Vragen auto aan minister

Vragen en antwoorden privegebruik auto

Op 15 december 2000 is een besluit gepubliceerd over uitvoering van het autokostenforfait (RTB2000/3235M). Dat besluit is op 15 juni 2001 (RTB2001/793) aangevuld en opnieuw vastgesteld.

Onderstaand wordt dit laatste besluit aangepast aan de wetswijzigingen die per 1 januari 2002 ingaan en, onder intrekking van het besluit van 15 juni 2001, opnieuw vastgesteld. Het besluit gaat in op 1 januari 2002.

Met dit besluit wordt geprobeerd zoveel mogelijk helderheid te scheppen over de uitvoering van de artikelen 3.20 en 3.145 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de artikelen 9 en 22 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Aan de hand van een aantal vragen en antwoorden wordt aangegeven welke uitgangspunten de Belastingdienst hanteert bij het innemen van een standpunt.

1.    Kunnen over de toepassing van het autokostenforfait vooraf afspraken gemaakt worden met de inspecteur?

Resterende onzekerheden kunnen worden opgelost door afspraken vooraf te maken met de inspecteur over een op een concrete situatie toegesneden praktische toepassing van de nieuwe wettelijke regels.

Daarbij mag echter niet uit het oog verloren worden dat belastingheffing steeds plaatsvindt aan de hand van de feiten die zich daadwerkelijk hebben voorgedaan en die alleen achteraf zijn te beoordelen.

Over de wijze waarop aan uit de wet volgende bewijsopdrachten kan worden voldaan, kunnen afspraken gemaakt worden met de inspecteur. Ook kunnen er afspraken gemaakt worden over de interpretatie van feiten die zich op dit moment al voordoen en die relevant zijn voor de toepassing van het autokostenforfait. Te denken valt daarbij aan de vraag of een bestelauto naar aard en inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor goederenvervoer.

Ook een aantal voorwaarden die zijn genoemd in de nieuwe artikelen 9 en 22 van de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001 lenen zich er toe vooraf met de inspecteur te bespreken.

Ik denk daarbij met name aan de vraag of het gebruik van de bestelauto voortvloeit uit de aard van de onderneming.

2.    Met welke inspecteur kunnen afspraken gemaakt worden?

Deze vraag is relevant voor de toepassing van artikel 3.145 Wet inkomstenbelasting 2001 in situaties waarin de inspecteur die competent is voor de werkgever niet dezelfde is als die voor de werknemer. Meestal zal de inspecteur van de werkgever beter in staat zijn de feiten te beoordelen. In die gevallen kunnen met de competente inspecteur voor de werkgever collectieve afspraken gemaakt worden. Ik verbind hieraan de volgende voorwaarden:

  • De werkgever verstrekt de NAW-gegevens van de desbetreffende werknemers, hun SoFi-nummer en geeft bij voorkeur ook aan wie de bevoegde inspecteur voor de werknemers is.
  • De afspraak geldt uitsluitend ten aanzien van werknemers die een verklaring ondertekenen, waarin is opgenomen dat de werknemer akkoord gaat met de afspraak die door tussenkomst van de werkgever is getroffen. Werknemers die al een afspraak hebben met hun inspecteur blijven daaraan gebonden.

De inspecteur van de werkgever licht de inspecteur van de werknemer naderhand in. Ingeval bij controle achteraf blijkt dat de gemaakte afspraken door de werkgever niet zijn nageleefd, kan de werknemer zich ter voorkoming van een bijtelling niet op de afspraak beroepen.

3.    Mag bijvoorbeeld de afspraak gemaakt worden dat ritten gedurende bepaalde tijden worden geacht zakelijk te zijn en de ritten buiten die tijden privé?

Het beantwoorden van de vraag of zo'n afspraak past binnen de omstandigheden en de aard van het bedrijf blijft voorbehouden aan de inspecteur. Daarvoor zal tenminste sprake moeten zijn van vaste werktijden en een rittenregistratie waarbij de afgelegde afstanden en de tijden van de ritten op een onafhankelijke en controleerbare wijze volledig worden bijgehouden.

Het ligt voor de hand in zo’n afspraak uitdrukkelijk aandacht te besteden aan de bepaling van het aantal kilometers dat voor woon- / werkverkeer wordt gereden. Met ingang van het jaar 2002 wordt immers regelmatig woon- / werkverkeer nog slechts volledig als zakelijk aangemerkt indien de afstand woning - werk meer dan tien kilometer en minder dan 30 kilometer bedraagt. Indien die afstand minder dan 10 kilometer bedraagt is het gehele woon- / werkverkeer privé. Indien die afstand meer dan 30 kilometer bedraagt is het gedeelte boven de 30 kilometer privé, de eerste tien kilometer zijn dan wel zakelijk.

Voor de situatie waarin werknemers zogenaamde wachtdiensten draaien is bij vraag 12 nog een extra tegemoetkoming opgenomen.

4.    Komt elke auto (of het nu handelsvoorraad of bedrijfsmiddelen betreft) die ook voor privédoeleinden ter beschikking staat of is gesteld, voor toepassing van het forfait in aanmerking?

Ja, iedere personen- of bestelauto die in een onderneming aanwezig is, als handelsvoorraad of als bedrijfsmiddel (inclusief lease of huur), én die door de ondernemer en zijn gezin, de digra en zijn gezin, of een werknemer ook voor privédoeleinden kan worden gebruikt, komt in beginsel voor toepassing van de autokostenfictie in aanmerking. Hierbij merk ik op dat onder (bestel)auto wordt verstaan een auto die met rijbewijs B mag worden bestuurd. Voor motorfietsen, vrachtauto’s en bussen geldt de forfaitaire bijtelling niet. Voor die motorvoertuigen wordt het voordeel van een eventueel privégebruik gesteld op de waarde in het economische verkeer.

5.    Hoe wordt invulling gegeven aan de tijdens de parlementaire behandeling toegezegde beleidskaders voor ondernemers met tot de handelsvoorraden behorende auto's en voor ondernemers voor wie tot de bedrijfsmiddelen grote aantallen auto’s (wagenparken) behoren?

Hierbij zijn drie deelaspecten te onderscheiden. Het aantal in aanmerking te nemen auto's, de waardering van de in aanmerking te nemen auto's, en de toepassing van de tegenbewijsregeling in deze gevallen.

Het aantal in aanmerking te nemen auto's
Gelet op het bij vraag 4 opgenomen uitgangspunt, aangevuld met overwegingen van redelijke wetstoepassing, wordt voor de ondernemer of directeur-grootaandeelhouder (en het gezin) de onttrekking / bijtelling normaliter geacht te gelden voor twee van het totaal aantal feitelijk voor toepassing van de autokostenfictie in aanmerking komende auto's. Bij een alleenstaande ondernemer / directeur-grootaandeelhouder of als in het gezin slechts één persoon een rijbewijs heeft, is de norm bijtelling voor één auto. Indien volgens de inspecteur een hoger aantal in aanmerking moet worden genomen dan twee respectievelijk één, ligt de bewijslast daarvoor bij hem. De inspecteur zal bij de bepaling van het aantal relevante auto’s rekening houden met het in privé hebben en rijden van een of meer eigen auto's die voor privégebruik evenzeer of zelfs meer geschikt zijn dan de auto's van de zaak.

De waarde van de in aanmerking te nemen auto's
Indien aan de ondernemer, directeur-grootaandeelhouder (en het gezin) of werknemer gedurende de loop van het jaar één of enkele specifieke auto('s) ter beschikking staan, zal voor de berekening van de onttrekking / bijtelling worden aangesloten bij de voor die auto's geldende catalogusprijs dan wel (voor auto's ouder dan vijftien jaar) waarde in het economische verkeer, zoals is bepaald in het zevende lid van de artikelen 3.20 en 3.145 Wet IB 2001.

Indien sprake is van (ook voor privédoeleinden ter beschikking staande) auto's die afwisselend daarvoor worden gebruikt, zal het bepalen van de voor de berekening te hanteren waarde kunnen aansluiten bij de gewogen gemiddelde catalogusprijs van de auto’s die de betrokkene, gelet op zijn of haar positie in het bedrijf, ter beschikking staan.

Voor autodealers zullen in een afzonderlijk besluit handreikingen gegeven worden voor de bepaling van de in aanmerking te nemen catalogusprijs.

De tegenbewijsregeling
De Wet IB 2001 hanteert inzake de ter beschikking staande auto een vooronderstelling: de auto wordt in ieder geval geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te staan of te zijn gesteld, tenzij blijkt dat dat niet of vrijwel niet (d.w.z. niet meer dan 500 km op jaarbasis) het geval is. Uit de vooronderstelling volgt dat de onttrekking / bijtelling 25% bedraagt, tenzij blijkt dat een lager percentage kan worden gehanteerd, bijvoorbeeld in de situatie dat uit een rittenregistratie blijkt dat (in 2002) niet meer dan 8.000 privékilometers met de auto zijn gereden. Bovendien geldt een lager bijtellingspercentage voor bestelauto’s die voldoen aan de voorwaarden als genoemd in de nieuwe artikelen 9 en 22 van de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001.

6.    Hoe kan een werknemer of ondernemer bewijs leveren dat hij de auto die hij ter beschikking heeft, niet voor privédoeleinden gebruikt?

Naast de rittenregistratie, zoals die ook gold onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964, kan ander bewijs geleverd worden dat de auto niet of nauwelijks voor privédoeleinden wordt gebruikt.

Zo is in de jurisprudentie bijvoorbeeld als bewijs aanvaard de combinatie van een eigen auto en gescheurde en met vet besmeurde bekleding van de stoelen in de auto van de zaak, en ook de combinatie van een eigen auto en het niet verzekerd zijn van de auto van de zaak buiten de door de werkgever gecontroleerde dienstreizen.

Ook een arbeidscontract waarin is opgenomen dat de ter beschikking gestelde auto niet voor privédoeleinden mag worden gebruikt kan daarbij een rol spelen. Van groot belang is dan wel dat aan deze contractuele bepaling aantoonbaar de hand wordt gehouden.

Zoals ook de Hoge Raad in zijn arrest van 15 december 1999 (nr. 32 263) heeft overwogen, kan de werknemer / aandeelhouder hierbij niet op één lijn gesteld worden met een gewone werknemer.

Bij gegronde twijfel aan het handhavingsbeleid van de werkgever zal de inspecteur naast het arbeidscontract nader bewijs kunnen verlangen voor het laten blijken van het (vrijwel) ontbreken van privégebruik, waarbij ook het antwoord op de vraag telt hoe de werknemer en zijn gezin de normaal te achten privékilometers aflegt als dat niet met de auto van de zaak gebeurt. Aan dat bewijs zal natuurlijk het hebben en rijden van een eigen auto die voor privégebruik evenzeer of zelfs meer geschikt is dan de auto van de zaak, sterk bijdragen. Steeds zal echter het geheel van feiten en omstandigheden in hun onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld.

Voor de volgende categorieën personenauto's mag, tenzij anders blijkt, worden aangenomen dat is gebleken dat zij voor niet meer dan 500 km voor privédoeleinden aan werknemers ter beschikking worden gesteld. Het betreft personenauto's die zijn ingericht, en als zodanig uiterlijk kenbaar zijn, om te worden gebruikt door de politie, door de brandweer, voor het vervoer van zieken en gewonden, voor het vervoer van stoffelijke overschotten, voor het vervoer van gevangenen, voor het vervoer van zieke of gewonde dieren, of voor geldtransport, indien zij (nog) voldoen aan de voorwaarden voor teruggaaf van de BPM. Één van de voorwaarden daarvoor is dat de personenauto uitsluitend bedrijfsmatig wordt gebruikt voor het specifieke doel. Voor zover het tot het bedrijfsmatig gebruik hoort deze auto’s mee naar huis te nemen valt ook het woon- / werkverkeer met deze auto’s daaronder.

Over de rittenregistratie merk ik nog het volgende op. In de rittenadministratie moet de gereden route worden ingevuld indien deze afwijkt van de gebruikelijke route. Voor rij-instructeurs blijkt dit in de praktijk evenwel tot een onevenredig zware administratieve last te leiden. Bij gebrek aan een gebruikelijke route zouden zij immers de gereden route van elke les moeten bijhouden. De controleerbaarheid van de rittenadministratie is hier echter nauwelijks mee gediend. Ik keur daarom goed dat in dit kader rij-instructeurs elke les beschouwen als één rit en daarbij slechts de plaats van de les hoeven te vermelden.

7.    Hoe moet de rittenregistratie worden ingevuld indien de auto ook door klanten wordt gebruikt om een proefrit te maken?

Naast het door de vaste berijder invullen van de registratie geldt het volgende. Indien de zakelijke rit een proefrit is, geldt het (getekende) bewijs van uitlenen aan de klant (waar begin- en eindkilometerstand op staan) als onderdeel van de rittenregistratie. Een afschrift van de rittenregistratie blijft achter in de auto zodat door een volgende gebruiker kan worden 'doorgeschreven' tot het moment waarop de auto wordt verkocht. Controle bestaat er in dat de laatst genoteerde kilometerstand in de administratie van belanghebbende overeenkomt met de kilometerstand op datum aflevering.

8.    Welke bestelauto's zijn door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt voor vervoer van goederen?

Hierbij wordt in elk geval gedacht aan sommige service-auto's waarin naast de bestuurder alleen plaats is voor gereedschappen en reserveonderdelen.Voor deze auto's blijft de bijtellingssystematiek gelden zoals die gold onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964: werkelijk aantal privékilometers maal werkelijke kilometerprijs. Opgemerkt wordt nog dat (overige) bestelauto's met twee voorstoelen of een voorbank in het algemeen niet voor toepassing van deze systematiek kwalificeren.

Ten overvloede merk ik op dat bestelauto’s die niet aan deze voorwaarden voldoen nog wel kunnen voldoen aan de voorwaarden genoemd in de nieuwe artikelen 9 en 22 van de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001. Op deze artikelen wordt ingegaan in vraag en antwoord 17.

9.    De auto van de zaak is bijna 15 jaar oud. Hoe wordt de autokostenfictie toegepast?

In de Wet IB 2001 is opgenomen dat de waarde van de auto die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, in plaats van op de catalogusprijs wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer. Veelal zal dit inhouden dat bij het bereiken van de vijftien jaar een waardesprong optreedt, naar beneden of naar boven. Indien de vijftien jaar in de loop van het jaar wordt bereikt en de auto staat gedurende het gehele jaar ook voor privédoeleinden ter beschikking, tellen alle in dat jaar gereden privékilometers mee voor de indeling in de tabel. Voor het berekenen van de bijtelling wordt naar tijdsgelang met de waardesprong rekening gehouden.

10.   Bij indiensttreding in september van enig jaar is een auto met een catalogusprijs van € 20.000 ook voor privédoeleinden ter beschikking gesteld. Vanaf dat moment is een rittenregistratie gevoerd. Er zijn 400 km privé gereden. Hoe wordt de autokostenfictie toegepast?

In de regeling van de autokostenfictie worden de voor 2002 geldende grenzen van 500, 3.000, 6.000 en 8.000 km op jaarbasis beschouwd. Indien een auto slechts een gedeelte van het jaar ook voor privédoeleinden ter beschikking heeft gestaan, wordt het gedurende die periode gereden aantal privékilometers herrekend tot een jaartotaal, waaruit de indeling in de tabel volgt. De op basis van de tabel berekende bijtelling wordt naar tijdsgelang toegepast.

Het voorbeeld uit de vraag kent de volgende uitwerking. Gedurende de maanden september tot en met december staat de auto van € 20.000 ook voor privé ter beschikking, en uit de rittenregistratie blijkt een totaal aantal privékilometers van 400. De berekening van de bijtelling is als volgt: 12/4 * 400 km = 1.200 km. Het bijtellingspercentage is volgens de tabel 10. De bijtelling bedraagt 4/12 * (€ 20.000 * 10%) = € 666,67.

11.   Op 1 april van enig jaar is de auto van de zaak van € 20.000 (privégebruik tot die datum 900 km) vanwege verandering van werkgever ingeleverd, waarna van de nieuwe werkgever op 1 september een nieuwe auto ter beschikking is gekregen met een catalogusprijs van € 30.000 (privégebruik tot einde van het jaar 600 km). Hoe wordt de autokostenfictie toegepast?

Ook bij niet-aaneensluitend gebruik van meer dan een auto in een jaar geldt dat de privékilometers bij elkaar worden geteld voordat herrekening naar jaarbasis plaatsheeft. Via het aldus bepaalde bijtellingspercentage heeft voor iedere auto bijtelling naar tijdsgelang plaats. De bijtelling volgens de vraagstelling wordt als volgt berekend: herrekening naar een jaarkilometrage moet plaatshebben en vervolgens bijtelling naar tijdsgelang.

Uitwerking: 900 + 600 km gedurende 3 + 4 maanden geeft een jaarkilometrage van 1.500 * 12/7 = 2.571 km, wat valt binnen de klasse 500 - 3.000 km. Dan is de bijtelling voor auto 1: 3/12 * 10% van € 20.000 = € 500 en voor auto 2: 4/12 * 10% van € 30.000 = € 1.000. De totale bijtelling is dan € 1.500.

12.   De bestel- of personenauto van de zaak wordt tijdens een wachtdienst, waarbij mogelijk na een oproep snel naar een klant moet worden gereden, gebruikt voor familiebezoek. Halverwege de rit naar de familie komt een oproep, en de route wordt omgebogen naar de klant. Is dit een zakelijke rit?

Het doel, het karakter van de rit naar de familie, is privé en moet als zodanig worden meegeteld. Het karakter van de rit verandert halverwege in zakelijk, en dus zijn alleen de eerste kilometers als privé mee te tellen. Ook indien tijdens een zakelijke rit van de gebruikelijke route wordt afgeweken voor bijvoorbeeld familiebezoek, vormen de omrijkilometers gebruik voor privédoeleinden.

Overigens keur ik onder voorwaarden goed dat, indien een werknemer voor een wachtdienst een auto ter beschikking krijgt, de gereden kilometers, inclusief het aansluitende woon- / werkverkeer, tijdens deze wachtdienst als zakelijk worden aangemerkt. De voorwaarden hiervoor zijn:

  • De werknemer heeft geen invloed op de keuze van de aangeschafte auto.
  • De werknemer beschikt in privé over een auto die voor privégebruik evenzeer of zelfs meer geschikt is dan de auto van de zaak.
  • De werknemer is verplicht tijdens de wachtdienst binnen een redelijke afstand van zijn woonplaats te blijven.
  • Het aantal kilometers dat tijdens de wachtdienst wordt gereden en het aantal en de plaats van de werkzaamheden waarvoor de werknemer is opgeroepen worden bijgehouden.

Het is daarbij aan belanghebbende(n) om aannemelijk te maken dat zo’n situatie zich voordoet.

13.   In artikel 16b, vijfde lid, onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964 is de mogelijkheid geschapen vrije vergoedingen (maximaal € 0,28 per km) te verstrekken in geval van zogenaamde carpool-overeenkomsten. Geldt ook ingeval het carpoolen in de auto van de zaak plaatsvindt een afwijkende regeling?

Met de wetswijzigingen per 1 januari 2002 is getracht de regelingen bij gebruik van een auto van de zaak beter af te stemmen op de regelingen bij gebruik van de eigen auto. Met het oog op die achtergrond ben ik voornemens ook voor carpoolen in de auto van de zaak een wettelijke regeling te treffen. Vooruitlopend hierop keur ik goed dat onder de volgende voorwaarden het woon- / werkverkeer niet als privé wordt aangemerkt. Deze voorwaarden zijn gebaseerd op vergelijkbare voorwaarden die gesteld worden in artikel 16b vijfde lid van de Wet op de loonbelasting 1964.

  • de reisafstand beloopt meer dan 10 kilometer;
  • de werknemer reist met een door de inhoudingsplichtige ter beschikking gestelde auto en vervoert daarbij, krachtens een schriftelijk vastgelegde regeling van de inhoudingsplichtige, dan wel van de inhoudingsplichtige en één of meer andere inhoudingsplichtigen, over een afstand van meer dan 10 kilometer voor zowel de heen- als de terugreis, tevens één of meer andere werknemers;
  • de werknemer is dit vervoer overeengekomen in een schriftelijk vastgelegde overeenkomst met de inhoudingsplichtige en de andere werknemers; en

de inhoudingsplichtige administreert de volgende gegevens en houdt deze voor controle beschikbaar:

  • de in onderdeel c van artikel 16b, vijfde lid, bedoelde schriftelijk vastgelegde overeenkomst;
  • een lijst met de namen en adressen van de bestuurders en de meerijders; en
  • een lijst met de dagen, plaatsen en afstanden waarop de meerijregeling is toegepast;
  • de inhoudingsplichtige vermeldt op de loonbelastingkaart van de betreffende werknemers zowel code 01 (auto van de zaak) als code 5 (carpoolen).

Ten overvloede merk ik op dat ritten woon- / werkverkeer waarop geen andere werknemers meerijden en het overige privégebruik met deze auto niet onder deze goedkeuring vallen. Wanneer deze ritten tezamen meer dan 500 km beslaan en plaatsvinden in een voor de 10%-regeling kwalificerende bestelauto, zal de bijtelling 10% bedragen. Wanneer deze ritten tezamen meer dan 500 km beslaan en plaatsvinden in een personenauto of in een niet voor de 10%-regeling kwalificerende bestelauto, dient de staffel toegepast te worden.

Voor de praktische uitvoering kan gebruik gemaakt worden van het carpoolmodel 2002 zoals bedoeld in het besluit van 21 december 2001, nr. CPP2001/3661M.

14.   Hoe wordt de waarde in het economisch verkeer van auto’s ouder dan 15 jaar bepaald?

In eerste instantie kunnen veilingprijzen een indicatie opleveren. Ook kan aansluiting worden gezocht bij de verzekerde waarde van de auto, actuele kilometerprijzen en leaseprijzen. Eventueel is voor de gerestaureerde oldtimer veelal via de administratie van de onderneming exact bekend wat de kostprijs van auto en restauratie was.

15.   Wat wordt verstaan onder de cataloguswaarde van een auto?

De cataloguswaarde is de prijs van een nieuwe auto van het desbetreffende merk en type in het jaar waarin de auto is uitgebracht. Dit is de nieuwprijs, inclusief BTW en (voor personenauto's) BPM en inclusief de waarde van belangrijke accessoires zoals deze voorkomt in de prijscourant van de Nederlandse importeur of fabrikant.

16.   Is de black-box-rapportage een rittenadministratie?

De meest gangbare black-box-systemen leggen nauwkeurig de met de auto verreden kilometers vast. Veelal is in de, op deze vastleggingen gebaseerde, schriftelijke rapportage elke afzonderlijke rit terug te vinden. In dat opzicht kan de black-box een bijdrage leveren aan het inperken van de administratieve inspanningen omdat automatisch een veelheid van ritgegevens wordt vastgelegd (zie bijvoorbeeld het antwoord op vraag 3). De aanduiding of het in casu om een zakelijke of privérit gaat, wordt aangegeven door de bestuurder zelf. Net als bij een handmatig bijgehouden rittenadministratie kan daarom een relatie tussen de rapportage en andere bescheiden (agenda’s e.d.) nodig blijven.

Het samenstel van rapportage én onderliggende bescheiden vormt de (controleerbare) rittenregistratie die als bewijs van het feitelijke privégebruik dient.

17.   Welke bestelauto’s zijn door aard of inrichting beperkt geschikt voor het gebruik voor privédoeleinden?

In de artikelen 3.20, lid 2, respectievelijk 3.145, lid 2, van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is bepaald dat, indien het gebruik voor privédoeleinden van een bestelauto wordt beperkt door aard of inrichting ervan, de bijtelling op tenminste 10% van de waarde van de bestelauto wordt gesteld. Deze regels zijn uitgewerkt in de artikelen 9, lid 1, onderdelen a tot en met d en 22, lid 1, onderdelen a tot en met e van de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001. Deze regeling is negatief geformuleerd. Er wordt een aantal omstandigheden genoemd die tot gevolg hebben dat de bijtelling wegens privégebruik volgens de normale staffel plaatsvindt. Indien geen van de genoemde omstandigheden zich voordoen, is de bijtelling (tenminste) 10%. De genoemde omstandigheden zijn:

