Vrije bewijsleer WVA-procedure

Ons kantoor heeft tientallen WVA-dossiers onder handen. Vaak is er discussie over de bewijslast voor de opleiding. Kort en goed: "is de opleiding wel of niet binnen het bedrijf verzorgd?" In deze procedure geeft de rechter (eindelijk) een redelijk en juist beeld van de vrije bewijsleer.

Procedure WVA over opleiding

Een transportbedrijf verzorgt een opleiding binnen haar bedrijf en claimt hiervoor een loonbelastingvermindering (WVA) van ruim € 30.000. Binnen het bedrijf wordt een opleiding chauffeur goederenvervoer verzorgd. Het betreft een zogenaamde BBL-opleiding die door de Minister (van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) is erkend (zogenaamde Crebo-opleiding). De opleiding wordt verzorgd door een erkende onderwijsinstelling en voor de uitvoering van het onderwijsproces wordt gebruik gemaakt van een andere specialist. Veel chauffeurs slagen en krijgen een diploma. De vlag kan dus uit (denkt het bedrijf) !

Enkele jaren later vordert de Belastingdienst alle WVA-verminderingen terug. De Belastingdienst is van mening dat de opleiding niet is gevolgd (voldoet niet aan 7.2.2. van de WEB, aldus de inspecteur). De rechter komt tot het volgende:

  1. Belastingplichtige moet aannemelijk maken dat de opleiding is gegeven (Rechtsoverweging 16). De rechter stelt: "Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat op eiseres de bewijslast rust om de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die kunnen leiden tot het oordeel dat zij recht heeft op de afdrachtvermindering onderwijs. De afdrachtvermindering is immers een belastingverlagende maatregel. Naar het oordeel van de Rechtbank heeft eiseres aan haar bewijslast voldaan."
  2. Het betreft een erkende opleiding (Rechtsoverweging 17). De rechter stelt: "Artikel 14 van de WVA stelt als voorwaarde voor de afdrachtvermindering onderwijs dat de werknemer de beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende leerweg. Tussen partijen is niet in geschil dat de in het Creboregister opgenomen opleiding met nummer 91830 kwalificeert als een opleiding waarop afdrachtvermindering onderwijs kan worden toegepast."
  3. Maatopleiding die is aangepast is prima, ook het oprekken van 1 naar 2 jaar is geen probleem. (Rechtsoverweging 18). De rechter overweegt terecht het volgende: "Vaststaat dat het onderhavige opleidingstraject voor eiseres op maat is gemaakt en een aangepast programma bevat. Dit brengt echter niet mee dat daarmee geen sprake kan zijn van een opleiding die is opgenomen in het Creboregister als gevolg waarvan artikel 14 van de WVA niet van toepassing zou zijn. Eiseres heeft in dit verband gemotiveerd gesteld dat de bij eiseres verzorgde opleiding inhoudelijk niet afwijkt van de in het Creboregister opgenomen opleiding met nummer 91830 en alle daarvoor vereiste onderdelen bevat. Dat de opleidingsduur korter is dan de standaardopleiding, 1 jaar in plaats van 2 jaar, vindt zijn oorzaak in de relevante voorkennis en praktijkervaring van de werknemers die hebben deelgenomen aan deze opleiding.
  4. Ook een chauffeur mag een chauffeursopleiding volgen. (Rechtsoverweging 18). De Belastingdienst stelt dat op basis van werkervaring, vrijstellingen, maatwerk en kennis van het leerbedrijf de werknemers een korter opleidingstraject konden afleggen teneinde het erkende MBO-diploma te behalen. De Rechtbank acht dit niet onaannemelijk. Daarmee voldoet de opleiding naar het oordeel van de Rechtbank aan de eisen van de WEB. Dat de gevolgde opleiding op onderdelen samenvalt met het programma van de verplichte nascholing om de chauffeursaantekening op het rijbewijs te verlengen, doet hier niet aan af. De onderhavige wet- en regelgeving biedt geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel. De Rechtbank merkt ten overvloede op dat nu het diploma in een kortere periode dan daar officieel voor staat is behaald, ook gedurende een kortere periode dan de reguliere opleidingsduur aanspraak op afdrachtvermindering onderwijs heeft bestaan.
  5. Door vrije bewijsleer is de opleiding aannemelijk. (Rechtsoverweging 19). Naar het oordeel van de Rechtbank heeft eiseres met de door haar overgelegde stukken en haar verklaring ter zitting aannemelijk gemaakt dat de werknemers feitelijk alle onderdelen van het lesprogramma hebben gevolgd en de beroepsopleiding met een diploma hebben afgerond. Daartoe overweegt de rechtbank dat:
  • de overeenkomst zoals die tussen eiseres en [onderwijsinstelling A] is gesloten, is overgelegd;
  • de door de deelnemers behaalde diploma’s zijn overgelegd, waardoor is vastgesteld dat de daadwerkelijk gevolgde opleiding de BBL-opleiding is waarover in de overeenkomst wordt gesproken;
  • in de POK’s die zijn overgelegd wordt vermeld dat het een Crebo-opleiding betreft;
  • de praktijkovereenkomsten bepalingen bevatten over de praktijkbegeleiding zoals bedoeld in artikel 7.2.8 van de WEB;
  • het vermelde aantal uren studiebelasting weliswaar niet overeenkomt met de genormeerde studiebelasting (1.600) zoals vermeld op de ‘Crebolijst opleidingsdomeinen, kwalificatiedossiers en kwalificaties’, maar dat een afwijking van deze normatieve studieduur niet op voorhand uitgesloten is;
  • eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat er voldoende capaciteit voor de praktijkbegeleiding aanwezig was;
  • eiseres gemotiveerd heeft weersproken dat het vak Duits door niemand is gevolgd, hetgeen ook is gebleken uit de overgelegde stukken.

Noot fiscaal jurist over WVA-procedure

De Rechtbank concludeert dat eiseres voldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aannemelijk maken dat de opleiding daadwerkelijk is gevolgd en dat daarmee aan de wettelijke voorwaarden voor de afdrachtvermindering onderwijs is voldaan, de Belastingdienst moet eigenlijk niet zeuren en gewoon wat praktischer naar de situatie kijken, aldus de Rechtbank. De vergoeding van alle proceskosten wordt jammer genoeg afgewezen, dit is echter wel begrijpelijk. De transportondernemer krijgt een forfaitaire vergoeding op grond van het Besluit proceskosten Bestuursrecht. Er wordt namelijk niet voldaan aan de voorwaarden zoals is neergelegd in eerdere uitspraken hierover (zie onder). Waarschijnlijk gaat de Belastingdienst in beroep tegen deze - voor hen - ongunstige uitspraak. De duidelijke lijn en heldere motivering van de Rechtbank is voor de praktijk prettig !

In hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag wordt belastingplichtige in het ongelijk gesteld, zie hiertoe Gerechtshof Den Haag d.d. 12 oktober 2016 (ECLI NL GHDHA 2016 3419, deze uitspraak wordt hier toegelicht.

Bron

Rechtbank Den Haag 2 februari 2016 (publicatie 16 juni 2016) ECLI NL RBDHA 2016 5469.

Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802.

Hoge Raad 4 februari 2011 nr 2011 BP 2975.


Meer weten van vrije bewijsleer wva procedure



Auteur(s) van vrije bewijsleer wva procedure


mr. D.J.B. Jongbloed Dennis).
Fiscaal Jurist, DGA

088 027 00 00
d.jongbloed@jongbloed.tv


Jongbloed Fiscaal Juristen N.V.
Oldenzaalsestraat 125
7514 DP Enschede
, Overijssel

mr. A. Vermeer (Angelique).
Fiscaal Jurist,

088 027 00 00
a.vermeer@jongbloed.tv


Jongbloed Fiscaal Juristen N.V.
Oldenzaalsestraat 125
7514 DP Enschede
, Overijssel

Artikel datum : 17-06-2016 | Artikel laatst gewijzigd : 29-11-2016

Meer over Jongbloed Fiscaal juristen

Tips & Tricks

Twitter Updates

Volg ons op: