print sitemap zoeken disclaimer contact

Navordering bij onjuiste aangifte door gemachtigde

Een belastingplichtige heeft twee kinderen. Hij laat zijn aangifte inkomstenbelasting doen door een gemachtigde (het kantoor). In deze aangifte wordt onder meer de kostenaftrek in verband met kosten van levensonderhoud voor een kind tot 21 jaar geclaimd. De aangifte wordt in 2013 ingediend over het jaar 2012. In 2017 stelt de inspecteur vragen. Dit leidt tot een navordering op de eerdergenoemde post.

Diezelfde gemachtigde doet in 2015 ook de aangifte inkomstenbelasting over 2013. Ook nu claimt hij de kostenaftrek in verband met kosten levensonderhoud kinderen jonger dan 21 jaar. Bij zijn onderzoek in 2017 stelt de inspecteur ook over deze aangifte vragen. Ook dit leidt tot een navordering.

Wij behandelen in dit artikel één van deze dossiers die recent bij het gerechtshof is behandeld. Wij beschrijven eerst de rol van de adviseur en gaan daarna verder op de zaak in.

De rol van de gemachtigde bij deze navorderingszaak

Het kantoor dat de aangiften heeft gedaan is onderwerp geweest van een (strafrechtelijk) onderzoek. Dit onderzoek is opgestart, omdat het kantoor een bijzonder hoog percentage aftrek zorgkosten in de ingediende aangiften had opgenomen. Het aantal lag viermaal hoger dan op basis van de cijfers te verwachten was. Naar aanleiding hiervan zijn enkele vragenbrieven uitgezet. Dit was onderdeel van een kleinschalig onderzoek naar door het kantoor ingediende aangiften. In 2015 was het de Belastingdienst duidelijk dat in ieder geval bepaalde zaken niet goed verliepen, maar dat het ‘structureel’ misging, stond pas in 2016 vast. Dit heeft geresulteerd in verder onderzoek en meer navorderingen bij belastingplichtigen, waarvan een aantal in bezwaar en beroep gaan. Dit artikel behandelt één van deze procedures.

Navordering, nieuw feit en ambtelijk verzuim algemeen

De inspecteur kan op diverse gronden navorderen. Eén van deze gronden is de aanwezigheid van een nieuw feit. Van een nieuw feit is geen sprake als het feit de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, behalve als de belastingplichtige te kwader trouw is geweest. De belastingplichtige uit deze zaak meent dat de inspecteur geen nieuw feit heeft en daarom niet over kan gaan tot navordering. Indien de inspecteur de aangifte had moeten onderzoeken maar dit niet heeft gedaan, dan is sprake van een ambtelijk verzuim. Wij lichten dat hierna bij het beschrijven van het oordeel van de rechtbank en het gerechtshof nader toe.

Het oordeel van de rechtbank over het nieuw feit

De rechtbank geeft aan dat beoordeeld moet worden of de navorderingsaanslag voortvloeit uit een feit dat bij het opleggen van de definitieve aanslag bij de Belastingdienst bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. Daarbij geldt voor de inspecteur niet een onbegrensde onderzoekplicht. De inspecteur mag bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de aangifte. Hij is tot nader onderzoek niet gehouden. Dit is anders indien de inspecteur, na met normale zorgvuldigheid de aangifte bekeken te hebben, aan de juistheid in redelijkheid behoort te twijfelen. Hij behoeft niet te twijfelen aan de juistheid indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de aangifte juist is.

De belastingplichtige meent dat geen sprake is van een nieuw feit. Hij voert daartoe aan dat:

  • Er geen objectieve reden was om hem of klanten van het kantoor te bevragen;
  • Van de belastingplichtige niet mag worden verwacht dat hij jaren later alles nog kan aanleveren, temeer omdat sprake zou zijn van overmacht;
  • Er geen sprake is van kwade trouw of lichtzinnigheid bij de tot stand gekomen aangifte;
  • Er voor belastingplichtige geen reden was om te twijfelen aan de werkwijze van het kantoor.

De rechtbank gaat echter niet met de belastingplichtige mee. Het oordeel luidt dat het nieuwe feit gelegen is in het feit dat de belastingplichtige op verzoek de geclaimde post niet kon onderbouwen. Dat de belastingplichtige door overmacht niet in staat is om bewijs te leveren ter onderbouwing, maakt niet dat van een nieuw feit geen sprake is.

De Belastingdienst heeft begin 2015 signalen gekregen over het kantoor en de mogelijk onjuiste aangiften. Dit is door kleinschalig onderzoek bevestigd. Vanaf 2016 is iedere ingediende aangifte aan controle onderworpen, behalve als deze niet voldeed aan vooraf ingestelde parameters. De definitieve aanslagen in de zaak van deze belastingplichtige dateren van begin en half 2015. Toen was er nog geen aanleiding om de aangifte eerst aan nader onderzoek te onderwerpen. Van een ambtelijk verzuim kan dan ook geen sprake zijn geweest.

De belastingplichtige besluit in hoger beroep te gaan.

Het oordeel van het gerechtshof over het nieuw feit

De belastingplichtige voert in hoger beroep aan dat navordering niet mogelijk is. De inspecteur zou ervan op de hoogte zijn geweest dat de aangiften van het kantoor mogelijk onjuist waren. De aangifte is echter zonder nader onderzoek gevolgd en dit heeft tot definitieve aanslagen geleid. Het niet onderzoeken van de aangiften kwalificeert naar de mening van belastingplichtige als ambtelijk verzuim en daarom ontbreekt een nieuw feit.

Het gerechtshof benoemt nogmaals dat de inspecteur in beginsel mag afgaan op de ingediende aangifte en mag vertrouwen op de juistheid. Nader onderzoek is – zoals ook de rechtbank aangaf – slechts nodig als na kennisneming met normale zorgvuldigheid, redelijkerwijs getwijfeld moet worden aan de juistheid van de aangifte. Er is onvoldoende reden voor twijfel indien de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de aangifte juist is. Het gerechtshof haalt een arrest uit 1986 aan, waaruit naar voren komt dat sprake moet zijn van omstandigheden waaraan een zo sterk vermoeden voor de onjuistheid van de aangifte valt te ontlenen, dat het nalaten van een onderzoek op dit punt de inspecteur als ambtelijk verzuim kan worden aangerekend.

Het gerechtshof kijkt eerst naar de aangiften. Deze geven weinig aanleiding om aan de juistheid ervan te twijfelen. De doorgegeven bedragen aan aftrek zijn niet dermate uitzonderlijk dat nader onderzoek had moeten plaatsvinden. Voor dit onderzoek bestond op het moment van beoordeling ook geen aanleiding. Dit kan derhalve niet leiden tot het oordeel dat sprake zou zijn van een ambtelijk verzuim.

De belastingplichtige voert echter meer aan. Hij geeft aan dat begin 2015 een onderzoek bij het kantoor is gestart. Aangezien er toen bekendheid was met mogelijke onjuistheid, hadden zijn aangiften – voordat in 2015 een definitieve aanslag werd opgelegd – nader moeten worden onderzocht. Het gerechtshof stelt vast dat op het moment waar belastingplichtige naar verwijst, vast kwam te staan dat het kantoor opviel door het hoge percentage aangiften met aftrek van zorgkosten. Die constatering leidde op dat moment tot een kleinschalig onderzoek. Dit vond plaats ongeveer gelijktijdig met het opleggen van de aanslag van de belastingplichtige half 2015. Dat op dat moment niet de juistheid van de aangiften van deze belastingplichtigen is onderzocht, is geen ambtelijk verzuim. Het kleinschalig onderzoek hoefde de inspecteur geen aanleiding te geven om die specifieke aangiften ook te onderzoeken. Deze aangiften konden namelijk juist zijn. Het gerechtshof kijkt naar de drempel en komt tot de conclusie dat in ieder geval de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangiften juist waren.

De belastingplichtige trekt als gevolg hiervan aan het kortste eind. Naar onze mening had bovenstaande anders uit kunnen vallen, indien de inspecteur de aangifte in 2016 zonder nader onderzoek had afgewikkeld. Op dat moment was namelijk duidelijk dat alle aangiften van het kantoor extra aandacht behoeven en dat de kans groter dan normaal is dat de aangiften onjuist zijn. In die situatie kan het verdedigbaar zijn dat het niet nader controleren van een door het kantoor ingediende aangifte leidt tot een ambtelijk verzuim en de afwezigheid van een nieuw feit. Voor deze belastingplichtige geldt dat niet, omdat nog onvoldoende zeker was dat het kantoor structureel onjuiste aangiften indiende.

Navordering en nieuw feit: adviseren en procederen

Navordering op grond van een – vermeend – nieuw feit komt regelmatig voor. De Belastingdienst neemt relatief snel de stap om te stellen dat hiervan sprake is. Zonder nieuw feit kan navordering in de meeste gevallen echter niet plaatsvinden. Het is daarom goed om bij ontvangst van een navorderingaanslag zo snel als mogelijk contact op te nemen met een specialist en te kijken wat in uw situatie het meest verstandig is. Over het algemeen hebt u na ontvangst van de aanslag zes weken om in bezwaar te gaan. Voortvarend handelen is dus geboden. Neem gerust eens contact op met de auteur van dit artikel om vrijblijvend uw navorderingsaanslag te bespreken.

Een link naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam treft u hier.

Vragen over navordering?

Vul uw naam en e-mail in en wij nemen contact met u op.


Meer weten van navordering bij onjuiste aangifte door gemachtigde


Laatste update : 06-05-2021
Dit artikel (of blog of voorbeeldovereenkomst) is met aandacht en zorgvuldigheid geschreven, maar bevat informatie van algemene en informatieve aard. De informatie in dit artikel kan, afhankelijk van de omstandigheden van uw specifieke geval, niet of verminderd van toepassing zijn. De informatie in dit artikel dient derhalve niet als fiscaal/juridisch advies te worden beschouwd. Jongbloed Fiscaal Juristen N.V. en of haar vestingen/ deelnemingen aanvaarden dan ook geen enkele aansprakelijkheid voor de gevolgen van het gebruik van de informatie uit het artikel.

Deel deze pagina

U bevindt zich hier : Jongbloed Fiscaal Juristen Kennisbank Formeel belastingrecht Nieuw feit en navordering Navordering bij onjuiste aangifte door gemachtigde

Jongbloed Fiscaal Juristen - Disclaimer - Zoeken - Sitemap