Belastingverdrag Noorwegen

(Tekst geldend op: 30-12-2008)

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Noorwegen tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen

(authentiek: nl)

Overeenkomst tussen het Koninkrijk Noorwegen en het Koninkrijk der Nederlanden tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van het Koninkrijk Noorwegen,

De wens koesterende een nieuwe overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen,

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK I.  REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST

Artikel 1.  Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is

Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten.

Artikel 2.  Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is

1.   Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een van de Staten of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan.

2.   Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende goederen, belastingen naar het totaalbedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering.

3.   De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name:

a.   in Noorwegen:

-    inntektsskatt til staten (de nationale inkomstenbelasting),

-    inntektsskatt til fylkeskommunen (de provinciale inkomstenbelasting),

-    inntektsskatt til kommunen (de gemeentelijke inkomstenbelasting),

-    fellesskatt til Skattefordelingsfondet (de nationale bijdragen aan het Belastingvereveningsfonds),

-    formuesskatt til staten (de nationale vermogensbelasting),

-    formuesskatt til kommunen (de gemeentelijke vermogensbelasting),

-    skatt til staten verdrørende inntekt og formue i forbindelse med undersøkelse etter og utnyttelse av undersjøiske petroleumsforekomster og dertil knyttet virksomhet og arbeid, herunder rørledningstransport av utvunnet petroleum (de nationale belasting betrekking hebbend op inkomsten en vermogen uit de exploratie en exploitatie van onderzeese oliebronnen en uit werkzaamheden en bedrijvigheden die daarmede verband houden, daaronder begrepen het vervoer per pijpleiding van geproduceerde olie),

-    avgift til staten av honorarer som tilfaller kunstnere bosatt i utlandet (de nationale heffingen op beloningen van artiesten-nietinwoners),

-    sjømannsskatt (belasting van zeelieden), (hierna te noemen: „Noorse belasting”);

b.   in Nederland:

-    de inkomstenbelasting,

-    de loonbelasting,

-    de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de regering in de netto winsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet 1810 met betrekking tot concessies uitgegeven vanaf 1967, of geheven krachtens de Nederlandse Mijnwet continentaal plat 1965,

-    de dividendbelasting,

-    de vermogensbelasting,
(hierna te noemen: „Nederlandse belasting”).

4.   De Overeenkomst is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van de Overeenkomst naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de Staten doen elkaar mededeling van alle wezenlijke wijzigingen die in hun onderscheiden belastingwetgevingen zijn aangebracht.

HOOFDSTUK II.  BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 3.  Algemene begripsbepalingen

1.   Voor de toepassing van deze Overeenkomst, tenzij de context anders vereist:

a.   betekent de uitdrukking „Staat” Noorwegen of Nederland, al naar de context vereist; betekent de uitdrukking „Staten” Noorwegen en Nederland;

b.   betekent de uitdrukking „Noorwegen” het Koninkrijk Noorwegen, daaronder begrepen elk gebied buiten de territoriale wateren van het Koninkrijk Noorwegen waar het Koninkrijk Noorwegen, in overeenstemming met de Noorse wetgeving en in overeenstemming met het internationale recht, zijn rechten met betrekking tot de zeebodem en de ondergrond alsmede de natuurlijke rijkdommen daarvan kan uitoefenen; de uitdrukking omvat niet Svalbard (Spitsbergen), Jan Mayen en de van Noorwegen afhankelijke gebieden („biland”);

c.   betekent de uitdrukking „Nederland” het deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat in Europa is gelegen, met inbegrip van het onder de Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan voor zover dat gebied in overeenstemming met het internationale recht krachtens de Nederlandse wetgeving is geweest of zal worden aangemerkt als een gebied waarbinnen Nederland bepaalde rechten kan uitoefenen met betrekking tot de exploratie en exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van de zeebodem of de ondergrond daarvan;

d.   betekent de uitdrukking „onderdaan”:

1.   elke natuurlijke persoon die de nationaliteit van een van de Staten bezit;

2.   elke rechtspersoon, vennootschap en vereniging die zijn of haar rechtspositie als zodanig ontleent aan de wetgeving die in een van de Staten van kracht is;

e.   omvat de uitdrukking „persoon” een natuurlijke persoon, een lichaam en elke andere vereniging van personen;

f.   betekent de uitdrukking „lichaam” elke rechtspersoon of elke eenheid die voor de belastingheffing als een rechtspersoon wordt behandeld;

g.   betekenen de uitdrukkingen „onderneming van een van de Staten” en „onderneming van de andere Staat” onderscheidenlijk een onderneming gedreven door een inwoner van een van de Staten en een onderneming gedreven door een inwoner van de andere Staat;

h.   betekent de uitdrukking „internationaal verkeer” alle vervoer met een schip of een luchtvaartuig, geëxploiteerd door een onderneming waarvan de plaats van de werkelijke leiding in een van de Staten is gelegen, behalve wanneer het schip of luchtvaartuig uitsluitend wordt geëxploiteerd tussen plaatsen die in de andere Staat zijn gelegen;

i.    betekent de uitdrukking „bevoegde autoriteit”:

1.   in Noorwegen de Minister van Financiën en Douane of zijn bevoegde vertegenwoordiger;

2.   in Nederland de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger.

2.   Voor de toepassing van de Overeenkomst door een van de Staten heeft, tenzij de context anders vereist, elke daarin niet omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van die Staat met betrekking tot de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is.

Artikel 4.  Inwoner

1.   Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „inwoner van een van de Staten” iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die Staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid. Deze uitdrukking omvat echter niet een persoon die in die Staat slechts aan belasting is onderworpen ter zake van inkomsten uit bronnen in die Staat of van vermogen dat in die Staat is gelegen.

2.   Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, wordt zijn positie als volgt bepaald:

a.   hij wordt geacht inwoner te zijn van de Staat waarin hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in beide Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen);

b.   indien niet kan worden bepaald in welke Staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarin hij gewoonlijk verblijft;

c.   indien hij in beide Staten of in geen van beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarvan hij onderdaan is;

d.   indien hij onderdaan is van beide Staten of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.

3.   Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarin de plaats van zijn werkelijke leiding is gelegen.

Artikel 5.  Vaste inrichting

1.   Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.

2.   De uitdrukking „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:

a.   een plaats waar leiding wordt gegeven;

b.   een filiaal;

c.   een kantoor;

d.   een fabriek;

e.   een werkplaats; en

f.   een mijn, een olie- of gasbron, een steengroeve of een andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen.

3.   Een bouwwerk alsmede constructie-, montage- of installatiewerkzaamheden of de daarmee verband houdende werkzaamheden van toezichthoudende of adviserende aard vormen alleen dan een vaste inrichting indien de duur van zulk een bouwwerk of zulke werkzaamheden een tijdvak van 12 maanden overschrijdt.

4.   Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel wordt de uitdrukking „vaste inrichting” niet geacht te omvatten:

a.   het gebruik maken van inrichtingen, uitsluitend voor opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar;

b.   het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering;

c.   het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor de bewerking of verwerking door een andere onderneming;

d.   het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of inlichtingen in te winnen;

e.   het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend om voor de onderneming enige andere werkzaamheid uit te oefenen die van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft;

f.   het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend voor een combinatie van de in de onderdelen a) tot en met e) genoemde werkzaamheden, mits het totaal van de werkzaamheden van de vaste bedrijfsinrichting dat uit deze combinatie voortvloeit van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft.

5.   Indien een persoon - niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger waarop het zesde lid van toepassing is - voor een onderneming werkzaam is, en een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht in een van de Staten gewoonlijk uitoefent, wordt die onderneming, niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid, geacht in die Staat een vaste inrichting te hebben met betrekking tot de werkzaamheden die die persoon voor de onderneming verricht, tenzij de werkzaamheden van die persoon beperkt blijven tot die werkzaamheden genoemd in het vierde lid, die, indien zij worden uitgeoefend door middel van een vaste bedrijfsinrichting, deze vaste bedrijfsinrichting op grond van de bepalingen van dat lid niet tot een vaste inrichting zouden maken.

6.   Een onderneming wordt niet geacht een vaste inrichting in een van de Staten te bezitten alleen op grond van de omstandigheid dat zij in die Staat zaken doet door bemiddeling van een makelaar, commissionair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, mits deze personen in de normale uitoefening van hun bedrijf handelen.

7.   Alleen de omstandigheid dat een lichaam dat inwoner is van een van de Staten, een lichaam beheerst of door een lichaam wordt beheerst dat inwoner is van de andere Staat of dat in die andere Staat zaken doet (hetzij door middel van een vaste inrichting, hetzij op andere wijze), stempelt een van beide lichamen niet tot een vaste inrichting van het andere.

HOOFDSTUK III.  BELASTINGHEFFING NAAR HET INKOMEN

Artikel 6.  Inkomsten uit onroerende goederen

1.   Inkomsten verkregen door een inwoner van een van de Staten uit onroerende goederen (waaronder begrepen voordelen uit landbouwof bosbedrijven) die in de andere Staat zijn gelegen mogen in die andere Staat worden belast.

2.   De uitdrukking „onroerende goederen” heeft de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van de Staat waarin de desbetreffende goederen zijn gelegen. De uitdrukking omvat in ieder geval de goederen die bij de onroerende goederen behoren, levende en dode have van landbouw- en bosbedrijven, rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende goederen en rechten op veranderlijke of vaste vergoedingen ter zake van de exploitatie, of concessie tot exploitatie, van minerale aardlagen, bronnen en andere natuurlijke rijkdommen; schepen en luchtvaartuigen worden niet als onroerende goederen beschouwd.

3.   De bepalingen van het eerste lid zijn van toepassing op de inkomsten verkregen uit de rechtstreekse exploitatie, uit het verhuren of verpachten, of uit elke andere vorm van exploitatie van onroerende goederen.

4.   De bepalingen van het eerste en derde lid zijn ook van toepassing op inkomsten uit onroerende goederen van een onderneming en op inkomsten uit onroerende goederen die worden gebruikt voor het verrichten van zelfstandige arbeid.

Artikel 7.  Winst uit onderneming

1.   De voordelen van een onderneming van een van de Staten zijn slechts in die Staat belastbaar, tenzij de onderneming in de andere Staat haar bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting. Indien de onderneming aldus haar bedrijf uitoefent, mogen de voordelen van de onderneming in de andere Staat worden belast, maar slechts in zoverre als zij aan die vaste inrichting kunnen worden toegerekend.

2.   Onder voorbehoud van de bepalingen van het derde lid worden, indien een onderneming van een van de Staten in de andere Staat haar bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, in elk van de Staten aan die vaste inrichting de voordelen toegerekend die zij geacht zou kunnen worden te behalen, indien zij een zelfstandige onderneming zou zijn die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden en die geheel onafhankelijk transacties zou aangaan met de onderneming waarvan zij een vaste inrichting is.

3.   Bij het bepalen van de voordelen van een vaste inrichting worden in aftrek toegelaten kosten - waaronder begrepen kosten van de leiding en algemene beheerskosten - die ten behoeve van de vaste inrichting zijn gemaakt, hetzij in de Staat waarin de vaste inrichting is gevestigd, hetzij elders.

4.   Voorzover het in een van de Staten gebruikelijk is de aan een vaste inrichting toe te rekenen voordelen te bepalen op basis van een verdeling van de totale winst van de onderneming over haar verschillende delen, belet het tweede lid die Staat niet de te belasten voordelen te bepalen volgens de gebruikelijke verdeling; de gevolgde methode van verdeling moet echter zodanig zijn, dat het resultaat in overeenstemming is met de in dit artikel neergelegde beginselen.

5.   Er worden geen voordelen aan een vaste inrichting toegerekend enkel op grond van aankoop door die vaste inrichting van goederen of koopwaar voor de onderneming.

6.   Voor de toepassing van de voorgaande leden worden de aan de vaste inrichting toe te rekenen voordelen van jaar tot jaar volgens dezelfde methode bepaald, tenzij er een goede en genoegzame reden bestaat hiervan af te wijken.

7.   Indien in de voordelen bestanddelen zijn begrepen die afzonderlijk in andere artikelen van deze Overeenkomst worden behandeld, worden de bepalingen van die artikelen niet aangetast door de bepalingen van dit artikel.

Artikel 8.  Zeevaart en luchtvaart

1.   Voordelen verkregen door een inwoner van een van de Staten uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer zijn slechts in, die Staat belastbaar.

2.   Deze voordelen mogen echter ook in de andere Staat worden belast, indien de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming in die andere Staat is gelegen.

3.   Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid omvatten voordelen verkregen uit de exploitatie in internationaal verkeer van schepen of luchtvaartuigen mede voordelen die daarmede bijkomstig verband houden, zoals voordelen die door een binnenlandse of internationale vervoerder worden verkregen uit de verhuur van schepen of luchtvaartuigen op basis van verhuur zonder bemanning, als gevolg van tijdelijk beschikbare vervoerscapaciteit.

4.   Indien de plaats van de werkelijke leiding van een scheepvaartonderneming zich aan boord van een schip bevindt, wordt deze plaats geacht te zijn gelegen in de Staat waarin de thuishaven van het schip is gelegen, of, indien er geen thuishaven is, in de Staat waarvan de exploitant van het schip inwoner is.

5.   De bepalingen van het eerste tot en met het vierde lid vinden overeenkomstige toepassing ten aanzien van voordelen verkregen uit de exploitatie van schepen die worden gebezigd voor de visserij in volle zee.

6.   De bepalingen van het eerste, tweede, derde en vijfde lid zijn ook van toepassing op voordelen uit de deelneming in een „pool”, een gemeenschappelijke onderneming of een internationaal geëxploiteerd agentschap.

Artikel 9.  Gelieerde ondernemingen

Indien

a.   een onderneming van een van de Staten onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van een onderneming van de andere Staat, of

b.   dezelfde personen onmiddellijk of middellijk deelnemen aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van een onderneming van een van de Staten en een onderneming van de andere Staat,

 en in het ene of in het andere geval tussen de beide ondernemingen in hun handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd, die afwijken van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, mogen alle voordelen die een van de ondernemingen zonder deze voorwaarden zou hebben behaald, maar ten gevolge van die voorwaarden niet heeft behaald, worden begrepen in de voordelen van die onderneming en dienovereenkomstig worden belast.

Het is echter wel verstaan, dat de omstandigheid dat gelieerde ondernemingen overeenkomsten hebben afgesloten, zoals „costsharing”-overeenkomsten of algemene dienstverleningsovereenkomsten, voor of gebaseerd op de toerekening van de kosten van de leiding, de algemene beheerskosten, de technische en zakelijke kosten, kosten voor onderzoek en ontwikkeling en andere soortgelijke kosten, op zichzelf geen voorwaarde is als bedoeld in de voorgaande zin.

Artikel 10.  Dividenden

1.   Dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van een van de Staten aan een inwoner van de andere Staat, mogen in die andere Staat worden belast.

2.   Deze dividenden mogen echter ook in de Staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaald inwoner is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar indien de genieter de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden is, mag de aldus geheven belasting 15 percent van het brutobedrag van de dividenden niet overschrijden.

3.   Niettegenstaande de bepalingen van het tweede lid mag de Staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is geen belasting heffen op dividenden, indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden een lichaam (niet zijnde een maatschap of een vennootschap onder firma) is, dat inwoner is van de andere Staat en onmiddellijk ten minste 25 percent bezit van het kapitaal van het lichaam dat de dividenden betaalt.

4.   Niettegenstaande het derde lid mag, indien en zolang als in een van de Staten het tarief van de belasting geheven van uitgedeelde vennootschapswinsten lager is dan het tarief van de belasting geheven van niet uitgedeelde vennootschapswinsten en het verschil tussen beide tarieven 10 punten of meer bedraagt, elk van de Staten een belasting heffen op dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van een van de Staten aan een lichaam (niet zijnde een maatschap of een vennootschap onder firma), dat inwoner is van de andere Staat en onmiddellijk ten minste 25 percent bezit van het kapitaal van het lichaam dat de dividenden betaalt. De op deze wijze geheven belasting mag echter niet overschrijden:

a.   5 percent van het brutobedrag ervan, indien het hiervoren bedoelde verschil 15 punten of minder bedraagt;

b.   10 percent van het brutobedrag ervan, indien het hiervoren bedoelde verschil meer dan 15 punten bedraagt.

     Indien in een van de Staten het hiervoren bedoelde verschil meer bedraagt dan 20 punten, mag die Staat een belasting heffen op dividenden, die niet mag uitgaan boven 15 percent van het brutobedrag ervan.

5.   De bepalingen van het tweede, derde en vierde lid laten onverlet de belastingheffing van het lichaam ter zake van de winst waaruit de dividenden worden betaald.

6.   De uitdrukking „dividenden”, zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomsten uit aandelen, winstaandelen of winstbewijzen, mijnaandelen, oprichtersaandelen of andere rechten, die aanspraak geven op een aandeel in de winst, alsmede inkomsten uit andere vennootschappelijke rechten die door de wetgeving van de Staat waarvan het lichaam dat de uitdeling doet inwoner is, op dezelfde wijze aan de belastingheffing worden onderworpen als inkomsten uit aandelen. Wat Nederland betreft omvat de uitdrukking eveneens inkomsten uit winstdelende obligaties.

7.   De bepalingen van het eerste, tweede, derde en vierde lid zijn niet van toepassing, indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden, die inwoner is van een van de Staten, in de andere Staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar,gevestigde vaste inrichting, of in die andere Staat zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gevestigd vast middelpunt, en het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van dat vaste middelpunt behoort. In dat geval zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 of artikel 14 van toepassing.

8.   Indien een lichaam dat inwoner is van een van de Staten, voordelen of inkomsten verkrijgt uit de andere Staat, mag die andere Staat geen belasting heffen op de dividenden die door het lichaam worden betaald, behalve voor zover deze dividenden worden betaald aan een inwoner van die andere Staat of voor zover het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van een in die andere Staat gevestigde vaste inrichting of het beroepsvermogen van een aldaar gevestigd vast middelpunt behoort, noch de niet-uitgedeelde winst van het lichaam onderwerpen aan een belasting op niet-uitgedeelde winst van het lichaam, zelfs indien de betaalde dividenden of de niet-uitgedeelde winst geheel of gedeeltelijk bestaan uit voordelen of inkomsten die uit die andere Staat afkomstig zijn.

Artikel 11.  Interest

1.   Interest afkomstig uit een van de Staten en betaald aan een inwoner van de andere Staat is slechts in die andere Staat belastbaar indien die inwoner de uiteindelijk gerechtigde is tot de interest.

2.   De uitdrukking „interest”, zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomsten uit schuldvorderingen van welke aard ook, al dan niet verzekerd door hypotheek en in het bijzonder inkomsten uit overheidsleningen en inkomsten uit obligaties of schuldbewijzen, waaronder begrepen de aan zodanige leningen, obligaties of schuldbewijzen verbonden premies en prijzen. Deze uitdrukking omvat echter niet de inkomsten die in artikel 10 zijn behandeld.

     In rekening gebrachte boete voor te late betaling wordt voor toepassing van dit artikel niet als interest aangemerkt.

3.   De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing indien de uiteindelijk gerechtigde tot de interest, die inwoner is van een van de Staten, in de andere Staat waaruit de interest afkomstig is een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, of in die andere Staat zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gevestigd vast middelpunt, en de vordering uit hoofde waarvan de interest wordt betaald, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van dat vaste middelpunt behoort. In dat geval zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 of artikel 14 van toepassing.

4.   Indien, wegens een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de betaalde interest, gelet op de schuldvordering ter zake waarvan deze wordt betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder zulk een verhouding door de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde zou zijn overeengekomen, zijn de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag van toepassing. In dat geval blijft het daarboven uitgaande deel van het betaalde bedrag belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de Staten, zulks met inachtneming van de overige bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel 12.  Royalty's

1.   Royalty's afkomstig uit een van de Staten en betaald aan een inwoner van de andere Staat zijn slechts in die andere Staat belastbaar indien die inwoner de uiteindelijk gerechtigde tot de royalty's is.

2.   De uitdrukking „royalty's”, zoals gebezigd in dit artikel, betekent vergoedingen van welke aard ook voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst of wetenschap - waaronder begrepen bioscoopfilms en films of geluidsbanden voor radio en televisie -, van een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk, een tekening of model, een plan, een geheim recept of een geheime werkwijze, dan wel voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, nijverheids- en handelsuitrusting of wetenschappelijke uitrusting, of voor inlichtingen omtrent ervaringen op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap.

3.   De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing, indien de uiteindelijk gerechtigde tot de royalty's, die inwoner is van een van de Staten, in de andere Staat waaruit de royalty's afkomstig zijn een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, of in die andere Staat zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gevestigd vast middelpunt, en het recht of de zaak uit hoofde waarvan de royalty's worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van dat vaste middelpunt behoort. In dat geval zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 of artikel 14 van toepassing.

4.   Indien, wegens een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de betaalde royalty's, gelet op het gebruik, het recht of de inlichtingen waarvoor zij worden betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder zulk een verhouding door de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde zou zijn overeengekomen, zijn de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag van toepassing. In dat geval blijft het daarboven uitgaande deel van het betaalde bedrag belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de Staten, zulks met inachtneming van de overige bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel 13.  Vermogenswinsten

1.   Voordelen verkregen door een inwoner van een van de Staten uit de vervreemding van onroerende goederen, zoals bedoeld in artikel 6 en die zijn gelegen in de andere Staat mogen in die andere Staat worden belast.

2.   Voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende goederen die deel uitmaken van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting die een onderneming van een van de Staten in de andere Staat heeft, of van roerende goederen die behoren tot een vast middelpunt dat een inwoner van een van de Staten in de andere Staat tot zijn beschikking heeft voor het verrichten van zelfstandige arbeid, waaronder begrepen voordelen verkregen uit de vervreemding van de vaste inrichting (alleen of met de gehele onderneming) of van het vaste middelpunt, mogen in die andere Staat worden belast.

3.   Niettegenstaande de bepalingen van het tweede lid:

a.   zijn voordelen verkregen door een inwoner van een van de Staten uit de vervreemding van schepen en luchtvaartuigen geëxploiteerd in internationaal verkeer, alsmede van schepen gebezigd voor de visserij in volle zee en van roerende goederen die worden gebruikt bij de exploitatie van deze schepen en luchtvaartuigen, slechts in die Staat belastbaar;

b.   mogen deze voordelen echter ook in de andere Staat worden belast, indien de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming in die andere Staat is gelegen. De bepalingen van artikel 8, vierde lid, vinden hierbij toepassing.

4.   Voordelen verkregen uit de vervreemding van alle andere zaken dan die bedoeld in het eerste, tweede en derde lid zijn slechts belastbaar in de Staat waarvan de vervreemder inwoner is.

5.   De bepalingen van het vierde lid tasten niet aan het recht van elk van de Staten overeenkomstig zijn eigen wetgeving belasting te heffen op voordelen die worden verkregen uit de vervreemding van aandelen of winstbewijzen deel uitmakende van een aanmerkelijk belang in een lichaam waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld en dat inwoner is van die Staat, mits:

a.   de activa van de onderneming geheel of voornamelijk bestaan uit onroerende goederen die in die Staat zijn gelegen, of

b.   de voordelen worden verkregen door een natuurlijke persoon die inwoner is van de andere Staat en die in de loop van de laatste vijf jaar voorafgaande aan de vervreemding van de aandelen of winstbewijzen inwoner van de eerstbedoelde Staat is geweest.

Artikel 14.  Zelfstandige arbeid

1.   Voordelen verkregen door een persoon, niet zijnde een lichaam, die inwoner is van een van de Staten in de uitoefening van een vrij beroep of ter zake van andere werkzaamheden van zelfstandige aard zijn slechts in die Staat belastbaar, tenzij hij in de andere Staat voor het verrichten van zijn werkzaamheden geregeld over een vast middelpunt beschikt. Indien hij over zulk een vast middelpunt beschikt, mogen de voordelen in de andere Staat worden belast, maar slechts in zoverre als zij aan dat vaste middelpunt kunnen worden toegerekend.

     Een inwoner van een van de Staten die in die andere Staat zulk een vrij beroep uitoefent of andere werkzaamheden van zelfstandige aard verricht, wordt geacht in die andere Staat over zulk een vast middelpunt te beschikken, indien hij in die andere Staat verblijft gedurende een tijdvak of tijdvakken, die in een tijdvak van 12 maanden een totaal van 183 dagen te boven gaan.

2.   De uitdrukking „vrij beroep” omvat in het bijzonder zelfstandige werkzaamheden op het gebied van wetenschap, letterkunde, kunst, opvoeding of onderwijs, alsmede de zelfstandige werkzaamheden van artsen, advocaten, technici, architecten, tandartsen en accountants.

Artikel 15.  Niet-zelfstandige arbeid

1.   Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 16, 17, 18 en 19 zijn salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een dienstbetrekking slechts in die Staat belastbaar, tenzij de dienstbetrekking in de andere Staat wordt uitgeoefend. Indien de dienstbetrekking aldaar wordt uitgeoefend, mag de ter zake daarvan verkregen beloning in die andere Staat worden belast.

2.   Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid is de beloning verkregen door een inwoner van een van de Staten terzake van een in de andere Staat uitgeoefende dienstbetrekking slechts in de eerstbedoelde Staat belastbaar, indien:

a.   de genieter in de andere Staat verblijft gedurende een tijdvak of tijdvakken, die in een tijdvak van 12 maanden een totaal van 183 dagen niet te boven gaan, en

b.   de beloning wordt betaald door of namens een werkgever die inwoner is van de Staat waarvan de genieter inwoner is, en wiens bedrijfsactiviteiten niet geheel of nagenoeg geheel bestaan uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten; en

c.   de beloning niet ten laste komt van een vaste inrichting die, of van een vast middelpunt dat de werkgever in de andere Staat heeft.

3.   Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel is de beloning verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig in internationaal verkeer of aan boord van schepen die worden gebezigd voor de visserij in volle zee slechts in die Staat belastbaar.

Artikel 16.  „Directeursbeloningen ”

1.   Directeursbeloningen (directors' fees) of dergelijke beloningen verkregen door een inwoner van Nederland in zijn hoedanigheid van lid van de raad van beheer of van een dergelijk college van een lichaam dat inwoner is van Noorwegen, mogen in Noorwegen worden belast.

2.   Directeursbeloningen (directors' fees) of andere beloningen verkregen door een inwoner van Noorwegen in zijn hoedanigheid van bestuurder of commissaris van een lichaam dat inwoner is van Nederland, mogen in Nederland worden belast.

3.   Indien de in het eerste of tweede lid bedoelde beloningen verkregen worden door een persoon die werkzaamheden van regelmatige en wezenlijke aard verricht in een vaste inrichting, welke gevestigd is in de Staat die niet de Staat is waarvan het lichaam inwoner is, en de beloningen aftrekbaar zijn bij het bepalen van de belastbare winst van die vaste inrichting, zijn de beloningen, voor zover zij aldus aftrekbaar zijn, niettegenstaande de bepalingen van het eerste of tweede lid van dit artikel, slechts belastbaar in de Staat waarin de vaste inrichting is gevestigd.

Artikel 17.  Artiesten en sportbeoefenaars

1.   Niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 14 en 15, mogen voordelen of inkomsten, verkregen door een inwoner van een van de Staten als artiest, zoals een toneelspeler, film-, radio- of televisieartiest of een musicus, of als sportbeoefenaar, uit zijn persoonlijke werkzaamheden als zodanig die worden verricht in de andere Staat, worden belast in die andere Staat.

2.   Indien voordelen of inkomsten ter zake van persoonlijke werkzaamheden die door een artiest of een sportbeoefenaar in die hoedanigheid worden verricht, niet aan de artiest of sportbeoefenaar zelf toekomen, maar aan een andere persoon, mogen die voordelen of inkomsten, niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 7, 14 en 15, worden belast in de Staat waarin de werkzaamheden van de artiest of sportbeoefenaar worden verricht..

3.   De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op inkomsten, verkregen uit werkzaamheden die in een van de Staten worden verricht door artiesten of sportbeoefenaars indien het bezoek aan die Staat in hoofdzaak wordt betaald uit openbare fondsen van de andere Staat of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan. In een zodanig geval zijn de inkomsten slechts belastbaar in de Staat waarvan de artiest of sportbeoefenaar inwoner is.

Artikel 18.  Pensioenen en lijfrenten

1.   Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 19, tweede lid, zijn pensioenen of andere soortgelijke beloningen ter zake van een vroegere dienstbetrekking, alsmede lijfrenten, betaald aan een inwoner van een van de Staten, slechts in die Staat belastbaar.

2.   Indien deze beloningen echter geen periodiek karakter dragen en worden betaald ter zake van een vroegere dienstbetrekking in de andere Staat, mogen de beloningen in die andere Staat worden belast.

3.   De uitdrukking „lijfrente” betekent een vaste som, periodiek betaalbaar op vaste tijdstippen, hetzij gedurende het leven, hetzij gedurende een vastgesteld of voor vaststelling vatbaar tijdvak, ingevolge een verbintenis tot het doen van betalingen, welke tegenover een voldoende en volledige tegenprestatie in geld of geldswaarde staat.

4.   Pensioenen uitbetaald krachtens de bepalingen van een publiekrechtelijke regeling inzake sociale zekerheid van een van de Staten aan een inwoner van de andere Staat, zijn slechts in de laatstbedoelde Staat belastbaar.

Artikel 19.  Overheidsfuncties

1.

a.   Beloningen niet zijnde pensioenen, betaald door een van de Staten of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan aan een natuurlijke persoon ter zake van diensten bewezen aan die Staat of dat onderdeel of dat publiekrechtelijk lichaam in de uitoefening van overheidsfuncties, mogen in die Staat worden belast.

b.   Deze beloningen zijn echter slechts in de andere Staat belastbaar, indien de diensten in die Staat worden bewezen en de natuurlijke persoon inwoner is van die Staat, die:

1.   onderdaan is van die Staat; of

2.   niet uitsluitend voor het verrichten van de diensten inwoner van die Staat werd.

2.

a.   Pensioenen betaald door, of uit fondsen in het leven geroepen door, een van de Staten of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan aan een natuurlijke persoon ter zake van diensten bewezen aan die Staat of dat onderdeel of dat publiekrechtelijk lichaam in de uitoefening van overheidsfuncties, mogen in die Staat worden belast.

b.   Deze pensioenen zijn echter slechts in de andere Staat belastbaar, indien de natuurlijke persoon inwoner en onderdaan is van die Staat.

3.   De bepalingen van de artikelen 15, 16 en 18 zijn van toepassing op beloningen en pensioenen ter zake van diensten, bewezen in het kader van een op winst gericht bedrijf, uitgeoefend door een van de Staten of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan.

Artikel 20.  Studenten

Betalingen die een student of een voor een beroep of bedrijf in opleiding zijnde persoon, die inwoner is of onmiddellijk voor zijn bezoek aan een van de Staten, inwoner was van de andere Staat en die uitsluitend voor zijn studie of opleiding in de eerstbedoelde Staat verblijft, ontvangt ten behoeve van zijn onderhoud, studie of opleiding, zijn in die Staat niet belastbaar, mits deze betalingen aan hem worden gedaan uit bronnen buiten die Staat.

Artikel 21.  Overige inkomsten

1.   Bestanddelen van het inkomen van een inwoner van een van de Staten, van waaruit ook afkomstig, die niet in de voorgaande artikelen van deze Overeenkomst zijn behandeld, zijn slechts in die Staat belastbaar.

2.   De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing op inkomsten, niet zijnde inkomsten uit onroerende goederen zoals omschreven in artikel 6, tweede lid, indien de genieter van die inkomsten, die inwoner is van een van de Staten in de andere Staat een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, of in die andere Staat zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gevestigd vast middelpunt, en het recht of de zaak ter zake waarvan de inkomsten worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van dat vaste middelpunt behoort. In dat geval zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 of artikel 14 van toepassing.

HOOFDSTUK IV.  BELASTINGHEFFING NAAR HET VERMOGEN

Artikel 22.  Vermogen

1.   Vermogen bestaande uit onroerende goederen, zoals bedoeld in artikel 6, dat een inwoner van een van de Staten bezit en dat is gelegen in de andere Staat, mag in die andere Staat worden belast.

2.   Vermogen bestaande uit roerende goederen die deel uitmaken van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting die een onderneming van een van de Staten in de andere Staat heeft, of uit roerende goederen die behoren tot een vast middelpunt dat een inwoner van een van de Staten in de andere Staat tot zijn beschikking heeft voor het verrichten van zelfstandige arbeid, mag in die andere Staat worden belast.

3.   Niettegenstaande de bepaling van het tweede lid:

a.   zijn schepen en luchtvaartuigen geëxploiteerd in internationaal verkeer, alsmede schepen gebezigd voor de visserij in volle zee en roerende goederen die worden gebruikt bij de exploitatie van deze schepen en luchtvaartuigen, slechts belastbaar in de Staat waarvan de exploitant inwoner is;

b.   mogen deze schepen en luchtvaartuigen en roerende goederen echter ook in de andere Staat worden belast indien de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming in die andere Staat is gelegen. De bepalingen van artikel 8, vierde lid, vinden hierbij toepassing.

4.   Alle andere bestanddelen van het vermogen van een inwoner van een van de Staten zijn slechts in die Staat belastbaar.

HOOFDSTUK V.  VERMIJDING VAN DUBBELE BELASTING

Artikel 23

1.   Elk van de Staten is bevoegd bij het heffen van belasting van zijn inwoners in de grondslag waarnaar de belasting wordt geheven, de bestanddelen van het inkomen of het vermogen te begrijpen die overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst in de andere Staat mogen worden belast.

2.

a.   Indien een inwoner van Noorwegen voordelen en inkomsten verkrijgt of vermogensbestanddelen bezit die overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst in Nederland mogen worden belast, verleent Noorwegen een vermindering op de inkomstenbelasting of vermogensbelasting van die persoon tot een bedrag dat gelijk is aan de in Nederland betaalde belasting. Zulk een vermindering overschrijdt echter niet dat deel van de Noorse belasting, zoals deze is berekend vóór het verlenen van de vermindering, dat kan worden toegerekend aan de voordelen en inkomsten verkregen uit de vermogensbestanddelen in Nederland. Voor de toepassing van dit lid worden bij de vaststelling van de Nederlandse belasting de investeringsbijdragen en -toeslagen en de desinvesteringsbijtellingen als bedoeld in de Nederlandse Wet investeringsrekening niet in aanmerking genomen. Voor de toepassing van dit lid worden de belastingen, niet zijnde de vermogensbelasting, waarnaar wordt verwezen in artikel 2, derde lid, onderdeel b en vierde lid, beschouwd als belastingen naar het inkomen.

b.   Niettegenstaande de bepalingen van onderdeel a, zijn dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van Nederland aan een lichaam dat inwoner is van Noorwegen vrijgesteld van Noorse belasting, mits de dividenden overeenkomstig de wetgeving van Noorwegen van belasting zouden zijn vrijgesteld indien beide lichamen Noorse lichamen waren geweest, en voorts met dien verstande dat, voor zover het bedrag van de dividenden, door een lichaam dat inwoner is van Nederland over een belastingjaar vastgesteld, dividenden vertegenwoordigt, die dat lichaam, rechtstreeks of door een andere rechtspersoon, in hetzelfde of in een vroeger belastingjaar heeft ontvangen op aandelen van een lichaam dat inwoner is van een derde Staat, de vrijstelling van Noorse belasting slechts wordt verleend voor zover de dividenden, ontvangen op aandelen van het lichaam dat inwoner is van die derde Staat, in Nederland aan vennootschapsbelasting onderworpen zijn geweest, of, indien dit niet het geval is, voor zover de dividenden van Noorse belasting zouden zijn vrijgesteld, indien het Noorse lichaam de aandelen rechtstreeks had bezeten.

3.

a.   Indien een inwoner van Nederland bestanddelen van het inkomen verkrijgt of vermogensbestanddelen bezit die volgens artikel 6, artikel 7, artikel 8, tweede lid, artikel 10, zevende lid, artikel 11, derde lid, artikel 12, derde lid, artikel 13, eerste, tweede en derde lid (onderdeel b), artikel 14, artikel 15, eerste lid, artikel 16, artikel 19, eerste lid (onderdeel a), artikel 21, tweede lid, en artikel 22, eerste, tweede en derde lid (onderdeel b), van deze Overeenkomst in Noorwegen mogen worden belast en die in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen, stelt Nederland deze bestanddelen vrij door een vermindering van zijn belasting toe te staan. Deze vermindering wordt berekend overeenkomstig de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting. Te dien einde worden genoemde bestanddelen geacht te zijn begrepen in het totale bedrag van de bestanddelen van het inkomen of het vermogen die ingevolge die bepalingen van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld.

b.   Nederland verleent voorts een aftrek op de Nederlandse belasting voor die bestanddelen van het inkomen die volgens artikel 10, tweede lid, artikel 13, vijfde lid, artikel 17, artikel 18, tweede lid en artikel 19, tweede lid (onderdeel a), van deze Overeenkomst in Noorwegen mogen worden belast, in zoverre deze bestanddelen in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen. Het bedrag van deze aftrek is gelijk aan de in Noorwegen over deze bestanddelen van het inkomen betaalde belasting, maar bedraagt niet meer dan het bedrag van de vermindering die zou zijn verleend indien de aldus in het inkomen begrepen bestanddelen van het inkomen de enige bestanddelen van het inkomen zouden zijn geweest die uit hoofde van de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld.

HOOFDSTUK VI.  WERKZAAMHEDEN BUITENGAATS

Artikel 24

1.   De bepalingen van dit artikel vinden toepassing niettegenstaande enige andere bepaling van deze Overeenkomst.

2.   Een onderneming van een van de Staten die in de andere Staat buitengaats werkzaamheden verricht in verband met de exploratie of exploitatie van de in die andere Staat gelegen zeebodem en de ondergrond daarvan en hun natuurlijke rijkdommen, wordt, onder voorbehoud van het derde en vijfde lid van dit artikel, geacht ter zake van die werkzaamheden in die andere Staat een bedrijf uit te oefenen door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting.

3.   De bepalingen van het tweede lid van dit artikel zijn niet van toepassing indien de aldaar bedoelde werkzaamheden in de andere Staat worden verricht gedurende een tijdvak of tijdvakken die in een tijdvak van 12 maanden een totaal van 30 dagen niet te boven gaan. Voor de toepassing van dit lid:

a.   wordt een onderneming die in de andere Staat werkzaamheden verricht als bedoeld in het tweede lid van dit artikel en die is gelieerd aan een andere onderneming die aldaar in wezen gelijksoortige werkzaamheden verricht, geacht al die werkzaamheden van de laatstbedoelde onderneming te verrichten, behoudens in zoverre die werkzaamheden tegelijkertijd met haar eigen werkzaamheden worden verricht;

b.   wordt een onderneming geacht gelieerd te zijn aan een andere onderneming indien de een onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van de ander of indien dezelfde personen onmiddellijk of middellijk deelnemen aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van beide ondernemingen.

4.   Een inwoner van een van de Staten die, in het kader van een vrij beroep of van andere werkzaamheden van zelfstandige aard, in de andere Staat buitengaats werkzaamheden verricht in verband met de exploratie of exploitatie van de in die andere Staat gelegen zeebodem en de ondergrond daarvan en hun natuurlijke rijkdommen, wordt geacht deze werkzaamheden te verrichten vanuit een vast middelpunt in de andere Staat. Dit lid is echter niet van toepassing indien werkzaamheden in de andere Staat worden verricht gedurende een tijdvak of tijdvakken die in een tijdvak van 12 maanden een totaal van 30 dagen niet te boven gaan.

5.   Voordelen verkregen door een inwoner van een van de Staten uit het vervoer van voorraden of personeel naar een plaats, of tussen plaatsen, in een van de Staten waar werkzaamheden worden verricht in verband met dé exploratie of exploitatie van de zeebodem en de ondergrond daarvan en hun natuurlijke rijkdommen, of uit de exploitatie van sleepboten en andere schepen die bij zulke werkzaamheden behulpzaam zijn, zijn slechts belastbaar in de Staat waar de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen.

6.

a.   Onder voorbehoud van onderdeel b van dit lid mogen salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een dienstbetrekking in verband met de exploratie of exploitatie van de in de andere Staat gelegen zeebodem en de ondergrond daarvan en hun natuurlijke rijkdommen, in zoverre de dienstbetrekking in die andere Staat buitengaats wordt uitgeoefend, in die andere Staat worden belast mits de dienstbetrekking buitengaats wordt uitgeoefend gedurende een tijdvak of tijdvakken die in een tijdvak van 12 maanden een totaal van 30 dagen te boven gaan;

b.   Salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig dat betrokken is bij het vervoer van voorraden of personeel naar een plaats, of tussen plaatsen, in een van de Staten waar werkzaamheden worden verricht in verband met de exploratie of exploitatie van de zeebodem en de ondergrond daarvan en hun natuurlijke rijkdommen, of ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een sleepboot of andere schepen die bij zulke werkzaamheden behulpzaam zijn, zijn slechts belastbaar in de Staat waarvan de werknemer inwoner is.

7.   Voordelen, verkregen door een inwoner van een van de Staten uit de vervreemding van rechten op goederen die worden voortgebracht met de exploratie of exploitatie van de in de andere Staat gelegen zeebodem en de ondergrond daarvan en hun natuurlijke rijkdommen, waaronder begrepen rechten terzake van belangen bij die goederen of de voordelen daaruit of uit de vervreemding van aandelen die hun waarde geheel of grotendeels, onmiddellijk of middellijk aan deze rechten ontlenen, mogen in die andere Staat worden belast.

8.   Voor de bestanddelen van het inkomen die volgens het tweede, vierde en zevende lid van dit artikel in Nederland mogen worden belast, verleent Noorwegen een aftrek van zijn belasting die zal worden berekend overeenkomstig de regels die zijn neergelegd in artikel 23, tweede lid, onderdeel b.

9.   Indien aan de hand van bewijsstukken wordt aangetoond dat in Nederland belasting is betaald over de bestanddelen van het inkomen die volgens het zesde lid, onderdeel a, van dit artikel in Nederland mogen worden belast, past Noorwegen de regels toe die zijn neergelegd in artikel 23, tweede lid, onderdeel a.

10.Voor de bestanddelen van het inkomen die volgens het tweede, vierde en zevende lid van dit artikel in Noorwegen mogen worden belast, verleent Nederland een aftrek van zijn belasting die zal worden berekend overeenkomstig de regels die zijn neergelegd in artikel 23, derde lid, onderdeel b.

11.Indien aan de hand van bewijsstukken wordt aangetoond dat in Noorwegen belasting is betaald over de bestanddelen van het inkomen die volgens het zesde lid, onderdeel a, van dit artikel in Noorwegen mogen worden belast, verleent Nederland een vermindering van zijn belasting die zal worden berekend overeenkomstig de regels die zijn neergelegd in artikel 23, derde lid, onderdeel a.

HOOFDSTUK VII.  BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel 25.  Non-discriminatie

1.   Onderdanen van een van de Staten worden in de andere Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen, waaraan onderdanen van die andere Staat onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen. Deze bepaling is, niettegenstaande het bepaalde in artikel 1, ook van toepassing op personen die geen inwoners zijn van een van de Staten of van beide Staten.

2.   Staatlozen die inwoner zijn van een van de Staten worden in de andere Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en de daarmede verband houdende verplichtingen waaraan onderdanen van die andere Staat onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen.

3.   De belastingheffing van een vaste inrichting die een onderneming van een van de Staten in de andere Staat heeft, is in die andere Staat niet ongunstiger dan de belastingheffing van ondernemingen van die andere Staat die dezelfde werkzaamheden uitoefenen. Deze bepaling mag niet aldus worden uitgelegd, dat zij een van de Staten verplicht aan inwoners van de andere Staat bij de belastingheffing de persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van de samenstelling van het gezin of gezinslasten te verlenen, die eerstbedoelde Staat aan zijn eigen inwoners verleent.

4.   Behalve indien de bepalingen van artikel 9, artikel 11, vierde lid, of artikel 12, vierde lid, van toepassing zijn, zijn interest, royalty's enandere uitgaven, betaald door een onderneming van een van de Staten aan een inwoner van de andere Staat, bij de vaststelling van de belastbare winst van die onderneming onder dezelfde voorwaarden aftrekbaar als wanneer zij betaald waren aan een inwoner van de eerstbedoelde Staat. Zo ook zijn alle schulden van een onderneming van een van de Staten aan een inwoner van de andere Staat bij de vaststelling van het belastbare vermogen van die onderneming onder dezelfde voorwaarden aftrekbaar als wanneer zij waren aangegaan met een inwoner van de eerstbedoelde Staat.

5.   Ondernemingen van een van de Staten, waarvan het kapitaal geheel of ten dele, onmiddellijk of middellijk, in het bezit is van of wordt beheerst door een of meer inwoners van de andere Staat, worden in de eerstbedoelde Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen, waaraan andere, soortgelijke ondernemingen van de eerstbedoelde Staat zijn of kunnen worden onderworpen.

6.   De bepalingen van dit artikel zijn, niettegenstaande de bepalingen van artikel 2, van toepassing op belastingen van elke soort en benaming.

Artikel 26.  Regeling voor onderling overleg

1.   Indien een persoon van oordeel is dat de maatregelen van een van de Staten of van beide Staten voor hem leiden of zullen leiden tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze Overeenkomst, kan hij, ongeacht de rechtsmiddelen waarin de nationale wetgeving van die Staten voorziet, zijn geval voorleggen aan de bevoegde autoriteit van de Staat waarvan hij inwoner is, of, indien zijn geval valt onder artikel 25, eerste lid, aan die van de Staat waarvan hij onderdaan is. Het geval moet worden voorgelegd binnen driejaar nadat de maatregel die leidt tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van de Overeenkomst, voor het eerst te zijner kennis is gebracht.

2.   De bevoegde autoriteit tracht, indien het bezwaar haar gegrond voorkomt en indien zij niet zelf in staat is tot een bevredigende oplossing te komen, de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming met de bevoegde autoriteit van de andere Staat te regelen ten einde een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de Overeenkomst, te vermijden.

3.   De bevoegde autoriteiten van de Staten trachten moeilijkheden of twijfelpunten die mochten rijzen met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van de Overeenkomst in onderlinge overeenstemming op te lossen. Zij kunnen ook met elkaar overleg plegen ten einde dubbele belasting ongedaan te maken in gevallen waarin de Overeenkomst niet voorziet. In het bijzonder kunnen de bevoegde autoriteiten tot overeenstemming komen over dezelfde toerekening van voordelen tussen gelieerde ondernemingen als bedoeld in artikel 9.

4.   De bevoegde autoriteiten van de Staten kunnen zich rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen ten einde een overeenstemming als bedoeld in de voorgaande leden te bereiken.

5.   Ingeval de bevoegde autoriteiten overeenstemming als bedoeld in het tweede en derde lid bereiken, wordt dienovereenkomstig belasting geheven of teruggaaf van belasting toegestaan. De overeengekomen regeling wordt uitgevoerd niettegenstaande de verjarings termijnen in de nationale wetgeving van de Staten.

Artikel 27.  Uitwisseling van inlichtingen

De bevoegde autoriteiten van de Staten wisselen zodanige inlichtin gen uit als nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van deze Overeenkomst of aan de nationale wetgeving van de Staten betreffende de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, voor zover de heffing van die belastingen niet in strijd is met de Overeenkomst. De uitwisseling van inlichtingen wordt niet beperkt door artikel 1. Alle door een van de Staten ontvangen inlichtingen worden op dezelfde wijze geheim gehouden als inlichtingen die volgens de nationale wetgeving van die Staat zijn verkregen en worden alleen ter kennis gebracht van personen of autoriteiten (waaronder begrepen rechterlijke instanties en administratiefrechtelijke lichamen) die betrokken zijn bij de vaststelling of invordering van, de tenuitvoerlegging of vervolging ter zake van, of de beslissing in beroepszaken betrekking hebbende op de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is. Deze personen of autoriteiten mogen van de inlichtingen alleen voor deze doeleinden gebruik maken. Zij mogen de inlichtingen bekend maken in openbare rechts zittingen of in rechterlijke beslissingen.

Artikel 28.  Hulp en bijstand

1.   De Staten nemen op zich elkaar hulp en bijstand te verlenen bij de invordering van de belastingen die het onderwerp van deze Overeenkomst uitmaken, met inbegrip van interest, kosten, verhogin gen van belasting en boeten van niet-strafrechtelijke aard.

3.   Ingeval van verzoeken tot invordering van belastingen worden onherroepelijk vaststaande belastingvorderingen van elk van de Staten door de andere Staat ter invordering aanvaard en in die Staat geïnd overeenkomstig de wetten die van toepassing zijn voor de invordering en inning van zijn eigen belastingen, met dien verstande dat zulke vorderingen in de laatstbedoelde Staat geen wettelijke voorrang genieten. Noorse belastingvorderingen worden als onherroepelijk vaststaand beschouwd, indien zij niet meer kunnen worden gewijzigd ingevolge administratief beroep. De aangezochte Staat is niet gehouden over te gaan tot executoriale maatregelen waarvoor de wet van de verzoekende Staat geen voorziening inhoudt.

4.   Elk verzoek gaat vergezeld van bescheiden waaruit blijkt dat volgens de wetten van de verzoekende Staat de belastingen onherroepelijk zijn komen vast te staan in de zin van het tweede lid van dit artikel.

Artikel 29.  Beperking van de artikelen 27 en 28

In geen geval worden de bepalingen van de artikelen 27 en 28 zo uitgelegd dat zij een van de Staten de verplichting opleggen:

a.   administratieve maatregelen te nemen die in strijd zijn met de wetten of de administratieve praktijk van die of van de andere Staat;

b.   inlichtingen te verstrekken die niet verkrijgbaar zijn krachtens de wetten of in de normale gang van zaken in de administratie van die of van de andere Staat;

c.   inlichtingen te verstrekken die een handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of een fabrieks- of handelswerkwijze zouden onthullen of inlichtingen waarvan het verstrekken in strijd zou zijn met de openbare orde.

Artikel 30.  Diplomatieke en consulaire ambtenaren

1.   De bepalingen van deze Overeenkomst tasten in geen enkel opzicht de fiscale voorrechten aan die diplomatieke of consulaire ambtenaren ontlenen aan de algemene regels van het volkenrecht of aan de bepalingen van bijzondere overeenkomsten.

2.   Voor de toepassing van de Overeenkomst wordt een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een van de Staten in de andere Staat of in een derde Staat en die onderdaan is van de zendstaat, geacht inwoner van de zendstaat te zijn, echter alleen indien hij daarin aan dezelfde verplichtingen ter zake van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen is onderworpen als inwoners van die staat.

3.   De Overeenkomst is niet van toepassing op internationale organisaties, op hun organen en functionarissen, noch op natuurlijke personen deel uitmakende van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een derde Staat, die in een van de Staten verblijven en in geen van de beide Staten aan dezelfde verplichtingen ter zake van belastingen naar het inkomen of naar het vermogen zijn onderworpen als inwoners van die Staat.

Artikel 31.  Uitvoeringsvoorschriften

1.   De bevoegde autoriteiten van de Staten regelen in onderlinge overeenstemming de wijze van toepassing van artikel 10, tweede, derde en vierde lid.

2.   Ten aanzien van de bepalingen van deze Overeenkomst met betrekking tot de uitwisseling van inlichtingen en de wederkerige bijstand bij de invordering van belastingen, kunnen de bevoegde autoriteiten in gemeenschappelijk overleg regels vaststellen betreffende de te volgen gedragslijn, de formulieren voor aanvragen en voor antwoorden daarop, de herleiding van de munteenheid, de beschikking over de geïnde bedragen, de minima van de voor invordering in aanmerking komende bedragen en daarmede verband houdende aangelegenheden.

3.   De bevoegde autoriteiten van elk van de Staten kunnen, in overeenstemming met het gebruik van die Staat, uitvoeringsvoorschriften vaststellen die nodig zijn om de overige bepalingen van deze Overeenkomst uit te voeren.

Artikel 32.  Uitbreiding tot andere gebieden

1.   Deze Overeenkomst kan, hetzij in haar geheel, hetzij met de noodzakelijke wijzigingen, worden uitgebreid tot Aruba en/of de Nederlandse Antillen, indien het betrokken land belastingen heft die in wezen gelijksoortig zijn aan de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is. Zulk een uitbreiding wordt van kracht met ingang van een datum en met inachtneming van wijzigingen en voorwaarden, waaronder begrepen voorwaarden ten aanzien van de beëindiging, nader vast te stellen en overeen te komen bij diplomatieke notawisseling.

2.   Tenzij anders is overeengekomen, brengt de beëiindiging van de Overeenkomst niet met zich mede, dat tevens de uitbreiding van de Overeenkomst tot enig land waartoe zij ingevolge dit artikel is uitgebreid, wordt beëindigd.

HOOFDSTUK VIII.  SLOTBEPALINGEN

Artikel 33.  Inwerkingtreding

1.   Deze Overeenkomst treedt in werking op de dertigste dag na de laatste van de data waarop de onderscheiden Regeringen elkaar schriftelijk hebben medegedeeld, dat de in hun onderscheiden Staten grondwettelijk vereiste formaliteiten zijn vervuld en de bepalingen ervan vinden toepassing:

a.   met betrekking tot de bronheffing op dividenden die zijn verkregen op of na 1 januari van het kalenderjaar volgend op dat waarin deze Overeenkomst in werking treedt;

b.   met betrekking tot belastingen, andere dan de bronheffing op dividenden, voor belastingjaren en -tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari van het kalenderjaar volgend op dat waarin deze Overeenkomst in werking treedt.

2.   De Overeenkomst tussen het Koninkrijk Noorwegen en het Koninkrijk der Nederlanden tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, getekend te 's-Gravenhage op 22 september 1966 en de Overeenkomst van 11 januari 1929 tussen Nederland en Noorwegen tot wederzijdse vrijstelling van inkomstenbelasting in zekere gevallen, waarbij winsten voortvloeien uit het zeescheepvaartbedrijf worden beëindigd op het tijdstip van inwerkingtreding van deze Overeenkomst. De bepalingen van de Overeenkomst uit 1966 blijven echter van toepassing totdat de bepalingen van deze Overeenkomst, overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid van dit artikel, van toepassing zijn.

Artikel 34.  Beëindiging

Deze Overeenkomst blijft van kracht totdat zij door een van de Overeenkomstsluitende Partijen is opgezegd. Elk van de Partijen kan de Overeenkomst langs diplomatieke weg beëindigen door ten minste zes maanden voor het einde van enig kalenderjaar na het verstrijken van een tijdvak van vijf jaar sedert de datum van inwerkingtreding een kennisgeving van beëindiging te doen. In dat geval houdt de Overeenkomst op van toepassing te zijn:

a.   met betrekking tot de bronheffing op dividenden die zijn verkregen op of na 1 januari van het kalenderjaar volgend op dat waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan;

b.   met betrekking tot belastingen, andere dan de bronheffingen op dividenden, voor belastingjaren en -tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari van het kalenderjaar volgend op dat waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN te Oslo, de 12de januari 1990, in tweevoud in de Nederlandse, de Noorse en de Engelse taal, zijnde de drie teksten gelijkelijk authentiek. Ingeval de Noorse en de Nederlandse en de Noorse tekst verschillend kunnen worden uitgelegd, is de Engelse tekst beslissend.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) VAN GEEN

 Voor de Regering van het Koninkrijk Noorwegen,

(w.g.) JAN FLATLA


Protocol

Bij de ondertekening van de Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, heden tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Noorwegen gesloten, zijn de ondergetekenden de volgende bepalingen overeengekomen die een integrerend deel van de Overeenkomst vormen.

I

1.   Indien ingevolge de bepalingen van de ;Overeenkomst een inwoner van Nederland is vrijgesteld van of recht heeft op vermindering van Noorse belasting, is een soortgelijke vrijstelling of vermindering van toepassing ten aanzien van onverdeelde nalatenschappen van overleden personen voor zover een of meer van de begunstigden inwoner van Nederland is.

2.   Voor zover voordelen of inkomsten van een onverdeelde nalatenschap van een overleden persoon ingevolge de bepalingen van de Overeenkomst onderworpen zijn aan Noorse belasting en toekomen aan een begunstigde die inwoner van Nederland is, verleent Nederland een vermindering op de voet van artikel 23, derde lid, van de Overeenkomst.

II.  Ad Artikel 4

Een natuurlijke persoon die aan boord van een schip woont zonder een werkelijke woonplaats in een van de Staten te hebben, wordt geacht inwoner te zijn van de Staat waar het schip zijn thuishaven heeft.

III.  Ad Artikel 5

Voor de toepassing van artikel 5, derde lid,

a.   moeten afzonderlijke bouwwerken of constructiewerkzaamheden voor de berekening van de tijdsduur niet worden samengenomen;

b.   kunnen normaal als afzonderlijke bouwwerken worden beschouwd werken die voor verschillende opdrachtgevers worden uitgevoerd, tenzij die werken uit economisch oogpunt één geheel vormen;

c.   worden verschillende werken voor rekening van één enkele opdrachtgever in elk geval als een geheel behandeld, indien zij ingevolge één enkele overeenkomst worden uitgevoerd;

d.   dienen werken indien zij voor rekening van één enkele opdrachtgever worden uitgevoerd ingevolge meer dan één overeenkomst, eveneens als een geheel te worden behandeld in geval van eenheid van uitvoering. Dit kan zich voordoen:

(i)   in de tijd,nl. wanneer de verschillende werken gelijktijdig of ddellijk na elkaar zonder onderbreking worden uitgevoerd;

(ii)  in de ruimte,wanneer de werken, ofschoon op verschillende plaatsen uitgevoerd, feitelijk een deel van een groter geheel vormen en er geen noemenswaardige werkonderbreking is geweest.

IV.  Ad Artikel 7

Indien een onderneming van een van de Staten in de andere Staat goederen of koopwaar verkoopt of een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting worden, voor de toepassing van het eerste en tweede lid van artikel 7, de voordelen van die vaste inrichting niet bepaald op basis van het totale door de onderneming ontvangen bedrag, doch slechts op bais van de vergoedingen die aan de werkelijke werkzaamheden van de vaste inrichting voor die verkopen of die bedrijfsuitoefening zijn toe te rekenen. Met name bij overeenkomsten betreffende het toezicht op, de levering, installatie of constructie van nijverheids- en handelsuitrusting of wetenschappelijke uitrusting of faciliteiten alsmede bij openbare werken, worden, indien de onderneming een vaste inrichting heeft, de voordelen van die vaste inrichting niet bepaald op basis van het totale bedrag van de overeenkomst, maar slechts op basis van dat deel van de overeenkomst dat werkelijk wordt uitgevoerd door de vaste inrichting in de Staat waarin de vaste inrichting is gevestigd.

De voordelen die betrekking hebben op dat deel van de overeenkomst, dat wordt uitgevoerd door het hoofdkantoor van de onderneming, zijn slechts belastbaar in de Staat waarvan de onderneming inwoner is.

V.  Ad artikelen 8, 13 en 22

Indien een onderneming wordt gedreven door een of meer hoofdelijk aansprakelijke vennoten die in een van de Staten wonen, en door een of meer hoofdelijk aansprakelijke vennoten die in de andere Staat wonen, en de bevoegde autoriteiten van beide Staten het erover eens zijn dat niet kan worden vastgesteld dat de plaats van de werkelijke leiding slechts in een van de Staten is gelegen, zijn voordelen als bedoeld in artikel 8, eerste, vijfde en zesde lid, voordelen als bedoeld in artikel 13, derde lid, en vermogen als bedoeld in artikel 22, derde lid, slechts belastbaar, naar gelang van het aandeel dat elk van de hoofdelijk aansprakelijke vennoten in het geheel bezit, in de Staat waarvan die vennoot inwoner is.

VI.  Ad Artikel 10

Verzoeken om teruggaaf van belasting die niet overeenkomstig de bepalingen van artikel 10 is geheven, moeten bij de bevoegde autoriteit van de Staat die de belasting heeft geheven worden ingediend binnen een tijdvak van vijfjaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belasting is geheven.

VII.  Ad Artikelen 11 en 23

Ingeval een van de Staten een bronbelasting op interest invoert, stelt die Staat de andere Staat in kennis van de invoering van die belasting en knoopt zij onderhandelingen aan ten einde overeenstemming te bereiken over zodanige wijzigingen van de artikelen 11 en 23 als passend zijn.

VIII.  Ad Artikel 23

De Staten komen overeen dat op verzoek van Noorwegen, welk verzoek bij nota langs diplomatieke weg wordt gedaan, artikel 23, tweede lid, wordt vervangen door de onderstaande tekst, die in werking treedt op de dertigste dag na de bevestiging langs diplomatieke weg van de ontvangst van die nota en die voor de eerste maal van toepassing is met betrekking tot belastingen naar het inkomen of naar het vermogen betreffende het kalenderjaar (met inbegrip van boekjaren die aanvangen in dat jaar) volgend op dat waarin de bevestiging is ontvangen:

„2. 

a.   Indien een inwoner van Noorwegen voordelen en inkomsten verkrijgt of vermogensbestanddelen bezit die overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst in Nederland mogen worden belast, verleent Noorwegen een vermindering op de inkomstenbelasting of vermogensbelasting van die persoon tot een bedrag dat gelijk is aan de in Nederland betaalde belasting. Zulk een vermindering overschrijdt echter niet dat deel van de Noorse belasting, zoals deze is berekend vóór het verlenen van de vermindering, dat kan worden toegerekend aan de voordelen en inkomsten verkregen uit de vermogensbestanddelen in Nederland.
Voor de toepassing van dit lid worden bij de -vaststelling van de Nederlandse belasting de investeringsbijdragen en -toeslagen en de desinvesteringsbijtellingen als bedoeld in de Nederlandse Wet investeringsrekening niet in aanmerking genomen. Voor de toepassing van dit lid worden de belastingen, niet zijnde de vermogensbelasting, waarnaar wordt verwezen in artikel 2, derde lid, onderdeel b en vierde lid, beschouwd als belastingen naar het inkomen.

b.  Niettegenstaande de bepalingen van onderdeel a, zijn dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van Nederland aan een lichaam dat inwoner is van Noorwegen vrijgesteld van Noorse belasting, mits de dividenden overeenkomstig de wetgeving van Noorwegen van belasting zouden zijn vrijgesteld indien beide lichamen Noorse lichamen waren geweest, en voorts met dien verstande dat, voor zover het bedrag van de dividenden, door een lichaam dat inwoner is van Nederland over een belastingjaar vastgesteld, dividenden vertegenwoordigt, die dat lichaam, rechtstreeks of door een andere rechtspersoon, in hetzelfde of in een vroeger belastingjaar heeft ontvangen op aandelen van een lichaam dat inwoner is van een derde Staat, de vrijstelling van Noorse belasting slechts wordt verleend voor zover de dividenden, ontvangen op aandelen van het lichaam dat inwoner is van die derde Staat, in Nederland aan vennootschapsbelasting onderworpen zijn geweest, of, indien dit niet het geval is, voor zover de dividenden van Noorse belasting zouden zijn vrijgesteld, indien het Noorse lichaam de aandelen rechtstreeks had bezeten.”

IX.   Ad Artikel 23

Ingeval Noorwegen een belasting op pensioenen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, invoert die worden betaald aan inwoners van Nederland, stelt Nederland deze pensioenen vrij door een vermindering van zijn belasting toe te staan overeenkomstig artikel 23, derde lid, onderdeel a.

X.  Ad Artikel 23

Het is wel verstaan dat voor de berekening van de vermindering vermeld in het derde lid van artikel 23 de waarde van de in het eerste lid van artikel 22 bedoelde vermogensbestanddelen wordt verminderd met de waarde van de schulden verzekerd door hypotheek op dat vermogen en de waarde van de in het tweede lid van artikel 22 bedoelde vermogensbestanddelen wordt verminderd met de waarde van de tot de vaste inrichting of het vast middelpunt behorende schulden.

XI.  Ad Artikel 25

De bepalingen van artikel 25, derde lid, mogen niet aldus worden uitgelegd, dat zij Noorwegen zouden beletten alle voordelen die kunnen worden toegerekend aan een vaste inrichting die in Noorwegen wordt aangehouden door een lichaam dat inwoner is van Nederland, te belasten naar het tarief geldende voor niet uitgedeelde winsten van een lichaam dat inwoner is van Noorwegen. Het bedrag van deze belasting mag echter niet hoger zijn dan de belasting die zou worden geheven van een lichaam en zijn aandeelhouder, indien:

a.   deze winsten werden verkregen door een lichaam dat inwoner is van Noorwegen,

b.   de aandelen van dit lichaam geheel in het bezit waren van een lichaam (niet zijnde een maatschap of een vennootschap onder firma) dat inwoner is van Nederland, en

c.   het onder a. bedoelde lichaam aan het onder b) bedoelde lichaam 30 percent van zijn winst uitdeelde.

XII.   Ad Artikel 25

Voor de toepassing van artikel 25, derde lid, zijn

a.   interest, royalty's en andere uitgaven, die door een onderneming van een van de Staten zijn gedaan en die kunnen worden toegerekend aan een vaste inrichting welke die onderneming in de andere Staat heeft, voor de berekening van de belastbare winst van die vaste inrichting onder dezelfde voorwaarden aftrekbaar als wanneer die vaste inrichting onder dezelfde voorwaarden aftrekbaar als wanneer die vaste inrichting een onderneming van die andere Staat zou zijn;

b.   schulden die door een onderneming van een van de Staten zijn aangegaan en die kunnen worden toegerekend aan een vaste inrichting welke die onderneming in de andere Staat heeft, voor de berekening van het belastbare vermogen van die vaste inrichting een onderneming van die andere Staat zou zijn.

XIII.  Ad Artikel 28

Geen van beide Staten is gehouden lijfsdwang toe te passen ter invordering van belastingen.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

GEDAAN te Oslo, de 12de januari 1990, in tweevoud in de Nederlandse, de Noorse en de Engelse taal, zijnde de drie teksten gelijkelijk authentiek.

Ingeval de Nederlandse en de Noorse tekst verschillend kunnen worden uitgelegd, is de Engelse tekst beslissend.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) VAN GEEN

Voor de Regering van hel Koninkrijk Noorwegen,

(w.g.) JAN FLATLA

Twitter Updates

follow me on Twitter

Volg ons op: