Student en fiscus 2008
Het nieuwe studiejaar is in augustus 2007 weer begonnen. Dit betekent hoge scholingskosten voor de studenten, en in veel gevallen dus ook voor de ouders.
- Welke mogelijkheden biedt de fiscale wetgeving om de student en de ouders tegemoet te komen?
- Welke mogelijkheden zijn er voor de ouders?
- Welke mogelijkheden zijn er voor de studenten?
- Wat is de invloed van de studiefinanciering?
Studiefinanciering
Als een voltijdopleiding wordt gevolgd aan het middelbaar of hoger beroepsonderwijs of aan de universiteit, dan kan een student studiefinanciering krijgen. Het vertrekpunt is een basisbeurs en een OV-jaarkaart. Daarnaast is er een aanvullende beurs (afhankelijk van het inkomen van de ouders) en / of een rentedragende lening mogelijk. De studiefinanciering is in de loop der jaren herhaaldelijk aangepast, het is dus een aardige puzzel geworden. Vanaf 1996 geldt de zogenaamde prestatiebeurs. De prestatiebeurs houdt in dat de studiefinanciering in eerste instantie als een lening wordt verstrekt en bij voldoende studieresultaten wordt het bedrag van de basisbeurs als gift kwijtgescholden. De aanvullende beurs wordt in de eerste 12 maanden direct als gift verstrekt. Deze beurs is geen inkomen en dus belastingvrij.
Studenten en aftrekbare kosten
Als een student inkomen heeft, kan hij of zij kosten aftrekken. Als de student nog geen inkomen heeft, kan het ook aantrekkelijk zijn aangifte te doen; hiermee wordt alvast een verlies gespaard voor de toekomst. De scholingskosten worden in de vorm van een persoonsgebonden aftrekpost in aftrek gebracht op het inkomen van de student zelf. Persoonsgebonden aftrekposten komen eerst in mindering op het inkomen in box 1, dan in box 3, en tenslotte in box 2; meestal blijft het bij aftrek in box 1. Als alle boxen geen mogelijkheid bieden voor aftrek (meestal geen inkomen en geen vermogen), dan wordt het restant vervolgens door de Belastingdienst vastgesteld bij beschikking. In veel gevallen heeft een student niet voldoende belastbaar inkomen om de scholingskosten in aftrek te brengen. Dit betekent dat de aftrek van de scholingskosten dus pas geëffectueerd kan worden als de student een belastbaar inkomen ontvangt. De niet-afgetrokken persoonsgebonden aftrekpost blijft onbeperkt staan.
Wat zijn scholingsuitgaven?
Scholingsuitgaven zijn uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen (uit werk en inkomen). Tot de scholingskosten behoren in principe alle kosten die rechtstreeks op de studie betrekking hebben. Voorbeelden zijn:
- collegegelden, lesgelden;
- examengelden;
- inschrijfgeld;
- kosten voor studieboeken;
- kosten voor leermiddelen waardoor de studie efficiënter verloopt (bijvoorbeeld een cassetterecorder voor het opnemen van een college en een cursus snellezen);
- vakkleding benodigd voor de studie;
- schrijfmaterialen;
- computer (in drie jaar afschrijven met restwaarde van 10%), geen persoonlijke voorkeur voor aanschaf maar noodzaak.
Reiskosten vallen niet onder scholingskosten.
Rente
Er geldt een speciale maatregel voor rente van schulden die zijn aangegaan vóór 1 januari 2001 voor het bekostigen van een studie. Het betreft schulden die niet vallen onder de Wet studiefinanciering 2000, maar die vóór voornoemde datum wel als buitengewone lasten waren aan te merken en die niet vielen onder de consumptieve renteaftrekbeperking. Tot en met het jaar 2005 is de rente van deze schulden in beginsel aftrekbaar als scholingskosten.
Welk bedrag is aftrekbaar?
Zoals voor alles in Nederland gelden er regels voor de aftrek, zoals hieronder weergegeven.
- Drukken: allereerst geldt als voorwaarde dat de kosten daadwerkelijk op de student of zijn / haar partner moeten hebben 'gedrukt'. Voor zover een student studiefinanciering in de vorm van een gift ontvangt, hebben deze kosten niet gedrukt op de student en kunnen dus in zoverre niet als scholingskosten in aftrek worden gebracht.
- Soort studie: verder is bij de bepaling van het aftrekbare bedrag van belang of sprake is van een 'gewone studie' of van een 'kostbare studie' (bijvoorbeeld de opleiding tot verkeersvlieger).
- Forfait: daarnaast zijn de in aanmerking te nemen studiekosten forfaitair vastgelegd als er recht op een bijdrage op grond van de Wet studiefinanciering 2000 bestaat.
- Drempel: er geldt ook nog een drempel waarboven de kosten pas aftrekbaar zijn. Deze bedraagt € 500.
- Maximum: tenslotte is de aftrek beperkt tot maximaal € 15.000. Er geldt geen maximum van € 15.000 binnen de zogenoemde standaard studieperiode. De standaard studieperiode is de periode van maximaal 16 kalenderkwartalen (door de belastingplichtige aan te geven) waarin de student (tussen de 18 en de 30 jaar) zijn / haar voor werkzaamheden beschikbare tijd voor minimaal de helft besteedt aan een studie. Hiermee wordt bereikt dat voor een eerste studie geen maximum geldt. Als de prestatiebeurs niet is omgezet in een gift, wordt deze € 15.000 verhoogd met de scholingsuitgaven die kunnen worden afgetrokken doordat de prestatiebeurs niet is omgezet in een gift.
Als de student recht heeft op een bedrag op grond van de Wet studiefinanciering 2000, dan wordt het in aftrek te brengen bedrag aan scholingskosten bepaald door een forfaitair normbedrag. Het is hierbij niet van belang of de student ook daadwerkelijk gebruik maakt van zijn recht op studiefinanciering. Ter indicatie: voor het hoger onderwijs (HBO/WO) geldt voor 2008 een forfaitair normbedrag per maand van € 165,80, voor het beroepsonderwijs is dit € 126. Indien de werkelijke studiekosten minder zijn dan 2x het normbedrag, bedraagt de aftrek maximaal 1x het normbedrag (gewone studie). Zijn de werkelijke studiekosten groter dan 2x het normbedrag, dan mogen de werkelijke studiekosten, verminderd met 1x het normbedrag, afgetrokken worden (kostbare studie). Scholingsuitgaven waarvoor een prestatiebeurs is toegekend, komen pas voor aftrek in aanmerking als de prestatiebeurs niet omgezet wordt in een gift. Het bedrag aan studiefinanciering dat als gift wordt ontvangen, moet vervolgens op dit forfaitaire bedrag in mindering worden gebracht. Voor zover dit resterende bedrag aan scholingskosten boven de drempel van € 500 uitkomt, kan dit bedrag in aftrek worden gebracht op het inkomen van de student.
Voorbeeld 1
Henk studeert aan de universiteit van Amsterdam. Hij woont bij zijn ouders in Enschede. Hij ontvangt een prestatie(basis)beurs van € 91,81 per maand. Wij gaan er vanuit dat de prestatiebeurs is omgezet in een gift. Hij heeft een totaal van scholingsuitgaven gedaan bestaand uit collegegeld, boeken, schrijfwaren en afschrijving computer (zie hierna) van € 2.750. Het normbedrag bedraagt echter € 1.990 per jaar. De ontvangen prestatiebeurs bedraagt € 1.101 per jaar. Dit betekent dat Henk een bedrag van € 389 mag aftrekken (€ 1.990 -/- € 1.101 -/- € 500 (drempel)).
Is er sprake van een kostbare studie, dan wordt het in aftrek te brengen bedrag bepaald aan de hand van de werkelijke kosten. Een kostbare studie is een studie waarvoor de scholingsuitgaven hoger liggen dan tweemaal het forfaitair vastgestelde bedrag.
Voorbeeld 2
Marc is vol goede moed aan zijn studie als verkeersvlieger begonnen. Zijn studiekosten bedragen € 20.000 per jaar. Marc wil graag weten of hij zijn studiekosten in aftrek kan brengen. Hij heeft een uitwonende beurs ontvangen van € 255,64, die is omgezet in een gift. Op de studiekosten van € 20.000 moet Marc eerst het forfaitaire bedrag in mindering brengen. Als we uitgaan van een forfaitair bedrag van € 165,80 per maand, dan geldt een jaarbedrag van € 1.990. Hierdoor resteert een bedrag van € 18.010 (€ 20.000 - € 1.990) aan scholingskosten. Hierop komen de beurs en de drempel in mindering. Een bedrag van € 14.442 (€ 18.010 -/- € 3.068 -/- € 500) kan door Marc als scholingskosten worden afgetrokken. Voor zover Marc niet voldoende inkomen heeft om de aftrek te effectueren, kan hij de aftrek in een later jaar, waarin hij wel inkomen heeft, verrekenen.
Welk jaar kosten aftrekken?
Voor de inkomstenbelasting worden kosten afgetrokken als deze worden betaald; dit is voor scholingsuitgaven niet anders. De prestatiebeurs die is omgezet in een gift, komt in mindering op de af te trekken normbedragen. Studenten die onder de prestatiebeurs vallen, kunnen hun studiekosten pas in mindering brengen in het jaar waarin de uitkering definitief niet wordt omgezet in een gift; op dat moment is dan immers zeker dat de studiefinanciering niet als gift is ontvangen. De in dat jaar in aftrek te brengen kosten kunnen dan dus zien op meerdere jaren tegelijk. Als de normbedragen de prestatiebeurs overschrijden, dan is in het jaar van betaling dit verschil reeds aftrekbaar (voor zover hoger dan de drempel van € 500); dit geldt ook als niet het gehele jaar een prestatiebeurs wordt ontvangen, terwijl wel gedurende het gehele jaar studiekosten zijn gemaakt. De studiekosten die zijn gemaakt waar geen prestatiebeurs tegenover staat, zijn ook in het jaar van betaling aftrekbaar (voor zover zij de drempel van € 500 overschrijden).
Bijverdienen als student
Een student mag bijverdienen, zo'n € 13.000 netto per jaar (2008 € 12.916). Naast fiscale aftrekposten en studiefinanciering, kan de student ook bijverdienen om de studiekosten te financieren. Naast de studiefinanciering mag een student een bepaald bedrag bijverdienen zonder dat dit gevolgen heeft voor de uitkering. Het maximumbedrag geldt ongeacht het aantal maanden waarin studiefinanciering is ontvangen. Inkomen dat is genoten vóór en na de maanden met studiefinanciering, telt niet mee. Inkomen dat in een kalenderjaar is genoten tussen twee perioden waarin studiefinanciering is ontvangen, telt echter wél mee.
Inkomsten die meetellen voor de grens van het bijverdienen zijn onder andere:
- netto loon;
- belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen (Ziektewet, Werkloosheidswet, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, lijfrente, etc.);
- winst uit onderneming, vermeerderd met de ondernemersaftrek;
- belastbare inkomsten uit eigen woning;
- voordeel uit sparen en beleggen;
- wezenpensioen en tot op zekere hoogte uitkeringen op grond van de ANW.
Inkomsten als studiefinanciering zelf, huursubsidie, eenmalige studiebeurs en prijzengeld tellen niet mee. Ook het inkomen van een partner is niet van belang voor de studiefinanciering. Kostenvergoedingen (stage, reiskosten, etc.) tellen niet mee!
Meer bijverdiend dan het maximum?
De Informatie Beheer Groep (IBG) controleert anderhalf jaar na het kalenderjaar
(voor 2006 dus in 2008) of er meer verdiend is dan het aangegeven maximum
voor het desbetreffende jaar. De gegevens krijgt de IBG automatisch van
de Belastingdienst. Wat zijn dan de gevolgen:
- hogere inkomsten dan maximum toegestaan moeten worden terugbetaald (niet meer dan ontvangen studiefinanciering);
- boete van € 78,16 per maand (te verhogen met rente). Deze is voor de OV-jaarkaart.
Voorbeeld
Piet heeft in 2004 een bijbaantje waarmee hij € 1.000 netto per maand verdient, hij heeft een basisbeurs van € 2.700 per jaar. Piet weet niet dat hij teveel zal gaan verdienen in 2005, dus laat hij de beurs doorlopen. De IBG komt hier in 2007 achter en Piet moet € 12.000 -/- € 10.218 = € 1.782 terugbetalen. Daarnaast krijgt hij een boete van € 872 voor de OV-kaart. Een factuurtje van € 2.654 moet dus worden betaald, hier komt nog rente bij.
Ouders en kosten studie kinderen
Niet alleen voor de student zelf kan het volgen van een studie een kostbare aangelegenheid zijn, ook voor de ouders van de student brengt de studie van hun kind vaak extra kosten met zich mee. Voor ouders van studerende kinderen is er, onder voorwaarden, aftrek mogelijk in de vorm van een persoonsgebonden aftrek onder de noemer 'uitgaven voor levensonderhoud van kinderen'.
Ouders kunnen een vast bedrag wegens uitgaven voor levensonderhoud van hun kinderen in aftrek brengen, wanneer het studerende kind niet voldoende eigen inkomsten heeft, geen recht heeft op kinderbijslag of als het kind geen recht heeft op studiefinanciering. Daarnaast is de aftrek tevens afhankelijk van een aantal factoren, zoals:
- de leeftijd van het kind (jonger dan 30 jaar);
- de mate waarin een ouder in de kosten van levensonderhoud van het kind bijdraagt;
- is het kind thuis- of uitwonend.
Aftrek van kosten van levensonderhoud is mogelijk tot een maximaal vastgesteld bedrag. Dit maximum bedrag is alleen aftrekbaar als dit bedrag minimaal uitgegeven is aan levensonderhoud voor het kind en mits het overeenkomt met het bedrag dat het ondersteunde kind nodig heeft om 'een redelijk bestaan volgens zijn / haar plaats in de samenleving te voeren'. De voorwaarden voor de aftrek worden getoetst aan het begin van een kwartaal, namelijk 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober. Het kan dus zeer goed zijn dat halverwege een jaar recht op aftrek ontstaat of juist verloren gaat. Met name wanneer bijvoorbeeld het recht op studiefinanciering eindigt, is het van belang goed in de gaten te houden wanneer voor de ouders een recht op aftrek zou kunnen ontstaan. Groot voordeel van het wel in aftrek kunnen brengen, is dat het voordeel voor het kind niet belast is, terwijl de ouder het wel kan aftrekken.
Welke bedragen zijn aftrekbaar?
Zoals reeds eerder aangegeven, bestaat er voor de ouders, onder voorwaarden, een recht op aftrek van een forfaitair bedrag per kwartaal. Dit forfait mag alleen worden afgetrokken als in een kalenderkwartaal per kind ten minste dit forfait aan uitgaven voor levensonderhoud door de ouders is gedaan en deze kosten op de ouders drukken. Er bestaat recht op een aftrek van:
- € 405 per kalenderkwartaal als het kind 12 jaar of ouder is, maar jonger dan 18 jaar;
- € 345 per kalenderkwartaal als het kind 18 jaar of ouder is, maar jonger dan 30 jaar, mits ten minste voor € 399 aan uitgaven voor levensonderhoud door de ouders is gedaan;
- € 690 per kalenderkwartaal als het kind 18 jaar of ouder is, maar jonger dan 30 jaar en de totale kosten van levensonderhoud minimaal voor 50% op de ouders drukken;
- € 1.035 per kalenderkwartaal als het kind 18 jaar of ouder is, maar jonger dan 30 jaar en de totale kosten van levensonderhoud voor minimaal 90% op de ouders drukken (kind moet dan wel buiten de woning van de ouders wonen).
Auteur(s) van Student en fiscus 2008
|
Robert Van Zon (Robert ). Jongbloed Fiscaal Juristen N.V. |






088 027 00 00



