Belastingverdrag Nigeria

Nieuws belastingverdrag

In 2014 / 2015 zullen met Nigeria (ontwikkelingsland) besprekingen worden gevoerd over een herziening van het belastingverdrag (onderdeel anti-misbruikbepalingen). Bij verouderde verdragen is het mogelijk dat er een geheel nieuw belastingverdrag wordt voorgesteld. Zie voor een toelichting deze mededeling van het Ministerie van Financiën.

(vertaling: nl)

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federale Republiek Nigeria tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van de Federale Republiek Nigeria,

De wens koesterende een overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten,

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK I.  REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST

Artikel 1.  Personen op wie de overeenkomst van toepassing is

Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten.

Artikel 2.  Belastingen waarop de overeenkomst van toepassing is

1.   De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name:

a.   in Nederland:

-    de inkomstenbelasting,

-    de loonbelasting,

-    de vennootschapsbelasting, waaronder begrepen het aandeel van de regering in de netto winsten behaald met de exploitatie; van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet 1810 met betrekking tot concessies uitgegeven vanaf 1967, of geheven krachtens de Nederlandse Mijnwet continentaal plat 1965,

-    de dividendbelasting,
(hierna te noemen: „Nederlandse belasting”);

b)   in Nigeria:

-    the personal income tax (inkomstenbelasting van natuurlijke personen),

-    the companies income tax (inkomstenbelasting van lichamen),

-    the petroleum profits tax (belasting op winsten uit de winning van aardolie),

-    the capital gains tax (belasting op vermogenswinsten),
(hierna te noemen: „Nigeriaanse belasting”).

2.   Deze Overeenkomst is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van de Overeenkomst naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de Staten doen elkaar mededeling van alle wezenlijke wijzigingen die in hun onderscheiden belastingwetgevingen zijn aangebracht.

HOOFDSTUK II.  BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 3.  Algemene begripsbepalingen

1.   Voor de toepassing van deze Overeenkomst, tenzij de context anders vereist:

a.   betekent de uitdrukking „Staat” Nederland of Nigeria, al naar de context vereist; betekent de uitdrukking „Staten” Nederland en Nigeria;

b.   omvat de uitdrukking „Nederland” het deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat in Europa is gelegen, en het onder de Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan waarop het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming met het internationale recht bepaalde rechten heeft;

c.   betekent de uitdrukking „Nigeria” de Federale Republiek Nigeria, met inbegrip van elk gebied buiten de territoriale wateren van de Federale Republiek Nigeria dat in overeenstemming met het internationale recht bij de wetgeving van de Federale Republiek Nigeria inzake het continentaal plat is of nog zal worden aangewezen als een gebied waarbinnen de rechten van de Federale Republiek Nigeria met betrekking tot de zeebodem en de ondergrond daarvan en hun natuurlijke rijkdommen kunnen worden uitgeoefend;

d.   omvat de uitdrukking „persoon” een natuurlijke persoon, een lichaam en elke andere vereniging van personen;

e.   betekent de uitdrukking „lichaam” elke rechtspersoon of elke eenheid die voor de belastingheffing als een rechtspersoon wordt behandeld;

f.   betekenen de uitdrukkingen „onderneming van een van de Staten” en „onderneming van de andere Staat” onderscheidenlijk een onderneming gedreven door een inwoner van een van de Staten en een onderneming gedreven door een inwoner van de andere Staat;

g.   betekent de uitdrukking „internationaal verkeer” alle vervoer met een schip of luchtvaartuig, geëxploiteerd door een onderneming van een van de Staten, behalve wanneer het schip of luchtvaartuig uitsluitend wordt geëxploiteerd tussen plaatsen die in de andere Staat zijn gelegen;

h.   betekent de uitdrukking „onderdanen”:

1.   met betrekking tot Nederland: alle natuurlijke personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten en alle rechtspersonen, vennootschappen en verenigingen die hun rechtspositie als zodanig ontlenen aan de wetgeving die in Nederland van kracht is;

2.   met betrekking tot Nigeria: alle Nigeriaanse staatsburgers en alle rechtspersonen, vennootschappen en verenigingen die hun rechtspositie als zodanig ontlenen aan de wetgeving die in Nigeria van kracht is;

i.    betekent de uitdrukking „bevoegde autoriteit”:

1.   in Nederland de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger;

2.   in Nigeria de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger.

2.   Voor de toepassing van de Overeenkomst door een van de Staten heeft, tenzij de context anders vereist, elke daarin niet omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van die Staat met betrekking tot de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is.

Artikel 4.  Fiscale woonplaats

1.   Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „inwoner van een van de Staten” iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die Staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van oprichting of leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid.

2.   Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid van dit artikel inwoner van beide Staten is, wordt zijn positie in overeenstemming met de volgende regels bepaald:

a.   hij wordt geacht inwoner te zijn van de Staat waarin hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in beide Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen);

b.   indien niet kan worden bepaald in welke Staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarin hij gewoonlijk verblijft;

c.   indien hij in beide Staten of in geen van beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarvan hij onderdaan is;

d.   indien hij onderdaan is van beide Staten of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.

3.   Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, regelen de bevoegde autoriteiten van de Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming en bepalen zij de wijze waarop de Overeenkomst op die persoon wordt toegepast.

Artikel 5.  Vaste inrichting

1.   Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.

2.   De uitdrukking „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:

a.   een plaats waar leiding wordt gegeven;

b.   een filiaal;

c.   een kantoor;

d.   een fabriek;

e.   een werkplaats, en

f.   een mijn, een olie- of gasbron, een steengroeve of een andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen.

3.

a.   Niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid omvat de uitdrukking „vaste inrichting” een plaats van uitvoering van een bouwwerk, constructie-, montage- of installatiewerkzaamheden, alsmede daarmee verbandhoudende werkzaamheden van toezichthoudende aard, het verlenen van diensten, waaronder begrepen diensten van adviserende aard door een onderneming door middel van werknemers of ander personeel die door de onderneming daarmee zijn belast, maar alleen indien deze werkzaamheden worden verricht gedurende een tijdvak van meer dan 3 maanden.

b.   Indien het echter gaat om installatiewerkzaamheden die verband houden met de verkoop van machines door een onderneming in de andere Staat en de installatiewerkzaamheden nodig zijn om de verkoop van die machines of uitrusting te voltooien, dan zullen die installatiewerkzaamheden in dat geval geen vaste inrichting vormen, tenzij de duur ervan zes maanden overschrijdt.

4.   Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel wordt de uitdrukking „vaste inrichting” niet geacht te omvatten:

a.   het gebruik maken van inrichtingen, uitsluitend voor opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar;

b.   het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor opslag, uitstalling of aflevering;

c.   het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar, uitsluitend voor bewerking of verwerking door een andere onderneming;

d.   het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of inlichtingen in te winnen;

e.   het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting, uitsluitend om voor de onderneming enige andere werkzaamheid uit te oefenen die van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft.

5.   De uitdrukking „vaste inrichting” omvat een vaste bedrijfsinrichting die gebruikt wordt als een verkoopgelegenheid niettegenstaande het feit dat deze vaste bedrijfsinrichting overigens wordt aangehouden voor een van de werkzaamheden die worden genoemd in het vierde lid van dit artikel.

6.   Een onderneming wordt niet geacht een vaste inrichting in een van de Staten te bezitten alleen op grond van de omstandigheid dat zij in die Staat zaken doet door bemiddeling van een makelaar, commissionair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, mits deze personen in de normale uitoefening van hun bedrijf handelen. Wanneer de werkzaamheden van zulk een vertegenwoordiger echter uitsluitend of nagenoeg uitsluitend worden verricht voor die onderneming, wordt hij niet geacht een onafhankelijk vertegenwoordiger in de zin van dit lid te zijn.

7.   Indien een persoon - niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger waarop het zesde lid van toepassing is - in een van de Staten voor een onderneming van de andere Staat werkzaam is, wordt die onderneming, niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid, geacht in de eerstbedoelde Staat een vaste inrichting te hebben met betrekking tot de werkzaamheden die die persoon voor de onderneming verricht, indien die persoon:

a.   een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht in die Staat gewoonlijk uitoefent, tenzij de werkzaamheden van die persoon beperkt blijven tot die werkzaamheden genoemd in het vierde lid, die, indien zij worden uitgeoefend.door middel van een vaste bedrijfsinrichting, deze vaste bedrijfsinrichting op grond van de bepalingen van dat lid niet tot een vaste inrichting zouden maken; of

b.   in eerstbedoelde Staat - ten behoeve van de verkoop van goederen of koopwaar - gewoonlijk orders verwerft uitsluitend of nagenoeg uitsluitend voor de onderneming zelf of voor de onderneming en andere ondernemingen die zij beheerst of door welke zij wordt beheerst.

8.   Onder voorbehoud van de voorafgaande bepalingen van dit artikel maakt het feit dat een lichaam dat inwoner is van een van de Staten, een lichaam beheerst of door een lichaam wordt beheerst dat inwoner is van de andere Staat of dat in die andere Staat zaken doet (hetzij door middel van een vaste inrichting, hetzij op andere wijze), een van beide lichamen niet tot een vaste inrichting van het andere.

HOOFDSTUK III.  BELASTINGHEFFING NAAR HET INKOMEN

Artikel 6.  Inkomsten uit onroerende goederen

1.   Inkomsten verkregen door een inwoner van een van de Staten uit onroerende goederen (waaronder begrepen voordelen uit landbouw- f bosbedrijven) die in de andere Staat zijn gelegen mogen in die andere Staat worden belast.

2.   De uitdrukking „onroerende goederen” heeft de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van de Staat waarin de desbetreffende goederen zijn gelegen. De uitdrukking omvat in ieder geval de goederen die bij de onroerende goederen behoren, levende en dode have van landbouw- en bosbedrijven, rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende goederen en rechten op veranderlijke of vaste vergoedingen ter zake van de exploitatie, of concessie tot exploitatie, van minerale aardlagen, bronnen en andere natuurlijke rijkdommen; schepen, boten en luchtvaartuigen worden niet als onroerende goederen beschouwd.

3.   De bepalingen van het eerste lid van dit artikel zijn van toepassing op de inkomsten verkregen uit de rechtstreekse exploitatie, uit het verhuren of verpachten, of uit elke andere vorm van exploitatie van onroerende goederen.

4.   De bepalingen van het eerste en derde lid van dit artikel zijn ook van toepassing op inkomsten uit onroerende goederen van een onderneming en op inkomsten uit onroerende goederen die worden gebruikt voor het verrichten van zelfstandige arbeid.

Artikel 7.  Winst uit onderneming

1.   De voordelen van een onderneming van een van de Staten zijn slechts in die Staat belastbaar, tenzij de onderneming in de andere Staat haar bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting. Indien de onderneming aldus haar bedrijf uitoefent, mogen de voordelen van de onderneming in de andere Staat worden belast, maar slechts in zoverre als zij aan die vaste inrichting kunnen worden toegerekend.

2.   Onder voorbehoud van de bepalingen van het derde lid van dit artikel worden, indien een onderneming van een van de Staten in de andere Staat haar bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, in elk van de Staten aan die vaste inrichting de voordelen toegerekend die zij geacht zou kunnen worden te behalen, indien zij een zelfstandige onderneming zou zijn die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden en die geheel onafhankelijk transacties zou aangaan met de onderneming waarvan zij een vaste inrichting is.

3.   Bij het bepalen van de voordelen van een vaste inrichting worden in aftrek toegelaten kosten, waaronder begrepen kosten van de leiding en algemene beheerskosten, waarvan is aangetoond dat ze zijn gemaakt ten behoeve van het bedrijf van de vaste inrichting, hetzij in de Staat waarin de vaste inrichting is gevestigd, hetzij elders. Geen aftrek wordt echter toegestaan ter zake van bedragen (met uitzondering van die wegens vergoeding van werkelijke kosten) welke eventueel door de vaste inrichting aan het hoofdkantoor van de onderneming of een van haar andere kantoren worden betaald, als royalty's, vergoedingen of andere soortgelijke betalingen voor het gebruik van octrooien of andere rechten, of als commissieloon voor bepaalde diensten of voor het geven van leiding, dan wel, behalve in het geval van een onderneming die het bankbedrijf uitoefent, als interest op gelden die aan de vaste inrichting zijn geleend. Evenmin wordt bij het bepalen van de voordelen van een vaste inrichting rekening gehouden met bedragen (anders dan die wegens vergoeding van werkelijke kosten) welke door de vaste inrichting aan het hoofdkantoor van de onderneming of een van haar andere kantoren in rekening worden gebracht als royalty's, vergoedingen of andere soortgelijke betalingen voor het gebruik van octrooi en of andere rechten, of als commissie loon voor bepaalde diensten of voor het geven van leiding, dan wel, behalve in het geval van een onderneming die het bankbedrijf uitoefent, als interest op gelden die aan de vaste inrichting zijn geleend. Evenmin wordt bij het bepalen van de voordelen van een vaste inrichting rekening gehouden met bedragen (anders dan die wegens vergoeding van werkelijke kosten) welke door de vaste inrichting aan het hoofdkantoor van de onderneming of een van haar andere kantoren in rekening worden gebracht als royalty's, vergoedingen of andere soortgelijke betalingen voor het gebruik van octrooi- en of andere rechten, of als commissieloon voor bepaalde diensten of voor het geven van leiding, dan wel, behalve in het geval van een onderneming die het bankbedrijf uitoefent, als interest op gelden die aan het hoofdkantoor van de onderneming of een van haar andere kantoren zijn geleend.

4.   Er worden geen voordelen aan een vaste inrichting toegerekend enkel op grond van de aankoop door die vaste inrichting van goederen of koopwaar voor de onderneming. Zulks evenwel met dien verstande dat wanneer die vaste inrichting mede als een verkoopgelegenheid voor de aldus aangekochte goederen of koopwaar wordt gebruikt de voordelen behaald op dergelijke verkopen aan die vaste inrichting mogen worden toegerekend.

5.   In geval van voordelen uit werkzaamheden van toezichthoudende aard, leveringen, installatie- of constructiewerkzaamheden is slechts dat gedeelte toe te rekenen aan een vaste inrichting dat het gevolg is van de werkelijk door die vaste inrichting verrichte werkzaamheden. Dienovereenkomstig worden voordelen uit de leveringen van goederen aan die vaste inrichting door het hoofdkantoor, een andere vaste inrichting of een derde persoon, al of niet in samenhang met deze werkzaamheden, niet toegerekend aan die vaste inrichting. Zulks evenwel met dien verstande dat deze voordelen niet voortvloeien uit de uitvoering van dergelijke werkzaamheden van toezichthoudende aard, leveringen, installatie- of constructiewerkzaamheden in de andere Staat.

6.   Indien in de voordelen bestanddelen zijn begrepen die afzonderlijk in andere artikelen van deze Overeenkomst worden behandeld, worden de bepalingen van die artikelen niet aangetast door de bepalingen van dit artikel.

Artikel 8.  Zee- en luchtvervoer

1.   Een inwoner van een van de Staten zal alleen op basis van wederkerigheid van belasting zijn vrijgesteld in de andere Staat met betrekking tot voordelen verkregen uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer.

2.   Voor de toepassing van deze Overeenkomst omvatten voordelen verkregen door een onderneming van een van de Staten met de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer voordelen uit de verhuur van schepen of luchtvaartuigen in onbemande staat die in het internationale verkeer worden geëxploiteerd, mits deze voordelen voortvloeien uit de voordelen omschreven in het eerste lid van dit artikel.

3.   De bepalingen van het eerste lid van dit artikel zijn ook van toepassing op voordelen uit de deelneming in een „pool”, een gemeenschappelijke onderneming of een internationaal opererend agentschap.

Artikel 9.  Gelieerde ondernemingen

1.   Indien

a.   een onderneming van een van de Staten onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van een onderneming van de andere Staat, of

b.   dezelfde personen onmiddellijk of middellijk deelnemen aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van een onderneming van een van de Staten en een onderneming van de andere Staat,
en in het ene of in het andere geval tussen de beide ondernemingen in hun handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd, die afwijken van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, mogen alle voordelen die een van de ondernemingen zonder deze voorwaarden zou hebben behaald, maar ten gevolge van die voorwaarden niet heeft behaald, worden begrepen in de voordelen van die onderneming en dienovereenkomstig worden belast.

2.   Indien een van de Staten in de voordelen van een onderneming van die Staat voordelen begrijpt - en dienovereenkomstig belast - ter zake waarvan een onderneming van de andere Staat in die andere Staat in de belastingheffing is betrokken en deze voordelen bestaan uit voordelen welke de onderneming van de eerstbedoelde Staat zou hebben behaald indien tussen de beide ondernemingen zodanige voorwaarden zouden zijn overeengekomen als die welke tussen onafhankelijke ondernemingen zouden zijn overeengekomen, zal die andere Staat het bedrag aan belasting dat in die Staat over die voordelen is geheven, dienovereenkomstig aanpassen. Bij de vaststelling van deze aanpassing wordt rekening gehouden met de overige bepalingen van deze Overeenkomst en plegen de bevoegde autoriteiten van de Staten zo nodig met elkaar overleg.

Artikel 10.  Dividenden

1.   Dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van éen van de Staten aan een inwoner van de andere Staat, mogen in die andere Staat worden belast.

2.   Deze dividenden mogen echter ook in de Staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar indien de genieter de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden is, mag de aldus geheven belasting niet overschrijden:

a.   12½ percent van het brutobedrag van de dividenden, indien de uiteindelijk gerechtigde een lichaam is (niet zijnde een maatschap of een vennootschap onder firma) dat onmiddellijk ten minste 10 percent bezit van het kapitaal van het lichaam dat de dividenden betaalt;

b.   15 percent van het brutobedrag van de dividenden in alle andere gevallen.
Dit lid laat onverlet de belastingheffing van het lichaam ter zake van de winst waaruit de dividenden worden betaald.

3.   De uitdrukking „dividenden”, zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomsten uit aandelen, of andere rechten, niet zijnde schuldvorderingen die aanspraak geven op een aandeel in de winst alsmede inkomsten uit andere vennootschappelijke rechten die door de wetgeving van de Staat waarvan het lichaam dat de uitdeling doet inwoner is, op dezelfde wijze aan de belastingheffing worden onderworpen als inkomsten uit aandelen.

4.   De bepalingen van het eerste en tweede lid van dit artikel zijn niet van toepassing indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden, die inwoner is van een van de Staten, in de andere Staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, of in die andere Staat zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gevestigd vast middelpunt, en het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van dat vaste middelpunt behoort. In dat geval zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 of artikel 14 van toepassing.

5.   Indien een lichaam dat inwoner is van een van de Staten, voordelen of inkomsten verkrijgt uit de andere Staat, mag die andere Staat geen belasting heffen op de dividenden die door het lichaam worden betaald, behalve voor zover deze dividenden worden betaald aan een inwoner van die andere Staat of voor zover het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van een in die andere Staat gevestigde vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van een aldaar gevestigd vast middelpunt behoort, noch de niet-uitgedeelde winst van het lichaam onderwerpen aan een belasting op niet-uitgedeelde winst van het lichaam, zelfs indien de betaalde dividenden of de niet-uitgedeelde winst geheel of gedeeltelijk bestaan uit voordelen of inkomsten die uit die andere Staat afkomstig zijn.

Artikel 11.  Interest

1.   Interest afkomstig uit een van de Staten en betaald aan een inwoner van de andere Staat mag in die andere Staat worden belast.

2.   Deze interest mag echter ook in de Staat waaruit hij afkomstig is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar indien de genieter de uiteindelijk gerechtigde tot de interest is, mag de aldus geheven belasting 12½ percent van het brutobedrag van de interest niet overschrijden.

3.   Niettegenstaande de bepalingen van het tweede lid van dit artikel is interest afkomstig uit een van de Staten en betaald aan de Regering van de andere Staat, een staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan dan wel aan een agentschap of instantie (waaronder begrepen een financiële instelling) die eigendom is van of beheerst wordt door die Regering, dat staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam, alsmede interest ter zake van leningen die verzekerd of gegarandeerd zijn door de Regering van die andere Staat, een staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan, vrijgesteld van belasting in de eerstbedoelde Staat. In het geval van leningen verstrekt door de bovengenoemde agentschappen of instanties zijn de bepalingen van dit lid alleen van toepassing in geval deze leningen niet zijn verstrekt onder de gewone commerciële voorwaarden.

4.   De uitdrukking „interest”, zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomsten uit schuldvorderingen van welke aard ook, al dan niet verzekerd door hypotheek, en al dan niet aanspraak gevend op een aandeel in de winst van de schuldenaar, en in het bijzonder inkomsten uit overheidsleningen en inkomsten uit obligaties of schuldbewijzen, waaronder begrepen de aan zodanige leningen, obligaties of schuldbewijzen verbonden premies en prijzen. In rekening gebrachte boeten voor te late betaling worden voor de toepassing van dit artikel niet als interest aangemerkt.

5.   De bepalingen van het eerste en het tweede lid van dit artikel zijn niet van toepassing indien de uiteindelijk gerechtigde tot de interest, die inwoner is van een van de Staten, in de andere Staat van waaruit de interest afkomstig is een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, of in die andere Staat zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gevestigd vast middelpunt, en de vordering uit hoofde waarvan de interest wordt betaald, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van dat vaste middelpunt behoort. In dat geval zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 of artikel 14 van toepassing.

6.   Interest wordt geacht uit een van de Staten afkomstig te zijn, indien deze wordt betaald door die Staat zelf, door een staatkundig onderdeel, door een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam of door een inwoner van die Staat. Wanneer evenwel de persoon die de interest betaalt, of hij inwoner van een van de Staten is of niet, in een van de Staten een vaste inrichting of een vast middelpunt heeft in verband waarmee de schuld ter zake waarvan de interest wordt betaald, was aangegaan, en deze interest ten laste komt van die vaste inrichting of van dat vaste middelpunt, wordt deze interest geacht afkomstig te zijn uit de Staat waarin de vaste inrichting of het vaste middelpunt is gevestigd.

7.   Indien, wegens een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de betaalde interest, gelet op de schuldvordering ter zake waarvan deze wordt betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder zulk een verhouding door de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde zou zijn overeengekomen, zijn de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag van toepassing. In dat geval blijft het daarboven uitgaande deel van het betaalde bedrag belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de Staten, zulks met inachtneming van de overige bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel 12.  Royalty's

1.   Royalty's afkomstig uit een van de Staten en betaald aan een inwoner van de andere Staat mogen in die andere Staat worden belast.

2.   Deze royalty's mogen echter ook in de Staat waaruit zij afkomstig zijn, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar indien de genieter de uiteindelijk gerechtigde tot de royalty's is, mag de aldus geheven belasting 12½ percent van het brutobedrag van de royalty's niet overschrijden.

3.   De uitdrukking „royalty's”, zoals gebezigd in dit artikel, betekent vergoedingen van welke aard ook voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst of wetenschap met inbegrip van bioscoopfilms, of films of geluidsbanden voor radio of televisie, van een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk, een tekening of model, een plan, een geheim recept of een geheime werkwijze, dan wel voor het gebruik van, of het recht van gebruik van, nijverheids- of handelsuitrusting of wetenschappelijke uitrusting, of voor inlichtingen omtrent ervaringen op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap.

4.   De bepalingen van het eerste en tweede lid van dit artikel zijn niet van toepassing, indien de uiteindelijk gerechtigde tot de royalty's, die inwoner is van een van de Staten, in de andere Staat van waaruit de royalty's afkomstig zijn een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, of in die andere Staat zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gevestigd vast middelpunt, en het recht of de zaak uit hoofde waarvan de royalty's worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van dat vaste middelpunt behoort. In dat geval zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 of artikel 14 van toepassing.

5.   Royalty's worden geacht uit een van de Staten afkomstig te zijn, indien zij worden betaald door die Staat zelf, door een staatkundig onderdeel, door een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam of door een inwoner van die Staat. Indien evenwel de persoon die de royalty's betaalt, of hij inwoner van een van de Staten is of niet, in een van de Staten een vaste inrichting of een vast middelpunt heeft in verband waarmee het contract op grond waarvan de royalty's worden betaald, was gesloten, en deze royalty's ten laste komen van die vaste inrichting of van dat vaste middelpunt, worden deze royalty's geacht afkomstig te zijn uit de Staat waarin de vaste inrichting of het vaste middelpunt is gevestigd.

6.   Indien, wegens een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de betaalde royalty's, gelet op het gebruik, het recht of de inlichtingen waarvoor zij worden betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder zulk een verhouding door de schuldenaar en de uiteindelijk gerechtigde zou zijn overeengekomen, zijn de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag van toepassing. In dat geval blijft het daarboven uitgaande deel van het betaalde bedrag belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de Staten, zulks met inachtneming van de overige bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel 13.  Vermogenswinsten

1.   Voordelen verkregen door een inwoner van een van de Staten uit de vervreemding van onroerende goederen, zoals bedoeld in artikel 6 en die zijn gelegen in de andere Staat mogen in die andere Staat worden belast.

2.   Voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende zaken die deel uitmaken van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting die een onderneming van een van de Staten in de andere Staat heeft, of van roerende zaken die behoren tot een vast middelpunt dat een inwoner van een van de Staten in de andere Staat tot zijn beschikking heeft voor het verrichten van zelfstandige arbeid, waaronder begrepen voordelen verkregen uit de vervreemding van de vaste inrichting (alleen of met de gehele onderneming) of van het vaste middelpunt, mogen in die andere Staat worden belast.

3.   Voordelen verkregen door een inwoner van een van de Staten uit de vervreemding van schepen of luchtvaartuigen die in internationaal verkeer worden geëxploiteerd of van roerende zaken die worden gebruikt bij de exploitatie van deze schepen of luchtvaartuigen, zijn in de andere Staat vrijgesteld van belasting.

4.   Voordelen verkregen uit de vervreemding van alle andere zaken dan die bedoeld in het eerste, tweede en derde lid zijn slechts belastbaar in de Staat waarvan de vervreemder inwoner is. Voordelen verkregen uit de vervreemding van aandelen die zijn uitgegeven door een lichaam dat inwoner is in de andere Staat, mogen echter in die andere Staat worden belast, tenzij die voordelen worden behaald in het kader van de oprichting van een lichaam, reorganisatie, fusie, splitsing of soortgelijke transactie.

Artikel 14.  Zelfstandige arbeid

1.   Voordelen verkregen door een inwoner van een van de Staten in de uitoefening van een vrij beroep of ter zake van andere werkzaamheden van zelfstandige aard zijn slechts in die Staat belastbaar, tenzij hij in de andere Staat voor het verrichten van zijn werkzaamheden geregeld over een vast middelpunt beschikt. Indien hij over zulk een vast middelpunt beschikt mogen de voordelen in de andere Staat worden belast, maar slechts in zoverre als zij aan dat vaste middelpunt kunnen worden toegerekend.

2.   De uitdrukking „vrij beroep” omvat in het bijzonder zelfstandige werkzaamheden op het gebied van wetenschap, letterkunde, kunst, opvoeding of onderwijs, alsmede de zelfstandige werkzaamheden van artsen, advocaten, technici, architecten, tandartsen en accountants.

Artikel 15.  Niet-zelfstandige arbeid

1.   Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 16, 18, 19 en 20 zijn salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een dienstbetrekking slechts in die Staat belastbaar, tenzij de dienstbetrekking in de andere Staat wordt uitgeoefend. Indien de dienstbetrekking aldaar wordt uitgeoefend, mag de ter zake daarvan verkregen beloning in die andere Staat worden belast.

2.   Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid van dit artikel is de beloning verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een in de andere Staat uitgeoefende dienstbetrekking slechts in de eerstbedoelde Staat belastbaar, indien:

a.   de genieter in de andere Staat verblijft gedurende een tijdvak of tijdvakken, die in het belastingjaar of jaar van aanslag van die Staat een totaal van 183 dagen niet te boven gaan, en

b.   de beloning wordt betaald door of namens een werkgever die geen inwoner van de andere Staat is, en

c.   de beloning niet ten laste komt van een vaste inrichting die, of van een vast middelpunt dat de werkgever in de andere Staat heeft.

3.   Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel mag de beloning verkregen ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd, worden belast in de Staat, waarvan de onderneming inwoner is.

Artikel 16.  Directeursbeloningen

Directeursbeloningen (directors' fees) en andere beloningen verkregen door een inwoner van een van de Staten in zijn hoedanigheid van lid van de raad van beheer, van bestuurder of van commissaris van een lichaam dat inwoner is van de andere Staat, mogen in die andere Staat worden belast.

Artikel 17.  Artiesten en sportbeoefenaars

1.   Niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 14 en 15 mogen inkomsten, verkregen door een inwoner van een van de Staten als artiest, zoals een toneelspeler, film-, radio-, of televisie-artiest of een musicus, of als sportbeoefenaar, uit zijn persoonlijke werkzaamheden als zodanig die worden verricht in de andere Staat, worden belast in die andere Staat.

2.   Indien inkomsten ter zake van persoonlijke werkzaamheden die door een artiest of een sportbeoefenaar in die hoedanigheid worden verricht, niet aan de artiest of sportbeoefenaar zelf toekomen, maar aan een andere persoon, mogen die inkomsten, niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 7, 14 en 15, worden belast in de Staat waarin de werkzaamheden van de artiest of sportbeoefenaar worden verricht.

Artikel 18.  Pensioenen en lijfrenten

1.   Onder voorbehoud van de bepalingen van het tweede lid van artikel 19:

a.   mogen pensioenen en andere soortgelijke beloningen, al dan niet van periodieke aard, die door een onderneming van een van de Staten worden betaald aan een inwoner van de andere Staat ter zake van een vroeger bij die onderneming vervulde dienstbetrekking, in de eerstbedoelde Staat worden belast;

b.   zijn alle overige pensioenen en andere soortgelijke beloningen betaald aan een inwoner van een van de Staten ter zake van een vroegere dienstbetrekking, slechts in die Staat belastbaar.

2.   Lijfrenten afkomstig uit een van de Staten en betaald aan een inwoner van de andere Staat, mogen in de eerstbedoelde Staat worden belast.

3.   De uitdrukking „lijfrente” betekent een vaste som, periodiek betaalbaar op vaste tijdstippen gedurende het leven of gedurende een vastgesteld of voor vaststelling vatbaar tijdvak, ingevolge een verbintenis tot het doen van betalingen welke tegenover een voldoende en volledige tegenprestatie in geld of geldswaarde staat.

Artikel 19.  Overheidsfuncties

1.

a.   Beloningen, niet zijnde pensioenen, betaald door een van de Staten of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan aan een natuurlijke persoon terzake van diensten bewezen aan die Staat of dat onderdeel of dat publiekrechtelijk lichaam, mogen in die Staat worden belast.

b.   Deze beloningen zijn echter slechts in de andere Staat belastbaar, indien de diensten in die Staat worden bewezen en de natuurlijke persoon inwoner is van die Staat, die:

1.   onderdaan is van die Staat; of

2.   niet uitsluitend voor het verrichten van de diensten inwoner van die Staat werd.

2.   Pensioenen, betaald door, of uit fondsen in het leven geroepen door, een van de Staten of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan aan een natuurlijke persoon ter zake van diensten bewezen aan die Staat of dat onderdeel of dat publiekrechtelijk lichaam en betalingen aan een natuurlijke persoon krachtens de regelingen inzake sociale zekerheid van een van de Staten, mogen in die Staat worden belast.

3.   De bepalingen van de artikelen 15 en 16 zijn van toepassing op beloningen ter zake van diensten, bewezen in het kader van een op winst gericht bedrijf, uitgeoefend door een van de Staten of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan.

Artikel 20.  Hoogleraren, docenten en onderzoekers

1.   Vergoedingen die een hoogleraar, docent of wetenschappelijk onderzoeker die inwoner is, of onmiddellijk voor zijn bezoek aan een van de Staten inwoner was van de andere Staat en die in de eerstbedoelde Staat in de eerste plaats verblijft met het doel onderwijs te geven of zich met wetenschappelijk onderzoek bezig te houden aan een universiteit, hogeschool, school of een andere door de Regeringen erkende onderwijsinrichting of instelling voor wetenschappelijk onderzoek, voor dat onderwijs of onderzoek ontvangt, zijn vrijgesteld van belasting in de eerstbedoelde Staat gedurende een tijdvak dat in totaal drie jaar te rekenen van de dag van zijn eerste aankomst in de eerstbedoelde Staat niet te boven gaat.

2.   Dit artikel is niet van toepassing op inkomsten uit het verrichten van wetenschappelijk onderzoek, indien dit onderzoek niet wordt verricht in het algemeen belang, maar in de eerste plaats voor het persoonlijke nut van een bepaalde persoon of bepaalde personen.

Artikel 21.  Studenten

1.   Een natuurlijke persoon die inwoner is van een van de Staten onmiddellijk voorafgaand aan zijn bezoek aan de andere Staat, en die in de andere Staat tijdelijk verblijf houdt uitsluitend als student aan een erkende universiteit, hogeschool, school of andere soortgelijke erkende onderwijsinstelling in die andere Staat, of als een persoon die aldaar voor een beroep of bedrijf in opleiding is of een technische opleiding volgt, is vrijgesteld van belasting in die andere Staat op:

a.   alle overmakingen uit het buitenland ten behoeve van zijn onderhoud, studie of opleiding; en

b.   alle beloningen die een bedrag van US $2000 niet overschrijden, voor persoonlijke diensten in die andere Staat verricht ter aanvulling van de hem voor die doeleinden ter beschikking staande middelen. De voordelen ingevolge dit lid worden slechts verleend voor zulk een tijdsduur als redelijk is of gewoonlijk vereist is om het doel van het bezoek te bereiken.

2.   Een natuurlijke persoon die inwoner is van een van de Staten onmiddellijk voorafgaand aan zijn bezoek aan de andere Staat, en die in die andere Staat tijdelijk verblijf houdt gedurende een tijdvak dat driejaar niet te boven gaat om een studie te volgen, wetenschappelijk onderzoek te verrichten of een opleiding te verkrijgen, zulks enkel als genieter van een beurs, toelage of prijs, verleend door de Regering van een van beide Staten of door een instelling op het gebied van wetenschap, onderwijs, godsdienst of liefdadigheid, of op grond van een programma voor technische hulpverlening, waaraan de Regering van een van beide Staten deelneemt, is vrijgesteld van belasting in die andere Staat op:

a.   het bedrag van deze beurs, toelage of prijs;

b.   alle overmakingen uit het buitenland ten behoeve van zijn onderhoud, studie of opleiding.

Artikel 22.  Overige inkomsten

1.   Bestanddelen van het inkomen van een inwoner van een van de Staten, van waaruit ook afkomstig, die niet in de voorgaande artikelen van deze Overeenkomst zijn behandeld, zijn slechts in die Staat belastbaar.

2.   Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid van dit artikel mogen bestanddelen van het inkomen van een inwoner van een van de Staten die niet in de voorafgaande artikelen van deze Overeenkomst zijn behandeld en die afkomstig zijn uit de andere Staat, ook in die andere Staat worden belast.

HOOFDSTUK IV.  VERMIJDING VAN DUBBELE BELASTING

Artikel 23.  Vermijding van dubbele belasting

1.   Nederland is bevoegd bij het heffen van belasting van zijn inwoners in de grondslag waarnaar de belasting wordt geheven, de bestanddelen van het inkomen te begrijpen die overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst in Nigeria mogen worden belast.

2.   Indien echter een inwoner van Nederland bestanddelen van het inkomen verkrijgt die volgens artikel 6, artikel 7, artikel 10, vierde lid, artikel 11, vijfde lid, artikel 12, vierde lid, artikel 13, eerste en tweede lid, artikel 14, artikel 15, artikel 16 en artikel 19 van deze Overeenkomst in Nigeria mogen worden belast en die in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen, stelt Nederland deze inkomensbestanddelen vrij door een vermindering van zijn belasting toe te staan. Deze vermindering wordt berekend overeenkomstig de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting. Te dien einde worden genoemde bestanddelen geacht te zijn begrepen in het totale bedrag van de bestanddelen van het inkomen die ingevolge die bepalingen van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld.

3.   Nederland verleent voorts een aftrek op de aldus berekende Nederlandse belasting voor die bestanddelen van het inkomen die volgens artikel 10, tweede lid, artikel 11, tweede lid, artikel 12, tweede lid, artikel 13, vierde lid, artikel 17, artikel 18, eerste lid, onderdeel a en tweede lid en artikel 22, tweede lid, van deze Overeenkomst in Nigeria mogen worden belast, in zoverre deze bestanddelen in de in het eerste lid van dit artikel bedoelde grondslag zijn begrepen. Het bedrag van deze aftrek is gelijk aan de in Nigeria over deze bestanddelen van het inkomen betaalde belasting, maar bedraagt niet meer dan het bedrag van de vermindering die zou zijn verleend indien de aldus in het inkomen begrepen bestanddelen van het inkomen de enige bestanddelen van het inkomen zouden zijn geweest die uit hoofde van de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld.

     Indien wegens een tegemoetkoming verleend op grond van de bepalingen van de Nigeriaanse wetgeving ter bevordering van investeringen in Nigeria, de in feite geheven Nigeriaanse belasting op uit Nigeria afkomstige interest of op uit Nigeria afkomstige royalty's, minder bedraagt dan de belasting die Nigeria ingevolge onderscheidenlijk artikel 11, tweede lid, en artikel 12, tweede lid, mag heffen, wordt het bedrag van de in Nigeria over die interest en royalty's betaalde belasting geacht te zijn betaald naar de in voornoemde bepalingen vermelde tarieven.

     Indien evenwel de ingevolge de Nigeriaanse wetgeving op vorengenoemde interest en royalty's van toepassing zijnde algemene belastingtarieven worden verlaagd beneden die welke in dit lid zijn genoemd, gelden voor de toepassing van dit lid deze lagere tarieven. De bepalingen van dit lid zijn slechts van toepassing gedurende een tijdvak van tien jaar na de datum waarop de Overeenkomst in werking is getreden. Dit tijdvak kan in onderlinge overeenstemming tussen de bevoegde autoriteiten worden verlengd.

4.   Met inachtneming van de bepalingen van de wetgeving van Nigeria die betrekking hebben op de verrekening van belasting die in een gebied buiten Nigeria verschuldigd is, met Nigeriaanse belasting (welke bepalingen het algemene beginsel van het hiernavolgende niet mogen aantasten), wordt:

a.   Nederlandse belasting die krachtens de wetgeving van Nederland en in overeenstemming met deze Overeenkomst, hetzij rechtstreeks, hetzij door inhouding, verschuldigd is over uit Nederlandse bronnen verkregen voordelen, inkomsten of belastbare vermogenswinsten (met uitzondering, in het geval van dividend, van belasting te betalen ter zake van de winst waaruit het dividend is betaald) verrekend met Nigeriaanse belasting berekend over dezelfde voordelen, inkomsten of belastbare vermogenswinsten als die waarover de Nederlandse belasting wordt berekend,

b.   In het geval van een dividend dat wordt betaald door een lichaam dat inwoner is van Nederland aan een lichaam dat inwoner is van Nigeria en dat onmiddellijk of middellijk ten minste 10 percent bezit van het stemgerechtigde kapitaal van het lichaam dat de dividenden betaalt, wordt bij de verrekening (naast de Nederlandse belasting waarvoor verrekening is toegestaan op grond van de bepalingen van onderdeel a van dit lid) rekening gehouden met de Nederlandse belasting die door het lichaam verschuldigd is met betrekking tot de winst waaruit dit dividend is betaald.

     Voor de toepassing van dit artikel worden bij de vaststelling van de belastingen naar het inkomen die aan Nederland zijn betaald, de investeringsbijdragen en -toeslagen en de desinvesteringsbetalingen, als bedoeld in de Nederlandse Wet investeringsrekening niet in aanmerking genomen, aangezien zij geen deel uitmaken van de belastingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid.

HOOFDSTUK V.  BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel 24.  Non-discriminatie

1.   Niettegenstaande de bepalingen van artikel 1 worden onderdanen van een van de Staten in de andere Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen, waaraan onderdanen van die andere Staat onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen.

2.   De belastingheffing van een vaste inrichting die een onderneming van een van de Staten in de andere Staat heeft, is in die andere Staat niet ongunstiger dan de belastingheffing van ondernemingen van die andere Staat die dezelfde werkzaamheden uitoefenen.

3.   Dit artikel mag niet aldus worden uitgelegd, dat het een van beide Staten verplicht aan natuurlijke personen die geen inwoner van de andere Staat zijn bij de belastingheffing de persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van de samenstelling van het gezin of gezinslasten te verlenen, die de eerstbedoelde Staat aan zijn eigen inwoners verleent.

4.   Ondernemingen van een van de Staten, waarvan het kapitaal geheel of ten dele, onmiddellijk of middellijk, in het bezit is van of wordt beheerst door een of meer inwoners van de andere Staat, worden in de eerstbedoelde Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen, waaraan andere, soortgelijke ondernemingen van de eerstbedoelde Staat zijn of kunnen worden onderworpen.

5.   De bepalingen van dit artikel zijn, niettegenstaande de bepalingen van artikel 2, van toepassing op belastingen van elke soort en benaming.

Artikel 25.  Regeling voor onderling overleg

1.   Indien een persoon van oordeel is dat de maatregelen van een van de Staten of van beide Staten voor hem leiden of zullen leiden tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze Overeenkomst, kan hij, ongeacht de rechtsmiddelen waarin de nationale wetgeving van die Staten voorziet, zijn geval voorleggen aan de bevoegde autoriteit van de Staat waarvan hij inwoner is, of, indien zijn geval valt onder artikel 24, eerste lid, aan die van de Staat waarvan hij onderdaan is. Het geval moet worden voorgelegd binnen drie jaar nadat de maatregel die leidt tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van de Overeenkomst, voor het eerst te zijner kennis is gebracht.

2.   De bevoegde autoriteit tracht, indien het bezwaar haar gegrond voorkomt en indien zij niet zelf in staat is tot een bevredigende oplossing te komen, de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming met de bevoegde autoriteit van de andere Staat te regelen ten einde een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de Overeenkomst, te vermijden.

3.   De bevoegde autoriteiten van de Staten trachten moeilijkheden of twijfelpunten die mochten rijzen met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van de Overeenkomst in onderlinge overeenstemming op te lossen.

4.   De bevoegde autoriteiten van de Staten kunnen zich rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen ten einde een overeenstemming als bedoeld in de voorgaande leden te bereiken.

Artikel 26.  Uitwisseling van inlichtingen

1.   De bevoegde autoriteiten van de Staten wisselen die inlichtingen (zijnde inlichtingen die deze autoriteiten geordend voorhanden hebben) uit die nodig zijn voor de uitvoering van de bepalingen van deze Overeenkomst. Alle aldus uitgewisselde inlichtingen worden geheim gehouden en worden alleen ter kennis gebracht van personen of autoriteiten (waaronder begrepen rechterlijke instanties en administratiefrechtelijke lichamen) die zich bezig houden met de vaststelling, invordering, de tenuitvoerlegging ter zake van, of de beslissing in beroepszaken met betrekking tot de belastingen die het onderwerp van deze Overeenkomst uitmaken en mogen alleen voor deze doeleinden worden gebruikt.

2.   In geen geval worden de bepalingen van het eerste lid van dit artikel zo uitgelegd dat zij een van de Staten de verplichting opleggen:

a.   administratieve maatregelen te nemen die in strijd zijn met de wetgeving of de administratieve praktijk van die of van de andere Staat;

b.   inlichtingen te verstrekken die niet verkrijgbaar zijn krachtens de wetgeving of in de normale gang van zaken in de administratie van die of van de andere Staat;

c.   inlichtingen te verstrekken die een handels-, bedrijfs-, nijverheids-, of beroepsgeheim of een fabrieks- of handelswerkwijze zouden onthullen, of inlichtingen waarvan het verstrekken in strijd zou zijn met de openbare orde.

Artikel 27.  Diplomatieke en consulaire ambtenaren

1.   De bepalingen van deze Overeenkomst tasten in geen enkel opzicht de fiscale voorrechten aan die diplomatieke en consulaire ambtenaren ontlenen aan de algemene regels van het volkenrecht of aan de bepalingen van bijzondere overeenkomsten.

2.   Niettegenstaande het bepaalde in artikel 4, eerste lid, wordt een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van een diplomatieke, consulaire of permanente vertegenwoordiging van een van de Staten die gevestigd is in de andere Staat of in een derde Staat en die in die andere Staat of in die derde Staat slechts aan belasting onderworpen is indien hij inkomen verkrijgt uit bronnen uit die Staat, geacht inwoner te zijn van de zendstaat.

Artikel 28.  Uitbreiding tot andere gebieden

1.   Deze Overeenkomst kan, hetzij in haar geheel, hetzij met de noodzakelijke wijzigingen, worden uitgebreid tot Aruba en/of de Nederlandse Antillen, indien het betreffende land belastingen heft die in wezen gelijksoortig zijn aan de belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is. Zulk een uitbreiding wordt van kracht met ingang van een datum en met inachtneming van wijzigingen en voorwaarden, waaronder begrepen voorwaarden ten aanzien van de beëindiging, nader vast te stellen en overeen te komen bij diplomatieke notawisseling.

2.   Tenzij anders is overeengekomen, brengt de beëindiging van de Overeenkomst niet met zich mede, dat tevens de uitbreiding van de Overeenkomst tot enig land waartoe zij ingevolge dit artikel is uitgebreid, wordt beëindigd.

HOOFDSTUK VI.  SLOTBEPALINGEN

Artikel 29.  Inwerkingtreding

1.   De Regeringen van de Staten doen elkaar mededeling dat aan de grondwettelijke vereisten voor de inwerkingtreding van deze Overeenkomst is voldaan.

2.   De Overeenkomst treedt in werking dertig dagen na de laatste van de mededelingen zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel en de bepalingen ervan vinden toepassing:

a.   met betrekking tot door middel van inhouding geheven belastingen op inkomsten en belastingen op vermogenswinsten verkregen door een niet-inwoner, ter zake van inkomen en vermogenswinsten verkregen op of na 1 januari van het kalenderjaar onmiddellijk volgend op dat waarin de Overeenkomst in werking treedt;

b.   met betrekking tot andere belastingen, ter zake van inkomsten in een belastingtijdvak dat aanvangt op of na 1 januari van het kalenderjaar onmiddellijk volgend op dat waarin de Overeenkomst in werking treedt.

Artikel 30.  Beëindiging

Deze Overeenkomst blijft van kracht totdat zij wordt beëindigd. Elk van de Staten kan langs diplomatieke weg ten minste zes maanden voor het einde van enig kalenderjaar schriftelijk kennis geven van beëindiging van de Overeenkomst. In dat geval houdt de Overeenkomst op van toepassing te zijn:

a.   met betrekking tot door middel van inhouding geheven belastingen op inkomsten en belastingen op vermogenswinsten verkregen door een niet-inwoner, ter zake van inkomsten en vermogenswinsten verkregen op of na 1 januari van het kalenderjaar onmiddellijk volgend op dat waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan;

b.   met betrekking tot andere belastingen, ter zake van inkomen in een belastingtijdvak dat aanvangt op of na 1 januari van het kalenderjaar onmiddellijk volgend op dat waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN te Lagos de 11e december 1991, in tweevoud, in de Engelse taal.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

(w.g.) E. T. J. T. KWINT

Eric T. J. T. Kwint

Voor de Regering van de Federale Republiek Nigeria

(w.g.) ALHAJI ABUBAKAR ALHAJI

Alhaji Abubakar Alhaji


Protocol

Bij de ondertekening van de Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten, heden tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federale Republiek Nigeria gesloten, zijn de ondergetekenden overeengekomen dat de volgende bepalingen een integrerend deel van de Overeenkomst vormen.

I.    Ad artikel 7
Met betrekking tot artikel 7, eerste lid, kunnen voordelen behaald met de verkoop van goederen of koopwaar van dezelfde of soortgelijke aard als die welke worden verkocht, of met andere bedrijfsactiviteiten van dezelfde of soortgelijke aard als die welke worden verricht door middel van die vaste inrichting, worden geacht toerekenbaar te zijn aan die vaste inrichting. Deze bepaling is slechts van toepassing wanneer de verkoop of bedrijfsactiviteiten door een onderneming van een van de Staten in de andere Staat worden verricht door middel van andere vestigingen of verkooppunten dan haar vaste inrichting.

II.   Ad artikel 7
Betalingen ontvangen als een vergoeding voor het verrichten van technische diensten, waaronder begrepen studies of toezichthoudende werkzaamheden van wetenschappelijke, geologische of technische aard, of voor contracten inzake bouw- of constructiewerkzaamheden met inbegrip van de daarop betrekking hebbende blauwdrukken, of voor diensten van raadgevende of toezichthoudende aard, worden beschouwd als voordelen van een onderneming, waarop de bepalingen van artikel 7 van toepassing zijn.

III.  Ad artikel 8
Indien de bevoegde autoriteiten van de Staten op grond van artikel 25 overeenstemming hebben bereikt over het feit dat voordelen zoals bedoeld in artikel 8 worden behaald door een onderneming of door ondernemingen van een van de Staten met de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer naar of van plaatsen in de andere Staat en dat die voordelen niet worden behaald door een onderneming of door ondernemingen van de andere Staat met de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer naar of van plaatsen in de eerstbedoelde Staat en over het feit dat die situatie van duurzame aard is, wordt aan de voorwaarde van wederkerigheid zoals voorzien in artikel 8, eerste lid, niet voldaan en wordt geen vrijstelling verleend; in dat geval zal de aldus geheven belasting 1 percent bedragen van de opbrengsten van de onderneming verkregen uit de andere Staat.
Voor de toepassing van de voorafgaande volzin betekent de uitdrukking „opbrengsten" inkomsten verkregen door een scheep- of luchtvaartonderneming van een van de Staten uit het vervoer van personen, post, levende have of goederen die in de andere Staat aan boord worden gebracht of geladen verminderd met de terugbetalingen en betalingen van lonen en salarissen van het grondpersoneel en met uitzondering van inkomsten die worden verkregen uit het vervoer van personen, post, levende have of goederen naar die andere Staat uitsluitend voor overscheping of overlading.

IV.  Ad Artikel 9
Het is wel verstaan, dat de omstandigheid dat gelieerde ondernemingen overeenkomsten hebben afgesloten,-zoals "cost sharing" overeenkomsten of algemene dienstverleningsovereenkomsten, voor of gebaseerd op de toerekening van de kosten van leiding, de algemene beheerskosten, de technische en zakelijke kosten, de kosten voor onderzoek en ontwikkeling en andere soortgelijke kosten, op zichzelf geen voorwaarde is als bedoeld in artikel 9, eerste lid. Dit belet een van de Staten echter niet te onderzoeken of in de bovengenoemde overeenkomsten voorwaarden als bedoeld in artikel 9, eerste lid, voorkomen.

V.  Ad Artikelen 10, 11 en 12

(i)   De bevoegde autoriteiten van de Staten regelen in onderling overleg de wijze van toepassing, van de verminderingen en vrijstellingen van belasting in de bronstaat zoals voorzien in de artikelen 10, 11 en 12.

(ii)  Waar aan de bron belasting is geheven die de belasting die ingevolge de bepalingen van artikel 10, 11 en 12 mag worden geheven, te boven gaat, moeten verzoeken om teruggaaf van het daarboven uitgaande belastingbedrag worden ingediend bij de bevoegde autoriteit van de Staat die de belasting heeft geheven binnen een tijdvak van drie jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de belasting is geheven.

VI.  Ad Artikel 13
Het is wel verstaan dat de uitdrukkingen oprichting van een lichaam, reorganisatie, fusie, splitsing of soortgelijke transactie betrekking hebben op een overdracht van aandelen binnen een groep van verbonden ondernemingen. In dat geval worden de aandelen voor de verkrijger gewaardeerd naar de boekwaarde van de overdrager.

VII.Ad Artikel 16
Het is wel verstaan dat met „bestuurder” of „commissaris” van een Nederlands lichaam worden bedoeld personen die als zodanig zijn benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders of door enig ander bevoegd orgaan van dat lichaam, en zijn belast met de algemene leiding van het lichaam, onderscheidenlijk met het toezicht daarop.

VIII.Ad Artikel 24
Het is wel verstaan dat in beide Staten interest, royalty's en andere uitgaven betaald door een onderneming van een van de Staten aan een inwoner van de andere Staat, ten behoeve van de vaststelling van de belastbare winst van die onderneming overeenkomstig zijn belastingwetgeving, op dezelfde wijze aftrekbaar zijn alsof zij waren betaald aan een inwoner van de eerstbedoelde Staat.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

GEDAAN te Lagos de 11e december 1991, in tweevoud, in de Engelse taal.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

(w.g.) E. T. J. T. KWINT

Eric T. J. T. Kwint

Voor de Regering van de Federale Republiek Nigeria

(w.g.) ALHAJI ABUBAKAR ALHAJI

Alhaji Abubakar Alhaji

Meer over Jongbloed Fiscaal juristen

Twitter Updates

Volg ons op: