HOOFDSTUK VIII Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 41
- Voor de toepassing van de wet wordt met betrekking tot onroerende zaken, gelegen in een gemeente die blijkens haar verordening op de onroerendezaakbelastingen als waardepeildatum 1 januari 1992, 1 januari 1993, 1 januari 1994 of 1 januari 1996 hanteert -indien daarin geen waardering is voorzien naar de waardepeildatum 1 januari 1995- de ingevolge die verordening vastgestelde waarde geacht de waarde per 1 januari 1995 te zijn.
- Indien het eerste lid toepassing vindt, wordt, indien op of na 1 januari 1995 met betrekking tot een onroerende zaak feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 19 zich hebben voorgedaan, de waarde van de onroerende zaak bepaald met inachtneming van artikel 19 naar de in de belastingverordening opgenomen waardepeildatum.
- In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt de waarde van een onroerende zaak als bedoeld in dat lid bepaald met inachtneming van de bepalingen in de Gemeentewet zoals die luidt met ingang van 1 januari 1995 naar de in de belastingverordening opgenomen waardepeildatum.
- De waarde van een onroerende zaak, gelegen in een gemeente als bedoeld in het eerste lid, waarvan geen waarde ingevolge de in dat lid bedoelde verordening is vastgesteld, wordt met inachtneming van het derde lid bepaald naar de in de belastingverordening opgenomen waardepeildatum.
- De voorgaande leden zijn eveneens van toepassing bij het bepalen van de heffingsmaatstaf, bedoeld in artikel 220d, eerste en zesde lid, van de Gemeentewet, en artikel 120, derde, vijfde en zesde lid, van de Waterschapswet.
- Ingeval een belanghebbende bezwaar maakt tegen de met toepassing van de voorgaande leden vastgestelde waarde van een onroerende zaak en aannemelijk maakt dat toepassing van de hoofdstukken III en IV tot vaststelling van een lagere waarde zou leiden, wordt de waarde op de voet van die hoofdstukken bepaald en vastgesteld.
- Ingeval een gemeente blijkens haar verordening op de onroerendezaakbelastingen als waardepeildatum 1 januari 1992 of 1 januari 1993 hanteert, vindt het eerste lid geen toepassing indien de gemeente overgaat tot de waardebepaling en de waardevaststelling op de voet van de wet.
Artikel 42
- In afwijking van artikel 220e van de Gemeentewet kan een gemeente in haar verordening op de onroerende-zaakbelastingen bepalen dat de voor het kalenderjaar 1994 geldende waarde van een onroerende zaak ook wordt toegepast voor de kalenderjaren 1995 en 1996.
- Een gemeente kan in haar belastingverordening ter zake van de in artikel 221 van de Gemeentewet genoemde belastingen voor de belastingjaren tot en met 2000 afwijken van artikel 18, tweede lid, en artikel 22, derde lid.
Artikel 43
(vervallen)
Artikel 44
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in aanvulling op de in de wet geregelde onderwerpen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van de wet en de regelingen ingevolge de wet.
Artikel 45
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 46
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1995
Artikel 47
Deze wet wordt aangehaald als: Wet waardering onroerende zaken.










