Box 3

In box 3 wordt het inkomen uit sparen en beleggen in de belastingheffing betrokken. Het inkomen uit sparen en beleggen wordt bepaald aan de hand van een verondersteld rendement van 4%.

Peildatum

Voor de belastingheffing wordt uitgegaan van de fictie dat het netto-vermogen - het saldo van de bezittingen en schulden die in box 3 vallen - jaarlijks een verondersteld rendement van 4% oplevert. Dat rendement wordt berekend over de werkelijke waarde van de bezittingen minus de werkelijke waarde van de schulden. Het 4% rendement wordt belast tegen een vast tarief van 30%, waardoor de vermogensrendementsheffing uitkomt op 1,2% van de waarde van het netto-vermogen. Door de forfaitaire vaststelling van het rendement zijn de werkelijk genoten inkomsten niet langer van belang voor de belastingheffing. Een tegenbewijsregeling wordt niet in de wet opgenomen: in alle gevallen wordt het forfaitaire rendement op 4% gesteld. Door deze aanpak kan het rendement boven de 4% van de waarde van het vermogen belastingvrij worden genoten! Anderzijds heeft de forfaitaire vaststelling van het rendement tot gevolg dat de kosten ter verwerving van de inkomsten - zoals financieringsrente of onderhoudskosten - niet aftrekbaar zijn. Overigens komt de schuld wél in aftrek op de grondslag voor de rendementsheffing (de facto leidt dit tot een belastingbesparing van 1,2% van de schuld).

Het vermogen dat jaarlijks in de vermogensrendementsheffing wordt betrokken, is het gemiddelde van het vermogen aan het begin en aan het einde van het jaar. Indien de belastingplicht in de loop van het jaar begint - bij geboorte en immigratie - wordt de begindatum op die datum gesteld. Eindigt de belastingplicht in de loop van het jaar door overlijden of emigratie, dan wordt de einddatum op dat tijdstip gesteld. Het forfaitaire 4% rendement moet dan naar tijdsgelang worden herrekend; daarbij wordt het rendement op 1/3% per maand gesteld. Gedeelten van een kalendermaand worden niet in aanmerking genomen.

Grondslagen

De grondslag van de vermogensrendementsheffing omvat het eigen vermogen van de belastingplichtige: de waarde in het economisch verkeer van de bezittingen minus de schulden voor zover die niet in box 1 of box 2 vallen.

De wet somt de bezittingen op in zes limitatieve categorieën, te weten:

  • Onroerende zaken. Denk aan verhuurde onroerende zaken, tweede woningen, percelen bouwgrond. Uitgezonderd zijn de eigen woning en de bedrijfspanden van een IB-onderneming (die vallen in box 1) en de onroerende zaken die via de terbeschikkingstellingsregeling in box 1 vallen.
  • Rechten die op onroerende zaken betrekking hebben. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om verhuurde onroerende zaken op erfpachtsgrond, het recht van vruchtgebruik op een woning, een huurrecht, een appartementsrecht of een recht van opstal.
  • Roerende zaken. Hieronder vallen roerende zaken voor zover de belastingplichtige en zijn huisgenoten die niet voor persoonlijke doeleinden gebruiken of verbruiken. De privé-auto, een jacht, de inboedel en dergelijke behoren derhalve niet tot de bezittingen. Een uitzondering geldt voor roerende zaken die wel voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt, doch die hoofdzakelijk als belegging dienen. De inspecteur zal moeten aantonen dat dergelijke 'persoonlijke' roerende zaken een belegging vormen. De aard en hoeveelheid van dergelijke zaken is daarbij van groot belang. Zo zullen antieke meubelen als onderdeel van de inboedel niet snel als belegging kunnen worden aangemerkt, maar een verzameling klassieke auto's wél.
  • Rechten op onroerende zaken.
  • Rechten die niet op zaken betrekking hebben. Hieronder vallen bijvoorbeeld chartaal en giraal geld, aandelen (m.u.v. van aanmerkelijk belangaandelen: die vallen immers in box 2). Verder kunnen worden genoemd: opties, winstbewijzen, obligaties, vorderingen, winstrechten, rechten op kapitaaluitkeringen uit levensverzekeringen (indien en voor zover die niet in box 1 vallen), etc.
  • Overige vermogensrechten. Onder deze restcategorie valt bijv. een vergunning of het vermogen dat is ondergebracht in een trust.

Op deze bezittingen kunnen de schulden in aftrek worden gebracht. Daarbij kunnen alle schulden in aanmerking worden genomen die niet in box 1 of box 2 vallen. Dus ook schulden die niet specifiek aan een bezitting in box 3 kunnen worden gekoppeld, zoals bijv. een schuld voor consumptieve uitgaven. Voor de aftrek van schulden geldt een niet aftrekbaar drempelbedrag van € 2.600 (cijfer 2003).

Ook een schuld die is aangegaan voor de verwerving van een vrijgestelde bezitting - zoals bijv. een privé-auto of jacht - kan zonder meer in aftrek worden gebracht. Belastingschulden, zowel actuele als latente, kunnen niet in mindering op het vermogen worden gebracht.

De vermogensrendementsheffing is elk jaar ten minste nihil: indien door de aftrek van schulden een negatief vermogen ontstaat, leidt dat niet tot een negatief forfaitair bedrag.

Beleggen met geleend geld

Onder de vermogensrendementsheffing is de financieringsrente - net als alle andere aftrekbare kosten - verdisconteerd in het forfaitaire rendement van 4%. De enige fiscale tegemoetkoming die resteert voor het beleggen met geleend geld is dat de schuld in mindering kan worden gebracht op de waarde van de beleggingen. Daardoor wordt de grondslag voor de vermogensrendementsheffing verminderd. In wezen wordt daardoor een renteaftrek van 4% verkregen; die levert een belastingbesparing op van 30% van 4% = 1,2% van de hoofdsom van de schuld.

Vrijstellingen

Diverse bezittingen en schulden zijn vrijgesteld van de vermogensrendementsheffing. De belangrijkste vrijstellingen in 2003 zijn:

  1. Bossen, natuurterreinen en landgoederen (exclusief de gebouwde eigendommen).
  2. Voorwerpen van kunst en wetenschap, tenzij deze hoofdzakelijk als belegging dienen.
  3. Polissen van levensverzekeringen die uitsluitend voorzien in een uitkering bij overlijden van de belastingplichtige, zijn partner of een familielid danwel een begrafenisverzekering in natura, mits de waarde van zo'n polis per persoon niet meer dan € 6.244 bedraagt.
  4. Kapitaalverzekeringen die uitsluitend tot uitkering komen bij invaliditeit, ziekte of ongeval.
  5. Maatschappelijke beleggingen zijn vrijgesteld tot een bedrag van in totaal € 51.390; tussen partners kan dit bedrag worden overgedragen zodat € 102.780) is vrijgesteld. Onder maatschappelijke beleggingen vallen groene beleggingen en sociaal-ethische beleggingen; hierboven werd al vermeld dat voor dergelijke beleggingen ook een extra heffingskorting van 1,3% van het aldus vrijgestelde bedrag wordt toegekend; op 31 december 2000 bestaande groene beleggingen zijn tot en met 2010 integraal vrijgesteld van box 3, terwijl de 1,3% heffingskorting over de volledige waarde geldt.
  6. Krachtens erfrecht opgekomen rechten op roerende zaken die voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt, zoals de inboedel van een eigen woning, tenzij deze hoofdzakelijk als belegging dienen.
  7. De vorderingen en schulden die ontstaan bij de wettelijke verdeling van de nalatenschap volgens het erfrecht.
  8. Beleggingen in aangewenzen groenfondsen.
  9. Aandelen in, winstbewijzen van en geldleningen aan aangewezen sociaal-ethische fondsen.
  10. Beleggingen in durfkapitaal tot een gezamenlijk maximum van € 51.390.
  11. Voor de goede orde merk ik op dat de (eerste) eigen woning geen deel uitmaakt van het vermogen van box 3 , maar behoort tot het inkomen uit werk en woning van box 1.

Vermogensvrijstelling

Naast deze vrijstellingen geldt in 2004 een vermogensvrijstelling van € 19.252; voor partners geldt een gezamenlijke vrijstelling van € 38.504. Samenwonende partners kunnen hun heffingsvrije bedragen bij elkaar tellen; daartoe dient elk jaar opnieuw een verzoek te worden gedaan bij de aangifte van de partner die de verhoogde vrijstelling wenst toe te passen. Indien het gezag over een minderjarig kind wordt uitgeoefend, wordt de vrijstelling per kind verhoogd met een bedrag van € 2.571.

Belastingplichtigen van 65 jaar en ouder (bij het einde van het kalenderjaar) krijgen een beperkte ouderentoeslag op de vermogensvrijstelling. Deze toeslag bedraagt maximaal € 12.742 per persoon als de gemiddelde rendementsgrondslag (na aftrek heffingsvrije vermogen) niet meer dan € 254.784 bedraagt én het inkomen uit werk en woning (voor kinderopvang en persoonsgebonden aftrekposten) niet meer dan € 15.118 bedraagt. Is dit box 1-inkomen daarenboven minder dan € 12.742, dan bedraagt de ouderentoeslag maximaal € 25.484 per persoon.

Waardering in box 3

De bezittingen en schulden moeten voor de vermogensrendementsheffing worden gewaardeerd op de waarde in het economisch verkeer. Daardoor worden de waardemutaties van de bezittingen en schulden - indirect, als onderdeel van het forfaitaire rendement van 4% - in de belastingheffing betrokken. Bij de waardering geldt dat bezittingen die in het economisch verkeer als een eenheid worden beschouwd, ook als een eenheid moeten worden gewaardeerd.

Voor de waardering van effecten die aan de Amsterdamse beurs zijn genoteerd, moet worden uitgegaan van de officiële AEX-prijscourant. Onroerende zaken moeten in beginsel op de waarde in het economisch verkeer worden gewaardeerd. Bij woningen die in "belangrijke mate" ter beschikking staan aan de belastingplichtige mag worden uitgegaan van de WOZ-waarde. Voor genotsrechten, zoals een recht van vruchtgebruik of een recht van gebruik en bewoning, zijn nadere waarderingsvoorschriften van toepassing.


Auteur(s) van Box 3


mr. D.J.B. Jongbloed (Dennis).
Fiscaal Jurist, DGA

088 027 00 00
d.jongbloed@jongbloed.tv




Jongbloed Fiscaal Juristen N.V.
Oldenzaalsestraat 125
7514 DP Enschede
, Overijssel


Deze pagina is aangemaakt op: 25-10-2004 13:50.
Laatst gewijzigd op: 13-01-2013 15:42

Meer over Jongbloed Fiscaal juristen

Twitter Updates

Volg ons op:

U bevindt zich hier : Kennisbank Inkomstenbelasting Box 3