  • De bestelauto heeft zitruimte achter de bestuurder. Zo zal een bestelauto met dubbele cabine niet in aanmerking komen voor de 10%-bijtelling.
  • Het gebruik van de bestelauto vloeit niet voort uit de aard van de werkzaamheden van de belastingplichtige. De aard van de werkzaamheden van de belastingplichtige moet het gebruik van een bestelauto noodzakelijk maken. Indien de belastingplichtige zijn werkzaamheden zowel kan verrichten met een personenauto, bijvoorbeeld een stationwagen, als met een bestelauto komt de bestelauto niet in aanmerking voor de 10%-regeling. Bij veel zelfstandige beroepen, bijvoorbeeld belastingadviseurs of notarissen, zal de aard van de werkzaamheden dan ook meebrengen dat een bestelauto in beginsel niet noodzakelijk is om die werkzaamheden uit te oefenen. Ook in de situatie dat een werknemer van zijn werkgever de keuze krijgt tussen een personenauto en een bestelauto blijkt hieruit dat de aard van de werkzaamheden niet dwingt tot het gebruik van een bestelauto. Bijtelling vindt dan plaats volgens de staffel.
  • De bestelauto is niet ingericht of dient niet voor het vervoeren van goederen. Indien de aard van de werkzaamheden het gebruik van een bestelauto met zich meebrengt, vindt bijtelling toch volgens de staffel plaats indien de gebruikte bestelauto niet voor het vervoer van goederen is ingericht of daartoe niet dient. Een bestelauto is wel ingericht voor het vervoer van goederen wanneer bijvoorbeeld schappen of rekken zijn aangebracht voor het opbergen van apparatuur of gereedschap of, bijvoorbeeld bij de pick-up van de aannemer, om bouwmaterialen te vervoeren. Soms zal dit onderdeel in combinatie met onderdeel b beoordeeld worden. Zo kan bij een dierenarts betwijfeld worden of de aard van zijn werkzaamheden het gebruik van een bestelauto meebrengt. Indien hij gebruik maakt van een bestelauto die zodanig is ingericht dat zijn instrumentarium steriel kan worden opgeslagen, waarbij apparatuur is aangebracht om medicamenten te koelen en een ruimte is ingericht om kleine ingrepen te verrichten, kan die inrichting de doorslag geven om te concluderen dat gebruik van de bestelauto uit de aard van de werkzaamheden voortvloeit. 
  • De bestelauto wordt, naast het woon- / werkverkeer, meer dan 10.000 kilometer op jaarbasis voor privédoeleinden gebruikt. Deze bepaling is opgenomen omdat uit een zo hoog privégebruik al blijkt dat het gebruik voor privédoeleinden niet is beperkt door aard en inrichting van de bestelauto. De belastingplichtige behoeft geen rittenregistratie bij te houden om aannemelijk te maken dat deze omstandigheid zich niet voordoet. De bewijslast dat deze omstandigheid zich wel voordoet rust op de inspecteur.
  • De belastingplichtige beschikt niet over een verklaring van de inhoudingsplichtige waaruit blijkt dat geen van de in de onderdelen a tot en met d genoemde situaties zich voordoet. Deze bepaling is uiteraard uitsluitend van toepassing voor de werknemer. De bepaling is ingevoerd om te voorkomen dat werknemers die in dezelfde situatie verkeren allemaal in discussie met de inspecteur geraken. Bedoeling is dat de inspecteur op zo’n verklaring van de werkgever kan vertrouwen en dan de 10%-regeling toepast. De werkgever zal meestal goed kunnen beoordelen of de omstandigheden als genoemd onder a, b en c zich voordoen. Hij hoeft slechts marginaal te toetsen of aannemelijk is dat de werknemer minder dan 10.000 kilometer privé rijdt. Indien later blijkt dat de verklaring ten onrechte is afgegeven, zal de bijtelling bij de werknemer alsnog volgens de staffel plaatsvinden.

Datum : 8 juli 2005
Bron : Directoraat-generaal Belastingdienst Team ondernemingen Besluit van 30 januari 2002 nr. DGB2001/1744M



Auteur(s) van vragen auto aan minister


mr. D.J.B. Jongbloed Dennis).
Fiscaal Jurist, DGA

088 027 00 00
d.jongbloed@jongbloed.tv


Jongbloed Fiscaal Juristen N.V.
Oldenzaalsestraat 125
7514 DP Enschede
, Overijssel

Artikel datum : 08-07-2005 | Artikel laatst gewijzigd : 06-01-2013

Meer over Jongbloed Fiscaal juristen

Twitter Updates

Volg ons op: