print sitemap zoeken disclaimer contact

U bevindt zich hier :Jongbloed Fiscaal Juristen Banners Bijtelling beperken?
7183 Bijtelling beperken? https://www.jongbloed-fiscaaljuristen.nl/contact/e-mail_ons/

Auto van de zaak?

Bijtelling beperken?

Fiscale procedure over de hypotheekrenteaftrek

De rente op een zogenaamde eigenwoningschuld, behoort tot de aftrekbare kosten in de inkomstenbelasting. Dit wordt ook wel de hypotheekrenteaftrek genoemd. Niet iedere schuld die iets met de eigen woning te maken heeft is echter een eigenwoningschuld. Aan de volgende voorwaarden moet zijn voldaan om van een eigenwoningschuld te kunnen spreken:

  1. De schuld is aangegaan in verband met een eigen woning;
  2. Er is een contractuele verplichting om de schuld af te lossen in ten hoogste 30 jaar;
  3. Er is een contractuele verplichting om de aflossing ten minste annuïtair te laten verlopen;
  4. Aan de aflossingsverplichting wordt voldaan;
  5. Indien de schuld is aan bij een zogenaamde niet-aangewezen-administratieplichtige, moet zijn voldaan aan de informatieverstrekkingseis.

De mogelijkheid om de hypotheekrente af te trekken is niet onomstreden. Steeds vaker komt de discussie terug of niet sprake is van een onnodige subsidie op het bezit van de eigen woning. Gezaghebbende partijen zoals de DNB en het IMF pleiten voor een forse stelselwijziging, bijvoorbeeld door de eigen woning over te hevelen naar box 3. De voornaamste vraag daarbij lijkt te zijn welke politieke partij het aandurft om dit voorstel ook daadwerkelijk in te dienen.

Hebt u vragen over de hypotheekrenteaftrek of een fiscale procedure? Neem dan gerust rechtstreeks contact op met één van de auteurs onderaan deze pagina

Geschillen over de hypotheekrenteaftrek

De regeling over de hypotheekrenteaftrek lijkt eenvoudig en is dat in de meeste situaties ook. Echter, met enige regelmaat ontstaat tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst toch discussie over de aftrekbaarheid van bepaalde renten. Zo deed de Rechtbank Noord-Nederland op 6 augustus 2021 uitspraak in een zaak waarin de volgende geschilpunten op tafel lagen:

  • Mocht de Belastingdienst de hypotheekrenteaftrek weigeren?
  • Is er sprake van gerechtvaardigd vertrouwen op basis van informatie van de adviseur van de belastingplichtige?
  • Is er sprake van gerechtvaardigd vertrouwen op basis van informatie die op de website van de Belastingdienst staat?
  • Zijn de vergrijpboeten terecht opgelegd?

Hierna beschrijf ik eerst wat er in deze zaak precies aan de hand was. Daarna geef ik het oordeel van de rechtbank weer over bovenstaande geschilpunten.

Feiten bij geschillen over hypotheekrenteaftrek

De broer van de belastingplichtige heeft een woning gebouwd. De belastingplichtige huurt deze woning eerst van de broer en later van de dochter van de belastingplichtige. Van eigendom is aan de zijde van de belastingplichtige nooit sprake geweest; ook is geen sprake geweest van een recht van vruchtgebruik. Het betreft een duidelijke huurconstructie. In 2004 komt de dochter, waar de woning van wordt gehuurd, ook in de woning wonen. Daarna vinden een aantal verbouwingen plaats die er uiteindelijk toe leiden dat op het perceel een zelfstandige woning staat die de dochter gaat bewonen. Deze zelfstandige woning heeft geen eigen huisnummer.

De verbouwing wordt gefinancierd door de dochter. Zij gaat hiervoor een hypothecaire geldlening aan. De belastingplichtige staat borg en tekent een ontruimingsclausule. De dochter betaalt de rente op de geldlening. Dit gaat door tot 2009. Dan verhuist de dochter en gaat de andere dochter van belastingplichtige in de zelfstandige woning wonen. De rente wordt dan nog steeds betaald door de dochter die ondertussen is verhuisd.

In 2013 wendt de belastingplichtige zich online tot een gratis adviseur. Hij schetst het feitencomplex en geeft aan dat de woning eigendom is van dochter en dat de hypotheek op naam staat van hem, de dochter en zijn vrouw (die in 2019 overlijdt). De adviseur geeft aan dat de rente mag worden afgetrokken. Het administratiekantoor dat de belastingaangiften doet heeft twijfels over de juistheid van handelen. Echter, op basis van het antwoord van de adviseur gaat het kantoor toch over tot het in aftrek brengen van de hypotheekrente.

De Belastingdienst bekijkt de zaak en spreekt in februari 2017 met het administratiekantoor dat de belastingaangiften doet. Het administratiekantoor verstrekt de stukken en verwijst naar het antwoord dat is verkregen van de gratis adviseur. Naar aanleiding van deze bespreking en vermoedelijk wat nader onderzoek, kondigt de Belastingdienst in februari 2018 aan over te willen gaan tot het opleggen van navorderingsaanslagen. Reden: ten onrechte is de hypotheekrenteaftrek toegepast. In april 2018 geeft de Belastingdienst vervolgens aan ook over te gaan tot boeteoplegging. Het voornemen is om vergrijpboetes op te leggen van 50%. Dat betekent ook dat de Belastingdienst van mening is dat sprake is van opzet of grove schuld.

Op 28 juli 2018 volgen uiteindelijk de navorderingsaanslagen over 2012, 2014 en 2015.

Is de hypotheekrenteaftrek hier terecht geweigerd?

De rechtbank beschrijft eerst wanneer sprake is van een woning die als eigen woning kwalificeert. Het gaat dan niet alleen om de woning die de belastingplichtige in eigendom heeft. Van een eigen woning is ook sprake indien de woning ter beschikking staat op grond van een recht van vruchtgebruik, recht van bewoning of een recht van gebruik dat krachtens erfrecht is ontstaan. Een aanvullende voorwaarde is steeds dat de voordelen uit de woning voor de belastingplichtige zijn, maar dat ook de kosten op hem (of zijn partner) drukken. De eigenwoningregeling is daarmee breder dan belastingplichtigen in de praktijk – zo valt ons regelmatig op – denken.

In deze zaak is sprake van een woning die in eigendom is van de dochter. Van vruchtgebruik, bewoning of gebruik krachtens erfrecht is naar het oordeel van de rechtbank eveneens geen sprake. De belastingplichtige (en destijds zijn partner) kwalificeren als huurders van de woning. Dat betekent dat voor de belastingplichtige geen sprake is van een eigen woning in de zin van de wet op de inkomstenbelasting 2001. Dat betekent eveneens dat geen sprake kan zijn van hypotheekrenteaftrek; zonder eigen woning immers geen eigenwoningschuld.

Is hypotheekrenteaftrek mogelijk wegens vertrouwen op adviseur?

De belastingplichtige is van mening dat – ondanks dat het wettelijk gezien niet mogelijk is – de hypotheekrenteaftrek niet gecorrigeerd kan worden. Hij heeft naar eer en geweten gehandeld op grond van het advies van de gratis adviseur en het administratiekantoor heeft de hypotheekrenteaftrek ook in de aangifte opgenomen. Daar moet hij als belastingplichtige op kunnen vertrouwen. De Belastingdienst is het hiermee oneens.

De rechtbank geeft aan dat een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen mogelijk is indien het uitlatingen betreft van de zijde van de overheid. Het vertrouwensbeginsel werkt niet door naar uitlatingen van adviseurs en / of administratiekantoren. Deze uitlatingen kunnen (uiteraard) ook niet aan de Belastingdienst worden toegerekend. Het beroep op het vertrouwensbeginsel in verband met de uitlatingen van de gratis adviseur en het handelen van het administratiekantoor faalt daarmee.

Is hypotheekrenteaftrek mogelijk wegens vertrouwen op website Belastingdienst?

De belastingplichtige heeft een uitdraai gemaakt van de website van de Belastingdienst. Het gaat om de pagina(‘s) met informatie over de hypotheekrenteaftrek. Op deze pagina staat dat de hypotheekrenteaftrek maximaal 30 jaar aftrekbaar is in box 1. Deze informatie wekt volgens de belastingplichtige het vertrouwen op dat rente op een hypothecaire schuld voor de woning aftrekbaar is. De Belastingdienst bestrijdt dit standpunt en geeft aan dat het zeer algemene informatie betreft die ook nog eens onderdeel is van een breder scala aan informatie over dit onderwerp. Voorts kan – volgens de Belastingdienst – geen vertrouwen worden ontleend aan dergelijke algemene informatie. Ook niet als deze op de website van de Belastingdienst is opgenomen.

Voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel moet sprake zijn van een toezegging van de zijde van de overheid (de Belastingdienst in deze) of een andere uitlating / gedraging. Uit de toezegging / uitlating / gedraging moet de belastingplichtige redelijkerwijs mogen afleiden of, en zo ja hoe de Belastingdienst zijn bevoegdheden in zijn situatie zal uitoefenen. Deze regel volgt uit vaste rechtspraak.

In dit geval heeft de belastingplichtige niet aan de bewijslast voldaan dat van zo’n toezegging / uitlating / gedraging sprake is. De informatie op de website van de Belastingdienst heeft te maken met de periode waarover de renteaftrek mogelijk is. Dat zegt echter niets over de vraag of sprake is van een eigen woning of van een schuld met betrekking tot die eigen woning. Daarom faalt ook dit beroep op het vertrouwensbeginsel.

Terechte vergrijpboete bij foutief gebruik hypotheekrenteaftrek?

De Belastingdienst heeft vergrijpboeten opgelegd. Bij het opleggen van zo’n boete rust de bewijslast op de Belastingdienst. Alleen laten zien dat ten onrechte de hypotheekrenteaftrek is gebruikt, is onvoldoende. Een vergrijpboete vereist namelijk opzet of grove schuld aan de zijde van de belastingplichtige. Indien de belastingplichtige gebruik heeft gemaakt van een adviseur, dan is de vraag of hij deze adviseur voldoende deskundig mocht achten. De adviseur bij wie niet aan een goede / zorgvuldige taakuitoefening getwijfeld hoeft te worden, hoeft de belastingplichtige niet steeds te controleren. Van opzet / grove schuld zal dan minder snel sprake zijn.

De ondergrens om opzet aan te nemen ligt bij de zogenaamde voorwaardelijke opzet. Daarvan is sprake als de belastingplichtige willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardt dat een bepaald gevolg – in dit geval het ten onrechte gebruikmaken van een fiscale faciliteit – optreedt. Van grove schuld is sprake indien de belastingplichtige zo onachtzaam handelt, dat dit aan opzet grenst. Ook hier geldt dat het aan de Belastingdienst is om het bewijs te leveren. In de zaak van deze belastingplichtige meent de Belastingdienst dat sprake is van opzet of voorwaardelijke opzet.

De Belastingdienst komt tot deze mening omdat de belastingplichtige eerst te horen kreeg dat iets niet kon en toen op zoek is gegaan naar iemand die wilde zeggen dat het wel kon. Dat bleek uiteindelijk de gratis adviseur te zijn. Daarnaast heeft de belastingplichtige volgens de Belastingdienst onvoldoende openheid van zaken gegeven. Daarmee is door de belastingplichtige bewust de aanmerkelijke kans op een te lage aanslag aanvaard. De boete van 50% is daarmee – volgens de Belastingdienst – terecht.

De belastingplichtige is het daarmee oneens. Hij heeft inderdaad gezocht naar manieren om de rente af te trekken, maar meent dat hij daarbij mag vertrouwen op het advies van anderen. Daarnaast heeft hij niet zelf de belastingaangifte gedaan, maar heeft het administratiekantoor dit voor zijn rekening genomen.

De rechtbank oordeelt dat het administratiekantoor al jaren de aangiften doet. Daarbij is tot het moment dat de gratis adviseur zijn advies had gegeven de hypotheekrenteaftrek nooit benut. Het administratiekantoor heeft er in eerste instantie ook op gewezen dat de rente niet afgetrokken kon worden, maar is overstag gegaan op verzoek van de belastingplichtige en nadat de belastingplichtige advies had ingewonnen. De rechtbank kijkt daarom ook naar de totstandkoming van het advies. Daarbij wordt vastgesteld dat het verkregen advies gebaseerd is op informatie die de belastingplichtige heeft aangeleverd en deze informatie is onjuist. De belastingplichtige gaf namelijk aan dat sprake was van vruchtgebruik terwijl, zo oordeelde de rechtbank, sprake is van een huursituatie. Ook is het niet belastingplichtige zelf die de rente betaalt.

Het bewust verstrekken van onjuiste informatie aan de gratis adviseur en het administratiekantoor rechtvaardigt het oordeel dat de belastingplichtige bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op een te lage aanslag. Het argument dat de aangifte niet zelf is ingediend biedt dan onvoldoende bescherming tegen de vergrijpboete. De regel dat vertrouwd mag worden op een kundig adviseur gaat namelijk niet op als niet alle voor de aangifte relevante informatie is verstrekt. De vergrijpboeten zijn terecht opgelegd. De hoogte van de boete (50%) is passend en geboden. Toch worden de boeten gematigd. Dat komt omdat de redelijke termijn voor het afdoen van de boete zaak is overschreden.

Uitspraak in geschil hypotheekrenteaftrek

De rechtbank laat de navorderingsaanslag intact en dat geldt ook voor de vergrijpboeten. Deze worden wegens termijnoverschrijding wel gematigd. De proceskosten worden niet vergoed.

De uitspraak: ECLI:NL:RBNNE:2021:3392.

Fiscale procedures en hypotheekrenteaftrek

De hypotheekrenteaftrek is in opzet relatief eenvoudig, maar zorgt in de praktijk regelmatig voor hoofdbrekens. Dat komt ook door de ingewikkelde regelingen die samenhangen met de hypotheekrenteaftrek, zoals de bijleenregeling. Niet zelden leidt dit jaren na dato tot navorderingsaanslagen en meningsverschillen met de Belastingdienst. In veel gevallen kan door een second opinion van een fiscaal deskundige de zaak worden beslecht. Soms is de navorderingsaanslag helaas terecht en soms heeft de Belastingdienst het bij het verkeerde eind. Een inschatting van de procedurekansen op basis van een second opinion is, zeker in dit soort dossiers, sterk aan te raden.

Hebt u behoefte aan een second opinion op een dossier over de hypotheekrenteaftrek? Of op een dossier dat over een geheel ander fiscaal onderwerp gaat? Neem dan gerust rechtstreeks contact op met één van onderstaande auteurs. Wij geven graag vrijblijvend aan wat wij voor u kunnen betekenen.

Geschil hypotheekrenteaftrek [news] 7177

Renseignering en IB-47

De Belastingdienst heeft informatie nodig om op juiste wijze belasting te kunnen heffen en om haar controletaak goed te kunnen uitoefenen. In de wet is daarvoor onder meer een verplichting opgenomen voor administratieplichtigen om mee te werken aan het verkrijgen van gegevens en inlichtingen ten behoeve van de heffing van derden. De verplichting om dat soort gegevens te verstrekken wordt wel aangeduid als renseignering. We kennen momenteel een renseigneringsverplichting voor onder andere banken en schadeverzekeraars. Daar komt binnenkort een renseigneringsverplichting bij voor twee groepen administratieplichtigen:

  • De inhoudingsplichtigen voor de loonbelasting;
  • De collectieve beheerorganisaties.

Wij gaan in deze bijdrage op de inhoud van deze nieuwe verplichting in. Aangezien wij signaleren dat in de praktijk onduidelijkheid bestaat over deze nieuwe regeling en de IB-47 formulieren, gaan wij eerst in op de samenhang van deze regelingen. Daarna gaan wij per begrip in op de nieuwe regeling.

IB-47 en de nieuwe renseigneringsverplichting

De Belastingdienst mag om inlichtingen vragen bij administratieplichtigen met betrekking tot betalingen aan derden. Het opgeven van deze betalingen is wat vaak de IB-47 verplichting wordt genoemd. Het voordeel voor de Belastingdienst is onder meer gelegen in de administratieplicht die de verstrekker heeft. De gegevens zijn dan immers met een redelijke mate van zekerheid aanwezig. De bron van deze bevoegdheden is gelegen in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen.

Bij IB-47 gaat het om uitbetaalde bedragen aan derden. U moet dan denken aan personen die werkzaamheden / diensten verrichten, maar niet bij u in dienst zijn en geen ondernemer zijn. Bijvoorbeeld een spreker of een deelnemer aan een medische proef. Bij de IB-47 opgaaf is altijd gevraagd om opgaaf van een BSN. Bij die BSN-vraag zit het probleem en de aanleiding voor de nieuwe regeling. In 2018 is de Belastingdienst namelijk gestopt met de BSN-vragen, aangezien daarvoor – als gevolg van de invoering van de AVG – onvoldoende wettelijke grondslag is. Met de nieuwe renseigneringsverplichting komt die grondslag er wel en de regeling is daarmee een aanvulling op de IB-47 regeling.

De verwachting is dat met de nieuwe regeling het grootste deel van de bestaande IB-47 uitvraag wordt ondervangen. De rangorde is daarbij als volgt: u past deze regeling toe als u hieronder valt en slechts als dat niet het geval is, is IB-47 van toepassing.

Wij gaan hierna in op de nieuwe regeling aan de hand van de relevante begrippen.

Wie zijn de ‘inhoudingsplichtigen voor de loonbelasting’?

Voor de uitleg van dit begrip is de Wet op de Loonbelasting 1964 van belang. Kort gezegd partijen die loon uit tegenwoordige of vroegere dienstbetrekking uitkeren, doch met die versimpelde weergave dekken wij (uiteraard) niet de gehele, complexe lading. Om voor deze nieuwe verplichting als inhoudingsplichtige te kwalificeren, geldt nog een aanvullende eis. De renseigneringsverplichting geldt alleen indien er betalingen aan een natuurlijk persoon zijn verricht voor werkzaamheden en diensten verricht voor de inhoudingsplichtige zelf, of een met de inhoudingsplichtige verbonden lichaam. Bij een verbonden lichaam kunt u globaal denken aan het verbonden zijn via (in-)directe aandelenbelangen van ten minste 1/3.

Slechts als u in het bovenstaande plaatje past, is deze nieuwe regeling op u als inhoudingsplichtige van toepassing.

Wie zijn de ‘collectieve beheerorganisaties’?

Collectie beheerorganisaties zijn organisaties die namens een groep van rechthebbenden optreden, om zonder winstoogmerk vergoedingen voor een auteursrecht of naburig recht te innen en onder rechthebbenden te verdelen. In de praktijk kent men vrijwillig en verplicht beheer, doch dat is voor deze regeling niet van belang.

In welke gevallen moet u onder de nieuwe regeling informatie verstrekken?

Het is in de regeling enigszins cryptisch verwoord. U dient gegevens en inlichtingen te verstrekken die zien op uitbetalingen die naar verwachting tot belastbare inkomsten leiden en die doorgaans tot het resultaat uit overige werkzaamheden behoren. De wet trekt het echter ruimer en geeft aan dat het gaat om gegevens die ook kunnen zien op andere box 1 onderdelen, box 3 vermogen of persoonsgebonden aftrek. In de regeling wordt in ieder geval een aantal situaties geschetst waarin u geen gegevens en / of inlichtingen hoeft te verstrekken:

  •  De werkzaamheden zijn verricht als werknemer, artiest, beroepssporter of lid van een buitenlands gezelschap. Dit is logisch, aangezien deze gegevens via de loonaangifteketen de Belastingdienst al bereiken.

  • De werkzaamheden zijn verricht als werknemer, artiest, beroepssporter of lid van een buitenlands gezelschap, maar de persoon wordt door een verdrag of regeling (zoals met de BES-eilanden) niet als zodanig aangemerkt. Hier geldt dat Nederland over deze uitbetalingen geen heffingsrecht toekomt en de Belastingdienst derhalve onvoldoende belang heeft bij de gegevens.

  • U betaalt vrijwilligersvergoedingen die niet boven de normbedragen per maand en / of jaar uitkomen. Let op! Indien u meer betaalt dan de norm, dient u dit straks aan te geven onder deze nieuwe verplichting. De Belastingdienst zal deze inkomsten dan vermoedelijk in de aangifte van de vrijwilliger opnemen. Niet gezegd is echter dat sprake is van een zogenaamde bron van inkomen, hetgeen vereist is om te mogen heffen. In de regeling staat echter dat het aan belastingplichtigen zelf is om dit te corrigeren. Het is verstandig uw vrijwilligers hierop te wijzen. Zie ook de link onderaan deze pagina.

  • U ontvangt voor de werkzaamheden een factuur die voldoet aan de eisen van de Wet op de omzetbelasting 1968, waarop de BTW is vermeld. De benodigde gegevens zijn dan via een andere bron al bekend bij de Belastingdienst.

  • Vergoedingen voor een auteursrecht of een naburig recht aan erfgerechtigden zijn uitgezonderd van deze verplichting. De reden die hiervoor wordt gegeven is dat deze elementen al tot de box 3-bezittingen behoren.

Welke informatie moet u onder de nieuwe regeling verstrekken?

U moet een aantal gegevens vermelden (en dus ook verzamelen):

  • Persoonsgegevens ter identificatie en verificatie van de gerechtigde tot de betaling. Het gaat dan om de naam, het adres en de geboortedatum.
  • De uitgekeerde bedragen, daaronder vallen ook eventuele kostenvergoedingen.
  • Er kunnen zich situaties voordoen waarin het verstrekken van gegevens achterwege gelaten mag worden. U moet dan denken aan de situatie waarin:

    - de Belastingdienst oordeelt dat het belang van de gegevens en inlichtingen niet opweegt tegen de inspanning om deze te verstrekken;

    - de Belastingdienst oordeelt dat de administratieplichtige tijdelijk niet of niet tijdig in staat is deze te verstrekken;

    - de Belastingdienst de gegevens en inlichtingen heeft aangewezen als van verstrekking vrijgesteld.

Ter illustratie kan worden gewezen op het opvragen van informatie waarvan de Belastingdienst vooraf al met redelijke zekerheid kan stellen dat Nederland er geen heffingsrechten over heeft.

Hoe verstrekt u de gegevens onder deze nieuwe renseigneringsverplichting?

U moet de gegevens aanleveren zoals de Belastingdienst dat wenst. Dit zal digitaal worden en de Belastingdienst gaat hier nog een handleiding voor opstellen.

Wanneer moet u de gegevens onder deze nieuwe regeling uiterlijk aanleveren?

U moet de gegevens en inlichtingen jaarlijks aanleveren. Dat doet u na afloop van het kalenderjaar waarop de gegevens betrekking hebben, doch uiterlijk op 31 januari. De Belastingdienst heeft de gegevens op die datum nodig, om te kunnen garanderen dat zij zijn opgenomen in de vooraf ingevulde aangifte (VIA) van de vermoedelijke belastingplichtige.

Van de administratieplichtigen die gebruik maken van het IB-47 formulier is bekend dat er een groep is die de voorkeur geeft aan het maandelijks doorgeven van de gegevens en inlichtingen. De Belastingdienst heeft daarom de mogelijkheid om administratieplichtigen toestemming te geven om lopende het kalenderjaar al gegevens en inlichtingen aan te leveren. Zoals het er nu naar uitziet, zal dit op verzoek zijn en kunnen hier nog nadere voorwaarden aan worden verbonden. Het wordt niet verplicht om van deze mogelijkheid gebruik te maken. De Belastingdienst kan dit dus niet aan u opleggen.

Het eerste jaar waarin deze regeling van toepassing is, zal dit tussentijds aanleveren nog niet mogelijk zijn. Voor alle administratieplichtigen geldt dan de jaarlijkse aanlevering, hoe onhandig dit ook kan zijn. Dit geldt ook voor administratieplichtigen die in het kader van de bestaande informatieverstrekking van dit soort betalingen (met het genoemde formulier IB-47) over de periode voor invoering tussentijdse aanlevering hebben toegepast.

Wanneer gaat deze renseigneringsverplichting in?

Het is aan de Belastingdienst om aan te geven per wanneer deze regeling kan worden uitgevoerd. De hoop is gevestigd om de regeling per 1 januari 2021 in te laten gaan, maar de regeling houdt nu al ruimte om dit pas per 1 januari 2022 te doen.

