van de bedrijfsopvolgingsregeling is het voorkomen van liquiditeitsproblemen bij ondernemingen als gevolg van de heffing van schenkings- of successierecht opdat het voortbestaan van de ondernemingen niet in gevaar komt. Bezien vanuit dat doel brengen erfrechtelijke verkrijgingen van ondernemings- en privévermogen verschillende risico’s met zich en zijn zij als zodanig niet te beschouwen als gelijke gevallen. Eiser loopt met de verkrijging van de aandelen in een B.V. waarin geen onderneming wordt gedreven en met de betaling van het successierecht eenvoudigweg niet dezelfde bestaansrisico’s als de toekomstig ondernemer die voor deze betaling mogelijkerwijs het ondernemingsvermogen moet aanwenden. De wetgever heeft met het maken van een onderscheid tussen de typen vermogens derhalve een gerechtvaardigd doel voor ogen gehad en heeft zijn ruime beoordelingsruimte niet overschreden (vergelijk Rechtbank Arnhem 25 maart 2010, nr. AWB 09/1750, LJN BX0548, NTFR 2012/1952, Hof Arnhem 22 maart 2011, nr. 10/00194, LJN BQ0618, V-N 2011/31.1.3, Hoge Raad 9 december 2011, nr. 11/02099, LJN BU6998, V-N 2012/6.4).
  • Ook voor het geval moet worden aangenomen dat sprake is van gelijke gevallen, dan wel van een disproportionele ongelijke behandeling van ongelijke gevallen, moet het beroep op het gelijkheidsbeginsel worden afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat voor het door de wetgever in het kader van de bedrijfsopvolgingsregeling gemaakte verschil in behandeling tussen vermogens en de gekozen uitvoeringswijze – te weten vrijstellingspercentages - een objectieve en redelijke rechtvaardiging welke samengevat betreft het stimuleren van ondernemerschap (zie hiervoor ro. 4.9). Daarbij heeft de wetgever om redenen van eenvoud en doelmatigheid mogen kiezen voor een generieke regeling, waarbij niet daadwerkelijk een vermogenstoets wordt aangelegd. Met die keuze heeft de wetgever nog niet zijn ruime beoordelingsmarge overschreden. Daartoe dient in de woorden van het EHRM Della Ciaja-arrest (zie ro. 4.7) immers sprake te zijn van een ‘manifestly illogical or arbitrary’ keuze, waarvan in de onderhavige regeling geen sprake is.

Conclusie bedrijfsopvolging en materiële onderneming

Als er een B.V. is met enkele onroerende zaken of niet duidelijk een materiële onderneming, moet u erfbelasting en box 2 heffing betalen als u komt te overlijden, dit kan zomaar 50% van het vermogen van de B.V. kosten (aan erfbelasting en inkomstenbelasting).

De bedrijfsopvolgingsregeling is een geweldige manier om de erfbelasting en box 2 heffing te voorkomen, deze regeling is door de overheid echter enkel opgesteld voor "echte bedrijven". Er komen steeds meer uitspraken waaruit volgt dat een beleggingsmaatschappij / B.V. met onroerend goed niet snel een materiële onderneming is. Als u zo'n B.V. heeft, laat u dan adviseren, de meest voor de hand liggende opties zijn:

  1. Materiële onderneming binnen de B.V. kopen (voorkeur: deze onderneming in het bedrijfspand vestigen).
  2. Activiteiten ontwikkelen in de B.V. (dus meer activiteiten voor de beleggingen zelf doen, bijvoorbeeld aannemersbedrijf kopen, etc.).
  3. Emigratie naar land zonder erfbelasting.

Vragen over de bedrijfsopvolgingsregeling?

Mailt of belt u mij gerust, een oriënterend gesprek bij ons op kantoor kan zonder verdere kosten plaatsvinden. 

Veel mensen zijn niet op de hoogte van de notariële en fiscale gevolgen van hun situatie. Dit komt doordat overlijden en financiële zaken liever niet worden besproken of omdat men denkt dat de adviseur (accountant / notaris / fiscaal jurist) er vast wel naar zal kijken. De bedrijfsopvolgingsregeling wordt vaak te laat of niet toegepast, terwijl deze ook tijdens leven kan worden uitgevoerd. De regeling is niet eenvoudig en kennis van zaken is nodig.

Wij bieden daarom altijd een vrijblijvend gesprek bij ons op kantoor aan. In dit gesprek controleren wij uw financiële situatie, uw testament of andere zaken zoals de statuten van uw B.V. etc. Als u al jaren geleden een testament heeft laten maken en uw inkomens-, vermogens- of gezinssituatie is gewijzigd, dan is de kans groot dat uw testament niet meer voldoet. Nog belangrijker is dat u de zaken beter kunt regelen en hiermee ook nog belasting kunt besparen en ruzies kunt voorkomen.

0000-00-00 0000-00-00 4188

Bedrijfsopvolging en CV-structuur

Er komt een moment in het leven van u als ondernemer dat u het bedrijf moet overdragen, en dan vaak aan de kinderen. Zowel financieel als emotioneel is dat een grote stap. Uit onderzoek blijkt dat men in meer dan 25% van de gevallen ontevreden is over de advisering. Wellicht omdat niet alle mogelijkheden benut zijn of omdat men niet alle consequenties vooraf goed kon overzien of er op is gewezen.

Het overdragen van uw eenmanszaak kan eenvoudig worden gerealiseerd door de onderneming te verkopen aan de zoon of dochter, eventueel gevolgd door het kwijtschelden van de koopsom. Dit kan al dan niet fiscaal geruisloos. Elders op deze website meer hierover.

Een fraaie vorm om uw eenmanszaak over te dragen is het aangaan van een Vennootschap onder Firma (VOF) of een commanditaire vennootschap (CV) met uw opvolger. Over deze laatste en over de voordelen daarvan gaat dit artikel.

Bedrijfsovername via Commanditaire Vennootschap (CV)

Bij een CV blijft u betrokken bij de zaak. Uw ondernemingsvermogen blijft als commanditair kapitaal in de onderneming en het aantrekken van extra financiering is derhalve niet direct nodig. Dat is in deze tijd wel zo prettig. U staakt uw onderneming niet, dus fiscaal rekent u niet af over zaken als goodwill, stille reserves in activa en fiscale reserves, zoals FOR. Ook is er geen sprake van desinvesteringsbijtelling. In tegenstelling tot het overdragen tegen een vordering op de opvolger (zoals zo vaak gebeurt) blijft uw vermogen in de ondernemingssfeer. Een onverhoopt verlies blijft dan fiscaal aftrekbaar. Een vordering op de opvolger in box 3 is dat niet, tenzij er sprake is van een zogenaamde ongebruikelijke  terbeschikkingstelling, maar dit terzijde. Uw aansprakelijkheid gaat als commandiet niet verder dan hetgeen u in de CV heeft ingebracht. In een gewone VOF bent u hoofdelijk aansprakelijk.

Als commandiet geniet u winst uit onderneming, maar bent u geen ondernemer in de zin van de faciliteiten voor ondernemers. U geniet alleen de MKB winstvrijstelling. Uw winstaandeel, bestaande uit een vergoeding voor uw kapitaal (waarde van hetgeen u heeft ingebracht, inclusief de voorbehouden stille reserves) is dan toch lager belast! U kunt er overigens voor kiezen een gedeelte van de activa (bijvoorbeeld het bedrijfspand) buiten de inbreng in de CV te houden en te verhuren aan de CV.

Na verloop van tijd kunt u op een geschikt moment uw aandeel in de CV doorschuiven aan de opvolger, de beherend vennoot, en pas dan is de overdracht voltooid. Deze overdracht is een staking en leidt tot stakingswinst. Hierop zijn de faciliteiten van de geruisloze doorschuiving en de stakingswinstlijfrente van toepassing. Deze mogelijkheden worden elders op de site verder uiteengezet.

Kort samengevat de voordelen van de CV voor de bedrijfsopvolging in het familiebedrijf:

  • geen fiscale afrekening;
  • geen overdracht dus geen directe financiering door de opvolger;
  • beperking aansprakelijkheid tot bedrag inbreng;
  • ondernemingsvermogen dus mogelijkheid afwaardering;
  • MKB winstvrijstelling;
  • latere (geruisloze) doorschuiving mogelijk;
  • gevoelsmatig nog meer betrokken, ook naar relaties.
[news] 2014-01-09 0000-00-00 0000-00-00 4189

Rechtspraak over bedrijfsopvolging

In dit onderdeel diverse rechtspraken over de bedrijfsopvolgingsfaciliteit.

Rechtspraak over bedrijfsopvolging [news] 2014-01-27 0000-00-00 0000-00-00
Jongbloed laat starters niet wachten [news] 2014-02-01

Startende ondernemers bij ons altijd welkom!

Wij zijn als fiscaal adviseur graag bereid om startende ondernemingen op weg te helpen door het mijnenveld van de fiscale regelgeving. De Belastingdienst adviseert starters ook, maar alleen bij voldoende belangstelling.

Bijeenkomsten Goede start Belastingdienst / KvK afgelast

Op zaterdagochtend 1 februari meldt de Twentsche Courant Tubantia dat de Belastingdienst starters laat  wachten. Een informatiebijeenkomst voor 17 startende ondernemers is afgelast omdat er te weinig belangstelling voor de bijeenkomst was. In de ogen van de Belastingdienst welteverstaan. De ondernemers zijn hierover, zo lezen we in de Tubantia, boos. En terecht.

Starters hebben deze kennis hard nodig, willen graag voortvarend van start en zien dit soort zaken als een ongewenst oponthoud. Lees hier het hele artikel.

Wij helpen u verder

Wij helpen deze 17 starters graag verder. En andere starters natuurlijk ook. Niet in een bijeenkomst met een minimaal aantal deelnemers, maar gewoon individueel. Op een moment dat het u uitkomt, dus ook na kantoortijd. Startende ondernemers zijn bij ons welkom, voor een goede start. Wij besteden daarbij aandacht aan aspecten als:

  • Formaliteiten startende onderneming
  • Omzetbelasting en loonheffingen
  • Wijzigen / aanvragen voorlopige aanslagen
  • Rechtsvormkeuze (B.V. of niet)
  • Overeenkomsten en contracten
  • Financiering en zekerheden
  • Personeel
  • Opstellen huwelijkse voorwaarden en aanpassen testament

Wilt u een afspraak maken voor een vrijblijvend gesprek? Of wilt u eerst telefonisch overleg? Neemt u dan contact met ons kantoor op.

0000-00-00 0000-00-00 4202

Uw B.V. en de bedrijfsopvolging: cumulatief preferente aandelen

Een derde van de familiebedrijven wil de zaak verkopen. Dat blijkt uit een onderzoek gehouden onder ondernemers in 2013. Veel van deze familiebedrijven worden in de vorm van een B.V. (besloten vennootschap) uitgeoefend.  Er zijn diverse manieren om uw onderneming over te dragen. In dit artikel behandelen wij een overdracht met behulp van cumulatief preferente aandelen. Aandelen simpelweg overdragen, al dan niet tegen schuldigerkennig, kan ook. Deze variant wordt hier beschreven.

Nieuws bedrijfsopvolging 2021 of 2022 

De Bedrijfsopvolgingsregeling staat al jaren onder druk. De regeling wordt vermoedelijk per 2022 (of wellicht eerder) versobert. De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021) en de erf of schenkbelasting 20% (over eerste € 100.000 slechts 10%). De totale belastingdruk is normaal dus ongeveer 40%.

Door de bedrijfsopvolgingsregeling is de effectieve druk slecht 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) vrijgesteld en over het meerder zelfs 83%. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de heffing van de genoemde 4% naar 25 - 30%.

Bedrijfsopvolging met cumulatief preferente aandelen

Als voorbeeld nemen we een eenvoudige structuur van een holding (van vader) en een werkmaatschappij, waarin de onderneming wordt gedreven. De opvolger, in dit geval de dochter, wil de zaak voortzetten. 

Een succesvolle bedrijfsopvolging kan worden gerealiseerd door het geheel of gedeeltelijk omvormen van de bestaande aandelen van de werkmaatschappij in cumulatief preferente aandelen (hierna: cumprefs) in combinatie met uitgifte van gewone aandelen aan de persoonlijke holding van de opvolgers.

De waarde en het rendement van de onderneming blijven dan bij de Holding B.V. van vader, de toekomstige waardestijging en de overwinsten komen dan toe aan (de B.V.’s van) de dochter. Ook financieringstechnisch gezien is dit een elegante oplossing, want er hoeft niet te worden betaald bij de uitgifte van de gewone aandelen. Deze zijn immers bij aanvang niets waard. Voor de omzetting van de aandelen in de werkmaatschappij is een statutenwijziging noodzakelijk. Daarvoor moet de notaris worden ingeschakeld.

De B.V. van vader houdt, na omzetting (naast eventuele gewone aandelen) de cumulatief preferente aandelen. Over de waarde van deze aandelen wordt een (primair) dividend uitgekeerd.

Het dividend kan jaarlijks worden uitgekeerd of 'rentedragend' worden bijgeschreven bij vader's Holding B.V. Over het eventueel bijgeschreven dividend dient in de toekomst dan weer het preferente dividend te worden berekend. Na verloop van tijd kunnen de aandelen van de werk-B.V. worden ingekocht, of kunnen de aandelen worden overdragen aan de holding van dochter.

Als bij de inkoop van deze aandelen externe financiering benodigd is, biedt deze structuur het voordeel dat de financiering op het niveau van de werkmaatschappij plaatsvindt. Hierdoor is de fiscale verrekening van de rentelast in beginsel geen probleem.

Afstemming fiscus

In het geval van overdracht binnen de familiesfeer zal de fiscus kritisch toezien op de zakelijkheid van de omzetting. Er moet worden voorkomen, dat er door de omzetting goodwill en / of stille reserves naar de opvolger verschuiven. Ook dient het dividendpercentage op de cumprefs zakelijk te zijn. Dit vergt afstemming met de Belastingdienst.

De Belastingdienst pleegde akkoord te gaan met een preferent dividend dat is gebaseerd op de rente op staatsobligaties met een geringe opslag. Vaak werd in de praktijk bij de 7% aangesloten die ooit in een (overigens niet van toepassing zijnd) besluit is genoemd. Vaak wordt nu een hoger primair dividend geëist.

Voorwaarden

De door de fiscus gestelde voorwaarden zijn:

  1. De gewone aandelen worden bij statutenwijziging omgevormd tot cumulatief preferente aandelen.
  2. De aan de om te zetten gewone aandelen verbonden zichtbare en stille winstreserves, alsmede goodwill worden toegerekend aan de preferente aandelen. Hiertoe worden in de jaarrekening en in de statuten afzonderlijke reserves gecreëerd.
  3. De preferente aandelen geven recht op een zakelijke vergoeding voor het ter beschikking stellen van vermogen (primair dividend).
  4. Indien in enig jaar in plaats van een werkelijke dividenduitkering een bijschrijving plaatsvindt op de aan de preferente aandelen verbonden winstreserverekening, bestaat in de daaropvolgende jaren ook recht op het vastgestelde percentage primair dividend over deze bijschrijving.
  5. Indien in enig jaar een verlies wordt afgeboekt op de aan de preferente aandelen verbonden winstreserverekening, wordt, als in een later jaar winst wordt gemaakt, een gelijk bedrag weer bijgeschreven op deze winstreserverekening.
  6. Bij liquidatie van de vennootschap worden de aan de preferente aandelen verbonden winstreserves uitgekeerd aan de houder van de preferente aandelen.

Toepassing bedrijfsopvolgingsfaciliteiten

Het prettige voordeel van het werken met cumprefs boven een gewone overdracht van aandelen is, dat bij de cumprefs de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten blijven bestaan ten aanzien van de aandelen met een vastgestelde waarde. Deze aandelen kunnen dus desgewenst ooit worden geschonken aan de opvolgers. Of ze gaan bij vererving over. Let op dat hier wel voorwaarden aan zijn gesteld:

  • De preferente aandelen vormen een omzetting van een eerder door de erflater of schenker gehouden aanmerkelijk belang van gewone aandelen.
  • De omzetting tot preferente aandelen is gepaard met het toekennen van gewone aandelen aan een ander (hier: de dochter). Door de Staatssecretaris is aangegeven dat hieraan ook is voldaan als van de door de overdrager gehouden gewone aandelen slechts een deel van de aandelen wordt omgezet in preferente aandelen en de rest van de aandelen overgaat naar de opvolger.
  • Ten tijde van de omzetting tot preferente aandelen dreef de vennootschap waarop de omgezette aandelen betrekking hadden een "echte" onderneming.
  • De verkrijger van de preferente aandelen is reeds voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder van gewone aandelen.
  • De verkrijging van indirect gehouden preferente aandelen, dus via een personal holding B.V. van vader, kan eveneens voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in aanmerking komen, omdat deze preferente deelneming als ondernemingsvermogen kan worden beschouwd voor zover dit ten tijde van de verkrijging betrekking heeft op ondernemingsvermogen in de werkmaatschappij.
[news] 2014-02-03 0000-00-00 0000-00-00 4206

Uw bedrijfspand en de bedrijfsopvolging

Bij een overdracht van een onderneming neemt een bedrijfspand een bijzondere positie in. Niet alleen vanwege de veelal hoge waarde en de mogelijk daarop rustende financiering, maar ook vanwege de fiscale gevolgen van overdracht. Moet het pand mee worden overgedragen, of blijft het als appeltje voor de dorst bij de overdrager achter? Wat zijn de mogelijkheden met betrekking tot de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten?

Een advies over uw bedrijfspand is maatwerk, maar in dit artikel geven wij een paar voorbeelden van veelvoorkomende situaties.

Privé-onderneming of samenwerkingsverband:

  • Pand is (gedeeltelijk) privévermogen
  • Pand in  verplicht ondernemingsvermogen

B.V. structuur:

  • Pand in de werkmaatschappij
  • Pand in vastgoed B.V.
  • Pand privé: terbeschikkingstelling
  • Pand privé: box 3

Binnenkort leest u hier meer over dit onderwerp.

2014-02-04 0000-00-00 0000-00-00 4207

Bedrijfsopvolging en rechtsvorm

Vooral bij een bedrijfsovername is het de vraag welke rechtsvorm passend is. Moet u kiezen voor een eenmanzaak, een B.V. of is er sprake van een samenwerkingsverband? Een belangrijke keuze. Niet alleen vanwege de fiscaliteit, maar ook vanwege aansprakelijkheid. Ook kunnen commerciële aspecten een rol spelen.

Vaak is voor een starter een in privé gedreven onderneming wel aantrekkelijk, vanwege de faciliteiten voor starters. Daarna is inbreng in een rechtspersoon (B.V. of N.V.) altijd mogelijk. Ook zonder tussentijdse fiscale afrekening. De rechtsvorm waarin de overdrager zijn onderneming heeft uitgeoefend speelt een rol, maar is niet altijd van overwegend belang. In dit artikel geven we een overzicht van de diverse opties, met elk hun eigen voordelen en nadelen.

Eenmanszaak, maat in de maatschap of firmant in een VOF

Voor starters graag een voor de hand liggende keuze. Een onderneming starten als ondernemer voor de inkomstenbelasting, bijvoorbeeld als ZZP'er of vrije beroepsbeoefenaar. Of in een samenwerkingsverband met een overdrager, als eerste aanzet naar een bedrijfsopvolging. Fiscaal levert dit vaak het meest optimale resultaat, omdat u als ondernemer (mits u voldoet aan het urencriterium en 1.225 uur werkt in de onderneming) gebruik kunt maken van diverse facilteiten voor ondernemers, zoals de MKB-winstvrijstelling, zelfstandigenaftrek, investeringsaftrek, willekeurige afschrijvingen en de oudedagsreserve.

Wanneer overstappen naar de B.V.?

Wij rekenenen graag voor u uit, wanneer het fiscaal beter is om uw onderneming om te zetten in de B.V., maar daarvoor moet u een behoorlijke winst behalen. Waar het omslagpunt precies ligt is afhankelijk van diverse factoren, zoals uw aftrekposten en het salaris dat u moet gaan genieten. 

U hoeft als IB-ondernemer geen salaris te genieten en dus geen rekening te houden met de regels van het gebruikelijk loon. Als de voortekenen ons niet bedriegen, worden deze regels ook nog aangescherpt in 2015. U mag nu nog binnen een 30% bandbreedte zitten van wat gebruikeljk is, vanaf 2015 zal dat waarschijnlijk 10% worden.

2014-02-04 0000-00-00 0000-00-00 4208

Bedrijfsopvolging? Is uw testament wel op orde?

Om onnodige fiscale afrekening te voorkomen, is het goed om af en toe te beoordelen / bezien of uw testament op orde is voor een goede bedrijfsoverdracht. Een testament heeft een beperkte houdbaarheid, vijf jaar is al redelijk oud. Mocht u geen testament hebben, dan wordt het ook de hoogste tijd om dat te doen.

In de praktijk constateren we dat het vaak fout gaat als de onderneming of de aandelen niet door de beoogde voortzetter van de onderneming worden verkregen, maar bijvoorbeeld door de langstlevende echteno(o)t(e). Uiteindelijk komt het wel goed, maar de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten kunnen dan niet direct worden benut. 

Checklist ondernemerstestament

  1. Is er een testament opgesteld?
  2. Wanneer is het testament opgemaakt en door welke notaris?
  3. Bent u getrouwd in gemeenschap van goederen of op huwelijkse voorwaarden?
  4. Is er nagedacht over een directeur bij overlijden van de ondernemer?
  5. Wie is de beoogde bedrijfsopvolger voor het bedrijf?
  6. Is er een volmacht verstrekt aan iemand die hierdoor het bedrijf kan voortzetten?
  7. Wie moet na overlijden de aandelen of eigendom van de onderneming verkrijgen?
  8. Welke aandelen verkrijgt de opvolger, de werkmaatschappij(en) en / of de holding?
  9. Is er een overlijdensrisicoverzekering afgesloten (bij pensioen in eigen beheer)?
  10. Hoe moeten de aandelen gewaardeerd worden?
  11. Moeten de aandelen per direct of in termijnen worden betaald?
  12. Is het wenselijk dat de aandelen nu al gecertificeerd worden?
  13. Is er sprake van onroerend goed in de holding?
  14. Is het wenselijk dat bepaalde werknemers ook een aandelenpakket krijgen, zo ja tegen welke prijs?
  15. Naar wie gaat de woning en inboedel?
  16. Is er binnen het (familie)bedrijf een opvolgingsplan?
  17. Is een vruchtgebruikstructuur wenselijk?
  18. Moet er een bewindvoerder worden benoemd?
  19. Is een voogd wenselijk?
  20. Is een executeur voor het bedrijf en / of de privézaken wenselijk?
  21. Is een leventestament te overwegen? 
  22. Wie zijn erfgenamen en / of wie krijgt er een legaat?
  23. Moeten bepaalde mensen of kinderen niets of zo weinig mogelijk krijgen?
  24. Is een tweetrapsmaking te overwegen?
2014-02-04 0000-00-00 0000-00-00 4210

Waardering van een onderneming of B.V.

Bij een bedrijfsopvolging of bedrijfsoverdracht moet de onderneming of de aandelen van de B.V. gewaardeerd worden. Voor de waardering van een onderneming bestaan verschillende methoden. Het waarderen van ondernemingen is lastig en erg afhankelijk van:

  • de toekomst van uw bedrijf en de bedrijfscyclus;
  • de winstverwachtingen van uw bedrijf in de toekomst;
  • stille reserves in activa;
  • de potentiële koper en diens wensen en eisen;
  • de goodwill binnen uw bedrijf;
  • de rechten, patenten, octrooien binnen uw bedrijf;
  • de afhankelijkheid van de persoon van de ondernemer;
  • de mogelijkheden om de cijfers te normaliseren, etc.

Er is niet één methode om uw bedrijf te waarderen. In dit artikel worden diverse methoden toegelicht. Welke methode in uw situatie de juiste is, zal afhangen van uw bedrijf, de branche en de intenties van de koper. Elke berekening is slechts een indicatie of richtsnoer om te komen tot een uiteindelijke waarde van uw onderneming of aandelen in een B.V. Laten we zeggen dat de waardeberekening van uw bedrijf een startpunt voor onderhandelingen is. De uiteindelijke koopprijs kan ook nog hoger zijn als de koopsom niet direct kan worden betaald, deze optie zien we de laatste tijd steeds vaker.

Is uw bedrijf klaar voor bedrijfsopvolging? 

Overweeg eens een fiscale scan van uw bedrijf. Wij toetsen uw bedrijf op meer dan 100 adviesonderdelen.  Hierbij bekijken wij of u gebruik maakt van alle fiscale regels en uw bedrijf klaar is voor een mogelijke bedrijfsopvolging. Ook kijken wij naar:

  • Maakt u optimaal gebruik van de fiscale wetgeving ?
  • Is uw structuur en rechtsvorm op orde?
  • Uw positie als ondernemer/DGA t.o.v. van uw prive situatie.
  • Continuiteit, verkoop, bedrijfsopvolging op orde.
  • Optimalisatie van uw fiscale positie.
  • Check inzake mogelijk boekenonderzoek, wat zijn de risico's?
  • Loonheffingen en onkostenvergoedingen optimaal?

Stuur een e-mail voor een vrijblijvende offerte.

Waardering onderneming volgens intrinsieke waarde

Vaak wordt er gesproken over de intrinsieke waarde van een onderneming of B.V. Dit is de waarde volgens de balans van de onderneming of B.V., dus feitelijk het zichtbaar eigen vermogen van de onderneming of B.V. Voor de intrinsieke waardeberekening moet een balans worden opgesteld waarop de activa en passiva gewaardeerd worden tegen de werkelijke waarde (actuele waarde). U moet dus rekening houden met de stille reserves in activa. U moet op deze balans ook rekening houden met de in de toekomst over de boekwinst te betalen belastingen (de zogenaamde latente belastingen). Voorbeeld:

Balans volgens accountant:

Activa: pand € 100.000 en voorraad € 25.000.

Passiva: eigen vermogen € 100.000 en schuld bank € 25.000.



Balans bij werkelijke waarde:

Activa: pand € 200.000 en voorraad € 50.000.

Passiva: eigen vermogen € 200.000 en schuld bank € 25.000 en latente belastingen € 25.000 (ong. 20% stille reserves).

De intrinsieke waarde van de vennootschap bedraagt dan € 200.000.

Waardering onderneming volgens rentabiliteits- en rendementswaarde

Bij de waardering van een onderneming of B.V. volgens de rendementswaarde wordt de waarde van een onderneming bepaald op basis van de contante waarde van de te verwachten dividenden. Deze berekeningswijze wordt vaak gebruikt bij de berekening van de waarde van een onderneming of B.V. als er sprake is van kleinere aandelenpakketten.

Bij de waardering van een onderneming of B.V. volgens de rentabiliteitswaarde is de waardering gestoeld op de contante waarde van de in de toekomst te verwachten winsten. Voor een dergelijke berekening is een prognose nodig voor de eerstkomende 3 tot 5 jaren. Deze prognose moet haar rechtvaardiging vinden in historische cijfers en overige gegevens. Hierbij mag de winst worden genormaliseerd (incidenten en zaken die na de overname niet meer relevant zijn kunnen uit de winst worden gehaald).

Waardering onderneming volgens discounted-cashflow-methode

De discounted-cashflow-methode (DCF) kent meerdere varianten en is een complexe berekeningsmethode. In de praktijk wordt meestal gebruik gemaakt van de Weighted Average Cost of Capital Methode (WACC). Bij de DCF-methode wordt gerekend met de toekomstige vrije kasstromen. Voor een dergelijke berekening is wederom een prognose nodig (zie hiervoor), maar deze prognose moet nog meer details bevatten (omzet, kosten, investeringen, desinvesteringen, rentebetalingen, etc.).  Per jaar wordt vervolgens bepaald welke kasstroom aan de aandeelhouder zou toekomen. De waarde van de onderneming of B.V. is dan gelijk aan de contante waarde van de toekomstige vrije kasstromen, hierbij wordt als disconteringsfactor de WACC gebruikt. Deze WACC is ongeveer gelijk aan de gewogen kostenvoet van het vermogen van de onderneming of B.V. waarbij uitgegaan wordt van een gewenste verhouding tussen eigen en vreemd vermogen, al met al hogeschool berekenen.

Waardering onderneming volgens gewogen gemiddelden

Niet elke methode is altijd even goed toe te passen, er wordt dan ook vaak voor gekozen om verschillende berekeningen te maken om te kijken of deze ongeveer tot dezelfde waarderingen komen. Vervolgens wordt er een gemiddelde genomen. Hierbij komt het in de praktijk ook voor dat een berekening die beter bij uw bedrijf past zwaarder wordt gewogen. Ook worden prognoses die dichter bij het heden liggen zwaarder in de berekening betrokken.

[news] 2014-02-04 0000-00-00 0000-00-00 4212

Opvolgingsfaciliteit voor ondernemers

Als uw bedrijf wordt gestaakt, verkocht of geschonken, liggen er diverse fiscale claims op de loer. Deze claims kunnen (deels) worden voorkomen of uitgesteld. Hoe dat in zijn werk gaat, leest u hieronder in de korte samenvatting van de huidige faciliteiten.

Fiscale gevolgen bedrijfsopvolging

In de situatie dat de in privé gedreven (IB-)onderneming wordt overgedragen, moet gewoonlijk worden afgerekend met inkomstenbelasting. Bij verkoop van aandelen van uw B.V. in de aanmerkelijk belangsfeer (AB) moet u 25% belasting afrekenen over de aanmerkelijk belangwinst. Bij een overgang daarna van het (netto) vermogen naar uw kinderen door schenking of bij overlijden is er ook nog eens minimaal 10%, en maximaal 20% erfbelasting verschuldigd. Dit kan al met al vervelende gevolgen hebben voor uw humeur en de continuïteit van uw onderneming. Het is immers een tussentijdse fiscale afrekening die in de praktijk vaak heel slecht uitkomt.

Teneinde de overdracht van uw onderneming naar bijvoorbeeld uw kinderen fiscaal geruisloos te laten verlopen en zo de continuïteit niet in gevaar te brengen, zijn er enkele bedrijfsopvolgingsfaciliteiten, die hieronder kort uiteen worden gezet.

Inkomstenbelasting

1. Doorschuiven IB-onderneming

Een ondernemer kan zijn onderneming geruisloos doorschuiven aan een medeondernemer die tenminste gedurende drie jaar als medeondernemer of als werknemer in de onderneming heeft gewerkt. De voortzetter gaat dan verder met de boekwaarden van de overdrager en neemt de fiscale claim ook over. Voor de liefhebbers: artikel 3.63 van de wet IB 2001. De koopsom kan aan de overdrager worden uitbetaald of door de overdrager aan zijn opvolger worden kwijtgescholden. De fiscale oudedagsreserve (FOR) kan alleen naar de partner worden doorgeschoven.

2. Doorschuiven IB-onderneming bij overlijden

Bij overlijden, ziekte en arbeidsongeschiktheid en enkele andere omstandigheden geldt de termijn van drie jaar niet en is de doorschuiffaciliteit direct van toepassing.

3. Doorschuiving van aanmerkelijk belang bij overlijden

Bij overlijden van de aanmerkelijkbelanghouder wordt er geen aanmerkelijk belang geheven bij overgang onder algemene titel (erven) of bijzondere titel (legaat) als voldaan wordt aan de volgende eisen:

  • de vennootschap drijft een onderneming (en is dus geen belegger) of is medegerechtigde;
  • de aandelen vormen geen aanmerkelijk belang op grond van de meetrekregeling;
  • de aandelen vormen geen ondernemingsvermogen;
  • een verkrijging bij legaat moet binnen twee jaar na overlijden plaatsvinden.

Het gedeelte van de overdrachtsprijs dat aan het vermogen van de onderneming is toe te rekenen, vermeerderd met 5% van het beleggingsvermogen, wordt zonder heffing doorgeschoven naar de erfgenamen / legataris (artikel 4.17a Wet IB 2001).

Voor preferente aandelen gelden aanvullende voorwaarden. Er moet onder meer sprake zijn van een eerdere omzetting van gewone aandelen, waarbij gewone aandelen aan een ander zijn uitgegeven. Zoals bij een gewone bedrijfopvolging dus.

4. Doorschuiving van aanmerkelijk belang bij schenking van aandelen

Schenking van aandelen aan de opvolger kan ook al bij leven. Daarvoor gelden dezelfde eisen als hierboven onder 1 tot en met 3 genoemd. Daarnaast geldt echter de aanvullende eis dat de verkrijger al sinds drie jaar bij de vennootschap waarvan de aandelen worden geschonken in dienstbetrekking is.

Eén en ander lijkt eenvoudig, maar is in de uitvoering redelijk complex en vereist dus de nodige planning.

Schenk- en erfbelasting

Hierboven hebben wij in het kort de inkomstenbelastinggevolgen van doorschuiving van ondernemingsvermogen besproken. Indien er ondernemingsvermogen wordt geschonken, heeft dit ook nog eens consequenties voor de schenk- en erfbelasting.

Schenken van vermogen door ouders aan kinderen kost, afgezien van vrijstellingen 10% over de eerste € 118.708 (bedragen 2011), over het meerdere wordt 20% geheven. Bij kleinkinderen is het tarief 80% hoger, derhalve 18% en 36%.

Bij een bedrijfsoverdracht kan onder voorwaarden gebruik worden gemaakt van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten. Vanaf 1 januari 2010 geldt een forse vrijstelling voor ondernemingsvermogen. Over een waarde van € 1.000.000 is helemaal geen erf- of schenkbelasting verschuldigd, daarboven is 83% vrijgesteld. Als er dan toch nog over de resterende 17% belasting is verschuldigd, kan daarvoor rentedragend uitstel worden verleend.

Voor de onderstaande ondernemingsgerelateerde vermogensbestanddelen kan van deze faciliteit gebruik worden gemaakt:

  • de IB-onderneming;
  • een medegerechtigdheid;
  • de aanmerkelijk belangaandelen van uw B.V. of N.V.;
  • onroerende zaken die onder de TBS-regeling vallen.

Er moet sprake zijn van een reële bedrijfsopvolging. Als voorwaarde geldt daarbij een bezitseis en een voortzettingseis.

De bezitseis bij overlijden houdt in, dat de erflater de hierboven genoemde onderneming al tenminste één jaar dreef, de aandelen of andere kwalificerende vermogensbestanddelen al één jaar had. Bij schenking bij leven geldt een termijn van vijf jaren.

De voortzettingseis geldt ten aanzien van de erfgenaam of begunstigde, deze moet de onderneming vijf jaar voortzetten of de aandelen vijf jaar houden. Gebeurt dat niet, dan vervalt de vrijstelling alsnog.

Samenvatting

Er zijn zeer interessante regelingen voor bedrijfsoverdracht in de inkomstenbelasting en de schenk- en erfbelasting. Er kunnen grote fiscale voordelen behaald worden. Vanzelfsprekend is de praktijk vaak veel weerbarstiger dan de theorie, zodat u zich tijdig en goed moet laten adviseren. Dit soort advisering moet dus vroegtijdig worden opgestart en zorgvuldig gepland. Wij zijn u daarbij graag van dienst. Samen met bijvoorbeeld uw eigen notaris en accountant kunnen wij tot een afgewogen advies komen.

Schema BOF BezitsperiodeDienstbetrekkingVoorzettings-Fiscaal Beleggings-
   erflater / schenkerverkrijgervereistegevolgvermogen max.
Aanmerkelijk belangSchenkengeen36 maandgeenuitstel5%
  Overlijdengeengeengeenuitstel5%
Winst uit ondernemingSchenkengeen36 maandgeenuitstelVermogens-
TBS vermogenOverlijdengeengeengeenuitsteletikettering
Schenk- en erfbelastingSchenken5 jaargeen5 jaarafstel5%
  Overlijden1 jaargeen5jaarafstel5%

Actueel: de bedrijfsopvolgingsregeling heeft de aandacht!

Door alle commotie die de uitspraak van het Gerechtshof in de Den Bosch heeft opgeleverd over de discriminerende werking van de BOR heeft Staatssecretaris Wiebes aangekondigd nog eens goed te kijken naar de regelingen. En met kijken bedoelt hij of de regelingen (die ondanks het feit dat de Hoge Raad de uitspraak van het Hof Den Bosch heeft vernietigd) de overheid veel geld kosten, niet kan beperken of afschaffen. Tijdens deze kabinetsperiode zal dat niet gebeuren, zegt Wiebes, maar wacht niet te lang. Een kabinet is ook niet eeuwig houdbaar! 

2014-02-04 0000-00-00 0000-00-00 4213

Toekomst bedrijfsopvolgingsregelingen, uitstel van executie?

Staatssecretaris Wiebes heeft in een brief aan de Tweede Kamer het voornemen geuit om de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten nader te bezien en te kijken of kan worden volstaan met een lager vrijstellingspercentage of met een betalingsregeling. Uit gegevens van de Belastingdienst zou blijken dat de te betalen erfbelasting in 70% van de gevallen uit de nalatenschap gewoon had kunnen worden betaald als geen sprake was geweest van een vrijstelling. Zoals te verwachten kwam er een storm van kritiek. 

Stop de bedrijfsopvolgingsregeling?

De door de Staatssecretaris aangekondigde afzwakking van de BOF zal in ieder geval niet tijdens de huidige kabinetsperiode worden doorgevoerd, zo laat het Ministerie van Financiën aan het FD weten. Ondernemers, werkgeversorganisaties VNO-NCW, MKB-Nederland en LTO Nederland zagen het plan van Wiebes geheel niet zitten. Zij waren "verbijsterd" over de "proefballon" van de bewindsman. En dat juist een Staatssecretaris van VVD-huize met het voorstel kwam, schoot velen in het verkeerde keelgat.



Het kabinet heeft aangegeven wel door te gaan met het voorbereiden van de belastingherziening, die zal leiden tot belastingverlaging voor burgers en bedrijven.

Conclusie

Hoe lang een kabinetsperiode duurt weet niemand. Toch maar niet te lang wachten met plannen maken, lijkt dus toch het devies!

[news] 2014-05-06 0000-00-00 0000-00-00 4294

Geruisloze terugkeer uit de B.V.

In onze dagelijkse praktijk adviseren wij veel ondernemers over de juistheid van de rechtsvorm van hun onderneming. Naast redenen als voorbereiden voor staken, opvolgen of samenwerken zijn toenemende of juist tegenvallende bedrijfsresultaten vaak aanleiding voor een goede analyse. Vaak gevolgd door een wijziging. In het hedendaagse economische klimaat blijkt de B.V.-vorm verre van (fiscaal) optimaal. Afgezien van de civielrechtelijke aspecten (zoals aansprakelijkheid) is dan al snel de wens uitgesproken om een goed alternatief te bedenken. Daarbij komt ook de toenemende druk op de omvang van het gebruikelijk loon, die de B.V.-vorm onaantrekkelijk maakt. In 2013 wordt de doelmatigheidsmarge verlaagd van 30% naar 10% en moet er € 150 miljoen uit de zak van de DGA worden geklopt. 

Afrekenen of niet  

Vaak zal een terugkeer uit de B.V. simpelweg kunnen worden geregeld door overdracht van de activa en passiva aan de aandeelhouder. Eventueel in overleg met de fiscus kunnen de voorwaarden worden bepaald (eventuele stille reserves, zakelijke goodwill zal er al vaak niet meer zijn). De B.V. kan in stand blijven met eventuele pensioen- of stamrechtverplichtingen. Afrekenen is dan in feite niet aan de orde. Eventuele stille reserves vallen dan in de verrekenbare verliezen en kunnen in de voortzettende IB-onderneming worden afgeschreven. Geen probleem en redelijk overzichtelijk. Ook is een eventuele VOF samen met de B.V mogelijk. Als er verliezen zijn, is een alternatief wellicht beter.

Fiscale verliezen

Het nadeel is dat eventuele compensabele verliezen, die in de B.V. zijn opgebouwd niet kunnen worden meegenomen. En die zijn er vaak in ruime mate! De B.V. maakt ook in de toekomst geen winsten waarmee ze verrekend kunnen worden en na negen jaar zijn ze verdampt en daarmee is een fiscaal voordeel verdwenen. Is dat uw situatie, maak dan gebruik van de geruisloze terugkeerfaciliteit.

Geruisloze terugkeerfaciliteit

De wetgever heeft een faciliteit in het leven geroepen, die in tegenstelling tot de geruisloze inbreng in de B.V. niet vaak wordt toegepast. De complexiteit van de uitvoering en het feit dat de B.V. verplicht moet worden ontbonden, maakt de regeling niet populair, maar in het geval van veel compensabele verliezen kan het wel een te overwegen mogelijkheid zijn.

Kern van de regeling:

  • Onderneming gaat op overgangstijdstip over op de aandeelhouders.
  • Geldt alleen voor materiële onderneming, holdingstructuur moet worden ontbonden (juridische fusie). 
  • Aandeelhouders worden ondernemer en moeten de intentie hebben om de onderneming voort te zetten.
  • De voormalige werk B.V. wordt geliquideerd.
  • De bestaande fiscale claims (VPB en aanmerkelijk belang) worden omgezet in een inkomstenbelastingclaim.
  • De verrekenbare verliezen van de B.V. worden verrekenbare ondernemingsverliezen in privé.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                        ivé 
  • Pensioen en stamrecht moet worden afgestort (dat is vaak een belemmering).
  • Beperkte terugwerkende kracht mogelijk, zorg voor intentieverklaring (voor 1 oktober). 

Advies nodig?

Een geruisloze terugkeer is redelijk complex, maar wij hebben hier ervaring mee. Wij kunnen u dus adviseren, dus neemt u vooral een keer (vrijblijvend) contact met ons op.

Geruisloze terugkeer uit de B.V. [news] 2014-09-03 0000-00-00 0000-00-00 4356

Bedrijfsopvolging via verhuur werkt niet

Henk heeft een onderneming en in 2010 komt Henk te overlijden. De onderneming is gevestigd in een warenhuis. De dochter van Henk, we noemen haar Jacklien, is enig erfgenaam. Ze pakt na het overlijden van Henk de onderneming verder op en verhuurt vanaf 2011 de onderneming / het warenhuis aan een derde. Centrale vraag: "is er sprake van voortzetting van de onderneming?" Als een onderneming namelijk belastingvrij wordt overgedragen, moet deze 5 jaar worden voortgezet. De rechter vindt van niet, hier zijn wij het wel mee eens. Had het slimmer gekund? Zeker ...

Nieuws bedrijfsopvolging 2021 of 2022 

De Bedrijfsopvolgingsregeling staat al jaren onder druk. De regeling wordt vermoedelijk per 2022 (of wellicht eerder) versobert. De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021) en de erf of schenkbelasting 20% (over eerste € 100.000 slechts 10%). De totale belastingdruk is normaal dus ongeveer 40%.

Door de bedrijfsopvolgingsregeling is de effectieve druk slecht 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) vrijgesteld en over het meerder zelfs 83%. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de heffing van de genoemde 4% naar 25 - 30%.

Procedure over BOF en verhuur

De voorzettingseis in de wet staat in artikel 35e van de successiewet.

  • "...... de verkrijger houdt op uit de onderneming of een gedeelte daarvan winst te genieten."

Dit artikel moet worden gelezen in combinatie met artikel 35b, vijfde lid SW, hierin staat dat de onderneming door de verkrijger vijf jaar moet worden voortgezet. Tijdens de gesprekken over deze wet is door het parlement hierover het volgende gezegd:

  • In beginsel volgt de bedrijfsopvolgingsregeling voor de zogenoemde voortzettingseis het stakings- en vervreemdingsbegrip uit de Wet inkomstenbelasting 2001. Dit kan anders zijn wanneer de specifieke aard van de bedrijfsopvolgingsregeling daarom vraagt. Indien bijvoorbeeld bij de overdracht van een onderneming gebruik wordt gemaakt van artikel 3.63 Wet IB 2001, wordt de onderneming voor de inkomstenbelasting geacht niet te zijn gestaakt. Deze niet-stakingsfictie werkt niet door naar de bedrijfsopvolgingsregeling. In zoverre bestaat er overigens geen wijziging ten opzichte van de huidige regeling.” (MvT, Kamerstukken II 2008 /09, 31 930, nr. 3, p. 46.)

Via de Wet op de Inkomstenbelasting kan een voortgezet ondernemerschap worden gevraagd. Volgens de erfgenaam is hiervan sprake. De rechter kiest - zoals hierboven omschreven - een andere route: "de oorspronkelijke onderneming moet worden voortgezet". Dat de erfgenaam via de verhuurroute ook winst uit onderneming geniet vindt de Rechtbank niet relevant. Uit een oude uitspraak van de Hoge Raad volgt dat verhuur van een onderneming moet worden gezien als een andere / gewijzigde vorm, dus geen staking.

Of er beroep is ingesteld is ons nu onbekend.

Oplossing voor verhuur en BOF 

Dat een verhuurder iets anders is dan een ondernemer zal voor iedere lezer wel helder zijn, immers de verhuurder krijgt huur en de huurder krijgt de winst (te verminderen met de huursom en overige kosten van de onderneming). De rechter loopt wel een bijzondere route waar wel wat tegen is in te brengen. Immers het bedrijf wordt (hoewel in een andere vorm) voortgezet door de erfgenaam. De erfgenaam had er beter voor kunnen kiezen om de onderneming voort te zetten in bijvoorbeeld een B.V. of coöperatie (artikel 10 uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting) en de huurder langzaam in deze B.V. laten ingroeien en hem als (mede-)bestuurder te benoemen.

Bron verhuur en bedrijfsopvolging

Rechtbank Den Haag, 21 januari 2016, 15/3326.

Hoge Raad 26 januari 1955 12.088.

[news] 2016-05-26 0000-00-00 0000-00-00 4934

Bedrijfsopvolging in de overdrachtsbelasting

Dat het overdragen van ondernemingsvermogen of aandelen in een familie-B.V. onder de bedrijfsopvolgingsregeling zonder schenk- en inkomstenbelasting mogelijk is, is een bekend gegeven. De wet biedt hiervoor een aantal faciliteiten. De overdrachtsbelasting blijkt echter in de praktijk een lastig dingetje. Rechtbank Noord Nederland kijkt verder dan de letterlijke wettekst en stelt dat de bedrijfsopvolgingsregeling in de overdrachtsbelasting ook geldt als aandelen in een onroerend-goed-lichaam (OG-lichaam) worden geschonken.

Nieuws bedrijfsopvolging 2021 of 2022 

De Bedrijfsopvolgingsregeling staat al jaren onder druk. De regeling wordt vermoedelijk per 2022 (of wellicht eerder) versobert. De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021) en de erf of schenkbelasting 20% (over eerste € 100.000 slechts 10%). De totale belastingdruk is normaal dus ongeveer 40%.

Door de bedrijfsopvolgingsregeling is de effectieve druk slecht 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) vrijgesteld en over het meerder zelfs 83%. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de heffing van de genoemde 4% naar 25 - 30%.

Wat was de casus inzake de BOR?

Belanghebbende krijgt de aandelen in een B.V. geschonken van zijn moeder. Op de balans van de B.V. stonden een 40-tal verhuurde studentenpanden, 4 winkelpanden en 3 garageboxen. Daarnaast had deze B.V. een 100% belang in een materiële onderneming. Vanwege de waarde van het onroerend goed in vergelijking tot het overige vermogen van de B.V., wordt deze B.V. voor de overdrachtsbelasting aangemerkt als een OG-lichaam. Fiscaal wordt dan gedaan alsof moeder onroerend goed heeft geschonken in plaats van aandelen. Deze fictie kost zoon echter wel € 141.360 aan overdrachtsbelasting. Voor de schenk- en inkomstenbelasting gaat de schenking wel goed omdat de inspecteur oordeelt dat de B.V. een materiële onderneming drijft.

Uiteraard is zoon het hier niet mee eens. Hij beroept zich op de vrijstelling in de overdrachtsbelasting voor overdracht van binnen de onderneming gebruikte onroerende zaken. Hierbij moet worden opgemerkt dat zoon tot de voor toepassing van deze vrijstelling geldende familiekring behoort. De inspecteur stelt dat de letterlijke wettekst geen ruimte laat voor een vrijstelling bij schenking van fictieve onroerende zaken (in casu de aandelen). Volgens de inspecteur blijkt uit de wet dat de vrijstelling slechts is bedoeld voor overdrachten van tot een IB-onderneming behorende onroerende zaken.  

De rechter sluit in haar uitspraak aan bij de achtergrond van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de overdrachtsbelasting: het wegnemen van fiscale belemmeringen bij overdracht binnen familieverband. Dat de wettekst spreekt over ‘onderneming‘ maakt het oordeel van de rechter niet anders nu dit begrip aansluit bij het ondernemingsbegrip welke in andere heffingswetten (IB / Successiewet) wordt gehanteerd (de materiële onderneming).

Voor de praktijk

Natuurlijk is een dergelijke uitspraak altijd mooi, voor de praktijk is het echter nog geen gelopen race. Als sprake is van een vennootschap met onroerend goed moet eerst de discussie worden gewonnen dat sprake is van een materiële onderneming. Exploitatie van onroerend goed valt vaak onder de categorie beleggingen. Als deze horde gepasseerd is krijg je vervolgens nog de discussie over de overdrachtsbelasting. Naar de letter van de wet kan de bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet toegepast worden op een verkrijging van aandelen in een OG-lichaam. De Hoge Raad heeft echter op 10 juni 2011 geoordeeld dat het feit dat de onroerende zaken worden gehouden door een B.V. niet op andere wijze mag worden behandeld dan indien een privépersoon deze onroerende zaken zou bezitten (de doorkijkarresten). In onderhavige uitspraak wordt het standpunt van de Hoge Raad bevestigd.

De Hoge Raad gaat zich nu over deze casus buigen, pas dan is duidelijk hoe een starre wettekst moet worden uitgelegd en toegepast. Wordt vervolgd ... 

Wilt u weten of uw vennootschap kwalificeert voor de bedrijfsopvolgingsregeling, neem dan contact met ons op. De mogelijkheden reiken wellicht verder dan u vermoedt. 

Bron

Rechtbank Noord Nederland 22 juli 2016 (ECLI:NL:RBNNE:2016:3373).

Hoge Raad 10 juni 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ7580).

[news] 2017-03-10 0000-00-00 0000-00-00 5091

Bedrijfsopvolging en onroerend goed

In een B.V. zit veel onroerend goed. De eigenaar van de B.V. (de DGA) komt te overlijden. De aandelen gaan over naar de heer X en de broer van de overleden DGA. De vraag is of in de B.V. een materiële onderneming is ondergebracht. Als dit zo zou zijn, dan gaan de aandelen vrijwel zonder heffing over naar de erfgenamen. De Rechtbank is van mening dat er sprake is van een echte onderneming (materiële onderneming), het Gerechtshof is het niet met de Rechtbank eens (geen onderneming). De Hoge Raad verwijst de zaak naar een ander Gerechtshof omdat er volgens de Hoge Raad wel sprake is van een onderneming.

Nieuws bedrijfsopvolging 2021 of 2022 

De Bedrijfsopvolgingsregeling staat al jaren onder druk. De regeling wordt vermoedelijk per 2022 (of wellicht eerder) versobert. De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021) en de erf of schenkbelasting 20% (over eerste € 100.000 slechts 10%). De totale belastingdruk is normaal dus ongeveer 40%.

Door de bedrijfsopvolgingsregeling is de effectieve druk slecht 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) vrijgesteld en over het meerder zelfs 83%. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de heffing van de genoemde 4% naar 25 - 30%.

Ontwikkelingsactiviteiten vormen onderneming voor BOF

De heer X, zijn broer en hun vader zijn aandeelhouder in Y B.V. In deze B.V. zit veel onroerend goed en wordt ook onroerend goed ontwikkeld. De aandelen vererven aan de heer X en zijn broer. Het Gerechtshof was van mening dat de omvang van de ontwikkelingsactiviteiten t.o.v. de overige activiteiten in de B.V. te beperkt is voor een materiële onderneming. De Hoge Raad is dit niet met het Gerechtshof eens. Er moet worden gekeken of de ontwikkelingsactiviteiten op zichzelf bezien kunnen worden aangemerkt als onderneming. De zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof in Amsterdam voor nader onderzoek.

Grote portefeuille is onderneming voor BOF

In een BV zit voor ruim 7 miljoen aan onroerende zaken (winkelcentra, kantoren en hallen). Zowel de Rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2016:17102) als het Gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2018:794) zijn van mening dat er sprake is van een onderneming (en dus kan de bedrijfsopvolgingingsfaciliteit worden toegepast). Belangrijkste redenen:

  • omvang van de onroerend goed portefeuille
  • het rendement
  • voortdurend inschakelen van externe deskundigen (zoals makelaars en juristen)
  • werkzaamheden gericht tot behalen hoger rendement dan normaal (gemiddeld 6% en in deze casus 9%)

Noot fiscaal jurist

Bedrijfsopvolging is fiscaal erg aantrekkelijk geworden. Voor ondernemers die van plan zijn hun eenmanszaak, VOF of B.V. eerdaags voor een aantrekkelijk prijsje aan één van hun kinderen over te doen, kan de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van belang zijn. Veel klanten van ons kantoor vinden het prettig dat hun kinderen de zaak voortzetten. Begrijpelijke emotie noem ik dit. Door de onderneming tegen een lagere prijs dan de werkelijke waarde te verkopen of door de koopsom geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden, willen zij hun kinderen steunen. De Successiewet merkt dit als schenking aan, belasting betalen dus. Sinds 2010 is deze faciliteit verder uitgebreid. Onder bepaalde voorwaarden wordt over de eerste € 1.000.000 aan geschonken ondernemingsvermogen in het geheel geen schenkbelasting meer geheven. Het daarboven geschonken ondernemingsvermogen is voor 83% vrijgesteld van heffing van schenkbelasting. De belangrijkste voorwaarde is dat er sprake is van een echte onderneming, een materiële onderneming zoals de fiscale wet dit omschrijft. Bij onroerende zaken is er vaak discussie over dit onderwerp. De laatste jaren schuift de jurisprudentie langzaam op richting "ook stenen kunnen een bedrijf vormen". Laat u wel voordien goed adviseren en doe dit tijdig (6 jaar voor de opvolging).

Bron bedrijfsopvolging

Hoge Raad d.d. 10 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:396).

Gerechtshof Den Haag d.d. 1 juli 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:2167).

Rechtbank Den Haag d.d. 3 juni 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:16718).

[news] 2017-03-14 0000-00-00 0000-00-00 5092

Geen BOF voor liquide middelen

De bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) in de successiewet is een gunstige regeling om belastingvrij een bedrijf en / of vermogen over te dragen. Het wordt nog interessanter als beleggingsvermogen kan worden omgevormd in ondernemingsvermogen. Voor beleggingsvermogen geldt namelijk de BOF niet. Liquide middelen of beleggingsvermogen mag slechts voor 5% van het ondernemingsvermogen worden meegenomen, een kleine pleister derhalve. Er zijn manieren om beleggingsvermogen om te vormen tot ondernemingsvermogen.

Nieuws bedrijfsopvolging 2021 of 2022 

De Bedrijfsopvolgingsregeling staat al jaren onder druk. De regeling wordt vermoedelijk per 2022 (of wellicht eerder) versobert. De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021) en de erf of schenkbelasting 20% (over eerste € 100.000 slechts 10%). De totale belastingdruk is normaal dus ongeveer 40%.

Door de bedrijfsopvolgingsregeling is de effectieve druk slecht 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) vrijgesteld en over het meerder zelfs 83%. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de heffing van de genoemde 4% naar 25 - 30%.

Bedrijfsmiddelen kopen en BOF verhogen

Als het vermogen nodig is voor de onderneming, dan mag dit vermogen wel worden meegenomen voor de BOF. Dit vermogen moet dan binnen afzienbare tijd nodig zijn voor de onderneming, bijvoorbeeld in verband met het aankopen van activa.

Leningen aflossen en BOF verhogen

Als een DGA geld in de B.V. stort (als aandelenkapitaal) en dit geld gebruikt om leningen af te lossen (bijvoorbeeld een lening voor een pand of andere activa), dan kan de BOF ruimer worden toegepast.

Procedure over BOF en liquide middelen

Een man erft aandelen in 2009. In 2007 is de B.V. begonnen met de bouw van een schip. Het schip had een waarde van € 2,4 miljoen. Tevens stond er nog € 3 miljoen op een bankrekening, dit geld is nodig om het schip (een stoomboot) te realiseren. Tot zover is er niet zoveel aan de hand en zou het gehele vermogen als ondernemingsvermogen moeten kwalificeren. De kaarten liggen echter anders. De rechter en de inspecteur zijn van mening dat het schip niet als ondernemingsvermogen kan worden gezien. De B.V. richtte zich op de handel in stoomketels en niet op de exploitatie van schepen. Met het schip kon ook geen geld worden verdiend, dit wordt niet beoogd en is in redelijkheid ook niet te verwachten. De exploitatie van het schip kan niet worden gezien als een bedrijfsmatige activiteit. Het schip is geen ondernemingsvermogen en hiermee het geld ook niet, aldus de rechter.

Vragen over de BOF  

De BOF kan op vele manieren worden vormgegeven en geoptimaliseerd. Wij hebben diverse adviezen en procedures over dit onderwerp gevoerd en vele ondernemers - soms in overleg met de Belastingdienst - bijgestaan bij het vormgeven van de BOF binnen hun bedrijf, meestal zijn dit MKB-bedrijven / familiebedrijven. Heeft u vragen? Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak.

Bron BOF en liquide middelen

Rechtbank Den Haag d.d. 9 maart 2017 (ECLI:NL: RBDHA:2017:3400).

[news] 2017-04-15 0000-00-00 0000-00-00 5119

Inkomstenbelastinglatentie bij schenken en erven van aandelen

Bij de verkrijging van aandelen waarbij een beroep is gedaan op de doorschuiffaciliteiten die de Wet op de inkomstenbelasting 2001 kent, mag er voor de schenk- en erfbelasting (Successiewet 1956) rekening gehouden worden met een inkomstenbelastinglatentie. Deze latentie is opgenomen in de Successiewet 1956 en bedraagt 6,25%.

Voor de toepassing van deze latentie bestond lange tijd nog enigszins onduidelijkheid, aan deze onduidelijkheid heeft de Hoge Raad in 2017 een einde gebracht.

In de situatie die zich voordeed verkreeg belanghebbende krachtens schenking een aandelenpakket ter waarde van € 23 miljoen. Van deze verkrijging was € 19 miljoen vrijgesteld op grond van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit uit de Successiewet 1956. Voor de inkomstenbelasting bleef afrekening over de € 23 miljoen volledig achterwege, echter werd de (lagere) verkrijgingsprijs doorgeschoven. De begiftigde dient daardoor in de toekomst nog een keer af te rekenen voor de inkomstenbelasting, tegen 25% (tarief 2017).

Bij het doen van de aangifte schenkbelasting heeft belanghebbende de belastinglatentie gesteld op € 23 miljoen x 6,25%, ruim € 1,4 miljoen. Belanghebbende was van mening dat op de belaste verkrijging van € 4 miljoen een bedrag van ruim € 1,4 miljoen in mindering gebracht diende te worden. Rechtbank Zeeland - West Brabant was het niet met belastingplichtige eens, waarna er sprongcassatie is ingesteld.

De Hoge Raad stelt de Rechtbank Zeeland - West Brabant in het gelijk. De inkomstenbelastinglatentie dient evenredig te worden toegerekend aan zowel de vrijgestelde als het belaste deel van de verkrijging. Deze uitspraak leidt ertoe dat niet ruim € 1,4 miljoen in mindering gebracht kan worden op de verkrijging, maar “slechts” € 250.000.

Een uitspraak die duidelijkheid schept, edoch de uitkomst was vooraf wellicht al wel te verwachten gezien hetgeen hieromtrent in de parlementaire geschiedenis is geschreven.

Bent u bezig met de bedrijfsopvolging en wilt u uw onderneming fiscaal zo voordelig mogelijk overdragen? Neem dan contact op met de auteur van dit artikel voor een vrijblijvend gesprek.

Bronnen

Rechtbank Zeeland - West-Brabant, 23 maart 2016, nr. 15/5498.

Hoge Raad, 14 april 2017, nr. 16/02345.

Rechtbank Den Haag, 5 september 2017, nr. 16/7487.

Inkomstenbelastinglatentie bij schenken en erven van aandelen [news] 2017-11-14 0000-00-00 0000-00-00 5220

Bedrijfsopvolgingsregeling en liquiditeit

Een belastingplichtige (een B.V.) is een boot aan het bouwen. Er staat nog geld in de B.V., dit geld is nodig om de boot af te bouwen. Kan de bedrijfsopvolgingsregeling worden toegepast?

Nieuws bedrijfsopvolging 2021 of 2022 

De Bedrijfsopvolgingsregeling staat al jaren onder druk. De regeling wordt vermoedelijk per 2022 (of wellicht eerder) versobert. De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021) en de erf of schenkbelasting 20% (over eerste € 100.000 slechts 10%). De totale belastingdruk is normaal dus ongeveer 40%.

Door de bedrijfsopvolgingsregeling is de effectieve druk slecht 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) vrijgesteld en over het meerder zelfs 83%. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de heffing van de genoemde 4% naar 25 - 30%.

Liquiditeit en bedrijfsopvolging

Mevrouw Jansen komt in 2009 te overlijden. Haar echtgenoot (Henk Jansen) en hun 2 dochters zijn de erfgenamen. Mevrouw Jansen heeft een 50% belang in een B.V., deze B.V. heeft een belang in een B.V. die zich bezighoudt met de handel en verhuur van stoomketels. Er is ook een B.V. die een stoomschip aan het bouwen is. Met de bouw is in 2007 begonnen, in 2012 is de boot klaar. Op het moment van overlijden staat er nog ruim € 3.000.000 op de bank (liquide middelen). Deze middelen zijn nodig om de boot af te bouwen. Centrale vraag is: "mag de bedrijfsopvolgingsregeling worden toegepast?" Volgens de Belastingdienst en de Rechtbank kan de bedrijfsopvolgingsregeling niet worden toegepast. De reden is: "met een museumschip als deze kun je geen geld verdienen" (winst beoogen en verwachten). De totale kosten van het schip bedragen € 8.000.000.

De erfgenamen stappen naar het Gerechtshof in Den Haag.

Rechter over bedrijfsopvolgingsregeling en liquiditeit

Het Gerechtshof in Den Haag vindt het aannemelijk dat de B.V. op de overlijdensdatum in 2009 de intentie had om het schip af te bouwen. Het schip is gebouwd om innovatie binnen de stoomwereld te ontwikkelen, het is immers milieuvriendelijk. Er is ook een RDA-beschikking afgegeven door het Ministerie. Het schip wordt als ontwikkelingsproject gezien, mede voor de stoomketels die in een andere B.V. worden verkocht. Het schip wordt niet voor privédoeleinden gebruikt. Het schip en het geld zijn dus verplicht ondernemingsvermogen. De (mogelijke wan-)verhouding tussen de investering en het nut van een vermogensbestanddeel voor de onderneming is niet bepalend voor deze kwalificatie. Deze is wel van belang bij de beoordeling van de vraag of met de investering verbonden kosten een zakelijk- of privékarakter hebben. De familie Jansen krijgt gelijk van de rechter !

Noot fiscaal jurist over bedrijfsopvolging

Een boeiende uitspraak, soms kunnen liquide middelen ook onder de bedrijfsopvolgingsregeling vallen. De uitspraak van het Gerechtshof wordt zorgvuldig (met de wettekst in de hand) geformuleerd. Dit zal een opstap worden naar een ruimere toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling. De woorden "verplicht ondernemingsvermogen" komen vaak voor in de vastgoedwereld en / of bij projectontwikkeling. In de periode van ontwikkeling (als er nog geld staat) kan dus een totaalproject (met wat mitsen en maren) onder de bedrijfsopvolgingsregeling worden ondergebracht.

Bron bedrijfsopvolging en rechtspraak

Gerechtshof Den Haag d.d. 15 november 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:3353).

Rechtbank Den Haag d.d. 9 maart 2017 (ECLI:NLRBDHA:2017:3400).

[news] 2017-12-20 0000-00-00 0000-00-00 5240

Geen BOR voor vastgoed-B.V.

De toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) bij schenking / vererving van aandelen in een vastgoedvennootschap levert een aanzienlijk belastingvoordeel op. Immers, een schenking of vererving van deze aandelen wordt al snel belast met 20% erfbelasting. Hof Amsterdam heeft recent een enigszins opmerkelijke uitspraak gedaan over de toepassing van de BOR. De uitspraak betreft een verwijzingsarrest van de Hoge Raad.

Nieuws bedrijfsopvolging 2021 of 2022 

De Bedrijfsopvolgingsregeling staat al jaren onder druk. De regeling wordt vermoedelijk per 2022 (of wellicht eerder) versobert. De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021) en de erf of schenkbelasting 20% (over eerste € 100.000 slechts 10%). De totale belastingdruk is normaal dus ongeveer 40%.

Door de bedrijfsopvolgingsregeling is de effectieve druk slecht 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) vrijgesteld en over het meerder zelfs 83%. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de heffing van de genoemde 4% naar 25 - 30%.

Achtergronden: BOR en vastgoed-B.V.

Aan de Hoge Raad werd de vraag voorgelegd of de BOR toegepast kan worden op vererving van aandelen in een vastgoed-B.V. De Hoge Raad oordeelde op 10 maart 2017 dat de BOR van toepassing is als de vastgoed-B.V. een materiële onderneming drijft. De exploitatie van het onroerend goed moet het normaal vermogensbeheer te buiten gaan. Aldus wordt sterk de vergelijking gezocht met de situatie in de inkomstenbelasting. Hierbij speelt het aspect ‘arbeid’ een belangrijke rol. Heb je een box-3 pandje voor de verhuur, dan is de huuropbrengst onbelast (box 3). Koop je echter een pandje, knap je het vervolgens zelf op en verkoop je deze daarna met flinke winst, dan loop je het risico dat de winst in box 1 belast wordt.

Voor de toetsing van het begrip ‘meer dan normaal vermogensbeheer’ aan de feitelijke situatie van belastingplichtige, heeft de Hoge Raad de zaak terugverwezen naar Hof Amsterdam. Reikhalzend werd dan ook uitgekeken naar de uitspraak van het verwijzingshof, helaas valt hier nog wel het een en ander over op te merken …  

Wat was de casus: geen BOR voor vastgoed-B.V.

De DGA overleed en in zijn nalatenschap zaten onder andere certificaten van aandelen in een vastgoed-B.V. Deze vennootschap hield zich bezig met:

  • verhuur van onroerend goed;
  • de administratie;
  • onderhield intensieve contacten met diverse betrokken partijen;
  • ontwikkeling van vastgoedprojecten in de jaren 2003 tot en met 2012 (tussen 2008 en 2011 niet).    

In geschil is of de BOR toegepast kan worden op de vererving van de certificaten. Hof Amsterdam vindt van niet omdat dat de ontwikkelingsactiviteiten in het jaar voorafgaand aan het overlijden van de DGA niet kunnen worden aangemerkt als een materiële onderneming. Het Hof overweegt daarbij dat partijen geen bijzondere activiteiten hoefden te verrichten om toestemming voor de bouw te verkrijgen (geen bestemmingsplanwijziging). De werkzaamheden houden volgens het Hof dan ook niet meer in dan de gebruikelijke werkzaamheden voor onderhoud, verhuur en verkoop van een onroerende zaak. Dit is geen arbeid die normaal vermogensbeheer te boven gaat. Het gelijk is aan de inspecteur.

Het Hof oordeelt daarnaast nog dat het ondernemingsvermogen nihil is en dat de BOR om deze reden geen effect sorteert.

Noot fiscaal jurist 

Hoewel de uitkomst waarschijnlijk niet anders zal zijn voor belastingplichtige – immers zal de BOR inderdaad geen effect hebben als het ondernemingsvermogen niets waard is –zet ik wel vraagtekens bij de wijze waarop het Hof de discussie beslecht. Allereerst is het bijzonder dat het Hof voor de beoordeling of sprake is van een materiële onderneming, slechts kijkt naar de activiteiten in het jaar voorafgaande aan het overlijden (de bezitseis bij overlijden). Dit zou betekenen dat, als de aandelen geschonken zouden zijn, de uitkomst mogelijk anders uit kan vallen. Bij schenking wordt immers gekeken naar de vijf voorafgaande jaren. 

Ten tweede zegt het Hof impliciet dat er alleen bij wijziging van een bestemmingsplan sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Het lijkt mij echter dat een bestemmingsplanwijziging bijdraagt aan een voor belastingplichtige positief oordeel, maar dat dit zeker niet doorslaggevend mag zijn. Immers moet het feitencomplex in zijn geheel beoordeeld worden, er zijn vergunningen gevraagd en verstrekt, er wordt arbeid verricht, etc. Het oordeel van het Hof strookt op dit punt niet met de reeds bestaande jurisprudentie. Sterker nog, had de ontwikkeling plaatsgevonden in box 3, dan had belastingplichtige een behoorlijke discussie met de fiscus tegemoet kunnen zien over de belastbaarheid van de opbrengsten.

Al met al een uitspraak waar de praktijk weinig mee kan …

Bronnen 

Gerechtshof Amsterdam 3 juli 2018 (gepubliceerd 19 september 2018), ECLI:NL:GHAMS:2018:3294;

Hoge Raad 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:396.

Jongbloed Fiscaal juristen: Bedrijfsopvolging en onroerend goed

[news] 2018-11-23 0000-00-00 0000-00-00 5746

Bedrijf overdragen aan personeel

Op enig moment zal de directeur-grootaandeelhouder (DGA) nadenken over de verkoop of overdracht van zijn bedrijf. Als overdracht in de familie niet direct zou kunnen, is de overdracht aan het personeel wellicht te overwegen. In dit artikel enkele aandachtspunten voor een dergelijke overdracht. Wilt u hierbij advies, neem dan contact op met onze experts.

Personeel als bedrijfsopvolger

Het voordeel van het verkopen aan een medewerker / personeelslid is dat hij / zij de onderneming goed kent. Of deze persoon ook leiding kan geven aan het bedrijf is vaak wel de vraag, laat dit ook door een derde beoordelen. Het personeelslid moet, naast een vakman of vakvrouw zijn, ook verstand hebben van de strategie, financiën, HR-beleid en een visie hebben over de toekomst. Ook is ondernemerschap wenselijk.

Nieuws bedrijfsopvolging 2021 of 2022 

De Bedrijfsopvolgingsregeling staat al jaren onder druk. De regeling wordt vermoedelijk per 2022 (of wellicht eerder) versobert. De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021) en de erf of schenkbelasting 20% (over eerste € 100.000 slechts 10%). De totale belastingdruk is normaal dus ongeveer 40%.

Door de bedrijfsopvolgingsregeling is de effectieve druk slecht 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) vrijgesteld en over het meerder zelfs 83%. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de heffing van de genoemde 4% naar 25 - 30%.

Werknemersparticipatie

Voor een werknemersparticipatie zijn de volgende zaken van belang:

  1. Waarde onderneming: wat is de waarde van de onderneming en kan de onderneming eventueel lichter worden gemaakt (via overdracht activa, zoals het bedrijfspand of de materiële vaste activa). Wellicht is een herstructurering wenselijk, dit via een zogenaamde tussenholding of letteraandelen.
  2. Betaling koopsom: is het voor de werknemer mogelijk om het bedrijf te betalen? Dit kan via een bank of externe investeerder (of met eigen middelen, welke vaak onvoldoende zijn).
  3. Fiscale consequenties: de verkoop van een bedrijf aan een werknemer is een transactie welke bij de Belastingdienst onder een vergrootglas ligt. Het is een zogenaamde besmette transactie, als de waarde te laag is kan sprake zijn van (belast) loon. De voorwaarden moeten derhalve zakelijk zijn en wellicht is afstemming met de Belastingdienst noodzakelijk. Er zijn ook fiscale mogelijkheden om een bedrijf fiscaal gunstig aan een werknemer over te dragen. De werknemer moet hiertoe minimaal 36 maanden in dienstbetrekking zijn bij de onderneming.
  4. Overeenkomsten: het vastleggen van de afspraken is vakwerk, een ervaren adviseur is wenselijk. Ook is het van belang dat uw werknemer een eigen adviseur in de hand gaat nemen, dit om discussies zoveel mogelijk te voorkomen. Als u niet tot overeenstemming komt, moet het niet zo zijn dat de werknemer vertrekt en / of er andere conflicten ontstaan. Externe adviseurs kunnen dit voorkomen.

Vragen over een werknemersparticipatie

Wij adviseren regelmatig bij een werknemersparticipatie. Heeft u vragen of opmerkingen, neem dan gerust contact op met één van onze specialisten. Wij werken veelal samen met een externe accountant.

[news] 2020-10-29 0000-00-00 0000-00-00 6771

Bedrijfseinde en transitievergoeding

Transitievergoeding bij einde dienstverband

Indien het dienstverband van een werknemer eindigt op initiatief van de werkgever, dient de werkgever in beginsel de werknemer een transitievergoeding te betalen. Dit geldt zowel bij vaste als bij tijdelijke werknemers. De wet benoemt tevens situaties waarin geen recht op een transitievergoeding bestaat, zoals bij faillissement van de werkgever. Zoals zal blijken in de volgende paragraaf, kan de verplichting om de transitievergoeding te betalen bij pensionering of overlijden van de werkgever vergaande gevolgen hebben. Daarom kunnen kleine werkgevers deze transitievergoeding(en) onder voorwaarden gecompenseerd krijgen. Die voorwaarden beschrijven wij in het verdere deel van dit artikel.

Nieuws bedrijfsopvolging 2021 of 2022 

De Bedrijfsopvolgingsregeling staat al jaren onder druk. De regeling wordt vermoedelijk per 2022 (of wellicht eerder) versobert. De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021) en de erf of schenkbelasting 20% (over eerste € 100.000 slechts 10%). De totale belastingdruk is normaal dus ongeveer 40%.

Door de bedrijfsopvolgingsregeling is de effectieve druk slecht 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) vrijgesteld en over het meerder zelfs 83%. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de heffing van de genoemde 4% naar 25 - 30%.

DIT ARTIKEL IN 10 REGELS

Werkgevers die hun bedrijf beëindigen bij pensionering of door overlijden zijn wettelijk verplicht al hun werknemers transitievergoedingen te betalen. In de praktijk leidt dit regelmatig tot het aanwenden van privévermogen en / of faillissement. Per 1 januari 2021 treedt een compensatieregeling in werking. Kleine werkgevers kunnen dan de transitievergoedingen bij bedrijfseinde door pensionering of overlijden gecompenseerd krijgen. Hiervoor gelden strikte voorwaarden en termijnen. Uiteraard dienen ook andere, fiscale aspecten niet uit het oog verloren te worden. Het tijdig inschakelen van een specialist kan ongunstige situaties voorkomen.

Transitievergoeding en bedrijfseinde

Werkgevers die hun bedrijf beëindigen, doen dat meestal als ze er in een eerder stadium niet in zijn  geslaagd om een opvolger te vinden. Bij het overlijden van de ondernemer geldt dit vaak ook, doch dan hebben de erfgenamen / mede-eigenaren deze zoektocht verricht. Bij een bedrijfseinde dienen alle werknemers te worden ontslagen. Dat betekent ook dat de werkgever alle werknemers een transitievergoeding dient te betalen. Dit kan behoorlijk in de papieren lopen.

Kleine werkgevers lopen daarbij vaak tegen problemen aan. Indien zij met pensioen gaan of indien de onderneming eindigt door overlijden, is het geld voor al die transitievergoedingen er vaak niet. In de praktijk zien wij vaak dat werkgevers dan hun pensioenpot aanwenden, failliet gaan of hun privévermogen inzetten. De wetgever heeft deze onwenselijke situatie waargenomen en daarom is deze compensatieregeling er gekomen.

Compensatieregeling transitievergoeding bij bedrijfseinde

De kleine werkgever kan worden gecompenseerd voor verstrekte transitievergoedingen. Het doel is om de werkgevers (of erfgenamen) tegemoet te komen in de situatie dat een bedrijfsbeëindiging plaatsvindt door pensionering of overlijden. De werknemers moeten dan worden ontslagen en de transitievergoedingen dienen te worden betaald. Dit leidt regelmatig tot aanwending van het privévermogen, terwijl vanwege de beëindiging van de activiteiten naar verwachting al een inkomensachteruitgang plaatsvindt.

Wanneer is compensatie transitievergoeding bij bedrijfseinde mogelijk?

Wij benoemen hieronder de voorwaarden in de vorm van een opsomming. Daarna behandelen wij iedere voorwaarde afzonderlijk. De voorwaarden luiden als volgt:

  • De arbeidsplaatsen vervallen wegens het beëindigen van de werkzaamheden van de onderneming;
  • De werkgever voldoet aan het criterium om te worden aangemerkt als kleine werkgever;
  • De werkgever heeft de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, dan wel is overleden;
  • De vergoeding voldoet aan de gestelde voorwaarden.

Compensatie transitievergoeding en verval van arbeidsplaatsen

Het verval van arbeidsplaatsen moet het gevolg zijn van het beëindigen van de werkzaamheden van de onderneming. Hiervoor wordt aangesloten bij de huidige UWV-toetsing. Dit betekent dat, indien UWV voor ten minste één werknemer toestemming verleent om over te gaan tot het opzeggen van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseinde, aan dit vereiste is voldaan. UWV zal u onder meer vragen naar de reden voor de beëindiging en vragen om toe te lichten wat u met bijvoorbeeld de activa van de onderneming van plan bent. Een goede voorbereiding en advisering zijn daarbij van groot belang.

Dat toestemming voor één werknemer voldoende is, betekent dat de onderneming niet al daadwerkelijk geheel hoeft te zijn beëindigd. Fiscale redenen kunnen bijvoorbeeld aanleiding geven om de onderneming pas (geruime) tijd later te liquideren. Dat is onder deze regeling toegestaan.

Veel werkgevers werken in de praktijk met vaststellingsovereenkomsten en komen aan een UWV-procedure niet toe. Deze werkgevers dienen er rekening mee te houden dat formeel voor één werknemer toestemming nodig is van UWV. Een UWV-procedure kan tijdrovend zijn, maar u kunt tijd winnen door tijdig en volledig alle informatie aan te leveren en in vooroverleg met uw werknemer al een en ander af te stemmen.

Compensatie transitievergoeding en de kleine werkgever

De regeling is gericht op kleine werkgevers. De grens ligt bij 24 werknemers. Zijn er gemiddeld 25 of meer werknemers in dienst, dan is compensatie niet mogelijk. Het toetsmoment van het aantal werknemers is niet het moment van het indienen van de UWV-aanvraag. U moet kijken naar het aantal werknemers dat de onderneming gemiddeld in dienst had in de tweede helft van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin u het verzoek voor de eerste werknemer(s) indient. Uitzendkrachten en payrollmedewerkers hoeft u niet mee te tellen. Zit de onderneming in een groep (concern), dan gelden aanvullende regels.

Het gemiddelde wordt als volgt berekend. Het aantal werknemers op 1 juli en het aantal werknemers op 31 december wordt bij elkaar opgeteld. Dit deel je door twee en daarmee wordt het gemiddeld aantal werknemers verkregen. Een voorbeeld:

Henk wil zijn onderneming beëindigen wegens pensionering per 1 augustus 2025. Hij moet kijken naar het aantal werknemers in de tweede helft van het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin hij het verzoek voor de eerste werknemer indient. Dit zal in 2025 zijn, waardoor Henk moet kijken naar 2024. Op 1 juli 2024 heeft Henk 28 werknemers in dienst. In december zijn dit er 20. Het gemiddelde bedraagt 24 werknemers. Henk voldoet aan de eis van de kleine werkgever.

Bij de B.V. of de N.V. geldt dat onder voorwaarden de compensatie ook kan plaatsvinden als de DGA aan de vereisten voldoet. Bij eenmanszaken, vennootschappen onder firma en maatschappen ligt toepassing voor de hand. Andere rechtspersonen, zoals stichtingen en verenigingen, mogen de regeling niet toepassen. De reden is dat de continuïteit van de vereniging / stichting veelal niet afhankelijk is van (pensionering of overlijden van) één individueel bestuurslid. Ook is hier het zakelijk en privévermogen minder met elkaar verbonden.

Compensatie transitievergoeding bij pensionering

Om van de compensatie bij pensionering gebruik te kunnen maken, moet de eigenaar van een eenmanszaak, vennoot, maat of DGA de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken binnen zes maanden nadat het verzoek voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst van de eerste werknemer is ingediend. Een juiste planning is hier dus cruciaal. De werkgever die vervolgens actief blijft (niet met pensioen gaat), bijvoorbeeld door het bedrijf niet te beëindigen of in een andere onderneming door te gaan, kan niet nogmaals worden gecompenseerd in de toekomst.

Compensatie is mogelijk voor vergoedingen die de werkgever verstrekt:

  • In de zes maanden voorafgaand aan het eerste verzoek tot opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfsbeëindiging;
  • In de negen maanden nadat de toestemming tot opzegging van de arbeidsovereenkomst is verleend. 

Bij bijvoorbeeld een VOF zijn er meerdere vennoten. De pensioendatums van de diverse werkgevers lopen daarbij vaak niet gelijk. Voldoende is als één van de vennoten voldoet aan de vereisten.

Compensatie transitievergoeding bij overlijden

Deze regeling staat open voor erfgenamen en mede-werkgevers. Zij worden soms geconfronteerd met een onderneming die zij niet wensen voort te zetten. Compensatie is dan mogelijk indien uiterlijk twaalf maanden na het overlijden van de werkgever een verzoek om toestemming tot het opzeggen van de arbeidsovereenkomst wegens het beëindigen van de werkzaamheden van de onderneming, is ingediend.

De aanvraag om van deze regeling gebruik te maken moet binnen één jaar na het overlijden ingediend zijn. Daarmee wordt het verzoek tot opzegging van de arbeidsovereenkomst voor ten minste één werknemer bedoeld.

Voorwaarden aan de vergoeding en compensatie

Om een vergoeding gecompenseerd te krijgen, dient deze daadwerkelijk te zijn verstrekt aan de werknemer. U dient in de praktijk de transitievergoedingen dus voor te schieten. Door de perioden van zes maanden en negen maanden meent de wetgever een regeling te hebben getroffen die de voorschietperiode voldoende beperkt houdt. De wetgever ziet niets in het voorschieten van de transitievergoeding door UWV, onder meer omdat het vereiste van verstrekking voordat vergoeding plaatsvindt waarborgt dat de gelden ten goede van de transitievergoeding van de werknemer komen. Wij raden girale betaling aan, zodat u altijd een (schriftelijk) betaalbewijs hebt.

Misbruiksituaties en compensatie transitievergoeding

De werkgever moet ten minste in de twee jaar voor de datum van het verzoek tot toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, als eigenaar / DGA aan de onderneming verbonden zijn. Dit werkt dus door naar ondernemingen die nog maar kort bestaan. Bestaat uw onderneming minder dan twee jaar, dan kan er geen recht op compensatie zijn, ongeacht of sprake is van een misbruiksituatie. Dit kan, naar ons oordeel, in geval van overlijden buitengewoon vervelend uitwerken.

Ook bestaat de angst dat werkgevers calculerend omgaan met het aannemen van meer personeel. Daarom is compensatie alleen mogelijk voor werknemers die in dienst waren op 31 december van het kalenderjaar voor het verzoek om toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Wij menen dat ook deze bepaling buiten situaties van misbruik om, een forse, onwenselijke impact kan hebben.

Hoe vraag ik de compensatie aan?

De werkgever (of andere aanvragende partij, zoals de erfgenaam) heeft tot zes maanden na betaling van de volledige transitievergoeding om een aanvraag in te dienen bij UWV. Als moment van betaling is bepalend het moment waarop de vergoeding is afgeschreven van de rekening van de werkgever. UWV stelt een formulier beschikbaar met de informatie die u moet (laten) aanleveren. Wat exact op het formulier komt is nog onduidelijk, doch het zal in ieder geval gaan om de arbeidsovereenkomst, de duur van de arbeidsovereenkomst en berekeningen van de individuele transitievergoedingen. Een incomplete aanvraag dient meestal binnen 14 dagen te worden aangevuld.

Fiscaal en transitievergoeding

Een transitievergoeding is loon uit vroegere dienstbetrekking. In beginsel kan deze niet worden aangewezen als eindheffingsloon en derhalve niet onder de WKR worden gebracht. Betaalt u echter de transitievergoeding uit samen met loon waarop de arbeidskorting van toepassing is, bijvoorbeeld met het laatste reguliere loon, dan mag de transitievergoeding wel worden aangewezen als eindheffingsloon. Er moet dan wel zijn voldaan aan de gebruikelijkheidstoets. De transitievergoeding komt dan (deels) in de vrije ruimte.

Hoelang mag UWV over mijn aanvraag doen?

In beginsel heeft UWV een termijn van 8 weken. Indien UWV er niet in slaagt om binnen deze periode te beslissen, zal zij u op de hoogte stellen van de termijn die zij nodig meent te hebben. Deze termijn dient redelijk te zijn.

Fiscaal en bedrijfsbeëindiging

Uiteraard zijn transitievergoedingen niet het enige dat komt kijken bij een bedrijfseinde. Er zijn vele fiscale aspecten die van groot belang zijn om op orde te hebben. Zo dient u rekening te houden met de bepalingen over bijvoorbeeld de stakingswinst of de eindafrekening. Onze specialisten helpen u graag bij het woud aan regels dat hierbij komt kijken. Zo komt u niet voor verrassingen te staan.

[news] 2020-11-24 0000-00-00 0000-00-00 6788

Bedrijfsopvolgingsregeling ten einde?

DGA moet in 2021 actie ondernemen!

De bedrijfsopvolgingsregeling is een fiscale regeling waardoor familiebedrijven fiscaal voordelig kunnen worden overgedragen zonder of met beperkte belastingheffing. Derhalve vrijwel geen schenk- / erfbelasting of inkomstenbelasting bij de overdracht van uw bedrijf. De regeling gaat mogelijk tot het verleden behoren.

Aan welke belasting moet u denken bij bedrijfsopvolging?

De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021). De erf- of schenkbelasting bedraagt 20%, doch over de eerste circa € 128.000 'slechts' 10%. De totale belastingdruk is dus circa 40%. Echter, als gevolg van de bedrijfsopvolgingsregeling, is de effectieve belastingdruk slechts circa 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) is vrijgesteld en over het meerdere is zelfs 83% vrijgesteld. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de effectieve belastingdruk van de genoemde 4% naar circa 30%.

Afschaffing bedrijfsopvolgingsregeling

In 2020 hebben 169 ambtenaren een notitie geschreven over een nieuw belastingstelsel. Als onderdelen uit deze notitie worden overgenomen, dan gaan DGA's meer belasting betalen bij een bedrijfsopvolging. Onder de huidige regeling is de heffing van erf- en schenkbelasting beperkt (Bedrijfsopvolgingsregeling of BOR in de volksmond). De invoering wordt verwacht in 2022. Meer informatie kunt u rondom Prinsjesdag 2021 verwachten. Omdat bedrijfsopvolging een delicaat en langdurig traject kan zijn, is het raadzaam om ruim voor deze datum contact op te nemen met een specialist.

Welke wijzigingen binnen de BOR worden voorgesteld?

  1. 25% Van de waarde is vrijsteld (nu nog 83% met 100% voor eerste € 1.000.000);
  2. Maximumvrijstelling van € 5.000.000;
  3. Kleine pakketten worden wellicht uitgesloten voor de BOR, denk hierbij aan soort- of letteraandelen kleiner dan 5%;
  4. Geen vrijstelling of doorschuifregeling meer voor de inkomstenbelasting;
  5. Verhuurt u onroerend goed, dan geldt er geen enkele vrijstelling is (aan derden verhuurd vastgoed).

Let op! Fiscaal advies bedrijfsopvolgingsregeling

Veel familiebedrijven zullen nog dit jaar (en eigenlijk voor september 2021) in overleg moeten met hun fiscalist of accountant om sneller werk te maken van de (gedeeltelijk) belastingvrije overdracht van de onderneming aan de kinderen.

Wij begrijpen dat u als ondernemer niet zit te wachten op een belastingaanslag bij de bedrijfsopvolging. Zeker wanneer het geld uit het familiebedrijf gehaald moet worden om deze belastingaanslag - die nota bene in privé is opgelegd - te betalen. Met de BOR kan in combinatie met de overige fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten een forse belastingbesparing bereikt worden. Hiertoe dient echter wel een goede structuur te worden opgezet en dat kost tijd.

Uit onderzoek van KPMG blijkt dat 88% van de familiebedrijven substantiële problemen verwacht bij een bedrijfsopvolging onder de nieuwe wetgeving. Zelfs 50% denkt dat de bank geld moet gaan lenen aan het familiebedrijf. Een klein deel van de familiebedrijven (13%) zegt Nederland te verlaten (of het hoofdhuis te verplaatsen) als de BOR wordt afgeschaft.

Overleg familie, accountant en Belastingdienst inzake BOR

Onze specialisten zijn u graag van dienst. Wij werken praktisch, vlot en tegen meer dan marktconforme prijzen. Wij werken dan het liefst in een team met u, uw familie, raad van commissarissen, het bestuur en uw accountant. De eerste, oriënterende bespreking bij ons op kantoor kan zonder verdere kosten plaatsvinden.

De door ons voorgestelde regeling wordt na akkoord door u en uw accountant nog besproken met de Belastingdienst.

Bedrijfsopvolging wordt afgeschaft [news] 2021-04-16 0000-00-00 0000-00-00

De bedrijfsopvolgingsregeling is een fiscaal gunstige regeling voor familiebedrijven. Bedrijven kunnen binnen de familie fiscaal voordelig worden overgedragen. Wellicht wordt de regeling per september 2021 of 1 januari 2022 afgeschaft.

6969

Schenkbelasting en bedrijfsopvolging

Mag de betaalde schenkbelasting worden opgeteld bij de verkrijgingsprijs van een aanmerkelijk belang pakket? Nee, zo stelt de Hoge Raad. Wij gaan in dit artikel in op deze uitspraak, maar ook op de bredere regeling van de overdracht van aandelen door middel van schenking. Wij helpen u graag een fiscaal zo gunstig als mogelijke bedrijfsopvolging te regelen.

Vervreemdingsvoordeel en verkrijgingsprijs aanmerkelijk belang

In de inkomstenbelasting wordt in box 2 het voordeel uit aanmerkelijk belang belast. Dat voordeel kan bestaan uit reguliere voordelen, zoals dividend, maar ook uit vervreemdingsvoordelen. Van een vervreemdingsvoordeel is onder andere sprake bij het vervreemden van aandelen of winstbewijzen. De hoogte van een vervreemdingsvoordeel wordt bepaald door het verschil tussen de overdrachtsprijs en de verkrijgingsprijs. De verkrijgingsprijs is de tegenprestatie bij de verkrijging van de aandelen (bijvoorbeeld de koopprijs), vermeerderd met de ten laste van de verkrijger gekomen kosten. Recent heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over de hoogte van de verkrijgingsprijs ingeval sprake is van een schenking. De vraag die centraal stond was, of de schenkbelasting tot de kosten die ten laste van de verkrijger komen, behoort.

Schenken en aanmerkelijkbelangaandelen

Om tot een goed begrip van de uitspraak van de Hoge Raad te komen, is het handig om eerst de zaak in kwestie kort samen te vatten. In 2014 heeft Henk (fictieve naam) alle aandelen in een b.v. De verkrijgingsprijs van dit aanmerkelijk belang, bedraagt € 586.350. In dat jaar schenkt de vader van Henk aan Henk alle aandelen in een andere b.v. De verkrijgingsprijs van vader voor dit aanmerkelijk belang bedraagt € 4.400. Nu bevat de wet een bepaling die kan gelden ingeval van een schenking. Indien aan de volgende voorwaarden is voldaan, wordt de schenking van de aandelen niet als een vervreemding aangemerkt:

  • De vennootschap drijft een onderneming naar het ondernemingsbegrip in de inkomstenbelasting of houdt een medegerechtigdheid als bedoeld in de inkomstenbelasting; en
  • De aandelen/winstbewijzen behoren bij de vervreemder (in Henk zijn casus: zijn vader) niet tot een zogenaamd meegetrokken aanmerkelijk belang; en
  • De verkrijger (Henk) is binnenlands belastingplichtig en de verkregen aandelen/winstbewijzen gaan geen deel uitmaken van een onderneming voor Henk zijn rekening gedreven onderneming of werkzaamheid; en
  • De verkrijger (Henk) is voorafgaand aan de vervreemding ten minste 36 maanden in dienst bij de vennootschap waarop de aandelen/winstbewijzen zien.
  • Een belangrijke aanvulling op bovenstaande is, dat de uitzondering bij schenking slechts ziet op het zogenaamde ondernemingsvermogen en niet op het beleggingsvermogen. In de praktijk kan het voorkomen dat een deel van de waarde van de aandelen/winstbewijzen wel onder de bepaling kan worden gebracht en een deel niet. Dit zijn complexe dossiers, waarbij deskundige bijstand een must is.

    Indien de uitzondering bij schenking wordt toegepast, dan geldt voor het deel waarop de uitzondering van toepassing is, dat geen sprake is van een vervreemding. De verkrijgingsprijs voor de verkrijger (Henk) is dan in de meeste gevallen de verkrijgingsprijs van vader. Met betrekking tot de schenking heeft Henk wel afgerekend; hij voldoet € 361.907 aan schenkbelasting.

    Wat doet Henk daarna met de geschonken aandelen?

    Een jaar later besluit Henk de beide vennootschappen te fuseren. De vennootschap waarin hij aandelen had met een verkrijgingsprijs van € 586.350 gaat op in de vennootschap waarvan de verkrijgingsprijs € 4.400 bedraagt. De wet kent ook voor de juridische fusie een faciliteit, zodat de overdracht vrijgesteld is en de verkrijgingsprijs wordt doorgeschoven.

    Henk verzoekt de inspecteur vervolgens de verkrijgingsprijs van zijn resterende aandelenpakket vast te stellen. Henk meent dat zijn verkrijgingsprijs € 952.657 bedraagt. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

    • € 586.350: verkrijgingsprijs aandelen van de gefuseerde vennootschap;
    • € 4.400: verkrijgingsprijs aandelen ‘gebleven’ vennootschap;
    • € 361.907: betaalde schenkbelasting.
    • De inspecteur is het hiermee oneens en weigert de schenkbelasting in aanmerking te nemen. Henk stapt naar de rechter, want hij meent dat de schenkbelasting een kostenpost is die ten laste van hem, de verkrijger, is gekomen.

      Behoort de schenkbelasting tot de kosten bij de verkrijgingsprijs?

      De Hoge Raad heeft op 11 juni 2021 uitspraak gedaan in deze zaak. Hij merkt eerst op dat de verkrijgingsprijs bestaat uit de eerdere tegenprestatie, vermeerderd met ten laste van de verkrijger gekomen kosten. Dit geldt ook ingeval er gebruik wordt gemaakt van een regeling waarbij de eerdere verkrijgingsprijs wordt doorgeschoven, zoals de regeling waar Henk gebruik van heeft gemaakt. Dit volgt niet direct uit de wet, doch een redelijke toepassing van de wet vereist dit.

      Kosten die ten laste zijn gekomen van de verkrijger, behoren tot de verkrijgingsprijs. Het moet dan wel gaan om kosten die onmiddellijk verband houden met de verkrijging van de aandelen/winstbewijzen in de vennootschap. De Hoge Raad oordeelt dat de schenkbelasting niet zo’n kostenpost is. De verschuldigdheid van de schenkbelasting is namelijk het gevolg van een bevoordeling uit vrijgevigheid. Die bevoordeling uit vrijgevigheid staat los van de wijze waarop die bevoordeling vorm krijgt. Die vorm is – in het geval van Henk – de overdracht van aandelen. De kostenpost staat daarom niet in een onmiddellijk verband met de verkrijging van de aandelen.

      Ook meent de Hoge Raad dat het aanmerken van de schenkbelasting als kostenpost, niet past binnen de verzakelijking van de verkrijgingsprijs die plaatsvindt in gevallen waarin een tegenprestatie ontbreekt, zoals bij een schenking. In die situatie wordt immers de schenking weggedacht en aangesloten bij de waarde in het economisch verkeer. Binnen die wegdenkgedachte past het niet om een betaald bedrag aan schenkbelasting tot de verkrijgingsprijs te rekenen.

      Schenking van aandelen en advisering

      Het schenken van aandelen in een vennootschap luistert zeer nauw. U kunt ervoor kiezen de aandelen eenvoudigweg te schenken, doch de kans is aanzienlijk dat u dan mogelijkheden laat liggen om de belastingdruk enigszins te beperken. Dat zou zonde zijn. In het voorgaande zag u onder meer dat voor een van de uitzonderingen geldt dat een 36 maandentermijn moet zijn volgemaakt. Het is daarom raadzaam om zo vroeg als redelijkerwijs mogelijk, een kundig adviseur in te schakelen. Wilt u niet zo lang wachten? Neem ook dan gerust eens contact op. Wij denken graag met u mee en een eerste kennismaking is geheel vrijblijvend.

Schenkbelasting en bedrijfsopvolging [news] 2021-06-14 0000-00-00 0000-00-00 7023

Bedrijfsopvolging en vastgoed

Op 18 juni 2021 deed de Hoge Raad uitspraak in een zaak waar wij als fiscalisten lang naar uit hebben gekeken. In dit arrest stond de bedrijfsopvolgingsregeling bij de verkrijging van (certificaten van) aandelen in een vastgoedbedrijf centraal. De Belastingdienst stelt hierbij meestal al snel: "vastgoed is geen bedrijf, dus geen BOR." In dit geval was de Belastingdienst iets milder in haar standpunt, voor de ontwikkeling was er sprake van een bedrijf (materiële onderneming) maar voor de verhuuractiviteiten niet. Kan dit ?

Belastingvrij vastgoedbedrijf overdragen, kan dit?

Henk is in 2012 overleden en tot de nalatenschap behoren certificaten (21% en 25%) in drie vastgoedbedrijven. De bedrijven hielden zich actief bezig met projectontwikkeling en verhuur van vastgoed. De erfgenamen deden natuurlijk een beroep op de gunstige bedrijfsopvolgingsregeling (heffing ongeveer 4% i.p.v. 35%). Ze stelden dat de beide activiteiten sterk met elkaar verweven waren en dat op beide activiteiten de BOR van toepassing moet zijn. De inspecteur stelt dat de BOR enkel ziet op de materiële onderneming, in deze de projectontwikkelingsactiviteiten. Lagere rechters (rechtbanken en gerechtshoven) willen nog wel eens meegaan met belastingplichtigen en de BOR ook van toepassing verklaren op verhuuractiviteiten. Als deze verhuuractiviteiten een hoog rendement opleveren en van enige omvang zijn (qua vermogen en werkzaamheden) kan hierop ook de BOR van toepassing zijn, aldus de rechter. Voor het rendement wordt dan gekeken naar de Nederlandse IPD vastgoedindex.

Verhuur onroerend goed en BOR

De rechter kijkt naar de zogenaamde arbeidsplus-toets:

  • Van het drijven van een onderneming is sprake bij aanwezigheid van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die
  • is gericht op het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer
  • met het oogmerk winst te behalen.

Bij de exploitatie van onroerende zaken geldt dat deze activiteiten slechts als het drijven van een onderneming kunnen worden aangemerkt indien:

  • de arbeid naar aard en omvang meer heeft omvat dan gebruikelijk is bij normaal vermogensbeheer; en
  • deze arbeid naar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van een rendement dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat.

Verwevenheid van activiteiten en BOR

Er moet gekeken worden naar de verwevenheid van de activiteiten. De ontwikkeling van vastgoed is namelijk nodig om uiteindelijk tot verhuur van vastgoed te komen, dit was ook de mening van de Advocaat-Generaal. Als deze activiteiten nauw met elkaar samenhangen, kan sprake zijn van feitelijk het drijven van één onderneming. Vervolgens volgt de vermogenstoets, dus met welk deel van het vermogen wordt een echt bedrijf / onderneming gedreven? Ook spelen hierbij de vermogensetiketteringsregels (privé, ondernemings- of keuzevermogen) een rol.

De Belastingdienst neemt meestal als uitgangspunt dat verhuur van vastgoed moet worden gezien als beleggen van vermogen en derhalve geen BOR. De Advocaat-Generaal is een stuk milder, als de verhuur van vastgoed binnen een bedrijf / onderneming een echte functie vervult, dan is feitelijk sprake van keuzevermogen en kan de BOR gewoon worden toepast. Als je sec naar de verhuur kijkt, is dit wellicht niet zo, het gaat dus om de combinatie.  

De Hoge Raad is het niet helemaal met de A-G eens. Er wordt eerst gekeken naar de verhuuractiviteiten (dus apart). Als deze op zichzelf geen onderneming kan vormen, dan komt de Hoge Raad niet toe aan de combinatie van beide activiteiten. Deze zaak wordt ook nog verwezen naar een ander Gerechtshof omdat nog moet worden onderzocht welke panden kunnen worden toegerekend aan de projectontwikkelingstak.

Noot fiscaal jurist inzake bedrijfsopvolging bij vastgoed

In deze casus ziet de Hoge Raad de verhuur en projectontwikkeling als twee takken van sport. De verhuuractiviteiten worden niet gezien als ondernemingsvermogen (dus geen BOR). Als er vooraf was gekeken of de regels inzake arbeidsplus-toets en de vermogensetikettering (keuzevermogen?) toepasbaar zijn, was er wellicht tot een andere uitkomst gekomen. Als er voldoende verwevenheid zou zijn geweest, had het geheel (indien het keuzevermogen zou zijn) gezien kunnen worden als "geheel ondernemingsvermogen". 

Het verhuurde vermogen in een bv is altijd een punt van discussie. Vervult dit vermogen een rol voor het ondernemingsvermogen binnen de bv? Het kan bijvoorbeeld nodig zijn als financiële dekking en / of het gevolg zijn van de projectontwikkeling. Ook kan het zo zijn dat op grond van de basisbeoordeling (arbeidsplus) de aard en omvang van de arbeid (en het rendement) ervoor zorgen dat sprake is van ondernemingsvermogen.

We zijn er dus nog niet en het zal discussie blijven opleveren met de Belastingdienst !

Zijn er vragen of opmerkingen of is er een discussie met de Belastingdienst? Bel ons gerust voor een second opinion of advies. Of de BOR de komende jaren blijft is thans onduidelijk, er zijn geluiden over een beperking, maar ook over een uitbreiding.

Bron vastgoed en BOR

Hoge Raad d.d. 18 juni 2021 ECLI:NL:HR:2021:953

Gerechtshof Amsterdam d.d. 12 maart 2020 ECLI:NL:GHAMS:2020:1168

Bedrijfsopvolging en vastgoed [news] 2021-07-01 0000-00-00 0000-00-00

Er is veel discussie over de bedrijfsopvolging bij een vastgoedbedrijf. Is dit een materiële onderneming, of deels of helemaal niet? Wat zegt de Hoge Raad?

7082

Uw B.V. en de bedrijfsopvolging: cumulatief preferente aandelen

Een derde van de familiebedrijven wil de zaak verkopen. Dat blijkt uit een onderzoek gehouden onder ondernemers in 2013. Veel van deze familiebedrijven worden in de vorm van een B.V. (besloten vennootschap) uitgeoefend.  Er zijn diverse manieren om uw onderneming over te dragen. In dit artikel behandelen wij een overdracht met behulp van cumulatief preferente aandelen. Aandelen simpelweg overdragen, al dan niet tegen schuldigerkennig, kan ook. Deze variant wordt hier beschreven.

Nieuws bedrijfsopvolging 2021 of 2022 

De Bedrijfsopvolgingsregeling staat al jaren onder druk. De regeling wordt vermoedelijk per 2022 (of wellicht eerder) versobert. De inkomstenbelasting bij een bedrijfsopvolging bedraagt 26,9% (cijfers 2021) en de erf of schenkbelasting 20% (over eerste € 100.000 slechts 10%). De totale belastingdruk is normaal dus ongeveer 40%.

Door de bedrijfsopvolgingsregeling is de effectieve druk slecht 4%. De eerste € 1.100.000 (afgerond) vrijgesteld en over het meerder zelfs 83%. Dit wordt onder de nieuwe regeling een stuk minder gunstig. Waarschijnlijk gaat de heffing van de genoemde 4% naar 25 - 30%.

Bedrijfsopvolging met cumulatief preferente aandelen

Als voorbeeld nemen we een eenvoudige structuur van een holding (van vader) en een werkmaatschappij, waarin de onderneming wordt gedreven. De opvolger, in dit geval de dochter, wil de zaak voortzetten. 

Een succesvolle bedrijfsopvolging kan worden gerealiseerd door het geheel of gedeeltelijk omvormen van de bestaande aandelen van de werkmaatschappij in cumulatief preferente aandelen (hierna: cumprefs) in combinatie met uitgifte van gewone aandelen aan de persoonlijke holding van de opvolgers.

De waarde en het rendement van de onderneming blijven dan bij de Holding B.V. van vader, de toekomstige waardestijging en de overwinsten komen dan toe aan (de B.V.’s van) de dochter. Ook financieringstechnisch gezien is dit een elegante oplossing, want er hoeft niet te worden betaald bij de uitgifte van de gewone aandelen. Deze zijn immers bij aanvang niets waard. Voor de omzetting van de aandelen in de werkmaatschappij is een statutenwijziging noodzakelijk. Daarvoor moet de notaris worden ingeschakeld.

De B.V. van vader houdt, na omzetting (naast eventuele gewone aandelen) de cumulatief preferente aandelen. Over de waarde van deze aandelen wordt een (primair) dividend uitgekeerd.

Het dividend kan jaarlijks worden uitgekeerd of 'rentedragend' worden bijgeschreven bij vader's Holding B.V. Over het eventueel bijgeschreven dividend dient in de toekomst dan weer het preferente dividend te worden berekend. Na verloop van tijd kunnen de aandelen van de werk-B.V. worden ingekocht, of kunnen de aandelen worden overdragen aan de holding van dochter.

Als bij de inkoop van deze aandelen externe financiering benodigd is, biedt deze structuur het voordeel dat de financiering op het niveau van de werkmaatschappij plaatsvindt. Hierdoor is de fiscale verrekening van de rentelast in beginsel geen probleem.

Afstemming fiscus

In het geval van overdracht binnen de familiesfeer zal de fiscus kritisch toezien op de zakelijkheid van de omzetting. Er moet worden voorkomen, dat er door de omzetting goodwill en / of stille reserves naar de opvolger verschuiven. Ook dient het dividendpercentage op de cumprefs zakelijk te zijn. Dit vergt afstemming met de Belastingdienst.

De Belastingdienst pleegde akkoord te gaan met een preferent dividend dat is gebaseerd op de rente op staatsobligaties met een geringe opslag. Vaak werd in de praktijk bij de 7% aangesloten die ooit in een (overigens niet van toepassing zijnd) besluit is genoemd. Vaak wordt nu een hoger primair dividend geëist.

Voorwaarden

De door de fiscus gestelde voorwaarden zijn:

  1. De gewone aandelen worden bij statutenwijziging omgevormd tot cumulatief preferente aandelen.
  2. De aan de om te zetten gewone aandelen verbonden zichtbare en stille winstreserves, alsmede goodwill worden toegerekend aan de preferente aandelen. Hiertoe worden in de jaarrekening en in de statuten afzonderlijke reserves gecreëerd.
  3. De preferente aandelen geven recht op een zakelijke vergoeding voor het ter beschikking stellen van vermogen (primair dividend).
  4. Indien in enig jaar in plaats van een werkelijke dividenduitkering een bijschrijving plaatsvindt op de aan de preferente aandelen verbonden winstreserverekening, bestaat in de daaropvolgende jaren ook recht op het vastgestelde percentage primair dividend over deze bijschrijving.
  5. Indien in enig jaar een verlies wordt afgeboekt op de aan de preferente aandelen verbonden winstreserverekening, wordt, als in een later jaar winst wordt gemaakt, een gelijk bedrag weer bijgeschreven op deze winstreserverekening.
  6. Bij liquidatie van de vennootschap worden de aan de preferente aandelen verbonden winstreserves uitgekeerd aan de houder van de preferente aandelen.

Toepassing bedrijfsopvolgingsfaciliteiten

Het prettige voordeel van het werken met cumprefs boven een gewone overdracht van aandelen is, dat bij de cumprefs de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten blijven bestaan ten aanzien van de aandelen met een vastgestelde waarde. Deze aandelen kunnen dus desgewenst ooit worden geschonken aan de opvolgers. Of ze gaan bij vererving over. Let op dat hier wel voorwaarden aan zijn gesteld:

  • De preferente aandelen vormen een omzetting van een eerder door de erflater of schenker gehouden aanmerkelijk belang van gewone aandelen.
  • De omzetting tot preferente aandelen is gepaard met het toekennen van gewone aandelen aan een ander (hier: de dochter). Door de Staatssecretaris is aangegeven dat hieraan ook is voldaan als van de door de overdrager gehouden gewone aandelen slechts een deel van de aandelen wordt omgezet in preferente aandelen en de rest van de aandelen overgaat naar de opvolger.
  • Ten tijde van de omzetting tot preferente aandelen dreef de vennootschap waarop de omgezette aandelen betrekking hadden een "echte" onderneming.
  • De verkrijger van de preferente aandelen is reeds voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder van gewone aandelen.
  • De verkrijging van indirect gehouden preferente aandelen, dus via een personal holding B.V. van vader, kan eveneens voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in aanmerking komen, omdat deze preferente deelneming als ondernemingsvermogen kan worden beschouwd voor zover dit ten tijde van de verkrijging betrekking heeft op ondernemingsvermogen in de werkmaatschappij.
[news] 2014-02-03 0000-00-00 0000-00-00 4206
Bedrijfsopvolging voorbereiden

Tijdig uw bedrijfsstructuur aanpassen, maakt de toekomstige bedrijfsopvolging eenvoudiger en goedkoper. Bent u van plan om binnen nu en tien jaar te stoppen met uw onderneming, laat dan beoordelen of uw structuur wel deugt! Aan een oriënterend gesprek met één van onze adviseurs zijn geen kosten verbonden.

Bedrijfsoverdracht

Uw administratie wordt uiteraard al jaren tot volle tevredenheid door een administratie- of accountantskantoor verzorgd. Al jarenlang heeft u regelmatig contact met uw adviseur, en ook de Belastingdienst heeft nooit aanleiding gezien u lastige vragen te stellen. U ziet de relatie met uw adviseur dan ook terecht als zeer waardevol. Laat dat ook vooral zo blijven.

Toch kan het goed zijn dat wij een keer met een objectieve en frisse blik naar de fiscale positie van u en uw bedrijf kijken. Een fiscalist beschikt immers over specifieke expertise, die uw accountant of administrateur mogelijk niet of niet voldoende heeft. Dat is logisch, want het is ons dagelijks werk. Ieder zijn vak!

Zaken waar wij bijvoorbeeld over kunnen adviseren, is uw toekomstige bedrijfsoverdracht. Dat lijkt misschien nog ver weg, maar het opzetten van een goede structuur is van groot belang en moet vaak tijdig worden gedaan. Een termijn van drie jaar is vaak noodzakelijk om te voorkomen dat wettelijke termijnen een soepele overgang later toch nog ingewikkelder of duurder maken. In combinatie met de bedrijfsopvolgingsfaciliteit voor het successierecht kan (nu of later) een forse besparing van belasting worden bereikt. Het is een kwestie van goed plannen en tijdig de juiste beslissingen nemen.

Ook zien wij in de praktijk dat zaken als rechtsvorm, gebruikelijk loon, fiscale voorzieningen, uw oudedag, een nadere advisering behoeven. Specifieke materie, waar wij graag met u over spreken. Samen met uw adviseur en eventueel met andere professionals als een bank of uw notaris. Omdat veel van deze aspecten het doel hebben uiteindelijk veel belasting te besparen, zijn wij graag bereid de regie hierover in handen te nemen, zodat u gewoon kunt blijven doen waar ú goed in bent, zonder bezorgd te zijn dat u uiteindelijk veel teveel belasting betaalt.   

En dat is goed, voor u en uw adviseur. Wij zijn u graag van dienst.

]]>

Bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet in strijd met gelijkheidsbeginsel

Op 21 november heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in de vijf geselecteerde proefprocedures met betrekking tot de bedrijfsopvolgingsfaciliteit. De rechtbank Breda heeft in een geruchtmakende uitspraak op 13 juli 2012 geoordeeld dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in strijd was met het gelijkheidsbeginsel.In veel gevallen hebben belastingplichtigen bezwaar aangetekend.De Hoge Raad oordeelde, niet geheel onverwacht het tegenovergestelde. Elders op deze site heeft u al veel kunnen lezen over de aanleiding van deze uitspraak.



De Hoge Raad constateerde dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit onder meer is ingevoerd omdat de heffing van successie- en schenkingsrecht bij verkrijging van ondernemingsvermogen liquiditeitsproblemen met zich mee kan brengen. Hoewel het inderdaad kan voorkomen dat de faciliteit wordt toegepast terwijl er geen sprake is van liquiditeitsproblemen, betekent dat volgens de Hoge Raad niet dat de veronderstellingen van de wetgever evident onredelijk zijn. Volgens de Hoge Raad heeft de wetgever haar ruime beoordelingsvrijheid bij invoering van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit daarom niet overschreden. Zodoende is er geen sprake is van een bevoordeling van de verkrijging van ondernemingsvermogen ten opzichte van de verkrijging van overige vermogensbestanddelen. Van discriminatie kan daarom geen sprake zijn.

- See more at: http://www.estateplanningsjuristen.nl/ondernemers/hoge_raad_bedrijfsopvolgingsfaciliteit_alleen_voor_ondernememingsvermogen/#sthash.Q7qMWuV8.dpuf

Bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet in strijd met gelijkheidsbeginsel

Op 21 november heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in de vijf geselecteerde proefprocedures met betrekking tot de bedrijfsopvolgingsfaciliteit. De rechtbank Breda heeft in een geruchtmakende uitspraak op 13 juli 2012 geoordeeld dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in strijd was met het gelijkheidsbeginsel. In veel gevallen hebben belastingplichtigen bezwaar aangetekend. De Hoge Raad oordeelde, niet geheel onverwacht, het tegenovergestelde. Elders op deze site heeft u al veel kunnen lezen over de aanleiding van deze uitspraak.



De Hoge Raad constateerde dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit onder meer is ingevoerd omdat de heffing van successie- en schenkingsrecht bij verkrijging van ondernemingsvermogen liquiditeitsproblemen met zich mee kan brengen. Hoewel het inderdaad kan voorkomen dat de faciliteit wordt toegepast terwijl er geen sprake is van liquiditeitsproblemen, betekent dat volgens de Hoge Raad niet dat de veronderstellingen van de wetgever evident onredelijk zijn. Volgens de Hoge Raad heeft de wetgever haar ruime beoordelingsvrijheid bij invoering van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit daarom niet overschreden. Zodoende is er geen sprake van een bevoordeling van de verkrijging van ondernemingsvermogen ten opzichte van de verkrijging van overige vermogensbestanddelen. Van discriminatie kan daarom geen sprake zijn.

[news] 2013-11-24 2013-11-24 2014-01-31 4153

Bedrijfsopvolging en CV-structuur

Er komt een moment in het leven van u als ondernemer dat u het bedrijf moet overdragen, en dan vaak aan de kinderen. Zowel financieel als emotioneel is dat een grote stap. Uit onderzoek blijkt dat men in meer dan 25% van de gevallen ontevreden is over de advisering. Wellicht omdat niet alle mogelijkheden benut zijn of omdat men niet alle consequenties vooraf goed kon overzien of er op is gewezen.

Het overdragen van uw eenmanszaak kan eenvoudig worden gerealiseerd door de onderneming te verkopen aan de zoon of dochter, eventueel gevolgd door het kwijtschelden van de koopsom. Dit kan al dan niet fiscaal geruisloos. Elders op deze website meer hierover.

Een fraaie vorm om uw eenmanszaak over te dragen is het aangaan van een Vennootschap onder Firma (VOF) of een commanditaire vennootschap (CV) met uw opvolger. Over deze laatste en over de voordelen daarvan gaat dit artikel.

Bedrijfsovername via Commanditaire Vennootschap (CV)

Bij een CV blijft u betrokken bij de zaak. Uw ondernemingsvermogen blijft als commanditair kapitaal in de onderneming en het aantrekken van extra financiering is derhalve niet direct nodig. Dat is in deze tijd wel zo prettig. U staakt uw onderneming niet, dus fiscaal rekent u niet af over zaken als goodwill, stille reserves in activa en fiscale reserves, zoals FOR. Ook is er geen sprake van desinvesteringsbijtelling. In tegenstelling tot het overdragen tegen een vordering op de opvolger (zoals zo vaak gebeurt) blijft uw vermogen in de ondernemingssfeer. Een onverhoopt verlies blijft dan fiscaal aftrekbaar. Een vordering op de opvolger in box 3 is dat niet, tenzij er sprake is van een zogenaamde ongebruikelijke  terbeschikkingstelling, maar dit terzijde. Uw aansprakelijkheid gaat als commandiet niet verder dan hetgeen u in de CV heeft ingebracht. In een gewone VOF bent u hoofdelijk aansprakelijk.

Als commandiet geniet u winst uit onderneming, maar bent u geen ondernemer in de zin van de faciliteiten voor ondernemers. U geniet alleen de MKB winstvrijstelling. Uw winstaandeel, bestaande uit een vergoeding voor uw kapitaal (waarde van hetgeen u heeft ingebracht, inclusief de voorbehouden stille reserves) is dan toch lager belast! U kunt er overigens voor kiezen een gedeelte van de activa (bijvoorbeeld het bedrijfspand) buiten de inbreng in de CV te houden en te verhuren aan de CV.

Na verloop van tijd kunt u op een geschikt moment uw aandeel in de CV doorschuiven aan de opvolger, de beherend vennoot, en pas dan is de overdracht voltooid. Deze overdracht is een staking en leidt tot stakingswinst. Hierop zijn de faciliteiten van de geruisloze doorschuiving en de stakingswinstlijfrente van toepassing. Deze mogelijkheden worden elders op de site verder uiteengezet.

Kort samengevat de voordelen van de CV voor de bedrijfsopvolging in het familiebedrijf:

  • geen fiscale afrekening;
  • geen overdracht dus geen directe financiering door de opvolger;
  • beperking aansprakelijkheid tot bedrag inbreng;
  • ondernemingsvermogen dus mogelijkheid afwaardering;
  • MKB winstvrijstelling;
  • latere (geruisloze) doorschuiving mogelijk;
  • gevoelsmatig nog meer betrokken, ook naar relaties.
[news] 2014-01-09 0000-00-00 0000-00-00 4189

Bedrijfsopvolgingsfaciliteiten voor de inkomstenbelasting en schenk- en erfbelasting

Als uw bedrijf wordt gestaakt, verkocht of geschonken, liggen er diverse fiscale claims op de loer. Deze claims kunnen (deels) worden voorkomen of uitgesteld. Hoe dat in zijn werk gaat, leest u hieronder in de korte samenvatting van de huidige faciliteiten.

In de situatie dat de in privé gedreven (IB-)onderneming wordt overgedragen, moet gewoonlijk worden afgerekend met inkomstenbelasting. Bij verkoop van aandelen in uw B.V. moet in de aanmerkelijk belangsfeer worden afgerekend. Bij een overgang daarna van het (netto) vermogen naar uw kinderen door schenking of bij overlijden, is er ook nog eens minimaal 10% en maximaal 20% belasting verschuldigd. Teneinde de overdracht van uw onderneming naar bijvoorbeeld uw kinderen fiscaal geruisloos te laten verlopen en zo de continuïteit niet in gevaar te brengen, zijn er enkele bedrijfsopvolgingsfaciliteiten die hieronder kort uiteen worden gezet.

Inkomstenbelasting

1. Doorschuiven IB-onderneming

Een ondernemer kan zijn onderneming geruisloos doorschuiven aan een mede-ondernemer, die tenminste gedurende drie jaar als mede-ondernemer of als werknemer in de onderneming heeft gewerkt. De voortzetter gaat dan verder met de boekwaarden van de overdrager en neemt de fiscale claim ook over. Voor de liefhebbers: artikel 3.63 van de wet IB 2001. De koopsom kan aan de overdrager worden uitbetaald of door de overdrager aan zijn opvolger worden kwijtgescholden. De fiscale oudedagsreserve (FOR) kan alleen naar de partner worden doorgeschoven.

2. Doorschuiven IB-onderneming bij overlijden

Bij overlijden, ziekte en arbeidsongeschiktheid en enkele andere omstandigheden geldt de termijn van drie jaar niet en is de doorschuiffaciliteit direct van toepassing.

3. Doorschuiving van aanmerkelijk belang bij overlijden

Bij overlijden van de aanmerkelijk belanghouder wordt er geen aanmerkelijk belang geheven bij overgang onder algemene titel (erven) of bijzondere titel (legaat) als voldaan wordt aan de volgende eisen:

  • de vennootschap drijft een onderneming (en is dus geen belegger) of is medegerechtigde;
  • de aandelen vormen geen aanmerkelijk belang op grond van de meetrekregeling;
  • de aandelen vormen geen ondernemingsvermogen;
  • een verkrijging bij legaat moet binnen twee jaar na overlijden plaatsvinden.

Het gedeelte van de overdrachtsprijs dat aan het vermogen van de onderneming is toe te rekenen, vermeerderd met 5% van het beleggingsvermogen, wordt zonder heffing doorgeschoven naar de erfgenamen / legataris (artikel 4.17a Wet IB 2001).

Voor preferente aandelen gelden aanvullende voorwaarden. Er moet onder meer sprake zijn van een eerdere omzetting van gewone aandelen, waarbij gewone aandelen aan een ander zijn uitgegeven. Zoals bij een gewone bedrijfopvolging dus.

4. Doorschuiving van aanmerkelijk belang bij schenking van aandelen

Schenking van aandelen aan de opvolger kan ook al bij leven. Daarvoor gelden dezelfde eisen als hierboven onder 1 tot en met 3 genoemd. Daarnaast geldt echter de aanvullende eis, dat de verkrijger al sinds drie jaar bij de vennootschap, waarvan de aandelen worden geschonken, in dienstbetrekking is.

Een en ander lijkt eenvoudig, maar is in de uitvoering redelijk complex en vereist dus de nodige planning.

Schenk- en erfbelasting

Hierboven hebben wij in het kort de inkomstenbelastinggevolgen van doorschuiving van ondernemingsvermogen besproken. Indien er ondernemingsvermogen wordt verkregens krachtens schenking of vererving heeft dit ook nog eens consequenties voor de Successiewet.

Bij het schenken of erven van vermogen van ouders aan kinderen is in beginsel 10% - 20% belasting verschuldigd. Bij kleinkinderen is het tarief 80% hoger, derhalve 18% - 36%. Bij een bedrijfsopvolging kan onder voorwaarden gebruik worden gemaakt van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten. Vanaf 1 januari 2010 geldt een forse vrijstelling voor ondernemingsvermogen. Over een waarde van ruim € 1.000.000 is helemaal geen erf- of schenkbelasting verschuldigd, daarboven is 83% vrijgesteld. Als er dan toch nog over de resterende 17% belasting is verschuldigd, kan daarvoor rentedragend uitstel worden verleend.

Voor de onderstaande ondernemingsgerelateerde vermogensbestanddelen kan van deze faciliteit gebruik worden gemaakt:

  • de IB-onderneming;
  • een medegerechtigdheid;
  • de aanmerkelijk belangaandelen van uw BV of NV;
  • onroerende zaken die onder de TBS-regeling vallen.

Er moet sprake zijn van een reële bedrijfsopvolging. Als voorwaarde geldt daarbij een bezitseis en een voortzettingseis.

De bezitseis bij overlijden houdt in dat de erflater de hierboven genoemde onderneming al tenminste één jaar dreef, de aandelen of andere kwalificerende vermogensbestanddelen al één jaar had. Bij schenking geldt een termijn van vijf jaren.

De voortzettingseis geldt ten aanzien van de erfgenaam of begunstigde, deze moet de onderneming vijf jaar voortzetten of de aandelen vijf jaar houden. Gebeurt dat niet, dan vervalt de vrijstelling alsnog. Het betreft derhalve een voorwaardelijke vrijstelling.

Bedrijfsopvolging en materiële onderneming

Als er een B.V. is met enkele onroerende zaken of niet duidelijk een materiële onderneming wordt gedreven, moet u erfbelasting en box 2 heffing betalen als u komt te overlijden, dit kan zomaar 50% van het vermogen van de B.V. kosten (aan erfbelasting en inkomstenbelasting).

De bedrijfsopvolgingsregeling is een geweldige manier om de erfbelasting en box 2 heffing te voorkomen, deze regeling is door de overheid echter enkel opgesteld voor "echte bedrijven". Er komen steeds meer uitspraken waaruit volgt dat een beleggingsmaatschappij / B.V. met onroerend goed niet snel een materiële onderneming is. Als u zo'n type onderneming drijft, laat u dan tijdig adviseren, wellicht is er dan nog iets mogelijk qua structurering.

Er bestaat veel jurisprudentie over de materiële onderneming en de bedrijfsopvolgingsfaciliteit. Waardoor u wellicht door de bomen het bos niet meer ziet. Het is verstandig om in overleg met een fiscaal jurist te bekijken welke uitspraak het meeste lijkt op uw situatie. Een voorbeeld is de uitspraak van de Rechtbank Arnhem d.d. 18 december 2012 (gepubliceerd 8 maart 2013). In deze uitspraak bestaan de activiteiten in de B.V. voornamelijk uit verhuur van bedrijfspanden en woningen. De huuropbrengst bedraagt € 300.000 per jaar. De heer X doet een beroep op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (artikel 35b en artikel 35c van de Successiewet 1956). De inspecteur weigert de bedrijfsopvolgingsfaciliteit en de heer X stapt naar de rechter. De rechter stelt dat de arbeid binnen de B.V. beperkt is en het normale vermogensbeheer niet te boven gaat. Het verrichten van onderhoud en voeren van onderhandelingen met huurders behoren tot de gebruikelijke werkzaamheden. Conclusie Rechtbank: geen bedrijfsopvolgingsfaciliteit.

Tot besluit

Er zijn zeer interessante regelingen voor bedrijfsopvolging in de inkomstenbelasting en de schenk- en erfbelasting. Er kunnen hiermee grote fiscale voordelen behaald worden. Vanzelfsprekend is de praktijk vaak een stuk weerbarstiger dan de theorie, zodat u zich tijdig en goed moet laten adviseren. Wij zijn u daarbij graag van dienst. Samen met bijvoorbeeld uw eigen notaris en accountant kunnen wij tot een afgewogen advies komen.

[news] 2011-03-07 2011-03-07 2011-05-07 3314

"Hoe kan ik gunstig mijn bedrijf overdragen aan mijn kinderen?"

Sinds 2010 is het mogelijk uw onderneming onder voorwaarden belastingvrij over te dragen aan uw kinderen. Hierin zijn de voorwaarden voor het schenken van uw onderneming aanmerkelijk versoepeld.

De faciliteit

  • U kunt 100% van uw onderneming tot een bedrag van ruim € 1 miljoen belastingvrij schenken (voorheen was dit maximaal 75%), voor het meerdere geldt voor 83% de vrijstelling.  
  • U kunt uitstel van betaling krijgen voor het resterende bedrag van de schenking.
  • De faciliteit geldt ook voor onroerend goed dat u vanuit privé aan de vennootschap ter beschikking stelt.
  • Er worden geen voorwaarden meer gesteld aan uw leeftijd en / of de mate van arbeidsongeschiktheid.

Waar moet ik op letten?

  • De regeling geldt alleen voor "echte" ondernemingen en niet voor beleggingsvennootschappen. Slechts 5% van het geschonken bedrijf mag bestaan uit beleggingsvermogen.
  • De schenker moet het bedrijf minimaal 5 jaar in bezit hebben gehad (bij overlijden geldt een minimum bezitseis van 1 jaar) en de begunstigde moet minimaal 5 jaar de onderneming voortzetten.
  • Bij preferente aandelen gelden andere voorwaarden; deze kunnen slechts onder de vrijstelling vallen, indien deze zijn ontstaan als gevolg van de gefaseerde overdracht van de onderneming.
  • U moet om de regeling verzoeken; hij is anders niet van toepassing.
  • Vergeet de andere kinderen niet.

Bedrijfsopvolgingsfaciliteit en vastgoed

Regelmatig krijgen wij zaken voorbij waar het de vraag is of er sprake is van een materiële onderneming. Een voorbeeldcasus is de procedure bij het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden d.d. 5 november 2013. Vader komt in 2005 te overlijden. In 2001 is een nieuw testament opgesteld. De vrouw en 3 kinderen zijn als erfgenamen in het testament opgenomen. Tot 2000 was vader betrokken bij een schildersbedrijf (in een werkmaatschappij). Daarna is hij met pensioen gegaan. In de B.V. zaten op het moment van overlijden ruim 15 panden die werden verhuurd. Het eigen vermogen bedroeg ongeveer € 1 miljoen. In de B.V. kwam qua omzet voornamelijk huur binnen. Er worden in de B.V. regelmatig (zeg jaarlijks) wel panden gekocht of verkocht. Er wordt ongeveer € 200.000 aan erfbelasting betaald en er wordt bezwaar en beroep aangetekend tegen de aanslag. De erfgenamen zijn van mening dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van toepassing is (artikel 35b en verder Successiewet of op grond van gelijkheidsbeginsel). Op grond van artikel 35c eerste lid Successiewet moet het gaan om een "echte onderneming": een onderneming welke een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid vormt.

Van een materiële onderneming is bij exploitatie van onroerende goederen sprake indien de in dat kader te verrichten of verrichte arbeid qua aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van een rendement dat het rendement bij normaal vermogensbeheer te boven gaat.

Volgens de erflaters was vader hier erg druk mee, de volgende zaken worden gesteld:

  • er worden regelmatig panden gekocht en verkocht;
  • rendement is hoger dan bij normaal vermogensbeheer;
  • er worden zelfstandig huurovereenkomsten opgesteld;
  • er wordt zelfstandig naar huurders gezocht;
  • begeleiding van onderhoud;
  • actieve rol binnen vereniging van eigenaren;
  • wijzigingen in bestemmingsplannen;
  • splitsen van eigendomsrechten.

Het Gerechtshof is van mening dat er geen sprake is van een materiële onderneming. De conclusie is dat bij bedrijfspanden een zeer actieve rol erg belangrijk is. Er moeten zoveel als mogelijk zelf werkzaamheden worden verricht (eigen bouwvakker in dienstbetrekking, eigen huuradministratie, werknemer voor algemene zaken, etc.).

Bedrijfsopvolging en privévermogen

We hebben even gedacht of de bedrijfsopvolgingsfaciliteit wellicht ook van toepassing zou kunnen zijn op privévermogen. Volgens de rechtbank en de advocaat-generaal zou dit wellicht kunnen. De Hoge Raad was er snel klaar mee. De uitspraak in cassatie is op 22 november 2013 bekend geworden. Hoewel de advocaat-generaal nog positief voor de belastingplichtige adviseerde, ging de Hoge Raad hierin niet mee. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat onze wetgever een duidelijk onderscheid mag maken tussen ondernemingsvermogen en particulier vermogen. De bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) in de Successiewet is volgens de Hoge Raad niet in strijd met het discriminatieverbod, omdat er gerechtvaardigde doelstellingen aan dit onderscheid ten grondslag hebben gelegen. Bij bedrijven kan er namelijk een groot liquiditeitsprobleem ontstaan als er belasting verschuldigd zou zijn. Bron Hoge Raad 22 november 2013.

Advies

Mocht u voornemens zijn op termijn uw onderneming over te dragen aan uw kinderen, laat u dan tijdig adviseren. Om alles optimaal te kunnen regelen, is het 't beste om minimaal 3 jaar vóór de daadwerkelijke overdracht een en ander reeds in gang te zetten. De bedrijfsopvolgingsregeling is de meest makkelijke manier om belastingvrij vermogen over te dragen aan uw kinderen; de meest ideale vorm van estate planning.

[news] 2010-05-11 0000-00-00 0000-00-00 2785
2014-01-09 0000-00-00 0000-00-00 4187 Jurisprudentie bedrijfsopvolging [news] 2014-01-09

Bedrijfsopvolgingsregeling en materiële onderneming

In een uitspraak van de rechtbank Arnhem d.d. 1 november 2012 kwam de bedrijfsopvolgingsregeling in het kader van de materiële onderneming aan de orde. Tevens heeft de rechtbank Arnhem - vrij uitgebreid - haar oordeel gegeven over de mogelijke discriminatie binnen deze regeling.

Feiten uit de uitspraak over de bedrijfsopvolgingsregeling

Op 16 oktober 2005 is de heer A overleden. Hij had een testament opgesteld, zijn echtgenote en zijn drie kinderen zijn erfgenaam. Tot de nalatenschap behoorden aandelen in X Onroerend Goed B.V. (hierna: de B.V.). Deze B.V. bezat 15 panden die in de periode 1989 tot en met 2003 met eigen geld zijn aangekocht. De panden worden verhuurd aan een derde. De kinderen kregen (via een legaat) de aandelen in de B.V. De vraag is: vormen de verhuurde panden een materiële onderneming of niet? De werkzaamheden bestonden uit: 

  • de aan- en verkoop van panden;
  • het zoeken van huurders;
  • het onderhouden van contacten met huurders;
  • het (laten) verbouwen van de panden;
  • het (laten) onderhouden van de panden;
  • het onderhouden van het dagelijkse contact met de aannemer;
  • het bekleden van bestuursfuncties in de verenigingen van eigenaren van de panden (hierna: de VVE);
  • het wijzigen van de bestemmingen van de panden;
  • het opstellen van huurovereenkomsten;
  • het kadastraal splitsen van de panden;
  • het oprichten van de VVE’s en het zorgen voor verdeelsleutels over de stemmen.

Geschil bedrijfsopvolgingsregeling en bedrijfspanden / onroerende zaken

Er wordt een beroep gedaan op de bedrijfsopvolgingsregeling zoals opgenomen in artikel 35b, tweede lid, sub b, juncto artikel 35c, eerste lid, van de Successiewet 1956 (hierna: de SW). Het beroep op deze regeling is door de Belastingdienst afgewezen, er is niet aannemelijk gemaakt dat de B.V. met haar vermogen een onderneming drijft, aldus de Belastingdienst.

Als deze vraag ontkennend wordt beantwoord, dan stellen de kinderen dat sprake is van strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel.

Rechter over de bedrijfsopvolgingsregeling en onroerende zaken

Is een B.V. met panden een onderneming die recht heeft op de bedrijfsopvolgingsregeling?

Ingevolge het genoemde artikel uit de successiewet (artikel 35b, tweede lid, aanhef en onderdeel b) kan de bedrijfsopvolgingsregeling worden toegepast als er aandelen worden verkregen in een B.V. welke een echte / materiële onderneming drijft. Het mag dus niet gaan om:

  • een lichaam waarvan de feitelijke werkzaamheid bestaat in het, onmiddellijk of middellijk, beleggen van vermogen of daarmee overeenkomende werkzaamheid, die behoorden tot een aanmerkelijk belang in de zin van afdeling 4.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

De rechter gaat er eens goed voor zitten en komt met een uitgebreide uiteenzetting. De rechtbank overweegt dat naar vaste jurisprudentie het volgende onderscheid kan worden gemaakt:

  • Een onderneming is een duurzame organisatie die erop is gericht met behulp van arbeid en / of kennis en veelal van kapitaal deel te nemen aan het maatschappelijke productieproces met het oogmerk om winst, dat wil zeggen baten die het normale rendement overstijgen te behalen.
  • Van normaal vermogensbeheer is niet langer sprake indien het rendabel maken van onroerende zaken mede geschiedt door middel van arbeid die de eigenaar van de onroerende zaken verricht en welke arbeid naar aard en omvang onmiskenbaar tot doel heeft het behalen van redelijkerwijs te verwachten voordelen uit de onroerende zaken, die het rendement bij een normaal vermogensbeheer te boven gaan (zie Hoge Raad 7 oktober 1981, nr. 20733, BNB 1981/299, Hoge Raad 17 augustus 1994, nr. 29.755, LJN ZC5731, BNB 1994/319 en Hoge Raad 9 oktober 2009, nr. 43.035, LJN BI0481, BNB 2010/117).

Volgens de rechter is bij de B.V. sprake van normaal vermogensbeheer en niet meer dan dat. De eiser / kinderen noemen allerlei dingen die zouden worden gedaan, maar dit wordt onvoldoende aangetoond. Tevens wordt onvoldoende aangetoond dat door de arbeid (onder meer van de heer A, de erflater) een hoger rendement is behaald dan bij normaal vermogensbeheer. Hierbij weegt de rechter ook mee:

  • De onroerende zaken zijn aangeschaft met eigen vermogen, wat wijst op beleggingsactiviteiten.
  • Overige werkzaamheden gaan een normaal vermogensbeheer niet te boven.
  • Van een bovengemiddelde waardestijging van de panden ten gevolge van de door erflater verrichte verbouwingen is niets gebleken.
  • Het wijzigen van de bestemming van de panden heeft betrekking gehad op slechts één pand.
  • Erflater's kennis van onroerende zaken was niet van dien aard dat hiermede een hoger rendement werd behaald. Erflater is nooit beroepsmatig werkzaam geweest op de vastgoedmarkt.
  • De omvang van alle werkzaamheden zijn volgens verweerder ook niet zodanig dat sprake is van een onderneming. De werkzaamheden dienen ieder voor zich te worden beoordeeld.
  • Er wordt geen onderbouwing gegeven van de activiteiten die worden verricht, ze worden wel genoemd maar daar blijft het ook bij.
  • Er is niet aannemelijk gemaakt dat de bedoelde activiteiten dermate frequent plaatsvonden en dermate omvangrijk en renderend waren, dat zij tot een hoger rendement dan bij een normaal vermogensbeheer hebben geleid.
  • Meeste werkzaamheden hadden een incidenteel karakter.

Conclusie: er is sprake van normaal vermogensbeheer, het duurzaamheidsvereiste ontbreekt en er is geen sprake van een materiële onderneming. Er is sprake van een beleggingsportefeuille in een B.V., niet meer dan dat.

Wordt het gelijkheidsbeginsel geschonden?

De kinderen proberen nog een andere route, namelijk dat op grond van het gelijkheidsbeginsel alsnog de aanslag op nihil moet worden vastgesteld, dit op grond van de bekende uitspraak van de Rechtbank op 13 juli 2012, nr. 11/5509, LJN BX3386, V-N 2012/43.20, waarin is geoordeeld dat op grond van dit beginsel de (voorwaardelijke) vrijstelling van de bedrijfsopvolgingsregeling ook op de verkrijging van privévermogen moet worden toegepast. De rechter gaat hier uitgebreid op in, zie hieronder de overwegingen: 

  • De rechtbank stelt voorop dat het vraagstuk of sprake is van gelijke gevallen dient te worden bezien vanuit de doelstelling van de regeling. Beoordeeld dient te worden met welke redenen de wetgever een eventueel onderscheid heeft gemaakt. Hierbij zij opgemerkt dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of voor de toepassing van artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM gevallen als gelijk dienen te worden beschouwd (HR 8 juli 2005, nr. 39.870, LJN AQ7212, BNB 2005/310). Het oordeel van de wetgever dient te worden geëerbiedigd tenzij het van redelijkheid is ontbloot (EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003/52.2). De wetgever kent een zogenoemde ‘wide margin of appreciation’ (EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398). De vraag die beantwoording behoeft, is of de wetgever deze ‘margin’ heeft overschreden bij het vormgeven van de bedrijfsopvolgingsregeling.
  • Ingevolge de artikelen 35b en 35c juncto 31a van de SW wordt op verzoek van de verkrijger de bedrijfsopvolgingsregeling toegepast, onder de voorwaarde dat het verkregen (ondernemings)vermogen gedurende een periode van ten minste vijf jaren rechtstreeks wordt voortgezet. Indien aan dit voortzettingsvereiste wordt voldaan, dan geldt een vrijstelling van zestig percent van het verkregen vermogen (wettekst 2005). Het vrijgestelde belastingbedrag wordt wederom op verzoek van de verkrijger geheven bij wege van conserverende aanslag.
  • Zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de hierboven beschreven bepalingen, is de bedrijfsopvolgingsregeling door de wetgever in het leven geroepen teneinde een (gedeeltelijke) oplossing te bieden voor die gevallen waarin bedrijfsopvolging na overlijden of schenking zou worden bemoeilijkt doordat over de verkrijgingen successie- of schenkingsrecht zou moeten worden voldaan. De wetgever achtte het vanuit algemeen sociaal-economisch belang onwenselijk dat een onderneming die overgaat door vererving moet worden gestaakt of geforceerd moet worden verkocht zonder dat de bedrijfsresultaten daar aanleiding toe geven, met als gevolg een verlies aan werkgelegenheid en economische diversiteit. De ondernemer is met andere woorden in zijn bestedingsmogelijkheden beperkt; het vermogen zit vast in de onderneming (zie MvT, Kamerstukken II 1997/1998, 25 688, nr. 3, blz. 7).
  • Gelet op de duidelijke bewoordingen van de wettelijke regeling en de bijbehorende wetsgeschiedenis heeft eiser, zoals hiervoor onder 4.5 is overwogen, geen recht op toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling, daar hij geen materiële onderneming heeft geërfd en deze ook niet kan voortzetten. Naar het oordeel van de rechtbank komt eiser ook op grond van het gelijkheidsbeginsel hiervoor niet in aanmerking. In het licht van de in ro. 4.7 genoemde jurisprudentie dient ter beoordeling van een mogelijke overschrijding van bevoegdheden specifiek te worden gekeken naar de redenen die de wetgever heeft gehad voor de invoering van de te toetsen regeling en het daarin gemaakte onderscheid. Uit de wetsgeschiedenis blijkt onmiskenbaar dat het doel van de bedrijfsopvolgingsregeling is het voorkomen van liquiditeitsproblemen bij ondernemingen als gevolg van de heffing van schenkings- of successierecht opdat het voortbestaan van de ondernemingen niet in gevaar komt. Bezien vanuit dat doel brengen erfrechtelijke verkrijgingen van ondernemings- en privévermogen verschillende risico’s met zich en zijn zij als zodanig niet te beschouwen als gelijke gevallen. Eiser loopt met de verkrijging van de aandelen in een B.V. waarin geen onderneming wordt gedreven en met de betaling van het successierecht eenvoudigweg niet dezelfde bestaansrisico’s als de toekomstig ondernemer die voor deze betaling mogelijkerwijs het ondernemingsvermogen moet aanwenden. De wetgever heeft met het maken van een onderscheid tussen de typen vermogens derhalve een gerechtvaardigd doel voor ogen gehad en heeft zijn ruime beoordelingsruimte niet overschreden (vergelijk Rechtbank Arnhem 25 maart 2010, nr. AWB 09/1750, LJN BX0548, NTFR 2012/1952, Hof Arnhem 22 maart 2011, nr. 10/00194, LJN BQ0618, V-N 2011/31.1.3, Hoge Raad 9 december 2011, nr. 11/02099, LJN BU6998, V-N 2012/6.4).
  • Ook voor het geval moet worden aangenomen dat sprake is van gelijke gevallen, dan wel van een disproportionele ongelijke behandeling van ongelijke gevallen, moet het beroep op het gelijkheidsbeginsel worden afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat voor het door de wetgever in het kader van de bedrijfsopvolgingsregeling gemaakte verschil in behandeling tussen vermogens en de gekozen uitvoeringswijze – te weten vrijstellingspercentages - een objectieve en redelijke rechtvaardiging welke samengevat betreft het stimuleren van ondernemerschap (zie hiervoor ro. 4.9). Daarbij heeft de wetgever om redenen van eenvoud en doelmatigheid mogen kiezen voor een generieke regeling, waarbij niet daadwerkelijk een vermogenstoets wordt aangelegd. Met die keuze heeft de wetgever nog niet zijn ruime beoordelingsmarge overschreden. Daartoe dient in de woorden van het EHRM Della Ciaja-arrest (zie ro. 4.7) immers sprake te zijn van een ‘manifestly illogical or arbitrary’ keuze, waarvan in de onderhavige regeling geen sprake is.

Conclusie bedrijfsopvolging en materiële onderneming

Als er een B.V. is met enkele onroerende zaken of niet duidelijk een materiële onderneming, moet u erfbelasting en box 2 heffing betalen als u komt te overlijden, dit kan zomaar 50% van het vermogen van de B.V. kosten (aan erfbelasting en inkomstenbelasting).

De bedrijfsopvolgingsregeling is een geweldige manier om de erfbelasting en box 2 heffing te voorkomen, deze regeling is door de overheid echter enkel opgesteld voor "echte bedrijven". Er komen steeds meer uitspraken waaruit volgt dat een beleggingsmaatschappij / B.V. met onroerend goed niet snel een materiële onderneming is. Als u zo'n B.V. heeft, laat u dan adviseren, de meest voor de hand liggende opties zijn:

  1. Materiële onderneming binnen de B.V. kopen (voorkeur: deze onderneming in het bedrijfspand vestigen).
  2. Activiteiten ontwikkelen in de B.V. (dus meer activiteiten voor de beleggingen zelf doen, bijvoorbeeld aannemersbedrijf kopen, etc.).
  3. Emigratie naar land zonder erfbelasting.

Vragen over de bedrijfsopvolgingsregeling?

Mailt of belt u mij gerust, een oriënterend gesprek bij ons op kantoor kan zonder verdere kosten plaatsvinden. 

Veel mensen zijn niet op de hoogte van de notariële en fiscale gevolgen van hun situatie. Dit komt doordat overlijden en financiële zaken liever niet worden besproken of omdat men denkt dat de adviseur (accountant / notaris / fiscaal jurist) er vast wel naar zal kijken. De bedrijfsopvolgingsregeling wordt vaak te laat of niet toegepast, terwijl deze ook tijdens leven kan worden uitgevoerd. De regeling is niet eenvoudig en kennis van zaken is nodig.

Wij bieden daarom altijd een vrijblijvend gesprek bij ons op kantoor aan. In dit gesprek controleren wij uw financiële situatie, uw testament of andere zaken zoals de statuten van uw B.V. etc. Als u al jaren geleden een testament heeft laten maken en uw inkomens-, vermogens- of gezinssituatie is gewijzigd, dan is de kans groot dat uw testament niet meer voldoet. Nog belangrijker is dat u de zaken beter kunt regelen en hiermee ook nog belasting kunt besparen en ruzies kunt voorkomen.

0000-00-00 0000-00-00 4188
Bedrijfsopvolging eenmanszaak vof [news] 2014-01-09

Bedrijfsopvolging eenmanszaak & VOF

Als u overweegt uw bedrijfsopvolging te verkopen of uit te treden uit een VOF, dan moet u hier eigenlijk al 5 jaar van tevoren over gaan nadenken. Het is belangrijk om een bedrijfsopvolging goed voor te bereiden en de hiervoor benodigde structuur nu al neer te zetten. Naast het feit dat een bedrijfsopvolging door een juiste structuur eenvoudiger kan verlopen, kunt u ook belasting besparen. Mits de structuur juist wordt opgezet, kunnen de meeste bedrijfsopvolgingen zonder heffing van belastingen plaatsvinden. De financiering van een bedrijfsopvolging of overname kan hierdoor eenvoudiger worden vormgegeven. Ook is het belangrijk dat u tijdig - in uw hoofd - gaat nadenken over uw vertrek, deze emotie wordt vaak vergeten. Conclusie: praat erover met uw accountant en schakel ook een specialist in.

De bedrijfsopvolging kan spelen bij ondernemers in de inkomstenbelasting en bij ondernemers in de B.V.-vorm. In dit onderdeel artikelen over de bedrijfsopvolging bij ondernemers voor de inkomstenbelasting, hierbij kunt u denken aan:

  • bedrijfsopvolging bij de eenmanszaak;
  • bedrijfsopvolging bij de VOF;
  • bedrijfsopvolging bij de maatschap;
  • bedrijfsopvolging bij de CV.

Inkomstenbelasting en bedrijfsopvolging

In de fiscale wereld spelen bij een bedrijfsopvolging (binnen de familie) de schenkbelasting en de inkomstenbelasting (box 1 of 2). De belasting kan worden voorkomen door gebruik te maken van de zogeheten bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF). Dit geldt dus voor eenmanszaken, vennootschappen onder firma, maatschappen en B.V.'s. In de inkomstenbelasting kan de heffing worden uitgesteld, er gelden wel voorwaarden:

  • U moet de onderneming minimaal 1 jaar in bezit hebben.
  • Er moet sprake zijn van een echte onderneming (geen beleggingen).
  • De persoon die de onderneming voortzet moet mede-ondernemer of werknemer zijn sinds de laatste 3 jaren (binnen de onderneming).
  • Bij vererving moeten de overnemers de onderneming ook gedurende een periode voortzetten.

Bedrijfsopvolging en geen echte onderneming

Als u een B.V. zou hebben waarbinnen deels een onderneming wordt uitgeoefend en deels wordt belegd, is het te overwegen om beide activiteiten via een juridische splitsing van elkaar te splitsen. Bij een dergelijke herstructurering kunt u het volgende meenemen:

  • pensioen in aparte entiteit;
  • vermogen in vrijgestelde beleggingsinstelling;
  • mede eigendom van uw partner;
  • beleggingsvermogen in aparte B.V.;
  • opzetten stichting voor toekomstige scheiding zeggenschap en eigendom;
  • opstarten van een familieplan om onduidelijkheden weg te nemen.

Quickscan voor bedrijfsopvolging

Wij maken regelmatig voor accountants en ondernemers een quickscan om te kijken of een bedrijfsopvolging binnen uw huidige structuur mogelijk is. Als u een offerte hiervoor zou willen, kunt u hier deze offerte aanvragen, binnen een paar dagen ontvangt u dan van ons een e-mail. De ervaring leert dat een quickscan altijd verbeterpunten oplevert. U kunt ook rechtstreeks met mij e-mailen of bellen.

Structuur bij een bedrijfsopvolging

De meest voorkomende structuur bij een bedrijfsopvolging in de B.V.-omgeving is de verkoop van een werkmaatschappij door een holding. De verkoop kan dan belastingvrij plaatsvinden, dit op grond van de deelnemingsvrijstelling. De structuur moet u tenminste 3 jaar voor de bedrijfsopvolging opzetten, dit op grond van fiscale wetgeving. De structuur kan worden gevormd via een geruisloze of ruisende inbreng van een eenmanszaak, vennootschap onder firma of maatschap welke dan wordt opgevolgd met bijvoorbeeld:

  • herstructurering of het uitzakken binnen fiscale eenheid (wachttermijn 6 jaar);
  • bedrijfsfusie;
  • juridische afsplitsing; 
  • aandelenruil.

Als u 1 B.V. zou hebben, dan kunt u hier belastingvrij en vrij eenvoudig een holdingstructuur van maken. Via een aandelenruil worden de aandelen in de werkmaatschappij verkregen door een nieuw op te richten holding (vrijstelling is geregeld in artikel 3.55 jo. artikel 4.41 lid 1 wet op de Inkomstenbelasting). Formeel is er dan geen wachttermijn van 3 jaar, het moet echter niet zo zijn dat u al een koper voor uw bedrijf heeft en / of het een samenstelling van rechtshandelingen is om belastingheffing te voorkomen. Via een aandelenruil is het lastig om een mogelijke lijfrente of een stamrecht in de holding onder te brengen.

Vragen over bedrijfsopvolging

Een bedrijfsopvolging kan via vele routes worden opgezet, één keuze of optie is niet te geven. Veel mensen zijn niet op de hoogte van de notariële en fiscale gevolgen van hun situatie en / of kiezen te laat voor de juiste structuur, dit is jammer.  

Wij bieden daarom altijd een vrijblijvend gesprek bij ons op kantoor aan. In dit gesprek controleren wij uw financiële situatie, uw testament of andere zaken zoals de statuten van uw B.V. etc. Als u al jaren geleden een testament heeft laten maken en uw inkomens-, vermogens- of gezinssituatie is gewijzigd, dan is de kans groot dat uw testament niet meer voldoet. Nog belangrijker is dat u de zaken beter kunt regelen en hiermee ook nog belasting kunt besparen en ruzies kunt voorkomen.

Als u vragen of opmerkingen heeft over de erfenis, het verwerpen van een erfenis, de inzage in een testament, de aangifte erfbelasting, etc., kunt u zonder verdere verplichtingen onderstaand vragenformulier invullen. 

Service van de notaris of fiscaal jurist

Soms willen cliënten liever een gesprek thuis, op hun bedrijf of in het weekend. Het maakt ons niets uit, dit regelen wij graag voor u. Als u aangeeft waar en wanneer u de bespreking zou wensen, dan houden wij hier rekening mee. 

0000-00-00 0000-00-00 4185

Erfbelasting bij verkrijgen B.V.

De Hoge Raad (en het Gerechtshof) zijn van mening dat voor de waardering van aandelen ook rekening moet worden gehouden met het langlevenrisico (bedoeling wetgever bij artikel 13a SW 1956). Waardestijging van aandelen door overlijden van moeder is derhalve volledig belast als fictieve verkrijging.

Erfbelasting over waarde onderneming

Als u een onderneming (of aandelen in een B.V.) erft, dan moet u hierover erfbelasting betalen. Hoeveel? Dat zal afhangen van de waarde van de aandelen / onderneming. Soms krijgt u een vrijstelling. Dit kan spelen als u een onderneming van uw ouders erft en de bedrijfsopvolgingsregeling van toepassing is. Hoe wordt de waarde van de aandelen bepaald? Heeft pensioen of een lijfrente in eigen beheer invloed op de waarde van de aandelen? In dit artikel een casus bij de Hoge Raad in 2019.

Gevolgen lijfrente voor waarde B.V.

De Hoge Raad oordeelt dat de waardestijging van de aandelen door het overlijden van moeder gewoon belast is met erfbelasting.

  • Een man drijft met zijn ouders een onderneming in de vorm van een VOF. De ouders treden uit en bedingen daarbij een lijfrente bij de onderneming van de voorzettende zoon. De onderneming en de lijfrente worden daarna ingebracht in een B.V.
  • In mei 2015 wordt moeder ernstig ziek en ze overlijdt in juli. Daardoor valt haar lijfrenteverplichting vrij en stijgt de waarde van de aandelen in de B.V. Op basis van de wet wordt die waardestijging aangemerkt als een (fictieve) erfrechtelijke verkrijging.
  • De zoon moet dus erfbelasting betalen omdat zijn aandelen meer waard zijn geworden door het overlijden van moeder.
  • De zoon kan daar maar moeilijk mee leven en komt in bezwaar en beroep tegen de aanslag erfbelasting. Hij neemt daarbij een creatief standpunt in, waarvan ik zou willen dat ik het bedacht had: de waardestijging is niet het gevolg van het overlijden, maar van de ernstige ziekte van moeder, waardoor de lijfrenteverplichting al vóór overlijden moest worden afgewaardeerd (toen waren de vooruitzichten immers al zeer slecht). De waardestijging komt dus niet door overlijden van moeder, maar door de ernstige ziekte.

Helaas gaat de Hoge Raad niet mee in die gedachte:

“Aan de (…) bedoeling van de wetgever wordt dan recht gedaan door (de) te belasten waardestijging van de aandelen mede rekening te houden met een eventuele eerdere afwaardering van die voorziening in verband met verminderd langlevenrisico van de verzekerde.”

Opmerking fiscaal jurist over waardering B.V.

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de regeling is ingevoerd om een einde te maken aan constructies waarbij oudedagsvoorzieningen van een erflater worden ondergebracht in een vennootschap waarvan de aandelen worden gehouden door een ander dan die erflater, en een waardestijging van die aandelen ten gevolge van het overlijden van een erflater onbelast blijft.

Op zich is dat een terechte anti-misbruikregel, maar kan soms toch wel onredelijk uitpakken.

Wel komt de vraag op of de hele waardestijging ook belast is met erfbelasting als er tussen het opkomen van de ziekte een jaargrens zit (met een balansafsluiting). De gedachte zou dan toch kunnen zijn dat er op het moment van afsluiting van het jaar een herwaardering van de lijfrenteverplichting mag plaatsvinden (die dan wel belast is met Vpb) maar dat er nog een klein deel resteert omdat er nog een verplichting is omdat – per balansdatum – nog geen sprake is van overlijden. De toekomst zal het leren, maar wij procederen dat graag voor u uit.

Vragen over erven van een bedrijf?

Graag bespreken we de mogelijkheden onder een bakkie troost.

Bron erfbelasting over waarde B.V.

Arrest Hoge Raad erfbelasting

Erfbelasting bij verkrijgen BV [news] 2019-02-15 0000-00-00 0000-00-00 5819

Bedrijfsopvolging en vastgoed

Op 18 juni 2021 deed de Hoge Raad uitspraak in een zaak waar wij als fiscalisten lang naar uit hebben gekeken. In dit arrest stond de bedrijfsopvolgingsregeling bij de verkrijging van (certificaten van) aandelen in een vastgoedbedrijf centraal. De Belastingdienst stelt hierbij meestal al snel: "vastgoed is geen bedrijf, dus geen BOR." In dit geval was de Belastingdienst iets milder in haar standpunt, voor de ontwikkeling was er sprake van een bedrijf (materiële onderneming) maar voor de verhuuractiviteiten niet. Kan dit ?

Belastingvrij vastgoedbedrijf overdragen, kan dit?

Henk is in 2012 overleden en tot de nalatenschap behoren certificaten (21% en 25%) in drie vastgoedbedrijven. De bedrijven hielden zich actief bezig met projectontwikkeling en verhuur van vastgoed. De erfgenamen deden natuurlijk een beroep op de gunstige bedrijfsopvolgingsregeling (heffing ongeveer 4% i.p.v. 35%). Ze stelden dat de beide activiteiten sterk met elkaar verweven waren en dat op beide activiteiten de BOR van toepassing moet zijn. De inspecteur stelt dat de BOR enkel ziet op de materiële onderneming, in deze de projectontwikkelingsactiviteiten. Lagere rechters (rechtbanken en gerechtshoven) willen nog wel eens meegaan met belastingplichtigen en de BOR ook van toepassing verklaren op verhuuractiviteiten. Als deze verhuuractiviteiten een hoog rendement opleveren en van enige omvang zijn (qua vermogen en werkzaamheden) kan hierop ook de BOR van toepassing zijn, aldus de rechter. Voor het rendement wordt dan gekeken naar de Nederlandse IPD vastgoedindex.

Verhuur onroerend goed en BOR

De rechter kijkt naar de zogenaamde arbeidsplus-toets:

  • Van het drijven van een onderneming is sprake bij aanwezigheid van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die
  • is gericht op het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer
  • met het oogmerk winst te behalen.

Bij de exploitatie van onroerende zaken geldt dat deze activiteiten slechts als het drijven van een onderneming kunnen worden aangemerkt indien:

  • de arbeid naar aard en omvang meer heeft omvat dan gebruikelijk is bij normaal vermogensbeheer; en
  • deze arbeid naar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van een rendement dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat.

Verwevenheid van activiteiten en BOR

Er moet gekeken worden naar de verwevenheid van de activiteiten. De ontwikkeling van vastgoed is namelijk nodig om uiteindelijk tot verhuur van vastgoed te komen, dit was ook de mening van de Advocaat-Generaal. Als deze activiteiten nauw met elkaar samenhangen, kan sprake zijn van feitelijk het drijven van één onderneming. Vervolgens volgt de vermogenstoets, dus met welk deel van het vermogen wordt een echt bedrijf / onderneming gedreven? Ook spelen hierbij de vermogensetiketteringsregels (privé, ondernemings- of keuzevermogen) een rol.

De Belastingdienst neemt meestal als uitgangspunt dat verhuur van vastgoed moet worden gezien als beleggen van vermogen en derhalve geen BOR. De Advocaat-Generaal is een stuk milder, als de verhuur van vastgoed binnen een bedrijf / onderneming een echte functie vervult, dan is feitelijk sprake van keuzevermogen en kan de BOR gewoon worden toepast. Als je sec naar de verhuur kijkt, is dit wellicht niet zo, het gaat dus om de combinatie.  

De Hoge Raad is het niet helemaal met de A-G eens. Er wordt eerst gekeken naar de verhuuractiviteiten (dus apart). Als deze op zichzelf geen onderneming kan vormen, dan komt de Hoge Raad niet toe aan de combinatie van beide activiteiten. Deze zaak wordt ook nog verwezen naar een ander Gerechtshof omdat nog moet worden onderzocht welke panden kunnen worden toegerekend aan de projectontwikkelingstak.

Noot fiscaal jurist inzake bedrijfsopvolging bij vastgoed

In deze casus ziet de Hoge Raad de verhuur en projectontwikkeling als twee takken van sport. De verhuuractiviteiten worden niet gezien als ondernemingsvermogen (dus geen BOR). Als er vooraf was gekeken of de regels inzake arbeidsplus-toets en de vermogensetikettering (keuzevermogen?) toepasbaar zijn, was er wellicht tot een andere uitkomst gekomen. Als er voldoende verwevenheid zou zijn geweest, had het geheel (indien het keuzevermogen zou zijn) gezien kunnen worden als "geheel ondernemingsvermogen". 

Het verhuurde vermogen in een bv is altijd een punt van discussie. Vervult dit vermogen een rol voor het ondernemingsvermogen binnen de bv? Het kan bijvoorbeeld nodig zijn als financiële dekking en / of het gevolg zijn van de projectontwikkeling. Ook kan het zo zijn dat op grond van de basisbeoordeling (arbeidsplus) de aard en omvang van de arbeid (en het rendement) ervoor zorgen dat sprake is van ondernemingsvermogen.

We zijn er dus nog niet en het zal discussie blijven opleveren met de Belastingdienst !

Zijn er vragen of opmerkingen of is er een discussie met de Belastingdienst? Bel ons gerust voor een second opinion of advies. Of de BOR de komende jaren blijft is thans onduidelijk, er zijn geluiden over een beperking, maar ook over een uitbreiding.

Bron vastgoed en BOR

Hoge Raad d.d. 18 juni 2021 ECLI:NL:HR:2021:953

Gerechtshof Amsterdam d.d. 12 maart 2020 ECLI:NL:GHAMS:2020:1168

Bedrijfsopvolging en vastgoed [news] 2021-07-01 0000-00-00 0000-00-00

Er is veel discussie over de bedrijfsopvolging bij een vastgoedbedrijf. Is dit een materiële onderneming, of deels of helemaal niet? Wat zegt de Hoge Raad?

7082

De bv in oprichting: de voorperiode

Bij de omzetting van een onderneming naar een bv kan het zijn dat er een bepaalde terugwerkende kracht van toepassing is. De periode tussen het overgangstijdstip voor fiscale begrippen en de feitelijke oprichting van de bv wordt voorperiode genoemd. Je komt dan eigenlijk tijdelijk in een fiscaal niemandsland terecht, maar hoe wordt dan omgegaan met verschillende facetten gedurende deze periode?

Beloning en voorperiode

De door de oprichter van de bv in de voorperiode verrichte onttrekkingen voor privébestedingen kunnen niet worden belast als winst uit onderneming. De onderneming wordt immers niet meer voor rekening van de natuurlijk persoon in kwestie gedreven. Evenmin kunnen deze bedragen worden belast als inkomen uit dienstbetrekking. Zolang de vennootschap nog niet bestaat, kan er immers nog geen sprake zijn van een dienstbetrekking met deze bv. Deze onttrekkingen plegen dan volgens onze staatssecretaris te worden behandeld als resultaat uit overige werkzaamheden. In de voorperiode dient een zakelijke beloning in acht te worden genomen. In de praktijk is het dan zaak om de beloning in de voorperiode aan te laten sluiten bij het daarna te genieten loon, op basis van de gebruikelijkloonregeling. Over het 'loon' in de voorperiode wordt in beginsel geen voorlopige aanslag opgelegd. Evenmin vindt inhouding van loonbelasting plaats, ons advies luidt dus doorgaans om wat middelen te reserveren voor de inkomstenbelasting.

Belastingplicht omzetbelasting

De Hoge Raad heeft in een uitspraak duidelijkheid gebracht omtrent de aanvang van de belastingplicht voor de omzetbelasting. De Hoge Raad besliste dat een lichaam voor het eerst vanaf de datum van oprichting als een ondernemer in de zin van de omzetbelasting kan worden aangemerkt. De hiervoor bedoelde uitspraak brengt dus met zich mee dat omzetbelasting in de voorperiode door de omgezette eenmanszaak moet worden voldaan.*

Onttrekkingen voorafgaande aan de omzetting

De vraag of de onttrekking van vermogensbestanddelen in het kader van een geruisloze omzetting naar het privévermogen van belastingplichtige mogelijk is, is een lange tijd voer voor discussie geweest.

De staatssecretaris heeft in dat kader goedgekeurd dat met betrekking tot de geruisloze omzetting vermogensbestanddelen mogen worden onttrokken; dit betreft zowel vermogensbestanddelen die tot het keuzevermogen behoren, als ook die vermogensbestanddelen die tot het verplicht ondernemingsvermogen behoren.

De staatssecretaris heeft in een besluit duidelijkheid geschetst over de vraag of in het kader van de geruisloze omzetting vermogensbestanddelen mogen worden onttrokken. De minister keurt goed dat zowel keuzevermogen als verplicht ondernemingsvermogen mag worden onttrokken. Voor onttrekkingen van verplicht ondernemingsvermogen is de goedkeuring een uitbreiding, want in het verleden was een onttrekking van verplicht ondernemingsvermogen op geen enkele wijze toegestaan.**

Naar onze mening is het echter voor belastingplichtigen (vanuit fiscaal oogpunt) onder andere verstandig om van deze goedkeuring gebruik te maken als de vermogensbestanddelen met een boekverlies kunnen worden onttrokken, zodat het verlies zo snel mogelijk tot uitdrukking komt. In gevallen waarin een boekwinst wordt gemaakt, is het verstandig de heffing zo lang mogelijk uit te stellen en geen gebruik te maken van de door de staatssecretaris verleende goedkeuring. Een optie zou nog kunnen zijn een vervreemding van vermogensbestanddelen na de oprichting van de bv, dit in verband met het tariefverschil tussen de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting.

Tot besluit

Heeft u naar aanleiding van dit artikel nog vragen of speelt er wellicht een ander fiscaal vraagstuk bij u? Neem dan gerust een vrijblijvend contact op met onze onderstaande adviseurs.

*   HR 22 september 2006, nr. 41.443.

** Besluit van 30 juni 2010, nr. DGB2010/3599M.

De bv in oprichting: de voorperiode [news] 7209

De bv wordt fiscaal steeds voordeliger

Waar het omslagpunt voor de fiscaal ingegeven keuze tussen ondernemen in een eenmanszaak of een bv voorheen rond de € 150.000 aan resultaat lag, ligt deze in 2021 al op € 105.000. De komende jaren zal dit omslagpunt zelfs nog lager komen te liggen. Reden genoeg om eens kritisch naar uw structuur te kijken en wellicht nog dit jaar in ieder geval de intentie tot omzetting kenbaar te maken bij de Belastingdienst.

Tariefsaanpassing box 1

Wat is nou de reden dat dit omslagpunt door de jaren heen steeds lager komt te liggen? Dat is gelegen in het feit dat:

  • Er een afbouw plaatsvindt van de zelfstandigenaftrek;
  • Er een afbouw plaatsvindt van het maximale tarief waartegen de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling in aftrek gebracht kan worden (2021: 43%, 2022: 40%, 2023: 37,05%).

Intentieverklaring

Door vóór 1 oktober 2021 in ieder geval de intentie tot mogelijk omzetten van de eenmanszaak naar de bv bij de Belastingdienst te registreren, behoudt u de mogelijkheid om uw onderneming tot en met 31 maart 2022 daadwerkelijk om te zetten naar een bv-structuur. Door een intentieverklaring te registreren wordt u niks verplicht, uw houdt echter wel de mogelijkheid open om met terugwerkende kracht tot 1 januari 2021 uw winst in de bv te laten belasten.

Tot besluit

Denkt u na over de omzetting van uw onderneming naar een bv-structuur, neem dan gerust eens vrijblijvend contact op met onderstaande adviseurs. Zij helpen u graag bij het maken van de juiste keuze.

De bv wordt steeds voordeliger [news] 7212
Verzoek geruisloze terugkeer uit een B.V.



Inleiding

Dit is een verzoek om een beschikking te krijgen voor de faciliteit van de geruisloze terugkeer. Het verdient aanbeveling om een terugkeer uit een B.V. in overleg te doen met uw belastingadviseur of accountant.

Belastingdienst ..............................
Postbus ......
..............................

Plaats .............................. datum ...............

Uw kenmerk: ..............................

Geachte heer / mevrouw,

Namens cliënt, .............................. en haar directeur / enig aandeelhouder, de heer / mevrouw .............................., wonende te .............................., sofinr. ..............., vragen wij // vraag ik uw aandacht voor het volgende. De heer .............................. en .............................. B.V. hebben bij overeenkomst van .............................. besloten om met toepassing van de faciliteit van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de artikelen 3.54a en 4.42a van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 de onderneming die wordt gedreven door .............................. B.V. per 1 januari ...... geruisloos door te schuiven naar de heer / mevrouw .............................. Ik verzoek // Wij verzoeken u een beschikking af te geven als is bedoeld in artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

De getekende en geregistreerde voorovereenkomst treft u in bijlage 1 aan. De voorwaarts te verrekenen verliezen bedragen op overgangstijdstip € ...............

Mocht u naar aanleiding van het bovenstaande nog vragen hebben, dan // verneem ik // vernemen wij // die graag.

Met vriendelijke groet,


..............................

]]>

Terugwerkende kracht geruisloze inbreng

Ook in tijden van economische crisis zijn er ondernemers die goede bedrijfsresultaten weten te behalen. Of u ontdekt nu dat u vanwege de crisis juist risico's in privé loopt, die u liever wenst te beperken. U kunt er dan over nadenken om uw eenmanszaak, firma of maatschap in te brengen in de B.V. Dat kan met terugwerkende kracht naar 1 januari, onder gebruikmaking van de faciliteit van de geruisloze inbreng.

Wijziging 2014

Met ingang van 2014 moet u de voorovereenkomst aangetekend naar de Belastingdienst versturen. Registreren bij de Belastingdienst is niet meer mogelijk. Vorenstaande komt door de Wet Elektronische Registratie notariële akten. U moet de voorovereenkomst via een aangetekende brief versturen naar:

  • Belastingdienst Heerlen, Postbus 13, 6400 AA Heerlen

Twee methoden van inbreng

  1. De ruisende inbreng. U begint in de B.V. als het ware helemaal opnieuw. U staakt de onderneming en verkoopt deze aan de door u opgerichte B.V. De stakingswinst (goodwill, stille en fiscale reserves) is belast met inkomstenbelasting, maar deze kan eventueel worden uitgesteld door het bedingen van een stakingswinstlijfrente bij uw B.V. U moet dit regelen door vóór 1 april van enig jaar een intentieverklaring of voorovereenkomst te laten registreren. De eerste datum dat u dit weer kunt doen is, bij een boekjaar als kalenderjaar, per 1 januari 2013.
  2. Bij een geruisloze inbreng kunt u echter nog gebruikmaken van terugwerkende kracht naar 1 januari 2013. U moet dan uw intentieverklaring of voorovereenkomst uiterlijk binnen negen maanden na het overgangstijdstip hebben laten registreren. In dit geval gaat de B.V. met dezelfde balans (boekwaarden) verder als waarmee uw onderneming is gestaakt. Uw onderneming wordt bij fictie geacht niet te zijn gestaakt. Er wordt een aantal (standaard) voorwaarden gesteld.

Daarnaast kunt u op elk tussentijds gewenst moment de onderneming inbrengen, maar dan krijgt u te maken met een gebroken boekjaar en dat brengt extra kosten met zich mee. Het verdient de voorkeur om voor een overgangsmoment bij aanvang boekjaar te kiezen.

Wij zijn u graag behulpzaam met al deze afwegingen en bij het opstellen en registreren van de benodigde stukken.

Tip: laat een intentieverklaring registreren vóór 30 september als u de onderneming in een B.V. wilt inbrengen, of als u dat overweegt.

Terugwerkende kracht geruisloze inbreng in de BV: voor 1 oktober aktie ondernemen! [news] 2011-09-20 2011-09-20 2011-09-30 3363

Inbreng optiekzaak in een B.V.

De optiek-onderneming inbrengen in een vennootschap?

U drijft uw optiek-onderneming in de vorm van een eenmanszaak of samenwerkingsverband. Dan kunnen er momenten zijn waarop het verstandig is te kiezen voor de omzetting van de optiekzaak in een besloten vennootschap. Dit kan bijvoorbeeld zijn in verband met een stijgende winst, de aansprakelijkheid als eigenaar, maar ook als voorbereidende stappen naar een bedrijfsopvolging of verkoop.

Versturen voorovereenkomst

U moet de voorovereenkomst aangetekend naar de Belastingdienst versturen. Registreren bij de Belastingdienst is niet meer mogelijk. Vorenstaande komt door de Wet Elektronische Registratie notariële akten. U moet de voorovereenkomst via een aangetekende brief versturen naar:

  • Belastingdienst Heerlen, Postbus 13, 6400 AA Heerlen

Geruisloos en ruisend optiekzaak in een B.V.

De omzetting van de optiekzaak naar een vennootschapsvorm kan dan geruisloos of “ruisend” geschieden.

Geruisloze inbreng in de vennootschap houdt in dat de belastingclaim over de goodwill en stille reserves in de onderneming worden doorgeschoven naar de besloten vennootschap, zodat niet direct behoeft te worden afgerekend over de “verkoop” van de optiek-onderneming. De belastingheffing over de overdrachtswinst wordt zo naar de toekomst geschoven.

“Ruisende” inbreng houdt in dat de optiek-onderneming wordt overgedragen aan de vennootschap met afrekening over de goodwill en fiscale en stille reserves. Vanwege gebruikmaking van (onder andere) stakingswinstlijfrente-aftrek kan deze mogelijkheid fiscaal voordelig zijn. Voor beide vormen kan een (overigens verschillende) termijn aan terugwerkende kracht worden gehanteerd.

Voordelen optiekzaak in een B.V.

Als voordelen voor het drijven van de optiek-onderneming in een (structuur van) besloten vennootschap(pen) zijn onder andere te noemen de beperking van de aansprakelijkheid van de optiek-ondernemer, de inkomensspreiding op maat voor de directeur-aandeelhouder(s), de mogelijkheid van opbouw van pensioen in eigen beheer (hetgeen grote fiscale voordelen oplevert, maar tevens de liquiditeiten binnen de onderneming houdt), het afschermen van winsten en pensioenaanspraken van de risicosfeer in de optiekvennootschap, groei van de optiek-onderneming naar andere vestigingen kunnen eenvoudigweg aan de structuur worden toegevoegd, de organisatie wordt door deze structuur flexibeler. Tevens wordt de overdraagbaarheid van de optiekzaak door de vennootschapsstructuur vergemakkelijkt. Immers, er kan simpelweg worden gekozen voor het verkopen van de aandelen van de vennootschap.

Nadelen optiekzaak in een B.V.

Uiteraard zijn ook nadelen te noemen, zoals de ondernemersfaciliteiten die vervallen, de directeur-aandeelhouder dient zijn salaris te conformeren aan de gebruikelijkloonregeling, de oprichtingskosten van de vennootschap(pen).

Fiscaal gezien is er het voordeel van het tariefsverschil: winsten worden eerst belast tegen het vennootschapsbelastingtarief, pas later eventueel tegen het progressieve inkomstenbelastingtarief. Bovendien is er de mogelijkheid middelen uit de vennootschap te halen door middel van dividenduitkeringen.

Met name bij een voorgenomen bedrijfsopvolging in of verkoop van de optiekzaak en de huidige belastingtarieven in aanmerking nemend, is het zeker de moeite waard een beoordeling te laten maken van de voordelen van een vennootschapsstructuur in uw specifieke situatie.

Optiek zaak inbrengen in BV Opticien [news] 2012-07-17 2012-07-17 0000-00-00 3491

Inbreng in de B.V. en de coronacrisis

We worden op dit moment door veel ondernemers gebeld over de mogelijkheden om aansprakelijkheden te beperken. De meest gekozen route is dan de inbreng van de eenmanszaak of vennootschap onder firma in een B.V. Als een onderneming in een B.V. is ondergebracht, is uw privé vermogen meestal veilig. Bij een eenmanszaak, VOF of maatschap bent u met uw volledige vermogen aansprakelijk, dus al uw vermogen (privé en zakelijk) is dan veelal weg. Dit kan wellicht nog worden beperkt door huwelijkse voorwaarden op te stellen.

Termijn geruisloze inbreng in de B.V. eenmalig verlengd door coronacrisis

Sinds april 2020 heeft u meer tijd. In verband met de coronacrisis heeft de Staatssecretaris van Financiën in een beleidsbesluit goedgekeurd dat de termijn die wordt gesteld bij gebruikmaking van terugwerkende kracht bij de geruisloze inbreng in de bv met drie maanden wordt verlengd. Dit is echter alleen van toepassing wanneer deze termijn verstrijkt in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020.

Heeft u dus vóór 1 oktober 2019 een intentieverklaring tot geruisloze omzetting bij de Belastingdienst geregistreerd, dan heeft u nog tot 1 juni 2020 de tijd om deze inbreng ook daadwerkelijk te formaliseren.

Voor de faciliteiten van de bedrijfsfusie, de juridsche fusie en de splitsing, waarbij gebruik wordt gemaakt van terugwerkende kracht geldt overigens dezelfde termijnverlenging.

Risico's beperken door inbreng in de B.V.

Sinds 2019 zijn de tarieven voor B.V.'s gedaald, een inbreng in de B.V. is hierdoor nog eerder aantrekkelijk. Tevens kunt u risico's beperken. De coronacrisis heeft laten zien dat er soms onverwacht risico's voorbij kunnen komen die ondernemers niet kunnen overzien.

Wanneer is inbreng in de B.V. interessant?

De inbreng van de onderneming in een B.V. kan interessant zijn indien:

  • U risico's wilt spreiden (privé en zakelijk);
  • De winsten meer bedragen dan € 125.000 per jaar;
  • Er zich in uw onderneming stille reserves bevinden en u uw onderneming op termijn wenst te beëindigen;
  • U extern kapitaal wenst aan te trekken;
  • Uw werkzaamheden ten behoeve van de onderneming beperkt zijn;
  • Uw onderneming zeer innovatief is.

Bovenstaande opsomming is niet limitatief, daarnaast zijn er ook nog legio andere (niet fiscale) overwegingen om uw onderneming in te brengen in een B.V.

Wat kost een inbreng in de B.V.?

De totale kosten (inclusief berekening, accountant, notaris, etc.) bedragen tussen de € 2.000 en € 4.500, dit afhankelijk van de complexiteit.

Inbrengen onderneming in een B.V., hoe werkt dit?

Als u op dit moment uw eenmanszaak, VOF of maatschapsaandeel inbrengt in een B.V., dan zal dit in de toekomst zeker tot een beperking van uw aansprakelijkheden leiden. Aandachtspunten zijn:

  • Maak een berekening van de fiscale voor- en nadelen, soms is een B.V. erg nadelig !
  • Hou termijnen in de gaten en laat een stappenplan maken (wat te doen en wanneer).
  • Voor de inbreng heeft u een fiscalist (of accountant) en een notaris nodig.
  • Bij de inbreng in de B.V. blijft u eerst privé aansprakelijk voor verplichtingen.
  • Overeenkomsten die u als ondernemer bent aangegaan staan op uw privénaam. Deze moeten worden overgezet naar de B.V., tot dat moment bent en blijft u privé aansprakelijk (denk bijvoorbeeld aan overeenkomsten met uw bank of verhuurder). De schuldeisers zullen eerst uw B.V. benaderen bij een faillissement, maar als dit vermogen onvoldoende is, grijpen ze terug op uw privé vermogen (tenzij de overeenkomsten zijn overgezet vanuit privé naar de B.V., dit met medewerking van de schuldeiser).  
  • Overweeg ook een inbreng in een N.V., dit kan u in de toekomst (bij dividenduitkeringen) een voordeel opleveren.
  • Toekomstige verplichtingen (na de inbreng) zijn voor rekening van de B.V., hiermee beperkt u voor een deel uw aansprakelijkheid.
  • Partijen zullen / kunnen een privé zekerheid of borgstelling eisen, denk hier goed over na.
  • U bent in privé wel aansprakelijk voor schulden in de B.V. als u als bestuurder wanbeleid zou plegen, de zogenaamde bestuurdersaansprakelijkheid.

Wat heeft de notaris nodig voor een geruisloze inbreng?

De notaris heeft een inbrengbalans en een inbrengbeschrijving nodig voor de geruisloze inbreng in de B.V. Bij een N.V. moet ook een accountantsverklaring worden verstrekt. Vervolgens moet je ook relaties gaan informeren, denk hierbij aan de verhuurder, klanten, bank, leveranciers, loonadministratie, omzetten arbeidsovereenkomsten, etc. Heeft u hierover vragen, e-mail ons gerust voor een stappenplan.

Een B.V. iets voor u?

Wilt u weten wat de fiscale voordelen zijn of overweegt u de onderneming voort te zetten in de vorm van een B.V., neem dan contact op met de auteur van dit artikel. Dit kan eenvoudig en snel via onderstaand formulier.

Inbreng in BV i.v.m. aansprakelijkheid [news] 2020-04-16 0000-00-00 0000-00-00 6513

Ruisende inbreng in B.V.

Er zijn twee mogelijkheden om een eenmanszaak, VOF of maatschap om te zetten naar een B.V. (of N.V.). De eerste mogelijkheid is het geruisloos inbrengen, de tweede mogelijkheid is het ruisend inbrengen van de onderneming in de B.V. Elders op de website vindt u een artikel over de geruisloze inbreng in de B.V., hierna zal ik nader ingaan op de ruisende inbreng.

Let op! Van belang bij een ruisende inbreng met terugwerkende kracht tot 1 januari, registratie van de intentieovereenkomst vóór 1 april!

Wanneer is een ruisende inbreng interessant?

De inbreng van de onderneming in een B.V. kan vanuit fiscaal perspectief interessant zijn indien:

  • De winsten meer bedragen dan € 150.000 per jaar;
  • Er zich in uw onderneming stille reserves bevinden en u uw onderneming op termijn wenst te beëindigen;
  • U extern kapitaal wenst aan te trekken;
  • Uw werkzaamheden ten behoeve van de onderneming beperkt zijn;
  • Uw onderneming zeer innovatief is.
  •  Bovenstaande opsomming is niet limitatief, daarnaast zijn er ook nog legio andere (niet fiscale) overwegingen om uw onderneming in te brengen in een B.V.

De ruisende inbreng betekent dat de onderneming tegen de waarde in het economische verkeer, ook wel de werkelijke waarde genoemd, wordt ingebracht in de B.V. De waarde in het economische verkeer c.q. werkelijke waarde is doorgaans hoger dan de boekwaarde. Over het verschil tussen de boekwaarde en de veelal hogere waarde in het economische verkeer – ook wel de stakingswinst genoemd – dient de ondernemer af te rekenen. De afrekening over de stakingswinst leidt doorgaans tot een substantieel bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting. Toch kan een ruisende inbreng interessanter zijn dan een geruisloze inbreng (waarbij een afrekening over de stakingswinst achterwege kan blijven).

Een ruisende of geruisloze inbreng?

Om een goede keuze te maken over het ruisend of geruisloos inbrengen van een onderneming in een B.V. worden hierna een aantal voor- en nadelen weergegeven:

Voordelen van een ruisende inbreng kunnen zijn:

  • Bij de B.V. wordt een hoger afschrijvingspotentieel gecreëerd;
  • Er hoeft formeel geen verzoek bij de Belastingdienst te worden ingediend (doch dit kan wel raadzaam zijn);
  • Er is geen vervreemdingsverbod van de aandelen van drie jaar van toepassing;
  • Er zijn geen voorwaarden ten aanzien van creditering.

Nadelen van een ruisende inbreng kunnen zijn:

  • Afrekenen vindt plaats over een hogere stakingswinst dan bij de geruisloze inbreng, hetgeen leidt tot een hogere eenmalige aanslag inkomstenbelasting;
  • Er vindt een desinvesteringsbijtelling plaats ten aanzien van goederen waarvoor kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), milieu-investeringsaftrek (MIA) of energie-investeringsaftrek (EIA) is geclaimd.

Het nadeel zoals hiervoor beschreven kan echter (gedeeltelijk) worden ondervangen door het bedingen van een (stakings-)lijfrente bij de B.V. waar de onderneming wordt ingebracht. Deze mogelijkheid zorgt voor een oudedagsvoorziening voor de ondernemer en leidt tot uitstel van belastingheffing tot het moment dat de ondernemer met pensioen gaat.

Intentieovereenkomst bij ruisende inbreng

Indien u met terugwerkende kracht tot 1 januari van een jaar ruisend de B.V. in wilt, dan dient er een intentieverklaring ondertekend en geregistreerd te worden bij de Belastingdienst. Daarbij is het ook mogelijk om later in een jaar ruisend de B.V. in te gaan en een beroep te doen op een terugwerkende kracht van drie maanden.

Voorbeeld  

Indien een ondernemer vóór 1 juli een intentieovereenkomst opstelt, ondertekent en registreert bij de Belastingdienst, dan kan de inbreng in de B.V. met terugwerkende kracht tot 1 april van dat jaar plaatsvinden.

Overgangstijdstip bij het oprichten van de B.V.

Het oprichten van een B.V. dient binnen negen maanden na het overgangstijdstip plaats te vinden. Het overgangstijdstip is het moment waarop de resultaten (met terugwerkende kracht) voor rekening en risico van de B.V. komen. Deze termijn is korter dan de termijn die daarvoor geldt bij een geruisloze inbreng (15 maanden).

Tot slot

Indien een ondernemer overweegt om zijn onderneming in te brengen in een B.V., dan is het van belang dat er tijdig een intentieovereenkomst wordt opgesteld, getekend en geregistreerd. Vervolgens dienen de voor- en nadelen tegen elkaar afgewogen te worden en zal er een keuze worden gemaakt. Het is daarbij niet onverstandig hierover een gesprek aan te gaan met een fiscaal jurist, teneinde van A tot Z inzicht te krijgen in de fiscale en juridische gevolgen van de inbreng in de B.V.

Wilt u meer weten over de inbreng in de B.V. of wilt u een afspraak inplannen met een fiscaal jurist, neem dan contact op met de auteur van dit artikel.

Ruisende inbreng in B.V. [news] 2020-03-09 0000-00-00 0000-00-00 6375

Beantwoording vragen wet excessief lenen bij de eigen vennootschap (1)

In dit artikel, behorend bij onze reeks over het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap, gaan wij nader in op de uitgebreide beantwoording van vragen die zijn opgekomen naar aanleiding van het wetsvoorstel. Onderaan dit artikel, maar ook links in het menu, treft u snelkoppelingen naar de andere artikelen in deze reeks. 

Op 18 december 2020 is deze beantwoording gepubliceerd. Het complete document telt bijna 60 pagina’s. Wij volstaan in dit artikel met het beschrijven van verduidelijkingen en / of opmerkelijkheden.

U leest hier meer over de werking van dit wetsvoorstel in het algemeen.

Excessief lenen bij de eigen vennootschap op hoofdlijnen 

Wij brengen op deze plaats eerst het doel en de strekking van het wetsvoorstel in herinnering. Als gevolg van het wetsvoorstel bestaat er straks een fictief voordeel voor de situatie waarin een aanmerkelijkbelanghouder, zijn partner of een met hem verbonden persoon een te grote schuld heeft uitstaan bij de vennootschap waarin het aanmerkelijk belang wordt gehouden. Indien de totale schuldsom meer bedraagt dan – als startdrempelbedrag - € 500.000, dan wordt het meerdere geacht inkomen uit aanmerkelijk belang te vormen. Dat leidt tot belastingheffing in box 2. Het box 2 tarief in 2021 bedraagt 26,9%. Met deze wet probeert de wetgever een fiscaalrechtelijke oplossing te creëren voor het tegengaan van belastinguitstel en -afstel dat zich voordoet bij excessief lenen van de eigen vennootschap. Ter illustratie het volgende voorbeeld. Belastingafstel doet zich voor indien een aanmerkelijkbelanghouder niet in staat is de belasting te betalen over de vordering die de vennootschap op hem heeft. Dit doet zich vaak voor als de onderneming failliet gaat. Er zijn dan eenvoudigweg geen middelen meer om de belastingschuld af te lossen. Met dit voorstel wordt de heffing van naar voren gehaald in de tijd, zodat uitstel en afstel zich niet (of in mindere mate) voordoen.

Wij gaan hierna in op de beantwoording van vragen uit de Tweede Kamer. Daarbij komen achtereenvolgens de volgende onderwerpen aan bod:

  • Anticipatiegedrag;
  • Tegenbewijsregeling;
  • De uitgezonderde eigenwoningschuld;
  • Reikwijdte van de maatregel / anti-ontgaan;
  • Bestaande afspraken met de Belastingdienst;
  • Herkwalificatie van leningen;
  • Schulden van de partner en verbonden personen;
  • Dubbele heffing voorkomen;
  • Emigratie;
  • Overgangsrecht.

Anticipatiegedrag en excessief lenen

De wet excessief lenen is jaren geleden al aangekondigd. Dat maakt dat het voor belastingplichtigen mogelijk is om te anticiperen op de inwerkingtreding. Dat is volgens de wetgever ook gebeurd. Uit de aangiften inkomstenbelasting over het jaar 2019 blijkt dat er meer dividend is uitgekeerd. Dat zal enerzijds komen door de aankondiging van deze maatregel en anderzijds door de tariefverhoging voor box 2 per 2020 en 2021. In 2019 bedroeg het tarief voor de laatste keer 25%. In 2020 was het tarief 26,25% en per 2021 gaat het over 26,9%. De wetgever heeft niet in beeld hoeveel van de extra dividenduitkeringen zijn benut om schulden aan de eigen vennootschap af te lossen.

Tegenbewijsregeling en excessief lenen

Al vanaf het moment dat deze wetgeving werd aangekondigd, is gesproken over mogelijke alternatieven. Een veelgehoord argument is dat deze wetgeving kan leiden tot overkill. Immers, ook leningen die volledig zakelijk en goed aflosbaar zijn, worden in deze heffing betrokken. Een oplossing die regelmatig is voorgesteld, is het opnemen van een zogenaamde tegenbewijsregeling. Het is dan mogelijk om onderscheid te maken naar soorten leningen. De wetgever wil hier echter niet aan beginnen. Gelet op het doel van de wetgeving. is het verantwoord - in de ogen van de wetgever – om in principe alle schuldverhoudingen in de heffing te betrekken. Daarnaast leidt zo'n tegenbewijsregeling tot uitvoeringscomplexiteit voor de Belastingdienst. Een argument dat de afgelopen jaren overigens vaker uit de kast wordt gehaald om maatwerk tegen te gaan, zo valt ons op. Een tegenbewijsregeling of verzachting van de mogelijk harde uitwerking van deze wetgeving lijkt vooralsnog echter niet tot de mogelijkheden te behoren.

De eigenwoningschuld en excessief lenen

Zoals bekend is de eigenwoningschuld uitgezonderd van het wetsvoorstel excessief lenen. Nu kan zich echter een bijzonderheid voordoen. In Nederland zijn er veel mensen bij wie niet de gehele geldlening voor de eigen woning als eigenwoningschuld kwalificeert. Dat kan bijvoorbeeld komen doordat er een eigenwoningreserve is. Het gevolg is dan dat een deel van de geldlening in box 1 zit als eigenwoningschuld en de rest van de geldlening in box 3. Het deel dat in box 3 valt kwalificeert niet als eigenwoningschuld in de zin van de eigenwoningregeling.

Uitsluitend een eigenwoningschuld in de zin van box 1 kan voor de nieuwe wetgeving kwalificeren als een eigenwoningschuld die is uitgezonderd van de wetgeving inzake excessief lenen. Daarnaast dient een hypothecair zekerheidsrecht te zijn gevestigd. Het is dus belangrijk hier goed naar te kijken voordat een omvangrijke geldlening wordt aangegaan bij de eigen vennootschap.

Reikwijdte wet excessief lenen

Nieuwe maatregelen leiden vaak tot creatief gedrag waarmee de beoogde gevolgen door belastingplichtigen worden ontweken. Het is daarom niet vreemd dat in de Kamer direct wordt gevraagd of de wetgever hiermee rekening heeft gehouden. Dat is volgens de wetgever het geval. Zo is opgenomen dat leningen die rechtens dan wel in feite direct of indirect of via een verbonden persoon zijn verstrekt, ook onder deze wetgeving zullen vallen. Gezien de vorige zinsnede zullen ook zogenaamde back-to-back situaties onder de maatregel vallen. Dat zijn situaties waarin schuldverhoudingen zo worden gestructureerd, dat niet van een letterlijke maar wel van een feitelijke samenhang kan worden gesproken. De wetgever haalt het volgende voorbeeld aan. Een belastingplichtige die geld leent bij een bank, waarbij de eigen vennootschap zich op alle punten garant stelt. Een ander voorbeeld is het aangaan van een deposito bij de bank door de eigen vennootschap, waarna het geld wordt geleend – onder nagenoeg dezelfde voorwaarden – aan de belastingplichtige.

Een andere situatie die is geschetst, is de zogenaamde kruislening. Aanmerkelijkbelanghouders die niet kwalificeren als partners of verbonden personen van elkaar, gaan elkaar dan grote sommen geld lenen. Dat valt echter niet direct binnen de kaders van deze wetgeving, omdat geen sprake is van een lening aan de aanmerkelijkbelanghouder, de partner daarvan of een verbonden persoon. De aanmerkelijkbelanghouders zijn immers niet met elkaar verbonden. De wetgever meent dit op te kunnen vangen door een beroep te doen op het feit dat rechtens dan wel in feite direct of indirect geld wordt geleend. Wij voorzien op dit onderdeel voor de periode na inwerkingtreding veel discussies met de Belastingdienst.

Bestaande afspraken over lening bij eigen vennootschap

Veel belastingplichtigen hebben de afgelopen jaren afspraken gemaakt met de Belastingdienst over de schuld aan de eigen vennootschap. Over het algemeen betreft het afspraken over de hoogte van de rente en de omvang van de aflossingen. In vrijwel alle overeenkomsten met de Belastingdienst is opgenomen dat de afspraak kan vervallen bij een relevante wetswijziging. Daarvan is hoogstwaarschijnlijk sprake. De kans bestaat – en is volgens ons zelfs aanzienlijk – dat dan alsnog belastingheffing plaats zal vinden. Reken u dus niet rijk indien u nu een passende afspraak heeft liggen.

Herkwalificatie en excessief lenen bij eigen vennootschap

De Belastingdienst neemt regelmatig het standpunt in dat een geldlening eigenlijk een verkapte winstuitdeling is. Daarover kan vervolgens een discussie worden gevoerd. Indien de Belastingdienst in het gelijk wordt gesteld, zal zich iets bijzonders voordoen. Er is dan namelijk een geldlening die onder dit wetsvoorstel valt, maar aan de andere kant ook een winstuitdeling die eveneens in box 2 valt. Dat leidt zonder nadere maatregelen tot dubbele belastingheffing. Voor deze situatie is in de wet een uitzondering opgenomen die deze dubbele belastingheffing voorkomt.

Schulden van de partner en verbonden personen bij de eigen vennootschap

Niet alleen de schulden van de belastingplichtige die het aanmerkelijk belang houdt, maar ook de schulden van de partner en verbonden personen tellen mee. De belastingplichtige en zijn partner worden voor één gezamenlijk plafond van € 500.000 met rust gelaten. De reden dat er niet sprake is van een persoonsgebonden niveau, is het voorkoming van de uitholling van de grondslag door eenvoudigweg geld aan de partner uit te gaan lenen.

Indien sprake is van een fiscaal partner, kan gebruik worden gemaakt van het schuiven met gemeenschappelijke inkomensbestanddelen. Het fictief regulier voordeel behoort hier namelijk toe. De belastingplichtige en zijn partner kunnen dus samen kiezen aan wie het voordeel wordt toegerekend. Voor de hoogte van de heffing kan dit forse gevolgen hebben, dus denk hier goed over na of laat u goed adviseren. Indien geen keuze wordt gemaakt, wordt het inkomensbestanddeel aan ieder voor de helft toegerekend.

Ook de regels over verbonden personen roepen veel vragen op. Daarbij geldt als hoofdlijn het volgende. Tot de groep van verbonden personen behoren bloed- en aanverwanten in de rechte lijn van de belastingplichtige of zijn partner. Voor schulden die een verbonden persoon rechtens dan wel in feite direct of indirect heeft aan de vennootschap van de aanmerkelijkbelanghouder, geldt dat deze worden toegerekend aan de aanmerkelijkbelanghouder indien het bedrag hoger is dan het maximum. Een lening via de verbonden persoon, voor de aanmerkelijkbelanghouder, wordt aan de aanmerkelijkbelanghouder toegerekend. Dit geldt indien de verbonden persoon zelf geen aanmerkelijk belang in die vennootschap heeft. Heeft de verbonden persoon echter zelf een aanmerkelijk belang, dan is de regeling van toepassing op de verbonden persoon zelf en wordt gekeken naar de eigen schuld aan de vennootschap en het maximum bedrag.

Stel dat er sprake is van drie verbonden personen. Uit de toelichting van de wetgever komt naar voren dat het mogelijk is om aan alle drie een lening te verstrekken van € 499.000, zonder dat belastingheffing op grond van deze wetgeving plaatsvindt. Het is dan niet mogelijk om het geld weer door te lenen aan de aanmerkelijkbelanghouder zelf; dat wordt opgevangen door de back-to-back bestrijding. Uiteraard staan de Belastingdienst nog wel de gebruikelijke middelen zoals herkwalificatie en de onzakelijkheid van de lening ter beschikking om dergelijke transacties te bestrijden.

Voorkomen dubbele heffing bij excessief lenen

Zoals in ons uitgebreide artikel toegelicht, wordt dubbele heffing voorkoming door toekenning van een negatief fictief regulier voordeel bij een afnemende schuldpositie. Het benutten van dit negatieve voordeel verloopt echter volgens de reguliere regels voor verliezen in box 2 (aanmerkelijk belang). Naar huidig recht kan dan worden verrekend met inkomen uit aanmerkelijk belang uit het vorige jaar of in de komende zes jaar. Bij afwezigheid van het aanmerkelijk belang kan het verlies worden omgezet in een belastingkorting die in box 1 kan worden benut. Voorgaande maakt echter ook duidelijk dat de mogelijkheid bestaat dat verliezen niet benut kunnen worden, als gevolg waarvan dubbele heffing toch plaatsvindt. De wetgever lijkt hier geen oplossing voor te gaan bieden.

Emigratie en excessief lenen

Wij schreven eerder een artikel over emigratie en het wetsvoorstel excessief lenen. Voor een uitgebreide toelichting op de praktijk daaromtrent verwijzen wij daarnaar. Uit de beantwoording volgt met name dat internationale situaties voor de praktijk nog een uitdaging zullen worden, waarbij nuances en de uitleg van belastingverdragen van cruciaal belang zijn. De wetgever heeft toegelicht hoe deze wetgeving in het algemeen zal uitwerken. Bij verdragstoepassing zal eerst de vraag zijn of de excessieve lening als verkapt dividend wordt aangemerkt. Indien dat niet het geval is, heeft Nederland onder de meeste belastingverdragen geen heffingsrecht. In het buitenland wonende aanmerkelijkbelanghouders die geëmigreerd zijn hebben veelal een conserverende aanslag verkregen. Deze ziet op de waardeaangroei van het aanmerkelijk belang in de Nederlandse periode. Het verleende uitstel op de conserverende aanslag wordt voor hen ingetrokken voor een excessieve lening die na emigratie wordt verstrekt of toeneemt. Vooralsnog zal de wetgever niet gaan heronderhandelen over belastingverdragen op dit gebied. Het volgende voorbeeld is afgeleid van de toelichting:

Voorbeeld emigratie en excessief lenen

Een inwoner van Nederland heeft een aanmerkelijk belang in een in Duitsland gevestigd vennootschap. Hij leent meer dan € 500.000 en dus ontstaat een regulier fictief voordeel. In het jaar daarna wordt dividend uitgekeerd waarmee de lening wordt afgelost. Naar Nederlands recht zal dat leiden tot een negatief fictief regulier voordeel. Op die manier wordt dubbele heffing voorkomen. Dit kan echter complex worden indien Duitsland bronbelasting op de dividenduitkering inhoudt. Deze kan in Nederland voor verrekening in aanmerking komen, maar mogelijk is de belastingheffing in box 2 dan onvoldoende om de Duitse bronbelasting volledig te kunnen verrekenen. Deze bronbelasting kan overigens worden voortgewenteld.

Overgangsrecht wet excessief lenen bij de eigen vennootschap

Deze wetgeving gaat in per 1 januari 2023. Diverse partijen vragen zich af of het niet netter is om bestaande schuldverhoudingen bij wijze van overgangsrecht te respecteren, in plaats van via deze wetgeving in de belastingheffing te betrekken. Hier wil de wetgever echter vooralsnog niets van weten. Als gevolg van de coronacrisis is de datum van inwerkingtreding nu gesteld op 1 januari 2023 en belastingplichtigen hebben daardoor – volgens de wetgever – voldoende tijd om zich voor te bereiden op deze nieuwe wetgeving.

Een bekend voorbeeld is dat van ondernemers die op zakelijke gronden geld lenen van de eigen vennootschap, om daarmee beleggingsvastgoed aan te schaffen. Indien deze leningen boven het maximumbedrag uitkomen, is straks belastingheffing over het meerdere verschuldigd, terwijl het geld in stenen zit. Uit de beantwoording van de gestelde vragen komt naar voren dat voor deze groep geen tegemoetkoming wordt gezocht. In de ogen van de wetgever is onder andere het te gelde maken van het vastgoed (verkoop) een manier om de belastingheffing te kunnen voldoen. Deze groep hoeft dus niet uit te zien naar extra overgangsrecht of tegemoetkomingen. Illustratief is het verzoek van een aantal politieke partijen om een tijdelijke vrijstelling voor de overdrachtsbelasting te creëren, zodat het vervreemden van met geleend geld aangekocht beleggingsvastgoed aan bijvoorbeeld de eigen vennootschap vergemakkelijkt wordt. Hier wil de wetgever niet aan.

Advisering wet excessief lenen bij de eigen vennootschap

1 Januari 2023 is ver weg en de eerste peildatum van 31 december 2023 nog verder. Echter, de praktijk leert dat veel leningen bij de eigen vennootschap redelijk vast zitten en dat zonder meer aflossen vaak niet tot de mogelijkheden behoort. In deze fase lukt het ons in veel gevallen om samen met de belastingplichtige toch een oplossing te vinden, bijvoorbeeld door middel van kleine herstructureringen of het overdragen van vermogensbestanddelen. Het is echter van belang om hier tijdig mee te beginnen en een fiscaal jurist bij het dossier te betrekken. Deze kan, indien nodig, ook schakelen met uw accountant of andere financieel dienstverlener. Zo bent u tijdig en optimaal voorbereid op deze – harde – wetgeving.

Vragen excessief lenen [news] 7200

Toelichting wet excessief lenen bij eigen vennootschap

Op 17 juni 2020 is het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap gepubliceerd. De publicatie kwam niet als verrassing, aangezien al sinds september 2018 over deze maatregelen werd gesproken. Het wetsvoorstel zal leiden tot wijziging in de inkomstenbelasting en de invorderingswet. De wetgever beoogt hiermee het langdurig uitstellen van belastingheffing door aanmerkelijkbelanghouders te frustreren. Dit gebeurt in de praktijk regelmatig door niet te kiezen voor het uitkeren van dividend of het uitbetalen van loon, maar het ‘lenen’ van geld van de eigen vennootschap. Het wetsvoorstel komt er in hoofdlijnen op neer dat bij een schuld aan de eigen vennootschap van meer dan € 500.000, het meerdere wordt gezien als een fictief regulier voordeel, waarover in box 2 belasting is verschuldigd. In dit artikel gaan wij nader in op de werking van dit wetsvoorstel. Wij zullen uiteraard de ontwikkelingen nauwgezet blijven volgen en bij nieuwe informatie aanvullende artikelen schrijven. U treft verwijzingen naar deze andere artikelen, onderaan dit artikel.

De aanmerkelijkbelanghouder en de DGA

Een aanmerkelijkbelanghouder is niet altijd DGA. Immers: de D in DGA staat voor directeur en het is goed mogelijk om aanmerkelijkbelanghouder (AB-houder) te zijn, zonder dat de persoon ook directeur is. Dit wetsvoorstel richt zich op AB-houders en wordt daarnaast uitgebreid met personen die zich in de omgeving van deze persoon bevinden. Op deze groep van personen wordt verderop in dit artikel ingegaan. Uit de vennootschap waarin het aanmerkelijk belang wordt gehouden, kan de AB-houder op een aantal wijzen gelden verkrijgen:

  • Indien arbeid wordt verricht, dient te worden voldaan aan de gebruikelijkloonregeling. Het loon wordt belasting in box 1 van de inkomstenbelasting;
  • Op de aandelen kan winst worden uitgekeerd in de vorm van dividenden. Dividenden zijn belast – indien sprake is van een AB-houder – in box 2 van de inkomstenbelasting;
  • De AB-houder kan een geldlening aangaan bij de eigen vennootschap. Hij wordt dan schuldenaar. Op dat moment vindt niet direct belastingheffing plaats, maar wordt wel beschikt over geld van de vennootschap. Het is deze hoedanigheid (schuldenaar) die in dit wetsvoorstel centraal wordt gesteld.

Wat voor de AB-houders niet meewerkt, is dat het in de praktijk regelmatig voorkomt dat de geldleningen in het geheel niet terugbetaald (kunnen) worden. Dit kan leiden tot belastingafstel, in plaats van belastinguitstel. Dit geldt uiteraard niet voor alle AB-houders. De afgelopen jaren voert de Belastingdienst actief onderzoek uit naar geldleningen en onze ervaring is dat daar vervelende discussies uit kunnen voortkomen. De discussie richt zich dan bijvoorbeeld op de vraag of wel sprake is van een geldlening. De Belastingdienst neemt regelmatig het standpunt in dat het geld de vennootschap reeds definitief heeft verlaten en dat daarom sprake is (geweest) van een winstuitdeling. Dit wetsvoorstel verandert weinig in die werkwijze; de wetgever merkt expliciet op dat voor schulden die beneden de € 500.000 liggen, de jurisprudentie over bijvoorbeeld verkapte winstuitdelingen, onverkort van toepassing blijft.

Werking regels tegen excessief lenen bij eigen vennootschap

De hoofdregel is vrij eenvoudig geformuleerd. Indien het totaal aan relevante schulden aan de eigen vennootschap meer bedraagt dan het drempelbedrag van € 500.000, dan wordt het meerdere gezien als een fictief regulier voordeel. Dit bedrag wordt dan in box 2 belast tegen het geldende tarief. Momenteel is dat tarief 26,9%. Doorslaggevend is steeds de status aan het einde van het kalenderjaar. Bij veel vennootschappen zal de benodigde informatie daarom uit de jaarrekening gehaald kunnen worden, doch bij boekjaren die niet eindigen op 31 december (einde kalenderjaar) is het noodzaak om een tussentijdse opstelling voorhanden te hebben.

Toch roept deze relatief eenvoudige regel nog een aantal vragen op:

  • Wat zijn de gevolgen voor de geldlening en de vennootschap?
  • Voor welke groep belastingplichtigen geldt dit precies?
  • Wat zijn relevante schulden?
  • Hoe wordt dubbele belastingheffing voorkomen?

Wij gaan hierna in op deze elementen.

Gevolgen voor de geldlening en de vennootschap

Deze maatregel heeft uitsluitend effect voor de belastingheffing in box 2. Aan de zijde van de vennootschap (in de vennootschapsbelasting) gebeurt dus niets. Ook is het niet zo dat de geldlening wordt gezien als ‘kapitaal’. De lening blijft dus volledig intact, net als alle aflossingsverplichtingen die daarbij zijn overeengekomen. Stel dat de schuld bij de AB-houder in box 3 staat en bij de vennootschap op de balans staat. De AB-houder houdt de schuld aan de vennootschap gewoon in box 3, ongeacht wat er in box 2 aan fictief regulier voordeel wordt opgenomen. De vennootschap doet helemaal niets met de schuld en de ontvangen rente wordt ‘gewoon’ tot de opbrengsten gerekend.

Voor welke groep belastingplichtigen geldt het excessief lenen?

De AB-houder behoort uiteraard tot de groep belastingplichtigen voor wie dit geldt. Hij is echter niet de enige. De partner van de AB-houder wordt eveneens tot de groep belastingplichtigen gerekend en het gaat daarbij om de gezamenlijke schulden. Indien sprake is van fiscaal partnerschap, mag het inkomen in box 2 vrij worden toegerekend. De wetgever is echter niet bij de partner van de AB-houder gestopt. De regels gelden namelijk ook voor de bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van de AB-houder en / of zijn partner. Deze bloed- en aanverwanten worden bestempeld als verbonden personen. De belastingheffing is afhankelijk van het antwoord op de vraag of zij zelf een aanmerkelijk belang in de vennootschap hebben.

Indien zij zelfstandig kwalificeren als AB-houder, dan is de maatregel op de persoon van toepassing indien zijn schuld hoger is dan € 500.000. Heeft de verbonden persoon geen aanmerkelijk belang, dan wordt de schuld toegerekend aan de AB-houder indien deze meer bedraagt dan € 500.000. Een voorbeeld ter illustratie.

Een AB-houder heeft een dochter. De AB-houder heeft zelf een schuld aan de vennootschap van € 400.000. De vennootschap leent daarnaast € 750.000 uit aan de dochter. De dochter heeft zelf geen aanmerkelijk belang in de vennootschap.

De schuld die de dochter heeft wordt toegerekend aan de vader, de AB-houder, maar alleen voor zover de schuld meer bedraagt dan € 500.000. De totale schuld van de AB-houder bedraagt dan € 650.000.

Bij nota van wijziging is geregeld dat ook bij verbonden personen rekening wordt gehouden met de schulden van de partner.

Welke schulden tellen mee bij excessief lenen?

Uitgangspunt is dat alle leningen onder het begrip relevante schulden vallen. Daarbij worden alle schulden samengeteld, ook als sprake is van meerdere vennootschappen. De Belastingdienst zal voorts alert zijn op constructies die ertoe leiden dat op papier geen sprake is van een geldlening, maar in de praktijk wel. Hoe dit er precies uit gaat zien is vooralsnog niet bekend. In de memorie van toelichting wordt het voorbeeld gegeven van het lenen van gelden van de vennootschap aan de broer van de AB-houder, die deze vervolgens doorleent aan de AB-houder. Een ander voorbeeld is de AB-houder die geld leent bij een bank, waarbij de vennootschap zich op alle punten garant stelt. Indien de AB-houder de gelden ook op eigen kracht kan lenen, wat bijvoorbeeld blijkt uit de omstandigheid dat de garantstelling slechts leidt tot gunstigere voorwaarden, telt de schuld niet mee. Het schuldbegrip kan daarmee ruimer uitwerken dan soms wordt gedacht.

Het bedrag aan schulden kan niet worden verlaagd door daartegenover vorderingen te plaatsen. Tot de schulden behoort ook de op schulden bijschreven, verschuldigde rente. Een uitzondering wordt gemaakt voor eigenwoningschulden. Voor eigenwoningschulden die reeds op 31 december 2022 bestaan, geldt dat daarbij niet relevant is of er een hypothecaire zekerheid is gevestigd op de woning. Dit is wel een voorwaarde voor eigenwoningschulden die na 31 december 2022 worden aangegaan.

Voorkoming van dubbele heffing bij excessief lenen

Het maximale schuldbedrag van € 500.000 wordt steeds verhoogd met het bedrag dat in aanmerking is genomen als fictief regulier voordeel wegens overschrijding van het drempelbedrag. De wetgever is aangesproken op het ontbreken van voldoende waarborgen om dubbele belastingheffing te voorkomen. Daarom is de figuur van het negatief fictief regulier voordeel geïntroduceerd. Zoals zojuist aangegeven, wordt het maximumbedrag verhoogd met het bedrag dat als fictief regulier voordeel in aanmerking is genomen. Indien op enig moment het totaalbedrag aan schulden lager is dan het verhoogde maximumbedrag, dan leidt dat tot een negatief fictief regulier voordeel. Op dit verlies uit aanmerkelijk belang zijn de gebruikelijke regels van toepassing. Van een negatief fictief regulier voordeel kan slechts sprake zijn (plafond) tot het bedrag dat eerder als positief fictief regulier voordeel in aanmerking is genomen en voor zover ter zake van dat bedrag niet eerder een negatief bedrag als bovenmatig deel van schulden in aanmerking is genomen. Een voorbeeld ter verduidelijking.

Een AB-houder heeft een schuld aan de vennootschap van € 750.000. Het maximumbedrag bedraagt € 500.000. Hij wordt in box 2 belast voor het verschil van € 250.000, hetgeen er tevens toe leidt dat het maximumbedrag daarna op € 750.000 wordt gesteld.

Stel dat deze AB-houder in het jaar daarna € 450.000 aflost op de openstaande lening. De totale schuld bedraagt dan nog € 300.000. Het bovenmatige deel voor dat jaar bedraagt dan € 300.000 - € 750.000 = -/- € 450.000. Het negatief fictief regulier voordeel bedraagt vervolgens € 250.000, aangezien het plafond gelijk is gesteld aan het eerder in aanmerking genomen positief fictief regulier voordeel. Als gevolg hiervan bedraagt het maximumbedrag weer € 500.000.

Excessief lenen en overlijden AB-houder

Wat er gebeurt bij overlijden laat zich het meest duidelijk uitleggen aan de hand van een versimpeld voorbeeld.

De AB-houder heeft een schuld van € 700.000. Hierover is in het verleden een fictief regulier voordeel van € 200.000 in aanmerking genomen. Het maximumbedrag is daarbij opgehoogd tot € 700.000. In de loop van het jaar overlijdt de AB-houder. Daardoor heeft hij op 31 december geen schuld en geen AB. Wel heeft hij een zoon.

Aan de zijde van de AB-houder geldt nu dat in de overlijdensaangifte een negatief fictief regulier voordeel mag worden opgenomen van € 200.000. Dit wordt geacht te zijn genoten direct voorafgaand aan het overlijden.

De zoon verkrijgt op grond van het erfrecht een aanmerkelijk belang en wordt AB-houder. Hij vererft tevens de schuld en die schuld bedraagt nog steeds € 700.000. Voor de zoon geldt eerst het maximumbedrag van € 500.000, als gevolg waarvan bij hem een fictief regulier voordeel van € 200.000 in aanmerking wordt genomen. Zijn maximumbedrag bedraagt daarna € 700.000.

Buitenlandse AB-houder en excessief lenen

Het kan zijn dat de AB-houder in het buitenland woont. Het betreft dan personen die fiscaal in het buitenland wonen, maar een aanmerkelijk belang houden in een in Nederland gevestigde vennootschap. Op deze personen werken – vanuit Nederlands recht bezien – precies dezelfde bepalingen als hiervoor beschreven door. Nederland heeft echter met veel staten een verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing gesloten. Het is daarom de vraag of Nederland daadwerkelijk over mag gaan tot het heffen van belasting. De wetgever geeft zelf aan dat onder de huidige formulering in de gesloten belastingverdragen, het heffingsrecht niet geëffectueerd kan worden.

Voorkomen heffing over excessief lenen

De eerste peildatum is naar verwachting 31 december 2023. U kunt op diverse manieren de schuldverhouding met de eigen vennootschap op legitieme wijze verlagen. Wij wijzen ter illustratie op:

  • Het aflossen van een deel van de schuld uit eigen middelen;
  • Het aflossen van een deel van de schuld door het uitkeren van dividend, waarbij rekening moet worden gehouden met de heffing in box 2;
  • Het aflossen van een deel van de schuld door middel van een kwijtschelding, hetgeen eveneens tot een winstuitdeling leidt en tot heffing in box 2;
  • Maatwerkoplossingen gebaseerd op uw specifieke situatie.

Fiscaal jurist over wetsvoorstel excessief lenen bij eigen vennootschap

Het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap is een vrij hard voorstel. Er wordt geen onderscheid gemaakt in AB-houders en niet relevant is of u voldoende aflossingscapaciteit heeft om schulden af te lossen. Voorts wordt slechts op beperkte schaal, alleen voor bestaande eigenwoningschulden, voorzien in overgangsrecht.

Het is belangrijk om te beseffen dat u wordt belast over een voordeel dat u niet echt heeft genoten. Er wordt gedaan alsof u een regulier voordeel heeft ontvangen. Stel dat het fictief regulier voordeel € 100.000 bedraagt, dan bedraagt de box 2 heffing naar de tarieven van 2021 hierover € 26.900. Dit geld wordt u geacht aan de Belastingdienst over te maken, maar hebt u niet daadwerkelijk als voordeel uit de vennootschap ontvangen.

Het is daarom belangrijk om tijdig te handelen naar de invoering van deze nieuwe wetgeving. Wij kijken graag samen met u naar de mogelijkheden om uw schuldpositie te verlagen of naar andere mogelijkheden om te zorgen dat u straks niet wordt opgezadeld met een belastingclaim die als een zwaard van Damocles boven u uittorent. Neemt gerust eens vrijblijvend contact op met één van onderstaande adviseurs.

Excessief lenen bij eigen vennootschap [news] 2021-07-23 0000-00-00 0000-00-00 7095

Excessief lenen: emigratie en immigratie

In dit artikel, behorend bij onze reeks over het wetsvoorstel excessief lenen bij de eigen vennootschap, gaan wij nader in op de gevolgen van dit wetsvoorstel voor aanmerkelijkbelanghouders (AB-houders) die emigreren of immigreren. Onderaan dit artikel, maar ook links in het menu, treft u snelkoppelingen naar de andere artikelen in deze reeks.

Excessief lenen bij de eigen vennootschap op hoofdlijnen

Wij brengen hier eerst het doel en de strekking van het wetsvoorstel in herinnering. Als gevolg van het wetsvoorstel bestaat er straks een fictief voordeel voor de situatie waarin een AB-houder, zijn partner of een met hem verbonden persoon een te grote schuld heeft uitstaan bij de vennootschap waarin het aanmerkelijk belang wordt gehouden. Indien de totale schuldsom meer bedraagt dan – als startdrempelbedrag - € 500.000, dan wordt het meerdere geacht inkomen uit aanmerkelijk belang te vormen. Dat leidt tot belastingheffing in box 2. Het box 2 tarief in 2021 bedraagt 26,9%.

Fiscale problematiek bij emigratie / immigratie AB-houders

Aanmerkelijkbelanghouders dienen bij emigratie of immigratie altijd rekening te houden met de fiscale aspecten. Bij emigratie is het zo dat sprake is van een fictieve vervreemding. Dat betekent dat over de vervreemdingswinst, die niet ‘echt’ wordt genoten, afgerekend moet worden met de Belastingdienst. Voor dit inkomen wordt een conserverende aanslag opgelegd. In tegenstelling tot wat vroeger het geval was, wordt deze conserverende aanslag niet na 10 jaar kwijtgescholden. Voor een conserverende aanslag kan uitstel van betaling worden verleend, afhankelijk van de omstandigheden kan dit zelfs renteloos zijn.

Bij immigratie geldt dat de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang moet worden vastgesteld. Indien sprake is van een vennootschap die naar Nederlands recht is opgericht of indien de immigrant eerder in Nederland heeft gewoond, zal de verkrijgingsprijs worden gesteld op de historische verkrijgingsprijs.

Excessief lenen en emigratie AB-houder

Ook bij excessief lenen heeft emigratie gevolgen voor de AB-houder. Wij beschreven hiervoor dat een fictief vervreemdingsvoordeel in aanmerking wordt genomen. Anders gezegd: er wordt gedaan alsof u de aandelen verkoopt. Indien u in het verleden geconfronteerd bent met een fictief regulier voordeel als gevolg van een te grote schuldsom, dan mag u een negatief fictief regulier voordeel in aanmerking nemen. Zoals uitgebreider uitgelegd in het artikel over het wetsvoorstel, is het negatief fictief regulier voordeel de tegenhanger van de box 2 heffing die u voldoet omdat u een te groot schuldbedrag heeft. Door deze systematiek wordt dubbele belastingheffing voorkomen. Hierna volgt een voorbeeld ter verduidelijking.

Een AB-houder heeft een schuld van € 750.000 aan zijn bv. Het bedrag dat de drempel van € 500.000 te boven gaat, wordt als regulier voordeel in aanmerking genomen. Dat bedrag bedraagt € 250.000. Het maximumbedrag (de drempel) bedraagt na deze gebeurtenissen € 750.000.

De AB-houder gaat later emigreren. De waarde van zijn aandelen in de bv bedraagt op dat moment € 1.100.000. De verkrijgingsprijs van de aandelen wordt gesteld op € 200.000. Het vervreemdingsvoordeel (fictief) wordt altijd gesteld op de waarde in het economisch verkeer – de verkrijgingsprijs. Het vervreemdingsvoordeel bedraagt derhalve € 900.000.

Op grond van dit wetsvoorstel wordt het vervreemdingsvoordeel vervolgens nog verminderd. Deze vermindering bedraagt het eerder in aanmerking genomen regulier voordeel (fictief) als gevolg van het excessief lenen. Dit voordeel bedroeg € 250.000. Deze € 250.000 komt dus in mindering op het vervreemdingsvoordeel van € 900.000.

Er volgt in dit voorbeeld dan een conserverende aanslag voor een vervreemdingsvoordeel van (per saldo) € 650.000, hetgeen resulteert in een aanslag van (naar huidig tarief van 26,9%) € 174.850.

Waardemutaties op de schuld in het jaar van de emigratie hebben geen effect op de uitkomst indien die voor de emigratie plaatsvinden.

Bij een conserverende aanslag horen altijd spelregels. Standaard is de regel dat de conserverende aanslag wordt beëindigd (en dus belasting wordt geheven), zodra u over het inkomen in Nederland belasting bent verschuldigd. Met de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel komt er een spelregel bij. Het uitstel van betaling wordt eveneens beëindigd voor zover bovenmatige schulden ontstaan of toenemen na de emigratie van de AB-houder. Net als wanneer u in Nederland was blijven wonen, bent u dan belasting verschuldigd over een fictief regulier voordeel. Hierna volgt een voorbeeld.

Een AB-houder heeft een schuld van € 750.000 bij zijn bv. Hij heeft hierover al eens een regulier fictief voordeel van € 250.000 voldaan, dus zijn maximumbedrag is ook € 750.000. Later emigreert de AB-houder. Ervan uitgaande dat het fictieve vervreemdingsvoordeel € 800.000 bedraagt, wordt de conserverende aanslag vastgesteld met een box 2 inkomen van € 550.000 (€ 800.000 - € 250.000). De belastingheffing hierover bedraagt, uitgaande van het huidige percentage van 26,9%, € 147.950.

In het jaar na de emigratie besluit de AB-houder nog eens € 50.000 te lenen van zijn vennootschap. Zijn totale lening bedraagt dan € 800.000. Het uitstel van betaling wordt nu ingetrokken voor een bedrag van € 50.000 * het AB-tarief (26,9%), hetgeen betekent dat een bedrag van € 13.450 moet worden voldaan. Wij merken volledigheidshalve op dat dit voorbeeld is geschreven zonder aandacht voor verdragstoepassing.

Uitzondering excessief lenen en emigratie AB-houder

Het kan voorkomen dat u na emigratie dividend uitkeert, juist bedoeld om die excessieve schuld af te lossen. Zonder nadere regels wordt echter bij het uitkeren van dividend, voor een deel van de conserverende aanslag het uitstel van betaling ingetrokken. Indien u als AB-houder aannemelijk kunt maken dat het totaal aan schulden is afgenomen ten opzichte van het vorige jaar, dan kan beëindiging van het uitstel achterwege blijven. Deze uitzondering geldt slechts voor zover in een nationale situatie een negatief fictief regulier voordeel in aanmerking genomen zou kunnen worden.

Excessief lenen en immigratie AB-houder

Ook bij excessief lenen heeft immigratie voor een AB-houder fiscale gevolgen. Vanaf het moment dat de persoon in Nederland gaat wonen, valt hij immers onder de Nederlandse fiscale verplichtingen en daar hoort het box 2 regime bij. Nederland wenst zich daarnaast in te spannen om immigratie zo min mogelijk te laten belemmeren door fiscaliteit. Het maximumbedrag van de schuldsom (de drempel) wordt daarom gesteld op het op dat moment aanwezige schuldbedrag van de AB-houder (en de aan hem toegerekende schulden van bijvoorbeeld een partner). De ondergrens daarbij bedraagt de bekende € 500.000. Hiermee wordt dubbele belastingheffing vermeden.

Zetelverplaatsing vennootschap en excessief lenen

Wat zich ook voor kan doen, is dat de vennootschap de werkelijke leiding verplaatst. Ook dit wordt aangemerkt als een fictieve vervreemding waarvoor een conserverende aanslag wordt opgelegd. De grondslag voor deze conserverende aanslag kan echter worden verlaagd met het bedrag dat als negatief fictief regulier voordeel in aanmerking genomen zou zijn genomen, indien de AB-houder de leiding niet had verplaatst en de schulden had afgelost. Hiermee wordt dubbele belastingheffing voorkomen. Indien een buitenlands belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft in meerdere vennootschappen, vindt deze regel pas toepassing zodra de laatste van de vennootschappen Nederland verlaat. Dit is anders ingeval van fictieve vestiging, waarop wij in dit artikel niet nader ingaan. Een voorbeeld ter verduidelijking.

De AB-houder is buitenlands belastingplichtig. De vennootschap is in Nederland gevestigd. De AB-houder leent € 700.000, hetgeen meer is dan de startdrempel van € 500.000. Een bedrag van € 200.000 wordt als fictief regulier voordeel in aanmerking genomen en het maximumbedrag wordt verhoogd naar € 700.000.

De vennootschap verplaatst later de werkelijke leiding naar het buitenland. Dat is een fictieve vervreemding en dus volgt een conserverende aanslag. Stel dat de waarde van de aandelen € 1.000.000 bedraagt en de verkrijgingsprijs € 100.000, dan bedraagt het vervreemdingsvoordeel € 900.000.

Dit bedrag wordt nog verminderd met het bedrag met € 200.000, waardoor de conserverende aanslag wordt berekend over een box 2 inkomen van € 700.000.

Fiscaal jurist over excessief lenen en emigratie / immigratie

Emigratie en immigratie zijn fiscaal altijd ingewikkelde onderwerpen. Met name als er sprake is van bijvoorbeeld diverse pensioenpotjes, aandelen in vennootschappen en / of een eigen onderneming, kan er veel geregeld moeten worden. De invoering van het wetsvoorstel excessief lenen maakt dat er weer een onderwerp bijkomt waar bij emigratie – in dit geval van een aanmerkelijkbelanghouder – rekening mee moet worden gehouden. Dat geldt overigens ook bij immigratie of remigratie. Het geheel aan regels bij het verlaten en / of terugkeren naar Nederland wordt er daarmee niet eenvoudiger op.

Het verplaatsen van de zetel van een vennootschap kan eveneens gevolgen hebben. Accountants en adviseurs zullen daarom scherp moeten zijn op het beoordelen van schuldverhoudingen in grensoverschrijdende situaties, indien deze schulden zijn aangegaan ten behoeve van de DGA, zijn partner of een verbonden persoon. Aangezien deze personen niet altijd dezelfde achternaam hebben, is het van belang om steeds en tijdig de juiste vragen te stellen. Vragen hierover? Neem dan gerust eens contact op met één van de auteurs van dit artikel.

Excessief lenen bij emigratie en immigratie [news] 2021-07-23 0000-00-00 0000-00-00 7096

Belastingtips 2022 voor de DGA en de bv

In 2022 zullen diverse wijzigingen worden doorgevoerd voor de directeur-grootaandeelhouder (DGA) en zijn bv('s). In dit artikel een overzicht. Tevens nemen wij diverse tips voor de DGA op.

Wij controleren uw accountant

Heeft u vragen of wilt u belasting besparen? Neem eens contact met ons op of laat een fiscale scan van uw bedrijf en privé situatie maken. In deze fiscale scan controleren wij uw bedrijf (en privé situatie) op ruim 100 onderdelen. We gaan dus een wedstrijdje aan met uw accountant, wie is er slimmer en weet de fiscale mogelijkheden het beste !

Tarief vennootschapsbelasting 2022

Het tarief voor de Vennootschapsbelasting bedraagt 25%. Dit zal de komende jaren zo blijven. Echter voor winsten tot € 245.000 is het tarief in 2021 lager, namelijk 15%. In 2021 wordt dit nog gunstiger, tot een bedrag van € 395.000 bedraagt het tarief 15%. Heeft u een fiscale eenheid voor de Vennootschapsbelasting en winsten boven de € 395.000? Neem dan eens contact met ons op, via een eenvoudige route kunnen wij voor u tienduizende euro's besparen.

Verliesverrekening in de bv in 2022

Verliezen in de bv zijn verrekenbaar met winsten van het vorige jaar en de winsten over de komende 6 jaren. De termijn van 6 jaren komt te vervallen, verliezen zijn dus onbeperkt in de toekomst verrekenbaar. Tevens komt er een minder gunstige regeling. Verliezen tot € 1.000.000 zijn altijd te verrekenen, maar hierboven is nog maar 50% verrekenbaar.

Rekening-courant van de DGA in 2023

Er is een wetsvoorstel (excessief lenen) in de maak. De kern van dit voorstel is dat de DGA vanaf 2023 nog maximaal € 500.000 van zijn bv mag lenen. Lees voor meer informatie onderstaande artikelen. Er is veel kritiek op dit voorstel en de invoering is nog niet zeker.

Verrekening dividendbelasting met vennootschapsbelasting beperkt

Verrekening van dividendbelasting (en kansspelbelasting) met de vennootschapsbelasting wordt beperkt (oorzaak Sofia arrest). Op dit moment kunnen bv's (rechtspersonen) de betaalde dividendbelasting verrekenen met de te betalen vennootschapsbelasting. Wordt er verlies gemaakt in de bv, dan wordt de betaalde dividendbelasting aan de bv terugbetaald. Buitenlandse VPB-plichtigen krijgen de betaalde dividendbelasting niet terug. Dit kan volgens de EU niet door de spreekwoordelijke EU-beugel. Waarschijnlijk wordt de verliessituatie dus anders in de wet opgenomen. Bij verlies krijgt een Nederlandse bv de betaalde dividendbelasting niet meer terug van de Belastingdienst.

Diverse belastingtips 2022 voor de DGA

Als DGA zijn er vele mogelijkheden om belasting te besparen, denk eens aan:

  1. Belastingvrije bedrijfsopvolging
  2. Beperken bijtelling auto van de zaak bij meerdere auto's
  3. Belonen van kinderen en uw partner
  4. Voorkomen verliesverdamping
  5. Terugkeer uit de bv of eenmanszaak naast uw bv
  6. Fiscaal voordelig lenen van uw bv
  7. Eigen woning hypotheek of familiebank via uw bv
  8. Voorzieningen in uw bv voor uw bedrijfspand
  9. Sneller afschrijven van huurdersinvesteringen of materiële vaste activa
  10. Fiscale voordelen door innovatie

Fiscale vragen of fiscale scan

Heeft u vragen of wilt u een keer een fiscale APK van uw bedrijf? Neem dan gerust contact met ons op.

Belastingtips 2022 voor DGA en bv [news] 7213

DGA en fiscus [news] 4500

Is onbelast wegstrepen schuld aan uw B.V. mogelijk?

In de media is de laatste tijd veel aandacht besteed aan een fiscaal adviesproduct, waarbij een rekening-courantschuld  van een directeur-grootaandeelhouder (DGA) aan zijn B.V. zonder belastingheffing en boetes (gedeeltelijk) kan worden "weggestreept". Aanleiding hiervan was een item in een uitzending van het programma Business Class van Harry Mens, waarin een belastingadviseur uitlegt dat het probleem van een schuld aan de B.V. eenvoudig en zonder belastingheffing en boetes kan worden opgelost. Klinkt simpel, maar is het zeker niet.

In de fiscale DGA-praktijk wordt nu veel gespeculeerd over de juistheid van dit advies en de eventuele nadelige gevolgen en risico's voor de DGA en zijn adviseur.

Uitgangspunt: schuld aan de B.V. niet laten oplopen

Het komt in de praktijk met enige regelmaat voor dat een DGA een jaarlijks oplopende  schuld aan zijn B.V. heeft. Het verdient altijd de voorkeur om een dergelijke rekening-courantschuld niet te laten oplopen, maar juist af te lossen. Het geeft de Belastingdienst immers aanleiding om dit te corrigeren door te stellen dat het bedrag al door de DGA  in privé genoten is (loon, dividend). Ook kan dit vervelende gevolgen hebben voor uw pensioen in eigen beheer (afkoop van deze verplichting kost u 72%, namelijk 52% belasting verhoogd met 20% revisierente). Ook kan dit leiden tot een vervelende en vervroegde discussie over de omvang van uw gebruikelijk loon. Tevens moet er rente worden berekend, die u in privé niet kunt aftrekken. Tenslotte zal in geval van een faillissement de curator de vordering bij u opeisen. Kortom: als uw adviseur u hierover niet adviseert, is het voor u van belang om dit aan de orde te stellen.

Let wel: een vorm van een lening, vastgelegd in een leningsovereenkomst en onder zakelijke condities verstrekt hoeft geen probleem te zijn, maar laat dit wel even toetsen.

U heeft een schuld aan uw B.V. 

Als u een forse schuld aan uw B.V. heeft, zal het vaak op enig moment een probleem worden om deze af te lossen. Terugbetalen vanuit privé is vaak niet mogelijk en het uitkeren van dividend kost direct (veel) belasting. Stel dat u een schuld aan de B.V. heeft ter grootte van € 100.000, dan moet u een bruto dividenduitkering van € 133.333 uitkeren, waarover € 33.333 belasting moet worden betaald. Vaak zijn de liquiditeiten niet voorhanden, maar vaak laat men het op zijn beloop. Daar ontstaan de problemen.

Wegstrepen mogelijk?

De stelling is dat in sommige gevallen de verstrekte lening niet moet worden gezien als een zakelijke lening, maar als een onzakelijke vorm van geldverstrekking door de B.V. aan haar DGA. Er moet sprake zijn van een schijnlening.  Een gewone lening zal worden terugbetaald, maar bij een schijnlening is deze terugbetaling van meet af aan zeer dubieus. Het gevolg is dat het bedrag van de lening als uitdeling van dividend kan of als loon zal worden aangemerkt. Als aannemelijk is dat er sprake is van een schijnlening en daarbij de mogelijkheid om na te vorderen door de Belastingdienst door tijdsverloop is verstreken, is het standpunt dat deze schuld met een eenvoudige journaalpost kan worden weggestreept tegen (1) het eigen vermogen, dan wel (2) de pensioen- of stamrechtreserves.

Wat zijn de risico's van dit wegstrepen?

De aanslagen over de betreffende jaren moeten definitief zijn vastgesteld. De Belastingdienst heeft echter sinds 2010 ruimere navorderingsmogelijkheden, waardoor er toch kan worden nagevorderd als er sprake is van kwader trouw of een redelijkerwijs kenbare fout. De Belastingdienst zal bij dit soort acties vanzelfsprekend alle registers opentrekken om deze onbelaste vrijval te voorkomen en een lange bezwaar- en beroepsprocedure ligt in het verschiet. Daarbij komt dat het risico bestaat dat men afkoop van pensioen gaat stellen, met alle gevolgen van dien.

Ook is het de vraag wanneer de verkapte dividenduitkering heeft plaatsgevonden en of er ook mutaties zijn geweest in recentere jaren. Het is ook maar de vraag of er wel een vereiste juiste aangifte is gedaan. Ook leidt dit tot een aansprakelijkheidsrisico voor de adviseur op grond van de vierde tranche AWB. Kortom, er zijn veel beren op de weg.

Tenslotte ... de ethiek

Veel fiscaal adviseurs zullen terughoudend zijn met de uitvoering van dit soort advisering, vanwege de ethische norm. De vraag die bijvoorbeeld door prof.dr.mr. Edwin Heithuis van de Universiteit van Amsterdam wordt gesteld is, of dit soort advisering  niet in strijd is met de eer en waardigheid van het beroep. We hebben het immers over herstel van fiscaal nadelige situaties die de betreffende DGA, al dan niet bewust, wel zelf heeft veroorzaakt. Wellicht toch maar kiezen voor een elegante oplossing!

Wat is ons advies

In beginsel zijn er situaties denkbaar waarin men het best het standpunt van de onzakelijke lening en onbelaste vrijval zou kunnen innemen. Zeker als het een reactie is op een reeds ingenomen standpunt van de Belastingdienst bij een controle, dat er sprake is van een uitdeling. De vraag is of het wenselijk is om echter pro-actief het standpunt in te nemen dat er sprake is van verkapt dividend. Wellicht zijn er alternatieven die uiteindelijk ook tot een voor de DGA aanvaardbaar resultaat leiden. Denk aan het geven van zekerheid, een zakelijke rente en een aflossingsschema. Dit alles is zeer afhankelijk van uw specifieke situatie. Wij bespreken dit uiteraard graag met u. 

Onderstaand nog enkele artikelen over dit onderwerp, lees ook dit artikel over het interne memo van de Belastingdienst.

Wegstrepen schuld aan BV? [news] 2016-02-25 0000-00-00 0000-00-00 4906

Bezoek golfclub leidt tot bijtelling auto

Onlangs heeft Gerechthof Den Bosch een opmerkelijke uitspraak gedaan inzake de vraag of ritten naar de golfclub als privé of zakelijk moeten worden aangemerkt.

Wat was er aan de hand?

Henk kreeg van zijn werkgever een auto ter beschikking gesteld en werd daarnaast door zijn werkgever verplicht om marketingactiviteiten te verrichten om werk binnen te halen.

Henk heeft hiertoe een lidmaatschap genomen bij de lokale golfclub, alwaar hij uitsluitend heen ging om met zakenrelaties een balletje te slaan; in 2011 bezocht hij hiertoe 79 maal de golfclub met zijn zakelijke auto.

Het geschil

Henk vond dat de ritten naar de golfclub zakelijk waren en dat hij dus geen bijtelling had; hij reed volgens zijn kilometeradministratie slechts 326 km privé, dus geen bijtelling voor privégebruik.

De inspecteur zag dit anders; hij zag golfen als een privé-aangelegenheid en merkte de autoritten daarom aan als privé, met als gevolg dat Henk boven de 500 km-grens uit kwam en belast moest worden voor privégebruik van de auto.

Uitspraak Gerechtshof

Niet in geschil is dat alle golfbezoeken uitsluitend hebben plaatsgevonden met zakelijke relaties, vooraf ingepland in de agenda.

Het Gerechtshof Den Bosch acht het daarom aannemelijk dat de bezoeken aan de golfclub zowel samenhangen met zijn rol als directeur als met zijn privéleven waarin het beoefenen van de golfsport een rol speelt; zowel een zakelijk als een privé-element derhalve.

Vervolgens oordeelt het Hof dat autoritten die zowel met de dienstbetrekking als met het privéleven te maken hebben, slechts als zakelijk kunnen worden aangemerkt als iemand die niet een dergelijke dienstbetrekking vervult, doch wat inkomen, vermogen en gezin betreft in dezelfde omstandigheden verkeert, die autoritten niet zou hebben gemaakt. Vraag is dus hoe vaak iemand in privé zelf zou zijn gaan golfen.

Het antwoord op deze vraag wordt door de adviseur van Henk zelf aangedragen; in een rapport van de Golfbranche is berekend dat een golfer gemiddeld bijna 17 rondjes van 18-holes per jaar speelt.

Conclusie van het Hof is daarom dat 17 rondjes als privé worden aangemerkt en de restende 62 rondjes als zakelijk. Helaas voor Henk pakt dit niet gunstig uit; hij woont op 8 km van de golfclub: 17 rondjes maal 8 km maal 2 (heen en terug) leiden tot 272 privékilometers naar de golfclub. Omdat hij daarnaast nog 326 andere privékilometers heeft gereden, komt hij totaal op 598 km privé.

Conclusie: 598 km privé is meer dan 500 km, dus bijtelling!

Let dus goed op bij het rijden van privékilometers en zorg dat je totaal onder de 500 km blijft. Voor Henk zijn het erg dure kilometers gebleken.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:2707.

Bezoek golfclub leidt tot bijtelling auto [news] 2018-10-25 0000-00-00 0000-00-00 5732

Wetsvoorstel inzake lenen bij de eigen B.V.

Zoals reeds tijdens Prinsjesdag in 2018 aangekondigd wil het Kabinet leningen van aandeelhouders bij de eigen besloten vennootschap gaan beperken. Op 4 maart jl. is hiertoe het wetsvoorstel “Wet excessief lenen bij eigen vennootschap” gepubliceerd. 

De internetconsultatie duurt tot 1 april 2019. Naar verwachting wordt het wetsvoorstel in de zomer ingediend bij de Tweede Kamer.

Wetsvoorstel lenen bij BV van DGA

Door het wetsvoorstel moet voorkomen worden dat aanmerkelijkbelanghouders belastingheffing langdurig uitstellen of zelfs afstellen. Alleen aanmerkelijkbelanghouders die bovenmatig lenen worden geraakt door de maatregel. Indien de totale som van de schulden van de aanmerkelijkbelanghouder aan zijn eigen vennootschap meer dan € 500.000 bedraagt, wordt dat meerdere in de vorm van een fictief regulier voordeel als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen. Voor bestaande en nieuwe eigenwoningschulden wordt een overgangsmaatregel getroffen.

Aanmerkelijkbelanghouders en lening

Bij toepassing van de fictie worden de schulden van de aanmerkelijkbelanghouder en zijn / haar partner samengeteld. Daarnaast is de voorgestelde maatregel van toepassing op schulden die bloed- of aanverwanten in de rechte lijn (ouders, kinderen, kleinkinderen) van de aanmerkelijkbelanghouder of van zijn / haar partner hebben aan de vennootschap.

Leningen van de DGA

Alle soorten leningen vallen onder de regeling (met uitzondering van de eigenwoningschuld, zie hierna). Hieraan wordt een ruime invulling gegeven. Zo vallen onder de reikwijdte van de maatregel ook schulden die niet rechtstreeks bij de vennootschap zijn aangegaan, maar indirect wel van de vennootschap afkomstig zijn. Het gaat hier bijvoorbeeld om het in- en doorlenen via een andere (rechts-)persoon aan de aanmerkelijkbelanghouder en leningen van een derde aan de aanmerkelijkbelanghouder onder garantstelling door de vennootschap.

De eigenwoningschuld is, zoals hierboven reeds benoemd, onder bepaalde voorwaarden uitgezonderd. Een schuld wordt voor de toepassing van de maatregel niet als schuld in aanmerking genomen als deze kwalificeert als eigenwoningschuld voor de eigenwoningregeling in box 1. Voor eigenwoningschulden afgesloten na 31 december 2021 dient tevens een hypotheekrecht te zijn verstrekt.

Vaststellingsovereenkomsten DGA en lening

Het consultatievoorstel gaat kort in op de gevolgen voor bestaande afspraken over rekening-courantverhoudingen die in de praktijk door belastingplichtigen met de Belastingdienst zijn gemaakt. Bestaande afspraken die zien op een totaal aan schulden van minder dan € 500.000 komen niet te vervallen. Bestaande afspraken die zien op een schuldentotaal van meer dan € 500.000 komen na inwerkingtreding van de maatregel mogelijk wel te vervallen. Dit is afhankelijk van de gemaakte afspraken.

De verwachte inwerkingtreding van de maatregel is per 1 januari 2022. Iedere aanmerkelijkbelanghouder zal derhalve voorafgaand aan deze datum moeten beoordelen in hoeverre deze wordt getroffen door de maatregel. Vervolgens zal moeten worden bepaald hoe dit kan worden opgelost en per wanneer (gezien de tariefsverhoging van de aanmerkelijkbelangheffing in 2020 is het mogelijk verstandig om reeds in 2019 een dividenduitkering te doen).

Indien gewenst kunnen wij u behulpzaam zijn bij het in beeld brengen van de gevolgen voor u en de wijze waarop u hierop dient te anticiperen. Neem hiertoe contact op met de heer mr. M. te Riet van ons kantoor (eerste gesprek is geheel vrijblijvend).

Noot fiscaal jurist bij lenen uit eigen BV door DGA

Het wetsvoorstel is begrijpelijk maar slaat te ver door. Een paar aandachtspunten

Lening voor beleggingspanden door DGA

Als een DGA  zou lenen voor een pand of een te verhuren woning in prive wil aanschaffen (box 3) dan valt een dergelijke lening ook onder de regeling. De DGA moet dan het pand gaan herfinancieren bij een bancaire instelling. De DGA zou het pand / de woning kunnen overbrengen naar de BV maar hij is dan 2% of 6% overdrachtsbelasting verschuldigd. Als de regeling doorgaat zou dit tarief tijdelijk voor dergelijke situaties moeten worden verlaagd naar 0%.

Lening voor eigen woning door DGA

Er is een uitzondering voor schulden i.v.m. de eigen woning. Edoch voor nieuwe schulden voor de eigen woning (vanaf 2022) geldt een extra voorwaarde dat er een recht van hypotheek moet worden verstrekt, de DGA loopt dan dus aan tegen extra kosten, de DGA moet dan immers naar de notaris. Daarnaast kan het zo zijn dat de bank hier toestemming voor moet geven omdat vaak een bancaire instelling het eerste recht van hypotheek heeft. Los van deze formele eis moet de DGA beoordelen of een hypotheek nog wel zo gunstig is, vanaf 2023 is nog maar 37,05% aftrekbaar.

Belastingverdragen en lening DGA

De maatregel kan in internationale situaties voor problemen zorgen. Hoe moet het fictief regulier voordeel worden gezien in het licht van de dividend bepalingen in verdragen. Haalt Nederland hiermee eenzijdig een heffingsrecht naar zich toe en wordt het verdrag opzij gezet?

Kinderen en partner bij lening DGA

De maatregel creert een groep mensen. De regeling geldt voor de partner en bloed- en/of aanverwachten in de rechte lijn, de zogenaamde verbonden personen. Dat de partner tot de groep gaat behoren is begrijpelijk maar dat nu ook de kinderen worden meegesleept is bijzonder. Een DGA met drie kinderen zou dus maximaal € 2.000.000 kunnen lenen, namelijk € 500.000 voor zichzelf en 3 x € 500.000 voor de kinderen, hoe gaat dit nu uitwerken? Er wordt kennelijk ook geen onderscheid gemaakt tussen minderjarige en meerjarige kinderen, dit is bij de TBS regeling anders.

Immigratie en lening DGA bij BV

Voor sommige mensen geldt een soort van step up regeling. Mensen die zijn geëmigreerd mogen meer lenen. De lening op het moment van emigratie wordt gerespecteerd en hier komt dan € 500.000 extra bij.  Of DGA's nu nog voor 2022 gaan emigreren is de vraag.

Wetsvoorstel lenen bij de eigen B.V. [news] 2019-03-07 2019-03-07 0000-00-00 5834

TBS vordering op B.V.

U heeft als DGA een vordering op uw B.V. of N.V. Wat zijn de fiscale gevolgen?

TBS vordering DGA op eigen B.V.

Een vordering van de DGA (directeur-grootaandeelhouder) valt onder de zogenaamde TBS-regeling. De door de B.V. betaalde rente is belast in box 1. Gezien het tariefsverschil tussen de Vennootschapsbelasting en de Inkomstenbelasting is dit normaal gesproken fiscaal en financieel ongunstig.

Rente op TBS-vordering

Een DGA leent geld in privé met als onderpand zijn eigen woning (hypotheek). Het geld wordt doorgeleend aan de B.V. De lening valt onder de TBS-regeling. De vraag is welke rente de DGA aan zijn B.V. moet rekenen. Volgens het Gerechtshof en de Hoge Raad moet worden gerekend met een opslag van 1%. Dus de DGA leent bij de bank tegen 3% en moet dan 4% rekenen aan zijn B.V.

Er moet dus worden gerekend met een zakelijke rente, zie hiertoe een arrest van de Hoge Raad uit 2011 en Hof-uitspraak uit 2015. Er wordt gekeken naar de volgende onderdelen:

  1. Rente op spaarrekening;
  2. Debiteurenrisico van de geldverstrekker (de DGA);
  3. Zekerheden;
  4. Aflossingsschema.

Afwaarderen TBS-vordering

Als een DGA zijn vordering op zijn B.V. wil afwaarderen, komt hij vaak in discussie met de Belastingdienst. De Belastingdienst neemt dan de stelling in dat sprake is van een zogenaamde onzakelijke lening. De vordering mag dan niet worden afgewaardeerd. Een oplossing hiervoor is dat de vordering wordt omgezet in aandelenkapitaal (zie hierna). Als de B.V. dan in de toekomst wel tot terugbetaling in staat is, kan het aandelenkapitaal weer worden omgezet in een lening, belaste opwaardering blijft dan achterwege. Dit werkt meestal niet omdat artikel 3.98a Wet Inkomstenbelasting dit in de weg staat. Fiscale advisering is dan ook noodzakelijk.

Er is meer dan voldoende rechtspraak voorhanden over de onzakelijke TBS-vordering of TBS-lening. Er zijn diverse uitspraken waar het fout ging voor de DGA, onder meer Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden d.d. 28 maart 2017 of een arrest van de Hoge Raad uit 2018. Ook in een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag uit 2019 worden de voorwaarden voor een onzakelijke lening duidelijk.

Belangrijke fouten die worden gemaakt:

  1. Geen leningsovereenkomst;
  2. Geen zekerheden;
  3. Geen duidelijk aflossingsplan;
  4. Geen begroting in de B.V. hoe geld moet worden terugbetaald;
  5. Op moment van verstrekken lening was al duidelijk dat geld niet zou kunnen worden terugbetaald;
  6. Onvoldoende gezocht naar externe financiers.

Het gelijk is echter niet altijd aan de Belastingdienst. In een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2013:7502) had de DGA zonder extra zekerheden en tegen een lage rente geld aan zijn B.V. geleend. Dit wil volgens de rechter echter nog niet zeggen dat hij op het moment van het verstrekken van de lening een onzakelijk debiteurenrisico heeft gelopen. De enkele stelling van de Belastingdienst dat de bank niet onder dezelfde voorwaarden wilde financieren is voor de rechter onvoldoende. De bewijslast dat in het zakelijke verkeer voor vergelijkbare leningen geen vast (hoog) rentepercentage bepaalbaar is, rust op de inspecteur resp. de Belastingdienst. Op het moment dat de lening wordt verstrekt draaide de B.V. prima. Uit dit arrest blijkt overduidelijk dat je bij een discussie de juiste stellingen moet innemen en ervaring moet hebben bij bezwaar- en beroepszaken, een deskundige fiscalist is hierbij noodzakelijk.

Ook in een latere uitspraak van het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden d.d. 25 oktober 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:8538) ging het voor de DGA goed. Ook in een recente uitspraak (Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden d.d. 2 april 2019 ECLI:NLGHARL:2019:2893), viel de spreekwoordelijke bal voor de DGA de goede kant op.

Vordering meerderjarig kind onder TBS-regeling

De vordering van een derde (bijvoorbeeld een meerderjarig kind) valt in box 3. De rente is dan dus aftrekbaar in de B.V. en belast in box 3. Dit is een gunstige regeling, omdat de heffing in box 3 veelal lager is dan de aftrek in de B.V. De DGA zou dus (belastingvrij) geld kunnen schenken aan zijn zoon of dochter die dit dan aan zijn / haar B.V. leent. Bij een ongebruikelijke terbeschikkingstelling is de lening echter wel belast in box 1. Wat ongebruikelijk is, is vaak een grijs en onduidelijk gebied. U zou voor de lening moeten aansluiten bij de voorwaarden die banken stellen. Dus vraag een offerte aan bij uw bank en op grond van deze voorwaarden mag uw zoon of dochter ook geld lenen aan uw B.V. Gebrek aan zekerheden mag u compenseren met een hogere rente.

Vermijden van een TBS-vordering op de B.V.

U zou de lening als DGA kunnen omzetten in aandelenkapitaal (of informeel kapitaal). De lening wordt dan omgezet (of kwijtgescholden). Het beste is om deze route via de notaris formeel vast te leggen.

TBS-vordering bij DGA die in het buitenland woont

Als een DGA in het buitenland woont, is zijn wereldinkomen belast in zijn woonland. De TBS-vordering wordt meestal echter in Nederland belast (artikel 7.2 lid 2 letter c Wet IB) als resultaat uit overige werkzaamheden. Als er een belastingverdrag van toepassing is, zal het heffingsrecht vaak aan het woonland (buitenland) worden toegewezen. Nederland zal dan een bronheffing inhouden (meestal 10% - 15%).

Tips TBS-vordering

Bij een TBS vordering zijn een aantal zaken van belang:

  1. Vastleggen van de vordering in een leningsovereenkomst of rekening-courantovereenkomst, deze onder zakelijke voorwaarden (rente / aflossing. etc.) opstellen.
  2. Maak een begroting binnen de B.V. waarin u heeft vastgelegd hoe de schuld wordt terugbetaald.
  3. Vraag een offerte aan een bancaire instelling zodat de zakelijkheid kan worden aangetoond.

Bron rechtspraak TBS-vordering

Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden d.d. 20 september 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:7591)

Hoge Raad d.d. 2 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:292)

Gerechtshof ’s Hertogenbosch d.d. 27 maart 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:1093

TBS vordering DGA [news] 2020-01-02 0000-00-00 0000-00-00 6345

Lenen bij de B.V.

Wie leent, moet terugbetalen!

Er wordt de laatste tijd steeds meer gesproken over de schuld die een DGA heeft aan zijn B.V. Geld dat van de B.V. is opgenomen voor bijvoorbeeld de financiering van de aankoop of (ver)bouw van een woning. Daarnaast komt het geregeld voor dat geld voor consumptieve bestedingen is aangewend of dat er jaarlijks de door de B.V. gedane uitgaven worden geboekt in “rekening-courant”. Mocht je hier als DGA niet op verdacht zijn en bijvoorbeeld geen rente betalen aan je B.V., dan kan zo’n schuldverhouding, vaak benoemd als “rekening-courant” vrij snel oplopen tot tienduizenden euro’s.

De eerste vraag die wij u als DGA willen stellen is: hoe hoog is uw schuldverhouding bij uw eigen B.V. op 31 december jongstleden? Een vraag waar veel DGA’s vaak niet direct antwoord op kunnen geven. De tweede vraag die daarop volgt is: hoe denkt u die schuld af te gaan lossen? Deze vraag stuit doorgaans op meer weerstand. “Maar de B.V. is toch van mij?” of “ik leen toch van mijzelf?” Deze reacties bevatten een kern van waarheid, ware het niet dat er ook nog de nodige fiscale gevolgen aan vast zitten.

Lenen bij de B.V.

Zoals de titel van dit artikel luidt, zal eenieder die geld leent dit ooit terug moeten betalen. Leen jij bijvoorbeeld geld van een derde, dan zullen er doorgaans afspraken worden gemaakt over:

-          Wanneer wordt de lening terugbetaald?

-          Welke rente wordt er vergoed gedurende de looptijd?

-          Welke zekerheden kunt u mij bieden voor het aflossen van de lening?

Vorenstaande afspraken over rente, aflossing en zekerheden worden doorgaans schriftelijk vastgelegd in een leningsovereenkomst, eventueel aangevuld met een hypotheekakte, pandakte.

Wij zien in de praktijk dat bij een DGA de afspraken over rente, aflossing en zekerheden vaak niet schriftelijk worden vastgelegd. Dit leidt bij een boekenonderzoek of vragenbrief van de Belastingdienst al snel tot de nodige discussie. De Hoge Raad heeft hiertoe op 17 januari 2020, nr. 18/03662 een cassatieberoep afgewezen, het betrof een casus waarbij een DGA een schuldpositie had met zijn eigen B.V. Hij kon geen schriftelijke overeenkomst overleggen en er werd in het betreffende belastingjaar geen rente berekend. Als gevolg van deze constatering heeft de Inspecteur een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd die uitgaat van een dividenduitkering, gelijk aan 7% rente over de openstaande schuld. De Rechtbank, het Gerechtshof en de Hoge Raad waren het met de Inspecteur eens. Geen schriftelijke overeenkomst leidt hier derhalve tot een hogere dividenduitkering.

Een ander voorbeeld dat tussen derden voorkomt is het aanhouden van een “rekening-courant”, bijvoorbeeld in het geval van een tankpas. Je tankt gedurende een maand meerdere keren, je gebruikt de tankpas om mee te “betalen” maar feitelijk wordt de tankbeurt in de “rekening-courant” geboekt en krijg je achteraf de rekening toegestuurd die je moet betalen. Hier gaat het bij de DGA en zijn B.V. vaak mis. De boekingen worden wel in rekening-courant verwerkt, maar de afrekening vindt niet plaats. Hierdoor blijft de rekening-courantpositie oplopen en zal daar jaarlijks ook nog eens rente bijgeboekt worden door de boekhouder of accountant.

Om niet in vervelende discussies met de Belastingdienst te komen, zal begonnen moeten worden met het opstellen en ondertekenen van een schriftelijke leningsovereenkomst. Let wel, dit is nog maar het begin.

Rente betalen over lening van de B.V.

In artikel 7:129c BW is het volgende bepaald:

1.      Indien beide partijen natuurlijke personen zijn en geen van beide partijen in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelt, is over het geleende bedrag slechts rente verschuldigd, indien dit schriftelijk is bedongen.

2.      In andere gevallen is de lener verplicht over de geleende som rente te betalen, tenzij uit de overeenkomst voortvloeit dat geen rente verschuldigd is.

In de schriftelijke overeenkomst wordt doorgaans een rente overeengekomen. Daarbij kan het zijn dat de rente bij de hoofdsom wordt bijgeschreven of dat de rente periodiek (per maand, kwartaal of jaar) wordt voldaan. Het is bij het aangaan van een leningsovereenkomst wel van belang dat de overeengekomen rente daadwerkelijk wordt betaald door de DGA aan de B.V. en dat de rente op zakelijke gronden is vastgesteld. Gebeurt dat niet, dan moet de rente worden bijgeschreven bij de hoofdsom, hierdoor blijft de schuldpositie oplopen.

Blijkt de rente onzakelijk laag te zijn, dan kan de Inspecteur de rente corrigeren naar een zakelijk niveau en de te weinig afgedragen belasting eventueel navorderen. Mochten er meer onvolkomenheden aanwezig zijn, dan zou ook de gehele of gedeeltelijke schuldpositie als uitdeling worden aangemerkt en tot een navordering kunnen leiden.

Aflossing van de lening bij de B.V.

Kenmerkend voor een lening is dat hij wordt afgelost, zo bepaalt artikel 7:129 BW:

1.      De overeenkomst van geldlening is de kredietovereenkomst waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen.

Zonder terugbetalingsverplichting kan geen sprake zijn van een lening, dit dient dan ook schriftelijk te worden vastgelegd. Tevens is van belang dat ook daadwerkelijk – overeenkomstig de schriftelijke leningsovereenkomst – tot aflossing wordt overgegaan.

In het arrest van Gerechtshof Amsterdam  4 oktober 2018, nr. 17/00581, deed zich de situatie voor dat een DGA een rekening-courant had met zijn B.V. In het jaar 2010 verkoopt de DGA een woning en had schriftelijk vastgelegd (destijds in afstemming met de Belastingdienst) dat hij dan tot aflossing van de schuld die hij had aan zijn N.V. over zou gaan. Dit deed hij, echter boekte  de N.V. dezelfde dag een aanzienlijk bedrag over naar de DGA. Deze overboeking heeft er onder andere toe geleid dat de gehele schuldpositie – het betrof een lening van € 11.000.000 en een rekening-courant van € 1.204.543 – als uitdeling werd aangemerkt. Het Gerechtshof oordeelt uiteindelijk dat gedurende de looptijd aannemelijk is geworden dat de schuldpositie niet meer zou worden afgelost. Een cassatieberoep door de DGA bij de Hoge Raad was tevergeefs (HR 7 februari 2020, nr. 18/04854).

Vestigen van zekerheden

Het vestigen van zekerheden is in principe geen verplichting voor een lening. Wel draagt het vestigen van zekerheden in fiscale zin bij aan het zakelijk zijn van een lening. Hoe meer zekerheden er gevestigd worden, hoe zakelijker een lening wordt. Met het vestigen van zekerheden kan tevens een lage(re) rente worden bedongen. Indien er geen zekerheid wordt gevestigd, zou bij een hoge schuldpositie met de B.V. ook sprake kunnen zijn van een uitdeling.

In Rechtbank Den Haag 9 januari 2019 (gepubliceerd op 11 februari 2020), nr. 19/4184 speelde zich een situatie af waarbij te weinig zekerheid werd geboden. Een DGA had een rekening-courantschuld aan zijn B.V. en deze is in het belastingjaar met € 113.979 opgelopen tot € 637.292 per het einde van het jaar. Tezamen met zijn eigenwoningschuld had deze DGA een schuld van € 1.215.406 aan zijn B.V. De Inspecteur is van mening dat de toename van de rekening-courantschuld, bestaande uit rentebijschrijvingen en betalingen van privékosten en de aankoop van een stuk grond ad € 45.000 als netto uitdeling gezien moet worden en stelt dat er een uitdeling van € 134.092 plaats heeft gevonden. De Rechtbank is het met de Inspecteur eens, met dien verstande dat hij de grond die de DGA heeft aangekocht op de uitdeling in mindering brengt, hij is namelijk van mening dat de grond enige dekking biedt voor de rekening-courantschuld. De uitdeling wordt hierdoor uiteindelijk gesteld op € 81.147

Ten aanzien van de verschuldigde rente geven we hieronder een voorbeeld weer, aansluitend op recente jurisprudentie.

Voorbeeld

Als DGA leen je € 100.000 bij de B.V. Regel je niets, dan kan het wel eens zijn dat de Inspecteur van mening is dat 7% rente verschuldigd is (zie Gerechtshof Den Haag 11 juli 2018, nr. BK-17/00934). Beschik je echter over een effectenportefeuille of onroerend goed in privé, dan kan het vestigen van een pand- en / of hypotheekrecht ertoe leiden dat er een veel lagere rente overeengekomen kan worden.

Van belang bij het vestigen van zekerheden is dat de formaliteiten daadwerkelijk uitgevoerd moeten worden, zo moet een pandrecht vaak worden geregistreerd en een hypotheekrecht notarieel worden vastgelegd. Dit vergt de nodige tijd en geld, doch dit leidt wel tot veel minder fiscale problemen en tevens tot een lagere rente.

Noot van de adviseur - Wetsvoorstel ‘Wet excessief lenen bij eigen vennootschap’

Ten tijde van het schrijven van dit artikel is reeds bekend dat het Ministerie van Financiën bezig is met een wetsvoorstel dat het excessief lenen bij de eigen vennootschap aan banden moet leggen. Voor zover nu bekend is zal hier in maart 2020 meer uitsluitsel over komen.

Globaal schrijft dit wetsvoorstel voor dat DGA’s die meer dan € 500.000 van hun eigen B.V. lenen in de belastingheffing worden betrokken. Hierbij maakt het zelfs niet uit of deze aandeelhouders een minderheids- of meerderheidsbelang hebben, zolang er maar sprake is van een aanmerkelijk belang (minimaal 5%). Bij de vraag of de grens van € 500.000 wordt overschreden, worden ook leningen van de partner en andere verbonden personen meegenomen.

De huidige verwachting is dat de wet per 1 januari 2022 in werking treedt. Dit betekent dat op 31 december 2022 voor het eerst zal moeten worden bepaald of het bedrag van € 500.000 wordt overschreden. Indien dat het geval is, zal het meerdere boven € 500.000 als een fictief inkomen uit aanmerkelijk belang bij de DGA worden belast. De heffing zal dan plaatsvinden tegen het dan geldend tarief in box 2. Het tarief in box 2 bedraagt vanaf 2021: 26,9%. Voor bestaande eigenwoningschulden aan de eigen vennootschap wordt een overgangsmaatregel getroffen, tevens is aangekondigd dat ook nieuwe eigenwoningschulden zullen worden uitgezonderd.

Voorkomen is beter dan genezen!

Hoewel het wetsvoorstel ‘Wet excessief lenen bij eigen vennootschap’ nog niet definitief is, zal het wetsvoorstel naar alle verwachting tot aanzienlijke nadelige gevolgen voor aanmerkelijkbelanghouders leiden. Het maakt in principe zelfs niet uit of die leningen onder de hiervoor beschreven ‘zakelijke voorwaarden’ zijn aangegaan. Belastingplichtigen zullen dus ook tijdig moeten voorsorteren om de nadelige gevolgen van dit wetsvoorstel te beperken. Ook is het goed te beoordelen of bijvoorbeeld nu al gestart moet worden met het aflossen van schulden, voorkomen is immers beter dan genezen.

Conclusie van lenen bij de B.V.

Als DGA een schuldpositie hebben met je eigen B.V. vergt de nodige aandacht. Zorg voor goede schriftelijke vastlegging van de voorwaarden waaronder de lening tot stand is gekomen en zorg ervoor dat de voorwaarden ook nageleefd worden.

Bent u DGA en heeft u een schuld aan uw B.V. of heeft u een geschil met de Belastingdienst hierover? Neem dan gerust eens contact op met één van de auteurs van dit artikel!

Lenen bij de B.V. [news] 2020-02-21 0000-00-00 0000-00-00 6366

Open fonds voor gemene rekening ook mogelijk bij 98% - 2% verhouding

De Rechtbank Gelderland heeft de vraag of een fonds met verhouding 98% - 2% aangemerkt kan worden als een open fonds voor gemene rekening dat belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting bevestigend beantwoord.

Door het fictieve rendement dat wordt geheven in box 3, kan de effectieve belastingheffing over laag renderend vermogen aanzienlijk zijn. Bij bank- en spaartegoeden zal de belastingheffing doorgaans hoger zijn dan het rendement. Het is echter mogelijk om het fictieve rendement in box 3 te verlagen door dit vermogen bijvoorbeeld in te brengen in een open fonds voor gemene rekening, waardoor alleen het werkelijk rendement belast wordt met vennootschapsbelasting. Voorheen was het volgens de Belastingdienst alleen mogelijk met een 90% - 10% verhouding, maar nu lijkt het ook mogelijk te zijn met een verhouding van 98% - 2%, het geheel van feiten en omstandigheden wordt daarbij doorslaggevend geacht.

(Open) fonds voor gemene rekening: “Hoe en wat?!”

Een fonds voor gemene rekening is een overeenkomst tussen drie verschillende partijen, een bewaarder, beheerder en deelnemers. Het fonds is erop gericht om vermogen bijeen te brengen om dit gezamenlijk te beleggen. Een open fonds voor gemene rekening kan worden aangegaan door middel van een onderhandse overeenkomst, er is dus geen gang naar de notaris nodig.

Deelnemers in een open fonds voor gemene rekening houden bewijzen van deelgerechtigdheid. Deze zijn vergelijkbaar met de aandelen in een besloten vennootschap. De mate van verhandelbaarheid van de bewijzen van deelgerechtigdheid is belangrijk om vast te stellen of het fonds voor gemene rekening een open of besloten karakter heeft. Bewijzen van deelgerechtigdheid zijn verhandelbaar als voor vervreemding (van het bewijs) niet de toestemming is vereist van alle deelnemers. Als de bewijzen helemaal vrij verhandelbaar zijn, is er dus in ieder geval sprake van een open fonds voor gemene rekening. Deze is dan belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Als de bewijzen van deelgerechtigdheid alleen aan het fonds zelf of aan de bloed- en aanverwanten in rechte lijn van een deelnemer kunnen worden overgedragen, is er in ieder geval sprake van een besloten fonds voor gemene rekening. De overdraagbaarheid is dan te beperkt, ook in het geval als binnen deze groep de bewijzen van deelgerechtigheid vrij overdraagbaar zijn.

Volgens de Staatssecretaris van Financiën (Kamerbrief 18 september 2017) is sprake van een open fonds voor gemene rekening als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a.    Er moet sprake zijn van een fonds (in beginsel een afgescheiden vermogen zonder rechtspersoonlijkheid).

b.    Het doel moet zijn het verkrijgen van voordelen voor de deelgerechtigden.

c.    Het moet voor gemene rekening zijn. Dit brengt een collectiviteit tot uitdrukking, dat wil zeggen dat er minimaal twee participanten zijn, die gelden of andere activa bijeenbrengen.

d.    Het bezit van vermogen is gericht op het verkrijgen van rendementen, via beleggen of het anderszins aanwenden van gelden.

e.    Bewijzen van deelgerechtigdheid zijn vrij verhandelbaar; voor de vervreemding (van het bewijs) behoeft geen toestemming te zijn vereist van alle deelgerechtigden. Als uitsluitend aan het fonds zelf kan worden vervreemd, of aan bloed- en aanverwanten in de rechte lijn, is geen sprake van vrije verhandelbaarheid.

Een open fonds voor gemene rekening is zoals gezegd zelfstandig belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Een besloten fonds is echter “fiscaal transparant”, met andere woorden: door een besloten fonds voor gemene rekening aan te gaan, verandert er niets aan de fiscale situatie, doch door het aangaan van een open fonds wel.

Standpunt Belastingdienst

In het document “Beoordeling open FGR” van december 2016 (gedeeltelijk openbaar gemaakt op 26 juli 2017 in de Brief van het Ministerie van Financiën inzake Wob-verzoek naar beleid toekenning fiscaal nummers open fondsen voor gemene rekening). En in de toelichting bij vraag 4 van het formulier ‘Aanmelding Fonds voor gemene rekening’ zoals opgenomen op de site van de Belastingdienst is het volgende opgemerkt:

“Van ‘gemene rekening’ is geen sprake als een (overheersende) participant de overige participanten erbij heeft gezocht om naar de vorm sprake te doen zijn van ‘voor gemene rekening’. Wij erkennen het aangemelde fonds dan niet als een open fonds voor gemene rekening.

Als twee (overigens voldoende onafhankelijke) participanten door middel van een fonds voor gemene rekening beleggen en de ene participant heeft een aandeel van ten minste 10% en de andere van ten hoogste 90% in het fonds, dan gaan wij er vanuit dat nog sprake is van ‘gemene rekening’.“

Uitspraak Rechtbank Gelderland

Belanghebbende X en haar echtgenoot Y zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Eind 2016 wordt Fonds Q opgericht. X en Y nemen voor 98% deel en hun dochter A voor 2%. Begin 2017 wordt de Inspecteur verzocht om het fonds als belastingplichtig voor de Vpb aan te merken. De Inspecteur honoreert dit verzoek niet. In geschil is of Q per 1 januari 2017 kan worden aangemerkt als een open fonds voor gemene rekening dat belastingplichtig is voor de Vpb, of dat het belang van X in Q tot de heffingsgrondslag van de vermogensrendementsheffing behoort. Volgens de Inspecteur lijkt het erop dat de deelname van 2% alleen maar is toegevoegd om te voldoen aan de collectiviteitseis.

Rechtbank Gelderland oordeelt dat het fonds moet worden aangemerkt als een open fonds voor gemene rekening dat belastingplichtig is voor de Vpb. De rechtbank wijst er daarbij op dat sprake is van het voor gemene rekening beleggen of anderszins aanwenden van gelden. Verder zijn de bewijzen van deelgerechtigdheid vrij verhandelbaar. De rechtbank overweegt verder nog dat er geen reden is om, zoals de Inspecteur voorstelt, aan te sluiten bij de collectiviteitseis bij een vrijgestelde beleggingsinstelling.

Conclusie

Uit bovengenoemde uitspraak kan dus worden afgeleid dat de Rechtbank Gelderland niet meegaat in het standpunt van de Belastingdienst dat de minimale verhouding in een open fonds voor gemene rekening 90% - 10% moet zijn. Hoger beroep is echter nog mogelijk, dus we zullen vooralsnog af moeten wachten of de Inspecteur hoger beroep gaat instellen en – mocht dat het geval zijn – wat het gerechtshof vervolgens zal oordelen.

Tot besluit

Mocht u overwegen een open fonds voor gemene rekening op te richten, of bent u simpelweg op zoek naar meer informatie, neem dan gerust eens vrijblijvend contact op met de auteurs van dit artikel.

Verhouding open fonds gemene rekening [news] 2020-04-23 0000-00-00 0000-00-00 6550

DGA leent geld aan B.V.

Een DGA leent geldt aan zijn B.V. of heeft een vordering op zijn B.V. De B.V. kan de lening - bijvoorbeeld door de coronacrisis of financiële tegenwind - niet terugbetalen. Kan de DGA de vordering in box 1 afboeken?

Fiscale gevolgen van vordering op de B.V.

Veel bedrijven komen in de financiële problemen door de coronacrisis. Vorderingen kunnen hierdoor niet meer worden afgelost en / of rente kan niet meer worden betaald. De vordering heeft hierdoor een lagere waarde (dan de nominale waarde). Kan een DGA zijn vordering op zijn B.V. afboeken als de B.V. het lastig krijgt?

Fiscale voorziening in box 1 voor DGA

Mag de DGA per eind 2019 een fiscale voorziening vormen voor het mogelijke risico dat (een deel van) de vordering niet door de B.V. kan worden terugbetaald? Omdat dit per eind 2019 moet worden beoordeeld, lijkt een dergelijke voorziening niet mogelijk. Eind 2019 viel in redelijkheid niet te verwachten dat de situatie inzake het coronavirus in China zich zou ontwikkelen tot een crisis in Nederland.

In de VPB-sfeer (in de B.V.) kan een dergelijke voorziening wel worden gevormd voor te verwachten verliezen in 2020, dit conform een speciale maatregel die hiervoor is bedacht.

Kwijtschelding van de vordering door de DGA

Als de vordering waardeloos is geworden, kan deze worden kwijtgescholden. Dit zal ervoor zorgen dat de B.V. winst maakt (kwijtscheldingswinst). De B.V. kan dan - onder voorwaarden - een beroep doen op de kwijtscheldingswinstvrijstelling. De winsten zijn dan niet belast met vennootschapsbelasting, de compensabele verliezen moeten wel worden ingeleverd.

Als de lening als een onzakelijke lening wordt aangemerkt, dan kan de lening niet worden afgeboekt in box 1. De bewijslast hiervoor rust bij de Belastingdienst, maar in diverse procedures lukt dit. Als de Belastingdienst kan bewijzen dat het een lening betreft die op onzakelijke gronden is verstrekt, dan is de vordering in privé niet aftrekbaar. Een kwijtschelding van een onzakelijke lening moet dan worden gezien als informeel kapitaal. Het verlies kan dan soms in box 2 in aftrek worden gebracht, ook hiervoor gelden een aantal voorwaarden. Verlies nemen in box 1 is voor de DGA aantrekkelijker dan verlies nemen in box 2.

DGA verstrekt leningen in 2020 i.v.m. coronacrisis

Als de DGA in 2020 een lening verstrekt aan zijn B.V. of een borgstelling gaat tekenen (t.b.v. de bancaire instelling), dan moet dit op zakelijke gronden plaatsvinden en goed en volledig worden vastgelegd. Hierbij moet de DGA handelen zoals een derde zou handelen. De Belastingdienst kan in deze lastige tijd eenvoudig stellen dat de DGA om persoonlijke redenen een lening heeft verstrekt, waarbij hij / zij op dat moment wist of kon weten dat deze niet zou worden terugbetaald, een zogenaamde bodemloze-put-lening. Als hiervan sprake is, dan kan de vordering (uiteindelijk) niet in box 1 worden afgewaardeerd.

Noot fiscaal jurist inzake afwaardering vordering DGA

Als een DGA een vordering wil afwaarderen en / of een nieuwe vordering wil verstrekken, is advisering door een fiscaal jurist van essentieel belang. Het risico dat de vordering uiteindelijk niet kan worden afgewaardeerd is groot. Ook moeten er diverse bescheiden (leningsovereenkomst, borgstellingsovereenkomst, borgstellingsvergoeding, notulen, bestuursbesluit, etc.) worden opgesteld en ondertekend. Als een persoon geld leent aan een bedrijf van een familielid, moet ook worden gekeken naar de risico's. Veelal zal de lening worden ondergebracht in box 3 (bij de schuldeiser). Er kan in voorkomende gevallen echter sprake zijn van een schenking, bijvoorbeeld als vader een lening verstrekt aan het bedrijf van zijn zoon. Ook hierbij is dus advisering wenselijk.

Heeft u vragen of opmerkingen, stuur ons gerust een mail voor een vrijblijvend advies.

Lening DGA aan BV [news] 2020-05-12 0000-00-00 0000-00-00 6571

DGA-salaris en rekening-courantschuld

DGA en niet uitbetalen salaris

In deze barre tijden staan bij veel ondernemers de resultaten onder (zware) druk. Huur, onderhoud en personeel kunnen niet meer betaald worden. Als ook de coronamaatregelen van de overheid niet voldoende zijn en de financiering niet meer rond gekregen kan worden, zal de directeur-grootaandeelhouder (DGA) alles doen om de tent overeind te houden.

Vaak zien we dat het eigen loon van de DGA dan maar niet wordt uitbetaald. Dat kan pijnlijke gevolgen hebben, zoals hierna zal blijken.

Update 17 juni 2020

Het wetsvoorstel inzake excessief lenen ligt sinds 17 juni 2020 bij de tweede kamer (dit voorstel kunt u hier raadplegen). Vanaf 2023 worden DGA's (AB houders) beperkt in het geld lenen van hun BV (tot maximaal € 500.000), met uitzondering van bestaande eigenwoning schulden. Het gaat om 11.000 DGA's die iets moeten veranderen in de afspraken met hun BV.

De DGA kan zijn salaris niet uitbetalen

Hugo was DGA van zijn eigen vennootschap ‘Profileringsdrang B.V.’ Daar staat hij op de loonlijst voor een schamele € 32.000, waarover de B.V. keurig loonheffing aangeeft. Zoals wel vaker bij een DGA, heeft ook hij een schuld in rekening-courant aan de B.V. Die is ruim 7 ton. Royaal, maar kan gebeuren.

Op enig moment gaan de zaken slecht, zeer slecht. ‘Profileringsdrang B.V.’ kan door liquiditeitsproblemen het loon van Hugo niet meer betalen. Hugo krijgt dus niet uitbetaald. Dat neemt hij dan ook op in zijn aangifte inkomstenbelasting, loon is nul.

De belastinginspecteur is het daar niet mee eens en neemt de € 32.000 wel in aanmerking als genoten looninkomsten.

Hugo, assertief van nature, pikt het niet een stapt naar de rechter.

De rechter pelt de zaak keurig af en stelt vast dat het loon door Hugo gewoon vorderbaar is, omdat het behoort tot het tussen Hugo en de B.V. overeengekomen afspraken. Ook stelt de rechter vast dat het loon voor Hugo te innen is bij ‘Profileringsdrang B.V.’ omdat zonder verder verwijl betaling door de B.V. zal plaatsvinden (Hugo is er immers de baas).

Voor niet-fiscalisten is dat moeilijk te vatten, maar de crux zit hem in de schuld die Hugo aan de B.V. heeft.

De rechter stelt vast dat die rekening-courantschuld een zodanige waarde (omvang) had, dat daarmee het loon van € 32.000 kon worden verrekend.  Verrekenen is ook een vorm van innen, dus is het loon ‘gewoon’ genoten en daarmee belast.

Hugo probeert het nog door aan te voeren dat hij door de hele malaise in zijn levensstandaard achteruit is geboerd. Ook dat baat hem niet. De aanslag is terecht. Als hij niet kan betalen, moet hij maar een regeling treffen met de ontvanger (en dat is een ander loket). Tot en met de hoogste rechter (Hoge Raad) vangt Hugo bot.

Noot fiscaal jurist inzake DGA-loon en rekening-courantschuld aan B.V.

Als uw vennootschap niet meer in staat is uw salaris te betalen, trek dan tijdig aan de bel. Dan kunnen we samen bezien op welke wijze het loon kan worden verlaagd of kan worden voorkomen dat niet feitelijk ontvangen loon toch wordt belast.

In deze bijzondere tijden kan dat onder andere op basis van de volgende regeling.

Coronamaatregel gebruikelijk loon DGA

Als de coronacrisis grote gevolgen heeft voor omzet en liquiditeit, kan de DGA voor 2020 tijdelijk een lager maandloon afspreken. Het gebruikelijk loon is € 3.833 per maand. De DGA mag vanwege de coronacrisis het gebruikelijk loon achteraf bepalen, maar niet al genoten loon met terugwerkende kracht verlagen. Kijk ook naar dit artikel:  DGA_en_corona_maatregelen

Bronnen bij ‘DGA en niet uitbetalen salaris’

Hof Den Haag

Hoge Raad

DGA_en_coronamaatregelen

DGA salaris en rekening courant [news] 2020-05-18 0000-00-00 0000-00-00 6578

DGA en verzekeringsplicht

Is een DGA verzekerd voor voor de werknemersverzekeringen? Had de opdrachtgever loonheffingen moeten inhouden op de betaalde management fee? Dit soort vragen komen regelmatig voorbij bij onze specialisten.

Sinds 2020 zien wij dat de Belastingdienst steeds vaker onderzoeken instelt naar de verzekeringsplicht van een DGA met een eigen holding of management B.V.

Dienstbetrekking van een DGA

Een bestuurder die op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden voor een B.V. verricht staat formeel in dienstbetrekking tot die B.V. Dit is dan onder het gezag van de algemene vergadering van aandeelhouders, aldus de Hoge Raad in 2013. Vaak is de aandeelhouder en de bestuurder gelijk (bij de DGA). De formele regels om te beoordelen of iemand in dienstbetrekking is zijn:

  1. Er wordt loon betaald.
  2. De werknemer moet de arbeid persoonlijk verrichten.
  3. Er is sprake van een gezagsverhouding.

In een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (15 september 2020) liep het Gerechtshof deze criteria maar eens rustig langs en concludeerde dat aan alle voorwaarden was voldaan. De DGA was in dienstbetrekking. Waarom?

  • Er wordt een vergoeding betaald.
  • De bestuurders moesten hun werk persoonlijk verrichten.
  • De bestuurders waren - gezien hun persoonlijke kwaliteiten - onmisbaar.
  • Er was sprake van een gezagsverhouding (onder gezag van de AvA).

De zogenoemde regeling aanwijziging DGA was volgens  het Gerechtshof niet van toepassing. De naheffingsaanslagen loonheffingen bleven in stand.

Mocht niet aan alle criteria voor een ‘echte’ dienstbetrekking zijn voldaan, dan kan overigens nog sprake zijn van inhoudingsplicht. Op basis van de wet kan namelijk ook sprake zijn van een fictieve dienstbetrekking van de DGA. Twee toetsen dus en volgtijdig te beoordelen!

Managementovereenkomst en DGA

Bij de beoordeling van een managementovereenkomst wordt vaak gesteld dat er geen sprake is van een dienstbetrekking. De managementovereenkomst is echter een overeenkomst van opdracht en ook deze moet op grond van de feiten en daadwerkelijke uitvoering worden beoordeeld. Als aan de formele eisen wordt voldaan, kan sprake zijn van loon uit dienstbetrekking (en dus geen managementdienst op grond van een managementovereenkomst). Bij deze beoordeling moet tevens worden gekeken naar de vraag of aan de management B.V. reële betekenis toekomt of dat deze slechts is tussengeschoven vanwege fiscale motieven. In dat laatste geval zal voor de inlener sprake zijn van inhoudingsplicht.

In een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam (2016) overweegt het Gerechtshof dat voor een dienstbetrekking maatgevend is of de rechtsverhouding tussen de DGA van de holding en de werk B.V. kwalificeert als een arbeidsovereenkomst, in casu geen dienstbetrekking !

In een andere procedure bij de Rechtbank Den Haag (2018) werken 2 minderheidsaandeelhouders in eerste instantie met een salaris voor de werkmaatschappij en daarna wordt dit salaris stopgezet en wordt er gewerkt via een management B.V. Volgens de Belastingdienst moet de management fee gewoon gezien worden als salaris. Volgens de Rechtbank is er sprake van meerdere wijzigingen en is er sprake van een reële betekenis (voor de management fee).

Noot fiscaal jurist over verzekeringsplicht DGA

In de regeling aanwijziging DGA 2016 wordt uitgebreid stilgestaan bij de verzekeringsplicht voor de DGA. Als een DGA in staat is om zijn eigen ontslag tegen te houden, is hij / zij meestal niet in dienstbetrekking. Dit kan hij eventueel regelen in samenspraak met aandelen die worden gehouden door zijn echtgenoot of een bloed- / aanverwante. Heeft een bestuurder geen aandelen, dan is hij / zij vrijwel altijd verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Als er sprake is van meerdere bestuurders (met een gelijk belang), dan is er geen sprake van ondergeschiktheid (en dus geen verzekeringsplicht).

Noot fiscaal jurist over werken met een management B.V.

Het werken via een management B.V. komt steeds vaker voor in Nederland. Als een directeur (ex-werknemer) via zijn eigen management B.V. gaat werken, kan dit substantiële fiscale voordelen en risico's opleveren. Steeds vaker stelt de Belastingdienst dat sprake is van een dienstbetrekking bij de inlener, de managementovereenkomst wordt dan volledig genegeerd. De naheffingen (maximaal 5 jaar) worden dan vaak met boetes (25% - 50%) opgelegd bij de inlener.

Familielid van de DGA in dienstbetrekking

Hoe moet de dienstbetrekking van de partner van de DGA worden beoordeeld? Vaak heeft de partner geen aandelen in de holding / management B.V. Bij de beoordeling van de mogelijke dienstbetrekking van de partner moeten de formele regels worden doorlopen. De familieverhouding kan een rol spelen bij de beoordeling of sprake is van gezag.

Sinds 2018 zien wij een andere beoordeling van deze werksituatie (Centrale Raad van Beroep, ECLI:NL:CRVB:2018:259), ook bij familieverhoudingen kan sprake zijn van een gezagsverhouding. Er moet dus zorgvuldig naar de feiten worden gekeken.

Als de partner onder duidelijk andere omstandigheden en (arbeids-)voorwaarden werkt dan gebruikelijk zou zijn, is hij of zij niet in privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam. Voorbeelden hiervan zijn:

  • Als enige een bonus krijgen;
  • Andere beloning of beloningsvorm;
  • Andere uren dan gebruikelijk;
  • Worden er functioneringsgesprekken gehouden;
  • Naast de DGA als enige zeggenschap over bedrijf.
DGA en verzekeringsplicht [news] 2020-10-06 0000-00-00 0000-00-00 6745

Familiebedrijf en fiscus

Bedrijfsopvolging nu gaan regelen!

Binnen onze klantenportefeuille zitten diverse familiebedrijven. De familieleden zijn meestal direct betrokken bij het bedrijf en objectieve en onafhankelijke advisering is hierbij erg belangrijk. In de notitie van onze Staatssecretaris (Bouwstenen voor beter belastingstelsel, mei 2020) staan diverse maatregelen die het familiebedrijf direct gaan raken.

Huidige regeling bedrijfsopvolging

Onder de huidige regeling kan een bedrijfsopvolging vrijwel belastingvrij plaatsvinden. Tot een bedrag van € 1.100.000 (afgerond) is 100% vrijgesteld en daarboven is 83% vrijgesteld. Tevens kan er 10 jaar uitstel van betaling worden aangevraagd.

Tip: laat u als DGA van een familiebedrijf in 2020 of 2021 adviseren over de bedrijfsopvolging van uw familiebedrijf! Volgens onderzoek zullen 44% van de familiebedrijven hiertoe beslissen. Zelfs 58% van de familiebedrijven verwacht financiële problemen.

De belangrijkste pijnpunten van de nieuwe wetgeving: 

  • Belastingheffing op winstuitkeringen die niet worden uitgekeerd (ongeveer 1% over winstreserves per jaar); 
  • Doorschuifregeling inkomstenbelasting wordt afgeschaft;
  • Vrijstelling voor erf- en schenkbelasting wordt afgeschaft of sterk verminderd.

Conclusie nieuwe wetgeving familiebedrijf

Simpele conclusie: doorschuiven familiebedrijf is niet meer (vrijwel) belastingvrij. In de nieuwe situatie is er ongeveer 35% - 40% belasting verschuldigd over de waarde van het familiebedrijf !

DGA's van familiebedrijven kiezen er bewust voor om hun vermogen in het familiebedrijf te laten, om zo te kunnen (door-)investeren in hun bedrijf. Dividenden worden dus niet uitgekeerd. Doordat familiebedrijven financieel gezond zijn, vallen ze minder snel om. Hierdoor blijven vele arbeidsplaatsen behouden. De meest opvallende wetswijzigingen zijn (1) het heffen van belasting op niet uitgekeerde winsten en (2) het vrijwel volledig afschaffen van de bedrijfsopvolgingsregeling.

Advies bedrijfsopvolging familiebedrijven

Wij adviseren wekelijks familiebedrijven in het kader van een bedrijfsopvolging. De belangrijkste advisering ziet op:

  • Overdracht veilig binnen familie;
  • Verdelen van het stemrecht en het familievermogen;
  • Begeleiding van het proces en opstellen van een familiestatuut:
  • Waarborgen en veilig stellen van het familievermogen;
  • Advisering in het kader van een familiestichting, trust, Raad van Commissarissen, etc.

Bron familiebedrijf en fiscus

Bouwstenen voor een beter belastingstelsel Tweede Kamer mei 2020

Onderzoek Nyenrode inzake familiebedrijven

Bedrijfsopvolging nu regelen [news] 2020-10-19 0000-00-00 0000-00-00 6760

DGA en lening van de bv

Het komt zeer vaak voor dat de DGA geld leent van de eigen bv. Soms in grote getallen, soms in de vorm van een rekening-courant. De Belastingdienst heeft van het lenen van de eigen zaak een aandachtsgebied gemaakt. Er wordt actief gecontroleerd op forse rekening-courantstanden en grote uitstaande geldleningen. Niet zelden neemt de inspecteur dan het standpunt in dat geen sprake is van geldverstrekking met terugbetalingsverplichting, maar van een winstuitdeling. Kan dat zomaar?

Wat komt in de DGA-praktijk voor bij lenen van de bv?

De DGA houdt alle aandelen in de holding. Vervolgens gaan de holding en de DGA een rekening-courant- of geldleningsovereenkomst aan. Bij beide vormen van geldverstrekking is het – juridisch gezien – de bedoeling dat de gelden ook weer terugkeren in de bv. Het komt echter voor dat de inspecteur betalingen in rekening-courant of op grond van een leningsovereenkomst van een nieuwe stempel voorziet. De inspecteur stelt dan dat sprake is van winstuitdelingen aan de DGA. Het gevolg? De winstuitdeling – het bedrag dat in rekening-courant is geboekt of als lening is verstrekt – wordt als dividend behandeld. Heffing in box 2 in de inkomstenbelasting is hiervan het gevolg. Het tarief in box 2 is momenteel (2021) 26,9%.

Wanneer mag de inspecteur echter zo’n winstuitdeling stellen en op wie rust welke bewijslast? Deze materie lijkt actueler dan ooit. Tijd voor een toelichting.

Wanneer is sprake van een winstuitdeling in plaats van een lening?

Een lening van de holding aan de DGA kan in twee situaties een winstuitdeling vormen. De beide situaties hebben met elkaar gemeen dat de conclusie is dat het geld de holding definitief heeft verlaten. Het betreft:

  1. De situatie waarin de DGA de lening niet zal aflossen;
  2. De situatie waarin de DGA de lening niet kan aflossen.

Het wezenskenmerk van de geldlening is een terugbetalingsverplichting. Indien de DGA de lening niet zal aflossen, dan is met de geldlening blijkbaar niet een echte lening bedoeld. Dit wordt ook wel een schijnvordering genoemd. De Hoge Raad oordeelde dat hiervan sprake is als het niet de bedoeling is geweest dat de DGA de gelden echt schuldig is geworden aan de holding.

Indien de DGA de lening niet kan aflossen, wordt wel gesproken van een bodemloze-putlening van de holding aan de DGA. De Hoge Raad oordeelde dat dit zich voordoet als direct al duidelijk is geweest dat het geld niet kan worden terugbetaald of verrekend. Er doet zich dan een gebrek voor in de terugbetalingsmogelijkheden.

Bewustheidsvereiste bij winstuitdeling

De inspecteur zal een winstuitdeling in plaats van een lening pas met succes kunnen stellen, indien de DGA zich bewust is geweest of had moeten zijn dat hij werd bevoordeeld door de holding. Het gebeurt in de praktijk vaak dat de Belastingdienst hier niet (direct) een duidelijk en onderbouwd standpunt over inneemt.

Wanneer vindt de winstuitdeling plaats?

De winstuitdeling vindt in de meeste gevallen plaats op het moment dat de lening wordt aangegaan. Maar wat nu als pas jaren later duidelijk wordt dat (een deel van) het geld niet kan worden terugbetaald? Hierover is de jurisprudentie nog niet eenduidig. In een recente conclusie heeft de Advocaat-Generaal aangegeven het mogelijk te achten dat op een later moment een winstuitdeling plaatsvindt ter grootte van het bedrag dat het vermogen van de vennootschap definitief verlaat. Dit zou betekenen dat ook in de loop der jaren een winstuitdeling zich nog voor kan doen.

De winstuitdeling vindt bij het latere verschieten van kleur plaats, op het moment waarop het vaststaat of zo goed als zeker is dat de schuld niet meer wordt afgelost. Op dat moment is het immers zo dat enige aflossing of rentebetaling niet meer plaats zal vinden. Hier doet zich een belangrijk verschil voor tussen de twee genoemde situaties waaronder een winstuitdeling plaats kan vinden. Betreft het een DGA die niet zal betalen, dan vindt de winstuitdeling altijd plaats op het moment van geldverstrekking. Een later verschieten van kleur is dan niet aan de orde. Betreft het een DGA die niet kan betalen, dan kan het later verschieten van kleur wel aan de orde zijn. Dat is ook logisch; betalingsonmacht kan later opkomen, betalingsonwil is direct aanwezig.

Het verrekenen van een schuld aan de DGA

Van een winstuitdeling is geen sprake indien de schuldvordering kan worden verrekend. Hierover is de Hoge Raad in 1964 al duidelijk geweest. De DGA kan echter niet aanvoeren dat verrekening mogelijk zou zijn door in de toekomst dividend uit te keren. Indien u mogelijkheden tot verrekening ziet, is het altijd goed een specialist in de arm te nemen.

Hoe groot is de winstuitdeling op het latere moment?

Indien een lening direct al onder één van de twee genoemde situaties valt, is het de vraag of de gehele lening niet zal worden afgelost of dat een deel van de lening niet zal worden afgelost. Indien het de gehele lening betreft, is voor de gehele lening sprake van een winstuitdeling. Zal de lening gedeeltelijk niet worden afgelost, dan vindt voor het niet-aflosbare deel een winstuitdeling plaats. Dit heeft de Hoge Raad in 2020 bevestigd.

Maar wat nu als de lening later pas van kleur verschiet? De moeilijkheid die zich dan voordoet, is dat op het moment dat het geld werd geleend, aflossing blijkbaar in de lijn der verwachting lag. Het zonder meer stellen van een winstuitdeling is dan te kort door de bocht. De Advocaat-Generaal beschrijft hoe moet worden beoordeeld of sprake is van een winstuitdeling in deze situatie.

De eerste vraag is of het zo goed als zeker is dat aflossing uitblijft, uitsluitend als gevolg van het handelen van de vennootschap ten gunste van de DGA als zodanig. Is het antwoord op deze vraag ‘ja’, dan moet een winstuitdeling worden aangenomen. Indien het antwoord op de vraag ‘nee’ is, dan vindt geen winstuitdeling plaats. Er kan overigens ruimte zijn om een deel van de lening niet als winstuitdeling in aanmerking te nemen. De Advocaat-Generaal heeft voorgesteld om het deel van de lening waarvoor ook een onafhankelijke derde (dus niet de DGA) onder dezelfde omstandigheden als de DGA de schuld niet zou hebben afgelost, niet als winstuitdeling aan te merken.

Wie heeft de bewijslast?

De bewijslast dat sprake is van een winstuitdeling ligt bij de inspecteur. Het is aan hem om feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit naar voren komt dat de lening niet zal worden afgelost. Ook dient de inspecteur aannemelijk te maken dat de bv en de DGA zich hiervan bewust waren of hadden moeten zijn. Pas nadat de inspecteur dit aannemelijk maakt, is het aan u om dit gemotiveerd te weerleggen. Laat u daarom nooit verleiden om al met standpunten en argumenten te komen voordat de inspecteur aan zijn bewijslast heeft voldaan.

Advisering DGA en lenen van de bv

Wij adviseren vaak DGA’s over lenen van het eigen bedrijf en de gevolgen hiervan. Deze gevolgen kunnen namelijk verstrekkend zijn. Het is belangrijk om het rentepercentage juist te bepalen en een degelijke leningsovereenkomst op te stellen. Wordt u geconfronteerd met de stelling van de Belastingdienst dat sprake is van een winstuitdeling? Dan kan dat flink in de papieren lopen. Ook dan is contact opnemen met één van onze specialisten verstandig. De Belastingdienst stelt vaak dat het gehele bedrag van de lening een winstuitdeling vormt maar, zoals uit bovenstaande blijkt, is dat te kort door de bocht. Vragen? Neem gerust contact op met één van onderstaande adviseurs.

Lening DGA en winstuitdeling [news] 2021-04-22 0000-00-00 0000-00-00 6976

De fiscaal slimme DGA

Eenmanszaak naast de bv

Een fiscaal slimme DGA eet van twee walletjes en de rechter is het met hem eens. De DGA heeft zijn bedrijf (rentmeester) met nog twee andere personen ondergebracht in een bv. De opdrachten worden in de bv ondergebracht en 85% van de omzet wordt doorgeboekt naar de eenmanszaak van de DGA. Hierdoor is er sprake van een optimale fiscale planning. De DGA maakt gebruik van het laagste belastingtarief in zijn bv en tevens kan hij privé gebruik maken van de MKB-winstvrijstelling en de ondernemersaftrek. Het ging in deze casus goed, maar het gaat ook zeker heel vaak fout !

Procedure inzake eenmanszaak en bv

Henk heeft in 2011 een eenmanszaak inschreven bij de Kamer van Koophandel, daarna heeft hij zich ook gemeld bij de Belastingdienst. De ondernemingsactiviteiten bestaan uit de bemiddeling, advisering en verhuur van vastgoed, met name op het gebied van grond en pachtzaken. Henk is feitelijk in privé een rentmeester. Ook is Henk voor 1/3 aandeelhouder in een bv, deze bv is opgericht om gezamenlijk naar buiten te kunnen treden als rentmeester en het risico op te vangen. Ook worden bepaalde algemene kosten in de bv gedeeld over de 3 aandeelhouders.

Henk is zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van opdrachten en de uitvoering. De omzet wordt gefactureerd door de bv en vervolgens wordt 85% van de omzet van Henk op de bankrekening van zijn eenmanszaak bijgeschreven. De overige 15% (dit was eerst 8%) van de factuur blijft in de bv achter, dit is bestemd voor gemeenschappelijke kosten in de bv. De omzet in de bv wordt per rentmeester apart bijgehouden.

Henk is van mening dat dit mag en dat hij voor zijn eenmanszaak gewoon in box 1 de belasting moet afrekenen en gebruik mag maken van de ondernemersfaciliteiten, zoals de MKB-winstvrijstelling en de zelfstandigenaftrek.

Noot fiscaal jurist inzake eenmanszaak en bv

Een zorgvuldige opzet is van essentieel belang. Uitgangspunt is de gemaakte afspraken (civiele recht) en vervolgens de materiële (fiscale) gevolgen hiervan. Er is een bv en er is een eenmanszaak en beide hebben hun eigen activiteiten. Dat de bv als soort van "kostenmaatschap" wordt gebruikt mag dan ook geen probleem geven. De onderlinge werkzaamheden en contracten (tussen Henk, zijn eenmanszaak en de bv) moeten wel goed op papier worden gezet. In dit geval was de rechter het met Henk eens. Er is wel hoger beroep aangetekend, dus na 90 minuten staat Henk op voorsprong maar de verlenging is begonnen.

Bron eenmanszaak naast de bv

Rechtbank Noord Nederland d.d. 17 september 2020 ECLI:NL:RBNNE:2020:4506)

Slimme DGA [news] 2021-07-01 0000-00-00 0000-00-00 7083

DGA leent geld aan B.V.

Een DGA leent geldt aan zijn B.V. of heeft een vordering op zijn B.V. De B.V. kan de lening - bijvoorbeeld door de coronacrisis of financiële tegenwind - niet terugbetalen. Kan de DGA de vordering in box 1 afboeken?

Fiscale gevolgen van vordering op de B.V.

Veel bedrijven komen in de financiële problemen door de coronacrisis. Vorderingen kunnen hierdoor niet meer worden afgelost en / of rente kan niet meer worden betaald. De vordering heeft hierdoor een lagere waarde (dan de nominale waarde). Kan een DGA zijn vordering op zijn B.V. afboeken als de B.V. het lastig krijgt?

Fiscale voorziening in box 1 voor DGA

Mag de DGA per eind 2019 een fiscale voorziening vormen voor het mogelijke risico dat (een deel van) de vordering niet door de B.V. kan worden terugbetaald? Omdat dit per eind 2019 moet worden beoordeeld, lijkt een dergelijke voorziening niet mogelijk. Eind 2019 viel in redelijkheid niet te verwachten dat de situatie inzake het coronavirus in China zich zou ontwikkelen tot een crisis in Nederland.

In de VPB-sfeer (in de B.V.) kan een dergelijke voorziening wel worden gevormd voor te verwachten verliezen in 2020, dit conform een speciale maatregel die hiervoor is bedacht.

Kwijtschelding van de vordering door de DGA

Als de vordering waardeloos is geworden, kan deze worden kwijtgescholden. Dit zal ervoor zorgen dat de B.V. winst maakt (kwijtscheldingswinst). De B.V. kan dan - onder voorwaarden - een beroep doen op de kwijtscheldingswinstvrijstelling. De winsten zijn dan niet belast met vennootschapsbelasting, de compensabele verliezen moeten wel worden ingeleverd.

Als de lening als een onzakelijke lening wordt aangemerkt, dan kan de lening niet worden afgeboekt in box 1. De bewijslast hiervoor rust bij de Belastingdienst, maar in diverse procedures lukt dit. Als de Belastingdienst kan bewijzen dat het een lening betreft die op onzakelijke gronden is verstrekt, dan is de vordering in privé niet aftrekbaar. Een kwijtschelding van een onzakelijke lening moet dan worden gezien als informeel kapitaal. Het verlies kan dan soms in box 2 in aftrek worden gebracht, ook hiervoor gelden een aantal voorwaarden. Verlies nemen in box 1 is voor de DGA aantrekkelijker dan verlies nemen in box 2.

DGA verstrekt leningen in 2020 i.v.m. coronacrisis

Als de DGA in 2020 een lening verstrekt aan zijn B.V. of een borgstelling gaat tekenen (t.b.v. de bancaire instelling), dan moet dit op zakelijke gronden plaatsvinden en goed en volledig worden vastgelegd. Hierbij moet de DGA handelen zoals een derde zou handelen. De Belastingdienst kan in deze lastige tijd eenvoudig stellen dat de DGA om persoonlijke redenen een lening heeft verstrekt, waarbij hij / zij op dat moment wist of kon weten dat deze niet zou worden terugbetaald, een zogenaamde bodemloze-put-lening. Als hiervan sprake is, dan kan de vordering (uiteindelijk) niet in box 1 worden afgewaardeerd.

Noot fiscaal jurist inzake afwaardering vordering DGA

Als een DGA een vordering wil afwaarderen en / of een nieuwe vordering wil verstrekken, is advisering door een fiscaal jurist van essentieel belang. Het risico dat de vordering uiteindelijk niet kan worden afgewaardeerd is groot. Ook moeten er diverse bescheiden (leningsovereenkomst, borgstellingsovereenkomst, borgstellingsvergoeding, notulen, bestuursbesluit, etc.) worden opgesteld en ondertekend. Als een persoon geld leent aan een bedrijf van een familielid, moet ook worden gekeken naar de risico's. Veelal zal de lening worden ondergebracht in box 3 (bij de schuldeiser). Er kan in voorkomende gevallen echter sprake zijn van een schenking, bijvoorbeeld als vader een lening verstrekt aan het bedrijf van zijn zoon. Ook hierbij is dus advisering wenselijk.

Heeft u vragen of opmerkingen, stuur ons gerust een mail voor een vrijblijvend advies.

Lening DGA aan BV [news] 2020-05-12 0000-00-00 0000-00-00 6571

De bv wordt fiscaal steeds voordeliger

Waar het omslagpunt voor de fiscaal ingegeven keuze tussen ondernemen in een eenmanszaak of een bv voorheen rond de € 150.000 aan resultaat lag, ligt deze in 2021 al op € 105.000. De komende jaren zal dit omslagpunt zelfs nog lager komen te liggen. Reden genoeg om eens kritisch naar uw structuur te kijken en wellicht nog dit jaar in ieder geval de intentie tot omzetting kenbaar te maken bij de Belastingdienst.

Tariefsaanpassing box 1

Wat is nou de reden dat dit omslagpunt door de jaren heen steeds lager komt te liggen? Dat is gelegen in het feit dat:

  • Er een afbouw plaatsvindt van de zelfstandigenaftrek;
  • Er een afbouw plaatsvindt van het maximale tarief waartegen de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling in aftrek gebracht kan worden (2021: 43%, 2022: 40%, 2023: 37,05%).

Intentieverklaring

Door vóór 1 oktober 2021 in ieder geval de intentie tot mogelijk omzetten van de eenmanszaak naar de bv bij de Belastingdienst te registreren, behoudt u de mogelijkheid om uw onderneming tot en met 31 maart 2022 daadwerkelijk om te zetten naar een bv-structuur. Door een intentieverklaring te registreren wordt u niks verplicht, uw houdt echter wel de mogelijkheid open om met terugwerkende kracht tot 1 januari 2021 uw winst in de bv te laten belasten.

Tot besluit

Denkt u na over de omzetting van uw onderneming naar een bv-structuur, neem dan gerust eens vrijblijvend contact op met onderstaande adviseurs. Zij helpen u graag bij het maken van de juiste keuze.

De bv wordt steeds voordeliger [news] 7212

De bv in oprichting: de voorperiode

Bij de omzetting van een onderneming naar een bv kan het zijn dat er een bepaalde terugwerkende kracht van toepassing is. De periode tussen het overgangstijdstip voor fiscale begrippen en de feitelijke oprichting van de bv wordt voorperiode genoemd. Je komt dan eigenlijk tijdelijk in een fiscaal niemandsland terecht, maar hoe wordt dan omgegaan met verschillende facetten gedurende deze periode?

Beloning en voorperiode

De door de oprichter van de bv in de voorperiode verrichte onttrekkingen voor privébestedingen kunnen niet worden belast als winst uit onderneming. De onderneming wordt immers niet meer voor rekening van de natuurlijk persoon in kwestie gedreven. Evenmin kunnen deze bedragen worden belast als inkomen uit dienstbetrekking. Zolang de vennootschap nog niet bestaat, kan er immers nog geen sprake zijn van een dienstbetrekking met deze bv. Deze onttrekkingen plegen dan volgens onze staatssecretaris te worden behandeld als resultaat uit overige werkzaamheden. In de voorperiode dient een zakelijke beloning in acht te worden genomen. In de praktijk is het dan zaak om de beloning in de voorperiode aan te laten sluiten bij het daarna te genieten loon, op basis van de gebruikelijkloonregeling. Over het 'loon' in de voorperiode wordt in beginsel geen voorlopige aanslag opgelegd. Evenmin vindt inhouding van loonbelasting plaats, ons advies luidt dus doorgaans om wat middelen te reserveren voor de inkomstenbelasting.

Belastingplicht omzetbelasting

De Hoge Raad heeft in een uitspraak duidelijkheid gebracht omtrent de aanvang van de belastingplicht voor de omzetbelasting. De Hoge Raad besliste dat een lichaam voor het eerst vanaf de datum van oprichting als een ondernemer in de zin van de omzetbelasting kan worden aangemerkt. De hiervoor bedoelde uitspraak brengt dus met zich mee dat omzetbelasting in de voorperiode door de omgezette eenmanszaak moet worden voldaan.*

Onttrekkingen voorafgaande aan de omzetting

De vraag of de onttrekking van vermogensbestanddelen in het kader van een geruisloze omzetting naar het privévermogen van belastingplichtige mogelijk is, is een lange tijd voer voor discussie geweest.

De staatssecretaris heeft in dat kader goedgekeurd dat met betrekking tot de geruisloze omzetting vermogensbestanddelen mogen worden onttrokken; dit betreft zowel vermogensbestanddelen die tot het keuzevermogen behoren, als ook die vermogensbestanddelen die tot het verplicht ondernemingsvermogen behoren.

De staatssecretaris heeft in een besluit duidelijkheid geschetst over de vraag of in het kader van de geruisloze omzetting vermogensbestanddelen mogen worden onttrokken. De minister keurt goed dat zowel keuzevermogen als verplicht ondernemingsvermogen mag worden onttrokken. Voor onttrekkingen van verplicht ondernemingsvermogen is de goedkeuring een uitbreiding, want in het verleden was een onttrekking van verplicht ondernemingsvermogen op geen enkele wijze toegestaan.**

Naar onze mening is het echter voor belastingplichtigen (vanuit fiscaal oogpunt) onder andere verstandig om van deze goedkeuring gebruik te maken als de vermogensbestanddelen met een boekverlies kunnen worden onttrokken, zodat het verlies zo snel mogelijk tot uitdrukking komt. In gevallen waarin een boekwinst wordt gemaakt, is het verstandig de heffing zo lang mogelijk uit te stellen en geen gebruik te maken van de door de staatssecretaris verleende goedkeuring. Een optie zou nog kunnen zijn een vervreemding van vermogensbestanddelen na de oprichting van de bv, dit in verband met het tariefverschil tussen de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting.

Tot besluit

Heeft u naar aanleiding van dit artikel nog vragen of speelt er wellicht een ander fiscaal vraagstuk bij u? Neem dan gerust een vrijblijvend contact op met onze onderstaande adviseurs.

*   HR 22 september 2006, nr. 41.443.

** Besluit van 30 juni 2010, nr. DGB2010/3599M.

De bv in oprichting: de voorperiode [news] 7209

Waarom ondernemen in een bv?

Er kunnen vele redenen zijn om een bv op te richten. Een in de markt veelgehoorde reden is status: de dga kan zich directeur noemen en vanzelfsprekend is dit niet het argument dat het meeste hout snijdt. Hieronder gaan wij in op een aantal (doorgaans) belangrijkere redenen.

Aansprakelijkheid en risico

Door het drijven van een onderneming voor rekening en risico van een bv wordt de aansprakelijkheid in privé beperkt. De bv is namelijk zelf aansprakelijk voor haar schulden, niet de aandeelhouders of de directie. Een uitzondering hierop is bestuurdersaansprakelijkheid. Deze houdt in dat, naast de bv, in bepaalde gevallen ook de bestuurder aansprakelijk is. Criterium is dat de bestuurstaken onbehoorlijk zijn uitgevoerd.

Is dit alles niet aan de orde, dan loopt de aandeelhouder slechts financieel risico tot het bedrag van zijn investering in het aandelenkapitaal.

Dit moet overigens enigszins gerelativeerd worden. Indien een dga een onderneming start in de vorm van een bv, zullen financiers (zoals een bank) vaak extra zekerheid wensen van de dga in persoon, bijvoorbeeld door een borgstelling voor de schulden van de bv.

Fiscaal voordeel

De laatste jaren probeert de wetgever Nederland aantrekkelijker te maken voor ondernemingen in het MKB. Zo zijn de tarieven in de vennootschapsbelasting fors verlaagd ten opzichte van een aantal jaar geleden. Zo bedroeg het toptarief 15 jaar geleden bijvoorbeeld nog 34,5% en bedraagt het vennootschapsbelastingtarief voor 2021 15% tot een bedrag van € 245.000 en 25% voor alles daarboven. Daarentegen bedraagt het maximale tarief in de inkomstenbelasting nu 49,50%. Door de MKB-winstvrijstelling van 14% daalt het effectieve tarief nog wel. De gecombineerde heffing (vennootschapsbelasting en aanmerkelijkbelangheffing) op uitgekeerde winsten uit een bv in 2021 bedraagt tussen de 37,8% en 45%. Het voordeel wordt zelfs groter indien de behaalde winst niet wordt uitgekeerd. Bij de bv kan minimaal 75% en maximaal 85% van de winst worden geherinvesteerd in de onderneming; in een IB-onderneming is dit dus aanzienlijk lager, hetgeen een liquiditeitsvoordeel oplevert dat kan worden benut voor het doen van investeringen.

De uitkering van een gebruikelijk loon aan de dga kan het voordeel ten opzichte van de IB-onderneming beperken. Het salaris is voor de dga immers belast in de inkomstenbelasting tegen maximaal 49,50%. Bovendien zal vooral bij lagere winsten de IB-onderneming aantrekkelijker zijn door de MKB-winstvrijstelling en enkele aftrekposten (ondernemersfaciliteiten) die uitsluitend openstaan voor IB-ondernemers. Een vuistregel die wij in de praktijk hanteren is om vanuit fiscaal oogpunt ingegeven eens te gaan kijken naar de bv bij een winst van om en nabij de € 125.000 tot € 150.000.

Vergemakkelijken bedrijfsoverdracht

Wanneer een onderneming in de vorm van bijvoorbeeld een eenmanszaak wordt overgedragen, worden in feite alle activa en passiva overgedragen. Bij de overdracht van een onderneming in de vorm van een bv is dat anders. De aandeelhouders zijn namelijk geen eigenaar van de activa en passiva; de bv is eigenaar van de activa en passiva. Door de aandelen van de bv over te dragen, wordt op eenvoudige wijze een onderneming overgedragen. Bovendien voorziet de wetgeving in een aantal fiscaalvriendelijke mogelijkheden voor de overdracht van aandelen.

Continuïteit

Als de dga overlijdt, behoeven – in tegenstelling tot bijvoorbeeld bij de eenmanszaak – de activa en passiva niet onder de erfgenamen te worden verdeeld. De erfgenamen krijgen aandelen of certificaten van aandelen die ze eventueel kunnen verkopen. De bv en dus de onderneming blijft gewoon bestaan.

Overzicht

Bij een persoonlijke onderneming lopen zakelijke aangelegenheden en privéaangelegenheden vaak door elkaar, met name ook financieel. Bij een bv is dat meer gescheiden, omdat de bv een rechtspersoon is. Zakelijk (de rekening van de bv) en privé (de rekeningen van de dga) zijn daarmee gescheiden. Dat maakt het ondernemen met een bv overzichtelijker.

Tot besluit

Wenst u te gaan ondernemen in een bv of heeft u naar aanleiding van dit artikel nog andere vragen voor onze adviseurs? Aarzel dan niet om contact op te nemen via onderstaande contactgegevens. Wij helpen u graag verder!

Waarom ondernemen in een bv? [news] 7211

Overname onderneming of B.V.

In onze praktijk komt het regelmatig voor dat wij adviseren bij de overname van een onderneming of B.V. Tevens zijn wij regelmatig betrokken bij de verkoop van een onderneming of B.V. aan een potentiële koper.

De verkoop van een bedrijf is een vak. Jaarlijks worden er ongeveer 15.000 bedrijven verkocht. Ongeveer 40% van de MKB-bedrijven wil groeien door een overname en 40% van de ondernemers is ouder dan 50 jaar. De conclusie is dan dat er vraag en aanbod is voor een mogelijke verkoop van een bedrijf.

De waardering van aandelen

Een waardering van aandelen is maatwerk. In de praktijk zie je vaak dat de waardering van een onderneming via een soort borrelpraat wordt vastgesteld op 3, 4 of 5 keer de bedrijfswinst van de afgelopen jaren, soms nog met een wegingsfactor en, als het nog iets beter gaat, wordt rekening gehouden met:

  • normalisatie;
  • wijzigingen voor de toekomst;
  • rechten en octrooien binnen het bedrijf;
  • synergievoordelen voor de koper.

Een ondernemer die 25 jaar zijn bedrijf heeft gehad wil niet binnen 2 minuten van de fiscaal jurist of accountant horen "ach waardering ... is wat een gek ervoor geeft ... denk 4 keer de winst." Dit kan niet getuigen van respect voor de ondernemer en zijn bedrijf, los van het feit dat het niet juist is. De waardering bestaat ook niet, omdat het zal afhangen van de reden voor de verkoop en de partij die uiteindelijk gaat kopen. Een paar voorbeelden:

  • verkoop aan een buitenlandse partij;
  • verkoop aan concurrent die bedrijf zal saneren;
  • verkoop aan kinderen of familie;
  • verkoop aan een partij die graag in de regio of het land wil zitten;
  • verkoop aan een partij die zijn bedrijfskolom wil uitbreiden;
  • verkoop aan het zittende management met betaling in termijnen en met participatiemaatschappij;
  • verkoop of waardering i.v.m. echtscheiding;
  • overdracht i.v.m. overlijden of verdelen nalatenschap.

Naast de verkoop wil een ondernemer ook graag antwoorden op:

  • financiële planning na de verkoop;
  • voorkomen van belastingheffing;
  • mogelijkheden om box 2 heffing en wellicht erfbelasting te voorkomen door emigratie of buitenlandse structuren;
  • mogelijkheden bedrijfsopvolgingsfaciliteit.

Verkoopproces

Het goed inventariseren van de markt en het kiezen van de juiste koper zijn belangrijke onderdelen van het verkoopproces. In mijn praktijk komt het ook steeds vaker voor dat de koopsom niet volledig bij de levering wordt betaald, maar in termijnen. De verkoper loopt hierdoor meer risico, maar krijgt ook een hogere prijs. Soms wordt de verkoopprijs ook afhankelijk gesteld van toekomstige winst, zorg er dan wel voor dat u grip kunt behouden op het beleid van uw bedrijf.

Overname onderneming of BV [news] 3567 Kosten overname aftrekbaar [news] 2012-11-22

Kosten overname aftrekbaar of niet?

Bij een overname heeft met name het juridische kader de meeste aandacht. Het is echter slim om vroeg in het koop- / verkoopproces een korte bespreking in te plannen met een fiscaal jurist. De aankoopkosten met betrekking tot de koop van een bedrijf zijn namelijk (sinds 2002) niet aftrekbaar. Deze kosten moeten worden geactiveerd en maken onderdeel uit van de kostprijs van de B.V. welke wordt gekocht (kostprijs deelneming). Sinds 2007 zijn ook de kosten verbonden aan de verkoop van een deelneming niet meer aftrekbaar.

Wettelijke bepaling kosten bij koop niet aftrekbaar

Artikel 13 lid 1 Wet Vennootschapsbelasting (de deelnemingsvrijstelling) zegt hierover het volgende:

  • Bij het bepalen van de winst blijven buiten aanmerking de voordelen uit hoofde van een deelneming, alsmede de kosten ter zake van de verwerving of de vervreemding van die deelneming.

Welke kosten zijn niet aftrekbaar van de winst?

Het is natuurlijk dan de vraag welke kosten niet aftrekbaar zouden zijn, dit betreft:

  1. Procedurekosten.
  2. Bemiddelingskosten.
  3. Provisie voor tussenpersoon (de finder fee).
  4. Kosten advocaten, notaris en accountants (onderzoekskosten / Due Diligence).

Overname onderneming en fiscale aftrekbaarheid kosten

Regelmatig ben ik betrokken bij een overname. De kosten verbonden aan een overname kunnen substantieel zijn. Naast uw accountant, een overname-adviseur, een DDO (Due Diligence Onderzoek), advocaat en overige adviseurs moet ook de notaris worden betaald. De kosten verbonden aan de overname zijn niet aftrekbaar voor de koper. De koper zou een holding kunnen oprichten en / of de B.V. laten kopen door een bestaande holding. Als de holding die is opgericht (of er al is) de aandelen koopt, zou de holding vanaf het overnamemoment een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting kunnen aangaan met de gekochte werkmaatschappij. Binnen de fiscale eenheid kunnen winsten en verliezen worden verrekend. Via deze route zouden kosten wellicht wel aftrekbaar zijn. In 2011 heeft de Hoge Raad bepaald dat via deze creatieve route de kosten ook niet aftrekbaar zijn. Dit is nog eens bevestigd in een uitspraak van de Rechtbank Haarlem d.d. 16 februari 2012.

Kosten kopen onderneming wel aftrekbaar

Als de kosten worden gemaakt voor het verkrijgen van een financiering. In dat geval zijn de kosten wel aftrekbaar. Alternatief is dat de kosten inzake de overname worden betaald door de deelneming zelf. Voor deze B.V. zou het bijvoorbeeld zakelijk kunnen zijn om kosten te maken voor een onderzoek naar de synergievoordelen of uitbreiden van de bedrijfskolom.

Contact

Als u vragen over dit onderwerp zou, hebben kunt u contact opnemen met de heer mr. Dennis J.B. Jongbloed.

2012-11-22 0000-00-00 3568
Verkoop onderneming tegen winstrecht [news] 2012-11-22

Verkoop onderneming tegen winstrecht

Eigenaren van een eenmanszaak, VOF of maatschap die hun (aandeel in) bedrijf verkopen, lopen soms aan tegen een belastingtarief van 52%. Er zijn mogelijkheden om deze hoge directe heffing te verkopen. Eén van die vormen is de verkoop van uw onderneming tegen een winstrecht.

Door de verkoop tegen een winstrecht gedurende een periode van bijvoorbeeld 7 jaar voorkomt u directe heffing (over stille reserves en goodwill) in 1 jaar. De jaarlijkse uitkering van het winstrecht is belast in het jaar dat u deze ontvangt. Voordeel is dus dat u gebruik kunt maken van de progressie in de inkomstenbelasting. Het moet wel gaan om een echt winstrecht en dus niet een vast recht op een bedrag wat zou kunnen lijken op betaling in termijnen.

Belastingtip

Deze methode is met name aantrekkelijk als u 65 bent, uw tarief in de eerste schijf bedraagt dan zo'n 16%.

Financiële tip

Let erop dat u niet altijd invloed heeft op de omvang en samenstelling van de winst. Koppel het percentage dus ook aan de omzet binnen uw bedrijf. Daarnaast bent u voor het winstrecht afhankelijk van de kwaliteiten van de nieuwe ondernemer, dit kan risico's met zich meebrengen. In dit kader is het verstandig een vinger aan de pols te (laten) houden binnen het bedrijf. Laat een contract door een deskundige opstellen, dit voorkomt problemen in de toekomst.

0000-00-00 0000-00-00 3569
Overname via activa passiva transactie [news] 2012-11-22

Overname door activa - passiva transactie

In onze praktijk zijn wij vrijwel continue betrokken bij de verkoop / koop van ondernemingen en/of de waardering van bedrijven. Een verkoop kan plaatsvinden op verschillende manieren. De meest voorkomende zijn:

  1. verkoop aandelen;
  2. omzetting aandelen 
  3. verkoop activa en passiva.

De verkoop van activa en passiva is veelal tegen een hogere prijs dan de verkoop van aandelen. De verkoper moet immers direct afrekenen met de Belastingdienst. Bij een verkoop van aandelen wordt ook wel rekening gehouden met een latentie (veelal rond de 10%), maar deze latentie is lager dan de actuele belastingschuld bij een overname van activa en passiva.

De koper koopt hierbij van de verkoper (een eenmanszaak, VOF, maatschap, C.V. of B.V.) alle activa en passiva (de bezittingen en schulden). Als de activa en passiva zijn ondergebracht in een B.V., zal daarna de B.V. geliquideerd kunnen worden.

Bij een activa / passiva overname moeten alle onderdelen op een juridisch juiste wijze worden overgedragen. Dit wil zeggen:

  1. onroerende zaken: notariële akte van levering;
  2. vordering: via een cessie;
  3. roerende zaken (machines, inventaris, etc.): koopovereenkomst (onderhands);
  4. overeenkomsten, etc.: koopovereenkomsten en akkoord tegenpartij.

Werknemers en activa en passiva overname

De rechten en plichten ten aanzien van werknemers gaan van rechtswege over naar de koper. De koper is ook aansprakelijk voor achterstallige belastingen en loonbetalingen van de verkoper. Dit geldt ook voor premies en pensioenen.

Aandachtspunten activa / passiva overname

De praktijk leert dat een goede overeenkomst van belang is. Denk daarbij ook nog aan:

  1. concurrentie- en relatiebeding verkoper;
  2. overname bankrekening en pinapparatuur verkoper;
  3. overname handelsnaam of handelsnamen;
  4. overname klantenbestand;
  5. overname onderhanden werk;
  6. overname internetsite;
  7. overname telefoonnummers, postbus, etc.;
  8. afspraken over garanties en schadeclaim;
  9. deel overname bij notaris laten staan (escrow) bij mogelijke claims of het niet nakomen van afspraken, bijvoorbeeld het relatiebeding.

Belastingen

Het inschakelen van een ervaren belastingadviseur of fiscaal jurist is verstandig. Hij kan u begeleiden bij de overname, bepalen overnamesom, bepalen risico's en het kunnen gebruiken van speciale regelingen in de inkomstenbelasting, overdrachtsbelasting, schenk- en erfbelasting en omzetbelasting.

0000-00-00 0000-00-00 3570
Vuistregels bij waarderen BV [news] 2013-03-31

Vuistregels bij waardering B.V.

Er zijn natuurlijk allerlei vuistregels binnen bepaalde branches, hierbij kunt u denken aan:

  • 8 keer de gemiddelde weekomzet bij een supermarkt;
  • 3 keer de doorloopprovisie bij een verzekeringsbedrijf;
  • 1 keer de omzet bij een accountantskantoor;
  • 1,3 keer de omzet bij een goed lopende apotheek;
  • 4 keer de gemiddeld winst bij een MKB-winkel.

Het bijzondere is dat dergelijke vuistregels niet eens zo slecht zijn, ze sluiten vaak redelijk goed aan bij betrouwbare waarderingsvormen zoals de DCF-methode. Een vuistregel blijft echter wel een vuistregel. Het belangrijkste voor een verkoper is om te kijken hoe zijn bedrijf het bij de verkoper gaat doen, denk hierbij aan:

  • synergie voordelen;
  • kosten besparen;
  • omzet verhogen;
  • gecombineerde producten aan klanten aanbieden;
  • betere inzet gebouw, mensen, machines, etc.

Tenslotte moet u met uw fiscaal jurist of adviseur ook eens een berekening maken van uw bedrijf na de verkoop, veelal verandert er een aantal zaken, de belangrijkste zijn:

  • de financieringslast moet worden opgebracht;
  • het gebouw is geen eigendom meer, maar wordt van de voormalig eigenaar gehuurd;
  • er zijn voordelen te behalen door de koper (zie hiervoor).

Op basis hiervan kunt u beoordelen of de verkoop voor een mogelijke koper interessant is. Een vervolgstap kan zijn om uw uitgangspunten eens te overleggen met de koper om te kijken of hij de voordelen wel ziet en / of deze ook haalbaar zijn. Dit past niet in elke onderhandeling, maar komt steeds vaker voor.

0000-00-00 0000-00-00 3693

Kosten adviseur aftrekbaar bij verkoop deelneming

Bij een overname heeft met name het juridische kader de meeste aandacht. Het is echter slim om vroeg in het koop- / verkoopproces een korte bespreking in te plannen met een fiscaal jurist. De aankoopkosten met betrekking tot de koop van een bedrijf zijn namelijk (sinds 2002) niet aftrekbaar. Deze kosten moeten worden geactiveerd en maken onderdeel uit van de kostprijs van de B.V. welke wordt gekocht (kostprijs deelneming). Sinds 2007 zijn ook de kosten verbonden aan de verkoop van een deelneming niet meer aftrekbaar.

Onderstaand echter een uitspraak uit 2013 waarbij de kosten wel aftrekbaar waren. Het betreft wel een uitspraak van een "lagere rechter" (Rechtbank), deze zal waarschijnlijk in Hoger beroep geen stand houden. Thans is niet bekend of er Hoger Beroep is aangetekend

Wettelijke bepaling kosten bij koop niet aftrekbaar

Artikel 13 lid 1 Wet Vennootschapsbelasting (de deelnemingsvrijstelling) zegt hierover het volgende:

  • Bij het bepalen van de winst blijven buiten aanmerking de voordelen uit hoofde van een deelneming, alsmede de kosten ter zake van de verwerving of de vervreemding van die deelneming.

Welke kosten zijn niet aftrekbaar van de winst?

Het is natuurlijk dan de vraag welke kosten niet aftrekbaar zouden zijn, dit betreft:

  1. Procedurekosten.
  2. Bemiddelingskosten.
  3. Provisie voor tussenpersoon (de finder fee).
  4. Kosten advocaten, notaris en accountants (onderzoekskosten / Due Diligence).

Overname onderneming en fiscale aftrekbaarheid kosten

Regelmatig ben ik betrokken bij een overname. De kosten verbonden aan een overname kunnen substantieel zijn. Naast uw accountant, een overname-adviseur, een DDO (Due Diligence Onderzoek), advocaat en overige adviseurs moet ook de notaris worden betaald. De kosten verbonden aan de overname zijn niet aftrekbaar voor de koper. De koper zou een holding kunnen oprichten en / of de B.V. laten kopen door een bestaande holding. Als de holding die is opgericht (of er al is) de aandelen koopt, zou de holding vanaf het overnamemoment een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting kunnen aangaan met de gekochte werkmaatschappij. Binnen de fiscale eenheid kunnen winsten en verliezen worden verrekend. Via deze route zouden kosten wellicht wel aftrekbaar zijn. In 2011 heeft de Hoge Raad bepaald dat via deze creatieve route de kosten ook niet aftrekbaar zijn. Dit is nog eens bevestigd in een uitspraak van de Rechtbank Haarlem d.d. 16 februari 2012.

Kosten kopen onderneming wel aftrekbaar

Als de kosten worden gemaakt voor het verkrijgen van een financiering. In dat geval zijn de kosten wel aftrekbaar. Alternatief is dat de kosten inzake de overname worden betaald door de deelneming zelf. Voor deze B.V. zou het bijvoorbeeld zakelijk kunnen zijn om kosten te maken voor een onderzoek naar de synergievoordelen of uitbreiden van de bedrijfskolom.

Casus rechtbank

Een B.V. hield 55% van de aandelen in een dochtermaatschappij (deelneming). De deelneming wordt verkocht en er wordt besloten om om aan de commissaris (tevens externe adviseur) een beloning te betalen van € 1.400.000. In hoeverre een commissaris ook extern adviseur kan zijn, laat ik in deze even buiten beschouwing. De kosten worden door de B.V. afgetrokken van de winst, de koopsom wordt belastingvrij (deelnemingsvrijstelling) ontvangen.
De rechtbank is van mening dat de kosten aftrekbaar zijn. De kosten kwalificeren - volgens de rechter - niet als verkoopkosten van de deelneming die noodzakelijk zijn om de verkoop door te laten gaan. De directe samenhang met de verwerving / verkoop van de deelneming ontbreekt. Enig verband ziet de rechtbank wel, maar in casu niet voldoende.
Er is een causaal verband tussen de bonus en de verkoop, echter de verkoop was ook doorgegaan zonder deze substantiële kosten te maken. Het besluit om de beloning te betalen is genomen nadat de deelneming is verkocht, mede hierdoor zijn de kosten volgens de rechtbank aftrekbaar.                                                                                                                                                                                                                                                        

Bron

In deze casus was de verkoop echter ook doorgegaan zonder de kosten te maken; het besluit om de externe adviseur te belonen was genomen nadat duidelijk was dat de verkoop onder gunstige voorwaarden doorgang zou vinden. Daardoor zijn de kosten voor B.V. X aftrekbaar volgens de rechtbank. 
Kosten adviseur bij verkoop aftrekbaar [news] 2013-09-12 0000-00-00 0000-00-00 4057
2015-07-21

Holdingstructuur

Een veel voorkomende uitspraak in de fiscale adviespraktijk is: "één B.V. is géén B.V." Hiermee wordt gedoeld op de (bijna altijd) aan te raden holdingstructuur, voordelen kunnen zijn:

-          Verkoop werkmaatschappij zonder acute belastingheffing;

-          Eenvoudiger om door derden te participeren de werkmaatschappij;

-          Reserveren gemaakte winsten buiten de risicosfeer van de onderneming;

-          Pand buiten risicosfeer.

Indien er een holdingstructuur gecreëerd moet worden, zal dit in beginsel tot belastingheffing leiden. Hieronder worden meerdere mogelijkheden beknopt uiteengezet waarbij verschillende vrijstellingen benut kunnen worden. De kunst is echter om de juiste keuze te maken, de fiscale argumenten hoeven hier niet altijd de doorslaggevende factor voor te zijn.

Aandelenfusie

Het voordeel van een aandelenfusie is dat er relatief weinig handelingen nodig zijn om deze structuur te creëren. De fiscale nummers van de onderneming blijven ongewijzigd en er zijn weinig administratieve handelingen nodig nadat de aandelenfusie heeft plaatsgevonden. Er vindt alleen een vervreemding plaats op het niveau van de DGA. Onder voorwaarden kan dit echter zonder belastingheffing plaatsvinden.

Bedrijfsfusie

De bedrijfsfusie leidt ertoe dat er een nieuwe B.V. wordt opgericht waaraan de activiteiten van de reeds bestaande B.V. worden overgedragen – inclusief  de goodwill en meer- / minderwaarden van de onderneming, hetgeen in beginsel leidt tot afrekening. Onder voorwaarden kan afrekening met de Belastingdienst achterwege blijven, van belang is dat het om een (zelfstandig deel van) een onderneming gaat. Bij een bedrijfsfusie hoeft er geen vervreemding plaats te vinden op het niveau van de DGA.

Juridische splitsing

Als gevolg van de juridische “moeder-dochter” splitsing ontstaat er ook een holdingstructuur. Hierbij vindt er geen vervreemding op het niveau van de DGA plaats en kan er vermogen worden afgesplitst dat niet als een (zelfstandig deel) van een onderneming kwalificeert.

Binnen fiscale eenheid

Tot slot kan de herstructurering binnen de fiscale eenheid plaatsvinden. Dit leidt er echter wel toe dat de fiscale eenheid ten minste 3 of 6 jaar niet verbroken mag worden om tegen acute heffing van vennootschapsbelasting aan te lopen.

Aandachtspunten

Let bij het creëren van een holdingstructuur goed op de volgende (niet fiscale) aspecten:

-          Opzegging krediet(-faciliteiten) door de bank;

-          Afdrachtvermindering WBSO komt te vervallen;

-          (Milieu-)vergunningen komen te vervallen;

-          Contracten met afnemers, leveranciers, (ver-)huurder of werknemers worden wel / niet overgenomen of beëindigd;

-          Potentiële (schade-)claims blijven ook op de holding rusten;

-          Heffing van overdrachtsbelasting;

-          Wat nu als de werkmaatschappij failliet gaat;

-          Is of wordt de holding (hoofdelijk) aansprakelijk voor belastingschulden van de werkmaatschappij.

Laat uw structuur beoordelen!

Wilt u weten of uw vennootschappelijke structuur zowel op het gebied van belastingen als op het gebied van aansprakelijkheden optimaal is vormgegeven? Neem contact met ons op voor een vrijblijvende afspraak.

0000-00-00 0000-00-00 4536

Verkoop B.V. met earn out

Earn out of aftrekbare lening

In een procedure bij het Gerechtshof Arnhem kwam het verschil tussen een aftrekbare lening of een niet aftrekbare last door een earn out aan de orde. In deze procedure ging het voor belastingplichtige niet goed. De niet volledige betaling van de koopsom viel onder de deelnemingsvrijstelling (earn out) en was geen lening.

Een earn out regeling bij de verkoop van aandelen

Als aandelen in een rechtspersoon worden verkocht is de opbrengst belastingvrij op grond van de deelnemingsvrijstelling (minimaal belang 5%). De deelnemingsvrijstelling in Nederland stelt dat voordelen uit hoofde van de verkoop (of bij verkoop) van een deelneming bij het opstellen of vaststellen van de winst buiten beschouwing blijven (dus belastingvrij). Soms wordt een deelneming verkocht tegen een vaste prijs, maar soms ook tegen een variabele koopprijs (afhankelijk van toekomstige winsten of omzet). Dit noemen we in de fiscale en overnamepraktijk een earn out regeling.

Meestal wordt een deel van de koopsom direct bij levering betaald (vast bedrag) en een deel van de koopsom variabel gemaakt (afhankelijk van resultaten nadat de deelneming is verkocht). Vorenstaande wordt afgesproken omdat de discussie over de goodwill hiermee deels wordt opgelost. De nabetalingen (of terugbetalingen) op grond van een earn out regeling vallen fiscaal onder de belastingvrije earn out regeling.

Earn out of lening

Soms is er discussie met de Belastingdienst of een nabetaling / terugbetaling moet worden gezien als belastingvrij earn out of aftrekbare lasten. In een procedure bij het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden (d.d. 7 juni 2017) had de belastingplichtige certificaten in een B.V., deze werden in 2008 verkocht voor in totaal € 735.000. De koopsom wordt niet direct voldaan (lening). De koopsom wordt uiteindelijk niet betaald en ten laste van de winst gebracht. De Belastingdienst en de rechter accepteren de afwaardering niet. Er bestaat volgens het Gerechtshof een duidelijk verband tussen de verkoop en het ontstaan van de vordering, dit is een earn out regeling. Het verlies is niet aftrekbaar, aldus de rechter. Volgens de Rechtbank was het verlies wel aftrekbaar, in hoger beroep ging het dus niet goed voor belastingplichtige.

Rente op earn out

De rente welke wordt vergoed bij een earn out regeling valt meestal niet onder de deelnemingsvrijstelling. In een arrest van de Hoge Raad (25 september 2020) heeft onze hoogste rechtscollege beslist dat de wettelijke en de contractuele rente welke bij een earn out regeling wordt vergoed niet onder deeelnemingsvrijstelling valt omdat deze geen betrekking hebben op de prijs voor de aandelen.

Bron earn out of lening

Rechtbank Gelderland d.d. 28 juli 2017 (ECLI:NL:RBGEL:2016:4178).

Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden d.d. 7 juni 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:4781).

Hoge Raad d.d. 25 september 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1503)

Verkoop BV tegen earn out regeling [news] 2017-06-27 0000-00-00 0000-00-00 5153

Omzetbelasting op kosten bij verkoop aandelen of onderneming

Binnen onze praktijk wordt steeds vaker geadviseerd over de aan en verkoop van aandelen, ondernemingen of deelnemingen. Er worden accountants, advocaten en fiscalisten ingeschakeld en soms ook andere adviseurs. Zijn deze kosten belast met BTW? Is de BTW verrekenbaar?

Bemiddelingskosten bij verkoop aandelen en omzetbelasting

De factuur van de adviseurs betrokken bij een verkoop van uw bedrijf zijn veelal belast met BTW. De diensten van bemiddelaars zijn meestal vrijgesteld van BTW. Uit de jurisprudentie volgt, dat van bemiddelen sprake is als iemand tegen een vergoeding partijen bij elkaar brengt. Meestal brengen bemiddelaars gewoon BTW in rekening. De BTW wordt niet volgens de wet in rekening gebracht en is hierdoor ook niet verrekenbaar. Conclusie: vraag om een juiste factuur van uw bemiddelaar.

Advieskosten bij verkoop aandelen en omzetbelasting

Op grond van jurisprudentie is de BTW op facturen welke betrekking hebben op advies en begeleidingskosten bij de verkoop van aandelen in een BV of NV niet verrekenbaar. Soms is dit anders:

  1. de verkoper vormt een fiscale eenheid voor de BTW met de BV/ NV waarvan de aandelen zijn verkocht;
  2. de verkoop verrichte BTW-belaste managementactiviteiten jegens de BV/ NV waarvan de aandelen zijn verkocht en de verkoper had een meerderheidsbelang (meer dan 50%) in deze BV of NV waarvan de aandelen zijn verkocht.

In bovenstaande situaties is de BTW op advieskosten bij verkoop gewoon verrekenbaar.

Als een voorgenomen verkoop niet doorgaat, is de BTW vermoedelijk wel verrekenbaar. Op 6 september 2018 heeft advocaat-generaal Kokott van het Europese Hof van Justitie zjin conclusie geschreven in een zaak (C&D Foods C-502/17). De kosten zien op een dienst welke is vrijgesteld van BTW (verkoop aandelen), in beginsel is de BTW dan niet verrekenbaar. Hierbij moeten de kosten wel rechtstreeks samenhangen met de voorgenomen verkoop.

Noot fiscaal jurist inzake BTW bij verkoop

Steeds vaker komen er vraagstukken inzake te verrekenen omzetbelasting aan de orde. Onze specialisten helpen u graag.

BTW bij verkoop aandelen [news] 2018-09-12 0000-00-00 0000-00-00 5675

Kosten aankoop en verkoop onderneming 

Regelmatig zijn wij betrokken bij een overname, zowel aan de zijde van de verkoper als aan de zijde van de koper. Vaak is voor partijen niet helder dat een groot deel van de kosten van een dergelijke overname fiscaal niet aftrekbaar zijn. Ook is er vaak onduidelijkheid over de verrekening van omzetbelasting. De basis:

  • Aankoopkosten met betrekking tot een deelneming zijn niet aftrekbaar. Deze kosten moeten geactiveerd worden en zijn onderdeel van de kostprijs van de deelneming (onderdeel opgeofferd bedrag). Bij een liquidatie zijn deze kosten wel aftrekbaar.
  • Verkoopkosten met betrekking tot een deelneming zijn ook niet aftrekbaar. Deze kosten worden afgetrokken van de vrijgestelde opbrengsten.

In dit artikel een kort overzicht van wat er nu wel of niet aftrekbaar is bij de aankoop of de verkoop van een werkmaatschappij. Tevens geven wij een overzicht van de relevante jurisprudentie.

Aftrek vennootschapsbelasting

Kosten bij koop / verkoop zijn niet aftrekbaar (de wet)

Artikel 13 lid 1 Wet Vennootschapsbelasting (de deelnemingsvrijstelling) zegt hierover het volgende:

  • Bij het bepalen van de winst blijven buiten aanmerking de voordelen uit hoofde van een deelneming, alsmede de kosten ter zake van de verwerving of de vervreemding van die deelneming (deelnemingsvrijstelling).

Sinds 2002 zijn de kosten met betrekking tot de aankoop van een deelneming niet meer aftrekbaar; deze worden geacht onderdeel te vormen van de aankoopprijs van de deelneming. Sinds 2007 zijn ook de kosten verbonden aan de verkoop van een deelneming niet meer aftrekbaar.

Welke kosten van aankoop of verkoop zijn niet aftrekbaar van de winst?

De aankoopkosten van een deelneming dienen te worden geactiveerd en zijn niet aftrekbaar; onder het begrip aankoopkosten vallen naast de koopsom de volgende kosten:

  • "Underwriting fees' en beursbelasting.
  • Kosten eigen personeel dat bij de overname betrokken was.
  • Kosten aftredende commissaris.
  • Procedurekosten en schadevergoedingen.
  • Bemiddelingskosten en provisie voor tussenpersoon (de finder fee).
  • Kosten advocaten, notaris en accountants (onderzoekskosten / Due Diligence).

Vanaf welk moment zijn de aankoopkosten niet aftrekbaar?  

In de praktijk wordt vaak het tijdstip van het ondertekening van de LOI / intentieovereenkomst c.q. als redelijkerwijs te verwachten is dat de aankoop doorgaat, als aanvangstijdstip voor de niet-aftrekbaarheid van aankoopkosten aangemerkt. Kosten gemaakt voor dit moment vallen niet onder de aftrekbeperking.

Arrest Hoge Raad 2 september 1998 (ECLI:NLPHR:1998:AA2362)

Arrest Hoge Raad 23 juni 1999 (ECLI:NL:HR:1999:AA2800)

Verkoopkosten niet aftrekbaar

Ook de verkoopkosten in verband met de verkoop van een deelneming zijn op gelijke wijze niet aftrekbaar; naast de hierbovengenoemde kosten gaat het eveneens over interne uitgaven in verband met de verkoop. Er moet een rechtstreeks oorzakelijk (causaal) verband zijn tussen de kosten en de verkoop van de deelneming.

Vanaf welk moment zijn de verkoopkosten niet aftrekbaar?

Vraag is welk moment als ijkpunt geldt vanaf wanneer sprake is van verkoopkosten; uit de jurisprudentie komt naar voren dat dit ijkpunt voor de verkopende partij eerder ligt dan voor de kopende partij; het gaat om het moment dat voorgenomen is om de deelneming te gaan verkopen; ook wel vanaf het moment dat potentieel geïnteresseerde partijen concreet worden benaderd.

Rechtbank Noord Nederland 21 januari 2016 (ECLI:NL:RBNNE:2016:1419)

Hoge Raad 7 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2264)

Welke kosten zijn wel aftrekbaar?

Kosten die niet onder aankoopkosten vallen en dus wel aftrekbaar zijn, zijn :

  • kosten gemaakt terzake een mislukte overnamepoging;
  • financieringskosten bij het afsluiten van een lening voor de aankoop van de deelneming;
  • de kosten van een op verzoek van de bank ten behoeve van het verkrijgen van deze financiering verricht DD-onderzoek.

Vooraftrek omzetbelasting

Bemiddelingskosten bij verkoop aandelen en omzetbelasting

De factuur van de adviseurs betrokken bij een verkoop van uw bedrijf zijn veelal belast met BTW. De diensten van bemiddelaars zijn meestal vrijgesteld van BTW. Uit de jurisprudentie volgt dat van bemiddelen sprake is als iemand tegen een vergoeding partijen bij elkaar brengt. Meestal brengen bemiddelaars gewoon BTW in rekening. De BTW wordt niet volgens de wet in rekening gebracht en is hierdoor ook niet verrekenbaar. Conclusie: vraag om een juiste factuur van uw bemiddelaar.

BTW op deelnemingskosten

Hoofdregel is dat de omzetbelasting op de hierboven genoemde deelnemingskosten in beginsel niet aftrekbaar zijn. De verkoop / aankoop van aandelen is vrijgesteld van omzetbelasting; de omzetbelasting op alle hiermee verband houdende kosten kan daarom in beginsel niet in vooraftrek worden gebracht.

Slechts onder beperkte voorwaarden kan de BTW op deelnemingskosten toch in vooraftrek worden gebracht; dit is mogelijk:

  • als de verkoper en de deelneming een fiscale eenheid BTW vormden;
  • als de verkoper BTW-belaste managementactiviteiten verrichtte voor de verkochte deelneming en daarin een belang van meer dan 50% had.

De kosten worden dan als algemene kosten aangemerkt en kunnen naar rato van de belaste en onbelaste activiteiten in vooraftrek worden gebracht.

Voor aftrek van BTW bij aankoop van een deelneming gelden gelijke voorwaarden; als de koper van de aandelen een meerderheidsbelang verwerft en na de koop BTW-belaste prestaties gaat verrichten ten behoeve van de deelneming, dan bestaat recht op vooraftrek.

Enige Europese jurisprudentie inzake de aftrek van BTW:

Noot fiscaal jurist inzake kosten deelneming

De kosten moeten in direct verband staan met de transactie. De Hoge Raad is hier vrij helder over: 

  •  "(...) indien zij worden opgeroepen door de verwerving of de vervreemding van de desbetreffende deelneming, in die zin dat de kosten zonder die verwerving of die vervreemding niet zouden zijn gemaakt." Dit zouden ook interne kosten kunnen zijn. Vaste kosten vallen er in ieder geval niet onder.

Een aantal zaken zijn bij een overname en de hiermee samenhangende kosten van essentieel belang. De belangrijkste:

  1. Laat uw adviseur de kosten goed specificeren zodat er (ook achteraf) een verdeling van aftrekbare en niet-aftrekbare kosten kan worden gemaakt.
  2. Overleg met uw overname-adviseur of op kosten BTW door hem / haar moet worden gerekend.
  3. Bepaal vanaf welk moment kosten niet meer aftrekbaar zijn.
  4. Kosten bij een zogenaamde activa passiva transactie zijn wel aftrekbaar. Hoe aftrek verloopt als u op het laatste moment beslist om aandelen te kopen is nog niet vaak in de jurisprudentie bepaald, een uitspraak is te vinden in 2013.

Contact over kosten aankoop/verkoop deelneming

Als u vragen over dit onderwerp zou hebben, kunt u contact opnemen met de heer mr. Dennis J.B. Jongbloed.

Kosten aankoop en verkoop onderneming [news] 2019-05-20 0000-00-00 0000-00-00

Kosten aankoop en verkoop onderneming

Aftrekbaar of niet

6179

Piloten

Jongbloed Fiscaal Juristen heeft ruime ervaring in de advisering van piloten. Wij adviseren daarbij over de gevolgen van emigratie, de uitwerking van belastingverdragen en de mogelijkheden van belastingbesparing. Daarnaast kunnen wij uw (emigratie-)aangifte inkomstenbelasting verzorgen, wij zijn uw contactpersoon voor de Belastingdienst.

U kunt ons altijd bellen of mailen met vragen of om een afspraak te maken voor een vrijblijvend gesprek.

Piloten en fiscus [news] 3442 Piloten en belasting [news] 2015-10-30

Piloten en belasting  

Belastingverdragen bij piloten

Luchtvaartpersoneel wordt in het internationale belastingrecht anders behandeld dan de werknemer die met de beide benen op de grond staat. Anders dan bij gewone werknemers, wordt in internationale belastingverdragen bepaald dat de piloot wordt belast óf in het land waar de onderneming waarvoor hij werkt is gevestigd, óf in het land waar de piloot woont. Goed advies is hierbij belangrijk omdat de situatie per land kan verschillen.

Waar belasting betalen als piloot?

Indien een piloot bereid is om zich buiten Nederland te vestigen, kan dit gunstig uitpakken, afhankelijk van de inhoud van de belastingverdragen.

Wanneer een piloot zichzelf verhuurt als zelfstandige of via een eigen Ltd. (dit gebeurt o.a. bij een Ierse prijsvechter), dan kan hij / zij op een slimme manier belasting besparen. De Ltd. kan zich bijvoorbeeld op Cyprus vestigen en gebruik maken van de aldaar geldende lage belastingtarieven. De piloot kiest domicilie in een land waar Cyprus een gunstig verdrag mee heeft gesloten. Het is wel belangrijk je te realiseren dat een woonplaats niet willekeurig te kiezen is. Indien je bijvoorbeeld een gezin hebt dat in Nederland blijft wonen, dan zal de conclusie al snel zijn dat de piloot zelf ook in Nederland woont.

Ook voor piloten in loondienst kan het voordelig uitpakken om buiten Nederland te gaan wonen. Spanje heeft een mooie regeling voor werknemers die niet in Spanje werken, maar er wel wonen. Daarnaast kan emigratie naar bijvoorbeeld Italië, Frankrijk of Malta ook gunstig uitpakken.  

Sociale verzekeringen bij piloten

De sociale verzekeringsplicht werkt (vreemd genoeg) niet altijd hetzelfde als de belastingwetgeving. Een piloot die in Nederland woont maar fysiek in het buitenland werkt bij een buitenlandse maatschappij, is niet in Nederland verzekerd voor de sociale verzekeringen, maar moet hier waarschijnlijk wel belasting betalen. Alleen wanneer hij / zij voor 25% of meer in Nederland werkt, is hij / zij ook in Nederland verzekerd. In andere gevallen moet hij / zij zich verzekeren en premies betalen in het land waar zijn werkgever gevestigd is. Deze regel geldt overigens binnen de gehele EU.

0000-00-00 0000-00-00 3444

Studiekosten piloot

Piloten in opleiding maken over het algemeen flinke studiekosten. Deze kosten zijn in principe aftrekbaar in de inkomstenbelasting als persoonsgebonden aftrek onder de noemer "scholingskosten".

Nieuws scholingskosten per 2022

De fiscale aftrek van scholingskosten in de aangifte inkomstenbelasting komt per 2022 te vervallen. De fiscale aftrek wordt vervangen door een nieuwe STAP regeling (subsidie). Voor iedereen vanaf 18 jaar komt er een budget. Het kan zijn dat dit formeel niet gaat lukken, de scholingskosten zulllen dan vanaf 2023 niet meer aftrekbaar zijn, dit wordt in 2021 duidelijk. De STAP regeling wordt uitgevoerd door het UWV en DUO. Voor meer informatie lees deze kamerbrief d.d. 4 juni 2021

Beperkingen studiekosten piloot

Er zijn echter wel beperkingen ten aanzien van de scholingskosten die in aftrek kunnen worden gebracht. Ten eerste is er een drempel van € 500. Alleen voor zover de kosten hoger zijn dan deze € 500, zijn ze aftrekbaar. Naast de drempel is er echter ook een plafond van € 15.000 aan kosten die maximaal per jaar in aanmerking mogen worden genomen. Dit betekent dat bij scholingskosten van € 15.500 of meer per jaar het maximum aan aftrek is bereikt, het meerdere is niet aftrekbaar.

Voor studenten die jonger zijn dan 30 jaar is een uitzondering gemaakt. Zij mogen een periode aanwijzen van 16 kalenderkwartalen (maximaal 4 jaar derhalve) waarin het plafond niet geldt. In deze periode mogen derhalve de werkelijke kosten worden aangegeven voor zover ze boven de drempel uitkomen van € 500. De standaardperiode hoeft geen aaneengesloten periode te zijn. Je mag dus een break nemen of de periode voor meerdere studies gebruiken, zolang het maximum van 16 kalenderkwartalen niet is bereikt. Aanvullende voorwaarde is dat de studie een dusdanige omvang moet hebben, dat je er geen volledige baan naast kunt hebben.

Rechter, studiekosten piloot

De Rechtbank Gelderland heeft op 6 januari 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2017:1069) een uitspraak gedaan. De Rechtbank heeft in een procedure beoordeeld of studiekosten van een piloot aftrekbaar zijn als scholingsuitgaven. Henk begint in 2010 (hij is dan 31 jaar) aan een opleiding tot verkeersvlieger. In zijn aangifte brengt hij € 100.000 aan studiekosten / scholingsuitgaven in mindering op zijn inkomen. De inspecteur staat een aftrek van € 14.500 toe (drempel € 500). Henk is van mening dat alle kosten aftrekbaar zijn en dat sprake is van leeftijdsdiscriminatie (artikel 6.30 lid 2 Wet IB stelt maximaal 30 jaar). De Rechtbank stelt dat voor de leeftijdsgrens in de wet (staat er nu ook nog in) een objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig is. De drempel is niet juist vastgesteld, aftrek € 15.000.

Een verkeersvlieger start in 2011 met een opleiding om verkeersvlieger te worden. In 2013 onderbreekt hij de lastige opleiding en in 2016 begint hij weer met de opleiding. In 2011 en 2012 brengt hij ruim € 50.000 aan studiekosten in aftrek. In 2016 wil hij nog € 23.000 in mindering brengen op zijn inkomen. De inspecteur stelt dat maximaal € 15.000 aftrekbaar is. Volgens de inspecteur is de opleiding in 2013 gestart. De rechter is het met de verkeersvlieger eens. De standaard studie periode is gestart in 2016 en de € 23.000 aan studiekosten is aftrekbaar. Soms kan een studie meer dan 5 jaar duren (als je tijdelijk met studeren stopt).Rechtbank Noord Holland d.d. 16 december 2019 ECLI:NL:RBNHO:2019:10290

Jaarlijkse kosten behoud vliegbrevet aftrekbaar

In een procedure bij het Gerechtshof in Den Haag d.d. 4 april 2017 kwam de vraag aan de orde of de jaarlijkse kosten voor het behoud van een vliegbrevet aftrekbaar zijn als studiekosten. Henk is in 2011 afgestudeerd en is in het bezit van een vliegbrevet. In 2013 claimt Henk een aftrek van ruim € 2.000 als studiekosten. Dit zijn de kosten voor een medische keuring t.b.v. het vliegbrevet., instructies en een theorieles. De kosten voor de medische keuring waren niet aftrekbaar, de rest van de kosten wel (artikel 6.27 Wet Inkomstenbelasting)

Kosten moeten drukken

De kosten die je in aanmerking wilt nemen, moeten drukken op de student. Met andere woorden, de student moet de kosten zelf voelen. Bij bijvoorbeeld een lening is dat het geval. Als de kosten echter door een ander worden betaald, dan drukken ze niet en zijn ze voor de student niet aftrekbaar. Hierop is een uitzondering, je mag de kosten wel aftrekken als ze zijn betaald door je fiscale partner. Als vader of moeder de kosten voor zijn / haar rekening neemt, kan in hun eigen aangifte onder voorwaarden een bedrag voor levensonderhoud als aftrekpost worden meegenomen.

Noot Fiscaal Jurist

Het is goed denkbaar dat in enig jaar onvoldoende inkomen aanwezig is om de volledige studiekosten in aftrek te kunnen brengen. Als dat zo is, mag je deze kosten doorschuiven naar een volgend belastingjaar waarin wel voldoende inkomen aanwezig is.

Mocht je vragen hebben over dit artikel of ondersteuning nodig hebben bij de aangifte inkomstenbelasting, dan kun je contact opnemen met Arjan Hof of Sühem Avci. Bellen kan natuurlijk ook naar telefoonnummer 053 - 432 72 00.

[news] 2012-03-20 0000-00-00 0000-00-00 3447
Waar betalen piloten belasting [news] 2014-10-10

Piloot gestationeerd in buitenland

Een piloot is gestationeerd in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Waar moet deze piloot belasting betalen?

Waar moet een piloot belasting betalen?

Luchtvaartpersoneel wordt in het internationale belastingrecht anders behandeld dan de werknemer die in het buitenland of in Nederland werkt. Meestal moeten piloten belasting betalen in het land waar de onderneming waarvoor hij werkt gevestigd is, soms echter ook in het land waar de piloot woont. Uiteindelijk zullen het belastingverdrag en de feiten bepalen waar de piloot belasting moet betalen. Wij adviseren regelmatig piloten die zich buiten Nederland gaan vestigen, dit heeft veel invloed (andere woonplaats) maar kan een substantieel fiscaal voordeel opleveren. Een alternatief is dat de piloot gaat werken voor een rechtspersoon die feitelijk (en ook qua bestuur) is gevestigd in het buitenland (bijvoorbeeld Cyprus). Emigreren naar Malta, Italië of Spanje kan een substantieel voordeel opleveren, mits juist uitgevoerd !

Procedure over piloot

De Rechtbank oordeelt over een piloot die in Nederland woont, maar werkt voor een werkgever (luchtvaartmaatschappij) in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. De vraag is of Nederland belasting mag heffen over de opleiding.

De Rechtbank is van mening dat de piloot in Nederland belasting moet betalen. Waarom?

  1. Artikel 15 lid 3 van het belastingverdrag tussen Nederland en Frankrijk stelt: Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel is de beloning verkregen door een inwoner van één van de Staten ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig in internationaal verkeer, of aan boord van een schip dat dient voor het vervoer in de binnenwateren, slechts in die Staat belastbaar.
  2. Het Verdrag met Frankrijk is in 1973 gesloten en bevat geen definitie van het begrip “internationaal verkeer”. In het OESO-modelverdrag 1963 stond evenmin een definitie van dit begrip. Eiser betoogt dat het begrip dient te worden uitgelegd volgens de definitie gegeven in artikel 3, lid 1, aanhef en onderdeel e, van het OESO-modelverdrag 1977 en later. Deze bepaling luidt als volgt: “For the purposes of this Convention, unless the context otherwise requires:(…) e) the term "international traffic" means any transport by a ship or aircraft operated by an enterprise that has its place of effective management in a Contracting State, except when the ship or aircraft is operated solely between places in the other Contracting State.”

Noot fiscaal jurist over belastingheffing piloot

De vraag is hoe artikel 15 lid 3 moet worden gelezen. Moet de luchtvaartmaatschappij in Nederland zijn gevestigd of niet? In dit geval woont de piloot in Nederland, maar is de luchtvaartmaatschappij niet in Nederland gevestigd. Het OESO modelverdrag stelt iets anders over dit onderwerp, namelijk:

  • In artikel 15, lid 3, van het OESO-modelverdrag 1963, 1977, 1992-2010 (hierna tezamen: het OESO modelverdrag), wordt het heffingsrecht op een andere wijze verdeeld dan in artikel 15, lid 3, van het Verdrag.

    Artikel 15, lid 3, van het OESO modelverdrag luidt als volgt: “Notwithstanding the preceding provisions of this Article, remuneration derived in respect of an employment exercised aboard a ship or aircraft operated in international traffic, or aboard a boat engaged in inland waterways transport, may be taxed in the Contracting State in which the place of effective management of the enterprise is situated.”

Volgens het OESO modelverdrag mag dus Frankrijk of het Verenigd Koninkrijk (feitelijke leiding bedrijf) heffen. Volgens de rechter staat er echter iets anders in het verdrag met Frankrijk, dit is te volgen. In situaties met Italië wordt voor een andere uitleg gekozen (heffing in buitenland). De Rechtbank leest (wellicht terecht) de zuivere tekst van het belastingverdrag "heffing Nederland".

Bron piloten en belastingen

Rechtbank Noord Nederland d.d. 12 september 2014 (ECLI NL RBNHO 2014 8609).

0000-00-00 0000-00-00 4447
Verdrag Nederland - Duitsland voor piloten [news] 2015-07-06

Nieuw belastingverdrag Nederland - Duitsland

Het nieuwe belastinverdrag tussen Nederland en Duitsland bestaat al een tijdje, sinds 12 april 2012, maar is nog niet in werking getreden. Nu de Eerste Kamer het verdrag bij wet van 20 mei 2015 heeft goedgekeurd, lijkt er niets meer in de weg te staan om het verdrag daadwerkelijk per 1 januari 2016 in werking te laten treden.

Belastingheffing piloten

In de oorspronkelijke versie van het nieuwe verdrag is in artikel 14 lid 4 bepaald dat de beloning verkregen ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig slechts belast mag worden in het woonland van de werknemer. Dit was een wijziging ten opzichte van het bestaande verdrag waarin (in artikel 10 lid 3) was bepaald dat het land waar de plaats van leiding van de onderneming zich bevindt mag heffen. 

Omdat men het ongewenst vond dat er in het nieuwe verdrag een wijziging zou optreden ten opzichte van het oude verdrag, is door middel van een wijzigingsprotocol overeengekomen dat de situatie ten aanzien van de belastingheffing voor lucht- en zeevarenden ongewijzigd blijft. Kortom, woon je in Nederland en vlieg je voor een Duitse maatschappij, dan mag Duitsland over de inkomsten uit dienstbetrekking heffen en vice versa.

Goed of slecht nieuws    

Voor de gevorderde piloten, die inwoner zijn van Nederland en vliegen voor een Duitse maatschappij, is bovenstaande goed nieuws; zij blijven vallen onder het Duitse regime en betalen daardoor minder belasting dan wanneer ze in Nederland belastingplichtig zouden zijn geworden. Voor beginnende piloten ligt dit anders. Zij zitten meestal met een restant aan aftrekbare scholingskosten (restant persoonsgebonden aftrek) die niet verrekend kunnen worden met de arbeidsinkomsten in Duitsland. Als inwoner van Nederland moet ook in Nederland aangifte gedaan worden van het wereldinkomen en hierop wordt deze aftrekpost wel in mindering gebracht, zonder dat het effect heeft. Men is immers belastingplichtig in Duitsland en Nederland moet voorkoming van dubbele belasting verlenen. Deze voorkoming wordt gegeven voor het inkomen na aftrek van het restant van de scholingskosten. Hierdoor verdampen de aftrekbare kosten zonder er fiscaal voordeel van te hebben.

Compensatieregeling

Nieuw in het verdrag is de zogenaamde compensatieregeling. Deze regelt dat inwoners van Nederland die in Duitsland gaan werken, fiscaal gezien niet slechter af mogen zijn dan wanneer zij dezelfde inkomsten in Nederland hadden gehad. De regeling zorgt ervoor dat men compensatie krijgt ter grootte van het verschil aan belasting en premies volksverzekeringen (of vergelijkbare premies) die zijn verschuldigd in Duitsland ten opzichte van de belasting en premies volksverzekeringen die in Nederland verschuldigd zou zijn. Deze regeling is wellicht een uitkomst voor de startende piloot met een restant aan aftrekbare scholingskosten. Men moet een beroep doen op deze regeling bij het indienen van de aangifte Inkomstenbelasting, voor het eerst over het jaar 2016. 

0000-00-00 0000-00-00 4534
Belastingverdrag Nederland Duitsland, duidelijkheid voor piloten [news] 2016-12-19

Belastingverdrag Nederland - Duitsland, duidelijkheid voor piloten

In het nieuwe belastingverdrag dat al in 2012 is overeengekomen tussen Nederland en Duitsland, was in artikel 14 lid 4 overeengekomen dat de heffing over inkomsten uit dienstbetrekkingen die worden uitgeoefend aan boord van een luchtvaartuig of schip in het internationale verkeer, is toegewezen aan het woonland van de werknemer.

Het verdrag is in werking getreden op 1 januari 2016. Het was echter nog onduidelijk of voornoemd artikel in stand zou blijven of dat dit zou worden gewijzigd naar de situatie zoals die was in het oude verdrag. Nu is hierover duidelijkheid. Het wijzigingsprotocol voor het belastingverdrag Nederland - Duitsland is stilzwijgend goedgekeurd door de Staten-Generaalen treedt  per 31-12-2016 in werking. Voor het jaar 2016 kan men een beroep doen op het oude verdrag op grond van de overgangsregling.

Voornoemde betekent dat de belastingheffing over de inkomsten uit dienstbetrekking van cabinepersoneel van vliegtuigen en voor zeevarenden, voor zover er sprake is van internationaal verkeer, toekomt aan de staat waar de feitelijke leiding van de lucht- / zeevaartonderneming is gelegen. Kortom, per saldo blijft alles bij het oude. 

Advisering

Wilt u weten wat voor u de gevolgen zijn van het wijzigingsprotocol, dan kunt u natuurlijk contact opnemen met de schrijver van dit artikel.

0000-00-00 0000-00-00 4900
Leeftijdsgrens scholingskosten niet discriminerend [news] 2016-11-15

Leeftijdsgrens scholingsaftrek niet discriminerend

De leeftijdsgrens van 30 jaar in de regeling voor scholingsaftrek is niet discriminerend en daarom toegestaan.

In een procedure bij het Europese Hof van Justitie wordt geoordeeld dat een piloot die bij aanvang van de studie 32 jaar is slechts beperkt in aanmerking komt voor studiekostenaftrek en dat geen sprake is van ongeoorloofde leeftijdsdiscriminatie.

De casus

In 2008 is belanghebbende, toen 32 jaar, een opleiding tot verkeersvlieger gestart. In zijn aangifte Inkomstenbelasting 2009 voert hij een persoonsgebonden aftrek op van € 44.057 aan scholingsuitgaven in verband met deze opleiding.

Voor personen jonger dan 30 jaar kunnen dergelijke kosten onder voorwaarden volledig in aftrek worden gebracht. Voor personen van 30 jaar en ouder is de kostenaftrek beperkt tot een bedrag van maximaal € 15.000.

De Nederlandse Belastingdienst heeft op grond van artikel 6.30 Wet IB aan belanghebbende slechts aftrek van € 15.000 toegekend.

Belanghebbende is van mening dat deze leeftijdsgrens discriminerend is en wil volledige aftrek van zijn studiekosten overeenkomstig zijn jongere studiegenoten.

De uitspraak

Het HvJ van de EU oordeelt dat Nederland in haar belastingregels onderscheid mag maken in de fiscale behandeling van scholingsuitgaven naar gelang van diens leeftijd. De regeling is bedoeld om de toegang van jongeren tot een opleiding te bevorderen. Hierbij is het geoorloofd om onder bepaalde voorwaarden de scholingsuitgaven voor personen jonger dan 30 jaar volledig in aftrek toe te staan, terwijl dit recht wordt beperkt voor personen die deze leeftijd al hebben bereikt.

Conclusie: start je opleiding tijdig (voor de 30-jarige leeftijd is bereikt) om nog in aanmerking te komen voor maximale aftrek van scholingsuitgaven.

Bron: Hof van Justitie, 10 november 2016, C-548/15.

0000-00-00 0000-00-00 5004

Piloot werkzaam in Italië krijgt voorkoming dubbele belasting

Op 15 december 2016 is een interessante uitspraak gepubliceerd waaruit blijkt hoe naar een belastingverdrag moet worden gekeken wanneer een piloot in een drielandensituatie verkeert.

Belastingverdragen

Nederland heeft met veel landen in de wereld een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting afgesloten. Hierin is standaard een artikel opgenomen (hierna: pilotenartikel) waarin kortweg staat waar inkomsten uit dienstbetrekking voor werkzaamheden verricht aan boord van een lucht- of zeevaartuig, geëxploiteerd in het internationale verkeer, mogen worden belast. Dit is óf het land waarvan de werknemer inwoner is, óf het land waar de maatschappij waarvoor wordt gevlogen is gevestigd.

Uit deze uitspraak van Rechtbank Den Haag blijkt dat het niet altijd zo eenvoudig is. Wanneer de piloot is gestationeerd in een land waar niet de feitelijke leiding van de luchtvaartmaatschappij is gevestigd, dan is het pilotenartikel niet van toepassing, maar moet gekeken worden naar het artikel dat geldt voor "gewone" werknemers. In dat geval mag in principe het woonland heffen, tenzij men meer dan 183 dagen in het werkland verblijft of er een vaste inrichting van de luchtvaartmaatschappij is in het werkland ten laste waarvan de loonkosten van de piloot zouden moeten komen. Dan mag namelijk het werkland heffen en moet het woonland voorkoming van dubbele belasting verlenen.

Casus Easyjet piloot

De hierboven al genoemde uitspraak gaat over een casus van een Easyjet piloot, wonend in Nederland, gestationeerd in Italïe, waarbij Easyjet is gevestigd in Engeland. Voor de liefhebber laat de Rechtbank in haar uitspraak mooi zien hoe bepaald dient te worden welk verdragsartikel van toepassing is en vervolgens of er sprake is van een vaste inrichting. Voor de piloot in kwestie ging het uiteindeliljk goed, in die zin dat de conclusie is dat Easyjet een vaste inrichting heeft in Italïe voor wiens rekening de loonkosten zouden moeten komen. Het gevolg daarvan is dat Italië mag heffen over de looninkomsten en dat Nederland voorkoming van dubbele belasting moet verlenen.

Praktijk

In de praktijk zie je dat er in de luchtvaart vaak drie of meer landensituaties voorkomen. Bijvoorbeeld luchtvaartmaatschappij gevestigd in Noorwegen, contractor in het VK, gestationeerd in Spanje en woonachtig in Nederland. Of er worden voor een maatschappij zowel internationale vluchten en binnenlandse vluchten gevlogen. Dan wordt het een leuke puzzel om uit te zoeken welke verdragsartikelen van toepassing zijn en waar belasting verschuldigd is. Dan hebben we het nog niet gehad over sociale verzekeringen.

Wij hebben veel ervaring met deze situaties en snappen hoe het werkt. Mocht u dus advies nodig hebben of u zoekt iemand voor het invullen van uw inkomstenbelastingaangifte, dan bent u bij ons aan het goede adres.

Piloot Italië krijgt voorkoming dubbele belasting [news] 2016-12-30 0000-00-00 0000-00-00 5021

Piloot geen ondernemer, maar werknemer

Rechtbank Gelderland heeft op 17 januari 2017 een uitspraak gedaan in een casus waarbij een piloot van mening is dat hij ondernemer is en winst uit onderneming geniet, en de Belastingdienst stelt dat hij als werknemer gezien moet worden. De Belastingdienst krijgt gelijk. In een vergelijkbare zaak voor Rechtbank Den Haag van 17 maart 2017 komt de Rechtbank tot dezelfde uitkomst. Onderstaand behandel ik de uitspraak van Rechtbank Gelderland. De uitspraak van Rechtbank Den Haag vindt u door het volgen van deze link.

Casus

De constructie die door de luchtvaartmaatschappij is toegepast zien we in de praktijk vaak. De piloot sluit een contract met een zogenaamde contractor en wordt door de contractor uitgeleend / ondergebracht bij een luchtvaartmaatschappij. Contractueel wordt uitgesloten dat er sprake is van een dienstbetrekking, dit is echter niet voldoende want de Rechtbank kijkt naar de feiten en omstandigheden. Eerst wordt beoordeeld of er sprake is van een onderneming, dat is niet het geval om o.a. de volgende redenen:

- De piloot heeft maar één opdrachtgever en vliegt maar voor één maatschappij;

- De piloot moet beschikbaar zijn voor werk in vastgestelde periodes;

- De maatschappij bepaalt waar vandaan, wanneer en waar naartoe wordt gevlogen;

- De beslissingen die de piloot zelfstandig neemt zijn niet verschillend van een piloot in dienstbetrekking;

- Contractueel kan de piloot zich laten vervangen, feitelijk blijkt dit bijna onmogelijk te zijn;

- De piloot factureert en investeert niet zelfstandig;

- Het risico op niet betaald worden voor vluchten is vergelijkbaar met een nulurencontract.

Op basis van bovenstaande wordt de piloot onvoldoende zelfstandigheid toegedicht, bovendien loopt hij geen ondernemersrisico. Daarmee valt het doek voor het zijn van ondernemer. Vervolgens is de vraag of er sprake is van een dienstbetrekking, daarvoor is een gezagsverhouding nodig. Uit bovenstaande punten leidt de Rechtbank af dat er sprake is van een gezagsverhouding. Daardoor worden de inkomsten van de piloot aangemerkt als inkomsten uit dienstbetrekking.

Waar belasting betalen?

Op basis van de uitkomst van voornoemde procedure en het feit dat de luchtvaartmaatschappij in Ierland is gevestigd, komt de heffing over de looninkomsten toe aan Nederland. Dit onderdeel was niet in geschil in de onderhavige procedure. Toch is dit geen automatisme omdat de heffingsbevoegdheid over de arbeidsinkomsten van een piloot o.a. afhankelijk is van de plaats waar hij gestationeerd is, het vestigingsland van de luchtvaartmaatschappij en het antwoord op de vraag of de maatschappij een vaste inrichting heeft in het werkland van de piloot.

Mocht u naar aanleiding van dit artikel vragen hebben, dan kunt u contact opnemen met de auteur.

Piloot is geen ondernemer maar werknemer [news] 2017-04-07 0000-00-00 0000-00-00 5031

Kosten vliegbrevet zijn aftrekbare scholingskosten

Er zijn verschillende procedures gevoerd voor rechtbanken inzake de vraag of de kosten die een werkloze piloot maakt ter behoud van zijn vliegbrevet kwalificeren als aftrekbare scholingskosten. De uitkomsten waren verschillend. Nu zijn er recent twee Hof uitspraken gedaan waarbij beide Hoven concluderen dat de kosten wel aftrekbaar zijn.

Studiekosten piloot

Voor Hof Den Haag en Hof Arnhem leeuwarden liepen vergelijkbare procedures. Het ging om piloten die in respectievelijk 2011 en 2012 een vliegbrevet hebben behaald. Zolang zij geen werk hebben gevonden zullen ze jaarlijks kosten moeten maken om het brevet te kunnen behouden. Het gaat om vlieginstructie, theorieles, de profcheck en een medische keuring.

De hoven zijn het er over eens dat het programma dat gevolgd moet worden voor het behoud van het brevet kwalificeert als opleiding of studie in de zin van artikel 6.27 Wet IB 2001. De kosten zijn dan aftrekbaar rekening houdend met een drempel van tegenwoordig € 250 voor zover de totale scholingskosten niet boven de € 15.000 uitkomen. Hof Den Haag vindt dat de kosten van de medische keuring niet tot de scholingskosten behoren. Hof Den Haag is het daar niet mee eens omdat zonder de keuring deelname aan het programma niet mogelijk is. Haar conclusie is derhalve dat de kosten van de medische keuring bij de scholingskosten horen.

Kosten simulator aftrekbaar voor piloot

In een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam d.d. 22 februari 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:547) (laterHoge Raad d.d. 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1868) kwamen de studiekosten voor een werkeloze piloot aan de orde. Henk wil zijn vliegbrevet behouden en maakt hiervoor kosten (recurrency, single engine vlieguren, simulator uren, cursus Duits aan het Goethe-Institut Niederlande en een vliegmedische keuring). De kosten voor de simulator en de recurrency zijn uiteindelijk aftrekbaar, de overige kosten niet.

Aftrekbare kosten piloot

Werkloze piloten kunnen dus nog gebruik maken van voornoemde Hof uitspraken. Dit kan tot en met het belastingjaar 2018.  Minister Bussemaker had aangekondigd dat de scholingsaftrek vanaf het jaar 2018 wordt afgeschaft. Hiervoor in de plaats zou een systeem komen met vouchers. Het komt er op neer dat dan subsidie kan worden aangevraagd tot een bedrag van maximaal € 2.500. Inmiddels is bekend geworden dat deze maatregel is uitgesteld tot 2019. Het zou ons niet verbazen dat uitstel in dit geval afstel betekend.  

Men kan tot vijf jaar terug vragen om een ambtshalve correctie van de reeds opgelegde aanslagen Inkomstenbelasting. Is er nog geen aangifte gedaan dan kan dit alsnog, ook tot maximaal vijf jaar terug. Dit is altijd de moeite waard omdat ook bij geen of weining inkomsten de aftrekbare scholingskosten worden doorgeschoven naar de toekomst in de vorm van Restant Persoonsgebondenaftrek. Zodra er voldoende inkomsten zijn kan de aftrek dan alsnog verzilverd worden.

Kosten behoud vliegbrevet aftrekbaar Piloten [news] 2017-06-30 2017-06-30 0000-00-00 5163

Piloot heeft recht op voorkoming van dubbele belasting

Op 21 september heeft de Rechtbank Zeeland - West Brabant in een zaak die aanhangig is gemaakt door een gezagvoerder van Easyjet bepaald dat Nederland voorkoming van dubbele belasting moet geven voor de inkomsten uit dienstbetrekking van de gezagvoerder.

Casus Rechtbank

De gezagvoerder is gestationeerd in Italië en woont in Nederland. Om te bepalen wie belasting mag heffen, moet dan naar het belastingverdrag tussen Nederland en Italië worden gekeken. Als er dan sprake is van een vaste inrichting van Easyjet in Italië, dan is de heffing op grond van het verdrag toegewezen aan Italië. Rechtbank Zeeland - West Brabant is, net als eerder al Rechtbank Den Haag, van mening dat er wel sprake is van een vaste inrichting. Easyjet beschikt in Italië over een kantoor. Op het kantoor zijn in totaal 31 personen werkzaam , van waaruit leiding wordt gegeven aan alle 891 personeelsleden die werkzaam zijn in Italië. Alle praktische personele aangelegenheden worden daar geregeld. Ook is in de boekhouding van het hoofdhuis een filiaal administratie van het kantoor in Italië opgenomen, waaraan de salariskosten van het Italiaanse personeel worden doorbelast. Verder merkt de Rechtbank nog op dat dit kantoor over een eigen budget beschikt en dat hiervoor ook een eigen resultatenrekening wordt opgemaakt.

Volgens Rechtbank Den Haag is de daadwerkelijk doorbelasting van de salariskosten niet noodzakelijk.

Hoe bovenstaande precies werkt hebben wij toegelicht in ons artikel “Piloot werkzaam in Italië krijgt voorkoming van dubbele belasting”.

Gerechtshof

De Belastingdienst is, ondanks de naar mijn mening overtuigende omschrijving van de activiteiten van Easyjet in Italië op grond waarvan een vaste inrichting aanwezig wordt geacht, nog steeds van mening dat er geen vaste inrichting is. Zij zijn in hoger beroep gegaan bij het Hof. Het woord is daarom nu aan Hof Den Bosch.

Praktijk

Voor de praktijk zal de uitspraak van Hof Den Bosch interessant zijn. Deze discussie kan ook spelen voor piloten die in dienst zijn bij andere maatschappijen zoals Ryanair of Norwegian Long Haul. Bovendien kan dezelfde discussie ook spelen voor andere landen.

De opstelling van de Belastingdienst wekt verbazing omdat in het geval van bijvoorbeeld Ryanair, Italië en Ierland wel van mening zijn dat er een vaste inrichting in Italië is en zij handelen daar ook naar. De Nederlandse fiscus kan dan moeilijk vanuit Nederland bepalen dat er geen vaste inrichting is, omdat Italië en Ierland hetzelfde begrip hanteren voor het vaststellen van een vaste inrichting. Bovendien wordt door de opstelling van Nederland een dubbele heffing gecreëerd, de piloten betalen namelijk in Italië belasting en krijgen in Nederland geen voorkoming van dubbele belasting.

Het hebben van een vaste inrichting is niet de enige mogelijkheid  om in Nederland voorkoming van dubbele belasting te verkrijgen. Wanneer men meer dan 183 dagen per jaar in het werkland verblijft, kan ook met succes een beroep worden gedaan op voorkoming van dubbele belasting. 

Meer weten?

Wilt u hier meer over weten, dan mag u altijd vrijblijvend contact opnemen met de auteur van dit artikel.

Piloot heeft recht op voorkoming dubbele belasting [news] 2018-03-12 0000-00-00 0000-00-00 5281

Werken in de golfstaten

Voorkoming dubbele belasting

Inwoners van Nederland die werken in de Golfstaten lopen vaak tegen het probleem aan dat ze over de inkomsten uit de werkzaamheden die zij verrichten in de Golfstaten in Nederland belasting moeten betalen.

Dit volgt uit het principe dat in de woonstaat het wereldinkomen aangegeven moet worden. Nederland verleent vervolgens onder voorwaarden voorkoming van dubbele belasting. Voor bepaalde werkzaamheden is de voorkoming echter gelijk aan de in het werkland betaalde belasting. Daar wringt de schoen omdat in de golfstaten niet of nauwelijks belasting wordt geheven. Per saldo wordt dan belasting betaald tegen de in Nederland geldende tarieven.

Concurrentiepositie

De Staatssecretaris is van mening dat bovenstaande tot gevolg heeft dat inwoners van Nederland in een ongunstige concurrentiepositie verkeren ten opzichte van niet-inwoners van Nederland.

Oplossing

Om de concurrentiepositie van de Nederlandse werknemers te verbeteren heeft de Staatssecretaris een besluit (nr. IZV 2017-0000015971, 7 september 2017) uitgevaardigd op grond waarvan inwoners van Nederland voor bepaalde werkzaamheden voorkoming van dubbele belasting mogen claimen volgens de vrijstellingsmethode.

Dit betekent dat, ongeacht de vraag of er belasting is betaald in het werkland, men in Nederland een vrijstelling van belasting krijgt die gelijk is aan de uitkomst van de breuk Inkomen werkland / Totaal wereldinkomen.

Versimpeld betekent dit het volgende. Stel dat je wereldinkomen € 100.000 is waarover je in Nederland € 40.000 belasting bent verschuldigd en € 80.000 van het wereldinkomen wordt verdiend in een golfstaat. Dan krijg je een belastingvrijstelling van 80% van € 40.000, oftewel € 32.000.

Het mag duidelijk zijn dat, als 100% van het inkomen in de golfstaat wordt verdiend, de vrijstelling ook 100% is.

Golfstaten

Met Golfstaten worden bedoeld: Bahrein, Koeweit, Oman, Qatar, Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten.

Bepaalde werkzaamheden

Het besluit is bedoeld voor bepaalde werkzaamheden. Dit komt doordat voor veel reguliere werkzaamheden de voorkoming dubbele belasting al geregeld is in belastingverdragen. Met name voor piloten, zeevarenden of werknemers in de offshore is dit niet het geval. Voor deze werknemers is het besluit met name bedoeld.

Terugwerkende kracht tot en met 2015

Dit besluit kan worden toegepast met terugwerkende kracht tot en met 2015. Dus ook als al aangifte is gedaan en er al een aanslag is opgelegd in Nederland kun je er nog een beroep op doen.

Meer weten?

Bent u benieuwd of er belastingvoordeel te behalen is naar aanleiding van voornoemde besluit, dan zoeken wij dat uiteraard graag voor u uit. Daarbij kunnen wij zowel de teruggaafverzoeken met betrekking tot oude jaren als nog in te dienen aangiften voor u verzorgen.   

Werken in de Golfstaten [news] 2018-04-06 0000-00-00 0000-00-00 5313

Kosten medische keuring toch geen scholingskosten

We hebben op onze site eerder over deze kwestie geschreven. Als een piloot zijn brevet wil behouden, zal hij vlieguren moeten maken. Wanneer je dit nog niet kunt doen in de uitoefening van een dienstbetrekking, moet je dit doen door het volgen van programma, bestaande uit een aantal vluchten en een profcheck. Hierbij hoort tevens een medische keuring omdat men zonder deze keuring geen plaats mag nemen in de cockpit. De vraag is of de kosten van de keuring aftrekbaar zijn als scholingskosten.

Uitkomst procedure voor het Hof

In eerste instantie had de Rechtbank al uitspraak gedaan, waarbij zij van mening was dat kosten van de medische keuring onlosmakelijk verbonden waren met het programma dat gevolgd dient te worden voor het behoud van het brevet, en dus aftrekbaar. De Staatssecretaris zag dit anders en ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden. Het Hof was het met de Rechtbank eens. Zij trok de volgende conclusie:

"Gelijk belanghebbende betoogt, vormen de onderhavige kosten van de medische keuring naar het oordeel van het Hof evenzeer scholingsuitgaven als bedoeld in de in 4.1 genoemde wetsbepaling. Redengevend hiervoor acht het Hof de omstandigheid dat tot het [E] Programma onder meer een verplichte lesvlucht behoort (zie 2.3) die, zoals belanghebbende ter zitting heeft betoogd en hetgeen door de Inspecteur niet is weersproken, niet zonder een (positieve) medische keuring kan worden afgelegd. Alsdan moet worden geconcludeerd dat de onderhavige kosten van de medische keuring in een rechtstreeks verband staan met de door belanghebbende gevolgde opleiding of studie. De omstandigheid dat piloten, naar de Inspecteur heeft gesteld, jaarlijks in het kader van hun beroep – derhalve los van een opleiding – ook medisch dienen te worden gekeurd, doet aan deze conclusie niet af."

Met andere woorden, zonder medische keuring kan het lesprogramma niet gevolgd worden, daarom acht het Hof de kosten van de medische keuring wel aftrekbaar.  

Laatste woord is aan de Hoge Raad

De Staatssecretaris bleef volharden in zijn standpunt en zocht zijn heil bij de Hoge Raad. Die heeft immers het laatste en beslissende woord. De Hoge Raad komt op 1 juni 2018, enigszins verrassend, tot een andere conclusie dan de Rechtbank en het Gerechtshof.

"In cassatie is uitgangspunt dat de medische keuring in dit geval een vereiste is voor het uitvoeren van een lesvlucht die noodzakelijk is voor behouden van de geldigheid van het vliegbrevet. Dat brengt echter niet mee dat de kosten van de medische keuring zijn aan te merken als uitgaven die direct verband houden met een leertraject als hiervoor in 2.3.2 bedoeld. Het middel slaagt dus."

De motivering voor het arrest van de Hoge Raad is te vinden in de conclusie van de Advocaat Generaal, hij verwijst naar de wetsgeschiedenis en eerdere jurispudentie van de Hoge Raad:

"Om van scholingsuitgaven in de zin van artikel 6.27 Wet IB 2001 te kunnen spreken – de uitgaven betrekking moeten hebben op het studeren voor het beroep zelf. De in het Memorie van Toelichting bij de Wet IB 2001 opgenomen voorbeelden (“lessen”, “vakliteratuur” en “leermiddelen” hebben alle gemeen dat zij de student leren wat hij later moet kennen en kunnen. Dit is bij een medische keuring niet het geval. Belanghebbende wordt met de medische keuring niet “geschoold”, maar “gekeurd”."

Conclusie en gevolgen voor de praktijk

Het bevreemdt natuurlijk dat twee gerechtelijke instanties een ogenschijnlijk eenvoudige regeling anders uitleggen dan de derde, de Hoge Raad. Voor het rechtsgevoel een onbevredigende uitspraak, de kosten zijn immers onlosmakelijk met elkaar verbonden en als men de cursus niet zou volgen, zouden de kosten ook niet gemaakt worden.

Voor de praktijk heeft de uitspraak beperkte gevolgen. Men heeft in Den Haag immers besloten om vanaf 2019 helemaal geen aftrek van scholingskosten meer toe te staan. Er komt een vouchersysteem voor in de plaats. Hoe dit er precies uit gaat zien is nog niet duidelijk, wij zullen u via deze site op de hoogte houden van de ontwikkelingen.

Belangrijke tip voor toekomstige piloten

Voor toekomstige piloten die nog midden in de opleiding zitten of van plan zijn om een opleiding te gaan volgen is het advies om de kosten van de opleiding nog in 2018 te betalen, daarmee behoudt je het volledige recht op scholingsaftrek. Ook als je nog geen inkomsten hebt is dat belangrijk, de aftrek van de scholingskosten kan immers worden doorgeschoven naar toekomstige jaren in de vorm van restant persoonsgebonden aftrek.

Zie ook: Studiekosten piloot.

Voor vragen of nadere informatie over bovenstaande kunt u contact opnemen met de schrijver van dit artikel.  

Medische keuring voor piloot toch geen scholingskosten [news] 2018-06-15 0000-00-00 0000-00-00 5373

Waar betaalt een piloot belasting?

Op 11 februari 2019 heeft Rechtbank Noord Nederland een uitspraak gedaan waaruit blijkt hoe moet worden omgegaan met inkomsten van een piloot (of andere werknemer) die vliegt in het internationale verkeer vanuit Frankrijk. Het is van belang dat in dit geval in Frankrijk wordt gevlogen omdat het belastingverdrag met Frankrijk afwijkt van de meeste andere belastingverdragen die Nederland heeft gesloten.

Feiten inzake deze piloot

Van belang is dat de piloot fiscaal inwoner is van Nederland en het geschil betrekking heeft op zijn werkzaamheden vanuit Frankrijk.

De piloot is in dienst bij een soort uitzendbureau gevestigd in Engeland en vliegt voor een internationale maatschappij die hem (deels) stationeert in Frankrijk. Deze constructie zien wij vaak in de praktijk, ook in combinatie met andere landen.

Belastingverdrag met Frankrijk

De piloot in kwestie vliegt in het internationale verkeer. In dat geval kijk je in het belastingverdrag in het daarvoor bestemde artikel voor werknemers die in het internationale verkeer werken in de luchtvaart dan wel zeevaart, meestal artikel 15 lid 3.

Er zijn dan twee smaken: ofwel het woonland mag belasting heffen, óf het land waar de feitelijke leiding van de maatschappij waarvoor wordt gevlogen mag heffen. In het verdrag tussen Nederland en Frankrijk staat dat het woonland mag heffen. Hierdoor hoeft het woonland geen voorkoming van dubbele belasting te geven, maar moet Frankrijk afzien van belastingheffing.

In het verdrag met Frankrijk is iets bijzonders aan de hand. Het verdrag kent namelijk geen definitie van het begrip internationaal verkeer. Hierdoor vallen alle werkzaamheden in het internationale verkeer onder dit artikel, ook wanneer je vliegt voor een niet in Frankrijk gevestigde maatschappij.

Hoe werkt de belastingheffing met overige landen

Wanneer de piloot niet in Frankrijk had gevlogen, dan had de belastingheffing anders kunnen uitpakken. Gebruikelijk is namelijk dat er wel een definitie van internationaal verkeer in het verdrag staat. Hierin is bepaald dat voor de uitleg van een belastingverdrag slechts sprake is van internationaal verkeer wanneer de feitelijke leiding van de maatschappij in één van beide landen is gelegen. Hierdoor is dit artikel alleen van toepassing wanneer je vliegt voor een maatschappij waarvan het hoofdkantoor of een zelfstandig opererend onderdeel van die maatschappij in het woon- of werkland is gevestigd.

In de constructie zoals die hierboven is beschreven is de vliegmaatschappij niet gevestigd in het woonland en ook niet in het werkland. In dat geval moet je niet kijken naar het artikel voor internationaal verkeer, maar naar het artikel dat geldt voor "gewone" werknemers, vaak artikel 15 lid 1 en 2 van het verdrag.

Daarin staat dat in principe het woonland mag heffen tenzij je meer dan 183 dagen hebt verbleven in het werkland of indien er sprake is van een zogenaamde vaste inrichting in het werkland waaraan de loonkosten van de werknemer toegerekend zouden moeten worden. Als je aan één van beide voorwaarden voldoet, moet het woonland (Nederland) voorkoming van dubbele belasting verlenen. In de praktijk zie je dit bij bijvoorbeeld Easyjet, Ryanair en Norwegian.

Standpunt fiscus inzake piloten en belasting

De Nederlandse fiscus onderschrijft bovenstaande lezing. Waar in de praktijk over gediscussieerd wordt is de vraag of er wel sprake is van een vaste inrichting van de vliegmaatschappij in het werkland. In het geval van Easyjet Italië is hier uitgebreid over geprocedeerd, zie onderstaande gerelateerde artikelen. Hof Den Bosch heeft daarbij bepaald dat er wel degelijk een vaste inrichting is in Italië voor Easyjet. De Belastingdienst lijkt dit aan de Hoge Raad te gaan voorleggen.

Voor het aantal dagen verblijf maakt voornoemde discussie niet uit. Voldoe je aan het criterium van 183 dagen, dan heb je recht op voorkoming van dubbele belasting. Het is daarom van belang om goed bij te houden hoeveel dagen je in je werkland bent geweest. Dit betreft alle dagen, niet alleen werkdagen.

Tot slot

Wij hebben uitgebreide ervaring met alles wat te maken heeft met fiscaliteit en sociale verzekeringsplicht bij werknemers in het internationale verkeer. Mocht u advies nodig hebben op dit gebied of hulp willen bij het opstellen van uw aangifte, dan kunt u contact opnemen met één van de auteurs van dit artikel.

Waar moet piloot belasting betalen? [news] 2019-03-10 0000-00-00 0000-00-00 5826

Voorkoming van dubbele belasting bij piloten

Op onze site hebben wij al vaker aandacht besteed aan dit vraagstuk. Vorige maand hebben wij hierover geschreven in relatie tot een piloot die gestationeerd was in Frankrijk.  Zie het artikel 

In maart 2018 hebben we geschreven over de Nederlandse piloot die voor zijn werkgever EasyJet is gestationeerd in Italië, (zie artikel)

Op deze uitspraak is nu een vervolg gekomen door een uitspraak in hoger beroep van het Gerechtshof Den Bosch, http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:170

Casus

In het kort gaat het om de vraag of een piloot die inwoner is van Nederland recht heeft op voorkoming van dubbele belasting voor de inkomsten die hij heeft ontvangen uit dienstbetrekking bij EasyJet, waarbij zijn thuisbasis Italië is, Milaan / Malpensa om precies te zijn.

Rechtbank Zeeland-West Brabant heeft al geoordeeld dat dit het geval is, Hof Den Bosch heeft in haar uitspraak bevestigd dat er recht bestaat op voorkoming van dubbele belasting. Deze uitspraak maakt des te meer duidelijk hoe complex en ongunstig de situatie kan zijn voor piloten, maar ook voor cabinepersoneel en zeevarenden. In de onderhavige casus is er namelijk nog steeds sprake van gedeeltelijke dubbele belasting.

Welk verdragsartikel is van toepassing?

In meerlandensituaties moet altijd bekeken worden welk verdragsartikel van toepassing is, van daaruit kan worden bepaald welk land heffingsbevoegd is en of er recht is op voorkoming van dubbele belasting.

Wanneer de luchtvaartmaatschappij niet gevestigd is in het woonland of het thuisland, wordt niet voldaan aan de definitie voor internationaal verkeer zoals deze in de meeste verdragen staat, met uitzondering van Frankrijk. Gevolg hiervan is dat niet het artikel van toepassing is dat speciaal bedoeld is voor werknemers in het internationale verkeer (meestal artikel 15 lid 3), maar het artikel voor de gewone werknemer (meestal artikel 15 lid 1 en lid 2). Dit laatste is in de casus met EasyJet en Italië ook het geval en speelt ook bij werknemers van Ryan Air, Norwegian, etc.

De hoofdregel is dan dat het woonland belasting mag heffen tenzij de werknemer meer dan 183 dagen per jaar in het werkland verblijft of zijn inkomen ten laste komt van een in het werkland gevestigde vaste inrichting. Het is dus zaak om te beginnen met dagen tellen, voldoe je aan de 183-dagenregel, dan is verder kijken niet nodig en bestaat er recht op voorkoming van dubbele belasting. Voldoe je hier niet aan, dan wordt het lastiger want dan moet je aantonen dat er sprake is van een vaste inrichting in Italië. De EasyJet piloot in deze casus verbleef 73 dagen in Italië en moet dus aantonen dat er sprake is van een vaste inrichting.

Eigenlijk een onmogelijke bewijslast voor een werknemer van een grote luchtvaartorganisatie. Je zou mogen verwachten dat de verschillende landen dit in onderling overleg samen met de werkgever afstemmen (vooral binnen Europa) om te voorkomen dat de werknemer de dupe wordt. Dat gebeurt blijkbaar niet. In de onderhavige casus is de piloot er toch in geslaagd om aan te tonen dat EasyJet een vaste inrichting in Italië heeft. Gevolg: er bestaat recht op voorkoming van dubbele belasting.

Voor welke inkomsten voorkoming van dubbele belasting?

Nu duidelijk is dat er recht bestaat op voorkoming van dubbele belasting, is de vraag waarover de voorkoming moet worden berekend. In deze casus is de voorkoming berekend naar evenredigheid van het aantal door belanghebbende in Italië verbleven dagen ten opzichte van het totaal aantal gewerkte dagen. Feitelijk heeft belanghebbende een contract gesloten met de Italiaanse branch en is op zijn volledige inkomen in Italië belasting ingehouden.

De Nederlandse Belastingdienst geeft in dit geval dus voorkoming van dubbele belasting op het inkomen dat ziet op de nationale vluchten en op de internationale vluchten. Volgens de letter van het belastingverdrag is Italië echter alleen bevoegd om te heffen over het inkomen dat ziet op de in of boven Italië gewerkte dagen. Voor de werkzaamheden buiten Italië (internationaal verkeer) heeft Nederland het heffingsrecht. Wanneer Nederland dit consequent toepast, ontstaat er dubbele heffing omdat Italië blijkbaar niet bereid is om het inkomen dat ziet op de internationale vluchten vrij te stellen. 

Hoop voor de toekomst van piloten die werkzaam zijn in het buitenland

In de toekomst zal dit probleem hopelijk minder vaak voorkomen. In het nieuwe OESO-modelverdrag uit 2017 is de definitie van internationaal verkeer aangepast. Het is daarin niet langer noodzakelijk dat de feitelijke leiding van de maatschappij is gevestigd in het woonland of het werkland, eigenlijk de situatie die nu al bestaat met Frankrijk. Hierdoor is een opsplitsing van het inkomen niet langer nodig en kan of het woonland of het werkland (thuisbasis) heffen. Zolang er echter geen nieuwe verdragen zijn of de OESO-landen gezamenlijk besluiten om zich hieraan te conformeren, blijft de fiscale positie van een piloot, cabinepersoneel of een zeevarende een uitdaging.

Voorkoming van dubbele belasting bij piloten [news] 2019-04-04 0000-00-00 0000-00-00 5867

Per diem vergoeding piloten onbelast

Met name piloten die werkzaam zijn bij buitenlandse maatschappijen lopen tegen problemen aan bij het vaststellen van hun belastbare inkomen in Nederland. Voor de Nederlandse aangifte moeten de belaste verdiensten uit het buitenland namelijk worden vastgesteld op basis van de Nederlandse wet- en regelgeving. Piloten lopen dan tegen het probleem aan dat de Belastingdienst de per diem vergoeding wil belasten.

Uitspraak Rechtbank Den Haag

Rechtbank Den Haag heeft in een uitspraak van 2 april 2020 geoordeeld dat de per diem vergoeding onder voorwaarden wel als onbelaste vergoeding aangemerkt dient te worden. In de casus ontving de piloot een per diem gebaseerd op het aantal uren dat hij niet op de basis was. In een bijlage bij zijn arbeidsovereenkomst staat omschreven waarvoor de vergoeding bedoeld is. De omschrijving is niet heel duidelijk, echter de rechtbank oordeelt dat voldoende duidelijk is dat de per diem bedoeld is voor de uitgaven die een piloot onderweg maakt voor zaken als eten, drinken en overnachtingen. De Inspecteur van de Belastingdienst wilde de vergoeding belasten, de rechtbank corrigeert dit echter.

Voorwaarden onbelaste per diem voor piloten

Een per diem is niet altijd onbelast. Wanneer een werkgever een vergoeding geeft onder de noemer per diem, zonder hierbij in een arbeidsovereenkomst, bijlage of via een CAO aan te geven waarvoor de vergoeding is bedoeld, gaat het niet goed. Een tweede belangrijke voorwaarde is, dat de piloot kan aantonen dat hij de kosten waar de per diem voor bedoeld zijn ook daadwerkelijk gemaakt zijn middels bonnen, rekeningen of bank- / creditcardafschriften.

Voor piloten is dus van belang dat ze de arbeidsvoorwaarden goed nakijken en zo nodig de werkgever vragen om vast te leggen waar de per diem voor bedoeld is. Daarnaast is het devies: betaal met een creditcard of bewaar bonnetjes.

Ten onrechte belasting betaald over per diem?

Wanneer u denkt ten onrechte belasting te hebben betaald over uw per diem vergoeding, dan kunt u contact opnemen met ondergetekende. We kunnen dan samen kijken of het mogelijk is om alsnog een teruggaaf te krijgen van de ten onrechte betaalde belasting.

Per diem piloot onbelast Piloten [news] 2020-05-08 0000-00-00 0000-00-00

De belastingdienst stelt zich vaak op het standpunt dat een per diem vergoeding voor een piloot belastbaar inkomen is. Dit is echter niet altijd het geval. Rechtbank Den Haag heeft op 2 april 2020 een uitspraak gedaan waaruit blijkt dat de vergoeding onder voorwaarden (goede omschrijving en betaalbewijzen bewaren) onbelast is.

6567
Waar betalen piloten belasting [news] 2014-10-10

Piloot gestationeerd in buitenland

Een piloot is gestationeerd in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Waar moet deze piloot belasting betalen?

Waar moet een piloot belasting betalen?

Luchtvaartpersoneel wordt in het internationale belastingrecht anders behandeld dan de werknemer die in het buitenland of in Nederland werkt. Meestal moeten piloten belasting betalen in het land waar de onderneming waarvoor hij werkt gevestigd is, soms echter ook in het land waar de piloot woont. Uiteindelijk zullen het belastingverdrag en de feiten bepalen waar de piloot belasting moet betalen. Wij adviseren regelmatig piloten die zich buiten Nederland gaan vestigen, dit heeft veel invloed (andere woonplaats) maar kan een substantieel fiscaal voordeel opleveren. Een alternatief is dat de piloot gaat werken voor een rechtspersoon die feitelijk (en ook qua bestuur) is gevestigd in het buitenland (bijvoorbeeld Cyprus). Emigreren naar Malta, Italië of Spanje kan een substantieel voordeel opleveren, mits juist uitgevoerd !

Procedure over piloot

De Rechtbank oordeelt over een piloot die in Nederland woont, maar werkt voor een werkgever (luchtvaartmaatschappij) in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. De vraag is of Nederland belasting mag heffen over de opleiding.

De Rechtbank is van mening dat de piloot in Nederland belasting moet betalen. Waarom?

  1. Artikel 15 lid 3 van het belastingverdrag tussen Nederland en Frankrijk stelt: Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel is de beloning verkregen door een inwoner van één van de Staten ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig in internationaal verkeer, of aan boord van een schip dat dient voor het vervoer in de binnenwateren, slechts in die Staat belastbaar.
  2. Het Verdrag met Frankrijk is in 1973 gesloten en bevat geen definitie van het begrip “internationaal verkeer”. In het OESO-modelverdrag 1963 stond evenmin een definitie van dit begrip. Eiser betoogt dat het begrip dient te worden uitgelegd volgens de definitie gegeven in artikel 3, lid 1, aanhef en onderdeel e, van het OESO-modelverdrag 1977 en later. Deze bepaling luidt als volgt: “For the purposes of this Convention, unless the context otherwise requires:(…) e) the term "international traffic" means any transport by a ship or aircraft operated by an enterprise that has its place of effective management in a Contracting State, except when the ship or aircraft is operated solely between places in the other Contracting State.”

Noot fiscaal jurist over belastingheffing piloot

De vraag is hoe artikel 15 lid 3 moet worden gelezen. Moet de luchtvaartmaatschappij in Nederland zijn gevestigd of niet? In dit geval woont de piloot in Nederland, maar is de luchtvaartmaatschappij niet in Nederland gevestigd. Het OESO modelverdrag stelt iets anders over dit onderwerp, namelijk:

  • In artikel 15, lid 3, van het OESO-modelverdrag 1963, 1977, 1992-2010 (hierna tezamen: het OESO modelverdrag), wordt het heffingsrecht op een andere wijze verdeeld dan in artikel 15, lid 3, van het Verdrag.

    Artikel 15, lid 3, van het OESO modelverdrag luidt als volgt: “Notwithstanding the preceding provisions of this Article, remuneration derived in respect of an employment exercised aboard a ship or aircraft operated in international traffic, or aboard a boat engaged in inland waterways transport, may be taxed in the Contracting State in which the place of effective management of the enterprise is situated.”

Volgens het OESO modelverdrag mag dus Frankrijk of het Verenigd Koninkrijk (feitelijke leiding bedrijf) heffen. Volgens de rechter staat er echter iets anders in het verdrag met Frankrijk, dit is te volgen. In situaties met Italië wordt voor een andere uitleg gekozen (heffing in buitenland). De Rechtbank leest (wellicht terecht) de zuivere tekst van het belastingverdrag "heffing Nederland".

Bron piloten en belastingen

Rechtbank Noord Nederland d.d. 12 september 2014 (ECLI NL RBNHO 2014 8609).

0000-00-00 0000-00-00 4447

Zeevarende en fiscus

Piloten en zeevarenden zitten fiscaal in een bijzondere positie als het gaat om de heffing van belastingen. Er zijn door Nederland vele verdragen afgesloten die specifieke bepalingen kennen voor zeevarenden en piloten. Daarnaast gelden er bijzondere regels voor de premieheffing (sociale verzekeringen). Wij zijn gespecialiseerd in advisering van zeevarenden en piloten.

Belastingverdragen zeevarenden

Nederland heeft meer dan 100 belastingverdragen gesloten. In deze belastingverdragen zijn specifieke afspraken gemaakt voor zeevarenden / scheepslieden. Meestal wordt aangesloten bij de woonplaats van de schipper.

Drielandensituatie zeevarende

Voor de gevallen dat een schipper in Nederland woont en werkt voor een buitenlandse werkgever die onder de vlag vaart van een ander land gelden vaak andere regels.

Fiscale vragen zeevarenden

Heeft u een fiscaal probleem of wilt u een open en deskundig advies over uw situatie? Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak.

Zeevarenden en fiscus [news] 2017-04-26 0000-00-00 0000-00-00 5128

Belastingplan 2022

Wat kunt u verwachten voor 2022?

Het zal een rustig jaar worden bij Prinsjesdag 2022. Een demissionair kabinet kan niet veel, heeft niet veel geld en zal dan ook met weinig nieuws komen. Is er een bijeenkomst waarvoor u bent uitgenodigd? Ga er niet naar toe, ga lekker aan het werk, u leest de paar simpele maatregelen wel in de krant.

Wat zouden ze moeten doen in Den Haag? Een nieuwe wet VPB (is uit 1969) en eens nadenken over meer fiscale mogelijkheden voor werknemers, nieuwbouw woningen (en isolatie bestaande woningen), participatie van werknemers in bedrijven en versteviging van de innovatie mogelijkheden.

Op deze pagina de belastingplannen voor 2022 welke tijdens Prinsjesdag bekend worden gemaakt. Bij het schrijven van dit artikel is er nog geen kabinet en is nog uiterst onzeker wat er op Prinsjesdag 2021 bekend wordt gemaakt. Plannen die in de loop van 2021 voorbijkomen,zullen wij op deze pagina melden.

Opvallende belastingplannen voor 2022

  1. WKR vrije ruimte was in 2020 en 2021 3% van eerste € 400.000 aan loonkosten. De vrije ruimte wordt verlaagd tot 1,7% in 2022
  2. Er komt een speciale regeling / vergoeding voor thuiswerken
  3. Aandelenopties worden fiscaal voordeliger in 2022 (verwacht niet teveel).
  4. WBSO aanvraag wordt eenvoudiger

Wetsvoorstellen inzake belastingplannen 2022

  1. Wetsvoorstel belastingplan 2022
  2. Wetsvoorstel overige fiscale maatregelen 2022
  3. Wetsvoorstel Belastingmaatregelen omgekeerde hybride lichamen
  4. Wetsvoorstel Verlaging verhuurdersheffing
  5. Wetsvoorstel inzake hersteloperatie toeslagen
  6. Wetsvoorstel inzake cameratoezicht en gegevensverwerking douane
  7. Wetsvoorstel tegengaan mismatches zakelijkheidsbeginsel
  8. Wetsvoorstel accijns
  9. Wetsvoorstel kwalificatie buitenlandse rechtsvormen

Onderstaand de plannen die op dit moment bekend zijn.

Meest recente aanpassing van dit artikel : 21 mei 2021

Belastingplannen 2022 voor bv

  1. Verliesverrekening wordt aangepast, verliezen zijn voorwaarts onbeperkt verrekenbaar (nu 6 jaar), bij winst hoger dan € 1 mln is maximaal 50% verrekenbaar, achterwaartse verrekening blijft gelijk (1 jaar). Informatie
  2. Solidariteitsheffing: er komt wellicht een extra belastingheffing voor bedrijven die voordeel hebben gehad van de corona crisis.
  3. Optie regeling voor werknemers: er komt wellicht een nieuwe optieregeling voor werknemers. Lees meer
  4. Winstbelasting (VPB) 15% en dit tot een winst van € 395.000. De tweede schijf blijft de komende jaren 25%. Lees meer ...
  5. Investeringen: er komen maatregelen om investeringen door bedrijven te stimuleren, dit zal plaatsvinden via de in 2021 geïntroduceerde BIK (baangerelateerde investeringskorting).
  6. Rekening-courant DGA: vanaf 2023 wordt er paal en perk gesteld aan de rekening-courantschuld van DGA's aan hun bv. Of deze regeling wordt ingevoerd is uiterst twijfelachtig.
  7. Geen korting meer bij ineens betalen van de vennootschapsbelasting.
  8. Uitbreiding en verhoging met introductie regeling thuiswerken binnen de werkkostenregeling
  9. Aanpassing regels inzake "at arm's length beginsel" (zakelijkheidsbeginsel bij intercompany transacties)
  10. Aanpassing regels inzake turbo liquidatie (om schuldeisers te beschermen).

Belastingplannen 2022 voor ondernemers

  1. Zelfstandigenaftrek wordt (sneller) afgebouwd. Op dit moment bedraagt de zelfstandigenaftrek  € 6.670. Vanaf 2022 blijft deze dalen in zeven stappen van € 360 per jaar, uiteindelijk met kleinere stappen tot €3.240 in 2036). Lees meer ...

Belastingplannen 2021 voor particulieren

  1. Bijtelling: wijziging bijtellingsregels bij meerdere auto's van de zaak.
  2. Scholingskosten: zijn per 1 januari 2022 niet meer aftrekbaar. Fiscale aftrek wordt vervangen door subsidieregeling (STAP budget). Informatie..
  3. Bijtelling elektrische auto: 16% tot € 40.000 en over het meerdere 22%.
  4. Box 3 heffing wordt aangepast. Spaarders die minder dan € 400 rente ontvangen hoeven geen box 3 heffing meer te betalen, bij de huidige rentestand is dit een spaarsaldo van ruim € 400.000.
  5. Vrijstelling box 3 gaat verder omhoog (bij fiscale partners is meer dan € 100.000 vrijgesteld). Eén miljoen kleine beleggers betalen geen box 3 heffing meer vanaf 2022. De 3 schijven blijven bestaan.
  6. Algemene heffingskorting gaat omhoog.
  7. Arbeidskorting gaat omhoog.
  8. Inkomstenbelasting daalt iets, van 37,1% tot 37,07%.
  9. Pensioen en verlofsparen wordt gunstiger. Als u met pensioen, gaat kunt u ineens 10% van uw pensioenkapitaal opnemen. Tevens wordt er een regeling inzake verlofsparen ingevoerd en komt er een regeling bij vervroegd uittreden.  
  10. Wijziging eigen woning regeling bij gezamenlijke aankoop door fiscale partners

Vragen over belastingplannen?

Wilt u ook tijdig en juist handelen en daarmee onnodige lasten voorkomen? Neem dan eens contact op voor een vrijblijvend gesprek; de koffie staat klaar.

Bron documenten belastingplannen 2021

Volgt.

Belastingplan 2022 [news] 7002

Belastingtips 2022 voor de DGA en de bv

In 2022 zullen diverse wijzigingen worden doorgevoerd voor de directeur-grootaandeelhouder (DGA) en zijn bv('s). In dit artikel een overzicht. Tevens nemen wij diverse tips voor de DGA op.

Wij controleren uw accountant

Heeft u vragen of wilt u belasting besparen? Neem eens contact met ons op of laat een fiscale scan van uw bedrijf en privé situatie maken. In deze fiscale scan controleren wij uw bedrijf (en privé situatie) op ruim 100 onderdelen. We gaan dus een wedstrijdje aan met uw accountant, wie is er slimmer en weet de fiscale mogelijkheden het beste !

Tarief vennootschapsbelasting 2022

Het tarief voor de Vennootschapsbelasting bedraagt 25%. Dit zal de komende jaren zo blijven. Echter voor winsten tot € 245.000 is het tarief in 2021 lager, namelijk 15%. In 2021 wordt dit nog gunstiger, tot een bedrag van € 395.000 bedraagt het tarief 15%. Heeft u een fiscale eenheid voor de Vennootschapsbelasting en winsten boven de € 395.000? Neem dan eens contact met ons op, via een eenvoudige route kunnen wij voor u tienduizende euro's besparen.

Verliesverrekening in de bv in 2022

Verliezen in de bv zijn verrekenbaar met winsten van het vorige jaar en de winsten over de komende 6 jaren. De termijn van 6 jaren komt te vervallen, verliezen zijn dus onbeperkt in de toekomst verrekenbaar. Tevens komt er een minder gunstige regeling. Verliezen tot € 1.000.000 zijn altijd te verrekenen, maar hierboven is nog maar 50% verrekenbaar.

Rekening-courant van de DGA in 2023

Er is een wetsvoorstel (excessief lenen) in de maak. De kern van dit voorstel is dat de DGA vanaf 2023 nog maximaal € 500.000 van zijn bv mag lenen. Lees voor meer informatie onderstaande artikelen. Er is veel kritiek op dit voorstel en de invoering is nog niet zeker.

Verrekening dividendbelasting met vennootschapsbelasting beperkt

Verrekening van dividendbelasting (en kansspelbelasting) met de vennootschapsbelasting wordt beperkt (oorzaak Sofia arrest). Op dit moment kunnen bv's (rechtspersonen) de betaalde dividendbelasting verrekenen met de te betalen vennootschapsbelasting. Wordt er verlies gemaakt in de bv, dan wordt de betaalde dividendbelasting aan de bv terugbetaald. Buitenlandse VPB-plichtigen krijgen de betaalde dividendbelasting niet terug. Dit kan volgens de EU niet door de spreekwoordelijke EU-beugel. Waarschijnlijk wordt de verliessituatie dus anders in de wet opgenomen. Bij verlies krijgt een Nederlandse bv de betaalde dividendbelasting niet meer terug van de Belastingdienst.

Diverse belastingtips 2022 voor de DGA

Als DGA zijn er vele mogelijkheden om belasting te besparen, denk eens aan:

  1. Belastingvrije bedrijfsopvolging
  2. Beperken bijtelling auto van de zaak bij meerdere auto's
  3. Belonen van kinderen en uw partner
  4. Voorkomen verliesverdamping
  5. Terugkeer uit de bv of eenmanszaak naast uw bv
  6. Fiscaal voordelig lenen van uw bv
  7. Eigen woning hypotheek of familiebank via uw bv
  8. Voorzieningen in uw bv voor uw bedrijfspand
  9. Sneller afschrijven van huurdersinvesteringen of materiële vaste activa
  10. Fiscale voordelen door innovatie

Fiscale vragen of fiscale scan

Heeft u vragen of wilt u een keer een fiscale APK van uw bedrijf? Neem dan gerust contact met ons op.

Belastingtips 2022 voor DGA en bv [news] 7213

Eindejaarstips 2021

Hieronder diverse eindejaarstips voor 2021, deze tips worden de komende maanden nog aangevuld. Onderaan dit artikel staan de belangrijkste wijzigingen in 2022.

Eindejaarstips 2021 voor particulieren

  1. Spaar-bv: gezien de lage rente is het spaargeld onderbrengen in een zogenaamde spaar-bv steeds sneller aantrekkelijk. Werkt al vanaf € 250.000.
  2. Box hopping: een vermogensbestanddeel dat 3 maanden onderdeel uitmaakt van box 1 of box 2 (en ook in box 3 gestald is) wordt in box 3 in aanmerking genomen als in die periode een peildatum ligt voor box 3.
  3. Aftrekposten: de aftrekposten (los van hypotheekrente) zijn beperkt, kijk of u aftrekposten in 1 jaar kunt onderbrengen (voorbeeld wel giften en / of scholingskosten in 2021 en niet in 2022 betalen). De aftrekposten zijn: giften, ziektekosten, alimentatie en scholingskosten.
  4. Giften: vervang gewone giften door periodieke giften, de drempel van 1% van uw inkomen is dan niet van toepassing. De gift moet een looptijd hebben van 5 jaar, mits de gift wordt betaald aan een ANBI.
  5. Lijfrente: bij een pensioentekort kunt u de jaarruimte benutten, deze is maximaal ruim € 12.000 (afgerond) per jaar. Soms is dit bedrag zelfs hoger.
  6. Vrijstelling box 3: voor groenfondsen is in box 3 een extra vrijstelling opgenomen van ruim € 58.000, bij fiscale partner het dubbele. Ook krijgt u een extra heffingskorting van ruim € 800.
  7. Verlagen box 3: u kunt uw box 3-vermogen verlagen door de aankoop van bijvoorbeeld een boot of auto of het betalen van belastingschulden.
  8. Betaal hypotheekrente vooruit: heeft u eenmalig een hoger inkomen in 2021, dan kunt u overwegen om de hypotheekrente over de eerste 6 maanden van 2022 in 2021 vooruit te betalen. Het aftrekbare tarief is in 2021 ook hoger dan in 2022. Dit daalt in 2023 tot 37,1%. In 2021 is dit nog 43%.
  9. Afkoop alimentatie: omdat het aftrektarief voor de inkomstenbelasting daalt (nu nog 43% en in 2023 37,1%), is het voordelig om partneralimentatie nu af te kopen.
  10. Schenking: in 2021 kunt u ruim € 6.600 belastingvrij aan uw kinderen schenken, soms (bijvoorbeeld voor de eigen woning) is de vrijstelling zelfs € 105.000 (voor studie € 55.900). Als u het geld niet heeft of nog niet wilt overmaken, kunt u ook onder schulderkenning (papieren schenking) het geld schenken. Over de schuld moet (wettelijk) 6% rente worden betaald en u moet de schuld via een notaris (notariële akte) vastleggen. Doet u dit niet, dan wordt de schuld bij uw overlijden niet erkend en is alsnog erfbelasting verschuldigd.
  11. Huwelijk: sinds 2018 is het huwelijksvermogensrecht aangepast. Laat uw huwelijkse voorwaarden eens beoordelen door een deskundige.
  12. Huwelijkse voorwaarden met verrekenbeding: is in uw huwelijkse voorwaarden een verrekenbeding opgenomen, dan moet u hieraan jaarlijks gevolg geven. Doet u dit niet, dan kan het zijn dat u (bijvoorbeeld bij een echtscheiding) voor onplezierige verrassingen komt te staan.

Eindejaarstips 2021 voor alle bedrijven 

  1. Investeringsaftrek: beoordeel of het wenselijk is om in 2021 of in 2022 te investeren. In 2021 is de nieuwe BIK-regeling ingevoerd. Veelal is investeren in 2021 voordeliger.
  2. Herinvesteringsreserve: bij de vervreemding van bedrijfsmiddelen moet u normaal gesproken afrekenen over de boekwinst. Als u opnieuw wilt investeren, kunt u de winst tijdelijk reserveren (herinvesteringsreserve). Leg uw investeringsvoornemen wel schriftelijk vast (stuur mail aan uw makelaar en stel een bestuursbesluit op). De herinvestering moet binnen 3 jaar plaatsvinden.
  3. Voorzieningen: het tarief voor de vennootschapsbelasting daalt (en voor de inkomstenbelasting ook). Een voorziening vormen in 2021 is veelal voordelig. Denk hierbij aan coronavoorziening, voorraden, reorganisatie, saneringskosten, onderhoud, garanties, vakantiedagen, vakantiegeld of jubileum.
  4. Pensioenen: bekijk de pensioenen van uw werknemers eens. Soms is een backservicelast in 2021 mogelijk.
  5. Fiscaal voordelig belonen van werknemers: u mag een onbelaste vergoeding aan uw werknemers geven voor maaltijden (onderweg of tijdens overwerk), cursussen of zakenreizen. Ook kan een personeelsfeest op de werkplek vrijwel belastingvrij plaatsvinden en mag u zakelijke reizen belastingvrij vergoeden. Ook de fiets van de zaak is voordelig. Tenslotte mag u schade of verlies van persoonlijke zaken belastingvrij vergoeden, mits tijdens de dienstbetrekking ontstaan.
  6. Producten uit eigen bedrijf: deze kunt u voordelig aan uw werknemers verkopen of geven. De korting bedraagt maximaal 20% van de waarde van het product met een maximum van € 500 per werknemer.
  7. Innovatie: bent u binnen uw bedrijf bezig met de ontwikkeling van innovatieve / vernieuwende activiteiten (productie, software / IT), dan komt u wellicht in aanmerking voor een lagere winstbelasting (9% in 2021) of een verlaging van uw loonheffing (WBSO).
  8. Werknemers: in 2021 is er meer ruimte om werknemers belastingvrij te belonen. De werkkostenregeling is eenmalig verhoogd tot 3% (tot loonsom € 400.000, over meerdere 1,2%). Een DGA mag ook gebruik maken van deze mogelijkheid.
  9. Laaatste btw-aangifte 2021: neem hierin de correctie privégebruik auto, correctie personeelsverstrekkingen, btw-belaste verhuur en gebruik pro rata op.

Eindejaarstips 2021 voor bv / nv

  1. Niet werkende partner: als de partner van de DGA niet werkt, dan kunt u dividend uitkeren uit uw bv en deze aan uw partner toerekenen (bijvoorbeeld € 10.000). Hiermee maakt uw partner gebruik van de heffingskortingen. De uitkering is vrijwel belastingvrij.
  2. Vennootschapsbelasting: het tarief voor de winstbelasting / vennootschapsbelasting is voor de eerste € 395.000 slechts 15% (in 2021 is dit tot € 245.000 15%). Het wordt dus steeds aantrekkelijker om winsten over meerdere bv's te verdelen en / of de fiscale eenheid voor de VPB op te heffen. Laat uw wel adviseren! Wellicht is schuiven met resultaten naar 2022 aantrekkelijk.
  3. Lenen van uw bv: er moet een zakelijke overeenkomst met zekerheid en een zakelijke rente worden overeengekomen (met notulen). In 2023 mag er nog maximaal € 500.000 van uw bv worden geleend (met uitzondering van leningen voor een eigen woning). De Belastingdienst controleert hier sinds 2021 steeds vaker op. Of de nieuwe regeling in 2023 wordt ingevoerd is twijfelachtig.
  4. Vordering op uw bv: als een DGA een vordering op zijn bv heeft, dan moet hierover rente worden berekend. Deze rente is belast in box 1 en voor de bv aftrekbaar, fiscaal is dit ongunstig. Er geldt een uitzondering voor vorderingen tot € 17.500.
  5. Borgstellingsprovisie: als de DGA zich in privé heeft borggesteld voor financieringen aan de bv, dan moet hierover een borgstellingsvergoeding door de bv aan de DGA worden betaald (belast in box 1, dus meestal niet gunstig). Doet u dit niet, dan kan de Belastingdienst dit (voor 5 jaar) corrigeren. Als de DGA in privé wordt aangesproken voor de lening van de bv, dan is deze normaal gesproken aftrekbaar in box 1. Is er geen zakelijke borgstellingsvergoeding voldaan, dan is de lening (veelal) niet aftrekbaar.
  6. Dividenduitkering: doe een uitkeringstoets als uw bv dividend gaat uitkeren. Risico is dat een dividenduitkering anders wellicht moet worden terugbetaald en / of de DGA in privé aansprakelijk wordt gesteld.
  7. Bedrijfsopvolging: denk met uw familie eens na over een bedrijfsopvolging. U kunt uw bedrijf (materiële onderneming) vrijwel belastingvrij (ongeveer 4%) overdragen aan uw kinderen. Als u uw bedrijf heeft verkocht, dan bent u zomaar 30 - 45% aan belastingen verschuldigd (box 2 en schenkbelasting).
  8. Verliesverdamping: voorkom verliesverdamping. Een verlies in 2021 is te verrekenen met de winst van 2020 en de winsten van 2022 tot en met 2027. Daarna gaan verliezen verloren. Verliezen uit 2012 verdampen per 31 december 2021. Laat bijvoorbeeld voorzieningen vrijvallen zodat uw verliezen niet verdampen. Wellicht kunt u stille reserves in uw activa realiseren door deze (intern) te verkopen.

Eindejaarstips 2021 voor ondernemers (eenmanszaak / vof)

  1. IB-onderneming onderbrengen in bv: een bv wordt steeds aantrekkelijker en hiermee voorkomt u ook risico's voor een aansprakelijkheidstelling van uw privé-vermogen (scheiding ondernemingsvermogen / privé-vermogen). De zelfstandigenaftrek wordt de komende jaren afgebouwd € 3.240. Het tarief in de bv blijft dalen, tot een winst van € 395.000 is het tarief 15% (cijfers 2022). Steeds meer ondernemers brengen hun bedrijf (belastingvrij) in in de bv.

Eenvoudige en praktische eindejaarstips voor bedrijven

  1. Administratie: uw administratie moet u 7 jaar bewaren (soms moet u deze termijn verlengen met uitsteltermijnen). De administratie over 2014 kunt u vernietigen per 31 december 2021.

Belangrijkste wijzigingen in 2022

  1. Winstbelasting: de winstbelasting voor rechtspersonen (zoals een bv) daalt tot 15% voor een winst tot € 395.000.
  2. Werkkostenregeling: de vrije ruimte bedraagt normaal gesproken € 400.000 x 1,7%. Het percentage is tijdens de coronatijd verhoogd tot 3%. Voor het meerdere is het percentage 1,2%. Dit percentage daalt van 1,2% tot 1,18%.
  3. Belastingontwijking: belastingontwijking wordt echt aangepakt. Er komt een bronbelasting op rente en royalties van 25% indien de rente en royalties worden betaald aan landen die weinig of geen belasting heffen (doorstroomgelden). Tevens moeten adviseurs sinds 2021 internationale adviezen verplicht gaan melden bij de Belastingdienst.
[news] 2021-05-21 0000-00-00 0000-00-00 7003

Fiscale boete belastingadviseur

De boete van de belastingadviseurs

Belastingen zijn leuk, zo leuk dat we ons beroep ervan hebben gemaakt. Belasting betalen is minder, maar wel noodzakelijk. Wij staan u dan ook graag bij de staatsruif te vullen met uw bijdrage. Niet minder dan vereist, maar zeker niet meer dan nodig. Wij faciliteren u dus bij uw belastingverplichtingen, dit op deskundige wijze en met de wettekst en jurisprudentie als onze fiscale bijbel. Nu zijn er natuurlijk altijd mensen met een lagere belastingmoraal of mensen met minder kennis of simpelweg fiscalisten die slordig werken. Ook zij zoeken de fiscaal meest gunstige weg.

In dit artikel behandelen wij een casus waarbij een accountants- en belastingadvieskantoor (PWC voor de liefhebber) een boete van € 300.000 kreeg omdat er bewust of onbewust een foute aangifte Vennootschapsbelasting is ingediend.

Boete aan belastingadviseur

Er komt een aangifte Vennootschapsbelasting binnen bij de Belastingdienst. Er is sprake van een vermogenssprong in de aangifte van bijna € 3.000.000. De Belastingdienst stelt eerst telefonisch enkele vragen en wegens uitblijven van een reactie wordt een brief gestuurd. De fiscalist beantwoordt de vragenbrief, maar het vermoeden van belastingontduiking bleef. Vervolgens belt de Belastingdienst maar eens met de FIOD, het gaat immers om een nadeel voor de schatkist van ongeveer € 700.000. De FIOD laat een medewerker een bezoek brengen aan het accountantskantoor en de belastingplichtige, de administratie wordt in beslag genomen. Uit het onderzoek volgt dat het fiscale kantoor haar werk niet goed heeft gedaan, de externe adviseur heeft een fout gemaakt die niet door het fiscale kantoor is opgemerkt (ook niet na vragen van de Belastingdienst). Het Openbaar Ministerie stelt vast dat er een verkeerde voorstelling van zaken wordt gegeven in de beantwoording van de vragenbrief van de Belastingdienst. Omdat de feiten onjuist zijn weergegeven, is er geen sprake van een "fiscaal andere duiding van interpretatieverschil". Het accountantskantoor had dit moeten weten en zien en dat is volgens het OM "zeer ernstig". Belastingplichtige voldoet alsnog de verschuldigde vennootschapsbelasting en de adviseur krijgt een boete van € 300.000. Er worden interne maatregelen genomen bij het accountantskantoor en strafvervolging gaat in het "putje" omdat dit niet nodig wordt gevonden. Het kantoor heeft het vertrouwen van de Belastingdienst op ernstige wijze geschonden, dat is slecht voor adviserend Nederland en doet de samenwerking met de Belastingdienst geen goed.

Noot boete voor belastingadviseur

De belastingadviseur heeft een informatieplicht jegens de belastingdienst. Als de belastingdienst vragen stelt over de aangifte Vennootschapsbelasting wordt opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken gegeven, liegen noemen we dit op zijn "Nederlands", omdat het opzettelijk is gebeurd. Het vertrouwen van de Belastingdienst is hiermee beschaamd, temeer omdat de klant onder horizontaal toezicht viel en het een gerespecteerd kantoor betrof.

De belastingadviseur wordt meer en meer de duimschroeven aangedraaid en zoals uit bovenstaande volgt, is dit soms terecht. Fiscalisten konden al bestuursrechtelijk geweigerd worden als vertegenwoordiger (artikel 2:2 Awb) en strafrechtelijk is ook het nodige mogelijk, zoals hier blijkt.  Ook kan een adviseur bestuursrechtelijk worden beboet als hij (met de belastingplichtige) medepleger of medeplichtig is aan een fiscaal vergrijp. Sinds vele jaren moeten adviseurs hun klanten checken (Wwft) en sinds 2020 moeten belastingadviseurs internationale structuren spontaan melden bij de Belastingdienst

Het is standaard praktijk dat de adviseur (via de geautomatiseerde systemen) aangifte doet voor de klant. Indien die aangifte onjuist blijkt te zijn, kan de adviseur geen fiscale boete krijgen. Recent oordeelde de Hoge Raad (noot 2) dat het een kwaliteitsdelict is, dat alleen gepleegd kan worden door degene die op basis van de wet aangifte moet doen (en dat is de klant zelf, c.q. de bestuurder van de bv). Strafrechtelijke vervolging is echter wel mogelijk (art. 225 Sr: ‘valsheid in geschrift’). Deze route heeft de Belastingdienst in deze casus dus gekozen. Een medepleger (artikel 5:1 AWB) kan echter wel een fiscale boete krijgen, het moet dan wel gaan om een bewuste samenwerking, daarvan was in deze casus geen sprake.

De volgende stap die nog kan worden gezet is de zogenaamde wall of shame.  Als aan de adviseur een fiscale boete is opgelegd, kan diens naam worden gepubliceerd (Artikel 67r Algemene wet inzake rijksbelastingen), met naam en toenaam. De hoogte van de boete en de aard van de boete staan dan voor vijf jaar op de site van de Belastingdienst. Voor een boete is niet vereist dat de adviseur er zelf beter van geworden is. Bovendien hangt hem een ‘beroepsverbod’ boven het hoofd. De schuldige van de benoemde strafbare feiten, in zijn beroepsuitoefening begaan, kan namelijk van de uitoefening van dat beroep worden ontzet (Artikel 69, zesde lid AWR).

Hoe graag wij als fiscaal juristen ook verlost willen zijn van concurrerende ‘rotte appels’, is dit niet de methode. Er zijn al meer dan genoeg (illegale) zwarte lijsten binnen de Belastingdienst. Wij willen geen malafide klanten en via een beetje 'googelen' kan deze klant wel een malafide adviseur vinden.

Wij doen niet mee aan de grote bangmaak-show en gaan vrolijk door met ons werk, naar eer en geweten en hopen dat fiscalisten altijd op grond van vertrouwen met de Belastingdienst overleggen, dat dit soms fout gaat is teleurstellend.

Ik kan mij voorstellen dat een kritische lezer denkt: als er een wall of shame komt met fiscalisten, dan zou er ook een site moeten komen met belastingambtenaren die de wettelijke route niet keurig bewandelen. De Belastingdienst heeft vorig jaar al mensen ontslagen wegens fraude, wellicht dat de Belastingdienst zelf ook een voorzet kan geven voor een dergelijke lijst. Wij zouden namelijk bij sollicitanten graag weten of ze verdacht worden van fraude.

Loopt u ook tegen bovenstaande problemen aan, of heeft u een - gewoon - fiscaal probleem, aarzel dan niet en neem contact met ons op.

Fiscale boete belastingadviseur [news] 7203

Boete Belastingdienst en strafrechter

Una Via zeker niet altijd

Fiscale fraude is een hot item. Dit komt met name doordat fraude steeds meer de aandacht van de overheid krijgt en hiervoor meer mensen worden ingezet. Naast de frauderende belastingplichtige krijgt ook de frauderende belastingadviseur steeds meer de aandacht. Belastingadviseurs en accountants zijn nette mensen en als deze mensen fraude plegen, moeten ze stevig worden aangepakt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de belastingadviseur van de heer Guus Hiddink. Door de vierde tranche van de Algemene Wet Bestuursrecht kunnen adviseurs ook aansprakelijk worden gesteld voor boetes van de belastingplichtige. In de praktijk gebeurt dit nog zelden. Er mag echter niet met hagel worden geschoten en zomaar voor hetzelfde feit / gedraging twee keer een boete worden opgelegd. Hoe zit dit eigenlijk?

Twee keer een boete

Het bij aanslag opleggen van een boete sluit strafrechtelijke vervolging uit en vice versa. De Belastingdienst en Justitie moeten dus een keuze maken. Deze keuzes zijn vastgelegd in de ATV Richtlijn. Vanaf zo'n € 25.000 zal het strafrecht in beeld komen, aldus de genoemde richtlijn. Vaak besluiten rechters echter om naast de strafrechtelijke boetes ook nog een fiscale boete goed te keuren.

U krijgt geen boete van de Belastingdienst (een zogenaamde bestuurlijke boete) als voor dezelfde gedraging reeds een strafrechtelijke vervolging heeft plaatsgevonden. De discussie die dan meestal gaat plaatsvinden is, of beide boetes / straffen voor hetzelfde vergrijp / gedraging zijn opgelegd. Meestal kiezen de overheidsorganen ervoor om dit net iets anders te verwoorden. Op 4 december 2012 deed het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden een uitspraak waarbij de bestuurlijke boete gewoon in stand bleef. In deze casus kreeg de DGA een strafrechtelijke geldboete van € 50.000 i.v.m. zwartgeld / onjuist doen van aangifte. Vervolgens kwamen er ook nog naheffingsaanslagen met 50% boete.

Ne bis in Idem of Una Via

De Latijnse term voor "niet twee keer voor hetzelfde"; dit is ook redelijk, zal iedereen zeggen. Dit uitgangspunt is ook neergelegd in het Europese recht (artikel 14 lid 7 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten) en ook in het Europees verdrag voor de rechten van de mens. De problemen ontstaan echter bij het begrip "hetzelfde".

Una Via beginsel in belastingrecht

De Belastingdienst legt geen boete op de belastingplichtige die voor dezelfde gedragen strafrechtelijk is vervolgd en hiervoor een geldboete heeft gekregen. Dit geldt enkel indien op het moment van de procedure de strafrechtelijke procedure is gestart en / of de boete (strafbeschikking) vaststaat (is uitgevaardigd).

De essentie is dan dus "dezelfde gedraging". Iemand die een onjuiste aangifte heeft ingediend zal dit meestal doen om minder belasting te hoeven betalen. Voor het niet tijdig of juist aangifte doen resp. belasting betalen kan door de Belastingdienst een boete worden opgelegd. Het niet tijdig betalen is echter geen strafbaar feit, dit zou ook te gek zijn.

Wil men de route van het strafrecht inslaan, dan moet er sprake zijn van het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte. Dat er alsdan ook te weinig wordt betaald is helder, dit is dan immers het gevolg. Het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte is hierbij dezelfde gedraging als het opzettelijk te weinig belasting betalen op deze aangifte.

Rechters denken hier meestal anders over, zie hiertoe ook de uitspraak welke hiervoor wordt genoemd. Rechters zien wel een samenhang tussen de aangifte en de betaling van de belasting, maar dat neemt niet weg dat dit afzonderlijke verplichtingen zijn. Als er dus niet juist aan de verplichtingen wordt voldaan, zijn dit volgens de rechters in Nederland verschillende gedragingen. Daar komt nog bij dat volgens de rechter de gedragingen moeten zien op dezelfde aangiftetijdvakken. Derhalve kan strafvervolging plaatsvinden over 2012 en een boete worden opgelegd over 2013.

Notitie fiscaal jurist

In casu lopen verschillende begrippen door elkaar. Artikel 5:44 van de Algemene Wet Bestuursrecht is helder, er komt geen bestuurlijke boete indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld. De lex speciales van de Algemene Wet Bestuursrecht, de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, gaat hierop door. Artikel 69 lid 4 van de AWR stelt feitelijk hetzelfde met verwijzing naar het Wetboek van Strafrecht. Ook in het besluit bestuurlijke boeten wordt in paragraaf 20 uitgebreid ingegaan op het Una Via beginsel. Hierin wordt ook nog gesteld dat de samenloop kan gelden voor verzuimboetes en vergrijpboetes, dit is dan weer geregeld in paragraaf 5. Onder een zelfde feit wordt het feit in materiële zin verstaan, het niet doen of opzettelijk niet doen van aangifte is materieel hetzelfde. Het niet tijdig doen en het onjuist doen van aangifte is materieel iets anders. Klinkt ingewikkeld maar het is zo.

De rechtspraak op dit gebied is niet geheel helder en het zomaar accepteren van fiscale boetes na strafvervolging moet aan de kaak worden gesteld. Dit kan ook spelen als er door de Belastingdienst een verzuimboete en een vergrijpboete worden opgelegd. Dit onderdeel wordt thans nog te weinig door belastingadviseurs gezien.

Bron

Gerechtshof Arnhem d.d. 4 december 2012

Gerechtshof Amsterdam d.d. 17 februari 2011

Kort Geding Rechtbank 's Gravenhage d.d. 15 september 2004 

Rechtbank 's Gravenhage 22 mei 2012

Gerechtshof 's Gravenhage

Fiscale en strafrechtelijke boete [news] 2013-04-23 0000-00-00 0000-00-00 3742

Boetes Belastingdienst  

Er is forse kritiek op de torenhoge boetes die Nederlanders krijgen als ze te laat hun belastingaangifte indienen. De maximale boete die de fiscus mag opleggen is in 2011 gestegen tot € 4.920. De heer mr. drs. Sanne van den Elst heeft een bijdrage geleverd aan dit artikel. Lees hier het gehele artikel op de site van de Financiële Telegraaf.

Regelmatig adviseren wij bedrijven en particulieren over boetes van de Belastingdienst. Bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

Wanneer worden er boetes opgelegd?

In de volgende situaties kan de Belastingdienst u een boete opleggen:   

  1. U vraagt niet (of niet op tijd) om toezending van een aangifte.
  2. U stuurt uw aangifte niet (of niet op tijd) in.
  3. U vult uw aangifte onjuist of onvolledig in.

Vereisten belastingdienst bij opleggen boete

Als de inspecteur een belastingplichtige een boete oplegt moet de inspecteur uiterlijk op het moment van bekendmaken van de de boete de reden noemen. Bij onduidelijkheid komt alleen betekenis toe aan wat er op het aangiftebiljet is vermeld. In een procedure bij het Gerechtshof Den Bosch komt een boete aan de orde i.v.m. het niet tijdig betalen van aangiftebelasting, in deze de BTW (artikel 67f AWR). Er wordt niet aan de vereisten van artikel 67f AWR voldaan, de boete wordt vernietigd. De Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:704) heeft in 2021 het oordeel van het Gerechtshof (ECLI:NL:GHSHE:2019:2155) bevestigd.

Verzuimboete

Een verzuimboete wordt opgelegd als u niet of niet op tijd uw aangifte heeft ingediend. Ook als u niet of niet op tijd om een aangiftebiljet verzoekt, kan een dergelijke boete worden opgelegd. Niet op tijd wil zeggen: na de aanmaning uw aangifte indienen.

Als het niet de schuld van de belastingplichtige is dat de aangifte niet of niet juist wordt gedaan, dan wordt er geen boete opgelegd, in de praktijk is hier zelden sprake van.

Vergrijpboete

Doet u opzettelijk geen, een onjuiste of onvolledige aangifte, dan kan de Belastingdienst ook een vergrijpboete opleggen.

Hoe hoog is een verzuimboete?

De hoogte van de verzuimboete is € 2.460 als u niet (op tijd) verzoekt om toezending van een aangifte en € 226 als u de aangifte niet (of niet op tijd) instuurt. De boete kan oplopen tot € 984 als u tweemaal achter elkaar verzuimt en tot € 4.920 als u nog vaker verzuimt.

Hoe hoog is een vergrijpboete ?

Als er sprake is van opzet, dan bedraagt de boete 50% van de belasting die opzettelijk is verzwegen. Bij grove schuld is dit 25%. Als dit betrekking heeft op box 3 vermogen, dan kan dit oplopen tot een boete van 150%, bij grove schuld 75%. Er wordt dan ook nog gekeken of er een reden is om de boete te verlagen of te verhogen.

Boete, en toen?

De Belastingdienst moet u apart informeren over het feit of een boete wordt opgelegd en waarom. U mag alle gegevens inzien op grond waarvan een boete is opgelegd (dossierinzage), doe dit omdat dit soms niet geheel helder wordt vastgelegd. U hoeft geen antwoord te geven op vragen over de boete en de mate waarin u opzet of grove schuld kan worden verweten. U kunt apart bezwaar maken tegen de opgelegde boete.

Lagere boete door rechter

Het Gerechtshof in 's Hertogenbosch deed op 21 februari 2013 een bijzondere uitspraak. Een boete is fors verminderd. Een B.V. deed haar aangifte niet op tijd en kreeg een verzuimboete van € 2.460. Op zowel de herinnering als de aanmaning werd niet tijdig gereageerd. De B.V. stelt dat zij na ontvangst van de brieven van de Belastingdienst steeds haar belastingadviseur heeft gebeld en dat het belastingadvieskantoor heeft bevestigd dat de aangifte was ingediend. De Rechtbank oordeelt dat de boete niet proportioneel is, aangezien aan een natuurlijk persoon in de IB-sfeer voor hetzelfde feit een boete wordt opgelegd van € 226. De boete wordt daarom gematigd tot € 452. De B.V. gaat in Hoger Beroep en de boete wordt nu door het Gerechtshof aangepast tot € 50.

Bij een procedure voor de Rechtbank Breda op 21 december 2012 is een boete verminderd omdat volgens de rechter het verschil tussen een boete voor een te late aangifte vennootschapsbelasting en een aangifte inkomstenbelasting te groot is. Het is volgens de rechter niet objectief te rechtvaardigen dat een boete voor de vennnootschapsbelasting ruim € 2.000 hoger is. Deze uitspraak kent mogelijkheden, edoch op 10 mei 2012 deed het Gerechtshof in Den Bosch een andere uitspraak. Hierin wordt gesteld dat een dergelijk verschil wel is toegestaan, in deze zaak was echter sprake van recidive.

Het besluit bestuurlijke boeten is derhalve geen wet maar een besluit. Laat uw fiscaal jurist altijd met u meekijken bij het opleggen van een boete.

Vragen

Heeft u vragen of opmerkingen over een boete, neem gerust contact op.

[news] 2013-04-02 0000-00-00 0000-00-00 3695

Aangifte te laat en boete

U moet uw aangifte tijdig indienen. Lukt dit niet, dan kunt u uitstel vragen. Als de aangifte te laat is ingediend, dan krijgt u eerst een herinnering en als u daar niet op zou reageren, dan krijgt u een aanmaning. In de aanmaning staat de nieuwe termijn waarbinnen u de aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting moet indienen. Als u de aangifte na die termijn zou indienen, dan krijgt u een verzuimboete, deze is fors. Doet u opzettelijk geen aangifte, dan kunt u ook nog een vergrijpboete krijgen. Dit kan ook gebeuren bij het opzettelijk onjuist of niet volledig doen van aangifte.

Regelmatig adviseren wij bedrijven, particulieren en DGA's over dit onderwerp, bel gerust voor een vrijblijvende afspraak bij ons op kantoor. U bent zeker van een prettige ontvangst, heldere taal, deskundige fiscaal juristen en geen onduidelijke facturen of verrassingen.

Hoogte van de boete

De verzuimboete is voor de aangifte inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting niet gelijk.

  • Inkomstenbelasting: € 226 (tweemaal te laat € 984 en dit kan oplopen tot € 4.920).
  • Vennootschapsbelasting: € 2.460 (kan oplopen tot € 4.920).

Vereisten belastingdienst bij opleggen boete

Als de inspecteur een belastingplichtige een boete oplegt moet de inspecteur uiterlijk op het moment van bekendmaken van de de boete de reden noemen. Bij onduidelijkheid komt alleen betekenis toe aan wat er op het aangiftebiljet is vermeld. In een procedure bij het Gerechtshof Den Bosch komt een boete aan de orde i.v.m. het niet tijdig betalen van aangiftebelasting, in deze de BTW (artikel 67f AWR). Er wordt niet aan de vereisten van artikel 67f AWR voldaan, de boete wordt vernietigd. De Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:704) heeft in 2021 het oordeel van het Gerechtshof (ECLI:NL:GHSHE:2019:2155) bevestigd.

Verschil boete inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting rechtvaardig?

Volgens de rechtbank Breda (d.d. 21 december 2012) is het verschil tussen de boete voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting disproportioneel. In deze uitspraak is de boete verlaagd van € 2.460 tot € 452. In een eerdere uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch d.d. 10 mei 2012 wordt gesteld dat het verschil tussen de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting wel is toegestaan.

Lagere boete als aangifte paar dagen te laat is

De rechtbank Zeeland - West Brabant was coulant voor een belastingplichtige die iets te laat was met het indienen van de aangifte. Een B.V. moest voor 16 januari 2012 aangifte doen, de aangifte kwam uiteindelijk binnen op 31 januari 2012. De verzuimboete die is opgelegd bedroeg € 2.460 (belastingaanslag nihil). De boete wordt verminderd tot € 1.000. Bij deze procedure speelde wel mee dat de B.V. sinds jaren een nihilaangifte indiende.

Bezwaarschrift tegen boete te late aangifte

Een bezwaarschrift tegen een boete bij te late aangifte heeft vaak zin. Wij kunnen dit prima met u beoordelen en u kunt dit ook zelf voorbereiden, hierdoor zijn de kosten wellicht iets lager. Verzachten omstandigheden voor het later doen van aangifte zijn:"

  • Scheve verhouding tussen boete en feit (evenredigheidsbeginsel)
  • Staking van de onderneming / BV
  • Boete is niet vooraf aangekondigd (verdedigingsbeginsel)
  • U maakt dezelfde fout in verschillende jaren en krijgt boete voor elk jaar
  • Financiele situatie (schulden)
  • Overschrijding redelijke termijn door de Belastingdienst/ rechter
  • Geen schuld bij u
[news] 2013-09-13 0000-00-00 0000-00-00 4059

Vergrijpboete voor adviseur

De Belastingadviseur of accountant is niet altijd aansprakelijk !

U bent accountant of belastingadviseur en u verzorgt de aangiften omzetbelasting van uw klant. Omdat uw klant dit vraagt, doet u een nihil-aangifte terwijl uit de boekhouding een te betalen bedrag volgt. U maakt zich dan als medepleger schuldig aan het opzettelijk onjuist doen van aangifte. In deze casus ging het om een administratiekantoor dat de jaarrekeningen van haar klant had opgesteld. Uit de jaarrekeningen volgt dat er nog BTW moet worden nabetaald (suppletie-aangiften). Ook doet het administratiekantoor bewust fout aangifte voor de BTW gedurende het jaar. Er wordt door de Belastingdienst een vergrijpboete opgelegd aan het administratiekantoor. Strafrechtelijke vervolging had ook gekund.

Administratiekantoor of accountant als medepleger

Accountants en administratiekantoren kunnen een boete krijgen van de Belastingdienst als zij door hun werkzaamheden voor de klant bewust fouten maken. Als een accountant enkel aanwezig is geweest bij een (strafbaar) feit, wordt hij niet gezien als medepleger. In een arrest van de Hoge Raad (uit 2012) volgen redelijk duidelijk de kaders. Deze zaak ging over een voetbaltrainer die voor de aangifte inkomstenbelasting volledig vertrouwde op zijn belastingadviseur. Bij de trainer was geen sprake van opzet, dus geen ruimte voor een boete. Voor het medeplegen moet de adviseur actief zijn geweest (hebben deelgenomen), er moet dus sprake zijn van "nauw en bewust" samenwerken. Kunnen in dit voorbeeld de trainer en de belastingadviseur hebben samengewerkt als de trainer er niet vanaf wist (geen pleger)? Dus is er een medepleger als er geen pleger is? Volgens de Hoge Raad hoeft er geen pleger te zijn en kan de belastingadviseur zelfstandig als medepleger worden gezien. In dit geval was de veroordeelde belastingadviseur niet eens de persoon die de aangifte had ingevuld, ondertekend of verzonden. Toch wordt hij gezien als medepleger.

Vragen over medepleger of vergrijpboete

Steeds vaker worden adviseurs, accountants of administratiekantoren aansprakelijk gesteld en worden vergrijpboetes opgelegd. Wij adviseren ook steeds vaker adviseurs over dit onderwerp. Maak gerust een vrijblijvende afspraak.

In een arrest van de Hoge Raad d.d. 15 september 2020 is gebleken dat een adviseur niet altijd als medepleger kan worden gezien als er opzettelijk onjuist of onvolledig aangifte is gedaan (artikel 69.2 AWR), dit in tegenstelling tot de uitspraak van het Gerechtshof. De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2020:121), inhoudende dat als aangifte ingediende gegevensdrager uitsluitend kan worden aangemerkt als ‘bij belastingwet voorziene aangifte’ indien die aangifte is gedaan door degene op wiens belasting- of betalingsplicht die aangifte betrekking heeft of door degene die uit hoofde van art. 42 tot en met 44 AWR als vertegenwoordiger van belasting- of betalingsplichtige kan optreden en dat art. 47 tot en met 51 Sr diverse mogelijkheden bieden om degene die anders dan als pleger betrokken is bij onjuist of onvolledig doen van bij belastingwet voorziene aangifte, onder specifieke voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor die betrokkenheid.

Bron inzake medepleger en boete

Rechtbank Noord Nederland 30 november 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:9859).

Vergrijpboete voor accountant [news] 2018-01-16 0000-00-00 0000-00-00 5253

Boete belastingadviseur & Wall of Shame

Hé, psst, belastingadviseur ... BOE !!

De boete van de belastingadviseurs

Inleiding boete voor belastingadviseurs en openbaarmaking naam

Belastingen zijn leuk, zo leuk dat we ons beroep ervan hebben gemaakt. Belasting betalen is minder, maar wel noodzakelijk. Wij staan u dan ook graag bij de staatsruif te vullen met uw bijdrage. Niet minder dan vereist, maar zeker niet meer dan nodig. Wij faciliteren u dus bij uw belastingverplichtingen, dit op deskundige wijze en met de wettekst en jurisprudentie als onze bijbel. Nu zijn er natuurlijk altijd mensen met een lagere belastingmoraal. Ook zij zoeken de fiscaal meest gunstige weg. En daar wringt nu de schoen. Binnen de grenzen van de wet is dat toegestaan. Sommigen noemen dat wel belastingontwijking, wat is toegestaan. Belastingontduiking echter niet.

Belastingontwijking versus belastingontduiking

De Belastingdienst ziet de belastingadviseur – terecht – als belangenbehartiger van de belastingplichtige. Er is echter een sterke tendens waarneembaar, waarin de Belastingdienst de adviseur meer ziet als partner-in-crime. Voeg daarbij de maatschappelijke trend waarin de ‘fair share’ gedachte (ieder zijn eerlijke deel, eventueel los van de - gebrekkige - wetgeving) doorgedrongen is en ook belastingontwijking als moreel niet meer aanvaardbaar is.

Openbaarmaking naam belastingadviseur op internet

De belastingadviseur wordt meer en meer de duimschroeven aangedraaid. We konden al bestuursrechtelijk geweigerd worden als vertegenwoordiger (artikel 2:2 Awb) en strafrechtelijk is ook het nodige mogelijk. Dat was beperkt tot excessen (de adviseur van de voetbaltrainer die wist dat hij onjuiste aangiften namens hem deed) maar meer strafrechtelijke vervolging ligt in het verschiet. Ook kan een adviseur bestuursrechtelijk worden beboet als hij (met de belastingplichtige) medepleger of medeplichtig is aan een fiscaal vergrijp.

Melden internationale structuren

Vanaf 1 juli 2020 zijn belastingadviseurs gehouden om – als onbezoldigd belastingambtenaar – internationale structuren te melden bij de belastingdienst (noot 1) . Die verplichting gaat erg ver. Hoe ver zal de toekomst uitwijzen. Duidelijk is wel dat er terugwerkende kracht is. Vanaf 1 juli moeten adviseurs binnen twee maanden alles melden voor (adviezen over) structuren vanaf 25 juni 2018. Meteen een zinvolle vakantiebesteding voor menig adviseur?? In sommige gevallen moet u zelf melden (geen adviseur, adviseur buiten de EU of adviseur met verschoningsrecht (advocaat).

Wwft en UBO en belastingadviseur

Naast het melden van structuren moeten we ook goed op de hoogte zijn van de achtergronden van onze klanten. In de strijd tegen witwassen en terrorisme moeten wij ook (onbetaald) ons steentje bijdragen. Er zijn velerlei verplichtingen voor klantonderzoek in de Wwft (Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme) en het vaststellen van de uiteindelijk gerechtigde bij ondernemingen (UBO, Ultimate Beneficial Owners).

Onjuist aangifte doen voor klant is niet fiscaal beboetbaar bij adviseur

Het is standaard praktijk dat de adviseur (via de geautomatiseerde systemen) aangifte doet voor de klant. Indien die aangifte onjuist blijkt te zijn, kan de adviseur geen fiscale boete krijgen. Recent oordeelde de Hoge Raad (noot 2) dat het een kwaliteitsdelict is, dat alleen gepleegd kan worden door degene die op basis van de wet aangifte moet doen (en dat is de klant zelf, c.q. de bestuurder van de B.V.). Strafrechtelijke vervolging is echter wel mogelijk (art. 225 Sr: ‘valsheid in geschrift’. De vraag komt op of de adviseur van de bekende voetbaltrainer wel op de juiste gronden is veroordeeld ... (noot 3).

De belastingadviseur als medepleger van een fiscale uitglijder

Niet alleen de belastingplichtige die een fiscale overtreding begaat, kan een fiscale boete aan de broek krijgen, maar ook diens adviseur. De wet (art. 5:1 Awb) voorziet namelijk in de beboeting van een medepleger. Medeplegen is zwaarder dan medeplichtig. Voor medeplichtigheid hoeft slechts het misdrijf te worden bevorderd of vergemakkelijkt. Voor medeplegen is een nauwe en bewuste samenwerking nodig. Bijvoorbeeld als de adviseur het initiatief heeft genomen tot een niet toegestane belastingbesparing kan deze medepleger zijn als de belastingplichtige daarvan op de hoogte is (en ook meewerkt). Een aardig voorbeeld is de notaris die rommelt met side-letters om zo overdrachtsbelasting (voor de klant) terug te krijgen (noot 4).

Dergelijke boetes worden niet vaak opgelegd. Bovendien is daarvoor toestemming van het Ministerie nodig, zodat alleen sprekende gevallen in aanmerking komen. Er is wel een toename zichtbaar, dus de adviseur is gewaarschuwd.

The Wall of Shame voor belastinadviseurs

Sinds 1 januari 2020 is er een nieuwe loot aan de stam om de adviseur in zijn hok te duwen. Als aan de adviseur een fiscale boete is opgelegd, kan diens naam worden gepubliceerd (noot 5), met naam en toenaam, de hoogte van de boete en de aard van de boete staan dan voor vijf jaar op de site van de Belastingdienst.

Let wel: voor een boete is niet vereist dat de adviseur er zelf beter van geworden is. Bovendien hangt hem een ‘beroepsverbod’ boven het hoofd. De schuldige van de benoemde strafbare feiten, in zijn beroepsuitoefening begaan, kan namelijk van de uitoefening van dat beroep worden ontzet (noot 6).

Vanuit de beroepsorganisaties is sterk tegen deze wet gereageerd (noot 7). Terecht. (Vrijwel) nergens in het strafrecht worden namen van overtreders gepubliceerd, terwijl dit niet een hard-core strafrecht is. De feiten zijn meestal vele jaren geleden gepleegd. Tijdelijke publicatie is een utopie (internet vergeet niets). Feitelijk is beroepsuitoefening niet meer mogelijk. Voor de echt slechte gevallen zijn daarvoor andere methoden. En dan zijn er nog de privacy-perikelen.

Hoe graag wij als fiscaal juristen ook verlost willen zijn van concurrerende ‘rotte appels’, is dit niet de methode. Er zijn al meer dan genoeg (illegale) zwarte lijsten binnen de Belastingdienst (noot 8). Daarbij, een bonafide klant kan met eenvoudig googelen meestal wel de kwaliteit van een adviseur inschatten om de malafide adviseurs te ontlopen.

Malafide klanten willen we niet en die vinden hun weg toch wel naar de malafide adviseur, met of zonder publicatie of beroepsverbod.

De rechter kan belastingadviseur nog helpen

Jawel, een beetje. De Staatssecretaris heeft geprobeerd de kosten van de belastingheffing op de adviseur te verhalen. Dat was een geval waarin een adviseur voor zo’n 4.000 klantjes de aangifte invulde met verzonnen zorgkosten, waardoor zij een teruggaaf kregen. De Belastingdienst wilde de kosten van het herzien van die teruggaven verhalen. De adviseur zou zo voor bijna 4 ton aan kosten moeten vergoeden. De adviseur van de Hoge Raad (A-G Wattel) wil daar niet aan (noot 9).

In een arrest van de Hoge Raad d.d. 15 september 2020 is gebleken dat een adviseur niet altijd als medepleger kan worden gezien als er opzettelijk onjuist of onvolledig aangifte is gedaan (artikel 69.2 AWR), dit in tegenstelling tot de uitspraak van het Gerechtshof. De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2020:121), inhoudende dat als aangifte ingediende gegevensdrager uitsluitend kan worden aangemerkt als ‘bij belastingwet voorziene aangifte’ indien die aangifte is gedaan door degene op wiens belasting- of betalingsplicht die aangifte betrekking heeft of door degene die uit hoofde van art. 42 tot en met 44 AWR als vertegenwoordiger van belasting- of betalingsplichtige kan optreden en dat art. 47 tot en met 51 Sr diverse mogelijkheden bieden om degene die anders dan als pleger betrokken is bij onjuist of onvolledig doen van bij belastingwet voorziene aangifte, onder specifieke voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor die betrokkenheid.

Noot fiscaal jurist of wall of shame

Belastingen zijn leuk. Daar begonnen we mee. Dat blijft het ook. De toenemende regelgeving, geboden en verboden, verplichtingen en risico’s, boetes en aansprakelijkheden, meldplichten en suppleties, nemen hand over hand toe. Daar tussendoor laveren en ook nog een goed advies geven; laat dat maar aan ons over. Hoe ruwer de zee, hoe meer wij in ons element zijn.

Wij doen niet mee aan de grote bangmaak-show en gaan vrolijk door met ons werk. Naar eer en geweten.

Wij kunnen ons voorstellen dat belastingplichtigen (zoals mensen met het toeslagen probleem) zelf een lijst willen maken van belastingambtenaren die op een openbare lijst moeten staan, via de wettelijke route is dit niet mogelijk maar op het internet is veel mogelijk. De Belastingdienst heeft vorig jaar al mensen ontslagen wegens fraude, wellicht dat de Belastingdienst zelf ook een voorzet kan geven voor een dergelijke lijst. De mensen die bij de Belastingdienst worden ontslagen solliciteren wellicht in de adviespraktijk, wij zouden graag voordien weten of de sollicitant wordt verdacht van fraude, dus zo gek is de lijst nog niet.  

Loopt u ook tegen bovenstaande problemen aan, of heeft u een - gewoon - fiscaal probleem, aarzel dan niet en neem contact met ons op.

Bron Wall of Shame belastingadviseur

Melding internationale structuren

Boete en wall of shame belastingadviseur [news] 2020-03-03 0000-00-00 0000-00-00 6372

Bestuurder niet direct aansprakelijk voor boete

Als een rechtspersoon (zoals een BV) een aanslag omzetbelasting of loonbelasting niet tijdig zou betalen en niet tijdig betalingsonmacht heeft gemeld dan kan de bestuurder in prive aansprakelijk worden gesteld voor deze aanslag. Maar hoe zit het met de boete?

Boete en bestuurdersaansprakelijkheid

Een bestuurder (in dit geval een DGA) runt zijn bedrijf (BV). Als een belastingaanslag niet tijdig wordt betaald kan er sprake zijn van bestuurdersaansprakelijkheid (kennelijk onbehoorlijk bestuur). Hiervan is sprake als de betalingsonmacht voor de aanslagen niet tijdig (en juist) wordt gemeld. De bestuurder (DGA) is dan aansprakelijk voor de niet betaalde belastingaanslagen. Meestal wordt de aanslag nog verhoogd met een verzuim of vergrijpboete (en kosten).

Volgens de Rechtbank Noord Nederland gold voor een boete een zwaardere bewijslast. De Belastingdienst moet bewijzen dat de bestuurder een (zelfstandig) verwijt kan worden gemaakt voor het niet betalen van de boete. De bal ligt dan dus bij de Belastingdienst. In deze casus was de bestuurder (DGA) wel aansprakelijk voor de onbetaalde aanslagen maar niet voor de boetes.

Noot fiscaal jurist inzake bestuurdersaansprakelijkheid en boete

Wij zijn regelmatig betrokken bij procedures waarbij de DGA/ bestuurder in prive wordt aangesproken voor belastingaanslagen van zijn BV. De formele regels en exacte feiten zijn hierbij van essentieel belang. In de onderstaande procedure geeft de rechtbank Noord Nederland al enige richting. Een melding betalingsonmacht moet binnen 2 weken na de dag waarop de betreffende belastingbedragen moeten worden afgedragen schriftelijk worden ingediend.

Als de nageheven belasting niet tijdig is afgedragen of is voldaan en als dit niet te wijten is aan opzet of grove schuld van de BV, dan kan tijdige melding bij naheffingsaanslagen nog plaatsvinden binnen twee weken na de vervaldag van de aanslag. In een procedure bij de Rechtbank Den Haag was er sprake van grove schuld van de BV en een rechtsgeldige melding is dan niet meer mogelijk. Een melding betalingsonmacht kan dan niet helpen. Excape is dat de bestuurder het vermoeden dat er niet rechtsgeldig is gemeld kan weerleggen door aannemelijk te maken dat dit niet aan hem te wijten is.

In de procedure bij de Rechtbank Den Haag worden de bestuurders niet aansprakelijk gesteld voor de boetes, deze zijn al verminderd. De bestuurders worden wel aansprakelijk gesteld voor de (belasting en invorderings) rente, de vraag is of dit juist is.

Als u binnen uw bedrijf zou twijfelen aan de fiscale behandeling van bepaalde betalingen of kosten is het verstandig een fiscaal jurist te raadplegen. U loopt als bestuurder / DGA zomaar een extreem risico (prive aansprakelijkheid voor de aanslagen van de BV). Soms is vooroverleg met de Belastingdienst wenselijk of kan een suppletie aangifte worden ingediend. Voorkomen is soms beter dan genezen. Wij adviseren wekelijks ondernemers bij fiscale procedures, second opinion over fiscale adviezen en/of bij invorderingsproblemen. Stuur gerust een e-mail of bel !

Bron bestuurdersaansprakelijkheid en boete

Rechtbank Noord Nederland 15 april 2021 (ECLI:NL:RBNHO:2021:3062)

Rechtbank Den Haag 21 maart 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:4864)

Bestuurder en boete [news] 2021-05-05 0000-00-00 0000-00-00 6983

Fiscale boete of strafvervolging

Een boete van de Belastingdienst én een strafvervolging door de officier van justitie, kan dat?

Fiscale boete en strafvervolging

Als belastingplichtige kunt u talloze fouten maken die aanleiding kunnen zijn voor een boete. Dat u niet aan uw fiscale verplichtingen voldoet kan vele oorzaken hebben. Onwetendheid, laksheid, vergeten, uitbesteed aan adviseur of accountant, nalatigheid, opzet en alles wat daartussen zit.

Afwezigheid van alle schuld

Bij afwezigheid van alle schuld (AVAS) krijgt u geen boete. De lat daarvoor ligt hoog. U mag geen enkel foutje hebben gemaakt. Grof weergegeven worden de kleinere zaken afgedaan door een boete van de Belastingdienst en worden de zwaardere zaken strafrechtelijk vervolgd. Tussen Belastingdienst, FIOD en het Openbaar Ministerie zijn daarover afspraken gemaakt die zijn neergelegd in het AAFD Protocol.

Ne bis in idem en una via beginsel

Het opleggen van een boete is strafvervolging. De Oude Grieken hadden al een wet die ‘verbiedt dat dezelfde persoon tweemaal wordt berecht voor hetzelfde feit’[1]. Dat zogenoemde ne bis in idem-beginsel geldt nog steeds.

Daarnaast geldt dat u maar op één manier aangepakt kunt worden: het una via-beginsel. Dat beginsel beoogt een vroegtijdige keuze tussen een boete van de Belastingdienst of strafvervolging. Nu staat dat in de artikelen 5:43 en 5:44 van de Awb. Die afstemming is geregeld in het AAFD Protocol. Het belang kwam ook aan de orde in een uitspraak van het Gerechtshof in 2021. In deze zogenaamde "paperclip procedure" wordt een belastingplichtige een verzuimboete opgelegd en tevens wordt hij strafrechtelijk vervolgd. Dit kan en mag niet, aldus het Gerechtshof. Het OM wordt in deze procedure niet ontvankelijk verklaard. In deze procedure ging het om een verzuimboete (van slechts 3%). De vraag die in de praktijk voorbij komt is of het ne bis in idem-beginsel alleen in beeld komt bij vergrijpboetes of ook bij verzuimboetes. Het Gerechtshof is hierover duidelijk (bij alle boetes), nu de Hoge Raad nog.

De overheid moet dus kiezen, óf via een boete (bestuursrecht) een belastingplichtige straffen, óf via het strafrecht. De Belastingdienst overlegt een relevante casus met de FIOD in een Tripartiete overleg, hiervoor bestaan regels. Deze regels zijn vastgelegd in het AAFD Protocol, het protocol voor aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen. In dit protocol staat wanneer een fiscaal delict in aanmerking komt voor strafrechtelijke vervolging. Feitelijk speelt dit al bij een drempel van € 20.000 of meer, in de praktijk is deze drempel € 100.000.

Waar gaat het fout bij boete of strafvervolging?

In de praktijk blijkt nogal eens dat de Belastingdienst een grote ‘boetemachine’ is waarin tamelijk geautomatiseerd met boetes wordt gestrooid wegens het niet, te laat of te weinig doen van belastingaangifte en / of de betaling daarvan. Vooral in situaties waarin de officier van justitie op basis van de aanvullende toetsingscriteria van het AAFD Protocol ook gaat vervolgen, wordt uit het oog verloren dat al een boete is opgelegd. Er wordt bijvoorbeeld strenger strafrechtelijk gehandhaafd omdat bepaalde zaken vaak voorkomen (vb. het schuiven met btw naar een andere maand, toeslagenfraude of airbnb-verhuur) of er een combinatie is met andere strafbare feiten.

Ook komt het voor dat informatie wel bij de Belastingdienst bekend is, maar dat de officier van justitie strengere normen heeft. Voor de belastingheffing is een verzoek om uitstel van betaling of de opgave dat je niet kunt betalen (melding betalingsonmacht) tamelijk vormvrij, terwijl de officier van justitie (ten onrechte) eist dat een specifiek formulier is gebruikt.

Let er bij een boete dus op dat, ook als die terecht is, wel regels gelden.

Commentaar fiscaal jurist

Een boete is vervelend, maar soms terecht. Niettemin loont het altijd de moeite om te checken of de Belastingdienst en officier van justitie zich aan de regels houden. Als het dan toch zover komt, zijn er natuurlijk ook talloze redenen om een boete te matigen. Het is daarom raadzaam een boete altijd met uw adviseur te bespreken om even beter te kijken of er echt niets aan is te doen. Wilt u een afspraak? Bel ons gerust voor een vrijblijvende bespreking.

Bron fiscale boete of strafvervolging

Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen

Gerechtshof 's Hertogenbosch d.d. 13 april 2021 ECLI:NL:GHSHE:2021:1168

Folder belastingdienst inzake preventie en opsporing

[1]Demosthenes, Speech against Leptines, vert. J.H. Vince, Harvard: Harvard University Press 1962.

Fiscale boete of strafvervolging [news] 2021-05-28 0000-00-00 0000-00-00 7007

Slim en innovatief investeren

Door gebruik te maken van de diverse faciliteiten op het gebied van innovatie, energie en milieu, wordt het investeren in bedrijfsmiddelen veel aantrekkelijker. Wij zullen voor u de diverse mogelijkheden op een rij zetten.

Ook is het mogelijk om met behulp van deze faciliteiten een samenwerkingsverband op te zetten, als alternatieve vorm van financiering. Vermogende particulieren investeren dan als ondernemer en stellen als het ware hun faciliteiten beschikbaar. Diverse windmolenprojecten, milieuvriendelijke mestverwerkingsinstallaties, energie- en warmtevoorzieningen werden op deze wijze mogelijk gemaakt.

Dit is een traject dat een deskundige fiscale en juridische begeleiding nodig heeft, zoals:

  • opzet investeringsstructuur maatschap;
  • ruling met de Belastingdienst;
  • inbreng maatschapsaandelen van de B.V.; 
  • fiscale begeleiding voor de investeerders.

Deze structuur moet samen met andere partijen worden opgezet. Wij kunnen met u de mogelijkheden bespreken.

5% winstbelasting over innovatie activiteiten? Vraag de Innovatiebox aan

Innovatie en investeren [news] 4339

Energie-investeringsaftrek

Via de Energie-investeringsaftrek (EIA) kunnen bedrijven fiscaal voordelig investeren in energiezuinige technieken en duurzame energie. U kunt 45% (cijfers 2021) van de investeringskosten aftrekken van de fiscale winst, bovenop uw gebruikelijke afschrijving. Dit betreft een aftrekpost voor investeringen in bedrijfsmiddelen die op de energielijst staan.

Als energie-investeringen kan ten hoogste een investeringsbedrag van € 120 miljoen in aanmerking komen. Voor de energie-investeringsaftrek geldt een afgezwakte samentelregeling voor samenwerkingsverbanden. Voor de bepaling van het investeringsplafond worden de investeringen gedaan door een samenwerkingsverband samengeteld, voor zover de deelnemers aan dat samenwerkingsverband energie-investeringsaftrek zouden kunnen genieten.

Komt u in aanmerking voor de energie investeringsaftrek?

Gebruik hiervoor deze zoektool om te kijken of de investering in aanmerking komt.

Belangrijkste kenmerken EIA en verschillen met kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA)

  • De EIA geldt alleen voor aangewezen energie-investeringen, de KIA voor allerlei soorten bedrijfsmiddelen;
  • De EIA geldt alleen voor ondernemers en niet voor winstgerechtigden (medegerechtigden / commanditaire vennoten).
  • De EIA bedrijfsmiddelen dienen nieuw te zijn, deze eis bestaat niet bij de KIA.
  • Voor de EIA geldt één percentage, de KIA kent een degressieve tabel.
  • Het investeringsplafond van de EIA werkt als een maximum voor verkrijgbare aftrek. Bij overschrijding van het plafond is nog altijd 41,5% van het maximum aan aftrek mogelijk. Bij de KIA vervalt het recht op aftrek na overschrijding van het plafond.
  • Er is een afwijkende administratieve procedure: voor het recht op EIA moet de investering binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting worden gemeld bij de RVO én moet in de aangifte gekozen worden voor toepassing van de EIA.  Er is geen samentelbepaling voor samenwerkingsverbanden maar een afwijkende rekenregel opgenomen in art. 3.42, lid 4, onderdeel b.
  • De algemene uitsluiting voor ter beschikking gestelde bedrijfsmiddelen, zoals bij de KIA, is niet van toepassing voor de EIA, wel zijn er uitsluitingsbepalingen die zien op het ter beschikking stellen van energie-investeringen in buitenlandsituaties.
  • Het drempelbedrag voor de KIA bedraagt € 450 per bedrijfsmiddel. Het drempelbedrag voor de EIA bedraagt € 2.500 per bedrijfsmiddel.
  • Het betalingscriterium is van toepassing.
  • De uitsluitingsbepalingen binnen de familiekring en verbonden lichamen gelden voor de EIA en de KIA.
  • De uitsluitingsbepalingen zijn, op die van de ter beschikking aan derden gestelde bedrijfsmiddelen na, van toepassing op de EIA.
  • De desinvesteringstermijn en bepalingen van de KIA zijn van toepassing.
[news] 2014-08-06 0000-00-00 0000-00-00 4340
Milieu Investeringsaftrek en Vamil (MIA [news] 2014-08-06

Milieu-investeringsaftrek / Vamil

Fiscaal voordelig investeren in milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen is mogelijk met de milieu-investeringsaftrek MIA en (Vervroegde Afschrijvingen Milieu-investeringen) Vamil. Met de MIA kan gebruik worden gemaakt van een investeringsaftrek die kan oplopen tot 36% van het investeringsbedrag. Dat komt bovenop uw gebruikelijke investeringsaftrek. De Vamil biedt ondernemers de mogelijkheid om 75% van de investeringskosten op een door uzelf te bepalen tijdstip af te schrijven. Kwalificerende investeringen staan vermeld op de Milieulijst.

Voor wie?

De faciliteit van de milieu-investeringsaftrek is, net zoals die van de energie-investeringsaftrek maar in tegenstelling tot de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, voorbehouden aan fiscale ondernemers. Andere winstgenieters zoals medegerechtigden tot een ondernemingsvermogen (veelal commanditaire vennoten) kunnen geen milieu-investeringsaftrek genieten.

De hoogte van de aftrek is afhankelijk van de categorie waarin de investering valt.

  • Categorie I 36%.
  • Categorie II 27%.
  • Categorie III 13,5%.

Het bedrag aan milieu-investeringen moet minimaal € 2.500 (2017) zijn. Maximaal € 25 miljoen.

Veel investeringen op de Milieulijst komen ook in aanmerking voor vervroegde afschrijving milieu-investeringen (Vamil). Binnen drie maanden na het aangaan van de verplichtingen moet de investering voor de MIA en de Vamil worden gemeld bij het eLoket van RVO.

0000-00-00 0000-00-00 4341
RDA Subsidie [news] 2014-08-06

RDA-aftrek (S&O-aftrek)

De Research en Development Aftrek (RDA) is een aftrekpost voor bedrijven die investeren in R&D, oftewel speur- en ontwikkelingswerk. Research & Development Aftrek (RDA) voor IB-ondernemers en VPB-plichtige lichamen. De RDA is, naast de WBSO (Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk) en de Innovatiebox, de derde stimuleringsregeling voor innovatie. Deze aftrek is bedoeld voor direct toerekenbare R&D-uitgaven anders dan loonkosten, die worden immers al via de S&O-afdrachtvermindering en voor IB-ondernemers de S&O-aftrek gefaciliteerd.

Als u een WBSO-verklaring heeft, kunt u veelal eenvoudig van deze mogelijkheid gebruik maken. Heeft u geen recht op een WBSO-verklaring, dan heeft u ook geen recht op de RDA-aftrek.

De RDA is bedoeld om ondernemingen die S&O-werkzaamheden verrichten financieel te ondersteunen.

Het percentage voor de RDA is:

2014: 60%,

2013: 54%, 

en in 2012 was deze 40%.

Wie komt er in aanmerking voor de RDA?

Bedrijven en ondernemers die innoveren komen voor de regeling in aanmerking. De voorwaarden zijn:

  1. U bent ondernemer voor de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting (B.V. / N.V.).
  2. U investeert in enig kalenderjaar in R&D-activa.
  3. U bent in het bezit van een zogenaamde WBSO- (of S&O-)verklaring resp. u komt hiervoor in aanmerking.

Hoeveel bedraagt de RDA?

De bepaling van het RDA-bedrag wordt als volgt bepaald:

  1. Vast bedrag per uur (forfait). Als het aantal goedgekeurde S&O-uren onder 150 uur per maand blijft en de totale kosten onder de €50.000 worden geschat, wordt het bedrag als volgt berekend: aantal goedgekeurde S&O-uren x €15.
  2. Opgave van geschatte kosten / uitgaven. Als het aantal goedgekeurde S&O-uren hoger is dan gemiddeld 150 uur per maand of de totale kosten zijn naar verwachting hoger dan €50.000, dan wordt het RDA-bedrag berekend op basis van de geschatte kosten / uitgaven voor de S&O-projecten. Deze kosten / uitgaven moeten worden benoemd in de aanvraag.
  3. Afzonderlijke uitgaven van meer dan € 1 miljoen moeten in 5 jaar voor steeds 20% opgevoerd worden, andere uitgaven in één jaar.

Voorwaarden

  • Aftrek vooraf vaststellen op basis van een schatting.
  • Herzien als de realisatie meer dan een bepaalde marge daarvan afwijkt en bij desinvesteringen.
  • Kosten van uitbesteed werk kwalificeren niet.
  • De RDA over de aanschaf- of voortbrengingskosten en evt. exploitatiekosten.
  • De RDA komt bovenop de investeringsaftrek.
  • Gelijktijdig met de WBSO-aanvragen.

Wijzgingen 2014



Voor de RDA is de volgende wijziging doorgevoerd:

  • Het percentage van de RDA gaat van 54% naar 60%.
  • Het budget voor de RDA bedraagt in 2014 € 302 miljoen.

0000-00-00 0000-00-00 4342
WBSO [news] 2014-08-06

WBSO  (Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk)

Bedrijven kunnen de financiële lasten van R&D-projecten verlagen via de WBSO (Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk) en de RDA (Research en Development Aftrek).

  • De WBSO verlaagt de loonkosten.
  • De RDA levert een extra aftrekpost op voor andere kosten en uitgaven voor het project, bijvoorbeeld voor prototypes of onderzoeksapparatuur.

Beide regelingen stimuleren technische innovaties in iedere bedrijfssector. U kunt het voordeel van de WBSO en RDA verrekenen via uw belastingaangifte. De regeling kan de loonkosten voor een werknemer eenvoudig verlagen met € 30.000.

Voor wie is de WBSO ?

De WBSO is bestemd voor Nederlandse bedrijven die onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten uitvoeren. Het kan gaan om doorgewinterde bedrijven die een nieuwe weg inslaan of start ups. Publieke bedrijven kunnen geen WBSO verkrijgen. Een aanvraag kunt u hier indienen.

Tarieven WBSO 2015 - 2017

De tarieven voor de WBSO zijn de volgende:

  • 2015: 1e schijf 35% (starters 50%), grens € 250.000;
  • 2015: 2e schijf 14%, plafond € 14 mln.;
  • 2016: 1e schijf 32% (starters 40%), grens € 350.000;
  • 2016: 2e schijf 16% (geen grens).
  • 2017: 1e schijf 32% (starters 40%), grens € 350.000;
  • 2017: 2e schijf 16% (geen grens).

Vragen over de WBSO

Neem geheel vrijlblijvend contact op met onderstaande fiscaal jurist.

0000-00-00 0000-00-00 4343

De innovatiebox

Winsten behaald met activiteiten binnen de innovatiebox worden belast tegen een tarief in de vennootschapsbelasting van slechts 5%. Wellicht is deze stimuleringsmaatregel voor uw bedrijf ook interessant!

Besluit innovatiebox 2014

Het besluit over de innovatiebox (art. 12b Wet Vennootschapsbelasting 1969) geeft een uitgebreide uitleg over:

  • uitvoering;
  • elementen van de innovatiebox;
  • toegangscriteria innovatiebox.

Het besluit d.d. 1 september 2014 kunt u hier raadplegen.

Wijziging innovatiebox

Per 1 januari 2013 is de innovatiebox aangepast. Innovatieve ondernemers mogen vanaf 2013 25% van de winst binnen het bedrijf (let op: alleen rechtspersoon zoals B.V. en N.V.) aanmerken als voordeel voor de innovatiebox, dit met een maximum van €  25.000. Dit deel van de winst wordt dan niet belast tegen een tarief van 20% of 25%, maar slechts tegen een tarief van 5%. Het is wel van belang dat RVO.nl de producten of diensten aanmerkt als innovatief.

Er wordt voor een termijn 36 maanden (dus 3 jaar) duidelijkheid gegeven. De innovatiebox geldt voor winsten die samenhangen met een octrooi of patent en niet voor inkomsten uit een logo, merk of iets wat hierop lijkt.

Lees meer over de Innovatiebox aanvragen voor uw onderneming

Afstemming met de Belastingdienst

Wij kunnen u adviseren over de toepassing van de innovatiebox. Het toerekenen van kosten en opbrengsten aan het innovatieve immateriële activum of de software is maatwerk. Dit kan volgens de forfaitaire regeling, waarbij 25% van de winst wordt aangemerkt als het saldo van voordelen uit hoofde van de immateriële activa. Daarbij hoeft geen drempel in aanmerking te worden genomen. Het forfaitaire bedrag is gemaximeerd op € 25.000. Het is vaak beter om een en ander in overleg met de Belastingdienst vast te stellen.

Wijzigingen in de innovatiebox tot nu toe:

   Innovatiebox vanaf 2010   2008 - 2009   2007 
Ondernemers (inbreng in B.V. mogelijk   VPB   VPB  VPB
Octrooibox voor 

Immateriële vaste activa

en software

  Immateriële vaste activa

van na 31-12-2007 en software

 

Immateriële vaste activa



Ruimte: voortbrengingskosten x factor onbeperkt   4  4
Voorwaarde activum octrooi is verleend of S&O-verklaring  Octrooi is verleend of S&O-verklaring Octrooi is verleend
Maximum onbeperkt  € 400.000 en octrooi volledig viermaal innovatie of octrooi
Tarief  5%   10%  10%
Verlies aftrekbaar tegen hoge tabel tarief    tegen 10%  tegen 10%
Uitbesteden werk mag tot  50% S&O   50% S&O  
Regie in NL  50% of meer     

Inbreng in de B.V.

Het Ministerie van Financiën heeft aangegeven dat IB-ondernemers die ook gebruik willen gaan maken van de innovatiebox de mogelijkheid hebben om de onderneming in te brengen in de B.V. Dat kan overigens voor alle ondernemers, maar is fiscaal vaak niet interessant. Als aan een eenmanszaak een WBSO-verklaring is verstrekt, gaat deze bij geruisloze inbreng van rechtswege over op de B.V. Deze voortzettende B.V. kan dan in aanmerking komen voor de innovatiebox.

Innovatiebox [news] 2014-08-06 0000-00-00 0000-00-00 4344
Innovatiekrediet [news] 2014-08-06

Innovatiekrediet voor starters

Veel startende ondernemers zien vele kansen in de markt voor een nieuw product, maar hebben te weinig financiële armslag. Banken staan doorgaans niet meer te springen! Zowel starters als gevestigde bedrijven kunnen profiteren van het Innovatiekrediet. In 2014 bedraagt het budget voor het Innovatiekrediet € 60 miljoen. U kunt een krediet aanvragen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. 

Zie: http://www.rvo.nl/subsidies-regelingen/aanvragen-innovatiekrediet.

Het krediet is bestemd voor de financiering van veelbelovende innovatieve projecten. Deze projecten moeten binnen enkele jaren leiden tot nieuwe producten. Bijvoorbeeld de technische ontwikkeling van een nieuw product. Of de ontwikkeling van een medicijn waarbij nog een klinische studie is vereist.



Kleine bedrijven kunnen met het innovatiekrediet 45% van de ontwikkelingskosten van een project financieren, middelgrote bedrijven 35% en grote bedrijven 25%  Het krediet bedraagt maximaal € 5 miljoen. Onder de ontwikkelingskosten vallen onder andere: eigen loonkosten, materialen, afschrijvingen, uitbestedingkosten, reiskosten en kosten van octrooiaanvragen. In het geval van samenwerkingsverbanden kan het maximale kredietpercentage verhoogd worden tot 40% of 50%, zie tabel.

Als het project in technische zin mislukt, kan het ontvangen geld kwijtgescholden worden. Slaagt het project, dan moet u de lening inclusief opgebouwde rente binnen 10 jaar terugbetalen volgens het afgesproken schema.

0000-00-00 0000-00-00 4345
Innovatiebox in 2017 [news] 2016-05-26

Innovatiebox vervalt in 2017

Nederland heeft een geweldige innovatiebox, de belasting op winst is geen 25% maar slechts 5%. Buitenlandse bedrijven laten hierdoor winsten over innovatie in Nederland vallen. Ik zou zeggen: "Da's mooi, komt er meer R&D naar Nederland met daarbij behorende kennis en werkgelegenheid." Binnen Europa (en G20 / OESO) kijkt men daarom kritisch naar deze maatregel, het zou tot belastingontwijking bij multinationals kunnen leiden. Begin 2016 is een evaluatierapport over de innovatiebox verschenen. De conclusie: "innovatiebox moet doeltreffender en doelmatiger."

De Staatssecretaris heeft mede door bovenstaande aangekondigd dat de innovatiebox in 2017 wordt aangepast.

Belangrijke tip innnovatiebox

Wilt u gebruik maken van de innovatiebox, vraag dan in 2016 deze nog aan. De regeling zal dan voor u gelden tot 2021 (in plaats van 2017). Wij kunnen u hierbij prima helpen. Uiteindelijk sluiten wij hiervoor een overeenkomst met de Belastingdient, hierdoor heeft u ook zekerheid. Daarnaast is het van belang dat u immateriële vaste activa vóór 30 juni 2016 in gebruik neemt, de nieuwe wet heeft wellicht terugwerkende kracht tot dit moment.

Mogelijke beperkingen in 2017

De belangrijkste wijzigingen in de innovatiebox in 2017 zullen vermoedelijk betrekking hebben op het volgende:

  1. Grote bedrijven kunnen minder eenvoudig gebruik maken van de innovatiebox (omzet hoger dan € 250 miljoen per 5 jaar en innovatieboxvoordeel van meer dan € 37,5 mln. per 5 jaar);
  2. Band met Nederland wordt voor innovatiebox van belang;
  3. Op intercompanykosten, een voordeel voor de WBSO en / of innovatiebox claimen wordt lastiger;
  4. Er komt een directe koppeling tussen de kosten van een octrooi en de winst die hiermee wordt behaald.

Vragen over de innovatiebox

U kunt geheel vrijblijvend een afspraak inplannen met één van onze (onderstaande) adviseurs.

0000-00-00 0000-00-00 4936

Duurzaam en groen beleggen met hoger rendement

Baalt u ook zo van de matige rendementen op uw beleggingen terwijl u voor de heffing van de inkomstenbelasting in box 3 toch geacht wordt 4% rendement te maken? De spaarrekening levert niets op, aandelen zijn risicovoller – zeker bij een korte beleggingshorizon -, alleen het rendement in onroerend goed spreekt nog enigszins aan. 

Het kan ook anders

U kunt de rendementen op uw beleggingsvermogen best verhogen. U kunt dan (onder andere) gebruik maken van fiscale stimuleringsmaatregelen als de Energie-investeringsaftrek (EIA), de Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de regeling voor vervoegde afschrijving van milieu-investeringen (VAMIL).

Voorwaarde voor toepassing van de genoemde regelingen is, dat u voor het investeringsproject kwalificeert als ondernemer. Dat kan het geval zijn als de investering is ondergebracht in een B.V., maar dat kan ook het geval zijn als u als IB-ondernemer investeert (eenmanszaak, VOF, maatschap).

Dat klinkt deftig, maar dat valt allemaal wel mee. Als u met een aantal andere beleggers investeert in bepaalde duurzame en groene bedrijfsmiddelen met als doel deze te gaan exploiteren (verhuur, financial lease), is er al snel sprake van ondernemerschap.

Om een voorbeeld te geven en te laten zien dat het niet alleen om “exotische”, risicovolle, investeringen gaat: investeringen in zonneboilers, -collectoren of -panelen, die worden toegepast op woningen kunnen voor EIA in aanmerking komen.

Voorwaarde is dan wel dat deze apparaten als afzonderlijke bedrijfsmiddelen beschouwd kunnen worden die geen deel uitmaken van de woning.

Bij het opzetten van een onroerendgoedproject is deze scheiding tot stand te brengen. De zonnecollectoren kunnen een afzonderlijk bedrijfsmiddel worden waarin kan worden geïnvesteerd. Voor het aanleggen van een aantal zonnepanelen op 1 woning is het uiteraard niet interessant; wel als sprake is van een groter project of bedrijfspand(en).

Ook de MIA en de VAMIL kennen (versnelde) afschrijvingsregelingen voor duurzame en groene investeringen.

Maatwerk

Helaas voor u en goed voor ons, het is altijd maatwerk. De regelingen (en voorwaarden) worden ook jaarlijks aangepast; wat het ene jaar fiscaal wordt gestimuleerd, wordt dat het andere jaar niet. Het is dus steeds weer zoeken naar de mogelijkheden. En … wij zoeken graag voor u!

Duurzaam en groen beleggen met een hoger rendement [news] 2017-07-03 0000-00-00 0000-00-00 5164

Innovatiebox, een kijkje in de keuken.

In Nederland betalen bedrijven (rechtspersonen) 20 - 25% winstbelasting. Via de innovatiebox is dit percentage slechts 5%. In 2017 is de wetgeving aangescherpt, geen spannende wijzigingen maar deze zorgen veelal wel voor een lagere grondslag en meer administratie. De Belastingdienst heeft intern veel beleid ontwikkeld, dit beleid is nu openbaar gemaakt. Leesvoer voor fiscalisten !

WOB-verzoek innovatiebox

Via een zogenaamd WOB-verzoek krijgen we een kijkje in de keuken bij de Belastingdienst. Via ruim 500 pagina's interne documenten is een betere beoordeling te maken van de wijze waarop de Belastingdienst een verzoek om toepassing van de innovatiebox in behandeling neemt en hiervoor een beschikking afgeeft. De volgende zaken komen aan de orde:

  1. Toetsingskaders bij het van toepassing verklaren van de innovatiebox.
  2. De toetsingskaders bij het vaststellen van het percentage van de winst dat toegerekend kan worden aan research and development.
  3. De criteria die van belang zijn bij de toerekening van een percentage van de winst aan research and development en in welke mate zij van belang worden geacht.
  4. Het (interne) beleid c.q. de nadere uitvoeringsregels c.q. uitleg van de Belastingdienst met betrekking tot toepassing van de innovatiebox.
  5. Instructies, handvatten, standpuntbepalingen en inlichtingen van kennisgroepen, coördinatiegroepen e.d. binnen deze groepen en daarbuiten.

Uitvoering innovatiebox

In de documenten wordt duidelijk welke instructies, standpunten, handvatten, kennisgroepen en coördinatiegroepen er binnen de Belastingdienst zijn. Er zijn ruim 43 documenten openbaar gemaakt, 500 pagina's voer voor fiscalisten en subsidieverstrekkers die zich bezighouden met de innovatiebox. In de documenten vindt u ook presentaties, vaststellingsovereenkomsten, modellen en nieuwsbrieven.

Advisering innovatiebox

Wij hebben binnen onze organisatie een aantal mensen die gespecialiseerd zijn in de innovatiebox. Wilt u een vrijblijvend gesprek over de mogelijkheden of onmogelijkheden, stuur gerust een mail.

Documenten en modellen Innovatiebox

Document 1 innovatiebox (WOB Verzoek).

Document 2 innovatiebox (WOB Verzoek).

Document 3 innovatiebox (WOB Verzoek).

Document 4 innovatiebox (WOB Verzoek).

innovatiebox, een kijkje in de keuken. [news] 2017-08-29 0000-00-00 0000-00-00 5186

Innovatiebox en afdrachtvermindering loonbelasting

Wanneer een vennootschap innovatieve werkzaamheden verricht, is het raadzaam om te kijken of u in aanmerking komt voor een WBSO. In het navolgende een kort overzicht van de te behalen voordelen.

Afdrachtvermindering  loonbelasting



Iedere onderneming in Nederland die S&O gaat doen, kan een WBSO-aanvraag indienen, tenzij de onderneming een publieke kennisinstelling is. De WBSO maakt daarbij wel onderscheid tussen S&O-inhoudingsplichtigen (ondernemingen die hun werknemers S&O laten verrichten) en S&O-belastingplichtigen (zelfstandigen die zelf S&O verrichten).

De bijdrage voor S&O-inhoudingsplichtigen bestaat uit een vermindering op de af te dragen loonbelasting en premie volksverzekeringen en bedraagt per kalenderjaar:

  • 32% van de eerste € 350.000 van de totale S&O-grondslag (voor starters geldt een verhoogd tarief van 40% van de eerste € 350.000 van de totale S&O-grondslag); en
  • 16% van de resterende S&O-grondslag.

Ook DGA’s kunnen een beroep doen op de S&O afdrachtvermindering. Veelal staat de DGA op de loonlijst bij zijn eigen holding, hiervoor dient dan separaat een S&O-verklaring te worden aangevraagd.

Zelfstandigen kunnen op hun beurt, indien ze minimaal 500 uur per kalenderjaar in S&O steken, de zelfstandigenaftrek verhogen tot € 12.775. Startende zelfstandigen kunnen een extra verhoging van € 6.391 toepassen op de zelfstandigenaftrek.

Hoe werkt de Innovatiebox?

Alle winsten die een vennootschap behaalt met innovatieve activiteiten, vallen onder voorwaarden in de innovatiebox. Kort gezegd houdt dit in dat deze winst wordt belast tegen een tarief van 7% (vanaf 2021 tegen 9%) in plaats van het gebruikelijke Vpb-tarief. Om toegang te krijgen dient de vennootschap in het bezit te zijn van een S&O-verklaring (waarmee tevens de afdrachtvermindering loonbelasting kan worden toegepast). Daarnaast dient de vennootschap het immaterieel actief zelf te hebben voortgebracht.  

Regelgeving innovatiebox 

Vanaf 1 januari 2017 zijn er een aantal nieuwe regels ingevoerd met betrekking tot de innovatiebox. Eén van de regels is dat er onderscheid wordt gemaakt tussen een kleine en een grote belastingplichtige. Indien sprake is van een grote onderneming, dan zijn er aanvullende eisen ten aanzien van het toepassen van de innovatiebox (octrooi, kwekersrecht, etc.).

Er is sprake van een kleinere belastingplichtige als wordt voldaan aan het voordeelcriterium en het omzetcriterium. Het voordeelcriterium houdt in dat een belastingplichtige over vijf jaar ten hoogste € 37,5 miljoen aan bruto voordelen uit immateriële activa geniet. Hierbij staat 'jaar' voor boekjaar.Daarnaast  zal het omzetcriterium getoetst behoren te worden. Het omzetcriterium houdt in dat over een periode van vijf jaar de (groep van de) belastingplichtige een netto-omzet heeft van ten hoogste € 250 miljoen. Voor het bepalen van de netto-omzet moet een belastingplichtige de meest omvattende jaarrekening gebruiken. Als de belastingplichtige verklaart in geen enkele jaarrekening te zijn meegeconsolideerd, dan moet de enkelvoudige jaarrekening van de belastingplichtige zelf worden gebruikt.

Ook hier is jaar gelijk aan boekjaar. Verder wordt dus voor het bepalen van de netto omzet van de belastingplichtige of de groep op grond van de verwijzing naar art. 2:377 BW, de netto omzet als opgenomen in de (geconsolideerde) jaarrekening genomen. Deze keuze is gemaakt omdat de fiscale gegevens van een groep als geheel niet altijd beschikbaar zijn. Uit de verwijzing naar het begrip groep van art. 2:24b BW volgt dat het concernbegrip vanuit het jaarrekeningenrecht wordt gehanteerd bij de toetsing van de netto-omzet.

De feitelijk beschikbare (geconsolideerde) jaarrekening is het uitgangspunt bij het toetsen van het omzetcriterium, tenzij deze jaarrekening evident in strijd is met toepasselijke regels voor de jaarverslaggeving. Is er sprake van een groep en is de groepsjaarrekening opgemaakt in overeenstemming met het Burgerlijk Wetboek (BW) en in overeenstemming met een andere buitenlandse wettelijke regeling zoals US GAAP (Generally Accepted Accounting Principles), dan wordt uitgegaan van de groepsjaarrekening conform het BW.

Zoals het bovenstaande laat zien, worden innovatieve activiteiten fiscaal vriendelijk behandeld, waardoor u behoorlijke voordelen kunt behalen. Hiervoor is het wel noodzakelijk dat u zich laat begeleiden door een fiscaal adviseur teneinde ongewenste gevolgen te voorkomen. Neem contact met ons op voor meer informatie. 

Innovatiebox en afdrachtvermindering loonbelasting [news] 2019-12-09 0000-00-00 0000-00-00 6333

Innoveren met fiscaal voordeel

Voor innoverende ondernemers zijn er diverse fiscale voordelen te behalen, de belangrijkste zijn:

  • WBSO (minder loonheffing betalen);
  • de innovatiebox (lagere winstbelasting).

Zorg er voor dat je dit tijdig (vooraf) goed regelt, dan kun je veel fiscaal voordeel behalen.

Research & Development, de WBSO

De overheid wil investeringen in innovaties stimuleren. Voor werknemers die aan Research & Development werken, kan een forse korting worden verkregen op de loonkosten in de vorm van een vermindering op de af te dragen loonheffingen.

De hoogte van de afdrachtvermindering in de aangifte loonheffingen is als volgt:

  • 32% van de loonkosten en overige kosten en uitgaven voor speur- en ontwikkelingswerk, tot een bedrag van € 350.000;
  • 16% over het meerdere.

Starters en WBSO

Voor starters geldt een extra afdrachtvermindering: het percentage in de eerste schijf is dan 40%.

Aanvragen WBSO

Om in aanmerking te komen voor de afdrachtvermindering, moet de onderneming een S&O-verklaring aanvragen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Let er op deze tijdig aan te vragen; dit moet moet voorafgaand aan de periode waarop de aanvraag betrekking heeft.

Innovatiebox

Alle winsten die uw B.V. behaalt met innovatieve activiteiten vallen onder voorwaarden in de innovatiebox. Het tarief van de VPB voor deze winsten is 7%, in plaats van de standaard 20/25% van de vennootschapsbelasting. In 2021 gaat dit tarief naar 9%.

Als u een beroep wilt doen op de innovatiebox, moet u om te beginnen in het bezit zijn van een S&O-verklaring (speur- en ontwikkelingsverklaring). De S&O-verklaring is noodzakelijk voor het verminderen van de loonkosten voor innovatieprojecten. Deze verklaring is het centrale toegangsticket voor de innovatiebox.

Nieuwe wetgeving voor innovatiebox

Op 1 januari 2017 is de nieuwe innovatiebox ingevoerd. De Belastingdienst maakt sindsdien voor de innovatiebox onderscheid tussen kleine en grote ondernemingen. U bent een kleine belastingplichtige als u voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • Als het brutovoordeel uit al uw immateriële activa in het boekjaar waarin uw B.V. gebruik wil maken van de innovatiebox en de vier voorafgaande boekjaren minder dan € 37,5 miljoen is.
  • Als uw netto-omzet in het boekjaar waarin uw B.V. gebruik wil maken van de innovatiebox plus de vier voorafgaande boekjaren ten hoogste € 250 miljoen is.
  • Onderdeel van een groep? Dan moet u uitgaan van de netto-omzet van de groep.

Wil er sprake zijn van een innovatieve activiteit, dan moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

  • U moet het immateriële activum zelf hebben voortgebracht. Hiervan is sprake als u zelf het speur- en ontwikkelingswerk heeft verricht voor het immateriële activum, en u dat voor uw eigen rekening en risico deed (dit geldt voor kleine en grote ondernemingen).
  • U heeft een S&O-verklaring gekregen voor de activiteiten (dit geldt voor kleine en grote ondernemingen).
  • Grote ondernemingen moeten óók nog over één van de volgende zaken beschikken:

o    een octrooi (of in aanvraag);

o    een kwekersrecht (of in aanvraag);

o    ontwikkeling van nieuwe biologische gewasbeschermingsmiddelen;

o    programmatuur;

o    een vergunning om geneesmiddelen op de markt te brengen;

o    een geregistreerd gebruiksmodel ter bescherming van innovatie;

o    aanvullend beschermingscertificaat verleend door Octrooicentrum NL.

Voldoet een immaterieel activum aan alle voorwaarden, dan kunt u ervoor kiezen om dit in de innovatiebox op te nemen. U geeft uw keuze voor de innovatiebox door in uw aangifte vennootschapsbelasting over het eerste jaar waarin u de innovatiebox wilt toepassen. U kunt deze keuze maken zolang de aanslag over dat jaar nog niet onherroepelijk vaststaat. De voordelen kunt u pas in de innovatiebox opnemen als ze boven de drempel van de totale voortbrengingskosten van de activa uitkomen.

Deze drempel berekent u als volgt:

Saldo in te lopen voortbrengingskosten plus de voortbrengingskosten in het boekjaar. De drempel moet u verhogen met de nog niet ingelopen innovatieverliezen. Zijn de voordelen in een boekjaar lager dan de in te lopen voortbrengingskosten, dan moet u het resterende bedrag meenemen naar het volgende boekjaar. Alleen het deel van de voordelen dat uitkomt boven de in te lopen voortbrengingskosten in het boekjaar (de drempel) valt onder de heffing van 7% (9% in 2021).

U kunt echter kiezen voor de toepassing van een vast percentage (forfait) bij toepassing van de innovatiebox. U hoeft dan niet uit te rekenen hoeveel winst u precies mag toerekenen aan de activa die u aan de innovatiebox heeft toegekend. Hiermee voorkomt u dus discussie met de Belastingdienst. Het forfait is 25% van uw nettowinst. Het gaat hierbij om de winst vóór toepassing van de innovatiebox. U mag elk jaar kiezen of u het vaste percentage wel of niet toepast. Het maximale bedrag waarop u het forfait mag toepassen is € 25.000. Dit bedrag kan dus nadelig voor u uitpakken, let dus goed op! U mag het forfait toepassen in het jaar waarin u de activa heeft voortgebracht en de twee volgende jaren.

Vragen over innovatie en fiscus

Mocht u innovatief aan het ondernemen zijn en nog geen gebruik maken van de WBSO en de innovatiebox, dan raden wij u aan contact op te nemen met een ter zake deskundige adviseur. Hiervoor kunt u contact opnemen met ons kantoor en dan zullen wij in samenspraak met een subsidieadviseur het gehele traject voor u kunnen regelen.

Innovatie en fiscus [news] 2019-12-11 0000-00-00 0000-00-00 6336

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek bij samenwerkingsverbanden

In Nederland kennen we meerdere manieren om samen te werken. Indien het een samenwerking betreft in de vorm van een fiscaal transparante entiteit, vaak een vennootschap onder firma (hierna “VOF”) of maatschap, kunnen er vragen opkomen over de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Hierna zal kort worden ingegaan op de toepassing van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Vervolgens zal er aandacht worden besteed aan deze aftrekpost in relatie tot het werken in de vorm van een samenwerkingsverband en het hebben van buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen.

Wat is de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek?

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (hierna “KIA”) is een aftrekpost die in mindering gebracht mag worden op de fiscale winst. Deze aftrek geldt zowel voor de inkomsten- als vennootschapsbelasting. De KIA is bedoeld als instrument om investeringen van kleinere omvang te stimuleren. De aftrekpost is daarmee vooral gericht op het MKB-bedrijf. In de praktijk zien wij echter regelmatig dat juist bij dit type bedrijf de regeling niet of onjuist wordt toegepast; en dat is zonde.

De KIA kan worden toepast bij investeringen in een bedrijfsmiddel. De wet schrijft strikt voor wanneer wel en wanneer niet sprake is van een bedrijfsmiddel waarop de KIA van toepassing is. De KIA wordt vervolgens berekend op basis van een percentage van het investeringsbedrag en de hoogte van de aftrek wordt afgeleid uit een tabel. Deze tabel kan jaarlijks wijzigen. U dient de KIA aan te vragen bij het doen van de belastingaangifte. De aanvraag kan gewijzigd (of juist ingediend) worden zolang de belastingaanslag nog niet onherroepelijk is vastgesteld. Hierna volgt een voorbeeld.

Voorbeeld

Indien een ondernemer in een kalenderjaar voor de inkomstenbelasting een investering doet in bedrijfsmiddelen van in totaal € 40.000, dan bedraagt de KIA (40.000 * 28% =) € 11.200. De ondernemer dient bij het doen van de aangifte inkomstenbelasting over het betreffende boekjaar actief om toepassing van de KIA te verzoeken.

Samenwerkingsverbanden en KIA

In geval een onderneming wordt gedreven in de vorm van een VOF, dan pakt de KIA anders uit. In dat geval wordt er niet per vennoot van de VOF gekeken naar zijn investering, maar wordt de KIA berekend en de aftrekpost verdeeld over de verschillende vennoten naar rato van ieders gerechtigdheid. Een voorbeeld ter verduidelijking.

Voorbeeld

Een ondernemer oefent samen met zijn medevennoot een onderneming uit in de vorm van een VOF. De winstverdeling en gerechtigdheid tot de stille reserves is 50% ieder. De vennootschap onder firma investeert in het boekjaar 2021 € 80.000 in bedrijfsmiddelen. De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek wordt, aan de hand van de tabel, bepaald over het totale investeringsbedrag en bedraagt dan in totaal € 16.568. Vervolgens komt de helft toe aan iedere firmant. Het is dus niet zo dat iedere vennoot de KIA berekent over € 40.000 (50% van het investeringsbedrag). In dat geval zou ieder recht hebben op KIA ter grootte van € 11.200 en zou de totale aftrek € 22.400 bedragen. Juiste toepassing van de regeling leidt er dus toe dat iedere vennoot € 8.284 claimt.

Buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen en KIA

De Hoge Raad heeft in 2019 een arrest gewezen omtrent de berekening van de KIA in geval van een maatschap. Hier betrof het een dierenarts die met nog vijf dierenartsen een dierenartsenpraktijk in de vorm van een maatschap dreef. Daarnaast had de dierenarts buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen. Dit is ondernemingsvermogen dat niet in de dierenartsenpraktijk is aangekocht, maar door de dierenarts zelf. Illustratief is de aankoop van een pand in ‘privé’, dat vervolgens ter beschikking wordt gesteld aan het samenwerkingsverband.

De casus die de Hoge Raad moest beslechten was als volgt:

De dierenartsenpraktijk (de maatschap) heeft een bedrag van € 40.517 geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen. De dierenarts zelf – dus in buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen –  € 56.615. De inspecteur was van mening dat de investeringen € 97.032 bedroegen en dat hier een percentage van 15,94% als KIA bij hoort, de aftrekpost zou dan uitkomen op € 10.085.

De dierenarts kijkt hier anders tegenaan. Hij is van mening dat de investering die aan hem toe te rekenen is bestaat uit 100% van € 56.615, vermeerderd met 1/6 van de investeringen van de dierenartsenpraktijk. Dat leidt tot een investeringsbedrag voor de dierenarts van € 63.368. De KIA die daarbij hoort bedraagt € 15.470.

In bovenstaande zaak heeft de dierenarts uiteindelijk gelijk gekregen. In een andere zaak waarover de Hoge Raad in 2020 uitspraak heeft gedaan kwam vergelijkbare problematiek aan de orde. In die situatie werd de inspecteur in het gelijk gesteld. De onduidelijkheid in de berekeningsmethodiek heeft geleid tot een wetswijziging met ingang van 1 januari 2021. Dit betekent dat er in het jaar 2020 nog een andere berekeningsmethodiek kan gelden dan ten opzichte van het jaar 2021.

De wetswijziging die per 1 januari 2021 is ingevoerd leidt ertoe dat de KIA veelal lager uit zal vallen. Wij beschrijven hierna kort de wetswijziging.

Wetswijziging KIA per 1 januari 2021

De wetswijziging komt erop neer dat de evenredige toepassing in de wet wordt vastgelegd. Dit geldt voortaan ook voor de situatie waarin geïnvesteerd wordt in buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen; ook dan geldt dus het recht op KIA voor een evenredig deel van het maximumbedrag voor het aandeel in het investeringstotaal. Door het samentellen van investeringen van deelnemers in een samenwerkingsverband, zal in veel gevallen de KIA lager uitvallen. Voorts is opgenomen dat de KIA moet worden berekend per onderneming en niet per ondernemer. Deze wijziging is op te vatten als een reparatie naar aanleiding van een uitspraak van de Hoge Raad, die anders had beslist. Dit laatste kan voor belastingplichtigen ook voordelig uitpakken.

Noot fiscaal-jurist

De KIA is in de meeste gevallen een praktische regeling. Deze regeling kan in sommige situaties complex worden. Dat geldt bijvoorbeeld indien sprake is van één of meer samenwerkingsverbanden of indien er wordt geïnvesteerd in buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen.

Indien u meer wilt weten, kunt u hierover rechtstreeks contact opnemen met de auteur van dit artikel.

Investeringsaftrek bij samenwerking [news] 2021-07-22 0000-00-00 0000-00-00 7092

Energie-investeringsaftrek

Via de Energie-investeringsaftrek (EIA) kunnen bedrijven fiscaal voordelig investeren in energiezuinige technieken en duurzame energie. U kunt 45% (cijfers 2021) van de investeringskosten aftrekken van de fiscale winst, bovenop uw gebruikelijke afschrijving. Dit betreft een aftrekpost voor investeringen in bedrijfsmiddelen die op de energielijst staan.

Als energie-investeringen kan ten hoogste een investeringsbedrag van € 120 miljoen in aanmerking komen. Voor de energie-investeringsaftrek geldt een afgezwakte samentelregeling voor samenwerkingsverbanden. Voor de bepaling van het investeringsplafond worden de investeringen gedaan door een samenwerkingsverband samengeteld, voor zover de deelnemers aan dat samenwerkingsverband energie-investeringsaftrek zouden kunnen genieten.

Komt u in aanmerking voor de energie investeringsaftrek?

Gebruik hiervoor deze zoektool om te kijken of de investering in aanmerking komt.

Belangrijkste kenmerken EIA en verschillen met kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA)

  • De EIA geldt alleen voor aangewezen energie-investeringen, de KIA voor allerlei soorten bedrijfsmiddelen;
  • De EIA geldt alleen voor ondernemers en niet voor winstgerechtigden (medegerechtigden / commanditaire vennoten).
  • De EIA bedrijfsmiddelen dienen nieuw te zijn, deze eis bestaat niet bij de KIA.
  • Voor de EIA geldt één percentage, de KIA kent een degressieve tabel.
  • Het investeringsplafond van de EIA werkt als een maximum voor verkrijgbare aftrek. Bij overschrijding van het plafond is nog altijd 41,5% van het maximum aan aftrek mogelijk. Bij de KIA vervalt het recht op aftrek na overschrijding van het plafond.
  • Er is een afwijkende administratieve procedure: voor het recht op EIA moet de investering binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting worden gemeld bij de RVO én moet in de aangifte gekozen worden voor toepassing van de EIA.  Er is geen samentelbepaling voor samenwerkingsverbanden maar een afwijkende rekenregel opgenomen in art. 3.42, lid 4, onderdeel b.
  • De algemene uitsluiting voor ter beschikking gestelde bedrijfsmiddelen, zoals bij de KIA, is niet van toepassing voor de EIA, wel zijn er uitsluitingsbepalingen die zien op het ter beschikking stellen van energie-investeringen in buitenlandsituaties.
  • Het drempelbedrag voor de KIA bedraagt € 450 per bedrijfsmiddel. Het drempelbedrag voor de EIA bedraagt € 2.500 per bedrijfsmiddel.
  • Het betalingscriterium is van toepassing.
  • De uitsluitingsbepalingen binnen de familiekring en verbonden lichamen gelden voor de EIA en de KIA.
  • De uitsluitingsbepalingen zijn, op die van de ter beschikking aan derden gestelde bedrijfsmiddelen na, van toepassing op de EIA.
  • De desinvesteringstermijn en bepalingen van de KIA zijn van toepassing.
[news] 2014-08-06 0000-00-00 0000-00-00 4340
Milieu Investeringsaftrek en Vamil (MIA [news] 2014-08-06

Milieu-investeringsaftrek / Vamil

Fiscaal voordelig investeren in milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen is mogelijk met de milieu-investeringsaftrek MIA en (Vervroegde Afschrijvingen Milieu-investeringen) Vamil. Met de MIA kan gebruik worden gemaakt van een investeringsaftrek die kan oplopen tot 36% van het investeringsbedrag. Dat komt bovenop uw gebruikelijke investeringsaftrek. De Vamil biedt ondernemers de mogelijkheid om 75% van de investeringskosten op een door uzelf te bepalen tijdstip af te schrijven. Kwalificerende investeringen staan vermeld op de Milieulijst.

Voor wie?

De faciliteit van de milieu-investeringsaftrek is, net zoals die van de energie-investeringsaftrek maar in tegenstelling tot de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, voorbehouden aan fiscale ondernemers. Andere winstgenieters zoals medegerechtigden tot een ondernemingsvermogen (veelal commanditaire vennoten) kunnen geen milieu-investeringsaftrek genieten.

De hoogte van de aftrek is afhankelijk van de categorie waarin de investering valt.

  • Categorie I 36%.
  • Categorie II 27%.
  • Categorie III 13,5%.

Het bedrag aan milieu-investeringen moet minimaal € 2.500 (2017) zijn. Maximaal € 25 miljoen.

Veel investeringen op de Milieulijst komen ook in aanmerking voor vervroegde afschrijving milieu-investeringen (Vamil). Binnen drie maanden na het aangaan van de verplichtingen moet de investering voor de MIA en de Vamil worden gemeld bij het eLoket van RVO.

0000-00-00 0000-00-00 4341
RDA Subsidie [news] 2014-08-06

RDA-aftrek (S&O-aftrek)

De Research en Development Aftrek (RDA) is een aftrekpost voor bedrijven die investeren in R&D, oftewel speur- en ontwikkelingswerk. Research & Development Aftrek (RDA) voor IB-ondernemers en VPB-plichtige lichamen. De RDA is, naast de WBSO (Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk) en de Innovatiebox, de derde stimuleringsregeling voor innovatie. Deze aftrek is bedoeld voor direct toerekenbare R&D-uitgaven anders dan loonkosten, die worden immers al via de S&O-afdrachtvermindering en voor IB-ondernemers de S&O-aftrek gefaciliteerd.

Als u een WBSO-verklaring heeft, kunt u veelal eenvoudig van deze mogelijkheid gebruik maken. Heeft u geen recht op een WBSO-verklaring, dan heeft u ook geen recht op de RDA-aftrek.

De RDA is bedoeld om ondernemingen die S&O-werkzaamheden verrichten financieel te ondersteunen.

Het percentage voor de RDA is:

2014: 60%,

2013: 54%, 

en in 2012 was deze 40%.

Wie komt er in aanmerking voor de RDA?

Bedrijven en ondernemers die innoveren komen voor de regeling in aanmerking. De voorwaarden zijn:

  1. U bent ondernemer voor de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting (B.V. / N.V.).
  2. U investeert in enig kalenderjaar in R&D-activa.
  3. U bent in het bezit van een zogenaamde WBSO- (of S&O-)verklaring resp. u komt hiervoor in aanmerking.

Hoeveel bedraagt de RDA?

De bepaling van het RDA-bedrag wordt als volgt bepaald:

  1. Vast bedrag per uur (forfait). Als het aantal goedgekeurde S&O-uren onder 150 uur per maand blijft en de totale kosten onder de €50.000 worden geschat, wordt het bedrag als volgt berekend: aantal goedgekeurde S&O-uren x €15.
  2. Opgave van geschatte kosten / uitgaven. Als het aantal goedgekeurde S&O-uren hoger is dan gemiddeld 150 uur per maand of de totale kosten zijn naar verwachting hoger dan €50.000, dan wordt het RDA-bedrag berekend op basis van de geschatte kosten / uitgaven voor de S&O-projecten. Deze kosten / uitgaven moeten worden benoemd in de aanvraag.
  3. Afzonderlijke uitgaven van meer dan € 1 miljoen moeten in 5 jaar voor steeds 20% opgevoerd worden, andere uitgaven in één jaar.

Voorwaarden

  • Aftrek vooraf vaststellen op basis van een schatting.
  • Herzien als de realisatie meer dan een bepaalde marge daarvan afwijkt en bij desinvesteringen.
  • Kosten van uitbesteed werk kwalificeren niet.
  • De RDA over de aanschaf- of voortbrengingskosten en evt. exploitatiekosten.
  • De RDA komt bovenop de investeringsaftrek.
  • Gelijktijdig met de WBSO-aanvragen.

Wijzgingen 2014



Voor de RDA is de volgende wijziging doorgevoerd:

  • Het percentage van de RDA gaat van 54% naar 60%.
  • Het budget voor de RDA bedraagt in 2014 € 302 miljoen.

0000-00-00 0000-00-00 4342
WBSO [news] 2014-08-06

WBSO  (Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk)

Bedrijven kunnen de financiële lasten van R&D-projecten verlagen via de WBSO (Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk) en de RDA (Research en Development Aftrek).

  • De WBSO verlaagt de loonkosten.
  • De RDA levert een extra aftrekpost op voor andere kosten en uitgaven voor het project, bijvoorbeeld voor prototypes of onderzoeksapparatuur.

Beide regelingen stimuleren technische innovaties in iedere bedrijfssector. U kunt het voordeel van de WBSO en RDA verrekenen via uw belastingaangifte. De regeling kan de loonkosten voor een werknemer eenvoudig verlagen met € 30.000.

Voor wie is de WBSO ?

De WBSO is bestemd voor Nederlandse bedrijven die onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten uitvoeren. Het kan gaan om doorgewinterde bedrijven die een nieuwe weg inslaan of start ups. Publieke bedrijven kunnen geen WBSO verkrijgen. Een aanvraag kunt u hier indienen.

Tarieven WBSO 2015 - 2017

De tarieven voor de WBSO zijn de volgende:

  • 2015: 1e schijf 35% (starters 50%), grens € 250.000;
  • 2015: 2e schijf 14%, plafond € 14 mln.;
  • 2016: 1e schijf 32% (starters 40%), grens € 350.000;
  • 2016: 2e schijf 16% (geen grens).
  • 2017: 1e schijf 32% (starters 40%), grens € 350.000;
  • 2017: 2e schijf 16% (geen grens).

Vragen over de WBSO

Neem geheel vrijlblijvend contact op met onderstaande fiscaal jurist.

0000-00-00 0000-00-00 4343

De innovatiebox