Renseignering en IB-47 [news] 2020-11-10 0000-00-00 0000-00-00 6783

Ruilarresten bij het bepalen van de fiscale winst

Het ruilen van bedrijfsmiddelen, zoals een machine, kan leiden tot winstrealisatie. De winst bedraagt de waarde in het economisch verkeer van het ontvangen bedrijfsmiddel, verminderd met de boekwaarde van het bedrijfsmiddel dat u voor de ruil heeft ingezet. Deze winst valt in de jaar waarin de ruil plaatsvindt. Dit kan voor de belastingheffing echter bijzonder zuur uitwerken. Stel dat het verschil tussen de waarde economisch verkeer en de boekwaarde zeer groot is, dan realiseert u een zeer grote winst. Belastingheffing over de gerealiseerde boekwinst kan dan aanzienlijke financiële gevolgen hebben. De Hoge Raad liet in een ver verleden al toe (1951) dat de boekwinst (de stille reserve) werd doorgeschoven naar het bedrijfsmiddel dat u hebt verkregen. Directe belastingheffing blijft dan nog achterwege. Het gevolg is dat de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel gelijk wordt aan de kostprijs ervan, minus de doorgeschoven stille reserve.

Wanneer gebruikt u de ruilarresten?

U kunt de ruilarresten niet op iedere ruil toepassen. Belangrijk is dat het verkregen goed van dezelfde aard is en economisch dezelfde plaats inneemt als het goed dat u voor de ruil heeft ingezet. Daarbij moet ook worden beoordeeld of het verkregen goed dezelfde functie vervult als het voor de ruil ingezette goed. Deze toets moet worden gedaan naar de functie op het moment van de ruil (de vervreemding van het goed). Wat ook meetelt is een eventueel groot waardeverschil tussen de beide goederen. Het komt voor dat de rechter bij een (te) groot waardeverschil niet aanneemt dat echt sprake is van een ruil. Waar de exacte grens ligt is onduidelijk. U kunt bijvoorbeeld denken aan voorraden.

Ruilarresten en herinvesteringsreserve

De ruilarresten lijken qua functie behoorlijk op de herinvesteringsreserve. Een herinvesteringsreserve mag u vormen bij de verkoop van een bedrijfsmiddel. U neemt de boekwinst dan niet direct in uw fiscale winst op, maar u vormt daarvoor een reserve: de herinvesteringsreserve. Op het moment dat u herinvesteert, boekt u de doorgeschoven boekwinst als afboeking op de aanschafprijs van het aangeschafte bedrijfsmiddel. Daarmee verlaagt dus ook uw afschrijvingsbasis. De afboeking is in beginsel verplicht. Echter, indien de herinvesteringsreserve ontstaat door vervreemding van een bedrijfsmiddel waarop u niet afschrijft of waarop u in meer dan tien jaar afschrijft, dan hoeft u deze pas af te boeken indien u een bedrijfsmiddel met dezelfde economische functie aanschaft. Op een investering in een dergelijk bedrijfsmiddel mag u alleen herinvesteringsreserves afboeken die zijn ontstaan als gevolg van de vervreemding van een bedrijfsmiddel met dezelfde economisch functie. Dus: bij vervreemding van een pand mag u de herinvesteringsreserve wel afboeken op een machine waarop u in vijf jaar afschrijft. Bij de vervreemding van een machine waarop u in vijf jaar afschrijft mag u ook een herinvesteringsreserve vormen, maar deze mag u niet afboeken op een pand.

De herinvesteringsreserve lijkt dus enorm op de ruilarresten. Vroeger was dat anders; de herinvesteringsreserve (destijds: vervangingsreserve) verschilde toen in grote mate van de ruilarresten en dus hadden beiden bestaansrecht. De verschillen zijn tegenwoordig een stuk kleiner, maar daarmee niet geheel afwezig. Zo vereist een herinvesteringsreserve dat u een herinvesteringsvoornemen heeft. Een relatief zachte eis. Indien u gebruik wenst te maken van de ruilarresten, dan moet er een concreet vervangingsplan aanwezig zijn. Dat is een wat hogere drempel. Daarbij komt nog dat het herinvesteringsvoornemen aan het einde van het boekjaar aanwezig moet zijn. Deze bedenktijd hebt u niet bij de ruilarresten. Daar is het moment van ruilen doorslaggevend en op dat moment moet u een concreet vervangingsplan hebben. Tot slot wijzen wij erop dat de herinvesteringsreserve gebonden is aan een termijn (drie jaar, verlenging soms mogelijk). De ruilarresten kijken naar het moment van ruil (de vervreemding van uw goed).

Geen keuze tussen ruilarresten en herinvesteringsreserve

De Hoge Raad heeft in 2014 duidelijk gemaakt dat u niet mag kiezen. Indien een herinvesteringsreserve mogelijk is, dan dient u van deze mogelijkheid gebruik te maken. Effectief kunt u de ruilarresten dus alleen toepassen indien u geen herinvesteringsreserve kunt vormen. De herinvesteringsreserve vormt u bij de vervreemding van een bedrijfsmiddel. Dat geeft direct de reikwijdte van de ruilarresten: vervreemding van iets anders dan een bedrijfsmiddel. Denk bijvoorbeeld aan voorraden.

Recente zaak over de ruilarresten

De inspecteur legt over het jaar 2015 een aanslag vennootschapsbelasting op. De activiteiten van het bedrijf bestaan uit de handel in agrarisch vastgoed, zoals de aan- en verkoop van boerderijen en cultuurgrond, doch ook vee en fosfaatrechten. Het verwerven van cultuurgronden gebeurt steeds met de bedoeling om deze op een geschikt moment weer te verkopen, bijvoorbeeld aan degene waar de grond aan wordt gepacht. De gemiddelde tijd tussen aan- en verkoop bedraagt 230 dagen.

Het vermogen van het bedrijf bestaat grotendeels uit handelsvoorraad, in de vorm van eerdergenoemde onroerende zaken, bestemd voor de verkoop. In 2015 worden diverse onroerende zaken verkregen en verkocht. Het bedrijf heeft hiervan een uitgebreid overzicht gemaakt. Bij het doen van de aangifte vennootschapsbelasting heeft het bedrijf de ruilarresten toegepast op de boekwinst behaald met de verkoop van een aantal onroerende zaken die tot de handelsvoorraad behoorden. Deze boekwinst is in mindering gebracht op de kostprijs van verkregen onroerende zaken. Daarbij geeft het bedrijf aan dat de onroerende zaken dezelfde economische functie hebben. Daarbij moet worden gekeken – zo wordt gesteld – naar het geheel van de handelsvoorraad en niet iedere transactie afzonderlijk. Voorts bestaat – door de constante handel – een algemeen voornemen tot vervanging. Het niet toestaan van het gebruik van de ruilarresten heeft volgens het bedrijf een forse aanslag op het liquide werkkapitaal tot gevolg. De inspecteur is het hiermee (uiteraard) oneens. Hij stelt dat de ruilarresten niet van toepassing zijn. Dat is gebaseerd op de stelling dat bij de ruilgedachte van een echte winstrealisatie geen sprake is. Het bedrijf heeft nu juist – zo meent de inspecteur – als doel het verwerven van onroerende zaken om deze te verkopen. Voorts zou van dezelfde economische functie geen sprake zijn, althans dat is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Tot slot wordt ook het concrete vervangingsplan betwist. Alle reden dus voor de rechtbank om zich over de zaak te buigen.

Rechtbank oordeelt over ruilarresten

De rechtbank geeft eerst aan wat de regel is. Indien een belastingplichtige bij vervreemding van een activum een ander activum verwerft dat dezelfde economische functie vervult, dan kan op grond van de ruilarresten de behaalde boekwinst in mindering worden gebracht op de kostprijs van het verkregen activum. De ruilarresten mogen worden toegepast op alle soorten activa, dus ook op de handelsvoorraad.

Niet in geschil is dat de vervreemde onroerende zaken tot de handelsvoorraad behoorden. Dat enkele gegeven is volgens de rechtbank echter onvoldoende om aan te nemen dat de verworven onroerende zaken economisch en functioneel dezelfde plaats innemen. Voor een handelsonderneming geldt – zo oordeelt de rechtbank – in het algemeen dat in de vervreemding van de handelsvoorraad een beoogde realisering van winst of verlies is gelegen. Dat wordt bepaald door het verschil tussen de boekwaarde en de opbrengst. Daaraan doet niet af dat (een deel van) de opbrengst beoogd is voor de aankoop van een andere onroerende zaak, die ook weer zal worden verkocht. Het gaat niet om de plaats die de onroerende zaken innemen in het vermogen van het bedrijf, maar om de plaats die zij innemen in de handelsvoorraad van het bedrijf.

Dus moet – in tegenstelling tot wat het bedrijf meende – wel worden gekeken naar de afzonderlijke transacties in de handelsvoorraad. Het is aan het bedrijf om te bewijzen (aannemelijk te maken) dat de verworven onroerende zaken in economische zin dezelfde plaats innemen als de verkregen onroerende zaken. Dat bewijs is onvoldoende geleverd. Daarbij telt mee dat:

- Op transactieniveau is sprake van grote verschillen in oppervlakte en ligging van de onroerende zaken. Zo is niet laten zien hoe een perceel akkerland van 10 hectare economisch gelijk is aan een perceel grasland van 2 hectare.

- Niet aannemelijk is gemaakt dat op transactieniveau de vervreemde onroerende zaken een ongeveer gelijke mate van beheer, courantheid en inflatiebestendigheid kennen als de verworven onroerende zaken.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht toepassing van de ruilarresten heeft geweigerd.

Fiscaal jurist over ruilarresten en herinvesteringsreserve

Dit artikel richt zich vooral op de ruilarresten. Daarbij is sprake van een regel die in de praktijk nog weleens over het hoofd wordt gezien, maar die bijvoorbeeld bij handelsvoorraden wel degelijk interessant kan zijn. Bijvoorbeeld als u zich, zoals in bovenstaande zaak, bezighoudt met onroerend goed dat tot uw handelsvoorraad behoort.

Het gebruikmaken van de ruilarresten, maar ook het gebruikmaken van de herinvesteringsreserve, vereist ook administratief de nodige handelingen. Zo dient getoetst te worden of sprake is van een:

- Voldoende concreet vervangingsplan dan wel een voldoende concreet herinvesteringsvoornemen;

- Dient beoordeeld te worden of – indien nodig – sprake is van goederen die dezelfde economische functie vervullen;

- Dient beoordeeld te worden op welke wijze zorg kan worden gedragen dat u aan de bewijslast voldoet bij eventuele vragen van de inspecteur.

Het kan zeer aantrekkelijk zijn om directe winstneming uit te stellen. Dat zorgt er immers voor dat u op korte termijn meer liquide middelen ter beschikking heeft. Dit hoeft echter niet altijd de meest ideale oplossing te zijn. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin u een winst best goed kunt gebruiken, zoals bij dreigende verliesverdamping. Er is dus geen ‘one size fits all’ in deze. Schakel daarom altijd een specialist in. Neem gerust eens contact op met één van onderstaande auteurs.

Uitspraak

Rechtbank Noord-Nederland 23 juni 2021: ECLI:NL:RBNNE:2021:2691

Toepassing van de ruilarresten [news] 2021-07-06 0000-00-00 0000-00-00 7086

Verzuimboete bij niet (tijdige) aangifte (67a AWR)

In dit artikel gaan wij in op het opleggen van een zogenaamde verzuimboete bij het niet of niet tijdig doen van belastingaangifte. Dat kan zich op hoofdlijnen voor twee soorten belastingen voordoen: aanslagbelastingen en aangiftebelastingen. Bij een aanslagbelasting dient de belastingplichtige aangifte te doen, maar legt de inspecteur de aanslag op. Een aangiftebelasting vereist minder ingrijpen van de Belastingdienst. Bij dit type belastingen is het de belastingplichtige die zelf de belasting berekent en betaalt.

Voorbeelden van aanslagenbelastingen zijn de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting. Bekende aangiftebelastingen zijn de loonheffingen en omzetbelasting. Het onderscheid tussen deze belastingtypen is overigens niet alleen voor boeten van belang, maar ook bijvoorbeeld bij het bepalen of de Belastingdienst over mag gaan tot navordering of naheffing.

In dit artikel kijken wij naar de wet- en regelgeving over het opleggen van een boete bij het niet of niet tijdig doen van een aangifte voor een aanslagbelasting. Dit wordt ook wel de 67a AWR boete genoemd. Deze benaming zult u vaak op de boetebeschikking terugzien. Wij zullen in dit artikel het voorbeeld uitwerken aan de hand van de aangifte inkomstenbelasting.

Wij zijn in een ander artikel ingegaan op de verzuimboete bij het niet of niet tijdig doen van een aangifte voor een aangiftebelasting. U leest dat artikel hier.

Verzuimboete bij niet of niet tijdige aangifte ingevolge 67a AWR

De wet bepaalt dat het niet doen van de aangifte binnen de gestelde termijn een verzuim vormt. Voor dit verzuim kan een boete worden opgelegd. Het gedrag van de belastingplichtige is aangemerkt als een overtreding. Dit roept uiteraard een aantal vragen op. Wat is nu precies die gestelde termijn en hoe hoog mag die boete zijn?

Het begrip ‘gestelde termijn’ bij de verzuimboete van 67a AWR

Iedereen die door de Belastingdienst wordt uitgenodigd is verplicht om aangifte te doen. Deze uitnodiging ontvangt u meestal in de vorm van een brief. In deze brief wordt ook aangegeven wat de termijn is voor het doen van de aangifte. De termijn dient ten minste één maand te bedragen. De termijn wordt berekend vanaf de datum van het uitnodigen. Uit de titel van dit artikel blijkt al dat twee situaties voorkomen: de aangifte is niet gedaan en de aangifte is niet op tijd gedaan. Het in het geheel niet hebben gedaan van de aangifte maakt boeteoplegging direct mogelijk. Het is echter ook mogelijk dat de aangifte wordt gedaan nadat de termijn is verlopen. In dat geval kan de boete alleen worden opgelegd indien de inspecteur u heeft aangemaand om binnen een redelijke termijn alsnog aangifte te doen. Wij zien dat dit in de praktijk niet altijd goed gaat.

De wet bevat ook regels voor belastingplichtigen die weten dat zij aan te geven inkomen hebben, maar die niet zijn uitgenodigd om aangifte te doen. Zij kunnen niet een zogenaamde 67a AWR boete opgelegd krijgen. Overigens kent het boetestelsel voor deze overtreding een andere boeteregel. Deze is opgenomen bij de 67ca AWR boete. Het komt in de praktijk nog steeds voor dat boetes op verkeerde gronden worden opgelegd.

De hoogte van de verzuimboete bij 67a AWR

De wet bepaalt dat de boete maximaal € 5.514 bedraagt (bedrag 2021). Het is geldend beleid dat bij het opleggen van de boete onderscheid wordt gemaakt naar belastingmiddel. Indien u de aangifte vennootschapsbelasting niet of niet-tijdig doet, kunt u een boete krijgen van maximaal 50% van het maximum. In de praktijk is dat nu dus € 2.757. Doet u de aangifte inkomstenbelasting niet of niet tijdig, dan bedraagt de boete maximaal 7%, zijnde € 385. In de praktijk komt het voor dat belastingplichtigen bijvoorbeeld twee jaar achter elkaar de aangifte niet tijdig doen. Het beleid maakt het mogelijk om een verzuimboete voor het volle bedrag van € 5.514 op te leggen indien sprake is van een uitzonderlijk geval. Als voorbeeld wordt daarbij genoemd het stelselmatig in verzuim zijn. In de praktijk wordt over deze bijzondere gevallen vaak gediscussieerd met de Belastingdienst.

De Belastingdienst dient bij het opleggen van een boete altijd rekening te houden met omstandigheden die aanleiding kunnen zijn om de boete te verhogen of te verlagen. Bij de 67a AWR boete is het zo dat het kijken naar individuele omstandigheden niet direct gebeurt. Het systeem werkt daarvoor té geautomatiseerd. Het rekening houden met individuele feiten en omstandigheden komt dan pas in de bezwaarfase voor het eerst aan de orde. U dient deze bezwaarprocedure echter zelf (of met hulp van een specialist) aanhangig te maken. Daarvoor gelden strikte termijnen. Handel daarom bij boeteoplegging snel.

Bij relevante aspecten in het kader van matiging van de boeteoplegging kunt u denken aan de verhouding tussen de boete en de overtreding, verzachtende omstandigheden en een pleitbaar standpunt.

Waarom een verzuimboete opleggen?

De 67a AWR boete is een zogenaamde verzuimboete. De Staatssecretaris van Financiën heeft in 2009 in herinnering gebracht wat het doel is van de verzuimboete. Het gaat niet, zoals belastingplichtigen het soms ervaren, om leedtoevoeging. Verzuimboeten hebben als primaire doel het onderhouden en versterken van de bereidheid om fiscale verplichtingen na te komen. Dit is anders dan bij de vergrijpboete. Daar is duidelijk sprake van een bestraffend karakter en het wegnemen van een onterecht voordeel.

Wat in de praktijk ook wel voorkomt, is dat de Belastingdienst de boete gebruikt als een instrument om u tot handelen aan te zetten. De inspecteur kan dan een boete opleggen voordat de aanslag wordt opgelegd. Dat doet hij dan onder de voorwaarde dat u alsnog binnen een gestelde termijn de aangifte doet. De matiging van de boete wordt daarmee een soort extra motiveringsmiddel. Deze mogelijkheid is sinds 2013 in de wet opgenomen.

Het voorbeeld bij de aangifte inkomstenbelasting

Hierna werken wij uit hoe deze boeteoplegging zou kunnen verlopen bij de aangifte inkomstenbelasting. De uitwerking is op hoofdlijnen hetzelfde bij de andere aanslagbelastingen, zoals de vennootschapsbelasting.

Henk wordt begin 2021 uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting 2020. Deze uitnodiging valt in de bekende blauwe envelop op zijn deurmat. Stel dat in de brief is opgenomen dat Henk vóór 1 mei 2021 aangifte moet doen (de termijn). Hoe moet Henk nu handelen?

Indien Henk vóór 1 mei 2021 zijn aangifte doet, is er niets aan de hand in het kader van dit artikel. Henk kan echter vergeten aangifte te doen. De gangbare praktijk is dat de Belastingdienst nu eerst een herinnering stuurt en als Henk dan nog niets doet, een aanmaning. Doet Henk de aangifte dan nog steeds niet of niet binnen de termijn genoemd bij de aanmaning, dan kan de Belastingdienst de verzuimboete opleggen bij de aanslag.

De Belastingdienst kan het ook anders doen. In plaats van de boete op te leggen bij de aanslag zoals in de vorige alinea beschreven, kan hij ook de boete opleggen voordat hijzelf de aanslag oplegt. De boete dient dan als stimulering om Henk alsnog de aangifte te laten doen. Dit kan bijvoorbeeld uitmonden in een toegezegde boetematiging bij het alsnog doen van de aangifte.

Wie kan de verzuimboete van 67a AWR opgelegd krijgen?

In de eerste plaats en het meest voorkomend is uiteraard de belastingplichtige zelf. De wet is echter regelmatig uitgebreid. Thans is het mogelijk de boete ook op te leggen aan een medepleger, opdrachtgeveren / of feitelijk leidinggever, de doen plegeren de uitlokker. Op deze mogelijkheden, die in de praktijk zeer weinig voorkomen, gaan wij in dit artikel niet nader in.

De verzuimboete van 67a AWR en onze deskundigheid

De verzuimboete wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte voor een aanslagbelasting, ook wel de 67a AWR boete genoemd, wordt automatisch opgelegd. Alle bezwaren die u tegen deze boete heeft komen vrijwel altijd pas in de bezwaarfase aan de orde. Wij voeren voor belastingplichtigen vaak procedures tegen de verzuimboete en – indien nodig – ook tegen de aanslag zelf. Een eerste gesprek is altijd vrijblijvend.

Verzuimboete aangifte (67a AWR) [news] 2021-03-09 0000-00-00 0000-00-00 6920

Wetswijzigingen eigenwoningregeling 2022

De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst (een hele mond vol) heeft een brief aan de Tweede Kamer gestuurd waarin wijzigingen in de eigenwoningregeling worden beschreven. Deze wetswijzigingen moeten per 1 januari 2022 in werking treden en zullen onderdeel uitmaken van het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen. Dit wetsvoorstel zal op Prinsjesdag 2021 nader bekend worden gemaakt.

De wetswijzigingen bevinden zich allemaal op het gebied van de partnerrelaties. Zo wordt gekeken naar de bijleenregeling bij partners, aflossingssituaties bij partners en de gevolgen van een overlijden voor de eigenwoningregeling. De staatssecretaris noemt vier onderwerpen:

  • De bijleenregeling;
  • De aflossingsstand;
  • Bestaande eigenwoningschulden;
  • Overlijden.

Wij gaan hierna in op de wijzigingen per onderwerp. Zoals genoemd betreft het in deze fase voorstellen. Voorstellen kunnen in de praktijk nog wijzigen. De voorstellen hangen samen met de wijzigingen in het huwelijksvermogensrecht per 2018.

Wetswijziging bijleenregeling bij partners

De bijleenregeling is sinds 2004 opgenomen in de wet. Met deze regeling wordt de hypotheekrenteaftrek beperkt. Dat werkt als volgt. Indien bij de verkoop van een eigen woning een overwaarde wordt gerealiseerd, dan wordt deze aangemerkt als eigenwoningreserve. Bij de aankoop van een nieuwe woning moet de eigenwoningreserve worden besteed aan de nieuwe woning, althans daar gaat de wet vanuit. Dat betekent dat voor de hoogte van de eigenwoningreserve geen hypotheekrenteaftrek kan worden geclaimd. Een voorbeeld:

Op een woning rust een hypotheekschuld van € 180.000. De woning wordt verkocht voor € 200.000. De overwaarde bedraagt dan € 20.000. Stel dat daarna een woning wordt gekocht voor € 250.000. Voor een bedrag van € 20.000 kan dan geen hypotheekrenteaftrek worden benut. Dat betekent dat de maximale schuld voor de hypotheekrenteaftrek € 230.000 bedraagt en niet € 250.000.

Indien sprake is van partners, dan wordt de bijleenregeling per individu toegepast. Het resultaat is aan de persoon gebonden. Onder voorwaarden is het mogelijk om – bijvoorbeeld bij echtscheiding – de eigenwoningreserve aan de partner toe te delen. Indien sprake is van een huwelijksgemeenschap kan zelfs sprake zijn van een verplichte toerekening van de eigenwoningreserve. Het is op dit gebied waar zich knelpunten voordoen. Uit de toelichting van de staatssecretaris komt het volgende knelpunt naar voren.

Henk heeft een eigenwoningreserve van € 50.000. Henk gaat vervolgens trouwen. Er ontstaat een beperkte gemeenschap voor bezittingen en schulden die tijdens het huwelijk ontstaan of die voor het huwelijk al gezamenlijk waren. Als gevolg van het huwelijk wordt de eigenwoningreserve nu voor de helft toegerekend aan de nieuwe partner, ondanks dat er geen gezamenlijke eigen woning is geweest. Dat is de fiscale uitwerking. Binnen het huwelijksvermogensrecht heeft de nieuwe partner echter totaal geen aanspraak op de helft van dit bedrag. Dat is een verschil tussen belastingrecht en personen- en familierecht. En daar wringt het uiteraard.

De voorgestelde wetswijziging leidt ertoe dat toerekening van de eigenwoningreserve aan de partner nog slechts plaatsvindt indien:

  • Voor het huwelijk al sprake is geweest van een boedelmenging; en
  • Als er een huwelijk in algemene gemeenschap wordt gesloten.

Dit zal zich bijvoorbeeld voordoen als de woning die is verkocht al voor het huwelijk gezamenlijk eigendom was. Toerekening is dan – in de ogen van de wetgever – niet onredelijk.

Een ander knelpunt dat zich bij de bijleenregeling voordoet is het volgende. Bij een gezamenlijke aankoop en financiering kan het zijn dat een schuld niet voor hypotheekrenteaftrek in aanmerking komt, omdat het eigenwoningverleden niet verdeeld kan worden. Momenteel kan dit op basis van goedkeurend beleid overigens wel. Dit goedkeurend beleid zal in de wet worden opgenomen. Er wordt dan gekeken wat de maximale eigenwoningschuld is die de partners mogen aangaan en of er voldoende eigen middelen worden ingezet. Een voorbeeld:

De woning kost € 200.000. De woning wordt gefinancierd met een gezamenlijke lening van € 150.000 en één van de partners heeft een eigenwoningreserve van € 50.000. Op grond van het huidige recht ontstaat nu een knelpunt in de renteaftrek. Hierna spreken wij over partner 1 en partner 2.

Partner 1 is tot de helft van de woning gerechtigd (€ 100.000) en tot de helft van de schuld (€ 75.000). De maximale eigenwoningschuld bedraagt voor partner 1 echter de woningwaarde voor partner 1, verminderd met de eigenwoningreserve. Dat leidt tot een bedrag van € 50.000 (€ 100.000 - € 50.000). Het overige deel van de schuld van partner 1, zijnde € 25.000 (€ 75.000 - € 50.000), komt niet voor renteaftrek in aanmerking.

Partner 2 is op dezelfde wijze tot de woning gerechtigd, maar heeft geen eigenwoningreserve. Voor zijn deel is renteaftrek over € 75.000 mogelijk.

Onderaan de streep vindt – bekeken op gezamenlijk niveau – renteaftrek plaats over € 125.000.

Na de wetswijziging pakt de regeling gunstiger uit. Er wordt dan gekeken naar de maximale hypotheekrenteaftrek voor de partners gezamenlijk en dat is € 200.000 (woningwaarde) minus € 50.000 (eigenwoningreserve). Doordat nu op totaalniveau een beoordeling plaatsvindt, kan renteaftrek plaatsvinden over de volledige € 150.000.

Bovenstaande vormt een welkome wijziging van de wetgeving. In de praktijk zal bij gezamenlijke aankoop en financiering dan rekening worden gehouden – op gezamenlijk niveau – met de maximale eigenwoningschuld en de bijleenregeling.

Wetswijziging aflossingsstand in partnersituaties

De aflossingsstand is van belang om te bepalen of een schuld nog in aanmerking komt voor hypotheekrenteaftrek. Deze stand laat zien hoe op het moment van het aangaan van een eigenwoningschuld, de resterende looptijd en renteaftrektermijn wordt beperkt. Zo een beperking kan bijvoorbeeld plaatsvinden, omdat voor het bedrag van de schuld al een aantal jaar renteaftrek is genoten. De renteaftrek duurt namelijk maximaal dertig jaar. Er ontstaat alleen een aflossingsstand indien er sprake is van een verkoop van een eigen woning. Een eenvoudig voorbeeld bij de aflossingsstand:

Een woning wordt gefinancierd met een schuld van € 200.000. Deze moet in dertig jaar worden afgelost. Na tien jaar wordt de woning verkocht en de schuld bedraagt dan nog € 150.000. Deze € 150.000 wordt als aflossingsstand genoteerd. Indien een nieuwe woning wordt gekocht, dan kan voor een bedrag van € 150.000 nog maximaal twintig jaar renteaftrek worden genoten.

Momenteel wordt de aflossingsstand aan beide partners toegerekend naar rato van de gerechtigdheid tot de huwelijksgemeenschap. Daarbij is niet relevant of er ook een gezamenlijke woning wordt aangekocht. Stel dus dat er een woning is die geen onderdeel is van de huwelijksgemeenschap, dan wordt alsnog de aflossingsstand verdeeld. Dat wordt als onwenselijk gezien. De wetswijziging die nu is voorgesteld maakt dat de aflossingsstand in beginsel blijft toebehoren aan de partner bij wie deze is ontstaan.

De aflossingsstand kan ook voor knelpunten zorgen bij een gezamenlijke aankoop en financiering van een woning. De voorgestelde wijziging komt erop neer dat het wordt toegestaan dat de aflossingsstand gedeeltelijk vervalt als deze feitelijk bezien op gezamenlijk niveau is toegepast. Een wat cryptisch verwoorde bepaling die zich met een voorbeeld goed laat illustreren.

Partner 1 heeft een aflossingsstand van € 100.000. Partner 2 heeft geen aflossingsstand. Vervolgens trouwen partner 1 en partner 2 met elkaar. De aflossingsstand blijft geheel van partner 1. Vervolgens wordt een woning gezamenlijk gekocht en gefinancierd. De woning zal in de huwelijksgemeenschap vallen. De woning kost € 160.000.

Onder het huidige recht is de uitwerking als volgt. Partner 1 is gerechtigd tot de helft van de schuld, zijnde € 80.000. Dat geldt ook voor partner 2. Daarna wordt per leningdeel nog de toerekening verricht. Dat betekent dat partner 1 voor de helft van de schuld (€ 40.000) de aflossingsstand moet benutten. De andere helft komt niet voor benutting van de aflossingsstand in aanmerking en er resteert ook nog eens € 20.000 van de oorspronkelijke aflossingsstand. Partner 1 ziet dus € 40.000 aan lening naar box 3 gaan en blijft zitten met een aflossingsstand van € 60.000.

Onder het nieuwe recht werkt dit eenvoudiger uit. Voor het deel van de schuld dat aan partner 1 toebehoort (€ 80.000) wordt de aflossingsstand benut en voor de andere helft niet. De aflossingsstand is dan voor € 80.000 benut en de laatste € 20.000 blijft staan.

Samengevat komt deze wijziging dus op het volgende neer. De aflossingsstand bij gezamenlijke aankoop en financiering van een eigen woning vindt plaats voor ten minste het bedrag van het aandeel in de schuld van de partner die de aflossingsstand heeft.

Wetswijziging bestaande eigenwoningschulden

Ook voor situaties waarin een bestaande eigenwoningschuld een rol speelt, zal de wet worden veranderd. Een eerste knelpunt doet zich hier voor in oversluitsituaties. Dat zijn situaties waarin in een kalenderjaar de schuld geheel of gedeeltelijk wordt afgelost. Daarbij geldt als voorwaarde dat uiterlijk in het kalenderjaar dat volgt, een nieuwe schuld tot ten hoogste het afgeloste bedrag in verband met de eigen woning wordt afgesloten. Er doet zich echter iets onwenselijks voor op het moment dat sprake is van gezamenlijke aankoop en financiering van een woning met een partner. Een voorbeeld ter illustratie.

Partner 1 heeft een bestaande eigenwoningschuld van € 150.000. De nog lopende termijn is 20 (van de 30) jaar. Er is geen eigenwoningreserve. Partner 1 gaat met Partner 2 samenwonen. Er wordt gezamenlijk een woning gekocht en gefinancierd. Deze woning kost € 200.000. Er wordt een aflossingsvrije lening afgesloten van € 150.000 en voor het restant van € 50.000 een annuïtaire lening.

Partner 1 en 2 zijn ieder gerecht tot € 100.000 van de woningwaarde en ook tot de helft van de beide schulden. De schuld van partner 1 is volledig aan te merken als bestaande eigenwoningschuld, aangezien de helft van de totale schuld minder bedraagt dan de bestaande eigenwoningschuld. Dat geldt niet voor partner 2, want die heeft geen bestaande eigenwoningschuld en kan daardoor het aflossingsvrije deel onder de regeling bestaande eigenwoningschulden niet in box 1 houden. Een aflossingsvrije lening kwalificeert immers niet als eigenwoningschuld voor de hypotheekrenteaftrek.

Onder de nieuwe regeling kan in bovenstaande situatie de bestaande eigenwoningschuld worden ingezet door de partners gezamenlijk en naar rato van het aandeel in de schuld. Dit verandert de afloop van het bovenstaande voorbeeld als volgt.

De bestaande eigenwoningschuld van partner 1 kan nu door beide partners gezamenlijk worden ingezet naar rato van het aandeel in de schuld. Partner 1 en 2 kunnen dan ieder voor maximaal 50% van de bestaande eigenwoningschuld het overgangsrecht benutten. De bestaande eigenwoningschuld bedroeg € 150.000. De gezamenlijke aflossingsvrije lening bedraagt eveneens € 150.000. Partner 1 en 2 kunnen hiervan beiden hun deel van € 75.000 als bestaande eigenwoningschuld aanmerken. Dat leidt ertoe dat de gehele aflossingsvrije lening voor renteaftrek in aanmerking komt. Dan resteert het annuïtaire deel van € 50.000, doch annuïtaire leningen vallen in beginsel al onder de renteaftrek, mits uiteraard aan de overige voorwaarden is voldaan. In tegenstelling tot onder het voorbeeld naar huidig recht, houdt dus ook partner 2 zijn aflossingsvrije leningdeel in box 1.

Bovenstaande leidt ertoe dat er meer hypotheekrenteaftrek mogelijk is. Zeker met de huidige rentepercentages is het niet altijd gegeven dat hypotheekrenteaftrek in box 1 de meest optimale situatie is. Er zijn belastingplichtigen die er de voorkeur aan geven om deze schulden in box 3 te hebben. Voor deze categorie belastingplichtigen is het goed om te weten dat de staatssecretaris heeft aangekondigd dat het een ‘kan-bepaling’ betreft. Dat betekent dat het niet verplicht is van deze mogelijkheid gebruik te maken. Indien geen gebruik wordt gemaakt van deze bepaling, blijft de uitwerking ten opzichte van het oude recht ongewijzigd.

In samenhang met bovenstaande wijzigt ook de regel die geldt indien tijdens de periode van het oversluiten boedelmenging plaatsvindt. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij het aangaan van een huwelijk in algehele gemeenschap van goederen. Nu is het zo dat een overgesloten bestaande eigenwoningschuld, indien het een gezamenlijke lening betreft, naar rato wordt verdeeld over de partners. Hier komt een kan-bepaling voor in de plaats. Deze verdeling is dus niet langer verplicht.

Wetswijzigingen overlijden en eigen woning

Een gebeurtenis die in de praktijk voor veel vraagtekens zorgt, is het overlijden en de gevolgen hiervan voor de eigenwoningregeling. Een groot deel van de onduidelijkheid komt omdat voor veel mensen niet duidelijk is of overlijden nu leidt tot een vervreemding of juist niet.

Onder het huidige recht is het vervreemdingsbegrip uitgebreid gedefinieerd. Van een vervreemding is sprake als er iets gebeurt waardoor de eigen woning voor de belastingplichtige geen eigen woning meer is. Bij overlijden is dat ontegenzeggelijk het geval. Daarnaast is in de wet opgenomen dat bij vervreemding / verwerving van de woning krachtens erfrecht tussen partners geen sprake is van een vervreemding / verwerving. Het gevolg is dat bij overlijden de eigenwoningreserve en de aflossingsstand kunnen overgaan op de langstlevende partner, maar dit is afhankelijk van diverse omstandigheden / randvoorwaarden. Dat maakt de regeling complex.

Met betrekking tot de gevolgen bij overlijden wordt het vervreemdingsbegrip onder de nieuwe regels aangepast. Hierdoor is bij overlijden altijd sprake van een vervreemding van de eigen woning. Tevens wordt opgenomen dat de verwerving krachtens erfrecht niet een verwerving in de zin van de eigenwoningregeling is. Dat heeft voor de praktijk de volgende gevolgen, waarbij wij tevens ingaan op hoe de regeling nu werkt.

Wetswijziging overlijden en bijleenregeling

Het kan zijn dat er al een eigenwoningreserve is of dat deze bij overlijden ontstaat. Dit laatste doet zich voor bij overlijden, tenzij de woning krachtens erfrecht overgaat op de partner. Dat is de uitwerking onder huidig recht. Het wel of niet overgaan van de eigenwoningreserve is daarmee dus afhankelijk van de vraag of er sprake is van een vervreemding bij overlijden en staat geheel los van de economische werkelijkheid met betrekking tot de woning en de gerechtigdheid hiertoe. Dit gaat de wetgever veranderen.

Onder het nieuwe recht is bij overlijden per definitie sprake van een vervreemding. Er ontstaat dan een eigenwoningreserve. Deze komt naast een eventuele eigenwoningreserve die de overledene al heeft. De eigenwoningreserve is per 1 januari 2022 echter weer strikt gebonden aan de belastingplichtige. Als gevolg van overlijden komt de eigenwoningreserve dan te vervallen. Deze gaat nooit over naar de langstlevende partner.

Wetswijziging overlijden en aflossingsstand

Bij overlijden kan van twee situaties sprake zijn. Ten eerste kan het zo zijn dat er al een aflossingsstand is. Ten tweede kan het overlijden leiden tot een aflossingsstand. Bij overlijden gaat de aflossingsstand over op de partner. Afhankelijk van de vraag of sprake is van een vervreemding, gaat alleen de bestaande aflossingsstand over of ook de aflossingsstand die ontstaat bij overlijden. Zoals eerder aangegeven is dat onder het huidige recht afhankelijk van het antwoord op de vraag of de woning krachtens erfrecht tussen partners op de partner overgaat. Het overgaan van de aflossingsstand vindt dus plaats zonder dat wordt gekeken naar de betrokkenheid van de partner bij de schulden die tot de aflossingsstand hebben geleid. Dit acht de wetgever ongewenst.

Onder het nieuwe recht is bij overlijden per definitie sprake van een vervreemding. Er zal dan een aflossingsstand ontstaan en die komt na een eventueel al bestaande aflossingsstand. Deze aflossingsstand zal echter wordt gekoppeld aan de persoon van de belastingplichtige. Dat leidt ertoe dat bij overlijden de aflossingsstand komt te vervallen en nooit overgaat naar de partner.

Wetswijziging overlijden en aflossingsschema / aftrektermijn

Bij het overlijden van de belastingplichtige gaat het aflossingsschema over op de partner die de eigenwoningschuld verkrijgt. Dit zal met de nieuwe wetgeving niet veranderen. Dus: indien een eigenwoningschuld bij overlijden overgaat op de partner, gaat ook het aflossingsschema van de schuld over op de partner.

Met betrekking tot de renteaftrektermijn geldt dat deze eveneens overgaat op de partner. Dit leidt ertoe dat de bewoning kan worden voorgezet zonder fiscale beperkingen. Die regeling blijft overeind. Er komt echter wel een uitbreiding in de vorm van een kan-bepaling. Deze bepaling is ontleend aan een bepaling die reeds onderdeel uitmaakt van de wetgeving. Op grond van deze bepaling kan de langstlevende partner ervoor kiezen om de ruimte voor een bestaande eigenwoningschuld van de overledene te benutten. Dit is niet verplicht. Dit zal zich voordoen indien de langstlevende binnen de oversluittermijn een nieuwe lening aangaat.

Advisering eigen woning en fiscaliteit

De eigenwoningregeling laat zich op hoofdlijnen makkelijk uitleggen en de hypotheekrenteaftrek is een zeer bekende fiscale faciliteit. Uit bovenstaande komt echter ook naar voren dat er in de praktijk knelpunten ontstaan. Deze knelpunten worden vaak met ingewikkelde regelgeving en gedetailleerde uitzonderingen gerepareerd. Voor de praktijk wellicht interessant, maar het maakt wet- en regelgeving (onnodig) complex en dat werkt frustrerend. Het zou toch beter zijn als een huis kan worden gekocht of een nalatenschap kan worden afgewikkeld, zonder dat tegen ingewikkelde, fiscale verplichtingen wordt aangelopen.

Hebt u problemen met de eigen woning of zit u in een situatie waarin de gevolgen voor u onduidelijk zijn? Neem dan gerust eens contact op met één van onderstaande adviseurs om vrijblijvend over uw situatie te spreken.

Wetswijzigingen eigenwoningregeling 2022 [news] 7205
Laatste update : 18-08-2021
Dit artikel (of blog of voorbeeldovereenkomst) is met aandacht en zorgvuldigheid geschreven, maar bevat informatie van algemene en informatieve aard. De informatie in dit artikel kan, afhankelijk van de omstandigheden van uw specifieke geval, niet of verminderd van toepassing zijn. De informatie in dit artikel dient derhalve niet als fiscaal/juridisch advies te worden beschouwd. Jongbloed Fiscaal Juristen N.V. en of haar vestingen/ deelnemingen aanvaarden dan ook geen enkele aansprakelijkheid voor de gevolgen van het gebruik van de informatie uit het artikel.

Deel deze pagina

U bevindt zich hier : Jongbloed Fiscaal Juristen Banners Bijtelling beperken?

Jongbloed Fiscaal Juristen - Disclaimer - Zoeken - Sitemap